diff options
Diffstat (limited to '10349-0.txt')
| -rw-r--r-- | 10349-0.txt | 10308 |
1 files changed, 10308 insertions, 0 deletions
diff --git a/10349-0.txt b/10349-0.txt new file mode 100644 index 0000000..7ef3cfd --- /dev/null +++ b/10349-0.txt @@ -0,0 +1,10308 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10349 *** + + + + WONDERREIZEN. + + JULES VERNE. + + NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE. + + + + + + +HOOFDSTUK I + + Prof. Otto Lidenbrock.--Eigenaardigheden van oom.--De + studeerkamer. + + +Op Zondag, den 25sten Mei 1863, keerde mijn oom, professor Lidenbrock, +haastig terug naar zijn huisje No 19 van de Koningstraat, eene der +oudste straten van de oude wijk te Hamburg. + +De goede Martha zou bijna gedacht hebben veel te laat te zijn, want +het middageten was nauwelijks aan de kook op het fornuis in de keuken. + +"Goed," zeide ik bij mij zelven, "als hij honger heeft, zal mijn oom, +die de ongeduldigste mensch is, luide jammerkreten aanheffen." + +"Is mijnheer Lidenbrock daar reeds!" riep de goede Martha vol +ontsteltenis, terwijl zij de deur der eetzaal op een kier zette. + +"Ja, Martha! maar het eten behoeft nog niet klaar te zijn, want het +is nog geen twee uur. De klok der St. Michaëlskerk heeft pas half +twee geslagen." + +"Waarom komt mijnheer Lidenbrock dan t'huis?" + +"Dat zal hij ons wellicht zeggen." + +"Daar is hij! Ik maak mij uit de voeten. Mijnheer Axel! gij moet het +hem maar onder het oog brengen." En de goede Martha vluchtte naar +de keuken. + +Ik bleef alleen. Maar mijn min of meer besluiteloos karakter gedoogde +niet, dat ik den opvliegendste van alle professoren iets onder het +oog zou brengen. Ik maakte mij dus gereed om voorzichtig naar mijn +bovenkamertje te wijken, toen de huisdeur op hare hengsels knarste, +zware voetstappen de houten trap deden kraken, en de heer des huizes, +de eetzaal doorgaande, terstond zijn studeervertrek binnenstormde. + +Maar in dien snellen loop had hij zijn stok met een knop in den vorm +van een notenkraker in een hoek, zijn grooten hoed, tegen de vleug +in opgeborsteld, op de tafel gesmeten, en riep hij zijn neef met een +bulderende stem toe: "Axel, volg mij!" + +Ik had nog geen tijd gehad om mij te bewegen, toen de professor +mij reeds op den toon van het levendigste ongeduld toeschreeuwde: +"Hoe is het, zijt gij er nog niet?" + +Ik stoof het vertrek van mijn geduchten oom binnen. + +Otto Lidenbrock was, ik erken het gaarne, geen kwaad mensch; maar, +als er geene ondenkbare veranderingen plaats hebben, zal hij als een +echte zonderling sterven. + +Hij was professor aan het Johannaeum en hield een cursus over +de delfstofkunde, waarbij hij zich geregeld een paar keeren boos +maakte. Niet dat hij er zich over bekommerde of zijne leerlingen zijne +lessen vlijtig bijwoonden, of zij hem oplettend volgden en of zij er +later eenig voordeel van zouden hebben; die beuzelingen verontrustten +hem niet. Hij onderwees "subjectief," zooals de duitsche wijsgeeren het +noemen, voor zich zelven en niet voor anderen. Hij was een baatzuchtig +geleerde, een put van geleerdheid, welker katrol knarste, als men er +iets uit wilde halen. Met één woord, een vrek. + +Er zijn in Duitschland eenige professoren van dat slag. + +Ongelukkig was mijn oom niet zeer vlug bespraakt, wel niet in den +huiselijken kring, maar toch als hij voor het publiek sprak, en dat +is een lastig gebrek voor een redenaar. Zoo bleef de professor bij +zijne voordrachten in het Johannaeum dikwijls steken; hij worstelde +tegen een weerbarstig woord, dat niet van zijne lippen wilde vloeien, +een van die woorden die tegenstand bieden, opzwellen en zich eindelijk +uiten onder den niet zeer wetenschappelijken vorm van een vloek. Van +daar zijn hevige toorn. + +Er komen in de delfstofkunde vele half grieksche, half latijnsche +namen voor, die moeielijk uit te spreken zijn; van die ruwe benamingen, +die de lippen van een dichter pijn zouden doen. Het zij verre van mij +eenig kwaad van die wetenschap te willen zeggen. Maar ten opzichte van +kristalen met zes ruitvormige vlakken van retin-asphalt-harsen, van +gheleniten, van fangasiten, van loodhoudende-molybdaenumzuur zouten, +van manganesium (tungsteenzuur) zouten en van zirconium titanium, +kan zelfs de vlugste tong zich wel eens verspreken. + +In de stad was dit vergeeflijke gebrek van mijn oom zeer goed +bekend. Men maakte er misbruik van, men wachtte er op bij gevaarlijke +zinnen, hij werd woedend en men lachte, hetgeen niet beleefd is, zelfs +voor Duitschers. Derhalve was er wel altijd een groote toevloed van +hoorders bij de voorlezingen van Lidenbrock, maar velen woonden ze +daarom getrouw bij om zich te vermaken met den bespottelijken toorn +van den professor. + +Niettemin, ik kan het niet genoeg herhalen, was mijn oom een echt +geleerde. Hoewel hij somtijds door al te ruwe behandeling zijne +monsters brak, voegde hij toch bij het genie van den geoloog den +blik van den mineraloog. Met zijn hamer, zijn stalen stift, zijn +kompasnaald, zijn blaaspijp en zijn fleschje salpeterzuur was hij +een zeer sterk man. Op de breuk, het voorkomen, de hardheid, de +smeltbaarheid, den klank, den geur, den smaak van het een of ander +metaal af, rangschikte hij het, zonder aarzelen, onder eene der zes +honderd soorten, die de wetenschap tegenwoordig telt. + +De naam van Lidenbrock werd dan ook met eere genoemd op de gymnasiën +en in de verschillende maatschappijen des lands. Humphry Davy, +Humboldt, de kapiteins Franklin en Sabine verzuimden niet hem op +hunne doorreis te Hamburg te bezoeken. Becquerel, Ebelmen, Brewster, +Dumas, Milne Edwards, raadpleegden hem gaarne over de belangrijkste +vraagstukken der scheikunde. Deze wetenschap had aan hem zeer schoone +ontdekkingen te danken, en in 1853 was te Leipzig eene verhandeling +over de transcendente kristallographie door professor Otto Lidenbrock +verschenen, een groote foliant met platen, die echter de kosten +niet goedmaakte. + +Voeg daar nog bij, dat mijn oom conservator was van het mineralogisch +museum van den heer Struve, gezant van Rusland, eene kostbare +verzameling, die eene europeesche vermaardheid genoot. + +Dat was de persoon, die mij ongeduldig aansprak. Stel u een grooten, +mageren man voor, met een ijzeren gestel en met blonde haren, die hem +eer veertig dan vijftig jaar deden schijnen. Zijne groote oogen rolden +onophoudelijk rond achter een ontzaglijken bril; zijn lange, dunne neus +geleek op een scherp lemmet; de booze wereld beweerde zelfs dat hij +magnetisch was en ijzervijlsel aantrok. Louter laster; hij trok slechts +snuif aan, maar, ik wil er niet om liegen, in groote hoeveelheid. + +Als ik hier nu nog bijvoeg, dat mijn oom wiskundig berekende schreden +deed van drie voet, en als ik zeg, dat hij onder het loopen zijne +vuisten stijf gesloten hield, het teeken van een onstuimigen aard, +zal men hem genoeg kennen om juist niet bijzonder op zijn gezelschap +gesteld te zijn. + +Hij woonde in zijn huisje in de Koningstraat; eene woning half +van hout, half van steen, met een gevelmuur met trappen; zij had +het uitzicht op eene van die bochtige grachten, die zich door de +oudste wijk van Hamburg kronkelen, welke de brand van 1842 gelukkig +gespaard heeft. + +Het oude huis hing wel is waar een weinig over en bedreigde de +voorbijgangers; het dak stond scheef, even als de pet van een student +van het Tugendbund; de loodrechte richting liet wel wat te wenschen +over; maar over het geheel hield het zich goed, dank zij een ouden +olmboom, die stevig aan den voorgevel was vastgegroeid en in de lente +met zijne bloesemknoppen door de vensterruiten drong. + +Mijn oom was rijk voor een duitsch professor. Het huis, met al wat er +in was, behoorde hem in vollen eigendom toe. Wat er in was bestond +uit zijn petekind Gräuben, een meisje van 17 jaar, de goede Martha +en mij. In mijne dubbele hoedanigheid van neef en pupil werd ik zijn +handlanger bij zijne proefnemingen. + +Ik beken gaarne, dat ik mij met de borst op de geologische +wetenschappen toelegde; het bloed van een mineraloog vloeide door +mijne aderen en ik verveelde mij nooit in gezelschap van mijne +kostbare steenen. + +Kortom, men kon in dat huisje in de Koningstraat gelukkig leven, +ondanks het ongeduld van zijn eigenaar; want, al was hij soms wat +ruw, toch hield hij veel van mij. Maar die man kon niet wachten en +was zelfs voortvarender dan de natuur. Wanneer hij in April in de +bloempotten van zijn vertrek stammetjes reseda of volubilis geplant +had, ging hij regelmatig iederen morgen aan de blaadjes trekken om +hun groei te verhaasten. + +Tegenover zulk een zonderling zat er niets anders op dan te +gehoorzamen. Ik vloog dus naar zijne kamer. + + + + + + +HOOFDSTUK II + + Een fraai boek.--Een merkwaardige inhoud.--Het oude document. + --Wat het oude papier kostte. + + +Die kamer was een waar museum. Alle monsters uit het delfstoffenrijk +waren, in de uiterste orde, van opschriften voorzien naar de drie +groote afdeelingen van brandbare, metaalachtige en steenachtige +delfstoffen. + +Of ik ze kende, die bronnen der delfstofkunde! Hoe menigmaal had +ik in plaats van met jongens van mijne jaren te spelen, er behagen +in gevonden om die potloodertsen, die koolblende, die steenkolen, +die bruinkolen, die turven af te stoffen! En de jodenlijm, de +harsen, de organische zouten, die voor het geringste stofje bedaard +moesten blijven! En die metalen, van het ijzer af tot het goud toe, +wier betrekkelijke waarde verdween bij de volstrekte waarde als +wetenschappelijke voorbeelden! En al die steenen, waarmede men het +huis in de Koningstraat had kunnen herbouwen, zelfs met eene mooie +kamer er bij, die mij zoo goed zou aangestaan hebben! + +Maar bij mijn binnentreden in het vertrek dacht ik in het geheel niet +aan die wonderen. Al mijne gedachten bepaalden zich tot mijn oom. Hij +lag gedoken in zijn grooten armstoel met utrechtsch fluweel bekleed +en hield een boek in de hand, dat hij met de diepste bewondering +beschouwde. + +"Welk een boek! welk een boek!" riep hij uit. + +Deze uitroep herinnerde mij dat professor Lidenbrock in zijne verloren +oogenblikken ook een boekengek was; maar een oud boek had in zijne +oogen alleen waarde als het onverkrijgbaar of tenminste onleesbaar was. + +"Welnu," zeide hij mij, "ziet gij het dan niet? Het is een +onwaardeerbare schat, dien ik dezen morgen gevonden heb bij het +doorsnuffelen van den winkel van Hevelius, den jood." + +"Heerlijk!" antwoordde ik met eene gemaakte geestdrift. + +Maar waartoe diende dan ook de ophef over een ouden kwartijn in +grof kalfsleeren band, een geelachtig boek, waaruit een verkleurd +leesteeken hing? + +Intusschen kwam er maar geen einde aan de uitroepen van bewondering +van den professor. + +"Zie," zeide hij, zich zelven vragende en antwoordende, "is het +niet mooi? Ja, zelfs bewonderenswaardig! En welk een band! Gaat het +boek gemakkelijk open? Ja, want het blijft bij iedere bladzijde open +liggen. Maar sluit het wel goed? Ja, want de band en de bladen vormen +een goed geheel, zonder zich ergens te scheiden of te gapen! En dan +die rug, waarin na een bestaan van 700 jaar nog geen enkele scheur +is! Bozerian, Closs of Purgold zouden trotsch geweest zijn op zulk +een band!" + +Zoo sprekende opende en sloot mijn oom gedurig het oude boek. Het +minste wat ik doen kon was hem naar den inhoud te vragen, hoewel die +mij geen het minste belang inboezemde. + +"En wat is dan wel de titel van dat merkwaardige boek?" vraagde ik +met eene drift, die te hevig was om niet geveinsd te zijn. + +"Dit werk," antwoordde mijn oom vol opgewondenheid, "is de +Heims-Kringla van Snorre Turleson, den beroemden ijslandschen schrijver +uit de twaalfde eeuw. Het is de kroniek der noorweegsche vorsten, +die over IJsland regeerden." + +"Waarlijk!" deed ik mijn best om uit te roepen, "dan is het zonder +twijfel eene duitsche vertaling?" + +"Nu nog mooier!" antwoordde de professor driftig, "eene vertaling! Wat +zou uwe vertaling mij baten? Wie geeft iets om uwe vertaling? Het is +het oorspronkelijk werk in de ijslandsche taal, die prachtige, rijke +maar tevens eenvoudige taal, die de meest verschillende spraakkunstige +verbindingen en talrijke vormveranderingen der woorden toelaat." + +"Even als het duitsch," bracht ik vrij gelukkig in het midden. + +"Ja," antwoordde mijn oom, de schouders ophalende; "maar met dit +onderscheid, dat de ijslandsche taal de drie geslachten heeft, even +als het grieksch en de eigennamen verbuigt als het latijn." + +"Zoo!" zeide ik een weinig in mijne onverschilligheid geschokt, +"en is de druk van dit boek fraai?" + +"Druk! wie spreekt er van druk, ongelukkige Axel? Druk! Houdt gij +dit dan voor een gedrukt boek? Neen, domoor! het is een handschrift +en wel een runisch handschrift!..." + +"Een runisch?" + +"Ja! Zoudt gij misschien willen, dat ik u eene verklaring van dat +woord gaf?" + +"Daar zal ik wel op passen," antwoordde ik op den toon van iemand, +wiens eigenliefde gekwetst is. + +Maar mijn oom draafde door en onderrichte mij tegen mijn zin in zaken, +die ik niet verlangde te weten. + +"De runen," hernam hij, "waren schrijfletters, die vroeger op +IJsland in gebruik waren, en volgens de overlevering had Odin zelf +ze uitgevonden. Goddelooze! bezie en bewonder dan toch die teekens, +welke uit het brein van een god zijn voortgekomen!" + +Niet wetende wat te antwoorden, was ik waarlijk op het punt om neder +te knielen, eene soort van antwoord, dat den goden even zeer moet +bevallen als den koningen, omdat het het voordeel heeft van hen nooit +in verlegenheid te brengen, toen een toeval den loop van het gesprek +eene andere wending gaf. + +Het was de verschijning van een smerig perkament, dat uit het boek +gleed en op den grond viel. + +Mijn oom viel met eene onbegrijpelijke gretigheid op die vod aan. Het +kon niet missen of een oud document, misschien sedert onheugelijke +tijden in een oud boek gesloten, moest hooge waarde in zijn oog hebben. + +"Wat is dat?" riep hij uit. + +En tegelijk ontvouwde hij zorgvuldig op zijne tafel een stuk perkament, +10 duim lang en 6 duim breed, waarop in dwarse lijnen onverklaarbare +teekens stonden. + +Wij voegen een nauwkeurig fac-simile er van hiernevens. + + +[AFBEELDING] + + +Ik stel er prijs op om die zonderlinge teekens te doen kennen, want +door hen werden professor Lidenbrock en zijn neef aangezet om den +vreemdsten tocht der negentiende eeuw te ondernemen. + +De professor beschouwde eenige oogenblikken deze rij letters; +vervolgens zeide hij zijn bril afnemende: + +"Het is runisch schrift; deze letterteekens zijn geheel overeenkomstig +met die van het handschrift van Snorre Turleson! Maar ... wat zou +het toch beteekenen?" + +Daar het runisch schrift mij voorkwam eene uitvinding van geleerden te +zijn om den grooten hoop zand in de oogen te strooien, speet het mij +geenszins, toen ik zag, dat mijn oom er niets van begreep. Dat maakte +ik ten minste op uit de beweging zijner vingers, die hij geducht heen +en weer draaide. + +"Het is echter oud ijslandsch!" bromde hij binnensmonds. + +En professor Lidenbrock moest het wel weten, want men hield hem voor +een groot taalkenner. Wel sprak hij de 2000 talen en 4000 tongvallen, +die op de oppervlakte der aarde in gebruik zijn, niet vloeiend, +maar hij wist er toch aardig wat van. + +Toen deze moeielijkheid zich opdeed, was hij op het punt zich aan +al de onstuimigheid van zijn karakter over te geven en ik voorzag +een heftig tooneel, toen het twee uur sloeg op het kleine uurwerk op +den schoorsteenmantel. + +Dadelijk opende de goede Martha de deur van het vertrek, zeggende: +"De soep staat op tafel." + +"De drommel hale de soep," riep mijn oom, "en haar, die ze gekookt +heeft, en hen, die ze zullen eten!" + +Martha vluchtte, ik ijlde haar achterna, en zonder te weten hoe, +zat ik op mijne gewone plaats in de eetzaal. + +Ik wachtte eenige oogenblikken. De professor kwam niet. Dit was +de eerste keer, voorzoover ik wist, dat hij bij het middagmaal +gemist werd. En welk een kostelijk middagmaal! eene groentesoep, een +spekpannekoek met zuring bestrooid met notemuskaat, een kalfsnierstuk +met ingelegde pruimen, en tot nagerecht garnalen met suiker, alles +besproeid met lekkeren Moezelwijn. + +Zooveel kostte dat oude papier aan mijn oom. In mijne hoedanigheid +van liefhebbenden neef meende ik inderdaad verplicht te zijn om voor +hem en mij te eten, hetgeen ik ook met de grootste nauwgezetheid deed. + +"Ik heb nooit zoo iets gezien!" zeide de goede Martha onder het +bedienen. "Mijnheer Lidenbrock niet aan tafel!" + +"Het is haast ongelooflijk." + +"Dat voorspelt de eene of andere gewichtige gebeurtenis!" hernam de +oude meid het hoofd schuddende. + +Mijns inziens voorspelde het niets anders dan een heftig tooneel, +als mijn oom zijn middagmaal verdwenen zou zien. + +Ik peuzelde juist mijne laaste garnaal op, toen eene bulderende stem +mij aan de genoegens van het nagerecht ontrukte. In één sprong was +ik uit de zaal in het studeervertrek. + + + + + + +HOOFDSTUK III + + Een runisch handschrift.--Uitleg van het alphabet--Het + geheimschrift.--Een geleerd man.--Nichtje Gräuben.--Ontcijfering + van het dokument.--Einde der ontcijfering. + + +"Het is stellig runisch," zeide de professor zijne wenkbrauwen +fronsende. "Maar er schuilt een geheim achter, dat ik ontdekken zal, +of...." + +Een driftig gebaar gaf zijne bedoeling genoegzaam te kennen. + +"Ga daar zitten," voegde hij er bij, terwijl hij met zijne vuist de +tafel aanwees, "en schrijf." + +In een oogenblik was ik gereed. + +"Nu zal ik u iedere letter van ons alphabet opnoemen, die met eene +van deze ijslandsche letters overeenkomt. Wij zullen zien wat dat +geeft. Maar, bij St. Michaël! pas op, dat ge u niet vergist." + +De opnoeming begon. Ik deed mijn uiterste best; de eene letter werd +na de andere opgenoemd en vormde zoo de onverstaanbare opeenvolging +der volgende woorden: + + + m.rnlls esreuel seeJde + sgtssmf unteief niedrke + kt,samn atrateS Saodrrn + emtnaI nuaect rrilSa + Atvaar nscrc ieaabs + ccdrmi eeutul frantu + dt,iac oseibo KediiI + + +Toen dit werk af was, nam mijn oom driftig het blad, waarop ik +geschreven had, en bekeek het lang met aandacht. + +"Wat beteekent dat?" herhaalde hij werktuigelijk. + +Op mijne eer, ik zou het hem niet hebben kunnen zeggen. Daarenboven +ondervroeg hij mij ook dienaangaande niet en ging voort met tot zich +zelven te spreken. + +"Dat noemen wij geheimschrift," zeide hij, "waarvan de zin verborgen +is onder letters, die opzettelijk verkeerd geplaatst zijn en die +ordelijk geschikt een verstaanbaren zin zouden opleveren! En wanneer +ik bedenk, dat daarin misschien de verklaring of de aanwijzing eener +groote ontdekking is opgesloten!" + +Ik voor mij dacht wel, dat er niets in opgesloten was, maar hield +mijne meening voorzichtig voor mij. + +Daarop nam de professor het boek en het perkament en vergeleek ze +met elkander. + +"Deze twee geschriften zijn niet van dezelfde hand," zeide hij; "het +geheimschrift is jonger dan het boek, en ik zie daarvan terstond een +onwraakbaar bewijs. Inderdaad, de eerste letter is eene dubbele M, +die men te vergeefs in het boek van Turleson zou zoeken, want zij werd +eerst in de 14de eeuw bij het ijslandsche alphabet gevoegd. Derhalve +liggen er minstens 200 jaar tusschen het handschrift en het document." + +Dat scheen mij, ik erken het, vrij logisch te zijn. + +"Dus word ik er toe gebracht," hernam mijn oom, "om te denken, +dat een der bezitters van dit boek deze geheimzinnige teekens heeft +geschreven. Maar, voor den drommel! wie was die bezitter? Zou hij +zijn naam niet ergens op dit handschrift gezet hebben?" + +Mijn oom nam zijn bril af, kreeg een sterke loep en onderzocht +nauwkeurig de eerste bladzijden van het boek. Op de keerzijde van de +tweede, die van den voortitel, ontdekte hij een soort van vlek, die +er op het oog als eene inktvlek uitzag. Intusschen onderscheidde men, +als men het van nabij bezag, eenige half uitgewischte teekens. Mijn +oom begreep, dat de hoofdzaak daar zat; hij bleef dus op de vlek +turen en met behulp van zijne groote loep, bespeurde hij eindelijk +de bijgaande teekens, runische letters, die hij zonder aarzelen las: + +[AFBEELDING] + +"Arne Saknussemm!" riep hij op een zegepralenden toon, "maar dat is +een naam en wel een ijslandsche naam! die van een geleerde uit de +16de eeuw, van een beroemden goudmaker!" + +Ik zag mijn oom met zekere bewondering aan. + +"Die goudmakers," hernam hij, "Avicenne, Bacon, Lulle, Paracelsius, +waren de echte, de eenige geleerden van hun tijd. Zij hebben +ontdekkingen gedaan, waarover wij met recht verbaasd staan. Waarom +zou die Saknussemm onder dat onverstaanbare geheimschrift niet de +eene of andere verrassende uitvinding verborgen hebben? Dat moet zoo +zijn. Het is zoo!" + +De verbeeldingskracht van den professor werd door die veronderstelling +aangevuurd. + +"Zonder twijfel," waagde ik te antwoorden, "maar welk belang kon die +geleerde er bij hebben om zoo de eene of andere vreemde ontdekking +te verbergen?" + +"Waarom? Waarom? Weet ik het? Heeft Galileï niet hetzelfde gedaan +met Saturnus? Overigens zullen wij wel eens zien; ik moet achter het +geheim van dit document komen en ik zal eten noch slapen, voor ik +het geraden heb." + +"Zoo, zoo!" dacht ik. + +"Maar gij ook niet, Axel!" hernam hij. + +"Drommels!" zeide ik bij mij zelven, "het is gelukkig dat ik voor +twee gegeten heb!" + +"Vooreerst," zeide mijn oom, "moeten wij de taal van dit geheimschrift +vinden. Dat kan niet moeielijk zijn." + +Op deze woorden hief ik driftig mijn hoofd op. Mijn oom hervatte +zijne alleenspraak: + +"Niets is gemakkelijker. Er zijn in dit document honderd twee en +dertig letters, negen en zeventig medeklinkers tegen drie en vijftig +klinkers. In deze evenredigheid zijn tennaastenbij de woorden der +zuidelijke talen gevormd, terwijl de noordsche veel rijker zijn in +medeklinkers. Het is dus eene zuidelijke taal." + +Deze gevolgtrekkingen waren zeer juist. + +"Maar welke taal is het?" + +Nu moest het blijken, wat de geleerde was, in wien ik echter een +grondig analyticus vond. + +"Die Saknussemm," hernam hij, "was een geleerd man; zoodra hij dus +niet in zijne moedertaal schreef, moest hij bij voorkeur de gewone taal +der geleerden van de zestiende eeuw kiezen, ik bedoel het latijn. Als +ik mij bedrieg, kan ik het beproeven met het spaansch, het fransch, +het italiaansch, het grieksch, het hebreeuwsch. Maar de geleerden der +zestiende eeuw schreven meestal in het latijn. Ik heb dus het recht +om a priori te zeggen: "dit is latijn." + +Ik schoof heen en weder op mijn stoel. Mijne herinneringen als latinist +kwamen in opstand tegen de meening, dat deze rij van zinledige woorden +zou kunnen behooren tot de zoete taal van Virgilius. + +"Ja, latijn," hernam mijn oom, "maar verbasterd latijn." + +"Het zij zoo!" dacht ik. "Als gij het ontwart, moet gij slim zijn, +oom!" + +"Laat ik nog eens goed zien," zeide hij, het blad weder opnemende, +waarop ik geschreven had. "Ziedaar eene rij van honderd twee en dertig +letters, die zich in eene schijnbare wanorde voordoen. Er zijn woorden, +waarin alleen medeklinkers voorkomen, zooals het eerste "m.rnlls," +andere, in tegendeel, met veel klinkers, b.v. het vijfde "unteief," +of het voorlaatste "oseibo." Die schikking nu is blijkbaar niet +willekeurig; zij is op wiskunstige gronden ingegeven door de onbekende +reden, die de opeenvolging dezer letters heeft geregeld. Het is dunkt +mij zeker, dat de oorspronkelijke volzin regelmatig is opgeschreven +en daarna omgekeerd volgens eene wet, die ik moet ontdekken. Wie den +sleutel van dit geheimschrift bezat, zou het vlug lezen. Maar welke +is die sleutel? Axel! hebt gij dien sleutel?" + +Op die vraag antwoordde ik niets en wel om de volgende reden. Mijn +oog was gevallen op een lief portret, dat aan den muur hing, het +portret van Gräuben. De pupil van mijn oom was toen te Altona bij eene +harer bloedverwanten, en hare afwezigheid maakte mij zeer treurig; +want, ik mag het nu bekennen, het lieve meisje en de neef van den +professor beminden elkander met al het geduld en al de bedaardheid +van Duitschers; wij waren verloofd buiten weten van mijn oom, die te +zeer geoloog was om dergelijke gevoelens te begrijpen. Gräuben was +eene lieve blonde deern met blauwe oogen een eenigszins zwaarmoedig +karakter en een nadenkenden geest; zij beminde mij daarom niet minder; +ik voor mij aanbad haar, als dat woord ten minste in de oud-duitsche +taal bestaat! De beeltenis mijner aangebedene wierp mij dus plotseling +uit de wereld der naakte werkelijkheid in die der hersenschimmen, +der herinneringen. + +Ik zag de getrouwe gezellin van mijn arbeid en van mijne vermaken +terug. Zij hielp mij iedereen dag om de kostbare steenen van mijn oom +te rangschikken; zij plaatste er met mij de briefjes op. Juffrouw +Gräuben was zeer sterk in de delfstofkunde! Meer dan één geleerde +zou een lesje bij haar hebben kunnen halen. Zij onderzocht gaarne +grondig de netelige vraagstukken der wetenschap. Wat al zoete uren +hadden wij doorgebracht met samen te studeeren, en hoe benijdde ik +somtijds het lot dier gevoellooze steenen, die zij met hare bekoorlijke +handen aanraakte. + +Als daarna het uur van uitspanning kwam, gingen wij beiden uit; wij +kozen de lommerrijke lanen van de Alster en begaven ons gezamenlijk +naar den ouden geteerden molen, die zich zoo goed voordoet aan het +uiteinde van het meer; onderweg keuvelden wij, elkander bij de hand +houdende; ik vertelde haar allerlei, waarover zij luidkeels lachte; +zoo kwamen wij aan den oever der Elbe en na de zwanen, die tusschen +de groote witte plompen rondzwemmen, goeden nacht gewenscht te hebben, +keerden wij per stoomboot naar de kaai terug. + +Zoo ver was ik met mijn gepeins, toen mijn oom, met zijne vuist op +de tafel slaande, mij met geweld tot de werkelijkheid terugvoerde. + +"Laat eens zien," zeide hij, "de eerste gedachte die zich aan den geest +moet voordoen om de letters van een volzin te verwarren is, dunkt mij, +om de woorden onder in plaats van naast elkander te schrijven." + +"Wel mogelijk!" dacht ik. + +"Wij zullen zien, wat dat geeft Axel! schrijf den een of anderen +volzin op dit stukje papier; maar zet de letters in plaats van achter +elkander in geregelde rijen, elke van vijf of zes, onder elkander." + +"Ik begreep, wat hij bedoelde, en onmiddelijke schreef ik van boven +naar beneden: + + + I i n i r n + k n i e ä ! + b u g v u + e i , e b + m n l G e + + +"Goed," zeide de professor, zonder gelezen te hebben. "Zet nu deze +woorden op een regel naast elkander." + +Ik gehoorzaamde en kreeg den volgenden volzin: + +linirn, knieä! bugvu ei,eb, mnlGe. + +"Heel goed!" riep mijn oom, mij het papier uit de hand rukkende, "dat +lijkt al een beetje op het oude document; de klinkers staan in dezelfde +wanorde als de medeklinkers; er zijn zelfs hoofdletters en komma's +in het midden der woorden, juist als op het perkament van Saknussemm!" + +Ik kon niet nalaten deze opmerkingen zeer schrander te vinden. + +"Om nu," hernam mijn oom, zich rechtstreeks tot mij wendende, "den +volzin te lezen, dien gij geschreven hebt en ik niet ken, zal het +genoeg zijn om achtereenvolgens de eerste letter van ieder woord te +nemen, dan de tweede, dan de derde, enz." + +En tot zijne groote verwondering, maar vooral tot de mijne, las +mijn oom: + +"Ik bemin u innig, lieve Gräuben!" + +"Ei!" riep de professor. + +Ja, zonder er om te denken had ik, als een verliefde lomperd dien +gevaarlijken volzin geschreven! + +"Zoo, zoo! bemint gij Gräuben!" hernam mijn oom op den echten toon +van een voogd. + +"Ja.... Neen...." stamelde ik. + +"Zoo, zoo! bemint gij Gräuben!" herhaalde hij werktuiglijk. "Welnu, wij +zullen deze handelwijze op het voor ons liggende document toepassen." + +Weder in zijne alles overheerschende beschouwing verdiept, vergat mijn +oom reeds mijne onvoorzichtige woorden. Ik zeg onvoorzichtige, want +het hoofd van den geleerde kon geene zaken van het hart begrijpen. Maar +gelukkig won het de groote zaak van het document. + +Op dat oogenblik, dat de voornaamste proef zou gedaan worden, +schoten de oogen van professor Lidenbrock bliksemstralen door +zijn bril; zijne vingers beefden, toen hij het oude perkament +weder opnam; hij was diep ontroerd. Eindelijk hoestte hij hevig, +en met eene ernstige stem achtereenvolgens de eerste, daarna de +tweede letter van ieder woord noemende, gaf hij mij de volgende +reeks op: mmessunkaSenrA. icefdoK.segnittamurtnecertserrette, +rotaivsadua, ednecsedsadnelacartniiiluJsiratrac Sarbmutabiledmek +meretarcsilucoYsleffenSnI. + +Toen ik gereed was, was ik waarlijk aangedaan; deze letters, één +voor één opgenoemd, hadden geen zin opgeleverd; ik verwachtte dus, +dat de professor een sierlijken latijnschen volzin statig van zijne +lippen zou laten vloeien. + +Maar wie had zoo iets kunnen denken! Een hevige vuistslag deed de tafel +dreunen. De inkt spatte uit den koker, de pen viel uit mijne hand. + +"Dat is het niet," riep mijn oom, "dat heeft geen gezonden zin!" + +Vervolgens het vertrek met bliksemsnelheid doorvliegende en de trap +als eene lawine afstormende, snelde hij de Koningstraat in en was in +een oogenblik uit het oog verdwenen. + + + + + + +HOOFDSTUK IV + + Vrees voor het raadselachtige werk.--Waar is oom?--Moeilijkheden + der ontcijfering.--De sleutel gevonden. + + +"Is hij weg?" riep Martha, die kwam aanloopen op het geraas van de +huisdeur, die zoo hard was toegetrokken, dat het geheele huis er +van dreunde. + +"Ja!" antwoordde ik, "voor goed weg!" + +"Hoe is het met zijn middagmaal," vroeg de oude meid. + +"Hij zal niet eten!" + +"En met zijn avondeten?" + +"Hij zal niet eten!" + +"Wat!" zeide Martha, hare handen ineenslaande. + +"Neen, goede Martha! hij en niemand in huis zal meer eten! Oom +Lidenbrock wil ons allen honger laten lijden, tot hij een oude vod +ontcijferd heeft, die volstrekt onmogelijk te ontcijferen is!" + +"Dan zit er niet anders op dan van honger te sterven!" + +Ik durfde er niet voor uitkomen, dat dit ons onvermijdelijk lot zou +zijn met zulk een onhandelbaar mensch als mijn oom. + +De oude meid ging, hevig ontroerd, zuchtende naar haar keuken terug. + +Toen ik alleen was, kwam ik op de gedachte om alles aan Gräuben te +gaan vertellen; maar hoe zou ik het huis uitkomen? De professor kon +ieder oogenblik terugkeeren. En als hij mij dan eens riep! En als +hij weer eens wilde beginnen met dat raadselachtige werk, dat men te +vergeefs den ouden OEdipus zou voorgelegd hebben! Antwoordde ik dan +niet op zijn roep, wat zou er dan van komen? + +Blijven was dus het verstandigste. Juist had een delfstofkundige uit +Besançon ons eene verzameling kiezelachtige adelaarsteenen gezonden, +die gerangschikt moesten worden. Ik ging aan het werk. Ik schiftte en +schikte in hunne hokjes al die holle steenen, waarin kleine kristallen +zweefden. + +Maar die bezigheid gaf mij geene afleiding; de zaak van het oude +document hield mij te zeer bezig. Mijn hoofd gloeide en ik werd +door eene naamlooze onrust bevangen. Ik had een voorgevoel van een +naderend onheil. + +Na verloop van een uur waren de adelaarsteenen ordelijk geschikt. Ik +liet mij toen met slingerende armen en achteroverhangend hoofd in +den grooten Utrechtschen armstoel neervallen. Ik stak mijn groote +duitsche pijp aan, welker gebeeldhouwde kop eene achteloos uitgestrekte +stroomnimf voorstelde; daarna vermaakte ik mij met den voortgang +der verbranding te volgen, die van mijne stroomnimf langzamerhand +een volslagen negerin maakte. Van tijd tot tijd luisterde ik, of er +geen schreden op de trap klonken. Maar neen. Waar mocht mijn oom op +dat oogenblik toch zijn? Ik verbeeldde mij hem te zien loopen onder +de schoone boomen op den weg naar Altona, met zijn stok zwaaiende +en blind pareerende, met geweld op het gras slaande, de toppen der +distelplanten afhakkende en de schuwe ooievaars in hunne rust storende. + +Zou hij zegepralend of moedeloos huiswaarts keeren? Wie van beiden +zou het winnen, het geheim of hij? Zoo ondervroeg ik mij zelven, +en werktuigelijk nam ik het blad papier in handen, waarop de +onverstaanbare reeks der door mij geschreven letters stond. Ik +herhaalde bij mij zelven: "Wat beteekent dat?" + +Ik beproefde die letters zoo te schikken, dat zij woorden vormden. Het +was onmogelijk. Of men ze bij tweeën, drieën, vijven of zessen +vereenigde, het gaf niets verstaanbaars; wel vormden de veertiende, +vijftiende en zestiende letter het woord "ice," de vier-, vijf- +en zes en tachtigste het woord "sir," en eindelijk merkte ik in het +midden van het document op den tweeden regel ook de latijnsche woorden +"rota, mutabile, ira, nec, atra" op. + +"Drommels!" dacht ik, "uit die laatste woorden zou men bijna opmaken, +dat oom gelijk heeft wat de taal van het document betreft. En zelfs +bemerk ik nog op den derden regel het woord "luco," dat "heilig bosch" +beteekent. Wel is waar leest men op den derden het woord "tabiled," +dat zuiver hebreeuwsch is, en de zelfstandige naamwoorden "mer, arc, +mère," die zuiver fransch zijn." + +Dat was genoeg om iemand razend te maken! Vier verschillende talen in +dien dwazen volzin! Welk verband kon er bestaan tusschen de woorden +"ijs, mijnheer, toorn, wreed, heilig bosch, veranderend, moeder, boog +of zee?" Het eerste en laatste alleen konden gemakkelijk overeenkomen; +het was toch niet vreemd, dat in een document op IJsland geschreven, +van eene "IJszee" gesproken werd. De verklaring van het raadsel was +daarmede echter nog niets gevorderd. + +Ik worstelde dus hevig tegen eene onoplosbare zwarigheid; mijne +hersenen gloeiden; ik pinkoogde op het blad papier; de honderd twee +en dertig letters schenen om mij heen te dansen, gelijk die zilveren +tranen die na een geweldigen aandrang van het bloed om ons hoofd in +de lucht opstijgen. + +Ik was ten prooi aan eene soort van zinsbegoocheling, ik stikte, ik +snakte naar lucht. Werktuigelijk bewaaide ik mij met het blad papier, +welks beide zijden zich beurtelings aan mijn oog vertoonden. + +Hoe groot was mijne verbazing, toen ik bij eene van die snelle +omdraaiingen, op het oogenblik dat de keerzijde naar mij gewend was, +volkomen leesbare woorden, latijnsche woorden meende te bespeuren, +o.a. "craterem, terrestre." + +Terstond ging er een licht voor mij op; deze eenvoudige kenteekenen +deden mij de waarheid inzien; ik had de wet van het geheimschrift +ontdekt. Om dit document te lezen was het niet eens noodig om door +het omgekeerde blad heen te lezen! Neen. Zoo als het was, zoo als het +mij was voorgezegd, kon het vloeiend gespeld worden. Alle vernuftige +verbindingen van den professor werden bewaarheid; hij had gelijk gehad +ten aanzien van de schikking der letters, gelijk ook ten aanzien van de +taal van het document! Er was slechts eene "beuzeling" noodig geweest +om dien latijnschen volzin van het eene einde tot het andere te kunnen +lezen, en het toeval had mij die "beuzeling" aan de hand gedaan! + +Men kan nagaan hoe ontroerd ik was! Mijne oogen werden dof. Ik kon ze +niet gebruiken. Ik had het blad papier op de tafel gelegd. Ik behoefde +er slechts een blik op te slaan om bezitter van het geheim te worden. + +Eindelijk gelukte het mij mijne ontroering meester te worden. Ik +maakte het mij tot een plicht om tweemaal de kamer rond te gaan, +ten einde mijne zenuwen tot bedaren te brengen, vervolgens plaatste +ik mij weder in den grooten armstoel. + +"Ik zal het lezen!" riep ik uit na ruim adem gehaald te hebben. + +Ik bukte over de tafel, legde mijn vinger achtereenvolgens op iedere +letter, en zonder te stuiten, zonder één oogenblik te haperen, las +ik luide den geheelen volzin. + +Maar welk eene ontsteltenis, welk een schrik greep mij aan! Ik stond +eerst als door den bliksem getroffen. Hoe! wat ik daar vernam was reeds +volbracht! iemand was vermetel genoeg geweest om door te dringen!.... + +"Ach!" riep ik uit, terwijl ik opsprong, "neen! neen! oom mag het +niet weten! Dat ontbreekt er nog maar aan, dat hij de lucht kreeg +van zulk eene reis! Hij zou er wellicht ook smaak in krijgen! Niets +zou hem kunnen tegenhouden! Hij, zulk een vastberaden geoloog, zou +vertrekken in ieder geval, in weerwil, in spijt van alles! En hij +zou mij medenemen en wij zouden niet terugkomen! Nooit, nooit!" + +Ik verkeerde in een onbeschrijfelijken toestand van opgewondenheid. + +"Neen, neen! het mag niet gebeuren," zeide ik vastbesloten, "en daar +ik kan beletten, dat zulk een denkbeeld bij mijn dwingeland opkomt, +zal ik het doen. Door dit document telkens te wenden en te keeren, zou +hij bij toeval den sleutel kunnen ontdekken. Ik zal het vernietigen!" + +Er lag nog eenig vuur in den haard. Ik greep niet alleen het blad +papier maar ook het perkament van Saknussemm; met koortsachtig bevende +hand wilde ik alles op de kolen werpen en dit gevaarlijke geheim +vernietigen, toen de kamerdeur geopend werd en mijn oom verscheen. + + + + + + +HOOFDSTUK V + + De professor aan het werk.--De neef valt in slaap.--De + huissleutel verdwenen.--De vreugde van mijn oom.--De lezing + van het document.--De valiezen moeten gepakt worden. + + +Ik had maar even den tijd om het onheil-aanbrengend document weder +op de tafel te leggen. + +Professor Lidenbrock scheen in diep gepeins verzonken. De gedachte, die +hem beheerschte, liet hem geen oogenblik rust; hij had klaarblijkelijk +onder de wandeling de zaak onderzocht, ontleed, alle hulpbronnen +zijner verbeeldingskracht aangewend, en kwam nu terug om de eene of +andere nieuwe verbinding toe te passen. + +Hij ging inderdaad in zijn armstoel zitten en met de pen in de +hand begon hij formules neer te schrijven, die op een algebraïsch +vraagstuk geleken. + +Ik volgde met mijne oogen zijne sidderende hand; geen enkele zijner +bewegingen ontging mij. Welke onverwachte uitkomst zou hij misschien +verkrijgen? Ik beefde, maar zonder reden, omdat de ware, de "eenige" +verbinding reeds gevonden zijnde, iedere andere nasporing noodwendig +vergeefs moest zijn. + +Drie uur lang werkte mijn oom zonder te spreken, zonder het hoofd op +te heffen, duizendmaal uitwisschende, weder opnemende, doorschrappende, +weder beginnende. + +Ik wist wel dat, als het hem gelukte om die letters te schikken naar +al de betrekkelijke plaatsen, die zij konden innemen, de zin klaar zou +zijn. Maar ik wist ook, dat twintig letters reeds twee trillioenen, +vier honderd twee en dertig duizend negen honderd twee billioenen, +acht duizend één honderd zes en zeventig millioenen, zes honderd +veertig duizend verbindingen moesten opleveren. In den zin waren +honderd twee en dertig letters, en die honderd tweeën dertig letters +gaven een getal verschillende volzinnen, dat uit minstens honderd +drie en dertig cijfers bestaat, een getal bijna onmogelijk uit te +spreken en dat alle bevatting te boven gaat. + +Ik was dus gerust over dit heldhaftige middel om het vraagstuk op +te lossen. + +Intusschen verliep de tijd; het werd nacht; het gerucht op straat +hield op; steeds over zijn werk gebukt zag mijn oom niets, zelfs de +goede Martha niet, die de deur half opende; hij hoorde niets, zelfs +de stem dezer waardige dienstbode niet die vroeg: + +"Zal Mijnheer dezen avond eten?" + +Martha moest zonder antwoord heengaan; ik voor mij, na mij eenigen +tijd er tegen verzet te hebben, werd door den slaap overmand en sliep +in op het einde van de canapé, terwijl oom Lidenbrock nog maar altijd +berekende en doorschrapte. + +Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was de onvermoeide werkezel nog +aan den arbeid. Zijne roode oogen, zijn bleek gezicht, zijne haren, +waarin hij met eene koortsige hand had gewoeld, de purperroode rand +onder zijne oogen bewezen genoegzaam zijne verschrikkelijke worsteling +met het onmogelijke, en onder welk eene vermoeinis van zijn geest en +inspanning van zijne hersenen de uren voor hem moesten verloopen zijn. + +Ik kreeg waarlijk medelijden met hem. In weerwil van de verwijten, +die ik het recht meende te hebben om hem te doen, gevoelde ik zekere +aandoening. De arme man werd zoo door zijne gedachten overheerscht, +dat hij vergat om boos te worden; al zijne levenskrachten trokken zich +op één punt samen, en daar zij niet door hare gewone veiligheidsklep +ontsnapten, stond het te vreezen dat hare spanning hem binnen kort +zou doen springen. + +Ik kon door een gebaar, door een woord slechts die ijzeren schroef +losmaken, die op zijne hersenpan drukte. En ik deed het niet! + +Mijn hart was toch goed genoeg. Waarom bleef ik dan stom in zulk een +geval? In het belang van mijn oom. + +"Neen, neen!" herhaalde ik, "neen, ik zal niet spreken! Hij zou er +heen willen gaan, ik ken hem; niets zou hem kunnen tegenhouden. Hij +heeft eene vulkanische verbeeldingskracht, en om te doen wat andere +geologen niet gedaan hebben, zou hij zijn leven wagen. Ik zal zwijgen, +ik zal het geheim bewaren, waarvan het toeval mij bezitter heeft +gemaakt; het te ontdekken zou zoo goed zijn als professor Lidenbrock +te dooden. Laat hij het raden, als hij kan, ik wil mij later niet te +verwijten hebben, dat ik hem in het verderf heb gestort!" + +Nadat ik hieromtrent tot een besluit was gekomen, sloeg ik de armen +over elkaar en wachtte. Maar ik had niet op een voorval gerekend, +dat eenige uren later plaats had. + +Toen de goede Martha het huis wilde verlaten om naar de markt te gaan, +vond zij de deur gesloten; de huissleutel stak niet in het slot. Wie +had hem er uitgenomen? Stellig mijn oom, toen hij den vorigen avond +van zijn haastig uitstapje was teruggekomen. + +Was het met voordacht? Was het bij vergissing? Wilde hij ons de +kwellingen van den honger laten ondergaan? Dat dacht mij toch wat al +te erg. Hoe! Martha en ik zouden de offers zijn van een toestand, +die ons niet het minste aanging? Zonder twijfel, en ik herinnerde +mij een vroeger voorval, dat wel geschikt was om ons vrees aan te +jagen. Eenige jaren geleden toch, op een tijdstip dat mijn oom werkte +aan zijn groote mineralogische classificatie, bleef hij acht en veertig +uur zonder voedsel, en het geheele huisgezin moest zich onderwerpen aan +die wetenschappelijke hongerkuur. Ik voor mij kreeg er een maagkramp +door, die niet zeer aangenaam was voor een vrij eetlustigen jongen. + +Het scheen mij dus toe, dat het ontbijt even zoo zou uitblijven als +het vorige avondeten. Ik besloot echter mijn moed te toonen, en niet te +wijken voor de eischen der maag. Martha trok het zich zeer aan en werd +bedroefd, die goede vrouw! Wat mij aangaat, de onmogelijkheid om het +huis te verlaten hield mij en terecht meer bezig. Men begrijpt mij wel. + +Mijn oom werkte gestadig door; zijn verbeelding verloor zich in de +denkbeeldige wereld der verbindingen; hij leefde ver buiten de aarde +en gevoelde werkelijk geen aardsche behoeften. + +Tegen den middag prikkelde de honger mij hevig; Martha had, in hare +eenvoudigheid, den vorigen avond den voorraad der etenskast geplunderd; +er was niets meer in huis. Toch hield ik mij goed. Ik maakte er eene +soort van punt van eer van. + +Het sloeg twee uur. Het werd bespottelijk, onuitstaanbaar zelfs, +ik zette groote oogen op. Ik begon bij mij zelven te zeggen, dat ik +het gewicht van het document overdreef; dat mijn oom er geen geloof +aan zou slaan; dat hij er niets in zou zien dan bedriegerij, dat +men hem in het ergste geval tegen zijn zin zou tegenhouden, als hij +de onderneming wilde beproeven; eindelijk, dat hij zelf den sleutel +van het geheimschrift kon ontdekken en dat mijne onthouding dan te +vergeefs zou geweest zijn. + +Deze redenen schenen mij uitmuntend toe, hoewel ik ze daags te voren +met verontwaardiging had verworpen; ik vond het zelfs heel dwaas, dat +ik zoo lang had gewacht en mijn besluit was genomen om alles te zeggen. + +Ik peinsde dus op een middel om niet zoo rechtstreeks met de deur +in huis te vallen, toen de professor opstond, zijn hoed opzette en +wilde gaan. + +"Hoe! het huis verlaten en ons nog eens opsluiten. Dat +nooit. Oom!" zeide ik. + +Hij scheen mij niet te hooren. + +"Oom Lidenbrock!" herhaalde ik met verheffing van stem. + +"Hé! wat is 't?" zeide hij als iemand, die plotseling ontwaakt. + +"Welnu! die sleutel!" + +"Welke sleutel? De huissleutel?" + +"Wel neen," riep ik, "de sleutel van het document!" + +De professor keek mij aan over zijn bril; hij bespeurde ongetwijfeld +iets ongewoons op mijn gelaat, althans hij vatte driftig mijn arm, en +zonder te kunnen spreken ondervroeg hij mij met zijne blikken. Echter +werd nooit een vraag juister gesteld. + +Ik bewoog mijn hoofd van boven naar beneden. + +Hij schudde het zijne met eene soort van medelijden, alsof hij met +een gek te doen had. + +Ik maakte een duidelijker gebaar. + +Zijne oogen schitterenden met een helderen glans, zijne hand maakte +eene dreigende beweging. + +Dit stomme gesprek in deze omstandigheden zou den onverschilligsten +aanschouwer belang hebben ingeboezemd. Het kwam waarlijk zoo ver, dat +ik niet meer durfde spreken, uit vrees dat mijn oom mij in de eerste +omhelzingen zijner vreugde mocht smoren. Maar hij drong zoo sterk, +dat ik antwoorden moest. + +"Ja, die sleutel!... het toeval!..." + +"Wat zegt gij?" riep hij met een onbeschrijfelijke ontroering. + +"Ziedaar," zeide ik, hem het door mij beschreven blad papier +overreikende, "lees!" + +"Maar dat beteekent niets!" antwoordde hij het papier ineen +frommelende. + +"Niets, als men van voren begint te lezen, maar van achteren..." + +Ik had nog niet uitgesproken of de professor slaakte een kreet of +liever een echt gebrul! Een licht was voor zijn geest opgegaan. Hij +was geheel van gedaante veranderd. + +"O, schrandere Saknussemm! gij hadt dus eerst uw volzin averechts +geschreven?" + +En met drift op het papier aanvallende, las hij met een verduisterd +oog en aangedane stem het geheele document, van de laatste letter af +aan beginnende. + +Het behelsde het volgende: + + +In Sneffels Yoculis craterem kem delibat umbra Scartaris Julii intra +calendas descende, audas viator, et terrestre centrum attinges. Kod +feci. Arne Saknussemm. + + +Dit slecht latijn zou men aldus kunnen vertalen: + + +Daal af in den krater van den Sneffels Yocul, dien de schaduw van +den Scartaris treft vóór den eersten Juli, vermetele reiziger! en +gij zult het middelpunt der aarde bereiken. + +Ik heb het gedaan. Arne Saknussemm. + + +Toen hij dit las, sprong mijn oom op, alsof hij onverwachts eene +Leidsche flesch had aangeraakt. Zijne opgewondenheid, vreugde en +overtuiging waren onbeschrijflijk. Hij liep heen en weer, nam zijn +hoofd tusschen de beide handen, verzette de stoelen, stapelde zijne +boeken op elkander, goochelde, het is haast niet te gelooven, met +zijne kostbare adelaarsteenen, gaf hier een slag met de vuist, daar +een tik met de hand. Eindelijk kwamen zijne zenuwen tot bedaren, +en even als iemand die uitgeput is door een overdadig genot, liet +hij zich in zijn armstoel nedervallen. + +"Hoe laat is het toch?" vroeg hij na eenige oogenblikken stilte. + +"Drie uur," antwoordde ik. + +"Wat! dan heb ik mijn middagmaal mooi verzuimd. Ik sterf van +honger. Aan tafel! En dan...." + +"En dan?" + +"Zult gij mijn valies pakken." + +"Wat?" riep ik uit. + +"En het uwe!" antwoordde de onverbiddelijke professor, terwijl hij +de eetzaal binnentrad. + + + + + + +HOOFDSTUK VI + + In het studeervertrek.