summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/10349-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '10349-0.txt')
-rw-r--r--10349-0.txt10308
1 files changed, 10308 insertions, 0 deletions
diff --git a/10349-0.txt b/10349-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..7ef3cfd
--- /dev/null
+++ b/10349-0.txt
@@ -0,0 +1,10308 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10349 ***
+
+
+
+ WONDERREIZEN.
+
+ JULES VERNE.
+
+ NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I
+
+ Prof. Otto Lidenbrock.--Eigenaardigheden van oom.--De
+ studeerkamer.
+
+
+Op Zondag, den 25sten Mei 1863, keerde mijn oom, professor Lidenbrock,
+haastig terug naar zijn huisje No 19 van de Koningstraat, eene der
+oudste straten van de oude wijk te Hamburg.
+
+De goede Martha zou bijna gedacht hebben veel te laat te zijn, want
+het middageten was nauwelijks aan de kook op het fornuis in de keuken.
+
+"Goed," zeide ik bij mij zelven, "als hij honger heeft, zal mijn oom,
+die de ongeduldigste mensch is, luide jammerkreten aanheffen."
+
+"Is mijnheer Lidenbrock daar reeds!" riep de goede Martha vol
+ontsteltenis, terwijl zij de deur der eetzaal op een kier zette.
+
+"Ja, Martha! maar het eten behoeft nog niet klaar te zijn, want het
+is nog geen twee uur. De klok der St. Michaëlskerk heeft pas half
+twee geslagen."
+
+"Waarom komt mijnheer Lidenbrock dan t'huis?"
+
+"Dat zal hij ons wellicht zeggen."
+
+"Daar is hij! Ik maak mij uit de voeten. Mijnheer Axel! gij moet het
+hem maar onder het oog brengen." En de goede Martha vluchtte naar
+de keuken.
+
+Ik bleef alleen. Maar mijn min of meer besluiteloos karakter gedoogde
+niet, dat ik den opvliegendste van alle professoren iets onder het
+oog zou brengen. Ik maakte mij dus gereed om voorzichtig naar mijn
+bovenkamertje te wijken, toen de huisdeur op hare hengsels knarste,
+zware voetstappen de houten trap deden kraken, en de heer des huizes,
+de eetzaal doorgaande, terstond zijn studeervertrek binnenstormde.
+
+Maar in dien snellen loop had hij zijn stok met een knop in den vorm
+van een notenkraker in een hoek, zijn grooten hoed, tegen de vleug
+in opgeborsteld, op de tafel gesmeten, en riep hij zijn neef met een
+bulderende stem toe: "Axel, volg mij!"
+
+Ik had nog geen tijd gehad om mij te bewegen, toen de professor
+mij reeds op den toon van het levendigste ongeduld toeschreeuwde:
+"Hoe is het, zijt gij er nog niet?"
+
+Ik stoof het vertrek van mijn geduchten oom binnen.
+
+Otto Lidenbrock was, ik erken het gaarne, geen kwaad mensch; maar,
+als er geene ondenkbare veranderingen plaats hebben, zal hij als een
+echte zonderling sterven.
+
+Hij was professor aan het Johannaeum en hield een cursus over
+de delfstofkunde, waarbij hij zich geregeld een paar keeren boos
+maakte. Niet dat hij er zich over bekommerde of zijne leerlingen zijne
+lessen vlijtig bijwoonden, of zij hem oplettend volgden en of zij er
+later eenig voordeel van zouden hebben; die beuzelingen verontrustten
+hem niet. Hij onderwees "subjectief," zooals de duitsche wijsgeeren het
+noemen, voor zich zelven en niet voor anderen. Hij was een baatzuchtig
+geleerde, een put van geleerdheid, welker katrol knarste, als men er
+iets uit wilde halen. Met één woord, een vrek.
+
+Er zijn in Duitschland eenige professoren van dat slag.
+
+Ongelukkig was mijn oom niet zeer vlug bespraakt, wel niet in den
+huiselijken kring, maar toch als hij voor het publiek sprak, en dat
+is een lastig gebrek voor een redenaar. Zoo bleef de professor bij
+zijne voordrachten in het Johannaeum dikwijls steken; hij worstelde
+tegen een weerbarstig woord, dat niet van zijne lippen wilde vloeien,
+een van die woorden die tegenstand bieden, opzwellen en zich eindelijk
+uiten onder den niet zeer wetenschappelijken vorm van een vloek. Van
+daar zijn hevige toorn.
+
+Er komen in de delfstofkunde vele half grieksche, half latijnsche
+namen voor, die moeielijk uit te spreken zijn; van die ruwe benamingen,
+die de lippen van een dichter pijn zouden doen. Het zij verre van mij
+eenig kwaad van die wetenschap te willen zeggen. Maar ten opzichte van
+kristalen met zes ruitvormige vlakken van retin-asphalt-harsen, van
+gheleniten, van fangasiten, van loodhoudende-molybdaenumzuur zouten,
+van manganesium (tungsteenzuur) zouten en van zirconium titanium,
+kan zelfs de vlugste tong zich wel eens verspreken.
+
+In de stad was dit vergeeflijke gebrek van mijn oom zeer goed
+bekend. Men maakte er misbruik van, men wachtte er op bij gevaarlijke
+zinnen, hij werd woedend en men lachte, hetgeen niet beleefd is, zelfs
+voor Duitschers. Derhalve was er wel altijd een groote toevloed van
+hoorders bij de voorlezingen van Lidenbrock, maar velen woonden ze
+daarom getrouw bij om zich te vermaken met den bespottelijken toorn
+van den professor.
+
+Niettemin, ik kan het niet genoeg herhalen, was mijn oom een echt
+geleerde. Hoewel hij somtijds door al te ruwe behandeling zijne
+monsters brak, voegde hij toch bij het genie van den geoloog den
+blik van den mineraloog. Met zijn hamer, zijn stalen stift, zijn
+kompasnaald, zijn blaaspijp en zijn fleschje salpeterzuur was hij
+een zeer sterk man. Op de breuk, het voorkomen, de hardheid, de
+smeltbaarheid, den klank, den geur, den smaak van het een of ander
+metaal af, rangschikte hij het, zonder aarzelen, onder eene der zes
+honderd soorten, die de wetenschap tegenwoordig telt.
+
+De naam van Lidenbrock werd dan ook met eere genoemd op de gymnasiën
+en in de verschillende maatschappijen des lands. Humphry Davy,
+Humboldt, de kapiteins Franklin en Sabine verzuimden niet hem op
+hunne doorreis te Hamburg te bezoeken. Becquerel, Ebelmen, Brewster,
+Dumas, Milne Edwards, raadpleegden hem gaarne over de belangrijkste
+vraagstukken der scheikunde. Deze wetenschap had aan hem zeer schoone
+ontdekkingen te danken, en in 1853 was te Leipzig eene verhandeling
+over de transcendente kristallographie door professor Otto Lidenbrock
+verschenen, een groote foliant met platen, die echter de kosten
+niet goedmaakte.
+
+Voeg daar nog bij, dat mijn oom conservator was van het mineralogisch
+museum van den heer Struve, gezant van Rusland, eene kostbare
+verzameling, die eene europeesche vermaardheid genoot.
+
+Dat was de persoon, die mij ongeduldig aansprak. Stel u een grooten,
+mageren man voor, met een ijzeren gestel en met blonde haren, die hem
+eer veertig dan vijftig jaar deden schijnen. Zijne groote oogen rolden
+onophoudelijk rond achter een ontzaglijken bril; zijn lange, dunne neus
+geleek op een scherp lemmet; de booze wereld beweerde zelfs dat hij
+magnetisch was en ijzervijlsel aantrok. Louter laster; hij trok slechts
+snuif aan, maar, ik wil er niet om liegen, in groote hoeveelheid.
+
+Als ik hier nu nog bijvoeg, dat mijn oom wiskundig berekende schreden
+deed van drie voet, en als ik zeg, dat hij onder het loopen zijne
+vuisten stijf gesloten hield, het teeken van een onstuimigen aard,
+zal men hem genoeg kennen om juist niet bijzonder op zijn gezelschap
+gesteld te zijn.
+
+Hij woonde in zijn huisje in de Koningstraat; eene woning half
+van hout, half van steen, met een gevelmuur met trappen; zij had
+het uitzicht op eene van die bochtige grachten, die zich door de
+oudste wijk van Hamburg kronkelen, welke de brand van 1842 gelukkig
+gespaard heeft.
+
+Het oude huis hing wel is waar een weinig over en bedreigde de
+voorbijgangers; het dak stond scheef, even als de pet van een student
+van het Tugendbund; de loodrechte richting liet wel wat te wenschen
+over; maar over het geheel hield het zich goed, dank zij een ouden
+olmboom, die stevig aan den voorgevel was vastgegroeid en in de lente
+met zijne bloesemknoppen door de vensterruiten drong.
+
+Mijn oom was rijk voor een duitsch professor. Het huis, met al wat er
+in was, behoorde hem in vollen eigendom toe. Wat er in was bestond
+uit zijn petekind Gräuben, een meisje van 17 jaar, de goede Martha
+en mij. In mijne dubbele hoedanigheid van neef en pupil werd ik zijn
+handlanger bij zijne proefnemingen.
+
+Ik beken gaarne, dat ik mij met de borst op de geologische
+wetenschappen toelegde; het bloed van een mineraloog vloeide door
+mijne aderen en ik verveelde mij nooit in gezelschap van mijne
+kostbare steenen.
+
+Kortom, men kon in dat huisje in de Koningstraat gelukkig leven,
+ondanks het ongeduld van zijn eigenaar; want, al was hij soms wat
+ruw, toch hield hij veel van mij. Maar die man kon niet wachten en
+was zelfs voortvarender dan de natuur. Wanneer hij in April in de
+bloempotten van zijn vertrek stammetjes reseda of volubilis geplant
+had, ging hij regelmatig iederen morgen aan de blaadjes trekken om
+hun groei te verhaasten.
+
+Tegenover zulk een zonderling zat er niets anders op dan te
+gehoorzamen. Ik vloog dus naar zijne kamer.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+ Een fraai boek.--Een merkwaardige inhoud.--Het oude document.
+ --Wat het oude papier kostte.
+
+
+Die kamer was een waar museum. Alle monsters uit het delfstoffenrijk
+waren, in de uiterste orde, van opschriften voorzien naar de drie
+groote afdeelingen van brandbare, metaalachtige en steenachtige
+delfstoffen.
+
+Of ik ze kende, die bronnen der delfstofkunde! Hoe menigmaal had
+ik in plaats van met jongens van mijne jaren te spelen, er behagen
+in gevonden om die potloodertsen, die koolblende, die steenkolen,
+die bruinkolen, die turven af te stoffen! En de jodenlijm, de
+harsen, de organische zouten, die voor het geringste stofje bedaard
+moesten blijven! En die metalen, van het ijzer af tot het goud toe,
+wier betrekkelijke waarde verdween bij de volstrekte waarde als
+wetenschappelijke voorbeelden! En al die steenen, waarmede men het
+huis in de Koningstraat had kunnen herbouwen, zelfs met eene mooie
+kamer er bij, die mij zoo goed zou aangestaan hebben!
+
+Maar bij mijn binnentreden in het vertrek dacht ik in het geheel niet
+aan die wonderen. Al mijne gedachten bepaalden zich tot mijn oom. Hij
+lag gedoken in zijn grooten armstoel met utrechtsch fluweel bekleed
+en hield een boek in de hand, dat hij met de diepste bewondering
+beschouwde.
+
+"Welk een boek! welk een boek!" riep hij uit.
+
+Deze uitroep herinnerde mij dat professor Lidenbrock in zijne verloren
+oogenblikken ook een boekengek was; maar een oud boek had in zijne
+oogen alleen waarde als het onverkrijgbaar of tenminste onleesbaar was.
+
+"Welnu," zeide hij mij, "ziet gij het dan niet? Het is een
+onwaardeerbare schat, dien ik dezen morgen gevonden heb bij het
+doorsnuffelen van den winkel van Hevelius, den jood."
+
+"Heerlijk!" antwoordde ik met eene gemaakte geestdrift.
+
+Maar waartoe diende dan ook de ophef over een ouden kwartijn in
+grof kalfsleeren band, een geelachtig boek, waaruit een verkleurd
+leesteeken hing?
+
+Intusschen kwam er maar geen einde aan de uitroepen van bewondering
+van den professor.
+
+"Zie," zeide hij, zich zelven vragende en antwoordende, "is het
+niet mooi? Ja, zelfs bewonderenswaardig! En welk een band! Gaat het
+boek gemakkelijk open? Ja, want het blijft bij iedere bladzijde open
+liggen. Maar sluit het wel goed? Ja, want de band en de bladen vormen
+een goed geheel, zonder zich ergens te scheiden of te gapen! En dan
+die rug, waarin na een bestaan van 700 jaar nog geen enkele scheur
+is! Bozerian, Closs of Purgold zouden trotsch geweest zijn op zulk
+een band!"
+
+Zoo sprekende opende en sloot mijn oom gedurig het oude boek. Het
+minste wat ik doen kon was hem naar den inhoud te vragen, hoewel die
+mij geen het minste belang inboezemde.
+
+"En wat is dan wel de titel van dat merkwaardige boek?" vraagde ik
+met eene drift, die te hevig was om niet geveinsd te zijn.
+
+"Dit werk," antwoordde mijn oom vol opgewondenheid, "is de
+Heims-Kringla van Snorre Turleson, den beroemden ijslandschen schrijver
+uit de twaalfde eeuw. Het is de kroniek der noorweegsche vorsten,
+die over IJsland regeerden."
+
+"Waarlijk!" deed ik mijn best om uit te roepen, "dan is het zonder
+twijfel eene duitsche vertaling?"
+
+"Nu nog mooier!" antwoordde de professor driftig, "eene vertaling! Wat
+zou uwe vertaling mij baten? Wie geeft iets om uwe vertaling? Het is
+het oorspronkelijk werk in de ijslandsche taal, die prachtige, rijke
+maar tevens eenvoudige taal, die de meest verschillende spraakkunstige
+verbindingen en talrijke vormveranderingen der woorden toelaat."
+
+"Even als het duitsch," bracht ik vrij gelukkig in het midden.
+
+"Ja," antwoordde mijn oom, de schouders ophalende; "maar met dit
+onderscheid, dat de ijslandsche taal de drie geslachten heeft, even
+als het grieksch en de eigennamen verbuigt als het latijn."
+
+"Zoo!" zeide ik een weinig in mijne onverschilligheid geschokt,
+"en is de druk van dit boek fraai?"
+
+"Druk! wie spreekt er van druk, ongelukkige Axel? Druk! Houdt gij
+dit dan voor een gedrukt boek? Neen, domoor! het is een handschrift
+en wel een runisch handschrift!..."
+
+"Een runisch?"
+
+"Ja! Zoudt gij misschien willen, dat ik u eene verklaring van dat
+woord gaf?"
+
+"Daar zal ik wel op passen," antwoordde ik op den toon van iemand,
+wiens eigenliefde gekwetst is.
+
+Maar mijn oom draafde door en onderrichte mij tegen mijn zin in zaken,
+die ik niet verlangde te weten.
+
+"De runen," hernam hij, "waren schrijfletters, die vroeger op
+IJsland in gebruik waren, en volgens de overlevering had Odin zelf
+ze uitgevonden. Goddelooze! bezie en bewonder dan toch die teekens,
+welke uit het brein van een god zijn voortgekomen!"
+
+Niet wetende wat te antwoorden, was ik waarlijk op het punt om neder
+te knielen, eene soort van antwoord, dat den goden even zeer moet
+bevallen als den koningen, omdat het het voordeel heeft van hen nooit
+in verlegenheid te brengen, toen een toeval den loop van het gesprek
+eene andere wending gaf.
+
+Het was de verschijning van een smerig perkament, dat uit het boek
+gleed en op den grond viel.
+
+Mijn oom viel met eene onbegrijpelijke gretigheid op die vod aan. Het
+kon niet missen of een oud document, misschien sedert onheugelijke
+tijden in een oud boek gesloten, moest hooge waarde in zijn oog hebben.
+
+"Wat is dat?" riep hij uit.
+
+En tegelijk ontvouwde hij zorgvuldig op zijne tafel een stuk perkament,
+10 duim lang en 6 duim breed, waarop in dwarse lijnen onverklaarbare
+teekens stonden.
+
+Wij voegen een nauwkeurig fac-simile er van hiernevens.
+
+
+[AFBEELDING]
+
+
+Ik stel er prijs op om die zonderlinge teekens te doen kennen, want
+door hen werden professor Lidenbrock en zijn neef aangezet om den
+vreemdsten tocht der negentiende eeuw te ondernemen.
+
+De professor beschouwde eenige oogenblikken deze rij letters;
+vervolgens zeide hij zijn bril afnemende:
+
+"Het is runisch schrift; deze letterteekens zijn geheel overeenkomstig
+met die van het handschrift van Snorre Turleson! Maar ... wat zou
+het toch beteekenen?"
+
+Daar het runisch schrift mij voorkwam eene uitvinding van geleerden te
+zijn om den grooten hoop zand in de oogen te strooien, speet het mij
+geenszins, toen ik zag, dat mijn oom er niets van begreep. Dat maakte
+ik ten minste op uit de beweging zijner vingers, die hij geducht heen
+en weer draaide.
+
+"Het is echter oud ijslandsch!" bromde hij binnensmonds.
+
+En professor Lidenbrock moest het wel weten, want men hield hem voor
+een groot taalkenner. Wel sprak hij de 2000 talen en 4000 tongvallen,
+die op de oppervlakte der aarde in gebruik zijn, niet vloeiend,
+maar hij wist er toch aardig wat van.
+
+Toen deze moeielijkheid zich opdeed, was hij op het punt zich aan
+al de onstuimigheid van zijn karakter over te geven en ik voorzag
+een heftig tooneel, toen het twee uur sloeg op het kleine uurwerk op
+den schoorsteenmantel.
+
+Dadelijk opende de goede Martha de deur van het vertrek, zeggende:
+"De soep staat op tafel."
+
+"De drommel hale de soep," riep mijn oom, "en haar, die ze gekookt
+heeft, en hen, die ze zullen eten!"
+
+Martha vluchtte, ik ijlde haar achterna, en zonder te weten hoe,
+zat ik op mijne gewone plaats in de eetzaal.
+
+Ik wachtte eenige oogenblikken. De professor kwam niet. Dit was
+de eerste keer, voorzoover ik wist, dat hij bij het middagmaal
+gemist werd. En welk een kostelijk middagmaal! eene groentesoep, een
+spekpannekoek met zuring bestrooid met notemuskaat, een kalfsnierstuk
+met ingelegde pruimen, en tot nagerecht garnalen met suiker, alles
+besproeid met lekkeren Moezelwijn.
+
+Zooveel kostte dat oude papier aan mijn oom. In mijne hoedanigheid
+van liefhebbenden neef meende ik inderdaad verplicht te zijn om voor
+hem en mij te eten, hetgeen ik ook met de grootste nauwgezetheid deed.
+
+"Ik heb nooit zoo iets gezien!" zeide de goede Martha onder het
+bedienen. "Mijnheer Lidenbrock niet aan tafel!"
+
+"Het is haast ongelooflijk."
+
+"Dat voorspelt de eene of andere gewichtige gebeurtenis!" hernam de
+oude meid het hoofd schuddende.
+
+Mijns inziens voorspelde het niets anders dan een heftig tooneel,
+als mijn oom zijn middagmaal verdwenen zou zien.
+
+Ik peuzelde juist mijne laaste garnaal op, toen eene bulderende stem
+mij aan de genoegens van het nagerecht ontrukte. In één sprong was
+ik uit de zaal in het studeervertrek.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+ Een runisch handschrift.--Uitleg van het alphabet--Het
+ geheimschrift.--Een geleerd man.--Nichtje Gräuben.--Ontcijfering
+ van het dokument.--Einde der ontcijfering.
+
+
+"Het is stellig runisch," zeide de professor zijne wenkbrauwen
+fronsende. "Maar er schuilt een geheim achter, dat ik ontdekken zal,
+of...."
+
+Een driftig gebaar gaf zijne bedoeling genoegzaam te kennen.
+
+"Ga daar zitten," voegde hij er bij, terwijl hij met zijne vuist de
+tafel aanwees, "en schrijf."
+
+In een oogenblik was ik gereed.
+
+"Nu zal ik u iedere letter van ons alphabet opnoemen, die met eene
+van deze ijslandsche letters overeenkomt. Wij zullen zien wat dat
+geeft. Maar, bij St. Michaël! pas op, dat ge u niet vergist."
+
+De opnoeming begon. Ik deed mijn uiterste best; de eene letter werd
+na de andere opgenoemd en vormde zoo de onverstaanbare opeenvolging
+der volgende woorden:
+
+
+ m.rnlls esreuel seeJde
+ sgtssmf unteief niedrke
+ kt,samn atrateS Saodrrn
+ emtnaI nuaect rrilSa
+ Atvaar nscrc ieaabs
+ ccdrmi eeutul frantu
+ dt,iac oseibo KediiI
+
+
+Toen dit werk af was, nam mijn oom driftig het blad, waarop ik
+geschreven had, en bekeek het lang met aandacht.
+
+"Wat beteekent dat?" herhaalde hij werktuigelijk.
+
+Op mijne eer, ik zou het hem niet hebben kunnen zeggen. Daarenboven
+ondervroeg hij mij ook dienaangaande niet en ging voort met tot zich
+zelven te spreken.
+
+"Dat noemen wij geheimschrift," zeide hij, "waarvan de zin verborgen
+is onder letters, die opzettelijk verkeerd geplaatst zijn en die
+ordelijk geschikt een verstaanbaren zin zouden opleveren! En wanneer
+ik bedenk, dat daarin misschien de verklaring of de aanwijzing eener
+groote ontdekking is opgesloten!"
+
+Ik voor mij dacht wel, dat er niets in opgesloten was, maar hield
+mijne meening voorzichtig voor mij.
+
+Daarop nam de professor het boek en het perkament en vergeleek ze
+met elkander.
+
+"Deze twee geschriften zijn niet van dezelfde hand," zeide hij; "het
+geheimschrift is jonger dan het boek, en ik zie daarvan terstond een
+onwraakbaar bewijs. Inderdaad, de eerste letter is eene dubbele M,
+die men te vergeefs in het boek van Turleson zou zoeken, want zij werd
+eerst in de 14de eeuw bij het ijslandsche alphabet gevoegd. Derhalve
+liggen er minstens 200 jaar tusschen het handschrift en het document."
+
+Dat scheen mij, ik erken het, vrij logisch te zijn.
+
+"Dus word ik er toe gebracht," hernam mijn oom, "om te denken,
+dat een der bezitters van dit boek deze geheimzinnige teekens heeft
+geschreven. Maar, voor den drommel! wie was die bezitter? Zou hij
+zijn naam niet ergens op dit handschrift gezet hebben?"
+
+Mijn oom nam zijn bril af, kreeg een sterke loep en onderzocht
+nauwkeurig de eerste bladzijden van het boek. Op de keerzijde van de
+tweede, die van den voortitel, ontdekte hij een soort van vlek, die
+er op het oog als eene inktvlek uitzag. Intusschen onderscheidde men,
+als men het van nabij bezag, eenige half uitgewischte teekens. Mijn
+oom begreep, dat de hoofdzaak daar zat; hij bleef dus op de vlek
+turen en met behulp van zijne groote loep, bespeurde hij eindelijk
+de bijgaande teekens, runische letters, die hij zonder aarzelen las:
+
+[AFBEELDING]
+
+"Arne Saknussemm!" riep hij op een zegepralenden toon, "maar dat is
+een naam en wel een ijslandsche naam! die van een geleerde uit de
+16de eeuw, van een beroemden goudmaker!"
+
+Ik zag mijn oom met zekere bewondering aan.
+
+"Die goudmakers," hernam hij, "Avicenne, Bacon, Lulle, Paracelsius,
+waren de echte, de eenige geleerden van hun tijd. Zij hebben
+ontdekkingen gedaan, waarover wij met recht verbaasd staan. Waarom
+zou die Saknussemm onder dat onverstaanbare geheimschrift niet de
+eene of andere verrassende uitvinding verborgen hebben? Dat moet zoo
+zijn. Het is zoo!"
+
+De verbeeldingskracht van den professor werd door die veronderstelling
+aangevuurd.
+
+"Zonder twijfel," waagde ik te antwoorden, "maar welk belang kon die
+geleerde er bij hebben om zoo de eene of andere vreemde ontdekking
+te verbergen?"
+
+"Waarom? Waarom? Weet ik het? Heeft Galileï niet hetzelfde gedaan
+met Saturnus? Overigens zullen wij wel eens zien; ik moet achter het
+geheim van dit document komen en ik zal eten noch slapen, voor ik
+het geraden heb."
+
+"Zoo, zoo!" dacht ik.
+
+"Maar gij ook niet, Axel!" hernam hij.
+
+"Drommels!" zeide ik bij mij zelven, "het is gelukkig dat ik voor
+twee gegeten heb!"
+
+"Vooreerst," zeide mijn oom, "moeten wij de taal van dit geheimschrift
+vinden. Dat kan niet moeielijk zijn."
+
+Op deze woorden hief ik driftig mijn hoofd op. Mijn oom hervatte
+zijne alleenspraak:
+
+"Niets is gemakkelijker. Er zijn in dit document honderd twee en
+dertig letters, negen en zeventig medeklinkers tegen drie en vijftig
+klinkers. In deze evenredigheid zijn tennaastenbij de woorden der
+zuidelijke talen gevormd, terwijl de noordsche veel rijker zijn in
+medeklinkers. Het is dus eene zuidelijke taal."
+
+Deze gevolgtrekkingen waren zeer juist.
+
+"Maar welke taal is het?"
+
+Nu moest het blijken, wat de geleerde was, in wien ik echter een
+grondig analyticus vond.
+
+"Die Saknussemm," hernam hij, "was een geleerd man; zoodra hij dus
+niet in zijne moedertaal schreef, moest hij bij voorkeur de gewone taal
+der geleerden van de zestiende eeuw kiezen, ik bedoel het latijn. Als
+ik mij bedrieg, kan ik het beproeven met het spaansch, het fransch,
+het italiaansch, het grieksch, het hebreeuwsch. Maar de geleerden der
+zestiende eeuw schreven meestal in het latijn. Ik heb dus het recht
+om a priori te zeggen: "dit is latijn."
+
+Ik schoof heen en weder op mijn stoel. Mijne herinneringen als latinist
+kwamen in opstand tegen de meening, dat deze rij van zinledige woorden
+zou kunnen behooren tot de zoete taal van Virgilius.
+
+"Ja, latijn," hernam mijn oom, "maar verbasterd latijn."
+
+"Het zij zoo!" dacht ik. "Als gij het ontwart, moet gij slim zijn,
+oom!"
+
+"Laat ik nog eens goed zien," zeide hij, het blad weder opnemende,
+waarop ik geschreven had. "Ziedaar eene rij van honderd twee en dertig
+letters, die zich in eene schijnbare wanorde voordoen. Er zijn woorden,
+waarin alleen medeklinkers voorkomen, zooals het eerste "m.rnlls,"
+andere, in tegendeel, met veel klinkers, b.v. het vijfde "unteief,"
+of het voorlaatste "oseibo." Die schikking nu is blijkbaar niet
+willekeurig; zij is op wiskunstige gronden ingegeven door de onbekende
+reden, die de opeenvolging dezer letters heeft geregeld. Het is dunkt
+mij zeker, dat de oorspronkelijke volzin regelmatig is opgeschreven
+en daarna omgekeerd volgens eene wet, die ik moet ontdekken. Wie den
+sleutel van dit geheimschrift bezat, zou het vlug lezen. Maar welke
+is die sleutel? Axel! hebt gij dien sleutel?"
+
+Op die vraag antwoordde ik niets en wel om de volgende reden. Mijn
+oog was gevallen op een lief portret, dat aan den muur hing, het
+portret van Gräuben. De pupil van mijn oom was toen te Altona bij eene
+harer bloedverwanten, en hare afwezigheid maakte mij zeer treurig;
+want, ik mag het nu bekennen, het lieve meisje en de neef van den
+professor beminden elkander met al het geduld en al de bedaardheid
+van Duitschers; wij waren verloofd buiten weten van mijn oom, die te
+zeer geoloog was om dergelijke gevoelens te begrijpen. Gräuben was
+eene lieve blonde deern met blauwe oogen een eenigszins zwaarmoedig
+karakter en een nadenkenden geest; zij beminde mij daarom niet minder;
+ik voor mij aanbad haar, als dat woord ten minste in de oud-duitsche
+taal bestaat! De beeltenis mijner aangebedene wierp mij dus plotseling
+uit de wereld der naakte werkelijkheid in die der hersenschimmen,
+der herinneringen.
+
+Ik zag de getrouwe gezellin van mijn arbeid en van mijne vermaken
+terug. Zij hielp mij iedereen dag om de kostbare steenen van mijn oom
+te rangschikken; zij plaatste er met mij de briefjes op. Juffrouw
+Gräuben was zeer sterk in de delfstofkunde! Meer dan één geleerde
+zou een lesje bij haar hebben kunnen halen. Zij onderzocht gaarne
+grondig de netelige vraagstukken der wetenschap. Wat al zoete uren
+hadden wij doorgebracht met samen te studeeren, en hoe benijdde ik
+somtijds het lot dier gevoellooze steenen, die zij met hare bekoorlijke
+handen aanraakte.
+
+Als daarna het uur van uitspanning kwam, gingen wij beiden uit; wij
+kozen de lommerrijke lanen van de Alster en begaven ons gezamenlijk
+naar den ouden geteerden molen, die zich zoo goed voordoet aan het
+uiteinde van het meer; onderweg keuvelden wij, elkander bij de hand
+houdende; ik vertelde haar allerlei, waarover zij luidkeels lachte;
+zoo kwamen wij aan den oever der Elbe en na de zwanen, die tusschen
+de groote witte plompen rondzwemmen, goeden nacht gewenscht te hebben,
+keerden wij per stoomboot naar de kaai terug.
+
+Zoo ver was ik met mijn gepeins, toen mijn oom, met zijne vuist op
+de tafel slaande, mij met geweld tot de werkelijkheid terugvoerde.
+
+"Laat eens zien," zeide hij, "de eerste gedachte die zich aan den geest
+moet voordoen om de letters van een volzin te verwarren is, dunkt mij,
+om de woorden onder in plaats van naast elkander te schrijven."
+
+"Wel mogelijk!" dacht ik.
+
+"Wij zullen zien, wat dat geeft Axel! schrijf den een of anderen
+volzin op dit stukje papier; maar zet de letters in plaats van achter
+elkander in geregelde rijen, elke van vijf of zes, onder elkander."
+
+"Ik begreep, wat hij bedoelde, en onmiddelijke schreef ik van boven
+naar beneden:
+
+
+ I i n i r n
+ k n i e ä !
+ b u g v u
+ e i , e b
+ m n l G e
+
+
+"Goed," zeide de professor, zonder gelezen te hebben. "Zet nu deze
+woorden op een regel naast elkander."
+
+Ik gehoorzaamde en kreeg den volgenden volzin:
+
+linirn, knieä! bugvu ei,eb, mnlGe.
+
+"Heel goed!" riep mijn oom, mij het papier uit de hand rukkende, "dat
+lijkt al een beetje op het oude document; de klinkers staan in dezelfde
+wanorde als de medeklinkers; er zijn zelfs hoofdletters en komma's
+in het midden der woorden, juist als op het perkament van Saknussemm!"
+
+Ik kon niet nalaten deze opmerkingen zeer schrander te vinden.
+
+"Om nu," hernam mijn oom, zich rechtstreeks tot mij wendende, "den
+volzin te lezen, dien gij geschreven hebt en ik niet ken, zal het
+genoeg zijn om achtereenvolgens de eerste letter van ieder woord te
+nemen, dan de tweede, dan de derde, enz."
+
+En tot zijne groote verwondering, maar vooral tot de mijne, las
+mijn oom:
+
+"Ik bemin u innig, lieve Gräuben!"
+
+"Ei!" riep de professor.
+
+Ja, zonder er om te denken had ik, als een verliefde lomperd dien
+gevaarlijken volzin geschreven!
+
+"Zoo, zoo! bemint gij Gräuben!" hernam mijn oom op den echten toon
+van een voogd.
+
+"Ja.... Neen...." stamelde ik.
+
+"Zoo, zoo! bemint gij Gräuben!" herhaalde hij werktuiglijk. "Welnu, wij
+zullen deze handelwijze op het voor ons liggende document toepassen."
+
+Weder in zijne alles overheerschende beschouwing verdiept, vergat mijn
+oom reeds mijne onvoorzichtige woorden. Ik zeg onvoorzichtige, want
+het hoofd van den geleerde kon geene zaken van het hart begrijpen. Maar
+gelukkig won het de groote zaak van het document.
+
+Op dat oogenblik, dat de voornaamste proef zou gedaan worden,
+schoten de oogen van professor Lidenbrock bliksemstralen door
+zijn bril; zijne vingers beefden, toen hij het oude perkament
+weder opnam; hij was diep ontroerd. Eindelijk hoestte hij hevig,
+en met eene ernstige stem achtereenvolgens de eerste, daarna de
+tweede letter van ieder woord noemende, gaf hij mij de volgende
+reeks op: mmessunkaSenrA. icefdoK.segnittamurtnecertserrette,
+rotaivsadua, ednecsedsadnelacartniiiluJsiratrac Sarbmutabiledmek
+meretarcsilucoYsleffenSnI.
+
+Toen ik gereed was, was ik waarlijk aangedaan; deze letters, één
+voor één opgenoemd, hadden geen zin opgeleverd; ik verwachtte dus,
+dat de professor een sierlijken latijnschen volzin statig van zijne
+lippen zou laten vloeien.
+
+Maar wie had zoo iets kunnen denken! Een hevige vuistslag deed de tafel
+dreunen. De inkt spatte uit den koker, de pen viel uit mijne hand.
+
+"Dat is het niet," riep mijn oom, "dat heeft geen gezonden zin!"
+
+Vervolgens het vertrek met bliksemsnelheid doorvliegende en de trap
+als eene lawine afstormende, snelde hij de Koningstraat in en was in
+een oogenblik uit het oog verdwenen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+ Vrees voor het raadselachtige werk.--Waar is oom?--Moeilijkheden
+ der ontcijfering.--De sleutel gevonden.
+
+
+"Is hij weg?" riep Martha, die kwam aanloopen op het geraas van de
+huisdeur, die zoo hard was toegetrokken, dat het geheele huis er
+van dreunde.
+
+"Ja!" antwoordde ik, "voor goed weg!"
+
+"Hoe is het met zijn middagmaal," vroeg de oude meid.
+
+"Hij zal niet eten!"
+
+"En met zijn avondeten?"
+
+"Hij zal niet eten!"
+
+"Wat!" zeide Martha, hare handen ineenslaande.
+
+"Neen, goede Martha! hij en niemand in huis zal meer eten! Oom
+Lidenbrock wil ons allen honger laten lijden, tot hij een oude vod
+ontcijferd heeft, die volstrekt onmogelijk te ontcijferen is!"
+
+"Dan zit er niet anders op dan van honger te sterven!"
+
+Ik durfde er niet voor uitkomen, dat dit ons onvermijdelijk lot zou
+zijn met zulk een onhandelbaar mensch als mijn oom.
+
+De oude meid ging, hevig ontroerd, zuchtende naar haar keuken terug.
+
+Toen ik alleen was, kwam ik op de gedachte om alles aan Gräuben te
+gaan vertellen; maar hoe zou ik het huis uitkomen? De professor kon
+ieder oogenblik terugkeeren. En als hij mij dan eens riep! En als
+hij weer eens wilde beginnen met dat raadselachtige werk, dat men te
+vergeefs den ouden OEdipus zou voorgelegd hebben! Antwoordde ik dan
+niet op zijn roep, wat zou er dan van komen?
+
+Blijven was dus het verstandigste. Juist had een delfstofkundige uit
+Besançon ons eene verzameling kiezelachtige adelaarsteenen gezonden,
+die gerangschikt moesten worden. Ik ging aan het werk. Ik schiftte en
+schikte in hunne hokjes al die holle steenen, waarin kleine kristallen
+zweefden.
+
+Maar die bezigheid gaf mij geene afleiding; de zaak van het oude
+document hield mij te zeer bezig. Mijn hoofd gloeide en ik werd
+door eene naamlooze onrust bevangen. Ik had een voorgevoel van een
+naderend onheil.
+
+Na verloop van een uur waren de adelaarsteenen ordelijk geschikt. Ik
+liet mij toen met slingerende armen en achteroverhangend hoofd in
+den grooten Utrechtschen armstoel neervallen. Ik stak mijn groote
+duitsche pijp aan, welker gebeeldhouwde kop eene achteloos uitgestrekte
+stroomnimf voorstelde; daarna vermaakte ik mij met den voortgang
+der verbranding te volgen, die van mijne stroomnimf langzamerhand
+een volslagen negerin maakte. Van tijd tot tijd luisterde ik, of er
+geen schreden op de trap klonken. Maar neen. Waar mocht mijn oom op
+dat oogenblik toch zijn? Ik verbeeldde mij hem te zien loopen onder
+de schoone boomen op den weg naar Altona, met zijn stok zwaaiende
+en blind pareerende, met geweld op het gras slaande, de toppen der
+distelplanten afhakkende en de schuwe ooievaars in hunne rust storende.
+
+Zou hij zegepralend of moedeloos huiswaarts keeren? Wie van beiden
+zou het winnen, het geheim of hij? Zoo ondervroeg ik mij zelven,
+en werktuigelijk nam ik het blad papier in handen, waarop de
+onverstaanbare reeks der door mij geschreven letters stond. Ik
+herhaalde bij mij zelven: "Wat beteekent dat?"
+
+Ik beproefde die letters zoo te schikken, dat zij woorden vormden. Het
+was onmogelijk. Of men ze bij tweeën, drieën, vijven of zessen
+vereenigde, het gaf niets verstaanbaars; wel vormden de veertiende,
+vijftiende en zestiende letter het woord "ice," de vier-, vijf-
+en zes en tachtigste het woord "sir," en eindelijk merkte ik in het
+midden van het document op den tweeden regel ook de latijnsche woorden
+"rota, mutabile, ira, nec, atra" op.
+
+"Drommels!" dacht ik, "uit die laatste woorden zou men bijna opmaken,
+dat oom gelijk heeft wat de taal van het document betreft. En zelfs
+bemerk ik nog op den derden regel het woord "luco," dat "heilig bosch"
+beteekent. Wel is waar leest men op den derden het woord "tabiled,"
+dat zuiver hebreeuwsch is, en de zelfstandige naamwoorden "mer, arc,
+mère," die zuiver fransch zijn."
+
+Dat was genoeg om iemand razend te maken! Vier verschillende talen in
+dien dwazen volzin! Welk verband kon er bestaan tusschen de woorden
+"ijs, mijnheer, toorn, wreed, heilig bosch, veranderend, moeder, boog
+of zee?" Het eerste en laatste alleen konden gemakkelijk overeenkomen;
+het was toch niet vreemd, dat in een document op IJsland geschreven,
+van eene "IJszee" gesproken werd. De verklaring van het raadsel was
+daarmede echter nog niets gevorderd.
+
+Ik worstelde dus hevig tegen eene onoplosbare zwarigheid; mijne
+hersenen gloeiden; ik pinkoogde op het blad papier; de honderd twee
+en dertig letters schenen om mij heen te dansen, gelijk die zilveren
+tranen die na een geweldigen aandrang van het bloed om ons hoofd in
+de lucht opstijgen.
+
+Ik was ten prooi aan eene soort van zinsbegoocheling, ik stikte, ik
+snakte naar lucht. Werktuigelijk bewaaide ik mij met het blad papier,
+welks beide zijden zich beurtelings aan mijn oog vertoonden.
+
+Hoe groot was mijne verbazing, toen ik bij eene van die snelle
+omdraaiingen, op het oogenblik dat de keerzijde naar mij gewend was,
+volkomen leesbare woorden, latijnsche woorden meende te bespeuren,
+o.a. "craterem, terrestre."
+
+Terstond ging er een licht voor mij op; deze eenvoudige kenteekenen
+deden mij de waarheid inzien; ik had de wet van het geheimschrift
+ontdekt. Om dit document te lezen was het niet eens noodig om door
+het omgekeerde blad heen te lezen! Neen. Zoo als het was, zoo als het
+mij was voorgezegd, kon het vloeiend gespeld worden. Alle vernuftige
+verbindingen van den professor werden bewaarheid; hij had gelijk gehad
+ten aanzien van de schikking der letters, gelijk ook ten aanzien van de
+taal van het document! Er was slechts eene "beuzeling" noodig geweest
+om dien latijnschen volzin van het eene einde tot het andere te kunnen
+lezen, en het toeval had mij die "beuzeling" aan de hand gedaan!
+
+Men kan nagaan hoe ontroerd ik was! Mijne oogen werden dof. Ik kon ze
+niet gebruiken. Ik had het blad papier op de tafel gelegd. Ik behoefde
+er slechts een blik op te slaan om bezitter van het geheim te worden.
+
+Eindelijk gelukte het mij mijne ontroering meester te worden. Ik
+maakte het mij tot een plicht om tweemaal de kamer rond te gaan,
+ten einde mijne zenuwen tot bedaren te brengen, vervolgens plaatste
+ik mij weder in den grooten armstoel.
+
+"Ik zal het lezen!" riep ik uit na ruim adem gehaald te hebben.
+
+Ik bukte over de tafel, legde mijn vinger achtereenvolgens op iedere
+letter, en zonder te stuiten, zonder één oogenblik te haperen, las
+ik luide den geheelen volzin.
+
+Maar welk eene ontsteltenis, welk een schrik greep mij aan! Ik stond
+eerst als door den bliksem getroffen. Hoe! wat ik daar vernam was reeds
+volbracht! iemand was vermetel genoeg geweest om door te dringen!....
+
+"Ach!" riep ik uit, terwijl ik opsprong, "neen! neen! oom mag het
+niet weten! Dat ontbreekt er nog maar aan, dat hij de lucht kreeg
+van zulk eene reis! Hij zou er wellicht ook smaak in krijgen! Niets
+zou hem kunnen tegenhouden! Hij, zulk een vastberaden geoloog, zou
+vertrekken in ieder geval, in weerwil, in spijt van alles! En hij
+zou mij medenemen en wij zouden niet terugkomen! Nooit, nooit!"
+
+Ik verkeerde in een onbeschrijfelijken toestand van opgewondenheid.
+
+"Neen, neen! het mag niet gebeuren," zeide ik vastbesloten, "en daar
+ik kan beletten, dat zulk een denkbeeld bij mijn dwingeland opkomt,
+zal ik het doen. Door dit document telkens te wenden en te keeren, zou
+hij bij toeval den sleutel kunnen ontdekken. Ik zal het vernietigen!"
+
+Er lag nog eenig vuur in den haard. Ik greep niet alleen het blad
+papier maar ook het perkament van Saknussemm; met koortsachtig bevende
+hand wilde ik alles op de kolen werpen en dit gevaarlijke geheim
+vernietigen, toen de kamerdeur geopend werd en mijn oom verscheen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+ De professor aan het werk.--De neef valt in slaap.--De
+ huissleutel verdwenen.--De vreugde van mijn oom.--De lezing
+ van het document.--De valiezen moeten gepakt worden.
+
+
+Ik had maar even den tijd om het onheil-aanbrengend document weder
+op de tafel te leggen.
+
+Professor Lidenbrock scheen in diep gepeins verzonken. De gedachte, die
+hem beheerschte, liet hem geen oogenblik rust; hij had klaarblijkelijk
+onder de wandeling de zaak onderzocht, ontleed, alle hulpbronnen
+zijner verbeeldingskracht aangewend, en kwam nu terug om de eene of
+andere nieuwe verbinding toe te passen.
+
+Hij ging inderdaad in zijn armstoel zitten en met de pen in de
+hand begon hij formules neer te schrijven, die op een algebraïsch
+vraagstuk geleken.
+
+Ik volgde met mijne oogen zijne sidderende hand; geen enkele zijner
+bewegingen ontging mij. Welke onverwachte uitkomst zou hij misschien
+verkrijgen? Ik beefde, maar zonder reden, omdat de ware, de "eenige"
+verbinding reeds gevonden zijnde, iedere andere nasporing noodwendig
+vergeefs moest zijn.
+
+Drie uur lang werkte mijn oom zonder te spreken, zonder het hoofd op
+te heffen, duizendmaal uitwisschende, weder opnemende, doorschrappende,
+weder beginnende.
+
+Ik wist wel dat, als het hem gelukte om die letters te schikken naar
+al de betrekkelijke plaatsen, die zij konden innemen, de zin klaar zou
+zijn. Maar ik wist ook, dat twintig letters reeds twee trillioenen,
+vier honderd twee en dertig duizend negen honderd twee billioenen,
+acht duizend één honderd zes en zeventig millioenen, zes honderd
+veertig duizend verbindingen moesten opleveren. In den zin waren
+honderd twee en dertig letters, en die honderd tweeën dertig letters
+gaven een getal verschillende volzinnen, dat uit minstens honderd
+drie en dertig cijfers bestaat, een getal bijna onmogelijk uit te
+spreken en dat alle bevatting te boven gaat.
+
+Ik was dus gerust over dit heldhaftige middel om het vraagstuk op
+te lossen.
+
+Intusschen verliep de tijd; het werd nacht; het gerucht op straat
+hield op; steeds over zijn werk gebukt zag mijn oom niets, zelfs de
+goede Martha niet, die de deur half opende; hij hoorde niets, zelfs
+de stem dezer waardige dienstbode niet die vroeg:
+
+"Zal Mijnheer dezen avond eten?"
+
+Martha moest zonder antwoord heengaan; ik voor mij, na mij eenigen
+tijd er tegen verzet te hebben, werd door den slaap overmand en sliep
+in op het einde van de canapé, terwijl oom Lidenbrock nog maar altijd
+berekende en doorschrapte.
+
+Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was de onvermoeide werkezel nog
+aan den arbeid. Zijne roode oogen, zijn bleek gezicht, zijne haren,
+waarin hij met eene koortsige hand had gewoeld, de purperroode rand
+onder zijne oogen bewezen genoegzaam zijne verschrikkelijke worsteling
+met het onmogelijke, en onder welk eene vermoeinis van zijn geest en
+inspanning van zijne hersenen de uren voor hem moesten verloopen zijn.
+
+Ik kreeg waarlijk medelijden met hem. In weerwil van de verwijten,
+die ik het recht meende te hebben om hem te doen, gevoelde ik zekere
+aandoening. De arme man werd zoo door zijne gedachten overheerscht,
+dat hij vergat om boos te worden; al zijne levenskrachten trokken zich
+op één punt samen, en daar zij niet door hare gewone veiligheidsklep
+ontsnapten, stond het te vreezen dat hare spanning hem binnen kort
+zou doen springen.
+
+Ik kon door een gebaar, door een woord slechts die ijzeren schroef
+losmaken, die op zijne hersenpan drukte. En ik deed het niet!
+
+Mijn hart was toch goed genoeg. Waarom bleef ik dan stom in zulk een
+geval? In het belang van mijn oom.
+
+"Neen, neen!" herhaalde ik, "neen, ik zal niet spreken! Hij zou er
+heen willen gaan, ik ken hem; niets zou hem kunnen tegenhouden. Hij
+heeft eene vulkanische verbeeldingskracht, en om te doen wat andere
+geologen niet gedaan hebben, zou hij zijn leven wagen. Ik zal zwijgen,
+ik zal het geheim bewaren, waarvan het toeval mij bezitter heeft
+gemaakt; het te ontdekken zou zoo goed zijn als professor Lidenbrock
+te dooden. Laat hij het raden, als hij kan, ik wil mij later niet te
+verwijten hebben, dat ik hem in het verderf heb gestort!"
+
+Nadat ik hieromtrent tot een besluit was gekomen, sloeg ik de armen
+over elkaar en wachtte. Maar ik had niet op een voorval gerekend,
+dat eenige uren later plaats had.
+
+Toen de goede Martha het huis wilde verlaten om naar de markt te gaan,
+vond zij de deur gesloten; de huissleutel stak niet in het slot. Wie
+had hem er uitgenomen? Stellig mijn oom, toen hij den vorigen avond
+van zijn haastig uitstapje was teruggekomen.
+
+Was het met voordacht? Was het bij vergissing? Wilde hij ons de
+kwellingen van den honger laten ondergaan? Dat dacht mij toch wat al
+te erg. Hoe! Martha en ik zouden de offers zijn van een toestand,
+die ons niet het minste aanging? Zonder twijfel, en ik herinnerde
+mij een vroeger voorval, dat wel geschikt was om ons vrees aan te
+jagen. Eenige jaren geleden toch, op een tijdstip dat mijn oom werkte
+aan zijn groote mineralogische classificatie, bleef hij acht en veertig
+uur zonder voedsel, en het geheele huisgezin moest zich onderwerpen aan
+die wetenschappelijke hongerkuur. Ik voor mij kreeg er een maagkramp
+door, die niet zeer aangenaam was voor een vrij eetlustigen jongen.
+
+Het scheen mij dus toe, dat het ontbijt even zoo zou uitblijven als
+het vorige avondeten. Ik besloot echter mijn moed te toonen, en niet te
+wijken voor de eischen der maag. Martha trok het zich zeer aan en werd
+bedroefd, die goede vrouw! Wat mij aangaat, de onmogelijkheid om het
+huis te verlaten hield mij en terecht meer bezig. Men begrijpt mij wel.
+
+Mijn oom werkte gestadig door; zijn verbeelding verloor zich in de
+denkbeeldige wereld der verbindingen; hij leefde ver buiten de aarde
+en gevoelde werkelijk geen aardsche behoeften.
+
+Tegen den middag prikkelde de honger mij hevig; Martha had, in hare
+eenvoudigheid, den vorigen avond den voorraad der etenskast geplunderd;
+er was niets meer in huis. Toch hield ik mij goed. Ik maakte er eene
+soort van punt van eer van.
+
+Het sloeg twee uur. Het werd bespottelijk, onuitstaanbaar zelfs,
+ik zette groote oogen op. Ik begon bij mij zelven te zeggen, dat ik
+het gewicht van het document overdreef; dat mijn oom er geen geloof
+aan zou slaan; dat hij er niets in zou zien dan bedriegerij, dat
+men hem in het ergste geval tegen zijn zin zou tegenhouden, als hij
+de onderneming wilde beproeven; eindelijk, dat hij zelf den sleutel
+van het geheimschrift kon ontdekken en dat mijne onthouding dan te
+vergeefs zou geweest zijn.
+
+Deze redenen schenen mij uitmuntend toe, hoewel ik ze daags te voren
+met verontwaardiging had verworpen; ik vond het zelfs heel dwaas, dat
+ik zoo lang had gewacht en mijn besluit was genomen om alles te zeggen.
+
+Ik peinsde dus op een middel om niet zoo rechtstreeks met de deur
+in huis te vallen, toen de professor opstond, zijn hoed opzette en
+wilde gaan.
+
+"Hoe! het huis verlaten en ons nog eens opsluiten. Dat
+nooit. Oom!" zeide ik.
+
+Hij scheen mij niet te hooren.
+
+"Oom Lidenbrock!" herhaalde ik met verheffing van stem.
+
+"Hé! wat is 't?" zeide hij als iemand, die plotseling ontwaakt.
+
+"Welnu! die sleutel!"
+
+"Welke sleutel? De huissleutel?"
+
+"Wel neen," riep ik, "de sleutel van het document!"
+
+De professor keek mij aan over zijn bril; hij bespeurde ongetwijfeld
+iets ongewoons op mijn gelaat, althans hij vatte driftig mijn arm, en
+zonder te kunnen spreken ondervroeg hij mij met zijne blikken. Echter
+werd nooit een vraag juister gesteld.
+
+Ik bewoog mijn hoofd van boven naar beneden.
+
+Hij schudde het zijne met eene soort van medelijden, alsof hij met
+een gek te doen had.
+
+Ik maakte een duidelijker gebaar.
+
+Zijne oogen schitterenden met een helderen glans, zijne hand maakte
+eene dreigende beweging.
+
+Dit stomme gesprek in deze omstandigheden zou den onverschilligsten
+aanschouwer belang hebben ingeboezemd. Het kwam waarlijk zoo ver, dat
+ik niet meer durfde spreken, uit vrees dat mijn oom mij in de eerste
+omhelzingen zijner vreugde mocht smoren. Maar hij drong zoo sterk,
+dat ik antwoorden moest.
+
+"Ja, die sleutel!... het toeval!..."
+
+"Wat zegt gij?" riep hij met een onbeschrijfelijke ontroering.
+
+"Ziedaar," zeide ik, hem het door mij beschreven blad papier
+overreikende, "lees!"
+
+"Maar dat beteekent niets!" antwoordde hij het papier ineen
+frommelende.
+
+"Niets, als men van voren begint te lezen, maar van achteren..."
+
+Ik had nog niet uitgesproken of de professor slaakte een kreet of
+liever een echt gebrul! Een licht was voor zijn geest opgegaan. Hij
+was geheel van gedaante veranderd.
+
+"O, schrandere Saknussemm! gij hadt dus eerst uw volzin averechts
+geschreven?"
+
+En met drift op het papier aanvallende, las hij met een verduisterd
+oog en aangedane stem het geheele document, van de laatste letter af
+aan beginnende.
+
+Het behelsde het volgende:
+
+
+In Sneffels Yoculis craterem kem delibat umbra Scartaris Julii intra
+calendas descende, audas viator, et terrestre centrum attinges. Kod
+feci. Arne Saknussemm.
+
+
+Dit slecht latijn zou men aldus kunnen vertalen:
+
+
+Daal af in den krater van den Sneffels Yocul, dien de schaduw van
+den Scartaris treft vóór den eersten Juli, vermetele reiziger! en
+gij zult het middelpunt der aarde bereiken.
+
+Ik heb het gedaan. Arne Saknussemm.
+
+
+Toen hij dit las, sprong mijn oom op, alsof hij onverwachts eene
+Leidsche flesch had aangeraakt. Zijne opgewondenheid, vreugde en
+overtuiging waren onbeschrijflijk. Hij liep heen en weer, nam zijn
+hoofd tusschen de beide handen, verzette de stoelen, stapelde zijne
+boeken op elkander, goochelde, het is haast niet te gelooven, met
+zijne kostbare adelaarsteenen, gaf hier een slag met de vuist, daar
+een tik met de hand. Eindelijk kwamen zijne zenuwen tot bedaren,
+en even als iemand die uitgeput is door een overdadig genot, liet
+hij zich in zijn armstoel nedervallen.
+
+"Hoe laat is het toch?" vroeg hij na eenige oogenblikken stilte.
+
+"Drie uur," antwoordde ik.
+
+"Wat! dan heb ik mijn middagmaal mooi verzuimd. Ik sterf van
+honger. Aan tafel! En dan...."
+
+"En dan?"
+
+"Zult gij mijn valies pakken."
+
+"Wat?" riep ik uit.
+
+"En het uwe!" antwoordde de onverbiddelijke professor, terwijl hij
+de eetzaal binnentrad.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+ In het studeervertrek.--De Sneffels.--De warmte in den aardbol.
+ --De vulkanen.--Inwendige hitte der aarde.
+
+
+Op die woorden ging mij eene rilling door het geheele
+lichaam. Ik bedwong mij echter. Ik besloot zelfs een goed gelaat
+te toonen. Wetenschappelijke bewijzen alleen konden professor
+Lidenbrock weerhouden, en die waren er genoeg, zeer goede zelfs,
+tegen de mogelijkheid van zulk eene reis. Naar het Middelpunt der
+aarde gaan! Welk eene dwaasheid! Ik bewaarde mijne bedenkingen tot
+een gepaster oogenblik en hield mij alleen met den maaltijd bezig.
+
+Het is noodeloos al de verwenschingen van mijn oom mede te deelen,
+toen hij de tafel niet gedekt vond. Alles werd opgehelderd. De goede
+Martha kreeg hare vrijheid terug. Zij liep naar de markt en repte
+zich zoo, dat mijn honger een uur later gestild was en ik weder besef
+kreeg van onzen toestand.
+
+Onder het eten was mijn oom bijna vroolijk; er ontvielen hem
+eenige geleerde kwinkslagen, die nooit zeer gevaarlijk zijn. Toen
+het nagerecht was afgeloopen, gaf hij mij een wenk om hem in zijn
+studeervertrek te volgen.
+
+Ik gehoorzaamde. Hij ging aan het eene einde van zijne werktafel
+zitten en ik aan het andere.
+
+"Axel!" zeide hij met eene zachte stem, "gij zijt een schrandere
+jongen; gij hebt mij daar een verbazenden dienst bewezen, toen ik die
+verbinding wilde opgeven. Waar zou ik heen gedwaald zijn. Niemand
+kan het weten! Ik zal dat nooit vergeten, mijn jongen! en gij zult
+uw deel hebben van den roem, dien wij zullen verwerven."
+
+"Kom aan," dacht ik, "hij is goed geluimd; het oogenblik is gekomen
+om over dien roem te twisten."
+
+"Bovenal," hernam mijn oom, "beveel ik u de stiptste geheimhouding
+aan, verstaat gij? Het ontbreekt mij aan geen benijders in de geleerde
+wereld, en velen zouden die reis willen ondernemen, die er eerst bij
+onze terugkomst iets van mogen vernemen.
+
+"Gelooft gij," zeide ik, "dat het aantal van die vermetelen zoo groot
+zou zijn?"
+
+"Zeker! Wie zou aarzelen om zulk een roem te verwerven? Als dit
+document bekend was, zou een heirleger van geologen het voetspoor
+van Arne Saknussemm volgen!"
+
+"Daarvan ben ik nog niet overtuigd, oom! want niets bewijst de echtheid
+van dit document."
+
+"Wat! En het boek, waarin wij het ontdekt hebben?"
+
+"Goed! Ik stem toe, dat die Saknussemm deze regels geschreven heeft;
+maar volgt daaruit, dat hij inderdaad die reis heeft volbracht,
+en kan dat oude perkament geene bedriegerij behelzen?"
+
+Het speet mij bijna, dat ik dit wel wat gewaagde woord had gesproken;
+de professor fronste zijn dikke wenkbrauwen en ik vreesde den uitslag
+van dit gesprek in de waagschaal te hebben gesteld. Gelukkig liep het
+goed af. Een vluchtig glimlachje krulde de lippen van den strengen
+spreker en hij antwoordde:
+
+"Dat zullen wij eens zien."
+
+"Zoo!" zeide ik een weinig verstoord, "maar veroorloof mij om de
+reeks van tegenwerpingen met betrekking tot dit document te voltooien."
+
+"Spreek, mijn jongen! spreek ongedwongen. Ik geef u volle vrijheid
+om uwe meening te uiten. Gij zijt niet meer mijn neef, maar mijn
+ambtgenoot. Ga dus voort."
+
+"Welnu! dan zal ik u vooreerst vragen, wat die Yocul, die Sneffels
+en die Scartaris zijn, waarvan ik nooit heb hooren spreken."
+
+"Niets is gemakkelijker. Ik heb onlangs van mijn vriend August
+Petermann uit Leipzig eene kaart gekregen; zij kon niet beter van
+pas komen. Krijg den derden atlas uit het tweede vak van de groote
+bibliotheek, reeks Z. de vierde plank."
+
+Ik stond op en, dank zij deze juiste aanwijzingen, vond ik spoedig
+den gevraagden atlas. Mijn oom opende hem en zeide:
+
+"Dit is eene der beste kaarten van IJsland, die van Handerson, en ik
+geloof, dat zij ons de oplossing van al uwe bezwaren zal geven."
+
+Ik boog mij over de kaart.
+
+"Ziet gij dit eiland uit vulkanen bestaande?" zeide de professor. "Let
+op, zij dragen allen den naam van Yocul. Dat woord beteekent in het
+ijslandsch "gletscher," en onder de hooge breedte van IJsland banen
+de meeste uitbarstingen zich een weg door de ijsbeddingen. Van daar
+die benaming van Yocul voor al de vuurspuwende bergen des eilands."
+
+"Goed," antwoordde ik, "maar wat is de Sneffels?"
+
+Ik hoopte, dat hij mij op deze vraag het antwoord schuldig zou
+blijven. Ik bedroog mij. Mijn oom hernam:
+
+"Volg mij naar de westkust van IJsland. Ziet gij Reikiavik, de
+hoofdplaats? Ja? Goed. Ga langs de ontelbare fjörds van die door de
+zee afgeknaagde kusten opwaarts, en houd even op onder den vijf en
+zestigsten breedtegraad. Wat ziet gij daar?"
+
+"Eene soort van schiereiland, gelijk aan een ontvleescht been,
+uitloopende in eene verbazend groote knieschijf."
+
+"De vergelijking is juist, mijn jongen! en bemerkt gij niets op
+die knieschijf?"
+
+"Ja! een berg, die in de zee schijnt uit te steken."
+
+"Goed! dat is de Sneffels."
+
+"De Sneffels?"
+
+"Dezelfde, een vijfduizend voet hooge berg, een van de merkwaardigste
+des eilands en voorzeker de beroemdste der geheele wereld indien zijn
+krater in het middelpunt van den aardbol uitloopt."
+
+"Maar dat is onmogelijk!" riep ik uit, de schouders ophalende en
+geërgerd door zulk eene vooronderstelling.
+
+"Onmogelijk!" antwoordde professor Lidenbrock op een gestrengen
+toon. "En waarom?"
+
+"Omdat die krater natuurlijk versperd is door de lava, de gloeiende
+steenen, en dus...."
+
+"En als het een uitgedoofde krater is?"
+
+"Een uitgedoofde?"
+
+"Ja. Het aantal nog werkende vulkanen op de oppervlakte van den
+aardbol bedraagt tegenwoordig slechts omtrent drie honderd; maar er
+bestaan veel meer uitgedoofde vulkanen. De Sneffels nu behoort onder
+deze laatste, en in historische tijden heeft er maar ééne uitbarsting
+plaats gehad, in 1219; sedert dat tijdstip is zijn geweld langzamerhand
+bedaard en thans behoort hij niet meer tot de werkende vulkanen."
+
+Op die stellige verzekeringen kon ik niets meer antwoorden, en dus
+ging ik over tot de andere duisterheden, die het document bevatte.
+
+"Wat beteekent dat woord Scartaris," vroeg ik, "en wat heeft de eerste
+Juli daarmee te maken?"
+
+Mijn oom dacht een poosje na. Ik hoopte een oogenblik, maar ook
+slechts één, want weldra antwoordde hij mij aldus:
+
+"Wat gij duisterheid noemt is voor mij licht. Het bewijst de vernuftige
+zorg, waarmede Saknussemm zijne ontdekking heeft willen aanwijzen. De
+Sneffels bestaat uit verscheidene kraters; het was dus noodig
+den krater aan te duiden, die naar het middelpunt van den aardbol
+voert. Wat heeft nu de geleerde IJslander gedaan? Hij heeft opgemerkt,
+dat tegen den eersten Juli, dus in de laatste dagen der maand Juni,
+één van de pieken des bergs, de Scartaris, zijne schaduw verlengt tot
+aan de opening van den bedoelden krater, en hij heeft het feit in zijn
+document aangeteekend. Kon hij eene nauwkeuriger aanwijzing bedenken,
+en kunnen wij, als wij eens den top van den Sneffels bereikt hebben,
+met mogelijkheid den rechten weg missen?"
+
+Het was duidelijk, mijn oom had op alles een antwoord. Ik zag wel,
+dat hij niet te vatten was op de woorden van het oude perkament. Ik
+drong er dus niet langer op aan, en daar ik hem boven alles moest
+overtuigen, ging ik over tot de wetenschappelijke tegenwerpingen,
+die mijns inziens vrij wat gewichtiger waren.
+
+"Welaan," zeide ik, "ik moet bekennen, dat de zin van Saknussemm
+duidelijk is en geen twijfel overlaat. Ik sta zelfs toe, dat het
+document er volkomen echt uitziet. Die geleerde is naar den Sneffels
+gegaan; hij heeft de schaduw van den Scartaris vóór den eersten
+Juli de randen van den krater zien treffen; hij heeft zelfs in de
+volks-overleveringen van zijn tijd hooren vertellen, dat die krater
+op het middelpunt der aarde uitliep; maar wat aangaat, dat hij zelf er
+bij gekomen zou zijn, dat hij de reis zou gedaan hebben en teruggekeerd
+zou zijn, in geval hij haar ondernomen heeft, neen! duizendmaal neen!"
+
+"En om welke reden?" zeide mijn oom op een bijzonder spottenden toon.
+
+"Omdat alle theoriën der wetenschap betoogen, dat zulk eene onderneming
+onuitvoerbaar is!"
+
+"Zeggen alle theoriën dat?" antwoordde de professor, een heel onnoozel
+gezicht zettende. "O, die akelige theoriën! wat zullen die arme
+theoriën ons hinderen!"
+
+Ik zag dat hij met mij spotte, maar ging toch voort.
+
+"Ja! het is bewezen, dat de warmte omstreeks één graad toeneemt bij
+iedere zeventig voet diepte onder de oppervlakte van den aardbol;
+neemt men nu aan, dat die verhouding dezelfde blijft, dan heerscht er,
+daar de straal der aarde vijftien honderd uur gaans bedraagt, in het
+middelpunt een warmtegraad van twee millioen graad. De stoffen in
+het binnenste der aarde bevinden zich derhalve in den toestand van
+witgloeiend gas, want de metalen, het goud, het platina, de hardste
+rotsblokken zijn niet bestand tegen zulk eene hitte. Ik mag dus
+met grond vragen, of het mogelijk is om in zulk een middelpunt door
+te dringen!"
+
+"Dus is het de warmte, die u verlegen maakt, Axel?"
+
+"Zonder twijfel. Al kwamen wij slechts tot eene diepte van tien uur
+gaans, dan zouden wij reeds de grens der aardschors bereikt hebben,
+want de warmtegraad is daar hooger dan dertien honderd graad."
+
+"En gij zijt bang om te smelten?"
+
+"Gij kunt die vraag zelf wel beantwoorden," zeide ik verstoord.