--De Sneffels.--De warmte in den aardbol. + --De vulkanen.--Inwendige hitte der aarde. + + +Op die woorden ging mij eene rilling door het geheele +lichaam. Ik bedwong mij echter. Ik besloot zelfs een goed gelaat +te toonen. Wetenschappelijke bewijzen alleen konden professor +Lidenbrock weerhouden, en die waren er genoeg, zeer goede zelfs, +tegen de mogelijkheid van zulk eene reis. Naar het Middelpunt der +aarde gaan! Welk eene dwaasheid! Ik bewaarde mijne bedenkingen tot +een gepaster oogenblik en hield mij alleen met den maaltijd bezig. + +Het is noodeloos al de verwenschingen van mijn oom mede te deelen, +toen hij de tafel niet gedekt vond. Alles werd opgehelderd. De goede +Martha kreeg hare vrijheid terug. Zij liep naar de markt en repte +zich zoo, dat mijn honger een uur later gestild was en ik weder besef +kreeg van onzen toestand. + +Onder het eten was mijn oom bijna vroolijk; er ontvielen hem +eenige geleerde kwinkslagen, die nooit zeer gevaarlijk zijn. Toen +het nagerecht was afgeloopen, gaf hij mij een wenk om hem in zijn +studeervertrek te volgen. + +Ik gehoorzaamde. Hij ging aan het eene einde van zijne werktafel +zitten en ik aan het andere. + +"Axel!" zeide hij met eene zachte stem, "gij zijt een schrandere +jongen; gij hebt mij daar een verbazenden dienst bewezen, toen ik die +verbinding wilde opgeven. Waar zou ik heen gedwaald zijn. Niemand +kan het weten! Ik zal dat nooit vergeten, mijn jongen! en gij zult +uw deel hebben van den roem, dien wij zullen verwerven." + +"Kom aan," dacht ik, "hij is goed geluimd; het oogenblik is gekomen +om over dien roem te twisten." + +"Bovenal," hernam mijn oom, "beveel ik u de stiptste geheimhouding +aan, verstaat gij? Het ontbreekt mij aan geen benijders in de geleerde +wereld, en velen zouden die reis willen ondernemen, die er eerst bij +onze terugkomst iets van mogen vernemen. + +"Gelooft gij," zeide ik, "dat het aantal van die vermetelen zoo groot +zou zijn?" + +"Zeker! Wie zou aarzelen om zulk een roem te verwerven? Als dit +document bekend was, zou een heirleger van geologen het voetspoor +van Arne Saknussemm volgen!" + +"Daarvan ben ik nog niet overtuigd, oom! want niets bewijst de echtheid +van dit document." + +"Wat! En het boek, waarin wij het ontdekt hebben?" + +"Goed! Ik stem toe, dat die Saknussemm deze regels geschreven heeft; +maar volgt daaruit, dat hij inderdaad die reis heeft volbracht, +en kan dat oude perkament geene bedriegerij behelzen?" + +Het speet mij bijna, dat ik dit wel wat gewaagde woord had gesproken; +de professor fronste zijn dikke wenkbrauwen en ik vreesde den uitslag +van dit gesprek in de waagschaal te hebben gesteld. Gelukkig liep het +goed af. Een vluchtig glimlachje krulde de lippen van den strengen +spreker en hij antwoordde: + +"Dat zullen wij eens zien." + +"Zoo!" zeide ik een weinig verstoord, "maar veroorloof mij om de +reeks van tegenwerpingen met betrekking tot dit document te voltooien." + +"Spreek, mijn jongen! spreek ongedwongen. Ik geef u volle vrijheid +om uwe meening te uiten. Gij zijt niet meer mijn neef, maar mijn +ambtgenoot. Ga dus voort." + +"Welnu! dan zal ik u vooreerst vragen, wat die Yocul, die Sneffels +en die Scartaris zijn, waarvan ik nooit heb hooren spreken." + +"Niets is gemakkelijker. Ik heb onlangs van mijn vriend August +Petermann uit Leipzig eene kaart gekregen; zij kon niet beter van +pas komen. Krijg den derden atlas uit het tweede vak van de groote +bibliotheek, reeks Z. de vierde plank." + +Ik stond op en, dank zij deze juiste aanwijzingen, vond ik spoedig +den gevraagden atlas. Mijn oom opende hem en zeide: + +"Dit is eene der beste kaarten van IJsland, die van Handerson, en ik +geloof, dat zij ons de oplossing van al uwe bezwaren zal geven." + +Ik boog mij over de kaart. + +"Ziet gij dit eiland uit vulkanen bestaande?" zeide de professor. "Let +op, zij dragen allen den naam van Yocul. Dat woord beteekent in het +ijslandsch "gletscher," en onder de hooge breedte van IJsland banen +de meeste uitbarstingen zich een weg door de ijsbeddingen. Van daar +die benaming van Yocul voor al de vuurspuwende bergen des eilands." + +"Goed," antwoordde ik, "maar wat is de Sneffels?" + +Ik hoopte, dat hij mij op deze vraag het antwoord schuldig zou +blijven. Ik bedroog mij. Mijn oom hernam: + +"Volg mij naar de westkust van IJsland. Ziet gij Reikiavik, de +hoofdplaats? Ja? Goed. Ga langs de ontelbare fjörds van die door de +zee afgeknaagde kusten opwaarts, en houd even op onder den vijf en +zestigsten breedtegraad. Wat ziet gij daar?" + +"Eene soort van schiereiland, gelijk aan een ontvleescht been, +uitloopende in eene verbazend groote knieschijf." + +"De vergelijking is juist, mijn jongen! en bemerkt gij niets op +die knieschijf?" + +"Ja! een berg, die in de zee schijnt uit te steken." + +"Goed! dat is de Sneffels." + +"De Sneffels?" + +"Dezelfde, een vijfduizend voet hooge berg, een van de merkwaardigste +des eilands en voorzeker de beroemdste der geheele wereld indien zijn +krater in het middelpunt van den aardbol uitloopt." + +"Maar dat is onmogelijk!" riep ik uit, de schouders ophalende en +geërgerd door zulk eene vooronderstelling. + +"Onmogelijk!" antwoordde professor Lidenbrock op een gestrengen +toon. "En waarom?" + +"Omdat die krater natuurlijk versperd is door de lava, de gloeiende +steenen, en dus...." + +"En als het een uitgedoofde krater is?" + +"Een uitgedoofde?" + +"Ja. Het aantal nog werkende vulkanen op de oppervlakte van den +aardbol bedraagt tegenwoordig slechts omtrent drie honderd; maar er +bestaan veel meer uitgedoofde vulkanen. De Sneffels nu behoort onder +deze laatste, en in historische tijden heeft er maar ééne uitbarsting +plaats gehad, in 1219; sedert dat tijdstip is zijn geweld langzamerhand +bedaard en thans behoort hij niet meer tot de werkende vulkanen." + +Op die stellige verzekeringen kon ik niets meer antwoorden, en dus +ging ik over tot de andere duisterheden, die het document bevatte. + +"Wat beteekent dat woord Scartaris," vroeg ik, "en wat heeft de eerste +Juli daarmee te maken?" + +Mijn oom dacht een poosje na. Ik hoopte een oogenblik, maar ook +slechts één, want weldra antwoordde hij mij aldus: + +"Wat gij duisterheid noemt is voor mij licht. Het bewijst de vernuftige +zorg, waarmede Saknussemm zijne ontdekking heeft willen aanwijzen. De +Sneffels bestaat uit verscheidene kraters; het was dus noodig +den krater aan te duiden, die naar het middelpunt van den aardbol +voert. Wat heeft nu de geleerde IJslander gedaan? Hij heeft opgemerkt, +dat tegen den eersten Juli, dus in de laatste dagen der maand Juni, +één van de pieken des bergs, de Scartaris, zijne schaduw verlengt tot +aan de opening van den bedoelden krater, en hij heeft het feit in zijn +document aangeteekend. Kon hij eene nauwkeuriger aanwijzing bedenken, +en kunnen wij, als wij eens den top van den Sneffels bereikt hebben, +met mogelijkheid den rechten weg missen?" + +Het was duidelijk, mijn oom had op alles een antwoord. Ik zag wel, +dat hij niet te vatten was op de woorden van het oude perkament. Ik +drong er dus niet langer op aan, en daar ik hem boven alles moest +overtuigen, ging ik over tot de wetenschappelijke tegenwerpingen, +die mijns inziens vrij wat gewichtiger waren. + +"Welaan," zeide ik, "ik moet bekennen, dat de zin van Saknussemm +duidelijk is en geen twijfel overlaat. Ik sta zelfs toe, dat het +document er volkomen echt uitziet. Die geleerde is naar den Sneffels +gegaan; hij heeft de schaduw van den Scartaris vóór den eersten +Juli de randen van den krater zien treffen; hij heeft zelfs in de +volks-overleveringen van zijn tijd hooren vertellen, dat die krater +op het middelpunt der aarde uitliep; maar wat aangaat, dat hij zelf er +bij gekomen zou zijn, dat hij de reis zou gedaan hebben en teruggekeerd +zou zijn, in geval hij haar ondernomen heeft, neen! duizendmaal neen!" + +"En om welke reden?" zeide mijn oom op een bijzonder spottenden toon. + +"Omdat alle theoriën der wetenschap betoogen, dat zulk eene onderneming +onuitvoerbaar is!" + +"Zeggen alle theoriën dat?" antwoordde de professor, een heel onnoozel +gezicht zettende. "O, die akelige theoriën! wat zullen die arme +theoriën ons hinderen!" + +Ik zag dat hij met mij spotte, maar ging toch voort. + +"Ja! het is bewezen, dat de warmte omstreeks één graad toeneemt bij +iedere zeventig voet diepte onder de oppervlakte van den aardbol; +neemt men nu aan, dat die verhouding dezelfde blijft, dan heerscht er, +daar de straal der aarde vijftien honderd uur gaans bedraagt, in het +middelpunt een warmtegraad van twee millioen graad. De stoffen in +het binnenste der aarde bevinden zich derhalve in den toestand van +witgloeiend gas, want de metalen, het goud, het platina, de hardste +rotsblokken zijn niet bestand tegen zulk eene hitte. Ik mag dus +met grond vragen, of het mogelijk is om in zulk een middelpunt door +te dringen!" + +"Dus is het de warmte, die u verlegen maakt, Axel?" + +"Zonder twijfel. Al kwamen wij slechts tot eene diepte van tien uur +gaans, dan zouden wij reeds de grens der aardschors bereikt hebben, +want de warmtegraad is daar hooger dan dertien honderd graad." + +"En gij zijt bang om te smelten?" + +"Gij kunt die vraag zelf wel beantwoorden," zeide ik verstoord. + +"Zie hier mijn antwoord," hernam professor Lidenbrock met een deftig +gezicht; "noch gij, noch iemand anders weet met zekerheid wat er in +het binnenste van den aardbol omgaat, dewijl men nauwelijks het twaalf +duizendste deel van zijn straal kent; de wetenschap is bij uitstek +vatbaar voor volmaking en iedere theorie wordt gestadig omvergeworpen +door eene nieuwe theorie. Heeft men tot Fourier toe niet geloofd, +dat de warmtegraad van het hemelruim steeds verminderde, en weet men +tegenwoordig niet, dat de grootste koude der luchtgewesten de veertig +of vijftig graad onder nul niet te boven gaat? Waarom zou dat ook niet +het geval kunnen zijn met de inwendige warmte? Waarom zou zij niet +op eene zekere diepte eene onoverkomelijke grens bereiken, in plaats +van toe te nemen tot den graad van smelting der hardste delfstoffen?" + +Toen mijn oom de vraag op het gebied der vooronderstellingen +overbracht, kon ik niet meer antwoorden. + +"Welnu! ik zal u zeggen, dat echte geleerden, Poisson o.a., bewezen +hebben dat, indien er eene warmte van twee millioen graad in het +binnenste van den aardbol heerschte, de witgloeiende gassen, ontstaande +uit de gesmolten stoffen, zulk een spankracht zouden krijgen, dat de +aardschors haar geen tegenstand zou kunnen bieden en springen moest, +gelijk de wanden van een stoomketel door de kracht van den stoom." + +"Dat is het gevoelen van Poisson, oom! ziedaar alles." + +"Toegestemd! maar het is ook het gevoelen van andere voorname geologen, +dat het binnenste van den aardbol niet bestaat uit gas of water, +noch uit de zwaarste steenen, die wij kennen; want in dat geval zou +de aarde tweemaal lichter zijn." + +"O! met cijfers kan men alles bewijzen wat men wil." + +"En is het met feiten ook zoo, mijn jongen? Is het niet zeker dat +het aantal vulkanen aanzienlijk verminderd is sedert de eerste dagen +der wereld, en kan men, als er eene inwendige warmte bestaat, daaruit +niet besluiten, dat zij gaandeweg afneemt?" + +"Oom! als gij het velt der gissingen betreedt, kan ik niet langer +redetwisten." + +"En ik moet zeggen, dat mijn gevoelen ondersteund wordt door dat van +zeer bevoegde personen. Herinnert gij u het bezoek, dat de beroemde +engelsche scheikundige Humphry Davy in 1825 bij mij aflegde?" + +"Zeker niet, want ik werd eerst negentien jaar later geboren." + +"Welnu! Humphry kwam mij op zijne doorreis te Hamburg bezoeken. Wij +bespraken onder andere punten ook lang de veronderstelling van de +vloeibaarheid van de kern der aarde. Wij waren het beiden eens, +dat die vloeibaarheid niet kon bestaan; om eene reden, waarop de +wetenschap nooit het antwoord gevonden heeft." + +"En welke is die reden?" vroeg ik een weinig verwonderd. + +"Omdat die vloeibare massa, even als de Oceaan, aan de +aantrekkingskracht der maan onderhevig zou zijn, en bij gevolg zouden +er tweemaal daags inwendige vloeden plaats hebben, die de aardkorst +opheffende, regelmatig terugkeerende aardbevingen zouden veroorzaken!" + +"Maar het is toch stellig zeker, dat de oppervlakte van den aardbol +aan verbranding heeft bloot gestaan, en men mag dus veronderstellen, +dat de buitenste korst het eerst is afgekoeld, terwijl de warmte naar +het middelpunt week." + +"Dat is een dwaling," antwoordde mijn oom; "de aarde is verwarmd +door de verbranding harer oppervlakte en op geen andere wijze. Hare +oppervlakte bestond uit eene groote menigte metalen, zooals het +potassium, het sodium, die de eigenschap hebben van te ontvlammen +door eene bloote aanraking met het water en de lucht; die metalen +ontbrandden, toen de dampen uit de lucht als regen op den grond vielen, +en langzamerhand, toen het water in de scheuren van de aardkorst +doordrong, gaven zij aanleiding tot nieuwe branden met ontploffingen +en uitbarstingen. Van daar die talrijke vulkanen in de eerste dagen +der wereld." + +"Maar dat is eene zeer vernuftige gissing!" riep ik een weinig tegen +wil en dank uit. + +"En die Humphry Davy mij op deze zelfde plaats duidelijk maakte +door eene zeer eenvoudige proef. Hij vervaardigde een metalen bol, +hoofdzakelijk bestaande uit de pas genoemde metalen en die nauwkeurig +onzen aardbol voorstelde; als men een fijne dauw op zijne oppervlakte +liet vallen, zwol deze op, roestte en vormde een bergje; een krater +ontstond op den top; de uitbarsting had plaats en deelde aan den +bol zulk een warmte mede, dat het onmogelijk werd hem in de hand +te houden." + +Ik werd waarlijk aan het wankelen gebracht door de bewijsgronden +van den professor; hij droeg ze bovendien voor met zijn gewone vuur +en geestdrift. + +"Gij ziet, Axel!" voegde hij er bij, "dat de toestand van de kern +der aarde tot velerlei gissingen onder de geologen aanleiding heeft +gegeven, niets is minder bewezen dan dit feit van eene inwendige hitte; +volgens mijn gevoelen bestaat zij niet en kan zij niet bestaan; wij +zullen het echter onderzoeken en even als Arne Saknussemm zullen wij +weten, waaraan wij ons met betrekking tot dit gewichtige vraagstuk +te houden hebben." + +"Welnu! ja!" antwoordde ik, bijna door dezelfde geestdrift bezield, +"ja, wij zullen het zien, als men er ten minste zien kan." + +"En waarom niet? kunnen wij niet op electrische verschijnselen rekenen +om ons te verlichten, en zelfs op den dampkring, dien de drukking +misschien nabij het middelpunt lichtgevend maakt?" + +"Ja!" zeide ik; "ja! dat is ten minste mogelijk." + +"Het is zeker," antwoordde mijn oom zegevierend; "maar zwijg, hoort +gij? zwijg over dit alles, opdat niemand op de gedachte kome om voor +ons het middelpunt der aarde te ontdekken." + + + + + + +HOOFDSTUK VII + + Naar het middelpunt der aarde.--Een onmogelijke reis.-- + Toebereidselen tot het vertrek.--Reikiavik.--De koffer moet + gepakt worden.--Naar den kelder? + + +Zoo liep deze gedenkwaardige zitting af. Dit gesprek maakte mij +koortsig. Ik verliet als bedwelmd het vertrek van mijn oom, en er was +geen lucht genoeg in de straten van Hamburg om mij te doen bijkomen. Ik +ging daarom naar den oever der Elbe, ter plaatse waar de stoomboot +ligt, die de stad in gemeenschap brengt met den spoorweg van Harburg. + +Was ik overtuigd door hetgeen ik gehoord had? Was ik niet onder den +invloed van professor Lidenbrock geweest? Moest ik zijn besluit om naar +het middelpunt van de inwendige ruimte der aarde te gaan voor ernstig +gemeend houden? Had ik de zinnelooze bespiegelingen van een gek of de +wetenschappelijke gevolgtrekkingen van een groot vernuft gehoord? Hoe +het ook zijn mocht, waar eindigde de waarheid, waar begon de dwaling? + +Ik dobberde tusschen duizend tegenstrijdige veronderstellingen, +zonder mij aan eene enkele te kunnen vastklemmen. + +Echter herinnerde ik mij, dat ik overtuigd was geworden, hoewel +mijn geestdrift begon te bekoelen; maar ik zou gaarne onmiddellijk +vertrokken zijn om geen tijd te hebben tot nadenken. Ja, het zou mij +niet aan moed ontbroken hebben om oogenblikkelijk mijn valies vast +te gespen. + +Ik moet evenwel bekennen, dat een uur later die overspanning afnam; +mijne zenuwen verslapten en uit de diepe afgronden der aarde steeg +ik weder opwaarts naar hare oppervlakte. + +"Het is ongerijmd!" riep ik uit; "het gelijkt nergens naar! Het is +geen ernstig voorstel, dat men een verstandigen jongen kan doen. Niets +van dat alles bestaat. Ik heb slecht geslapen! ik heb een benauwden +droom gehad." + +Intusschen had ik de oevers van de Elbe gevolgd en de stad +omgewandeld. Na de haven langs gegaan te zijn, kwam ik op den weg naar +Altona. Een voorgevoel bestuurde mij, een verwezenlijkt voorgevoel, +want ik bemerkte spoedig mijne lieve Gräuben, die vlug ter been en +opgeruimd naar Hamburg terugkeerde. + +"Gräuben!" riep ik haar van verre toe. + +Het jonge meisje bleef een weinig verschrikt staan, ik denk omdat +zij zich op een grooten weg hoorde toeroepen. In tien stappen was ik +naast haar. + +"Axel!" riep zij verwonderd uit. "Wat! komt gij mij te gemoet! Dat +is lief van u, mijnheer!" + +Maar, toen zij mij aanzag, bemerkte Gräuben mijn ongerust en ontsteld +gelaat. + +"Wat scheelt er aan?" zeide zij, mij de hand toereikende. + +"Wat er aan scheelt, Gräuben!" riep ik. + +In twee seconden en met drie volzinnen was het lieve meisje op de +hoogte van de zaak. Zij zweeg gedurende eenige oogenblikken. Klopte +haar hart gelijk het mijne? ik weet het niet; maar hare hand beefde +niet in de mijne. Wij gingen wel honderd schreden ver zonder een +woord te wisselen. + +"Axel!" zeide zij eindelijk. + +"Lieve Gräuben!" + +"Dat zal eene schoone reis zijn." + +Ik sprong op bij die woorden. + +"Ja, Axel! en den neef van een geleerde waardig. Het is goed, als +een man zich onderscheidt door de eene of andere groote onderneming!" + +"Hoe! Gräuben! gij raadt mij niet af om zulk een tocht te wagen?" + +"Neen! lieve Axel! en ik zou u en uw oom gaarne vergezellen, als een +arm meisje u niet tot last moest zijn." + +"Spreekt gij de waarheid?" + +"De waarheid." + +Ach! meisjes, vrouwen, vrouwenharten! wat zijt gij toch +onbegrijpelijk! Als gij niet de beschroomdste aller levende wezens +zijt, zijt gij de dapperste! De rede heeft geen invloed op u. Hoe! dit +kind moedigde mij aan om deel te nemen aan dien tocht. Zij zou niet +gevreesd hebben om het waagstuk te ondernemen. Zij spoorde mij er +toe aan, en toch beminde zij mij! + +Ik was van mijn stuk gebracht en, waarom zou ik het +verzwijgen? beschaamd. + +"Gräuben!" hernam ik, "wij zullen zien, of gij morgen nog zoo zult +spreken." + +"Morgen, lieve Axel! zal ik spreken als van daag." + +Gräuben en ik, elkander bij de hand houdende, maar een diep +stilzwijgen bewarende, vervolgden onzen weg. Ik was diep geschokt +door de aandoeningen van dezen dag. + +"In elk geval," dacht ik, "zijn wij nog ver van den 1sten Juli, +en in dien tusschentijd zal er wel iets plaats hebben, dat mijn oom +geneest van zijne gril om onder den grond te reizen." + +Het was avond, toen wij bij het huis in de Koningstraat kwamen. Ik +dacht de woning in rust, oom naar gewoonte te bed en de goede Martha +bezig te vinden met de eetzaal voor het laatst aan te stoffen. + +Maar ik had niet op het ongeduld van den professor gerekend. Hij +schreeuwde en was druk in de weer te midden van een hoop sjouwers, die +eenige goederen in de gang nederlegden; de oude meid wist geen raad. + +"Kom dan toch, Axel! haast u toch, ongelukkige!" riep mijn oom, +zoodra hij mij in de verte zag, "uw valies is nog niet gepakt, mijne +papieren zijn nog niet in orde, ik vind den sleutel van mijn reiszak +niet en mijne reiskousen komen maar niet!" + +Ik stond versuft. Ik kon niet spreken. Met moeite kon ik deze woorden +uitbrengen: + +"Gaan wij dan vertrekken?" + +"Ja! ongeluksvogel, die liever gaat wandelen, in plaats van hier +te blijven!" + +"Gaan wij vertrekken?" herhaalde ik met eene zwakke stem. + +"Ja! overmorgen ochtend met zonsopgang." + +Ik kon het niet langer aanhooren en vluchtte naar mijn kamertje. + +Er viel niet meer aan te twijfelen; mijn oom had den namiddag +gebruikt om zich een gedeelte der voor zijne reis noodzakelijke +voorwerpen en gereedschappen aan te schaffen; de gang was versperd +door touwladders, touwen met knoopen, toortsen, waterflesschen, +ijzeren haken, breekijzers, met ijzer beslagen stokken, houweelen, +genoeg om ten minste tien man te beladen. + +Ik bracht een verschrikkelijken nacht door. Den volgenden morgen +vroeg hoorde ik mij roepen. Mijn besluit stond vast om mijne deur +niet te openen. Maar hoe kon ik weerstand bieden aan de zoete stem, +die deze woorden sprak: "lieve Axel!" + +Ik kwam uit mijne kamer, Ik dacht, dat mijn ontdaan gelaat, mijne +bleekheid, mijne oogen, rood van slapeloosheid, hunne uit werking op +Gräuben niet zouden missen en haar van gedachte doen veranderen. + +"Ha, lieve Axel!" zeide zij mij, "ik zie, dat gij wat beter zijt en +de nacht u kalmer heeft doen worden." + +"Kalmer doen worden!" riep ik uit. + +Ik liep naar mijn spiegel. En ja wel! ik zag er niet zoo akelig uit +als ik vermoedde. Het was haast niet om te gelooven. + +"Axel!" zeide mij Gräuben, "ik heb lang met mijn voogd gesproken. Hij +is een stout geleerde, een man van moed, en gij moet niet vergeten, +dat zijn bloed in uwe aderen stroomt. Hij heeft mij zijne plannen, +zijne verwachtingen, waarom en hoe hij zijn doel hoopt te bereiken, +alles verteld. Hij zal slagen, ik twijfel er niet aan. O, lieve +Axel! het is schoon zich zoo voor de wetenschap op te offeren! Welk +een roem verbeidt den heer Lidenbrock en zal afstralen op zijn +reisgenoot! Bij uwe terugkomst, Axel! zult gij een man zijn, zijns +gelijke, vrij om te spreken, vrij om te handelen vrij ook om...." + +Het meisje bloosde en zweeg. Hare woorden gaven mij weder moed. Ik +trok Gräuben mede naar de kamer van den professor. + +"Oom!" zeide ik, "is het vast bepaald, dat wij vertrekken?" + +"Wat! twijfelt gij er nog aan?" + +"Neen!" zeide ik om hem niet boos te maken. "Ik wilde slechts vragen, +waarom wij zooveel haast hebben?" + +"De tijd, de tijd vliegt immers met snelle vaart voort en kan niet +teruggeroepen worden!" + +"Maar wij hebben eerst den 26sten Mei, en tot aan het einde van +Juni...." + +"Denkt gij dan, domoor! dat men zoo gemakkelijk op IJsland komt? Waart +gij niet als een gek weggeloopen, dan zou ik u medegenomen hebben +naar het goederenkantoor voor Kopenhagen, bij Liffender & Co. Daar +zoudt gij gezien hebben, dat er maar één dienst is van Kopenhagen +naar Reikiavik, den 22sten van iedere maand." + +"Welnu?" + +"Welnu! zoo wij tot den 22sten Juni wachtten, zouden wij te laat komen +om de schaduw van den Scartaris den krater van den Sneffels te zien +raken; wij moeten dus zoo spoedig mogelijk naar Kopenhagen om er een +middel van vervoer te zoeken. Ga uw koffer pakken!" + +Hier viel niet langer te praten. Ik ging weder naar mijne kamer, +Gräuben volgde mij. Zij nam op zich om in een valiesje alle voorwerpen, +die ik op mijne reis noodig zou hebben, bijeen te brengen. Zij was +zoo weinig aangedaan, alsof het slechts een tochtje naar Lubeck of +Helgoland gold; hare handjes waren zonder overhaasting bezig; zij +praatte heel bedaard; zij gaf mij de verstandigste redenen op voor +onze onderneming. Zij betooverde mij en toch was ik innerlijk zeer op +haar verstoord. Somtijds stond ik op het punt om los te barsten, maar +zij lette er niet op en ging stelselmatig met haar rustig werk voort. + +Eindelijk was de laatste riem van het valies vastgegespt. Ik ging +weer naar beneden. + +In den loop van dezen dag was het aantal leveranciers van natuurkundige +werktuigen, van wapenen, van electrische toestellen nog vermeerderd. De +goede Martha was er suf van. + +"Is mijnheer gek?" zeide zij mij. + +Ik gaf een toestemmend teeken. + +"En neemt hij u mede?" + +Ik herhaalde het teeken. + +"Waarheen?" zeide zij. + +Ik wees met den vinger het middelpunt der aarde aan. + +"Naar den kelder?" riep de oude meid. + +"Neen!" zeide ik eindelijk. "Nog veel lager!" + +Het werd avond. Ik had geene bewustheid meer van den vervlogen tijd. + +"Morgen ochtend," zeide mijn oom, "vertekken wij precies te zes uur." + +Te tien uur viel ik als een levenlooze klomp op mijn bed. + +Des nachts keerden de schrikbeelden terug. + +Ik bracht dien nacht door met van afgronden te droomen! Ik was ten +prooi aan waanzin. Ik voelde, dat de stevige hand van den professor mij +omklemde, medesleepte, in den afgrond wierp, deed wegzinken! Ik viel +in onpeilbare diepten met de toenemende snelheid van lichamen, die aan +zichzelven overgelaten zijn. Mijn leven was slechts een eindelooze val. + +Ik ontwaakte te vijf uur, afgemat door vermoeienis en aandoening. Ik +ging naar beneden in de eetzaal. Mijn oom zat aan tafel. Hij verslond +de spijzen. Ik zag hem aan met een gevoel van afschuw. Maar Gräuben +was er bij. Ik sprak niets. Ik kon niet eten. + +Te half zes hoorde ik het ratelen van een rijtuig op de straat. Er +kwam een groote wagen voor om ons naar den spoorweg te Altona te +brengen. Hij was weldra volgeladen met al de kisten van mijn oom. + +"En uw valies?" vroeg hij mij. + +"Het is gereed," antwoordde ik bijna bezwijmende. + +"Breng het dan spoedig beneden, of wij zouden door uw schuld den +trein missen!" + +Tegen mijn noodlot te kampen scheen mij onmogelijk toe. Ik ging weder +naar mijne kamer, en mijn valies van de trappen latende glijden, +vloog ik het achterna. + +Op dit oogenblik droeg mijn oom plechtig de "teugels" van zijn huis +in handen van Gräuben over. Het lieve meisje behield hare gewone +kalmte. Zij omhelsde haren voogd, maar kon een traan niet weerhouden, +toen zij mijne wang met hare zachte lippen aanraakte. + +"Gräuben!" riep ik. + +"Ga, lieve Axel! ga!" zeide zij mij, "gij verlaat uwe bruid, maar +vindt bij uwe terugkomst uw vrouwtje terug!" + +Ik klemde Gräuben in mijne armen en nam plaats in het rijtuig. Martha +en het meisje op den drempel van het huis staande, riepen ons een +laatst vaarwel toe; daarna sloegen de beide paarden, door het fluiten +van den voerman aangevuurd, in galop den weg naar Altona in. + + + + + + +HOOFDSTUK VIII + + Altona.--Kiel.--Korsör.--Professor Thomson.--Kopenhagen--De + Vor-Frelsels kerk.--Duizeligheid. + + +Altona, eigenlijk stadsgebied van Hamburg, is het eerste station +van den Kielerspoorweg, die ons naar den oever van de Belt zou +brengen. Binnen twintig minuten kwamen wij op Holsteinschen grond. + +Om half zeven uur hield het rijtuig stil voor het station, de talrijke +kisten van mijn oom, zijn verbazende reisbehoeften werden afgelaten, +vervoerd, gewogen, van briefjes voorzien, weder in den goederenwagen +geladen, en om zeven uur zaten wij over elkander in dezelfde afdeeling +van een waggon. De locomotief floot en zette zich in beweging. Wij +waren vertrokken. + +Had ik mij in mijn lot geschikt? Nog niet. Doch de frissche +morgenlucht, de bijzonderheden van den weg, die telkens afwisselden +door de snelheid van den trein, gaven mij eenige afleiding van mijn +diep gepeins. + +Wat de gedachte van den professor aangaat, deze liep gewis den +trein vooruit die te te langzaam ging naar den maatstaf van zijn +ongeduld. Wij zaten alleen in den waggon, maar spraken niet. Mijn oom +onderzocht nog eens zeer oplettend den ganschen inhoud van zijne zakken +en van de reistasch. Ik zag wel, dat hem geen enkel stuk ontbrak, +dat hij noodig had voor de uitvoering zijner plannen. + +Zoo droeg o.a. een netjes gevouwen papier het opschrift van de deensche +kanselarij met de handteekening van den heer Ghristiensen, consul te +Hamburg en vriend van den professor. Het moest dienen om voor ons de +gelegenheid te openen om te Kopenhagen aanbevelingsbrieven voor den +gouverneur van IJsland te verkrijgen. + +Ook bemerkte ik het beruchte document, zorgvuldig weggestopt in den +geheimsten zak der brieventasch. Ik vervloekte het uit den grond van +mijn hart, en liet mijne blikken weder over het land gaan. Het was +een lange aaneenschakeling van niet zeer bezienswaardige, eentonige, +drassige en vrij vruchtbare vlakten: eene zeer gunstige landstreek +voor den aanleg van een spoorweg en bijzonder geschikt voor die rechte +lijnen, waarop de spoorwegmaatschappijen zoo gesteld zijn. + +Maar de tijd was te kort, dan dat die eentonigheid mij had kunnen +vervelen, want drie uur na ons vertrek hield de trein te Kiel stil, +op een paar schreden afstands van de zee. + +Daar onze bagage naar Kopenhagen bestemd was, behoefden wij er ons niet +mede bezig te houden. Toch volgde de professor ze met een ongerust +oog, terwijl zij naar de stoomboot gebracht werd. Daar verdween zij +in het ruim. + +Mijn oom had in den haast de aansluiting van den spoorweg met de boot +zoo goed berekend, dat wij een geheelen dag voor ons hadden. De boot, +Ellenora genoemd, vertrok niet voor den nacht. Dit verwekte eene +koorts van negen uur, gedurende welke de lichtgeraakte reiziger +het bestuur der booten en der spoorwegen, en de regeeringen, die +zulke misbruiken duldden, naar den duivel wenschte. Ik moest met hem +medepraten, toen hij den kapitein der Ellenora daarover den mantel +uitveegde. Hij wilde dezen dwingen om oogenblikkelijk het vuur aan +te stoken. De andere liet hem praten. + +Te Kiel moet er, even goed als op iedere andere plaats, een einde +aan den dag komen. Al wandelende langs de groene oevers der baai, +aan welker uiteinde het stadje zich verheft; al dwalende door de +dichte boschjes, die haar het voorkomen geven van een nest in een +bundel takken, en de villa's bewonderende, die elk voorzien zijn van +hare koudbad-inrichting, kortom, al loopende en vloekende, werd het +eindelijk tien uur des avonds. + +De rookwolken der Ellenora verdeelden zich in de lucht; het dek beefde +door de schudding van den stoomketel; wij waren aan boord en bezitters +van twee kooien boven elkander in de eenige kajuit der boot. + +Kwartier over tienen werden de touwen losgemaakt en de stoomer liep +snel over het donkere water van de groote Belt. + +De nacht was duister; er woei eene fiksche koelte en er ging eene +hooge zee; eenige kustvuren schenen in de duisternis; later, ik weet +niet waar, flikkerde een draaiend kustlicht over de golven; dit was +alles, wat ik van dezen eersten overtocht onthield. + +Des morgens te zeven uur landden wij te Korsör, een stadje op de +westkust van Seeland. Uit de boot stapten wij over op een anderen +spoorweg, die ons door een niet minder vlak land dan de velden van +Holstein voerde. + +Wij moesten nog drie uur reizen, vóór wij de hoofdstad van Denemarken +bereikten. Mijn oom had den ganschen nacht geen oog gesloten. In zijn +ongeduld stiet hij, geloof ik, den waggon met de voeten voort. + +Eindelijk kreeg hij de zee in het oog. + +"De Sond!" riep hij uit. + +Ter linkerzijde zagen wij een groot gebouw, dat een gasthuis scheen +te wezen. + +"Het is een krankzinnigengesticht," zeide een onzer reisgenooten. + +"Goed!" dacht ik, "in zulk eene inrichting moesten wij ons leven +eindigen. En hoe groot het ook moge wezen, toch zou dit hospitaal nog +te klein zijn om al de dwaasheid van Professor Lidenbrock te bergen." + +Eindelijk, des morgens te tien uur, waren wij te Kopenhagen; de +bagage werd op een rijtuig geladen en met ons naar het hôtel de +Phoenix in Bred-Gade gebracht. Daar was een half uur mede gemoeid, +want het station is buiten de stad. Nadat mijn oom zich wat opgeknapt +had, sleepte hij mij mede. De portier van het hôtel sprak duitsch en +engelsch; maar als talenkenner ondervroeg de professor hem in goed +deensch, en in goed deensch wees die persoon hem de ligging van het +Museum van noordsche oudheden. + +De directeur dezer bezienswaardige inrichting, waarin wonderen +opeengestapeld zijn, die voldoende zouden zijn om de geschiedenis des +lands op te stellen uit zijne oude steenen wapenen, zijne drink-schalen +en kleinoodiën, was een geleerde, de vriend van den consul te Hamburg, +professor Thomson. + +Mijn oom had voor hem een warmen brief van aanbeveling. In het algemeen +ontvangt de eene geleerde den andere zeer slecht. Maar hier was het +anders. De heer Thomson ontving, als een dienstvaardig man, professor +Lidenbrock en zelfs diens neef zeer hartelijk. Het is bijna onnoodig +te zeggen, dat wij ons geheim voor den uitmuntenden directeur van het +Museum verzwegen. Wij wilden eenvoudig als belanglooze liefhebbers +IJsland gaan bezoeken. + +De heer Thomson stelde zich geheel ter onzer beschikking en wij liepen +de kaaien af om een zeilreê schip te vinden. + +Ik hoopte, dat er volstrekt geen middel van vervoer zou zijn; +maar het was zoo niet. Een kleine deensche schoener, de Valkyrie, +zou den 2den Juni naar Reikiavik onder zeil gaan. De kapitein, de +heer Bjarne, was aan boord; zijn aanstaande passagier drukte hem in +zijne vreugde driftig de hand, waarover die brave man zich een weinig +verwonderde. Hij vond het heel eenvoudig om naar IJsland te gaan, +daar het zijn beroep was. Mijn oom vond het verheven. De waardige +kapitein maakte van die geestdrift gebruik om ons dubbel te laten +betalen voor den overtocht op zijn schip. Maar wij keken zoo nauw niet. + +"Zorgt Dinsdag morgen om zeven uur aan boord te zijn," zeide Bjarne, +nadat hij een goed aantal speciedaalders had opgestreken. + +Wij bedankten nu den heer Thomson voor zijne vriendelijkheid en +keerden naar het hôtel de Phoenix terug. + +"Dat gaat goed! dat gaat zeer goed!" herhaalde mijn oom. "Welk +een gelukkig toeval, dat wij dit zeilklaar liggend schip gevonden +hebben! Laten wij nu gaan ontbijten en dan de stad bezien." + +Wij begaven ons naar Kongens-Nye-Torw, eene onregelmatige plaats, +waar zich een post bevindt met twee onschadelijk opgestelde kanonnen, +die niemand vrees aanjagen. Dicht bij, in No 5, was eene fransche +restauratie van een kok, Vincent geheeten; wij ontbeten er goed voor +den matigen prijs van vier mark per hoofd. [1] + +Vervolgens vond ik er een kinderachtig vermaak in om door de +stad te wandelen; mijn oom liep overal mee, maar zag niets, noch +het onbeduidend koninklijk paleis, noch de fraaie brug uit de +zeventiende eeuw, die over het kanaal voor het Museum ligt, noch dat +verbazende, ledige praalgraf van Torwaldsen, versierd met leelijke +muurschilderingen, die de werken van dien beeldhouwer voorstellen; +noch in een vrij schoon park het bevallige kasteel Rosenburg, noch +het bewonderenswaardige beursgebouw in renaissance-stijl, noch zijn +klokketoren, vervaardigd uit de dooreengeslingerde staarten van vier +bronzen draken, noch de groote molens op de wallen welker verbazende +wieken opzwollen door den zeewind, gelijk de zeilen van een schip. + +Hoe heerlijk zouden de lieve Gräuben en ik gewandeld hebben naar de +haven, waar de tweedekkers en de fregatten rustig sliepen onder hun +rood dak, langs de groene oevers der straat, door die dichte boschjes, +in wier midden de citadel zich verschuilt, welker kannonen hun zwarten +muil tusschen de takken der vlier- en wilgen-boomen uitsteken! + +Maar helaas! zij was verre weg, mijn arme Gräuben, en mocht ik hopen +haar ooit weder te zien? + +Al werd mijn oom niets gewaar van deze bekoorlijke plekjes, zoo +werd hij toch levendig getroffen door het gezicht van een zekeren +klokketoren op het eiland Amak, dat het zuidwestelijk gedeelte van +Kopenhagen uitmaakt. + +Ik kreeg order om mede daarheen te gaan; ik stapte op eene kleine +stoomboot, die op de kanalen voer en binnen weinige oogenblikken +legde zij aan bij de dokwerf-kade. + +Na eenige nauwe straten doorgegaan te zijn, waar galeiboeven, met half +gele half grauwe broeken gekleed onder den stok der onderofficieren +werkten, kwamen wij voor de Vor-Frelselskerk. Die kerk leverde niets +merkwaardigs op. Maar ziehier waarom haar vrij hooge toren de aandacht +des professors getrokken had: van het platte dak af kronkelde zich +van buiten eene trap om de spits en zijne schroeflijnen ontwikkelden +zich hoog in de lucht. + +"Laten wij hem beklimmen," zeide mijn oom. + +"Maar de duizeligheid?" hernam ik. + +"Eene reden te meer, gij moet er aan gewennen." + +"Evenwel...." + +"Kom, zeg ik u, wij moeten geen tijd verspillen." + +Ik moest gehoorzamen. Een oppasser, die aan de overzijde der straat +woonde, gaf ons een sleutel en de beklimming begon. + +Mijn oom ging mij met vlugge schreden voor. Ik volgde hem niet zonder +angst, want ik werd zeer licht in het hoofd. Ik had noch de vastheid +der arenden, noch de gevoelloosheid hunner zenuwen. + +Zoolang wij nog binnen de moerschroef waren, ging alles goed; maar +na honderd vijftig treden geklommen te zijn, sloeg de wind mij in het +gezicht; wij waren op het platte dak van den toren gekomen. Daar begon +de, met eene brooze leuning voorziene luchttrap, welker treden, die +hoe langer hoe smaller werden, tot in het oneindige schenen te klimmen. + +"Ik kan er nooit komen!" riep ik uit. + +"Zoudt gij bij toeval een durfniet zijn? Klim!" antwoordde de professor +onmeedoogend. + +Ik moest dus wel volgen, terwijl ik mij stevig vasthield. De open lucht +bedwelmde mij; ik voelde den toren door de rukwinden slingeren; mijne +beenen wilden mij niet langer dragen; ik kroop weldra op de knieën, +toen op den buik; ik sloot de oogen; ik kreeg neiging tot braken. + +Mijn oom pakte mij nu bij den kraag en zoo kwam ik eindelijk bij +den kloot. + +"Zie eens!" zeide hij mij, "zie goed uit! gij moet in den afgrond +leeren zien!" + +Ik moest de oogen openen. Ik bemerkte de huizen, die als het ware +platgedrukt en verbrijzeld waren door een vallend lichaam, te +midden van wolken rook. Boven mijn hoofd dreven zonderling gevormde +wolken, en door een gezichtsbedrog schenen zij mij onbeweeglijk toe, +terwijl de toren, de kloot, ik, mijn oom, met toover-snelheid werden +rondgevoerd. In de verte strekte zich aan de eene zijde het groene +veld uit; aan de andere fonkelde de zee onder een bundel stralen. De +Sond vertoonde zich bij de landpunt van Elseneur met eenige witte +zeilen, als waren het vleugels van zeemeeuwen, en in den nevel ten +oosten slingerden zich de nauwelijks zichtbare kusten van Zweden. Die +eindelooze ruimte dwarlde voor mijne oogen. + +Nochtans moest ik opstaan, recht overeind blijven en uitzien. Mijne +eerste les in de duizeligheid duurde een uur. Toen het mij eindelijk +vrij stond om weder af te dalen en het stevige plaveisel der straten +te betreden, was ik stijf geworden. + +"Morgen beginnen wij weder," sprak de professor. + +En inderdaad, vijf dagen achtereen herhaalde ik die duizelingwekkende +oefening, en tegen wil en dank maakte ik merkbare vorderingen in de +kunst "om uit de hoogte rond te zien." + + + + + + +HOOFDSTUK IX + + Het Kattegat.--Skagen.--Naar het middelpunt der aarde.--Het + handschrift van Saknussemm.--Reikiavik.--De IJslanders. + + +De dag van het vertrek kwam. Den vorigen avond had de vriendelijke +heer Thomson ons dringende aanbevelingsbrieven gebracht voor graaf +Trampe, gouverneur van IJsland, den heer Pictorsson, coadjutor van +den bisschop en den heer Finsen, burgemeester van Reikiavik. Warme +handdrukken waren de dank van mijn oom. + +Den 2den, te zes uur des morgens, was onze kostbare bagage aan boord +van de Valkyrie. De kapitein bracht ons naar vrij nauwe hutten, +geplaatst onder een soort van roef. + +"Hebben wij een goeden wind?" vroeg mijn oom. + +"Een uitmuntenden," antwoordde kapitein Bjarne. "Een +zuid-oostewind. Wij zullen met den wind genoegzaam achter en met +volle zeilen de Sond verlaten." + +Eenige oogenblikken later ging de schoener onder zeil in de +straat. Alle zeilen werden bijgezet; de fok, de groote bezaan, +het marszeil en het bramzeil. Een uur later scheen de hoofdstad van +Denemarken in de verre golven weg te duiken en ging de Valkyrie dicht +onder de kust van Elseneur langs. In den zenuwachtigen toestand, +waarin ik mij bevond, verwachtte ik de schim van Hamlet op den aan +legenden rijken oever te zien ronddwalen. + +"Verhevene zinnelooze!" zeide ik, "gij zoudt ons zonder twijfel +toejuichen! gij zoudt ons misschien volgen om in het middelpunt van +den aardbol eene oplossing voor uwen eeuwigen twijfel te zoeken!" + +Maar er verscheen niets op de oude muren; het kasteel is dan ook +veel jonger dan de heldhaftige deensche vorst. Het dient nu tot +een prachtig verblijf voor den portier dezer straat, waar jaarlijks +vijftien duizend schepen van alle natiëen doorvaren. + +Het kasteel Kongborg verdween weldra in den nevel, even als de toren +van Helsingborg op den zweedschen oever en de schoener boog zacht +onder de koelten van het Kattegat. + +De Valkyrie was een goed zeiler; maar met een zeilschip weet men +nooit recht, waar men op rekenen kan. Zij bracht naar Reikiavik kolen, +keukengereedschap, aardewerk, wollen kleederen en eene lading koren; +vijf zeelieden, allen Denen, maakten de geheele bemanning uit. + +"Hoe lang zal de overtocht duren?" vroeg mijn oom aan den kapitein. + +"Een dag of tien," antwoordde de laatste, "indien wij bij Faroër niet +te veel buien uit het noordwesten krijgen." + +"Maar gij behoeft toch niet te vreezen voor te lang oponthoud?" + +"Neen, mijnheer Lidenbrock! wees gerust, wij zullen tijdig genoeg +aankomen." + +Tegen den avond zeilde de schoener om kaap Schagen. de noordelijkste +punt van Denemarken, voer des nachts door de Schagerrak, langs het +uiteinde van Noorwegen op de hoogte van kaap Lindesnäs en kwam in +de Noordzee. + +Twee dagen daarna waren wij bij de schotsche kust op de hoogte van +Peterhead en richtte de Valkyrie den steven naar Faroër, tusschen de +Orkaden en de Shetlandsche eilanden door. + +Weldra werd de schoener bespoeld door de golven van den Atlantischen +oceaan; hij moest tegen den noordewind op laveeren en bereikte niet +zonder moeite de Faroër. Den 8sten zag de kapitein Myganness, het +oostelijkste dezer eilanden; en van dat oogenblik af liep hij recht +op kaap Portland aan, op de zuidkust van IJsland gelegen. + +De reis leverde niets bijzonders op. Ik stond de bezwaren der zeereis +vrij goed door; mijn oom was, tot zijn groot verdriet en nog grooter +beschaming, onophoudelijk ziek. Hij kon er dus niet aan denken om +kapitein Bjarne te ondervragen over den Sneffels, over de middelen +van gemeenschap, over de gemakkelijkste wijze van vervoer; hij moest +die ophelderingen tot zijne aankomst uitstellen en lag al dien tijd in +zijne hut, wier houten wanden kraakten door het geweldige stampen van +het schip. Ik moet bekennen, dat hij zijn lot wel een beetje verdiende. + +Den 11den peilden wij kaap Portland; daar het nog dag was konden +wij den Myrdals Yocul zien, die haar beheerscht. De kaap bestaat uit +een grooten heuvel met steile hellingen, die eenzaam op het strand +zich verheft. + +De Valkyrie bleef op een aanzienlijken afstand van de kust, en voer +haar in westelijke richting langs, te midden van talrijke scholen +walvisschen en haaien. Weldra vertoonde zich eene verbazende, +doorboorde rots, waar de schuimende zee met woede doorstroomde. De +Westman-eilandjes schenen uit den oceaan op te stijgen, gelijk +een handvol rotsblokken op de vloeibare vlakte heengeworpen. Van +dit oogenblik af koos de schoener het ruime sop om op een goeden +afstand kaap Reykjaness om te varen, die den westelijken hoek van +IJsland vormt. + +De hoogst onstuimige zee belette mijn oom om op het dek te komen, +om die door de zuidwestewinden getande en verbrokkelde kusten te +bewonderen. + +Acht en veertig uur later, na een storm doorgestaan te hebben, die den +schoener dwong om voor top en takel te loopen, peilde men ten oosten +de boei van de punt van Skagen, wier gevaarlijke rotsen zich een +aanmerkelijk eind ver onder de golven uitstrekken. Een ijslandsche +loods kwam aan boord en drie uur later ankerde de Valkyrie voor +Reikiavik in de baai van Faxa. + +De professor verliet eindelijk zijne hut, wel wat bleek en ontdaan, +maar altijd vol geestdrift en met van genoegen stralende oogen. + +De bevolking der stad, die bijzonder belang had bij de komst van een +schip, waaruit ieder iets verwachtte, kwam aan de baai bijeen. + +Mijn oom haastte zich om zijne drijvende gevangenis, om niet te zeggen +zijn hospitaal, te verlaten. Maar voor hij het dek van den schoener +verliet, trok hij mij mede naar voren, en met den vinger wees hij mij +aan het noordelijk einde der baai een hoogen berg met twee toppen, +een dubbelen kegel met eeuwige sneeuw bedekt. + +"De Sneffels!" riep hij, "de Sneffels!" + +Na mij door een teeken een volstrekt stilzwijgen opgelegd te hebben, +stapte hij in het bootje, dat op hem wachtte. Ik volgde hem en weldra +betraden wij IJslands bodem. + +Terstond daarop verscheen een man van een goed voorkomen en in +een generaalsuniform gekleed. Het was echter slechts een eenvoudig +overheidspersoon, de gouverneur des eilands, graaf Trampe in eigen +persoon. De professor zag spoedig met wien hij te doen had. Hij +overhandigde den gouverneur zijne brieven uit Kopenhagen, en er had +in het deensch een kort gesprek plaats, waarin ik mij volstrekt niet +mengde, en wel om eene goede reden. Maar dit eerste gesprek had dit +gevolg: graaf Trampe stelde zich geheel ter beschikking van professor +Lidenbrock. + +Mijn oom werd even aardig ontvangen door den burgemeester, den heer +Finsen, gelijk de gouverneur in uniform, maar even vredelievend van +aard en betrekking. + +Wat den coadjutor, den heer Pictursson aangaat, hij deed juist eene +herderlijke reis in het noorderkwartier; wij moesten er dus voorloopig +van afzien om aan hem voorgesteld te worden. Maar de heer Fridriksson, +professor in de natuurwetenschappen aan de school te Reikiavik, was +een innemend man, wiens medewerking ons zeer te stade kwam. Deze +zedige geleerde sprak slechts ijslandsch en latijn; hij bood mij +zijne diensten aan in de taal van Horatius, en ik gevoelde, dat wij +geschapen waren om elkander te begrijpen. Hij was inderdaad de eenige +met wien ik kon spreken gedurende mijn verblijf op IJsland. + +Van de drie kamers, waaruit zijn huis bestond, stelde die uitmuntende +man er twee ter onzer beschikking, en weldra waren wij er met +onze bagage, over wier omvang de inwoners van Reikiavik een beetje +verwonderd waren, te huis. + +"Welnu, Axel!" zeide mij mijn oom, "dat gaat goed, het moeielijkste +is achter den rug." + +"Wat, het moeielijkste?" riep ik uit. + +"Zonder twijfel, wij behoeven nog slechts af te dalen!" + +"Als gij het zoo meent, hebt gij gelijk; maar als wij nedergedaald +zijn, zullen wij toch wel weder moeten opstijgen, denk ik?" + +"O! daarover bekommer ik mij niet! Laat eens zien, ik heb geen tijd +te verliezen. Ik ga naar de bibliotheek. Misschien is er wel het +eene of andere handschrift van Saknussemm in, en dat zou ik gaarne +eens raadplegen." + +"Dan ga ik intusschen de stad eens door. Zult gij dat ook niet doen?" + +"O! daar geef ik niet veel om. Het merkwaardige van IJsland is niet +boven, maar onder den grond." + +Ik ging weg en dwaalde doelloos rond. + +In de twee straten van Reikiavik te verdwalen zou niet gemakkelijk +geweest zijn. Ik behoefde dus ook niet naar den weg te vragen, +hetgeen in de gebarentaal aan vele vergisssingen blootstelt. + +De stad strekt zich op een vrij lagen en moerassigen bodem tusschen +twee heuvels uit. Een verbazende lavastroom dekt haar aan den eenen +kant en daalt zacht glooiend naar de zee. Aan den anderen kant strekt +zich de groote baai van Faxa uit, ten noorden begrensd door den +onmetelijken gletscher van den Sneffels, en waarin op dit oogenblik +alleen de Valkyrie ten anker lag. Gewoonlijk zijn de engelsche en +fransche schepen tot bescherming der visscherij op de reede geankerd; +maar zij waren juist in dienst op de oostkust des eilands. + +De langste der beide straten van Reikiavik loopt evenwijdig met den +oever; daar wonen de kooplieden en winkeliers in hutten van roode op +elkander gestapelde balken; de andere straat, meer westelijk gelegen, +loopt naar een meertje, tusschen de huizen van den bisschop en andere +geen neringdoende personen. + +Ik was weldra aan het einde van die doodsche en treurige wegen; +somtijds bespeurde ik wat verkleurd gras, gelijk een oud wollen tapijt, +dat door het gebruik kaal geworden is, of wel iets dat op een moestuin +geleek, welks schrale groenten, aardappelen, kool en latuw met gemak +op eene lilliputsche tafel hadden kunnen staan; eenige kwijnende +nagelbloemen trachtten ook een zonnestraaltje op te vangen. + +Omtrent in het midden der, geen handeldrijvende, straat vond ik de +algemeene begraafplaats, omgeven van een aarden muur, en waarop geen +gebrek was aan ruimte. Eenige stappen verder kwam ik aan het huis +van den gouverneur, een bouwval in vergelijking van het hamburgsche +stadhuis, een paleis bij de hutten der ijslandsche bevolking. + +Tusschen het meertje en de stad verhief zich de kerk, in +protestantschen smaak gebouwd en vervaardigd van verkalkte steenen, +die de vulkanen uitbraken; bij hevige westewinden kan het bijna niet +anders of haar dak van roode pannen moet afwaaien, tot groote schade +der geloovigen. + +Op eene naburige hoogte bemerkte ik de nationale school, waar men, +zooals ik later van mijn gastheer vernam, hebreeuwsch, engelsch, +fransch en deensch onderwees; vier talen, waarvan ik tot mijne schande +geen enkel woord kende. Ik zou de laatste geweest zijn van de veertig +leerlingen, die deze kleine school telde, en onwaardig om met hen in +die kasten met twee afdeelingen te slapen, waarin zwakker gestellen +reeds den eersten nacht moeten stikken. + +In drie uur had ik niet alleen de stad, maar ook hare omstreken +bezocht. Haar voorkomen was in het algemeen hoogst treurig. Geen +boomen, geen plantengroei was er om zoo te zeggen te zien; niets +dan de kammen der vulkanische rotsen. De hutten der IJslanders zijn +van aarde en veen gebouwd en de muren hellen binnenwaarts over; zij +gelijken op daken op den grond geplaatst. Die daken zijn betrekkelijk +vruchtbare weiden. Dank zij de warmte van de woning, groeit het gras +er vrij goed, dat men zorgvuldig in den hooitijd maait, anders zouden +de huisdieren op die groene woningen komen grazen. + +Op mijn uitstapje ontmoette ik weinig inwoners; in de handeldrijvende +straat komende, zag ik het grootste deel der bevolking bezig met +kabeljouw, het voornaamste artikel van uitvoer, te drogen, te zouten +en te laden. + +De mannen schenen forsch, maar traag; zij hadden wel iets van blonde +Duitschers met peinzende oogen, die zich min of meer buiten het +menschdom gevoelen; arme ballingen in dat bevrozen land opgesloten, +waarvan de natuur wel Eskimoos moest maken, daar zij hen veroordeelde +om op de grens van den poolcirkel te leven! Ik beproefde te vergeefs +een glimlachje op hun gelaat te betrappen; zij lachten somtijds door +eene soort van onwillekeurige samentrekking der spieren, maar zij +glimlachten nooit. + +Hunne kleeding bestond uit een grove boezeroen van zwarte wol, in +alle Scandinavische landen bekend onder den naam van "vadmel," een +hoed met breede randen, een broek met roode bies en een stuk leder +op de wijze van schoeisel gevouwen. + +De vrouwen met een treurig en lijdzaam voorkomen en een vrij lief maar +wezenloos gezicht, waren gekleed met een lijfje en een rok van donker +"vadmel;" de ongetrouwde droegen op hare kransgewijze gevlochten +haren een gebreid bruin mutsje; de getrouwde wonden om haar hoofd +een gekleurden doek, met een topsieraad van wit linnen. + +Toen ik na eene fiksche wandeling weder naar het huis van den heer +Fridriksson ging, vond ik er mijn oom reeds in gezelschap van zijn +gastheer. + + + + + + +HOOFDSTUK X + + Leeslust der IJslanders.--Letterkunde der IJslanders.--De + Sneffels.--Over zee of land? + + +Het middagmaal was gereed; het werd gulzig verslonden door professor +Lidenbrock, wiens maag door het gedwongen vasten aan boord in +een bodemloozen afgrond was veranderd. Deze meer deensche dan +ijslandsche maaltijd had op zichzelven niets bijzonders; maar onze +meer ijslandsche dan deensche gastheer herinnerde mij de helden der +aloude gastvrijheid. Het was duidelijk zichtbaar, dat wij beter bij +hem te huis waren dan hij zelf. + +Het gesprek werd in de landtaal gevoerd, welke mijn oom met duitsch +en de heer Fridriksson met latijn vermengden, opdat ik het zou kunnen +volgen. Het liep over wetenschappelijke onderwerpen, zooals dat aan +geleerden past; maar professor Lidenbrock was uiterst behoedzaam, en +zijne oogen bevalen mij bij iederen volzin een volstrekt stilzwijgen +aan betreffende onze toekomstige plannen. + +Allereerst vroeg de heer Fridriksson mijn oom naar de uitkomsten +zijner nasporingen in de bibliotheek. + +"Uwe bibliotheek," riep de laatste, "bestaat slechts uit geschonden +boeken op bijna ledige planken!" + +"Wat!" riep de heer Fridriksson, "wij bezitten acht duizend +deelen, waaronder vele kostbaar en zeldzaam zijn, werken in de +oude Scandinavische taal, en al het nieuws, waarvan Kopenhagen ons +jaarlijks voorziet." + +"Waar zitten die acht duizend deelen dan? Ik...." + +"O, mijnheer Lidenbrock! zij gaan het gansche land door; men heeft +smaak voor de studie op ons oud bevrozen eiland! Geen boer, geen +visscher zult gij aantreffen, of hij kan lezen en leest. Wij denken, +dat de boeken niet bestemd zijn om te beschimmelen achter een ijzeren +traliehek, ver van de blikken der nieuwsgierigen, maar om versleten +te worden onder de oogen der lezers. Ook gaan die deelen van hand tot +hand, doorbladerd, gelezen en herlezen, en dikwijls komen zij eerst +na één of twee jaar weder op hunne plank terecht." + +Met zekere spijt antwoordde mijn oom: "Vreemdelingen intusschen...." + +"Wat zou dat! De vreemdelingen hebben hunne bibliotheek te huis, en +voor alles moeten onze boeren leeren. Ik herhaal het, de liefde voor +de studie zit in het ijslandsche bloed. Zoo hebben wij in 1816 een +letterkundig genootschap opgericht, dat goed gaat; vreemde geleerden +stellen er eene eer in om er toe te behooren; het geeft boeken uit, +bestemd voor de opvoeding onzer landgenooten en bewijst ware diensten +aan het land. Als gij één onzer correspondeerende leden wilt zijn, +mijnheer Lidenbrock! zult gij ons het grootste genoegen doen." + +Mijn oom, die reeds lid was van een honderdtal geleerde genootschappen, +nam het aanbod zoo goedgunstig aan, dat de heer Fridriksson er door +getroffen werd. + +Deze hernam: "Wees nu zoo goed mij de boeken op te noemen, die +gij in onze bibliotheek gehoopt hadt te vinden; misschien zal ik u +dienaangaande inlichtingen kunnen geven." + +Ik zag mijn oom aan. Hij aarzelde om te antwoorden. Dat raakte +rechtstreeks zijne plannen. Na eenig nadenken besloot hij echter +te spreken. + +"Mijnheer Fridriksson!" zeide hij, "ik wilde weten, of gij onder de +oude werken ook die van Arne Saknussemm bezit?" + +"Arne Saknussemm!" antwoordde de reikiaviksche hoogleeraar; "gij wilt +spreken van dien geleerde uit de zestiende eeuw, die tegelijk een +groot natuurkundige, een groot goudmaker en een groot reiziger was?" + +"Juist!" + +"Een van de sieraden der ijslandsche letterkunde en wetenschap?" + +"Zoo als gij zegt." + +"Een der vermaardste mannen?" + +"Ik stem het toe." + +"En wiens vermetelheid zijn vernuft evenaarde?" + +"Ik zie, dat gij hem goed kent." + +Mijn oom was buiten zich zelven van vreugde, toen hij zoo over zijn +held hoorde spreken. Hij verslond den heer Fridriksson met de oogen. + +"Welnu!" vraagde hij, "zijne werken?" + +"Ach! zijne werken bezitten wij niet." + +"Hoe! op IJsland?" + +"Zij bestaan noch op IJsland noch ergens anders." + +"En waarom niet?" + +"Omdat Arne Saknussemm wegens ketterij werd vervolgd en zijne werken +in 1573 te Kopenhagen door beulshanden werden verbrand." + +"Zeer goed! In orde!" riep mijn oom tot groote ergernis van den +professor in de natuurwetenschappen. + +"Wat zegt gij daar?" vroeg deze. + +"Ja! alles wordt duidelijk, alles staat in verband, alles is +opgehelderd, en nu begrijp ik, waarom Saknussemm, op den index +geplaatst en gedwongen om de ontdekkingen van zijn vernuft te +verbergen, onder een onverstaanbaar geheimschrift het geheim...." + +"Welk geheim?" vraagde de heer Fridriksson driftig. + +"Een geheim, dat ... waarvan...." antwoordde mijn oom aarzelend. + +"Hebt gij misschien het een of ander bijzonder document?" hernam +onze gastheer. + +"Neen ... Het was slechts eene veronderstelling." + +"Goed," hernam de heer Fridriksson, die de vriendelijkheid had er +niet verder op aan te dringen, toen hij de verwarring van zijn gast +zag. "Ik hoop," voegde hij er bij, "dat gij ons eiland niet zult +verlaten, voor gij uit zijn delfstoffelijken rijkdom geput hebt?" + +"Zeker niet," antwoordde mijn oom; "maar ik kom wat laat; zijn hier +reeds geleerden geweest?" + +"Ja, mijnheer Lidenbrock! de arbeid van de heeren Olafsen en +Povelsen, op bevel des konings verricht, de studiën van Troïl, +de wetenschappelijke zending van de heeren Gaimard en Robert aan +boord van de fransche korvet la Recherche [2], en onlangs nog de +waarnemingen der fransche geleerden op het fregat la Reine Hortense, +hebben de kennis van IJsland zeer vermeerderd. Maar, geloof mij, +er is nog wel wat te doen." + +"Denkt gij?" vroeg mijn oom met een onnoozel gezicht, terwijl hij +zijn best deed om het flikkeren zijner oogen te matigen. + +"Ja! Wat al ter nauwernood bekende bergen, gletschers en vulkanen zijn +er nog te bestudeeren! Zonder ver weg te gaan, ziet gij dien berg, +die zich aan den gezichteinder verheft? dat is de Sneffels." + +"Zoo!" sprak mijn oom, "de Sneffels." + +"Ja een der merkwaardigste vulkanen, wiens krater men zelden bezoekt." + +"Een uitgebrande?" + +"O, al sedert vijf honderd jaar." + +"Welnu!" antwoordde mijn oom, die zenuwachtig zijne beenen over +elkander sloeg om niet van zijn stoel op te springen, "ik heb wel lust +om mijne geologische studiën te beginnen met dien Seffel ... Fessel +... hoe zegt gij?" + +"Sneffels," hernam de uitmuntende heer Fridriksson. + +Dit gedeelte van het gesprek was in het latijn gevoerd; ik had alles +verstaan en kon mij moeielijk goed houden, toen ik zag, hoe mijn +oom zijne aan alles zichtbare tevredenheid bedwong; hij zette een +onschuldig gezicht, dat wel op het grijnzen van een ouden duivel +geleek. + +"Ja!" sprak hij, "mijn besluit is door uw gezegde bepaald; wij zullen +beproeven dien Sneffels te bestijgen, misschien wel zijn krater +te bestudeeren!" + +"Het spijt mij zeer," antwoordde de heer Fridriksson, "dat mijne +bezigheden mij niet toelaten mij te verwijderen; ik zou u met genoegen +en nut vergezeld hebben." + +"O, neen! o neen!" antwoordde mijn oom driftig; "wij willen niemand +lastig vallen, mijnheer Fridriksson! ik bedank u hartelijk. De +tegenwoordigheid van een geleerde zoo als gij zou zeer nuttig geweest +zijn, maar de plichten van uw ambt...." + +Ik vertrouw, dat onze gastheer in de onschuld zijner ijslandsche ziel +de grove spotternij mijns ooms niet begreep. + +"Ik keur het zeer goed, mijnheer Lidenbrock!" zeide hij, "dat gij met +dien vulkaan begint; gij zult daar een rijken oogst van wetenswaardige +waarnemingen inzamelen. Maar zeg eens, hoe denkt gij het schiereiland +van den Sneffels te bereiken?" + +"Over zee door de baai over te steken. Dat is de kortste weg." + +"Ongetwijfeld, maar gij kunt dien onmogelijk nemen." + +"Waarom?" + +"Omdat er te Reikiavik geene enkele boot is." + +"Duivels!" + +"Gij moet de kust volgen en over land gaan. Dat is langer maar +belangwekkender." + +"Goed. Dan zal ik mij van een gids trachten te voorzien." + +"Ik kan u er een verschaffen." + +"Een vertrouwd verstandig persoon?" + +"Ja! een bewoner van het schiereiland. Het is een eiderganzenjager, +een zeer bekwaam man, over wien gij tevreden zult zijn. Hij spreekt +goed deensch." + +"En wanneer kan ik hem spreken?" + +"Morgen, als gij wilt." + +"Waarom niet van daag?" + +"Omdat hij eerst morgen komt." + +"Tot morgen dan!" antwoordde mijn oom zuchtend. + +Dit belangrijke gesprek eindigde eenige oogenblikken later +met de warme dankbetuigingen van den duitschen professor aan den +ijslandschen. Gedurende dit middagmaal had mijn oom belangrijke dingen +vernomen, o.a. de geschiedenis van Saknussemm, de reden van zijn +geheimzinnig document, dat zijn gastheer hem niet op zijn tocht zou +vergezellen, en dat den volgenden dag een gids ter zijner beschikking +zou zijn. + + + + + + +HOOFDSTUK XI + + Eiderganzen.--Hans Bjelke.--Toestel van + Rhumkorff.--Reisvoorraad.--Uitrusting voor den tocht. + + +Des avonds deed ik eene kleine wandeling langs den oever van Reikiavik +en kwam vroeg t'huis om mij neder te leggen in mijne bedstede van +ruwe planken, waarin ik rustig sliep. + +Toen ik ontwaakte, hoorde ik mijn oom druk spreken in de aangrenzende +kamer. Ik stond dadelijk op en haastte mij om naar hem toe te gaan. + +Hij sprak deensch met een grooten, fiks gebouwden man. Die groote +kerel moest buitengewoon sterk zijn. Zijne zacht blauwe oogen en zijn +zeer groot en vrij openhartig gelaat schenen mij schrander toe. Lange +haren, die zelfs in Engeland voor rosachtig zouden doorgegaan zijn, +vielen op zijne breede schouders. Deze inboorling was vlug in zijne +bewegingen, maar hij maakte weinig drukte met zijne armen, als een man, +die de gebarentaal niet kende of minachtte. Alles teekende in hem een +volmaakt kalm, niet traag maar rustig gestel. Men gevoelde, dat hij +niemand iets vroeg, dat hij werkte, als hij lust had, en dat in deze +wereld zijne wijsbegeerte noch verwonderd noch verstoord kon worden. + +Ik maakte de verschillende zijden van dit karakter op uit de +wijze waarop de IJslander den stortvloed van woorden van mijn oom +aanhoorde. Hij bleef met over elkander geslagen armen staan te +midden van de menigvuldige gebaren van mijn oom; om te ontkennen +draaide hij zijn hoofd van de linker- naar de rechterzijde; hij boog +het om te bevestigen, maar zoo weinig, dat zijne lange haren zich +nauwelijks bewogen; hij dreef de spaarzaamheid zijner bewegingen tot +vrekkigheid toe. + +Voorzeker, uit het voorkomen van dien man zou ik nooit zijn beroep +van jager opgemaakt hebben; hij moest wel het wild niet verschrikken, +maar hoe kon hij het betrappen? + +Alles werd opgehelderd, toen de heer Fridriksson mij vertelde, dat +die bedaarde man slechts een "jager van eiderganzen" was, een vogel, +wiens dons den grootsten rijkdom des eilands uitmaakt. Dit dons heet +ook eiderdons, en er is niet veel moeite noodig om het te verzamelen. + +In het begin van den zomer bouwt het wijfje van den eider, eene +mooie ganzensoort, haar nest onder de rotsen der fjörds [3], waarmede +de kust omringd is; als dit nest voltooid is, bekleedt zij het met +fijne veertjes, die zij uit hare borst plukt. Dadelijk komt de jager +of liever de koopman, plundert het nest en het wijfje gaat weder +aan het werk; dat duurt zoo lang, als zij nog dons heeft. Als zij +zich geheel kaal heeft geplukt, trekt het mannetje op zijne beurt +zich de veeren uit. Maar, daar het harde en grove pluksel van dezen +geene handelswaarde heeft, neemt de jager de moeite niet om hem het +bed voor zijn broedsel te ontstelen; het nest wordt dus voltooid, +het wijfje legt hare eieren, de jongen komen uit, en het volgende +jaar begint de oogst van het eiderdons weder. + +Daar nu de eider niet de steile rotsen kiest om het nest te bouwen, +maar veeleer de toegankelijke en vlakke rotsen, die in zee uitloopen, +kon de ijslandsche jager zijn beroep zonder groote inspanning +uitoefenen. Het was een boer, die zijn oogst niet behoefde te zaaien +noch te maaien, maar slechts binnen te halen. + +Die deftige, onverschillige en stilzwijgende man heette Hans Bjelke; +hij kwam op de aanbeveling van den heer Fridriksson. Hij was onze +aanstaande gids. Zijne manieren staken merkelijk af bij die van +mijn oom. + +Toch werden zij het gemakkelijk eens. Geen van beiden zag op het +geld; de een was gereed om aan te nemen wat men hem bood, de ander +om te geven wat hem gevraagd werd. Nooit werd een koop gemakkelijker +gesloten. + +Er werd afgesproken, dat Hans ons geleiden zou naar het dorp Stapi, +op de zuidkust van het schiereiland van den Sneffels gelegen, aan +den voet van den vulkaan. Over land zou de afstand omtrent twee en +twintig mijl bedragen, eene reis die men, naar het gevoelen van mijn +oom, in twee dagen kon doen. + +Maar toen hij vernam, dat het deensche mijlen waren, elk van vier en +twintig duizend voet, moest hij zijne berekening veranderen en wegens +den slechten toestand der wegen op zeven of acht dagen reis rekenen. + +Vier paarden zouden ter zijner beschikking gesteld worden: twee om +hem en mij te dragen, twee anderen voor onze bagage. Hans zou naar +gewoonte te voet gaan. Hij kende dit gedeelte van de kust volkomen +en beloofde den kortsten weg te zullen nemen. + +Zijne verbintenis met mijn oom verstreek niet bij onze aankomst te +Stapi: hij bleef in zijn dienst, al den tijd die noodig was voor zijne +wetenschappelijke tochten, voor eene belooning van drie rijksdaalders +[4] per week. Alleen werd uitdrukkelijk bepaald, dat die som den gids +iederen Zaterdag avond zou uitbetaald worden; dit was de voorwaarde +sine qua non van zijne verbintenis. + +Het vertrek werd bepaald op den 16den Juni. Mijn oom wilde den jager +zijn godspenning geven, maar deze weigerde kortaf. + +"Efter," zeide hij. + +"Later," voegde de professor mij tot opheldering toe. + +Zoodra het verdrag gesloten was, ging Hans onmiddelijk weg. + +"Een ferme vent!" riep mijn oom, "maar hij vermoedt geenszins welke +vreemde rol de toekomst voor hem heeft weggelegd." + +"Vergezelt hij ons dan....?" + +"Ja, Axel! tot in het middelpunt der aarde." + +Acht en veertig uur bleven ons nog over; tot mijn leedwezen moest ik ze +aan onze toebereidselen besteden; wij hadden al ons verstand noodig om +ieder voorwerp op de voordeeligste wijze te schikken, de instrumenten +aan den eenen kant, de wapenen aan den anderen, de gereedschappen in +dit pak, de levensmiddelen in dat. In alles vier groepen. + +De instrumenten bestonden uit: + +1e Een honderdgradigen thermometer van Eigel, doorloopende tot honderd +vijftig graad, hetgeen mij te veel of niet genoeg toescheen. Te veel, +indien de omringende warmte zoo hoog moest klimmen, in welk geval +wij gebraden zouden worden. Niet genoeg, als het er op aankwam om +den warmtegraad van bronnen of van smeltende stoffen te meten. + +2e Een luchtdichtheidsmeter met verdichte lucht, ingericht om +luchtdrukkingen aan te wijzen, hooger dan die van den dampkring op +den waterspiegel. De gewone barometer zou ook niet voldoende geweest +zijn, daar de drukking der lucht moest toenemen in evenredigheid van +onze daling beneden de oppervlakte der aarde. + +3e Een tijdmeter van Boissionnas Junior te Genève, juist geregeld +naar den middagcirkel van Hamburg. + +4e Twee kompassen voor de helling en de afwijking. + +5e Een nachtkijker. + +6e Twee toestellen van Ruhmkorff, die door middel van een electrischen +stroom een zeer draagbaar, veilig en weinig plaats innemend licht gaven +[5]. + +De wapenen bestonden uit twee karabijnen van Purley More en Co. en +uit twee revolvers van Colt. Waartoe die wapenen? Wij hadden toch +geene wilden noch verscheurende dieren te vreezen, denk ik. Maar mijn +oom scheen evenveel prijs te stellen op zijn tuighuis als op zijne +instrumenten, vooral op eene aanzienlijke hoeveelheid schietkatoen, +dat onaantastbaar is door de vochtigheid en in uitzettingsvermogen +het gewone kruit verre overtreft. + +De gereedschappen bestonden uit twee breekijzers, twee houweelen, eene +touwladder, drie met ijzer beslagen stokken, eene bijl, een hamer, +een dozijn ijzeren wiggen en bouten en lange touwen met knoopen. Dat +maakte een aardig pak uit, want de ladder was drie honderd voet lang. + +Eindelijk kwamen de levensmiddelen; het pak was niet groot, +maar geruststellend; want ik wist dat het aan geperst vleesch en +scheepsbeschuit voorraad voor zes maanden bevatte. De drank bestond +alleen uit jenever, water was er volstrekt niet; maar wij hadden +waterflesschen en mijn oom rekende op de bronnen om ze te vullen; +de bedenkingen, die ik in het midden had gebracht betreffende hare +hoedanigheid, haar warmtegraad, en zelfs haar gemis, waren zonder +gevolg gebleven. + +Om de nauwkeurige opsomming onzer reisartikelen te voltooien noem +ik nog eene draagbare apotheek, bevattende scharen met stompe +lemmeten, spalken voor breuken, een stuk lint van ongewasschen +garen, zwachtels en kompressen, kleefpleisters, een laat-bekken, +alle schrik aanjagende voorwerpen; daarenboven een aantal fleschjes, +bevattende aardappelen-siroop, wondheelende alcohol, vloeibaar +azijnzuur lood, azijn en ammoniac, alle artsenijen, wier gebruik +niet zeer geruststellend is; eindelijk, de stoffen noodig voor de +toestellen van Ruhmkorff. + +Mijn oom had ook gezorgd voor een voorraad tabak, jachtkruit en zwam, +zoowel als voor een lederen gordel, dien hij om de middel droeg, en +waarin zich eene voldoende hoeveelheid goud- en zilvergeld en papier +bevond. Goede schoenen, waterdicht gemaakt door een overtreksel +van teer en gomelastiek, waren ten getale van zes paar bij de +gereedschappen gepakt. + +"Zoo gekleed, geschoeid en uitgerust is er geene reden, waarom wij +niet heel ver zouden gaan," zeide mijn oom. + +De dag van den 14den werd geheel besteed met die verschillende +voorwerpen te schikken. Des avonds aten wij bij graaf Trampe, in +gezelschap van den burgemeester van Reikiavik en van dokter Hyaltalin, +den grooten geneesheer des lands. De heer Fridriksson was niet onder +de gasten; ik vernam later dat de gouverneur en hij overhoop lagen +over eene zaak van bestuur en elkander niet bezochten. Ik had dus +geene gelegenheid om een woord te begrijpen van hetgeen op dit half +officieele maal gesproken werd. Ik merkte alleen op, dat mijn oom +den ganschen tijd door praatte. + +Des anderendaags den 15den, waren de toebereidselen afgeloopen. Onze +gastheer vereerde den professor een aangenaam geschenk door hem eene +kaart van IJsland te overhandigen, die veel juister was dan die van +Henderson; de kaart van Olaf Nikolas Olsen, op de schaal van 1/480000 +en uitgegeven door het ijslandsche genootschap van letterkunde, +naar den landmeetkundigen arbeid van den heer Scheel Frisac en de +plaatselijke opnemingen van den heer Björn Gumlangsonn. Het was een +kostbaar document voor een delfstofkundige. + +De laatste avond werd doorgebracht in een vertrouwelijk praatje met den +heer Fridriksson, voor wien ik eene levendige sympathie had opgevat; +op het gesprek volgde een vrij onrustige slaap, voor mij ten minste. + +Te vijf uur des ochtends werd ik wakker door het gehinnik van vier +paarden, die onder mijn venster fier trappelden. Ik kleedde mij haastig +en ging op straat. Daar bracht Hans het overschot onzer bagage op den +wagen, zonder zich om zoo te zeggen te bewegen. Toch werkte hij met +eene ongewone behendigheid. Mijn oom maakte veel drukte maar voerde +niets uit, en de gids scheen zich weinig om zijne aanbevelingen +te bekommeren. + +Alles was te zes uur afgeloopen. De heer Fridriksson drukte ons de +hand. Mijn oom bedankte hem zeer hartelijk in het ijslandsch voor +zijne vriendelijke gastvrijheid. Ik voor mij uitte in mijn sierlijkst +latijn een hartelijken groet; daarop zetten wij ons in den zadel, +en de heer Fridriksson riep mij tot laatste afscheid dezen dichtregel +toe, dien Virgilius voor ons, met den weg onbekende reizigers, scheen +geschreven te hebben: + +Et quacumque viam dederit fortuna sequamur, d.i. Laat ons den weg +volgen, waarheen de fortuin ons zal leiden. + + + + + + +HOOFDSTUK XII + + Aanvang van den tocht.--Door IJsland.--Het vlek Gufunus. + --Overtocht van den Fjörd. + + +Toen wij vertrokken, was de lucht betrokken, maar het weder vast. Wij +hadden noch afmattende warmte noch plasregens te vreezen. Het was +juist goed weder voor reizigers. + +Het genoegen, te paard een onbekend land door te trekken, maakte, +dat ik het zoo nauw niet nam met het begin der onderneming. Ik genoot +ten volle het geluk van den reiziger, met betrekking tot vervulde +wenschen en vrijheid. Ik begon de zaak anders in te zien. + +"Wat waag ik ook," zeide ik bij mij zelven, "door het merkwaardigste +land te bereizen, een zeer belangrijken berg te beklimmen, en in het +ergste geval op den bodem van een uitgebranden krater af te dalen? Het +is duidelijk, dat die Saknussemm niets anders gedaan heeft. Wat nu +het bestaan aangaat van eene galerij, die op het middelpunt van den +aardbol uitloopt, het is louter verbeelding, stellig onmogelijk! Wat +er dus voor goeds in dezen tocht is, wil ik opmerken en er niet veel +over redeneeren!" + +Nauwelijks had ik zoo nagedacht of wij hadden Reikiavik reeds achter +den rug. + +Hans ging voorop met een snellen, gelijkmatigen en vasten pas. De +twee paarden, die onze bagage droegen, volgden hem, zonder dat men +ze behoefde te sturen. Vervolgens kwamen mijn oom en ik, en waarlijk +zonder eene al te slechte figuur te maken op onze kleine maar sterke +dieren. + +IJsland is een der grootste eilanden van Europa; het heeft veertien +honderd mijl oppervlakte en telt slechts zestig duizend inwoners. De +aardrijkskundigen hebben het in vier deelen verdeeld, en wij moesten +bijna in eene schuine richting het zuidwestelijke gedeelte, "Sudvestr +Fjordungr" doortrekken. + +Zoodra wij Reikiavik verlieten, had Hans onmiddellijk de kust der +zee gevolgd; wij trokken door schrale weiden, die haar best deden +om groen te zijn, maar het geel slaagde beter. De rimpelige toppen +der trachietmassa's aan den gezichteinder hadden door de oostelijke +nevels een stomp voorkomen; somwijlen schitterden eenige hoopen +sneeuw, het verspreide licht samentrekkende, op de hellingen der +verwijderde toppen; eenige stouter zich verheffende pieken boorden +door de grauwe wolken en verschenen weder boven de drijvende dampen, +gelijk aan klippen, die in de bovenlucht opdoken. + +Dikwijls richtten die ketenen van dorre rotsen zich zeewaarts en +drongen zij tot in de weiden door, maar er bleef toch altijd ruimte +genoeg om voorbij te rijden. Ook kozen onze paarden uit instinct de +gunstigste plekken, zonder een oogenblik hun loop te vertragen. Mijn +oom had niet eens de troost om zijn rijdier met de stem of de zweep +aan te vuren; hij had geen recht om ongeduldig te zijn. Ik kon een +glimlach niet bedwingen, als ik dien grooten man op zijn paardje zag +zitten, en daar zijne lange beenen langs den grond sleepten, geleek +hij op een Centaurus met zes voeten. + +"Een goed beest! een goed beest!" zeide hij. "Gij zult zien, Axel! dat +geen paard het ijslandsche in schranderheid overtreft; sneeuw, stormen, +onbegaanbare wegen, rotsen, gletschers, niets houdt het tegen. Het is +moedig, matig, voorzichtig. Nooit een mispas, nooit een terugtred. Als +er eene rivier of een fjörd moet overgetrokken worden, en dat zal +nog al eens gebeuren, zult gij zien, hoe het zonder aarzelen te water +gaat, gelijk een tweeslachtig dier; en den tegenoverliggenden oever +bereikt! Maar wij moeten het niet te veel aanzetten; wij zullen het +laten begaan, en dan zullen wij zeker door elkander per dag tien uur +gaans afleggen." + +"Wij, daar twijfel ik niet aan," antwoordde ik, "maar de gids?" + +"O! daarover bekommer ik mij niet. Die lieden loopen, zonder dat zij +het merken, en deze beweegt zich zoo weinig, dat hij niet moe kan +worden. Als het noodig is, zal ik hem echter mijn paard afstaan. Ik +zou spoedig kramp krijgen, als ik niet eenige beweging nam. De armen +gaan goed, maar men moet ook aan de beenen denken." + +Intusschen reden wij stevig door; het land was reeds bijna +onbewoond. Hier en daar vertoonde zich eene afgelegene hoeve, een +alleenstaande "boer" [6], van hout, aarde en lavabrokken gemaakt, +als een bedelaar aan den rand van een hollen weg. Die vervallen hutten +zagen er uit, alsof zij het mededoogen der voorbijgangers afsmeekten, +en bijna zou men haar eene aalmoes geschonken hebben. In dat land +waren volstrekt geene wegen, zelfs geene voetpaden, en de plantengroei, +hoe gering ook, had weinig tijds noodig om de voetstappen der zeldzame +reizigers uit te wisschen. + +Toch telde dit gedeelte der provincie, dicht bij de hoofdstad, mede +onder de bewoonde en bebouwde streken van IJsland. Wat zouden dan de +streken zijn, die nog woester waren dan deze woestijn? Op een weg van +een half uur gaans hadden wij nog geen boer voor de deur zijner hut +zien staan, noch een wilden herder ontmoet, die eene kudde weidde, +welke minder wild was dan hij, niets anders dan eenige verlatene +koeien en schapen. Wat zouden dan de gewesten zijn, die geschud en +het onderste boven gekeerd waren door de uitbarstingen, veroorzaakt +door de vulkanische ontploffingen en onderaardsche schokken? + +Wij zouden ze later leeren kennen; maar de kaart van Olsen raadplegende +zag ik, dat men ze vermeed door den kronkelenden oever te volgen; +de groote vulkanische beweging heeft zich inderdaad meer tot het +middengedeelte des eilands bepaald; daar hebben de horizontale lagen +van opeengestapelde rotsen, in het scandinavisch "trapps" genoemd, +de strooken trachiet, de uitgebraakte basalt, de tufsteen en al de +vulkanische ophoopingen van verschillende delfstoffen, de stroomen +lava en smeltend porfier, een onnatuurlijk verschrikkelijk land +gevormd. Ik vermoedde toen geenszins, welk schouwspel ons wachtte +op het schiereiland van den Sneffels, waar die verwoestingen eener +woedende natuur een vreeselijken bajert vormen. + +Twee uur na ons vertrek van Reikiavik kwamen wij in het vlek Gufunes, +"aoalkirkja" of hoofdkerk genoemd. Het leverde niets bijzonders +op. Het bestond uit slechts weinige huizen, nauwelijks voldoende om +een duitsch gehucht te vormen. + +Hans hield een half uur stil, deelde ons sober ontbijt, antwoordde met +ja en neen op de vragen van mijn oom betreffende den toestand van den +weg, en toen men hem vroeg, waar hij den nacht dacht door te brengen, +antwoordde hij alleen: "Gardär." + +Ik raadpleegde de kaart om te zien wat Gardär was. Ik zag eene +buurt van dien naam aan de oevers van den Hvalfjörd, vier mijlen van +Reikiavik. Ik toonde het mijn oom. + +"Niet meer dan vier mijlen!" zeide hij. "Vier mijlen van de twee en +twintig! Dat is eene mooie wandeling!" + +Hij wilde den gids eene aanmerking maken, die echter zonder hem te +antwoorden den kop der paarden greep en zich weder op weg begaf. + +Drie uur later moesten wij, steeds over het ontkleurde gras der +weide rijdende, den Kollafjörd omtrekken, welke omweg gemakkelijker +en korter was dan eene vaart over die golf; kort daarop kwamen wij +in een "pingstaoer," eene plaats met gemeentelijk rechtsgebied, +Ejulberg genoemd, welker klok twaalf uur zou geslagen hebben, indien +de ijslandsche kerken rijk genoeg waren om een uurwerk te bezitten; +maar zij gelijken zeer op hare gemeenteleden, die geene horloges +hebben en het er buiten doen. + +Daar werden de paarden gevoederd, en nu brachten zij ons langs een +nauw pad tusschen eene rij heuvels en de zee in eens door naar de +"aoalkirkja" Brantär en eene mijl verder te Saurböer, eene "annexia" of +bijbehoorende kerk, gelegen op den zuidelijken oever van den Hvalfjörd. + +Het was toen vier uur in den namiddag, wij hadden vier mijlen (acht +uur gaans) afgelegd. + +De fjörd was te dezer plaatse minstens eene halve mijl breed; de +baren braken met veel geraas op de spitse rotsen; de golf verwijdde +zich tusschen rotswanden, eene soort van steile drie duizend voet +hooge helling, opmerkenswaardig door hare bruine lagen, gescheiden +door beddingen van min of meer roodachtigen tufsteen. Hoe groot de +schranderheid onzer paarden ook ware, voorspelde ik mij toch weinig +goeds van den overtocht over een waren zeearm, bewerkstelligd op den +rug van een viervoetig dier. + +"Als zij schrander zijn," zeide ik, "zullen zij den overtocht niet +beproeven. In allen gevalle zal ik in hunne plaats schrander zijn." + +Maar mijn oom wilde niet wachten; hij gaf zijn paard de sporen en +reed naar den oever. Het dier rook de golven en bleef staan; mijn oom, +die zijn eigen instinct had, dreef het voorwaarts. Het paard weigerde +op nieuw en schudde den kop. Nu volgden vloeken en zweepslagen, +beantwoord door het achteruitslaan van het paard, dat zijn ruiter uit +het zadel begon te werken; eindelijk liep het paardje, zijne pooten +uitstrekkende, tusschen de beenen van den professor weg en liet hem op +twee steenen aan den oever staan, gelijk het colossusbeeld van Rhodus. + +"O, vervloekt dier!" riep de ruiter, die plotseling in een voetganger +veranderd was en zoo beschaamd stond als een cavalerie-officier, +dien men voor een voetknecht houdt. + +"Färja," zeide de gids, hem op den schouder kloppende. + +"Wat! eene pont?" + +"Der!" antwoordde Hans, hem eene schuit wijzende. + +"Ja!" riep ik, "daar is eene pont." + +"Dat hadt gij wel eerder kunnen zeggen! Welnu, vooruit!" + +"Tidvaiten," hernam de gids. + +"Wat zegt hij?" + +"Hij zegt vloed," antwoordde mijn oom, het deensche woord voor mij +vertalende. + +"Wij moeten zeker op den vloed wachten?" + +"Förblda?" vroeg mijn oom. + +"Ja!" antwoordde Hans. + +Mijn oom stampvoette, terwijl de paarden zich naar de pont begaven. + +Ik begreep volkomen de noodzakelijkheid om een zeker oogenblik van +het getij af te wachten om den tocht over den fjörd te ondernemen, +dat waarop de zee, tot haar hoogste punt geklommen, stil is. Dan +is de werking van vloed en ebbe niet merkbaar en de pont loopt geen +gevaar van of op den bodem der golf of in den vollen oceaan gesleept +te worden. + +Het gunstige oogenblik kwam eerst des avonds te zes uur; mijn oom, +ik, de gids, twee veerlieden en de vier paarden hadden plaats genomen +in eene soort van vrij slecht platboomd vaartuig. Gewoon als ik was +aan de veerstoombooten op de Elbe, vond ik de riemen der schippers +onhandige werktuigen. Meer dan een uur ging er heen met het oversteken +van den fjörd; maar de overtocht werd toch zonder letsel volbracht. + +Een half uur later bereikten wij de "aoalkirkja" Gardär. + + + + + + +HOOFDSTUK XIII + + Het huis van een boer.--De IJslandsche vrouw.--Gastvrij + onthaal.--IJslandsche hartelijkheid.--Melaatschen. + + +Het had donker moeten worden, maar onder den vijfenzestigsten +breedtegraad kon het daglicht der poolgewesten mij niet verwonderen; +op IJsland gaat de zon gedurende de maanden Juni en Juli niet onder. + +De warmte was echter afgenomen; ik was koud en had vooral +honger. Welkom was ons de "boër", die zich gastvrij tot onze ontvangst +opende. + +Het was het huis van een boer, maar op het punt van gastvrijheid was +het evenveel waard als dat van een koning. Bij onze komst stak de +eigenaar ons zijne hand toe, en zonder verdere plichtplegingen gaf +hij ons een teeken om hem te volgen. + +Te volgen, zeg ik, want het zou onmogelijk geweest zijn om naast hem +te gaan. Een lange, nauwe, donkere gang verleende den toegang tot deze +woning, gebouwd van ter nauwernood bewerkte balken, en gaf gelegenheid +om in de kamers te komen; deze waren ten getale van vier: de keuken, +het spinvertrek, de "badstofa" of slaapkamer van het gezin en de beste +van alle, de kamer voor de vreemdelingen. Mijn oom, aan wiens gestalte +men niet gedacht had bij het bouwen van het huis, stiet wel drie- +of viermaal het hoofd tegen de uitstekende punten van de zoldering. + +Men bracht ons in onze kamer, eene soort van zaal met een, bodem +van vastgetrapte aarde en verlicht door een venster, welks ruiten +vervaardigd waren van niet zeer doorschijnende schaapsvliezen. Het +beddegoed bestond uit droog voer, in twee houten, roodgeverfde en met +ijslandsche spreuken versierde kooien gespreid. Ik had zooveel weelde +niet verwacht; alleen heerschte er in dit huis eene sterke lucht van +gedroogde visch, geweekt vleesch en zuremelk, die mijne reukzenuwen +onaangenaam aandeed. + +Toen wij ons reisgewaad afgelegd hadden, deed de stem van den gastheer +zich hooren, die ons uitnoodigde om in de keuken te komen, het eenige +vertrek waar men stookte, zelfs bij de strengste koude. + +Mij oom haastte zich om aan dit vriendelijk bevel te gehoorzamen. Ik +volgde hem. + +De keukenschoorsteen was nog een ouderwetsch model; in het midden +van de kamer diende een steen tot haard, in het dak was een gat, +waardoor de rook wegtrok. Die keuken diende ook tot eetzaal. + +Toen wij binnentraden, groette onze gastheer ons, alsof hij ons nog +niet gezien had, met het woord "saellvertu"! dat wil zeggen "weest +gelukkig", en kwam ons de wang kussen. + +Zijne vrouw sprak na hem dezelfde woorden, vergezeld van hetzelfde +ceremonieel; daarna bogen zich de beide echtgenooten diep met de +rechterhand op het hart. + +Ik haast mij te zeggen, dat die ijslandsche vrouw moeder was van +negentien kinderen, allen, groot en klein, door elkander krielende +te midden der rookwolken, waarmede de haard de kamer vulde. Ieder +oogenblik zag ik een blond en eenigszins droefgeestig kopje uit dien +nevel te voorschijn komen. Men zou gezegd hebben, dat het een krans +van slecht schoongemaakte engelenkopjes was. + +Mijn oom en ik behandelden dit "broedsel" zeer hartelijk; weldra +zaten er drie of vier van die kleuters op onzen rug, evenveel op onze +knieën en de rest tusschen onze beenen. Zij die praatten, herhaalden +"saellvertu" in alle denkbare tonen. Zij die niet praatten, schreeuwden +er des te harder om. + +Dit concert werd afgebroken door de aankondiging, dat het maal gereed +was. Op dit oogenblik kwam de jager te huis, die voor het voederen +der paarden gezorgd had, dat wil zeggen, hij had ze eenvoudig in het +veld los laten loopen; de arme dieren moesten zich vergenoegen met +te knabbelen aan het schaarsche mos der rotsen en eenig niet zeer +voedzaam zeegras; den volgenden morgen zouden zij niet nalaten om +uit eigen beweging den arbeid van den vorigen dag weder op te vatten. + +"Saellvertu!" zeide Hans bij zijn binnentreden. Vervolgens omhelsde +hij heel bedaard en stijf, zonder dat de eene kus luider klonk dan +de andere, den gastheer, de gastvrouw en hunne negentien kinderen. + +Toen die plichtpleging afgeloopen was, zette men zich aan tafel ten +getale van vier en twintig en bij gevolg op elkander in den waren +zin des woords. De gelukkigsten hadden maar twee kleuters op de knieën. + +Toch ontstond er stilte in deze kleine wereld, toen de soep op tafel +kwam, en de, zelfs den ijslandschen knapen aangeboren stilzwijgendheid, +hernam haar gezag. De gastheer bediende ons van eene niet onsmakelijke +korstmossoep, vervolgens van eene verbazende portie gedroogde +visch, zwemmende in sedert twintig jaar verzuurde boter, die bij +gevolg verre te verkiezen was boven versche, volgens de op IJsland +heerschende denkbeelden over de kookkunst. Daarbij kwam nog "skyr," +eene soort van gestremde melk met beschuit en smakelijk gemaakt door +jeneverbessensap; eindelijk tot drank wei met water, hier "blanda" +genoemd. Ik kon er niet over oordeelen of dit zonderlinge voedsel +lekker was of niet. Ik had honger en bij het nagerecht verzwolg ik, +tot den laatsten mondvol toe, eene dikke boekweitepap. + +Zoodra de maaltijd afgeloopen was, verdwenen de kinderen; de +volwassenen gingen om den haard zitten, waaraan turf, heide, koemest +en graten van gedroogde visch lagen. Na zich wat verwarmd te hebben, +begaven de verschillende groepen zich naar hare eigene kamers. De +gastvrouw bood ons, naar 's lands gebruik, aan om onze kousen en +broeken uit te trekken; maar na een vriendelijke weigering van onzen +kant drong zij er niet op aan, en ik kon eindelijk in mijn bed van +voer wegkruipen. + +Den volgenden morgen te vijf uur namen wij afscheid van den +ijslandschen boer; mijn oom had veel moeite om hem eene behoorlijke +schadeloosstelling te doen aannemen, en Hans gaf het sein tot het +vertrek. + +Honderd schreden van Gardär begon het voorkomen van den bodem te +veranderen; de grond werd moerassig en minder geschikt voor den +tocht. Ter rechterzijde verlengde de rij bergen zich tot in het +oneindige, gelijk een verbazend stelsel van natuurlijke vestingwerken, +waarvan wij de schuine vlakte volgden; dikwijls moesten wij beken +overtrekken, die noodzakelijk doorwaad moesten worden, zonder echter +de bagage te nat te maken. + +De woestijn werd hoe langer hoe akeliger; somtijds echter scheen eene +menschelijke schaduw in de verte te vluchten; als de kronkelingen van +den weg ons onvoorziens in de nabijheid van een dezer spoken brachten, +kreeg ik terstond eene walging op het gezicht van een gezwollen hoofd +met eene glimmende huid, ontbloot van haar en met afzichtelijke wonden, +die zichtbaar waren door de scheuren van ellendige lompen. + +Het ongelukkige schepsel stak zijne misvormde hand niet uit; het +pakte zich integendeel weg, maar toch niet zoo snel of Hans had het +nog begroet met het gewone "Saellvertu". + +"Spetelsk!" zeide hij. + +"Een melaatsche!" herhaalde mijn oom. + +Dit enkele woord bracht zijn afschrikwekkend uitwerksel voort. Deze +akelige melaatschheid is vrij algemeen op IJsland; zij is niet +besmettelijk, maar erfelijk; ook is het huwelijk aan die rampzaligen +verboden. + +Zulke verschijningen waren niet geschikt om het landschap op te +vroolijken, dat uiterst treurig werd; de laatste bosjes gras stierven +weg onder onze voeten. Geen boom was er te zien, met uitzondering van +eenige groepjes dwergbeuken, die op kreupelhout geleken. Geen dier, +dan eenige paarden, die hun eigenaar niet kon onderhouden en die op de +doodsche vlakte rondzwierven. Somtijds zweefde een valk in de grauwe +wolken en vluchtte pijlsnel naar het zuiden; ik liet mij medeslepen +door de naarheid dezer woeste natuur en mijne herinneringen voerden +mij terug naar mijn geboorteland. + +Wij moesten weldra eenige onbeduidende kleine fjörds en eindelijk +eene ware golf oversteken; de zee, die juist stil was, veroorloofde +ons om zonder te wachten over te gaan en het gehucht Alftanes, eene +mijl verder gelegen, te bereiken. + +Nadat wij twee aan forellen en snoeken rijke rivieren, de Alfa en de +Heta, doorwaad hadden, waren wij des avonds verplicht den nacht door +te brengen in een verlaten bouwval, waardig om bezocht te worden door +al de kaboutermannetjes der noordsche fabelleer; zoo veel is zeker dat +de geest der koude er zijne woning had gevestigd en ons den ganschen +nacht met zijne guiterijen kwelde. + +De volgende dag leverde geen bijzonder voorval op. Altijd dezelfde +moerassige grond, dezelfde eenvormigheid, hetzelfde treurige +voorkomen. Des avonds hadden wij de helft onzer reis afgelegd en +sliepen wij in de "annexia" van Krösolbt. + +Den 19den Juni reden wij omtrent eene mijl ver over een bodem +van lava; deze toestand van den grond heet hier "hraun;" de aan de +oppervlakte gerimpelde lava bootste de vormen van kabels na, nu eens +in de lengte uitgerekt, dan weder opgerold; een verbazende stroom +daalde van de naburige bergen, die nu uitgebrande vulkanen waren, +maar van wier vroeger geweld deze overblijfselen het voldingendste +bewijs opleverden. Evenwel steeg nog hier en daar de damp van warme +bronnen omhoog. + +Het ontbrak ons aan tijd om deze verschijnselen waar te nemen; wij +moesten vooruit; weldra betraden onze rijdieren weder een moerassigen +bodem, afgebroken door meertjes. Wij richtten ons nu naar het westen; +wij waren de groote baai van Faxa omgetrokken en de dubbele witte +top van den Sneffels verhief zich in de wolken op een afstand van +nog geen vijf mijlen. + +De paarden liepen goed, niet gestuit door de hindernissen van den +grond; ik voor mij begon zeer vermoeid te worden, maar mijn oom zat +nog even stevig en recht, als op den eersten dag; ik kon niet nalaten +hem evenzeer als den jager te bewonderen, die dezen tocht als eene +bloote wandeling beschouwde. + +Op Zaterdag, den 20sten Juni, des avonds te zes uur, bereikten +wij Büdir, eene buurt aan de zeekust gelegen. De gids vorderde zijn +bedongen loon. Mijn oom rekende met hem af. De eigene familie van Hans, +dat wil zeggen zijne volle ooms en neven, bood ons een nachtverblijf +aan; wij werden goed ontvangen en zonder van de vriendelijkheid dezer +brave lieden misbruik te maken, zou ik gaarne bij hen uitgerust +hebben van de vermoeienissen der reis. Maar mijn oom, die daaraan +geene behoefte had, verstond het anders, en den volgenden morgen +moesten wij op nieuw onze goede beesten bestijgen. + +De grond droeg sporen van de nabijheid van den berg, wiens +granietwortels uit den grond kwamen, gelijk die van een ouden eik. Wij +reden om den verbazenden voet van den berg heen. De professor verloor +hem niet uit het oog; hij maakte driftige gebaren, hij scheen hem +uit te dagen en te zeggen: "Ziedaar den reus, dien ik zal ten onder +brengen!" Eindelijk, na een marsch van vier uur, bleven de paarden +van zelven stilstaan voor de deur der pastorie van Stapi. + + + + + + +HOOFDSTUK XIV + + De familie van Hans.