+
+"Zie hier mijn antwoord," hernam professor Lidenbrock met een deftig
+gezicht; "noch gij, noch iemand anders weet met zekerheid wat er in
+het binnenste van den aardbol omgaat, dewijl men nauwelijks het twaalf
+duizendste deel van zijn straal kent; de wetenschap is bij uitstek
+vatbaar voor volmaking en iedere theorie wordt gestadig omvergeworpen
+door eene nieuwe theorie. Heeft men tot Fourier toe niet geloofd,
+dat de warmtegraad van het hemelruim steeds verminderde, en weet men
+tegenwoordig niet, dat de grootste koude der luchtgewesten de veertig
+of vijftig graad onder nul niet te boven gaat? Waarom zou dat ook niet
+het geval kunnen zijn met de inwendige warmte? Waarom zou zij niet
+op eene zekere diepte eene onoverkomelijke grens bereiken, in plaats
+van toe te nemen tot den graad van smelting der hardste delfstoffen?"
+
+Toen mijn oom de vraag op het gebied der vooronderstellingen
+overbracht, kon ik niet meer antwoorden.
+
+"Welnu! ik zal u zeggen, dat echte geleerden, Poisson o.a., bewezen
+hebben dat, indien er eene warmte van twee millioen graad in het
+binnenste van den aardbol heerschte, de witgloeiende gassen, ontstaande
+uit de gesmolten stoffen, zulk een spankracht zouden krijgen, dat de
+aardschors haar geen tegenstand zou kunnen bieden en springen moest,
+gelijk de wanden van een stoomketel door de kracht van den stoom."
+
+"Dat is het gevoelen van Poisson, oom! ziedaar alles."
+
+"Toegestemd! maar het is ook het gevoelen van andere voorname geologen,
+dat het binnenste van den aardbol niet bestaat uit gas of water,
+noch uit de zwaarste steenen, die wij kennen; want in dat geval zou
+de aarde tweemaal lichter zijn."
+
+"O! met cijfers kan men alles bewijzen wat men wil."
+
+"En is het met feiten ook zoo, mijn jongen? Is het niet zeker dat
+het aantal vulkanen aanzienlijk verminderd is sedert de eerste dagen
+der wereld, en kan men, als er eene inwendige warmte bestaat, daaruit
+niet besluiten, dat zij gaandeweg afneemt?"
+
+"Oom! als gij het velt der gissingen betreedt, kan ik niet langer
+redetwisten."
+
+"En ik moet zeggen, dat mijn gevoelen ondersteund wordt door dat van
+zeer bevoegde personen. Herinnert gij u het bezoek, dat de beroemde
+engelsche scheikundige Humphry Davy in 1825 bij mij aflegde?"
+
+"Zeker niet, want ik werd eerst negentien jaar later geboren."
+
+"Welnu! Humphry kwam mij op zijne doorreis te Hamburg bezoeken. Wij
+bespraken onder andere punten ook lang de veronderstelling van de
+vloeibaarheid van de kern der aarde. Wij waren het beiden eens,
+dat die vloeibaarheid niet kon bestaan; om eene reden, waarop de
+wetenschap nooit het antwoord gevonden heeft."
+
+"En welke is die reden?" vroeg ik een weinig verwonderd.
+
+"Omdat die vloeibare massa, even als de Oceaan, aan de
+aantrekkingskracht der maan onderhevig zou zijn, en bij gevolg zouden
+er tweemaal daags inwendige vloeden plaats hebben, die de aardkorst
+opheffende, regelmatig terugkeerende aardbevingen zouden veroorzaken!"
+
+"Maar het is toch stellig zeker, dat de oppervlakte van den aardbol
+aan verbranding heeft bloot gestaan, en men mag dus veronderstellen,
+dat de buitenste korst het eerst is afgekoeld, terwijl de warmte naar
+het middelpunt week."
+
+"Dat is een dwaling," antwoordde mijn oom; "de aarde is verwarmd
+door de verbranding harer oppervlakte en op geen andere wijze. Hare
+oppervlakte bestond uit eene groote menigte metalen, zooals het
+potassium, het sodium, die de eigenschap hebben van te ontvlammen
+door eene bloote aanraking met het water en de lucht; die metalen
+ontbrandden, toen de dampen uit de lucht als regen op den grond vielen,
+en langzamerhand, toen het water in de scheuren van de aardkorst
+doordrong, gaven zij aanleiding tot nieuwe branden met ontploffingen
+en uitbarstingen. Van daar die talrijke vulkanen in de eerste dagen
+der wereld."
+
+"Maar dat is eene zeer vernuftige gissing!" riep ik een weinig tegen
+wil en dank uit.
+
+"En die Humphry Davy mij op deze zelfde plaats duidelijk maakte
+door eene zeer eenvoudige proef. Hij vervaardigde een metalen bol,
+hoofdzakelijk bestaande uit de pas genoemde metalen en die nauwkeurig
+onzen aardbol voorstelde; als men een fijne dauw op zijne oppervlakte
+liet vallen, zwol deze op, roestte en vormde een bergje; een krater
+ontstond op den top; de uitbarsting had plaats en deelde aan den
+bol zulk een warmte mede, dat het onmogelijk werd hem in de hand
+te houden."
+
+Ik werd waarlijk aan het wankelen gebracht door de bewijsgronden
+van den professor; hij droeg ze bovendien voor met zijn gewone vuur
+en geestdrift.
+
+"Gij ziet, Axel!" voegde hij er bij, "dat de toestand van de kern
+der aarde tot velerlei gissingen onder de geologen aanleiding heeft
+gegeven, niets is minder bewezen dan dit feit van eene inwendige hitte;
+volgens mijn gevoelen bestaat zij niet en kan zij niet bestaan; wij
+zullen het echter onderzoeken en even als Arne Saknussemm zullen wij
+weten, waaraan wij ons met betrekking tot dit gewichtige vraagstuk
+te houden hebben."
+
+"Welnu! ja!" antwoordde ik, bijna door dezelfde geestdrift bezield,
+"ja, wij zullen het zien, als men er ten minste zien kan."
+
+"En waarom niet? kunnen wij niet op electrische verschijnselen rekenen
+om ons te verlichten, en zelfs op den dampkring, dien de drukking
+misschien nabij het middelpunt lichtgevend maakt?"
+
+"Ja!" zeide ik; "ja! dat is ten minste mogelijk."
+
+"Het is zeker," antwoordde mijn oom zegevierend; "maar zwijg, hoort
+gij? zwijg over dit alles, opdat niemand op de gedachte kome om voor
+ons het middelpunt der aarde te ontdekken."
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+ Naar het middelpunt der aarde.--Een onmogelijke reis.--
+ Toebereidselen tot het vertrek.--Reikiavik.--De koffer moet
+ gepakt worden.--Naar den kelder?
+
+
+Zoo liep deze gedenkwaardige zitting af. Dit gesprek maakte mij
+koortsig. Ik verliet als bedwelmd het vertrek van mijn oom, en er was
+geen lucht genoeg in de straten van Hamburg om mij te doen bijkomen. Ik
+ging daarom naar den oever der Elbe, ter plaatse waar de stoomboot
+ligt, die de stad in gemeenschap brengt met den spoorweg van Harburg.
+
+Was ik overtuigd door hetgeen ik gehoord had? Was ik niet onder den
+invloed van professor Lidenbrock geweest? Moest ik zijn besluit om naar
+het middelpunt van de inwendige ruimte der aarde te gaan voor ernstig
+gemeend houden? Had ik de zinnelooze bespiegelingen van een gek of de
+wetenschappelijke gevolgtrekkingen van een groot vernuft gehoord? Hoe
+het ook zijn mocht, waar eindigde de waarheid, waar begon de dwaling?
+
+Ik dobberde tusschen duizend tegenstrijdige veronderstellingen,
+zonder mij aan eene enkele te kunnen vastklemmen.
+
+Echter herinnerde ik mij, dat ik overtuigd was geworden, hoewel
+mijn geestdrift begon te bekoelen; maar ik zou gaarne onmiddellijk
+vertrokken zijn om geen tijd te hebben tot nadenken. Ja, het zou mij
+niet aan moed ontbroken hebben om oogenblikkelijk mijn valies vast
+te gespen.
+
+Ik moet evenwel bekennen, dat een uur later die overspanning afnam;
+mijne zenuwen verslapten en uit de diepe afgronden der aarde steeg
+ik weder opwaarts naar hare oppervlakte.
+
+"Het is ongerijmd!" riep ik uit; "het gelijkt nergens naar! Het is
+geen ernstig voorstel, dat men een verstandigen jongen kan doen. Niets
+van dat alles bestaat. Ik heb slecht geslapen! ik heb een benauwden
+droom gehad."
+
+Intusschen had ik de oevers van de Elbe gevolgd en de stad
+omgewandeld. Na de haven langs gegaan te zijn, kwam ik op den weg naar
+Altona. Een voorgevoel bestuurde mij, een verwezenlijkt voorgevoel,
+want ik bemerkte spoedig mijne lieve Gräuben, die vlug ter been en
+opgeruimd naar Hamburg terugkeerde.
+
+"Gräuben!" riep ik haar van verre toe.
+
+Het jonge meisje bleef een weinig verschrikt staan, ik denk omdat
+zij zich op een grooten weg hoorde toeroepen. In tien stappen was ik
+naast haar.
+
+"Axel!" riep zij verwonderd uit. "Wat! komt gij mij te gemoet! Dat
+is lief van u, mijnheer!"
+
+Maar, toen zij mij aanzag, bemerkte Gräuben mijn ongerust en ontsteld
+gelaat.
+
+"Wat scheelt er aan?" zeide zij, mij de hand toereikende.
+
+"Wat er aan scheelt, Gräuben!" riep ik.
+
+In twee seconden en met drie volzinnen was het lieve meisje op de
+hoogte van de zaak. Zij zweeg gedurende eenige oogenblikken. Klopte
+haar hart gelijk het mijne? ik weet het niet; maar hare hand beefde
+niet in de mijne. Wij gingen wel honderd schreden ver zonder een
+woord te wisselen.
+
+"Axel!" zeide zij eindelijk.
+
+"Lieve Gräuben!"
+
+"Dat zal eene schoone reis zijn."
+
+Ik sprong op bij die woorden.
+
+"Ja, Axel! en den neef van een geleerde waardig. Het is goed, als
+een man zich onderscheidt door de eene of andere groote onderneming!"
+
+"Hoe! Gräuben! gij raadt mij niet af om zulk een tocht te wagen?"
+
+"Neen! lieve Axel! en ik zou u en uw oom gaarne vergezellen, als een
+arm meisje u niet tot last moest zijn."
+
+"Spreekt gij de waarheid?"
+
+"De waarheid."
+
+Ach! meisjes, vrouwen, vrouwenharten! wat zijt gij toch
+onbegrijpelijk! Als gij niet de beschroomdste aller levende wezens
+zijt, zijt gij de dapperste! De rede heeft geen invloed op u. Hoe! dit
+kind moedigde mij aan om deel te nemen aan dien tocht. Zij zou niet
+gevreesd hebben om het waagstuk te ondernemen. Zij spoorde mij er
+toe aan, en toch beminde zij mij!
+
+Ik was van mijn stuk gebracht en, waarom zou ik het
+verzwijgen? beschaamd.
+
+"Gräuben!" hernam ik, "wij zullen zien, of gij morgen nog zoo zult
+spreken."
+
+"Morgen, lieve Axel! zal ik spreken als van daag."
+
+Gräuben en ik, elkander bij de hand houdende, maar een diep
+stilzwijgen bewarende, vervolgden onzen weg. Ik was diep geschokt
+door de aandoeningen van dezen dag.
+
+"In elk geval," dacht ik, "zijn wij nog ver van den 1sten Juli,
+en in dien tusschentijd zal er wel iets plaats hebben, dat mijn oom
+geneest van zijne gril om onder den grond te reizen."
+
+Het was avond, toen wij bij het huis in de Koningstraat kwamen. Ik
+dacht de woning in rust, oom naar gewoonte te bed en de goede Martha
+bezig te vinden met de eetzaal voor het laatst aan te stoffen.
+
+Maar ik had niet op het ongeduld van den professor gerekend. Hij
+schreeuwde en was druk in de weer te midden van een hoop sjouwers, die
+eenige goederen in de gang nederlegden; de oude meid wist geen raad.
+
+"Kom dan toch, Axel! haast u toch, ongelukkige!" riep mijn oom,
+zoodra hij mij in de verte zag, "uw valies is nog niet gepakt, mijne
+papieren zijn nog niet in orde, ik vind den sleutel van mijn reiszak
+niet en mijne reiskousen komen maar niet!"
+
+Ik stond versuft. Ik kon niet spreken. Met moeite kon ik deze woorden
+uitbrengen:
+
+"Gaan wij dan vertrekken?"
+
+"Ja! ongeluksvogel, die liever gaat wandelen, in plaats van hier
+te blijven!"
+
+"Gaan wij vertrekken?" herhaalde ik met eene zwakke stem.
+
+"Ja! overmorgen ochtend met zonsopgang."
+
+Ik kon het niet langer aanhooren en vluchtte naar mijn kamertje.
+
+Er viel niet meer aan te twijfelen; mijn oom had den namiddag
+gebruikt om zich een gedeelte der voor zijne reis noodzakelijke
+voorwerpen en gereedschappen aan te schaffen; de gang was versperd
+door touwladders, touwen met knoopen, toortsen, waterflesschen,
+ijzeren haken, breekijzers, met ijzer beslagen stokken, houweelen,
+genoeg om ten minste tien man te beladen.
+
+Ik bracht een verschrikkelijken nacht door. Den volgenden morgen
+vroeg hoorde ik mij roepen. Mijn besluit stond vast om mijne deur
+niet te openen. Maar hoe kon ik weerstand bieden aan de zoete stem,
+die deze woorden sprak: "lieve Axel!"
+
+Ik kwam uit mijne kamer, Ik dacht, dat mijn ontdaan gelaat, mijne
+bleekheid, mijne oogen, rood van slapeloosheid, hunne uit werking op
+Gräuben niet zouden missen en haar van gedachte doen veranderen.
+
+"Ha, lieve Axel!" zeide zij mij, "ik zie, dat gij wat beter zijt en
+de nacht u kalmer heeft doen worden."
+
+"Kalmer doen worden!" riep ik uit.
+
+Ik liep naar mijn spiegel. En ja wel! ik zag er niet zoo akelig uit
+als ik vermoedde. Het was haast niet om te gelooven.
+
+"Axel!" zeide mij Gräuben, "ik heb lang met mijn voogd gesproken. Hij
+is een stout geleerde, een man van moed, en gij moet niet vergeten,
+dat zijn bloed in uwe aderen stroomt. Hij heeft mij zijne plannen,
+zijne verwachtingen, waarom en hoe hij zijn doel hoopt te bereiken,
+alles verteld. Hij zal slagen, ik twijfel er niet aan. O, lieve
+Axel! het is schoon zich zoo voor de wetenschap op te offeren! Welk
+een roem verbeidt den heer Lidenbrock en zal afstralen op zijn
+reisgenoot! Bij uwe terugkomst, Axel! zult gij een man zijn, zijns
+gelijke, vrij om te spreken, vrij om te handelen vrij ook om...."
+
+Het meisje bloosde en zweeg. Hare woorden gaven mij weder moed. Ik
+trok Gräuben mede naar de kamer van den professor.
+
+"Oom!" zeide ik, "is het vast bepaald, dat wij vertrekken?"
+
+"Wat! twijfelt gij er nog aan?"
+
+"Neen!" zeide ik om hem niet boos te maken. "Ik wilde slechts vragen,
+waarom wij zooveel haast hebben?"
+
+"De tijd, de tijd vliegt immers met snelle vaart voort en kan niet
+teruggeroepen worden!"
+
+"Maar wij hebben eerst den 26sten Mei, en tot aan het einde van
+Juni...."
+
+"Denkt gij dan, domoor! dat men zoo gemakkelijk op IJsland komt? Waart
+gij niet als een gek weggeloopen, dan zou ik u medegenomen hebben
+naar het goederenkantoor voor Kopenhagen, bij Liffender & Co. Daar
+zoudt gij gezien hebben, dat er maar één dienst is van Kopenhagen
+naar Reikiavik, den 22sten van iedere maand."
+
+"Welnu?"
+
+"Welnu! zoo wij tot den 22sten Juni wachtten, zouden wij te laat komen
+om de schaduw van den Scartaris den krater van den Sneffels te zien
+raken; wij moeten dus zoo spoedig mogelijk naar Kopenhagen om er een
+middel van vervoer te zoeken. Ga uw koffer pakken!"
+
+Hier viel niet langer te praten. Ik ging weder naar mijne kamer,
+Gräuben volgde mij. Zij nam op zich om in een valiesje alle voorwerpen,
+die ik op mijne reis noodig zou hebben, bijeen te brengen. Zij was
+zoo weinig aangedaan, alsof het slechts een tochtje naar Lubeck of
+Helgoland gold; hare handjes waren zonder overhaasting bezig; zij
+praatte heel bedaard; zij gaf mij de verstandigste redenen op voor
+onze onderneming. Zij betooverde mij en toch was ik innerlijk zeer op
+haar verstoord. Somtijds stond ik op het punt om los te barsten, maar
+zij lette er niet op en ging stelselmatig met haar rustig werk voort.
+
+Eindelijk was de laatste riem van het valies vastgegespt. Ik ging
+weer naar beneden.
+
+In den loop van dezen dag was het aantal leveranciers van natuurkundige
+werktuigen, van wapenen, van electrische toestellen nog vermeerderd. De
+goede Martha was er suf van.
+
+"Is mijnheer gek?" zeide zij mij.
+
+Ik gaf een toestemmend teeken.
+
+"En neemt hij u mede?"
+
+Ik herhaalde het teeken.
+
+"Waarheen?" zeide zij.
+
+Ik wees met den vinger het middelpunt der aarde aan.
+
+"Naar den kelder?" riep de oude meid.
+
+"Neen!" zeide ik eindelijk. "Nog veel lager!"
+
+Het werd avond. Ik had geene bewustheid meer van den vervlogen tijd.
+
+"Morgen ochtend," zeide mijn oom, "vertekken wij precies te zes uur."
+
+Te tien uur viel ik als een levenlooze klomp op mijn bed.
+
+Des nachts keerden de schrikbeelden terug.
+
+Ik bracht dien nacht door met van afgronden te droomen! Ik was ten
+prooi aan waanzin. Ik voelde, dat de stevige hand van den professor mij
+omklemde, medesleepte, in den afgrond wierp, deed wegzinken! Ik viel
+in onpeilbare diepten met de toenemende snelheid van lichamen, die aan
+zichzelven overgelaten zijn. Mijn leven was slechts een eindelooze val.
+
+Ik ontwaakte te vijf uur, afgemat door vermoeienis en aandoening. Ik
+ging naar beneden in de eetzaal. Mijn oom zat aan tafel. Hij verslond
+de spijzen. Ik zag hem aan met een gevoel van afschuw. Maar Gräuben
+was er bij. Ik sprak niets. Ik kon niet eten.
+
+Te half zes hoorde ik het ratelen van een rijtuig op de straat. Er
+kwam een groote wagen voor om ons naar den spoorweg te Altona te
+brengen. Hij was weldra volgeladen met al de kisten van mijn oom.
+
+"En uw valies?" vroeg hij mij.
+
+"Het is gereed," antwoordde ik bijna bezwijmende.
+
+"Breng het dan spoedig beneden, of wij zouden door uw schuld den
+trein missen!"
+
+Tegen mijn noodlot te kampen scheen mij onmogelijk toe. Ik ging weder
+naar mijne kamer, en mijn valies van de trappen latende glijden,
+vloog ik het achterna.
+
+Op dit oogenblik droeg mijn oom plechtig de "teugels" van zijn huis
+in handen van Gräuben over. Het lieve meisje behield hare gewone
+kalmte. Zij omhelsde haren voogd, maar kon een traan niet weerhouden,
+toen zij mijne wang met hare zachte lippen aanraakte.
+
+"Gräuben!" riep ik.
+
+"Ga, lieve Axel! ga!" zeide zij mij, "gij verlaat uwe bruid, maar
+vindt bij uwe terugkomst uw vrouwtje terug!"
+
+Ik klemde Gräuben in mijne armen en nam plaats in het rijtuig. Martha
+en het meisje op den drempel van het huis staande, riepen ons een
+laatst vaarwel toe; daarna sloegen de beide paarden, door het fluiten
+van den voerman aangevuurd, in galop den weg naar Altona in.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII
+
+ Altona.--Kiel.--Korsör.--Professor Thomson.--Kopenhagen--De
+ Vor-Frelsels kerk.--Duizeligheid.
+
+
+Altona, eigenlijk stadsgebied van Hamburg, is het eerste station
+van den Kielerspoorweg, die ons naar den oever van de Belt zou
+brengen. Binnen twintig minuten kwamen wij op Holsteinschen grond.
+
+Om half zeven uur hield het rijtuig stil voor het station, de talrijke
+kisten van mijn oom, zijn verbazende reisbehoeften werden afgelaten,
+vervoerd, gewogen, van briefjes voorzien, weder in den goederenwagen
+geladen, en om zeven uur zaten wij over elkander in dezelfde afdeeling
+van een waggon. De locomotief floot en zette zich in beweging. Wij
+waren vertrokken.
+
+Had ik mij in mijn lot geschikt? Nog niet. Doch de frissche
+morgenlucht, de bijzonderheden van den weg, die telkens afwisselden
+door de snelheid van den trein, gaven mij eenige afleiding van mijn
+diep gepeins.
+
+Wat de gedachte van den professor aangaat, deze liep gewis den
+trein vooruit die te te langzaam ging naar den maatstaf van zijn
+ongeduld. Wij zaten alleen in den waggon, maar spraken niet. Mijn oom
+onderzocht nog eens zeer oplettend den ganschen inhoud van zijne zakken
+en van de reistasch. Ik zag wel, dat hem geen enkel stuk ontbrak,
+dat hij noodig had voor de uitvoering zijner plannen.
+
+Zoo droeg o.a. een netjes gevouwen papier het opschrift van de deensche
+kanselarij met de handteekening van den heer Ghristiensen, consul te
+Hamburg en vriend van den professor. Het moest dienen om voor ons de
+gelegenheid te openen om te Kopenhagen aanbevelingsbrieven voor den
+gouverneur van IJsland te verkrijgen.
+
+Ook bemerkte ik het beruchte document, zorgvuldig weggestopt in den
+geheimsten zak der brieventasch. Ik vervloekte het uit den grond van
+mijn hart, en liet mijne blikken weder over het land gaan. Het was
+een lange aaneenschakeling van niet zeer bezienswaardige, eentonige,
+drassige en vrij vruchtbare vlakten: eene zeer gunstige landstreek
+voor den aanleg van een spoorweg en bijzonder geschikt voor die rechte
+lijnen, waarop de spoorwegmaatschappijen zoo gesteld zijn.
+
+Maar de tijd was te kort, dan dat die eentonigheid mij had kunnen
+vervelen, want drie uur na ons vertrek hield de trein te Kiel stil,
+op een paar schreden afstands van de zee.
+
+Daar onze bagage naar Kopenhagen bestemd was, behoefden wij er ons niet
+mede bezig te houden. Toch volgde de professor ze met een ongerust
+oog, terwijl zij naar de stoomboot gebracht werd. Daar verdween zij
+in het ruim.
+
+Mijn oom had in den haast de aansluiting van den spoorweg met de boot
+zoo goed berekend, dat wij een geheelen dag voor ons hadden. De boot,
+Ellenora genoemd, vertrok niet voor den nacht. Dit verwekte eene
+koorts van negen uur, gedurende welke de lichtgeraakte reiziger
+het bestuur der booten en der spoorwegen, en de regeeringen, die
+zulke misbruiken duldden, naar den duivel wenschte. Ik moest met hem
+medepraten, toen hij den kapitein der Ellenora daarover den mantel
+uitveegde. Hij wilde dezen dwingen om oogenblikkelijk het vuur aan
+te stoken. De andere liet hem praten.
+
+Te Kiel moet er, even goed als op iedere andere plaats, een einde
+aan den dag komen. Al wandelende langs de groene oevers der baai,
+aan welker uiteinde het stadje zich verheft; al dwalende door de
+dichte boschjes, die haar het voorkomen geven van een nest in een
+bundel takken, en de villa's bewonderende, die elk voorzien zijn van
+hare koudbad-inrichting, kortom, al loopende en vloekende, werd het
+eindelijk tien uur des avonds.
+
+De rookwolken der Ellenora verdeelden zich in de lucht; het dek beefde
+door de schudding van den stoomketel; wij waren aan boord en bezitters
+van twee kooien boven elkander in de eenige kajuit der boot.
+
+Kwartier over tienen werden de touwen losgemaakt en de stoomer liep
+snel over het donkere water van de groote Belt.
+
+De nacht was duister; er woei eene fiksche koelte en er ging eene
+hooge zee; eenige kustvuren schenen in de duisternis; later, ik weet
+niet waar, flikkerde een draaiend kustlicht over de golven; dit was
+alles, wat ik van dezen eersten overtocht onthield.
+
+Des morgens te zeven uur landden wij te Korsör, een stadje op de
+westkust van Seeland. Uit de boot stapten wij over op een anderen
+spoorweg, die ons door een niet minder vlak land dan de velden van
+Holstein voerde.
+
+Wij moesten nog drie uur reizen, vóór wij de hoofdstad van Denemarken
+bereikten. Mijn oom had den ganschen nacht geen oog gesloten. In zijn
+ongeduld stiet hij, geloof ik, den waggon met de voeten voort.
+
+Eindelijk kreeg hij de zee in het oog.
+
+"De Sond!" riep hij uit.
+
+Ter linkerzijde zagen wij een groot gebouw, dat een gasthuis scheen
+te wezen.
+
+"Het is een krankzinnigengesticht," zeide een onzer reisgenooten.
+
+"Goed!" dacht ik, "in zulk eene inrichting moesten wij ons leven
+eindigen. En hoe groot het ook moge wezen, toch zou dit hospitaal nog
+te klein zijn om al de dwaasheid van Professor Lidenbrock te bergen."
+
+Eindelijk, des morgens te tien uur, waren wij te Kopenhagen; de
+bagage werd op een rijtuig geladen en met ons naar het hôtel de
+Phoenix in Bred-Gade gebracht. Daar was een half uur mede gemoeid,
+want het station is buiten de stad. Nadat mijn oom zich wat opgeknapt
+had, sleepte hij mij mede. De portier van het hôtel sprak duitsch en
+engelsch; maar als talenkenner ondervroeg de professor hem in goed
+deensch, en in goed deensch wees die persoon hem de ligging van het
+Museum van noordsche oudheden.
+
+De directeur dezer bezienswaardige inrichting, waarin wonderen
+opeengestapeld zijn, die voldoende zouden zijn om de geschiedenis des
+lands op te stellen uit zijne oude steenen wapenen, zijne drink-schalen
+en kleinoodiën, was een geleerde, de vriend van den consul te Hamburg,
+professor Thomson.
+
+Mijn oom had voor hem een warmen brief van aanbeveling. In het algemeen
+ontvangt de eene geleerde den andere zeer slecht. Maar hier was het
+anders. De heer Thomson ontving, als een dienstvaardig man, professor
+Lidenbrock en zelfs diens neef zeer hartelijk. Het is bijna onnoodig
+te zeggen, dat wij ons geheim voor den uitmuntenden directeur van het
+Museum verzwegen. Wij wilden eenvoudig als belanglooze liefhebbers
+IJsland gaan bezoeken.
+
+De heer Thomson stelde zich geheel ter onzer beschikking en wij liepen
+de kaaien af om een zeilreê schip te vinden.
+
+Ik hoopte, dat er volstrekt geen middel van vervoer zou zijn;
+maar het was zoo niet. Een kleine deensche schoener, de Valkyrie,
+zou den 2den Juni naar Reikiavik onder zeil gaan. De kapitein, de
+heer Bjarne, was aan boord; zijn aanstaande passagier drukte hem in
+zijne vreugde driftig de hand, waarover die brave man zich een weinig
+verwonderde. Hij vond het heel eenvoudig om naar IJsland te gaan,
+daar het zijn beroep was. Mijn oom vond het verheven. De waardige
+kapitein maakte van die geestdrift gebruik om ons dubbel te laten
+betalen voor den overtocht op zijn schip. Maar wij keken zoo nauw niet.
+
+"Zorgt Dinsdag morgen om zeven uur aan boord te zijn," zeide Bjarne,
+nadat hij een goed aantal speciedaalders had opgestreken.
+
+Wij bedankten nu den heer Thomson voor zijne vriendelijkheid en
+keerden naar het hôtel de Phoenix terug.
+
+"Dat gaat goed! dat gaat zeer goed!" herhaalde mijn oom. "Welk
+een gelukkig toeval, dat wij dit zeilklaar liggend schip gevonden
+hebben! Laten wij nu gaan ontbijten en dan de stad bezien."
+
+Wij begaven ons naar Kongens-Nye-Torw, eene onregelmatige plaats,
+waar zich een post bevindt met twee onschadelijk opgestelde kanonnen,
+die niemand vrees aanjagen. Dicht bij, in No 5, was eene fransche
+restauratie van een kok, Vincent geheeten; wij ontbeten er goed voor
+den matigen prijs van vier mark per hoofd. [1]
+
+Vervolgens vond ik er een kinderachtig vermaak in om door de
+stad te wandelen; mijn oom liep overal mee, maar zag niets, noch
+het onbeduidend koninklijk paleis, noch de fraaie brug uit de
+zeventiende eeuw, die over het kanaal voor het Museum ligt, noch dat
+verbazende, ledige praalgraf van Torwaldsen, versierd met leelijke
+muurschilderingen, die de werken van dien beeldhouwer voorstellen;
+noch in een vrij schoon park het bevallige kasteel Rosenburg, noch
+het bewonderenswaardige beursgebouw in renaissance-stijl, noch zijn
+klokketoren, vervaardigd uit de dooreengeslingerde staarten van vier
+bronzen draken, noch de groote molens op de wallen welker verbazende
+wieken opzwollen door den zeewind, gelijk de zeilen van een schip.
+
+Hoe heerlijk zouden de lieve Gräuben en ik gewandeld hebben naar de
+haven, waar de tweedekkers en de fregatten rustig sliepen onder hun
+rood dak, langs de groene oevers der straat, door die dichte boschjes,
+in wier midden de citadel zich verschuilt, welker kannonen hun zwarten
+muil tusschen de takken der vlier- en wilgen-boomen uitsteken!
+
+Maar helaas! zij was verre weg, mijn arme Gräuben, en mocht ik hopen
+haar ooit weder te zien?
+
+Al werd mijn oom niets gewaar van deze bekoorlijke plekjes, zoo
+werd hij toch levendig getroffen door het gezicht van een zekeren
+klokketoren op het eiland Amak, dat het zuidwestelijk gedeelte van
+Kopenhagen uitmaakt.
+
+Ik kreeg order om mede daarheen te gaan; ik stapte op eene kleine
+stoomboot, die op de kanalen voer en binnen weinige oogenblikken
+legde zij aan bij de dokwerf-kade.
+
+Na eenige nauwe straten doorgegaan te zijn, waar galeiboeven, met half
+gele half grauwe broeken gekleed onder den stok der onderofficieren
+werkten, kwamen wij voor de Vor-Frelselskerk. Die kerk leverde niets
+merkwaardigs op. Maar ziehier waarom haar vrij hooge toren de aandacht
+des professors getrokken had: van het platte dak af kronkelde zich
+van buiten eene trap om de spits en zijne schroeflijnen ontwikkelden
+zich hoog in de lucht.
+
+"Laten wij hem beklimmen," zeide mijn oom.
+
+"Maar de duizeligheid?" hernam ik.
+
+"Eene reden te meer, gij moet er aan gewennen."
+
+"Evenwel...."
+
+"Kom, zeg ik u, wij moeten geen tijd verspillen."
+
+Ik moest gehoorzamen. Een oppasser, die aan de overzijde der straat
+woonde, gaf ons een sleutel en de beklimming begon.
+
+Mijn oom ging mij met vlugge schreden voor. Ik volgde hem niet zonder
+angst, want ik werd zeer licht in het hoofd. Ik had noch de vastheid
+der arenden, noch de gevoelloosheid hunner zenuwen.
+
+Zoolang wij nog binnen de moerschroef waren, ging alles goed; maar
+na honderd vijftig treden geklommen te zijn, sloeg de wind mij in het
+gezicht; wij waren op het platte dak van den toren gekomen. Daar begon
+de, met eene brooze leuning voorziene luchttrap, welker treden, die
+hoe langer hoe smaller werden, tot in het oneindige schenen te klimmen.
+
+"Ik kan er nooit komen!" riep ik uit.
+
+"Zoudt gij bij toeval een durfniet zijn? Klim!" antwoordde de professor
+onmeedoogend.
+
+Ik moest dus wel volgen, terwijl ik mij stevig vasthield. De open lucht
+bedwelmde mij; ik voelde den toren door de rukwinden slingeren; mijne
+beenen wilden mij niet langer dragen; ik kroop weldra op de knieën,
+toen op den buik; ik sloot de oogen; ik kreeg neiging tot braken.
+
+Mijn oom pakte mij nu bij den kraag en zoo kwam ik eindelijk bij
+den kloot.
+
+"Zie eens!" zeide hij mij, "zie goed uit! gij moet in den afgrond
+leeren zien!"
+
+Ik moest de oogen openen. Ik bemerkte de huizen, die als het ware
+platgedrukt en verbrijzeld waren door een vallend lichaam, te
+midden van wolken rook. Boven mijn hoofd dreven zonderling gevormde
+wolken, en door een gezichtsbedrog schenen zij mij onbeweeglijk toe,
+terwijl de toren, de kloot, ik, mijn oom, met toover-snelheid werden
+rondgevoerd. In de verte strekte zich aan de eene zijde het groene
+veld uit; aan de andere fonkelde de zee onder een bundel stralen. De
+Sond vertoonde zich bij de landpunt van Elseneur met eenige witte
+zeilen, als waren het vleugels van zeemeeuwen, en in den nevel ten
+oosten slingerden zich de nauwelijks zichtbare kusten van Zweden. Die
+eindelooze ruimte dwarlde voor mijne oogen.
+
+Nochtans moest ik opstaan, recht overeind blijven en uitzien. Mijne
+eerste les in de duizeligheid duurde een uur. Toen het mij eindelijk
+vrij stond om weder af te dalen en het stevige plaveisel der straten
+te betreden, was ik stijf geworden.
+
+"Morgen beginnen wij weder," sprak de professor.
+
+En inderdaad, vijf dagen achtereen herhaalde ik die duizelingwekkende
+oefening, en tegen wil en dank maakte ik merkbare vorderingen in de
+kunst "om uit de hoogte rond te zien."
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX
+
+ Het Kattegat.--Skagen.--Naar het middelpunt der aarde.--Het
+ handschrift van Saknussemm.--Reikiavik.--De IJslanders.
+
+
+De dag van het vertrek kwam. Den vorigen avond had de vriendelijke
+heer Thomson ons dringende aanbevelingsbrieven gebracht voor graaf
+Trampe, gouverneur van IJsland, den heer Pictorsson, coadjutor van
+den bisschop en den heer Finsen, burgemeester van Reikiavik. Warme
+handdrukken waren de dank van mijn oom.
+
+Den 2den, te zes uur des morgens, was onze kostbare bagage aan boord
+van de Valkyrie. De kapitein bracht ons naar vrij nauwe hutten,
+geplaatst onder een soort van roef.
+
+"Hebben wij een goeden wind?" vroeg mijn oom.
+
+"Een uitmuntenden," antwoordde kapitein Bjarne. "Een
+zuid-oostewind. Wij zullen met den wind genoegzaam achter en met
+volle zeilen de Sond verlaten."
+
+Eenige oogenblikken later ging de schoener onder zeil in de
+straat. Alle zeilen werden bijgezet; de fok, de groote bezaan,
+het marszeil en het bramzeil. Een uur later scheen de hoofdstad van
+Denemarken in de verre golven weg te duiken en ging de Valkyrie dicht
+onder de kust van Elseneur langs. In den zenuwachtigen toestand,
+waarin ik mij bevond, verwachtte ik de schim van Hamlet op den aan
+legenden rijken oever te zien ronddwalen.
+
+"Verhevene zinnelooze!" zeide ik, "gij zoudt ons zonder twijfel
+toejuichen! gij zoudt ons misschien volgen om in het middelpunt van
+den aardbol eene oplossing voor uwen eeuwigen twijfel te zoeken!"
+
+Maar er verscheen niets op de oude muren; het kasteel is dan ook
+veel jonger dan de heldhaftige deensche vorst. Het dient nu tot
+een prachtig verblijf voor den portier dezer straat, waar jaarlijks
+vijftien duizend schepen van alle natiëen doorvaren.
+
+Het kasteel Kongborg verdween weldra in den nevel, even als de toren
+van Helsingborg op den zweedschen oever en de schoener boog zacht
+onder de koelten van het Kattegat.
+
+De Valkyrie was een goed zeiler; maar met een zeilschip weet men
+nooit recht, waar men op rekenen kan. Zij bracht naar Reikiavik kolen,
+keukengereedschap, aardewerk, wollen kleederen en eene lading koren;
+vijf zeelieden, allen Denen, maakten de geheele bemanning uit.
+
+"Hoe lang zal de overtocht duren?" vroeg mijn oom aan den kapitein.
+
+"Een dag of tien," antwoordde de laatste, "indien wij bij Faroër niet
+te veel buien uit het noordwesten krijgen."
+
+"Maar gij behoeft toch niet te vreezen voor te lang oponthoud?"
+
+"Neen, mijnheer Lidenbrock! wees gerust, wij zullen tijdig genoeg
+aankomen."
+
+Tegen den avond zeilde de schoener om kaap Schagen. de noordelijkste
+punt van Denemarken, voer des nachts door de Schagerrak, langs het
+uiteinde van Noorwegen op de hoogte van kaap Lindesnäs en kwam in
+de Noordzee.
+
+Twee dagen daarna waren wij bij de schotsche kust op de hoogte van
+Peterhead en richtte de Valkyrie den steven naar Faroër, tusschen de
+Orkaden en de Shetlandsche eilanden door.
+
+Weldra werd de schoener bespoeld door de golven van den Atlantischen
+oceaan; hij moest tegen den noordewind op laveeren en bereikte niet
+zonder moeite de Faroër. Den 8sten zag de kapitein Myganness, het
+oostelijkste dezer eilanden; en van dat oogenblik af liep hij recht
+op kaap Portland aan, op de zuidkust van IJsland gelegen.
+
+De reis leverde niets bijzonders op. Ik stond de bezwaren der zeereis
+vrij goed door; mijn oom was, tot zijn groot verdriet en nog grooter
+beschaming, onophoudelijk ziek. Hij kon er dus niet aan denken om
+kapitein Bjarne te ondervragen over den Sneffels, over de middelen
+van gemeenschap, over de gemakkelijkste wijze van vervoer; hij moest
+die ophelderingen tot zijne aankomst uitstellen en lag al dien tijd in
+zijne hut, wier houten wanden kraakten door het geweldige stampen van
+het schip. Ik moet bekennen, dat hij zijn lot wel een beetje verdiende.
+
+Den 11den peilden wij kaap Portland; daar het nog dag was konden
+wij den Myrdals Yocul zien, die haar beheerscht. De kaap bestaat uit
+een grooten heuvel met steile hellingen, die eenzaam op het strand
+zich verheft.
+
+De Valkyrie bleef op een aanzienlijken afstand van de kust, en voer
+haar in westelijke richting langs, te midden van talrijke scholen
+walvisschen en haaien. Weldra vertoonde zich eene verbazende,
+doorboorde rots, waar de schuimende zee met woede doorstroomde. De
+Westman-eilandjes schenen uit den oceaan op te stijgen, gelijk
+een handvol rotsblokken op de vloeibare vlakte heengeworpen. Van
+dit oogenblik af koos de schoener het ruime sop om op een goeden
+afstand kaap Reykjaness om te varen, die den westelijken hoek van
+IJsland vormt.
+
+De hoogst onstuimige zee belette mijn oom om op het dek te komen,
+om die door de zuidwestewinden getande en verbrokkelde kusten te
+bewonderen.
+
+Acht en veertig uur later, na een storm doorgestaan te hebben, die den
+schoener dwong om voor top en takel te loopen, peilde men ten oosten
+de boei van de punt van Skagen, wier gevaarlijke rotsen zich een
+aanmerkelijk eind ver onder de golven uitstrekken. Een ijslandsche
+loods kwam aan boord en drie uur later ankerde de Valkyrie voor
+Reikiavik in de baai van Faxa.
+
+De professor verliet eindelijk zijne hut, wel wat bleek en ontdaan,
+maar altijd vol geestdrift en met van genoegen stralende oogen.
+
+De bevolking der stad, die bijzonder belang had bij de komst van een
+schip, waaruit ieder iets verwachtte, kwam aan de baai bijeen.
+
+Mijn oom haastte zich om zijne drijvende gevangenis, om niet te zeggen
+zijn hospitaal, te verlaten. Maar voor hij het dek van den schoener
+verliet, trok hij mij mede naar voren, en met den vinger wees hij mij
+aan het noordelijk einde der baai een hoogen berg met twee toppen,
+een dubbelen kegel met eeuwige sneeuw bedekt.
+
+"De Sneffels!" riep hij, "de Sneffels!"
+
+Na mij door een teeken een volstrekt stilzwijgen opgelegd te hebben,
+stapte hij in het bootje, dat op hem wachtte. Ik volgde hem en weldra
+betraden wij IJslands bodem.
+
+Terstond daarop verscheen een man van een goed voorkomen en in
+een generaalsuniform gekleed. Het was echter slechts een eenvoudig
+overheidspersoon, de gouverneur des eilands, graaf Trampe in eigen
+persoon. De professor zag spoedig met wien hij te doen had. Hij
+overhandigde den gouverneur zijne brieven uit Kopenhagen, en er had
+in het deensch een kort gesprek plaats, waarin ik mij volstrekt niet
+mengde, en wel om eene goede reden. Maar dit eerste gesprek had dit
+gevolg: graaf Trampe stelde zich geheel ter beschikking van professor
+Lidenbrock.
+
+Mijn oom werd even aardig ontvangen door den burgemeester, den heer
+Finsen, gelijk de gouverneur in uniform, maar even vredelievend van
+aard en betrekking.
+
+Wat den coadjutor, den heer Pictursson aangaat, hij deed juist eene
+herderlijke reis in het noorderkwartier; wij moesten er dus voorloopig
+van afzien om aan hem voorgesteld te worden. Maar de heer Fridriksson,
+professor in de natuurwetenschappen aan de school te Reikiavik, was
+een innemend man, wiens medewerking ons zeer te stade kwam. Deze
+zedige geleerde sprak slechts ijslandsch en latijn; hij bood mij
+zijne diensten aan in de taal van Horatius, en ik gevoelde, dat wij
+geschapen waren om elkander te begrijpen. Hij was inderdaad de eenige
+met wien ik kon spreken gedurende mijn verblijf op IJsland.
+
+Van de drie kamers, waaruit zijn huis bestond, stelde die uitmuntende
+man er twee ter onzer beschikking, en weldra waren wij er met
+onze bagage, over wier omvang de inwoners van Reikiavik een beetje
+verwonderd waren, te huis.
+
+"Welnu, Axel!" zeide mij mijn oom, "dat gaat goed, het moeielijkste
+is achter den rug."
+
+"Wat, het moeielijkste?" riep ik uit.
+
+"Zonder twijfel, wij behoeven nog slechts af te dalen!"
+
+"Als gij het zoo meent, hebt gij gelijk; maar als wij nedergedaald
+zijn, zullen wij toch wel weder moeten opstijgen, denk ik?"
+
+"O! daarover bekommer ik mij niet! Laat eens zien, ik heb geen tijd
+te verliezen. Ik ga naar de bibliotheek. Misschien is er wel het
+eene of andere handschrift van Saknussemm in, en dat zou ik gaarne
+eens raadplegen."
+
+"Dan ga ik intusschen de stad eens door. Zult gij dat ook niet doen?"
+
+"O! daar geef ik niet veel om. Het merkwaardige van IJsland is niet
+boven, maar onder den grond."
+
+Ik ging weg en dwaalde doelloos rond.
+
+In de twee straten van Reikiavik te verdwalen zou niet gemakkelijk
+geweest zijn. Ik behoefde dus ook niet naar den weg te vragen,
+hetgeen in de gebarentaal aan vele vergisssingen blootstelt.
+
+De stad strekt zich op een vrij lagen en moerassigen bodem tusschen
+twee heuvels uit. Een verbazende lavastroom dekt haar aan den eenen
+kant en daalt zacht glooiend naar de zee. Aan den anderen kant strekt
+zich de groote baai van Faxa uit, ten noorden begrensd door den
+onmetelijken gletscher van den Sneffels, en waarin op dit oogenblik
+alleen de Valkyrie ten anker lag. Gewoonlijk zijn de engelsche en
+fransche schepen tot bescherming der visscherij op de reede geankerd;
+maar zij waren juist in dienst op de oostkust des eilands.
+
+De langste der beide straten van Reikiavik loopt evenwijdig met den
+oever; daar wonen de kooplieden en winkeliers in hutten van roode op
+elkander gestapelde balken; de andere straat, meer westelijk gelegen,
+loopt naar een meertje, tusschen de huizen van den bisschop en andere
+geen neringdoende personen.
+
+Ik was weldra aan het einde van die doodsche en treurige wegen;
+somtijds bespeurde ik wat verkleurd gras, gelijk een oud wollen tapijt,
+dat door het gebruik kaal geworden is, of wel iets dat op een moestuin
+geleek, welks schrale groenten, aardappelen, kool en latuw met gemak
+op eene lilliputsche tafel hadden kunnen staan; eenige kwijnende
+nagelbloemen trachtten ook een zonnestraaltje op te vangen.
+
+Omtrent in het midden der, geen handeldrijvende, straat vond ik de
+algemeene begraafplaats, omgeven van een aarden muur, en waarop geen
+gebrek was aan ruimte. Eenige stappen verder kwam ik aan het huis
+van den gouverneur, een bouwval in vergelijking van het hamburgsche
+stadhuis, een paleis bij de hutten der ijslandsche bevolking.
+
+Tusschen het meertje en de stad verhief zich de kerk, in
+protestantschen smaak gebouwd en vervaardigd van verkalkte steenen,
+die de vulkanen uitbraken; bij hevige westewinden kan het bijna niet
+anders of haar dak van roode pannen moet afwaaien, tot groote schade
+der geloovigen.
+
+Op eene naburige hoogte bemerkte ik de nationale school, waar men,
+zooals ik later van mijn gastheer vernam, hebreeuwsch, engelsch,
+fransch en deensch onderwees; vier talen, waarvan ik tot mijne schande
+geen enkel woord kende. Ik zou de laatste geweest zijn van de veertig
+leerlingen, die deze kleine school telde, en onwaardig om met hen in
+die kasten met twee afdeelingen te slapen, waarin zwakker gestellen
+reeds den eersten nacht moeten stikken.
+
+In drie uur had ik niet alleen de stad, maar ook hare omstreken
+bezocht. Haar voorkomen was in het algemeen hoogst treurig. Geen
+boomen, geen plantengroei was er om zoo te zeggen te zien; niets
+dan de kammen der vulkanische rotsen. De hutten der IJslanders zijn
+van aarde en veen gebouwd en de muren hellen binnenwaarts over; zij
+gelijken op daken op den grond geplaatst. Die daken zijn betrekkelijk
+vruchtbare weiden. Dank zij de warmte van de woning, groeit het gras
+er vrij goed, dat men zorgvuldig in den hooitijd maait, anders zouden
+de huisdieren op die groene woningen komen grazen.
+
+Op mijn uitstapje ontmoette ik weinig inwoners; in de handeldrijvende
+straat komende, zag ik het grootste deel der bevolking bezig met
+kabeljouw, het voornaamste artikel van uitvoer, te drogen, te zouten
+en te laden.
+
+De mannen schenen forsch, maar traag; zij hadden wel iets van blonde
+Duitschers met peinzende oogen, die zich min of meer buiten het
+menschdom gevoelen; arme ballingen in dat bevrozen land opgesloten,
+waarvan de natuur wel Eskimoos moest maken, daar zij hen veroordeelde
+om op de grens van den poolcirkel te leven! Ik beproefde te vergeefs
+een glimlachje op hun gelaat te betrappen; zij lachten somtijds door
+eene soort van onwillekeurige samentrekking der spieren, maar zij
+glimlachten nooit.
+
+Hunne kleeding bestond uit een grove boezeroen van zwarte wol, in
+alle Scandinavische landen bekend onder den naam van "vadmel," een
+hoed met breede randen, een broek met roode bies en een stuk leder
+op de wijze van schoeisel gevouwen.
+
+De vrouwen met een treurig en lijdzaam voorkomen en een vrij lief maar
+wezenloos gezicht, waren gekleed met een lijfje en een rok van donker
+"vadmel;" de ongetrouwde droegen op hare kransgewijze gevlochten
+haren een gebreid bruin mutsje; de getrouwde wonden om haar hoofd
+een gekleurden doek, met een topsieraad van wit linnen.
+
+Toen ik na eene fiksche wandeling weder naar het huis van den heer
+Fridriksson ging, vond ik er mijn oom reeds in gezelschap van zijn
+gastheer.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X
+
+ Leeslust der IJslanders.--Letterkunde der IJslanders.--De
+ Sneffels.--Over zee of land?
+
+
+Het middagmaal was gereed; het werd gulzig verslonden door professor
+Lidenbrock, wiens maag door het gedwongen vasten aan boord in
+een bodemloozen afgrond was veranderd. Deze meer deensche dan
+ijslandsche maaltijd had op zichzelven niets bijzonders; maar onze
+meer ijslandsche dan deensche gastheer herinnerde mij de helden der
+aloude gastvrijheid. Het was duidelijk zichtbaar, dat wij beter bij
+hem te huis waren dan hij zelf.
+
+Het gesprek werd in de landtaal gevoerd, welke mijn oom met duitsch
+en de heer Fridriksson met latijn vermengden, opdat ik het zou kunnen
+volgen. Het liep over wetenschappelijke onderwerpen, zooals dat aan
+geleerden past; maar professor Lidenbrock was uiterst behoedzaam, en
+zijne oogen bevalen mij bij iederen volzin een volstrekt stilzwijgen
+aan betreffende onze toekomstige plannen.
+
+Allereerst vroeg de heer Fridriksson mijn oom naar de uitkomsten
+zijner nasporingen in de bibliotheek.
+
+"Uwe bibliotheek," riep de laatste, "bestaat slechts uit geschonden
+boeken op bijna ledige planken!"
+
+"Wat!" riep de heer Fridriksson, "wij bezitten acht duizend
+deelen, waaronder vele kostbaar en zeldzaam zijn, werken in de
+oude Scandinavische taal, en al het nieuws, waarvan Kopenhagen ons
+jaarlijks voorziet."
+
+"Waar zitten die acht duizend deelen dan? Ik...."
+
+"O, mijnheer Lidenbrock! zij gaan het gansche land door; men heeft
+smaak voor de studie op ons oud bevrozen eiland! Geen boer, geen
+visscher zult gij aantreffen, of hij kan lezen en leest. Wij denken,
+dat de boeken niet bestemd zijn om te beschimmelen achter een ijzeren
+traliehek, ver van de blikken der nieuwsgierigen, maar om versleten
+te worden onder de oogen der lezers. Ook gaan die deelen van hand tot
+hand, doorbladerd, gelezen en herlezen, en dikwijls komen zij eerst
+na één of twee jaar weder op hunne plank terecht."
+
+Met zekere spijt antwoordde mijn oom: "Vreemdelingen intusschen...."
+
+"Wat zou dat! De vreemdelingen hebben hunne bibliotheek te huis, en
+voor alles moeten onze boeren leeren. Ik herhaal het, de liefde voor
+de studie zit in het ijslandsche bloed. Zoo hebben wij in 1816 een
+letterkundig genootschap opgericht, dat goed gaat; vreemde geleerden
+stellen er eene eer in om er toe te behooren; het geeft boeken uit,
+bestemd voor de opvoeding onzer landgenooten en bewijst ware diensten
+aan het land. Als gij één onzer correspondeerende leden wilt zijn,
+mijnheer Lidenbrock! zult gij ons het grootste genoegen doen."
+
+Mijn oom, die reeds lid was van een honderdtal geleerde genootschappen,
+nam het aanbod zoo goedgunstig aan, dat de heer Fridriksson er door
+getroffen werd.
+
+Deze hernam: "Wees nu zoo goed mij de boeken op te noemen, die
+gij in onze bibliotheek gehoopt hadt te vinden; misschien zal ik u
+dienaangaande inlichtingen kunnen geven."
+
+Ik zag mijn oom aan. Hij aarzelde om te antwoorden. Dat raakte
+rechtstreeks zijne plannen. Na eenig nadenken besloot hij echter
+te spreken.
+
+"Mijnheer Fridriksson!" zeide hij, "ik wilde weten, of gij onder de
+oude werken ook die van Arne Saknussemm bezit?"
+
+"Arne Saknussemm!" antwoordde de reikiaviksche hoogleeraar; "gij wilt
+spreken van dien geleerde uit de zestiende eeuw, die tegelijk een
+groot natuurkundige, een groot goudmaker en een groot reiziger was?"
+
+"Juist!"
+
+"Een van de sieraden der ijslandsche letterkunde en wetenschap?"
+
+"Zoo als gij zegt."
+
+"Een der vermaardste mannen?"
+
+"Ik stem het toe."
+
+"En wiens vermetelheid zijn vernuft evenaarde?"
+
+"Ik zie, dat gij hem goed kent."
+
+Mijn oom was buiten zich zelven van vreugde, toen hij zoo over zijn
+held hoorde spreken. Hij verslond den heer Fridriksson met de oogen.
+
+"Welnu!" vraagde hij, "zijne werken?"
+
+"Ach! zijne werken bezitten wij niet."
+
+"Hoe! op IJsland?"
+
+"Zij bestaan noch op IJsland noch ergens anders."
+
+"En waarom niet?"
+
+"Omdat Arne Saknussemm wegens ketterij werd vervolgd en zijne werken
+in 1573 te Kopenhagen door beulshanden werden verbrand."
+
+"Zeer goed! In orde!" riep mijn oom tot groote ergernis van den
+professor in de natuurwetenschappen.
+
+"Wat zegt gij daar?" vroeg deze.
+
+"Ja! alles wordt duidelijk, alles staat in verband, alles is
+opgehelderd, en nu begrijp ik, waarom Saknussemm, op den index
+geplaatst en gedwongen om de ontdekkingen van zijn vernuft te
+verbergen, onder een onverstaanbaar geheimschrift het geheim...."
+
+"Welk geheim?" vraagde de heer Fridriksson driftig.
+
+"Een geheim, dat ... waarvan...." antwoordde mijn oom aarzelend.
+
+"Hebt gij misschien het een of ander bijzonder document?" hernam
+onze gastheer.
+
+"Neen ... Het was slechts eene veronderstelling."
+
+"Goed," hernam de heer Fridriksson, die de vriendelijkheid had er
+niet verder op aan te dringen, toen hij de verwarring van zijn gast
+zag. "Ik hoop," voegde hij er bij, "dat gij ons eiland niet zult
+verlaten, voor gij uit zijn delfstoffelijken rijkdom geput hebt?"
+
+"Zeker niet," antwoordde mijn oom; "maar ik kom wat laat; zijn hier
+reeds geleerden geweest?"
+
+"Ja, mijnheer Lidenbrock! de arbeid van de heeren Olafsen en
+Povelsen, op bevel des konings verricht, de studiën van Troïl,
+de wetenschappelijke zending van de heeren Gaimard en Robert aan
+boord van de fransche korvet la Recherche [2], en onlangs nog de
+waarnemingen der fransche geleerden op het fregat la Reine Hortense,
+hebben de kennis van IJsland zeer vermeerderd. Maar, geloof mij,
+er is nog wel wat te doen."
+
+"Denkt gij?" vroeg mijn oom met een onnoozel gezicht, terwijl hij
+zijn best deed om het flikkeren zijner oogen te matigen.
+
+"Ja! Wat al ter nauwernood bekende bergen, gletschers en vulkanen zijn
+er nog te bestudeeren! Zonder ver weg te gaan, ziet gij dien berg,
+die zich aan den gezichteinder verheft? dat is de Sneffels."
+
+"Zoo!" sprak mijn oom, "de Sneffels."
+
+"Ja een der merkwaardigste vulkanen, wiens krater men zelden bezoekt."
+
+"Een uitgebrande?"
+
+"O, al sedert vijf honderd jaar."
+
+"Welnu!" antwoordde mijn oom, die zenuwachtig zijne beenen over
+elkander sloeg om niet van zijn stoel op te springen, "ik heb wel lust
+om mijne geologische studiën te beginnen met dien Seffel ... Fessel
+... hoe zegt gij?"
+
+"Sneffels," hernam de uitmuntende heer Fridriksson.
+
+Dit gedeelte van het gesprek was in het latijn gevoerd; ik had alles
+verstaan en kon mij moeielijk goed houden, toen ik zag, hoe mijn
+oom zijne aan alles zichtbare tevredenheid bedwong; hij zette een
+onschuldig gezicht, dat wel op het grijnzen van een ouden duivel
+geleek.
+
+"Ja!" sprak hij, "mijn besluit is door uw gezegde bepaald; wij zullen
+beproeven dien Sneffels te bestijgen, misschien wel zijn krater
+te bestudeeren!"
+
+"Het spijt mij zeer," antwoordde de heer Fridriksson, "dat mijne
+bezigheden mij niet toelaten mij te verwijderen; ik zou u met genoegen
+en nut vergezeld hebben."
+
+"O, neen! o neen!" antwoordde mijn oom driftig; "wij willen niemand
+lastig vallen, mijnheer Fridriksson! ik bedank u hartelijk. De
+tegenwoordigheid van een geleerde zoo als gij zou zeer nuttig geweest
+zijn, maar de plichten van uw ambt...."
+
+Ik vertrouw, dat onze gastheer in de onschuld zijner ijslandsche ziel
+de grove spotternij mijns ooms niet begreep.
+
+"Ik keur het zeer goed, mijnheer Lidenbrock!" zeide hij, "dat gij met
+dien vulkaan begint; gij zult daar een rijken oogst van wetenswaardige
+waarnemingen inzamelen. Maar zeg eens, hoe denkt gij het schiereiland
+van den Sneffels te bereiken?"
+
+"Over zee door de baai over te steken. Dat is de kortste weg."
+
+"Ongetwijfeld, maar gij kunt dien onmogelijk nemen."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat er te Reikiavik geene enkele boot is."
+
+"Duivels!"
+
+"Gij moet de kust volgen en over land gaan. Dat is langer maar
+belangwekkender."
+
+"Goed. Dan zal ik mij van een gids trachten te voorzien."
+
+"Ik kan u er een verschaffen."
+
+"Een vertrouwd verstandig persoon?"
+
+"Ja! een bewoner van het schiereiland. Het is een eiderganzenjager,
+een zeer bekwaam man, over wien gij tevreden zult zijn. Hij spreekt
+goed deensch."
+
+"En wanneer kan ik hem spreken?"
+
+"Morgen, als gij wilt."
+
+"Waarom niet van daag?"
+
+"Omdat hij eerst morgen komt."
+
+"Tot morgen dan!" antwoordde mijn oom zuchtend.
+
+Dit belangrijke gesprek eindigde eenige oogenblikken later
+met de warme dankbetuigingen van den duitschen professor aan den
+ijslandschen. Gedurende dit middagmaal had mijn oom belangrijke dingen
+vernomen, o.a. de geschiedenis van Saknussemm, de reden van zijn
+geheimzinnig document, dat zijn gastheer hem niet op zijn tocht zou
+vergezellen, en dat den volgenden dag een gids ter zijner beschikking
+zou zijn.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI
+
+ Eiderganzen.--Hans Bjelke.--Toestel van
+ Rhumkorff.--Reisvoorraad.--Uitrusting voor den tocht.
+
+
+Des avonds deed ik eene kleine wandeling langs den oever van Reikiavik
+en kwam vroeg t'huis om mij neder te leggen in mijne bedstede van
+ruwe planken, waarin ik rustig sliep.
+
+Toen ik ontwaakte, hoorde ik mijn oom druk spreken in de aangrenzende
+kamer. Ik stond dadelijk op en haastte mij om naar hem toe te gaan.
+
+Hij sprak deensch met een grooten, fiks gebouwden man. Die groote
+kerel moest buitengewoon sterk zijn. Zijne zacht blauwe oogen en zijn
+zeer groot en vrij openhartig gelaat schenen mij schrander toe. Lange
+haren, die zelfs in Engeland voor rosachtig zouden doorgegaan zijn,
+vielen op zijne breede schouders. Deze inboorling was vlug in zijne
+bewegingen, maar hij maakte weinig drukte met zijne armen, als een man,
+die de gebarentaal niet kende of minachtte. Alles teekende in hem een
+volmaakt kalm, niet traag maar rustig gestel. Men gevoelde, dat hij
+niemand iets vroeg, dat hij werkte, als hij lust had, en dat in deze
+wereld zijne wijsbegeerte noch verwonderd noch verstoord kon worden.
+
+Ik maakte de verschillende zijden van dit karakter op uit de
+wijze waarop de IJslander den stortvloed van woorden van mijn oom
+aanhoorde. Hij bleef met over elkander geslagen armen staan te
+midden van de menigvuldige gebaren van mijn oom; om te ontkennen
+draaide hij zijn hoofd van de linker- naar de rechterzijde; hij boog
+het om te bevestigen, maar zoo weinig, dat zijne lange haren zich
+nauwelijks bewogen; hij dreef de spaarzaamheid zijner bewegingen tot
+vrekkigheid toe.
+
+Voorzeker, uit het voorkomen van dien man zou ik nooit zijn beroep
+van jager opgemaakt hebben; hij moest wel het wild niet verschrikken,
+maar hoe kon hij het betrappen?
+
+Alles werd opgehelderd, toen de heer Fridriksson mij vertelde, dat
+die bedaarde man slechts een "jager van eiderganzen" was, een vogel,
+wiens dons den grootsten rijkdom des eilands uitmaakt. Dit dons heet
+ook eiderdons, en er is niet veel moeite noodig om het te verzamelen.
+
+In het begin van den zomer bouwt het wijfje van den eider, eene
+mooie ganzensoort, haar nest onder de rotsen der fjörds [3], waarmede
+de kust omringd is; als dit nest voltooid is, bekleedt zij het met
+fijne veertjes, die zij uit hare borst plukt. Dadelijk komt de jager
+of liever de koopman, plundert het nest en het wijfje gaat weder
+aan het werk; dat duurt zoo lang, als zij nog dons heeft. Als zij
+zich geheel kaal heeft geplukt, trekt het mannetje op zijne beurt
+zich de veeren uit. Maar, daar het harde en grove pluksel van dezen
+geene handelswaarde heeft, neemt de jager de moeite niet om hem het
+bed voor zijn broedsel te ontstelen; het nest wordt dus voltooid,
+het wijfje legt hare eieren, de jongen komen uit, en het volgende
+jaar begint de oogst van het eiderdons weder.
+
+Daar nu de eider niet de steile rotsen kiest om het nest te bouwen,
+maar veeleer de toegankelijke en vlakke rotsen, die in zee uitloopen,
+kon de ijslandsche jager zijn beroep zonder groote inspanning
+uitoefenen. Het was een boer, die zijn oogst niet behoefde te zaaien
+noch te maaien, maar slechts binnen te halen.
+
+Die deftige, onverschillige en stilzwijgende man heette Hans Bjelke;
+hij kwam op de aanbeveling van den heer Fridriksson. Hij was onze
+aanstaande gids. Zijne manieren staken merkelijk af bij die van
+mijn oom.
+
+Toch werden zij het gemakkelijk eens. Geen van beiden zag op het
+geld; de een was gereed om aan te nemen wat men hem bood, de ander
+om te geven wat hem gevraagd werd. Nooit werd een koop gemakkelijker
+gesloten.
+
+Er werd afgesproken, dat Hans ons geleiden zou naar het dorp Stapi,
+op de zuidkust van het schiereiland van den Sneffels gelegen, aan
+den voet van den vulkaan. Over land zou de afstand omtrent twee en
+twintig mijl bedragen, eene reis die men, naar het gevoelen van mijn
+oom, in twee dagen kon doen.
+
+Maar toen hij vernam, dat het deensche mijlen waren, elk van vier en
+twintig duizend voet, moest hij zijne berekening veranderen en wegens
+den slechten toestand der wegen op zeven of acht dagen reis rekenen.
+
+Vier paarden zouden ter zijner beschikking gesteld worden: twee om
+hem en mij te dragen, twee anderen voor onze bagage. Hans zou naar
+gewoonte te voet gaan. Hij kende dit gedeelte van de kust volkomen
+en beloofde den kortsten weg te zullen nemen.
+
+Zijne verbintenis met mijn oom verstreek niet bij onze aankomst te
+Stapi: hij bleef in zijn dienst, al den tijd die noodig was voor zijne
+wetenschappelijke tochten, voor eene belooning van drie rijksdaalders
+[4] per week. Alleen werd uitdrukkelijk bepaald, dat die som den gids
+iederen Zaterdag avond zou uitbetaald worden; dit was de voorwaarde
+sine qua non van zijne verbintenis.
+
+Het vertrek werd bepaald op den 16den Juni. Mijn oom wilde den jager
+zijn godspenning geven, maar deze weigerde kortaf.
+
+"Efter," zeide hij.
+
+"Later," voegde de professor mij tot opheldering toe.
+
+Zoodra het verdrag gesloten was, ging Hans onmiddelijk weg.
+
+"Een ferme vent!" riep mijn oom, "maar hij vermoedt geenszins welke
+vreemde rol de toekomst voor hem heeft weggelegd."
+
+"Vergezelt hij ons dan....?"
+
+"Ja, Axel! tot in het middelpunt der aarde."
+
+Acht en veertig uur bleven ons nog over; tot mijn leedwezen moest ik ze
+aan onze toebereidselen besteden; wij hadden al ons verstand noodig om
+ieder voorwerp op de voordeeligste wijze te schikken, de instrumenten
+aan den eenen kant, de wapenen aan den anderen, de gereedschappen in
+dit pak, de levensmiddelen in dat. In alles vier groepen.
+
+De instrumenten bestonden uit:
+
+1e Een honderdgradigen thermometer van Eigel, doorloopende tot honderd
+vijftig graad, hetgeen mij te veel of niet genoeg toescheen. Te veel,
+indien de omringende warmte zoo hoog moest klimmen, in welk geval
+wij gebraden zouden worden. Niet genoeg, als het er op aankwam om
+den warmtegraad van bronnen of van smeltende stoffen te meten.
+
+2e Een luchtdichtheidsmeter met verdichte lucht, ingericht om
+luchtdrukkingen aan te wijzen, hooger dan die van den dampkring op
+den waterspiegel. De gewone barometer zou ook niet voldoende geweest
+zijn, daar de drukking der lucht moest toenemen in evenredigheid van
+onze daling beneden de oppervlakte der aarde.
+
+3e Een tijdmeter van Boissionnas Junior te Genève, juist geregeld
+naar den middagcirkel van Hamburg.
+
+4e Twee kompassen voor de helling en de afwijking.
+
+5e Een nachtkijker.
+
+6e Twee toestellen van Ruhmkorff, die door middel van een electrischen
+stroom een zeer draagbaar, veilig en weinig plaats innemend licht gaven
+[5].
+
+De wapenen bestonden uit twee karabijnen van Purley More en Co. en
+uit twee revolvers van Colt. Waartoe die wapenen? Wij hadden toch
+geene wilden noch verscheurende dieren te vreezen, denk ik. Maar mijn
+oom scheen evenveel prijs te stellen op zijn tuighuis als op zijne
+instrumenten, vooral op eene aanzienlijke hoeveelheid schietkatoen,
+dat onaantastbaar is door de vochtigheid en in uitzettingsvermogen
+het gewone kruit verre overtreft.
+
+De gereedschappen bestonden uit twee breekijzers, twee houweelen, eene
+touwladder, drie met ijzer beslagen stokken, eene bijl, een hamer,
+een dozijn ijzeren wiggen en bouten en lange touwen met knoopen. Dat
+maakte een aardig pak uit, want de ladder was drie honderd voet lang.
+
+Eindelijk kwamen de levensmiddelen; het pak was niet groot,
+maar geruststellend; want ik wist dat het aan geperst vleesch en
+scheepsbeschuit voorraad voor zes maanden bevatte. De drank bestond
+alleen uit jenever, water was er volstrekt niet; maar wij hadden
+waterflesschen en mijn oom rekende op de bronnen om ze te vullen;
+de bedenkingen, die ik in het midden had gebracht betreffende hare
+hoedanigheid, haar warmtegraad, en zelfs haar gemis, waren zonder
+gevolg gebleven.
+
+Om de nauwkeurige opsomming onzer reisartikelen te voltooien noem
+ik nog eene draagbare apotheek, bevattende scharen met stompe
+lemmeten, spalken voor breuken, een stuk lint van ongewasschen
+garen, zwachtels en kompressen, kleefpleisters, een laat-bekken,
+alle schrik aanjagende voorwerpen; daarenboven een aantal fleschjes,
+bevattende aardappelen-siroop, wondheelende alcohol, vloeibaar
+azijnzuur lood, azijn en ammoniac, alle artsenijen, wier gebruik
+niet zeer geruststellend is; eindelijk, de stoffen noodig voor de
+toestellen van Ruhmkorff.
+
+Mijn oom had ook gezorgd voor een voorraad tabak, jachtkruit en zwam,
+zoowel als voor een lederen gordel, dien hij om de middel droeg, en
+waarin zich eene voldoende hoeveelheid goud- en zilvergeld en papier
+bevond. Goede schoenen, waterdicht gemaakt door een overtreksel
+van teer en gomelastiek, waren ten getale van zes paar bij de
+gereedschappen gepakt.
+
+"Zoo gekleed, geschoeid en uitgerust is er geene reden, waarom wij
+niet heel ver zouden gaan," zeide mijn oom.
+
+De dag van den 14den werd geheel besteed met die verschillende
+voorwerpen te schikken. Des avonds aten wij bij graaf Trampe, in
+gezelschap van den burgemeester van Reikiavik en van dokter Hyaltalin,
+den grooten geneesheer des lands. De heer Fridriksson was niet onder
+de gasten; ik vernam later dat de gouverneur en hij overhoop lagen
+over eene zaak van bestuur en elkander niet bezochten. Ik had dus
+geene gelegenheid om een woord te begrijpen van hetgeen op dit half
+officieele maal gesproken werd. Ik merkte alleen op, dat mijn oom
+den ganschen tijd door praatte.
+
+Des anderendaags den 15den, waren de toebereidselen afgeloopen. Onze
+gastheer vereerde den professor een aangenaam geschenk door hem eene
+kaart van IJsland te overhandigen, die veel juister was dan die van
+Henderson; de kaart van Olaf Nikolas Olsen, op de schaal van 1/480000
+en uitgegeven door het ijslandsche genootschap van letterkunde,
+naar den landmeetkundigen arbeid van den heer Scheel Frisac en de
+plaatselijke opnemingen van den heer Björn Gumlangsonn. Het was een
+kostbaar document voor een delfstofkundige.
+
+De laatste avond werd doorgebracht in een vertrouwelijk praatje met den
+heer Fridriksson, voor wien ik eene levendige sympathie had opgevat;
+op het gesprek volgde een vrij onrustige slaap, voor mij ten minste.
+
+Te vijf uur des ochtends werd ik wakker door het gehinnik van vier
+paarden, die onder mijn venster fier trappelden. Ik kleedde mij haastig
+en ging op straat. Daar bracht Hans het overschot onzer bagage op den
+wagen, zonder zich om zoo te zeggen te bewegen. Toch werkte hij met
+eene ongewone behendigheid. Mijn oom maakte veel drukte maar voerde
+niets uit, en de gids scheen zich weinig om zijne aanbevelingen
+te bekommeren.
+
+Alles was te zes uur afgeloopen. De heer Fridriksson drukte ons de
+hand. Mijn oom bedankte hem zeer hartelijk in het ijslandsch voor
+zijne vriendelijke gastvrijheid. Ik voor mij uitte in mijn sierlijkst
+latijn een hartelijken groet; daarop zetten wij ons in den zadel,
+en de heer Fridriksson riep mij tot laatste afscheid dezen dichtregel
+toe, dien Virgilius voor ons, met den weg onbekende reizigers, scheen
+geschreven te hebben:
+
+Et quacumque viam dederit fortuna sequamur, d.i. Laat ons den weg
+volgen, waarheen de fortuin ons zal leiden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII
+
+ Aanvang van den tocht.--Door IJsland.--Het vlek Gufunus.
+ --Overtocht van den Fjörd.
+
+
+Toen wij vertrokken, was de lucht betrokken, maar het weder vast. Wij
+hadden noch afmattende warmte noch plasregens te vreezen. Het was
+juist goed weder voor reizigers.
+
+Het genoegen, te paard een onbekend land door te trekken, maakte,
+dat ik het zoo nauw niet nam met het begin der onderneming. Ik genoot
+ten volle het geluk van den reiziger, met betrekking tot vervulde
+wenschen en vrijheid. Ik begon de zaak anders in te zien.
+
+"Wat waag ik ook," zeide ik bij mij zelven, "door het merkwaardigste
+land te bereizen, een zeer belangrijken berg te beklimmen, en in het
+ergste geval op den bodem van een uitgebranden krater af te dalen? Het
+is duidelijk, dat die Saknussemm niets anders gedaan heeft. Wat nu
+het bestaan aangaat van eene galerij, die op het middelpunt van den
+aardbol uitloopt, het is louter verbeelding, stellig onmogelijk! Wat
+er dus voor goeds in dezen tocht is, wil ik opmerken en er niet veel
+over redeneeren!"
+
+Nauwelijks had ik zoo nagedacht of wij hadden Reikiavik reeds achter
+den rug.
+
+Hans ging voorop met een snellen, gelijkmatigen en vasten pas. De
+twee paarden, die onze bagage droegen, volgden hem, zonder dat men
+ze behoefde te sturen. Vervolgens kwamen mijn oom en ik, en waarlijk
+zonder eene al te slechte figuur te maken op onze kleine maar sterke
+dieren.
+
+IJsland is een der grootste eilanden van Europa; het heeft veertien
+honderd mijl oppervlakte en telt slechts zestig duizend inwoners. De
+aardrijkskundigen hebben het in vier deelen verdeeld, en wij moesten
+bijna in eene schuine richting het zuidwestelijke gedeelte, "Sudvestr
+Fjordungr" doortrekken.
+
+Zoodra wij Reikiavik verlieten, had Hans onmiddellijk de kust der
+zee gevolgd; wij trokken door schrale weiden, die haar best deden
+om groen te zijn, maar het geel slaagde beter. De rimpelige toppen
+der trachietmassa's aan den gezichteinder hadden door de oostelijke
+nevels een stomp voorkomen; somwijlen schitterden eenige hoopen
+sneeuw, het verspreide licht samentrekkende, op de hellingen der
+verwijderde toppen; eenige stouter zich verheffende pieken boorden
+door de grauwe wolken en verschenen weder boven de drijvende dampen,
+gelijk aan klippen, die in de bovenlucht opdoken.
+
+Dikwijls richtten die ketenen van dorre rotsen zich zeewaarts en
+drongen zij tot in de weiden door, maar er bleef toch altijd ruimte
+genoeg om voorbij te rijden. Ook kozen onze paarden uit instinct de
+gunstigste plekken, zonder een oogenblik hun loop te vertragen. Mijn
+oom had niet eens de troost om zijn rijdier met de stem of de zweep
+aan te vuren; hij had geen recht om ongeduldig te zijn. Ik kon een
+glimlach niet bedwingen, als ik dien grooten man op zijn paardje zag
+zitten, en daar zijne lange beenen langs den grond sleepten, geleek
+hij op een Centaurus met zes voeten.
+
+"Een goed beest! een goed beest!" zeide hij. "Gij zult zien, Axel! dat
+geen paard het ijslandsche in schranderheid overtreft; sneeuw, stormen,
+onbegaanbare wegen, rotsen, gletschers, niets houdt het tegen. Het is
+moedig, matig, voorzichtig. Nooit een mispas, nooit een terugtred. Als
+er eene rivier of een fjörd moet overgetrokken worden, en dat zal
+nog al eens gebeuren, zult gij zien, hoe het zonder aarzelen te water
+gaat, gelijk een tweeslachtig dier; en den tegenoverliggenden oever
+bereikt! Maar wij moeten het niet te veel aanzetten; wij zullen het
+laten begaan, en dan zullen wij zeker door elkander per dag tien uur
+gaans afleggen."
+
+"Wij, daar twijfel ik niet aan," antwoordde ik, "maar de gids?"
+
+"O! daarover bekommer ik mij niet. Die lieden loopen, zonder dat zij
+het merken, en deze beweegt zich zoo weinig, dat hij niet moe kan
+worden. Als het noodig is, zal ik hem echter mijn paard afstaan. Ik
+zou spoedig kramp krijgen, als ik niet eenige beweging nam. De armen
+gaan goed, maar men moet ook aan de beenen denken."
+
+Intusschen reden wij stevig door; het land was reeds bijna
+onbewoond. Hier en daar vertoonde zich eene afgelegene hoeve, een
+alleenstaande "boer" [6], van hout, aarde en lavabrokken gemaakt,
+als een bedelaar aan den rand van een hollen weg. Die vervallen hutten
+zagen er uit, alsof zij het mededoogen der voorbijgangers afsmeekten,
+en bijna zou men haar eene aalmoes geschonken hebben. In dat land
+waren volstrekt geene wegen, zelfs geene voetpaden, en de plantengroei,
+hoe gering ook, had weinig tijds noodig om de voetstappen der zeldzame
+reizigers uit te wisschen.
+
+Toch telde dit gedeelte der provincie, dicht bij de hoofdstad, mede
+onder de bewoonde en bebouwde streken van IJsland. Wat zouden dan de
+streken zijn, die nog woester waren dan deze woestijn? Op een weg van
+een half uur gaans hadden wij nog geen boer voor de deur zijner hut
+zien staan, noch een wilden herder ontmoet, die eene kudde weidde,
+welke minder wild was dan hij, niets anders dan eenige verlatene
+koeien en schapen. Wat zouden dan de gewesten zijn, die geschud en
+het onderste boven gekeerd waren door de uitbarstingen, veroorzaakt
+door de vulkanische ontploffingen en onderaardsche schokken?
+
+Wij zouden ze later leeren kennen; maar de kaart van Olsen raadplegende
+zag ik, dat men ze vermeed door den kronkelenden oever te volgen;
+de groote vulkanische beweging heeft zich inderdaad meer tot het
+middengedeelte des eilands bepaald; daar hebben de horizontale lagen
+van opeengestapelde rotsen, in het scandinavisch "trapps" genoemd,
+de strooken trachiet, de uitgebraakte basalt, de tufsteen en al de
+vulkanische ophoopingen van verschillende delfstoffen, de stroomen
+lava en smeltend porfier, een onnatuurlijk verschrikkelijk land
+gevormd. Ik vermoedde toen geenszins, welk schouwspel ons wachtte
+op het schiereiland van den Sneffels, waar die verwoestingen eener
+woedende natuur een vreeselijken bajert vormen.
+
+Twee uur na ons vertrek van Reikiavik kwamen wij in het vlek Gufunes,
+"aoalkirkja" of hoofdkerk genoemd. Het leverde niets bijzonders
+op. Het bestond uit slechts weinige huizen, nauwelijks voldoende om
+een duitsch gehucht te vormen.
+
+Hans hield een half uur stil, deelde ons sober ontbijt, antwoordde met
+ja en neen op de vragen van mijn oom betreffende den toestand van den
+weg, en toen men hem vroeg, waar hij den nacht dacht door te brengen,
+antwoordde hij alleen: "Gardär."
+
+Ik raadpleegde de kaart om te zien wat Gardär was. Ik zag eene
+buurt van dien naam aan de oevers van den Hvalfjörd, vier mijlen van
+Reikiavik. Ik toonde het mijn oom.
+
+"Niet meer dan vier mijlen!" zeide hij. "Vier mijlen van de twee en
+twintig! Dat is eene mooie wandeling!"
+
+Hij wilde den gids eene aanmerking maken, die echter zonder hem te
+antwoorden den kop der paarden greep en zich weder op weg begaf.
+
+Drie uur later moesten wij, steeds over het ontkleurde gras der
+weide rijdende, den Kollafjörd omtrekken, welke omweg gemakkelijker
+en korter was dan eene vaart over die golf; kort daarop kwamen wij
+in een "pingstaoer," eene plaats met gemeentelijk rechtsgebied,
+Ejulberg genoemd, welker klok twaalf uur zou geslagen hebben, indien
+de ijslandsche kerken rijk genoeg waren om een uurwerk te bezitten;
+maar zij gelijken zeer op hare gemeenteleden, die geene horloges
+hebben en het er buiten doen.
+
+Daar werden de paarden gevoederd, en nu brachten zij ons langs een
+nauw pad tusschen eene rij heuvels en de zee in eens door naar de
+"aoalkirkja" Brantär en eene mijl verder te Saurböer, eene "annexia" of
+bijbehoorende kerk, gelegen op den zuidelijken oever van den Hvalfjörd.
+
+Het was toen vier uur in den namiddag, wij hadden vier mijlen (acht
+uur gaans) afgelegd.
+
+De fjörd was te dezer plaatse minstens eene halve mijl breed; de
+baren braken met veel geraas op de spitse rotsen; de golf verwijdde
+zich tusschen rotswanden, eene soort van steile drie duizend voet
+hooge helling, opmerkenswaardig door hare bruine lagen, gescheiden
+door beddingen van min of meer roodachtigen tufsteen. Hoe groot de
+schranderheid onzer paarden ook ware, voorspelde ik mij toch weinig
+goeds van den overtocht over een waren zeearm, bewerkstelligd op den
+rug van een viervoetig dier.
+
+"Als zij schrander zijn," zeide ik, "zullen zij den overtocht niet
+beproeven. In allen gevalle zal ik in hunne plaats schrander zijn."
+
+Maar mijn oom wilde niet wachten; hij gaf zijn paard de sporen en
+reed naar den oever. Het dier rook de golven en bleef staan; mijn oom,
+die zijn eigen instinct had, dreef het voorwaarts. Het paard weigerde
+op nieuw en schudde den kop. Nu volgden vloeken en zweepslagen,
+beantwoord door het achteruitslaan van het paard, dat zijn ruiter uit
+het zadel begon te werken; eindelijk liep het paardje, zijne pooten
+uitstrekkende, tusschen de beenen van den professor weg en liet hem op
+twee steenen aan den oever staan, gelijk het colossusbeeld van Rhodus.
+
+"O, vervloekt dier!" riep de ruiter, die plotseling in een voetganger
+veranderd was en zoo beschaamd stond als een cavalerie-officier,
+dien men voor een voetknecht houdt.
+
+"Färja," zeide de gids, hem op den schouder kloppende.
+
+"Wat! eene pont?"
+
+"Der!" antwoordde Hans, hem eene schuit wijzende.
+
+"Ja!" riep ik, "daar is eene pont."
+
+"Dat hadt gij wel eerder kunnen zeggen! Welnu, vooruit!"
+
+"Tidvaiten," hernam de gids.
+
+"Wat zegt hij?"
+
+"Hij zegt vloed," antwoordde mijn oom, het deensche woord voor mij
+vertalende.
+
+"Wij moeten zeker op den vloed wachten?"
+
+"Förblda?" vroeg mijn oom.
+
+"Ja!" antwoordde Hans.
+
+Mijn oom stampvoette, terwijl de paarden zich naar de pont begaven.
+
+Ik begreep volkomen de noodzakelijkheid om een zeker oogenblik van
+het getij af te wachten om den tocht over den fjörd te ondernemen,
+dat waarop de zee, tot haar hoogste punt geklommen, stil is. Dan
+is de werking van vloed en ebbe niet merkbaar en de pont loopt geen
+gevaar van of op den bodem der golf of in den vollen oceaan gesleept
+te worden.
+
+Het gunstige oogenblik kwam eerst des avonds te zes uur; mijn oom,
+ik, de gids, twee veerlieden en de vier paarden hadden plaats genomen
+in eene soort van vrij slecht platboomd vaartuig. Gewoon als ik was
+aan de veerstoombooten op de Elbe, vond ik de riemen der schippers
+onhandige werktuigen. Meer dan een uur ging er heen met het oversteken
+van den fjörd; maar de overtocht werd toch zonder letsel volbracht.
+
+Een half uur later bereikten wij de "aoalkirkja" Gardär.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII
+
+ Het huis van een boer.--De IJslandsche vrouw.--Gastvrij
+ onthaal.--IJslandsche hartelijkheid.--Melaatschen.
+
+
+Het had donker moeten worden, maar onder den vijfenzestigsten
+breedtegraad kon het daglicht der poolgewesten mij niet verwonderen;
+op IJsland gaat de zon gedurende de maanden Juni en Juli niet onder.
+
+De warmte was echter afgenomen; ik was koud en had vooral
+honger. Welkom was ons de "boër", die zich gastvrij tot onze ontvangst
+opende.
+
+Het was het huis van een boer, maar op het punt van gastvrijheid was
+het evenveel waard als dat van een koning. Bij onze komst stak de
+eigenaar ons zijne hand toe, en zonder verdere plichtplegingen gaf
+hij ons een teeken om hem te volgen.
+
+Te volgen, zeg ik, want het zou onmogelijk geweest zijn om naast hem
+te gaan. Een lange, nauwe, donkere gang verleende den toegang tot deze
+woning, gebouwd van ter nauwernood bewerkte balken, en gaf gelegenheid
+om in de kamers te komen; deze waren ten getale van vier: de keuken,
+het spinvertrek, de "badstofa" of slaapkamer van het gezin en de beste
+van alle, de kamer voor de vreemdelingen. Mijn oom, aan wiens gestalte
+men niet gedacht had bij het bouwen van het huis, stiet wel drie-
+of viermaal het hoofd tegen de uitstekende punten van de zoldering.
+
+Men bracht ons in onze kamer, eene soort van zaal met een, bodem
+van vastgetrapte aarde en verlicht door een venster, welks ruiten
+vervaardigd waren van niet zeer doorschijnende schaapsvliezen. Het
+beddegoed bestond uit droog voer, in twee houten, roodgeverfde en met
+ijslandsche spreuken versierde kooien gespreid. Ik had zooveel weelde
+niet verwacht; alleen heerschte er in dit huis eene sterke lucht van
+gedroogde visch, geweekt vleesch en zuremelk, die mijne reukzenuwen
+onaangenaam aandeed.
+
+Toen wij ons reisgewaad afgelegd hadden, deed de stem van den gastheer
+zich hooren, die ons uitnoodigde om in de keuken te komen, het eenige
+vertrek waar men stookte, zelfs bij de strengste koude.
+
+Mij oom haastte zich om aan dit vriendelijk bevel te gehoorzamen. Ik
+volgde hem.
+
+De keukenschoorsteen was nog een ouderwetsch model; in het midden
+van de kamer diende een steen tot haard, in het dak was een gat,
+waardoor de rook wegtrok. Die keuken diende ook tot eetzaal.
+
+Toen wij binnentraden, groette onze gastheer ons, alsof hij ons nog
+niet gezien had, met het woord "saellvertu"! dat wil zeggen "weest
+gelukkig", en kwam ons de wang kussen.
+
+Zijne vrouw sprak na hem dezelfde woorden, vergezeld van hetzelfde
+ceremonieel; daarna bogen zich de beide echtgenooten diep met de
+rechterhand op het hart.
+
+Ik haast mij te zeggen, dat die ijslandsche vrouw moeder was van
+negentien kinderen, allen, groot en klein, door elkander krielende
+te midden der rookwolken, waarmede de haard de kamer vulde. Ieder
+oogenblik zag ik een blond en eenigszins droefgeestig kopje uit dien
+nevel te voorschijn komen. Men zou gezegd hebben, dat het een krans
+van slecht schoongemaakte engelenkopjes was.
+
+Mijn oom en ik behandelden dit "broedsel" zeer hartelijk; weldra
+zaten er drie of vier van die kleuters op onzen rug, evenveel op onze
+knieën en de rest tusschen onze beenen. Zij die praatten, herhaalden
+"saellvertu" in alle denkbare tonen. Zij die niet praatten, schreeuwden
+er des te harder om.
+
+Dit concert werd afgebroken door de aankondiging, dat het maal gereed
+was. Op dit oogenblik kwam de jager te huis, die voor het voederen
+der paarden gezorgd had, dat wil zeggen, hij had ze eenvoudig in het
+veld los laten loopen; de arme dieren moesten zich vergenoegen met
+te knabbelen aan het schaarsche mos der rotsen en eenig niet zeer
+voedzaam zeegras; den volgenden morgen zouden zij niet nalaten om
+uit eigen beweging den arbeid van den vorigen dag weder op te vatten.
+
+"Saellvertu!" zeide Hans bij zijn binnentreden. Vervolgens omhelsde
+hij heel bedaard en stijf, zonder dat de eene kus luider klonk dan
+de andere, den gastheer, de gastvrouw en hunne negentien kinderen.
+
+Toen die plichtpleging afgeloopen was, zette men zich aan tafel ten
+getale van vier en twintig en bij gevolg op elkander in den waren
+zin des woords. De gelukkigsten hadden maar twee kleuters op de knieën.
+
+Toch ontstond er stilte in deze kleine wereld, toen de soep op tafel
+kwam, en de, zelfs den ijslandschen knapen aangeboren stilzwijgendheid,
+hernam haar gezag. De gastheer bediende ons van eene niet onsmakelijke
+korstmossoep, vervolgens van eene verbazende portie gedroogde
+visch, zwemmende in sedert twintig jaar verzuurde boter, die bij
+gevolg verre te verkiezen was boven versche, volgens de op IJsland
+heerschende denkbeelden over de kookkunst. Daarbij kwam nog "skyr,"
+eene soort van gestremde melk met beschuit en smakelijk gemaakt door
+jeneverbessensap; eindelijk tot drank wei met water, hier "blanda"
+genoemd. Ik kon er niet over oordeelen of dit zonderlinge voedsel
+lekker was of niet. Ik had honger en bij het nagerecht verzwolg ik,
+tot den laatsten mondvol toe, eene dikke boekweitepap.
+
+Zoodra de maaltijd afgeloopen was, verdwenen de kinderen; de
+volwassenen gingen om den haard zitten, waaraan turf, heide, koemest
+en graten van gedroogde visch lagen. Na zich wat verwarmd te hebben,
+begaven de verschillende groepen zich naar hare eigene kamers. De
+gastvrouw bood ons, naar 's lands gebruik, aan om onze kousen en
+broeken uit te trekken; maar na een vriendelijke weigering van onzen
+kant drong zij er niet op aan, en ik kon eindelijk in mijn bed van
+voer wegkruipen.
+
+Den volgenden morgen te vijf uur namen wij afscheid van den
+ijslandschen boer; mijn oom had veel moeite om hem eene behoorlijke
+schadeloosstelling te doen aannemen, en Hans gaf het sein tot het
+vertrek.
+
+Honderd schreden van Gardär begon het voorkomen van den bodem te
+veranderen; de grond werd moerassig en minder geschikt voor den
+tocht. Ter rechterzijde verlengde de rij bergen zich tot in het
+oneindige, gelijk een verbazend stelsel van natuurlijke vestingwerken,
+waarvan wij de schuine vlakte volgden; dikwijls moesten wij beken
+overtrekken, die noodzakelijk doorwaad moesten worden, zonder echter
+de bagage te nat te maken.
+
+De woestijn werd hoe langer hoe akeliger; somtijds echter scheen eene
+menschelijke schaduw in de verte te vluchten; als de kronkelingen van
+den weg ons onvoorziens in de nabijheid van een dezer spoken brachten,
+kreeg ik terstond eene walging op het gezicht van een gezwollen hoofd
+met eene glimmende huid, ontbloot van haar en met afzichtelijke wonden,
+die zichtbaar waren door de scheuren van ellendige lompen.
+
+Het ongelukkige schepsel stak zijne misvormde hand niet uit; het
+pakte zich integendeel weg, maar toch niet zoo snel of Hans had het
+nog begroet met het gewone "Saellvertu".
+
+"Spetelsk!" zeide hij.
+
+"Een melaatsche!" herhaalde mijn oom.
+
+Dit enkele woord bracht zijn afschrikwekkend uitwerksel voort. Deze
+akelige melaatschheid is vrij algemeen op IJsland; zij is niet
+besmettelijk, maar erfelijk; ook is het huwelijk aan die rampzaligen
+verboden.
+
+Zulke verschijningen waren niet geschikt om het landschap op te
+vroolijken, dat uiterst treurig werd; de laatste bosjes gras stierven
+weg onder onze voeten. Geen boom was er te zien, met uitzondering van
+eenige groepjes dwergbeuken, die op kreupelhout geleken. Geen dier,
+dan eenige paarden, die hun eigenaar niet kon onderhouden en die op de
+doodsche vlakte rondzwierven. Somtijds zweefde een valk in de grauwe
+wolken en vluchtte pijlsnel naar het zuiden; ik liet mij medeslepen
+door de naarheid dezer woeste natuur en mijne herinneringen voerden
+mij terug naar mijn geboorteland.
+
+Wij moesten weldra eenige onbeduidende kleine fjörds en eindelijk
+eene ware golf oversteken; de zee, die juist stil was, veroorloofde
+ons om zonder te wachten over te gaan en het gehucht Alftanes, eene
+mijl verder gelegen, te bereiken.
+
+Nadat wij twee aan forellen en snoeken rijke rivieren, de Alfa en de
+Heta, doorwaad hadden, waren wij des avonds verplicht den nacht door
+te brengen in een verlaten bouwval, waardig om bezocht te worden door
+al de kaboutermannetjes der noordsche fabelleer; zoo veel is zeker dat
+de geest der koude er zijne woning had gevestigd en ons den ganschen
+nacht met zijne guiterijen kwelde.
+
+De volgende dag leverde geen bijzonder voorval op. Altijd dezelfde
+moerassige grond, dezelfde eenvormigheid, hetzelfde treurige
+voorkomen. Des avonds hadden wij de helft onzer reis afgelegd en
+sliepen wij in de "annexia" van Krösolbt.
+
+Den 19den Juni reden wij omtrent eene mijl ver over een bodem
+van lava; deze toestand van den grond heet hier "hraun;" de aan de
+oppervlakte gerimpelde lava bootste de vormen van kabels na, nu eens
+in de lengte uitgerekt, dan weder opgerold; een verbazende stroom
+daalde van de naburige bergen, die nu uitgebrande vulkanen waren,
+maar van wier vroeger geweld deze overblijfselen het voldingendste
+bewijs opleverden. Evenwel steeg nog hier en daar de damp van warme
+bronnen omhoog.
+
+Het ontbrak ons aan tijd om deze verschijnselen waar te nemen; wij
+moesten vooruit; weldra betraden onze rijdieren weder een moerassigen
+bodem, afgebroken door meertjes. Wij richtten ons nu naar het westen;
+wij waren de groote baai van Faxa omgetrokken en de dubbele witte
+top van den Sneffels verhief zich in de wolken op een afstand van
+nog geen vijf mijlen.
+
+De paarden liepen goed, niet gestuit door de hindernissen van den
+grond; ik voor mij begon zeer vermoeid te worden, maar mijn oom zat
+nog even stevig en recht, als op den eersten dag; ik kon niet nalaten
+hem evenzeer als den jager te bewonderen, die dezen tocht als eene
+bloote wandeling beschouwde.
+
+Op Zaterdag, den 20sten Juni, des avonds te zes uur, bereikten
+wij Büdir, eene buurt aan de zeekust gelegen. De gids vorderde zijn
+bedongen loon. Mijn oom rekende met hem af. De eigene familie van Hans,
+dat wil zeggen zijne volle ooms en neven, bood ons een nachtverblijf
+aan; wij werden goed ontvangen en zonder van de vriendelijkheid dezer
+brave lieden misbruik te maken, zou ik gaarne bij hen uitgerust
+hebben van de vermoeienissen der reis. Maar mijn oom, die daaraan
+geene behoefte had, verstond het anders, en den volgenden morgen
+moesten wij op nieuw onze goede beesten bestijgen.
+
+De grond droeg sporen van de nabijheid van den berg, wiens
+granietwortels uit den grond kwamen, gelijk die van een ouden eik. Wij
+reden om den verbazenden voet van den berg heen. De professor verloor
+hem niet uit het oog; hij maakte driftige gebaren, hij scheen hem
+uit te dagen en te zeggen: "Ziedaar den reus, dien ik zal ten onder
+brengen!" Eindelijk, na een marsch van vier uur, bleven de paarden
+van zelven stilstaan voor de deur der pastorie van Stapi.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV
+
+ De familie van Hans.--Stapi.--Verbasterde geestelijke.--Vrees
+ voor uitbarsting.--Te mooi om mogelijk te zijn.--Gevaar voor
+ uitbarsting.
+
+
+Stapi is een gehucht van een dertigtal hutten op lava gebouwd en
+beschenen door de zonnestralen, welke de vulkaan terugkaatst. Het
+strekt zich uit aan het einde van een kleinen fjörd, ingesloten door
+een basaltmuur van een allervreemdst voorkomen.
+
+Men weet, dat de basalt eene door het vuur gevormde bruine rotssoort
+is; hij neemt regelmatige vormen aan, die door hunne schikking
+verbazen. Hier handelt de natuur meetkunstig en werkt op menschelijke
+wijze, alsof zij winkelhaak, passer en schietlood gebruikte. Toont
+zij overal elders hare kunst in hare groote, ordeloos nedergeworpene
+massa's, hare onvolmaakte piramiden, in die grillige opeenvolging harer
+lijnen, hier heeft zij, het voorbeeld van regelmaat willende geven,
+en de oudste bouwmeesters voorgaande, eene strenge orde geschapen,
+die nooit overtroffen is door de prachtwerken van Babylon noch door
+de wonderen van Griekenland.
+
+Ik had wel hooren spreken van den Reuzendam op Ierland en van de
+Fingalsgrot op een der Hebriden; maar het schouwspel van een onderbouw
+van basalt had zich nog nooit aan mijn oog vertoond.
+
+Te Stapi vertoonde zich dit verschijnsel in zijne volle schoonheid.
+
+De muur van den fjörd bestond, evenals de geheele kust van het
+schiereiland, uit eene rij loodrechte, dertig voet hooge zuilen. Die
+rechte en zuiver geëvenredigde schachten droegen een kroonboog,
+bestaande uit horizontale zuilen, die door hare afwijking van de
+waterpaslijn een half gewelf boven de zee vormden. Op sommige plaatsen
+van dit natuurlijke regenscherm bespeurde men spitsboogvormige,
+heerlijk geteekende openingen, waardoor de baren der zee schuimende
+nederstortten. Eenige basaltblokken, door de woede van den oceaan
+los gescheurd, lagen op den grond, gelijk de puinhoopen van een
+eeuwenouden tempel, maar het waren eeuwig jonge puinhoopen, waarover
+de eeuwen henen gingen zonder ze te beschadigen.
+
+Zoo zag de laatste pleisterplaats op onze aardsche reis er uit. Hans
+had ons met veel beleid zoo ver gebracht en ik werd een beetje
+geruster, toen ik bedacht, dat hij ons nog verder zou vergezellen.
+
+Aan de deur van het huis van den geestelijke komende, dat slechts
+eene gewone lage hut, noch schooner noch gemakkelijker ingericht
+dan de andere, was, zag ik iemand, die juist bezig was een paard te
+beslaan met den hamer in de hand en het lederen schootsvel voor.
+
+"Saellvertu"! zeide hem de jager.
+
+"God dag"! antwoordde de hoefsmid in zuiver deensch.
+
+"Kyrkoherde", sprak Hans, zich tot mijn oom wendende.
+
+"De geestelijke"! herhaalde deze. "Het schijnt, Axel! dat die brave
+man de geestelijke is".
+
+Intusschen bracht de gids den "Kyrkoherde" op de hoogte van de
+zaak. Deze staakte zijn arbeid, gaf eene soort van schreeuw, die zeker
+in gebruik is tusschen paarden en paardenkoopers, en oogenblikkelijk
+kwam eene groote helleveeg de hut uit. Als zij geen volle zes voet
+haalde, scheelde het toch weinig.
+
+Ik vreesde, dat zij den reiziger den gebruikelijken ijslandschen kus
+kwam aanbieden; maar het gebeurde niet en zelfs maakte zij niet veel
+omslag, toen zij ons in haar huis bracht.
+
+De kamer voor de vreemdelingen scheen wel de slechtste van de pastorie,
+bekrompen, vuil en stinkend. Wij moesten er ons mede behelpen; de
+geestelijke scheen de aloude gastvrijheid niet te beoefenen. Verre
+van daar. De dag was nog niet verstreken, of ik zag reeds, dat wij
+te doen hadden met een smid, een visscher, een jager, een timmerman,
+maar niet met een dienaar des Heeren. Maar het is waar, het was in
+de week. Misschien hield hij zich des Zondags beter.
+
+Ik wil niets ten nadeele van die arme priesters zeggen, die toch al
+ongelukkig genoeg zijn; zij genieten van het deensche gouvernement
+eene bespottelijke bezoldiging en ontvangen het vierde gedeelte van
+de tienden van hun kerspel, hetgeen eene som van nog geen zestig
+mark bedraagt [7]. Daaruit ontstaat de noodzakelijkheid om te werken;
+maar al visschende, jagende, paarden beslaande, neemt men eindelijk
+de manieren, den toon en de zeden van jagers, visschers en ander ruw
+volkje aan; denzelfden avond bemerkte ik ook, dat onze gastheer de
+matigheid niet onder zijne deugden telde.
+
+Mijn oom begreep spoedig met welk een slag van een man hij te doen
+had; in plaats van een braaf en waardig geleerde vond hij een lompen,
+ruwen boer; hij besloot dus ten allerspoedigste zijn grooten tocht
+te beginnen en deze ongastvrije pastorie te verlaten. Hij lette
+niet op zijne vermoeidheid en besloot eenige dagen in den berg te
+gaan doorbrengen.
+
+Daags na onze komst te Stapi maakten wij derhalve reeds toebereidselen
+tot ons vertrek. Hans huurde drie IJslanders om de paarden te
+vervangen bij het vervoeren der bagage; maar als wij op den bodem van
+den krater waren, zouden die inboorlingen terugkeeren en ons aan ons
+lot overlaten. Dit punt werd stellig bepaald.
+
+Bij deze gelegenheid moest mijn oom den jager wel mededeelen, dat
+zijn plan was om de verkenning van den vulkaan zoo ver mogelijk voort
+te zetten.
+
+Hans vergenoegde zich met een hoofdknikje. Daar of ergens anders
+te gaan, in de ingewanden van zijn eiland door te dringen of het te
+doorloopen, daarin zag hij geen verschil; ik voor mij, hoewel ik tot
+nu toe door de voorvallen van de reis nog al afleiding gehad en de
+toekomst min of meer vergeten had, voelde mijne beklemdheid op nieuw
+terugkomen. Maar wat was er aan te doen? Als ik eene poging had kunnen
+wagen om mij tegen professor Lidenbrock te verzetten, dan had dit te
+Hamburg maar niet aan den voet van den Sneffels moeten plaats hebben.
+
+Een denkbeeld vooral pijnigde mij, een verschrikkelijk denkbeeld,
+dat wel in staat was om sterker zenuwen dan de mijne te schokken.
+
+"Komaan!" zeide ik, "wij zullen den Sneffels bestijgen. Goed. Wij
+zullen zijn krater bezoeken. Goed. Anderen hebben het gedaan en
+zijn er niet van gestorven. Maar dat is niet alles. Als er een weg
+bestaat om in de ingewanden der aarde af te dalen, als die ongeluk
+aanbrengende Saknussemm de waarheid heeft gesproken, dan zullen
+wij onzen ondergang vinden in de onderaardsche galerijen van den
+vulkaan. Maar niets bevestigt, dat de Sneffels uitgebrand is. Wie
+verzekert ons, dat er geene uitbarsting wordt voorbereid? Al slaapt
+het monster sedert 1219, volgt dan daaruit nog, dat het niet ontwaken
+kan? En als het ontwaakt, wat zal er dan van ons worden?" Dat was wel
+de moeite waard om er eens over te denken, hetgeen ik ook deed. Ik
+kon niet slapen zonder van eene uitbarsting te droomen; de rol van
+eene metaalslak te spelen scheen mij toch wat al te erg toe.
+
+Eindelijk kon ik het niet langer uithouden; ik besloot zoo behendig
+mogelijk het geval aan mijn oom mede te deelen, ingekleed als eene
+volstrekt onvervulbare veronderstelling.
+
+Ik zocht hem op, deelde hem mijne vrees mede en ging wat achteruit
+om hem vrij te laten losbarsten. Hij antwoordde eenvoudig: "Daar heb
+ik ook al aan gedacht."
+
+Wat beteekende dit gezegde? Zou hij eindelijk gehoor geven aan de
+stem der rede? Dacht hij er aan om zijn plannen op te schorten? Het
+zou te mooi geweest zijn om mogelijk te wezen.
+
+Na eenige oogenblikken zwijgens, daar ik hem niet durfde ondervragen,
+hervatte hij het gesprek, zeggende:
+
+"Ik dacht er aan. Sedert onze komst te Stapi heb ik mij ernstig
+bezig gehouden met de gewichtige vraag, die gij mij daar voorlegt;
+want wij moeten niet als onbezonnenen handelen."
+
+"Neen!" antwoordde ik met nadruk.
+
+"Sedert zes honderd jaar is de Sneffels stom, maar hij zou weder
+kunnen spreken. De uitbarstingen nu worden altijd voorafgegaan door
+volkomen bekende natuurverschijnselen; ik heb dus de bewoners des
+lands ondervraagd, ik heb den grond bestudeerd en ik kan u zeggen,
+Axel, dat er geene uitbarsting zal plaats hebben."
+
+Op deze stellige verzekering stond ik verstomd en kon niet antwoorden.
+
+"Twijfelt gij aan mijne woorden?" sprak mijn Oom, "welnu, volg mij!" Ik
+gehoorzaamde werktuiglijk. De pastorie verlatende, sloeg de professor
+dadelijk een weg in, die door eene opening in den basaltmuur zich
+van de zee verwijderde. Weldra waren wij op het vlakke veld, als men
+dien naam geven mag aan eene verbazende ophooping van uitgebraakte
+vulkanische stoffen; de landstreek scheen als verpletterd onder een
+regen van ontzaglijke steenen, basalt, graniet en olijfblende.
+
+Hier en daar zag ik de dampen in de lucht opstijgen; die witte dampen,
+in de ijslandsche taal "reykir" genoemd, kwamen uit de warme bronnen,
+en wezen door hun geweld de vulkanische werkzaamheid van den grond
+aan. Ik meende, dat mijne vrees hierdoor gerechtvaardigd werd. Ik
+viel dus uit de wolken, toen mijn oom zeide:
+
+"Gij ziet al dien rook, Axel! welnu, hij bewijst, dat wij niets van
+de woede van den vulkaan hebben te vreezen!"
+
+"Nu nog fraaier!" riep ik.
+
+"Onthoud dit goed," hernam de professor: "bij de nadering van eene
+uitbarsting verdubbelen de dampen hunne werkzaamheid, om geheel te
+verdwijnen zoolang het verschijnsel duurt, want de veerkrachtige
+vloeistoffen, dan die noodige spankracht niet meer hebbende, nemen
+haren weg door den krater in plaats van te ontwijken door de scheuren
+van den aardbol. Als die dampen dus in hun gewonen toestand blijven,
+als hunne kracht niet toeneemt, als gij bij deze waarneming nog voegt,
+dat de wind en de regen niet door eene zwoele, stille lucht worden
+vervangen, dan kunt gij stellig verzekeren, dat er geene uitbarsting
+ophanden is."
+
+"Maar...."
+
+"Genoeg. Wanneer de wetenschap heeft gesproken, past het ons te
+zwijgen."
+
+Ik kwam met hangende ooren in de pastorie terug; mijn oom had mij
+met wetenschappelijke bewijzen geslagen. Toch had ik nog eene hoop,
+namelijk, dat het, als wij eens op den bodem van den krater waren,
+onmogelijk zou zijn, uit gebrek aan eene galerij, om dieper te dalen,
+in spijt van alle Saknussemms der wereld.
+
+Den volgenden nacht kwelde de nachtmerrie mij geducht. Ik bracht hem
+door in het midden van een vulkaan, diep onder den grond, en voelde,
+hoe ik, onder den vorm van een uitgebraakten steen, in het wereldruim
+werd geslingerd.
+
+Den volgenden morgen, den 23sten Juni, wachtte Hans ons op met zijne
+makkers, beladen met de levensmiddelen, de gereedschappen en de
+werktuigen. Twee met ijzer beslagen stokken, twee geweren en twee
+kardoesdoozen waren voor mijn oom en mij bestemd. Hans had als een
+voorzichtig man bij onze bagage nog een vollen lederen zak gevoegd,
+die met onze waterflesschen ons voor acht dagen van water verzekerde.
+
+Het was 's morgens negen uur. De geestelijke en zijne groote huisplaag
+wachtten voor hunne deur. Zij wilden ons zonder twijfel het laatste
+vaarwel van den gastheer aan den reiziger toeroepen. Maar dat vaarwel
+nam den onverwachten vorm van eene hooge rekening aan, waarop zelfs
+de lucht der pastorie, eene bedorven lucht durf ik zeggen, gebracht
+was. Dit waardige paar plukte ons gelijk een zwitsersche kastelein,
+en vorderde eene goede belooning voor zijne gastvrijheid.
+
+Mijn oom betaalde zonder afdingen. Als iemand, die naar het middelpunt
+der aarde vertrok, zag hij niet op eenige rijksdaalders.
+
+Toen dit punt afgehandeld was, gaf Hans het sein tot het vertrek,
+en eenige oogenblikken later hadden wij Stapi verlaten.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV
+
+ Het vertrek van Stapi.--Grondgesteldheid.--Moeielijkheid
+ van den tocht.--De hellingen van den Sneffels.--De "mistoer."
+
+
+De Sneffels is vijf duizend voet hoog; zijn dubbele kegel is het
+einde van eene rij trachiet, die zich losmaakt van het bergstelsel des
+eilands. Van ons punt van vertrek uit kon men zijne beide pieken zich
+niet zien afteekenen op den grauwen achtergrond des hemels. Ik bemerkte
+alleen eene verbazende sneeuwmuts op het voorhoofd van den reus.
+
+Wij gingen achter elkander, voorafgegaan door den jager; deze besteeg
+voetpaden, waar geen twee menschen naast elkander konden gaan. Een
+gesprek werd dus ten naastenbij onmogelijk.
+
+Aan de overzijde van den basaltmuur van den fjord van Stapi vertoonde
+zich vooreerst een kruidachtige en vezelachtige veengrond, het
+overblijfsel van den voormaligen plantengroei der moerassen van het
+schiereiland; de hoeveelheid van deze nog ongebruikte brandstof zou
+toereikend zijn om de geheele bevolking van IJsland eene eeuw lang
+te verwarmen; dit uitgestrekte veen had, van den bodem van eenige
+holle wegen gemeten, dikwijls zes en zestig voet dikte en vertoonde
+opeenvolgende lagen van verkoolde overblijfsels van vergane gewassen,
+gescheiden door schilfers van puimsteenachtigen tufsteen.
+
+Als een echte neef van professor Lidenbrock en in weerwil van
+mijne bezorgdheid beschouwde ik belangstellend de delfstoffelijke
+merkwaardigheden in dit uitgebreide kabinet van natuurlijke historie
+ten toon gesteld; tevens doorliep ik in den geest de geheele
+aardkundige geschiedenis van IJsland.
+
+Dit zoo merkwaardige eiland is klaarblijkelijk in een betrekkelijk
+jong tijdperk uit den schoot der golven opgerezen; misschien zelfs
+verheft het zich nog tegenwoordig door eene onmerkbare beweging. Als
+dit zoo is, kan men zijn oorsprong alleen toeschrijven aan de werking
+van het onderaardsche vuur. In dat geval dus verdwenen de theorie van
+Humphry Davy, het document van Saknussemm, de beweringen van mijn oom
+in rook. Deze veronderstelling bracht mij er toe om den aard van den
+grond oplettend te onderzoeken en weldra kon ik mij rekenschap geven
+van de opeenvolging der natuurverschijnselen, die de vorming van dit
+eiland voorafgingen.
+
+IJsland, geheel beroofd van bezonken gronden, bestaat alleen uit
+vulkanischen tufsteen, dat is te zeggen uit eene opeenhooping van
+steenen en rotsen van een poreus weefsel. Vóór het bestaan der vulkanen
+bestond het uit massief trap-porfier, langzaam uit de golven opgeheven
+door het omhoog werken der inwendige krachten. Het inwendige vuur
+had zich nog niet naar buiten getoond.
+
+Maar later werd eene breede, dwarse scheur van het zuidoosten naar
+het noordwesten des eilands geopend, waardoor langzamerhand al het
+halfgesmolten trachiet zich een uitweg baande. Dit verschijnsel had
+toen zonder geweld plaats; de uitkomst was verbazend, en de gesmolten
+stoffen, uit de ingewanden der aarde verdreven, verspreidden zich
+rustig als groote vlakke lagen of als heuvelachtige massa's. Te dien
+tijde verschenen het veldspaat, syeniet en porfier.
+
+Maar ten gevolge van die uitstorting nam de dikte des eilands en
+bij gevolg zijn tegenstandbiedend vermogen aanmerkelijk toe. Men
+begrijpt licht, welk eene hoeveelheid veerkrachtige vloeistoffen zich
+in zijn binnenste ophoopte, toen het geen uitweg meer aanbood na de
+afkoeling der trachietkorst. Toen kwam er een oogenblik, waarin het
+arbeidsvermogen dier gassen zoo groot was, dat zij de zware schors
+ophieven en zich hooge schoorsteenen oprichtten. Zoo ontstond dus de
+vulkaan door de opheffing van de korst, en werd vervolgens de krater
+plotseling in den top van den vulkaan geboord.
+
+Toen volgden vulkanische verschijnselen op de
+uitwerpingsverschijnselen; door de pas gevormde openingen ontsnapten
+vooreerst de uitwerpselen van basalt, waarvan de vlakte, die wij thans
+doorgingen, aan onze blikken de merkwaardigste proeven vertoonde. Wij
+liepen over de zware donkergrijze rotsen, die de afkoeling gevormd
+had tot prisma's met zeshoekige grondvlakken. In de verte zag men
+een groot aantal afgeknotte kegels, die voorheen zoovele vuurspuwende
+monden waren.
+
+Nadat de basaltuitwerking uitgeput was, verleende de vulkaan, wiens
+kracht nog toenam door die der uitgebrande kraters, een doortocht
+aan de lava en aan die tufsteenen van asch en slakken, welker
+lange stroomen ik op zijne hellingen verstrooid zag, als waren het
+weelderige haren.
+
+Dit was de opeenvolging der natuurverschijnselen, die IJsland te
+voorschijn riepen; alle ontstonden uit de werking van het inwendige
+vuur, en het was dwaasheid te vooronderstellen, dat de binnenste
+massa niet bleef in een voortdurenden toestand van witgloeiende
+vloeibaarheid. Dwaas vooral was het plan om te trachten het middelpunt
+van den aardbol te bereiken!
+
+Ik stelde mijzelven dus gerust betreffende den uitslag onzer
+onderneming, terwijl ik op weg was om den Sneffels met den stormpas
+te beklimmen.
+
+De weg werd hoe langer hoe moeielijker; de grond rees; de rotsbrokken
+geraakten in beweging, en de grootste oplettendheid was noodig om
+een gevaarlijken val te vermijden.
+
+Hans ging rustig vooruit als op een effen bodem; soms verdween hij
+achter de groote klompen en verloren wij hem voor een oogenblik uit het
+gezicht; dan wees een scherp gefluit de richting aan, die wij moesten
+volgen. Dikwijls ook bleef hij staan, raapte eenige brokken steen op,
+schikte ze op eene in het oog loopende wijze en vormde zoo wegwijzers
+om den terugweg aan te duiden. De voorzorg was op zichzelve goed,
+maar de volgende gebeurtenissen maakten haar nutteloos.
+
+Een vermoeiende marsch van drie uur had ons nog niet verder gebracht
+dan den voet van den berg. Daar gaf Hans een teeken om stil te houden
+en deelden wij een kort ontbijt. Mijn oom slikte de brokken door om
+maar spoedig te kunnen vertrekken. Doch, daar dit maal tevens eene
+rust moest zijn, was hij genoodzaakt het goeddunken van zijn gids af
+te wachten, die een uur later het sein gaf om weder op te breken. De
+drie IJslanders, even zwijgend als hun makker, de jager, spraken geen
+woord en aten matig.
+
+Nu begonnen wij de hellingen van den Sneffels te bestijgen; door
+een in de bergen zeer gewoon gezichtsbedrog scheen zijn besneeuwde
+top mij zeer nabij toe, en toch! hoe lang duurde het nog eer wij hem
+bereikten! op wat al vermoeienis kwam hij ons te staan! De steenen,
+door geene aarde noch gras verbonden, rolden onder onze voeten weg
+en verdwenen in de vlakte met de snelheid eener lawine.
+
+Op sommige plaatsen maakten de zijden van den berg met den
+gezichteinder een hoek van minstens zes en dertig graad; het was
+onmogelijk ze te beklimmen, en niet zonder moeite moesten die
+steenachtige steilten worden omgetrokken. Dan stonden wij elkander
+door middel van onze stokken bij.
+
+Ik moet zeggen, dat mijn oom zoo dicht mogelijk bij mij bleef; hij
+verloor mij niet uit het oog en bij menige gelegenheid verleende
+zijn arm mij een stevigen steun. Hij had zeker een ingeschapen gevoel
+van evenwicht, want hij struikelde niet. De IJslanders, hoewel zwaar
+beladen, klauterden met de vlugheid van bergbewoners.
+
+De hoogte van den top des Sneffels in aanmerking genomen dacht het
+mij onmogelijk hem van deze zijde te bereiken, als de helling niet wat
+toenam. Gelukkig vertoonde zich onverwacht, midden in het uitgestrekte
+sneeuwtapijt, dat den rug van den vulkaan bedekte, eene soort van
+trap, die onze beklimming veel gemakkelijker maakte. Zij was gevormd
+door een van die stroomen van steenen, welke bij de uitbarsting in
+de hoogte geslingerd en op IJsland "stinâ" genoemd worden. Als deze
+stroom niet in zijn val ware gestuit door de ligging van de zijden des
+bergs, zou hij zich in zee gestort en nieuwe eilanden gevormd hebben.
+
+Zoo als hij was kwam hij ons goed van pas; de steilte der hellingen
+nam toe, maar die steenen treden boden de gelegenheid aan om ze
+gemakkelijk, ja zelfs zoo snel te bestijgen, dat ik, een oogenblikje
+achter gebleven zijnde, terwijl mijne metgezellen met hunne beklimming
+voortgingen, hen door den afstand reeds verkleind zag tot een
+microscopisch voorkomen.
+
+'s Avonds te zeven uur hadden wij de twee duizend treden van de trap
+beklommen en overzagen wij eene ronde verhevenheid van den berg,
+eene soort van voetstuk, waarop de eigenlijke kegel des kraters rustte.
+
+De zee lag drie duizend twee honderd voet onder ons; wij waren boven
+de sneeuwlinie gekomen, die op IJsland door de aanhoudende vochtigheid
+van het klimaat niet zeer hoog ligt. Het was snerpend koud; de wind
+woei hevig. Ik was uitgeput. De professor zag wel, dat de beenen mij
+allen dienst weigerden en ondanks zijn ongeduld besloot hij stil te
+houden. Hij wenkte dus den jager, die het hoofd schudde en zeide:
+"Ofvanför".
+
+"Het schijnt dat wij hooger moeten stijgen," zeide mijn oom.
+
+Daarop onderzocht hij bij Hans naar de reden van zijn antwoord.
+
+"Mistour"! antwoordde de gids.
+
+"Ja, mistour"! herhaalde een der IJslanders op een ontstelden toon.
+
+"Wat beteekent dat woord?" vroeg ik zeer ongerust.
+
+"Zie maar rond!" sprak mijn oom.
+
+Ik richtte mijne blikken naar de vlakte; eene verbazende kolom van
+fijne puimsteen, zand en stof verhief zich draaiende als eene hoos; de
+wind dreef haar naar die zijde van den Sneffels, waar wij ons bevonden;
+deze ondoorschijnende gordijn onderschepte het zonnelicht en hulde den
+berg in de schaduw. Als deze hoos daalde, moest zij ons stellig in hare
+dwarrelingen wikkelen. Dit, wanneer de wind van de gletschers waait,
+zeer gewone natuurverschijnsel, heet in het ijslandsch "mistour".
+
+"Hastigt! hastigt"! riep onze gids.
+
+Zonder deensch te kennen begreep ik toch, dat wij hem ten spoedigste
+moesten volgen. Hans begon den kegel van den krater om te loopen, maar
+in eene schuine richting om gemakkelijker te kunnen voortkomen; weldra
+viel de hoos op den berg, die bij haar schok sidderde; de steenen door
+den luchtstroom medegevoerd vielen als regen neder, gelijk bij eene
+uitbarsting. Wij waren gelukkig tegen alle gevaar beveiligd aan den
+anderen kant des bergs; zonder de voorzorg van den gids zouden onze
+gekorven lichamen verre van daar in kleine stukken nedergevallen zijn,
+als het voortbrengsel van het een of ander onbekend luchtverschijnsel.
+
+Toch oordeelde Hans het niet voorzichtig om den nacht door te brengen
+op de zijden van den kegel. Wij klommen dus zigzagsgewijze hooger;
+voor de vijftien honderd voet, die wij nog moesten afleggen, hadden
+wij bijna vijf uur noodig; de omwegen, draaiingen en rugwaartsche
+bewegingen waren minstens drie mijl lang. Ik kon niet langer, ik
+bezweek van koude en honger. De eenigszins verdunde lucht was niet
+toereikende voor mijne ademhaling.
+
+Eindelijk werd te elf uur in de dichtste duisternis de top van den
+Sneffels bereikt, en voor ik eene schuilplaats ging zoeken in het
+inwendige van den krater, had ik tijd om "de middernachtszon" op
+het laagste punt harer baan te zien, terwijl zij hare bleeke stralen
+wierp op het slapende eiland onder mijne voeten.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI
+
+ Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den
+ krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock
+ wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw.
+
+
+Het avondeten was spoedig afgeloopen en de kleine troep legde zich
+zoo goed mogelijk te rusten. De ligplaats was hard, de dekking
+beduidde niet veel, de toestand was zeer hachelijk op eene hoogte
+van vijf duizend voet boven den spiegel der zee. Toch sliep ik dezen
+nacht zeer rustig, die een der beste was, welke ik sinds lang had
+doorgebracht. Zelfs droomde ik niet eens.
+
+Den volgenden morgen werden wij, half bevroren door de zeer scherpe
+lucht, wakker door de stralen eener heldere zon. Ik verliet mijn
+bed van graniet en ging mij verlustigen in het heerlijke schouwspel,
+dat zich aan mijn oog vertoonde.
+
+Ik bevond mij op eene der beide pieken van den Sneffels, de
+zuidelijke. Van daar had ik het gezicht op het grootste gedeelte
+des eilands; het gezichtsbedrog, dat aan alle aanzienlijke hoogten
+eigen is, deed zijne oevers rijzen, terwijl het binnenland scheen te
+dalen. Men zou gezegd hebben, dat eene kaart in relief van Helbesmer
+aan mijne voeten lag uitgespreid; ik zag de diepe dalen elkander in
+alle richtingen kruisen, de afgronden zich als putten voordoen, de
+meren in vijvers, de rivieren in beken veranderen. Ter rechterzijde
+volgden de tallooze gletschers en de menigvuldige pieken op elkander,
+waarvan eenige een vederbos van lichte rookwolkjes schenen te
+dragen. De golven dezer eindelooze bergen, die schenen te schuimen
+door hunne sneeuwlagen, deden mij denken aan de oppervlakte eener
+onstuimige zee. Wendde ik mij naar het westen, dan breidde daar de
+oceaan zich uit in zijn volle pracht, als ware hij eene voortzetting
+dier gekroesde toppen. Mijn oog kon nauwelijks onderscheiden, waar
+de aarde eindigde en de golven begonnen.
+
+Ik verzonk in die begoochelende geestverrukking, welke de hooge toppen
+verwekken, en ditmaal zonder duizelig te worden; want ik geraakte
+eindelijk gewoon aan dat zien uit de hoogte. Mijne verblinde oogen
+baadden zich in de doorschijnende uitstraling van het zonnelicht. Ik
+vergat, wie ik was, waar ik was, om het leven der elfen en sylphen,
+de denkbeeldige bewoners der scandinavische fabelleer, te doorleven;
+ik zwelgde het wellustig genot van mijne hooge standplaats met volle
+teugen in, zonder te denken aan de afgronden, waarin mijn noodlot mij
+binnen kort zou storten. Maar ik werd tot bewustheid der werkelijkheid
+teruggevoerd door de komst van den professor en van Hans, die zich
+op den top van de piek bij mij voegden.
+
+Mijn oom keerde zich naar het westen en wees mij met de hand een
+lichten damp, een nevel, eene flauwe schemering van land boven de
+waterlijn.
+
+"Groenland," sprak hij.
+
+"Groenland?" riep ik uit.
+
+"Ja, wij zijn er geen vijf en dertig uur van daan en als het dooit,
+komen de ijsberen op de ijsschotsen uit het noorden tot op IJsland
+toe. Maar dat hindert ons niet. Wij zijn op den top van den Sneffels;
+hier zijn twee pieken, de eene ten zuiden, de andere ten noorden. Hans
+zal ons zeggen, welken naam de IJslanders geven aan die, waarop wij
+ons thans bevinden."
+
+Toen de vraag duidelijk gesteld was, antwoordde de jager:
+
+"Scartaris."
+
+Mijn oom wierp mij een zegepralenden blik toe.
+
+"Naar den krater!" zeide hij.
+
+De krater van den Sneffels had de gedaante van een omgekeerden kegel,
+welks opening een half uur in middellijn kon wezen. Zijne diepte
+schatte ik op ongeveer twee duizend voet. Men kan licht oordeelen
+over den toestand van zulk een ontvanger, als hij gevuld werd met
+donder en vlammen. Het grondvlak van den trechter kon niet meer dan
+vijfhonderd voet omtrek hebben, zoodat zijne vrij zachte hellingen
+de nederdaling gemakkelijk maakten. Onwillekeurig vergeleek ik dien
+krater met eene verbazend groote en wijde donderbus en die vergelijking
+beangstigde mij.
+
+"In eene donderbus af te dalen," dacht ik, "die misschien geladen is
+en bij den geringsten schok kan losbranden, is het werk van gekken."
+
+Maar ik kon niet meer terug. Hans stelde zich met een onverschillig
+gelaat weder aan het hoofd der troep. Ik volgde hem zonder een woord
+te spreken.
+
+Ten einde de afdaling gemakkelijk te maken beschreef Hans binnen in
+den kegel zeer uitgestrekte ellipsen; wij moesten over uitgebraakte
+steenen loopen, waarvan eenige, door de dreuning van hun steunpunt
+beroofd, telkens opspringende op den bodem van den afgrond vielen. Hun
+val verwekte zeer helder klinkende, telkens herhaalde echo's.
+
+Zekere gedeelten des kegels vormden inwendige gletschers; dan ging Hans
+slechts met de uiterste behoedzaamheid voort, terwijl hij gedurig den
+grond met zijn met ijzer beslagen stok peilde om er de scheuren in te
+ontdekken. Op sommige twijfelachtige punten werd het noodzakelijk om
+ons met een lang touw aan elkander te binden, opdat hij, wiens voet
+soms mocht uitglijden, vastgehouden werd door zijne makkers. Deze
+vastbinding was een maatregel van voorzichtigheid, maar sloot alle
+gevaar nog niet uit.
+
+Evenwel werd de weg, ondanks de moeielijkheden van de afdaling langs
+hellingen, die de gids niet kende, zonder ongelukken afgelegd; alleen
+ontglipte een pak aan de handen van een IJslander en ging regelrecht
+naar den bodem van den afgrond.
+
+Te twaalf uur waren wij aangekomen. Ik hief het hoofd op en bespeurde
+de bovenste opening van den kegel, waardoor een gedeelte van den
+hemel zichtbaar werd, welks omtrek zeer verkleind maar bijna zuiver
+was. Op één punt slechts teekende de piek van den Scartaris zich af,
+die in de eindelooze ruimte zich verloor.
+
+Op den bodem van den krater openden zich drie schoorsteenen, waardoor
+de hoofdhaard bij eene uitbarsting van den Sneffels zijne lava en
+dampen uitbraakte. Elk dezer schoorsteenen had omtrent honderd voet
+middellijn. Zij gaapten onder onze voeten. Ik had de kracht niet om
+er in te zien. Professor Lidenbrock had hun stand snel onderzocht,
+hij hijgde, liep van den een naar den anderen, gebaren makende en
+allerlei onverstaanbare woorden uitende. Hans en zijne makkers, op
+brokken lava zittende, zagen het aan en hielden hem zeker voor een gek.
+
+Eensklaps schreeuwde mijn oom luidkeels; ik dacht, dat de grond onder
+hem wegzonk en hij in een der drie afgronden viel. Maar neen. Ik zag
+hem met wijd uitgestrekte armen en de beenen ver van elkander voor
+een granietblok staan, dat in het middelpunt van den krater lag, als
+een verbazend voetstuk bestemd voor het standbeeld van een Pluto. Hij
+stond in de houding van een ontsteld mensch, maar wiens ontsteltenis
+weldra plaats maakte voor eene dwaze vreugde.
+
+"Axel, Axel!" riep hij, "kom eens hier, kom eens hier!"
+
+Ik snelde heen. Hans noch de IJslanders bewogen zich.
+
+"Zie eens!" zeide mij de professor.
+
+En zoo al niet in zijne vreugde, dan toch in zijne verbazing deelende,
+las ik op de westzijde van het blok in runische, door den tijd half
+uitgewischte letters, dezen duizendmaal vervloekten naam:
+
+[AFBEELDING]
+
+"Arne Saknussemm!" riep mijn oom, "kunt gij nu nog twijfelen?" Ik
+antwoordde niets en keerde geheel ontzet naar mijne bank van lava
+terug. Dit tastbare bewijs verpletterde mij.
+
+Hoe lang ik zoo in mijne gepeinzen verdiept bleef, weet ik niet. Al
+wat ik weet is, dat ik, toen ik mijn hoofd ophief, mijn oom en Hans
+alleen in den krater zag. De IJslanders waren weggezonden en nu
+daalden zij weder langs de buitenste hellingen van den Sneffels af
+om naar Stapi terug te keeren.
+
+Hans sliep gerust aan den voet eener rots op een lavastroom, waarin
+hij eene soort van slaapplaats had gemaakt, mijn oom liep op den
+bodem van den krater rond, gelijk een wild dier in den kuil van
+een jager. Ik had lust noch kracht om op te staan en een voorbeeld
+nemende aan den gids, gaf ik mij over aan eene pijnlijke slaperigheid,
+telkens mij verbeeldende gerommel te hooren of schokken in de zijden
+van den berg te gevoelen.
+
+Zoo verliep deze eerste nacht op den bodem des kraters.
+
+Den volgenden dag hing eene grauwe, bewolkte en zware lucht op den top
+des kegels. Ik bespeurde dit minder aan de duisternis in den afgrond,
+dan aan den toorn, die mijn oom beving.
+
+Ik begreep er de reden van en eene straal van hoop verhelderde mijn
+hart. Ziehier waarom.
+
+Van de drie wegen, die voor ons openstonden, was er slechts een door
+Saknussemm gevolgd. Naar het zeggen van den ijslandschen geleerde
+kon men hem herkennen aan deze in het geheimschrift aangeduide
+bijzonderheid, dat de schaduw van den Scartaris zijn rand in de
+laatste dagen der maand Juni raakte.