--Stapi.--Verbasterde geestelijke.--Vrees + voor uitbarsting.--Te mooi om mogelijk te zijn.--Gevaar voor + uitbarsting. + + +Stapi is een gehucht van een dertigtal hutten op lava gebouwd en +beschenen door de zonnestralen, welke de vulkaan terugkaatst. Het +strekt zich uit aan het einde van een kleinen fjörd, ingesloten door +een basaltmuur van een allervreemdst voorkomen. + +Men weet, dat de basalt eene door het vuur gevormde bruine rotssoort +is; hij neemt regelmatige vormen aan, die door hunne schikking +verbazen. Hier handelt de natuur meetkunstig en werkt op menschelijke +wijze, alsof zij winkelhaak, passer en schietlood gebruikte. Toont +zij overal elders hare kunst in hare groote, ordeloos nedergeworpene +massa's, hare onvolmaakte piramiden, in die grillige opeenvolging harer +lijnen, hier heeft zij, het voorbeeld van regelmaat willende geven, +en de oudste bouwmeesters voorgaande, eene strenge orde geschapen, +die nooit overtroffen is door de prachtwerken van Babylon noch door +de wonderen van Griekenland. + +Ik had wel hooren spreken van den Reuzendam op Ierland en van de +Fingalsgrot op een der Hebriden; maar het schouwspel van een onderbouw +van basalt had zich nog nooit aan mijn oog vertoond. + +Te Stapi vertoonde zich dit verschijnsel in zijne volle schoonheid. + +De muur van den fjörd bestond, evenals de geheele kust van het +schiereiland, uit eene rij loodrechte, dertig voet hooge zuilen. Die +rechte en zuiver geëvenredigde schachten droegen een kroonboog, +bestaande uit horizontale zuilen, die door hare afwijking van de +waterpaslijn een half gewelf boven de zee vormden. Op sommige plaatsen +van dit natuurlijke regenscherm bespeurde men spitsboogvormige, +heerlijk geteekende openingen, waardoor de baren der zee schuimende +nederstortten. Eenige basaltblokken, door de woede van den oceaan +los gescheurd, lagen op den grond, gelijk de puinhoopen van een +eeuwenouden tempel, maar het waren eeuwig jonge puinhoopen, waarover +de eeuwen henen gingen zonder ze te beschadigen. + +Zoo zag de laatste pleisterplaats op onze aardsche reis er uit. Hans +had ons met veel beleid zoo ver gebracht en ik werd een beetje +geruster, toen ik bedacht, dat hij ons nog verder zou vergezellen. + +Aan de deur van het huis van den geestelijke komende, dat slechts +eene gewone lage hut, noch schooner noch gemakkelijker ingericht +dan de andere, was, zag ik iemand, die juist bezig was een paard te +beslaan met den hamer in de hand en het lederen schootsvel voor. + +"Saellvertu"! zeide hem de jager. + +"God dag"! antwoordde de hoefsmid in zuiver deensch. + +"Kyrkoherde", sprak Hans, zich tot mijn oom wendende. + +"De geestelijke"! herhaalde deze. "Het schijnt, Axel! dat die brave +man de geestelijke is". + +Intusschen bracht de gids den "Kyrkoherde" op de hoogte van de +zaak. Deze staakte zijn arbeid, gaf eene soort van schreeuw, die zeker +in gebruik is tusschen paarden en paardenkoopers, en oogenblikkelijk +kwam eene groote helleveeg de hut uit. Als zij geen volle zes voet +haalde, scheelde het toch weinig. + +Ik vreesde, dat zij den reiziger den gebruikelijken ijslandschen kus +kwam aanbieden; maar het gebeurde niet en zelfs maakte zij niet veel +omslag, toen zij ons in haar huis bracht. + +De kamer voor de vreemdelingen scheen wel de slechtste van de pastorie, +bekrompen, vuil en stinkend. Wij moesten er ons mede behelpen; de +geestelijke scheen de aloude gastvrijheid niet te beoefenen. Verre +van daar. De dag was nog niet verstreken, of ik zag reeds, dat wij +te doen hadden met een smid, een visscher, een jager, een timmerman, +maar niet met een dienaar des Heeren. Maar het is waar, het was in +de week. Misschien hield hij zich des Zondags beter. + +Ik wil niets ten nadeele van die arme priesters zeggen, die toch al +ongelukkig genoeg zijn; zij genieten van het deensche gouvernement +eene bespottelijke bezoldiging en ontvangen het vierde gedeelte van +de tienden van hun kerspel, hetgeen eene som van nog geen zestig +mark bedraagt [7]. Daaruit ontstaat de noodzakelijkheid om te werken; +maar al visschende, jagende, paarden beslaande, neemt men eindelijk +de manieren, den toon en de zeden van jagers, visschers en ander ruw +volkje aan; denzelfden avond bemerkte ik ook, dat onze gastheer de +matigheid niet onder zijne deugden telde. + +Mijn oom begreep spoedig met welk een slag van een man hij te doen +had; in plaats van een braaf en waardig geleerde vond hij een lompen, +ruwen boer; hij besloot dus ten allerspoedigste zijn grooten tocht +te beginnen en deze ongastvrije pastorie te verlaten. Hij lette +niet op zijne vermoeidheid en besloot eenige dagen in den berg te +gaan doorbrengen. + +Daags na onze komst te Stapi maakten wij derhalve reeds toebereidselen +tot ons vertrek. Hans huurde drie IJslanders om de paarden te +vervangen bij het vervoeren der bagage; maar als wij op den bodem van +den krater waren, zouden die inboorlingen terugkeeren en ons aan ons +lot overlaten. Dit punt werd stellig bepaald. + +Bij deze gelegenheid moest mijn oom den jager wel mededeelen, dat +zijn plan was om de verkenning van den vulkaan zoo ver mogelijk voort +te zetten. + +Hans vergenoegde zich met een hoofdknikje. Daar of ergens anders +te gaan, in de ingewanden van zijn eiland door te dringen of het te +doorloopen, daarin zag hij geen verschil; ik voor mij, hoewel ik tot +nu toe door de voorvallen van de reis nog al afleiding gehad en de +toekomst min of meer vergeten had, voelde mijne beklemdheid op nieuw +terugkomen. Maar wat was er aan te doen? Als ik eene poging had kunnen +wagen om mij tegen professor Lidenbrock te verzetten, dan had dit te +Hamburg maar niet aan den voet van den Sneffels moeten plaats hebben. + +Een denkbeeld vooral pijnigde mij, een verschrikkelijk denkbeeld, +dat wel in staat was om sterker zenuwen dan de mijne te schokken. + +"Komaan!" zeide ik, "wij zullen den Sneffels bestijgen. Goed. Wij +zullen zijn krater bezoeken. Goed. Anderen hebben het gedaan en +zijn er niet van gestorven. Maar dat is niet alles. Als er een weg +bestaat om in de ingewanden der aarde af te dalen, als die ongeluk +aanbrengende Saknussemm de waarheid heeft gesproken, dan zullen +wij onzen ondergang vinden in de onderaardsche galerijen van den +vulkaan. Maar niets bevestigt, dat de Sneffels uitgebrand is. Wie +verzekert ons, dat er geene uitbarsting wordt voorbereid? Al slaapt +het monster sedert 1219, volgt dan daaruit nog, dat het niet ontwaken +kan? En als het ontwaakt, wat zal er dan van ons worden?" Dat was wel +de moeite waard om er eens over te denken, hetgeen ik ook deed. Ik +kon niet slapen zonder van eene uitbarsting te droomen; de rol van +eene metaalslak te spelen scheen mij toch wat al te erg toe. + +Eindelijk kon ik het niet langer uithouden; ik besloot zoo behendig +mogelijk het geval aan mijn oom mede te deelen, ingekleed als eene +volstrekt onvervulbare veronderstelling. + +Ik zocht hem op, deelde hem mijne vrees mede en ging wat achteruit +om hem vrij te laten losbarsten. Hij antwoordde eenvoudig: "Daar heb +ik ook al aan gedacht." + +Wat beteekende dit gezegde? Zou hij eindelijk gehoor geven aan de +stem der rede? Dacht hij er aan om zijn plannen op te schorten? Het +zou te mooi geweest zijn om mogelijk te wezen. + +Na eenige oogenblikken zwijgens, daar ik hem niet durfde ondervragen, +hervatte hij het gesprek, zeggende: + +"Ik dacht er aan. Sedert onze komst te Stapi heb ik mij ernstig +bezig gehouden met de gewichtige vraag, die gij mij daar voorlegt; +want wij moeten niet als onbezonnenen handelen." + +"Neen!" antwoordde ik met nadruk. + +"Sedert zes honderd jaar is de Sneffels stom, maar hij zou weder +kunnen spreken. De uitbarstingen nu worden altijd voorafgegaan door +volkomen bekende natuurverschijnselen; ik heb dus de bewoners des +lands ondervraagd, ik heb den grond bestudeerd en ik kan u zeggen, +Axel, dat er geene uitbarsting zal plaats hebben." + +Op deze stellige verzekering stond ik verstomd en kon niet antwoorden. + +"Twijfelt gij aan mijne woorden?" sprak mijn Oom, "welnu, volg mij!" Ik +gehoorzaamde werktuiglijk. De pastorie verlatende, sloeg de professor +dadelijk een weg in, die door eene opening in den basaltmuur zich +van de zee verwijderde. Weldra waren wij op het vlakke veld, als men +dien naam geven mag aan eene verbazende ophooping van uitgebraakte +vulkanische stoffen; de landstreek scheen als verpletterd onder een +regen van ontzaglijke steenen, basalt, graniet en olijfblende. + +Hier en daar zag ik de dampen in de lucht opstijgen; die witte dampen, +in de ijslandsche taal "reykir" genoemd, kwamen uit de warme bronnen, +en wezen door hun geweld de vulkanische werkzaamheid van den grond +aan. Ik meende, dat mijne vrees hierdoor gerechtvaardigd werd. Ik +viel dus uit de wolken, toen mijn oom zeide: + +"Gij ziet al dien rook, Axel! welnu, hij bewijst, dat wij niets van +de woede van den vulkaan hebben te vreezen!" + +"Nu nog fraaier!" riep ik. + +"Onthoud dit goed," hernam de professor: "bij de nadering van eene +uitbarsting verdubbelen de dampen hunne werkzaamheid, om geheel te +verdwijnen zoolang het verschijnsel duurt, want de veerkrachtige +vloeistoffen, dan die noodige spankracht niet meer hebbende, nemen +haren weg door den krater in plaats van te ontwijken door de scheuren +van den aardbol. Als die dampen dus in hun gewonen toestand blijven, +als hunne kracht niet toeneemt, als gij bij deze waarneming nog voegt, +dat de wind en de regen niet door eene zwoele, stille lucht worden +vervangen, dan kunt gij stellig verzekeren, dat er geene uitbarsting +ophanden is." + +"Maar...." + +"Genoeg. Wanneer de wetenschap heeft gesproken, past het ons te +zwijgen." + +Ik kwam met hangende ooren in de pastorie terug; mijn oom had mij +met wetenschappelijke bewijzen geslagen. Toch had ik nog eene hoop, +namelijk, dat het, als wij eens op den bodem van den krater waren, +onmogelijk zou zijn, uit gebrek aan eene galerij, om dieper te dalen, +in spijt van alle Saknussemms der wereld. + +Den volgenden nacht kwelde de nachtmerrie mij geducht. Ik bracht hem +door in het midden van een vulkaan, diep onder den grond, en voelde, +hoe ik, onder den vorm van een uitgebraakten steen, in het wereldruim +werd geslingerd. + +Den volgenden morgen, den 23sten Juni, wachtte Hans ons op met zijne +makkers, beladen met de levensmiddelen, de gereedschappen en de +werktuigen. Twee met ijzer beslagen stokken, twee geweren en twee +kardoesdoozen waren voor mijn oom en mij bestemd. Hans had als een +voorzichtig man bij onze bagage nog een vollen lederen zak gevoegd, +die met onze waterflesschen ons voor acht dagen van water verzekerde. + +Het was 's morgens negen uur. De geestelijke en zijne groote huisplaag +wachtten voor hunne deur. Zij wilden ons zonder twijfel het laatste +vaarwel van den gastheer aan den reiziger toeroepen. Maar dat vaarwel +nam den onverwachten vorm van eene hooge rekening aan, waarop zelfs +de lucht der pastorie, eene bedorven lucht durf ik zeggen, gebracht +was. Dit waardige paar plukte ons gelijk een zwitsersche kastelein, +en vorderde eene goede belooning voor zijne gastvrijheid. + +Mijn oom betaalde zonder afdingen. Als iemand, die naar het middelpunt +der aarde vertrok, zag hij niet op eenige rijksdaalders. + +Toen dit punt afgehandeld was, gaf Hans het sein tot het vertrek, +en eenige oogenblikken later hadden wij Stapi verlaten. + + + + + + +HOOFDSTUK XV + + Het vertrek van Stapi.--Grondgesteldheid.--Moeielijkheid + van den tocht.--De hellingen van den Sneffels.--De "mistoer." + + +De Sneffels is vijf duizend voet hoog; zijn dubbele kegel is het +einde van eene rij trachiet, die zich losmaakt van het bergstelsel des +eilands. Van ons punt van vertrek uit kon men zijne beide pieken zich +niet zien afteekenen op den grauwen achtergrond des hemels. Ik bemerkte +alleen eene verbazende sneeuwmuts op het voorhoofd van den reus. + +Wij gingen achter elkander, voorafgegaan door den jager; deze besteeg +voetpaden, waar geen twee menschen naast elkander konden gaan. Een +gesprek werd dus ten naastenbij onmogelijk. + +Aan de overzijde van den basaltmuur van den fjord van Stapi vertoonde +zich vooreerst een kruidachtige en vezelachtige veengrond, het +overblijfsel van den voormaligen plantengroei der moerassen van het +schiereiland; de hoeveelheid van deze nog ongebruikte brandstof zou +toereikend zijn om de geheele bevolking van IJsland eene eeuw lang +te verwarmen; dit uitgestrekte veen had, van den bodem van eenige +holle wegen gemeten, dikwijls zes en zestig voet dikte en vertoonde +opeenvolgende lagen van verkoolde overblijfsels van vergane gewassen, +gescheiden door schilfers van puimsteenachtigen tufsteen. + +Als een echte neef van professor Lidenbrock en in weerwil van +mijne bezorgdheid beschouwde ik belangstellend de delfstoffelijke +merkwaardigheden in dit uitgebreide kabinet van natuurlijke historie +ten toon gesteld; tevens doorliep ik in den geest de geheele +aardkundige geschiedenis van IJsland. + +Dit zoo merkwaardige eiland is klaarblijkelijk in een betrekkelijk +jong tijdperk uit den schoot der golven opgerezen; misschien zelfs +verheft het zich nog tegenwoordig door eene onmerkbare beweging. Als +dit zoo is, kan men zijn oorsprong alleen toeschrijven aan de werking +van het onderaardsche vuur. In dat geval dus verdwenen de theorie van +Humphry Davy, het document van Saknussemm, de beweringen van mijn oom +in rook. Deze veronderstelling bracht mij er toe om den aard van den +grond oplettend te onderzoeken en weldra kon ik mij rekenschap geven +van de opeenvolging der natuurverschijnselen, die de vorming van dit +eiland voorafgingen. + +IJsland, geheel beroofd van bezonken gronden, bestaat alleen uit +vulkanischen tufsteen, dat is te zeggen uit eene opeenhooping van +steenen en rotsen van een poreus weefsel. Vóór het bestaan der vulkanen +bestond het uit massief trap-porfier, langzaam uit de golven opgeheven +door het omhoog werken der inwendige krachten. Het inwendige vuur +had zich nog niet naar buiten getoond. + +Maar later werd eene breede, dwarse scheur van het zuidoosten naar +het noordwesten des eilands geopend, waardoor langzamerhand al het +halfgesmolten trachiet zich een uitweg baande. Dit verschijnsel had +toen zonder geweld plaats; de uitkomst was verbazend, en de gesmolten +stoffen, uit de ingewanden der aarde verdreven, verspreidden zich +rustig als groote vlakke lagen of als heuvelachtige massa's. Te dien +tijde verschenen het veldspaat, syeniet en porfier. + +Maar ten gevolge van die uitstorting nam de dikte des eilands en +bij gevolg zijn tegenstandbiedend vermogen aanmerkelijk toe. Men +begrijpt licht, welk eene hoeveelheid veerkrachtige vloeistoffen zich +in zijn binnenste ophoopte, toen het geen uitweg meer aanbood na de +afkoeling der trachietkorst. Toen kwam er een oogenblik, waarin het +arbeidsvermogen dier gassen zoo groot was, dat zij de zware schors +ophieven en zich hooge schoorsteenen oprichtten. Zoo ontstond dus de +vulkaan door de opheffing van de korst, en werd vervolgens de krater +plotseling in den top van den vulkaan geboord. + +Toen volgden vulkanische verschijnselen op de +uitwerpingsverschijnselen; door de pas gevormde openingen ontsnapten +vooreerst de uitwerpselen van basalt, waarvan de vlakte, die wij thans +doorgingen, aan onze blikken de merkwaardigste proeven vertoonde. Wij +liepen over de zware donkergrijze rotsen, die de afkoeling gevormd +had tot prisma's met zeshoekige grondvlakken. In de verte zag men +een groot aantal afgeknotte kegels, die voorheen zoovele vuurspuwende +monden waren. + +Nadat de basaltuitwerking uitgeput was, verleende de vulkaan, wiens +kracht nog toenam door die der uitgebrande kraters, een doortocht +aan de lava en aan die tufsteenen van asch en slakken, welker +lange stroomen ik op zijne hellingen verstrooid zag, als waren het +weelderige haren. + +Dit was de opeenvolging der natuurverschijnselen, die IJsland te +voorschijn riepen; alle ontstonden uit de werking van het inwendige +vuur, en het was dwaasheid te vooronderstellen, dat de binnenste +massa niet bleef in een voortdurenden toestand van witgloeiende +vloeibaarheid. Dwaas vooral was het plan om te trachten het middelpunt +van den aardbol te bereiken! + +Ik stelde mijzelven dus gerust betreffende den uitslag onzer +onderneming, terwijl ik op weg was om den Sneffels met den stormpas +te beklimmen. + +De weg werd hoe langer hoe moeielijker; de grond rees; de rotsbrokken +geraakten in beweging, en de grootste oplettendheid was noodig om +een gevaarlijken val te vermijden. + +Hans ging rustig vooruit als op een effen bodem; soms verdween hij +achter de groote klompen en verloren wij hem voor een oogenblik uit het +gezicht; dan wees een scherp gefluit de richting aan, die wij moesten +volgen. Dikwijls ook bleef hij staan, raapte eenige brokken steen op, +schikte ze op eene in het oog loopende wijze en vormde zoo wegwijzers +om den terugweg aan te duiden. De voorzorg was op zichzelve goed, +maar de volgende gebeurtenissen maakten haar nutteloos. + +Een vermoeiende marsch van drie uur had ons nog niet verder gebracht +dan den voet van den berg. Daar gaf Hans een teeken om stil te houden +en deelden wij een kort ontbijt. Mijn oom slikte de brokken door om +maar spoedig te kunnen vertrekken. Doch, daar dit maal tevens eene +rust moest zijn, was hij genoodzaakt het goeddunken van zijn gids af +te wachten, die een uur later het sein gaf om weder op te breken. De +drie IJslanders, even zwijgend als hun makker, de jager, spraken geen +woord en aten matig. + +Nu begonnen wij de hellingen van den Sneffels te bestijgen; door +een in de bergen zeer gewoon gezichtsbedrog scheen zijn besneeuwde +top mij zeer nabij toe, en toch! hoe lang duurde het nog eer wij hem +bereikten! op wat al vermoeienis kwam hij ons te staan! De steenen, +door geene aarde noch gras verbonden, rolden onder onze voeten weg +en verdwenen in de vlakte met de snelheid eener lawine. + +Op sommige plaatsen maakten de zijden van den berg met den +gezichteinder een hoek van minstens zes en dertig graad; het was +onmogelijk ze te beklimmen, en niet zonder moeite moesten die +steenachtige steilten worden omgetrokken. Dan stonden wij elkander +door middel van onze stokken bij. + +Ik moet zeggen, dat mijn oom zoo dicht mogelijk bij mij bleef; hij +verloor mij niet uit het oog en bij menige gelegenheid verleende +zijn arm mij een stevigen steun. Hij had zeker een ingeschapen gevoel +van evenwicht, want hij struikelde niet. De IJslanders, hoewel zwaar +beladen, klauterden met de vlugheid van bergbewoners. + +De hoogte van den top des Sneffels in aanmerking genomen dacht het +mij onmogelijk hem van deze zijde te bereiken, als de helling niet wat +toenam. Gelukkig vertoonde zich onverwacht, midden in het uitgestrekte +sneeuwtapijt, dat den rug van den vulkaan bedekte, eene soort van +trap, die onze beklimming veel gemakkelijker maakte. Zij was gevormd +door een van die stroomen van steenen, welke bij de uitbarsting in +de hoogte geslingerd en op IJsland "stinâ" genoemd worden. Als deze +stroom niet in zijn val ware gestuit door de ligging van de zijden des +bergs, zou hij zich in zee gestort en nieuwe eilanden gevormd hebben. + +Zoo als hij was kwam hij ons goed van pas; de steilte der hellingen +nam toe, maar die steenen treden boden de gelegenheid aan om ze +gemakkelijk, ja zelfs zoo snel te bestijgen, dat ik, een oogenblikje +achter gebleven zijnde, terwijl mijne metgezellen met hunne beklimming +voortgingen, hen door den afstand reeds verkleind zag tot een +microscopisch voorkomen. + +'s Avonds te zeven uur hadden wij de twee duizend treden van de trap +beklommen en overzagen wij eene ronde verhevenheid van den berg, +eene soort van voetstuk, waarop de eigenlijke kegel des kraters rustte. + +De zee lag drie duizend twee honderd voet onder ons; wij waren boven +de sneeuwlinie gekomen, die op IJsland door de aanhoudende vochtigheid +van het klimaat niet zeer hoog ligt. Het was snerpend koud; de wind +woei hevig. Ik was uitgeput. De professor zag wel, dat de beenen mij +allen dienst weigerden en ondanks zijn ongeduld besloot hij stil te +houden. Hij wenkte dus den jager, die het hoofd schudde en zeide: +"Ofvanför". + +"Het schijnt dat wij hooger moeten stijgen," zeide mijn oom. + +Daarop onderzocht hij bij Hans naar de reden van zijn antwoord. + +"Mistour"! antwoordde de gids. + +"Ja, mistour"! herhaalde een der IJslanders op een ontstelden toon. + +"Wat beteekent dat woord?" vroeg ik zeer ongerust. + +"Zie maar rond!" sprak mijn oom. + +Ik richtte mijne blikken naar de vlakte; eene verbazende kolom van +fijne puimsteen, zand en stof verhief zich draaiende als eene hoos; de +wind dreef haar naar die zijde van den Sneffels, waar wij ons bevonden; +deze ondoorschijnende gordijn onderschepte het zonnelicht en hulde den +berg in de schaduw. Als deze hoos daalde, moest zij ons stellig in hare +dwarrelingen wikkelen. Dit, wanneer de wind van de gletschers waait, +zeer gewone natuurverschijnsel, heet in het ijslandsch "mistour". + +"Hastigt! hastigt"! riep onze gids. + +Zonder deensch te kennen begreep ik toch, dat wij hem ten spoedigste +moesten volgen. Hans begon den kegel van den krater om te loopen, maar +in eene schuine richting om gemakkelijker te kunnen voortkomen; weldra +viel de hoos op den berg, die bij haar schok sidderde; de steenen door +den luchtstroom medegevoerd vielen als regen neder, gelijk bij eene +uitbarsting. Wij waren gelukkig tegen alle gevaar beveiligd aan den +anderen kant des bergs; zonder de voorzorg van den gids zouden onze +gekorven lichamen verre van daar in kleine stukken nedergevallen zijn, +als het voortbrengsel van het een of ander onbekend luchtverschijnsel. + +Toch oordeelde Hans het niet voorzichtig om den nacht door te brengen +op de zijden van den kegel. Wij klommen dus zigzagsgewijze hooger; +voor de vijftien honderd voet, die wij nog moesten afleggen, hadden +wij bijna vijf uur noodig; de omwegen, draaiingen en rugwaartsche +bewegingen waren minstens drie mijl lang. Ik kon niet langer, ik +bezweek van koude en honger. De eenigszins verdunde lucht was niet +toereikende voor mijne ademhaling. + +Eindelijk werd te elf uur in de dichtste duisternis de top van den +Sneffels bereikt, en voor ik eene schuilplaats ging zoeken in het +inwendige van den krater, had ik tijd om "de middernachtszon" op +het laagste punt harer baan te zien, terwijl zij hare bleeke stralen +wierp op het slapende eiland onder mijne voeten. + + + + + + +HOOFDSTUK XVI + + Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den + krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock + wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw. + + +Het avondeten was spoedig afgeloopen en de kleine troep legde zich +zoo goed mogelijk te rusten. De ligplaats was hard, de dekking +beduidde niet veel, de toestand was zeer hachelijk op eene hoogte +van vijf duizend voet boven den spiegel der zee. Toch sliep ik dezen +nacht zeer rustig, die een der beste was, welke ik sinds lang had +doorgebracht. Zelfs droomde ik niet eens. + +Den volgenden morgen werden wij, half bevroren door de zeer scherpe +lucht, wakker door de stralen eener heldere zon. Ik verliet mijn +bed van graniet en ging mij verlustigen in het heerlijke schouwspel, +dat zich aan mijn oog vertoonde. + +Ik bevond mij op eene der beide pieken van den Sneffels, de +zuidelijke. Van daar had ik het gezicht op het grootste gedeelte +des eilands; het gezichtsbedrog, dat aan alle aanzienlijke hoogten +eigen is, deed zijne oevers rijzen, terwijl het binnenland scheen te +dalen. Men zou gezegd hebben, dat eene kaart in relief van Helbesmer +aan mijne voeten lag uitgespreid; ik zag de diepe dalen elkander in +alle richtingen kruisen, de afgronden zich als putten voordoen, de +meren in vijvers, de rivieren in beken veranderen. Ter rechterzijde +volgden de tallooze gletschers en de menigvuldige pieken op elkander, +waarvan eenige een vederbos van lichte rookwolkjes schenen te +dragen. De golven dezer eindelooze bergen, die schenen te schuimen +door hunne sneeuwlagen, deden mij denken aan de oppervlakte eener +onstuimige zee. Wendde ik mij naar het westen, dan breidde daar de +oceaan zich uit in zijn volle pracht, als ware hij eene voortzetting +dier gekroesde toppen. Mijn oog kon nauwelijks onderscheiden, waar +de aarde eindigde en de golven begonnen. + +Ik verzonk in die begoochelende geestverrukking, welke de hooge toppen +verwekken, en ditmaal zonder duizelig te worden; want ik geraakte +eindelijk gewoon aan dat zien uit de hoogte. Mijne verblinde oogen +baadden zich in de doorschijnende uitstraling van het zonnelicht. Ik +vergat, wie ik was, waar ik was, om het leven der elfen en sylphen, +de denkbeeldige bewoners der scandinavische fabelleer, te doorleven; +ik zwelgde het wellustig genot van mijne hooge standplaats met volle +teugen in, zonder te denken aan de afgronden, waarin mijn noodlot mij +binnen kort zou storten. Maar ik werd tot bewustheid der werkelijkheid +teruggevoerd door de komst van den professor en van Hans, die zich +op den top van de piek bij mij voegden. + +Mijn oom keerde zich naar het westen en wees mij met de hand een +lichten damp, een nevel, eene flauwe schemering van land boven de +waterlijn. + +"Groenland," sprak hij. + +"Groenland?" riep ik uit. + +"Ja, wij zijn er geen vijf en dertig uur van daan en als het dooit, +komen de ijsberen op de ijsschotsen uit het noorden tot op IJsland +toe. Maar dat hindert ons niet. Wij zijn op den top van den Sneffels; +hier zijn twee pieken, de eene ten zuiden, de andere ten noorden. Hans +zal ons zeggen, welken naam de IJslanders geven aan die, waarop wij +ons thans bevinden." + +Toen de vraag duidelijk gesteld was, antwoordde de jager: + +"Scartaris." + +Mijn oom wierp mij een zegepralenden blik toe. + +"Naar den krater!" zeide hij. + +De krater van den Sneffels had de gedaante van een omgekeerden kegel, +welks opening een half uur in middellijn kon wezen. Zijne diepte +schatte ik op ongeveer twee duizend voet. Men kan licht oordeelen +over den toestand van zulk een ontvanger, als hij gevuld werd met +donder en vlammen. Het grondvlak van den trechter kon niet meer dan +vijfhonderd voet omtrek hebben, zoodat zijne vrij zachte hellingen +de nederdaling gemakkelijk maakten. Onwillekeurig vergeleek ik dien +krater met eene verbazend groote en wijde donderbus en die vergelijking +beangstigde mij. + +"In eene donderbus af te dalen," dacht ik, "die misschien geladen is +en bij den geringsten schok kan losbranden, is het werk van gekken." + +Maar ik kon niet meer terug. Hans stelde zich met een onverschillig +gelaat weder aan het hoofd der troep. Ik volgde hem zonder een woord +te spreken. + +Ten einde de afdaling gemakkelijk te maken beschreef Hans binnen in +den kegel zeer uitgestrekte ellipsen; wij moesten over uitgebraakte +steenen loopen, waarvan eenige, door de dreuning van hun steunpunt +beroofd, telkens opspringende op den bodem van den afgrond vielen. Hun +val verwekte zeer helder klinkende, telkens herhaalde echo's. + +Zekere gedeelten des kegels vormden inwendige gletschers; dan ging Hans +slechts met de uiterste behoedzaamheid voort, terwijl hij gedurig den +grond met zijn met ijzer beslagen stok peilde om er de scheuren in te +ontdekken. Op sommige twijfelachtige punten werd het noodzakelijk om +ons met een lang touw aan elkander te binden, opdat hij, wiens voet +soms mocht uitglijden, vastgehouden werd door zijne makkers. Deze +vastbinding was een maatregel van voorzichtigheid, maar sloot alle +gevaar nog niet uit. + +Evenwel werd de weg, ondanks de moeielijkheden van de afdaling langs +hellingen, die de gids niet kende, zonder ongelukken afgelegd; alleen +ontglipte een pak aan de handen van een IJslander en ging regelrecht +naar den bodem van den afgrond. + +Te twaalf uur waren wij aangekomen. Ik hief het hoofd op en bespeurde +de bovenste opening van den kegel, waardoor een gedeelte van den +hemel zichtbaar werd, welks omtrek zeer verkleind maar bijna zuiver +was. Op één punt slechts teekende de piek van den Scartaris zich af, +die in de eindelooze ruimte zich verloor. + +Op den bodem van den krater openden zich drie schoorsteenen, waardoor +de hoofdhaard bij eene uitbarsting van den Sneffels zijne lava en +dampen uitbraakte. Elk dezer schoorsteenen had omtrent honderd voet +middellijn. Zij gaapten onder onze voeten. Ik had de kracht niet om +er in te zien. Professor Lidenbrock had hun stand snel onderzocht, +hij hijgde, liep van den een naar den anderen, gebaren makende en +allerlei onverstaanbare woorden uitende. Hans en zijne makkers, op +brokken lava zittende, zagen het aan en hielden hem zeker voor een gek. + +Eensklaps schreeuwde mijn oom luidkeels; ik dacht, dat de grond onder +hem wegzonk en hij in een der drie afgronden viel. Maar neen. Ik zag +hem met wijd uitgestrekte armen en de beenen ver van elkander voor +een granietblok staan, dat in het middelpunt van den krater lag, als +een verbazend voetstuk bestemd voor het standbeeld van een Pluto. Hij +stond in de houding van een ontsteld mensch, maar wiens ontsteltenis +weldra plaats maakte voor eene dwaze vreugde. + +"Axel, Axel!" riep hij, "kom eens hier, kom eens hier!" + +Ik snelde heen. Hans noch de IJslanders bewogen zich. + +"Zie eens!" zeide mij de professor. + +En zoo al niet in zijne vreugde, dan toch in zijne verbazing deelende, +las ik op de westzijde van het blok in runische, door den tijd half +uitgewischte letters, dezen duizendmaal vervloekten naam: + +[AFBEELDING] + +"Arne Saknussemm!" riep mijn oom, "kunt gij nu nog twijfelen?" Ik +antwoordde niets en keerde geheel ontzet naar mijne bank van lava +terug. Dit tastbare bewijs verpletterde mij. + +Hoe lang ik zoo in mijne gepeinzen verdiept bleef, weet ik niet. Al +wat ik weet is, dat ik, toen ik mijn hoofd ophief, mijn oom en Hans +alleen in den krater zag. De IJslanders waren weggezonden en nu +daalden zij weder langs de buitenste hellingen van den Sneffels af +om naar Stapi terug te keeren. + +Hans sliep gerust aan den voet eener rots op een lavastroom, waarin +hij eene soort van slaapplaats had gemaakt, mijn oom liep op den +bodem van den krater rond, gelijk een wild dier in den kuil van +een jager. Ik had lust noch kracht om op te staan en een voorbeeld +nemende aan den gids, gaf ik mij over aan eene pijnlijke slaperigheid, +telkens mij verbeeldende gerommel te hooren of schokken in de zijden +van den berg te gevoelen. + +Zoo verliep deze eerste nacht op den bodem des kraters. + +Den volgenden dag hing eene grauwe, bewolkte en zware lucht op den top +des kegels. Ik bespeurde dit minder aan de duisternis in den afgrond, +dan aan den toorn, die mijn oom beving. + +Ik begreep er de reden van en eene straal van hoop verhelderde mijn +hart. Ziehier waarom. + +Van de drie wegen, die voor ons openstonden, was er slechts een door +Saknussemm gevolgd. Naar het zeggen van den ijslandschen geleerde +kon men hem herkennen aan deze in het geheimschrift aangeduide +bijzonderheid, dat de schaduw van den Scartaris zijn rand in de +laatste dagen der maand Juni raakte. + +Men kan inderdaad deze scherpgepunte piek beschouwen als de staaf +van een ontzaglijken zonnewijzer, wiens schaduw op een gegeven dag +den weg naar het middelpunt van den aardbol aanwees. + +Bleef nu de zon weg, dan was er geene schaduw en bij gevolg geene +aanwijzing. Wij hadden den 25sten Juni. Bleef de lucht zes dagen +achtereen betrokken, dan moest de waarneming tot een ander jaar +uitgesteld worden. + +Ik waag het niet om den machteloozen toorn van professor Lidenbrock +te schilderen. De dag verstreek, en geene schaduw viel op den bodem +des kraters. Hans week niet van zijne plaats; toch moest hij zich +wel afvragen, waarop wij wel wachtten, als hij zich ten minste iets +afvroeg! Mijn oom sprak mij geen enkelen keer aan. Zijne bestendig +naar den hemel gewende blikken verloren zich in het grauwe en mistige +verschiet. + +Den 26sten was er nog niets te zien. Eene regenbui met hagel vermengd +viel den ganschen dag. Hans bouwde eene hut van brokken lava. Ik vond +er een zeker genoegen in om met het oog de duizenden watervallen op +de zijden van den kegel, wier oorverdoovend gemurmel door iederen +steen versterkt werd, te volgen. + +Mijn oom kon zich niet langer inhouden. Een geduldiger man zelfs zou +dan ook razend geworden zijn; want dit mocht wel heeten in de haven +schipbreuk lijden. + +Maar de hemel vermengt steeds groote vreugde met groote smarten en +had voor professor Lidenbrock eene voldoening weggelegd, die zijne +wanhopend makende verveling evenaarde. + +Den volgenden dag was de lucht nog betrokken, maar Zondag, den 28sten +Juni, op twee na den laatsten dag der maand, kwam er met de verandering +van maan ook verandering van weder. De zon goot hare stralen met volle +stroomen in den krater. Ieder bergje, iedere rots, iedere steen, +iedere oneffenheid deelde in hare weldadige uitstrooming en wierp +oogenblikkelijk zijne schaduw op den grond. Onder allen teekende die +van den Scartaris zich af als een kam en begon onmerkbaar met het +lichtgevende hemellichaam te draaien. + +Mijn oom draaide mede. + +Ten twaalf uur, toen zij het kortste was, raakte zij eventjes den +kant van den middelsten schoorsteen. + +"Daar is het!" riep de professor, "daar is het! Naar het middelpunt +van den aardbol!" voegde hij er in het deensch bij. + +Ik zag Hans aan. + +"Forüt!" sprak de gids heel bedaard. + +"Vooruit!" herhaalde mijn oom. + +Het was één uur en dertien minuten na den middag. + + + + + + +HOOFDSTUK XVII + + Naar den afgrond.--De theorie van Davy bevestigd.--Geen + inwendige warmte.--Op den bodem van den krater. + + +De wezenlijke reis begon. Tot nu toe waren de vermoeienissen erger +geweest dan de moeielijkheden; van nu af aan schoten dezen inderdaad +onder onze schreden uit den grond op. + +Ik had nog geen blik geworpen in dien onpeilbaren put, waarin ik zou +afdalen. Het oogenblik was gekomen, ik kon nog òf aan de onderneming +deelnemen òf mij er aan onttrekken. Maar ik schaamde mij voor den +jager om achteruit te treden. Hans ondernam het waagstuk zoo gerust, +met zulk eene onverschilligheid, zulk eene volkomene onbezorgdheid +voor alle gevaar, dat ik reeds bloosde alleen bij de gedachte, dat +ik minder moedig zou zijn dan hij. Ware ik alleen geweest, dan zou +ik nog eens de reeks gewichtige gronden geopperd hebben; maar in +tegenwoordigheid van den gids zweeg ik; eene mijner herinneringen +vloog naar mijn lief meisje en ik naderde den middelsten schoorsteen. + +Ik heb reeds gezegd, dat hij honderd voet in middellijn of drie +honderd voet in omtrek mat. Ik bukte over eene overhangende rots +en zag naar beneden; mijne haren rezen te berge. Het gevoel van het +ledige maakte zich van mij meester. Ik voelde het zwaartepunt zich +in mij verplaatsen en de duizeligheid als dronkenschap naar mijn +hoofd stijgen. Niets bedwelmt meer dan die aantrekkingskracht van +den afgrond. Ik was op het punt van te vallen. Eene hand hield mij +tegen: die van Hans. Zeker had ik nog niet genoeg les genomen in het +nederzien in den afgrond op de Frelsers-Kirk te Kopenhagen. + +Al had ik maar even mijne blikken in dien put laten vallen, nochtans +had ik mij vergewist van zijne inrichting. Zijne bijna loodrechte +wanden leverden wel talrijke uitstekende punten op, die de nederdaling +gemakkelijk konden maken; maar ontbrak al de trap niet, de leuning +wel. Een touw, aan de opening vastgemaakt, zou toereikende geweest +zijn om ons te steunen; maar hoe moest het losgemaakt worden, als +wij beneden waren gekomen? + +Mijn oom gebruikte een zeer eenvoudig middel om dit bezwaar uit +den weg te ruimen. Hij ontrolde een touw zoo dik als een duim en +ter lengte van vier honderd voet; hij vierde er eerst de helft van, +draaide het toen om een uitstekend brok lava en wierp de andere helft +in den schoorsteen. Ieder onzer kon nu nederdalen, de beide helften +van het touw, dat niet losraken kon, in de hand houdende; waren wij +eerst maar twee honderd voet gedaald, dan zou niets gemakkelijker zijn +dan het naar ons toe te halen door het eene einde los te laten en aan +het andere te trekken. Vervolgens herhaalde men die bewerking slechts +"usque ad infinitum". + +Nadat die toebereidselen afgeloopen waren, zeide mijn oom: "Nu zullen +wij ons met de bagage bezighouden; wij zullen ze in drie pakken +verdeelen en ieder onzer zal er een op zijn rug binden; ik spreek +alleen van de breekbare voorwerpen." + +De stoutmoedige professor plaatste ons blijkbaar niet in deze laatste +afdeeling. + +"Hans," hernam hij, "zal zich belasten met de werktuigen en een +gedeelte der levensmiddelen; gij, Axel! met een ander derde deel +der levensmiddelen en met de wapenen; ik, met het overschot der +levensmiddelen en met de breekbare werktuigen." + +"Maar," zeide ik, "wie zal zich belasten met het naar beneden brengen +der kleederen en van die massa touwen en ladders?" + +"Die zullen wel alleen beneden komen." + +"Hoe dan?" vroeg ik zeer verwonderd. + +"Dat zult gij zien." + +Mijn oom wendde gaarne groote middelen aan en deed dat zonder +aarzelen. Op zijn bevel maakte Hans één pak van de stevigste voorwerpen +en wierp het, behoorlijk vastgebonden, heel eenvoudig in de diepte. + +Ik hoorde het heldere geraas voortgebracht door de verplaatsing der +luchtlagen. Over den afgrond gebogen volgde mijn oom met een tevreden +gezicht de nederdaling zijner bagage en stond eerst op, toen hij ze +uit het oog had verloren. + +"Goed!" sprak hij. "Nu is het onze beurt." + +Ik vraag iederen onpartijdige, of het mogelijk was zulke woorden +zonder siddering aan te hooren! + +De professor nam het pak met de werktuigen op den rug, Hans dat met +de gereedschappen en ik dat met de wapenen. De afdaling had in de +volgende orde plaats: Hans, mijn oom en ik. Zij geschiedde in de +diepste stilte, alleen afgebroken door den val der rotsblokken, +die in de diepte rolden. + +Ik liet mij om zoo te zeggen afglijden, met de eene hand het dubbele +touw zenuwachtig omklemmende, en mij, met behulp van mijn stok, met +de andere van den wand afstootende. Eéne gedachte slechts bezielde +mij. Ik vreesde, dat het steunpunt ons mocht ontzinken. Dit touw scheen +mij zwak genoeg toe om de zwaarte van drie menschen te dragen. Ik +bediende er mij zoo min mogelijk van, allerlei bewegingen makende +om in evenwicht te blijven op de trappen van lava, die mijn voet, +als waren zij eene hand, trachtte te grijpen. + +Toen eene dezer treden onder de voeten in beweging raakte, zeide Hans +met eene rustige stem: + +"Gif akt!" + +"Geef acht!" herhaalde mijn oom. + +Na een half uur kwamen wij op de oppervlakte van een rotsblok, dat +diep in den wand van den schoorsteen drong. + +Hans trok aan een der einden van het touw; het andere verhief zich in +de lucht; na over de hoogste rots heengegaan te zijn viel het weder, +brokken steen en lava losrukkende, eene soort van regen of liever +van zeer gevaarlijken hagel. + +Toen ik mij over den rand van ons klein vlak henen boog, bemerkte ik, +dat de bodem van het gat nog onzichtbaar was. + +De reis langs het touw begon op nieuw, en een half uur later waren +wij weder twee honderd voet lager gekomen. + +Ik weet niet, of de ijverigste geoloog het beproefd zou hebben om +gedurende die afdaling den aard der gronden, die hem omringden, te +onderzoeken. Ik althans bekommerde mij er niet om; of zij pliocenisch, +miocenisch of eocenisch waren, of zij tot de krijtvorming, tot +de juragroep, de triasgroep, de permsche groep, de kolengroep, +de devonische of de silurische vorming behoorden, dan wel of zij +oorspronkelijke lagen waren, dat alles hield mijne gedachten geenszins +bezig. Maar de professor deed zonder twijfel zijne waarnemingen of +maakte zijne opmerkingen, want bij eene onzer halten zeide hij: + +"Hoe lager ik kom, hoe meer vertrouwen ik krijg; de schikking dezer +vulkanische gronden bevestigt ten volle de theorie van Davy. Wij zijn +in het midden van oorspronkelijke gronden, waarin de scheikundige +werking heeft plaats gehad van de metalen, die bij de aanraking +met lucht en water ontvlamden; ik verwerp geheel het stelsel eener +inwendige warmte; doch wij zullen zien." + +Zoo kwam hij altijd tot hetzelfde besluit. Men begrijpt wel, dat ik +geen lust had om te redekavelen. Mijn stilzwijgen werd voor toestemming +gehouden en de afdaling begon weder. + +Na verloop van drie uren zag ik nog niets van den bodem des +schoorsteens. Toen ik het hoofd ophief, bemerkte ik, dat zijne opening +duidelijk kleiner werd; zijne wanden raakten elkander bijna door +hunne geringe helling. Het werd allengs donker. + +Toch daalden wij nog altijd; het scheen mij toe, dat de van de wanden +losgeraakte steenen met een doffer geluid wegzonken en spoediger den +bodem van den afgrond bereikten. + +Daar ik nauwkeurig acht gegeven had op onze bewegingen met het touw, +kon ik eene juiste berekening maken van de bereikte diepte en den +verloopen tijd. + +Wij hadden nu veertien maal die beweging herhaald, die een half uur +duurde. Dit bedroeg dus zeven uur, bovendien nog veertien kwart uur +rust of drie en half uur. Wij waren te één uur vertrokken, dus moest +het nu elf uur zijn. + +Wat de diepte betreft, die wij bereikt hadden, veertien maal de lengte +van het touw van twee honderd voet gaf twee duizend acht honderd voet. + +Op dit oogenblik deed de stem van Hans zich hooren, die "halt!" riep. + +Ik hield op, juist toen mijne voeten bijna het hoofd van mijn oom +aanraakten. + +"Wij zijn er!" zeide deze. + +"Waar?" vraagde ik, terwijl ik mij naast hem liet afglijden. + +"Op den bodem van den loodrechten schoorsteen." + +"Is er dan geen andere uitgang?" + +"Jawel! ik zie zoo iets van een nauwen gang die schuinsrechts +loopt. Morgen zullen wij het wel eens onderzoeken. Nu zullen wij +eerst eten en dan gaan slapen." + +Het was nog niet geheel donker. Wij openden den zak met levensmiddelen, +aten en legden ons, zoo goed als het ging, op een bed van steenen en +lavabrokken neder. En toen ik op den rug liggende de oogen opende, +bemerkte ik een schitterend punt aan het einde van de drie duizend +voet lange buis, die in een reusachtigen verrekijker veranderd was. + +Het was eene ster, die volstrekt niet flonkerde en die naar mijne +berekening Beta van den kleinen Beer moest wezen. + +Vervolgens viel ik in een gerusten slaap. + + + + + + +HOOFDSTUK XVIII + + Kalmte.--Begin der onderaardsche reis.