+
+Men kan inderdaad deze scherpgepunte piek beschouwen als de staaf
+van een ontzaglijken zonnewijzer, wiens schaduw op een gegeven dag
+den weg naar het middelpunt van den aardbol aanwees.
+
+Bleef nu de zon weg, dan was er geene schaduw en bij gevolg geene
+aanwijzing. Wij hadden den 25sten Juni. Bleef de lucht zes dagen
+achtereen betrokken, dan moest de waarneming tot een ander jaar
+uitgesteld worden.
+
+Ik waag het niet om den machteloozen toorn van professor Lidenbrock
+te schilderen. De dag verstreek, en geene schaduw viel op den bodem
+des kraters. Hans week niet van zijne plaats; toch moest hij zich
+wel afvragen, waarop wij wel wachtten, als hij zich ten minste iets
+afvroeg! Mijn oom sprak mij geen enkelen keer aan. Zijne bestendig
+naar den hemel gewende blikken verloren zich in het grauwe en mistige
+verschiet.
+
+Den 26sten was er nog niets te zien. Eene regenbui met hagel vermengd
+viel den ganschen dag. Hans bouwde eene hut van brokken lava. Ik vond
+er een zeker genoegen in om met het oog de duizenden watervallen op
+de zijden van den kegel, wier oorverdoovend gemurmel door iederen
+steen versterkt werd, te volgen.
+
+Mijn oom kon zich niet langer inhouden. Een geduldiger man zelfs zou
+dan ook razend geworden zijn; want dit mocht wel heeten in de haven
+schipbreuk lijden.
+
+Maar de hemel vermengt steeds groote vreugde met groote smarten en
+had voor professor Lidenbrock eene voldoening weggelegd, die zijne
+wanhopend makende verveling evenaarde.
+
+Den volgenden dag was de lucht nog betrokken, maar Zondag, den 28sten
+Juni, op twee na den laatsten dag der maand, kwam er met de verandering
+van maan ook verandering van weder. De zon goot hare stralen met volle
+stroomen in den krater. Ieder bergje, iedere rots, iedere steen,
+iedere oneffenheid deelde in hare weldadige uitstrooming en wierp
+oogenblikkelijk zijne schaduw op den grond. Onder allen teekende die
+van den Scartaris zich af als een kam en begon onmerkbaar met het
+lichtgevende hemellichaam te draaien.
+
+Mijn oom draaide mede.
+
+Ten twaalf uur, toen zij het kortste was, raakte zij eventjes den
+kant van den middelsten schoorsteen.
+
+"Daar is het!" riep de professor, "daar is het! Naar het middelpunt
+van den aardbol!" voegde hij er in het deensch bij.
+
+Ik zag Hans aan.
+
+"Forüt!" sprak de gids heel bedaard.
+
+"Vooruit!" herhaalde mijn oom.
+
+Het was één uur en dertien minuten na den middag.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII
+
+ Naar den afgrond.--De theorie van Davy bevestigd.--Geen
+ inwendige warmte.--Op den bodem van den krater.
+
+
+De wezenlijke reis begon. Tot nu toe waren de vermoeienissen erger
+geweest dan de moeielijkheden; van nu af aan schoten dezen inderdaad
+onder onze schreden uit den grond op.
+
+Ik had nog geen blik geworpen in dien onpeilbaren put, waarin ik zou
+afdalen. Het oogenblik was gekomen, ik kon nog òf aan de onderneming
+deelnemen òf mij er aan onttrekken. Maar ik schaamde mij voor den
+jager om achteruit te treden. Hans ondernam het waagstuk zoo gerust,
+met zulk eene onverschilligheid, zulk eene volkomene onbezorgdheid
+voor alle gevaar, dat ik reeds bloosde alleen bij de gedachte, dat
+ik minder moedig zou zijn dan hij. Ware ik alleen geweest, dan zou
+ik nog eens de reeks gewichtige gronden geopperd hebben; maar in
+tegenwoordigheid van den gids zweeg ik; eene mijner herinneringen
+vloog naar mijn lief meisje en ik naderde den middelsten schoorsteen.
+
+Ik heb reeds gezegd, dat hij honderd voet in middellijn of drie
+honderd voet in omtrek mat. Ik bukte over eene overhangende rots
+en zag naar beneden; mijne haren rezen te berge. Het gevoel van het
+ledige maakte zich van mij meester. Ik voelde het zwaartepunt zich
+in mij verplaatsen en de duizeligheid als dronkenschap naar mijn
+hoofd stijgen. Niets bedwelmt meer dan die aantrekkingskracht van
+den afgrond. Ik was op het punt van te vallen. Eene hand hield mij
+tegen: die van Hans. Zeker had ik nog niet genoeg les genomen in het
+nederzien in den afgrond op de Frelsers-Kirk te Kopenhagen.
+
+Al had ik maar even mijne blikken in dien put laten vallen, nochtans
+had ik mij vergewist van zijne inrichting. Zijne bijna loodrechte
+wanden leverden wel talrijke uitstekende punten op, die de nederdaling
+gemakkelijk konden maken; maar ontbrak al de trap niet, de leuning
+wel. Een touw, aan de opening vastgemaakt, zou toereikende geweest
+zijn om ons te steunen; maar hoe moest het losgemaakt worden, als
+wij beneden waren gekomen?
+
+Mijn oom gebruikte een zeer eenvoudig middel om dit bezwaar uit
+den weg te ruimen. Hij ontrolde een touw zoo dik als een duim en
+ter lengte van vier honderd voet; hij vierde er eerst de helft van,
+draaide het toen om een uitstekend brok lava en wierp de andere helft
+in den schoorsteen. Ieder onzer kon nu nederdalen, de beide helften
+van het touw, dat niet losraken kon, in de hand houdende; waren wij
+eerst maar twee honderd voet gedaald, dan zou niets gemakkelijker zijn
+dan het naar ons toe te halen door het eene einde los te laten en aan
+het andere te trekken. Vervolgens herhaalde men die bewerking slechts
+"usque ad infinitum".
+
+Nadat die toebereidselen afgeloopen waren, zeide mijn oom: "Nu zullen
+wij ons met de bagage bezighouden; wij zullen ze in drie pakken
+verdeelen en ieder onzer zal er een op zijn rug binden; ik spreek
+alleen van de breekbare voorwerpen."
+
+De stoutmoedige professor plaatste ons blijkbaar niet in deze laatste
+afdeeling.
+
+"Hans," hernam hij, "zal zich belasten met de werktuigen en een
+gedeelte der levensmiddelen; gij, Axel! met een ander derde deel
+der levensmiddelen en met de wapenen; ik, met het overschot der
+levensmiddelen en met de breekbare werktuigen."
+
+"Maar," zeide ik, "wie zal zich belasten met het naar beneden brengen
+der kleederen en van die massa touwen en ladders?"
+
+"Die zullen wel alleen beneden komen."
+
+"Hoe dan?" vroeg ik zeer verwonderd.
+
+"Dat zult gij zien."
+
+Mijn oom wendde gaarne groote middelen aan en deed dat zonder
+aarzelen. Op zijn bevel maakte Hans één pak van de stevigste voorwerpen
+en wierp het, behoorlijk vastgebonden, heel eenvoudig in de diepte.
+
+Ik hoorde het heldere geraas voortgebracht door de verplaatsing der
+luchtlagen. Over den afgrond gebogen volgde mijn oom met een tevreden
+gezicht de nederdaling zijner bagage en stond eerst op, toen hij ze
+uit het oog had verloren.
+
+"Goed!" sprak hij. "Nu is het onze beurt."
+
+Ik vraag iederen onpartijdige, of het mogelijk was zulke woorden
+zonder siddering aan te hooren!
+
+De professor nam het pak met de werktuigen op den rug, Hans dat met
+de gereedschappen en ik dat met de wapenen. De afdaling had in de
+volgende orde plaats: Hans, mijn oom en ik. Zij geschiedde in de
+diepste stilte, alleen afgebroken door den val der rotsblokken,
+die in de diepte rolden.
+
+Ik liet mij om zoo te zeggen afglijden, met de eene hand het dubbele
+touw zenuwachtig omklemmende, en mij, met behulp van mijn stok, met
+de andere van den wand afstootende. Eéne gedachte slechts bezielde
+mij. Ik vreesde, dat het steunpunt ons mocht ontzinken. Dit touw scheen
+mij zwak genoeg toe om de zwaarte van drie menschen te dragen. Ik
+bediende er mij zoo min mogelijk van, allerlei bewegingen makende
+om in evenwicht te blijven op de trappen van lava, die mijn voet,
+als waren zij eene hand, trachtte te grijpen.
+
+Toen eene dezer treden onder de voeten in beweging raakte, zeide Hans
+met eene rustige stem:
+
+"Gif akt!"
+
+"Geef acht!" herhaalde mijn oom.
+
+Na een half uur kwamen wij op de oppervlakte van een rotsblok, dat
+diep in den wand van den schoorsteen drong.
+
+Hans trok aan een der einden van het touw; het andere verhief zich in
+de lucht; na over de hoogste rots heengegaan te zijn viel het weder,
+brokken steen en lava losrukkende, eene soort van regen of liever
+van zeer gevaarlijken hagel.
+
+Toen ik mij over den rand van ons klein vlak henen boog, bemerkte ik,
+dat de bodem van het gat nog onzichtbaar was.
+
+De reis langs het touw begon op nieuw, en een half uur later waren
+wij weder twee honderd voet lager gekomen.
+
+Ik weet niet, of de ijverigste geoloog het beproefd zou hebben om
+gedurende die afdaling den aard der gronden, die hem omringden, te
+onderzoeken. Ik althans bekommerde mij er niet om; of zij pliocenisch,
+miocenisch of eocenisch waren, of zij tot de krijtvorming, tot
+de juragroep, de triasgroep, de permsche groep, de kolengroep,
+de devonische of de silurische vorming behoorden, dan wel of zij
+oorspronkelijke lagen waren, dat alles hield mijne gedachten geenszins
+bezig. Maar de professor deed zonder twijfel zijne waarnemingen of
+maakte zijne opmerkingen, want bij eene onzer halten zeide hij:
+
+"Hoe lager ik kom, hoe meer vertrouwen ik krijg; de schikking dezer
+vulkanische gronden bevestigt ten volle de theorie van Davy. Wij zijn
+in het midden van oorspronkelijke gronden, waarin de scheikundige
+werking heeft plaats gehad van de metalen, die bij de aanraking
+met lucht en water ontvlamden; ik verwerp geheel het stelsel eener
+inwendige warmte; doch wij zullen zien."
+
+Zoo kwam hij altijd tot hetzelfde besluit. Men begrijpt wel, dat ik
+geen lust had om te redekavelen. Mijn stilzwijgen werd voor toestemming
+gehouden en de afdaling begon weder.
+
+Na verloop van drie uren zag ik nog niets van den bodem des
+schoorsteens. Toen ik het hoofd ophief, bemerkte ik, dat zijne opening
+duidelijk kleiner werd; zijne wanden raakten elkander bijna door
+hunne geringe helling. Het werd allengs donker.
+
+Toch daalden wij nog altijd; het scheen mij toe, dat de van de wanden
+losgeraakte steenen met een doffer geluid wegzonken en spoediger den
+bodem van den afgrond bereikten.
+
+Daar ik nauwkeurig acht gegeven had op onze bewegingen met het touw,
+kon ik eene juiste berekening maken van de bereikte diepte en den
+verloopen tijd.
+
+Wij hadden nu veertien maal die beweging herhaald, die een half uur
+duurde. Dit bedroeg dus zeven uur, bovendien nog veertien kwart uur
+rust of drie en half uur. Wij waren te één uur vertrokken, dus moest
+het nu elf uur zijn.
+
+Wat de diepte betreft, die wij bereikt hadden, veertien maal de lengte
+van het touw van twee honderd voet gaf twee duizend acht honderd voet.
+
+Op dit oogenblik deed de stem van Hans zich hooren, die "halt!" riep.
+
+Ik hield op, juist toen mijne voeten bijna het hoofd van mijn oom
+aanraakten.
+
+"Wij zijn er!" zeide deze.
+
+"Waar?" vraagde ik, terwijl ik mij naast hem liet afglijden.
+
+"Op den bodem van den loodrechten schoorsteen."
+
+"Is er dan geen andere uitgang?"
+
+"Jawel! ik zie zoo iets van een nauwen gang die schuinsrechts
+loopt. Morgen zullen wij het wel eens onderzoeken. Nu zullen wij
+eerst eten en dan gaan slapen."
+
+Het was nog niet geheel donker. Wij openden den zak met levensmiddelen,
+aten en legden ons, zoo goed als het ging, op een bed van steenen en
+lavabrokken neder. En toen ik op den rug liggende de oogen opende,
+bemerkte ik een schitterend punt aan het einde van de drie duizend
+voet lange buis, die in een reusachtigen verrekijker veranderd was.
+
+Het was eene ster, die volstrekt niet flonkerde en die naar mijne
+berekening Beta van den kleinen Beer moest wezen.
+
+Vervolgens viel ik in een gerusten slaap.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII
+
+ Kalmte.--Begin der onderaardsche reis.--Schakeeringen der lava.
+
+
+Des morgens te acht uur deed een lichtstraal ons ontwaken. De
+duizende vlakken der lavawanden vingen hem op zijn voorbijgang op en
+verstrooiden hem als een regen van vonken.
+
+Dit schijnsel was sterk genoeg om de omringende voorwerpen duidelijk
+te kunnen onderscheiden.
+
+"Welnu, Axel! wat zegt gij er van?" zeide mijn oom zich de handen
+wrijvende. "Hebt gij ooit een rustiger nacht doorgebracht in ons huis
+in de Koningstraat? Hier wordt men niet gestoord door het geratel
+van karren, door het geschreeuw der kooplieden, door het getier
+der schippers!"
+
+"Het is hier zeker heel rustig op den bodem van dezen put; maar die
+kalmte zelve heeft iets ontzettends."
+
+"Komaan!" riep mijn oom, "als gij nu reeds bang zijt, wat zal het
+dan later zijn? Wij zijn nog geen duim diep in den schoot der aarde
+doorgedrongen."
+
+"Wat wilt gij daarmede zeggen?"
+
+"Ik wil zeggen, dat wij nog pas den bodem van het eiland hebben
+bereikt! Die lange, loodrechte buis, die uitloopt in den krater van
+den Sneffels, eindigt ten naasten bij gelijk met den spiegel der zee."
+
+"Zijt gij daarvan verzekerd?"
+
+"Ongetwijfeld; raadpleeg den barometer, dan zult gij het zien."
+
+Inderdaad was het kwik, dat gedurende onze nederdaling weder
+langzamerhand in het werktuig gestegen was, op negen en twintig duim
+blijven staan.
+
+"Gij ziet het," hernam de professor, "wij hebben nog slechts
+éene dampkringsdrukking, en ik verlang er vurig naar, dat de
+luchtdichtheidsmeter dezen barometer moet vervangen."
+
+Dit werktuig zou ons dan ook nutteloos worden, zoodra de zwaarte der
+lucht hare drukking op den waterspiegel zou te boven gaan.
+
+"Maar," zeide ik, "staat het niet te vreezen, dat die gestadig
+toenemende drukking hoogst lastig zal worden?"
+
+"Neen. Wij zullen langzaam dalen en onze longen zullen er
+aan gewennen om eene meer samengeperste dampkringslucht in te
+ademen. De luchtreizigers krijgen eindelijk gebrek aan lucht, als
+zij in de bovenste lagen komen; wij integendeel zullen misschien
+te veel hebben. Maar dat heb ik liever. Wij moeten geen oogenblik
+verliezen. Waar is het pak, dat ons in het binnenste van den berg
+is voorgegaan?"
+
+Ik herinnerde mij nu, dat wij het den vorigen avond te vergeefs
+gezocht hadden. Mijn oom ondervroeg Hans, die, na oplettend met zijne
+jagersoogen rondgezien te hebben, antwoordde:
+
+"Der huppe"!
+
+"Daar boven ons!"
+
+Inderdaad was het pak blijven hangen aan eene uitstekende rotspunt
+omtrent honderd voet boven ons hoofd. De vlugge IJslander begon
+dadelijk als eene kat te klauteren, en in eenige minuten was het pak
+bij ons.
+
+"Nu," zeide mijn oom, "zullen wij ontbijten; maar laten wij het doen
+als lieden, die wellicht een langen tocht moeten doen."
+
+De beschuit en het gedroogde vleesch werden doorgespoeld met eene
+mondvol water en jenever.
+
+Toen het ontbijt afgeloopen was, haalde mijn oom een aanteekenboekje
+voor de waarnemingen bestemd uit den zak; hij nam achtereenvolgens
+zijne verschillende werktuigen en schreef de volgende gegevens op:
+
+Maandag 1 Juli. Tijdmeter: 8 uur 17 min. des morgens. Barometer:
+292 millimeter. Thermometer: 6°. Windrichting: O.Z.O.
+
+Deze laatste waarneming had betrekking op de donkere galerij en werd
+door het kompas aangegeven.
+
+"Nu eerst, Axel!" riep de professor met geestdrift uit, "nu eerst
+gaan wij wezenlijk in den schoot der aarde doordringen. Dit is het
+juiste oogenblik van het begin onzer reis."
+
+Toen hij dit gezegd had, nam mijn oom met de eene hand den aan zijn
+hals hangenden toestel van Ruhmkorff, met de andere bracht hij den
+electrischen stroom in verbinding met de slang der lantaarn en een
+vrij helder licht verdreef de duisternis der galerij.
+
+Hans droeg den tweeden toestel, die ook in werking werd gebracht. Deze
+vernuftige toepassing der electriciteit stelde ons in staat om lang
+voort te gaan, terwijl wij een kunstmatigen dag schiepen, zelfs in
+het midden der meest ontvlambare gassen.
+
+"Voorwaarts!" sprak mijn oom.
+
+Ieder nam zijn pak weder op. Hans belastte zich bovendien met de zorg
+om het pak met de touwen en de kleederen voor zich uit te rollen, en
+zoo traden wij de galerij binnen, waarbij ik de achterhoede uitmaakte.
+
+Op het punt zijnde mij in dien donkeren gang te begeven, hief ik
+nog eens het hoofd op, en bemerkte voor de laatste maal door het
+gezichtsveld der verbazende buis den hemel van IJsland, "dat ik nooit
+zou wederzien."
+
+Tijdens de laatste uitbarsting van 1229 had de lava zich een weg
+door dien tunnel gebaand. Zij overdekte hem inwendig met eene dikke
+en glimmende korst; het electrieke licht werd er door teruggekaatst
+met honderdvoudige dichtheid.
+
+De weg leverde geene andere moeielijkheid op dan deze, dat men zorgen
+moest om niet te schielijk af te glijden van eene helling, die een
+hoek van omstreeks vijf en veertig graden maakte; gelukkig vervingen
+eenige holten en hoogten de plaats van treden, en behoefden wij slechts
+te dalen, terwijl wij onze bagage met lange touwen voorttrokken.
+
+Maar wat ons tot treden diende, werd aan de andere wanden dropsteen;
+de op sommige plaatsen poreuse lava vertoonde kleine ronde belletjes;
+ondoorschijnende kwartskristallen, versierd met heldere waterdroppels
+en als lichtstroomen aan het gewelf hangende, schenen, toen wij er
+voorbijgingen, aangestoken te worden. Men zou gezegd hebben, dat de
+geesten van den afgrond hun paleis verlichtten om de aardsche gasten
+te ontvangen.
+
+"Dat is prachtig!" riep ik onwillekeurig uit. "Welk een tooneel,
+oom! Bewondert gij ook die schakeeringen der lava niet, die met
+onmerkbare overgangen van bruinrood tot lichtgeel gaan? En die
+kristallen, die zich als lichtende bollen voordoen?"
+
+"Zoo! ziet gij het eindelijk ook, Axel?" antwoordde mijn
+oom. "Zoo! vindt gij dat heerlijk, mijn jongen? Gij zult nog wel wat
+anders zien, hoop ik. Vooruit maar, vooruit maar!"
+
+Hij had met meer grond kunnen zeggen: "glijd wat aan!" want wij
+lieten ons zonder eenige inspanning van de glooiing afzakken. Dat
+was het "facilis descensus Averni," van Virgilius. Het kompas, dat ik
+gedurig raadpleegde, wees onveranderlijk eene zuidoostelijke richting
+aan. Deze lavastroom week ter rechter- noch ter linkerzijde af. Hij
+had de onbuigzaamheid der rechte lijn.
+
+Toch nam de warmte niet merkbaar toe, hetgeen de theorie van Davy
+bevestigde, en meer dan eens raadpleegde ik met verwondering den
+thermometer.
+
+Twee uur na ons vertrek wees hij nog slechts 10°, d.i. eene
+vermeerdering van 4°. Dit gaf mij recht om te denken, dat wij meer
+in eene waterpasse dan in eene loodrechte richting daalden. Niets
+was overigens gemakkelijker dan de bereikte diepte met juistheid te
+weten. De professor mat nauwkeurig de hoeken van de afwijking en de
+helling van den weg, maar hij hield de uitkomst zijner waarnemingen
+voor zich.
+
+Omstreeks acht uur des avonds gaf hij sein om stil te houden. Hans ging
+terstond zitten; de lampen werden aan eene uitstekende punt van de
+lava opgehangen. Wij waren in eene soort van hol, waarin geen gebrek
+aan lucht was; integendeel, van tijd tot tijd kwam er een windje tot
+ons. Door welke oorzaak werd dit teweeggebracht? Aan welke beweging
+van den dampkring moest zijn ontstaan worden toegeschreven? Dit
+vraagstuk trachtte ik op dit oogenblik niet eens op te lossen: honger
+en vermoeidheid maakten het mij onmogelijk om te redeneeren. Eene
+nederdaling van zeven uur kan niet volbracht worden zonder groot
+verlies van kracht. Ik was uitgeput. Tot mijne vreugde hoorde ik daarom
+het woord "halt!" Hans legde eenigen voorraad op een blok lava en ieder
+at met smaak. Een ding echter verontrustte mij: onze watervoorraad
+was tot de helft verminderd. Mijn oom rekende op de onderaardsche
+bronnen om hem weder aan te vullen; maar tot nu toe ontbraken zij
+geheel. Ik kon niet nalaten zijne aandacht op dit punt te vestigen.
+
+"Verwondert u dat gemis van bronnen?" zeide hij.
+
+"Zonder twijfel! het verontrust mij zelfs; wij hebben nog maar voor
+vijf dagen water."
+
+"Wees gerust, Axel! ik sta u borg dat wij water zullen vinden, zelfs
+meer dan ons lief is."
+
+"Wanneer?"
+
+"Als wij buiten deze lavakorst zijn. Hoe wilt gij, dat er bronnen
+uit deze wanden zullen vloeien?"
+
+"Maar misschien strekt deze bedding zich tot eene aanmerkelijke diepte
+uit. Mij dunkt, dat wij nog niet veel afstand in eene loodrechte
+richting hebben afgelegd."
+
+"Wat brengt u op die gedachte?"
+
+"Wel, als wij diep onder de aardschors waren, moest het veel heeter
+zijn."
+
+"Volgens uw stelsel althans," antwoordde mijn oom; "maar hoe staat
+de thermometer?"
+
+"Nauwelijks vijftien graad, hetgeen eene vermeerdering van nog geen
+negen graad sedert ons vertrek bedraagt."
+
+"Welnu! besluit dan zelf."
+
+"Ziehier mijn besluit. Volgens de nauwkeurigste waarnemingen bedraagt
+de vermeerdering der warmte in het binnenste van den aardbol één
+graad op de honderd voet. Maar plaatselijke omstandigheden kunnen
+dit cijfer wijzigen. Zoo heeft men te Jakutsk in Siberië opgemerkt,
+dat de vermeerdering van één graad plaats heeft bij iedere zes en
+dertig voet, hetgeen zekerlijk afhangt van het geleidend vermogen der
+steenrotsen. Ik voeg hier nog bij, dat men in de nabijheid van een
+uitgebranden vulkaan en door het gneis heen opgemerkt heeft, dat de
+verhooging van den warmtegraad slechts op de honderd vijf en twintig
+voet één graad bedroeg. Wij zullen deze laatste veronderstelling als
+de gunstigste eens aannemen en dan berekenen."
+
+"Bereken maar, mijn jongen!"
+
+"Niets is gemakkelijker," zeide ik, terwijl ik de cijfers in mijn
+aanteekenboekje schreef, "Negen maal honderd vijf en twintig voet
+geeft elf honderd vijf en twintig voet diepte."
+
+"Dat komt juist uit."
+
+"Welnu?"
+
+"Welnu! volgens mijne waarnemingen zijn wij tien duizend voet onder
+den spiegel der zee."
+
+"Is het mogelijk?"
+
+"Ja! of de cijfers zijn geen cijfers meer!"
+
+De berekeningen des professors waren nauwkeurig; wij waren reeds zes
+duizend voet beneden de grootste diepten, die de mensch nog bereikt
+heeft, zooals de mijnen van Kitz-Bahl in Tyrol en die van Wuttemberg
+in Boheme.
+
+De warmte, die op deze plaats een en tachtig graad had moeten bedragen,
+steeg nauwelijks tot vijftien. Dit gaf stof tot denken.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIX
+
+ De kruisweg.--Vermoeienis van Axel.--Klimmen of dalen?--Naar
+ boven, naar Gräuben--Dreigend watergebrek.
+
+
+Den volgenden dag, Dinsdag den 30sten Juni te zes uur, hervatten wij
+onze nederdaling.
+
+Wij volgden steeds de lavagalerij, een echt natuurlijk hellend vlak,
+even zacht glooiend als die hellende vlakken, die in sommige oude
+huizen nog tot trap dienen. Zoo bleef het tot zeventien minuten
+over twaalven, het oogenblik waarop wij Hans inhaalden, die was
+blijven staan.
+
+"Kom aan!" riep mijn oom, "wij zijn aan het einde des schoorsteens
+gekomen."
+
+Ik zag rond; wij waren in het middelpunt van een kruisweg, waarop twee
+donkere en smalle wegen uitliepen. Welken moesten wij inslaan? Dat
+was een punt van bezwaar.
+
+Toch wilde mijn oom den schijn niet hebben voor den gids en mij,
+alsof hij aarzelde; hij wees den oostelijken tunnel aan, en weldra
+waren wij met ons drieën er in verdwenen.
+
+Aan eene aarzeling voor dien dubbelen weg zou ook nooit een einde
+gekomen zijn, want geen enkel kenteeken kon de keus op den een of
+den anderen doen vallen; men moest het geheel aan het toeval overlaten.
+
+De helling dezer nieuwe galerij was bijna onmerkbaar en hare indeeling
+zeer ongelijk; soms vertoonde zich, voor ons uit, eene rij van bogen
+gelijk de zijbeuken eener gothische hoofdkerk; de kunstenaars van de
+middeleeuwen hadden daar al de vormen van dien kerkelijken bouwtrant
+kunnen bestudeeren, die uit den kruisboog is ontstaan. Eene mijl
+verder moesten wij het hoofd bukken onder de gedrukte bogen van den
+romeinschen bouwstijl, en dikke pilaren, in het massieve gesteente
+dringende, bogen onder het gewicht der gewelven. Hier en daar maakte
+deze bouworde plaats voor een lagen onderbouw, die op het werk der
+bevers geleek, en moesten wij door enge gangen voortkruipen.
+
+De warmte bleef draaglijk. Onwillekeurig dacht ik er aan, hoe heet het
+wel zou zijn, als de lava, door den Sneffels uitgebraakt, door dezen
+nu zoo stillen weg stroomde. Ik stelde mij voor, hoe de stroomen vuur
+braken op de hoeken der galerij en hoe de buitensporig heete dampen
+op deze nauwe plek zich ophoopten!
+
+"Als de oude vulkaan", dacht ik, "maar niet eene nieuwe gril krijgt."
+
+Deze overdenkingen deelde ik aan professor Lidenbrock niet mede; hij
+zou ze toch niet begrepen hebben. Hij dacht aan niets anders dan om
+vooruit te gaan. Hij liep, gleed, tuimelde zelfs met eene overtuiging,
+die men in allen gevalle moest bewonderen.
+
+Te zes uur 's avonds, na eene niet zeer vermoeiende wandeling, waren
+wij twee uur gaans in eene zuidelijke richting verder, maar nauwelijks
+eene kwartmijl dieper gekomen.
+
+Mijn oom gaf het sein om te rusten. Wij aten zonder veel te praten
+en gingen slapen zonder veel na te denken.
+
+Onze beschikkingen voor den nacht waren zeer eenvoudig: al het
+beddegoed bestond uit eene reisdeken, waarin wij ons rolden. Wij hadden
+geene koude noch een lastig bezoek te duchten. De reizigers, die zich
+diep in de woestijnen van Afrika of in de wouden der nieuwe wereld
+wagen, zijn verplicht om ieder op zijne beurt elkander gedurende den
+slaap te bewaken; maar hier heerschten eene ongestoorde eenzaamheid
+en volkomene veiligheid. Wilden noch verscheurende dieren, geen enkele
+van die kwaaddoende soorten, behoefden wij te vreezen.
+
+Den volgenden morgen werden wij frisch en opgeruimd wakker en
+gingen weder op weg over eene lavabaan gelijk den vorigen dag. Het
+was onmogelijk om den aard der gronden, waar zij door heen liep,
+te onderkennen. In plaats dat de tunnel naar de ingewanden der aarde
+leidde, had hij veeleer eene neiging om geheel waterpas te worden. Ik
+meende zelfs op te merken, dat hij weder naar de oppervlakte der
+aarde steeg. Deze neiging werd des morgens omtrent tien uur zoo in
+het oog loopend en bij gevolg zoo vermoeiend, dat ik verplicht was
+mijn tred te matigen.
+
+"Wat scheelt er aan, Axel?" zeide de professor ongeduldig.
+
+"Wat er aan scheelt? dat ik niet verder kan", antwoordde ik.
+
+"Hoe! na eene wandeling van drie uur over zulk een gemakkelijken weg."
+
+"Ik ontken niet, dat hij gemakkelijk is, maar hij is hoogst vermoeiend
+ook."
+
+"Wat! en wij behoeven slechts te dalen!"
+
+"Te klimmen met uw welnemen!"
+
+"Te klimmen!" zeide mijn oom, zijne schouders ophalende.
+
+"Ongetwijfeld. Sedert een half uur is de helling veranderd en als
+wij zoo voortgaan, komen wij zeker op IJsland terug."
+
+De professor schudde zijn hoofd als iemand, die niet overtuigd
+wil worden. Ik trachtte het gesprek weder aan te knoopen: maar hij
+antwoordde mij niet, en gaf het teeken tot het vertrek. Ik zag wel,
+dat zijn stilzwijgen niets anders was dan ingehouden kwaadheid.
+
+Ik had intusschen mijn pak met nieuwen moed weder opgenomen en volgde
+snel Hans, die door mijn oom werd voorgegaan. Ik wilde ongaarne
+achterblijven; mijne grootste zorg was mijne makkers niet uit het
+oog te verliezen. Ik sidderde bij de gedachte van in de diepte van
+dezen doolhof te verdwalen.
+
+Al werd de stijgende weg ook moeielijker, zoo troostte ik mij daarmede,
+dat hij mij dichter bracht bij de oppervlakte der aarde en bij mijne
+lieve Gräuben. Dat was een aangenaam vooruitzicht, dat bij iederen
+tred bevestigd werd.
+
+Te twaalf uur veranderde het voorkomen van de wanden der galerij. Ik
+bemerkte het aan de verzwakking van het door de muren weerkaatste
+electrische licht. Op de bekleeding met lava volgde onvermengde rots,
+bestaande uit hellende en dikwijls loodrecht hangende lagen. Wij
+waren in het overgangstijdperk, de silurische vorming. [8]
+
+"Het is duidelijk," riep ik, "het bezinksel van het water heeft in
+het tweede tijdperk der aarde dezen schiefer, dezen kalksteen en dezen
+zandsteen gevormd! Wij keeren den rug toe aan het massieve graniet! Wij
+gelijken op Hamburgers, die over Hanover naar Lubeck gaan!"
+
+Ik had mijne waarneming wel voor mij mogen houden. Maar mijne drift
+als geoloog won het van de voorzichtigheid en oom Lidenbrock hoorde
+mijne uitroepen.
+
+"Wat scheelt u toch?" zeide hij.
+
+"Zie eens!" antwoordde ik, hem de afwisseling van zand- en kalksteen
+en de eerste kenteekenen der leigronden wijzende.
+
+"Welnu?"
+
+"Wij zijn in het tijdperk gekomen, waarin de eerste planten en dieren
+verschenen!"
+
+"Denkt gij dat?"
+
+"Zie, onderzoek, neem zelf waar!"
+
+Ik dwong den professor om met zijne lamp langs de wanden der galerij
+te gaan. Ik rekende op den een of anderen uitroep van hem. Maar in
+plaats daarvan sprak hij geen woord en vervolgde zijn weg.
+
+Had hij mij al dan niet begrepen? Wilde hij ten gevolge van zijne
+eigenliefde als oom en geleerde niet erkennen, dat hij zich bedrogen
+had in de keus van den oostelijken tunnel, of stond hij er op om dien
+weg tot het einde toe te onderzoeken? Het was duidelijk, dat wij den
+weg van de lava hadden verlaten en dat dit pad niet naar den haard
+van den Sneffels kon leiden.
+
+Toch vroeg ik mij af, of ik niet te veel gewicht hechtte aan deze
+verandering van grond. Bedroog ik mij niet? Gingen wij wezenlijk door
+steenlagen, die zich boven het massieve graniet bevinden?
+
+"Als ik gelijk heb," dacht ik, "moet ik eenige overblijfselen van
+voorwereldlijke planten vinden en dan zal hij de waarheid niet langer
+kunnen ontkennen. Ik wil zoeken."
+
+Ik was nog geen honderd schreden verder of onbetwistbare bewijzen
+vertoonden zich aan mijn oog. Dat moest ook zoo wezen, want in
+het silurische tijdvak bevatten de zeeën meer dan vijftien honderd
+plant- en diersoorten. Mijne aan den harden lavagrond gewende voeten
+betraden eensklaps een uit overblijfselen van planten en schelpen
+bestaand stof. Op de wanden zag men duidelijk indrukken van zeewier
+en wolfsklauw; professor Lidenbrock kon zich er niet in vergissen,
+maar hij sloot, denk ik, zijne oogen en ging met vasten tred voort.
+
+Dit mocht wel heeten de stijfhoofdigheid tot het uiterste te
+drijven. Ik kon het niet langer uithouden. Ik raapte eene ongeschondene
+schelp op, die toebehoord had aan een dier, dat bijna geleek op de
+tegenwoordige pissebed, voegde mij toen bij mijn oom en zeide:
+
+"Zie eens!"
+
+"Welnu," antwoordde hij bedaard, "dat is de schelp van een dier van
+de uitgestorven orde der Triboliten. Anders niet."
+
+"Maar besluit gij daaruit niet?..."
+
+"Wat gij zelf er uit besluit? Ja zeker. Wij hebben de granietlaag en
+den weg der lava verlaten. Het is mogelijk, dat ik mij vergist heb;
+maar ik zal niet zeker zijn van mijne dwaling voor ik het einde dezer
+galerij bereikt heb."
+
+"Gij hebt gelijk, dat gij zoo handelt, oom! en ik zou het zeer
+goedkeuren, zoo wij geen hoe langer hoe dreigender gevaar te vreezen
+hadden."
+
+"En dat is?"
+
+"Gebrek aan water."
+
+"Welnu! dan zullen wij ons op rantsoen stellen, Axel!"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XX
+
+ Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong
+ der steenkolen.--Vergeefsche tocht.
+
+
+Wij moesten ons inderdaad op rantsoen stellen. Onze voorraad kon nog
+maar drie dagen duren. Dat zag ik des avonds, toen wij gingen eten. En,
+droevig vooruitzicht! wij hadden weinig hoop eenige waterbron te
+ontmoeten in deze gronden van het overgangstijdperk.
+
+Den geheelen dag door vertoonde de galerij voor ons uit hare
+eindelooze kruisbogen. Wij liepen zonder bijna een woord te spreken. De
+stilzwijgendheid van Hans stak ons aan.
+
+De weg klom niet meer, ten minste niet merkbaar, soms scheen hij
+zelfs te dalen. Maar deze niet zeer in het oog loopende neiging kon
+den professor niet gerust stellen, want de aard der lagen veranderde
+niet en het overgangstijdperk werd telkens duidelijker.
+
+Het electrische licht deed den schiefer, den kalksteen en de oude roode
+zandsteenen der wanden prachtig vonkelen; men zou gemeend hebben zich
+in eene geopende loopgraaf in het midden van Devonshire te bevinden,
+dat zijn naam aan deze soort van gronden gaf. Prachtige marmerblokken
+bekleedden de muren; sommige waren agaatkleurig grijs met witte grillig
+zich slingerende aderen, andere inkarnaatkleurig of geel met roode
+vlekken, verder zag men stalen van die donkerkleurige marmersoorten,
+waartusschen de levendige verven van den kalksteen uitkwamen.
+
+De meeste dezer marmerblokken vertoonden indruksels van voorwereldlijke
+dieren; maar sedert den vorigen avond had de schepping eene groote
+schrede voorwaarts gedaan. In plaats van de onvolkomene Trilobiten
+bemerkte ik overblijfsels eener volmaakte orde; o.a. Ganoïden [9] en
+die Sauropteris, waarin het oog van den kenner der voorwereldlijke
+organische schepping de eerste vormen van het kruipende dier heeft
+weten te herkennen. De devonische zeeën werden bewoond door een groot
+aantal dieren van die soort, die zij bij duizenden achterlieten op
+de rotsen der nieuwe vorming.
+
+Het werd stellig zeker, dat wij de ladder van het dierlijke leven,
+op wier hoogste sport de mensch staat, weder opklommen. Maar professor
+Lidenbrock scheen er geen acht op te slaan.
+
+Hij verwachtte twee dingen: of dat een loodrechte put zich onder
+zijne voeten opende en hem veroorloofde om weder te dalen, òf dat
+een hinderpaal hem belette verder op dezen weg voort te gaan. Maar
+het werd avond, zonder dat deze hoop vervuld werd.
+
+Des vrijdags, na een nacht waarin ik de kwellingen van den dorst
+begon te gevoelen, drong onze kleine troep nog verder door op de
+kronkelpaden der galerij.
+
+Na een tocht van tien uur bemerkte ik, dat de weerschijn onzer
+lampen op de wanden sterk verminderde. Het marmer, de schiefer,
+de kalksteen, de zandsteen der muren maakten plaats vooreen donker
+en dof bekleedsel. Op een punt, waarop de tunnel zeer smal werd,
+leunde ik tegen den wand.
+
+Toen ik mijne hand wegtrok, was zij pikzwart. Ik keek wat
+nauwkeuriger. Wij waren in eene kolenlaag.
+
+"Een kolenmijn!" riep ik uit.
+
+"Een mijn zonder mijnwerkers", antwoordde mijn oom.
+
+"Wie weet?"
+
+"Ik weet het", antwoordde mijn oom kortaf, "en ik ben zeker dat deze
+galerij niet door menschenhanden door deze kolenbeddingen gegraven
+is. Maar het komt er weinig op aan, of het al dan niet het werk der
+natuur is. De tijd voor het avondeten is gekomen. Laten wij gaan eten."
+
+Hans bereidde eenige spijzen. Ik at nauwelijks en dronk de weinige
+droppelen water, die mijn rantsoen uitmaakten. De half gevulde
+waterflesch van den gids was alles, wat er overbleef om den dorst
+van drie menschen te stillen.
+
+Na hun maaltijd strekten mijne beide metgezellen zich op hunne
+dekens uit en vonden zij in den slaap een herstellingsmiddel voor
+hunne vermoeienissen. Ik echter kon niet en telde de uren tot den
+morgenstond.
+
+Om zes uur des Zaterdags vertrokken wij weder. Twintig minuten later
+kwamen wij aan een uitgestrekt hol; ik zag nu in, dat de hand des
+menschen deze kolenmijn niet bewerkt kon hebben; anders zouden de
+gewelven geschoord zijn, die nu slechts, als het ware, door een wonder
+bleven staan.
+
+Deze soort van spelonk was honderd voet breed en honderd vijftig voet
+hoog. De grond was met geweld vaneen gescheurd door eene onderaardsche
+schudding. De stevige aardschors, voor den een of anderen hevigen
+schok wijkende, was uit haar verband gerukt en had deze uitgestrekte
+ledige ruimte achtergelaten, waarin aardbewoners voor de eerste
+maal doordrongen.
+
+De geheele geschiedenis der steenkolenvorming was op deze donkere
+wanden geschreven en een geoloog kon hare verschillende tijdperken
+er gemakkelijk op volgen. De kolenbeddingen waren gescheiden, door
+samengedrukte lagen zandsteen of klei, en als het ware verpletterd
+door de bovenste lagen.
+
+In den tijd van het bestaan der aarde, die de secundaire vorming
+voorafging, bedekte de aarde zich met een verbazenden plantengroei,
+die zijn ontstaan te danken had aan de dubbele werking eener
+keerkringswarmte en eener bestendige vochtigheid. Eene zee van dampen
+omringde den geheelen aardbol en bedekte hem nog voor de stralen
+der zon.
+
+Daaruit leidt men af, dat de hooge warmtegraad niet voortkwam uit
+dezen nieuwen vuurhaard; misschien zelfs was de fakkel van den dag nog
+niet geschikt om hare schitterende rol te spelen. De "luchtstreken"
+bestonden nog niet, en eene verschroeiende hitte, die aan den evenaar
+en de polen gelijk was, heerschte over de geheele oppervlakte van
+den aardbol. Waaruit ontstond zij? Uit het binnenste van den bol.
+
+In spijt van de theoriën van professor Lidenbrock blaakte er een
+geweldig vuur in de ingewanden van den langwerpig ronden bol; de
+werking er van was voelbaar tot in de buitenste lagen der aardschors;
+de planten, van de weldadige uitstralingen der zon beroofd, gaven
+bloemen noch geuren, maar hare wortels putten een krachtig leven uit
+de brandende gronden der eerste dagen.
+
+Er waren weinig boomen, alleen kruidachtige planten, verbazende
+grasgewassen, varens, wolfsklauwen, zegel- en sterrenplanten,
+zonderlinge familiën, wier soorten toen bij duizenden geteld werden.
+
+Aan dezen buitensporigen plantengroei heeft de steenkool juist haar
+ontstaan te danken. De nog veerkrachtige aardschors gehoorzaamde aan
+de bewegingen der vloeibare massa, die zij bedekte. Daaruit ontstonden
+talrijke scheuren en verzakkingen; de planten onder het water bedolven
+vormden allengs aanzienlijke ophoopingen.
+
+Toen kwam de scheikundige werking der natuur tusschen beiden; op den
+bodem der zeeën werden de plantenmassaas eerst turf; later ondergingen
+zij door den invloed der gassen en door de hitte der gisting eene
+volkomene verandering in delfstoffen.
+
+Zoo ontstonden die onmetelijke kolenlagen, die zelfs na vele eeuwen
+nog niet uitgeput zullen zijn door het verbruik van alle volken.
+
+Deze gedachten rezen bij mij op, toen ik den steenkolen-rijkdom, in dit
+gedeelte der aarde opeengehoopt, beschouwde. Hij zal ongetwijfeld nooit
+bloot komen. De bewerking dezer diepe mijnen zou te aanzienlijke offers
+eischen. Waartoe zou het vooreerst ook noodig zijn, daar de steenkool
+in vele landen, om zoo te zeggen, op de oppervlakte der aarde verspreid
+is? In den toestand waarin ik deze onaangeroerde lagen zag, zullen
+zij wellicht nog verkeeren, als het laatste uur der wereld slaat.
+
+Intusschen liepen wij door en ik alleen vergat de lengte van den
+weg om mij te verdiepen in mijne geologische overpeinzingen. De
+warmtegraad bleef dezelfde, als toen onze weg door lava en schiefer
+leidde. Alleen werd mijn reukorgaan sterk geprikkeld door den geur van
+koolwaterstofgas. Ik ontdekte terstond in deze galerij de aanwezigheid
+van eene aanzienlijke hoeveelheid van die gevaarlijke luchtsoort,
+waaraan de mijnwerkers den naam van "grisou" [10] gegeven hebben en
+welker ontploffing zoo menigmaal ontzettende rampen heeft veroorzaakt.
+
+Gelukkig werden wij verlicht door de vernuftige toestellen van
+Ruhmkorff. Zoo wij bij ongeluk deze galerij onvoorzichtig onderzocht
+hadden met toortsen in de hand, dan zou eene verschrikkelijke
+ontploffing een einde hebben gemaakt aan de reis, door de reizigers
+te vernietigen.
+
+Dit uitstapje in de kolenmijn duurde tot den avond. Mijn oom bedwong
+met moeite het ongeduld, dat de waterpasse richting van den weg hem
+veroorzaakte. De op een afstand van twintig schreden ondoordringbare
+duisternis belette de lengte van de galerij te schatten, en ik begon
+reeds te denken, dat er geen einde aan zou komen, toen wij onverwacht,
+te zes uur, voor een muur stonden. Rechts, links, omhoog, omlaag,
+nergens was een uitgang. Wij waren aan het einde eener blinde straat.
+
+"Welnu, des te beter!" riep mijn oom, "nu weet ik ten minste, waaraan
+ik mij te houden heb. Wij zijn niet op den weg van Saknussemm, en er
+schiet ons niets anders over dan terug te keeren. Wij zullen een nacht
+rust nemen en binnen drie dagen zullen wij het punt bereikt hebben,
+waar de twee galerijen zich scheiden!"
+
+"Ja", zeide ik, "als wij er de kracht toe hebben!"
+
+"En waarom niet?"
+
+"Omdat morgen al het water op zal zijn."
+
+"En zal de moed u dan begeven?" sprak de professor, mij met een
+strengen blik aanziende.
+
+Ik durfde hem niet antwoorden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXI
+
+ Gemoedsgesteldheid.--Opoffering van den professor.--Spanning.
+ --Columbus nagevolgd.
+
+
+Den volgenden morgen zeer vroeg vertrokken wij. Wij moesten ons
+haasten; want wij waren vijf dagreizen van den kruisweg af.
+
+Ik zal niet uitweiden over het lijden op onzen terugtocht. Mijn
+oom verdroeg het met den toorn van een man, die gevoelt dat hij de
+sterkste niet is; Hans met de lijdzaamheid van zijn onderworpen aard;
+ik, gaarne beken ik het, morrende en wanhopende, daar ik mij niet
+moedig tegen dit ongeval kon verzetten.
+
+Zooals ik voorzien had was het water geheel op tegen het einde van de
+eerste dagreis; al onze drank bestond dus alleen uit jenever; maar dat
+helsche vocht verbrandde de keel en ik kon er zelfs het gezicht niet
+van verdragen. Ik vond de warmte verstikkend, de vermoeidheid verlamde
+mij. Meer dan eens viel ik bijna bewegingloos neder. Dan hield men
+halt; mijn oom en de IJslander brachten mij zoo goed mogelijk weder
+bij. Maar ik zag reeds, dat de eerste zich met de grootste inspanning
+verzette tegen de buitengewone vermoeidheid en de kwellingen, die uit
+het gebrek aan water ontstonden. Op Dinsdag, den 8sten Juli, kwamen
+wij eindelijk, op knieën en handen voortkruipende, halfdood bij het
+vereenigingspunt der beide galerijen. Daar bleef ik als een levenlooze
+klomp op den lavabodem liggen. Het was des morgens te tien uur.
+
+Hans en mijn oom poogden tegen den wand leunende aan eenige stukjes
+beschuit te knabbelen. Lange zuchten kwamen over mijne gezwollene
+lippen. Ik verviel in eene diepe bewusteloosheid.
+
+Na verloop van eenigen tijd naderde mijn oom mij en nam mij in
+zijne armen.
+
+"Arm kind!" mompelde hij op den toon van innig medelijden. Ik werd door
+die woorden getroffen, daar ik niet gewoon was aan de vriendelijkheid
+van den norschen professor. Ik nam zijne bevende handen in de
+mijnen. Hij liet mij begaan, terwijl hij mij aanzag. Zijne oogen
+waren vochtig.
+
+Nu zag ik hem de waterflesch nemen, die aan zijne zijde hing. Tot mijne
+groote verbazing bracht hij ze aan mijne lippen. "Drink!" zeide hij.
+
+Had ik goed verstaan? Was mijn oom gek? Ik zag hem met een verstompt
+gelaat aan. Ik wilde hem niet begrijpen. "Drink!" herhaalde hij.
+
+En zijne waterflesch optillende ledigde hij ze geheel tusschen
+mijne lippen.
+
+O, onuitsprekelijk genot! een enkele mondvol water bevochtigde mijn
+brandend heeten mond, maar hij was voldoende om het reeds vluchtende
+leven in mij terug te roepen.
+
+Ik dankte mijn oom met gevouwen handen.
+
+"Ja!" zeide hij, "een mondvol water! de laatste! hoort gij wel? de
+laatste! Ik had hem zuinig bewaard op den bodem mijner flesch. Twintig,
+honderdmaal heb ik de ontzettende begeerte om hem te drinken moeten
+overwinnen! Maar neen, Axel! ik bewaarde hem voor u!"
+
+"Oom!" mompelde ik, terwijl groote tranen mijne oogen bevochtigden.
+
+"Ja, arm kind! ik wist dat gij bij uwe komst aan dezen kruisweg
+half dood zoudt nedervallen, en ik heb mijne laatste droppelen water
+gespaard om u weder bij te brengen."
+
+"Dank! dank!" riep ik.
+
+Hoewel mijn dorst nog niet geheel gestild was, had ik toch eenige
+kracht herkregen. De tot nu toe samengetrokken keelspieren werden
+ontspannen, de ontsteking mijner lippen was verzacht. Ik kon spreken.
+
+"Wij kunnen nu," zeide ik, "nog slechts één besluit nemen; wij hebben
+gebrek aan water: wij moeten op onze schreden terugkeeren."
+
+Terwijl ik zoo sprak, zag mijn oom mij niet aan; hij boog zijn hoofd;
+zijne blikken ontweken de mijnen.
+
+"Wij moeten terugkeeren," riep ik, "en den weg naar den Sneffels weder
+inslaan. God schenke ons de noodige krachten om weder naar den rand
+van den krater te klimmen!"
+
+"Terugkeeren!" zeide mijn oom op een toon, als of hij eerder zich
+zelven dan mij antwoordde.
+
+"Ja, terugkeeren en wel zonder een oogenblik te verliezen."
+
+Nu volgde een vrij lang stilzwijgen.
+
+"Zoo hebben dan, Axel!" hernam de professor op een vreemden toon, "deze
+enkele droppelen waters u geen moed en vastberadenheid geschonken?"
+
+"Moed!"
+
+"Ik zie u nog even ternedergeslagen als van te voren en nog spreekt
+gij wanhopende taal!"
+
+Met welk een man had ik toch te doen en welke plannen vormde zijn
+stoutmoedige geest nu nog?
+
+"Hoe! wilt gij dan niet?...."
+
+"Van deze onderneming afzien op het oogenblik, dat alles een goeden
+uitslag voorspelt? Nooit!"
+
+"Moeten wij ons dan voorbereiden om te sterven?"
+
+"Neen, Axel! neen! vertrek. Ik wil uw dood niet! Laat Hans u
+vergezellen. Laat mij alleen!"
+
+"U verlaten!"
+
+"Laat mij alleen, zeg ik u! Ik ben deze reis begonnen, ik zal haar
+tot het einde volbrengen of niet terugkeeren. Ga heen, Axel, ga heen!"
+
+Mijn oom was, zoo sprekende, in een uiterst opgewonden toestand. Zijne
+stem, die een oogenblik aangedaan was geweest, werd weder ruw en
+dreigend. Hij worstelde met eene sombere geestkracht tegen het
+onmogelijke! Ik wilde hem niet achterlaten op den bodem van dezen
+afgrond, en aan den anderen kant spoorde de zucht tot zelfbehoud mij
+aan om hem te ontvluchten.
+
+De gids woonde dit tooneel met zijne gewone onverschilligheid bij. Hij
+begreep echter wel, wat er tusschen zijne beide reisgenooten plaats
+had; onze gebaren wezen genoeg den verschillenden weg aan, waarop ieder
+onzer den anderen trachtte mede te troonen; maar Hans scheen weinig
+belang te stellen in de vraag, waarbij zijn leven op het spel stond;
+hij was gereed om te vertrekken, als het sein daartoe werd gegeven,
+gereed ook om te blijven, als zijn meester het verlangde. Had ik mij
+nu maar verstaanbaar voor hem kunnen uitdrukken! Mijne woorden, mijne
+zuchten, mijn toon zouden dit koele schepsel geroerd hebben. Die
+gevaren, welke de gids niet scheen te vermoeden, zou ik hem aan
+het verstand gebracht hebben en doen voelen en tasten. Met ons
+beiden zouden wij misschien den stijf hoofdigen professor overtuigd
+hebben. Des noods zouden wij hem gedwongen hebben om naar den top
+van den Sneffels terug te keeren!
+
+Ik naderde Hans. Ik legde mijne hand op de zijne. Hij verroerde zich
+niet. Ik wees hem den weg naar den krater. Hij bleef onbeweeglijk
+staan. Mijn ontsteld gelaat drukte genoeg uit wat ik leed. De IJslander
+schudde zacht het hoofd en heel bedaard op mijn oom wijzende, zeide
+hij: "Master!"
+
+"De meester!" riep ik, "neen, zinnelooze! hij is geen meester over
+uw leven! gij moet vluchten! gij moet hem medeslepen! hoort gij
+mij? begrijpt gij mij?"
+
+Ik had Hans bij den arm genomen. Ik wilde hem dwingen om op te
+staan. Ik worstelde met hem. Mijn oom kwam tusschen beiden.
+
+"Bedaar, Axel!" zeide hij. "Gij zult niets gedaan krijgen van dezen
+koelbloedigen dienaar. Luister dus naar hetgeen ik u wil voorstellen."
+
+Ik sloeg de armen over elkaar en zag mijn oom stijf in het gezicht.
+
+"Gebrek aan water alleen," zeide hij, "legt een hinderpaal in den
+weg aan de volvoering mijner plannen. In deze oostelijke galerij,
+uit lava, schiefer en steenkolen bestaande, hebben wij geen enkelen
+droppel vocht aangetroffen. Het is mogelijk, dat wij gelukkiger zullen
+zijn, als wij den westelijken tunnel volgen.
+
+Ik schudde mijn hoofd met een zeer ongeloovig gelaat.
+
+"Hoor mij tot het einde toe aan," hernam de professor zijne stem
+verheffende. "Terwijl gij daar bewusteloos laagt, ben ik de inrichting
+dezer galerij gaan verkennen. Zij dringt rechtstreeks in de ingewanden
+der aarde, en binnen weinige uren zal zij ons tot het massieve graniet
+voeren. Daar moeten wij overvloedige bronnen aantreffen. De aard
+der steensoort wil het zoo, en de hoop is het met de logica eens om
+mijne overtuiging te ondersteunen. Ziehier nu wat ik u heb voor te
+stellen. Toen Columbus drie dagen vroeg aan zijn scheepsvolk om nieuwe
+landen te vinden, lieten zijne zieke en beangstigde schepelingen toch
+recht wedervaren aan zijn verzoek en--hij heeft de nieuwe wereld
+ontdekt. Ik, de Columbus dezer onderaardsche gewesten, vraag u nog
+maar één dag. Als ik na verloop van dien tijd het ons ontbrekende
+water nog niet aangetroffen heb, dan, ik zweer het u, zullen wij naar
+de oppervlakte der aarde terugkeeren."
+
+In spijt van mijne verbittering was ik aangedaan door deze woorden en
+door het geweld, dat mijn oom zich aandeed om zulk eene taal te voeren.
+
+"Welnu!" riep ik uit, "het geschiede zooals gij verlangt! Moge God
+uwe bovenmenschelijke geestkracht beloonen! Stel het lot dan nog maar
+eenige uren langer op de proef. Vooruit!"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII
+
+ Zeldzaam geologisch genot.--Verdwijning van Hans.
+
+
+De nederdaling begon ditmaal weder door de nieuwe galerij. Hans
+ging naar gewoonte vooruit. Wij waren nog geen honderd schreden ver,
+of de professor, zijne lamp langs de muren bewegende, riep uit:
+
+"Ziedaar de oorspronkelijke gronden! wij zijn op den goeden
+weg! voorwaarts! voorwaarts!"
+
+Toen de aarde in de eerste tijden van haar bestaan langzamerhand
+afkoelde, veroorzaakte de vermindering van haren omvang in de schors
+afwijkingen, scheuren, ineenkrimpingen, kloven. Deze gang was een
+dergelijke barst, waardoor vroeger het uitgebraakte graniet wegvloeide;
+zijne duizend kronkelingen vormden een hoogst verwarden doolhof door
+den oorspronkelijken bodem.
+
+Naarmate wij daalden, vertoonde zich de opeenvolging der
+oorspronkelijke lagen met meer duidelijkheid. De geologische
+wetenschap beschouwt dezen oorspronkelijken grond als den grondslag
+der delfstoffelijke schors en heeft bevonden, dat hij uit drie
+verschillende lagen bestaat, den schiefer, het gneiss en den
+mica-leisteen, rustende op die onwankelbare rotssoort, die men
+graniet noemt.
+
+Nooit nog hadden delfstofkundigen in zulke vreemde omstandigheden
+verkeerd om de natuur op de plaats zelve te bestudeeren. Wat de boor,
+dat redelooze en onhandige werktuig, van het inwendige samenstel des
+aardbols niet op zijne oppervlakte kan brengen, zouden wij met onze
+oogen zien, met onze handen tasten.
+
+Door de heerlijk groen geschakeerde schieferlaag kronkelden
+metaaladeren van koper, van manganesium, met eenige sporen van
+platina en goud. Ik dacht aan die rijkdommen, in den schoot der
+aarde bedolven, waarvan het hebzuchtig menschdom nooit eenig genot
+zal hebben! De alleroudste omkeeringen hebben die schatten op zulk
+eene diepte begraven, dat houweel noch breekijzer ze ooit aan hun
+graf zullen kunnen ontrukken.
+
+Op den schiefer volgde het laagvormige gneiss, merkwaardig door de
+regelmatigheid en evenwijdigheid der schilfers, dan de mica-leisteen,
+die zich voordeed als groote platen, welke nog meer in het oog liepen
+door het vonkelen van den witten mica.
+
+Het licht der toestellen, teruggekaatst door de kleine vlakken der
+rotsachtige massa, schoot zijne stralen onder alle hoeken, en ik
+verbeelde mij door een hollen diamant te reizen, waarin de stralen
+op duizend verblindende wijzen braken.
+
+Tegen zes uur des avonds begon dit lichtfeest merkelijk te verminderen,
+ja bijna op te houden: de wanden kregen een gekristalliseerd maar
+somber voorkomen; de mica vermengde zich inniger met het veldspaath
+en het kwarts om den rotssteen bij uitnemendheid, den hardsten steen
+van allen te vormen, die, zonder er door verpletterd te worden, de
+vier grondlagen van den aardbol draagt. Wij waren in de onmetelijke
+gevangenis van graniet ingemetseld.
+
+Het was acht uur des avonds. Nog altijd ontbrak het aan water. Ik leed
+verschrikkelijk. Mijn oom liep vooruit. Hij wilde niet stilstaan. Hij
+spitste de ooren om het gemurmel eener beek te vernemen. Maar te
+vergeefs!
+
+Mijne beenen wilden mij intusschen niet langer dragen. Ik verzette mij
+tegen mijne pijnen om mijn oom niet te noodzaken stil te staan. Dat
+zou voor hem een donderslag geweest zijn, want de dag, de laatste
+die hem toebehoorde, spoedde ten einde.
+
+Eindelijk begaven mij mijne krachten; ik slaakte een kreet en
+viel. "Help, help, ik sterf!"
+
+Mijn oom keerde terug. Hij zag mij aan met over elkander geslagen
+armen; daarna kwamen deze doffe woorden over zijne lippen: "Alles
+is uit!"
+
+Een verschrikkelijk toornig gebaar trof nog eens voor het laatst
+mijne blikken en ik sloot mijne oogen.
+
+Toen ik ze weder opende, zag ik mijne beide reisgenooten onbeweeglijk
+in hunne dekens gerold liggen. Sliepen zij? Ik kon geen oogenblik
+slapen. Ik leed te veel, vooral door de gedachte, dat er geen herstel
+voor mijne kwaal mogelijk was. De laatste woorden van mijn oom klonken
+nog in mijn oor.
+
+"Alles was uit!" want in zulk een staat van zwakheid viel er niet
+eens meer aan te denken om de oppervlakte der aarde weder te bereiken.
+
+De dikte der aardschors boven ons bedroeg anderhalf uur gaans! Mij
+dacht, dat die massa met hare volle zwaarte op mijne schouders
+rustte. Ik voelde mij verpletterd en putte mij uit in geweldige
+pogingen om mij op mijne legerstede van graniet om te keeren.
+
+Eenige uren verliepen. Eene diepe stilte heerschte rondom ons, de
+stilte des grafs. Geen geluid drong door die muren, waarvan de dunste
+nog vijf mijl dik was.
+
+Toch meende ik in mijne verdooving eenig gerucht te hooren; net werd
+donker in den tunnel. Ik zag oplettender toe en verbeeldde mij den
+IJslander te zien verdwijnen met de lamp in de hand.
+
+Wat beduidde dat vertrek? Verliet Hans ons? Mijn oom sliep. Ik wilde
+schreeuwen. Mijne stem kon geen uitweg vinden over mijne verdroogde
+lippen. Het was stikdonker geworden en het laatste geluid stierf weg.
+
+"Hans verlaat ons! Hans! Hans!"
+
+Zoo riep ik in mijzelven. Mijne woorden gingen niet verder. Na het
+eerste oogenblik van schrik schaamde ik mij echter over mijn argwaan
+jegens een man, wiens gedrag tot nu toe volstrekt niet verdacht was
+geweest. Zijn vertrek kon geenszins eene vlucht zijn. In plaats
+van opwaarts ging hij de galerij af. Had hij slechte voornemens
+gekoesterd, dan zou hij naar boven, niet naar beneden gegaan zijn. Deze
+overweging bracht mij eenigszins tot bedaren en ik kwam tot nadere
+gedachten. Alleen eene gewichtige reden kon Hans, dien bedaarden man,
+aan zijne rust ontrukken. Ging hij op eene ontdekking uit? Had hij
+in de stilte van den nacht eenig gemurmel gehoord, dat niet tot mijn
+oor was doorgedrongen?
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII
+
+ Water in uitzicht.--Weder voorwaarts.--Zoekende.--Dorst
+ gelescht.--De beek een wegwijzer.--Rustige slaap.
+
+
+Een uur lang overwoog ik in mijne ijlende hersenen al de redenen,
+die den rustigen jager tot handelen hadden kunnen aansporen. De
+ongerijmdste denkbeelden kruisten elkander in mijn hoofd. Ik dacht,
+dat ik krankzinnig werd!
+
+Eindelijk klonk het geluid van voetstappen in de diepten van den
+afgrond. Hans kwam terug. Het onzekere licht begon langs de wanden
+te zweven en kwam vervolgens te voorschijn door de opening van den
+gang. Hans verscheen.
+
+Hij naderde mijn oom, legde de hand op diens schouder en maakte hem
+zachtjes wakker. Mijn oom stond op.
+
+"Wat is het?" zeide hij.
+
+"Vatten," antwoordde de jager.
+
+Ik geloof dat iedereen alle talen leert verstaan, als hij onder den
+invloed van hevige pijnen is. Ik kende geen woord deensch en toch
+begreep ik, uit instinct, het woord van onzen gids.
+
+"Water! water!" riep ik uit in de handen slaande en gebaren makende
+als een krankzinnige.
+
+"Water!" herhaalde mijn oom. "Hvar?" vraagde hij den IJslander.
+
+"Nedat," antwoordde Hans.
+
+Waar? Daar omlaag! Ik begreep alles. Ik had de handen des jagers
+gevat en drukte ze, terwijl hij mij bedaard aanzag.
+
+De toebereidselen tot het vertrek duurden niet lang en weldra gingen
+wij eene gang af, die een helling had van twee voet per vaam.
+
+Een uur later hadden wij omtrent duizend vadem afgelegd en waren wij
+twee duizend voet gedaald.
+
+Op dit oogenblik hoorden wij duidelijk een ongewoon geluid tegen
+de zijden van den granietmuur, een soort van dof geloei, gelijk een
+verwijderd onweder. Toen ik in het eerste half uur van onzen tocht de
+aangekondigde bron niet aantrof, werd ik op nieuw door angst bevangen;
+maar toen deelde mijn oom mij den oorsprong mede van het gedruisch,
+dat wij hoorden.
+
+"Hans heeft zich niet bedrogen", zeide hij; "wat gij daar hoort is
+het geloei van een stroom."
+
+"Van een stroom?" riep ik uit.
+
+"Er is geen twijfelen aan. Een onderaardsche stroom loopt om ons heen."
+
+Wij verhaastten onzen stap, door de hoop aangevuurd. Ik gevoelde geene
+vermoeidheid meer. Het geraas van het murmelende water verkwikte mij
+reeds; het werd hoe langer hoe duidelijker; na zich lang boven ons
+hoofd bevonden te hebben liep de stroom nu, bruisend en huppelend,
+langs den linkerzijwand. Ik streek gedurig mijne hand langs de rots,
+hopende er sporen van doorzijpeling of vochtigheid op te vinden. Maar
+te vergeefs.
+
+Er verliep nog een half uur. Wij gingen nog een half uur verder.
+
+Het werd nu duidelijk dat de jager in zijne afwezigheid zijne
+nasporingen niet eens zoo ver had kunnen uitstrekken. Geleid door
+een instinct, dat den bergbewoners en waterontdekkers eigen is,
+"rook" hij dien stroom door den rotssteen heen, maar zeker had hij
+het kostbare vocht niet gezien, zijn dorst er niet mede gelescht.
+Weldra werd het zelfs ontwijfelbaar, dat wij zoo voortgaande ons van
+den stroom zouden verwijderen, welks gemurmel begon te verminderen.
+
+Wij gingen dus denzelfden weg terug. Hans hield stil op de juiste plek,
+waar de stroom het dichtsbij scheen te wezen.
+
+Ik ging bij den muur zitten, terwijl het water met groot geweld
+slechts twee voet van mij af stroomde. Maar een muur van graniet
+scheidde ons er nog van.
+
+Zonder na te denken, zonder mij af te vragen of er misschien niet
+eenig middel bestond om zich dit water te verschaffen, verviel ik in
+eene vlaag van wanhoop.
+
+Hans zag mij aan en ik meende een glimlach om zijn mond te zien spelen.
+
+Hij stond op en nam de lamp. Ik volgde hem. Hij wendde zich naar den
+muur. Ik zag het aan. Hij legde zijn oor tegen den drogen steen en
+ging er langzaam overheen, steeds nauwkeurig luisterende. Ik begreep,
+das hij het juiste punt zocht, waar de stroom zich met meer geraas
+deed hooren. Dit punt vond hij in den linkerzijwand, drie voet boven
+den grond.
+
+Wat was ik aangedaan! Ik durfde niet gissen wat de jager wilde
+doen. Maar ik moest hem wel begrijpen en toejuichen en liefkozen,
+toen ik hem zijn breekijzer zag grijpen om de rots zelve aan te tasten.
+
+"Gered!" riep ik uit, "gered!"
+
+"Ja!" herhaalde mijn oom hartstochtelijk, "Hans heeft gelijk! O,
+die brave jager! Dat zouden wij niet gevonden hebben!"
+
+Ik geloof het wel. Een zoodanig middel, hoe eenvoudig het ook ware,
+zou ons niet in de gedachte gekomen zijn. Niets was gevaarlijker dan
+een krachtige stoot tegen dit gebeente des aardbols. Hoe licht kon er
+eene instorting plaats hebben, die ons verpletterde! Hoe licht kon
+de stroom, zich een weg door de rots banende, ons medeslepen! Die
+gevaren waren geenszins denkbeeldig; maar de vrees voor instorting
+of overstrooming kon ons nu niet tegenhouden, en onze dorst was zoo
+hevig, dat wij om hem te stillen zelfs in het bed van den oceaan
+zouden gegraven hebben.
+
+Hans begon dat werk, dat mijn oom noch ik zouden volvoerd hebben. Daar
+het ongeduld onze hand bestuurde. Zou de rots onder onze onbezonnen
+slagen verbrijzeld zijn. De gids integendeel, bedaard en gematigd,
+verdunde langzamerhand de rots door eene reeks van lichte, gedurig
+herhaalde slagen, en maakte zoo eene opening van een halven voet
+wijd. Ik hoorde het toenemende geraas van den stroom en meende reeds
+te gevoelen, hoe het weldadige water mijne lippen bevochtigde.
+
+Weldra drong het breekijzer twee voet diep in den granietmuur; het
+werk duurde reeds meer dan een uur; ik kromp ineen van ongeduld! Mijn
+oom wilde tot groote middelen zijne toevlucht nemen. Ik had moeite
+om hem tegen te houden. Reeds greep hij zijn breekijzer, toen zich
+plotseling een gefluit deed hooren. Een waterstraal spoot uit den
+muur tegen den anderen wand aan.
+
+Hans door den schok half omgeworpen, kon een kreet van pijn niet
+bedwingen. Ik begreep waarom, toen ik, mijne handen in de vloeistof
+stekende, op mijne beurt een geweldig geschreeuw aanhief: de bron
+was kokend heet.
+
+"Water van honderd graad!" riep ik.
+
+"Welnu! het zal bekoelen", antwoordde mijn oom.
+
+De gang werd gevuld met damp, terwijl eene beek zich vormde en zich
+in de onderaardsche kronkelingen verloor; kort daarna schepten wij
+er onzen eersten mondvol uit.
+
+O! welk een genot! welk eene onuitsprekelijke zaligheid! Wat was dit
+voor water? Van waar kwam het? Dat maakte niets uit. Het was water
+en hoewel nog warm, riep het toch het bijna ontvlodene leven weder
+terug. Ik dronk zonder ophouden, zelfs zonder te proeven.
+
+Eerst na een oogenblik van geneugte riep ik uit:
+
+"Het is ijzerhoudend water!"
+
+"Dat is uitmuntend voor de maag," antwoordde mijn oom, "en bevorderlijk
+voor de mineraalvorming! Deze reis is zoo goed als eene naar Spa
+of Töplitz!"
+
+"O! wat smaakt het lekker!"
+
+"Ik geloof het wel, het is ook water, dat twee uur gaans onder de
+aarde geput is; het heeft een inktsmaak, die volstrekt niet onaangenaam
+is. Hans heeft ons daar een opperbest hulpmiddel verschaft! Ook stel
+ik voor om zijn naam te geven aan deze heilzame beek."
+
+"Goed!" riep ik.
+
+En de naam "Hans-beek" werd terstond aangenomen.
+
+Hans werd er niet trotscher om. Na zich heel matig verkwikt te hebben,
+ging hij met zijne gewone kalmte in een hoek leunen.
+
+"Nu moeten wij," zeide ik, "dit water niet laten wegloopen."
+
+"Waarom niet?" antwoordde mijn oom, "ik houd het er voor, dat deze
+bron nooit zal opdrogen."
+
+"Dat blijft hetzelfde! wij zullen den zak en de flesschen vullen en
+dan de opening trachten te stoppen."
+
+Mijn raad werd gevolgd. Hans beproefde met brokjes graniet en werk het
+in den wand gemaakte gat te dichten. Dat was niet gemakkelijk. Wij
+brandden onze handen zonder er in te slagen; de persing was te
+aanzienlijk en onze pogingen bleven vruchteloos.
+
+"Het is duidelijk," zeide ik, "dat de bekkens van dezen waterstroom
+op eene aanzienlijke hoogte gelegen zijn, te oordeelen naar de kracht
+van den straal."
+
+"Daar is geen twijfel aan," antwoordde mijn oom; "als deze
+waterkolom twee en dertig duizend voet hoog is, ondergaat zij duizend
+dampkringsdrukkingen. Maar daar schiet mij iets te binnen."
+
+"Wat dan?"
+
+"Waarom zouden wij er zoo stijf op blijven staan om deze opening
+te stoppen?"
+
+"Wel, omdat...."
+
+Het zou mij moeielijk geweest zijn eene goede reden te vinden.
+
+"Zijn wij verzekerd, dat wij onze flesschen, als zij ledig zijn,
+weder zullen kunnen vullen?"
+
+"Neen, zeker niet!"
+
+"Welnu! dan moesten wij dit water laten loopen: het zal natuurlijk
+dalen en ons den weg wijzen en verkwikken te gelijk."
+
+"Dat is goed bedacht!" riep ik, "en met deze beek tot reisgenoot zie
+ik niet in, waarom wij in onze plannen niet zouden slagen."
+
+"Komt gij eindelijk op de hoogte, mijn jongen?" zeide de professor
+lachende.
+
+"Ik kom er niet, maar ben er reeds."
+
+"Wacht even! Wij zullen beginnen met eenige uren rust te nemen."
+
+Ik vergat waarlijk, dat het nacht was. De tijdmeter vertelde het mij
+wel. Weldra sliepen wij allen rustig, nu wij behoorlijk verkwikt en
+verfrischt waren.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIV
+
+ Te horizontaal.--Bijna loodrechte put.--Onder den Oceaan.
+
+
+Den volgenden morgen hadden wij reeds al het uitgestane leed
+vergeten. Ik verwonderde mij eerst, dat ik geen dorst meer had, en
+vroeg naar de reden daarvan. De beek, die murmelend aan mijne voeten
+stroomde, gaf mij het antwoord op die vraag.
+
+Wij ontbeten en dronken dat uitmuntende ijzerhoudende water. Ik
+gevoelde mij geheel opgevroolijkt en vol ijver om verder te
+gaan. Waarom zou een zoo innig overtuigd man als mijn oom, met een
+schranderen gids, zooals Hans, en een "vastberaden" neef, zooals ik,
+bij zich, niet slagen? Zulke mooie gedachten speelden mij in het
+hoofd! Als men mij voorgesteld had om naar den top van den Sneffels
+terug te keeren, zou ik het met verontwaardiging afgeslagen hebben.
+
+Maar er was gelukkig alleen sprake van dalen.
+
+"Laten wij vertrekken!" riep ik en deed door mijne tonen vol geestdrift
+de oude echo's van den aardbol ontwaken.
+
+De tocht werd Donderdag morgen te acht uur hervat. De granieten
+gang, zich in allerlei bochten kronkelende, vertoonde onverwachte
+krommingen en bootste de verwikkeling van een doolhof na; maar zijne
+hoofdrichting bleef toch altijd zuidoostelijk. Mijn oom raadpleegde
+gedurig zeer oplettend zijn kompas om zich rekenschap te kunnen geven
+van den doorloopen weg.
+
+De galerij liep bijna zuiver waterpas verder met hoogstens twee duim
+helling per vadem. De murmelende beek stroomde langzaam, onder onze
+voeten. Ik vergeleek haar met een vriendelijken geest, die ons door de
+aarde geleidde, en met mijne hand streelde ik de vochtige stroomnimf,
+die onze schreden met hare gezangen begeleidde. Mijne opgeruimdheid
+nam gaarne eene mythologische wending.
+
+Wat mijn oom aangaat, hij, "de man der loodlijn," raasde geducht over
+de waterpasse richting van den weg. Deze, verlengde zich tot in het
+oneindige en in plaats van langs den straal der aarde voort te gaan,
+zoo als hij het noemde, ging hij langs de schuine zijde. Maar wij
+hadden geene keus, en zoo lang wij, al was het ook nog zoo weinig,
+het middelpunt naderden, hadden wij geen recht om te klagen.
+
+Ook nam van tijd tot tijd de helling toe; de stroomnimf tuimelde
+bruisende voort en wij daalden dieper met haar.
+
+Over het geheel legden wij dezen en den volgenden dag een groot
+eind af in eene waterpasse richting, maar betrekkelijk weinig in
+eene loodrechte.
+
+Vrijdag avond, den 10den Juli, waren wij naar onze berekening dertig
+uur gaans ten zuidoosten van Reikiavik en op eene diepte van derdehalf
+uur gaans.
+
+Nu opende zich een verschrikkelijke put voor onze voeten. Mijn oom
+kon zich niet weerhouden om in de handen te klappen, toen hij de
+steilte zijner helling berekende.
+
+"Die zal ons ver brengen," riep hij, "en gemakkelijk ook, want de
+uitstekende punten der rots vormen eene ware trap."
+
+"Hans maakte de touwen behoorlijk vast om ongelukken te voorkomen. De
+afdaling begon. Ik durf niet zeggen, dat zij gevaarlijk was, want ik
+was reeds gewoon aan die halsbrekende oefeningen.
+
+Deze put was eene nauwe spleet in de vaste rots, van de soort die men
+"faille" [11] noemt; het was duidelijk, dat zij ontstaan was door de
+samentrekking van het gebeente der aarde, tijdens hare afkoeling. Als
+zij vroeger tot een doorgang gediend had voor de gesmoltene stoffen
+door den Sneffels uitgebraakt, kan ik mij niet verklaren, waarom er
+geen spoor van was achtergebleven. Wij gingen langs eene soort van
+wentelende schroef, die door menschenhanden vervaardigd scheen. Om
+het kwartier moesten wij stilhouden om de noodige rust te nemen en
+aan onze beenen hunne veerkracht terug te geven. Dan gingen wij met
+afhangende beenen op eene uitstekende punt zitten, aten en praatten
+en leschten onzen dorst aan de beek.
+
+Het spreekt van zelf, dat de Hans-beek, tot nadeel voor haren
+omvang, een waterval in deze spleet vormde; maar zij was nog meer dan
+toereikend om onzen dorst te stillen; ook kon het niet missen of zij
+moest haren rustigen loop hernemen, zoodra de helling afnam. Op dit
+oogenblik deed zij mij denken aan mijn waardigen oom, zijn ongeduld
+en zijn toorn, terwijl zij door hare zachte hellingen het beeld was
+van de kalmte des ijslandschen jagers.
+
+Den 6den en 7den Juli drongen wij, steeds de schroeflijnen dezer spleet
+volgende, nog twee uur gaans dieper in de aardschors door, hetgeen
+bijna vijf uur gaans onder het vlak der zee uitmaakte. Maar den 8sten,
+tegen den middag, kreeg de spleet in de richting van het zuidoosten
+eene veel zachtere helling van omstreeks vijf en veertig graad.
+
+De weg werd nu gemakkelijk en zeer eentonig. Het kon ook bezwaarlijk
+anders. De veranderingen van het landschap konden de reis niet
+afwisselen.
+
+Eindelijk waren wij op woensdag, den 15den, zeven uur gaans onder den
+grond en omtrent vijftig uur gaans van den Sneffels af. Wij waren
+wel een beetje vermoeid, maar onze gezondheid bleef bevredigend en
+de reisapotheek was nog onaangeroerd.
+
+Mijn oom teekende van uur tot uur de aanwijzingen van het kompas,
+van den tijdmeter, den luchtdichtheidsmeter en den thermometer op,
+die hij later in het wetenschappelijk verhaal zijner reis heeft
+opgenomen. Hij kon zich dus gemakkelijk rekenschap geven van zijn
+toestand. Toen hij mij mededeelde, dat wij waterpas vijftig uur gaans
+ver waren, kon ik een uitroep niet weerhouden.
+
+"Wat scheelt u toch?" vroeg hij.
+
+"Niets, ik maak slechts eene opmerking."
+
+"En die is, mijn jongen?"
+
+"Deze, dat als uwe berekeningen juist zijn, wij ons niet meer onder
+IJsland bevinden."
+
+"Gelooft gij dat?"
+
+"Het is gemakkelijk om daarvan zekerheid te krijgen."
+
+Ik mat het met den passer op de kaart af.
+
+"Ik bedroog mij niet," zeide ik; "wij zijn kaap Portland voorbij en
+die vijftig uur gaans naar het zuidoosten brengen ons in volle zee."
+
+"Onder de volle zee!" antwoordde mijn oom zich in de handen wrijvende.
+
+"Dan strekt," riep ik, "de oceaan zich boven ons hoofd uit!"
+
+"Maar, Axel! niets is eenvoudiger! Zijn er te Newcastle geene
+steenkolenmijnen, die ver onder de golven voortloopen?"
+
+De professor mocht dit al eenvoudig vinden, maar de gedachte, dat ik
+onder de watermassa voortliep, boezemde mij toch eenige ongerustheid
+in. En evenwel, of de vlakten en bergen van IJsland, dan wel de
+golven van den Atlantischen Oceaan zich boven ons bevonden, dat maakt
+eigenlijk geen verschil, zoodra het gewelf van graniet slechts stevig
+genoeg was. Overigens gewende ik mij spoedig aan die gedachte, want de
+nu eens rechte dan weder kromme gang, in zijne hellingen even grillig
+als in zijne kronkelingen, liep toch voortdurend naar het zuidoosten
+en drong gedurig lager, zoodat hij ons spoedig op eene aanzienlijke
+diepte bracht.
+
+Vier dagen later, Saterdag, den 18den Juli, kwamen wij des avonds
+bij eene soort van vrij groote grot; mijn oom gaf Hans zijne drie
+rijksdaalders weekhuur en er werd bepaald dat de volgende dag een
+rustdag zijn zou.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXV
+
+ Kalm vertrek.--Plaatsbepaling.--Heeft Humphry Davy gelijk?
+ --Dichtheid der lucht.--Lucht in vasten toestand.
+
+
+Ik werd dus 's Zondags morgens wakker zonder die gejaagdheid, die
+gewoonlijk gepaard gaat met een ophanden zijnd vertrek. En al was
+het ook in den diepsten afgrond, zoo was het toch wel aangenaam. Ook
+waren wij gewoon aan dat leven van holbewoners. Ik dacht niet meer
+aan de zon, de sterren, de maan, de boomen, de huizen, de steden,
+aan al die aardsche overtolligheden, die voor het ondermaansche wezen
+eene behoefte geworden zijn. Als in de aarde begravenen lachten wij
+wat met die nuttelooze wonderen.
+
+De grot vormde eene groote zaal; de getrouwe beek vloeide zachtjes
+over haren bodem van graniet. Op zulk een afstand van zijne bron had
+het water nog slechts den warmtegraad der omringende voorwerpen en
+liet het zich zonder bezwaar drinken.
+
+Na het ontbijt wilde de professor eenige uren wijden aan het in orde
+brengen zijner dagelijksche aanteekeningen.
+
+"Eerst," zeide hij, "zal ik eenige berekeningen maken, om mij te
+vergewissen van de plaats, waar wij zijn; ik wil in staat zijn om
+na onze terugkomst eene kaart van onze reis te teekenen, eene soort
+van loodrechte doorsnede van den aardbol, die eene voorstelling van
+onzen tocht zal geven."
+
+"Dat zal merkwaardig zijn, oom! maar zullen uwe waarnemingen een
+voldoenden graad van nauwkeurigheid hebben?"
+
+"Ja! ik heb de hoeken en hellingen zorgvuldig opgeteekend; ik ben
+zeker, dat ik mij niet zal bedriegen. Eerst wil ik zien, waar wij
+zijn. Neem het kompas en zie, welke streek het wijst.
+
+Ik zag op het werktuig, en na een nauwlettend onderzoek antwoordde ik:
+
+"Oost-ten-zuiden."
+
+"Goed!" sprak de professor, terwijl hij de waarneming opschreef en
+vlug eenige berekeningen maakte. "Ik besluit daaruit, dat wij van
+ons uitgangspunt af vijf en tachtig uur gaans hebben afgelegd."
+
+"Dus reizen wij onder den Atlantischen Oceaan?"
+
+"Juist."
+
+"En misschien barst er op dit oogenblik een storm los en worden de
+schepen boven ons hoofd door de golven en den orkaan geslingerd?"
+
+"Wel mogelijk!"
+
+"En beuken de walvisschen met hun staart de muren onzer gevangenis?"
+
+"Wees gerust, Axel! zij zullen haar niet doen schudden. Maar laten
+wij onze berekeningen voortzetten. Wij zijn vijf en tachtig uur gaans
+ten zuidoosten van den voet van den Sneffels, en volgens mijne vorige
+aanteekeningen schat ik de bereikte diepte op zestien uur gaans."
+
+"Zestien uur gaans!" riep ik.
+
+"Zonder twijfel."
+
+"Maar dat is de uiterste grens, die de wetenschap heeft gesteld aan
+de dikte der aardschors."
+
+"Ik ontken het niet."
+
+"En hier moest volgens de wet van de toeneming der warmte eene hitte
+van vijftien honderd graad heerschen."
+
+"Moest, mijn jongen!"
+
+"En al dit graniet zou niet in een vasten toestand kunnen blijven,
+maar zou moeten smelten."
+
+"Gij ziet, dat het zoo niet is, en dat de feiten, ouder gewoonte,
+de theoriën logenstraffen."
+
+"Ik ben genoodzaakt het te erkennen, maar het verbaast mij toch."
+
+"Hoe staat de thermometer?"
+
+"Op zeven en twintig en zes tienden graad."
+
+"De geleerden hebben dus gelijk op veertien honderd twee en zeventig en
+vier tienden graad na. Derhalve is de evenredige toeneming der warmte
+eene dwaling. Derhalve heeft Humphry Davy zich niet vergist. Derhalve
+heb ik geen ongelijk gehad hem te gelooven. Wat hebt gij hierop
+te antwoorden?"
+
+"Niets."
+
+Inderdaad had ik heel wat kunnen zeggen. Ik nam de theorie van Davy
+geenszins aan, ik hield het nog altijd met de inwendige warmte,
+hoewel ik er de uitwerkselen niet van gevoelde. Ik nam veel liever
+aan, dat deze schoorsteen van een uitgebranden vulkaan door de lava
+met eene terugkaatsende korst bedekt, de warmte verhinderde zich door
+zijne wanden voort te planten.
+
+Maar zonder mij te vermoeien met het zoeken van nieuwe bewijzen,
+bepaalde ik er mij toe om den toestand te nemen, zooals hij was.
+
+"Oom!" hernam ik, "ik houd uwe berekeningen voor juist; maar veroorloof
+mij er eene onbetwistbare gevolgtrekking uit af te leiden."
+
+"Ga gerust uw gang, mijn jongen!"
+
+"Ter plaatse waar wij thans zijn, onder de breedte van IJsland,
+bedraagt de straal der aarde ten naasten bij vijftien honderd drie
+en tachtig uur gaans?"
+
+"Vijftien honderd drie en tachtig en een derde uur gaans."
+
+"Wij zullen een rond getal van zestien honderd uur gaans nemen. Van
+eene reis van zestien honderd uur gaans hebben wij er zestien achter
+den rug."
+
+"Zooals gij zegt."
+
+"En dat na een weg van vijf en tachtig uur gaans geloopen te hebben?"
+
+"Juist!"
+
+"In ongeveer twintig dagen?"
+
+"In twintig dagen."
+
+"Nu, zestien uur gaans is het honderdste deel van den straal der
+aarde. Als wij zoo voortgaan, zullen wij twee duizend dagen of bijna
+vijf en een half jaar aan de nederdaling besteden!"
+
+De professor antwoordde niet.
+
+"Zonder nog te rekenen, dat als eene loodrechte lijn van zestien
+uur gaans verkregen wordt door een waterpasse van tachtig, dit acht
+duizend uur gaans naar het zuidoosten zal bedragen, en wij dus reeds
+lang door een punt van den omtrek gegaan zullen zijn, voor wij het
+middelpunt bereiken."
+
+"Loop naar den duivel met uwe berekeningen!" antwoordde mijn
+oom met eene toornige beweging. "Loop naar den duivel met uwe
+veronderstellingen! Waar berusten zij op? Wie zegt u, dat deze gang
+niet rechtstreeks tot ons doel voert? Daarenboven heb ik een vroeger
+geval voor mij. Wat ik thans doe heeft een ander reeds gedaan, en
+waar hij geslaagd is, zal ik op mijne beurt slagen."
+
+"Ik hoop het, maar toch mag ik wel...."
+
+"Gij moogt zwijgen, Axel! wanneer gij zulke zotteklap wilt uitslaan."
+
+Ik zag wel, dat de verschrikkelijke professor weder uit de huid van
+den oom dreigde te voorschijn te komen, en hield mij voor gewaarschuwd.
+
+"Raadpleeg nu," zeide hij, "den luchtdichtheidsmeter. Wat wijst
+hij aan?"
+
+"Eene aanzienlijke drukking."
+
+"Goed. Gij ziet, dat wij door zachtjes te dalen ons langzamerhand aan
+de dichtheid dezer dampkringslucht gewennen en er niet onder lijden."
+
+"Op wat oorpijn na."
+
+"Dat is niets. Dat onbehaaglijke gevoel kunt gij doen verdwijnen
+door de buitenlucht snel in gemeenschap te brengen met de lucht in
+uwe longen."
+
+"Zeer goed," antwoordde ik, vast besloten zijnde om mijn oom niet
+verder tegen te spreken. "Het verwekt zelfs een waar genoegen, als
+men zich zoo gedompeld voelt in dezen dichteren dampkring. Hebt gij
+wel opgemerkt, met hoeveel kracht het geluid zich voortplant?"
+
+"Zonder twijfel. Een doove zou hier eindelijk opperbest gaan hooren."
+
+"Maar die kracht zal zeker nog toenemen?"
+
+"Ja, volgens eene vrij onbepaalde wet; het is waar, dat de
+zwaartekracht verminderen zal, hoe lager wij komen. Gij weet, dat hare
+werking zich het sterkst doet gevoelen aan de oppervlakte der aarde,
+en dat de voorwerpen in het middelpunt van den aardbol geene zwaarte
+meer hebben."
+
+"Ik weet het; maar zeg mij, zal deze lucht eindelijk niet de dichtheid
+van het water krijgen?"
+
+"Zonder twijfel, onder eene drukking van zeven honderd en tien
+dampkringen."
+
+"En lager?"
+
+"Lager zal die dichtheid nog toenemen."
+
+"Hoe zullen wij dan dalen?"
+
+"Dan zullen wij steenen in onze zakken stoppen."
+
+"Op mijne eer, oom! gij hebt voor alles een antwoord klaar."
+
+Ik durfde mij niet verder wagen op het veld der veronderstellingen,
+want ik zou nogmaals gestooten hebben op de eene of andere
+onmogelijkheid, die den professor razend zou gemaakt hebben.
+
+Het was echter duidelijk, dat de lucht onder eene drukking, die tot
+duizenden dampkringen kon stijgen, eindelijk tot den vasten toestand
+moest overgaan, en aangenomen zelfs dat onze lichamen dit konden
+doorstaan, dan zouden wij toch de onderneming hebben moeten opgeven
+in spijt van alle redeneeringen van de wereld.
+
+Maar ik kwam met dit bewijs niet voor den dag. Mijn oom zou mij weder
+geantwoord hebben met den eeuwigen Saknussemm, een vroeger geval
+zonder eenige waarde; want al hield men de reis van den geleerden
+IJslander ook voor echt, zoo was er toch nog eene zeer eenvoudige
+zaak tegen in te brengen, namelijk:
+
+In de zestiende eeuw waren de barometer en de luchtdichtheidsmeter
+nog niet uitgevonden; hoe had Saknussemm dan kunnen bepalen, wanneer
+hij het middelpunt van den aardbol had bereikt?
+
+Maar ik hield deze tegenwerping voor mij en wachtte de verdere
+gebeurtenissen af.
+
+Het overige van den dag werd doorgebracht met rekenen en praten. Ik
+beaamde altijd het gevoelen van professor Lidenbrock en benijdde
+de volmaakte onverschilligheid van Hans, die zonder zoo naar
+uitwerksels en oorzaken te zoeken, blindelings ging waar het noodlot
+hem heenvoerde.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVI
+
+ Toenemende stilzwijgendheid.--Verdwaald.
+
+
+Ik moet bekennen, dat alles tot nu toe goed ging, en het zou mij
+leelijk gestaan hebben om te klagen. Als de "middelevenredige" der
+bezwaren niet toenam, konden wij ons doel niet missen. En welk een
+roem kon dat ons geven! Ik was reeds zoover, dat ik in vollen ernst
+in den trant van Lidenbrock redeneerde. Vloeide dat voort uit de
+vreemde middelstof, waarin ik leefde? Misschien.
+
+Eenige dagen lang voerden steiler hellingen, eenige zelfs
+verschrikkelijk loodrecht, ons diep in het massieve binnenste der
+aarde; op enkele dagen kwamen wij anderhalve à twee mijl dichter
+bij het middelpunt. Het waren gevaarlijke nederdalingen, waarbij
+de behendigheid en verbazende koelbloedigheid van Hans ons zeer
+te pas kwamen. Deze ongevoelige IJslander offerde zich met eene
+onbegrijpelijke onversaagdheid op, en door hem overwonnen wij menige
+moeielijkheid, die wij alleen niet te boven gekomen zouden zijn.
+
+Zijne stilzwijgendheid werd van dag tot dag erger. Ik geloof zelfs, dat
+zij ons ook aanstak. De omringende voorwerpen hebben een wezenlijken
+invloed op de hersenen. Wie zich tusschen vier muren opsluit, verliest
+eindelijk het vermogen om gedachten en woorden te verbinden. Hoe vele
+cellulair-gevangenen zijn, zooal niet krankzinnig dan toch kindsch
+geworden uit gebrek aan oefening van het denkvermogen!
+
+In de twee weken, die op ons laatste gesprek volgden, had er niets
+plaats der vermelding waardig. Ik herinner mij alleen nog, en niet
+zonder reden, een zeer ernstig voorval. Het zou mij moeielijk vallen
+om er de geringste omstandigheid van te vergeten.
+
+Den 7den Augustus hadden onze achtereenvolgende nederdalingen ons
+op eene diepte van dertig uur gaans gebracht; dat wil zeggen, dat er
+boven ons hoofd dertig uur gaans rotsen, oceaan, vasteland en steden
+lagen. Wij moesten nu twee honderd uur gaans van IJsland af zijn.
+
+Dien dag had de tunnel slechts eene geringe helling.
+
+Ik liep vooruit; mijn oom droeg één der beide toestellen van Ruhmkorff,
+ik den anderen. Ik onderzocht de lagen graniet.
+
+Eensklaps bespeurde ik, toen ik mij omkeerde, dat ik alleen was.
+
+"Goed," dacht ik, "ik heb te hard geloopen, of Hans en mijn oom hebben
+zich onderweg opgehouden. Kom, ik ga ze opzoeken. Gelukkig stijgt de
+weg merkbaar."
+
+Ik keerde terug. Ik liep een kwartier uurs door. Ik zag rond, maar
+bespeurde niemand. Ik riep, maar kreeg geen antwoord. Mijne stem
+verloor zich in de echo's der holen, die zij plotseling opwekte.
+
+Ik begon ongerust te worden. Eene rilling liep mij over de leden.
+
+"Bedaard toch!" zeide ik hardop. "Ik ben zeker, dat ik mijne makkers
+terug zal vinden. Er zijn geen twee wegen. Daar ik vooruit was,
+moet ik achterwaarts gaan."
+
+Ik ging nog een half uur ver opwaarts. Ik luisterde of ik ook geroepen
+werd, en in dezen dichten dampkring kon het geluid van verre tot mij
+komen. Eene buitengewone stilte heerschte in de onmetelijke galerij.
+
+Ik bleef staan. Ik kon niet gelooven, dat ik alleen was. Ik wilde
+wel verdwaald zijn, maar niet verloren. Als men verdwaald is, kan
+men elkaar terug vinden.
+
+"Laat eens zien," herhaalde ik, "daar er slechts één weg is, dien
+zij volgen, moet ik weder bij hen komen. Het is genoeg, als ik nog
+hooger op ga. Ten minste als zij, mij niet vindende en vergetende
+dat ik vooruit was, niet op de gedachte gekomen zijn om achteruit te
+gaan. Welnu! zelfs in dit geval zal ik, als ik mij haast, hen terug
+vinden. Dat is duidelijk!"
+
+Ik herhaalde deze laatste woorden als iemand, die niet overtuigd
+is van hetgeen hij zegt. Bovendien duurde het lang voor ik zulke
+eenvoudige gedachten had kunnen samenvoegen en uiten onder den vorm
+eener redeneering.
+
+Eene bange twijfeling bekroop mij nu. Was ik wel vooruit? Zeker. Hans
+volgde mij en ging mijn oom voor. Hij had zelfs eenige oogenblikken
+stil gestaan om zijne bagage op zijn schouder vast te binden. Deze
+omstandigheid schoot mij weder te binnen. Juist op dat oogenblik had
+ik mijn weg vervolgd.
+
+"Bovendien," dacht ik, "heb ik een zeker middel om niet te verdwalen,
+een draad om mij in dezen doolhof tot gids te strekken en die niet
+breken kan, mijne getrouwe beek. Ik behoef haren loop opwaarts slechts
+te volgen en dan moet ik noodzakelijk de sporen mijner makkers terug
+vinden."
+
+Deze gedachte bemoedigde mij weder en ik besloot zonder tijdsverzuim
+weder op weg te gaan.
+
+Hoe dankbaar was ik nu voor de voorzorg mijns ooms, toen hij den
+jager belette de spleet in den granietwand gemaakt te stoppen! Zoo zou
+dan die weldadige bron, na onderweg onzen dorst gelescht te hebben,
+mij nu geleiden door de kronkelingen der aardschors.
+
+Ik meende, dat eene wassching mij goed zou doen, voor ik verder ging.
+
+Daarom bukte ik mij om mijn voorhoofd te dompelen in het water der
+Hans-beek.
+
+Men oordeele over mijne ontsteltenis!
+
+Ik raakte het droge en hobbelige graniet aan! De beek stroomde niet
+meer onder mijne voeten!
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVII
+
+ Levend begraven.--Splitsing der galerij.--Bede tot God.--In
+ de zwarte duisternis.
+
+
+Ik kan mijne wanhoop niet schetsen; geen woord uit de menschelijke
+taal kan wedergeven, wat ik gevoelde.
+
+Ik was levend begraven met het vooruitzicht van te bezwijken onder
+de kwellingen van honger en dorst.
+
+Werktuiglijk streek ik mijne gloeiende handen over den grond. Hoe
+uitgedroogd scheen die rots mij toe!
+
+Maar hoe had ik dan toch den loop der beek verlaten? Want zij was er in
+allen gevalle niet meer! Ik besefte nu de oorzaak van die zonderlinge
+stilte, toen ik voor de laatste maal luisterde of geen geroep mijner
+makkers tot mijn oor zou doordringen. Dus had ik van het oogenblik af,
+dat ik mijne eerste schrede op dien dwaalweg zette, het afwezen der
+beek niet opgemerkt. Het is duidelijk, dat zich op dat oogenblik de
+galerij in tweeën splitste; terwijl de Hansbeek, eene andere helling
+volgende, zich met mijne makkers naar onbekende diepten begaf!
+
+Hoe zou ik terugkeeren? Geene sporen waren zichtbaar. Mijn voet liet
+geen indruk op dat graniet achter. Ik brak mijn hoofd met het zoeken
+naar de oplossing van dit onoplosbare vraagstuk. Mijn toestand kon
+uitgedrukt worden door het enkele woord: verloren!
+
+Ja! verloren in eene diepte, die mij onmeetbaar toescheen! Die dertig
+uren aardschors drukten met eene verschrikkelijke zwaarte op mijne
+schouders! Ik gevoelde mij verpletterd.
+
+Ik beproefde mijne denkbeelden weder op aardsche zaken te leiden. Met
+moeite slaagde ik er in. Hamburg, het huis in de Koningstraat, mijn
+arme Gräuben, de geheele wereld, waaronder ik verdwaald was, alles
+ging in een oogwenk voorbij in mijne verwarde herinneringen. Ik
+zag in eene levendige zinsbegoocheling de voorvallen op de reis,
+den overtocht, IJsland, den heer Fridriksson, den Sneffels terug! Ik
+zeide tot mijzelven, dat als ik in mijn toestand nog slechts eene
+schaduw van hoop behield, dit een teeken van dwaasheid zijn zou en
+dat het beter was te wanhopen!
+
+Inderdaad, welke menschelijke macht kon mij op de oppervlakte van
+den aardbol terug brengen en die verbazende gewelven scheiden, die
+zich boven mijn hoofd opeen stapelden? Wie kon mij op den rechten
+weg terug brengen en met mijne reisgezellen vereenigen?
+
+"O, oom!" riep ik op wanhopenden toon.
+
+Het was het eenige woord van verwijt, dat over mijne lippen kwam;
+want ik besefte, wat de ongelukkige man moest lijden, als hij mij op
+zijne beurt zocht.
+
+Toen ik mij zoo van alle menschelijke hulp verstoken en in de
+onmogelijkheid zag om iets tot mijn redding te beproeven, dacht ik aan
+hemelschen bijstand. De herinneringen mijner kindsheid, die mijner
+moeder, die ik slechts in mijne prilste jeugd gekend had, kwamen in
+mijn geheugen terug. Ik nam mijn toevlucht tot het gebed, hoe weinig
+recht ik ook had om te verwachten, dat ik gehoord zou worden door God,
+tot Wien ik mij zoo laat wendde, en riep Hem vurig aan.
+
+Dat opzien tot de Voorzienigheid maakte mij een weinig bedaarder en
+ik kon nu al de krachten van mijn verstand op mijn toestand vereenigen.
+
+Ik had voor drie dagen levensmiddelen en mijne flesch was vol. Evenwel
+kon ik niet langer alleen blijven. Maar moest ik stijgen of dalen?
+
+Natuurlijk stijgen! altijd stijgen!
+
+Zoo moest ik op het punt komen, waar ik de bron had verlaten, bij de
+noodlottige splitsing. Was ik eens daar en had ik de beek onder mijne
+voeten, dan kon ik altijd weder den top van den Sneffels bereiken.
+
+Dat ik daaraan niet vroeger gedacht had! Het bood toch altijd nog
+eene vrij zekere kans op redding aan. Het was dus in de allereerste
+plaats noodig om den loop der Hans-beek terug te vinden.
+
+Ik stond op, en leunende op mijn met ijzer beslagen stok ging ik
+weder naar het boveneinde der galerij. Hare helling was vrij steil. Ik
+liep vol moed en onbeschroomd voort, als iemand die geene keus heeft
+betreffende den weg, dien hij moet volgen.
+
+Een half uur lang ontmoette ik geene hinderpalen. Ik beproefde den
+weg te herkennen aan den vorm des tunnels, aan de uitstekende punten
+van sommige rotsen, aan het voorkomen der kromten. Maar geen bijzonder
+teeken trof mijn geest, en ik bespeurde weldra, dat deze galerij mij
+niet op de plaats van splitsing terug kon brengen. Zij was zonder
+uitgang. Ik werd gestuit door een ondoordringbaren muur en viel op
+den grond.
+
+Ik kan niet beschrijven door welk een schrik, door welk eene wanhoop ik
+nu werd aangegrepen. Ik was als vernietigd. Mijne hoop was verbrijzeld
+tegen dezen muur van graniet.
+
+Verloren in dezen doolhof, welks kronkelpaden elkander in alle
+richtingen kruisten, was het nutteloos eene onmogelijke vlucht te
+beproeven! Ik moest den verschrikkelijksten dood sterven! En, vreemde
+zaak! de gedachte rees bij mij op, dat als mijn versteend lichaam
+eens opgedolven werd, het vinden daarvan op eene diepte van dertig
+uur gaans aanleiding zou geven tot ernstige wetenschappelijke vragen!
+
+Ik wilde hardop spreken, maar alleen schorre tonen kwamen over mijne
+verdroogde lippen. Ik hijgde naar adem.
+
+Te midden van dezen angst maakte zich een nieuwe schrik van mijn
+geest meester. Mijne lamp was door den val beschadigd. Het ontbrak
+mij aan de middelen om haar te herstellen. Haar licht verflauwde en
+zou spoedig uitgaan.
+
+Ik zag, hoe de lichtgevende stroom in de slang van den toestel
+afnam. Een processie van zwevende schaduwen ging langs de verduisterde
+wanden. Ik durfde mijne oogen niet sluiten, uit vreeze van het
+geringste deeltje van dit wegstervende schijnsel te missen! Ieder
+oogenblik meende ik, dat het geheel zou verdwijnen en dat "de zwarte
+duisternis" mij omhulde.
+
+Eindelijk flikkerde de laatste lichtstraal in de lamp. Ik volgde hem,
+ik oogde hem na, ik vereenigde op hem al de macht mijner oogen, als
+op de laatste gewaarwording van licht, die het hun gegeven zou zijn
+te ondervinden, en ik bleef gedompeld in de allerakeligste duisternis.
+
+Welk een ijselijke kreet ontsnapte mij! Op aarde verliest het licht,
+zelfs in den donkersten nacht, nooit geheel zijne rechten; het is
+verstrooid, het is fijn; maar hoe weinig er ook van moge overblijven,
+toch wordt het eindelijk nog door het netvlies opgevangen! Hier
+niets. De volstrekte duisternis maakte mij tot een blinde in den
+volsten zin des woords.
+
+Nu werd ik geheel radeloos. Ik stond op, stak de armen vooruit en
+trachtte rond te tasten, hetgeen mij telkens veel pijn veroorzaakte;
+ik begon te vluchten, liep in den blinde rond door dien verwarden
+doolhof, daalde aanhoudend, liep door de aardschors gelijk een bewoner
+der onderaardsche mijngangen, riep, schreeuwde, huilde, kwetste mij
+spoedig aan de uitstekende rotspunten, viel en stond bebloed weder op,
+trachtte het bloed te drinken, dat mijn gelaat bevochtigde, en wachtte
+onophoudelijk dat de eene of andere onvoorziene muur een hinderpaal
+zou opleveren, waartegen ik mijn hoofd moest verpletteren.
+
+Waarheen voerde mij die zinnelooze loop? Ik zal het nooit te weten
+komen. Na verloop van verscheiden uren viel ik, zonder twijfel door
+volslagen verlies van krachten, als een levenlooze klomp zoo lang ik
+was op den' grond en verloor alle bewustheid van mijn bestaan!
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVIII
+
+ Een geraas!--Het geluid van woorden.--Förlorad.--Gemeenschap.
+ --Gesprek op anderhalf uur gaans.--Bemoediging.--Bewusteloos
+ neergeploft.
+
+
+Toen ik weder bijkwam, was mijn gelaat vochtig, maar van tranen. Hoe
+lang die gevoelloosheid geduurd had, kan ik niet zeggen. Ik bezat
+geen middel meer om den tijd te berekenen. Nooit was eene verlatenheid
+zoo volkomen!
+
+Na mijn val had ik veel bloed verloren. Ik baadde er in! Ach! wat speet
+het mij, dat ik niet dood was "en dat het nog terecht kon komen!" Ik
+wilde niet meer denken. Ik verdreef alle gedachten en door de smart
+overwonnen, rolde ik mij naar den anderen wand.
+
+Reeds voelde ik de bezwijming terug komen, en met haar mijn laatste
+uur, toen een hevig geraas mijn oor trof. Het geleek op het gerommel
+van den donder, en ik hoorde de geluidsgolven langzaam wegsterven in
+de verwijderde diepten van den afgrond.
+
+Van waar dat geraas? zeker van het eene of andere natuurverschijnsel,
+dat in den schoot der aarde plaats had. De ontploffing eener gassoort
+of de val van eene zware laag van den aardbol.
+
+Ik bleef luisteren. Ik wilde weten, of dit geraas herhaald zou
+worden. Een kwartier uurs verliep. Er heerschte stilte in de
+galerij. Ik hoorde zelfs het kloppen van mijn hart niet meer.
+
+Eensklaps verbeeldde ik mij, dat mijn oor, hetwelk toevallig tegen
+den muur lag, onduidelijke, onverstaanbare, verwijderde woorden
+opving. Ik beefde.
+
+"Het is verbeelding!" dacht ik.
+
+Maar neen. Oplettender luisterende, hoorde ik wezenlijk een gemompel
+van stemmen. Maar mijne zwakheid liet niet toe, dat ik begreep,
+wat er gezegd werd. Toch sprak men. Ik was er zeker van.
+
+Ik koesterde een oogenblik de vrees, dat het mijne eigene woorden
+mochten zijn, die de echo herhaalde. Misschien had ik geroepen zonder
+het te weten? Ik sloot mijne lippen stijf op elkander en legde op
+nieuw mijn oor tegen den wand.
+
+"Ja, zeker, men spreekt! men spreekt!"
+
+Nadat ik eenige voeten verder langs den muur voortgekropen was,
+hoorde ik duidelijker. Het gelukte mij eenige onzekere, zonderlinge,
+onbegrijpelijke woorden op te vangen. Het scheen mij toe, alsof die
+woorden slechts zachtjes, om zoo te zeggen mompelende gesproken
+werden! Het woord "förlorad" werd meermalen herhaald op een toon
+van smart.
+
+Wat beteekende het? Wie sprak het uit? Ongetwijfeld mijn oom of
+Hans. Maar als ik hen hoorde, konden zij mij ook hooren.
+
+Ik riep dus zoo hard ik kon: "Help! Help!"
+
+Ik luisterde, ik loerde in de duisternis op een antwoord, een schreeuw,
+een zucht. Niets liet zich hooren. Eenige minuten gingen voorbij. Eene
+geheele wereld van gedachten was in mijn geest ontstaan. Ik dacht,
+dat mijne verzwakte stem niet tot mijne reisgezellen kon doordringen.
+
+"Want zij zijn het," herhaalde ik. "Wie anders dan zij zouden dertig
+uur gaans onder den grond begraven zijn?"
+
+Ik begon weder te luisteren. Met mijn oor langs den wand gaande
+vond ik een meetkunstig punt, waar de stemmen haren hoogsten graad
+van sterkte schenen te bereiken. Het woord "förlorad" kwam weder in
+mijn oor, daarna dat gerommel van den donder, waardoor ik uit mijne
+verdooving was gewekt.
+
+"Neen," zeide ik, "neen! Die stemmen doen zich niet hooren door de
+vaste stof heen. De wand bestaat uit graniet, hij zou de sterkste
+losbranding niet doorlaten. Dat geraas komt uit deze zelfde
+galerij! Hier moet een zeer buitengewoon uitwerksel van het geluid
+plaats hebben!"
+
+Ik luisterde weder en ditmaal, ja! ditmaal hoorde ik mijn naam
+duidelijk door de ruimte roepen!
+
+Het was mijn oom, die hem uitsprak! Hij sprak met den gids, en het
+woord "förlorad" was een deensch woord.
+
+Nu begreep ik alles. Om mij te doen verstaan moest ik juist langs dezen
+muur spreken, die mijne stem zou geleiden, gelijk de metaaldraad de
+electriciteit geleidt.
+
+Maar ik had geen tijd te verliezen. Als mijne makkers zich slechts
+eenige schreden verwijderden, dan was het verschijnsel van het geluid
+verdwenen. Ik naderde dus den muur en sprak zoo duidelijk mogelijk
+deze woorden: "Oom Lidenbrock!"
+
+Ik luisterde met een levendigen angst. Het geluid heeft geene
+buitengewone snelheid. De dichtheid der luchtlagen vermeerdert zelfs
+zijne snelheid niet, zij vermeerdert slechts zijne kracht. Eenige
+seconden, die zoo vele eeuwen schenen, verliepen en eindelijk bereikten
+deze woorden mijn oor:
+
+"Axel! Axel!, zijt gij het?"
+
+-- -- --
+
+"Ja! ja!" antwoordde ik.
+
+-- -- --
+
+"Arm kind! waar zijt gij?"
+
+-- -- --
+
+"Verloren, in de zwartste duisternis!"
+
+-- -- --
+
+"Maar uwe lamp?"
+
+-- -- --
+
+"Is uit."
+
+-- -- --
+
+"En de beek?"
+
+-- -- --
+
+"Is verdwenen."
+
+-- -- --
+
+"Axel! arme Axel! vat moed!"
+
+-- -- --
+
+"Wacht even, ik ben uitgeput; ik heb geene kracht meer om te
+antwoorden. Maar spreek gij!"
+
+-- -- --
+
+"Houd moed," hernam mijn oom, "spreek niet; luister naar mij. Wij
+zijn de galerij op en af gegaan om u te zoeken. Maar het was
+onmogelijk om u te vinden. Ach! wat heb ik u beweend, mijn kind! In
+de veronderstelling dat gij den weg der Hans-beek volgdet, zijn wij
+weder onder het lossen van geweerschoten benedenwaarts gegaan. En nu,
+al kunnen onzen stemmen zich vereenigen door een uitwerksel van het
+geluid, zoo kunnen onze handen zich toch nog niet vereenigen! Maar
+wanhoop niet, Axel! Het is reeds iets als men elkaar verstaan kan."
+
+-- -- --
+
+Intusschen had ik nagedacht. Eene zekere, nog onbestemde hoop werd
+weder levendig in mijn hart. In de allereerste plaats stelde ik er
+belang in om één ding te weten. Ik legde dus mijn mond tegen den muur
+en zeide: "Oom?"
+
+-- -- --
+
+"Kind?" werd mij na eenige oogenblikken geantwoord.
+
+-- -- --
+
+"Wij moeten eerst weten welke afstand ons scheidt."
+
+-- -- --
+
+ "Dat is gemakkelijk."
+
+-- -- --
+
+"Hebt gij uw tijdmeter bij u?"
+
+-- -- --
+
+"Ja!"
+
+-- -- --
+
+"Welnu, neem hem. Spreek mijn naam uit en geef nauwkeurig acht op
+de seconde, waarin gij spreekt. Ik zal hem herhalen, en gij zult ook
+het juiste oogenblik waarnemen, waarop mijn antwoord tot u komt."
+
+-- -- --
+
+"Goed! en de helft van den tijd, die tusschen mijne vraag en uw
+antwoord zal verloopen, zal den tijd aanwijzen, dien mijne stem noodig
+heeft om tot u te komen."
+
+-- -- --
+
+"Zoo is het, oom!"
+
+-- -- --
+
+"Zijt gij gereed?"
+
+-- -- --
+
+"Ja!"
+
+-- -- --
+
+"Welnu! geef acht! ik zal uw naam uitspreken."
+
+-- -- --
+
+Ik leg mijn oor tegen den wand, en zoodra het woord "Axel" mij
+bereikte, antwoordde ik onmiddelijk "Axel" en wachtte.
+
+-- -- --
+
+"Veertig seconden," zeide nu mijn oom; "er zijn veertig seconden
+tusschen de beide woorden verloopen; het geluid besteedt dus twintig
+seconden om den afstand tusschen ons te doorloopen. Berekend op
+duizend en twintig voet per seconde, maakt het twintig duizend vier
+honderd voet uit of één en vijf achtste uur gaans."
+
+-- -- --
+
+"Ruim anderhalf uur gaans!" klaagde ik.
+
+-- -- --
+
+"Welnu! daar is overkomen aan, Axel!"
+
+-- -- --
+
+"Maar moet ik stijgen of dalen?"
+
+-- -- --
+
+"Dalen, en wel om deze reden. Wij zijn in eene uitgestrekte ruimte
+aangekomen, waarop een groot aantal galerijen uitloopen. Die welke
+gij gevolgd hebt, moet er u stellig heenbrengen, want het schijnt,
+dat al die spieten en scheuren van den bol als stralen uitgaan van
+het onmetelijke hol, waarin wij ons bevinden. Sta dus op en ga weder
+op weg; loop, kruip, als het zijn moet, glijd van de steile hellingen
+af en gij zult onze armen gereed vinden om u aan het einde van den
+weg op te vangen. Op weg, mijn kind! op weg!"
+
+-- -- --
+
+Die woorden bemoedigden mij weder.
+
+"Vaarwel, oom!" riep ik, "ik vertrek. Onze stemmen kunnen de
+gemeenschap niet langer onderhouden, zoodra ik deze plaats heb
+verlaten. Vaarwel dan!"
+
+-- -- --
+
+"Tot weerziens, Axel! tot weerziens!"
+
+-- -- --
+
+Dit waren de laatste woorden, die ik hoorde. Dit vreemde gesprek,
+gevoerd door de dichte massa der aarde heen, terwijl de sprekers meer
+dan een uur gaans van elkander verwijderd waren, eindigde met die
+vertroostende woorden. Ik zond een dankgebed tot God op, want Hij had
+mij door de duisternis heen naar het eenige punt misschien gevoerd,
+waar de stem mijner makkers mij kon bereiken.
+
+Dit zeer verbazende uitwerksel van het geluid kon gemakkelijk
+verklaard worden door natuurkundige wetten; het was een gevolg van
+de gedaante van den gang en het geleidend vermogen der rots; er
+zijn meer voorbeelden van die voortplanting van geluiden, die voor
+tusschengelegen punten onmerkbaar zijn. Ik herinnerde mij, dat dit
+verschijnsel op vele plaatsen wordt waargenomen, o.a. op de binnenste
+galerij van den koepel der St. Paulskerk te Londen en vooral onder de
+merkwaardige holen op Sicilië in de onderaardsche steengroefkerkers
+bij Syracuse gelegen, waarvan de zonderlingste van dien aard bekend
+is onder den naam van het oor van Dionysius.
+
+Dit alles herinnerde ik mij en ik zag duidelijk in, dat daar de stem
+van mijn oom tot mij kwam, geen hinderpaal tusschen ons bestond. Den
+weg van het geluid volgende moest ik er stellig ook komen, zoo de
+krachten mij onderweg niet begaven.
+
+Ik stond dus op. Ik kroop meer dan ik liep. De helling was nog al
+steil; ik liet mij afglijden.
+
+Weldra nam de snelheid mijner nederdaling op eene vrees inboezemende
+wijze toe en dreigde op een val te gaan gelijken. Ik had de kracht
+niet meer om mij op te houden.
+
+Eensklaps voelde ik geen grond meer. Ik rolde, telkens opspringende,
+langs de oneffenheden van eene loodrechte galerij, een waren put; mijn
+hoofd sloeg tegen een scherp rotspunt en ik geraakte buiten kennis.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIX
+
+ Ontwaken van Axel.--Was hij krankzinnig?--De grot verlaten.
+
+
+Toen ik weder bijkwam, lag ik in een half donker op dikke dekens. Mijn
+oom waakte en zocht op mijn gelaat naar eenig teeken van leven. Bij
+mijn eersten zucht greep hij mijne hand, bij mijn eersten oogopslag
+slaakte hij een vreugdekreet.
+
+"Hij leeft! hij leeft!" riep hij.
+
+"Ja!" antwoordde ik met eene zwakke stem.
+
+"Mijn kind!" zeide mijn oom mij aan zijn hart drukkende, "nu zijt
+gij gered!"
+
+Ik was levendig getroffen door den toon, waarop die woorden werden
+gesproken en nog meer door de zorgen, die er mede gepaard gingen. Maar
+zulke beproevingen werden ook vereischt om den professor zulk eene
+ontboezeming af te persen.
+
+Op dit oogenblik kwam Hans. Hij zag mijne hand rusten in die van
+mijn oom; ik durf verklaren dat zijne oogen een levendig genoegen
+uitdrukten.
+
+"God dag!" zeide hij,
+
+"Goeden dag, Hans! goeden dag!" mompelde ik. "Zeg mij nu eens,
+oom! waar wij thans zijn?"
+
+"Morgen, Axel! morgen, nu zijt gij nog te zwak; ik heb uw hoofd met
+compressen omwoeld, die gij niet moet verschuiven; slaap dus, mijn
+jongen! en morgen zult gij alles weten!"
+
+"Maar," hernam ik, "zeg mij ten minste hoe laat en welke dag het is."
+
+"'s Avonds elf uur; het is nu Zondag, de 9de Augustus, en ik verbied
+u mij iets meer te vragen voor den 10den dezer maand."
+
+Ik was inderdaad zeer zwak, mijne oogen vielen onwillekeurig toe. Ik
+had een nacht rust noodig; ik viel dus in slaap met de gedachte,
+dat mijne eenzaamheid vier lange dagen had geduurd.
+
+Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, keek ik eens rond. Mijne
+legerstede, uit al de reisdekens bestaande, was opgeslagen in eene
+heerlijke grot, versierd met prachtigen dropsteen, en welker bodem
+met fijn zand was bedekt. Er heerschte een half donker. Geene toorts,
+geene lamp brandde er, en toch drong van buiten een onverklaarbaar
+schijnsel door eene nauwe opening in de grot. Ook hoorde ik een
+vreemd, onbepaald gemurmel, gelijk aan het geluid der golven, die op
+een vlakken oever breken en soms het fluiten van den wind.
+
+Ik vroeg mij zelven of ik wel wakker was, of ik nog droomde,
+of mijne hersenen, door den val geschud, geene zuiver ingebeelde
+geluiden vernamen. Echter konden mijne oogen en ooren zich niet zoo
+erg vergissen.
+
+"Het is een straal van het daglicht," dacht ik, "die door deze
+rotsspleet dringt! Het is toch het geraas van golven! Het is toch het
+fluiten van den wind! Bedrieg ik mij, of zijn wij op de oppervlakte
+der aarde teruggekomen? Heeft mijn oom dan van zijn tocht afgezien,
+of zou hij hem gelukkig volbracht hebben!"
+
+Ik legde mij deze onoplosbare vragen voor, toen de professor
+binnenkwam.
+
+"Goeden dag, Axel!" sprak hij opgeruimd. "Ik durf wedden, dat gij
+welvarende zijt!"
+
+"Zeker!" antwoordde ik op de dekens overeind gaande zitten.
+
+"Dat kan niet anders, want ge hebt rustig geslapen. Hans en ik hebben
+beurtelings bij u gewaakt en wij hebben uwe genezing snelle vorderingen
+zien maken."
+
+"Ik gevoel mij inderdaad weder opgevroolijkt, en om het te bewijzen zal
+ik eer doen aan het ontbijt, dat gij mij wel zult willen voortzetten!"
+
+"Gij zult eten, mijn jongen! de koorts heeft u verlaten. Hans heeft uwe
+wonden ingesmeerd met ik weet niet welke zalf, waarvan de IJslanders
+het geheim bezitten en zij zijn uitmuntend geheeld. Een ferme vent,
+onze jager!"
+
+Zoo sprekende bereidde mijn oom eenige spijzen, die ik gretig verslond
+in weerwil van zijne waarschuwingen. Intusschen overstelpte ik hem
+met vragen, die hij zich haastte te beantwoorden.
+
+Ik vernam nu, dat mijn gelukkig afgeloopen val mij juist aan het
+uiteinde eener bijna loodrechte galerij had gebracht; daar een vloed
+van steenen, waarvan de kleinste voldoende zou geweest zijn om mij te
+verpletteren, met mij mede was gekomen, moest men daaruit afleiden,
+dat een gedeelte der vaste massa met mij was afgegleden. Dit
+verschrikkelijk voertuig bracht mij dus in de armen mijns ooms,
+waar ik bloedend en bewusteloos nederviel.
+
+"Waarlijk," zeide hij mij, "het is te verwonderen dat gij niet
+duizendmaal den dood hebt gevonden. Maar, laten wij elkander in Gods
+naam niet meer verlaten; want wij zouden gevaar loopen elkaar niet
+meer terug te zien!"
+
+"Laten wij elkander niet meer verlaten!" De reis was dan nog niet ten
+einde? Ik zette van verbazing groote oogen op, hetgeen onmiddellijk
+tot deze vraag aanleiding gaf:
+
+"Wat scheelt u toch, Axel?"
+
+"Ik moet u iets vragen. Gij zegt, dat ik gezond en wel ben?"
+
+"Zonder twijfel."
+
+"Dat mijn lichaam ongedeerd is?"
+
+"Zeker."
+
+"En mijn hoofd?"
+
+"Uw hoofd staat op eenige kneuzingen na, ongeschonden op zijne plaats
+op uwe schouders."
+
+"Welnu! ik vrees, dat mijne hersenen in de war zijn."
+
+"In de war?"
+
+"Ja. Zijn wij niet op de oppervlakte van den aardbol terug?"
+
+"Zeker niet!"
+
+"Dan moet ik gek zijn; want ik bemerk het daglicht, ik hoor het geraas
+van den wind, die blaast en van de zee, die op het strand breekt!"
+
+"Zoo! is het anders niet?"
+
+"Zult gij het mij ophelderen?"
+
+"Ik zal u niets ophelderen, want het is onverklaarbaar; maar gij zult
+zien en begrijpen, dat de geologische wetenschap haar laatste woord
+nog niet heeft gesproken!"
+
+"Laten wij dan heen gaan!" riep ik driftig opstaande.
+
+"Neen, Axel! neen! de open lucht zou u kwaad kunnen doen."
+
+"De open lucht?"
+
+"Ja! het waait vrij hard. Ik wil niet, dat gij u zoo blootstelt."
+
+"Maar ik verzeker u, dat ik heel wel ben."
+
+"Een beetje geduld, mijn jongen! Als gij weder instort, zou ons dat
+in groote ongelegenheid brengen, en wij moeten geen tijd verliezen,
+want de overtocht kan lang duren."
+
+"De overtocht?"
+
+"Ja! rust vandaag nog wat uit, dan zullen wij ons morgen inschepen."
+
+"Ons inschepen!"
+
+Dat laatste woord deed mij van vreugde opspringen.
+
+Hoe! ons inschepen! Hadden wij dan een stroom, een meer, eene zee ter
+onzer beschikking? Lag er een schip voor anker in de eene of andere
+inwendige haven?
+
+Mijne nieuwsgierigheid werd ten hoogste geprikkeld. Te vergeefs poogde
+mijn oom mij tegen te houden. Toen hij zag, dat het ongeduld mij meer
+kwaad zou doen dan de bevrediging mijner wenschen, gaf hij toe.
+
+Ik kleedde mij spoedig aan; uit overdrevene voorzichtigheid draaide
+ik mij in eene der dekens, en verliet de grot.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXX
+
+ De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende
+ zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees
+ voor voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor.
+
+
+Eerst zag ik niets; mijne aan het licht ontwende oogen sloten zich
+terstond. Toen ik ze weder kon openen, stond ik meer ontsteld dan
+verbaasd.
+
+"De zee!" riep ik.
+
+"Ja!" antwoorde mijn oom, "de Lidenbrock-zee; en ik vlei mij, dat
+geen zeevaarder mij de eer zal betwisten van haar ontdekt te hebben,
+noch het recht om haar naar mij te noemen!"
+
+Eene verbazende watervlakte, het begin van een meer of een oceaan
+strekte zich verder uit dan het gezicht reikte. De zeer bochtige oever
+vertoonde bij de laatste golvingen van het water een fijn, goudgeel
+zand, bezaaid met die kleine schelpen, waarin de eerste wezens der
+schepping leefden. De golven braken er op met dat heldere geraas,
+dat eigen is aan de van rondom ingesloten, groote binnenzeeën, het
+lichte schuim vloog op door den ademtocht van een matigen wind en
+eenig zeestof kwam in mijn gezicht. Op dit zacht glooiende strand,
+omtrent honderd vadem van den golfrand, eindigden de voorbergen van
+verbazende rotsen, die, al breeder en breeder wordende, tot eene
+onmetelijke hoogte oprezen. Sommige verscheurden den oever met haar
+scherpen kam en vormden kapen en voorgebergten, waaraan de tand der
+branding had geknaagd. Verder volgde het oog hunne massa's, die zuiver
+uitkwamen op den benevelden achtergrond aan den gezichteinder.
+
+Het was een ware oceaan met de grillige omtrekken der aardsche oevers,
+maar verlaten en van een verschrikkelijk woest voorkomen.
+
+Dat mijne blikken ver over deze zee konden rondgaan kwam daardoor, dat
+een "bijzonder" licht haar overal bescheen. Het was niet het zonlicht
+met zijne schitterende straalbundels en de prachtige verspreiding
+zijner stralen, noch het bleeke en weifelende licht van de koningin
+der nachten, dat slechts eene weerkaatsing zonder warmte is. Neen. De
+sterkte van dit licht, zijne sidderende verspreiding, zijne heldere
+en zuivere witheid, zijn geringe warmtegraad, zijn glans, welke dien
+van de maan verre overtrof, wezen duidelijk op een zuiver electrischen
+oorsprong. Het was, gelijk het noorderlicht, een aanhoudend, zoo te
+zeggen, kosmisch natuurverschijnsel, dat deze grot vulde, die een
+oceaan kon bevatten.
+
+Het gewelf boven mij, de hemel, als men wil, scheen te bestaan uit
+groote wolken, beweeglijke en veranderlijke dampen, die ten gevolge der
+verdichting van tijd tot tijd in plasregens moesten overgaan. Ik zou
+gedacht hebben, dat er onder zulk eene zware dampkringsdrukking geene
+verdamping van het water plaats kon hebben, en toch dreven er door eene
+natuurlijke, mij onbekende oorzaak, groote wolken in de lucht. Maar
+nu "was het mooi weer." De electrische plekken brachten verbazende
+spelingen van het licht op de hoog drijvende wolken teweeg; donkere
+schaduwen teekenden zich af op hare onderste bochten, en dikwijls
+schoot tusschen twee lagen door een straal met eene aanmerkelijke
+kracht op ons neder. Maar toch was het de zon niet, want het ontbrak
+dit licht aan warmte. Het maakte een treurigen en hoogst zwaarmoedigen
+indruk. In plaats van een schitterend uitspansel met sterren, schemerde
+door die wolken een gewelf van graniet, die met zijne volle zwaarte
+op mij drukte, en die ruimte, hoe verbazend groot ook, zou niet
+toereikende geweest zijn voor den omloop der allerkleinste planeet.
+
+Ik herinnerde mij nu de theorie van een engelsch kapitein, die de aarde
+gelijk stelde met een grooten hollen bol, in welks binnenste de lucht
+ten gevolge van de drukking lichtgevend was, terwijl twee sterren,
+Pluto en Proserpina, er hare geheimzinnige banen bewandelen. Zou hij
+de waarheid gesproken hebben?
+
+Wij waren inderdaad gevangen in eene verbazende holte. Over hare
+breedte kon men niet oordeelen, daar haar oever zich, zoo ver het
+gezicht reikte, uitstrekte, evenmin als over hare lengte, want de blik
+werd weldra gestuit door een eenigszins onbepaalden gezichteinder. Wat
+hare hoogte betreft, deze moest verscheiden uren gaans bedragen. Waar
+steunde dat gewelf op zijne granieten beeren? Het oog kon het niet
+waarnemen; maar er dreef menige wolk in den dampkring, wier hoogte
+op twee duizend vadem kon geschat worden, eene hoogte, welke die der
+aardsche dampen verre overtrof en zonder twijfel aan de aanzienlijke
+dichtheid der lucht moest worden toegeschreven.
+
+Het woord "hol" drukt stellig mijne gedachte niet voldoende uit om deze
+onmetelijke ruimte te schilderen. Maar de woorden der menschelijke taal
+schieten te kort voor wie zich in de afgronden van den aardbol waagt.
+
+Ik wist ook niet uit welk geologisch feit ik het bestaan van zulk
+eene holte moest verklaren. Had de afkoeling van den aardbol haar
+kunnen doen ontstaan? Ik kende wel uit de verhalen der reizigers
+sommige beroemde grotten, maar geene enkele had zulke afmetingen.
+
+Al had de grot van Guachara en Columbia, door Von Humboldt bezocht,
+het geheim harer diepte niet verraden aan den geleerde, die haar over
+eene ruimte van twee duizend vijf honderd voet onderzocht, zoo strekte
+zij zich toch waarschijnlijk niet veel verder uit. Het onmetelijke
+Mammouth-hol in Kentucky vertoonde wel reusachtige afmetingen, daar
+zijn gewelf zich vijf honderd voet boven een onpeilbaar meer verhief
+en reizigers er tien uur gaans in doordrongen zonder het einde te
+bereiken. Maar wat beteekenden die holen in vergelijking van dat,
+hetwelk ik nu bewonderde, met zijn hemel van dampen, zijne electrische
+uitstralingen en de uitgestrekte zee binnen in hetzelve? Mijne
+verbeelding gevoelde hare onmacht tegenover die onmetelijkheid.