--Schakeeringen der lava. + + +Des morgens te acht uur deed een lichtstraal ons ontwaken. De +duizende vlakken der lavawanden vingen hem op zijn voorbijgang op en +verstrooiden hem als een regen van vonken. + +Dit schijnsel was sterk genoeg om de omringende voorwerpen duidelijk +te kunnen onderscheiden. + +"Welnu, Axel! wat zegt gij er van?" zeide mijn oom zich de handen +wrijvende. "Hebt gij ooit een rustiger nacht doorgebracht in ons huis +in de Koningstraat? Hier wordt men niet gestoord door het geratel +van karren, door het geschreeuw der kooplieden, door het getier +der schippers!" + +"Het is hier zeker heel rustig op den bodem van dezen put; maar die +kalmte zelve heeft iets ontzettends." + +"Komaan!" riep mijn oom, "als gij nu reeds bang zijt, wat zal het +dan later zijn? Wij zijn nog geen duim diep in den schoot der aarde +doorgedrongen." + +"Wat wilt gij daarmede zeggen?" + +"Ik wil zeggen, dat wij nog pas den bodem van het eiland hebben +bereikt! Die lange, loodrechte buis, die uitloopt in den krater van +den Sneffels, eindigt ten naasten bij gelijk met den spiegel der zee." + +"Zijt gij daarvan verzekerd?" + +"Ongetwijfeld; raadpleeg den barometer, dan zult gij het zien." + +Inderdaad was het kwik, dat gedurende onze nederdaling weder +langzamerhand in het werktuig gestegen was, op negen en twintig duim +blijven staan. + +"Gij ziet het," hernam de professor, "wij hebben nog slechts +éene dampkringsdrukking, en ik verlang er vurig naar, dat de +luchtdichtheidsmeter dezen barometer moet vervangen." + +Dit werktuig zou ons dan ook nutteloos worden, zoodra de zwaarte der +lucht hare drukking op den waterspiegel zou te boven gaan. + +"Maar," zeide ik, "staat het niet te vreezen, dat die gestadig +toenemende drukking hoogst lastig zal worden?" + +"Neen. Wij zullen langzaam dalen en onze longen zullen er +aan gewennen om eene meer samengeperste dampkringslucht in te +ademen. De luchtreizigers krijgen eindelijk gebrek aan lucht, als +zij in de bovenste lagen komen; wij integendeel zullen misschien +te veel hebben. Maar dat heb ik liever. Wij moeten geen oogenblik +verliezen. Waar is het pak, dat ons in het binnenste van den berg +is voorgegaan?" + +Ik herinnerde mij nu, dat wij het den vorigen avond te vergeefs +gezocht hadden. Mijn oom ondervroeg Hans, die, na oplettend met zijne +jagersoogen rondgezien te hebben, antwoordde: + +"Der huppe"! + +"Daar boven ons!" + +Inderdaad was het pak blijven hangen aan eene uitstekende rotspunt +omtrent honderd voet boven ons hoofd. De vlugge IJslander begon +dadelijk als eene kat te klauteren, en in eenige minuten was het pak +bij ons. + +"Nu," zeide mijn oom, "zullen wij ontbijten; maar laten wij het doen +als lieden, die wellicht een langen tocht moeten doen." + +De beschuit en het gedroogde vleesch werden doorgespoeld met eene +mondvol water en jenever. + +Toen het ontbijt afgeloopen was, haalde mijn oom een aanteekenboekje +voor de waarnemingen bestemd uit den zak; hij nam achtereenvolgens +zijne verschillende werktuigen en schreef de volgende gegevens op: + +Maandag 1 Juli. Tijdmeter: 8 uur 17 min. des morgens. Barometer: +292 millimeter. Thermometer: 6°. Windrichting: O.Z.O. + +Deze laatste waarneming had betrekking op de donkere galerij en werd +door het kompas aangegeven. + +"Nu eerst, Axel!" riep de professor met geestdrift uit, "nu eerst +gaan wij wezenlijk in den schoot der aarde doordringen. Dit is het +juiste oogenblik van het begin onzer reis." + +Toen hij dit gezegd had, nam mijn oom met de eene hand den aan zijn +hals hangenden toestel van Ruhmkorff, met de andere bracht hij den +electrischen stroom in verbinding met de slang der lantaarn en een +vrij helder licht verdreef de duisternis der galerij. + +Hans droeg den tweeden toestel, die ook in werking werd gebracht. Deze +vernuftige toepassing der electriciteit stelde ons in staat om lang +voort te gaan, terwijl wij een kunstmatigen dag schiepen, zelfs in +het midden der meest ontvlambare gassen. + +"Voorwaarts!" sprak mijn oom. + +Ieder nam zijn pak weder op. Hans belastte zich bovendien met de zorg +om het pak met de touwen en de kleederen voor zich uit te rollen, en +zoo traden wij de galerij binnen, waarbij ik de achterhoede uitmaakte. + +Op het punt zijnde mij in dien donkeren gang te begeven, hief ik +nog eens het hoofd op, en bemerkte voor de laatste maal door het +gezichtsveld der verbazende buis den hemel van IJsland, "dat ik nooit +zou wederzien." + +Tijdens de laatste uitbarsting van 1229 had de lava zich een weg +door dien tunnel gebaand. Zij overdekte hem inwendig met eene dikke +en glimmende korst; het electrieke licht werd er door teruggekaatst +met honderdvoudige dichtheid. + +De weg leverde geene andere moeielijkheid op dan deze, dat men zorgen +moest om niet te schielijk af te glijden van eene helling, die een +hoek van omstreeks vijf en veertig graden maakte; gelukkig vervingen +eenige holten en hoogten de plaats van treden, en behoefden wij slechts +te dalen, terwijl wij onze bagage met lange touwen voorttrokken. + +Maar wat ons tot treden diende, werd aan de andere wanden dropsteen; +de op sommige plaatsen poreuse lava vertoonde kleine ronde belletjes; +ondoorschijnende kwartskristallen, versierd met heldere waterdroppels +en als lichtstroomen aan het gewelf hangende, schenen, toen wij er +voorbijgingen, aangestoken te worden. Men zou gezegd hebben, dat de +geesten van den afgrond hun paleis verlichtten om de aardsche gasten +te ontvangen. + +"Dat is prachtig!" riep ik onwillekeurig uit. "Welk een tooneel, +oom! Bewondert gij ook die schakeeringen der lava niet, die met +onmerkbare overgangen van bruinrood tot lichtgeel gaan? En die +kristallen, die zich als lichtende bollen voordoen?" + +"Zoo! ziet gij het eindelijk ook, Axel?" antwoordde mijn +oom. "Zoo! vindt gij dat heerlijk, mijn jongen? Gij zult nog wel wat +anders zien, hoop ik. Vooruit maar, vooruit maar!" + +Hij had met meer grond kunnen zeggen: "glijd wat aan!" want wij +lieten ons zonder eenige inspanning van de glooiing afzakken. Dat +was het "facilis descensus Averni," van Virgilius. Het kompas, dat ik +gedurig raadpleegde, wees onveranderlijk eene zuidoostelijke richting +aan. Deze lavastroom week ter rechter- noch ter linkerzijde af. Hij +had de onbuigzaamheid der rechte lijn. + +Toch nam de warmte niet merkbaar toe, hetgeen de theorie van Davy +bevestigde, en meer dan eens raadpleegde ik met verwondering den +thermometer. + +Twee uur na ons vertrek wees hij nog slechts 10°, d.i. eene +vermeerdering van 4°. Dit gaf mij recht om te denken, dat wij meer +in eene waterpasse dan in eene loodrechte richting daalden. Niets +was overigens gemakkelijker dan de bereikte diepte met juistheid te +weten. De professor mat nauwkeurig de hoeken van de afwijking en de +helling van den weg, maar hij hield de uitkomst zijner waarnemingen +voor zich. + +Omstreeks acht uur des avonds gaf hij sein om stil te houden. Hans ging +terstond zitten; de lampen werden aan eene uitstekende punt van de +lava opgehangen. Wij waren in eene soort van hol, waarin geen gebrek +aan lucht was; integendeel, van tijd tot tijd kwam er een windje tot +ons. Door welke oorzaak werd dit teweeggebracht? Aan welke beweging +van den dampkring moest zijn ontstaan worden toegeschreven? Dit +vraagstuk trachtte ik op dit oogenblik niet eens op te lossen: honger +en vermoeidheid maakten het mij onmogelijk om te redeneeren. Eene +nederdaling van zeven uur kan niet volbracht worden zonder groot +verlies van kracht. Ik was uitgeput. Tot mijne vreugde hoorde ik daarom +het woord "halt!" Hans legde eenigen voorraad op een blok lava en ieder +at met smaak. Een ding echter verontrustte mij: onze watervoorraad +was tot de helft verminderd. Mijn oom rekende op de onderaardsche +bronnen om hem weder aan te vullen; maar tot nu toe ontbraken zij +geheel. Ik kon niet nalaten zijne aandacht op dit punt te vestigen. + +"Verwondert u dat gemis van bronnen?" zeide hij. + +"Zonder twijfel! het verontrust mij zelfs; wij hebben nog maar voor +vijf dagen water." + +"Wees gerust, Axel! ik sta u borg dat wij water zullen vinden, zelfs +meer dan ons lief is." + +"Wanneer?" + +"Als wij buiten deze lavakorst zijn. Hoe wilt gij, dat er bronnen +uit deze wanden zullen vloeien?" + +"Maar misschien strekt deze bedding zich tot eene aanmerkelijke diepte +uit. Mij dunkt, dat wij nog niet veel afstand in eene loodrechte +richting hebben afgelegd." + +"Wat brengt u op die gedachte?" + +"Wel, als wij diep onder de aardschors waren, moest het veel heeter +zijn." + +"Volgens uw stelsel althans," antwoordde mijn oom; "maar hoe staat +de thermometer?" + +"Nauwelijks vijftien graad, hetgeen eene vermeerdering van nog geen +negen graad sedert ons vertrek bedraagt." + +"Welnu! besluit dan zelf." + +"Ziehier mijn besluit. Volgens de nauwkeurigste waarnemingen bedraagt +de vermeerdering der warmte in het binnenste van den aardbol één +graad op de honderd voet. Maar plaatselijke omstandigheden kunnen +dit cijfer wijzigen. Zoo heeft men te Jakutsk in Siberië opgemerkt, +dat de vermeerdering van één graad plaats heeft bij iedere zes en +dertig voet, hetgeen zekerlijk afhangt van het geleidend vermogen der +steenrotsen. Ik voeg hier nog bij, dat men in de nabijheid van een +uitgebranden vulkaan en door het gneis heen opgemerkt heeft, dat de +verhooging van den warmtegraad slechts op de honderd vijf en twintig +voet één graad bedroeg. Wij zullen deze laatste veronderstelling als +de gunstigste eens aannemen en dan berekenen." + +"Bereken maar, mijn jongen!" + +"Niets is gemakkelijker," zeide ik, terwijl ik de cijfers in mijn +aanteekenboekje schreef, "Negen maal honderd vijf en twintig voet +geeft elf honderd vijf en twintig voet diepte." + +"Dat komt juist uit." + +"Welnu?" + +"Welnu! volgens mijne waarnemingen zijn wij tien duizend voet onder +den spiegel der zee." + +"Is het mogelijk?" + +"Ja! of de cijfers zijn geen cijfers meer!" + +De berekeningen des professors waren nauwkeurig; wij waren reeds zes +duizend voet beneden de grootste diepten, die de mensch nog bereikt +heeft, zooals de mijnen van Kitz-Bahl in Tyrol en die van Wuttemberg +in Boheme. + +De warmte, die op deze plaats een en tachtig graad had moeten bedragen, +steeg nauwelijks tot vijftien. Dit gaf stof tot denken. + + + + + + +HOOFDSTUK XIX + + De kruisweg.--Vermoeienis van Axel.--Klimmen of dalen?--Naar + boven, naar Gräuben--Dreigend watergebrek. + + +Den volgenden dag, Dinsdag den 30sten Juni te zes uur, hervatten wij +onze nederdaling. + +Wij volgden steeds de lavagalerij, een echt natuurlijk hellend vlak, +even zacht glooiend als die hellende vlakken, die in sommige oude +huizen nog tot trap dienen. Zoo bleef het tot zeventien minuten +over twaalven, het oogenblik waarop wij Hans inhaalden, die was +blijven staan. + +"Kom aan!" riep mijn oom, "wij zijn aan het einde des schoorsteens +gekomen." + +Ik zag rond; wij waren in het middelpunt van een kruisweg, waarop twee +donkere en smalle wegen uitliepen. Welken moesten wij inslaan? Dat +was een punt van bezwaar. + +Toch wilde mijn oom den schijn niet hebben voor den gids en mij, +alsof hij aarzelde; hij wees den oostelijken tunnel aan, en weldra +waren wij met ons drieën er in verdwenen. + +Aan eene aarzeling voor dien dubbelen weg zou ook nooit een einde +gekomen zijn, want geen enkel kenteeken kon de keus op den een of +den anderen doen vallen; men moest het geheel aan het toeval overlaten. + +De helling dezer nieuwe galerij was bijna onmerkbaar en hare indeeling +zeer ongelijk; soms vertoonde zich, voor ons uit, eene rij van bogen +gelijk de zijbeuken eener gothische hoofdkerk; de kunstenaars van de +middeleeuwen hadden daar al de vormen van dien kerkelijken bouwtrant +kunnen bestudeeren, die uit den kruisboog is ontstaan. Eene mijl +verder moesten wij het hoofd bukken onder de gedrukte bogen van den +romeinschen bouwstijl, en dikke pilaren, in het massieve gesteente +dringende, bogen onder het gewicht der gewelven. Hier en daar maakte +deze bouworde plaats voor een lagen onderbouw, die op het werk der +bevers geleek, en moesten wij door enge gangen voortkruipen. + +De warmte bleef draaglijk. Onwillekeurig dacht ik er aan, hoe heet het +wel zou zijn, als de lava, door den Sneffels uitgebraakt, door dezen +nu zoo stillen weg stroomde. Ik stelde mij voor, hoe de stroomen vuur +braken op de hoeken der galerij en hoe de buitensporig heete dampen +op deze nauwe plek zich ophoopten! + +"Als de oude vulkaan", dacht ik, "maar niet eene nieuwe gril krijgt." + +Deze overdenkingen deelde ik aan professor Lidenbrock niet mede; hij +zou ze toch niet begrepen hebben. Hij dacht aan niets anders dan om +vooruit te gaan. Hij liep, gleed, tuimelde zelfs met eene overtuiging, +die men in allen gevalle moest bewonderen. + +Te zes uur 's avonds, na eene niet zeer vermoeiende wandeling, waren +wij twee uur gaans in eene zuidelijke richting verder, maar nauwelijks +eene kwartmijl dieper gekomen. + +Mijn oom gaf het sein om te rusten. Wij aten zonder veel te praten +en gingen slapen zonder veel na te denken. + +Onze beschikkingen voor den nacht waren zeer eenvoudig: al het +beddegoed bestond uit eene reisdeken, waarin wij ons rolden. Wij hadden +geene koude noch een lastig bezoek te duchten. De reizigers, die zich +diep in de woestijnen van Afrika of in de wouden der nieuwe wereld +wagen, zijn verplicht om ieder op zijne beurt elkander gedurende den +slaap te bewaken; maar hier heerschten eene ongestoorde eenzaamheid +en volkomene veiligheid. Wilden noch verscheurende dieren, geen enkele +van die kwaaddoende soorten, behoefden wij te vreezen. + +Den volgenden morgen werden wij frisch en opgeruimd wakker en +gingen weder op weg over eene lavabaan gelijk den vorigen dag. Het +was onmogelijk om den aard der gronden, waar zij door heen liep, +te onderkennen. In plaats dat de tunnel naar de ingewanden der aarde +leidde, had hij veeleer eene neiging om geheel waterpas te worden. Ik +meende zelfs op te merken, dat hij weder naar de oppervlakte der +aarde steeg. Deze neiging werd des morgens omtrent tien uur zoo in +het oog loopend en bij gevolg zoo vermoeiend, dat ik verplicht was +mijn tred te matigen. + +"Wat scheelt er aan, Axel?" zeide de professor ongeduldig. + +"Wat er aan scheelt? dat ik niet verder kan", antwoordde ik. + +"Hoe! na eene wandeling van drie uur over zulk een gemakkelijken weg." + +"Ik ontken niet, dat hij gemakkelijk is, maar hij is hoogst vermoeiend +ook." + +"Wat! en wij behoeven slechts te dalen!" + +"Te klimmen met uw welnemen!" + +"Te klimmen!" zeide mijn oom, zijne schouders ophalende. + +"Ongetwijfeld. Sedert een half uur is de helling veranderd en als +wij zoo voortgaan, komen wij zeker op IJsland terug." + +De professor schudde zijn hoofd als iemand, die niet overtuigd +wil worden. Ik trachtte het gesprek weder aan te knoopen: maar hij +antwoordde mij niet, en gaf het teeken tot het vertrek. Ik zag wel, +dat zijn stilzwijgen niets anders was dan ingehouden kwaadheid. + +Ik had intusschen mijn pak met nieuwen moed weder opgenomen en volgde +snel Hans, die door mijn oom werd voorgegaan. Ik wilde ongaarne +achterblijven; mijne grootste zorg was mijne makkers niet uit het +oog te verliezen. Ik sidderde bij de gedachte van in de diepte van +dezen doolhof te verdwalen. + +Al werd de stijgende weg ook moeielijker, zoo troostte ik mij daarmede, +dat hij mij dichter bracht bij de oppervlakte der aarde en bij mijne +lieve Gräuben. Dat was een aangenaam vooruitzicht, dat bij iederen +tred bevestigd werd. + +Te twaalf uur veranderde het voorkomen van de wanden der galerij. Ik +bemerkte het aan de verzwakking van het door de muren weerkaatste +electrische licht. Op de bekleeding met lava volgde onvermengde rots, +bestaande uit hellende en dikwijls loodrecht hangende lagen. Wij +waren in het overgangstijdperk, de silurische vorming. [8] + +"Het is duidelijk," riep ik, "het bezinksel van het water heeft in +het tweede tijdperk der aarde dezen schiefer, dezen kalksteen en dezen +zandsteen gevormd! Wij keeren den rug toe aan het massieve graniet! Wij +gelijken op Hamburgers, die over Hanover naar Lubeck gaan!" + +Ik had mijne waarneming wel voor mij mogen houden. Maar mijne drift +als geoloog won het van de voorzichtigheid en oom Lidenbrock hoorde +mijne uitroepen. + +"Wat scheelt u toch?" zeide hij. + +"Zie eens!" antwoordde ik, hem de afwisseling van zand- en kalksteen +en de eerste kenteekenen der leigronden wijzende. + +"Welnu?" + +"Wij zijn in het tijdperk gekomen, waarin de eerste planten en dieren +verschenen!" + +"Denkt gij dat?" + +"Zie, onderzoek, neem zelf waar!" + +Ik dwong den professor om met zijne lamp langs de wanden der galerij +te gaan. Ik rekende op den een of anderen uitroep van hem. Maar in +plaats daarvan sprak hij geen woord en vervolgde zijn weg. + +Had hij mij al dan niet begrepen? Wilde hij ten gevolge van zijne +eigenliefde als oom en geleerde niet erkennen, dat hij zich bedrogen +had in de keus van den oostelijken tunnel, of stond hij er op om dien +weg tot het einde toe te onderzoeken? Het was duidelijk, dat wij den +weg van de lava hadden verlaten en dat dit pad niet naar den haard +van den Sneffels kon leiden. + +Toch vroeg ik mij af, of ik niet te veel gewicht hechtte aan deze +verandering van grond. Bedroog ik mij niet? Gingen wij wezenlijk door +steenlagen, die zich boven het massieve graniet bevinden? + +"Als ik gelijk heb," dacht ik, "moet ik eenige overblijfselen van +voorwereldlijke planten vinden en dan zal hij de waarheid niet langer +kunnen ontkennen. Ik wil zoeken." + +Ik was nog geen honderd schreden verder of onbetwistbare bewijzen +vertoonden zich aan mijn oog. Dat moest ook zoo wezen, want in +het silurische tijdvak bevatten de zeeën meer dan vijftien honderd +plant- en diersoorten. Mijne aan den harden lavagrond gewende voeten +betraden eensklaps een uit overblijfselen van planten en schelpen +bestaand stof. Op de wanden zag men duidelijk indrukken van zeewier +en wolfsklauw; professor Lidenbrock kon zich er niet in vergissen, +maar hij sloot, denk ik, zijne oogen en ging met vasten tred voort. + +Dit mocht wel heeten de stijfhoofdigheid tot het uiterste te +drijven. Ik kon het niet langer uithouden. Ik raapte eene ongeschondene +schelp op, die toebehoord had aan een dier, dat bijna geleek op de +tegenwoordige pissebed, voegde mij toen bij mijn oom en zeide: + +"Zie eens!" + +"Welnu," antwoordde hij bedaard, "dat is de schelp van een dier van +de uitgestorven orde der Triboliten. Anders niet." + +"Maar besluit gij daaruit niet?..." + +"Wat gij zelf er uit besluit? Ja zeker. Wij hebben de granietlaag en +den weg der lava verlaten. Het is mogelijk, dat ik mij vergist heb; +maar ik zal niet zeker zijn van mijne dwaling voor ik het einde dezer +galerij bereikt heb." + +"Gij hebt gelijk, dat gij zoo handelt, oom! en ik zou het zeer +goedkeuren, zoo wij geen hoe langer hoe dreigender gevaar te vreezen +hadden." + +"En dat is?" + +"Gebrek aan water." + +"Welnu! dan zullen wij ons op rantsoen stellen, Axel!" + + + + + + +HOOFDSTUK XX + + Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong + der steenkolen.--Vergeefsche tocht. + + +Wij moesten ons inderdaad op rantsoen stellen. Onze voorraad kon nog +maar drie dagen duren. Dat zag ik des avonds, toen wij gingen eten. En, +droevig vooruitzicht! wij hadden weinig hoop eenige waterbron te +ontmoeten in deze gronden van het overgangstijdperk. + +Den geheelen dag door vertoonde de galerij voor ons uit hare +eindelooze kruisbogen. Wij liepen zonder bijna een woord te spreken. De +stilzwijgendheid van Hans stak ons aan. + +De weg klom niet meer, ten minste niet merkbaar, soms scheen hij +zelfs te dalen. Maar deze niet zeer in het oog loopende neiging kon +den professor niet gerust stellen, want de aard der lagen veranderde +niet en het overgangstijdperk werd telkens duidelijker. + +Het electrische licht deed den schiefer, den kalksteen en de oude roode +zandsteenen der wanden prachtig vonkelen; men zou gemeend hebben zich +in eene geopende loopgraaf in het midden van Devonshire te bevinden, +dat zijn naam aan deze soort van gronden gaf. Prachtige marmerblokken +bekleedden de muren; sommige waren agaatkleurig grijs met witte grillig +zich slingerende aderen, andere inkarnaatkleurig of geel met roode +vlekken, verder zag men stalen van die donkerkleurige marmersoorten, +waartusschen de levendige verven van den kalksteen uitkwamen. + +De meeste dezer marmerblokken vertoonden indruksels van voorwereldlijke +dieren; maar sedert den vorigen avond had de schepping eene groote +schrede voorwaarts gedaan. In plaats van de onvolkomene Trilobiten +bemerkte ik overblijfsels eener volmaakte orde; o.a. Ganoïden [9] en +die Sauropteris, waarin het oog van den kenner der voorwereldlijke +organische schepping de eerste vormen van het kruipende dier heeft +weten te herkennen. De devonische zeeën werden bewoond door een groot +aantal dieren van die soort, die zij bij duizenden achterlieten op +de rotsen der nieuwe vorming. + +Het werd stellig zeker, dat wij de ladder van het dierlijke leven, +op wier hoogste sport de mensch staat, weder opklommen. Maar professor +Lidenbrock scheen er geen acht op te slaan. + +Hij verwachtte twee dingen: of dat een loodrechte put zich onder +zijne voeten opende en hem veroorloofde om weder te dalen, òf dat +een hinderpaal hem belette verder op dezen weg voort te gaan. Maar +het werd avond, zonder dat deze hoop vervuld werd. + +Des vrijdags, na een nacht waarin ik de kwellingen van den dorst +begon te gevoelen, drong onze kleine troep nog verder door op de +kronkelpaden der galerij. + +Na een tocht van tien uur bemerkte ik, dat de weerschijn onzer +lampen op de wanden sterk verminderde. Het marmer, de schiefer, +de kalksteen, de zandsteen der muren maakten plaats vooreen donker +en dof bekleedsel. Op een punt, waarop de tunnel zeer smal werd, +leunde ik tegen den wand. + +Toen ik mijne hand wegtrok, was zij pikzwart. Ik keek wat +nauwkeuriger. Wij waren in eene kolenlaag. + +"Een kolenmijn!" riep ik uit. + +"Een mijn zonder mijnwerkers", antwoordde mijn oom. + +"Wie weet?" + +"Ik weet het", antwoordde mijn oom kortaf, "en ik ben zeker dat deze +galerij niet door menschenhanden door deze kolenbeddingen gegraven +is. Maar het komt er weinig op aan, of het al dan niet het werk der +natuur is. De tijd voor het avondeten is gekomen. Laten wij gaan eten." + +Hans bereidde eenige spijzen. Ik at nauwelijks en dronk de weinige +droppelen water, die mijn rantsoen uitmaakten. De half gevulde +waterflesch van den gids was alles, wat er overbleef om den dorst +van drie menschen te stillen. + +Na hun maaltijd strekten mijne beide metgezellen zich op hunne +dekens uit en vonden zij in den slaap een herstellingsmiddel voor +hunne vermoeienissen. Ik echter kon niet en telde de uren tot den +morgenstond. + +Om zes uur des Zaterdags vertrokken wij weder. Twintig minuten later +kwamen wij aan een uitgestrekt hol; ik zag nu in, dat de hand des +menschen deze kolenmijn niet bewerkt kon hebben; anders zouden de +gewelven geschoord zijn, die nu slechts, als het ware, door een wonder +bleven staan. + +Deze soort van spelonk was honderd voet breed en honderd vijftig voet +hoog. De grond was met geweld vaneen gescheurd door eene onderaardsche +schudding. De stevige aardschors, voor den een of anderen hevigen +schok wijkende, was uit haar verband gerukt en had deze uitgestrekte +ledige ruimte achtergelaten, waarin aardbewoners voor de eerste +maal doordrongen. + +De geheele geschiedenis der steenkolenvorming was op deze donkere +wanden geschreven en een geoloog kon hare verschillende tijdperken +er gemakkelijk op volgen. De kolenbeddingen waren gescheiden, door +samengedrukte lagen zandsteen of klei, en als het ware verpletterd +door de bovenste lagen. + +In den tijd van het bestaan der aarde, die de secundaire vorming +voorafging, bedekte de aarde zich met een verbazenden plantengroei, +die zijn ontstaan te danken had aan de dubbele werking eener +keerkringswarmte en eener bestendige vochtigheid. Eene zee van dampen +omringde den geheelen aardbol en bedekte hem nog voor de stralen +der zon. + +Daaruit leidt men af, dat de hooge warmtegraad niet voortkwam uit +dezen nieuwen vuurhaard; misschien zelfs was de fakkel van den dag nog +niet geschikt om hare schitterende rol te spelen. De "luchtstreken" +bestonden nog niet, en eene verschroeiende hitte, die aan den evenaar +en de polen gelijk was, heerschte over de geheele oppervlakte van +den aardbol. Waaruit ontstond zij? Uit het binnenste van den bol. + +In spijt van de theoriën van professor Lidenbrock blaakte er een +geweldig vuur in de ingewanden van den langwerpig ronden bol; de +werking er van was voelbaar tot in de buitenste lagen der aardschors; +de planten, van de weldadige uitstralingen der zon beroofd, gaven +bloemen noch geuren, maar hare wortels putten een krachtig leven uit +de brandende gronden der eerste dagen. + +Er waren weinig boomen, alleen kruidachtige planten, verbazende +grasgewassen, varens, wolfsklauwen, zegel- en sterrenplanten, +zonderlinge familiën, wier soorten toen bij duizenden geteld werden. + +Aan dezen buitensporigen plantengroei heeft de steenkool juist haar +ontstaan te danken. De nog veerkrachtige aardschors gehoorzaamde aan +de bewegingen der vloeibare massa, die zij bedekte. Daaruit ontstonden +talrijke scheuren en verzakkingen; de planten onder het water bedolven +vormden allengs aanzienlijke ophoopingen. + +Toen kwam de scheikundige werking der natuur tusschen beiden; op den +bodem der zeeën werden de plantenmassaas eerst turf; later ondergingen +zij door den invloed der gassen en door de hitte der gisting eene +volkomene verandering in delfstoffen. + +Zoo ontstonden die onmetelijke kolenlagen, die zelfs na vele eeuwen +nog niet uitgeput zullen zijn door het verbruik van alle volken. + +Deze gedachten rezen bij mij op, toen ik den steenkolen-rijkdom, in dit +gedeelte der aarde opeengehoopt, beschouwde. Hij zal ongetwijfeld nooit +bloot komen. De bewerking dezer diepe mijnen zou te aanzienlijke offers +eischen. Waartoe zou het vooreerst ook noodig zijn, daar de steenkool +in vele landen, om zoo te zeggen, op de oppervlakte der aarde verspreid +is? In den toestand waarin ik deze onaangeroerde lagen zag, zullen +zij wellicht nog verkeeren, als het laatste uur der wereld slaat. + +Intusschen liepen wij door en ik alleen vergat de lengte van den +weg om mij te verdiepen in mijne geologische overpeinzingen. De +warmtegraad bleef dezelfde, als toen onze weg door lava en schiefer +leidde. Alleen werd mijn reukorgaan sterk geprikkeld door den geur van +koolwaterstofgas. Ik ontdekte terstond in deze galerij de aanwezigheid +van eene aanzienlijke hoeveelheid van die gevaarlijke luchtsoort, +waaraan de mijnwerkers den naam van "grisou" [10] gegeven hebben en +welker ontploffing zoo menigmaal ontzettende rampen heeft veroorzaakt. + +Gelukkig werden wij verlicht door de vernuftige toestellen van +Ruhmkorff. Zoo wij bij ongeluk deze galerij onvoorzichtig onderzocht +hadden met toortsen in de hand, dan zou eene verschrikkelijke +ontploffing een einde hebben gemaakt aan de reis, door de reizigers +te vernietigen. + +Dit uitstapje in de kolenmijn duurde tot den avond. Mijn oom bedwong +met moeite het ongeduld, dat de waterpasse richting van den weg hem +veroorzaakte. De op een afstand van twintig schreden ondoordringbare +duisternis belette de lengte van de galerij te schatten, en ik begon +reeds te denken, dat er geen einde aan zou komen, toen wij onverwacht, +te zes uur, voor een muur stonden. Rechts, links, omhoog, omlaag, +nergens was een uitgang. Wij waren aan het einde eener blinde straat. + +"Welnu, des te beter!" riep mijn oom, "nu weet ik ten minste, waaraan +ik mij te houden heb. Wij zijn niet op den weg van Saknussemm, en er +schiet ons niets anders over dan terug te keeren. Wij zullen een nacht +rust nemen en binnen drie dagen zullen wij het punt bereikt hebben, +waar de twee galerijen zich scheiden!" + +"Ja", zeide ik, "als wij er de kracht toe hebben!" + +"En waarom niet?" + +"Omdat morgen al het water op zal zijn." + +"En zal de moed u dan begeven?" sprak de professor, mij met een +strengen blik aanziende. + +Ik durfde hem niet antwoorden. + + + + + + +HOOFDSTUK XXI + + Gemoedsgesteldheid.--Opoffering van den professor.--Spanning. + --Columbus nagevolgd. + + +Den volgenden morgen zeer vroeg vertrokken wij. Wij moesten ons +haasten; want wij waren vijf dagreizen van den kruisweg af. + +Ik zal niet uitweiden over het lijden op onzen terugtocht. Mijn +oom verdroeg het met den toorn van een man, die gevoelt dat hij de +sterkste niet is; Hans met de lijdzaamheid van zijn onderworpen aard; +ik, gaarne beken ik het, morrende en wanhopende, daar ik mij niet +moedig tegen dit ongeval kon verzetten. + +Zooals ik voorzien had was het water geheel op tegen het einde van de +eerste dagreis; al onze drank bestond dus alleen uit jenever; maar dat +helsche vocht verbrandde de keel en ik kon er zelfs het gezicht niet +van verdragen. Ik vond de warmte verstikkend, de vermoeidheid verlamde +mij. Meer dan eens viel ik bijna bewegingloos neder. Dan hield men +halt; mijn oom en de IJslander brachten mij zoo goed mogelijk weder +bij. Maar ik zag reeds, dat de eerste zich met de grootste inspanning +verzette tegen de buitengewone vermoeidheid en de kwellingen, die uit +het gebrek aan water ontstonden. Op Dinsdag, den 8sten Juli, kwamen +wij eindelijk, op knieën en handen voortkruipende, halfdood bij het +vereenigingspunt der beide galerijen. Daar bleef ik als een levenlooze +klomp op den lavabodem liggen. Het was des morgens te tien uur. + +Hans en mijn oom poogden tegen den wand leunende aan eenige stukjes +beschuit te knabbelen. Lange zuchten kwamen over mijne gezwollene +lippen. Ik verviel in eene diepe bewusteloosheid. + +Na verloop van eenigen tijd naderde mijn oom mij en nam mij in +zijne armen. + +"Arm kind!" mompelde hij op den toon van innig medelijden. Ik werd door +die woorden getroffen, daar ik niet gewoon was aan de vriendelijkheid +van den norschen professor. Ik nam zijne bevende handen in de +mijnen. Hij liet mij begaan, terwijl hij mij aanzag. Zijne oogen +waren vochtig. + +Nu zag ik hem de waterflesch nemen, die aan zijne zijde hing. Tot mijne +groote verbazing bracht hij ze aan mijne lippen. "Drink!" zeide hij. + +Had ik goed verstaan? Was mijn oom gek? Ik zag hem met een verstompt +gelaat aan. Ik wilde hem niet begrijpen. "Drink!" herhaalde hij. + +En zijne waterflesch optillende ledigde hij ze geheel tusschen +mijne lippen. + +O, onuitsprekelijk genot! een enkele mondvol water bevochtigde mijn +brandend heeten mond, maar hij was voldoende om het reeds vluchtende +leven in mij terug te roepen. + +Ik dankte mijn oom met gevouwen handen. + +"Ja!" zeide hij, "een mondvol water! de laatste! hoort gij wel? de +laatste! Ik had hem zuinig bewaard op den bodem mijner flesch. Twintig, +honderdmaal heb ik de ontzettende begeerte om hem te drinken moeten +overwinnen! Maar neen, Axel! ik bewaarde hem voor u!" + +"Oom!" mompelde ik, terwijl groote tranen mijne oogen bevochtigden. + +"Ja, arm kind! ik wist dat gij bij uwe komst aan dezen kruisweg +half dood zoudt nedervallen, en ik heb mijne laatste droppelen water +gespaard om u weder bij te brengen." + +"Dank! dank!" riep ik. + +Hoewel mijn dorst nog niet geheel gestild was, had ik toch eenige +kracht herkregen. De tot nu toe samengetrokken keelspieren werden +ontspannen, de ontsteking mijner lippen was verzacht. Ik kon spreken. + +"Wij kunnen nu," zeide ik, "nog slechts één besluit nemen; wij hebben +gebrek aan water: wij moeten op onze schreden terugkeeren." + +Terwijl ik zoo sprak, zag mijn oom mij niet aan; hij boog zijn hoofd; +zijne blikken ontweken de mijnen. + +"Wij moeten terugkeeren," riep ik, "en den weg naar den Sneffels weder +inslaan. God schenke ons de noodige krachten om weder naar den rand +van den krater te klimmen!" + +"Terugkeeren!" zeide mijn oom op een toon, als of hij eerder zich +zelven dan mij antwoordde. + +"Ja, terugkeeren en wel zonder een oogenblik te verliezen." + +Nu volgde een vrij lang stilzwijgen. + +"Zoo hebben dan, Axel!" hernam de professor op een vreemden toon, "deze +enkele droppelen waters u geen moed en vastberadenheid geschonken?" + +"Moed!" + +"Ik zie u nog even ternedergeslagen als van te voren en nog spreekt +gij wanhopende taal!" + +Met welk een man had ik toch te doen en welke plannen vormde zijn +stoutmoedige geest nu nog? + +"Hoe! wilt gij dan niet?...." + +"Van deze onderneming afzien op het oogenblik, dat alles een goeden +uitslag voorspelt? Nooit!" + +"Moeten wij ons dan voorbereiden om te sterven?" + +"Neen, Axel! neen! vertrek. Ik wil uw dood niet! Laat Hans u +vergezellen. Laat mij alleen!" + +"U verlaten!" + +"Laat mij alleen, zeg ik u! Ik ben deze reis begonnen, ik zal haar +tot het einde volbrengen of niet terugkeeren. Ga heen, Axel, ga heen!" + +Mijn oom was, zoo sprekende, in een uiterst opgewonden toestand. Zijne +stem, die een oogenblik aangedaan was geweest, werd weder ruw en +dreigend. Hij worstelde met eene sombere geestkracht tegen het +onmogelijke! Ik wilde hem niet achterlaten op den bodem van dezen +afgrond, en aan den anderen kant spoorde de zucht tot zelfbehoud mij +aan om hem te ontvluchten. + +De gids woonde dit tooneel met zijne gewone onverschilligheid bij. Hij +begreep echter wel, wat er tusschen zijne beide reisgenooten plaats +had; onze gebaren wezen genoeg den verschillenden weg aan, waarop ieder +onzer den anderen trachtte mede te troonen; maar Hans scheen weinig +belang te stellen in de vraag, waarbij zijn leven op het spel stond; +hij was gereed om te vertrekken, als het sein daartoe werd gegeven, +gereed ook om te blijven, als zijn meester het verlangde. Had ik mij +nu maar verstaanbaar voor hem kunnen uitdrukken! Mijne woorden, mijne +zuchten, mijn toon zouden dit koele schepsel geroerd hebben. Die +gevaren, welke de gids niet scheen te vermoeden, zou ik hem aan +het verstand gebracht hebben en doen voelen en tasten. Met ons +beiden zouden wij misschien den stijf hoofdigen professor overtuigd +hebben. Des noods zouden wij hem gedwongen hebben om naar den top +van den Sneffels terug te keeren! + +Ik naderde Hans. Ik legde mijne hand op de zijne. Hij verroerde zich +niet. Ik wees hem den weg naar den krater. Hij bleef onbeweeglijk +staan. Mijn ontsteld gelaat drukte genoeg uit wat ik leed. De IJslander +schudde zacht het hoofd en heel bedaard op mijn oom wijzende, zeide +hij: "Master!" + +"De meester!" riep ik, "neen, zinnelooze! hij is geen meester over +uw leven! gij moet vluchten! gij moet hem medeslepen! hoort gij +mij? begrijpt gij mij?" + +Ik had Hans bij den arm genomen. Ik wilde hem dwingen om op te +staan. Ik worstelde met hem. Mijn oom kwam tusschen beiden. + +"Bedaar, Axel!" zeide hij. "Gij zult niets gedaan krijgen van dezen +koelbloedigen dienaar. Luister dus naar hetgeen ik u wil voorstellen." + +Ik sloeg de armen over elkaar en zag mijn oom stijf in het gezicht. + +"Gebrek aan water alleen," zeide hij, "legt een hinderpaal in den +weg aan de volvoering mijner plannen. In deze oostelijke galerij, +uit lava, schiefer en steenkolen bestaande, hebben wij geen enkelen +droppel vocht aangetroffen. Het is mogelijk, dat wij gelukkiger zullen +zijn, als wij den westelijken tunnel volgen. + +Ik schudde mijn hoofd met een zeer ongeloovig gelaat. + +"Hoor mij tot het einde toe aan," hernam de professor zijne stem +verheffende. "Terwijl gij daar bewusteloos laagt, ben ik de inrichting +dezer galerij gaan verkennen. Zij dringt rechtstreeks in de ingewanden +der aarde, en binnen weinige uren zal zij ons tot het massieve graniet +voeren. Daar moeten wij overvloedige bronnen aantreffen. De aard +der steensoort wil het zoo, en de hoop is het met de logica eens om +mijne overtuiging te ondersteunen. Ziehier nu wat ik u heb voor te +stellen. Toen Columbus drie dagen vroeg aan zijn scheepsvolk om nieuwe +landen te vinden, lieten zijne zieke en beangstigde schepelingen toch +recht wedervaren aan zijn verzoek en--hij heeft de nieuwe wereld +ontdekt. Ik, de Columbus dezer onderaardsche gewesten, vraag u nog +maar één dag. Als ik na verloop van dien tijd het ons ontbrekende +water nog niet aangetroffen heb, dan, ik zweer het u, zullen wij naar +de oppervlakte der aarde terugkeeren." + +In spijt van mijne verbittering was ik aangedaan door deze woorden en +door het geweld, dat mijn oom zich aandeed om zulk eene taal te voeren. + +"Welnu!" riep ik uit, "het geschiede zooals gij verlangt! Moge God +uwe bovenmenschelijke geestkracht beloonen! Stel het lot dan nog maar +eenige uren langer op de proef. Vooruit!" + + + + + + +HOOFDSTUK XXII + + Zeldzaam geologisch genot.--Verdwijning van Hans. + + +De nederdaling begon ditmaal weder door de nieuwe galerij. Hans +ging naar gewoonte vooruit. Wij waren nog geen honderd schreden ver, +of de professor, zijne lamp langs de muren bewegende, riep uit: + +"Ziedaar de oorspronkelijke gronden! wij zijn op den goeden +weg! voorwaarts! voorwaarts!" + +Toen de aarde in de eerste tijden van haar bestaan langzamerhand +afkoelde, veroorzaakte de vermindering van haren omvang in de schors +afwijkingen, scheuren, ineenkrimpingen, kloven. Deze gang was een +dergelijke barst, waardoor vroeger het uitgebraakte graniet wegvloeide; +zijne duizend kronkelingen vormden een hoogst verwarden doolhof door +den oorspronkelijken bodem. + +Naarmate wij daalden, vertoonde zich de opeenvolging der +oorspronkelijke lagen met meer duidelijkheid. De geologische +wetenschap beschouwt dezen oorspronkelijken grond als den grondslag +der delfstoffelijke schors en heeft bevonden, dat hij uit drie +verschillende lagen bestaat, den schiefer, het gneiss en den +mica-leisteen, rustende op die onwankelbare rotssoort, die men +graniet noemt. + +Nooit nog hadden delfstofkundigen in zulke vreemde omstandigheden +verkeerd om de natuur op de plaats zelve te bestudeeren. Wat de boor, +dat redelooze en onhandige werktuig, van het inwendige samenstel des +aardbols niet op zijne oppervlakte kan brengen, zouden wij met onze +oogen zien, met onze handen tasten. + +Door de heerlijk groen geschakeerde schieferlaag kronkelden +metaaladeren van koper, van manganesium, met eenige sporen van +platina en goud. Ik dacht aan die rijkdommen, in den schoot der +aarde bedolven, waarvan het hebzuchtig menschdom nooit eenig genot +zal hebben! De alleroudste omkeeringen hebben die schatten op zulk +eene diepte begraven, dat houweel noch breekijzer ze ooit aan hun +graf zullen kunnen ontrukken. + +Op den schiefer volgde het laagvormige gneiss, merkwaardig door de +regelmatigheid en evenwijdigheid der schilfers, dan de mica-leisteen, +die zich voordeed als groote platen, welke nog meer in het oog liepen +door het vonkelen van den witten mica. + +Het licht der toestellen, teruggekaatst door de kleine vlakken der +rotsachtige massa, schoot zijne stralen onder alle hoeken, en ik +verbeelde mij door een hollen diamant te reizen, waarin de stralen +op duizend verblindende wijzen braken. + +Tegen zes uur des avonds begon dit lichtfeest merkelijk te verminderen, +ja bijna op te houden: de wanden kregen een gekristalliseerd maar +somber voorkomen; de mica vermengde zich inniger met het veldspaath +en het kwarts om den rotssteen bij uitnemendheid, den hardsten steen +van allen te vormen, die, zonder er door verpletterd te worden, de +vier grondlagen van den aardbol draagt. Wij waren in de onmetelijke +gevangenis van graniet ingemetseld. + +Het was acht uur des avonds. Nog altijd ontbrak het aan water. Ik leed +verschrikkelijk. Mijn oom liep vooruit. Hij wilde niet stilstaan. Hij +spitste de ooren om het gemurmel eener beek te vernemen. Maar te +vergeefs! + +Mijne beenen wilden mij intusschen niet langer dragen. Ik verzette mij +tegen mijne pijnen om mijn oom niet te noodzaken stil te staan. Dat +zou voor hem een donderslag geweest zijn, want de dag, de laatste +die hem toebehoorde, spoedde ten einde. + +Eindelijk begaven mij mijne krachten; ik slaakte een kreet en +viel. "Help, help, ik sterf!" + +Mijn oom keerde terug. Hij zag mij aan met over elkander geslagen +armen; daarna kwamen deze doffe woorden over zijne lippen: "Alles +is uit!" + +Een verschrikkelijk toornig gebaar trof nog eens voor het laatst +mijne blikken en ik sloot mijne oogen. + +Toen ik ze weder opende, zag ik mijne beide reisgenooten onbeweeglijk +in hunne dekens gerold liggen. Sliepen zij? Ik kon geen oogenblik +slapen. Ik leed te veel, vooral door de gedachte, dat er geen herstel +voor mijne kwaal mogelijk was. De laatste woorden van mijn oom klonken +nog in mijn oor. + +"Alles was uit!" want in zulk een staat van zwakheid viel er niet +eens meer aan te denken om de oppervlakte der aarde weder te bereiken. + +De dikte der aardschors boven ons bedroeg anderhalf uur gaans! Mij +dacht, dat die massa met hare volle zwaarte op mijne schouders +rustte. Ik voelde mij verpletterd en putte mij uit in geweldige +pogingen om mij op mijne legerstede van graniet om te keeren. + +Eenige uren verliepen. Eene diepe stilte heerschte rondom ons, de +stilte des grafs. Geen geluid drong door die muren, waarvan de dunste +nog vijf mijl dik was. + +Toch meende ik in mijne verdooving eenig gerucht te hooren; net werd +donker in den tunnel. Ik zag oplettender toe en verbeeldde mij den +IJslander te zien verdwijnen met de lamp in de hand. + +Wat beduidde dat vertrek? Verliet Hans ons? Mijn oom sliep. Ik wilde +schreeuwen. Mijne stem kon geen uitweg vinden over mijne verdroogde +lippen. Het was stikdonker geworden en het laatste geluid stierf weg. + +"Hans verlaat ons! Hans! Hans!" + +Zoo riep ik in mijzelven. Mijne woorden gingen niet verder. Na het +eerste oogenblik van schrik schaamde ik mij echter over mijn argwaan +jegens een man, wiens gedrag tot nu toe volstrekt niet verdacht was +geweest. Zijn vertrek kon geenszins eene vlucht zijn. In plaats +van opwaarts ging hij de galerij af. Had hij slechte voornemens +gekoesterd, dan zou hij naar boven, niet naar beneden gegaan zijn. Deze +overweging bracht mij eenigszins tot bedaren en ik kwam tot nadere +gedachten. Alleen eene gewichtige reden kon Hans, dien bedaarden man, +aan zijne rust ontrukken. Ging hij op eene ontdekking uit? Had hij +in de stilte van den nacht eenig gemurmel gehoord, dat niet tot mijn +oor was doorgedrongen? + + + + + + +HOOFDSTUK XXIII + + Water in uitzicht.--Weder voorwaarts.--Zoekende.--Dorst + gelescht.--De beek een wegwijzer.--Rustige slaap. + + +Een uur lang overwoog ik in mijne ijlende hersenen al de redenen, +die den rustigen jager tot handelen hadden kunnen aansporen. De +ongerijmdste denkbeelden kruisten elkander in mijn hoofd. Ik dacht, +dat ik krankzinnig werd! + +Eindelijk klonk het geluid van voetstappen in de diepten van den +afgrond. Hans kwam terug. Het onzekere licht begon langs de wanden +te zweven en kwam vervolgens te voorschijn door de opening van den +gang. Hans verscheen. + +Hij naderde mijn oom, legde de hand op diens schouder en maakte hem +zachtjes wakker. Mijn oom stond op. + +"Wat is het?" zeide hij. + +"Vatten," antwoordde de jager. + +Ik geloof dat iedereen alle talen leert verstaan, als hij onder den +invloed van hevige pijnen is. Ik kende geen woord deensch en toch +begreep ik, uit instinct, het woord van onzen gids. + +"Water! water!" riep ik uit in de handen slaande en gebaren makende +als een krankzinnige. + +"Water!" herhaalde mijn oom. "Hvar?" vraagde hij den IJslander. + +"Nedat," antwoordde Hans. + +Waar? Daar omlaag! Ik begreep alles. Ik had de handen des jagers +gevat en drukte ze, terwijl hij mij bedaard aanzag. + +De toebereidselen tot het vertrek duurden niet lang en weldra gingen +wij eene gang af, die een helling had van twee voet per vaam. + +Een uur later hadden wij omtrent duizend vadem afgelegd en waren wij +twee duizend voet gedaald. + +Op dit oogenblik hoorden wij duidelijk een ongewoon geluid tegen +de zijden van den granietmuur, een soort van dof geloei, gelijk een +verwijderd onweder. Toen ik in het eerste half uur van onzen tocht de +aangekondigde bron niet aantrof, werd ik op nieuw door angst bevangen; +maar toen deelde mijn oom mij den oorsprong mede van het gedruisch, +dat wij hoorden. + +"Hans heeft zich niet bedrogen", zeide hij; "wat gij daar hoort is +het geloei van een stroom." + +"Van een stroom?" riep ik uit. + +"Er is geen twijfelen aan. Een onderaardsche stroom loopt om ons heen." + +Wij verhaastten onzen stap, door de hoop aangevuurd. Ik gevoelde geene +vermoeidheid meer. Het geraas van het murmelende water verkwikte mij +reeds; het werd hoe langer hoe duidelijker; na zich lang boven ons +hoofd bevonden te hebben liep de stroom nu, bruisend en huppelend, +langs den linkerzijwand. Ik streek gedurig mijne hand langs de rots, +hopende er sporen van doorzijpeling of vochtigheid op te vinden. Maar +te vergeefs. + +Er verliep nog een half uur. Wij gingen nog een half uur verder. + +Het werd nu duidelijk dat de jager in zijne afwezigheid zijne +nasporingen niet eens zoo ver had kunnen uitstrekken. Geleid door +een instinct, dat den bergbewoners en waterontdekkers eigen is, +"rook" hij dien stroom door den rotssteen heen, maar zeker had hij +het kostbare vocht niet gezien, zijn dorst er niet mede gelescht. +Weldra werd het zelfs ontwijfelbaar, dat wij zoo voortgaande ons van +den stroom zouden verwijderen, welks gemurmel begon te verminderen. + +Wij gingen dus denzelfden weg terug. Hans hield stil op de juiste plek, +waar de stroom het dichtsbij scheen te wezen. + +Ik ging bij den muur zitten, terwijl het water met groot geweld +slechts twee voet van mij af stroomde. Maar een muur van graniet +scheidde ons er nog van. + +Zonder na te denken, zonder mij af te vragen of er misschien niet +eenig middel bestond om zich dit water te verschaffen, verviel ik in +eene vlaag van wanhoop. + +Hans zag mij aan en ik meende een glimlach om zijn mond te zien spelen. + +Hij stond op en nam de lamp. Ik volgde hem. Hij wendde zich naar den +muur. Ik zag het aan. Hij legde zijn oor tegen den drogen steen en +ging er langzaam overheen, steeds nauwkeurig luisterende. Ik begreep, +das hij het juiste punt zocht, waar de stroom zich met meer geraas +deed hooren. Dit punt vond hij in den linkerzijwand, drie voet boven +den grond. + +Wat was ik aangedaan! Ik durfde niet gissen wat de jager wilde +doen. Maar ik moest hem wel begrijpen en toejuichen en liefkozen, +toen ik hem zijn breekijzer zag grijpen om de rots zelve aan te tasten. + +"Gered!" riep ik uit, "gered!" + +"Ja!" herhaalde mijn oom hartstochtelijk, "Hans heeft gelijk! O, +die brave jager! Dat zouden wij niet gevonden hebben!" + +Ik geloof het wel. Een zoodanig middel, hoe eenvoudig het ook ware, +zou ons niet in de gedachte gekomen zijn. Niets was gevaarlijker dan +een krachtige stoot tegen dit gebeente des aardbols. Hoe licht kon er +eene instorting plaats hebben, die ons verpletterde! Hoe licht kon +de stroom, zich een weg door de rots banende, ons medeslepen! Die +gevaren waren geenszins denkbeeldig; maar de vrees voor instorting +of overstrooming kon ons nu niet tegenhouden, en onze dorst was zoo +hevig, dat wij om hem te stillen zelfs in het bed van den oceaan +zouden gegraven hebben. + +Hans begon dat werk, dat mijn oom noch ik zouden volvoerd hebben. Daar +het ongeduld onze hand bestuurde. Zou de rots onder onze onbezonnen +slagen verbrijzeld zijn. De gids integendeel, bedaard en gematigd, +verdunde langzamerhand de rots door eene reeks van lichte, gedurig +herhaalde slagen, en maakte zoo eene opening van een halven voet +wijd. Ik hoorde het toenemende geraas van den stroom en meende reeds +te gevoelen, hoe het weldadige water mijne lippen bevochtigde. + +Weldra drong het breekijzer twee voet diep in den granietmuur; het +werk duurde reeds meer dan een uur; ik kromp ineen van ongeduld! Mijn +oom wilde tot groote middelen zijne toevlucht nemen. Ik had moeite +om hem tegen te houden. Reeds greep hij zijn breekijzer, toen zich +plotseling een gefluit deed hooren. Een waterstraal spoot uit den +muur tegen den anderen wand aan. + +Hans door den schok half omgeworpen, kon een kreet van pijn niet +bedwingen. Ik begreep waarom, toen ik, mijne handen in de vloeistof +stekende, op mijne beurt een geweldig geschreeuw aanhief: de bron +was kokend heet. + +"Water van honderd graad!" riep ik. + +"Welnu! het zal bekoelen", antwoordde mijn oom. + +De gang werd gevuld met damp, terwijl eene beek zich vormde en zich +in de onderaardsche kronkelingen verloor; kort daarna schepten wij +er onzen eersten mondvol uit. + +O! welk een genot! welk eene onuitsprekelijke zaligheid! Wat was dit +voor water? Van waar kwam het? Dat maakte niets uit. Het was water +en hoewel nog warm, riep het toch het bijna ontvlodene leven weder +terug. Ik dronk zonder ophouden, zelfs zonder te proeven. + +Eerst na een oogenblik van geneugte riep ik uit: + +"Het is ijzerhoudend water!" + +"Dat is uitmuntend voor de maag," antwoordde mijn oom, "en bevorderlijk +voor de mineraalvorming! Deze reis is zoo goed als eene naar Spa +of Töplitz!" + +"O! wat smaakt het lekker!" + +"Ik geloof het wel, het is ook water, dat twee uur gaans onder de +aarde geput is; het heeft een inktsmaak, die volstrekt niet onaangenaam +is. Hans heeft ons daar een opperbest hulpmiddel verschaft! Ook stel +ik voor om zijn naam te geven aan deze heilzame beek." + +"Goed!" riep ik. + +En de naam "Hans-beek" werd terstond aangenomen. + +Hans werd er niet trotscher om. Na zich heel matig verkwikt te hebben, +ging hij met zijne gewone kalmte in een hoek leunen. + +"Nu moeten wij," zeide ik, "dit water niet laten wegloopen." + +"Waarom niet?" antwoordde mijn oom, "ik houd het er voor, dat deze +bron nooit zal opdrogen." + +"Dat blijft hetzelfde! wij zullen den zak en de flesschen vullen en +dan de opening trachten te stoppen." + +Mijn raad werd gevolgd. Hans beproefde met brokjes graniet en werk het +in den wand gemaakte gat te dichten. Dat was niet gemakkelijk. Wij +brandden onze handen zonder er in te slagen; de persing was te +aanzienlijk en onze pogingen bleven vruchteloos. + +"Het is duidelijk," zeide ik, "dat de bekkens van dezen waterstroom +op eene aanzienlijke hoogte gelegen zijn, te oordeelen naar de kracht +van den straal." + +"Daar is geen twijfel aan," antwoordde mijn oom; "als deze +waterkolom twee en dertig duizend voet hoog is, ondergaat zij duizend +dampkringsdrukkingen. Maar daar schiet mij iets te binnen." + +"Wat dan?" + +"Waarom zouden wij er zoo stijf op blijven staan om deze opening +te stoppen?" + +"Wel, omdat...." + +Het zou mij moeielijk geweest zijn eene goede reden te vinden. + +"Zijn wij verzekerd, dat wij onze flesschen, als zij ledig zijn, +weder zullen kunnen vullen?" + +"Neen, zeker niet!" + +"Welnu! dan moesten wij dit water laten loopen: het zal natuurlijk +dalen en ons den weg wijzen en verkwikken te gelijk." + +"Dat is goed bedacht!" riep ik, "en met deze beek tot reisgenoot zie +ik niet in, waarom wij in onze plannen niet zouden slagen." + +"Komt gij eindelijk op de hoogte, mijn jongen?" zeide de professor +lachende. + +"Ik kom er niet, maar ben er reeds." + +"Wacht even! Wij zullen beginnen met eenige uren rust te nemen." + +Ik vergat waarlijk, dat het nacht was. De tijdmeter vertelde het mij +wel. Weldra sliepen wij allen rustig, nu wij behoorlijk verkwikt en +verfrischt waren. + + + + + + +HOOFDSTUK XXIV + + Te horizontaal.