+
+Zwijgende beschouwde ik al die wonderen. Het ontbrak mij aan
+woorden om mijne gewaarwordingen uit te drukken. Ik meende op de
+eene of andere verre planeet, Uranus of Neptunus, getuige te zijn
+van verschijnselen, waarvan mijne "aardsche" natuur geen begrip
+had. Voor nieuwe gewaarwordingen waren nieuwe woorden noodig en mijne
+verbeeldingskracht deed ze mij niet aan de hand. Ik beschouwde, dacht,
+bewonderde met eene verbazing vermengd met eenigen schrik.
+
+Het onverwachte van dit schouwspel had den blos der gezondheid op
+mijn gelaat teruggebracht; ik was op weg om mij met de verwondering te
+behandelen en mijne genezing te bewerken door middel van deze nieuwe
+geneeskundige praktijk; bovendien verfrischte mij de kracht eener
+zeer verdichte lucht, die meer zuurstof aan mijne longen toevoerde.
+
+Men kan licht begrijpen dat het, na eene zeven en veertig daagsche
+opsluiting in eene nauwe galerij, een onwaardeerbaar genot was dezen
+zeewind met vochtige, zoutachtige uitwasemingen beladen, in te ademen.
+
+Ook behoefde ik er geen berouw over te hebben, dat ik mijne duistere
+grot had verlaten. Mijn oom, die reeds aan deze wonderen gewoon was,
+verwonderde zich niet meer.
+
+"Hebt gij kracht genoeg om een weinig rond te wandelen?" vroeg hij mij.
+
+"Ja zeker!" antwoordde ik, "niets zal mij aangenamer zijn."
+
+"Welnu! neem mijn arm, Axel! en laten wij de bochten van den oever
+volgen."
+
+Ik nam dit aanbod gretig aan, en wij begonnen onze wandeling langs
+de kust van dezen nieuwen oceaan.
+
+Ter linkerzijde vormden steile en ongelijke, op elkander gestapelde
+rotsen eene reusachtige opeenhooping, die eene verbazende uitwerking
+maakte. Van hare zijden stortten zich watervallen af, die zich tot
+heldere en geraasmakende waterbekkens vereenigden; eenige lichte dampen
+wezen, van rots tot rots zwevende, de plaats der warme bronnen aan,
+en beekjes stroomden zachtjens naar den algemeenen vergaderbak, terwijl
+zij in de hellingen gelegenheid zochten om lieflijker te murmelen.
+
+Onder die beken herkende ik onze getrouwe reisgezellin, de Hans-beek,
+die zich rustig in zee stortte, alsof zij nooit iets ander gedaan
+had sedert de schepping der wereld.
+
+"Haar zullen wij voortaan missen!" zeide ik zuchtende.
+
+"Ba!" antwoordde de professor, "haar of eene andere, wat maakt
+dat uit?"
+
+Ik vond dat antwoord min of meer ondankbaar.
+
+Maar op dit oogenblik trok een onverwacht schouwspel mijne
+aandacht. Vijf honderd schreden verder, bij het omslaan van een hoog
+voorgebergte, vertoonde zich een hoog, lommerrijk en dicht woud aan
+onze oogen. Het bestond uit tamelijk groote boomen, die op regelmatige
+zonneschermen geleken, met zuivere en meetkunstige omtrekken; de
+luchtstroomen schenen geen vat te hebben, op hun gebladerte en ondanks
+den wind bleven zij onbeweeglijk, als waren het versteende cederboomen.
+
+Ik versnelde mijne schreden. Ik kon geen naam geven aan deze
+zonderlinge houtsoort. Maakten zij geen deel uit van de tot nu toe
+bekende twee honderd duizend soorten van planten en moest men, haar
+eene bijzondere plaats aanwijzen in de plantenwereld der aan hat
+water groeiende gewassen? Neen. Toen wij onder haar lommer kwamen,
+bleef er van mijne verbazing slechts bewondering over.
+
+Inderdaad bevond ik mij tegenover aardsche voortbrengselen, maar op
+eene reusachtige leest geschoeid. Mijn oom noemde ze oogenblikkelijk
+bij hun naam.
+
+"Het is een woud van paddestoelen," zeide hij.
+
+En hij bedroog zich niet. Men oordeele over de ontwikkeling
+dezer planten, die zich zoo gaarne op warme en vochtige plaatsen
+ophouden. Ik wist, dat de "lycoperdon giganteum," volgens Bulliard,
+een omtrek van acht tot negen voet bereikt; maar dit waren witte,
+dertig à veertig voet hooge paddestoelen met een hoed van dezelfde
+middellijn. Zij stonden er bij duizenden; het licht kon niet door
+hun dicht lommer heendringen en een volslagen duisternis, heerschte
+onder deze koepels, die even dicht naast elkander stonden als de
+ronde daken eener afrikaansche stad.
+
+Toch wilde ik nog dieper doordringen. Eene doodelijke koude viel
+neder van die vleezige gewelven. Een half uur doolden wij rond in
+die vochtige duisternis en met een ongeveinsd gevoel van welbehagen
+begroette ik weder de oevers der zee.
+
+Maar de plantengroei dezer onderaardsche streek bepaalde zich niet
+louter tot die paddestoelen. Verder verhieven zich groepsgewijze
+een groot aantal andere boomen met ontkleurde bladeren. Zij waren
+gemakkelijk te herkennen; het waren de nederige struiken der aarde met
+wonderbare afmetingen, honderd voet hooge wolfsklauwen, reusachtige
+zegelboomen, boomvormige varens, zoo groot als de dennen der hooge
+breedten, lepidodendrons met cylindervormige verdeelde stammen, in
+lange bladen uitloopende en bezet met harde stekels als monsterachtige
+cactussen.
+
+"Verbazend," riep mijn oom. "Ziedaar de geheele plantenwereld uit
+het tweede tijdperk der aarde, het overgangstijdperk. Ziedaar die
+nederige planten uit onze tuinen, die boomen werden in de eerste
+eeuwen van den aardbol! Beschouw ze, Axel! bewonder ze! Nooit is een
+plantenkenner op zulk een feest geweest!"
+
+"Gij hebt gelijk, oom! De voorzienigheid schijnt in deze onmetelijke
+broeikas die voorwereldlijke planten te hebben willen bewaren, die de
+scherpzinnigheid der geleerden zoo gelukkig weder heeft samengesteld."
+
+"Gij zegt terecht, dat het eene broeikas is, mijn jongen! maar
+gij zoudt u nog juister uitdrukken, als gij er bijvoegdet, dat het
+misschien eene diergaarde is."
+
+"Eene diergaarde!"
+
+"Ja, zonder twijfel. Bezie het stof maar, dat wij vertreden; die op
+den grond verspreide beenderen."
+
+"Beenderen!" riep ik. "Ja! beenderen van voorwereldlijke dieren!"
+
+Ik viel aan op die eeuwenoude overblijfselen, bestaande uit eene
+onvergankelijke delfstoffelijke zelfstandigheid [12]. Ik gaf zonder
+aarzelen een naam aan die reusachtige beenderen, die op uitgedroogde
+boomstammen geleken.
+
+"Dat is de onderkaak van den Mastodont," zeide ik; "dat zijn de
+maaltanden van het Dinotherium, ziedaar een dijbeen, dat alleen aan het
+grootste dezer dieren, het Megatherium, kan toebehoord hebben. Ja,
+wel is het eene diergaarde, want die beenderen zijn hier zeker
+niet gebracht door een zondvloed; de dieren, waaraan zij behooren,
+hebben geleefd aan de oevers dezer onderaardsche zee, in de schaduw
+dezer boomachtige planten. Zie, daar bespeur ik geheele geraamten. En
+toch...."
+
+"En toch?" zeide mijn oom.
+
+"Begrijp ik de aanwezigheid van zulke viervoetige dieren niet in dit
+hol van graniet."
+
+"Waarom niet?"
+
+"Omdat het dierlijke leven op aarde eerst bestaan heeft in de
+secundaire tijdperken, toen de aangespoelde grond gevormd is door
+het alluvium en de witgloeiende rotssteenen van het eerste tijdperk
+heeft vervangen."
+
+"Hoe! op zulk eene diepte onder de oppervlakte der aarde?"
+
+"Zonder twijfel, en deze daadzaak kan geologisch verklaard worden. In
+een zeker tijdperk bestond de aarde uit eene veerkrachtige schors,
+aan afwisselende op- en nedergaande bewegingen onderworpen, tengevolge
+van de wetten der aantrekkingskracht. Het is waarschijnlijk, dat
+er verzakkingen in den bodem zijn gekomen, en dat een gedeelte
+der aangespoelde gronden weggezonken is in de plotseling geopende
+afgronden."
+
+"Dat moet zoo zijn. Maar als er voorwereldlijke dieren geleefd hebben
+in deze onderaardsche streken, wie verzekert ons dan, dat er nog niet
+het eene of andere van die monsters rondzwerft in deze sombere wouden
+of achter die steile rotsen?"
+
+Bij deze gedachte onderzocht ik, niet zonder angst, de verschillende
+punten van den gezichteinder; maar geen levend wezen vertoonde zich
+op die eenzame oevers.
+
+Ik was een weinig vermoeid; ik ging zitten op het uiteinde van een
+voorgebergte, aan welks voet de golven met veel geraas braken. Van
+daar omvatte mijn blik de geheele baai, die door een inham van de kust
+werd gevormd. Achterin werd eene kleine haven door pyramidale rotsen
+ingesloten. Haar kalm water was tegen den wind beschut. Een brik en
+twee of drie schoeners hadden er gemakkelijk in kunnen omkeeren. Ik
+rekende er bijna op het eene of andere vaartuig met volle zeilen te
+zien uitloopen en met den zuidenwind het ruime sop kiezen.
+
+Maar die begoocheling verdween weldra. Stellig waren wij de eenige
+levende schepselen in deze onderaardsche wereld. Als de wind
+soms ging liggen, daalde eene stilte, nog veel dieper dan die der
+woestijn, op de dorre rotsen, en drukte op de oppervlakte van den
+oceaan. Dan trachtte ik door de verre nevelen heen te boren en die
+gordijn te verscheuren, die voor den geheimzinnigen achtergrond
+van den gezichteinder hing. Wat al vragen verdrongen zich op mijne
+lippen! Waar eindigde die zee? Waar voerde zij heen? Zouden wij immer
+hare tegenoverliggende oevers bereiken?
+
+Mijn oom twijfelde er volstrekt niet aan. Ik wenschte en vreesde het
+te gelijk.
+
+Na een uur doorgebracht te hebben met de beschouwing van dit
+wonderlijke tooneel, gingen wij weder langs het strand naar de grot,
+en met het hoofd vol van de zonderlingste denkbeelden viel ik in een
+gerusten slaap.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXI
+
+ Door een zeebad versterkt!--Vloed, ebbe en magnetische
+ helling.--Scheepstimmerhout.--Het vlot.
+
+
+Toen ik den volgenden morgen ontwaakte was ik geheel genezen. Ik
+meende, dat een bad zeer heilzaam voor mij zou zijn, en dompelde mij
+daarom eenige minuten lang in het water dezer Middellandsche zee. Dien
+naam verdiende zij zeker meer dan eenige andere.
+
+Ik kwam met goeden eetlust aan het ontbijt. Hans verstond zeer goed
+de kunst om onze kleine spijskaart gereed te maken; hij had water en
+vuur ter zijner beschikking, zoodat hij eenige afwisseling kon brengen
+in onzen gewonen kost. Bij het nagerecht schonk hij ons eenige kopjes
+koffie in, en nooit proefde ik met meer smaak dien heerlijken drank.
+
+"Nu," zeide mijn oom, "is het de tijd van den vloed, en wij moeten
+de gelegenheid niet verzuimen om dit verschijnsel waar te nemen."
+
+"Hoe, de vloed!" riep ik.
+
+"Zonder twijfel."
+
+"Doet de invloed van maan en zon zich dan zelfs hier gevoelen?"
+
+"Waarom niet? Zijn de lichamen niet in hun geheel aan de algemeene
+aantrekking onderworpen? Derhalve kan deze watermassa zich niet aan de
+algemeene wet onttrekken. Ook zult gij zien, dat zij zich in weerwil
+van de luchtdrukking op hare oppervlakte even goed verheft als de
+Atlantische Oceaan zelf."
+
+Op dit oogenblik betraden wij het zand van den oever en de golven
+kwamen langzamerhand verder het strand op.
+
+"Dat is toch het begin van den vloed," riep ik.
+
+"Ja, Axel! en aan de strepen van het schuim kunt gij zien, dat de
+zee omtrent tien voet stijgt."
+
+"Het is vreemd!"
+
+"Neen, het is natuurlijk."
+
+"Gij moogt zeggen wat gij wilt: dit alles schijnt mij buitengewoon
+toe en nauwelijks kan ik mijne oogen gelooven. Wie zou ooit binnen
+de schors der aarde een echten oceaan met zijne ebbe en zijn vloed,
+zijne winden en stormen verwacht hebben!"
+
+"Waarom niet? Is er eene natuurkundige reden tegen?"
+
+"Ik zie er geene, zoodra ik het stelsel der inwendige warmte moet
+opgeven."
+
+"Tot nu toe wordt de theorie van Davy dus bevestigd?"
+
+"Zeker, en dan is er ook niets te zeggen tegen het bestaan van zeeën
+of landen binnen den aardbol."
+
+"Zonder twijfel, maar onbewoond."
+
+"Waarom? zouden deze wateren geene onbekende vischsoorten kunnen
+herbergen?"
+
+"In allen gevalle hebben wij er tot nu toe geene aangetroffen."
+
+"Welnu, wij kunnen hengels maken en zien, of de hoek hier beneden
+even gelukkig zal zijn als in de ondermaansche zeeën.
+
+"Wij kunnen het beproeven, Axel! want wij moeten al de geheimen dezer
+nieuwe gewesten uitvorschen."
+
+"Maar waar zijn wij, oom? want ik heb u deze vraag nog niet gedaan,
+waarop uwe werktuigen u het antwoord moeten geven."
+
+"In een waterpasse richting driehonderd vijftig uur gaans van IJsland."
+
+"Zoo ver?"
+
+"Ik ben zeker, dat ik mij geen vijf honderd vadem bedrieg."
+
+"En wijst het kompas nog altijd zuidoost?"
+
+"Ja! met eene westelijke afwijking van negentien graad en twee en
+veertig minuten, juist als op aarde. Met zijne helling heeft iets
+bijzonders plaats, dat ik met de uiterste zorg heb waargenomen."
+
+"En dat is?"
+
+"Dat de naald, in plaats van naar de pool te hellen, zooals zij op
+het noordelijk halfrond doet, integendeel rijst."
+
+"Daaruit moeten wij dus opmaken, dat het punt van magnetische
+aantrekking ligt tusschen de oppervlakte van den aardbol en de plaats
+waar wij ons thans bevinden?"
+
+"Juist! en het is waarschijnlijk, dat, als wij onder de poolstreken
+kwamen, waar James Ross de magnetische pool ontdekt heeft, wij
+zien zouden, dat de naald loodrecht gaat staan. Derhalve ligt dat
+geheimzinnige middelpunt van aantrekking niet zeer diep."
+
+"Dat is inderdaad een feit, dat de wetenschap niet vermoed heeft."
+
+"De wetenschap, mijn jongen! is samengesteld uit dwalingen, maar uit
+zulke, die het goed is te begaan, want zij voeren langzamerhand tot
+de waarheid."
+
+"En op welke diepte zijn wij?"
+
+"Op eene diepte van vijf en dertig uur gaans."
+
+"Dan is," zeide ik de kaart naziende, "het Schotsche Hoogland boven
+ons, en daar verheft het Grampian-gebergte zijne met sneeuw bedekte
+kruin tot eene aanzienlijke hoogte."
+
+"Ja!" antwoordde de professor lachende, "de vracht is wel wat zwaar,
+maar het gewelf is stevig; de groote bouwmeester van het heelal heeft
+het van goede bouwstoffen gemaakt, en nooit zou de mensch er zulk eene
+draagkracht aan hebben kunnen geven! Wat zijn de bogen der bruggen
+en de spitsbogen der hoofdkerken vergeleken met dit schip van een
+straal van drie uur gaans, waaronder een oceaan en stormen zich op
+hun gemak kunnen ontwikkelen?"
+
+"O! ik vrees niet, dat de hemel zal instorten. Oom, wat zijn nu uwe
+plannen? Denkt gij er niet aan om naar de oppervlakte van den aardbol
+terug te keeren?"
+
+"Terugkeeren! Nu nog mooier! Onze reis voortzetten, ja! daar tot nu
+toe alles zoo goed gaat."
+
+"Maar ik zie niet in, hoe wij door deze vloeibare massa heen moeten
+komen."
+
+"Ik ben niet van plan om er mij met het hoofd naar beneden in te
+storten. Maar als de oceanen eigenlijk gezegd slechts meren zijn, daar
+het land hen omringt, dan is het zeker dat deze binnenzee ingesloten
+is door het vaste graniet."
+
+"Dat is niet twijfelachtig."
+
+"Welnu! op den tegenoverliggenden oever ben ik zeker nieuwe uitwegen
+te zullen vinden."
+
+"Hoe lang veronderstelt gij dan, dat deze oceaan is?"
+
+"Dertig of veertig uur gaans."
+
+"Zoo!" antwoordde ik, maar dacht toch dat die schatting wel
+onnauwkeurig zou zijn.
+
+"Wij hebben dus geen tijd te verliezen, en morgen reeds steken wij
+in zee."
+
+Onwillekeurig zochten mijne oogen het schip, dat ons moest overbrengen.
+
+"Wij zullen ons dus inschepen," zeide ik. "Goed! En met welk schip
+zullen wij den overtocht doen?"
+
+"Niet met een schip, mijn jongen! maar met een goed en stevig vlot."
+
+"Een vlot!" riep ik; "een vlot is even onmogelijk te vervaardigen
+als een schip, en ik zie niet...."
+
+"Gij ziet niet, Axel! maar als gij luisterdet, zoudt gij kunnen
+hooren!"
+
+"Hooren?"
+
+"Ja! eenige hamerslagen, die u zouden zeggen, dat Hans reeds aan het
+werk is."
+
+"Vervaardigt hij een vlot?"
+
+"Ja!"
+
+"Heeft hij dan reeds boomen onder zijne bijl doen vallen?"
+
+"O! de boomen waren reeds geveld. Kom mede en gij zult hem aan het
+werk zien."
+
+Na eene wandeling van een kwartier uurs zag ik Hans werken aan de
+andere zijde van het voorgebergte, dat de kleine natuurlijke haven
+vormde; nog eenige stappen en ik was bij hem. Tot mijne groote
+verbazing lag een half voltooid vlot op het zand; het bestond uit
+balken van eene bijzondere houtsoort, en een groot aantal zware
+planken. Kromhouten en allerlei spanten bedekten letterlijk den
+bodem. Er lag daar genoeg om eene geheele vloot te timmeren.
+
+"Oom!" riep ik, "wat is dat voor hout?"
+
+"Het is pijnboomhout, dennenhout, beukenhout, al de soorten van
+noordsche kegeldragers, die versteend zijn door de werking van het
+zeewater."
+
+"Is het mogelijk!"
+
+"Dat noemt men "Surtarbrandur" of versteend hout."
+
+"Maar als fossiel hout moet het zoo hard zijn als steen, en kan het
+dan drijven?"
+
+Soms niet; dat hout wordt wel eens echte koolblende; weder ander hout,
+zooals dit, heeft nog slechts een begin van versteening ondergaan. "Zie
+maar," voegde mijn oom er bij, terwijl hij een stuk van dat kostbare
+strandgoed in zee wierp.
+
+Het hout zonk eerst, kwam toen weder boven en dreef op de golven.
+
+"Zijt gij overtuigd?" zeide mijn oom.
+
+"Vooral daarvan, dat het onmogelijk is."
+
+Den avond van den volgenden dag was, dank zij de bekwaamheid van
+den gids, het vlot voltooid; het was tien voet lang en vijf breed;
+de balken van Surtarbrandur met stevige touwen aan elkander verbonden
+boden een vaste oppervlakte aan, en toen het te water was gelaten,
+dreef dit nieuwe vaartuig rustig op de golven der Lidenbrock-zee.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXII
+
+ Zeilklaar--Vertrek van Gräubenhaven.--Het
+ scheepsjournaal.--Voorwereldlijke visch.--Blindheid
+ van die visch.--Axel's droom.--Axel ontwaakt.
+
+
+Den 13den Augustus werden wij zeer vroeg wakker. Wij moesten een
+nieuwe soort van snel en weinig vermoeiend middel van vervoer inwijden.
+
+Een groote mast, gemaakt van twee gewangde stammen, eene ra, uit
+een derden gevormd, een zeil, van onze dekens genomen, maakten al
+de tuigage van het vlot uit. Aan touwen ontbrak het niet. Het geheel
+was stevig.
+
+Te zes uur gaf de professor het sein om aan boord te gaan. De
+levensmiddelen, de bagage, de werktuigen, de wapens en eene
+aanzienlijke hoeveelheid zoet water waren reeds aanwezig.
+
+Hans had een roer gemaakt, dat hem in staat stelde zijn drijvenden
+toestel te besturen. Hij greep de roerpen. Ik maakte het touw los,
+dat ons aan den oever verbond; het zeil werd bij den wind gehaald en
+wij staken snel van land.
+
+Op het oogenblik dat wij de kleine haven verlieten, wilde mijn oom;
+die veel prijs stelde op eene aardrijkskundige benaming, haar een
+naam geven, den mijnen bij voorbeeld.
+
+"Op mijne eer!" zeide ik, "ik wilde u een anderen voorstellen."
+
+"Welken?"
+
+"Den naam van Gräuben. Gräubenhaven, dat zal zeer goed staan op
+de kaart."
+
+"Het zij zoo! Gräubenhaven dan."
+
+En zoo werd de herinnering aan mijn lief meisje verbonden met onze
+hachelijke onderneming.
+
+Er woei een noordoostenwind; wij vorderden zeer snel met den wind
+van achteren. De zeer dichte luchtlagen hadden eene aanzienlijke
+drijfkracht en werkten op het zeil als een sterke luchttrekker.
+
+Na verloop van een uur was mijn oom in staat onze snelheid te
+berekenen.
+
+"Als wij zoo blijven voortgaan," zeide hij, "zullen wij minstens dertig
+uur per dag afleggen en weldra den tegenovergestelden oever bereiken."
+
+Ik antwoordde niet en nam plaats voor op het vlot. Reeds neigde
+de noordkust naar den gezichteinder, de beide armen van den oever
+scheidden zich verre van een, als om ons vertrek gemakkelijk te
+maken. Eene onmetelijke zee strekte zich voor mij uit, de grauwe
+schaduw van groote wolken, die op dit doodsche water scheen te
+drukken, vloog snel over zijne oppervlakte. De zilveren stralen van
+het electrische licht, hier en daar door een droppeltje teruggekaatst,
+deden lichtende punten op de zijden van het vaartuig ontstaan. Weldra
+was het land geheel uit het gezicht, elk kenbaar punt verdween, en
+zonder het schuimende zog van het vlot zou men hebben kunnen denken,
+dat het onbeweeglijk lag.
+
+Tegen den middag zagen wij verbazend groote wierplanten aan de
+oppervlakte der golven drijven. Ik kende de groeikracht dezer
+gewassen, die meer dan twaalf duizend voet diep op den zeebodem
+kruipen, zich vermenigvuldigen onder eene drukking van bijna vier
+honderd dampkringen en dikwijls zulke uitgestrekte banken vormen,
+dat zij de vaart der schepen belemmeren; maar nooit, geloof ik,
+waren er reusachtiger wierplanten dan die van de Lidenbrock-zee.
+
+Ons vlot dreef langs zeegras van drie en vier duizend voet lang,
+onmetelijke slangen, die zich verre buiten het bereik van het gezicht
+voortslingerden; ik vermaakte mij met die eindelooze linten na te
+staren, steeds meenende hun einde te bereiken, en uren lang werd mijn
+geduld op de proef gesteld, terwijl mijne verbazing toenam.
+
+Welke natuurkracht was in staat om zulke planten voort te brengen,
+en hoedanig moet het voorkomen der aarde in de eerste eeuwen van haar
+bestaan geweest zijn, toen onder den invloed van warmte en vochtigheid
+alleen het plantenrijk zich op hare oppervlakte ontwikkelde!
+
+Het werd avond, en zooals ik reeds den vorigen avond opgemerkt had,
+verminderde de lichtgevende toestand der lucht niet. Het was een
+standvastig verschijnsel, op welks duur men staat kon maken.
+
+Na het avondeten strekte ik mij uit aan den voet van den mast en
+sliep weldra in onder vadsige droomerijen.
+
+Hans, die onbeweeglijk aan het roer stond, liet het vlot maar
+voortdrijven, dat overigens met den wind van achteren niet eens
+behoefde bestuurd te worden.
+
+Sedert ons vertrek van Gräubenhaven had professor Lidenbrock mij
+opgedragen om het "scheepsjournaal" te houden, om de geringste
+waarnemingen aan te teekenen, om de belangrijke verschijnselen, de
+richting van den wind, de verkregen snelheid, den afgelegden weg, met
+één woord al de voorvallen van dezen vreemden zeetocht te beschrijven.
+
+Ik zal mij dus vergenoegen met hier die dagelijksche aanteekeningen
+in te lasschen, die om zoo te zeggen door de gebeurtenissen in de
+pen werden gegeven, om een nauwkeurig verslag van onzen overtocht
+te leveren.
+
+
+Vrijdag 14 Augustus. Stijve noordwestenwind. Het vlot loopt snel in
+eene rechte lijn. De kust blijft dertig uur gaans van ons af onder
+den wind. Er is niets aan den gezichteinder te zien. De sterkte
+van het licht verandert niet. Mooi weer, dat wil zeggen, de wolken
+drijven zeer hoog, zijn niet zwaar en baden in een witten dampkring,
+als ware het smeltend zilver.
+
+De thermometer wijst +32° C.
+
+Tegen den middag maakt Hans een hoek vast aan een touw; het aas bestaat
+uit een stukje vleesch; hij werpt hem in zee. Gedurende twee uur
+vangt hij niets. Zijn die wateren dan onbewoond? Neen. Hans voelt,
+dat hij beet heeft, haalt den hoek op en brengt een visch boven,
+die hevig spartelt.
+
+"Een visch!" roept mijn oom.
+
+"Het is een steur!" riep ik op mijne beurt, "een kleine steur."
+
+De professor beschouwt het dier oplettend en deelt mijn gevoelen
+niet. Deze visch heeft een platten, ronden kop, en het achterlijf is
+met beenachtige platen bedekt; zijn bek is tandeloos; vrij ontwikkelde
+borstvinnen zitten aan zijn staarteloos lichaam. Dit dier behoort
+wel tot eene orde, waaronder de natuurkundigen den steur hebben
+gerangschikt, maar het verschilt er van in sommige gewichtige punten.
+
+Mijn oom bedriegt er zich niet in, want na een vrij kort onderzoek
+zegt hij:
+
+"Deze visch behoort tot eene sedert eeuwen uitgestorven familie, wier
+versteende overblijfselen men alleen in devonische gronden terugvindt."
+
+"Hoe!" riep ik uit, "zouden wij dan een van die bewoners der
+oorspronkelijke zeeën levend gevangen hebben?"
+
+"Ja!" antwoordde de professor, terwijl hij zijne waarnemingen
+voortzette, "en gij ziet dat die fossiele visschen niet de minste
+overeenkomst hebben met de tegenwoordige soorten. Een dier wezens
+levend te bezitten is een waar geluk voor den natuurkundige."
+
+"Maar tot welke familie behoort hij?"
+
+"Tot de orde der Ganoïden, familie der Cephalaspiden, geslacht...."
+
+"Welnu?"
+
+"Geslacht der Pterychti, daar zou ik op zweren; maar deze levert eene
+bijzonderheid op, die naar men zegt bij de visschen der onderaardsche
+wateren aangetroffen wordt."
+
+"Welke?"
+
+"Hij is blind!"
+
+"Blind!"
+
+"Niet alleen blind, maar hij mist zelfs geheel het gezichtsorgaan."
+
+Ik kijk en zie dat het volkomen waar is. Maar het kan een bijzonder
+geval zijn. Andermaal wordt er een aas aangeslagen en het snoer in zee
+geworpen. Die oceaan is bepaald zeer vischrijk, want binnen een paar
+uur vangen wij eene groote hoeveelheid Pterychti, benevens visschen,
+behoorende tot een insgelijks uitgestorven familie, de Dipteriden,
+maar wier geslacht mijn oom niet kan herkennen. Alle zijn beroofd
+van het gezichtsorgaan. Deze onverwachte vangst bezorgt ons een
+goeden voorraad.
+
+Het schijnt dus stellig zeker, dat deze zee slechts fossiele soorten
+bevat, waarvan de visschen en de kruipende dieren des te volmaakter
+zijn, naar mate zij eerder geschapen zijn.
+
+Misschien treffen wij nog wel eenige van die hagedissoorten aan,
+die de wetenschap weder heeft weten samen te stellen uit een stuk
+been of kraakbeen.
+
+Ik neem den kijker en onderzoek de zee. Zij is eenzaam. Zonder twijfel
+zijn wij nog te dicht bij de kusten.
+
+Ik zie naar boven. Waarom zouden niet sommige van die vogels, die
+de onsterfelijke Cuvier weder heeft samengesteld, klapwieken in
+die zware luchtlagen? De visschen zouden hun overvloed van voedsel
+verschaffen. Ik sla den omtrek gade, maar de lucht is even onbewoond
+als de oevers.
+
+Toch sleept mijne verbeelding mij mede in de wonderbare
+veronderstellingen van de leer der voorwereldlijke organische
+wezens. Wakende droom ik. Ik meen op de oppervlakte des waters die
+verbazende Chersiten, die voorwereldlijke schildpadden, gelijk aan
+drijvende eilandjes, te zien. Mij dunkt, dat ik op de verdonkerde
+stranden de groote zoogdieren der eerste tijden zie rondloopen, het
+Leptotherium, in de holen van Brazilië gevonden, het Mericotherium,
+uit de bevrozen streken van Siberië gekomen. Verderop schuilt het
+dikhuidige Lophiodon, die reusachtige tapir, achter de rotsen, gereed
+om het Anoplotherium zijn prooi te betwisten, een vreemd dier, dat
+iets heeft van den neushoorn, het paard, het nijlpaard en den kameel,
+alsof de Schepper verscheiden dieren in een enkel had vereenigd. De
+reusachtige Mastodont slingert zijn snuit en verbrijzelt met zijne
+slagtanden de rotsen aan den oever, terwijl het Megatherium, stevig
+op zijne verbazende pooten rustende, de aarde omwoelt en door zijn
+gebrul de echo van het helder klinkende graniet wekt. Hooger op
+beklimt de Protopitheek, de eerste aap, die op de oppervlakte der aarde
+verscheen, de ongenaakbare toppen. Nog hooger zweeft de Pterodactylus
+met gevleugelde handen als eene groote vledermuis op de samengeperste
+lucht. In de bovenste lagen eindelijk ontvouwen de verbazende vogels,
+sterker dan de casuaris, grooter dan de struis, hunne ontzaglijke
+wieken en vliegen met den kop tegen den wand van het granietgewelf.
+
+De geheele voorwereld herleeft weder in mijne verbeelding. Ik word
+teruggevoerd naar de bijbelsche tijdperken der schepping, lang
+voor het ontstaan van den mensch, toen de onvoltooide aarde nog niet
+geschikt was om hem te ontvangen. Mijn droom loopt de verschijning der
+bezielde wezens vooruit. De zoogdieren verdwijnen, dan de vogels, dan
+de kruipende dieren der secundaire vorming, en eindelijk de visschen,
+de schaaldieren, de weekdieren, de gelede dieren. De plantdieren uit
+het overgangstijdperk keeren op hunne beurt tot het niet terug. Al
+het leven der aarde trekt zich in mij samen en mijn hart alleen
+klopt in deze ontvolkte wereld. Er zijn geene jaargetijden, geene
+luchtstreken meer; de eigene warmte van den aardbol neemt onophoudelijk
+toe en maakt die van het schitterende hemellichaam noodeloos. De
+plantengroei breidt zich uit; ik dwaal als eene schim rond onder
+de boomvormige varens, vertreed met mijne weifelende schreden den
+regenboog-kleurigen mergel en den bonten zandsteen van den bodem;
+ik leun tegen den stam der verbazende kegeldragers; ik leg mij neder
+in de schaduw der Sphenophyllen, der Asterophyllen en der honderd
+voet hooge Wolfsklauwen.
+
+De eeuwen verloopen als dagen; ik ga weder terug in de reeks der
+vormveranderingen van de aarde; de planten verdwijnen; de granietrotsen
+verliezen hare hardheid; onder de werking eener sterkere warmte wordt
+de vaste toestand door den vloeibaren vervangen; het water stroomt
+naar de oppervlakte der aarde, het kookt, wordt luchtvormig; de dampen
+omhullen de aarde, die langzamerhand slechts eene luchtmassa vormt, tot
+roodgloeien gebracht, zoo groot als de zon en zoo schitterend als zij!
+
+In het middelpunt van dat nevelachtige lichaam, dat veertien honderd
+duizend maal grooter is dan de bol, dien het eens vormen zal,
+word ik medegevoerd in het hemelruim; mijn lichaam wordt fijner,
+wordt op zijne beurt luchtvormig en vermengt zich als een onweegbaar
+stofje met die ontzettende dampen, die hunne vlammende baan in het
+oneindige beschrijven!
+
+Welk een droom! Waar voert hij mij heen? Mijne koortsige hand zet
+de vreemde bijzonderheden van dien droom op het papier. Ik heb
+alles vergeten, den professor, den gids, het vlot! Mijn verstand
+is verbijsterd....
+
+"Wat scheelt u?" vraagt mijn oom.
+
+Ik staar hem met opene oogen aan zonder hem te zien.
+
+"Pas op, Axel! gij zult in zee vallen!"
+
+Te gelijk voel ik mij stevig aangrijpen door de hand van Hans. Zonder
+hem zou ik mij onder de heerschappij van mijn droom in de golven
+gestort hebben.
+
+"Wordt hij krankzinnig?" roept de professor.
+
+"Wat is er gaande?" zeg ik eindelijk weder bijkomende.
+
+"Zijt gij ziek?"
+
+"Neen! ik was een oogenblik buiten mijzelven, maar het is voorbij. Gaat
+anders alles goed?"
+
+"Ja! de wind is goed, de zee effen! wij vorderen snel, en als mijne
+gissing mij niet bedriegt moeten wij weldra land vinden."
+
+Op die woorden sta ik op, zie naar den gezichteinder; maar de waterlijn
+en de wolkenlijn loopen nog altijd ineen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIII
+
+ Des professors ongeduld geboekstaafd.--De lange zeereis.--In
+ het ijzer gebeten.--zeemonsters.--Ontsteltenis.--Strijd.--De
+ plesiosaurus bezwijkt.
+
+
+Zaturdag 15 Augustus.--De zee behoudt hare eentonige
+eenvormigheid. Geen land in zicht. De gezichteinder schijnt oneindig
+ver.
+
+Mijn hoofd is nog zwaar door mijn akeligen droom.
+
+Mijn oom heeft niet gedroomd, maar hij is knorrig; hij onderzoekt
+met zijn kijker al de punten van den gezichteinder en slaat met een
+teleurgesteld gelaat de armen over elkander.
+
+Ik merk op, dat professor Lidenbrock op het punt is om weder de
+ongeduldige man van vroeger te worden, en teeken het feit in mijn
+journaal aan. Mijne gevaren en mijn lijden waren noodig geweest
+om een vonkje menschlievendheid uit hem te voorschijn te roepen;
+maar sedert mijne genezing komt zijn ware aard weder boven. En toch,
+waarom zou hij zich weder boos maken? Wordt de reis niet voortgezet
+onder de gunstigste omstandigheden? Loopt het vlot niet bijzonder snel?
+
+"Gij schijnt ongerust, oom!" zeide ik, toen ik hem den kijker zoo
+dikwijls aan de oogen zag brengen.
+
+"Ongerust? Neen!"
+
+"Ongeduldig dan?"
+
+"Men zou het ten minste worden!"
+
+"Toch loopen wij met eene snelheid...."
+
+"Wat baat mij dat? De snelheid is niet te gering, maar de zee is
+te groot!"
+
+Ik herinner mij nu, dat de professor voor ons vertrek de lengte van
+die onderaardsche zee op omtrent dertig uur gaans schatte. Nu hadden
+wij reeds een driemaal langeren weg afgelegd, en nog vertoonden zich
+de zuidelijke oevers niet.
+
+"Wij dalen niet!" hervat de professor. "Dat alles is tijd verspillen
+en bovendien ben ik zoo verre niet gekomen om een pleziertochtje te
+doen op een vijver!"
+
+Hij noemt dien overtocht een pleziertochtje en die zee een vijver!
+
+"Maar", zeide ik, "daar wij den weg gevolgd hebben, dien Saknussemm
+heeft aangewezen...."
+
+"Dat is de vraag nog. Hebben wij dien weg gevolgd? Heeft Saknussemm dit
+water aangetroffen? Is hij het overgestoken? Heeft die beek, welke wij
+tot gids hebben genomen, ons niet geheel van den rechten weg geholpen?"
+
+"In allen gevalle behoeft het ons niet te spijten, dat wij tot hier
+toe gekomen zijn. Dit schouwspel is prachtig, en...."
+
+"Wij komen niet om te zien. Ik heb mij een doel voorgesteld en dat
+wil ik bereiken. Spreek mij dus niet van bewonderen."
+
+Ik houd mij voor gewaarschuwd, en laat den professor begaan, die van
+ongeduld op zijne lippen bijt.
+
+Des avonds te zes uur vordert Hans zijn loon, en zijne drie
+rijksdaalders worden hem toegeteld.
+
+
+Zondag 16 Augustus.--Niets nieuws. Het zelfde weder. De wind schijnt
+een weinig te willen aanwakkeren. Bij mijn ontwaken is mijn eerste werk
+om de lichtsterkte te onderzoeken. Ik vrees altijd, dat het electrische
+verschijnsel eerst mocht verduisteren en daarna uitgaan. Maar er
+is niets van aan: de schaduw van het vlot teekent zich zuiver op de
+oppervlakte der golven af.
+
+Die zee is waarlijk eindeloos! Zij moet de breedte der Middellandsche
+zee, misschien wel van den Atlantischen Oceaan hebben. Waarom niet?
+
+Mijn oom peilt bij herhaling; hij maakt een der zwaarste breekijzers
+vast aan het uiteinde van een touw, dat hij twee honderd vaam
+viert. Geen grond. Wij hebben veel moeite om ons dieplood weder op
+te halen.
+
+Toen het breekijzer weder boven was gebracht, laat Hans mij op zijn
+oppervlakte zeer duidelijke indruksels zien. Men zou zeggen, dat dit
+stuk ijzer sterk geklemd is geweest tusschen twee harde lichamen.
+
+Ik zie den jager aan.
+
+"Tänder!" zegt hij.
+
+Ik begrijp hem niet. Ik wend mij naar mijn oom, die geheel in nadenken
+verzonken is. Ik durf hem niet storen. Ik keer naar den IJslander
+terug. Deze, den mond bij herhaling open- en toedoende, maakt mij
+zijne bedoeling duidelijk.
+
+"Tanden!" zeide ik ontsteld, terwijl ik de ijzeren staaf oplettender
+beschouwde.
+
+Ja! wel zijn het tanden, waarvan de afdruk in het metaal is
+achtergebleven! De kaken, waarin zij staan, moeten eene verbazende
+kracht bezitten! Is het een monster van de verdwenen soorten, dat
+onder de diepe waterlaag zich beweegt, vraatzuchtiger dan de haai,
+geduchter dan de walvisch? Ik kan mijne oogen niet afwenden, van
+deze half doorgebeten staaf! Zal mijn droom van den vorigen nacht
+werkelijkheid worden?
+
+Die gedachten verontrusten mij den ganschen dag, en mijne verbeelding
+komt nauwelijks eenigszins tot bedaren gedurende een slaap van
+eenige uren.
+
+
+Maandag 17 Augustus.--Ik doe mijn best om mij de bijzondere
+eigenschappen van die voorwereldlijke dieren uit het secundaire
+tijdperk te herinneren, die op de weekdieren, de schaaldieren en
+de visschen volgende, de verschijning der zoogdieren op den aardbol
+voorafgingen. De wereld behoorde toen aan de kruipende dieren. Die
+monsters heerschten onbeperkt in de zeeën der Juragroep [13]. De natuur
+had hun de volkomenste inrichting geschonken. Welk eene verbazende
+kracht! De tegenwoordige hagedissoorten, waarvan de alligators of
+krokodillen de grootste en geduchtste zijn, zijn slechts zwakke
+nabootsingen van hunne vaderen uit de eerste eeuwen!
+
+Ik sidder, omdat ik die monsters heb opgeroepen. Geen menschelijk
+oog heeft ze ooit levend gezien. Zij verschenen op aarde duizend
+eeuwen vóór den mensch, maar hunne versteende beenderen, die men
+teruggevonden heeft in den kleiachtigen kalksteen, dien de Engelschen
+"lias" noemen, hebben ons in staat gesteld hen ontleedkundig samen
+te stellen en hunne kolossale vorming te leeren kennen.
+
+Ik heb in het Museum te Hamburg het geraamte gezien van eene
+dier hagedissoorten, dat dertig voet lang was. Ben ik, een
+bewoner der aarde, dan voorbeschikt om mij vlak tegenover die
+vertegenwoordigers eener voorwereldlijke familie te bevinden? Neen! het
+is onmogelijk. Toch staat het merk der sterke tanden op de ijzeren
+staaf, en aan hun afdruksel zie ik, dat zij kegelvormig zijn gelijk
+die van den krokodil.
+
+Angstig vestigen mijne blikken zich op de zee; ik vrees een van die
+bewoners der onderzeesche holen boven te zien komen.
+
+Ik veronderstel, dat professor Lidenbrock mijne gedachten, misschien
+wel mijne vrees deelt, want na het breekijzer onderzocht te hebben
+ziet hij rond over den oceaan.
+
+"Naar den duivel," zeide ik in mijzelven, "met die gedachte, waarop
+hij gekomen is, om te peilen! Hij heeft het een of andere zeedier in
+zijne schuilplaats gestoord, en als wij niet onder weg aangevallen
+worden!..."
+
+Ik sla een blik op de wapens en verzeker mij, dat zij in goeden staat
+zijn. Mijn oom ziet, wat ik doe, en maakt eene goedkeurende beweging.
+
+Reeds verraden geweldige golvingen van de oppervlakte der baren de
+onrust der dieper liggende lagen. Het gevaar is nabij. Wij moeten op
+onze hoede zijn.
+
+
+Dinsdag 18 Augustus.--Het wordt avond, of liever het oogenblik komt,
+waarop de slaap onze oogleden bezwaart; want het wordt nooit nacht
+op dezen oceaan en het onverzoenlijke licht vermoeit hardnekkig onze
+oogen, alsof wij onder de zon der poolzeeën voeren. Hans staat aan
+het roer. Gedurende zijne wacht slaap ik in.
+
+Twee uur later doet een vreeselijke schok mij ontwaken. Het vlot is
+met eene onbeschrijfelijke kracht opgeheven en twintig vadem verder
+nedergeworpen geworden.
+
+"Wat is er gaande?" roept mijn oom; "hebben wij gestooten?"
+
+Hans wijst met den vinger op een afstand van twee honderd vadem eene
+zwartachtige massa, die beurtelings rijst en daalt. Ik bezie haar en
+roep uit:
+
+"Het is een kolossale bruinvisch!"
+
+"Ja!" antwoordt mijn oom; "en ziedaar ook een buitengewoon groote
+zeedraak!"
+
+"En verder een monsterachtige krokodil! Zie zijn breeden muilen de
+rijen tanden, waarmede deze gewapend is. Ha! hij verdwijnt!"
+
+"Een walvisch! een walvisch!" roept de professor. "Ik merk zijne
+ontzaglijke vinnen! Zie, wat al lucht en water hij uit zijne neusgaten
+spuit!"
+
+Inderdaad verheffen zich twee vloeibare zuilen op eene aanmerkelijke
+hoogte boven de zee. Wij staan verbaasd, ontsteld, beangst tegenover
+deze troep zeemonsters. Zij hebben bovennatuurlijke afmetingen en
+het kleinste hunner zou het vlot met één beet verbrijzelen. Hans
+wil te loefwaart afhouden, om die gevaarlijke buren te ontwijken;
+maar hij bemerkt aan de andere zijde niet minder geduchte vijanden:
+eene veertig voet groote schildpad en eene slang van dertig voet,
+die haar geduchten kop boven de golven uitsteekt.
+
+Het is onmogelijk om te vluchten. Die kruipende dieren naderen;
+zij draaien rondom het vlot met eene vaart, die een sneltrein niet
+zou kunnen evenaren; zij beschrijven om hetzelve evenmiddelpuntige
+cirkels. Ik heb mijne karabijn gegrepen. Maar welke uitwerking kan
+een kogel hebben op de schubben, waarmede het lichaam dezer dieren
+bedekt is.
+
+Wij zijn stom van angst. Daar naderen zij! Van den eenen kant de
+krokodil, van den anderen de slang. De overigen zijn verdwenen. Ik wil
+vuur geven. Hans houdt mij door een teeken tegen. De twee monsters gaan
+het vlot op vijftig vadem afstands voorbij, storten zich op elkander,
+en hunne woede belet hun ons te bemerken.
+
+Het gevecht begint op een afstand van honderd vadem van het vlot. Wij
+zien de beide monsters duidelijk handgemeen worden.
+
+Maar het schijnt mij toe, dat de andere dieren, de bruinvisch, de
+walvisch, de zeedraak, de schildpad, nu ook deel komen nemen aan
+de worsteling; ieder oogenblik meen ik hen te zien. Ik wijs ze den
+IJslander. Deze schudt ontkennend het hoofd.
+
+"Tva!" zegt hij.
+
+"Hoe! twee? Hij beweert, dat slechts twee dieren...."
+
+"Hij heeft gelijk," roept mijn oom, die den kijker niet van zijne
+oogen heeft weggenomen.
+
+"Nu nog fraaier!"
+
+"Ja! het eerste dezer monsters heeft den bek van een bruinvisch,
+den kop van een zeedraak, de tanden van een krokodil en dat heeft
+ons bedrogen. Het is het vreeselijkste der voorwereldlijke kruipende
+dieren, de ichthyosaurus!"
+
+"En het andere?"
+
+"Het andere is eene slang, verborgen in de schaal eener schildpad,
+de verschrikkelijke vijandin van den eerste, de plesiosaurus!" Hans
+heeft de waarheid gesproken. Slechts twee monsters beroeren zoo de
+oppervlakte der zee en ik heb twee kruipende dieren der oorspronkelijke
+zeeën voor mij. Ik bemerk het bloedige oog van den ichthyosaurus,
+dat zoo groot is als een menschenhoofd. De natuur heeft hem een
+buitengewoon sterken gezichtstoestel geschonken, die in staat is om de
+drukking der waterlagen in de diepte die hij bewoont, te weerstaan. Men
+heeft hem terecht den walvisch der hagedissoorten genoemd, want hij
+heeft zijne snelheid en gedaante. Deze meet niet minder dan honderd
+voet, en ik kan over zijne grootte oordeelen, als hij zijne loodrechte
+staartvinnen boven de golven uitsteekt. Zijn kaak is ontzettend groot,
+en volgens de natuurkundigen bevat zij niet minder dan honderd twee
+en tachtig tanden.
+
+De plesiosaurus, eene slang met een rolrond lichaam en korten staart,
+heeft pooten in de gedaante van roeiriemen. Haar geheele lichaam is
+met eene schaal bedek, en haar hals, even buigzaam als die der zwaan,
+steekt dertig voet boven de golven uit.
+
+Deze dieren tasten elkander met eene onbeschrijfelijke woede
+aan. Zij doen vloeibare bergen oprijzen, die zich tot het vlot toe
+uitbreiden. Twintigmaal zijn wij op het punt van om te slaan. Een
+ontzettend schel gefluit doet zich hooren. De twee dieren hebben
+zich in elkander geslingerd. Ik kan het eene niet van het andere
+onderscheiden! Alles hebben wij te vreezen van de woede des
+overwinnaars.
+
+Een, twee uren verloopen. De worsteling wordt met dezelfde razernij
+voortgezet. De strijdenden naderen en verlaten beurtelings het
+vlot. Wij blijven onbeweeglijk, maar houden ons gereed om te vuren.
+
+Plotseling verdwijnen de ichthyosaurus en de plesiosaurus, en vormen
+een echten maalstroom in den schoot der golven. Verscheidene minuten
+verloopen. Zal het gevecht ten einde gebracht worden in de diepten
+der zee?
+
+Maar eensklaps komt een ontzaglijke kop, die van den plesiosaurus,
+boven water. Het monster is doodelijk gekwetst. Ik bemerk zijne
+verbazende schaal niet meer. Zijn lange hals alleen richt zich
+overeind, zakt, verheft zich weder, kromt zich nogmaals, drijft op de
+golven als eene reusachtige zweep en wringt zich als een doorgesneden
+worm. Het water spat tot op een aanzienlijken afstand. Het verblindt
+ons. Maar spoedig eindigt de doodsangst van het kruipende dier, zijne
+bewegingen verminderen, zijne stuiptrekkingen bedaren, en het lange
+lijf der slang strekt zich als eene levenlooze massa op de tot rust
+gekomene golven uit.
+
+Maar de ichthyosaurus, heeft hij zijn onderzeesch hol weder
+opgegezocht, of zal hij nog eens aan de oppervlakte der zee
+verschijnen?
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIV
+
+ Nieuw gevaar.--Iets gezien.--Een eiland.--De geyser.
+
+
+Woensdag 19 Augustus.--Gelukkig heeft de hevige wind ons in staat
+gesteld om snel het tooneel van den strijd te ontvluchten. Hans staat
+nog altijd aan het roer. Mijn oom, die door de wisselingen van dien
+strijd uit zijne alles overheerschende overpeinzingen was wakker
+geschud, vervalt weder in zijne ongeduldige beschouwing van de zee.
+
+De reis wordt weder even eentonig als te voren, hetgeen ik niet meer
+verlang te zien afbreken ten koste van de gevaren van gisteren.
+
+
+Donderdag 20 Augustus.--Een vrij onbestendige
+noord-noordwestenwind. Warm weder. Wij vorderen drie en een halve
+mijl per uur.
+
+Tegen den middag doet zich in de verte een geraas hooren. Ik stip
+hier het feit aan zonder er eene verklaring van te kunnen geven. Het
+is een aanhoudend geloei.
+
+"De zee breekt in de verte op eene rots of een eilandje," zegt de
+professor.
+
+Hans klautert in den top van den mast, maar seint geene klip. De
+oceaan is effen tot aan den gezichteinder.
+
+Drie uren verloopen. Het geloei schijnt voort te komen van een
+verwijderden waterval.
+
+Ik maak er mijn oom opmerkzaam op, die het hoofd schudt. Toch ben
+ik overtuigd, dat ik mij niet bedrieg. Loopen wij dan een waterval
+in den mond, die ons in den afgrond zal storten? Het is mogelijk,
+dat die manier van te dalen den professor zal bevallen, omdat zij
+dichter bij het loodrechte komt; maar ik voor mij....
+
+In allen gevalle moet er eenige uren verder onder den wind een
+geraasmakend natuurverschijnsel plaats hebben, want het geloei laat
+zich nu met groote hevigheid hooren. Komt het uit de lucht of uit
+den oceaan?
+
+Ik wend mijne blikken naar de in den dampkring zwevende dampen, en
+tracht hunne hoogte te peilen. De lucht is stil; de wolken, die naar
+het hoogste punt van het gewelf worden gevoerd, schijnen onbeweeglijk
+en verliezen zich in de sterke stralenschieting van het licht. Dus
+moet ik de oorzaak van het verschijnsel ergens anders zoeken.
+
+Ik onderzoek nu den zuiveren en onbenevelden gezichteinder. Zijn
+voorkomen is niet veranderd. Maar als dat geraas voortkomt uit een
+val, een waterval; als deze geheele oceaan in een lager bekken stort;
+als dat geloei wordt voortgebracht door eene vallende watermassa,
+dan moet de stroom versnellen en zijne toenemende snelheid kan mij
+eene maat aangeven van het gevaar, dat ons bedreigt. Ik onderzoek de
+stroomsnelheid. Zij is gelijk nul. Eene ledige flesch die ik in zee
+werpt, blijft onder den wind.
+
+Tegen vier uur staat Hans op, klemt zich aan den mast en klautert naar
+den top. Vandaar doorloopt zijn oog den cirkelboog, dien de oceaan voor
+het vlot beschrijft, en blijft op één punt rusten. Zijn gelaat drukt
+geene verrassing uit, maar zijn oog blijft in dezelfde richting staren.
+
+"Hij heeft iets gezien," zegt mijn oom.
+
+"Ik geloof het ook."
+
+Hans komt weder beneden, strekt den arm naar het zuiden uit en zegt
+
+"Dernere!"
+
+"Ginds!" antwoordt mijn oom.
+
+En zijn kijker nemende, ziet hij oplettend eene minuut, die mij wel
+eene eeuw toescheen, voor zich uit en roept:
+
+"Ja, ja!"
+
+"Wat ziet gij?"
+
+"Eene verbazende waterzuil, die zich boven de golven verheft."
+
+"Weder het eene of andere zeedier?"
+
+"Misschien."
+
+"Laten wij dan den steven naar het westen wenden, want wij hebben
+reeds kennis gemaakt met het gevaar van die voorwereldlijke monsters
+te ontmoeten!"
+
+"Wij zullen niet van koers veranderen," antwoordt mijn oom.
+
+Ik wend mij naar Hans. Deze bestuurt het roer met vaste hand.
+
+En toch moet het, als wij op den afstand, die ons van dit dier
+scheidt en dien wij gerust op twaalf uur gaans kunnen schatten, de
+waterzuil kunnen zien, die het uit zijne neusgaten spuit, van eene
+bovennatuurlijke grootte zijn.
+
+Vluchten zou dus niets anders zijn dan zich gedragen volgens de wetten
+der meest gewone voorzichtigheid. Maar wij zijn niet hier gekomen om
+voorzichtig te zijn.
+
+Wij gaan dus vooruit. Hoe dichterbij wij komen, hoe grooter de zuil
+wordt. Welk monster kan zich met zulk eene hoeveelheid water opvullen
+en het zoo zonder tusschenpoozen uitblazen?
+
+Te acht uur des avonds zijn wij er geene twee uur gaans meer van
+af. Zijn zwartachtig, ontzaglijk en heuvelachtig lichaam strekt zich
+als een eilandje in zee uit. Is het verbeelding? is het angst? Zijne
+lengte schijnt mij toe meer dan duizend vadem te bedragen. Wat is dat
+dan voor een walvischaardig dier, welks bestaan de Cuviers noch de
+Blumenbachs hebben kunnen vermoeden? Het is onbeweeglijk en schijnt te
+slapen; de zee schijnt het niet te kunnen optillen en de baren golven
+langs zijne zijden. De waterzuil, die vijfhonderd voet hoog opgeworpen
+wordt, valt weder met een oorverdoovend geraas als regen neder. Wij
+houden als krankzinnigen op dien ontzaglijken klomp aan, dien honderd
+walvisschen ook slechts voor één dag niet zouden verzadigen.
+
+De schrik bevangt mij. Ik wil niet verder gaan. Ik zal, als het
+noodig is, den val van het zeil doorsnijden! Ik verzet mij tegen den
+professor, die mij geen antwoord geeft.
+
+Eensklaps staat Hans op, en met den vinger het dreigende punt
+aanwijzende, zegt hij:
+
+"Holme!"
+
+"Een eiland!" roept mijn oom.
+
+"Een eiland!" zeg ik, op mijne beurt de schouders ophalende.
+
+"Zeker!" antwoordt de professor schaterende van lachen.
+
+"Maar die waterzuil?"
+
+"Geyser", zegt Hans.
+
+"Zonder twijfel, een geyser", antwoordt mijn oom, "een geyser gelijk
+aan dien op IJsland!" [14].
+
+Ik wilde eerst niet toegeven, dat ik mij zoo lomp vergist had. Een
+eilandje aangezien te hebben voor een zeemonster! Maar het wordt
+duidelijk, dat het zoo is, en ik moet eindelijk mijne dwaling
+erkennen. Het was slechts een gewoon verschijnsel.
+
+Naarmate wij naderen, worden de afmetingen der waterzuil
+grootscher. Het eilandje stelt met eene bedrieglijke juistheid een
+walvischaardig dier voor, welks kop tien vadem boven de golven
+uitsteekt. De geyser, een woord, dat "woede" beteekent, verheft
+zich statig aan het uiteinde. Van tijd tot tijd hebben er doffe
+ontploffingen plaats, en de verbazende waterstraal, door hevigen
+toorn aangegrepen, schudt zijn vederbos van dampen en stijgt tot de
+eerste wolkenlaag. Hij staat op zich zelven. Zwaveldampen noch heete
+bronnen omringen hem, en al de vulkanische kracht vereenigt zich
+in hem. De stralen van het electrische licht vermengen zich met die
+verblindende waterzuil, waarvan elke droppel geschakeerd wordt met
+de prismatische kleuren.
+
+"Aan wal gaan!" beval de professor.
+
+Maar wij moeten zorgvuldig die waterhoos vermijden, die het vlot in
+een oogenblik zou doen zinken. Behendig sturende brengt Hans ons aan
+het uiteinde van het eilandje.
+
+Ik spring op de rots; mijn oom volgt mij gezwind, terwijl de jager op
+zijn post blijft, als iemand die boven zulke verwondering verheven is.
+
+De bodem bestaat uit graniet vermengd met kiezelachtigen tufsteen;
+hij beeft onder onze voeten, gelijk de wanden van een stoomketel,
+waartegen oververhitte stoom bonst; hij is brandend heet. Wij komen
+in het gezicht van een klein bekken in het midden, waaruit de geyser
+zich verheft. Ik dompel een thermometer in het kokende water, die
+eene hitte van honderd drie en zestig graad teekent.
+
+Dit water komt dus uit een vuurhaard. Dat is lijnrecht in strijd
+met de theoriën van professor Lidenbrock. Ik kan niet nalaten het op
+te merken.
+
+"Welnu!" antwoordt hij, "wat bewijst dit tegen mijne leer?"
+
+"Niets!" zeg ik op een drogen toon, ziende dat ik stoot op eene
+ongeneeslijke stijfhoofdigheid.
+
+Niettemin moet ik bekennen, dat wij tot nu toe buitengewoon begunstigd
+zijn, en dat deze reis, door eene mij onbekende oorzaak, volbracht
+wordt onder bijzondere warmtetoestanden; maar het is, dunkt mij,
+stellig zeker dat wij vroeger of later in die streken zullen komen,
+waar de inwendige warmte de uiterste grenzen bereikt en alle
+graadverdeelingen der thermometers overtreft.
+
+"Wij zullen wel zien." Zoo sprak de professor, die, na dit vulkanische
+eilandje naar zijn neef genoemd te hebben, het sein geeft om ons
+weder in te schepen.
+
+Ik blijf nog eenige minuten den geyser beschouwen. Ik merk op, dat de
+toevoer van zijn straal onregelmatig is, dat hij somtijds in kracht
+vermindert, dan weder nieuwe sterkte krijgt, hetgeen ik toeschrijf
+aan het verschil in drukking van de dampen, die in zijn vergaderbak
+opgehoopt zijn.
+
+Eindelijk vertrekken wij, en varen om de zeer steile rotsen aan de
+zuidzijde. Hans heeft van dit oponthoud gebruik gemaakt om het vlot
+te herstellen.
+
+Maar voor wij van land staken, doe ik eenige waarnemingen om den
+afgelegden afstand te berekenen, en teeken ze aan in mijn journaal. Wij
+hebben twee honderd zeventien zeemijlen van Gräubenhaven af doorloopen,
+en bevinden ons zes honderd twintig uur gaans van IJsland af,
+onder Engeland.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXV
+
+ Naderend onweder.--De rotsen van den oever.--Een orkaan.--Werking
+ der electriciteit.--Hevigheid van den orkaan.--De electrische
+ kogel.--Altijd op zee.
+
+
+Vrijdag 21 Augustus.--Den volgenden dag is de prachtige geyser
+verdwenen. De wind is opgestoken en heeft ons snel van het eilandje
+Axel afgedreven. Het geloei heeft langzamerhand opgehouden.
+
+Het weder zal, als ik het zoo eens mag uitdrukken, binnen kort
+veranderen. De dampkring wordt bezwangerd met dampen, die de
+electriciteit medevoeren, welke ontstaan is uit de verdamping van
+het zoute water; de wolken dalen merkbaar en nemen eene gelijke
+olijfkleurige tint aan; de electrische lichtstralen kunnen nauwelijks
+door die ondoorschijnende gordijn heenboren, die neergelaten is voor
+het tooneel, waarop het treurspel der stormen zal gespeeld worden.
+
+Ik gevoel mij bijzonder ernstig gestemd, zooals op aarde ieder
+schepsel is bij de nadering eener omkeering. De in het zuiden
+opgehoopte stapelwolken leveren een droevig gezicht op; zij hebben
+dat "onmeedoogende" voorkomen, dat ik dikwijls opgemerkt heb bij de
+nadering der stormen. De lucht is drukkend, de zee kalm.
+
+In de verte gelijken de wolken op groote katoenbalen in eene
+schilderachtige wanorde opeengestapeld; allengs zwellen zij op en
+verliezen in aantal wat zij in omvang winnen; zij zijn zoo zwaar, dat
+zij zich niet van den gezichteinder los kunnen maken: maar op den adem
+der hooge luchtstroomingen vermengen zij zich langzamerhand, worden
+donker en vertoonen weldra slechts eene laag van een geducht aanzien;
+somtijds springt een kluwen van dampen, nog eenigszins verlicht,
+over dat grauwe tapijt en verdwijnt weldra in de ondoorzichtige massa.
+
+Het is stellig, dat de dampkring verzadigd is met electriciteit; ik
+ben er geheel van doortrokken, mijne haren richten zich overeind als
+in de nabijheid eener electriseermachine. Mij dunkt dat mijne makkers,
+zoo zij mij thans aanraakten, een geweldigen schok zouden ondervinden.
+
+Des morgens te tien uur zijn de voorteekenen van den storm nog
+beslissender; men zou zeggen, dat de wind gaat liggen, om beter adem
+te scheppen; de wolk gelijkt op een verbazenden zak, waarin de orkanen
+opgezameld worden.
+
+Ik wil geen geloof hechten aan de bedreigingen des hemels, en toch
+kan ik niet nalaten te zeggen:
+
+"Daar is slecht weder in aantocht."
+
+De professor antwoordde niet. Hij heeft een onuitstaanbaar humeur,
+omdat hij den oceaan zich eindeloos ver vóór zich ziet uitstrekken. Hij
+haalt op mijne woorden de schouders op.
+
+"Wij krijgen storm", zeg ik, de hand naar den gezichteinder
+uitstekende; "die wolken dalen op de zee neder als om haar te
+verpletteren!"
+
+Algemeene stilte. De wind zwijgt. De natuur ziet er uit als een doode
+en ademt niet meer. Het slappe zeil valt in groote plooien tegen den
+mast, waarop ik reeds een klein Sint-Elmusvuur zie schitteren. Het
+vlot ligt onbeweeglijk in eene dikke zee zonder golfslag. Maar, als
+wij toch niet vorderen, waartoe moeten wij dan dat zeil behouden,
+dat ons bij den eersten schok van den storm in het verderf kan storten?
+
+"Wij moesten het zeil strijken," zeg ik, "en onzen mast kappen:
+dat zou voorzichtig zijn."
+
+"Neen, voor den duivel!" roept mijn oom, "honderd maal neen! Laat
+de wind ons aangrijpen, de storm ons medevoeren! maar laat ik toch
+eindelijk de rotsen van den oever zien, al moest ons vlot er in
+duizend stukken op verbrijzeld worden!"
+
+Die woorden zijn nog niet gesproken, of de gezichteinder verandert in
+het zuiden eensklaps van aanzien; de opeengehoopte dampen lossen zich
+op in water, en de lucht, die met kracht toesnelt om de ledige plaatsen
+door de verdichting ontstaan te vullen, wordt een orkaan. Hij komt
+uit de verste hoeken van het hol. De duisternis neemt toe. Nauwelijks
+kan ik eenige onvolledige aanteekeningen maken.
+
+Het vlot wordt opgelicht en geslingerd. Mijn oom wordt van zijne
+plaats afgeworpen. Ik sleep mij naar hem toe. Hij heeft zich stevig
+vastgeklemd aan een kabeltouw en schijnt met genoegen dat schouwspel
+der losgelaten elementen te aanschouwen.
+
+Hans beweegt zich niet. Zijne lange haren, door den orkaan opgewaaid
+en op zijn onbeweeglijk gelaat nedervallende, geven hem een
+vreemd voorkomen; want hunne uiteinden zijn bedekt met lichtgevende
+electrische straalbundels; zijn schrik inboezemend aangezicht is dat
+van een voorwereldlijken mensch, den tijdgenoot der ichthyosauriën
+en megatheriums.
+
+Toch houdt de mast zich goed. Het zeil wordt gespannen als eene blaas,
+die op het punt is van te bersten. Het vlot drijft voort met eene drift
+die ik niet schatten kan, maar toch minder snel dan de waterdroppels,
+die er onder verplaatst worden en zuivere rechte lijnen beschrijven.
+
+"Het zeil! het zeil!" zeg ik, een teeken gevende om het te strijken.
+
+"Neen!" antwoordt mijn oom.
+
+"Nej!" zegt Hans, zachtjes het hoofd schuddende. Intusschen vormt
+de regen een bruisenden waterval voor den gezichteinder, waarop
+wij als zinneloozen aanhouden. Maar voor hij ons bereikt, scheurt de
+wolkensluier, de zee begint te koken, en de electriciteit voortgebracht
+door eene sterke scheikundige werking, die in de bovenste lagen plaats
+heeft, komt in het spel.
+
+Schitterende bliksemstralen vermengen zich met de donderslagen;
+tallooze weerlichten kruisen elkander te midden van de losbarstingen;
+de dampenmassa wordt witgloeiend, de hagelsteenen, die het metaal onzer
+gereedschappen en wapenen treffen, worden lichtgevend; de hooge golven
+schijnen zoovele vuurspuwende heuvelen te zijn, waaronder een inwendig
+vuur blaakt en waarvan iedere top een vederbos van vlammen draagt.
+
+Mijn oogen zijn verblind door de sterkte van het licht, mijn ooren
+verdoofd door het geraas van den donder; ik moet mij aan den mast
+vasthouden, die buigt als een riet onder het geweld van den orkaan....
+
+-- -- --
+
+(Hier werden mijn aanteekeningen zeer onvolledig. Ik heb nog slechts
+eenige vluchtige, om zoo te zeggen werktuiglijk gedane waarnemingen
+teruggevonden. Maar door hare kortheid zelfs, dragen zij den stempel
+van de ontroering, die mij beheerschte, en beter dan mijn geheugen
+geven zij mij een besef van onzen toestand.)
+
+-- -- --
+
+
+Zondag 23 Augustus.--Waar zijn wij? Waarheen zijn wij met een
+onmeetbare snelheid gevoerd?
+
+De nacht is vreeselijk geweest. De storm bedaart niet. Wij leven te
+midden van geraas en onophoudelijke losbarstingen. Het bloed komt
+uit onze ooren. Wij kunnen geen woord wisselen.
+
+Het weerlicht is niet van den hemel. Ik zie terugkeerende
+zigzag-lijnen, die na eene snelle vaart weder van beneden naar boven
+gaan en het granietgewelf treffen. Als het eens instortte! Andere
+bliksemstralen verdeelen zich of nemen den vorm van vuurbollen aan,
+die als bommen springen. Het algemeene geraas schijnt er niet door
+te vermeerderen; het heeft de grens van sterkte, die het menschelijk
+oor kan waarnemen, overschreden, en als alle buskruitmagazijnen der
+wereld te gelijk sprongen, "zouden wij er niets van kunnen hooren."
+
+Er heeft eene gestadige uitvloeiing van licht aan de oppervlakte der
+wolken plaats; de electrische stof maakt zich onophoudelijk uit hare
+deeltjes los; ontelbare waterzuilen verheffen zich in den dampkring
+en vallen schuimende neder.
+
+Waar gaan wij heen?... Mijn oom ligt zoo lang hij is op het uiteinde
+van het vlot.
+
+De warmte neemt toe. Ik zie op den thermometer; hij wijst ... (Het
+cijfer is uitgewischt.)
+
+
+Maandag 24 Augustus.--Zal het dan nooit ophouden? Waarom zou de
+toestand van dezen zoo dichten dampkring, eens gewijzigd zijnde,
+niet bestendig zijn?
+
+Wij zijn uitgeput van vermoeienis. Hans blijft dezelfde. Het vlot
+drijft onveranderlijk naar het zuidoosten. Wij zijn reeds meer dan
+twee honderd uur gaans van het eilandje Axel verwijderd.
+
+Tegen den middag verdubbelt de hevigheid van den orkaan; wij moeten
+al de voorwerpen der lading stevig vastmaken. Wij sjorren ons ook
+vast. De golven slaan over ons hoofd.
+
+Drie dagen lang is het onmogelijk een woord met elkander te
+spreken. Wij openen den mond, bewegen onze lippen, maar kunnen geen
+verstaanbaar geluid voortbrengen. Zelfs al brengen wij den mond aan
+elkanders oor, kunnen wij elkaar nog niet verstaan.
+
+Mijn oom is dichter bij mij gekomen. Hij heeft eenige woorden geuit. Ik
+geloof, dat hij gezegd heelt: "Wij zijn verloren!" maar ik ben er
+niet zeker van.
+
+Ik kom op den inval om deze woorden te schrijven: "Laten wij het
+zeil strijken."
+
+Hij geeft mij een teeken van toestemming.
+
+Hij heeft nog den tijd niet gehad om zijn hoofd op te lichten, of
+eene vurige schijf verschijnt op den rand van het vlot. De mast
+en het zeil worden te gelijk weggeslagen, en ik heb ze tot eene
+verbazende hoogte zien slingeren, gelijk aan den pterodactylus,
+dien spookachtigen vogel uit de allereerste tijden.
+
+Wij zijn verstijfd van schrik; de half witte, half blauwe bol, zoo
+groot als eene bom van tien duim, rolt langzaam voort en draait met
+eene verbazende snelheid rond onder den stoot van den orkaan. Hij
+komt hier, daar, stijgt op een der balken van het vlot; springt
+over op den zak met levensmiddelen, daalt weder, springt op, gaat
+strijkelings langs de kruitkist. O schrik! Wij zullen in de lucht
+springen! Neen. De verblindende schijf verwijdert zich, zij nadert
+Hans, die haar rustig aanziet; mijn oom, die nederknielt om haar te
+ontwijken; mij, die verbleek en ril onder den glans van het licht
+en de warmte; zij draait rond bij mijn voet, dien ik tracht terug te
+trekken. Het mag mij niet gelukken.
+
+De lucht van salpeterig gas vervult den dampkring; zij dringt in de
+keel, de longen. Wij stikken.
+
+Waarom kan ik mijn voet niet terugtrekken? Is hij misschien aan het
+vlot vastgeklonken! ach! de val van den electrischen kogel heeft al het
+ijzer aan boord magnetisch gemaakt; de werktuigen, de gereedschappen,
+de wapenen raken in beweging en rammelen met een schel geluid tegen
+elkander; de spijkers mijner schoenen houden stevig vast aan eene
+ijzeren plaat, die in het hout zit. Ik kan mijn voet niet terugtrekken!
+
+Door eene geweldige, krachtsinspanning ruk ik hem eindelijk los, op
+het oogenblik dat de bal hem in zijne ronddraaiende beweging grijpen
+en mijzelven medeslepen zou, indien ...
+
+O! welk een fel licht! de bol springt! wij zijn met vonken vuur bedekt!
+
+Vervolgens wordt alles uitgedoofd. Ik heb even den tijd gehad om
+te zien, dat mijn oom op het vlot ligt uitgestrekt, dat Hans, die
+nog altijd aan het roer staat, "vuur spuwt" onder den invloed der
+electriciteit, die hem doordringt!
+
+Waar gaan wij heen? waar gaan wij heen?
+
+-- -- --
+
+Dinsdag 25 Augustus.--Ik kom bij, uit eene langdurige bezwijming;
+de bliksemstralen worden ontketend gelijk een broedsel slangen,
+die in den dampkring geslingerd worden.
+
+Zijn wij nog altijd op zee? Ja, en wij worden met eene onberekenbare
+snelheid medegevoerd. Wij zijn onder Engeland, het Kanaal, Frankrijk,
+onder geheel Europa misschien doorgegaan!
+
+-- -- --
+
+Een nieuw geraas doet zich hooren! Het is zeker de zee, die op de
+rotsen breekt!... Maar dan....
+
+-- -- --
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXVI
+
+ Vreugde van den professor.--Toebereidselen voor de
+ terugreis.--Werktuigen gered.--De professor denkt aan zijne
+ collega's.--Op welke hoogte?
+
+
+Hier eindigt, wat ik het "reisjournaal" heb genoemd, dat ik gelukkig
+uit de schipbreuk heb gered. Ik vat den draad van mijn verhaal
+weder op.
+
+Ik kan niet zeggen wat er voorviel, toen het vlot stiet tegen de
+klippen der kust. Ik voelde, dat ik in de golven stortte, en dat ik
+aan den dood ontkwam, dat mijn lichaam niet verbrijzeld werd tegen
+de scherpe rotsen, had ik alleen te danken aan den gespierden arm
+van Hans, die mij uit den afgrond redde.
+
+De moedige IJslander bracht mij buiten het bereik der golven op
+brandend heet zand, waar ik naast mijn oom lag.
+
+Daarna keerde hij naar die rotsen terug, waartegen de woedende golven
+beukten, om eenige overblijfselen uit de schipbreuk te redden. Ik
+kon niet spreken; ik was afgemat door aandoeningen en vermoeienis;
+ik had ruim een uur noodig om wat te herstellen.
+
+Intusschen viel er bij voortduring een zware stortregen met die
+hevigheid, die het einde der stormen aankondigt. Eenige opeengestapelde
+rotsblokken boden ons eene schuilplaats aan tegen de plasregens. Hans
+bereidde spijzen, die ik niet kon aanraken, en wij allen vielen,
+door drie slapelooze nachten uitgeput, in een onrustigen slaap.
+
+Den volgenden dag was het prachtig weder. Elk spoor van den storm
+was verdwenen. De opgeruimde woorden van den professor begroetten
+mij bij mijn ontwaken. Hij was vreeselijk vroolijk.
+
+"Hoe is het, mijn jongen!" riep hij, "hebt gij goed geslapen?"
+
+Zou men niet gezegd hebben, dat wij in het huis in de Koningstraat
+waren, dat ik bedaard beneden kwam om te ontbijten en dat mijn huwelijk
+met de arme Gräuben dienzelfden dag voltrokken zou worden?
+
+Helaas! als de storm het vlot maar een weinig oostelijk had geslagen,
+dan zouden wij onder Duitschland, onder mijne geliefde stad Hamburg,
+onder die straat, waarin alles woonde, wat ik het liefste op aarde
+had, doorgegaan zijn. Nu scheidden mij er nauwelijks veertig uur
+gaans van! Maar eene veertig uur lange loodlijn van graniet, hetgeen
+inderdaad op een afstand van meer dan duizend uur gaans nederkwam!
+
+Al die smartelijke overdenkingen doorkruisten snel mijn hoofd, voor
+ik de vraag van mijn oom beantwoordde.
+
+"Hoe is het!" herhaalde hij, "wilt gij niet zeggen, of gij goed
+geslapen hebt?"
+
+"Zeer goed!" antwoordde ik, "ik ben nog wel zeer afgemat, maar dat
+zal wel terecht komen."
+
+"Wel zeker! het is slechts vermoeidheid, anders niet."
+
+"Maar mij dunkt, dat gij dezen morgen bijzonder vroolijk zijt, oom!"
+
+"Ik ben in de wolken, mijn jongen! Wij zijn er!"
+
+"Aan het einde van onzen tocht?"
+
+"Neen, maar aan het einde van die zee, die niet scheen te eindigen. Wij
+zullen nu weder over land gaan en inderdaad in de ingewanden der
+aarde afdalen."
+
+"Oom! veroorloof mij eene vraag."
+
+"Met genoegen, Axel!"
+
+"En de terugreis?"
+
+"De terugreis! denkt gij reeds aan de terugreis, terwijl wij nog niet
+eens aangekomen zijn?"
+
+"Neen, ik wilde alleen vragen, hoe wij die zullen bewerkstelligen."
+
+"Op de eenvoudigste manier van de wereld. Als wij eerst maar in
+het middelpunt van den bol gekomen zijn, zullen wij òf een nieuwen
+weg vinden om weder aan de oppervlakte te komen, òf wij zullen heel
+bedaard langs denzelfden weg terugkeeren. Ik vertrouw, dat hij zich
+niet achter ons sluiten zal."
+
+"Dan moet het vlot weder in orde gebracht worden."
+
+"Dat spreekt van zelf."
+
+"Maar zijn er genoeg levensmiddelen over om al die groote plannen
+te volbrengen?"
+
+"Ja, zeker! Hans is een knappe kerel, en ik ben zeker, dat hij het
+grootste gedeelte van de lading gered heeft. Wij zullen het echter
+eens gaan onderzoeken."
+
+Wij verlieten deze grot, die voor alle winden open lag. Ik koesterde
+eene hoop, die tegelijk eene vrees was; het was, dacht mij, onmogelijk,
+dat de verschrikkelijke stranding van het vlot niet alles vernietigd
+zou hebben, wat er op was. Ik bedroog mij. Op den oever komende,
+zag ik Hans onder eene menigte ordelijk gerangschikte voorwerpen
+staan. Mijn oom drukte hem de hand met een levendig gevoel van
+erkentelijkheid. Die man, wiens bovenmenschelijke zelfopoffering
+bijna zonder voorbeeld was, had gewerkt terwijl wij sliepen, en met
+levensgevaar de kostbaarste voorwerpen gered.
+
+Wel hadden wij vrij gevoelige verliezen geleden, onze wapens o.a.,
+maar wij konden ze missen. De voorraad kruit was onbeschadigd gebleven,
+nadat het gedurende den storm bijna in de lucht was gesprongen.
+
+"Welnu!" riep de professor, "als de geweren ons ontbreken, zijn wij
+vrij van jagen."
+
+"Goed; maar de werktuigen!"
+
+"Hier is de luchtdichtheidsmeter, het nuttigste van alle, en waarvoor
+ik de andere gaarne missen wil! Met dit werktuig kan ik de diepte
+berekenen en weten, wanneer wij het middelpunt bereikt hebben. Zonder
+hetzelve zouden wij gevaar loopen er voorbij te gaan en bij de
+tegenvoeters uit te komen."
+
+Die scherts was wreed.
+
+"Maar het kompas?" vraagde ik.
+
+"Hier ligt het op deze rots, in volmaakte orde, evenals de thermometers
+en de tijdmeter. O! die jager is een onwaardeerbaar man!"
+
+Ik moest erkennen, dat er op het punt van de werktuigen niets
+ontbrak. Wat de gereedschappen betreft, zag ik op het zand ladders,
+touwen, breekijzers, houweelen enz. verstrooid liggen.
+
+Toch moest de zaak van de levensmiddelen nog opgehelderd worden.
+
+"En de voorraad?" zeide ik.
+
+"Dien zullen wij ook eens nazien," antwoordde mijn oom.
+
+De kisten, die hem bevatten, lagen in eene lijn op het strand in
+een ongeschonden staat; de zee had ze grootendeels gespaard, en aan
+beschuit, gezouten vleesch, jenever en gedroogden visch konden wij
+nog op vier maanden levensmiddelen rekenen.
+
+"Vier maanden!" riep de professor; "dan hebben wij tijd om te gaan
+en terug te komen, en van het overschot wil ik een grooten maaltijd
+aanrichten voor al mijne collega's van het Johannaeum!"
+
+Sedert lang had ik reeds gewoon moeten zijn aan het karakter van mijn
+oom, en toch wekte die man nog altijd mijn verwondering op.
+
+"Nu," zeide hij, "zullen wij onzen watervoorraad vernieuwen met
+den regen, dien het onweder in al die bekkens van graniet heeft
+gestort; bij gevolg behoeven wij niet te vreezen, dat wij dorst zullen
+lijden. Wat het vlot aangaat, zal ik Hans aanbevelen om het zoo goed
+mogelijk te herstellen, hoewel wij er, denk ik, geen gebruik meer
+van zullen maken."
+
+"Hoe zoo?" riep ik.
+
+"Dat is zoo maar eene gedachte van mij, mijn jongen! Ik geloof niet,
+dat wij uit zullen gaan, waar wij ingekomen zijn."
+
+Ik zag den professor met een zeker wantrouwen aan; ik vraagde mijzelven
+of hij soms gek was geworden. En toch "hij kan het zoo niet zeggen."
+
+"Laten wij gaan ontbijten!" hernam hij.
+
+"Ik volgde hem op eene hoogte, nadat hij zijne bevelen aan den jager
+had gegeven. Daar hielden wij met gedroogd vleesch, beschuit en
+thee een heerlijk maal, een der beste, ik erken het, die ik in mijn
+leven had bijgewoond. De behoefte, de vrije lucht, de kalmte na de
+ontsteltenis, alles werkte mede om mijn eetlust op te wekken.
+
+Onder het ontbijt legde ik mijn oom de vraag voor, waar wij op dit
+oogenblik waren.
+
+"Dat is, dunkt mij, moeielijk te berekenen."
+
+"Het nauwkeurig te doen, ja!" antwoordde hij; "het is zelfs onmogelijk,
+omdat ik gedurende dien driedaagschen storm geen aanteekening heb
+kunnen houden van de snelheid en richting van het vlot; maar wij
+kunnen het toch wel bij gissing vinden."
+
+"De laatste waarneming is gedaan op het eilandje van den geyser...."
+
+"Op het eilandje Axel, mijn jongen! Acht die eer niet gering, van
+uwen naam geschonken te hebben aan het eerste eilandje, dat in het
+middelpunt der aardmassa is ontdekt."
+
+"Het zij zoo! Op het eilandje Axel hadden wij omtrent twee honderd
+zeventig zeemijlen afgelegd en bevonden wij ons meer dan zes honderd
+uren gaans van IJsland af."
+
+"Goed! Dan zullen wij van dat punt uitgaan en vier dagen storm rekenen,
+gedurende welke onze snelheid niet minder dan tachtig uur per dag
+heeft kunnen bedragen."
+
+"Dat geloof ik ook. Dan zouden er nog driehonderd uur gaans bijkomen."
+
+"Ja! en de Lidenbrock-zee zou ten naastenbij zes honderd uur gaans
+van den eenen oever tot den anderen meten! Weet gij wel, Axel! dat
+zij dan in grootte met de Middellandsche zee kan wedijveren?"
+
+"Ja! vooral als wij haar alleen in de breedte overgestoken zijn!"
+
+"Dat is zeer licht mogelijk!"
+
+"En het aardigste is," voegde ik er bij, "dat als onze berekening
+juist is, wij nu de Middellandsche zee boven ons hoofd hebben."
+
+"Is het waar?"
+
+"Ja! wij zijn immers negenhonderd uur gaans van Reikiavik af!"
+
+"Dat is een aardig eind, mijn jongen! maar dat wij juist onder de
+Middellandsche zee en niet onder Turkije of den Atlantischen oceaan
+zijn, kan alleen plaats hebben ingeval onze richting niet veranderd
+is."
+
+"Neen! de wind scheen in denzelfden hoek te blijven; ik denk dus,
+dat deze oever ten zuidoosten van Gräubenhaven ligt.
+
+"Wij kunnen ons er licht van verzekeren door het kompas te
+raadplegen. Wij zullen eens op het kompas zien!"
+
+De professor begaf zich naar de rots, waarop Hans de werktuigen had
+nedergelegd. Hij was vroolijk, opgeruimd, wreef zich in de handen, nam
+allerlei houdingen aan, als ware hij nog een jongeling. Ik volgde hem,
+nieuwsgierig om te weten of ik mij in mijne berekening ook bedroog.
+
+Bij de rots gekomen nam mijn oom het kompas, legde het waterpas,
+en zag naar de naald, die na eenige slingeringen een vasten stand
+aannam onder den invloed der magneetkracht.
+
+Mijn oom beschouwde haar, wreef zich toen de oogen uit en zag nog
+eens. Eindelijk wendde hij zich geheel ontsteld tot mij.
+
+"Wat is er gaande?" vraagde ik.
+
+Hij wenkte mij om het werktuig te onderzoeken. Een kreet van verbazing
+ontsnapte mij. De punt der naald wees naar het noorden waar wij het
+zuiden zochten! Zij was naar het strand gericht in plaats van de
+volle zee aan te wijzen!
+
+Ik schudde het kompas, ik onderzocht het; het was volmaakt in orde. In
+welken stand men de naald ook bracht, zij nam hardnekkig weder die
+onverwachte richting aan.
+
+Er viel dus niet meer aan te twijfelen, gedurende den storm was de wind
+omgeloopen, zonder dat wij het bemerkten, en had het vlot teruggedreven
+naar de oevers, die mijn oom meende achter zich te hebben.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXVII
+
+ Verloren reis.--Landverkenning.--Verbastering der schildpad.--De
+ beenderenvlakte.
+
+
+Het zou mij onmogelijk zijn de opeenvolgende gevoelens te schetsen, die
+professor Lidenbrock bezielden, zijn ontsteltenis, zijn ongeloof, zijn
+toorn! Nooit zag ik iemand eerst zoo verlegen, daarna zoo verbitterd.
+
+De vermoeienissen van den overtocht, de doorgestane gevaren, alles
+moest dus weder op nieuw beginnen. Wij waren achteruit in plaats van
+vooruit gegaan.
+
+Maar mijn oom was weldra zichzelven weder meester.
+
+"O! het noodlot speelt mij zulke parten!" riep hij uit; "de elementen
+spannen tegen mij samen! de lucht, het vuur en het water vereenigen
+hunne pogingen om zich tegen mijne reis te verzetten! Welnu! men zal
+zien, wat mijn wil vermag. Ik zal het niet opgeven; ik zal geene
+streep achteruitgaan, en wij zullen zien, wie het winnen zal, de
+mensch of de natuur!"
+
+Op de rots staande, verbitterd, dreigend, scheen Otto Lidenbrock,
+gelijk de woeste Ajax, de goden uit te dagen. Maar ik oordeelde het
+noodig om tusschen beiden te komen en die zinnelooze drift te betoomen.
+
+"Hoor mij aan!" zeide ik hem op een vasten toon. "Er is hier beneden
+eene grens voor iedere eerzucht; wij moeten tegen het onmogelijke niet
+kampen; wij zijn slecht uitgerust voor eene zeereis; vijf honderd uur
+gaans kan men niet afleggen op een slecht samenraapsel van balken met
+eene deken tot zeil, een stok tot mast, en dan nog tegen de ontketende
+winden. Wij kunnen niet sturen, wij zijn de speelbal der stormen,
+en wij zouden als dwazen handelen, zoo wij ten tweeden male dien
+onmogelijken overtocht beproefden!"
+
+Tien minuten lang kon ik, zonder in de rede gevallen te worden,
+die onwederlegbare redenen opsommen, maar dat kwam alleen door
+de onoplettendheid van den professor, die geen woord van mijne
+bewijsvoering verstond.
+
+"Naar het vlot!" riep hij.
+
+Hij antwoordde verder niets. Te vergeefs smeekte ik, werd ik driftig;
+ik stiet het hoofd tegen een wil, die vaster was dan graniet.
+
+Hans was juist gereed met de herstelling van het vlot. Men zou gezegd
+hebben, dat dit zonderling wezen de plannen mijns ooms ried.
+
+Met eenige stukken surtarbrandur had hij het vaartuig weder in orde
+gebracht. Een zeil verhief er zich op en de wind speelde in zijne
+plooien.
+
+De professor zeide eenige woorden tot den gids en terstond bracht deze
+de bagage weder aan boord en maakte alles voor het vertrek gereed. De
+dampkring was tamelijk zuiver en de noordwestewind hield aan.
+
+Wat kon ik doen? Mij alleen tegen twee verzetten? Onmogelijk. Als
+Hans nog maar mijne zijde gekozen had. Maar neen! Het scheen,
+dat de IJslander zijn eigen wil ter zijde gesteld en de gelofte
+van zelfverloochening afgelegd had. Ik kon niets verkrijgen van
+een dienaar, die zoo blindelings aan zijn heer overgegeven was. Ik
+moest vooruit.
+
+Ik wilde dus op het vlot mijne gewone plaats innemen, toen mijn oom
+mij met de hand tegenhield.
+
+"Wij zullen eerst morgen vertrekken," zeide hij.
+
+Ik maakte een gebaar als iemand, die zich aan alles onderwerpt.
+
+"Ik moet niets verzuimen," hernam hij, "en nu het noodlot mij op dit
+gedeelte der kust heeft geworpen, zal ik het niet verlaten voor ik
+het verkend heb."
+
+Men zal deze opmerking begrijpen, als men bedenkt, dat wij wel op
+den noordelijken oever waren teruggekomen, maar niet op ons vroeger
+uitgangspunt. Gräubenhaven moest westelijker liggen. Niets was derhalve
+natuurlijker, dan zorgvuldig den omtrek dezer nieuwe landingsplaats
+te onderzoeken.
+
+"Laten wij op ontdekking uitgaan!"
+
+En Hans aan zijn werk latende, vertrokken wij. De ruimte tusschen
+het zeestrand en den voet der lage voorgebergten was zeer groot; wij
+hadden een half uur te loopen voor wij den rotsmuur bereikten. Wij
+vertrapten ontelbare schelpen van allerlei gedaante en grootte, waarin
+de dieren der allereerste tijden leefden. Ik bemerkte ook verbazende
+schalen wier middellijn dikwijls grooter was dan vijftien voet. Zij
+hadden toebehoord aan die reusachtige glyptodons van het pliocenische
+tijdvak, waarvan de hedendaagsche schildpad slechts eene onbeduidende
+vertegenwoordigster is. Bovendien was de grond bezaaid met eene menigte
+steenachtige overblijfselen, eene soort van strandkeitjes door de
+golven afgerond en in opeenvolgende rijen gerangschikt. Ik kwam dus
+tot de opmerking, dat de zee voorheen die ruimte had bedekt. Op de
+verstrooide rotsen, die nu buiten haar bereik waren, hadden de golven
+duidelijke sporen van haar overgang achtergelaten.
+
+Dit kan eenigszins het bestaan van dien oceaan, veertig uur gaans
+onder de oppervlakte van den aardbol, verklaren. Maar mijns inziens
+moest die watermassa allengs wegzinken in de ingewanden der aarde,
+en was het duidelijk, dat zij voortkwam uit het water van den Oceaan,
+die zich een weg baande door de eene of andere scheur. Evenwel moest
+ik aannemen, dat die scheur thans verstopt was; want dit geheele hol
+of die onmetelijke vergaarbak zou anders in korten tijd vol geloopen
+zijn. Misschien ook was dit water, tegen het onderaardsche vuur
+moetende strijden, gedeeltelijk verdampt. Daaruit kon ik dan ook de
+wolken verklaren, die boven ons zweefden, en de vrijwording van die
+electriciteit, die stormen deed ontstaan in het midden der aarde.
+
+Deze theorie van de natuurverschijnselen, die wij bijgewoond hadden,
+scheen mij voldoende toe; want hoe groot de natuurwonderen ook zijn
+mogen, toch kunnen zij altijd uit natuurkundige redenen verklaard
+worden.
+
+Wij liepen dus over eene soort van aangespoelden grond door het water
+gevormd, gelijk al de gronden van dat tijdperk, die zoo kwistig over
+de oppervlakte van den aardbol verspreid zijn. De professor onderzocht
+oplettend iedere kleine ruimte in de rotsen. Bestond er ergens eene
+opening, dan was het van belang voor hem om er de diepte van te peilen.
+
+Eene mijl ver hadden wij het langs de oevers der Lidenbrock-zee
+gehouden, toen het voorkomen van den grond plotseling veranderde. Het
+scheen alsof alles omgewoeld was door eene hevige rijzing der
+benedenlagen. Op verschillende plaatsen toonden hoogten en diepten
+een geweldige verplaatsing van den bodem aan.
+
+Met moeite klauterden wij over deze verwarde massa granietstukken,
+keisteenen, kwartsblokken en aangespoelde gronden, toen zich eene laag,
+meer dan eene laag, eene geheele vlakte vol beenderen aan onze blikken
+vertoonde. Men zou gezegd hebben, dat het een onmetelijk kerkhof was,
+waar het gebeente der geslachten van twintig eeuwen nederlag. In de
+verte vertoonden zich hooge stapels van dergelijke overblijfselen,
+zich uitstrekkende zoover het oog reikte en die zich in een nevel
+verloren. Dáár, op drie vierkante mijlen misschien, lag de geheele
+geschiedenis van alle dierlijk leven opeengestapeld; eene geschiedenis,
+slechts met flauwe trekken beschreven in de nieuwere aardlagen der
+bewoonde wereld.
+
+Een ongeduldige nieuwsgierigheid overmeesterde ons. Met een dof geluid
+kraakten onder onze voeten de overblijfselen dier voorhistorische
+gedierten, welke in de musea der groote steden als kostbare voorwerpen
+worden ten toon gesteld. Duizend Cuviers zouden niet toereikende
+geweest zijn om die verbazende beenderenhoopen tot volledige geraamten
+bijeen te voegen.
+
+Ik stond verbaasd. Mijn oom had zijne lange armen opgeheven naar het
+dikke gewelf dat boven onze hoofden was uitgespannen. Zijn geheele
+voorkomen kenteekende een onbegrensde verbazing, zijn gapende mond,
+zijne achter de brilleglazen schitterende oogen, zijn hoofd dat
+op en neder, rechts en links, heen en weder getrokken werd. Hij
+stond voor een onschatbare verzameling leptotheriën, mericotheriën,
+lophodions, anoplotheriën, megatheriën, mastodonten, protopitheken,
+pterodactylen--in één woord, van allerlei voorwereldlijke
+monsterdieren, hier als voor zijn vermaak opeengestapeld. Men stelle
+zich een opgewonden boekenliefhebber voor, plotseling verplaatst in
+de beroemde boekerij van Alexandrië, door een wonder uit hare asch
+herrezen, na door Omar verbrand te zijn--in zulk eene stemming stond
+daar mijn oom, professor Lidenbrock.
+
+Maar van een geheel anderen aard werd zijne gewaarwording, toen hij,
+over de beenderen stappende, een schedel opnam en met eene trillende
+stem uitriep:
+
+"Alex! Axel! een menschenhoofd!"
+
+"Een menschenhoofd, oom," antwoordde ik met geene mindere verbazing.
+
+"Ja, neef! Ach, Milne-Edwards! Ach, de Quatrefages! Waarom zijt gij
+niet hier, waar ik ben, ik Otto Lidenbrock!"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXVIII
+
+ Voorwereldlijke overblijfselen.--Een menschelijk lichaam.--De reus
+ van Palermo.--Onderzoek van een lijk.--Een onmetelijk knekelhuis.
+
+
+Om het aanroepen van de namen dier twee Fransche geleerden door
+mijn oom wèl te begrijpen, moet men weten, dat een allerbelangrijkst
+verschijnsel op het gebied der voorwereldlijke overblijfselen eenigen
+tijd voor ons vertrek had plaats gegrepen.
+
+Den 8sten Maart 1863 vonden werklieden, onder bestuur van Boucher de
+Perthes in de steengroeven van Moulin-Quignon bij Abbeville in het
+Fransche departement la Somme arbeidende, een menschelijk kaakbeen op
+eene diepte van veertien voet beneden den beganen grond. Het was het
+eerste voorwerp van dien aard dat te voorschijn kwam. In de nabijheid
+lagen bijlen van bewerkten vuursteen, door den tijd met een verweerd
+huidje bedekt.
+
+Veel gerucht ging van deze ontdekking uit, niet alleen in Frankrijk,
+maar ook in Engeland en Duitschland. Onderscheidene leden van
+het Fransche Instituut, waaronder de heeren Milne-Edwards en de
+Quatrefages, lieten zich aan de zaak gelegen liggen. Zij bewezen de
+onbetwistbare echtheid van het voorwerp en betoonden zich krachtige
+verdedigers "in het geding ter zake van het kaakbeen," gelijk de
+Engelschen zich uitdrukten.
+
+Bij de geologen van het Vereenigd Koninkrijk die het feit als zeker
+beschouwden, zooals Falconer, Bush, Carpenter enz. voegden zich
+Duitsche geleerden, en daaronder als de ijverigste, de opgewondenste,
+mijn oom Lidenbrock.
+
+De echtheid van een menschelijk overblijfsel uit het quaternaire
+tijdperk scheen dus onwederlegbaar bewezen.
+
+Die echtheid had niettemin een ijverig tegenstander in Elias
+de Beaumont. Deze hooggeschatte geleerde beweerde, dat de grond
+van Moulin-Quignon niet diluviaansch, maar uit lateren tijd was,
+en evenmin als Cuvier wilde hij iets weten van de bewering, dat het
+menschdom gelijktijdig met de dieren uit het quaternaire tijdperk
+zou bestaan hebben. Mijn oom Lidenbrock had, in overeenstemming met
+de groote meerderheid der geologen, staande gehouden, getwist en
+geredeneerd, terwijl de Beaumont met zijne meening genoegzaam alleen
+was blijven staan.
+
+Wij kenden deze zaak in al hare bijzonderheden, maar wisten niet, dat
+het onderwerp na ons vertrek opnieuw ter sprake was gekomen. Andere
+dergelijke kaakbeenderen, schoon dan afkomstig van andere stammen en
+dus van afwijkende vormen, waren in sommige grotten van Frankrijk,
+Zwitserland en België gevonden, benevens wapenen, huisraad,
+gereedschappen, beenderen van kinderen, jonge menschen, volwassenen,
+grijsaards. Het bevestigde zich met elken dag meer, dat de mensch
+inderdaad in het quaternaire tijdperk geleefd heeft.
+
+En dit was nog niet alles. Nieuwe opgravingen uit het tertiaire
+pliocenische tijdperk hadden voorwerpen doen ontdekken, uit welke
+de stoutste geleerden eene nog veel hooger opklimmende oudheid aan
+het menschdom hadden toegekend. Deze overblijfselen waren wel geen
+beenderen van menschen, maar toch voortbrengselen zijner kunstvlijt,
+namelijk scheen- en dijbeenderen van uitgestorven dieren, besneden
+met regelmatige figuren, die het kenmerk van 's menschen hand droegen.
+
+Daardoor klom het bestaan van den mensch plotseling de ladder eener
+lange reeks van eeuwen op; hij leefde reeds vroeger dan de mastodont;
+hij was een tijdgenoot van die voorwereldlijke olifanten, welke men
+"elephas meridionalis" noemt; hij was reeds voor honderd duizend
+jaren een bewoner dezer aarde; immers op dien ouderdom begrooten de
+meest vermaarde geleerden de pliocenische formatie.
+
+Op dat standpunt stond destijds de wetenschap der voorwereldlijke
+dieren en hetgeen wij er van wisten was genoeg om onze aandacht
+op die beenderenhoopen in de Lidenbrock-zee te spannen. Men kan
+zich dus voorstellen hoe opgetogen mijn oom was, vooral toen hij,
+twintig schreden verder, zich in de onmiddellijke nabijheid van een
+menschelijk overblijfsel uit het quaternaire tijdperk bevond.
+
+Het was een menschelijk lichaam, duidelijk als zoodanig herkenbaar. Had
+eene bijzondere gesteldheid van den grond, gelijk aan dien van
+het kerkhof van St. Michel te Bordeaux, dat lichaam zoovele eeuwen
+bewaard? Ik weet het niet. Maar dat lijk, met zijne perkamentachtige
+huid en nog weeke ledematen--op het oog althans--met zijn gaaf gebit,
+met zijn overvloedig hoofdhaar, met zijne verbazend uitgegroeide
+nagels aan vingers en teenen--dat lijk vertoonde een wezen zooals
+het geleefd had.
+
+Ik stond als stom tegenover deze verschijning uit lang vervlogen
+eeuwen. Mijn oom, anders zoo woordenrijk van aard, sprak insgelijks
+geen woord. Wij hadden het voorwerp opgenomen en overeind gezet. Het
+scheen ons met zijn holle oogkassen aan te staren.
+
+Na eenige oogenblikken zwijgens ging de oom op in den professor. Otto
+Lidenbrock vergat in zijne opgewondenheid de omstandigheden van onzen
+tocht, de plaats waar wij waren, de onmetelijke spelonk in welke wij
+stonden. Zonder twijfel stond hij met zijne gedachten in het college,
+bezig zijne leerlingen te onderwijzen; immers hij nam een geleerden
+toon aan en richtte tot een denkbeeldig gehoor op deze wijze het woord:
+
+"Mijne heeren! ik heb de eer u een mensch uit het quaternaire
+tijdperk voor te stellen. Groote geleerden hebben zijn bestaan
+ontkend; anderen, niet minder groot, het verzekerd. Deze ongeloovige
+Thomassen der wetenschap zouden, indien zij hier waren, hem met
+den vinger kunnen aanraken en wel genoodzaakt zijn hunne dwaling te
+herroepen. Ik weet zeer wel, dat de wetenschap op hare hoede moet
+zijn tegenover zulke ontdekkingen. Het is mij niet onbekend wat er
+van den voorwereldlijken mensch geworden is onder de handen van een
+Barnum en andere soortgelijke kwakzalvers. Ik ken de geschiedenis van
+de knieschijf van Ajax, van het zoogenaamde lijk van Orestes, dat
+door de Spartanen zou teruggevonden zijn, en van dat van Asterius,
+tien ellebogen lang, waarvan Pausanias spreekt. Gelezen heb ik
+de berichten aangaande het in de XIVde eeuw gevonden geraamte van
+Trapani, waarin men Polyphemus heeft meenen te vinden; bekend is mij
+de geschiedenis van een reus, die in de XVIe eeuw in den omtrek van
+Palermo is opgegraven. Even goed als ik, weet gij, mijne heeren,
+hoe de beenderen, te Lucern in 1577 gevonden, door den vermaarden
+geneesheer Felix Plater verklaard zijn voor gedeelten van een reus
+van negentien voet lengte. Gelezen, ik mag wel zeggen verslonden,
+heb ik de verhandelingen van Cassanion, benevens al de geschriften en
+tegenschriften ter gelegenheid van het geraamte, den 11den Januari
+1613 op het landgoed van den heer de Langow bij het kasteel van
+Chaumont in Dauphiné opgegraven, dat naar beweerd en betwist werd,
+dat van Teuthobochus, koning der Cimbren, zou geweest zijn. Had ik
+in de vorige eeuw geleefd, ik zou met P. Campet geplukhaard hebben
+over het bestaan van den voorwereldlijken mensch van Scheuchzer. Ik
+heb het geschrift in handen gehad, getiteld: Gigan...."
+
+Hier bleek het natuurlijke gebrek van mijn oom, die in het openbaar
+geen moeilijke woorden kon uitspreken.
+
+"Het geschrift, getiteld Gigan...."
+
+Hij kon het niet verder brengen.
+
+"Giganteo...."
+
+Onmogelijk! Het moeielijke woord wilde er niet uit! Wat zou men hem
+op het college hebben uitgelachen!
+
+Eindelijk wrong hij tusschen een paar vloeken in, uit de keel:
+Gigantosteologie.
+
+Op vlugger toon ging hij voort:
+
+"Ja, mijne heeren, ik weet daar alles van. Ik weet ook, dat Cuvier
+en Blumenbach die beenderen hebben gehouden voor overblijfselen van
+mammouths en andere dieren uit het quaternaire tijdperk. Maar hier
+zou elke twijfeling eene beleediging der wetenschap zijn. Ziedaar het
+lijk! Gij kunt het zien, gij kunt het aanraken! Het is geen geraamte,
+het is een volledig lichaam, uitsluitend bewaard als bijdrage tot de
+natuurkundige geschiedenis van den mensch!"
+
+Ik had geen lust om die bewering tegen te spreken.
+
+"Indien ik het in een oplossing van zwavelzuur kon leggen," ging mijn
+oom voort, "zou ik er alle aardachtige aanhangselen en schulpen af
+weeken. Maar ik heb hier geen zwavelzuur. Intusschen, het zij zoo
+als het wil, het lijk zal ons zijn eigene geschiedenis verhalen."
+
+De professor nam het lijk en ging er mede om als de handigste vertooner
+van zeldzaamheden.
+
+"Gij ziet," hernam hij, "het haalt geen zes voet lengte, en wij zijn
+dus ver van de voorgewende reuzen. Wat het ras betreft, waartoe het
+behoort, dit is buiten allen twijfel het kaukasische, het blanke,
+het onze! De schedel is regelmatig eivormig, zonder vooruitstekende
+oogbeenderen of verlengde kaakbeenderen. Het vertoont geen spoor van
+prognathismus dat den gelaatshoek wijzigt [15]. Meet dien hoek, hij is
+bijna 90°. Maar ik zal nog verder gaan op den weg der gevolgtrekkingen,
+en dus zeggen, dat dit voorwerp behoort tot het ras van Japhet--den
+Indo-Germaanschen stam--, van Indië tot aan de westelijke streken
+van Europa verspreid. Lacht niet, mijne heeren!"
+
+Niemand vertrok een mond tot lachen; maar de professor was gewoon
+ongeloovige lachjes te zien verschijnen op het gelaat zijner
+toehoorders te midden van het uitkramen zijner geleerdheid.
+
+"Voorzeker," begon hij met nieuwe kracht weder, "wij hebben
+daar een voorwereldlijken mensch, tijdgenoot van de mastodonten,
+wier gebeenten daar in den omtrek verspreid liggen. Maar u zeggen
+hoe hij daar gekomen is, hoe de lagen, in welke hij is begraven
+geweest, tot in deze geweldige holte in de ingewanden der aarde zijn
+geschoven,--dat is iets waar ik mij niet aan wagen zal. Ongetwijfeld
+hadden gedurende het quaternaire tijdvak nog verbazende, omwentelingen
+in de aardschors plaats; de voortdurende afkoeling des aardbols
+veroorzaakte scheuren, spleten, kloven, waarin waarschijnlijk
+een gedeelte van den bovengrond wegzakte. Ik zal mij daarover niet
+uitlaten; hoe het zij, het menschelijk overblijfsel is daar, omringd
+door het werk zijner handen, die bijlen en bewerkte vuursteenen
+die het steentijdperk gevormd hebben; misschien is hij hier gekomen
+gelijk ik, als reiziger, als ontsteker van het licht der beschaving,
+maar aan de opgegeven oudheid van zijn bestaan kan ik niet twijfelen."
+
+De professor zweeg en ik deed als een éénig man luide toejuichingen
+hooren. Overigens, mijn oom had gelijk: geleerder mannen dan zijn
+neef zouden veel moeite gehad hebben hem te wederleggen.
+
+Iets anders nog ten bewijze. Het gevonden overblijfsel was niet het
+eenige in zijne soort in dit onmetelijke knekelhuis. Andere voorwerpen
+vertoonden zich bij elke schrede die wij deden, en mijn oom had
+slechts het merkwaardigste uit te zoeken om het aan ongeloovigen ter
+overtuiging voor te leggen.
+
+In waarheid, die bonte verzameling overblijfselen van menschen en
+dieren, op dit uitgestrekte kerkhof dooreenliggende, leverde een
+eigenaardig schouwspel op. Maar er rees eene belangrijke vraag op, die
+wij niet waagden te beantwoorden. Waren de overblijfselen herwaarts
+gedreven nadat de menschen en dieren, tot welke zij eenmaal hadden
+behoord, reeds hadden opgehouden te leven; of leefden en woonden zij
+eenmaal in deze onderaardsche wereld? Tot dusver hadden wij er alleen
+zeemonsters en visschen in leven gezien. Zwierf nog eenig onderaardsch
+mensch rond op deze woeste vlakten?
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIX
+
+ Voorwereldlijke planten en dieren.--Mosplanten.--Mastodonten.--De
+ aapmensch.--Niet op het uitgangspunt terug.--Een dolk.--Eene echte
+ dagge.
+
+
+Nog gedurende een half uur kraakten deze beenderenlagen onder onze
+voeten. Wij stapten voorwaarts, voortgedreven door eene brandende
+nieuwsgierigheid. Welke andere wonderen bevatte deze spelonk, welke
+schatten voor de wetenschap? Mijn blik was voorbereid op allerlei
+verrassingen, mijne verbeelding op allerlei merkwaardigheden.
+
+Het zeestrand was reeds lang achter de heuvels in het beenderendal
+verdwenen. De onvoorzichtige professor gaf er weinig om of hij van den
+weg geraakte en sleurde mij met zich voort. Zonder een woord te spreken
+en badende in de elektrieke golven, schreden wij voorwaarts. Tengevolge
+van een voor mij onverklaarbaar verschijnsel verspreidde zich het licht
+zoodanig, dat het gelijkelijk op al de deelen der voorwerpen viel. Het
+ging niet van een bepaald punt uit en vertoonde ook geen de minste
+schaduw. Het was even alsof men zich op den vollen middag, in het
+midden van den zomer, onder de loodrecht nedervallende zonnestralen
+tusschen de keerkringen bevond. Van damp geen het minste spoor. De
+rotsen, de verwijderde bergen, de nog verder afgelegen bosschen--het
+had alles een zonderling voorkomen onder de gelijkmatige verdeeling
+van de lichtende vloeistof. Wij geleken naar den man van Hoffmann,
+die geen schaduw had.
+
+Na eene wandeling van een mijl vertoonde zich de zoom van een
+onmetelijk woud, maar geen enkele der champignonboomen in de nabijheid
+van Gräubenhaven.
+
+Het was de plantenwereld van het tertiaire tijdperk in al hare
+heerlijkheid. Reusachtige palmboomen in soorten die tegenwoordig
+niet meer bestaan, prachtige dennen, cypressen en levensboomen
+vertegenwoordigden de kegeldragende boomen en waren onderling
+verbonden door een netwerk van slingerplanten. De grond was bedekt
+door een mollig tapijt van mosplanten en levermossen. Eenige beekjes
+murmelden onder het geboomte, dat echter geene schaduw van zich
+gaf. Langs de kanten van het water wiesen boomvarens, gelijkende naar
+die, welke men aantreft in de broeikassen der bewoonde aarde. Doch
+kleur hadden die boomen en heesters en planten niet, omdat zij het
+zonlicht misten. Alles was als met eene flauwe, bruinachtige tint
+overtogen. De bladeren misten hun groen, en de bloemen zelve, zoo
+talrijk in het tertiaire tijdperk, hadden kleur noch geur; 't was
+alsof zij vervaardigd waren van papier, verkleurd onder den invloed
+van den dampkring.
+
+Mijn oom Lidenbrock waagde zich onder die reusachtige takken. Ik
+volgde hem, niet zonder zekeren angst. Had de natuur daar gezorgd
+voor overvloed van plantenvoedsel, waarom zag men er geen dier
+reusachtige zoogdieren? Ik ontwaarde op de opene plekken, ontstaan
+door het omvallen van doode boomen, kruiden die tot de legumineusen,
+de acerinen, de rubiaceën behoorden, en voorts, duizenderlei eetbare
+struikgewassen, op welke de herkauwende dieren van alle tijden zoozeer
+aasden. Verder vertoonden zich, van alles dooreen, boomen zooals men
+ze in de verschillende streken des aardbols aantreft, eiken naast
+palmboomen, Australische mirten naast Noorweegsche dennen, Noordsche
+berken, hunne takken slingerende tusschen tropische tamerinden. Het
+was eene verzameling om de schranderste plantenkenners tot wanhoop
+te brengen.
+
+Op eens bleef ik stilstaan. Met de hand hield ik mijn oom terug.
+
+Het gelijkmatig verspreidde licht liet ook de kleinste voorwerpen
+op den grond onder het geboomte waarnemen. Ik geloofde te
+zien.... Neen! inderdaad, ik zag er wezenlijk, met mijne oogen, eene
+dierenwereld in beweging. Inderdaad, het waren reusachtige dieren,
+eene geheele kudde mastodonten, nu geene geraamten, maar levende
+dieren, gelijkende op die, waarvan de overblijfselen in 1801 in de
+moerassen van de Ohio gevonden zijn. Ik zag die groote olifanten,
+welker snuiten onder de boomen kronkelden als eene menigte slangen. Ik
+hoorde hun ivoren slagtanden tegen de oude stammen slaan. De takken
+braken af en de bladeren verdwenen in den open muil dier wangedrochten.
+
+Zoo was dan eindelijk de droom verwezenlijkt, in welken ik die geheele
+voorhistorische wereld had zien herleven in den tertiairen en den
+quaternairen tijd! En wij stonden daar, alléén, in de ingewanden der
+aarde, ter prooi aan het woeste gedierte!
+
+Mijn oom zag nauwlettend om zich heen.
+
+"Kom," zeide hij, mij bij den arm nemende, "voorwaarts, voorwaarts!"
+
+"Neen!" riep ik uit, "dat niet. Wij zijn ongewapend. Wat zouden
+wij doen in het midden dezer menigte reusachtige dieren? Kom, oom,
+kom! Geen menschelijk wezen is in staat om ongestraft de woede dier
+gedierten te tergen."
+
+"Geen menschelijk wezen!" antwoordde mijn oom met zachte stem. "Dat
+hebt gij mis, Axel! Zie, daar omlaag! Mij dunkt ik zie een wezen als
+wij zijn! Een mensch!"
+
+Met opgetrokken schouders zag ik toe, vast besloten om de
+ongeloovigheid tot het uiterste te drijven. Maar ik was wel genoodzaakt
+voor de klaarblijkelijkheid te zwichten.
+
+Inderdaad, op minstens een vierde mijl afstand, zat, leunende tegen
+een reusachtigen boom, een menschelijk wezen, een Proteus in deze
+onderaardsche gewesten, een nieuwe zoon van Neptunus, de wacht te
+houden over die ontelbare kudde mastodonten!
+
+
+ Hoeder van een reuzenkudde,
+ Maar toch zelf nog grooter reus!
+
+
+Ja! zelf nog grooter reus! 't Was nu niet het menschelijk
+overblijfsel dat wij hadden opgenomen te midden dier onmetelijke
+beenderenwereld, maar een reus, in staat om gebied te voeren over
+die monsterdieren. Zijne grootte ging de twaalf voet te boven. Zijn
+hoofd, zoo groot als dat van een buffel, verschool zich onder een
+kreupelbosch van verwarde haren. Het schenen manen, gelijkende naar
+die van den voorwereldlijken olifant. Hij slingerde met de hand een
+reusachtigen tak, waardigen staf van dezen voorwereldlijken herder.
+
+Onbeweeglijk en in verbazing waren wij blijven staan. Maar wij konden
+opgemerkt worden. Het was tijd het hazepad te kiezen.
+
+"Kom, kom!" riep ik uit, mijn oom voorttrekkende, die zich voor het
+eerst liet medetrekken.
+
+Een kwartier later waren wij uit het oog van dezen gevreesden vijand.
+
+En nu ik er bedaard over nadenk, nu mijn geest tot kalmte is
+teruggekeerd, nu er maanden zijn verloopen na deze vreemde en
+bovennatuurlijke ontmoeting--wat moet ik er nu van denken? Wat er van
+gelooven? Neen! het is onmogelijk! Onze zintuigen hebben ons bedrogen;
+onze oogen hebben niet gezien hetgeen wij waanden dat zij zagen. Er
+leeft geen menschelijk wezen in die onderaardsche wereld! Geen
+menschengeslacht bewoont die onderaardsche spelonken, buiten
+gemeenschap met de bovenwereld! Dat is onzinnig, volkomen onzinnig!
+
+Ik wil liever denken aan een of ander dier, dat min of meer iets
+heeft van de gedaanten des menschen, aan eene soort van aap, aan een
+protopitheek of mesopitheek, omtrent zooals er Lartet de overblijfselen
+van aantrof in de beenderenlaag van Sansan! Maar deze aapmensch
+overschreed ver elke afmeting van de thans bekende wezens uit den
+vóórtijd! Om 't even! Een aap, ja, een aap, hoe onwaarschijnlijk het
+dan ook moge wezen! Maar een mensch, een levend mensch, en met hem een
+geheel menschengeslacht, begraven in de ingewanden der aarde! Nimmer!
+
+Intusschen, wij hadden het heldere, lichtvolle bosch verlaten,
+stom van verwondering, overstelpt door eene verbazing die ons als
+wezenloos maakte. Wij liepen snel, in weerwil van ons zelven. Het
+was een ware vlucht, gelijksoortig aan den geweldigen angst dien men
+bij de zoogenoemde nachtmerrie gevoelt. Als onder den invloed eener
+geheime aandrift keerden wij terug naar de Lidenbrock-zee, en ik weet
+niet welke voorstellingen mijne ziel al doorkruist zouden hebben,
+ware het niet, dat ik op andere wijze naar meer gewone gedachten
+werd heengeleid.
+
+Hoewel ik zeker was een geheel anderen bodem te betreden, bemerkte ik
+toch menigmaal gemengde rotsen, wier gedaante mij aan Gräubenhaven deed
+denken. Men zou er zich soms in bedrogen hebben; beken en watervallen
+stortten bij honderden van de uitstekende rotsen af.
+
+Ik verbeelde mij de laag Surtarbrandur, onze getrouwe Hansbeek en
+de grot, waarin ik in het leven teruggekeerd was, weder te zien;
+iets verder brachten de schikking der voorgebergten, de verschijning
+eener beek, het verrassende voorkomen eener rots, mij weder aan
+het twijfelen.
+
+De professor was even besluiteloos als ik; hij kon den weg niet vinden
+in dat eenvormige panorama. Ik maakte het op uit eenige woorden,
+die hem ontvielen.
+
+"Het is zeker," zeide ik hem, "dat wij niet op ons uitgangspunt terug
+gekomen zijn; maar als wij den oever langs varen, komen wij stellig
+weder bij Gräubenhaven terug."
+
+"Als dat zoo is," antwoordde mijn oom, "is het noodeloos om dit
+onderzoek voort te zetten en het beste is naar het vlot terug te
+keeren. Maar vergist gij u niet, Axel?"
+
+"Het is moeielijk dienaangaande iets te beslissen, want al die rotsen
+gelijken op elkander. Mij dunkt echter, dat ik het voorgebergte herken,
+aan welks voet Hans zijn vaartuig heeft gebouwd. Wij moeten dicht bij
+de kleine haven zijn, misschien is deze het wel," voegde ik er bij,
+eene kleine streek onderzoekende, die ik meende te herkennen.
+
+"Wel neen, Axel! dan zouden wij ten minste onze eigene sporen
+terugvinden, en ik zie niets...."
+
+"Maar ik zie wat!" riep ik naar een voorwerp toeloopende, dat op het
+zand blonk.
+
+"Wat is het dan?"
+
+"Ziedaar!" antwoordde ik, en toonde mijn oom een dolk, dien ik had
+opgeraapt.
+
+"Hadt gij dan dat wapen medegenomen?" zeide hij.
+
+"Ik, in het geheel niet, maar gij veronderstel ik."
+
+"Zoo ver ik weet, niet; ik heb dat voorwerp nooit in mijn bezit gehad."
+
+"En ik nog minder, oom!"
+
+"Dat is vreemd."
+
+"Wel neen! het is zeer eenvoudig; de IJslanders hebben dikwijls
+zulke wapenen, en Hans, wien dit toebehoort, heeft het op dezen
+oever verloren...."
+
+"Hans!" zeide mijn oom het hoofd schuddende.
+
+Vervolgens onderzocht hij oplettend het wapen.
+
+"Axel!" zeide hij mij op een ernstigen toon, "deze dolk is een wapen
+uit de zestiende eeuw, eene echte dagge, zooals de edellieden ze aan
+hun gordel droegen om den genadestoot te geven; hij is van spaanschen
+oorsprong; hij behoort u, noch mij, noch den jager!"
+
+"Durft gij zeggen?"....
+
+"Zie! die schaarden zijn er niet ingekomen door hem menschen in de
+keel te duwen; zijn lemmet is met eene laag roest bedekt, die niet
+dagteekent van één dag, van één jaar, noch van één eeuw!"
+
+De professor werd naar gewoonte opgewonden, terwijl hij zich door
+zijne verbeelding liet medeslepen.
+
+"Axel!" hernam hij, "wij zijn op den goeden weg van de groote
+ontdekking! Dit lemmet is sedert een, twee, drie honderd jaar op het
+zand blijven liggen, en is geschaard op de rotsen dezer onderaardsche
+zee!"
+
+"Maar het is hier niet van zelf gekomen!" riep ik uit; "het is niet
+van zelf geschaard! iemand is ons voor geweest!..."
+
+"Ja, een man?"
+
+"En die man?"
+
+"Die man heeft zijn naam met dezen dolk gegrift! Die man heeft nog
+eens eigenhandig den weg naar het middelpunt willen aanwijzen! Laten
+wij zoeken! laten wij zoeken!"
+
+En vol belangstelling gaan wij den hoogen muur langs en onderzoeken
+de geringste scheuren, die in eene galerij konden overgaan.
+
+Zoo kwamen wij op eene plaats, waar de oever smaller werd. De zee
+bespeelde bijna den voet der voorgebergten, een pad van ter nauwernood
+een vadem breed overlatende. Tusschen twee vooruitstekende rotsen
+bemerkte men den ingang van een duisteren tunnel.
+
+Daar stonden op een granietblok twee geheimzinnige, half uitgewischte
+letters, de beide voorletters van den stoutmoedigen, avontuurlijken
+reiziger:
+
+[AFBEELDING]
+
+"A.S.!" riep mijn oom. "Arne Saknussemm! Altijd Arne Saknussemm!"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XL
+
+ Arne Saknussemm.--Altijd dalen.--De schepen verbranden.--Een
+ weg voor de lava.--De mijn moet springen.
+
+
+Sedert den aanvang der reis had ik mij over veel verwonderd; ik mocht
+dus meenen, dat ik op mijne hoede was tegen verrassingen en gewapend
+tegen elke verbaasdheid. Op het gezicht echter van die beide letters,
+die daar reeds voor tweehonderd jaar gegrift waren, stond ik bijna
+zoo onnoozel te kijken als een domoor.
+
+Niet alleen las ik de naamteekening van den geleerden goudzoeker op
+de rots, maar ook de stift, waarmede zij gegrift was, bevond zich in
+mijne handen. Zonder in het oogloopend wantrouwend te zijn, kon ik
+niet langer twijfelen aan het bestaan van den reiziger en de echtheid
+zijner reis.
+
+Terwijl die gedachten in mij opkwamen, hief professor Lidenbrock een
+min of meer gezwollen lied aan ter eere van Arne Saknussemm.
+
+"Wonderlijke geest!" riep hij uit, "gij hebt niets over het hoofd
+gezien, wat anderen stervelingen den weg door de aardschors kan banen,
+en zij die u gelijken, kunnen de sporen terugvinden die uwe voeten voor
+drie eeuwen op den boden dezer duistere onderaardsche gewelven hebben
+achtergelaten! Voor andere blikken dan de uwen hebt gij de beschouwing
+dezer wonderen bespaard! Uw op iedere rustplaats gegrifte naam geleidt
+den reiziger, die stoutmoedig genoeg is om u te volgen, recht op het
+doel aan, en in het middelpunt onzer planeet zal hij ook staan, met
+uwe eigene hand gegrift. Welnu! ook ik zal deze laatste bladzijde van
+graniet met mijn naam teekenen! Maar dat van nu af deze door u geziene
+kaap, bij deze door u ontdekte zee, voor altijd kaap Saknussemm heete!"
+
+Dit of iets dergelijks hoorde ik, en ik voelde mij aangrijpen door
+de geestdrift, welke deze woorden ademden. Een inwendig vuur werd
+in mijn boezem aangeblazen! Ik vergat alles, de gevaren der reis
+en die der terugreis. Wat een ander gedaan had, wilde ik ook doen,
+en niets wat menschelijk was scheen mij onmogelijk toe!
+
+"Voorwaarts! voorwaarts!" riep ik.
+
+Ik snelde reeds naar de donkere galerij, toen de professor mij
+tegenhield, en hij, de driftige man, mij geduld en koelbloedigheid
+aanried.
+
+"Laten wij eerst naar Hans terugkeeren," sprak hij, "en het vlot
+hier brengen."
+
+Ik gehoorzaamde, niet zonder tegenzin, en liep snel tusschen de rotsen
+aan den oever door.
+
+"Weet gij wel, oom!" zeide ik onder het loopen, "dat de omstandigheden
+ons tot nu toe bijzonder begunstigd hebben?"
+
+"Zoo! vindt gij dat, Axel?"
+
+"Zonder twijfel! Of heeft zelfs de storm ons niet op den rechten weg
+teruggebracht? Gezegend zij het onweder! Het heeft ons teruggevoerd op
+die kust, waarvan het schoone weder ons had verwijderd! Veronderstel
+eens, dat wij met onzen steven (den steven van een vlot!) de zuidelijke
+kusten der Lidenbrock-zee hadden bereikt, wat zou er dan van ons
+geworden zijn? De naam van Saknussemm zou ons niet onder de oogen
+gekomen zijn, en wij zouden nu verlaten zijn op een strand zonder
+uitweg."
+
+"Ja, Axel! het is het bestuur der voorzienigheid, dat wij, naar het
+zuiden varende, juist in het noorden en bij kaap Saknussemm terecht
+gekomen zijn. Ik moet zeggen, dat dit meer dan vreemd is, en dat het
+een feit is, waarvoor ik volstrekt geene verklaring kan vinden."
+
+"Wat komt er dat op aan! het is niet de vraag om feiten te verklaren,
+maar er ons voordeel mee te doen!"
+
+"Zonder twijfel, mijn jongen? maar...."
+
+"Maar wij zullen weder den weg naar het noorden inslaan, onder de
+noordelijke landen van Europa, Zweden, Rusland, Siberië weet ik
+het! doorgaan, in plaats van af te dalen onder de woestijnen van
+Afrika of de golven van den Oceaan, en verder wil ik van niets weten!"
+
+"Ja, Axel! gij hebt gelijk, en alles is heel goed, daar wij nu die
+waterpasse zee verlaten, die tot niets kon leiden. Wij gaan dalen, nog
+eens dalen, altijd dalen! Weet gij wel, dat wij om het middelpunt van
+den aardbol te bereiken nog maar vijftien honderd uur gaans behoeven
+af te leggen!"
+
+"Ba!" riep ik uit, "dat is waarlijk de moeite niet waard om er van
+te spreken! Op weg! op weg!"
+
+Deze zinnelooze gesprekken duurden nog voort, toen wij bij den jager
+kwamen. Alles was gereed om onmiddellijk af te reizen; geene kist
+of zij was aan boord, wij namen plaats op het vlot, en zoodra het
+zeil was geheschen, richtte Hans den steven naar de kaap Saknussemm,
+steeds de kust houdende.
+
+De wind was niet gunstig voor een vaartuig gelijk het onze, dat niet
+scherp bij den wind kon houden. Ook moesten wij het op menige plaats
+met onze met ijzer beslagen stokken voorduwen. Dikwijls dwongen ons
+de rotsen, die zich in de waterlijn verlengden, om vrij lange omwegen
+te maken. Eindelijk, na eene vaart van drie uur, dat is te zeggen
+tegen zes uur des avonds, bereikten wij eene geschikte landingsplaats.
+
+Ik sprong aan land, gevolgd door mijn oom en den IJslander.
+
+Die overtocht had mij niet tot bedaren gebracht. Integendeel. Ik
+stelde zelfs voor om "onze schepen" te verbranden, ten einde ons
+zelven den terugtocht af te snijden. Maar mijn oom verzette zich er
+tegen. Ik vond, dat hij bijzonder koel was.
+
+"Laten wij dan ten minste zonder tijdverlies vertrekken," zeide ik.
+
+"Ja, mijn jongen! maar vooraf zullen wij deze nieuwe galerij
+onderzoeken om te weten, of wij onze ladders gereed moeten maken."
+
+Mijn oom bracht den toestel van Ruhmkorff in werking; het vlot werd,
+aan den oever vastgemaakt, alleen gelaten; de opening der galerij
+was er dan ook geene twintig pas af, en onze kleine troep ging er
+terstond heen, met mij aan het hoofd.
+
+De bijna cirkelvormige opening had eene middellijn van omtrent vijf
+voet; de duistere tunnel was in de harde rots uitgehouwen en netjes
+gepolijst door de uitgebraakte stoffen, waaraan hij vroeger tot weg
+diende; zijn laagste gedeelte lag met den grond in hetzelfde vlak,
+zoodat wij er zonder eenige moeite in konden doordringen.
+
+Wij volgden een bijna waterpassen bodem, toen, nadat wij zes schreden
+ver waren, onze tocht werd gestuit door een daar liggend verbazend
+groot rotsblok.
+
+"Vervloekt blok!" riep ik toornig uit, toen ik mij zoo plotseling
+zag ophouden door een onoverkomelijken hinderpaal.
+
+Wij zochten te vergeefs links en rechts, boven en beneden, er bestond
+geen doorgang, geene splitsing. Ik was diep teleurgesteld en wilde
+de wezenlijkheid van dien hinderpaal niet aannemen. Ik bukte. Ik zag
+onder het blok. Geene tusschenruimte. Er boven. Dezelfde granieten
+slagboom. Hans hield het licht van de lamp bij ieder punt van den wand,
+maar hij was nergens afgebroken. Wij moesten alle hoop opgeven om er
+door te komen.
+
+Ik was op den grond gaan zitten; mijn oom liep met groote schreden
+den gang op en neder. "Maar Saknussemm dan?" riep ik.
+
+"Ja!" zeide mijn oom, "is hij dan door deze steenen deur tegen
+gehouden?"
+
+"Neen! neen!" hernam ik driftig. "Dit rotsblok heeft, tengevolge van
+den een of anderen schok of van een dier magnetische verschijnselen,
+die de aardschors schudden, plotseling dezen doorgang gesloten. Er
+zijn vele jaren verloopen tusschen den terugkeer van Saknussemm en den
+val van dit blok. Is het niet duidelijk, dat deze galerij voorheen
+een weg voor de lava is geweest en dat de uitgebraakte stoffen er
+toen onbelemmerd doorstroomden? Zie! dit granieten dak vertoont nog
+jonge scheuren; het bestaat uit samengevoegde stukken, uit verbazend
+groote steenen, alsof eene reuzenhand aan dezen onderbouw had gewerkt;
+maar eens is de schok heviger geweest, en dit blok, dat gelijkt op
+een ontbrekenden sleutel van het gewelf, is op den grond gegleden en
+heeft den doortocht versperd. Het is een toevallige hinderpaal, dien
+Saknussemm niet heeft aangetroffen, en als wij hem niet omverwerpen,
+dan zijn wij niet waard het middelpunt der aarde te bereiken!"
+
+Zoo sprak ik! De ziel des professors was geheel in mij overgegaan. De
+zucht tot ontdekkingen bezielde mij.
+
+Ik vergat het verledenene, ik verachtte de toekomst. Er bestond voor
+mij niets meer op de oppervlakte van den bol, in welks binnenste ik
+begraven was, steden, noch velden, noch Hamburg, noch Koningstraat,
+noch mijne arme Gräuben, die mij voor altoos verloren moest wanen in
+de ingewanden der aarde....
+
+"Welnu!" hernam mijn oom, "laten wij ons met het houweel en het
+breekijzer een weg banen en die muren omverwerpen!"
+
+"Het is te hard voor het breekijzer!" riep ik.
+
+"Dan het houweel!"
+
+"Met het houweel zal het te lang duren!"
+
+"Maar!..."
+
+"Welnu! het kruit! de mijn! Laten wij eene mijn aanleggen, en den
+hinderpaal in de lucht doen springen!"
+
+"Het kruit!"
+
+"Ja! het is maar een rotsblok, dat verbrijzeld moet worden!"
+
+"Hans! aan het werk!" riep mijn oom.