--Bijna loodrechte put.--Onder den Oceaan. + + +Den volgenden morgen hadden wij reeds al het uitgestane leed +vergeten. Ik verwonderde mij eerst, dat ik geen dorst meer had, en +vroeg naar de reden daarvan. De beek, die murmelend aan mijne voeten +stroomde, gaf mij het antwoord op die vraag. + +Wij ontbeten en dronken dat uitmuntende ijzerhoudende water. Ik +gevoelde mij geheel opgevroolijkt en vol ijver om verder te +gaan. Waarom zou een zoo innig overtuigd man als mijn oom, met een +schranderen gids, zooals Hans, en een "vastberaden" neef, zooals ik, +bij zich, niet slagen? Zulke mooie gedachten speelden mij in het +hoofd! Als men mij voorgesteld had om naar den top van den Sneffels +terug te keeren, zou ik het met verontwaardiging afgeslagen hebben. + +Maar er was gelukkig alleen sprake van dalen. + +"Laten wij vertrekken!" riep ik en deed door mijne tonen vol geestdrift +de oude echo's van den aardbol ontwaken. + +De tocht werd Donderdag morgen te acht uur hervat. De granieten +gang, zich in allerlei bochten kronkelende, vertoonde onverwachte +krommingen en bootste de verwikkeling van een doolhof na; maar zijne +hoofdrichting bleef toch altijd zuidoostelijk. Mijn oom raadpleegde +gedurig zeer oplettend zijn kompas om zich rekenschap te kunnen geven +van den doorloopen weg. + +De galerij liep bijna zuiver waterpas verder met hoogstens twee duim +helling per vadem. De murmelende beek stroomde langzaam, onder onze +voeten. Ik vergeleek haar met een vriendelijken geest, die ons door de +aarde geleidde, en met mijne hand streelde ik de vochtige stroomnimf, +die onze schreden met hare gezangen begeleidde. Mijne opgeruimdheid +nam gaarne eene mythologische wending. + +Wat mijn oom aangaat, hij, "de man der loodlijn," raasde geducht over +de waterpasse richting van den weg. Deze, verlengde zich tot in het +oneindige en in plaats van langs den straal der aarde voort te gaan, +zoo als hij het noemde, ging hij langs de schuine zijde. Maar wij +hadden geene keus, en zoo lang wij, al was het ook nog zoo weinig, +het middelpunt naderden, hadden wij geen recht om te klagen. + +Ook nam van tijd tot tijd de helling toe; de stroomnimf tuimelde +bruisende voort en wij daalden dieper met haar. + +Over het geheel legden wij dezen en den volgenden dag een groot +eind af in eene waterpasse richting, maar betrekkelijk weinig in +eene loodrechte. + +Vrijdag avond, den 10den Juli, waren wij naar onze berekening dertig +uur gaans ten zuidoosten van Reikiavik en op eene diepte van derdehalf +uur gaans. + +Nu opende zich een verschrikkelijke put voor onze voeten. Mijn oom +kon zich niet weerhouden om in de handen te klappen, toen hij de +steilte zijner helling berekende. + +"Die zal ons ver brengen," riep hij, "en gemakkelijk ook, want de +uitstekende punten der rots vormen eene ware trap." + +"Hans maakte de touwen behoorlijk vast om ongelukken te voorkomen. De +afdaling begon. Ik durf niet zeggen, dat zij gevaarlijk was, want ik +was reeds gewoon aan die halsbrekende oefeningen. + +Deze put was eene nauwe spleet in de vaste rots, van de soort die men +"faille" [11] noemt; het was duidelijk, dat zij ontstaan was door de +samentrekking van het gebeente der aarde, tijdens hare afkoeling. Als +zij vroeger tot een doorgang gediend had voor de gesmoltene stoffen +door den Sneffels uitgebraakt, kan ik mij niet verklaren, waarom er +geen spoor van was achtergebleven. Wij gingen langs eene soort van +wentelende schroef, die door menschenhanden vervaardigd scheen. Om +het kwartier moesten wij stilhouden om de noodige rust te nemen en +aan onze beenen hunne veerkracht terug te geven. Dan gingen wij met +afhangende beenen op eene uitstekende punt zitten, aten en praatten +en leschten onzen dorst aan de beek. + +Het spreekt van zelf, dat de Hans-beek, tot nadeel voor haren +omvang, een waterval in deze spleet vormde; maar zij was nog meer dan +toereikend om onzen dorst te stillen; ook kon het niet missen of zij +moest haren rustigen loop hernemen, zoodra de helling afnam. Op dit +oogenblik deed zij mij denken aan mijn waardigen oom, zijn ongeduld +en zijn toorn, terwijl zij door hare zachte hellingen het beeld was +van de kalmte des ijslandschen jagers. + +Den 6den en 7den Juli drongen wij, steeds de schroeflijnen dezer spleet +volgende, nog twee uur gaans dieper in de aardschors door, hetgeen +bijna vijf uur gaans onder het vlak der zee uitmaakte. Maar den 8sten, +tegen den middag, kreeg de spleet in de richting van het zuidoosten +eene veel zachtere helling van omstreeks vijf en veertig graad. + +De weg werd nu gemakkelijk en zeer eentonig. Het kon ook bezwaarlijk +anders. De veranderingen van het landschap konden de reis niet +afwisselen. + +Eindelijk waren wij op woensdag, den 15den, zeven uur gaans onder den +grond en omtrent vijftig uur gaans van den Sneffels af. Wij waren +wel een beetje vermoeid, maar onze gezondheid bleef bevredigend en +de reisapotheek was nog onaangeroerd. + +Mijn oom teekende van uur tot uur de aanwijzingen van het kompas, +van den tijdmeter, den luchtdichtheidsmeter en den thermometer op, +die hij later in het wetenschappelijk verhaal zijner reis heeft +opgenomen. Hij kon zich dus gemakkelijk rekenschap geven van zijn +toestand. Toen hij mij mededeelde, dat wij waterpas vijftig uur gaans +ver waren, kon ik een uitroep niet weerhouden. + +"Wat scheelt u toch?" vroeg hij. + +"Niets, ik maak slechts eene opmerking." + +"En die is, mijn jongen?" + +"Deze, dat als uwe berekeningen juist zijn, wij ons niet meer onder +IJsland bevinden." + +"Gelooft gij dat?" + +"Het is gemakkelijk om daarvan zekerheid te krijgen." + +Ik mat het met den passer op de kaart af. + +"Ik bedroog mij niet," zeide ik; "wij zijn kaap Portland voorbij en +die vijftig uur gaans naar het zuidoosten brengen ons in volle zee." + +"Onder de volle zee!" antwoordde mijn oom zich in de handen wrijvende. + +"Dan strekt," riep ik, "de oceaan zich boven ons hoofd uit!" + +"Maar, Axel! niets is eenvoudiger! Zijn er te Newcastle geene +steenkolenmijnen, die ver onder de golven voortloopen?" + +De professor mocht dit al eenvoudig vinden, maar de gedachte, dat ik +onder de watermassa voortliep, boezemde mij toch eenige ongerustheid +in. En evenwel, of de vlakten en bergen van IJsland, dan wel de +golven van den Atlantischen Oceaan zich boven ons bevonden, dat maakt +eigenlijk geen verschil, zoodra het gewelf van graniet slechts stevig +genoeg was. Overigens gewende ik mij spoedig aan die gedachte, want de +nu eens rechte dan weder kromme gang, in zijne hellingen even grillig +als in zijne kronkelingen, liep toch voortdurend naar het zuidoosten +en drong gedurig lager, zoodat hij ons spoedig op eene aanzienlijke +diepte bracht. + +Vier dagen later, Saterdag, den 18den Juli, kwamen wij des avonds +bij eene soort van vrij groote grot; mijn oom gaf Hans zijne drie +rijksdaalders weekhuur en er werd bepaald dat de volgende dag een +rustdag zijn zou. + + + + + + +HOOFDSTUK XXV + + Kalm vertrek.--Plaatsbepaling.--Heeft Humphry Davy gelijk? + --Dichtheid der lucht.--Lucht in vasten toestand. + + +Ik werd dus 's Zondags morgens wakker zonder die gejaagdheid, die +gewoonlijk gepaard gaat met een ophanden zijnd vertrek. En al was +het ook in den diepsten afgrond, zoo was het toch wel aangenaam. Ook +waren wij gewoon aan dat leven van holbewoners. Ik dacht niet meer +aan de zon, de sterren, de maan, de boomen, de huizen, de steden, +aan al die aardsche overtolligheden, die voor het ondermaansche wezen +eene behoefte geworden zijn. Als in de aarde begravenen lachten wij +wat met die nuttelooze wonderen. + +De grot vormde eene groote zaal; de getrouwe beek vloeide zachtjes +over haren bodem van graniet. Op zulk een afstand van zijne bron had +het water nog slechts den warmtegraad der omringende voorwerpen en +liet het zich zonder bezwaar drinken. + +Na het ontbijt wilde de professor eenige uren wijden aan het in orde +brengen zijner dagelijksche aanteekeningen. + +"Eerst," zeide hij, "zal ik eenige berekeningen maken, om mij te +vergewissen van de plaats, waar wij zijn; ik wil in staat zijn om +na onze terugkomst eene kaart van onze reis te teekenen, eene soort +van loodrechte doorsnede van den aardbol, die eene voorstelling van +onzen tocht zal geven." + +"Dat zal merkwaardig zijn, oom! maar zullen uwe waarnemingen een +voldoenden graad van nauwkeurigheid hebben?" + +"Ja! ik heb de hoeken en hellingen zorgvuldig opgeteekend; ik ben +zeker, dat ik mij niet zal bedriegen. Eerst wil ik zien, waar wij +zijn. Neem het kompas en zie, welke streek het wijst. + +Ik zag op het werktuig, en na een nauwlettend onderzoek antwoordde ik: + +"Oost-ten-zuiden." + +"Goed!" sprak de professor, terwijl hij de waarneming opschreef en +vlug eenige berekeningen maakte. "Ik besluit daaruit, dat wij van +ons uitgangspunt af vijf en tachtig uur gaans hebben afgelegd." + +"Dus reizen wij onder den Atlantischen Oceaan?" + +"Juist." + +"En misschien barst er op dit oogenblik een storm los en worden de +schepen boven ons hoofd door de golven en den orkaan geslingerd?" + +"Wel mogelijk!" + +"En beuken de walvisschen met hun staart de muren onzer gevangenis?" + +"Wees gerust, Axel! zij zullen haar niet doen schudden. Maar laten +wij onze berekeningen voortzetten. Wij zijn vijf en tachtig uur gaans +ten zuidoosten van den voet van den Sneffels, en volgens mijne vorige +aanteekeningen schat ik de bereikte diepte op zestien uur gaans." + +"Zestien uur gaans!" riep ik. + +"Zonder twijfel." + +"Maar dat is de uiterste grens, die de wetenschap heeft gesteld aan +de dikte der aardschors." + +"Ik ontken het niet." + +"En hier moest volgens de wet van de toeneming der warmte eene hitte +van vijftien honderd graad heerschen." + +"Moest, mijn jongen!" + +"En al dit graniet zou niet in een vasten toestand kunnen blijven, +maar zou moeten smelten." + +"Gij ziet, dat het zoo niet is, en dat de feiten, ouder gewoonte, +de theoriën logenstraffen." + +"Ik ben genoodzaakt het te erkennen, maar het verbaast mij toch." + +"Hoe staat de thermometer?" + +"Op zeven en twintig en zes tienden graad." + +"De geleerden hebben dus gelijk op veertien honderd twee en zeventig en +vier tienden graad na. Derhalve is de evenredige toeneming der warmte +eene dwaling. Derhalve heeft Humphry Davy zich niet vergist. Derhalve +heb ik geen ongelijk gehad hem te gelooven. Wat hebt gij hierop +te antwoorden?" + +"Niets." + +Inderdaad had ik heel wat kunnen zeggen. Ik nam de theorie van Davy +geenszins aan, ik hield het nog altijd met de inwendige warmte, +hoewel ik er de uitwerkselen niet van gevoelde. Ik nam veel liever +aan, dat deze schoorsteen van een uitgebranden vulkaan door de lava +met eene terugkaatsende korst bedekt, de warmte verhinderde zich door +zijne wanden voort te planten. + +Maar zonder mij te vermoeien met het zoeken van nieuwe bewijzen, +bepaalde ik er mij toe om den toestand te nemen, zooals hij was. + +"Oom!" hernam ik, "ik houd uwe berekeningen voor juist; maar veroorloof +mij er eene onbetwistbare gevolgtrekking uit af te leiden." + +"Ga gerust uw gang, mijn jongen!" + +"Ter plaatse waar wij thans zijn, onder de breedte van IJsland, +bedraagt de straal der aarde ten naasten bij vijftien honderd drie +en tachtig uur gaans?" + +"Vijftien honderd drie en tachtig en een derde uur gaans." + +"Wij zullen een rond getal van zestien honderd uur gaans nemen. Van +eene reis van zestien honderd uur gaans hebben wij er zestien achter +den rug." + +"Zooals gij zegt." + +"En dat na een weg van vijf en tachtig uur gaans geloopen te hebben?" + +"Juist!" + +"In ongeveer twintig dagen?" + +"In twintig dagen." + +"Nu, zestien uur gaans is het honderdste deel van den straal der +aarde. Als wij zoo voortgaan, zullen wij twee duizend dagen of bijna +vijf en een half jaar aan de nederdaling besteden!" + +De professor antwoordde niet. + +"Zonder nog te rekenen, dat als eene loodrechte lijn van zestien +uur gaans verkregen wordt door een waterpasse van tachtig, dit acht +duizend uur gaans naar het zuidoosten zal bedragen, en wij dus reeds +lang door een punt van den omtrek gegaan zullen zijn, voor wij het +middelpunt bereiken." + +"Loop naar den duivel met uwe berekeningen!" antwoordde mijn +oom met eene toornige beweging. "Loop naar den duivel met uwe +veronderstellingen! Waar berusten zij op? Wie zegt u, dat deze gang +niet rechtstreeks tot ons doel voert? Daarenboven heb ik een vroeger +geval voor mij. Wat ik thans doe heeft een ander reeds gedaan, en +waar hij geslaagd is, zal ik op mijne beurt slagen." + +"Ik hoop het, maar toch mag ik wel...." + +"Gij moogt zwijgen, Axel! wanneer gij zulke zotteklap wilt uitslaan." + +Ik zag wel, dat de verschrikkelijke professor weder uit de huid van +den oom dreigde te voorschijn te komen, en hield mij voor gewaarschuwd. + +"Raadpleeg nu," zeide hij, "den luchtdichtheidsmeter. Wat wijst +hij aan?" + +"Eene aanzienlijke drukking." + +"Goed. Gij ziet, dat wij door zachtjes te dalen ons langzamerhand aan +de dichtheid dezer dampkringslucht gewennen en er niet onder lijden." + +"Op wat oorpijn na." + +"Dat is niets. Dat onbehaaglijke gevoel kunt gij doen verdwijnen +door de buitenlucht snel in gemeenschap te brengen met de lucht in +uwe longen." + +"Zeer goed," antwoordde ik, vast besloten zijnde om mijn oom niet +verder tegen te spreken. "Het verwekt zelfs een waar genoegen, als +men zich zoo gedompeld voelt in dezen dichteren dampkring. Hebt gij +wel opgemerkt, met hoeveel kracht het geluid zich voortplant?" + +"Zonder twijfel. Een doove zou hier eindelijk opperbest gaan hooren." + +"Maar die kracht zal zeker nog toenemen?" + +"Ja, volgens eene vrij onbepaalde wet; het is waar, dat de +zwaartekracht verminderen zal, hoe lager wij komen. Gij weet, dat hare +werking zich het sterkst doet gevoelen aan de oppervlakte der aarde, +en dat de voorwerpen in het middelpunt van den aardbol geene zwaarte +meer hebben." + +"Ik weet het; maar zeg mij, zal deze lucht eindelijk niet de dichtheid +van het water krijgen?" + +"Zonder twijfel, onder eene drukking van zeven honderd en tien +dampkringen." + +"En lager?" + +"Lager zal die dichtheid nog toenemen." + +"Hoe zullen wij dan dalen?" + +"Dan zullen wij steenen in onze zakken stoppen." + +"Op mijne eer, oom! gij hebt voor alles een antwoord klaar." + +Ik durfde mij niet verder wagen op het veld der veronderstellingen, +want ik zou nogmaals gestooten hebben op de eene of andere +onmogelijkheid, die den professor razend zou gemaakt hebben. + +Het was echter duidelijk, dat de lucht onder eene drukking, die tot +duizenden dampkringen kon stijgen, eindelijk tot den vasten toestand +moest overgaan, en aangenomen zelfs dat onze lichamen dit konden +doorstaan, dan zouden wij toch de onderneming hebben moeten opgeven +in spijt van alle redeneeringen van de wereld. + +Maar ik kwam met dit bewijs niet voor den dag. Mijn oom zou mij weder +geantwoord hebben met den eeuwigen Saknussemm, een vroeger geval +zonder eenige waarde; want al hield men de reis van den geleerden +IJslander ook voor echt, zoo was er toch nog eene zeer eenvoudige +zaak tegen in te brengen, namelijk: + +In de zestiende eeuw waren de barometer en de luchtdichtheidsmeter +nog niet uitgevonden; hoe had Saknussemm dan kunnen bepalen, wanneer +hij het middelpunt van den aardbol had bereikt? + +Maar ik hield deze tegenwerping voor mij en wachtte de verdere +gebeurtenissen af. + +Het overige van den dag werd doorgebracht met rekenen en praten. Ik +beaamde altijd het gevoelen van professor Lidenbrock en benijdde +de volmaakte onverschilligheid van Hans, die zonder zoo naar +uitwerksels en oorzaken te zoeken, blindelings ging waar het noodlot +hem heenvoerde. + + + + + + +HOOFDSTUK XXVI + + Toenemende stilzwijgendheid.--Verdwaald. + + +Ik moet bekennen, dat alles tot nu toe goed ging, en het zou mij +leelijk gestaan hebben om te klagen. Als de "middelevenredige" der +bezwaren niet toenam, konden wij ons doel niet missen. En welk een +roem kon dat ons geven! Ik was reeds zoover, dat ik in vollen ernst +in den trant van Lidenbrock redeneerde. Vloeide dat voort uit de +vreemde middelstof, waarin ik leefde? Misschien. + +Eenige dagen lang voerden steiler hellingen, eenige zelfs +verschrikkelijk loodrecht, ons diep in het massieve binnenste der +aarde; op enkele dagen kwamen wij anderhalve à twee mijl dichter +bij het middelpunt. Het waren gevaarlijke nederdalingen, waarbij +de behendigheid en verbazende koelbloedigheid van Hans ons zeer +te pas kwamen. Deze ongevoelige IJslander offerde zich met eene +onbegrijpelijke onversaagdheid op, en door hem overwonnen wij menige +moeielijkheid, die wij alleen niet te boven gekomen zouden zijn. + +Zijne stilzwijgendheid werd van dag tot dag erger. Ik geloof zelfs, dat +zij ons ook aanstak. De omringende voorwerpen hebben een wezenlijken +invloed op de hersenen. Wie zich tusschen vier muren opsluit, verliest +eindelijk het vermogen om gedachten en woorden te verbinden. Hoe vele +cellulair-gevangenen zijn, zooal niet krankzinnig dan toch kindsch +geworden uit gebrek aan oefening van het denkvermogen! + +In de twee weken, die op ons laatste gesprek volgden, had er niets +plaats der vermelding waardig. Ik herinner mij alleen nog, en niet +zonder reden, een zeer ernstig voorval. Het zou mij moeielijk vallen +om er de geringste omstandigheid van te vergeten. + +Den 7den Augustus hadden onze achtereenvolgende nederdalingen ons +op eene diepte van dertig uur gaans gebracht; dat wil zeggen, dat er +boven ons hoofd dertig uur gaans rotsen, oceaan, vasteland en steden +lagen. Wij moesten nu twee honderd uur gaans van IJsland af zijn. + +Dien dag had de tunnel slechts eene geringe helling. + +Ik liep vooruit; mijn oom droeg één der beide toestellen van Ruhmkorff, +ik den anderen. Ik onderzocht de lagen graniet. + +Eensklaps bespeurde ik, toen ik mij omkeerde, dat ik alleen was. + +"Goed," dacht ik, "ik heb te hard geloopen, of Hans en mijn oom hebben +zich onderweg opgehouden. Kom, ik ga ze opzoeken. Gelukkig stijgt de +weg merkbaar." + +Ik keerde terug. Ik liep een kwartier uurs door. Ik zag rond, maar +bespeurde niemand. Ik riep, maar kreeg geen antwoord. Mijne stem +verloor zich in de echo's der holen, die zij plotseling opwekte. + +Ik begon ongerust te worden. Eene rilling liep mij over de leden. + +"Bedaard toch!" zeide ik hardop. "Ik ben zeker, dat ik mijne makkers +terug zal vinden. Er zijn geen twee wegen. Daar ik vooruit was, +moet ik achterwaarts gaan." + +Ik ging nog een half uur ver opwaarts. Ik luisterde of ik ook geroepen +werd, en in dezen dichten dampkring kon het geluid van verre tot mij +komen. Eene buitengewone stilte heerschte in de onmetelijke galerij. + +Ik bleef staan. Ik kon niet gelooven, dat ik alleen was. Ik wilde +wel verdwaald zijn, maar niet verloren. Als men verdwaald is, kan +men elkaar terug vinden. + +"Laat eens zien," herhaalde ik, "daar er slechts één weg is, dien +zij volgen, moet ik weder bij hen komen. Het is genoeg, als ik nog +hooger op ga. Ten minste als zij, mij niet vindende en vergetende +dat ik vooruit was, niet op de gedachte gekomen zijn om achteruit te +gaan. Welnu! zelfs in dit geval zal ik, als ik mij haast, hen terug +vinden. Dat is duidelijk!" + +Ik herhaalde deze laatste woorden als iemand, die niet overtuigd +is van hetgeen hij zegt. Bovendien duurde het lang voor ik zulke +eenvoudige gedachten had kunnen samenvoegen en uiten onder den vorm +eener redeneering. + +Eene bange twijfeling bekroop mij nu. Was ik wel vooruit? Zeker. Hans +volgde mij en ging mijn oom voor. Hij had zelfs eenige oogenblikken +stil gestaan om zijne bagage op zijn schouder vast te binden. Deze +omstandigheid schoot mij weder te binnen. Juist op dat oogenblik had +ik mijn weg vervolgd. + +"Bovendien," dacht ik, "heb ik een zeker middel om niet te verdwalen, +een draad om mij in dezen doolhof tot gids te strekken en die niet +breken kan, mijne getrouwe beek. Ik behoef haren loop opwaarts slechts +te volgen en dan moet ik noodzakelijk de sporen mijner makkers terug +vinden." + +Deze gedachte bemoedigde mij weder en ik besloot zonder tijdsverzuim +weder op weg te gaan. + +Hoe dankbaar was ik nu voor de voorzorg mijns ooms, toen hij den +jager belette de spleet in den granietwand gemaakt te stoppen! Zoo zou +dan die weldadige bron, na onderweg onzen dorst gelescht te hebben, +mij nu geleiden door de kronkelingen der aardschors. + +Ik meende, dat eene wassching mij goed zou doen, voor ik verder ging. + +Daarom bukte ik mij om mijn voorhoofd te dompelen in het water der +Hans-beek. + +Men oordeele over mijne ontsteltenis! + +Ik raakte het droge en hobbelige graniet aan! De beek stroomde niet +meer onder mijne voeten! + + + + + + +HOOFDSTUK XXVII + + Levend begraven.--Splitsing der galerij.--Bede tot God.--In + de zwarte duisternis. + + +Ik kan mijne wanhoop niet schetsen; geen woord uit de menschelijke +taal kan wedergeven, wat ik gevoelde. + +Ik was levend begraven met het vooruitzicht van te bezwijken onder +de kwellingen van honger en dorst. + +Werktuiglijk streek ik mijne gloeiende handen over den grond. Hoe +uitgedroogd scheen die rots mij toe! + +Maar hoe had ik dan toch den loop der beek verlaten? Want zij was er in +allen gevalle niet meer! Ik besefte nu de oorzaak van die zonderlinge +stilte, toen ik voor de laatste maal luisterde of geen geroep mijner +makkers tot mijn oor zou doordringen. Dus had ik van het oogenblik af, +dat ik mijne eerste schrede op dien dwaalweg zette, het afwezen der +beek niet opgemerkt. Het is duidelijk, dat zich op dat oogenblik de +galerij in tweeën splitste; terwijl de Hansbeek, eene andere helling +volgende, zich met mijne makkers naar onbekende diepten begaf! + +Hoe zou ik terugkeeren? Geene sporen waren zichtbaar. Mijn voet liet +geen indruk op dat graniet achter. Ik brak mijn hoofd met het zoeken +naar de oplossing van dit onoplosbare vraagstuk. Mijn toestand kon +uitgedrukt worden door het enkele woord: verloren! + +Ja! verloren in eene diepte, die mij onmeetbaar toescheen! Die dertig +uren aardschors drukten met eene verschrikkelijke zwaarte op mijne +schouders! Ik gevoelde mij verpletterd. + +Ik beproefde mijne denkbeelden weder op aardsche zaken te leiden. Met +moeite slaagde ik er in. Hamburg, het huis in de Koningstraat, mijn +arme Gräuben, de geheele wereld, waaronder ik verdwaald was, alles +ging in een oogwenk voorbij in mijne verwarde herinneringen. Ik +zag in eene levendige zinsbegoocheling de voorvallen op de reis, +den overtocht, IJsland, den heer Fridriksson, den Sneffels terug! Ik +zeide tot mijzelven, dat als ik in mijn toestand nog slechts eene +schaduw van hoop behield, dit een teeken van dwaasheid zijn zou en +dat het beter was te wanhopen! + +Inderdaad, welke menschelijke macht kon mij op de oppervlakte van +den aardbol terug brengen en die verbazende gewelven scheiden, die +zich boven mijn hoofd opeen stapelden? Wie kon mij op den rechten +weg terug brengen en met mijne reisgezellen vereenigen? + +"O, oom!" riep ik op wanhopenden toon. + +Het was het eenige woord van verwijt, dat over mijne lippen kwam; +want ik besefte, wat de ongelukkige man moest lijden, als hij mij op +zijne beurt zocht. + +Toen ik mij zoo van alle menschelijke hulp verstoken en in de +onmogelijkheid zag om iets tot mijn redding te beproeven, dacht ik aan +hemelschen bijstand. De herinneringen mijner kindsheid, die mijner +moeder, die ik slechts in mijne prilste jeugd gekend had, kwamen in +mijn geheugen terug. Ik nam mijn toevlucht tot het gebed, hoe weinig +recht ik ook had om te verwachten, dat ik gehoord zou worden door God, +tot Wien ik mij zoo laat wendde, en riep Hem vurig aan. + +Dat opzien tot de Voorzienigheid maakte mij een weinig bedaarder en +ik kon nu al de krachten van mijn verstand op mijn toestand vereenigen. + +Ik had voor drie dagen levensmiddelen en mijne flesch was vol. Evenwel +kon ik niet langer alleen blijven. Maar moest ik stijgen of dalen? + +Natuurlijk stijgen! altijd stijgen! + +Zoo moest ik op het punt komen, waar ik de bron had verlaten, bij de +noodlottige splitsing. Was ik eens daar en had ik de beek onder mijne +voeten, dan kon ik altijd weder den top van den Sneffels bereiken. + +Dat ik daaraan niet vroeger gedacht had! Het bood toch altijd nog +eene vrij zekere kans op redding aan. Het was dus in de allereerste +plaats noodig om den loop der Hans-beek terug te vinden. + +Ik stond op, en leunende op mijn met ijzer beslagen stok ging ik +weder naar het boveneinde der galerij. Hare helling was vrij steil. Ik +liep vol moed en onbeschroomd voort, als iemand die geene keus heeft +betreffende den weg, dien hij moet volgen. + +Een half uur lang ontmoette ik geene hinderpalen. Ik beproefde den +weg te herkennen aan den vorm des tunnels, aan de uitstekende punten +van sommige rotsen, aan het voorkomen der kromten. Maar geen bijzonder +teeken trof mijn geest, en ik bespeurde weldra, dat deze galerij mij +niet op de plaats van splitsing terug kon brengen. Zij was zonder +uitgang. Ik werd gestuit door een ondoordringbaren muur en viel op +den grond. + +Ik kan niet beschrijven door welk een schrik, door welk eene wanhoop ik +nu werd aangegrepen. Ik was als vernietigd. Mijne hoop was verbrijzeld +tegen dezen muur van graniet. + +Verloren in dezen doolhof, welks kronkelpaden elkander in alle +richtingen kruisten, was het nutteloos eene onmogelijke vlucht te +beproeven! Ik moest den verschrikkelijksten dood sterven! En, vreemde +zaak! de gedachte rees bij mij op, dat als mijn versteend lichaam +eens opgedolven werd, het vinden daarvan op eene diepte van dertig +uur gaans aanleiding zou geven tot ernstige wetenschappelijke vragen! + +Ik wilde hardop spreken, maar alleen schorre tonen kwamen over mijne +verdroogde lippen. Ik hijgde naar adem. + +Te midden van dezen angst maakte zich een nieuwe schrik van mijn +geest meester. Mijne lamp was door den val beschadigd. Het ontbrak +mij aan de middelen om haar te herstellen. Haar licht verflauwde en +zou spoedig uitgaan. + +Ik zag, hoe de lichtgevende stroom in de slang van den toestel +afnam. Een processie van zwevende schaduwen ging langs de verduisterde +wanden. Ik durfde mijne oogen niet sluiten, uit vreeze van het +geringste deeltje van dit wegstervende schijnsel te missen! Ieder +oogenblik meende ik, dat het geheel zou verdwijnen en dat "de zwarte +duisternis" mij omhulde. + +Eindelijk flikkerde de laatste lichtstraal in de lamp. Ik volgde hem, +ik oogde hem na, ik vereenigde op hem al de macht mijner oogen, als +op de laatste gewaarwording van licht, die het hun gegeven zou zijn +te ondervinden, en ik bleef gedompeld in de allerakeligste duisternis. + +Welk een ijselijke kreet ontsnapte mij! Op aarde verliest het licht, +zelfs in den donkersten nacht, nooit geheel zijne rechten; het is +verstrooid, het is fijn; maar hoe weinig er ook van moge overblijven, +toch wordt het eindelijk nog door het netvlies opgevangen! Hier +niets. De volstrekte duisternis maakte mij tot een blinde in den +volsten zin des woords. + +Nu werd ik geheel radeloos. Ik stond op, stak de armen vooruit en +trachtte rond te tasten, hetgeen mij telkens veel pijn veroorzaakte; +ik begon te vluchten, liep in den blinde rond door dien verwarden +doolhof, daalde aanhoudend, liep door de aardschors gelijk een bewoner +der onderaardsche mijngangen, riep, schreeuwde, huilde, kwetste mij +spoedig aan de uitstekende rotspunten, viel en stond bebloed weder op, +trachtte het bloed te drinken, dat mijn gelaat bevochtigde, en wachtte +onophoudelijk dat de eene of andere onvoorziene muur een hinderpaal +zou opleveren, waartegen ik mijn hoofd moest verpletteren. + +Waarheen voerde mij die zinnelooze loop? Ik zal het nooit te weten +komen. Na verloop van verscheiden uren viel ik, zonder twijfel door +volslagen verlies van krachten, als een levenlooze klomp zoo lang ik +was op den' grond en verloor alle bewustheid van mijn bestaan! + + + + + + +HOOFDSTUK XXVIII + + Een geraas!--Het geluid van woorden.--Förlorad.--Gemeenschap. + --Gesprek op anderhalf uur gaans.--Bemoediging.--Bewusteloos + neergeploft. + + +Toen ik weder bijkwam, was mijn gelaat vochtig, maar van tranen. Hoe +lang die gevoelloosheid geduurd had, kan ik niet zeggen. Ik bezat +geen middel meer om den tijd te berekenen. Nooit was eene verlatenheid +zoo volkomen! + +Na mijn val had ik veel bloed verloren. Ik baadde er in! Ach! wat speet +het mij, dat ik niet dood was "en dat het nog terecht kon komen!" Ik +wilde niet meer denken. Ik verdreef alle gedachten en door de smart +overwonnen, rolde ik mij naar den anderen wand. + +Reeds voelde ik de bezwijming terug komen, en met haar mijn laatste +uur, toen een hevig geraas mijn oor trof. Het geleek op het gerommel +van den donder, en ik hoorde de geluidsgolven langzaam wegsterven in +de verwijderde diepten van den afgrond. + +Van waar dat geraas? zeker van het eene of andere natuurverschijnsel, +dat in den schoot der aarde plaats had. De ontploffing eener gassoort +of de val van eene zware laag van den aardbol. + +Ik bleef luisteren. Ik wilde weten, of dit geraas herhaald zou +worden. Een kwartier uurs verliep. Er heerschte stilte in de +galerij. Ik hoorde zelfs het kloppen van mijn hart niet meer. + +Eensklaps verbeeldde ik mij, dat mijn oor, hetwelk toevallig tegen +den muur lag, onduidelijke, onverstaanbare, verwijderde woorden +opving. Ik beefde. + +"Het is verbeelding!" dacht ik. + +Maar neen. Oplettender luisterende, hoorde ik wezenlijk een gemompel +van stemmen. Maar mijne zwakheid liet niet toe, dat ik begreep, +wat er gezegd werd. Toch sprak men. Ik was er zeker van. + +Ik koesterde een oogenblik de vrees, dat het mijne eigene woorden +mochten zijn, die de echo herhaalde. Misschien had ik geroepen zonder +het te weten? Ik sloot mijne lippen stijf op elkander en legde op +nieuw mijn oor tegen den wand. + +"Ja, zeker, men spreekt! men spreekt!" + +Nadat ik eenige voeten verder langs den muur voortgekropen was, +hoorde ik duidelijker. Het gelukte mij eenige onzekere, zonderlinge, +onbegrijpelijke woorden op te vangen. Het scheen mij toe, alsof die +woorden slechts zachtjes, om zoo te zeggen mompelende gesproken +werden! Het woord "förlorad" werd meermalen herhaald op een toon +van smart. + +Wat beteekende het? Wie sprak het uit? Ongetwijfeld mijn oom of +Hans. Maar als ik hen hoorde, konden zij mij ook hooren. + +Ik riep dus zoo hard ik kon: "Help! Help!" + +Ik luisterde, ik loerde in de duisternis op een antwoord, een schreeuw, +een zucht. Niets liet zich hooren. Eenige minuten gingen voorbij. Eene +geheele wereld van gedachten was in mijn geest ontstaan. Ik dacht, +dat mijne verzwakte stem niet tot mijne reisgezellen kon doordringen. + +"Want zij zijn het," herhaalde ik. "Wie anders dan zij zouden dertig +uur gaans onder den grond begraven zijn?" + +Ik begon weder te luisteren. Met mijn oor langs den wand gaande +vond ik een meetkunstig punt, waar de stemmen haren hoogsten graad +van sterkte schenen te bereiken. Het woord "förlorad" kwam weder in +mijn oor, daarna dat gerommel van den donder, waardoor ik uit mijne +verdooving was gewekt. + +"Neen," zeide ik, "neen! Die stemmen doen zich niet hooren door de +vaste stof heen. De wand bestaat uit graniet, hij zou de sterkste +losbranding niet doorlaten. Dat geraas komt uit deze zelfde +galerij! Hier moet een zeer buitengewoon uitwerksel van het geluid +plaats hebben!" + +Ik luisterde weder en ditmaal, ja! ditmaal hoorde ik mijn naam +duidelijk door de ruimte roepen! + +Het was mijn oom, die hem uitsprak! Hij sprak met den gids, en het +woord "förlorad" was een deensch woord. + +Nu begreep ik alles. Om mij te doen verstaan moest ik juist langs dezen +muur spreken, die mijne stem zou geleiden, gelijk de metaaldraad de +electriciteit geleidt. + +Maar ik had geen tijd te verliezen. Als mijne makkers zich slechts +eenige schreden verwijderden, dan was het verschijnsel van het geluid +verdwenen. Ik naderde dus den muur en sprak zoo duidelijk mogelijk +deze woorden: "Oom Lidenbrock!" + +Ik luisterde met een levendigen angst. Het geluid heeft geene +buitengewone snelheid. De dichtheid der luchtlagen vermeerdert zelfs +zijne snelheid niet, zij vermeerdert slechts zijne kracht. Eenige +seconden, die zoo vele eeuwen schenen, verliepen en eindelijk bereikten +deze woorden mijn oor: + +"Axel! Axel!, zijt gij het?" + +-- -- -- + +"Ja! ja!" antwoordde ik. + +-- -- -- + +"Arm kind! waar zijt gij?" + +-- -- -- + +"Verloren, in de zwartste duisternis!" + +-- -- -- + +"Maar uwe lamp?" + +-- -- -- + +"Is uit." + +-- -- -- + +"En de beek?" + +-- -- -- + +"Is verdwenen." + +-- -- -- + +"Axel! arme Axel! vat moed!" + +-- -- -- + +"Wacht even, ik ben uitgeput; ik heb geene kracht meer om te +antwoorden. Maar spreek gij!" + +-- -- -- + +"Houd moed," hernam mijn oom, "spreek niet; luister naar mij. Wij +zijn de galerij op en af gegaan om u te zoeken. Maar het was +onmogelijk om u te vinden. Ach! wat heb ik u beweend, mijn kind! In +de veronderstelling dat gij den weg der Hans-beek volgdet, zijn wij +weder onder het lossen van geweerschoten benedenwaarts gegaan. En nu, +al kunnen onzen stemmen zich vereenigen door een uitwerksel van het +geluid, zoo kunnen onze handen zich toch nog niet vereenigen! Maar +wanhoop niet, Axel! Het is reeds iets als men elkaar verstaan kan." + +-- -- -- + +Intusschen had ik nagedacht. Eene zekere, nog onbestemde hoop werd +weder levendig in mijn hart. In de allereerste plaats stelde ik er +belang in om één ding te weten. Ik legde dus mijn mond tegen den muur +en zeide: "Oom?" + +-- -- -- + +"Kind?" werd mij na eenige oogenblikken geantwoord. + +-- -- -- + +"Wij moeten eerst weten welke afstand ons scheidt." + +-- -- -- + + "Dat is gemakkelijk." + +-- -- -- + +"Hebt gij uw tijdmeter bij u?" + +-- -- -- + +"Ja!" + +-- -- -- + +"Welnu, neem hem. Spreek mijn naam uit en geef nauwkeurig acht op +de seconde, waarin gij spreekt. Ik zal hem herhalen, en gij zult ook +het juiste oogenblik waarnemen, waarop mijn antwoord tot u komt." + +-- -- -- + +"Goed! en de helft van den tijd, die tusschen mijne vraag en uw +antwoord zal verloopen, zal den tijd aanwijzen, dien mijne stem noodig +heeft om tot u te komen." + +-- -- -- + +"Zoo is het, oom!" + +-- -- -- + +"Zijt gij gereed?" + +-- -- -- + +"Ja!" + +-- -- -- + +"Welnu! geef acht! ik zal uw naam uitspreken." + +-- -- -- + +Ik leg mijn oor tegen den wand, en zoodra het woord "Axel" mij +bereikte, antwoordde ik onmiddelijk "Axel" en wachtte. + +-- -- -- + +"Veertig seconden," zeide nu mijn oom; "er zijn veertig seconden +tusschen de beide woorden verloopen; het geluid besteedt dus twintig +seconden om den afstand tusschen ons te doorloopen. Berekend op +duizend en twintig voet per seconde, maakt het twintig duizend vier +honderd voet uit of één en vijf achtste uur gaans." + +-- -- -- + +"Ruim anderhalf uur gaans!" klaagde ik. + +-- -- -- + +"Welnu! daar is overkomen aan, Axel!" + +-- -- -- + +"Maar moet ik stijgen of dalen?" + +-- -- -- + +"Dalen, en wel om deze reden. Wij zijn in eene uitgestrekte ruimte +aangekomen, waarop een groot aantal galerijen uitloopen. Die welke +gij gevolgd hebt, moet er u stellig heenbrengen, want het schijnt, +dat al die spieten en scheuren van den bol als stralen uitgaan van +het onmetelijke hol, waarin wij ons bevinden. Sta dus op en ga weder +op weg; loop, kruip, als het zijn moet, glijd van de steile hellingen +af en gij zult onze armen gereed vinden om u aan het einde van den +weg op te vangen. Op weg, mijn kind! op weg!" + +-- -- -- + +Die woorden bemoedigden mij weder. + +"Vaarwel, oom!" riep ik, "ik vertrek. Onze stemmen kunnen de +gemeenschap niet langer onderhouden, zoodra ik deze plaats heb +verlaten. Vaarwel dan!" + +-- -- -- + +"Tot weerziens, Axel! tot weerziens!" + +-- -- -- + +Dit waren de laatste woorden, die ik hoorde. Dit vreemde gesprek, +gevoerd door de dichte massa der aarde heen, terwijl de sprekers meer +dan een uur gaans van elkander verwijderd waren, eindigde met die +vertroostende woorden. Ik zond een dankgebed tot God op, want Hij had +mij door de duisternis heen naar het eenige punt misschien gevoerd, +waar de stem mijner makkers mij kon bereiken. + +Dit zeer verbazende uitwerksel van het geluid kon gemakkelijk +verklaard worden door natuurkundige wetten; het was een gevolg van +de gedaante van den gang en het geleidend vermogen der rots; er +zijn meer voorbeelden van die voortplanting van geluiden, die voor +tusschengelegen punten onmerkbaar zijn. Ik herinnerde mij, dat dit +verschijnsel op vele plaatsen wordt waargenomen, o.a. op de binnenste +galerij van den koepel der St. Paulskerk te Londen en vooral onder de +merkwaardige holen op Sicilië in de onderaardsche steengroefkerkers +bij Syracuse gelegen, waarvan de zonderlingste van dien aard bekend +is onder den naam van het oor van Dionysius. + +Dit alles herinnerde ik mij en ik zag duidelijk in, dat daar de stem +van mijn oom tot mij kwam, geen hinderpaal tusschen ons bestond. Den +weg van het geluid volgende moest ik er stellig ook komen, zoo de +krachten mij onderweg niet begaven. + +Ik stond dus op. Ik kroop meer dan ik liep. De helling was nog al +steil; ik liet mij afglijden. + +Weldra nam de snelheid mijner nederdaling op eene vrees inboezemende +wijze toe en dreigde op een val te gaan gelijken. Ik had de kracht +niet meer om mij op te houden. + +Eensklaps voelde ik geen grond meer. Ik rolde, telkens opspringende, +langs de oneffenheden van eene loodrechte galerij, een waren put; mijn +hoofd sloeg tegen een scherp rotspunt en ik geraakte buiten kennis. + + + + + + +HOOFDSTUK XXIX + + Ontwaken van Axel.--Was hij krankzinnig?