+
+De IJslander keerde naar het vlot terug en kwam spoedig met een
+breekijzer weder, waarvan hij zich bediende om eene mijnkamer te
+graven. Het was geen gemakkelijk werk.
+
+Er moest een gat gemaakt worden groot genoeg om vijftig pond
+schietkatoen te bevatten, welks uitzettend vermogen viermaal grooter
+is dan van het buskruit.
+
+Ik was verbazend opgewonden. Terwijl Hans werkte, hielp ik vlijtig
+mijn oom om een lange lont te vervaardigen van natgemaakt kruit,
+gewikkeld in eene linnen buis.
+
+"Wij zullen er doorkomen!" zeide ik.
+
+"Wij zullen er doorkomen!" herhaalde mijn oom.
+
+Tegen middernacht was onze mijnarbeid geheel voltooid; de lading
+schietkatoen was in de kamer gestopt en de lont door de galerij
+heengelegd, zoodat zij daarbuiten uitkwam.
+
+Eene vonk was genoeg om dit geduchte vernielingswerktuig in werking
+te brengen.
+
+"Tot morgen!" zeide de professor.
+
+Ik moest mij wel onderwerpen en nog zes lange uren wachten!
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XLI
+
+ De mijn gesprongen.--De ontploffing.--Snelle vaart van het vlot.
+ --De woede van den stortvloed.--Onverwachte overstrooming.
+
+
+De volgende dag, Donderdag de 27ste Augustus, was een merkwaardig
+tijdstip onzer onderaardsche reis. Ik kan er niet aan denken, zonder
+dat de schrik mijn hart doet kloppen. Van dit oogenblik af hebben
+onze rede, ons oordeel, onze vindingrijkheid geene stem meer in den
+raad en worden wij de speelbal der natuurverschijnselen.
+
+Te zes uur waren wij op de been. Het oogenblik naderde, waarop het
+kruit ons een doortocht moest banen door de schors van graniet.
+
+Ik verzocht om de eer de mijn te ontsteken. Als dat gedaan was,
+moest ik mij bij mijne makkers voegen op het vlot, dat niet ontladen
+was; dan zouden wij van wal steken om de gevaren der ontploffing te
+ontwijken, welker uitwerkselen zich wellicht niet tot het inwendige
+der vaste massa zouden bepalen.
+
+De lont moest naar onze berekening tien minuten branden, alvorens
+het vuur de kruitkamer kon bereiken. Ik had dus den noodigen tijd om
+weder op het vlot te komen.
+
+Niet zonder eene zekere ontroering maakte ik mij gereed om mijne taak
+te vervullen.
+
+Na een korten maaltijd gingen mijn oom en de jager scheep, terwijl ik
+op den oever achterbleef. Ik was voorzien van eene brandende lantaarn,
+die mij dienen moest om de lont aan te steken.
+
+"Ga, mijn jongen!" sprak mijn oom, "en kom dadelijk weder bij ons."
+
+"Wees gerust!" antwoordde ik, "ik zal onderweg niet loopen spelen."
+
+Terstond begaf ik mij naar de opening der galerij. Ik maakte mijne
+lantaarn open en greep het uiteinde der lont.
+
+De professor hield zijn tijdmeter in de hand.
+
+"Zijt gij gereed?" riep hij mij toe.
+
+"Ik ben gereed!"
+
+"Welaan dan! vuur, mijn jongen!"
+
+Ik stak de lont, die bij de aanraking knetterde, gezwind in de vlam
+en liep pijlsnel naar den oever.
+
+"Kom aan boord!" zeide mijn oom, "steek van wal!"
+
+Met een krachtigen stoot verwijderde Hans ons van den oever. Het vlot
+dreef omtrent twintig vadem ver.
+
+Het was een benauwd oogenblik. De professor staarde op den wijzer
+van den tijdmeter.
+
+"Nog vijf minuten," zeide hij. "Nog vier. Nog drie."
+
+Mijn pols klopte gejaagd.
+
+"Nog twee. Eene!.... Stort in, bergen van graniet."
+
+Wat gebeurde er toen? Ik geloof, dat ik het geraas van de ontploffing
+niet hoorde. Maar de gedaante der rotsen veranderde plotseling voor
+mijn oog; zij gingen als een gordijn open. Ik bemerkte een onpeilbaren
+afgrond, die zich in den oever opende. De zee, door schrik bevangen,
+was slechts één onzettend groote golf, op wier rug het vlot zich
+loodrecht verhief.
+
+Wij werden alle drie omvergeworpen. In minder dan eene seconde maakte
+het licht plaats voor de zwartste duisternis. Vervolgens voelde ik
+het steunpunt ontzinken, niet aan mijne voeten, maar aan het vlot. Ik
+geloofde, dat het rechtstandig zonk. Maar dat was zoo niet. Al had
+ik tot mijn oom willen spreken, dan zou toch het geloei van het water
+hem belet hebben mij te verstaan.
+
+In weerwil van de duisternis, het geraas, de verbazing, de
+ontsteltenis, begreep ik wat er gebeurd was.
+
+Aan gene zijde van de rots, die wij hadden laten springen, bestond een
+afgrond. De uitbarsting had eene soort van aardbeving teweeg gebracht
+in dezen door scheuren doorsneden grond; de afgrond had zich geopend,
+en de zee, in een stortvloed veranderd, sleepte ons er in mede.
+
+Ik gevoelde, dat ik verloren was.
+
+Een, twee uren, weet ik het! gingen zoo voorbij. Wij drongen ons
+tegen elkander aan, wij hielden elkaars handen vast, om niet van
+het vlot geslagen te worden; allerhevigste schokken hadden plaats,
+wanneer het tegen den muur stiet. Toch waren die schokken zeldzaam,
+waaruit ik opmaakte, dat de galerij werkelijk breeder werd. Er was
+geen twijfelen aan, het was de weg van Saknussemm, maar in plaats
+van hem alleen te begaan, hadden wij door onze onvoorzichtigheid eene
+geheele zee medegesleept.
+
+Men begrijpt licht, dat die gedachten zich in een onbepaalden en
+duisteren vorm aan mijn geest voordeden. Ik kon ze met moeite verbinden
+gedurende dezen duizelingwekkenden tocht, die op een val geleek. Naar
+den wind te oordeelen, die mijn aangezicht zweepte, moest hij de
+snelste treinen in vaart overtreffen. In deze omstandigheden eene
+toorts aan te steken was dus onmogelijk, en onze laatste electrieke
+toestel was, op het oogenblik van de ontploffing, gebroken.
+
+Het verbaasde mij dus zeer, toen ik eensklaps een licht bij mij zag
+schitteren. Het kalme gelaat van Hans werd er door beschenen. Het was
+den behendigen jager gelukt de lantaarn aan te steken, en hoewel hare
+vlam trilde, alsof zij uit wilde gaan, wierp zij toch eenig schijnsel
+in de verschrikkelijke duisternis.
+
+De galerij was breed. Mijn vermoeden werd dus bevestigd. Ons
+onvoldoend licht veroorloofde ons niet de beide wanden te gelijk te
+zien. De helling van het water, dat ons medevoerde, overtrof die
+der onoverkomelijkste watervallen van Amerika; zijne oppervlakte
+scheen te bestaan uit een bundel pijlen die met verbazende kracht
+waren afgeschoten. Ik kan den indruk, dien ik ondervond, door geene
+juistere vergelijking wedergeven. Het vlot, soms in eene draaikolk
+rakende, schoot al ronddraaiende verder. Wanneer het de wanden der
+galerij naderde, liet ik het licht der lantaarn er op vallen, en ik
+kon over zijne snelheid oordeelen, daar ik de uitspringende rotspunten
+in verlengde lijnen zag veranderen, zoodat wij besloten waren in een
+net van beweeglijke lijnen. Ik schatte onze vaart op dertig uur gaans
+per uur.
+
+Mijn oom en ik, leunende tegen de stomp van den mast, die op het
+oogenblik van de ramp weggeslagen was, zagen elkander met verwilderde
+oogen aan. Wij keerden den rug naar den luchtstroom, om niet gesmoord
+te worden door de snelheid eener beweging, die geene menschelijke
+macht kon beteugelen.
+
+Intusschen verliepen de uren. De toestand veranderde niet, maar een
+voorval maakte hem nog ingewikkelder.
+
+Toen ik trachtte een weinig orde in de lading te brengen, zag ik dat
+het grootste gedeelte der aan boord gebrachte voorwerpen verdwenen was
+op het oogenblik der ontploffing, toen de zee ons met zooveel geweld
+aangreep. Ik wilde nauwkeurig weten, hoe het met onze hulpmiddelen
+stond, en met de lantaarn in de hand begon ik mijne nasporingen. Van
+onze werktuigen was er niets over dan het kompas en de tijdmeter. De
+ladders en touwen waren weg, op een eindje kabel na, dat om de stomp
+van den mast zat.
+
+Geen houweel, geen breekijzer, geen hamer was er meer, en,
+onherstelbaar ongeluk! wij hadden voor geen dag levensmiddelen meer!
+
+Ik begon de tusschenruimten van het vlot, de kleinste hoekjes door de
+balken en de samengevoegde planken gevormd, te doorzoeken. Niets! Al
+onze voorraad bestond slechts uit een stuk gedroogd vleesch en wat
+beschuit!
+
+Wat stond ik versuft te kijken! Ik wilde het maar niet begrijpen! En
+toch over welk gevaar bekommerde ik mij? Al ware er mondvoorraad genoeg
+geweest voor maanden, voor jaren, hoe zouden wij nog uit die afgronden
+komen, waarin die onweerstaanbare stortvloed ons medesleepte? Waarom
+zouden wij de martelingen van den honger vreezen, als de dood zich
+reeds onder zoo vele andere gedaanten vertoonde? Zouden wij den tijd
+hebben om van gebrek om te komen?
+
+En echter vergat ik door eene onverklaarbare gril der verbeelding
+het onmiddellijke gevaar, voor de bedreigingen der toekomst, die mij
+in al hare verschrikkelijkheid voor den geest zweefden. Bovendien
+zouden wij misschien aan de woede van den stortvloed kunnen ontkomen
+en op de oppervlakte van den aardbol terugkeeren. Hoe? dat wist ik
+niet! Waar? Dat kon mij niet schelen! Eene kans van de duizend is
+toch altijd eene kans, terwijl de hongerdood ons ook niet de geringste
+hoop overliet.
+
+Ik dacht er over om alles aan mijn oom te zeggen, hem aan te toonen hoe
+bitter slecht wij voorzien waren, en nauwkeurig den tijd te berekenen,
+dien wij nog te leven hadden. Maar ik had den moed om te zwijgen. Ik
+wilde hem niet van zijn koelbloedigheid berooven.
+
+Op dit oogenblik verflauwde het licht der lantaarn allengs en ging
+uit. De pit was geheel opgebrand. Het werd stikdonker. Er viel niet
+meer aan te denken om die ondoordringbare duisternis te verdrijven. Er
+bleef nog eene toorts over, maar wij zouden haar niet brandende kunnen
+houden. Nu sloot ik als een kind mijne oogen om die verschrikkelijke
+duisternis niet te zien.
+
+Na een vrij lang tijdsverloop verdubbelde de snelheid onzer vaart. Ik
+bespeurde het aan de terugkaatsing der lucht op mijn gelaat. Het water
+liep verbazend snel af. Ik geloof waarlijk, dat wij niet meer dreven,
+maar vielen. Ik had een gevoel, alsof ik loodrecht nederviel. De
+hand van mijn oom en die van Hans, om mijne armen gekneld, hielden
+mij met kracht tegen.
+
+Na een onberekenbaar tijdsverloop voelde ik eensklaps iets als een
+schok; het vlot had niet tegen een hard lichaam gestooten, maar was
+plotseling in zijn val gestuit. Eene waterhoos, eene onmetelijke
+vloeibare zuil viel op zijne oppervlakte neder. Ik stikte. Ik verdronk.
+
+Die onverwachte overstrooming duurde echter niet lang. Binnen weinige
+seconden ademde ik weder met volle teugen de vrije lucht in. Mijn oom
+en Hans hielden mij zoo stevig vast, dat mijn arm bijna verbrijzeld
+werd, en het vlot droeg ons nog alle drie.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XLII
+
+ De nauwe put.--Geen voedsel meer.--Levend verbranden.--De
+ laatste maaltijd.--Een gloeiende dampkring.
+
+
+Het moet naar mijne gissing 's avonds omstreeks tien uur geweest
+zijn. Het eerste mijner zintuigen, dat na dien laatsten stoot mij
+weder ten dienste stond, was het gehoor. Ik hoorde bijna terstond,
+want het was inderdaad eene zaak van het gehoor, dat er stilte in
+de galerij ontstond en op het geloei volgde, dat sedert zoovele uren
+mijn oor vervulde. Eindelijk drongen deze woord en van mijn oom als
+een gemompel tot mij door:
+
+"Wij stijgen!"
+
+"Wat zegt gij daar?" riep ik.
+
+"Ja! wij stijgen! wij stijgen!"
+
+Ik stak den arm uit; ik raakte den muur aan; mijne hand begon te
+bloeden. Wij stegen weder met verbazende snelheid.
+
+"De toorts! de toorts!" riep de professor.
+
+Het gelukte Hans, echter niet zonder veel moeite, om haar te ontsteken,
+en hoewel de vlam van boven naar beneden woei ten gevolge van de
+stijgende beweging, verspreidde zij genoeg helderheid om het geheele
+tooneel te verlichten.
+
+"Het is zooals ik dacht," zeide mijn oom. "Wij zijn in een nauwen put,
+die geene drie vadem middellijn heeft. Nu het water op den bodem van
+den afgrond is gekomen, herneemt het zijn waterpassen stand en voert
+ons mede omhoog."
+
+"Waarheen?"
+
+"Dat weet ik niet, maar wij moeten ons op alles voorbereid houden. Wij
+stijgen met eene snelheid, die ik op twee vadem per seconde bereken,
+dat is honderd twintig vadem per minuut of meer dan twee en een derde
+uur gaans per uur. Op die wijze vorderen wij goed."
+
+"ja! als niets ons stuit, als deze put een uitgang heeft! Maar als
+hij verstopt is, als de lucht langzamerhand samengeperst wordt onder
+de drukking der waterkolom, als wij verpletterd worden!"
+
+"Axel!" antwoordde de professor heel bedaard, "de toestand is bijna
+wanhopig, maar er zijn eenige kansen van redding en die onderzoek
+ik. Kunnen wij al ieder oogenblik omkomen, wij kunnen even goed ieder
+oogenblik gered worden. Wees er dus op bedacht om van de geringste
+omstandigheden partij te trekken."
+
+"Maar wat moet ik doen?"
+
+"Eten om uwe krachten te herstellen."
+
+Op die woorden zag ik mijn oom met een verwilderden blik aan. Wat ik
+tot nu toe had verzwegen, moest ik eindelijk zeggen:
+
+"Eten?" herhaalde ik.
+
+"Ja! zonder uitstel."
+
+De professor voegde er in het deensch eenige woorden bij. Hans schudde
+het hoofd.
+
+"Hoe!" riep mijn oom, "is onze voorraad weg?"
+
+"Ja! dit is alles wat nog over is: een stuk droog vleesch voor ons
+drieën!"
+
+Mijn oom zag mij aan, zonder mijne woorden te willen begrijpen.
+
+"Welnu!" zeide ik, "denkt gij, dat wij nog gered kunnen worden?"
+
+Er volgde op mijne vraag geen antwoord.
+
+Een uur verliep. Ik begon een ergen honger te krijgen. Mijne
+metgezellen leden ook, en niemand onzer durfde deze handvol
+levensmiddelen aanraken.
+
+Intusschen stegen wij nog altijd snel; soms belemmerde de lucht
+onze ademhaling, gelijk de luchtreizigers die te snel stijgen,
+het soms ondervinden. Maar dezen voelen eene koude, die toeneemt
+naar mate zij in hoogere luchtlagen komen; wij ondergingen juist het
+tegenovergestelde. De warmte nam op eene onrustbarende wijze toe en
+steeg zeker wel tot veertig graden.
+
+Wat beteekende die verandering? Tot nu toe hadden de feiten
+de theoriën van Davy en Lidenbrock bevestigd; tot nu toe hadden,
+bijzondere omstandigheden van tegen het vuur bestand zijnde rotsen, van
+electriciteit, van magnetismus, de algemeene natuurwetten gewijzigd;
+want de theorie van het inwendige vuur bleef, mijns inziens, de eenige
+ware, de eenige verklaarbare. Zouden wij nu op eene plaats komen,
+waar die verschijnselen zich in volle kracht openbaarden en waar de
+hitte de rotsen volkomen smeltend maakte? Ik vreesde het en zeide
+tot den professor:
+
+"Al verdrinken wij niet, al worden wij niet verpletterd, al sterven
+wij niet van honger, dan hebben wij toch altijd nog kans van levend
+te verbranden."
+
+Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen en verviel weder
+in gepeins.
+
+Een uur verliep en met uitzondering van een geringe toeneming
+van hitte, bracht geen voorval eenige verandering in onzen
+toestand. Eindelijk verbrak mijn oom het stilzwijgen.
+
+"Welaan!" zeide hij, "wij moeten een besluit nemen."
+
+"Een besluit nemen?" antwoordde ik.
+
+"Ja! wij moeten onze krachten herstellen. Als wij ons leven eenige uren
+trachten te rekken door de overschietende levensmiddelen te sparen,
+zullen wij tot het einde toe zwak zijn."
+
+"Ja, tot het einde toe, dat niet lang zal uitblijven."
+
+"Welnu! als er zich een kans op redding voordoet, als er een oogenblik
+van handelen komt, waar zullen wij dan de kracht tot handelen vinden,
+als wij ons door gebrek aan voedsel laten verzwakken?"
+
+"Maar, oom! wat blijft ons over, als dit stuk vleesch opgegeten is?"
+
+"Niets, Axel! niets, maar zal het u meer voeden, als gij het met uwe
+oogen verslindt? Gij redeneert daar als iemand zonder wil, als een
+wezen zonder geestkracht!"
+
+"Wanhoopt gij dan niet?" riep ik verbitterd uit.
+
+"Neen!" antwoordde de professor op vasten toon.
+
+"Hoe! gelooft gij dan nog aan eene kans op behoud?"
+
+"Ja! zeker ja! en zoo lang zijn hart klopt, zijn vleesch trilt,
+duld ik niet dat een met een wil begaafd wezen aan de wanhoop eene
+plaats inruimt."
+
+Welke woorden! De man, die ze in zulke omstandigheden sprak, was
+zeker van een buitengewonen aard.
+
+"Wat wilt gij dan eigenlijk doen?" zeide ik.
+
+"Tot de laatste kruimel het voedsel, dat nog overgebleven is, opeten
+en onze verlorene krachten herstellen. Deze maaltijd zal onze laatste
+zijn, het zij zoo! maar ten minste zullen wij, in plaats van uitgeput
+te wezen, weder mannen zijn geworden."
+
+"Welnu! wij zullen eten!" riep ik uit.
+
+Mijn oom nam het stuk vleesch en de weinige beschuiten, die uit de
+schipbreuk gered waren, maakte er drie gelijke deelen van en gaf ze
+ons. Het was ten naasten bij een pond voedsel voor elk. De professor
+at gulzig met eene soort van koortsige drift; ik, zonder trek ondanks
+mijn honger, en bijna met tegenzin; Hans, rustig, bedaard, en zonder
+leven te maken kleine beetjes kauwende en ze doorslikkende met de
+kalmte van een man, dien de bezorgdheid voor de toekomst niet kon
+verontrusten. Na lang zoeken had hij eene half volle flesch jenever
+gevonden, en dit weldadige vocht wekte mij weder eenigszins op.
+
+"Förtrafflig!" zeide Hans op zijne beurt drinkende.
+
+"Voortreffelijk!" antwoordde mijn oom.
+
+Ik begon weder eenige hoop te koesteren. Maar onze laatste maaltijd
+was afgeloopen. Het was nu 's morgens vijf uur.
+
+Het is met den mensch zoo gesteld, dat zijne gezondheid een zuiver
+negatief iets is; als de behoefte aan voedsel eens voldaan is, kan men
+zich moeielijk de kwellingen van den honger voorstellen; men moet ze
+ondervinden om ze te begrijpen. Na het lange vasten zegevierden dan
+ook eenige beten beschuit en vleesch over onze doorgestane smarten.
+
+Na dien maaltijd gaven wij ons allen aan onze overpeinzingen
+over. Waaraan dacht Hans, die man uit het hooge noorden, die onder
+de heerschappij stond van de oostersche leer van onderwerping aan
+het noodlot? Mijne denkbeelden bestonden slechts uit herinneringen,
+en deze voerden mij terug naar de oppervlakte van den aardbol, die ik
+nooit had moeten verlaten. Het huisje in de Koningstraat, mijn arme
+Gräuben, de goede Martha, gingen als gezichten voorbij mijne oogen,
+en in het doffe gebrul, dat door het vaste gesteente liep, meende ik
+het geraas van de steden op aarde te herkennen.
+
+Mijn oom, "altijd bij de zaak," onderzocht aandachtig met de toorts
+in de hand den aard der gronden; hij trachtte te onderscheiden waar
+hij was door de opeenvolging der op elkander liggende lagen. Die
+berekening of liever die schatting kon slechts bij benadering wezen;
+maar een geleerde is altijd een geleerde, wanneer het hem gelukt zijne
+koelbloedigheid te behouden, en zeker bezat professor Lidenbrock die
+hoedanigheid in een buitengewonen graad.
+
+Ik hoorde hem woorden uit de geologische wetenschap mompelen: ik
+begreep ze en stelde ondanks mij zelven belang in die verhevene studie.
+
+"Uitgebraakt graniet," zeide hij; "wij zijn nog altijd in het eerste
+tijdperk; maar wij stijgen! wij stijgen! Wie weet?"
+
+Wie weet? Hij hoopte dus nog altijd. Met zijne hand betastte hij den
+loodrechten wand, en eenige oogenblikken later hernam hij aldus:
+
+"Dat is gneiss! dat mica-leisteen! Goed! nu komen weldra de gronden
+uit het overgangstijdperk en dan...."
+
+Wat wilde de professor zeggen? Kon hij de dikte der aardschors boven
+ons meten? Bezat hij het eene of andere middel om die berekening
+te verrichten? Neen! Hij miste den luchtdichtheidsmeter, en geene
+schatting kon dien vergoeden.
+
+Inmiddels nam de warmte geducht toe en ik was doornat midden in een
+gloeienden dampkring. Ik kon haar niet anders vergelijken dan met de
+hitte, die door de fornuizen eener ijzersmelterij wordt uitgestraald,
+wanneer het metaal vloeibaar wordt. Langzamerhand hadden Hans, mijn
+oom en ik onze buizen en vesten moeten uittrekken; het geringste
+kleedingstuk werd een oorzaak van onbehaaglijkheid, om niet te zeggen
+van pijn.
+
+"Stijgen wij dan naar een witgloeienden haard?" riep ik uit op een
+oogenblik dat de warmte verdubbelde.
+
+"Neen!" antwoordde mijn oom, "het is onmogelijk! het is onmogelijk!"
+
+"Maar die muur is gloeiend!" zeide ik den wand betastende.
+
+Terwijl ik dit zeide, had mijne hand het water even aangeraakt en
+moest ik haar zoo spoedig mogelijk terug trekken.
+
+"Het water is kokend heet!" riep ik.
+
+Ditmaal antwoordde de professor slechts met een toornig gebaar.
+
+Nu maakte zich een onoverwinnelijke schrik van mijne hersenen meester
+en verliet ze niet meer. Ik had een voorgevoel van een naderend
+onheil, en wel van een dat de stoutste verbeeldingskracht niet zou
+hebben kunnen bevatten. Een eerst onbepaald en weifelend denkbeeld
+werd in mijn verstand tot zekerheid. Ik durfde het niet onder woorden
+brengen. Intusschen bevestigden eenige onwillekeurige waarnemingen
+mijne overtuiging; bij het twijfelachtige toortslicht bespeurde ik
+onregelmatige bewegingen in de granietlagen; er was klaarblijkelijk
+een verschijnsel op handen, waarin de electriciteit eene rol speelde;
+dan die buitensporige hitte, dat kokende water!... Ik besloot het
+kompas waar te nemen.
+
+Het was miswijzend geworden!
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XLIII
+
+ Miswijzend kompas.--Ontploffingen.--Eene
+ uitbarsting.--Zwavelvlammen.--Het vlot blijft
+ liggen.--Op nieuw opgestuwd.
+
+
+Ja miswijzend! De naald sprong met plotselinge schokken van de eene
+pool op de andere, doorliep al de streken van de windroos, en draaide,
+als had een duizeling haar bevangen.
+
+Ik wist wel, dat volgens de meest algemeen aangenomene theoriën
+de delfstoffelijke schors van den aardbol nooit in een staat van
+volslagene rust is; de wijzigingen teweeggebracht door de ontbinding
+der inwendige stoffen, de beweging voortkomende uit de groote
+stroomingen der vloeistoffen, de werking van het magnetismus, dat
+alles strekt om haar onophoudelijk te schudden, zelfs dan als de op
+hare oppervlakte verspreide wezens hare ontroering niet vermoeden. Dit
+verschijnsel zou mij dus anders niet beangst of, althans in mijn geest,
+geen verschrikkelijk denkbeeld opgewekt hebben.
+
+Maar andere feiten, sommige omstandigheden van gezegden aard; konden
+mij niet langer bedriegen, de ontploffingen vermenigvuldigden met eene
+verschrikkelijke kracht: ik kon ze alleen vergelijken met het geraas,
+dat een groot aantal karren, die snel over het plaveisel voortgetrokken
+worden, zouden maken. Het was een aanhoudende donder.
+
+Het miswijzend kompas, geschokt door de electrieke
+natuurverschijnselen, bevestigde mij verder in mijne meening; de
+delfstoffelijke korst dreigde te breken, het massieve graniet zich
+te vereenigen, de scheur zich te sluiten, het ledige zich te vullen,
+en wij, nietige stofjes, zouden in die geduchte omhelzing verpletterd
+worden.
+
+"Oom! oom! wij zijn verloren!" riep ik uit.
+
+"Wat is dat voor een nieuwen schrik?" antwoordde hij mij met eene
+verbazende kalmte. "Wat scheelt u toch?"
+
+"Wat mij scheelt? zie die muren die schudden; dat vaste gesteente
+dat scheurt; die verzengende hitte, dat kokende water, die dampen,
+die al dikker en dikker worden, die gekke naald, alle kenteekenen
+van eene aardbeving."
+
+Mijn oom schudde zachtjes het hoofd.
+
+"Eene aardbeving?" vraagde hij.
+
+"Ja!"
+
+"Mijn jongen! ik geloof, dat gij u vergist!"
+
+"Hoe! herkent gij dan die kenteekenen niet?"
+
+"Van een aardbeving? neen? Ik verwacht wat beters!"
+
+"Wat bedoelt gij?"
+
+"Eene uitbarsting, Axel!"
+
+"Eene uitbarsting!" zeide ik; "zijn wij dan in den schoorsteen van
+een werkenden vulkaan?"
+
+"Ik denk het ten minste," zeide de professor glimlachende, "en dat
+is het gelukkigste wat ons overkomen kan!"
+
+Het gelukkigste! Was mijn oom dan gek? Wat beduidden die woorden? Van
+waar die kalmte en die glimlach?
+
+"Hoe!" riep ik, "zijn wij midden in eene uitbarsting! Heeft het noodlot
+ons geworpen op den weg der witgloeiende lava, der brandende rotsen,
+van het kokende water, van alle uitgebraakte stoffen! zullen wij
+nu opgestuwd, uitgedreven, uitgeworpen, uitgebraakt, in de lucht
+geslingerd worden met de rotsblokken, de asch- en slakkenregens,
+in een dwarlwind van vlammen! en is dat het gelukkigste wat ons
+overkomen kan?"
+
+"Ja!" antwoordde de professor mij over zijn bril aanziende, "want
+het is de eenige kans, die wij hebben, om weder op de oppervlakte
+der aarde te komen!"
+
+Ik ga stilzwijgend de duizend gedachten voorbij, die elkaar in mijne
+hersenen kruisten. Mijn oom had gelijk, volkomen gelijk, en nooit
+kwam hij mij stoutmoediger noch inniger overtuigd voor dan op dit
+oogenblik, waarop hij de kansen eener uitbarsting afwachtte en optelde.
+
+Intusschen stegen wij maar altijd door; de nacht ging voorbij onder
+die stijgende beweging; het geraas om ons heen verdubbelde; ik was
+bijna gestikt; ik meende, dat mijn laatste uur kwam; en toch is de
+verbeeldingskracht zoo grillig, dat ik mij overgaf aan een waarlijk
+kinderachtig onderzoek. Maar ik stond onder de heerschappij mijner
+denkbeelden, zij niet onder de mijne!
+
+Het was duidelijk, dat wij opgestuwd werden door eene uitbarsting;
+onder het vlot was kokend water, en onder dat water smeltende lava,
+een mengsel van rotssteenen, die zich aan den rand van den krater in
+alle richtingen zouden verstrooien. Wij waren dus in den schoorsteen
+van een vulkaan. Daar was geen twijfel aan.
+
+Maar in plaats van den Sneffels, een uitgebranden vulkaan, was het
+er nu een in volle werkzaamheid. Ik vraagde mij af, welke berg het
+kon zijn en in welk werelddeel wij uitgebraakt zouden worden.
+
+Zonder twijfel in de noordelijke streken. Vóór zijne miswijzing
+had het kompas ten dien aanzien geen afwijking getoond. Van kaap
+Saknussemm af waren wij honderden uur ver rechtstreeks naar het
+noorden gedreven. Waren wij dan nu weder onder IJsland? Zouden wij
+uitgeworpen worden door den krater van den Hekla of door dien van een
+der zeven andere vuurspuwende bergen des eilands? In een straal van
+vijf honderd uur gaans naar het westen zag ik onder dien breedtegraad
+slechts de bijna onbekende vulkanen der noordwestkust van Amerika. Ten
+oosten bestond er onder den tachtigsten breedtegraad maar één vulkaan,
+de Esk, op het Jan Mayen-eiland, niet verre van Spitsbergen. Zeker,
+er was geen gebrek aan kraters en zij waren ruim genoeg om een geheel
+leger uit te braken! Maar welke ons een uitgang zou verleenen, dat
+trachtte ik te gissen.
+
+Tegen den morgen werd de stijgende beweging sneller. Dat de warmte
+toenam in plaats van te verminderen hoe dichter wij bij de oppervlakte
+des aardbols kwamen, had eene plaatselijke oorzaak en was een gevolg
+van den invloed des vulkaans. Ik kon niet langer twijfelen aan de
+soort van ons middel van vervoer; eene ontzettende kracht, eene kracht
+van verscheidene honderden dampkringen, veroorzaakt door de dampen
+opeengehoopt in den schoot der aarde, dreef ons onwederstaanbaar
+voort. Maar aan welke ontelbare gevaren stelde zij ons bloot?
+
+Weldra drong een vale weerschijn in de wijder wordende loodrechte
+galerij; ik bespeurde links en rechts diepe gangen, gelijk aan
+onmetelijke tunnels, waaruit dichte dampen ontsnapten; vurige tongen
+lekten flikkerend hunne wanden.
+
+"Zie eens! zie eens, oom!" riep ik.
+
+"Welnu! het zijn zwavelvlammen. Niets is natuurlijker bij uitbarsting."
+
+"Maar als zij ons eens omhullen?"
+
+"Zij zullen ons niet omhullen."
+
+"Maar als wij stikken?"
+
+"Wij zullen niet stikken; de galerij wordt wijder en als het noodig
+is, zullen wij het vlot verlaten om in een kloof te schuilen."
+
+"En het water, het stijgende water dan?"
+
+"Er is geen water meer, Axel! maar eene soort van lavadeeg, dat ons
+oplicht tot aan de opening des kraters."
+
+De waterkolom was inderdaad verdwenen om plaats te maken voor vrij
+dichte, hoewel kokend heete uitstroomende stoffen. De hitte werd
+onuitstaanbaar en een thermometer, welke aan dien dampkring werd
+blootgesteld, zou meer dan zeventig graden gewezen hebben! Ik baadde
+in het zweet. Zonder de snelheid der opstijging zouden wij zeker
+gesmoord zijn.
+
+Echter gaf de professor geen gevolg aan zijn voorstel om het vlot te
+verlaten, en hij deed wel. Die weinige slecht samengevoegde planken
+boden eene vaste oppervlakte aan, een steunpunt, dat ons overal elders
+ontbroken zou hebben.
+
+'s Morgens omstreeks acht uur had er voor het eerst een nieuw voorval
+plaats. De stijgende beweging hield eensklaps op. Het vlot bleef
+onbeweeglijk liggen.
+
+"Wat is dat?" vroeg ik, verontrust door dit oponthoud, dat even
+plotseling was als een schok.
+
+"Eene halt," antwoordde mijn oom.
+
+"Houdt de uitbarsting op?"
+
+"Ik hoop van neen."
+
+Ik stond op. Ik poogde rond te zien. Misschien bood het vlot, door eene
+uitspringende rotspunt tegengehouden, eene kortstondigen tegenstand
+aan de uitstroomende massa. In dit geval moesten wij ons haasten het
+zoo spoedig mogelijk los te maken.
+
+Het was zoo niet. De kolom van asch, slakken en steenbrokken had
+zelve opgehouden te stijgen.
+
+"Zou de uitbarsting geen voortgang hebben?" riep ik.
+
+"Wel, mijn jongen! vreest gij dat?" zeide mijn oom met op elkander
+geklemde tanden; "maar stel u gerust, dit oogenblik van kalmte kan
+niet lang aanhouden; het duurt nu reeds vijf minuten en weldra zal
+onze opklimming naar den mond des kraters weder beginnen."
+
+Zoo sprekende hield de professor niet op zijn tijdmeter te raadplegen,
+en alweder zouden zijne voorspellingen vervuld worden. Weldra werd het
+vlot op nieuw aangegrepen door eene snelle en onregelmatige beweging,
+die omtrent twee minuten aanhield; toen bleef het nogmaals stil liggen.
+
+"Goed!" zeide mijn oom op het uurwerk ziende, "binnen tien minuten
+gaan wij weder op weg."
+
+"Binnen tien minuten?"
+
+"Ja! Wij hebben te doen met een vulkaan, wiens uitbarsting
+tusschenpoozend is. Hij laat ons met zich ademhalen."
+
+Niets was meer overeenkomstig de waarheid. Op de minuut af werden
+wij op nieuw met groote snelheid opgestuwd; wij moesten ons aan de
+balken vasthouden om niet van het vlot geslagen te worden. Daarna
+hield de stoot weder op.
+
+Naderhand heb ik nagedacht over dit zonderlinge verschijnsel,
+zonder er eene voldoende verklaring van te vinden. Intusschen houd
+ik het voor zeker, dat wij ons niet in den hoofdschoorsteen van den
+vulkaan bevonden, maar wel in een zijgang, waar alleen de terugwerking
+merkbaar was.
+
+Ik kan niet zeggen hoe dikwijls die beweging herhaald werd; ik
+kan alleen verzekeren, dat wij, telkens als zij zich herhaalde,
+met toenemende kracht werden opgestuwd en als het ware door een
+kogel medegevoerd. In de oogenblikken van rust stikten wij; in de
+oogenblikken van opstuwing belette de brandend heete lucht mijne
+ademhaling. Ik dacht een oogenblik aan het genot van mij plotseling
+in die hoog noordelijke gewesten te zullen bevinden, waar eene koude
+heerscht van dertig graden onder nul. Mijne overspannen verbeelding
+dwaalde rond op de sneeuwvlakten der poolgewesten en ik smachtte naar
+het oogenblik, waarop ik mij rond zou rollen op het ijstapijt aan
+de pool. Maar langzamerhand verloor ik, door die herhaalde schokken
+uitgeput, mijn bewustzijn. Zonder de armen van Hans zou ik meer dan
+eens mijne hersenpan verbrijzeld hebben tegen den granietwand.
+
+Ik kan mij dus niets met zekerheid herinneren van hetgeen in de
+volgende uren voorviel. Ik heb een duister gevoel van aanhoudende
+ontploffingen, van de beroering van het vaste gesteente, van eene
+ronddraaiende beweging, waarin het vlot werd medegesleept. Het
+dreef op golven van lava midden in een aschregen. De loeiende
+vlammen omwikkelden het. Een orkaan, die men meenen zou, dat uit een
+ontzaglijken luchttrekker voortkwam, blies het onderaardsche vuur
+aan. Nog eenmaal zag ik het gelaat van Hans in den weerschijn van
+den brand, en ik gevoelde niets meer dan die ontzettende angst van
+veroordeelden, die aan den mond van een stuk geschut zijn gebonden,
+op het oogenblik dat het schot afgaat en hunne ledematen in de lucht
+verstrooit.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XLIV
+
+ Op aarde terug.--In Azië?--De tegenvoeters.--In de
+ Middellandsche zee.--Stromboli.--Een glimlach van Hans.
+
+
+Toen ik de oogen weder opende, voelde ik, dat de stevige hand van den
+gids mij bij den gordel vasthield. Met de andere hand ondersteunde
+hij mijn oom. Ik was niet zwaar gekwetst, maar veeleer uitgeput door
+eene algemeene stijfheid in de leden. Ik lag tegen de glooiing van
+een berg, twee schreden van een afgrond, waarin de geringste beweging
+mij nedergestort zou hebben. Hans had mij van den dood gered, terwijl
+ik van de zijden des kraters afrolde.
+
+"Waar zijn wij?" vroeg mijn oom, die zeer verstoord scheen over zijn
+terugkeer op de aarde.
+
+De jager haalde de schouders op ten teeken van onwetendheid.
+
+"Op IJsland?" zeide ik.
+
+"Nej," antwoordde Hans.
+
+"Wat, neen?" riep de professor.
+
+"Hans vergist zich," zeide ik overeind rijzende.
+
+Na de tallooze verrassingen dezer reis, was er ons nog ééne
+weggelegd. Ik verwachtte een kegel te zien, bedekt met eeuwige sneeuw,
+in het midden der barre woestenijen van de noordelijke landen, onder
+de bleeke stralen van een poolhemel, verre boven de hoogste breedten;
+en in strijd met al die vermoedens lagen mijn oom, de IJslander en
+ik op de zijde van een berg, die geblakerd was door de hitte der zon,
+die ons met hare stralen verschroeide.
+
+Ik wilde mijn oogen niet gelooven; maar de stekende pijn, die ik over
+het geheele lichaam voelde, veroorloofde geen verderen twijfel. Wij
+waren half naakt uit den krater gekomen, en het schitterend gesternte,
+dat wij in geen twee maanden gezien hadden, vertoonde zich aan ons
+met een kwistigen overvloed van licht en warmte, en goot heerlijke
+stralen over ons uit.
+
+Toen mijne oogen aan dien glans gewend waren, dien zij zoo lang hadden
+ontbeerd, maakte ik er gebruik van om de dwalingen mijner verbeelding
+te herstellen. Op zijn allerminst wilde ik op Spitsbergen zijn,
+en ik was niet gezind om het spoedig op te geven.
+
+De professor vatte het eerst het woord op en zeide:
+
+"Dat gelijkt volstrekt niet op IJsland."
+
+"Maar het Jan Mayen-eiland?" antwoordde ik.
+
+"Evenmin, mijn jongen! dit is geen noordsche vulkaan met zijne heuvelen
+van graniet en zijn sneeuwhoed."
+
+"Echter...."
+
+"Zie eens, Axel! zie eens!"
+
+Hoogstens vijf honderd voet boven ons opende zich de krater van
+een vulkaan, waaruit om het kwartier met een zeer sterk geraas een
+hooge vlammenzuil, vermengd met puimsteen, asch en lava, opsteeg. Ik
+voelde de stuiptrekkingen van den berg, die gelijk de walvisschen
+ademhaalde, en nu en dan vuur en rook door zijn geduchte neusgaten
+uitspoot. Onder ons breidden zich met eene vrij steile helling de
+vlakten van uitgebraakte stoffen van zeven tot acht honderd voet diep
+uit, hetgeen den vulkaan eene hoogte gaf van nog geen drie honderd
+vademen. Zijn voet verdween in een waren korf van groene boomen,
+waaronder ik olijfboomen, vijgeboomen en wijnstokken met purperen
+trossen onderscheidde.
+
+Zoo zagen de noordelijke gewesten, ik moest het wel bekennen, er
+niet uit.
+
+Over dien groenenden omtrek heen verloor de blik zich spoedig in het
+water eener heerlijke zee of van een meer, dat van dien liefelijken
+bodem een eiland maakte, dat nauwelijks eenige uren gaans breed
+kon zijn. In het oosten vertoonde zich eene kleine haven, met eenige
+huizen er voor, waarin vaartuigen van een bijzonderen vorm op de blauwe
+golfjes wiegelden. Verder doken groepen eilandjes uit de watervlakte
+op, in zulk een menigte, dat zij op een groot mierennest geleken. In
+het westen strekten zich verafgelegene kusten langs den gezichteinder
+uit; op sommigen vertoonden zich blauwe, zeer regelmatig gevormde
+bergen; op de andere, meer in de verte, verrees een verbazend hooge
+kegel, op wiens top zich een vederbos van rook bewoog. In het noorden
+fonkelde eene onmetelijke watervlakte in de zonnestralen, en zag men
+hier en daar den top van een mast of de bolronde zijde van een door
+den wind gezwollen zeil.
+
+Het onverwachte van zulk een schouwspel verhonderdvoudigde nog zijne
+wonderlijke schoonheden.
+
+"Waar zijn wij? waar zijn wij?" herhaalde ik half luid.
+
+Hans sloot onverschillig zijne oogen en mijn oom zag in het rond
+zonder er iets van te begrijpen.
+
+"Welke berg het ook moge zijn," zeide hij eindelijk, "het is hier een
+beetje warm; de uitbarstingen houden niet op, en het zou waarlijk de
+moeite niet waard zijn uitgebraakt te wezen om ten slotte nog een
+rotsbrok op het hoofd te krijgen. Laten wij naar beneden gaan, dan
+zullen wij wel ontdekken, waar wij ons aan te houden hebben. Bovendien
+sterf ik van honger en dorst."
+
+Zekerlijk was de professor geen man van bespiegelingen. Ik voor mij,
+behoefte en vermoeienis vergetende, zou nog uren lang op deze plek
+hebben willen blijven, maar ik moest mijne makkers volgen.
+
+De zijde van den berg helde sterk; wij gleden in ware aschkuilen
+om de lavastroomen te ontwijken, die als vurige slangen zich
+kronkelden. Onder het dalen sprak ik met een grooten woordenrijkdom,
+want mijne verbeelding was te vol om zich niet in woorden te uiten.
+
+"Wij zijn in Azië," riep ik, "op de kusten van Indië, op de Sunda
+eilanden, midden in Australië! Wij hebben den halven aardbol
+doorgereisd om bij de tegenvoeters van Europa uit te komen!"
+
+"Maar het kompas? antwoordde mijn oom.
+
+"Ja! het kompas!" zeide ik met een verlegen gelaat ... "Als wij het
+gelooven mogen, dan zijn wij altijd noordwaarts gegaan."
+
+"Heeft het dan gelogen?"
+
+"O! gelogen!"
+
+"Of dit moest de noordpool zijn!"
+
+"De pool! neen; maar...."
+
+Het was een onverklaarbaar feit. Ik wist niet, wat ik er van moest
+denken.
+
+Intusschen naderden wij dat groen, dat zoo streelend was voor het
+oog. Honger en dorst kwelden mij. Gelukkig vertoonde zich na twee uur
+loopens eene schoone vlakte aan ons oog, geheel bedekt met olijfboomen,
+granaatappelboomen en wijnstokken, die niemands bijzonder eigendom
+schenen te zijn. Als lieden, die van alles beroofd waren, konden wij
+dan ook zoo nauw niet zien. Welk een genot, die sappige vruchten op
+onze lippen te drukken en geheele trossen uit die purpere wijngaarden
+te happen! Niet verre van daar in het gras ontdekte ik in de heerlijke
+schaduw der boomen eene frissche waterbron, waarin wij ons gelaat en
+onze handen met een gevoel van wellust dompelden.
+
+Terwijl wij ons zoo aan al de genoegens der rust overgaven, verscheen
+een kind tusschen twee olijfboschjes.
+
+"Ha!" riep ik uit, "een bewoner van dit gelukkige land!"
+
+Het was een kleine, arme, zeer ellendig gekleede, ziekelijke knaap,
+dien ons gezicht scheen te beangstigen; wij zagen er dan ook half
+naakt en met ongeschoren baard zeer ongunstig uit, en als het geen land
+van dieven was, moest ons voorkomen zijne bewoners wel schrik aanjagen.
+
+Zoodra de jongen op den loop wilde gaan, liep Hans hem na en bracht
+hem terug, ondanks zijn schreeuwen en schoppen.
+
+Mijn oom begon met hem zoo goed mogelijk gerust te stellen en zeide
+hem in goed duitsch:
+
+"Hoe heet die berg, vriendje?"
+
+Het kind antwoordde niet.
+
+"Goed!" zeide mijn oom, "wij zijn niet in Duitschland." En hij
+herhaalde de vraag in het engelsch.
+
+Het kind antwoordde evenmin. Ik was in groote spanning.
+
+"Zou hij stom zijn?" riep de professor, die trotsch op zijne taalkennis
+dezelfde vraag in het fransch deed.
+
+Het kind bewaarde het stilzwijgen.
+
+"Dan zullen wij het italiaansch beproeven," hernam mijn oom, en hij
+zeide in die taal:
+
+"Dove noi siamo?"
+
+"Ja! waar zijn wij?" herhaalde ik vol ongeduld.
+
+Het kind gaf geen antwoord.
+
+"Hoe is het! zult gij haast spreken?" riep mijn oom die toornig begon
+te worden en het kind bij de ooren trok. "Come si noma questa isola?"
+
+"Stromboli," antwoordde de kleine herder, die zich uit de handen van
+Hans losrukte en door de olijfboomen heen de vlakte bereikte.
+
+Wij dachten niet eens meer aan hem. Stromboli! Welk een uitwerksel
+had die onverwachte naam op mijne verbeelding! Wij waren in de
+Middellandsche zee, in het midden van den eolischen archipel,
+mythologischer gedachtenis! op het oude Strongylus, waar Eolus de
+winden en stormen aan een keten hield. En die blauwe bergen in het
+westen waren die van Calabrië! En die vulkaan, die aan den zuidelijken
+gezichteinder verrees, was de Etna, de vreeselijke Etna zelf!
+
+"Stromboli! Stromboli!" herhaalde ik.
+
+Mijn oom begeleidde mij met zijne gebaren en woorden. Het was alsof
+wij een koor zongen!
+
+"O! welk eene reis! Welk eene vreemde reis! Den eenen vulkaan waren
+wij in, een anderen uitgekomen, en die andere lag meer dan twaalf
+honderd uur gaans van den Sneffels, van dat barre IJsland, dat op
+de grenzen der aarde ligt! De toevalligheden op dezen tocht hadden
+ons in de liefelijkste streken der aarde overgevoerd! Wij hadden het
+gewest der eeuwige sneeuw verlaten voor dat van het eindelooze groen,
+en de grauwe mist der koude luchtstreek boven ons gelaten om terug
+te komen onder den azuren hemel van Sicilië!
+
+Na een heerlijken maaltijd, uit ooft en frisch water bestaande, gingen
+wij weder op weg om de haven van Stromboli te bereiken. Het scheen ons
+niet voorzichtig toe om te zeggen, hoe wij op het eiland gekomen waren:
+de bijgeloovige geest der Italianen zou ons stellig aangezien hebben
+voor duivels, die de hel had uitgebraakt; wij moesten er dus vrede
+mede hebben om voor eenvoudige schipbreukelingen door te gaan. Dat
+was minder roemvol, maar veiliger.
+
+Onderweg hoorde ik mijn oom mompelen:
+
+"Maar het kompas! het kompas, dat het noorden aanwees! hoe moet ik
+dat verklaren?"
+
+"Op mijne eer!" zeide ik op een minachtenden toon, "wij moeten het
+maar niet verklaren; dat is het gemakkelijkst!"
+
+"Dat zou wat moois wezen! Een professor aan het Johannaeum, die
+de oorzaak van een natuurverschijnsel niet kon vinden, mocht zich
+wel schamen!"
+
+Zoo sprekende, werd mijn oom, half naakt, met de lederen beurs om de
+lendenen en den bril op den neus, weder de verschrikkelijke professor
+in de delfstofkunde.
+
+Een uur nadat wij het olijvenboschje verlaten hadden, kwamen wij aan
+de haven San-Vicenzo, waar Hans het loon voor zijne dertiende week
+dienst vorderde, dat hem met warme handdrukken werd uitbetaald.
+
+Al deelde hij in dit oogenblik ook niet in onze zeer natuurlijke
+aandoening; zoo liet hij zich toch medeslepen door een gevoel van
+buitengewone openhartigheid.
+
+Met de toppen zijner vingers drukte hij zacht onze beide handen en
+begon te glimlachen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XLV
+
+ In Hamburg terug.--Hans vertrekt naar IJsland.--De polen
+ van het kompas verwisseld.
+
+Ziehier het slot van een verhaal, waaraan zelfs zij, die gewoon zijn
+zich over niets te verwonderen, geen geloof zullen slaan. Maar ik
+ben van te voren gewapend tegen de ongeloovigheid der menschen.
+
+Wij werden door de visschers van Stromboli ontvangen met al de
+vriendelijkheid, waarop schipbreukelingen aanspraak hebben. Zij gaven
+ons kleederen en levensmiddelen. Na twee dagen wachtens bracht een
+klein open vaartuig ons den 31sten Augustus naar Messina, waar eenige
+dagen rust ons van al onze vermoeienissen herstelden.
+
+Vrijdag, den 4den September, gingen wij aan boord van de Volturno,
+eene der paketbooten van de keizerlijk Fransche stoombootmaatschappij,
+en drie dagen later zetten wij te Marseille voet aan wal, zonder
+dat ons iets meer kwelde dan die zaak van het vervloekte kompas. Dit
+onverklaarbare voorval veroorzaakte mij veel muizenissen. Den 9den
+September kwamen wij 's avonds te Hamburg.
+
+Ik waag het niet om de verbazing van Martha, de vreugde van Gräuben
+te beschrijven.
+
+"Nu gij een held zijt," sprak mijne lieve bruid, "behoeft gij mij
+niet meer te verlaten, Axel!"
+
+Ik zag haar aan. Zij lachte door hare tranen heen.
+
+Men kan licht nagaan welk een opzien de terugkomst van professor
+Lidenbrock te Hamburg baarde. Door de praatjes van Martha was de
+tijding van zijn vertrek naar het middelpunt der aarde over de
+geheele wereld verspreid. Men wilde er geen geloof aan slaan en,
+toen men hem terugzag, geloofde men het evenmin.
+
+Toch brachten de tegenwoordigheid van Hans en verschillende berichten
+uit IJsland allengs eenige verandering in de openbare meening.
+
+Nu werd mijn oom een groot man en ik de neef van een groot man,
+dat ook reeds iets is. Hamburg gaf een feest ter onzer eere. Eene
+openbare zitting had in het Johannaeum plaats, waar de professor
+een verslag deed van zijn tocht en alleen de zaak van het kompas
+verzweeg. Dienzelfden dag legde hij het document van Saknussemm in het
+stedelijk archief neder en drukte hij zijn leedwezen daarover uit, dat
+de omstandigheden, sterker dan zijn wil, hem niet veroorloofd hadden
+om de sporen van den ijslandschen reizigers tot in het middelpunt
+der aarde te volgen. Hij was bescheiden bij al zijn roem, waardoor
+de achting voor hem nog vermeerderde.
+
+Zooveel eerbewijzingen moesten hem noodzakelijk benijders
+verschaffen. Hij kreeg er ook, en daar zijne theorie op stellige
+daadzaken gegrond, in tegenspraak was met de wetenschappelijke stelsels
+betreffende het inwendige vuur, voerde hij met pen en mond belangrijke
+twisten met de geleerden uit alle landen.
+
+Ik voor mij kon zijne theorie van de afkoeling niet aannemen: in
+spijt van hetgeen ik gezien heb, geloof ik en zal ik altijd gelooven
+aan de inwendige hitte; maar ik geef toe, dat sommige nog duistere
+omstandigheden die wet kunnen wijzigen door de werking van natuurlijke
+verschijnselen.
+
+Terwijl die vraagstukken aan de orde van den dag waren, ondervond
+mijn oom eene ware smart. Hans had, in weerwil van zijn aanhouden,
+Hamburg verlaten; de man, wien wij alles te danken hadden, wilde
+niet toelaten, dat wij onze schuld aan hem afbetaalden. Hij kreeg
+het heimwee naar IJsland.
+
+"Farval!" zeide hij op zekeren dag en met dien eenvoudigen
+afscheidsgroet vertrok hij naar Reikiavik, waar hij behouden aankwam.
+
+Wij waren bijzonder gehecht aan onzen dapperen eiderjager; zijne
+afwezigheid zal hem nooit doen vergeten door hen, wier leven hij heeft
+gered, en stellig zal ik niet sterven zonder hem voor het laatst nog
+eens gezien te hebben.
+
+Ten slotte voeg ik er nog bij, dat die "Reis naar het middelpunt der
+aarde" verbazend veel opzien in de wereld baarde. Zij werd gedrukt en
+in alle talen overgezet; de grootste dagbladen namen er de voornaamste
+gedeelten van over, die in het kamp der geloovigen en ongeloovigen
+met eene gelijke overtuiging werden beoordeeld, besproken, bestreden
+en verdedigd. Mijn oom had het zeldzame voorrecht van nog bij zijn
+leven al den roem te genieten, dien hij verworven had, en zelfs Barnum
+bleef niet achter met het voorstel om hem voor eene zeer hooge som
+in de Vereenigde Staten "ten toon te stellen."
+
+Maar eene verveling, ja eene kwelling sloop onder al dien roem. Eene
+zaak bleef onverklaarbaar, die van het kompas. Voor een geleerde nu
+wordt zulk een onverklaard natuurverschijnsel eene marteling voor
+het verstand. Welnu! de hemel had voor mijn oom een volmaakt geluk
+weggelegd.
+
+Toen ik eens eene verzameling delfstoffen in zijn kabinet rangschikte,
+bespeurde ik dat beruchte kompas en begon het te onderzoeken.
+
+Reeds zes maanden lang lag het daar in een hoek, zonder iets te
+vermoeden van al het hoofdbreken, dat het veroorzaakte.
+
+Hoe groot was daar op eens mijne verbazing! Ik begon te schreeuwen. De
+professor kwam aanloopen.
+
+"Wat is er toch te doen?" vroeg hij.
+
+"Dat kompas!"....
+
+"Welnu?"
+
+"Zijne naald wijst naar het zuiden en niet naar het noorden!"
+
+"Wat zegt gij!"
+
+"Zie maar! zijne polen zijn verwisseld."
+
+"Verwisseld!"
+
+Mijn oom keek, vergeleek, en deed het huis beven door een hoogen
+sprong.
+
+Welk een licht ging er tegelijk op voor zijn en mijn verstand!
+
+"Dus wees dan," riep hij, zoodra hij weder spreken kon, "na onze
+aankomst bij kaap Saknussemm de naald van dat verdoemde kompas het
+zuiden in plaats van het noorden aan?"
+
+"Dat blijkt."
+
+"Dan wordt onze dwaling verklaard. Maar welk natuurverschijnsel heeft
+die verwisseling van polen teweeg kunnen brengen?"
+
+"Niets is eenvoudiger."
+
+"Verklaar u, mijn jongen!"
+
+"Gedurende den storm op de Lidenbrock-zee heeft die vuurbol, die het
+ijzer van het vlot magnetisch maakte, heel eenvoudig ons kompas in
+de war gebracht!"
+
+"Zoo! dan was het een grap van de electriciteit?" riep de professor
+schaterende van lachen.
+
+Van dien dag af was mijn oom de gelukkigste aller geleerden en ik de
+gelukkigste aller mannen; want mijne lieve Gräuben, hare betrekking
+van pupil nederleggende, nam plaats in het huis in de Koningstraat
+in de dubbele betrekking van nicht en echtgenoote. Ik behoef hier
+niet bij te voegen, dat de vermaarde professor Otto Lidenbrock,
+correspondeerend lid van alle wetenschappelijke, aardrijkskundige en
+delfstofkundige genootschappen der vijf werelddeelen, haar oom werd.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+I. Prof Otto Lidenbrock.--Eigenaardigheden van oom.--De studeerkamer.
+
+II. Een fraai boek.--Een merkwaardige inhoud.--Het oude document.--Wat
+het oude papier kostte.
+
+III. Een runisch handschrift;--Uitleg van het alphabet.--Het
+geheimschrift.--Een geleerd man.--Nichtje Gräuben.--Ontcijfering van
+het document.--Einde der ontcijfering.
+
+IV. Vrees voor het raadselachtige werk.--Waar is oom?--Moeielijkheden
+der ontcijfering.--De sleutel gevonden.
+
+V. De professor aan het werk.--De neef valt in slaap.--De huissleutel
+verdwenen.--De vreugde van mijn oom.--De lezing van het document.--De
+valiezen moeten gepakt worden.
+
+VI. In het studeervertrek.--De Sneffels.--De warmte in den aardbol.--De
+vulkanen.--Inwendige hitte der aarde.
+
+VII. Naar het middelpunt der aarde.--Een onmogelijke
+reis.--Toebereidselen tot het vertrek.--Reikiavik.--De koffer moet
+gepakt worden.--Naar den kelder?
+
+VIII. Altona.--Kiel.--Korsör.--Professor Thomson.--Kopenhagen.--De
+Vor-Frelserskerk.--Duizeligheid.
+
+IX. Het Kattegat.--Skagen.--Naar het middelpunt der aarde.--Het
+handschrift van Saknussemm.--Reikiavik.--De IJslanders.
+
+X. Leeslust der IJslanders.--Letterkunde der IJslanders.--De
+Sneffels.--Over zee of over land?
+
+XI. Eiderganzen.--Hans Bjelke.--Toestel van
+Rhumkorff.--Reisvoorraad.--Uitrusting voor den tocht.
+
+XII. Aanvang van den tocht.--Door IJsland.--Het vlek
+Gufunus.--Overtocht van den Fjörd.
+
+XIII. Het huis van een boer.--De IJslandsche vrouw.--Gastvrij
+onthaal.--IJslandsche hartelijkheid.--Melaatschen.
+
+XIV. De familie van Hans.--Stapi.--Verbasterde geestelijke.--Vrees voor
+uitbarsting.--Te mooi om mogelijk te zijn.--Gevaar voor uitbarsting.
+
+XV. Het vertrek naar Stapi.--Grondgesteldheid.--Moeielijkheid van
+den tocht.--De hellingen van den Sneffels.--De "mistoer".
+
+XVI. Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den
+krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock
+wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw.
+
+XVII. Naar den afgrond.--De theorie van Davy bevestigd.--Geen inwendige
+warmte.--Op den bodem van den krater.
+
+XVIII. Kalmte.--Begin der onderaardsche reis.--Schakeeringen der lava.
+
+XIX. De kruisweg.--Vermoeienis van Axel.--Klimmen of dalen?--Naar
+boven, naar Gräuben.--Dreigend watergebrek.
+
+XX. Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong
+der steenkolen.--Vergeefsche tocht.
+
+XXI. Gemoedsgesteldheid.--Opoffering van den
+professor.--Spanning.--Columbus nagevolgd.
+
+XXII. Zeldzaam geologisch genot.--Verdwijning van Hans.
+
+XXIII. Water in uitzicht.--Weder voorwaarts.--Zoekende.--Dorst
+gelescht.--De beek een wegwijzer.--Rustige slaap.
+
+XXIV. Te horizontaal.--Bijna loodrechte lijn.--Onder den Oceaan.
+
+XXV. Kalm vertrek.--Plaatsbepaling.--Heeft Hamphry Davy
+gelijk?--Dichtheid der lucht.--Lucht in vasten toestand.
+
+XXVI. Toenemende stilzwijgendheid.--Verdwaald.
+
+XXVII. Levend begraven.--Splitsing der galerij.--Bede tot God.--In
+de zwarte duisternis.
+
+XXVIII. Een geraas!--Het geluid van
+woorden.--Förlorad.--Gemeenschap.--Gesprek op anderhalf uur
+gaans.--Bemoediging.--Bewusteloos neergeploft.
+
+XXIX. Ontwaken van Axel.--Was hij krankzinnig?--De grot verlaten.
+
+XXX. De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende
+zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees voor
+voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor.
+
+XXXI. Door een zeebad versterkt.--Vloed, ebbe en magnetische
+helling.--scheepstimmerhout.--Het vlot.
+
+XXXII. Zeilklaar.--Vertrek van Gräubenhaven.--Het
+scheepsjournaal.--Voorwereldlijke visch.--Blindheid van dien
+visch.--Axel's droom.--Axel ontwaakt.
+
+XXXIII. Des professors ongeduld geboekstaafd.--De lange zeereis.--In
+het ijzer gebeten.--Zeemonsters.--Ontsteltenis.--Strijd.--De
+plesiosaurus bezwijkt.
+
+XXXIV. Nieuw gevaar.--Iets gezien.--Een eiland.--De geyser.
+
+XXXV. Naderend onweder.--De rotsen van den oever.--Een orkaan.--Werking
+der electriciteit.--Hevigheid van den orkaan.--De electrische
+kogel.--Altijd op zee.
+
+XXXVI. Vreugde van den professor.--Toebereidselen voor de
+terugreis.--Werktuigen gered.--De professor denkt aan zijne
+collega's.--Op welke hoogte?
+
+XXXVII. Verloren reis.--Landverkenning.--Verbastering der
+schildpad.--De beenderenvlakte.
+
+XXXVIII. Voorwereldlijke overblijfselen.--Een menschelijk lichaam.--De
+reus van Palermo.--Onderzoek van een lijk.--Een onmetelijk knekelhuis.
+
+XXXIX. Voorwereldlijke planten en
+dieren.--Mosplanten.--Mastodonten.--De aapmensch.--Niet op het
+uitgangspunt terug.--Een dolk.--Eene echte dagge.
+
+XL. Arne Saknussemm.--Altijd dalen.--De schepen verbranden.--Een weg
+voor de lava.--De mijn moet springen.
+
+XLI. De mijn gesprongen.--De ontploffing--Snelle vaart van het
+vlot.--De woede van den stortvloed--Onverwachte overstrooming.
+
+XLII. De nauwe put.--Geen voedsel meer.--Levend verbranden.--De
+laatste maaltijd.--Een gloeiende dampkring.
+
+XLIII. Miswijzend kompas.--Ontploffingen.--Een
+uitbarsting.--Zwavelvlammen.--Het vlot blijft liggen.--Op nieuw
+opgestuwd.
+
+XLIV. Op aarde terug.--In Azië?--De tegenvoeters.--In de Middellandsche
+zee.--Stromboli.--Een glimlach van Hans.
+
+XLV. In Hamburg terug.--Hans vertrekt naar IJsland.--De polen van
+het kompas verwisseld.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+
+[1] Omtrent f 2.30.
+
+[2] La Recherche werd in 1835 door den admiraal Duperré uitgezonden
+om de sporen eener verongelukte expeditie, die van den heer de
+Blosseville, en van la Lilloise, waarvan men nooit bericht heeft gehad,
+op te zoeken.
+
+[3] Deze naam wordt gegeven aan de nauwe inhammen in de scandinavische
+landen.
+
+[4] Ruim f 8.
+
+[5] De toestel van Ruhmkorff bestaat uit eene kolom van Bunsen,
+in werking gebracht door middel van het dubbel chroniumzuur zout
+van potasch, dat reukeloos is; een inductie-toestel brengt de
+electriciteit door de kolom voortgebracht, in verband met een
+lantaarn van een bijzondere inrichting; in deze lantaarn bevindt
+zich eene bijna luchtledige slang, waarin alleen een overschot van
+koolzuurgas of van stikstof overblijft. Als de toestel werkt, wordt
+dit gas lichtgevend en verschaft een witachtig en aanhoudend licht. De
+kolom en de inductie-toestel worden in een lederen zak geborgen,
+dien de reiziger als een bandelier draagt. De lantaarn er uitgenomen
+zijnde geeft genoeg licht in de zwartste duisternis; zij laat toe,
+dat men zich zonder vrees voor ontploffing in de brandbaarste gassen
+waagt en gaat zelfs diep onder water niet uit.
+
+De heer Ruhmkorff is een geleerd en bekwaam natuurkundige. Zijne
+groote ontdekking is de inductie toestel, die veroorlooft om eene
+electriciteit van hooge drukking voort te brengen. In 1864 heeft hij
+den vijfjarigen prijs van 50000 frank verkregen, dien Frankrijk voor
+de vernuftigste toepassing der electriciteit had uitgeloofd.
+
+[6] Huis van den ijslandschen boer.
+
+[7] Hamburgsche munt, omtrent f 42,75.
+
+[8] Dus genoemd, omdat de gronden van dit tijdperk zeer uitgestrekt
+zijn in Engeland in de streken, die voorheen bewoond werden door een
+celtischen volksstam, de Siluriërs.
+
+[9] Visschen met vierkante, harde schubben of platen.
+
+[10] Ontvlambaar gas in de gangen der kolenmijnen, uit koolwaterstof
+met eenig koolzuur en stikstof bestaande.
+
+[11] Eene plotselinge afwijking in den loop eener steenkolenader.
+
+[12] Phosphorzure kalk.
+
+[13] Zeeën van het secundaire tijdperk, die de gronden hebben gevormd,
+waaruit het Juragebergte bestaat.
+
+[14] Eene zeer beroemde springbron aan den voet van den Hekla.
+
+[15] De gelaatshoek wordt gevormd door twee vlakken; het eene, min
+of meer loodrecht, raakt het voorhoofd en de snijtanden; het andere,
+horizontaal, snijdt de opening der gehoorwerktuigen en de benedenzijde
+van het neusbeen. Men verstaat onder prognathismus, in de taal der
+natuurkundige beschrijving van den mensch, het vooruitspringen van
+het kaakbeen of de kinnebak, waardoor de gelaatshoek gewijzigd wordt.
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10349 ***