--De grot verlaten. + + +Toen ik weder bijkwam, lag ik in een half donker op dikke dekens. Mijn +oom waakte en zocht op mijn gelaat naar eenig teeken van leven. Bij +mijn eersten zucht greep hij mijne hand, bij mijn eersten oogopslag +slaakte hij een vreugdekreet. + +"Hij leeft! hij leeft!" riep hij. + +"Ja!" antwoordde ik met eene zwakke stem. + +"Mijn kind!" zeide mijn oom mij aan zijn hart drukkende, "nu zijt +gij gered!" + +Ik was levendig getroffen door den toon, waarop die woorden werden +gesproken en nog meer door de zorgen, die er mede gepaard gingen. Maar +zulke beproevingen werden ook vereischt om den professor zulk eene +ontboezeming af te persen. + +Op dit oogenblik kwam Hans. Hij zag mijne hand rusten in die van +mijn oom; ik durf verklaren dat zijne oogen een levendig genoegen +uitdrukten. + +"God dag!" zeide hij, + +"Goeden dag, Hans! goeden dag!" mompelde ik. "Zeg mij nu eens, +oom! waar wij thans zijn?" + +"Morgen, Axel! morgen, nu zijt gij nog te zwak; ik heb uw hoofd met +compressen omwoeld, die gij niet moet verschuiven; slaap dus, mijn +jongen! en morgen zult gij alles weten!" + +"Maar," hernam ik, "zeg mij ten minste hoe laat en welke dag het is." + +"'s Avonds elf uur; het is nu Zondag, de 9de Augustus, en ik verbied +u mij iets meer te vragen voor den 10den dezer maand." + +Ik was inderdaad zeer zwak, mijne oogen vielen onwillekeurig toe. Ik +had een nacht rust noodig; ik viel dus in slaap met de gedachte, +dat mijne eenzaamheid vier lange dagen had geduurd. + +Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, keek ik eens rond. Mijne +legerstede, uit al de reisdekens bestaande, was opgeslagen in eene +heerlijke grot, versierd met prachtigen dropsteen, en welker bodem +met fijn zand was bedekt. Er heerschte een half donker. Geene toorts, +geene lamp brandde er, en toch drong van buiten een onverklaarbaar +schijnsel door eene nauwe opening in de grot. Ook hoorde ik een +vreemd, onbepaald gemurmel, gelijk aan het geluid der golven, die op +een vlakken oever breken en soms het fluiten van den wind. + +Ik vroeg mij zelven of ik wel wakker was, of ik nog droomde, +of mijne hersenen, door den val geschud, geene zuiver ingebeelde +geluiden vernamen. Echter konden mijne oogen en ooren zich niet zoo +erg vergissen. + +"Het is een straal van het daglicht," dacht ik, "die door deze +rotsspleet dringt! Het is toch het geraas van golven! Het is toch het +fluiten van den wind! Bedrieg ik mij, of zijn wij op de oppervlakte +der aarde teruggekomen? Heeft mijn oom dan van zijn tocht afgezien, +of zou hij hem gelukkig volbracht hebben!" + +Ik legde mij deze onoplosbare vragen voor, toen de professor +binnenkwam. + +"Goeden dag, Axel!" sprak hij opgeruimd. "Ik durf wedden, dat gij +welvarende zijt!" + +"Zeker!" antwoordde ik op de dekens overeind gaande zitten. + +"Dat kan niet anders, want ge hebt rustig geslapen. Hans en ik hebben +beurtelings bij u gewaakt en wij hebben uwe genezing snelle vorderingen +zien maken." + +"Ik gevoel mij inderdaad weder opgevroolijkt, en om het te bewijzen zal +ik eer doen aan het ontbijt, dat gij mij wel zult willen voortzetten!" + +"Gij zult eten, mijn jongen! de koorts heeft u verlaten. Hans heeft uwe +wonden ingesmeerd met ik weet niet welke zalf, waarvan de IJslanders +het geheim bezitten en zij zijn uitmuntend geheeld. Een ferme vent, +onze jager!" + +Zoo sprekende bereidde mijn oom eenige spijzen, die ik gretig verslond +in weerwil van zijne waarschuwingen. Intusschen overstelpte ik hem +met vragen, die hij zich haastte te beantwoorden. + +Ik vernam nu, dat mijn gelukkig afgeloopen val mij juist aan het +uiteinde eener bijna loodrechte galerij had gebracht; daar een vloed +van steenen, waarvan de kleinste voldoende zou geweest zijn om mij te +verpletteren, met mij mede was gekomen, moest men daaruit afleiden, +dat een gedeelte der vaste massa met mij was afgegleden. Dit +verschrikkelijk voertuig bracht mij dus in de armen mijns ooms, +waar ik bloedend en bewusteloos nederviel. + +"Waarlijk," zeide hij mij, "het is te verwonderen dat gij niet +duizendmaal den dood hebt gevonden. Maar, laten wij elkander in Gods +naam niet meer verlaten; want wij zouden gevaar loopen elkaar niet +meer terug te zien!" + +"Laten wij elkander niet meer verlaten!" De reis was dan nog niet ten +einde? Ik zette van verbazing groote oogen op, hetgeen onmiddellijk +tot deze vraag aanleiding gaf: + +"Wat scheelt u toch, Axel?" + +"Ik moet u iets vragen. Gij zegt, dat ik gezond en wel ben?" + +"Zonder twijfel." + +"Dat mijn lichaam ongedeerd is?" + +"Zeker." + +"En mijn hoofd?" + +"Uw hoofd staat op eenige kneuzingen na, ongeschonden op zijne plaats +op uwe schouders." + +"Welnu! ik vrees, dat mijne hersenen in de war zijn." + +"In de war?" + +"Ja. Zijn wij niet op de oppervlakte van den aardbol terug?" + +"Zeker niet!" + +"Dan moet ik gek zijn; want ik bemerk het daglicht, ik hoor het geraas +van den wind, die blaast en van de zee, die op het strand breekt!" + +"Zoo! is het anders niet?" + +"Zult gij het mij ophelderen?" + +"Ik zal u niets ophelderen, want het is onverklaarbaar; maar gij zult +zien en begrijpen, dat de geologische wetenschap haar laatste woord +nog niet heeft gesproken!" + +"Laten wij dan heen gaan!" riep ik driftig opstaande. + +"Neen, Axel! neen! de open lucht zou u kwaad kunnen doen." + +"De open lucht?" + +"Ja! het waait vrij hard. Ik wil niet, dat gij u zoo blootstelt." + +"Maar ik verzeker u, dat ik heel wel ben." + +"Een beetje geduld, mijn jongen! Als gij weder instort, zou ons dat +in groote ongelegenheid brengen, en wij moeten geen tijd verliezen, +want de overtocht kan lang duren." + +"De overtocht?" + +"Ja! rust vandaag nog wat uit, dan zullen wij ons morgen inschepen." + +"Ons inschepen!" + +Dat laatste woord deed mij van vreugde opspringen. + +Hoe! ons inschepen! Hadden wij dan een stroom, een meer, eene zee ter +onzer beschikking? Lag er een schip voor anker in de eene of andere +inwendige haven? + +Mijne nieuwsgierigheid werd ten hoogste geprikkeld. Te vergeefs poogde +mijn oom mij tegen te houden. Toen hij zag, dat het ongeduld mij meer +kwaad zou doen dan de bevrediging mijner wenschen, gaf hij toe. + +Ik kleedde mij spoedig aan; uit overdrevene voorzichtigheid draaide +ik mij in eene der dekens, en verliet de grot. + + + + + + +HOOFDSTUK XXX + + De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende + zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees + voor voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor. + + +Eerst zag ik niets; mijne aan het licht ontwende oogen sloten zich +terstond. Toen ik ze weder kon openen, stond ik meer ontsteld dan +verbaasd. + +"De zee!" riep ik. + +"Ja!" antwoorde mijn oom, "de Lidenbrock-zee; en ik vlei mij, dat +geen zeevaarder mij de eer zal betwisten van haar ontdekt te hebben, +noch het recht om haar naar mij te noemen!" + +Eene verbazende watervlakte, het begin van een meer of een oceaan +strekte zich verder uit dan het gezicht reikte. De zeer bochtige oever +vertoonde bij de laatste golvingen van het water een fijn, goudgeel +zand, bezaaid met die kleine schelpen, waarin de eerste wezens der +schepping leefden. De golven braken er op met dat heldere geraas, +dat eigen is aan de van rondom ingesloten, groote binnenzeeën, het +lichte schuim vloog op door den ademtocht van een matigen wind en +eenig zeestof kwam in mijn gezicht. Op dit zacht glooiende strand, +omtrent honderd vadem van den golfrand, eindigden de voorbergen van +verbazende rotsen, die, al breeder en breeder wordende, tot eene +onmetelijke hoogte oprezen. Sommige verscheurden den oever met haar +scherpen kam en vormden kapen en voorgebergten, waaraan de tand der +branding had geknaagd. Verder volgde het oog hunne massa's, die zuiver +uitkwamen op den benevelden achtergrond aan den gezichteinder. + +Het was een ware oceaan met de grillige omtrekken der aardsche oevers, +maar verlaten en van een verschrikkelijk woest voorkomen. + +Dat mijne blikken ver over deze zee konden rondgaan kwam daardoor, dat +een "bijzonder" licht haar overal bescheen. Het was niet het zonlicht +met zijne schitterende straalbundels en de prachtige verspreiding +zijner stralen, noch het bleeke en weifelende licht van de koningin +der nachten, dat slechts eene weerkaatsing zonder warmte is. Neen. De +sterkte van dit licht, zijne sidderende verspreiding, zijne heldere +en zuivere witheid, zijn geringe warmtegraad, zijn glans, welke dien +van de maan verre overtrof, wezen duidelijk op een zuiver electrischen +oorsprong. Het was, gelijk het noorderlicht, een aanhoudend, zoo te +zeggen, kosmisch natuurverschijnsel, dat deze grot vulde, die een +oceaan kon bevatten. + +Het gewelf boven mij, de hemel, als men wil, scheen te bestaan uit +groote wolken, beweeglijke en veranderlijke dampen, die ten gevolge der +verdichting van tijd tot tijd in plasregens moesten overgaan. Ik zou +gedacht hebben, dat er onder zulk eene zware dampkringsdrukking geene +verdamping van het water plaats kon hebben, en toch dreven er door eene +natuurlijke, mij onbekende oorzaak, groote wolken in de lucht. Maar +nu "was het mooi weer." De electrische plekken brachten verbazende +spelingen van het licht op de hoog drijvende wolken teweeg; donkere +schaduwen teekenden zich af op hare onderste bochten, en dikwijls +schoot tusschen twee lagen door een straal met eene aanmerkelijke +kracht op ons neder. Maar toch was het de zon niet, want het ontbrak +dit licht aan warmte. Het maakte een treurigen en hoogst zwaarmoedigen +indruk. In plaats van een schitterend uitspansel met sterren, schemerde +door die wolken een gewelf van graniet, die met zijne volle zwaarte +op mij drukte, en die ruimte, hoe verbazend groot ook, zou niet +toereikende geweest zijn voor den omloop der allerkleinste planeet. + +Ik herinnerde mij nu de theorie van een engelsch kapitein, die de aarde +gelijk stelde met een grooten hollen bol, in welks binnenste de lucht +ten gevolge van de drukking lichtgevend was, terwijl twee sterren, +Pluto en Proserpina, er hare geheimzinnige banen bewandelen. Zou hij +de waarheid gesproken hebben? + +Wij waren inderdaad gevangen in eene verbazende holte. Over hare +breedte kon men niet oordeelen, daar haar oever zich, zoo ver het +gezicht reikte, uitstrekte, evenmin als over hare lengte, want de blik +werd weldra gestuit door een eenigszins onbepaalden gezichteinder. Wat +hare hoogte betreft, deze moest verscheiden uren gaans bedragen. Waar +steunde dat gewelf op zijne granieten beeren? Het oog kon het niet +waarnemen; maar er dreef menige wolk in den dampkring, wier hoogte +op twee duizend vadem kon geschat worden, eene hoogte, welke die der +aardsche dampen verre overtrof en zonder twijfel aan de aanzienlijke +dichtheid der lucht moest worden toegeschreven. + +Het woord "hol" drukt stellig mijne gedachte niet voldoende uit om deze +onmetelijke ruimte te schilderen. Maar de woorden der menschelijke taal +schieten te kort voor wie zich in de afgronden van den aardbol waagt. + +Ik wist ook niet uit welk geologisch feit ik het bestaan van zulk +eene holte moest verklaren. Had de afkoeling van den aardbol haar +kunnen doen ontstaan? Ik kende wel uit de verhalen der reizigers +sommige beroemde grotten, maar geene enkele had zulke afmetingen. + +Al had de grot van Guachara en Columbia, door Von Humboldt bezocht, +het geheim harer diepte niet verraden aan den geleerde, die haar over +eene ruimte van twee duizend vijf honderd voet onderzocht, zoo strekte +zij zich toch waarschijnlijk niet veel verder uit. Het onmetelijke +Mammouth-hol in Kentucky vertoonde wel reusachtige afmetingen, daar +zijn gewelf zich vijf honderd voet boven een onpeilbaar meer verhief +en reizigers er tien uur gaans in doordrongen zonder het einde te +bereiken. Maar wat beteekenden die holen in vergelijking van dat, +hetwelk ik nu bewonderde, met zijn hemel van dampen, zijne electrische +uitstralingen en de uitgestrekte zee binnen in hetzelve? Mijne +verbeelding gevoelde hare onmacht tegenover die onmetelijkheid. + +Zwijgende beschouwde ik al die wonderen. Het ontbrak mij aan +woorden om mijne gewaarwordingen uit te drukken. Ik meende op de +eene of andere verre planeet, Uranus of Neptunus, getuige te zijn +van verschijnselen, waarvan mijne "aardsche" natuur geen begrip +had. Voor nieuwe gewaarwordingen waren nieuwe woorden noodig en mijne +verbeeldingskracht deed ze mij niet aan de hand. Ik beschouwde, dacht, +bewonderde met eene verbazing vermengd met eenigen schrik. + +Het onverwachte van dit schouwspel had den blos der gezondheid op +mijn gelaat teruggebracht; ik was op weg om mij met de verwondering te +behandelen en mijne genezing te bewerken door middel van deze nieuwe +geneeskundige praktijk; bovendien verfrischte mij de kracht eener +zeer verdichte lucht, die meer zuurstof aan mijne longen toevoerde. + +Men kan licht begrijpen dat het, na eene zeven en veertig daagsche +opsluiting in eene nauwe galerij, een onwaardeerbaar genot was dezen +zeewind met vochtige, zoutachtige uitwasemingen beladen, in te ademen. + +Ook behoefde ik er geen berouw over te hebben, dat ik mijne duistere +grot had verlaten. Mijn oom, die reeds aan deze wonderen gewoon was, +verwonderde zich niet meer. + +"Hebt gij kracht genoeg om een weinig rond te wandelen?" vroeg hij mij. + +"Ja zeker!" antwoordde ik, "niets zal mij aangenamer zijn." + +"Welnu! neem mijn arm, Axel! en laten wij de bochten van den oever +volgen." + +Ik nam dit aanbod gretig aan, en wij begonnen onze wandeling langs +de kust van dezen nieuwen oceaan. + +Ter linkerzijde vormden steile en ongelijke, op elkander gestapelde +rotsen eene reusachtige opeenhooping, die eene verbazende uitwerking +maakte. Van hare zijden stortten zich watervallen af, die zich tot +heldere en geraasmakende waterbekkens vereenigden; eenige lichte dampen +wezen, van rots tot rots zwevende, de plaats der warme bronnen aan, +en beekjes stroomden zachtjens naar den algemeenen vergaderbak, terwijl +zij in de hellingen gelegenheid zochten om lieflijker te murmelen. + +Onder die beken herkende ik onze getrouwe reisgezellin, de Hans-beek, +die zich rustig in zee stortte, alsof zij nooit iets ander gedaan +had sedert de schepping der wereld. + +"Haar zullen wij voortaan missen!" zeide ik zuchtende. + +"Ba!" antwoordde de professor, "haar of eene andere, wat maakt +dat uit?" + +Ik vond dat antwoord min of meer ondankbaar. + +Maar op dit oogenblik trok een onverwacht schouwspel mijne +aandacht. Vijf honderd schreden verder, bij het omslaan van een hoog +voorgebergte, vertoonde zich een hoog, lommerrijk en dicht woud aan +onze oogen. Het bestond uit tamelijk groote boomen, die op regelmatige +zonneschermen geleken, met zuivere en meetkunstige omtrekken; de +luchtstroomen schenen geen vat te hebben, op hun gebladerte en ondanks +den wind bleven zij onbeweeglijk, als waren het versteende cederboomen. + +Ik versnelde mijne schreden. Ik kon geen naam geven aan deze +zonderlinge houtsoort. Maakten zij geen deel uit van de tot nu toe +bekende twee honderd duizend soorten van planten en moest men, haar +eene bijzondere plaats aanwijzen in de plantenwereld der aan hat +water groeiende gewassen? Neen. Toen wij onder haar lommer kwamen, +bleef er van mijne verbazing slechts bewondering over. + +Inderdaad bevond ik mij tegenover aardsche voortbrengselen, maar op +eene reusachtige leest geschoeid. Mijn oom noemde ze oogenblikkelijk +bij hun naam. + +"Het is een woud van paddestoelen," zeide hij. + +En hij bedroog zich niet. Men oordeele over de ontwikkeling +dezer planten, die zich zoo gaarne op warme en vochtige plaatsen +ophouden. Ik wist, dat de "lycoperdon giganteum," volgens Bulliard, +een omtrek van acht tot negen voet bereikt; maar dit waren witte, +dertig à veertig voet hooge paddestoelen met een hoed van dezelfde +middellijn. Zij stonden er bij duizenden; het licht kon niet door +hun dicht lommer heendringen en een volslagen duisternis, heerschte +onder deze koepels, die even dicht naast elkander stonden als de +ronde daken eener afrikaansche stad. + +Toch wilde ik nog dieper doordringen. Eene doodelijke koude viel +neder van die vleezige gewelven. Een half uur doolden wij rond in +die vochtige duisternis en met een ongeveinsd gevoel van welbehagen +begroette ik weder de oevers der zee. + +Maar de plantengroei dezer onderaardsche streek bepaalde zich niet +louter tot die paddestoelen. Verder verhieven zich groepsgewijze +een groot aantal andere boomen met ontkleurde bladeren. Zij waren +gemakkelijk te herkennen; het waren de nederige struiken der aarde met +wonderbare afmetingen, honderd voet hooge wolfsklauwen, reusachtige +zegelboomen, boomvormige varens, zoo groot als de dennen der hooge +breedten, lepidodendrons met cylindervormige verdeelde stammen, in +lange bladen uitloopende en bezet met harde stekels als monsterachtige +cactussen. + +"Verbazend," riep mijn oom. "Ziedaar de geheele plantenwereld uit +het tweede tijdperk der aarde, het overgangstijdperk. Ziedaar die +nederige planten uit onze tuinen, die boomen werden in de eerste +eeuwen van den aardbol! Beschouw ze, Axel! bewonder ze! Nooit is een +plantenkenner op zulk een feest geweest!" + +"Gij hebt gelijk, oom! De voorzienigheid schijnt in deze onmetelijke +broeikas die voorwereldlijke planten te hebben willen bewaren, die de +scherpzinnigheid der geleerden zoo gelukkig weder heeft samengesteld." + +"Gij zegt terecht, dat het eene broeikas is, mijn jongen! maar +gij zoudt u nog juister uitdrukken, als gij er bijvoegdet, dat het +misschien eene diergaarde is." + +"Eene diergaarde!" + +"Ja, zonder twijfel. Bezie het stof maar, dat wij vertreden; die op +den grond verspreide beenderen." + +"Beenderen!" riep ik. "Ja! beenderen van voorwereldlijke dieren!" + +Ik viel aan op die eeuwenoude overblijfselen, bestaande uit eene +onvergankelijke delfstoffelijke zelfstandigheid [12]. Ik gaf zonder +aarzelen een naam aan die reusachtige beenderen, die op uitgedroogde +boomstammen geleken. + +"Dat is de onderkaak van den Mastodont," zeide ik; "dat zijn de +maaltanden van het Dinotherium, ziedaar een dijbeen, dat alleen aan het +grootste dezer dieren, het Megatherium, kan toebehoord hebben. Ja, +wel is het eene diergaarde, want die beenderen zijn hier zeker +niet gebracht door een zondvloed; de dieren, waaraan zij behooren, +hebben geleefd aan de oevers dezer onderaardsche zee, in de schaduw +dezer boomachtige planten. Zie, daar bespeur ik geheele geraamten. En +toch...." + +"En toch?" zeide mijn oom. + +"Begrijp ik de aanwezigheid van zulke viervoetige dieren niet in dit +hol van graniet." + +"Waarom niet?" + +"Omdat het dierlijke leven op aarde eerst bestaan heeft in de +secundaire tijdperken, toen de aangespoelde grond gevormd is door +het alluvium en de witgloeiende rotssteenen van het eerste tijdperk +heeft vervangen." + +"Hoe! op zulk eene diepte onder de oppervlakte der aarde?" + +"Zonder twijfel, en deze daadzaak kan geologisch verklaard worden. In +een zeker tijdperk bestond de aarde uit eene veerkrachtige schors, +aan afwisselende op- en nedergaande bewegingen onderworpen, tengevolge +van de wetten der aantrekkingskracht. Het is waarschijnlijk, dat +er verzakkingen in den bodem zijn gekomen, en dat een gedeelte +der aangespoelde gronden weggezonken is in de plotseling geopende +afgronden." + +"Dat moet zoo zijn. Maar als er voorwereldlijke dieren geleefd hebben +in deze onderaardsche streken, wie verzekert ons dan, dat er nog niet +het eene of andere van die monsters rondzwerft in deze sombere wouden +of achter die steile rotsen?" + +Bij deze gedachte onderzocht ik, niet zonder angst, de verschillende +punten van den gezichteinder; maar geen levend wezen vertoonde zich +op die eenzame oevers. + +Ik was een weinig vermoeid; ik ging zitten op het uiteinde van een +voorgebergte, aan welks voet de golven met veel geraas braken. Van +daar omvatte mijn blik de geheele baai, die door een inham van de kust +werd gevormd. Achterin werd eene kleine haven door pyramidale rotsen +ingesloten. Haar kalm water was tegen den wind beschut. Een brik en +twee of drie schoeners hadden er gemakkelijk in kunnen omkeeren. Ik +rekende er bijna op het eene of andere vaartuig met volle zeilen te +zien uitloopen en met den zuidenwind het ruime sop kiezen. + +Maar die begoocheling verdween weldra. Stellig waren wij de eenige +levende schepselen in deze onderaardsche wereld. Als de wind +soms ging liggen, daalde eene stilte, nog veel dieper dan die der +woestijn, op de dorre rotsen, en drukte op de oppervlakte van den +oceaan. Dan trachtte ik door de verre nevelen heen te boren en die +gordijn te verscheuren, die voor den geheimzinnigen achtergrond +van den gezichteinder hing. Wat al vragen verdrongen zich op mijne +lippen! Waar eindigde die zee? Waar voerde zij heen? Zouden wij immer +hare tegenoverliggende oevers bereiken? + +Mijn oom twijfelde er volstrekt niet aan. Ik wenschte en vreesde het +te gelijk. + +Na een uur doorgebracht te hebben met de beschouwing van dit +wonderlijke tooneel, gingen wij weder langs het strand naar de grot, +en met het hoofd vol van de zonderlingste denkbeelden viel ik in een +gerusten slaap. + + + + + + +HOOFDSTUK XXXI + + Door een zeebad versterkt!--Vloed, ebbe en magnetische + helling.--Scheepstimmerhout.--Het vlot. + + +Toen ik den volgenden morgen ontwaakte was ik geheel genezen. Ik +meende, dat een bad zeer heilzaam voor mij zou zijn, en dompelde mij +daarom eenige minuten lang in het water dezer Middellandsche zee. Dien +naam verdiende zij zeker meer dan eenige andere. + +Ik kwam met goeden eetlust aan het ontbijt. Hans verstond zeer goed +de kunst om onze kleine spijskaart gereed te maken; hij had water en +vuur ter zijner beschikking, zoodat hij eenige afwisseling kon brengen +in onzen gewonen kost. Bij het nagerecht schonk hij ons eenige kopjes +koffie in, en nooit proefde ik met meer smaak dien heerlijken drank. + +"Nu," zeide mijn oom, "is het de tijd van den vloed, en wij moeten +de gelegenheid niet verzuimen om dit verschijnsel waar te nemen." + +"Hoe, de vloed!" riep ik. + +"Zonder twijfel." + +"Doet de invloed van maan en zon zich dan zelfs hier gevoelen?" + +"Waarom niet? Zijn de lichamen niet in hun geheel aan de algemeene +aantrekking onderworpen? Derhalve kan deze watermassa zich niet aan de +algemeene wet onttrekken. Ook zult gij zien, dat zij zich in weerwil +van de luchtdrukking op hare oppervlakte even goed verheft als de +Atlantische Oceaan zelf." + +Op dit oogenblik betraden wij het zand van den oever en de golven +kwamen langzamerhand verder het strand op. + +"Dat is toch het begin van den vloed," riep ik. + +"Ja, Axel! en aan de strepen van het schuim kunt gij zien, dat de +zee omtrent tien voet stijgt." + +"Het is vreemd!" + +"Neen, het is natuurlijk." + +"Gij moogt zeggen wat gij wilt: dit alles schijnt mij buitengewoon +toe en nauwelijks kan ik mijne oogen gelooven. Wie zou ooit binnen +de schors der aarde een echten oceaan met zijne ebbe en zijn vloed, +zijne winden en stormen verwacht hebben!" + +"Waarom niet? Is er eene natuurkundige reden tegen?" + +"Ik zie er geene, zoodra ik het stelsel der inwendige warmte moet +opgeven." + +"Tot nu toe wordt de theorie van Davy dus bevestigd?" + +"Zeker, en dan is er ook niets te zeggen tegen het bestaan van zeeën +of landen binnen den aardbol." + +"Zonder twijfel, maar onbewoond." + +"Waarom? zouden deze wateren geene onbekende vischsoorten kunnen +herbergen?" + +"In allen gevalle hebben wij er tot nu toe geene aangetroffen." + +"Welnu, wij kunnen hengels maken en zien, of de hoek hier beneden +even gelukkig zal zijn als in de ondermaansche zeeën. + +"Wij kunnen het beproeven, Axel! want wij moeten al de geheimen dezer +nieuwe gewesten uitvorschen." + +"Maar waar zijn wij, oom? want ik heb u deze vraag nog niet gedaan, +waarop uwe werktuigen u het antwoord moeten geven." + +"In een waterpasse richting driehonderd vijftig uur gaans van IJsland." + +"Zoo ver?" + +"Ik ben zeker, dat ik mij geen vijf honderd vadem bedrieg." + +"En wijst het kompas nog altijd zuidoost?" + +"Ja! met eene westelijke afwijking van negentien graad en twee en +veertig minuten, juist als op aarde. Met zijne helling heeft iets +bijzonders plaats, dat ik met de uiterste zorg heb waargenomen." + +"En dat is?" + +"Dat de naald, in plaats van naar de pool te hellen, zooals zij op +het noordelijk halfrond doet, integendeel rijst." + +"Daaruit moeten wij dus opmaken, dat het punt van magnetische +aantrekking ligt tusschen de oppervlakte van den aardbol en de plaats +waar wij ons thans bevinden?" + +"Juist! en het is waarschijnlijk, dat, als wij onder de poolstreken +kwamen, waar James Ross de magnetische pool ontdekt heeft, wij +zien zouden, dat de naald loodrecht gaat staan. Derhalve ligt dat +geheimzinnige middelpunt van aantrekking niet zeer diep." + +"Dat is inderdaad een feit, dat de wetenschap niet vermoed heeft." + +"De wetenschap, mijn jongen! is samengesteld uit dwalingen, maar uit +zulke, die het goed is te begaan, want zij voeren langzamerhand tot +de waarheid." + +"En op welke diepte zijn wij?" + +"Op eene diepte van vijf en dertig uur gaans." + +"Dan is," zeide ik de kaart naziende, "het Schotsche Hoogland boven +ons, en daar verheft het Grampian-gebergte zijne met sneeuw bedekte +kruin tot eene aanzienlijke hoogte." + +"Ja!" antwoordde de professor lachende, "de vracht is wel wat zwaar, +maar het gewelf is stevig; de groote bouwmeester van het heelal heeft +het van goede bouwstoffen gemaakt, en nooit zou de mensch er zulk eene +draagkracht aan hebben kunnen geven! Wat zijn de bogen der bruggen +en de spitsbogen der hoofdkerken vergeleken met dit schip van een +straal van drie uur gaans, waaronder een oceaan en stormen zich op +hun gemak kunnen ontwikkelen?" + +"O! ik vrees niet, dat de hemel zal instorten. Oom, wat zijn nu uwe +plannen? Denkt gij er niet aan om naar de oppervlakte van den aardbol +terug te keeren?" + +"Terugkeeren! Nu nog mooier! Onze reis voortzetten, ja! daar tot nu +toe alles zoo goed gaat." + +"Maar ik zie niet in, hoe wij door deze vloeibare massa heen moeten +komen." + +"Ik ben niet van plan om er mij met het hoofd naar beneden in te +storten. Maar als de oceanen eigenlijk gezegd slechts meren zijn, daar +het land hen omringt, dan is het zeker dat deze binnenzee ingesloten +is door het vaste graniet." + +"Dat is niet twijfelachtig." + +"Welnu! op den tegenoverliggenden oever ben ik zeker nieuwe uitwegen +te zullen vinden." + +"Hoe lang veronderstelt gij dan, dat deze oceaan is?" + +"Dertig of veertig uur gaans." + +"Zoo!" antwoordde ik, maar dacht toch dat die schatting wel +onnauwkeurig zou zijn. + +"Wij hebben dus geen tijd te verliezen, en morgen reeds steken wij +in zee." + +Onwillekeurig zochten mijne oogen het schip, dat ons moest overbrengen. + +"Wij zullen ons dus inschepen," zeide ik. "Goed! En met welk schip +zullen wij den overtocht doen?" + +"Niet met een schip, mijn jongen! maar met een goed en stevig vlot." + +"Een vlot!" riep ik; "een vlot is even onmogelijk te vervaardigen +als een schip, en ik zie niet...." + +"Gij ziet niet, Axel! maar als gij luisterdet, zoudt gij kunnen +hooren!" + +"Hooren?" + +"Ja! eenige hamerslagen, die u zouden zeggen, dat Hans reeds aan het +werk is." + +"Vervaardigt hij een vlot?" + +"Ja!" + +"Heeft hij dan reeds boomen onder zijne bijl doen vallen?" + +"O! de boomen waren reeds geveld. Kom mede en gij zult hem aan het +werk zien." + +Na eene wandeling van een kwartier uurs zag ik Hans werken aan de +andere zijde van het voorgebergte, dat de kleine natuurlijke haven +vormde; nog eenige stappen en ik was bij hem. Tot mijne groote +verbazing lag een half voltooid vlot op het zand; het bestond uit +balken van eene bijzondere houtsoort, en een groot aantal zware +planken. Kromhouten en allerlei spanten bedekten letterlijk den +bodem. Er lag daar genoeg om eene geheele vloot te timmeren. + +"Oom!" riep ik, "wat is dat voor hout?" + +"Het is pijnboomhout, dennenhout, beukenhout, al de soorten van +noordsche kegeldragers, die versteend zijn door de werking van het +zeewater." + +"Is het mogelijk!" + +"Dat noemt men "Surtarbrandur" of versteend hout." + +"Maar als fossiel hout moet het zoo hard zijn als steen, en kan het +dan drijven?" + +Soms niet; dat hout wordt wel eens echte koolblende; weder ander hout, +zooals dit, heeft nog slechts een begin van versteening ondergaan. "Zie +maar," voegde mijn oom er bij, terwijl hij een stuk van dat kostbare +strandgoed in zee wierp. + +Het hout zonk eerst, kwam toen weder boven en dreef op de golven. + +"Zijt gij overtuigd?" zeide mijn oom. + +"Vooral daarvan, dat het onmogelijk is." + +Den avond van den volgenden dag was, dank zij de bekwaamheid van +den gids, het vlot voltooid; het was tien voet lang en vijf breed; +de balken van Surtarbrandur met stevige touwen aan elkander verbonden +boden een vaste oppervlakte aan, en toen het te water was gelaten, +dreef dit nieuwe vaartuig rustig op de golven der Lidenbrock-zee. + + + + + + +HOOFDSTUK XXXII + + Zeilklaar--Vertrek van Gräubenhaven.--Het + scheepsjournaal.--Voorwereldlijke visch.--Blindheid + van die visch.--Axel's droom.--Axel ontwaakt. + + +Den 13den Augustus werden wij zeer vroeg wakker. Wij moesten een +nieuwe soort van snel en weinig vermoeiend middel van vervoer inwijden. + +Een groote mast, gemaakt van twee gewangde stammen, eene ra, uit +een derden gevormd, een zeil, van onze dekens genomen, maakten al +de tuigage van het vlot uit. Aan touwen ontbrak het niet. Het geheel +was stevig. + +Te zes uur gaf de professor het sein om aan boord te gaan. De +levensmiddelen, de bagage, de werktuigen, de wapens en eene +aanzienlijke hoeveelheid zoet water waren reeds aanwezig. + +Hans had een roer gemaakt, dat hem in staat stelde zijn drijvenden +toestel te besturen. Hij greep de roerpen. Ik maakte het touw los, +dat ons aan den oever verbond; het zeil werd bij den wind gehaald en +wij staken snel van land. + +Op het oogenblik dat wij de kleine haven verlieten, wilde mijn oom; +die veel prijs stelde op eene aardrijkskundige benaming, haar een +naam geven, den mijnen bij voorbeeld. + +"Op mijne eer!" zeide ik, "ik wilde u een anderen voorstellen." + +"Welken?" + +"Den naam van Gräuben. Gräubenhaven, dat zal zeer goed staan op +de kaart." + +"Het zij zoo! Gräubenhaven dan." + +En zoo werd de herinnering aan mijn lief meisje verbonden met onze +hachelijke onderneming. + +Er woei een noordoostenwind; wij vorderden zeer snel met den wind +van achteren. De zeer dichte luchtlagen hadden eene aanzienlijke +drijfkracht en werkten op het zeil als een sterke luchttrekker. + +Na verloop van een uur was mijn oom in staat onze snelheid te +berekenen. + +"Als wij zoo blijven voortgaan," zeide hij, "zullen wij minstens dertig +uur per dag afleggen en weldra den tegenovergestelden oever bereiken." + +Ik antwoordde niet en nam plaats voor op het vlot. Reeds neigde +de noordkust naar den gezichteinder, de beide armen van den oever +scheidden zich verre van een, als om ons vertrek gemakkelijk te +maken. Eene onmetelijke zee strekte zich voor mij uit, de grauwe +schaduw van groote wolken, die op dit doodsche water scheen te +drukken, vloog snel over zijne oppervlakte. De zilveren stralen van +het electrische licht, hier en daar door een droppeltje teruggekaatst, +deden lichtende punten op de zijden van het vaartuig ontstaan. Weldra +was het land geheel uit het gezicht, elk kenbaar punt verdween, en +zonder het schuimende zog van het vlot zou men hebben kunnen denken, +dat het onbeweeglijk lag. + +Tegen den middag zagen wij verbazend groote wierplanten aan de +oppervlakte der golven drijven. Ik kende de groeikracht dezer +gewassen, die meer dan twaalf duizend voet diep op den zeebodem +kruipen, zich vermenigvuldigen onder eene drukking van bijna vier +honderd dampkringen en dikwijls zulke uitgestrekte banken vormen, +dat zij de vaart der schepen belemmeren; maar nooit, geloof ik, +waren er reusachtiger wierplanten dan die van de Lidenbrock-zee. + +Ons vlot dreef langs zeegras van drie en vier duizend voet lang, +onmetelijke slangen, die zich verre buiten het bereik van het gezicht +voortslingerden; ik vermaakte mij met die eindelooze linten na te +staren, steeds meenende hun einde te bereiken, en uren lang werd mijn +geduld op de proef gesteld, terwijl mijne verbazing toenam. + +Welke natuurkracht was in staat om zulke planten voort te brengen, +en hoedanig moet het voorkomen der aarde in de eerste eeuwen van haar +bestaan geweest zijn, toen onder den invloed van warmte en vochtigheid +alleen het plantenrijk zich op hare oppervlakte ontwikkelde! + +Het werd avond, en zooals ik reeds den vorigen avond opgemerkt had, +verminderde de lichtgevende toestand der lucht niet. Het was een +standvastig verschijnsel, op welks duur men staat kon maken. + +Na het avondeten strekte ik mij uit aan den voet van den mast en +sliep weldra in onder vadsige droomerijen. + +Hans, die onbeweeglijk aan het roer stond, liet het vlot maar +voortdrijven, dat overigens met den wind van achteren niet eens +behoefde bestuurd te worden. + +Sedert ons vertrek van Gräubenhaven had professor Lidenbrock mij +opgedragen om het "scheepsjournaal" te houden, om de geringste +waarnemingen aan te teekenen, om de belangrijke verschijnselen, de +richting van den wind, de verkregen snelheid, den afgelegden weg, met +één woord al de voorvallen van dezen vreemden zeetocht te beschrijven. + +Ik zal mij dus vergenoegen met hier die dagelijksche aanteekeningen +in te lasschen, die om zoo te zeggen door de gebeurtenissen in de +pen werden gegeven, om een nauwkeurig verslag van onzen overtocht +te leveren. + + +Vrijdag 14 Augustus. Stijve noordwestenwind. Het vlot loopt snel in +eene rechte lijn. De kust blijft dertig uur gaans van ons af onder +den wind. Er is niets aan den gezichteinder te zien. De sterkte +van het licht verandert niet. Mooi weer, dat wil zeggen, de wolken +drijven zeer hoog, zijn niet zwaar en baden in een witten dampkring, +als ware het smeltend zilver. + +De thermometer wijst +32° C. + +Tegen den middag maakt Hans een hoek vast aan een touw; het aas bestaat +uit een stukje vleesch; hij werpt hem in zee. Gedurende twee uur +vangt hij niets. Zijn die wateren dan onbewoond? Neen. Hans voelt, +dat hij beet heeft, haalt den hoek op en brengt een visch boven, +die hevig spartelt. + +"Een visch!" roept mijn oom. + +"Het is een steur!" riep ik op mijne beurt, "een kleine steur." + +De professor beschouwt het dier oplettend en deelt mijn gevoelen +niet. Deze visch heeft een platten, ronden kop, en het achterlijf is +met beenachtige platen bedekt; zijn bek is tandeloos; vrij ontwikkelde +borstvinnen zitten aan zijn staarteloos lichaam. Dit dier behoort +wel tot eene orde, waaronder de natuurkundigen den steur hebben +gerangschikt, maar het verschilt er van in sommige gewichtige punten. + +Mijn oom bedriegt er zich niet in, want na een vrij kort onderzoek +zegt hij: + +"Deze visch behoort tot eene sedert eeuwen uitgestorven familie, wier +versteende overblijfselen men alleen in devonische gronden terugvindt." + +"Hoe!" riep ik uit, "zouden wij dan een van die bewoners der +oorspronkelijke zeeën levend gevangen hebben?" + +"Ja!" antwoordde de professor, terwijl hij zijne waarnemingen +voortzette, "en gij ziet dat die fossiele visschen niet de minste +overeenkomst hebben met de tegenwoordige soorten. Een dier wezens +levend te bezitten is een waar geluk voor den natuurkundige." + +"Maar tot welke familie behoort hij?" + +"Tot de orde der Ganoïden, familie der Cephalaspiden, geslacht...." + +"Welnu?" + +"Geslacht der Pterychti, daar zou ik op zweren; maar deze levert eene +bijzonderheid op, die naar men zegt bij de visschen der onderaardsche +wateren aangetroffen wordt." + +"Welke?" + +"Hij is blind!" + +"Blind!" + +"Niet alleen blind, maar hij mist zelfs geheel het gezichtsorgaan." + +Ik kijk en zie dat het volkomen waar is. Maar het kan een bijzonder +geval zijn. Andermaal wordt er een aas aangeslagen en het snoer in zee +geworpen. Die oceaan is bepaald zeer vischrijk, want binnen een paar +uur vangen wij eene groote hoeveelheid Pterychti, benevens visschen, +behoorende tot een insgelijks uitgestorven familie, de Dipteriden, +maar wier geslacht mijn oom niet kan herkennen. Alle zijn beroofd +van het gezichtsorgaan. Deze onverwachte vangst bezorgt ons een +goeden voorraad. + +Het schijnt dus stellig zeker, dat deze zee slechts fossiele soorten +bevat, waarvan de visschen en de kruipende dieren des te volmaakter +zijn, naar mate zij eerder geschapen zijn. + +Misschien treffen wij nog wel eenige van die hagedissoorten aan, +die de wetenschap weder heeft weten samen te stellen uit een stuk +been of kraakbeen. + +Ik neem den kijker en onderzoek de zee. Zij is eenzaam. Zonder twijfel +zijn wij nog te dicht bij de kusten. + +Ik zie naar boven. Waarom zouden niet sommige van die vogels, die +de onsterfelijke Cuvier weder heeft samengesteld, klapwieken in +die zware luchtlagen? De visschen zouden hun overvloed van voedsel +verschaffen. Ik sla den omtrek gade, maar de lucht is even onbewoond +als de oevers. + +Toch sleept mijne verbeelding mij mede in de wonderbare +veronderstellingen van de leer der voorwereldlijke organische +wezens. Wakende droom ik. Ik meen op de oppervlakte des waters die +verbazende Chersiten, die voorwereldlijke schildpadden, gelijk aan +drijvende eilandjes, te zien. Mij dunkt, dat ik op de verdonkerde +stranden de groote zoogdieren der eerste tijden zie rondloopen, het +Leptotherium, in de holen van Brazilië gevonden, het Mericotherium, +uit de bevrozen streken van Siberië gekomen. Verderop schuilt het +dikhuidige Lophiodon, die reusachtige tapir, achter de rotsen, gereed +om het Anoplotherium zijn prooi te betwisten, een vreemd dier, dat +iets heeft van den neushoorn, het paard, het nijlpaard en den kameel, +alsof de Schepper verscheiden dieren in een enkel had vereenigd. De +reusachtige Mastodont slingert zijn snuit en verbrijzelt met zijne +slagtanden de rotsen aan den oever, terwijl het Megatherium, stevig +op zijne verbazende pooten rustende, de aarde omwoelt en door zijn +gebrul de echo van het helder klinkende graniet wekt. Hooger op +beklimt de Protopitheek, de eerste aap, die op de oppervlakte der aarde +verscheen, de ongenaakbare toppen. Nog hooger zweeft de Pterodactylus +met gevleugelde handen als eene groote vledermuis op de samengeperste +lucht. In de bovenste lagen eindelijk ontvouwen de verbazende vogels, +sterker dan de casuaris, grooter dan de struis, hunne ontzaglijke +wieken en vliegen met den kop tegen den wand van het granietgewelf. + +De geheele voorwereld herleeft weder in mijne verbeelding. Ik word +teruggevoerd naar de bijbelsche tijdperken der schepping, lang +voor het ontstaan van den mensch, toen de onvoltooide aarde nog niet +geschikt was om hem te ontvangen. Mijn droom loopt de verschijning der +bezielde wezens vooruit. De zoogdieren verdwijnen, dan de vogels, dan +de kruipende dieren der secundaire vorming, en eindelijk de visschen, +de schaaldieren, de weekdieren, de gelede dieren. De plantdieren uit +het overgangstijdperk keeren op hunne beurt tot het niet terug. Al +het leven der aarde trekt zich in mij samen en mijn hart alleen +klopt in deze ontvolkte wereld. Er zijn geene jaargetijden, geene +luchtstreken meer; de eigene warmte van den aardbol neemt onophoudelijk +toe en maakt die van het schitterende hemellichaam noodeloos. De +plantengroei breidt zich uit; ik dwaal als eene schim rond onder +de boomvormige varens, vertreed met mijne weifelende schreden den +regenboog-kleurigen mergel en den bonten zandsteen van den bodem; +ik leun tegen den stam der verbazende kegeldragers; ik leg mij neder +in de schaduw der Sphenophyllen, der Asterophyllen en der honderd +voet hooge Wolfsklauwen. + +De eeuwen verloopen als dagen; ik ga weder terug in de reeks der +vormveranderingen van de aarde; de planten verdwijnen; de granietrotsen +verliezen hare hardheid; onder de werking eener sterkere warmte wordt +de vaste toestand door den vloeibaren vervangen; het water stroomt +naar de oppervlakte der aarde, het kookt, wordt luchtvormig; de dampen +omhullen de aarde, die langzamerhand slechts eene luchtmassa vormt, tot +roodgloeien gebracht, zoo groot als de zon en zoo schitterend als zij! + +In het middelpunt van dat nevelachtige lichaam, dat veertien honderd +duizend maal grooter is dan de bol, dien het eens vormen zal, +word ik medegevoerd in het hemelruim; mijn lichaam wordt fijner, +wordt op zijne beurt luchtvormig en vermengt zich als een onweegbaar +stofje met die ontzettende dampen, die hunne vlammende baan in het +oneindige beschrijven! + +Welk een droom! Waar voert hij mij heen? Mijne koortsige hand zet +de vreemde bijzonderheden van dien droom op het papier. Ik heb +alles vergeten, den professor, den gids, het vlot! Mijn verstand +is verbijsterd.... + +"Wat scheelt u?" vraagt mijn oom. + +Ik staar hem met opene oogen aan zonder hem te zien. + +"Pas op, Axel! gij zult in zee vallen!" + +Te gelijk voel ik mij stevig aangrijpen door de hand van Hans. Zonder +hem zou ik mij onder de heerschappij van mijn droom in de golven +gestort hebben. + +"Wordt hij krankzinnig?" roept de professor. + +"Wat is er gaande?" zeg ik eindelijk weder bijkomende. + +"Zijt gij ziek?" + +"Neen! ik was een oogenblik buiten mijzelven, maar het is voorbij. Gaat +anders alles goed?" + +"Ja! de wind is goed, de zee effen! wij vorderen snel, en als mijne +gissing mij niet bedriegt moeten wij weldra land vinden." + +Op die woorden sta ik op, zie naar den gezichteinder; maar de waterlijn +en de wolkenlijn loopen nog altijd ineen. + + + + + + +HOOFDSTUK XXXIII + + Des professors ongeduld geboekstaafd.--De lange zeereis.--In + het ijzer gebeten.--zeemonsters.--Ontsteltenis.--Strijd.--De + plesiosaurus bezwijkt. + + +Zaturdag 15 Augustus.--De zee behoudt hare eentonige +eenvormigheid. Geen land in zicht. De gezichteinder schijnt oneindig +ver. + +Mijn hoofd is nog zwaar door mijn akeligen droom. + +Mijn oom heeft niet gedroomd, maar hij is knorrig; hij onderzoekt +met zijn kijker al de punten van den gezichteinder en slaat met een +teleurgesteld gelaat de armen over elkander. + +Ik merk op, dat professor Lidenbrock op het punt is om weder de +ongeduldige man van vroeger te worden, en teeken het feit in mijn +journaal aan. Mijne gevaren en mijn lijden waren noodig geweest +om een vonkje menschlievendheid uit hem te voorschijn te roepen; +maar sedert mijne genezing komt zijn ware aard weder boven. En toch, +waarom zou hij zich weder boos maken? Wordt de reis niet voortgezet +onder de gunstigste omstandigheden? Loopt het vlot niet bijzonder snel? + +"Gij schijnt ongerust, oom!" zeide ik, toen ik hem den kijker zoo +dikwijls aan de oogen zag brengen. + +"Ongerust? Neen!" + +"Ongeduldig dan?" + +"Men zou het ten minste worden!" + +"Toch loopen wij met eene snelheid...." + +"Wat baat mij dat? De snelheid is niet te gering, maar de zee is +te groot!" + +Ik herinner mij nu, dat de professor voor ons vertrek de lengte van +die onderaardsche zee op omtrent dertig uur gaans schatte. Nu hadden +wij reeds een driemaal langeren weg afgelegd, en nog vertoonden zich +de zuidelijke oevers niet. + +"Wij dalen niet!" hervat de professor. "Dat alles is tijd verspillen +en bovendien ben ik zoo verre niet gekomen om een pleziertochtje te +doen op een vijver!" + +Hij noemt dien overtocht een pleziertochtje en die zee een vijver! + +"Maar", zeide ik, "daar wij den weg gevolgd hebben, dien Saknussemm +heeft aangewezen...." + +"Dat is de vraag nog. Hebben wij dien weg gevolgd? Heeft Saknussemm dit +water aangetroffen? Is hij het overgestoken? Heeft die beek, welke wij +tot gids hebben genomen, ons niet geheel van den rechten weg geholpen?" + +"In allen gevalle behoeft het ons niet te spijten, dat wij tot hier +toe gekomen zijn. Dit schouwspel is prachtig, en...." + +"Wij komen niet om te zien. Ik heb mij een doel voorgesteld en dat +wil ik bereiken. Spreek mij dus niet van bewonderen." + +Ik houd mij voor gewaarschuwd, en laat den professor begaan, die van +ongeduld op zijne lippen bijt. + +Des avonds te zes uur vordert Hans zijn loon, en zijne drie +rijksdaalders worden hem toegeteld. + + +Zondag 16 Augustus.--Niets nieuws. Het zelfde weder. De wind schijnt +een weinig te willen aanwakkeren. Bij mijn ontwaken is mijn eerste werk +om de lichtsterkte te onderzoeken. Ik vrees altijd, dat het electrische +verschijnsel eerst mocht verduisteren en daarna uitgaan. Maar er +is niets van aan: de schaduw van het vlot teekent zich zuiver op de +oppervlakte der golven af. + +Die zee is waarlijk eindeloos! Zij moet de breedte der Middellandsche +zee, misschien wel van den Atlantischen Oceaan hebben. Waarom niet? + +Mijn oom peilt bij herhaling; hij maakt een der zwaarste breekijzers +vast aan het uiteinde van een touw, dat hij twee honderd vaam +viert. Geen grond. Wij hebben veel moeite om ons dieplood weder op +te halen. + +Toen het breekijzer weder boven was gebracht, laat Hans mij op zijn +oppervlakte zeer duidelijke indruksels zien. Men zou zeggen, dat dit +stuk ijzer sterk geklemd is geweest tusschen twee harde lichamen. + +Ik zie den jager aan. + +"Tänder!" zegt hij. + +Ik begrijp hem niet. Ik wend mij naar mijn oom, die geheel in nadenken +verzonken is. Ik durf hem niet storen. Ik keer naar den IJslander +terug. Deze, den mond bij herhaling open- en toedoende, maakt mij +zijne bedoeling duidelijk. + +"Tanden!" zeide ik ontsteld, terwijl ik de ijzeren staaf oplettender +beschouwde. + +Ja! wel zijn het tanden, waarvan de afdruk in het metaal is +achtergebleven! De kaken, waarin zij staan, moeten eene verbazende +kracht bezitten! Is het een monster van de verdwenen soorten, dat +onder de diepe waterlaag zich beweegt, vraatzuchtiger dan de haai, +geduchter dan de walvisch? Ik kan mijne oogen niet afwenden, van +deze half doorgebeten staaf! Zal mijn droom van den vorigen nacht +werkelijkheid worden? + +Die gedachten verontrusten mij den ganschen dag, en mijne verbeelding +komt nauwelijks eenigszins tot bedaren gedurende een slaap van +eenige uren. + + +Maandag 17 Augustus.--Ik doe mijn best om mij de bijzondere +eigenschappen van die voorwereldlijke dieren uit het secundaire +tijdperk te herinneren, die op de weekdieren, de schaaldieren en +de visschen volgende, de verschijning der zoogdieren op den aardbol +voorafgingen. De wereld behoorde toen aan de kruipende dieren. Die +monsters heerschten onbeperkt in de zeeën der Juragroep [13]. De natuur +had hun de volkomenste inrichting geschonken. Welk eene verbazende +kracht! De tegenwoordige hagedissoorten, waarvan de alligators of +krokodillen de grootste en geduchtste zijn, zijn slechts zwakke +nabootsingen van hunne vaderen uit de eerste eeuwen! + +Ik sidder, omdat ik die monsters heb opgeroepen. Geen menschelijk +oog heeft ze ooit levend gezien. Zij verschenen op aarde duizend +eeuwen vóór den mensch, maar hunne versteende beenderen, die men +teruggevonden heeft in den kleiachtigen kalksteen, dien de Engelschen +"lias" noemen, hebben ons in staat gesteld hen ontleedkundig samen +te stellen en hunne kolossale vorming te leeren kennen. + +Ik heb in het Museum te Hamburg het geraamte gezien van eene +dier hagedissoorten, dat dertig voet lang was. Ben ik, een +bewoner der aarde, dan voorbeschikt om mij vlak tegenover die +vertegenwoordigers eener voorwereldlijke familie te bevinden? Neen! het +is onmogelijk. Toch staat het merk der sterke tanden op de ijzeren +staaf, en aan hun afdruksel zie ik, dat zij kegelvormig zijn gelijk +die van den krokodil. + +Angstig vestigen mijne blikken zich op de zee; ik vrees een van die +bewoners der onderzeesche holen boven te zien komen. + +Ik veronderstel, dat professor Lidenbrock mijne gedachten, misschien +wel mijne vrees deelt, want na het breekijzer onderzocht te hebben +ziet hij rond over den oceaan. + +"Naar den duivel," zeide ik in mijzelven, "met die gedachte, waarop +hij gekomen is, om te peilen! Hij heeft het een of andere zeedier in +zijne schuilplaats gestoord, en als wij niet onder weg aangevallen +worden!..." + +Ik sla een blik op de wapens en verzeker mij, dat zij in goeden staat +zijn. Mijn oom ziet, wat ik doe, en maakt eene goedkeurende beweging. + +Reeds verraden geweldige golvingen van de oppervlakte der baren de +onrust der dieper liggende lagen. Het gevaar is nabij. Wij moeten op +onze hoede zijn. + + +Dinsdag 18 Augustus.--Het wordt avond, of liever het oogenblik komt, +waarop de slaap onze oogleden bezwaart; want het wordt nooit nacht +op dezen oceaan en het onverzoenlijke licht vermoeit hardnekkig onze +oogen, alsof wij onder de zon der poolzeeën voeren. Hans staat aan +het roer. Gedurende zijne wacht slaap ik in. + +Twee uur later doet een vreeselijke schok mij ontwaken. Het vlot is +met eene onbeschrijfelijke kracht opgeheven en twintig vadem verder +nedergeworpen geworden. + +"Wat is er gaande?" roept mijn oom; "hebben wij gestooten?" + +Hans wijst met den vinger op een afstand van twee honderd vadem eene +zwartachtige massa, die beurtelings rijst en daalt. Ik bezie haar en +roep uit: + +"Het is een kolossale bruinvisch!" + +"Ja!" antwoordt mijn oom; "en ziedaar ook een buitengewoon groote +zeedraak!" + +"En verder een monsterachtige krokodil! Zie zijn breeden muilen de +rijen tanden, waarmede deze gewapend is. Ha! hij verdwijnt!" + +"Een walvisch! een walvisch!" roept de professor. "Ik merk zijne +ontzaglijke vinnen! Zie, wat al lucht en water hij uit zijne neusgaten +spuit!" + +Inderdaad verheffen zich twee vloeibare zuilen op eene aanmerkelijke +hoogte boven de zee. Wij staan verbaasd, ontsteld, beangst tegenover +deze troep zeemonsters. Zij hebben bovennatuurlijke afmetingen en +het kleinste hunner zou het vlot met één beet verbrijzelen. Hans +wil te loefwaart afhouden, om die gevaarlijke buren te ontwijken; +maar hij bemerkt aan de andere zijde niet minder geduchte vijanden: +eene veertig voet groote schildpad en eene slang van dertig voet, +die haar geduchten kop boven de golven uitsteekt. + +Het is onmogelijk om te vluchten. Die kruipende dieren naderen; +zij draaien rondom het vlot met eene vaart, die een sneltrein niet +zou kunnen evenaren; zij beschrijven om hetzelve evenmiddelpuntige +cirkels. Ik heb mijne karabijn gegrepen. Maar welke uitwerking kan +een kogel hebben op de schubben, waarmede het lichaam dezer dieren +bedekt is. + +Wij zijn stom van angst. Daar naderen zij! Van den eenen kant de +krokodil, van den anderen de slang. De overigen zijn verdwenen. Ik wil +vuur geven. Hans houdt mij door een teeken tegen. De twee monsters gaan +het vlot op vijftig vadem afstands voorbij, storten zich op elkander, +en hunne woede belet hun ons te bemerken. + +Het gevecht begint op een afstand van honderd vadem van het vlot. Wij +zien de beide monsters duidelijk handgemeen worden. + +Maar het schijnt mij toe, dat de andere dieren, de bruinvisch, de +walvisch, de zeedraak, de schildpad, nu ook deel komen nemen aan +de worsteling; ieder oogenblik meen ik hen te zien. Ik wijs ze den +IJslander. Deze schudt ontkennend het hoofd. + +"Tva!" zegt hij. + +"Hoe! twee? Hij beweert, dat slechts twee dieren...." + +"Hij heeft gelijk," roept mijn oom, die den kijker niet van zijne +oogen heeft weggenomen. + +"Nu nog fraaier!" + +"Ja! het eerste dezer monsters heeft den bek van een bruinvisch, +den kop van een zeedraak, de tanden van een krokodil en dat heeft +ons bedrogen. Het is het vreeselijkste der voorwereldlijke kruipende +dieren, de ichthyosaurus!" + +"En het andere?" + +"Het andere is eene slang, verborgen in de schaal eener schildpad, +de verschrikkelijke vijandin van den eerste, de plesiosaurus!" Hans +heeft de waarheid gesproken. Slechts twee monsters beroeren zoo de +oppervlakte der zee en ik heb twee kruipende dieren der oorspronkelijke +zeeën voor mij. Ik bemerk het bloedige oog van den ichthyosaurus, +dat zoo groot is als een menschenhoofd. De natuur heeft hem een +buitengewoon sterken gezichtstoestel geschonken, die in staat is om de +drukking der waterlagen in de diepte die hij bewoont, te weerstaan. Men +heeft hem terecht den walvisch der hagedissoorten genoemd, want hij +heeft zijne snelheid en gedaante. Deze meet niet minder dan honderd +voet, en ik kan over zijne grootte oordeelen, als hij zijne loodrechte +staartvinnen boven de golven uitsteekt. Zijn kaak is ontzettend groot, +en volgens de natuurkundigen bevat zij niet minder dan honderd twee +en tachtig tanden. + +De plesiosaurus, eene slang met een rolrond lichaam en korten staart, +heeft pooten in de gedaante van roeiriemen. Haar geheele lichaam is +met eene schaal bedek, en haar hals, even buigzaam als die der zwaan, +steekt dertig voet boven de golven uit. + +Deze dieren tasten elkander met eene onbeschrijfelijke woede +aan. Zij doen vloeibare bergen oprijzen, die zich tot het vlot toe +uitbreiden. Twintigmaal zijn wij op het punt van om te slaan. Een +ontzettend schel gefluit doet zich hooren. De twee dieren hebben +zich in elkander geslingerd. Ik kan het eene niet van het andere +onderscheiden! Alles hebben wij te vreezen van de woede des +overwinnaars. + +Een, twee uren verloopen. De worsteling wordt met dezelfde razernij +voortgezet. De strijdenden naderen en verlaten beurtelings het +vlot. Wij blijven onbeweeglijk, maar houden ons gereed om te vuren. + +Plotseling verdwijnen de ichthyosaurus en de plesiosaurus, en vormen +een echten maalstroom in den schoot der golven. Verscheidene minuten +verloopen. Zal het gevecht ten einde gebracht worden in de diepten +der zee? + +Maar eensklaps komt een ontzaglijke kop, die van den plesiosaurus, +boven water. Het monster is doodelijk gekwetst. Ik bemerk zijne +verbazende schaal niet meer. Zijn lange hals alleen richt zich +overeind, zakt, verheft zich weder, kromt zich nogmaals, drijft op de +golven als eene reusachtige zweep en wringt zich als een doorgesneden +worm. Het water spat tot op een aanzienlijken afstand. Het verblindt +ons. Maar spoedig eindigt de doodsangst van het kruipende dier, zijne +bewegingen verminderen, zijne stuiptrekkingen bedaren, en het lange +lijf der slang strekt zich als eene levenlooze massa op de tot rust +gekomene golven uit. + +Maar de ichthyosaurus, heeft hij zijn onderzeesch hol weder +opgegezocht, of zal hij nog eens aan de oppervlakte der zee +verschijnen? + + + + + + +HOOFDSTUK XXXIV + + Nieuw gevaar.--Iets gezien.--Een eiland.--De geyser. + + +Woensdag 19 Augustus.--Gelukkig heeft de hevige wind ons in staat +gesteld om snel het tooneel van den strijd te ontvluchten. Hans staat +nog altijd aan het roer. Mijn oom, die door de wisselingen van dien +strijd uit zijne alles overheerschende overpeinzingen was wakker +geschud, vervalt weder in zijne ongeduldige beschouwing van de zee. + +De reis wordt weder even eentonig als te voren, hetgeen ik niet meer +verlang te zien afbreken ten koste van de gevaren van gisteren. + + +Donderdag 20 Augustus.--Een vrij onbestendige +noord-noordwestenwind. Warm weder. Wij vorderen drie en een halve +mijl per uur. + +Tegen den middag doet zich in de verte een geraas hooren. Ik stip +hier het feit aan zonder er eene verklaring van te kunnen geven. Het +is een aanhoudend geloei. + +"De zee breekt in de verte op eene rots of een eilandje," zegt de +professor. + +Hans klautert in den top van den mast, maar seint geene klip. De +oceaan is effen tot aan den gezichteinder. + +Drie uren verloopen. Het geloei schijnt voort te komen van een +verwijderden waterval. + +Ik maak er mijn oom opmerkzaam op, die het hoofd schudt. Toch ben +ik overtuigd, dat ik mij niet bedrieg. Loopen wij dan een waterval +in den mond, die ons in den afgrond zal storten? Het is mogelijk, +dat die manier van te dalen den professor zal bevallen, omdat zij +dichter bij het loodrechte komt; maar ik voor mij.... + +In allen gevalle moet er eenige uren verder onder den wind een +geraasmakend natuurverschijnsel plaats hebben, want het geloei laat +zich nu met groote hevigheid hooren. Komt het uit de lucht of uit +den oceaan? + +Ik wend mijne blikken naar de in den dampkring zwevende dampen, en +tracht hunne hoogte te peilen. De lucht is stil; de wolken, die naar +het hoogste punt van het gewelf worden gevoerd, schijnen onbeweeglijk +en verliezen zich in de sterke stralenschieting van het licht. Dus +moet ik de oorzaak van het verschijnsel ergens anders zoeken. + +Ik onderzoek nu den zuiveren en onbenevelden gezichteinder. Zijn +voorkomen is niet veranderd. Maar als dat geraas voortkomt uit een +val, een waterval; als deze geheele oceaan in een lager bekken stort; +als dat geloei wordt voortgebracht door eene vallende watermassa, +dan moet de stroom versnellen en zijne toenemende snelheid kan mij +eene maat aangeven van het gevaar, dat ons bedreigt. Ik onderzoek de +stroomsnelheid. Zij is gelijk nul. Eene ledige flesch die ik in zee +werpt, blijft onder den wind. + +Tegen vier uur staat Hans op, klemt zich aan den mast en klautert naar +den top. Vandaar doorloopt zijn oog den cirkelboog, dien de oceaan voor +het vlot beschrijft, en blijft op één punt rusten. Zijn gelaat drukt +geene verrassing uit, maar zijn oog blijft in dezelfde richting staren. + +"Hij heeft iets gezien," zegt mijn oom. + +"Ik geloof het ook." + +Hans komt weder beneden, strekt den arm naar het zuiden uit en zegt + +"Dernere!" + +"Ginds!" antwoordt mijn oom. + +En zijn kijker nemende, ziet hij oplettend eene minuut, die mij wel +eene eeuw toescheen, voor zich uit en roept: + +"Ja, ja!" + +"Wat ziet gij?" + +"Eene verbazende waterzuil, die zich boven de golven verheft." + +"Weder het eene of andere zeedier?" + +"Misschien." + +"Laten wij dan den steven naar het westen wenden, want wij hebben +reeds kennis gemaakt met het gevaar van die voorwereldlijke monsters +te ontmoeten!" + +"Wij zullen niet van koers veranderen," antwoordt mijn oom. + +Ik wend mij naar Hans. Deze bestuurt het roer met vaste hand. + +En toch moet het, als wij op den afstand, die ons van dit dier +scheidt en dien wij gerust op twaalf uur gaans kunnen schatten, de +waterzuil kunnen zien, die het uit zijne neusgaten spuit, van eene +bovennatuurlijke grootte zijn. + +Vluchten zou dus niets anders zijn dan zich gedragen volgens de wetten +der meest gewone voorzichtigheid. Maar wij zijn niet hier gekomen om +voorzichtig te zijn. + +Wij gaan dus vooruit. Hoe dichterbij wij komen, hoe grooter de zuil +wordt. Welk monster kan zich met zulk eene hoeveelheid water opvullen +en het zoo zonder tusschenpoozen uitblazen? + +Te acht uur des avonds zijn wij er geene twee uur gaans meer van +af. Zijn zwartachtig, ontzaglijk en heuvelachtig lichaam strekt zich +als een eilandje in zee uit. Is het verbeelding? is het angst? Zijne +lengte schijnt mij toe meer dan duizend vadem te bedragen. Wat is dat +dan voor een walvischaardig dier, welks bestaan de Cuviers noch de +Blumenbachs hebben kunnen vermoeden? Het is onbeweeglijk en schijnt te +slapen; de zee schijnt het niet te kunnen optillen en de baren golven +langs zijne zijden. De waterzuil, die vijfhonderd voet hoog opgeworpen +wordt, valt weder met een oorverdoovend geraas als regen neder. Wij +houden als krankzinnigen op dien ontzaglijken klomp aan, dien honderd +walvisschen ook slechts voor één dag niet zouden verzadigen. + +De schrik bevangt mij. Ik wil niet verder gaan. Ik zal, als het +noodig is, den val van het zeil doorsnijden! Ik verzet mij tegen den +professor, die mij geen antwoord geeft. + +Eensklaps staat Hans op, en met den vinger het dreigende punt +aanwijzende, zegt hij: + +"Holme!" + +"Een eiland!" roept mijn oom. + +"Een eiland!" zeg ik, op mijne beurt de schouders ophalende. + +"Zeker!" antwoordt de professor schaterende van lachen. + +"Maar die waterzuil?" + +"Geyser", zegt Hans. + +"Zonder twijfel, een geyser", antwoordt mijn oom, "een geyser gelijk +aan dien op IJsland!" [14]. + +Ik wilde eerst niet toegeven, dat ik mij zoo lomp vergist had. Een +eilandje aangezien te hebben voor een zeemonster! Maar het wordt +duidelijk, dat het zoo is, en ik moet eindelijk mijne dwaling +erkennen. Het was slechts een gewoon verschijnsel. + +Naarmate wij naderen, worden de afmetingen der waterzuil +grootscher. Het eilandje stelt met eene bedrieglijke juistheid een +walvischaardig dier voor, welks kop tien vadem boven de golven +uitsteekt. De geyser, een woord, dat "woede" beteekent, verheft +zich statig aan het uiteinde. Van tijd tot tijd hebben er doffe +ontploffingen plaats, en de verbazende waterstraal, door hevigen +toorn aangegrepen, schudt zijn vederbos van dampen en stijgt tot de +eerste wolkenlaag. Hij staat op zich zelven. Zwaveldampen noch heete +bronnen omringen hem, en al de vulkanische kracht vereenigt zich +in hem. De stralen van het electrische licht vermengen zich met die +verblindende waterzuil, waarvan elke droppel geschakeerd wordt met +de prismatische kleuren. + +"Aan wal gaan!" beval de professor. + +Maar wij moeten zorgvuldig die waterhoos vermijden, die het vlot in +een oogenblik zou doen zinken. Behendig sturende brengt Hans ons aan +het uiteinde van het eilandje. + +Ik spring op de rots; mijn oom volgt mij gezwind, terwijl de jager op +zijn post blijft, als iemand die boven zulke verwondering verheven is. + +De bodem bestaat uit graniet vermengd met kiezelachtigen tufsteen; +hij beeft onder onze voeten, gelijk de wanden van een stoomketel, +waartegen oververhitte stoom bonst; hij is brandend heet. Wij komen +in het gezicht van een klein bekken in het midden, waaruit de geyser +zich verheft. Ik dompel een thermometer in het kokende water, die +eene hitte van honderd drie en zestig graad teekent. + +Dit water komt dus uit een vuurhaard. Dat is lijnrecht in strijd +met de theoriën van professor Lidenbrock. Ik kan niet nalaten het op +te merken. + +"Welnu!" antwoordt hij, "wat bewijst dit tegen mijne leer?" + +"Niets!" zeg ik op een drogen toon, ziende dat ik stoot op eene +ongeneeslijke stijfhoofdigheid. + +Niettemin moet ik bekennen, dat wij tot nu toe buitengewoon begunstigd +zijn, en dat deze reis, door eene mij onbekende oorzaak, volbracht +wordt onder bijzondere warmtetoestanden; maar het is, dunkt mij, +stellig zeker dat wij vroeger of later in die streken zullen komen, +waar de inwendige warmte de uiterste grenzen bereikt en alle +graadverdeelingen der thermometers overtreft. + +"Wij zullen wel zien." Zoo sprak de professor, die, na dit vulkanische +eilandje naar zijn neef genoemd te hebben, het sein geeft om ons +weder in te schepen. + +Ik blijf nog eenige minuten den geyser beschouwen. Ik merk op, dat de +toevoer van zijn straal onregelmatig is, dat hij somtijds in kracht +vermindert, dan weder nieuwe sterkte krijgt, hetgeen ik toeschrijf +aan het verschil in drukking van de dampen, die in zijn vergaderbak +opgehoopt zijn. + +Eindelijk vertrekken wij, en varen om de zeer steile rotsen aan de +zuidzijde. Hans heeft van dit oponthoud gebruik gemaakt om het vlot +te herstellen. + +Maar voor wij van land staken, doe ik eenige waarnemingen om den +afgelegden afstand te berekenen, en teeken ze aan in mijn journaal. Wij +hebben twee honderd zeventien zeemijlen van Gräubenhaven af doorloopen, +en bevinden ons zes honderd twintig uur gaans van IJsland af, +onder Engeland. + + + + + + +HOOFDSTUK XXXV + + Naderend onweder.--De rotsen van den oever.--Een orkaan.--Werking + der electriciteit.--Hevigheid van den orkaan.--De electrische + kogel.--Altijd op zee. + + +Vrijdag 21 Augustus.--Den volgenden dag is de prachtige geyser +verdwenen. De wind is opgestoken en heeft ons snel van het eilandje +Axel afgedreven. Het geloei heeft langzamerhand opgehouden. + +Het weder zal, als ik het zoo eens mag uitdrukken, binnen kort +veranderen. De dampkring wordt bezwangerd met dampen, die de +electriciteit medevoeren, welke ontstaan is uit de verdamping van +het zoute water; de wolken dalen merkbaar en nemen eene gelijke +olijfkleurige tint aan; de electrische lichtstralen kunnen nauwelijks +door die ondoorschijnende gordijn heenboren, die neergelaten is voor +het tooneel, waarop het treurspel der stormen zal gespeeld worden. + +Ik gevoel mij bijzonder ernstig gestemd, zooals op aarde ieder +schepsel is bij de nadering eener omkeering. De in het zuiden +opgehoopte stapelwolken leveren een droevig gezicht op; zij hebben +dat "onmeedoogende" voorkomen, dat ik dikwijls opgemerkt heb bij de +nadering der stormen. De lucht is drukkend, de zee kalm. + +In de verte gelijken de wolken op groote katoenbalen in eene +schilderachtige wanorde opeengestapeld; allengs zwellen zij op en +verliezen in aantal wat zij in omvang winnen; zij zijn zoo zwaar, dat +zij zich niet van den gezichteinder los kunnen maken: maar op den adem +der hooge luchtstroomingen vermengen zij zich langzamerhand, worden +donker en vertoonen weldra slechts eene laag van een geducht aanzien; +somtijds springt een kluwen van dampen, nog eenigszins verlicht, +over dat grauwe tapijt en verdwijnt weldra in de ondoorzichtige massa. + +Het is stellig, dat de dampkring verzadigd is met electriciteit; ik +ben er geheel van doortrokken, mijne haren richten zich overeind als +in de nabijheid eener electriseermachine. Mij dunkt dat mijne makkers, +zoo zij mij thans aanraakten, een geweldigen schok zouden ondervinden. + +Des morgens te tien uur zijn de voorteekenen van den storm nog +beslissender; men zou zeggen, dat de wind gaat liggen, om beter adem +te scheppen; de wolk gelijkt op een verbazenden zak, waarin de orkanen +opgezameld worden. + +Ik wil geen geloof hechten aan de bedreigingen des hemels, en toch +kan ik niet nalaten te zeggen: + +"Daar is slecht weder in aantocht." + +De professor antwoordde niet. Hij heeft een onuitstaanbaar humeur, +omdat hij den oceaan zich eindeloos ver vóór zich ziet uitstrekken. Hij +haalt op mijne woorden de schouders op. + +"Wij krijgen storm", zeg ik, de hand naar den gezichteinder +uitstekende; "die wolken dalen op de zee neder als om haar te +verpletteren!" + +Algemeene stilte. De wind zwijgt. De natuur ziet er uit als een doode +en ademt niet meer. Het slappe zeil valt in groote plooien tegen den +mast, waarop ik reeds een klein Sint-Elmusvuur zie schitteren. Het +vlot ligt onbeweeglijk in eene dikke zee zonder golfslag. Maar, als +wij toch niet vorderen, waartoe moeten wij dan dat zeil behouden, +dat ons bij den eersten schok van den storm in het verderf kan storten? + +"Wij moesten het zeil strijken," zeg ik, "en onzen mast kappen: +dat zou voorzichtig zijn." + +"Neen, voor den duivel!" roept mijn oom, "honderd maal neen! Laat +de wind ons aangrijpen, de storm ons medevoeren! maar laat ik toch +eindelijk de rotsen van den oever zien, al moest ons vlot er in +duizend stukken op verbrijzeld worden!" + +Die woorden zijn nog niet gesproken, of de gezichteinder verandert in +het zuiden eensklaps van aanzien; de opeengehoopte dampen lossen zich +op in water, en de lucht, die met kracht toesnelt om de ledige plaatsen +door de verdichting ontstaan te vullen, wordt een orkaan. Hij komt +uit de verste hoeken van het hol. De duisternis neemt toe. Nauwelijks +kan ik eenige onvolledige aanteekeningen maken. + +Het vlot wordt opgelicht en geslingerd. Mijn oom wordt van zijne +plaats afgeworpen. Ik sleep mij naar hem toe. Hij heeft zich stevig +vastgeklemd aan een kabeltouw en schijnt met genoegen dat schouwspel +der losgelaten elementen te aanschouwen. + +Hans beweegt zich niet. Zijne lange haren, door den orkaan opgewaaid +en op zijn onbeweeglijk gelaat nedervallende, geven hem een +vreemd voorkomen; want hunne uiteinden zijn bedekt met lichtgevende +electrische straalbundels; zijn schrik inboezemend aangezicht is dat +van een voorwereldlijken mensch, den tijdgenoot der ichthyosauriën +en megatheriums. + +Toch houdt de mast zich goed. Het zeil wordt gespannen als eene blaas, +die op het punt is van te bersten. Het vlot drijft voort met eene drift +die ik niet schatten kan, maar toch minder snel dan de waterdroppels, +die er onder verplaatst worden en zuivere rechte lijnen beschrijven. + +"Het zeil! het zeil!" zeg ik, een teeken gevende om het te strijken. + +"Neen!" antwoordt mijn oom. + +"Nej!" zegt Hans, zachtjes het hoofd schuddende. Intusschen vormt +de regen een bruisenden waterval voor den gezichteinder, waarop +wij als zinneloozen aanhouden. Maar voor hij ons bereikt, scheurt de +wolkensluier, de zee begint te koken, en de electriciteit voortgebracht +door eene sterke scheikundige werking, die in de bovenste lagen plaats +heeft, komt in het spel. + +Schitterende bliksemstralen vermengen zich met de donderslagen; +tallooze weerlichten kruisen elkander te midden van de losbarstingen; +de dampenmassa wordt witgloeiend, de hagelsteenen, die het metaal onzer +gereedschappen en wapenen treffen, worden lichtgevend; de hooge golven +schijnen zoovele vuurspuwende heuvelen te zijn, waaronder een inwendig +vuur blaakt en waarvan iedere top een vederbos van vlammen draagt. + +Mijn oogen zijn verblind door de sterkte van het licht, mijn ooren +verdoofd door het geraas van den donder; ik moet mij aan den mast +vasthouden, die buigt als een riet onder het geweld van den orkaan.... + +-- -- -- + +(Hier werden mijn aanteekeningen zeer onvolledig. Ik heb nog slechts +eenige vluchtige, om zoo te zeggen werktuiglijk gedane waarnemingen +teruggevonden. Maar door hare kortheid zelfs, dragen zij den stempel +van de ontroering, die mij beheerschte, en beter dan mijn geheugen +geven zij mij een besef van onzen toestand.) + +-- -- -- + + +Zondag 23 Augustus.--Waar zijn wij? Waarheen zijn wij met een +onmeetbare snelheid gevoerd? + +De nacht is vreeselijk geweest. De storm bedaart niet. Wij leven te +midden van geraas en onophoudelijke losbarstingen. Het bloed komt +uit onze ooren. Wij kunnen geen woord wisselen. + +Het weerlicht is niet van den hemel. Ik zie terugkeerende +zigzag-lijnen, die na eene snelle vaart weder van beneden naar boven +gaan en het granietgewelf treffen. Als het eens instortte! Andere +bliksemstralen verdeelen zich of nemen den vorm van vuurbollen aan, +die als bommen springen. Het algemeene geraas schijnt er niet door +te vermeerderen; het heeft de grens van sterkte, die het menschelijk +oor kan waarnemen, overschreden, en als alle buskruitmagazijnen der +wereld te gelijk sprongen, "zouden wij er niets van kunnen hooren." + +Er heeft eene gestadige uitvloeiing van licht aan de oppervlakte der +wolken plaats; de electrische stof maakt zich onophoudelijk uit hare +deeltjes los; ontelbare waterzuilen verheffen zich in den dampkring +en vallen schuimende neder. + +Waar gaan wij heen?... Mijn oom ligt zoo lang hij is op het uiteinde +van het vlot. + +De warmte neemt toe. Ik zie op den thermometer; hij wijst ... (Het +cijfer is uitgewischt.) + + +Maandag 24 Augustus.--Zal het dan nooit ophouden? Waarom zou de +toestand van dezen zoo dichten dampkring, eens gewijzigd zijnde, +niet bestendig zijn? + +Wij zijn uitgeput van vermoeienis. Hans blijft dezelfde. Het vlot +drijft onveranderlijk naar het zuidoosten. Wij zijn reeds meer dan +twee honderd uur gaans van het eilandje Axel verwijderd. + +Tegen den middag verdubbelt de hevigheid van den orkaan; wij moeten +al de voorwerpen der lading stevig vastmaken. Wij sjorren ons ook +vast. De golven slaan over ons hoofd. + +Drie dagen lang is het onmogelijk een woord met elkander te +spreken. Wij openen den mond, bewegen onze lippen, maar kunnen geen +verstaanbaar geluid voortbrengen. Zelfs al brengen wij den mond aan +elkanders oor, kunnen wij elkaar nog niet verstaan. + +Mijn oom is dichter bij mij gekomen. Hij heeft eenige woorden geuit. Ik +geloof, dat hij gezegd heelt: "Wij zijn verloren!" maar ik ben er +niet zeker van. + +Ik kom op den inval om deze woorden te schrijven: "Laten wij het +zeil strijken." + +Hij geeft mij een teeken van toestemming. + +Hij heeft nog den tijd niet gehad om zijn hoofd op te lichten, of +eene vurige schijf verschijnt op den rand van het vlot. De mast +en het zeil worden te gelijk weggeslagen, en ik heb ze tot eene +verbazende hoogte zien slingeren, gelijk aan den pterodactylus, +dien spookachtigen vogel uit de allereerste tijden. + +Wij zijn verstijfd van schrik; de half witte, half blauwe bol, zoo +groot als eene bom van tien duim, rolt langzaam voort en draait met +eene verbazende snelheid rond onder den stoot van den orkaan. Hij +komt hier, daar, stijgt op een der balken van het vlot; springt +over op den zak met levensmiddelen, daalt weder, springt op, gaat +strijkelings langs de kruitkist. O schrik! Wij zullen in de lucht +springen! Neen. De verblindende schijf verwijdert zich, zij nadert +Hans, die haar rustig aanziet; mijn oom, die nederknielt om haar te +ontwijken; mij, die verbleek en ril onder den glans van het licht +en de warmte; zij draait rond bij mijn voet, dien ik tracht terug te +trekken. Het mag mij niet gelukken. + +De lucht van salpeterig gas vervult den dampkring; zij dringt in de +keel, de longen. Wij stikken. + +Waarom kan ik mijn voet niet terugtrekken? Is hij misschien aan het +vlot vastgeklonken! ach! de val van den electrischen kogel heeft al het +ijzer aan boord magnetisch gemaakt; de werktuigen, de gereedschappen, +de wapenen raken in beweging en rammelen met een schel geluid tegen +elkander; de spijkers mijner schoenen houden stevig vast aan eene +ijzeren plaat, die in het hout zit. Ik kan mijn voet niet terugtrekken! + +Door eene geweldige, krachtsinspanning ruk ik hem eindelijk los, op +het oogenblik dat de bal hem in zijne ronddraaiende beweging grijpen +en mijzelven medeslepen zou, indien ... + +O! welk een fel licht! de bol springt! wij zijn met vonken vuur bedekt! + +Vervolgens wordt alles uitgedoofd. Ik heb even den tijd gehad om +te zien, dat mijn oom op het vlot ligt uitgestrekt, dat Hans, die +nog altijd aan het roer staat, "vuur spuwt" onder den invloed der +electriciteit, die hem doordringt! + +Waar gaan wij heen? waar gaan wij heen? + +-- -- -- + +Dinsdag 25 Augustus.--Ik kom bij, uit eene langdurige bezwijming; +de bliksemstralen worden ontketend gelijk een broedsel slangen, +die in den dampkring geslingerd worden. + +Zijn wij nog altijd op zee? Ja, en wij worden met eene onberekenbare +snelheid medegevoerd. Wij zijn onder Engeland, het Kanaal, Frankrijk, +onder geheel Europa misschien doorgegaan! + +-- -- -- + +Een nieuw geraas doet zich hooren! Het is zeker de zee, die op de +rotsen breekt!... Maar dan.... + +-- -- -- + + + + + + +HOOFDSTUK XXXVI + + Vreugde van den professor.--Toebereidselen voor de + terugreis.--Werktuigen gered.--De professor denkt aan zijne + collega's.--Op welke hoogte? + + +Hier eindigt, wat ik het "reisjournaal" heb genoemd, dat ik gelukkig +uit de schipbreuk heb gered. Ik vat den draad van mijn verhaal +weder op. + +Ik kan niet zeggen wat er voorviel, toen het vlot stiet tegen de +klippen der kust. Ik voelde, dat ik in de golven stortte, en dat ik +aan den dood ontkwam, dat mijn lichaam niet verbrijzeld werd tegen +de scherpe rotsen, had ik alleen te danken aan den gespierden arm +van Hans, die mij uit den afgrond redde. + +De moedige IJslander bracht mij buiten het bereik der golven op +brandend heet zand, waar ik naast mijn oom lag. + +Daarna keerde hij naar die rotsen terug, waartegen de woedende golven +beukten, om eenige overblijfselen uit de schipbreuk te redden. Ik +kon niet spreken; ik was afgemat door aandoeningen en vermoeienis; +ik had ruim een uur noodig om wat te herstellen. + +Intusschen viel er bij voortduring een zware stortregen met die +hevigheid, die het einde der stormen aankondigt. Eenige opeengestapelde +rotsblokken boden ons eene schuilplaats aan tegen de plasregens. Hans +bereidde spijzen, die ik niet kon aanraken, en wij allen vielen, +door drie slapelooze nachten uitgeput, in een onrustigen slaap. + +Den volgenden dag was het prachtig weder. Elk spoor van den storm +was verdwenen. De opgeruimde woorden van den professor begroetten +mij bij mijn ontwaken. Hij was vreeselijk vroolijk. + +"Hoe is het, mijn jongen!" riep hij, "hebt gij goed geslapen?" + +Zou men niet gezegd hebben, dat wij in het huis in de Koningstraat +waren, dat ik bedaard beneden kwam om te ontbijten en dat mijn huwelijk +met de arme Gräuben dienzelfden dag voltrokken zou worden? + +Helaas! als de storm het vlot maar een weinig oostelijk had geslagen, +dan zouden wij onder Duitschland, onder mijne geliefde stad Hamburg, +onder die straat, waarin alles woonde, wat ik het liefste op aarde +had, doorgegaan zijn. Nu scheidden mij er nauwelijks veertig uur +gaans van! Maar eene veertig uur lange loodlijn van graniet, hetgeen +inderdaad op een afstand van meer dan duizend uur gaans nederkwam! + +Al die smartelijke overdenkingen doorkruisten snel mijn hoofd, voor +ik de vraag van mijn oom beantwoordde. + +"Hoe is het!" herhaalde hij, "wilt gij niet zeggen, of gij goed +geslapen hebt?" + +"Zeer goed!" antwoordde ik, "ik ben nog wel zeer afgemat, maar dat +zal wel terecht komen." + +"Wel zeker! het is slechts vermoeidheid, anders niet." + +"Maar mij dunkt, dat gij dezen morgen bijzonder vroolijk zijt, oom!" + +"Ik ben in de wolken, mijn jongen! Wij zijn er!" + +"Aan het einde van onzen tocht?" + +"Neen, maar aan het einde van die zee, die niet scheen te eindigen. Wij +zullen nu weder over land gaan en inderdaad in de ingewanden der +aarde afdalen." + +"Oom! veroorloof mij eene vraag." + +"Met genoegen, Axel!" + +"En de terugreis?" + +"De terugreis! denkt gij reeds aan de terugreis, terwijl wij nog niet +eens aangekomen zijn?" + +"Neen, ik wilde alleen vragen, hoe wij die zullen bewerkstelligen." + +"Op de eenvoudigste manier van de wereld. Als wij eerst maar in +het middelpunt van den bol gekomen zijn, zullen wij òf een nieuwen +weg vinden om weder aan de oppervlakte te komen, òf wij zullen heel +bedaard langs denzelfden weg terugkeeren. Ik vertrouw, dat hij zich +niet achter ons sluiten zal." + +"Dan moet het vlot weder in orde gebracht worden." + +"Dat spreekt van zelf." + +"Maar zijn er genoeg levensmiddelen over om al die groote plannen +te volbrengen?" + +"Ja, zeker! Hans is een knappe kerel, en ik ben zeker, dat hij het +grootste gedeelte van de lading gered heeft. Wij zullen het echter +eens gaan onderzoeken." + +Wij verlieten deze grot, die voor alle winden open lag. Ik koesterde +eene hoop, die tegelijk eene vrees was; het was, dacht mij, onmogelijk, +dat de verschrikkelijke stranding van het vlot niet alles vernietigd +zou hebben, wat er op was. Ik bedroog mij. Op den oever komende, +zag ik Hans onder eene menigte ordelijk gerangschikte voorwerpen +staan. Mijn oom drukte hem de hand met een levendig gevoel van +erkentelijkheid. Die man, wiens bovenmenschelijke zelfopoffering +bijna zonder voorbeeld was, had gewerkt terwijl wij sliepen, en met +levensgevaar de kostbaarste voorwerpen gered. + +Wel hadden wij vrij gevoelige verliezen geleden, onze wapens o.a., +maar wij konden ze missen. De voorraad kruit was onbeschadigd gebleven, +nadat het gedurende den storm bijna in de lucht was gesprongen. + +"Welnu!" riep de professor, "als de geweren ons ontbreken, zijn wij +vrij van jagen." + +"Goed; maar de werktuigen!" + +"Hier is de luchtdichtheidsmeter, het nuttigste van alle, en waarvoor +ik de andere gaarne missen wil! Met dit werktuig kan ik de diepte +berekenen en weten, wanneer wij het middelpunt bereikt hebben. Zonder +hetzelve zouden wij gevaar loopen er voorbij te gaan en bij de +tegenvoeters uit te komen." + +Die scherts was wreed. + +"Maar het kompas?" vraagde ik. + +"Hier ligt het op deze rots, in volmaakte orde, evenals de thermometers +en de tijdmeter. O! die jager is een onwaardeerbaar man!" + +Ik moest erkennen, dat er op het punt van de werktuigen niets +ontbrak. Wat de gereedschappen betreft, zag ik op het zand ladders, +touwen, breekijzers, houweelen enz. verstrooid liggen. + +Toch moest de zaak van de levensmiddelen nog opgehelderd worden. + +"En de voorraad?" zeide ik. + +"Dien zullen wij ook eens nazien," antwoordde mijn oom. + +De kisten, die hem bevatten, lagen in eene lijn op het strand in +een ongeschonden staat; de zee had ze grootendeels gespaard, en aan +beschuit, gezouten vleesch, jenever en gedroogden visch konden wij +nog op vier maanden levensmiddelen rekenen. + +"Vier maanden!" riep de professor; "dan hebben wij tijd om te gaan +en terug te komen, en van het overschot wil ik een grooten maaltijd +aanrichten voor al mijne collega's van het Johannaeum!" + +Sedert lang had ik reeds gewoon moeten zijn aan het karakter van mijn +oom, en toch wekte die man nog altijd mijn verwondering op. + +"Nu," zeide hij, "zullen wij onzen watervoorraad vernieuwen met +den regen, dien het onweder in al die bekkens van graniet heeft +gestort; bij gevolg behoeven wij niet te vreezen, dat wij dorst zullen +lijden. Wat het vlot aangaat, zal ik Hans aanbevelen om het zoo goed +mogelijk te herstellen, hoewel wij er, denk ik, geen gebruik meer +van zullen maken." + +"Hoe zoo?" riep ik. + +"Dat is zoo maar eene gedachte van mij, mijn jongen! Ik geloof niet, +dat wij uit zullen gaan, waar wij ingekomen zijn." + +Ik zag den professor met een zeker wantrouwen aan; ik vraagde mijzelven +of hij soms gek was geworden. En toch "hij kan het zoo niet zeggen." + +"Laten wij gaan ontbijten!" hernam hij. + +"Ik volgde hem op eene hoogte, nadat hij zijne bevelen aan den jager +had gegeven. Daar hielden wij met gedroogd vleesch, beschuit en +thee een heerlijk maal, een der beste, ik erken het, die ik in mijn +leven had bijgewoond. De behoefte, de vrije lucht, de kalmte na de +ontsteltenis, alles werkte mede om mijn eetlust op te wekken. + +Onder het ontbijt legde ik mijn oom de vraag voor, waar wij op dit +oogenblik waren. + +"Dat is, dunkt mij, moeielijk te berekenen." + +"Het nauwkeurig te doen, ja!" antwoordde hij; "het is zelfs onmogelijk, +omdat ik gedurende dien driedaagschen storm geen aanteekening heb +kunnen houden van de snelheid en richting van het vlot; maar wij +kunnen het toch wel bij gissing vinden." + +"De laatste waarneming is gedaan op het eilandje van den geyser...." + +"Op het eilandje Axel, mijn jongen! Acht die eer niet gering, van +uwen naam geschonken te hebben aan het eerste eilandje, dat in het +middelpunt der aardmassa is ontdekt." + +"Het zij zoo! Op het eilandje Axel hadden wij omtrent twee honderd +zeventig zeemijlen afgelegd en bevonden wij ons meer dan zes honderd +uren gaans van IJsland af." + +"Goed! Dan zullen wij van dat punt uitgaan en vier dagen storm rekenen, +gedurende welke onze snelheid niet minder dan tachtig uur per dag +heeft kunnen bedragen." + +"Dat geloof ik ook. Dan zouden er nog driehonderd uur gaans bijkomen." + +"Ja! en de Lidenbrock-zee zou ten naastenbij zes honderd uur gaans +van den eenen oever tot den anderen meten! Weet gij wel, Axel! dat +zij dan in grootte met de Middellandsche zee kan wedijveren?" + +"Ja! vooral als wij haar alleen in de breedte overgestoken zijn!" + +"Dat is zeer licht mogelijk!" + +"En het aardigste is," voegde ik er bij, "dat als onze berekening +juist is, wij nu de Middellandsche zee boven ons hoofd hebben." + +"Is het waar?" + +"Ja! wij zijn immers negenhonderd uur gaans van Reikiavik af!" + +"Dat is een aardig eind, mijn jongen! maar dat wij juist onder de +Middellandsche zee en niet onder Turkije of den Atlantischen oceaan +zijn, kan alleen plaats hebben ingeval onze richting niet veranderd +is." + +"Neen! de wind scheen in denzelfden hoek te blijven; ik denk dus, +dat deze oever ten zuidoosten van Gräubenhaven ligt. + +"Wij kunnen ons er licht van verzekeren door het kompas te +raadplegen. Wij zullen eens op het kompas zien!" + +De professor begaf zich naar de rots, waarop Hans de werktuigen had +nedergelegd. Hij was vroolijk, opgeruimd, wreef zich in de handen, nam +allerlei houdingen aan, als ware hij nog een jongeling. Ik volgde hem, +nieuwsgierig om te weten of ik mij in mijne berekening ook bedroog. + +Bij de rots gekomen nam mijn oom het kompas, legde het waterpas, +en zag naar de naald, die na eenige slingeringen een vasten stand +aannam onder den invloed der magneetkracht. + +Mijn oom beschouwde haar, wreef zich toen de oogen uit en zag nog +eens. Eindelijk wendde hij zich geheel ontsteld tot mij. + +"Wat is er gaande?" vraagde ik. + +Hij wenkte mij om het werktuig te onderzoeken. Een kreet van verbazing +ontsnapte mij. De punt der naald wees naar het noorden waar wij het +zuiden zochten! Zij was naar het strand gericht in plaats van de +volle zee aan te wijzen! + +Ik schudde het kompas, ik onderzocht het; het was volmaakt in orde. In +welken stand men de naald ook bracht, zij nam hardnekkig weder die +onverwachte richting aan. + +Er viel dus niet meer aan te twijfelen, gedurende den storm was de wind +omgeloopen, zonder dat wij het bemerkten, en had het vlot teruggedreven +naar de oevers, die mijn oom meende achter zich te hebben. + + + + + + +HOOFDSTUK XXXVII + + Verloren reis.--Landverkenning.--Verbastering der schildpad.--De + beenderenvlakte. + + +Het zou mij onmogelijk zijn de opeenvolgende gevoelens te schetsen, die +professor Lidenbrock bezielden, zijn ontsteltenis, zijn ongeloof, zijn +toorn! Nooit zag ik iemand eerst zoo verlegen, daarna zoo verbitterd. + +De vermoeienissen van den overtocht, de doorgestane gevaren, alles +moest dus weder op nieuw beginnen. Wij waren achteruit in plaats van +vooruit gegaan. + +Maar mijn oom was weldra zichzelven weder meester. + +"O! het noodlot speelt mij zulke parten!" riep hij uit; "de elementen +spannen tegen mij samen! de lucht, het vuur en het water vereenigen +hunne pogingen om zich tegen mijne reis te verzetten! Welnu! men zal +zien, wat mijn wil vermag. Ik zal het niet opgeven; ik zal geene +streep achteruitgaan, en wij zullen zien, wie het winnen zal, de +mensch of de natuur!" + +Op de rots staande, verbitterd, dreigend, scheen Otto Lidenbrock, +gelijk de woeste Ajax, de goden uit te dagen. Maar ik oordeelde het +noodig om tusschen beiden te komen en die zinnelooze drift te betoomen. + +"Hoor mij aan!" zeide ik hem op een vasten toon. "Er is hier beneden +eene grens voor iedere eerzucht; wij moeten tegen het onmogelijke niet +kampen; wij zijn slecht uitgerust voor eene zeereis; vijf honderd uur +gaans kan men niet afleggen op een slecht samenraapsel van balken met +eene deken tot zeil, een stok tot mast, en dan nog tegen de ontketende +winden. Wij kunnen niet sturen, wij zijn de speelbal der stormen, +en wij zouden als dwazen handelen, zoo wij ten tweeden male dien +onmogelijken overtocht beproefden!" + +Tien minuten lang kon ik, zonder in de rede gevallen te worden, +die onwederlegbare redenen opsommen, maar dat kwam alleen door +de onoplettendheid van den professor, die geen woord van mijne +bewijsvoering verstond. + +"Naar het vlot!" riep hij. + +Hij antwoordde verder niets. Te vergeefs smeekte ik, werd ik driftig; +ik stiet het hoofd tegen een wil, die vaster was dan graniet. + +Hans was juist gereed met de herstelling van het vlot. Men zou gezegd +hebben, dat dit zonderling wezen de plannen mijns ooms ried. + +Met eenige stukken surtarbrandur had hij het vaartuig weder in orde +gebracht. Een zeil verhief er zich op en de wind speelde in zijne +plooien. + +De professor zeide eenige woorden tot den gids en terstond bracht deze +de bagage weder aan boord en maakte alles voor het vertrek gereed. De +dampkring was tamelijk zuiver en de noordwestewind hield aan. + +Wat kon ik doen? Mij alleen tegen twee verzetten? Onmogelijk. Als +Hans nog maar mijne zijde gekozen had. Maar neen! Het scheen, +dat de IJslander zijn eigen wil ter zijde gesteld en de gelofte +van zelfverloochening afgelegd had. Ik kon niets verkrijgen van +een dienaar, die zoo blindelings aan zijn heer overgegeven was. Ik +moest vooruit. + +Ik wilde dus op het vlot mijne gewone plaats innemen, toen mijn oom +mij met de hand tegenhield. + +"Wij zullen eerst morgen vertrekken," zeide hij. + +Ik maakte een gebaar als iemand, die zich aan alles onderwerpt. + +"Ik moet niets verzuimen," hernam hij, "en nu het noodlot mij op dit +gedeelte der kust heeft geworpen, zal ik het niet verlaten voor ik +het verkend heb." + +Men zal deze opmerking begrijpen, als men bedenkt, dat wij wel op +den noordelijken oever waren teruggekomen, maar niet op ons vroeger +uitgangspunt. Gräubenhaven moest westelijker liggen. Niets was derhalve +natuurlijker, dan zorgvuldig den omtrek dezer nieuwe landingsplaats +te onderzoeken. + +"Laten wij op ontdekking uitgaan!" + +En Hans aan zijn werk latende, vertrokken wij. De ruimte tusschen +het zeestrand en den voet der lage voorgebergten was zeer groot; wij +hadden een half uur te loopen voor wij den rotsmuur bereikten. Wij +vertrapten ontelbare schelpen van allerlei gedaante en grootte, waarin +de dieren der allereerste tijden leefden. Ik bemerkte ook verbazende +schalen wier middellijn dikwijls grooter was dan vijftien voet. Zij +hadden toebehoord aan die reusachtige glyptodons van het pliocenische +tijdvak, waarvan de hedendaagsche schildpad slechts eene onbeduidende +vertegenwoordigster is. Bovendien was de grond bezaaid met eene menigte +steenachtige overblijfselen, eene soort van strandkeitjes door de +golven afgerond en in opeenvolgende rijen gerangschikt. Ik kwam dus +tot de opmerking, dat de zee voorheen die ruimte had bedekt. Op de +verstrooide rotsen, die nu buiten haar bereik waren, hadden de golven +duidelijke sporen van haar overgang achtergelaten. + +Dit kan eenigszins het bestaan van dien oceaan, veertig uur gaans +onder de oppervlakte van den aardbol, verklaren. Maar mijns inziens +moest die watermassa allengs wegzinken in de ingewanden der aarde, +en was het duidelijk, dat zij voortkwam uit het water van den Oceaan, +die zich een weg baande door de eene of andere scheur. Evenwel moest +ik aannemen, dat die scheur thans verstopt was; want dit geheele hol +of die onmetelijke vergaarbak zou anders in korten tijd vol geloopen +zijn. Misschien ook was dit water, tegen het onderaardsche vuur +moetende strijden, gedeeltelijk verdampt. Daaruit kon ik dan ook de +wolken verklaren, die boven ons zweefden, en de vrijwording van die +electriciteit, die stormen deed ontstaan in het midden der aarde. + +Deze theorie van de natuurverschijnselen, die wij bijgewoond hadden, +scheen mij voldoende toe; want hoe groot de natuurwonderen ook zijn +mogen, toch kunnen zij altijd uit natuurkundige redenen verklaard +worden. + +Wij liepen dus over eene soort van aangespoelden grond door het water +gevormd, gelijk al de gronden van dat tijdperk, die zoo kwistig over +de oppervlakte van den aardbol verspreid zijn. De professor onderzocht +oplettend iedere kleine ruimte in de rotsen. Bestond er ergens eene +opening, dan was het van belang voor hem om er de diepte van te peilen. + +Eene mijl ver hadden wij het langs de oevers der Lidenbrock-zee +gehouden, toen het voorkomen van den grond plotseling veranderde. Het +scheen alsof alles omgewoeld was door eene hevige rijzing der +benedenlagen. Op verschillende plaatsen toonden hoogten en diepten +een geweldige verplaatsing van den bodem aan. + +Met moeite klauterden wij over deze verwarde massa granietstukken, +keisteenen, kwartsblokken en aangespoelde gronden, toen zich eene laag, +meer dan eene laag, eene geheele vlakte vol beenderen aan onze blikken +vertoonde. Men zou gezegd hebben, dat het een onmetelijk kerkhof was, +waar het gebeente der geslachten van twintig eeuwen nederlag. In de +verte vertoonden zich hooge stapels van dergelijke overblijfselen, +zich uitstrekkende zoover het oog reikte en die zich in een nevel +verloren. Dáár, op drie vierkante mijlen misschien, lag de geheele +geschiedenis van alle dierlijk leven opeengestapeld; eene geschiedenis, +slechts met flauwe trekken beschreven in de nieuwere aardlagen der +bewoonde wereld. + +Een ongeduldige nieuwsgierigheid overmeesterde ons. Met een dof geluid +kraakten onder onze voeten de overblijfselen dier voorhistorische +gedierten, welke in de musea der groote steden als kostbare voorwerpen +worden ten toon gesteld. Duizend Cuviers zouden niet toereikende +geweest zijn om die verbazende beenderenhoopen tot volledige geraamten +bijeen te voegen. + +Ik stond verbaasd. Mijn oom had zijne lange armen opgeheven naar het +dikke gewelf dat boven onze hoofden was uitgespannen. Zijn geheele +voorkomen kenteekende een onbegrensde verbazing, zijn gapende mond, +zijne achter de brilleglazen schitterende oogen, zijn hoofd dat +op en neder, rechts en links, heen en weder getrokken werd. Hij +stond voor een onschatbare verzameling leptotheriën, mericotheriën, +lophodions, anoplotheriën, megatheriën, mastodonten, protopitheken, +pterodactylen--in één woord, van allerlei voorwereldlijke +monsterdieren, hier als voor zijn vermaak opeengestapeld. Men stelle +zich een opgewonden boekenliefhebber voor, plotseling verplaatst in +de beroemde boekerij van Alexandrië, door een wonder uit hare asch +herrezen, na door Omar verbrand te zijn--in zulk eene stemming stond +daar mijn oom, professor Lidenbrock. + +Maar van een geheel anderen aard werd zijne gewaarwording, toen hij, +over de beenderen stappende, een schedel opnam en met eene trillende +stem uitriep: + +"Alex! Axel! een menschenhoofd!" + +"Een menschenhoofd, oom," antwoordde ik met geene mindere verbazing. + +"Ja, neef! Ach, Milne-Edwards! Ach, de Quatrefages! Waarom zijt gij +niet hier, waar ik ben, ik Otto Lidenbrock!" + + + + + + +HOOFDSTUK XXXVIII + + Voorwereldlijke overblijfselen.--Een menschelijk lichaam.--De reus + van Palermo.--Onderzoek van een lijk.--Een onmetelijk knekelhuis. + + +Om het aanroepen van de namen dier twee Fransche geleerden door +mijn oom wèl te begrijpen, moet men weten, dat een allerbelangrijkst +verschijnsel op het gebied der voorwereldlijke overblijfselen eenigen +tijd voor ons vertrek had plaats gegrepen. + +Den 8sten Maart 1863 vonden werklieden, onder bestuur van Boucher de +Perthes in de steengroeven van Moulin-Quignon bij Abbeville in het +Fransche departement la Somme arbeidende, een menschelijk kaakbeen op +eene diepte van veertien voet beneden den beganen grond. Het was het +eerste voorwerp van dien aard dat te voorschijn kwam. In de nabijheid +lagen bijlen van bewerkten vuursteen, door den tijd met een verweerd +huidje bedekt. + +Veel gerucht ging van deze ontdekking uit, niet alleen in Frankrijk, +maar ook in Engeland en Duitschland. Onderscheidene leden van +het Fransche Instituut, waaronder de heeren Milne-Edwards en de +Quatrefages, lieten zich aan de zaak gelegen liggen. Zij bewezen de +onbetwistbare echtheid van het voorwerp en betoonden zich krachtige +verdedigers "in het geding ter zake van het kaakbeen," gelijk de +Engelschen zich uitdrukten. + +Bij de geologen van het Vereenigd Koninkrijk die het feit als zeker +beschouwden, zooals Falconer, Bush, Carpenter enz. voegden zich +Duitsche geleerden, en daaronder als de ijverigste, de opgewondenste, +mijn oom Lidenbrock. + +De echtheid van een menschelijk overblijfsel uit het quaternaire +tijdperk scheen dus onwederlegbaar bewezen. + +Die echtheid had niettemin een ijverig tegenstander in Elias +de Beaumont. Deze hooggeschatte geleerde beweerde, dat de grond +van Moulin-Quignon niet diluviaansch, maar uit lateren tijd was, +en evenmin als Cuvier wilde hij iets weten van de bewering, dat het +menschdom gelijktijdig met de dieren uit het quaternaire tijdperk +zou bestaan hebben. Mijn oom Lidenbrock had, in overeenstemming met +de groote meerderheid der geologen, staande gehouden, getwist en +geredeneerd, terwijl de Beaumont met zijne meening genoegzaam alleen +was blijven staan. + +Wij kenden deze zaak in al hare bijzonderheden, maar wisten niet, dat +het onderwerp na ons vertrek opnieuw ter sprake was gekomen. Andere +dergelijke kaakbeenderen, schoon dan afkomstig van andere stammen en +dus van afwijkende vormen, waren in sommige grotten van Frankrijk, +Zwitserland en België gevonden, benevens wapenen, huisraad, +gereedschappen, beenderen van kinderen, jonge menschen, volwassenen, +grijsaards. Het bevestigde zich met elken dag meer, dat de mensch +inderdaad in het quaternaire tijdperk geleefd heeft. + +En dit was nog niet alles. Nieuwe opgravingen uit het tertiaire +pliocenische tijdperk hadden voorwerpen doen ontdekken, uit welke +de stoutste geleerden eene nog veel hooger opklimmende oudheid aan +het menschdom hadden toegekend. Deze overblijfselen waren wel geen +beenderen van menschen, maar toch voortbrengselen zijner kunstvlijt, +namelijk scheen- en dijbeenderen van uitgestorven dieren, besneden +met regelmatige figuren, die het kenmerk van 's menschen hand droegen. + +Daardoor klom het bestaan van den mensch plotseling de ladder eener +lange reeks van eeuwen op; hij leefde reeds vroeger dan de mastodont; +hij was een tijdgenoot van die voorwereldlijke olifanten, welke men +"elephas meridionalis" noemt; hij was reeds voor honderd duizend +jaren een bewoner dezer aarde; immers op dien ouderdom begrooten de +meest vermaarde geleerden de pliocenische formatie. + +Op dat standpunt stond destijds de wetenschap der voorwereldlijke +dieren en hetgeen wij er van wisten was genoeg om onze aandacht +op die beenderenhoopen in de Lidenbrock-zee te spannen. Men kan +zich dus voorstellen hoe opgetogen mijn oom was, vooral toen hij, +twintig schreden verder, zich in de onmiddellijke nabijheid van een +menschelijk overblijfsel uit het quaternaire tijdperk bevond. + +Het was een menschelijk lichaam, duidelijk als zoodanig herkenbaar. Had +eene bijzondere gesteldheid van den grond, gelijk aan dien van +het kerkhof van St. Michel te Bordeaux, dat lichaam zoovele eeuwen +bewaard? Ik weet het niet. Maar dat lijk, met zijne perkamentachtige +huid en nog weeke ledematen--op het oog althans--met zijn gaaf gebit, +met zijn overvloedig hoofdhaar, met zijne verbazend uitgegroeide +nagels aan vingers en teenen--dat lijk vertoonde een wezen zooals +het geleefd had. + +Ik stond als stom tegenover deze verschijning uit lang vervlogen +eeuwen. Mijn oom, anders zoo woordenrijk van aard, sprak insgelijks +geen woord. Wij hadden het voorwerp opgenomen en overeind gezet. Het +scheen ons met zijn holle oogkassen aan te staren. + +Na eenige oogenblikken zwijgens ging de oom op in den professor. Otto +Lidenbrock vergat in zijne opgewondenheid de omstandigheden van onzen +tocht, de plaats waar wij waren, de onmetelijke spelonk in welke wij +stonden. Zonder twijfel stond hij met zijne gedachten in het college, +bezig zijne leerlingen te onderwijzen; immers hij nam een geleerden +toon aan en richtte tot een denkbeeldig gehoor op deze wijze het woord: + +"Mijne heeren! ik heb de eer u een mensch uit het quaternaire +tijdperk voor te stellen. Groote geleerden hebben zijn bestaan +ontkend; anderen, niet minder groot, het verzekerd. Deze ongeloovige +Thomassen der wetenschap zouden, indien zij hier waren, hem met +den vinger kunnen aanraken en wel genoodzaakt zijn hunne dwaling te +herroepen. Ik weet zeer wel, dat de wetenschap op hare hoede moet +zijn tegenover zulke ontdekkingen. Het is mij niet onbekend wat er +van den voorwereldlijken mensch geworden is onder de handen van een +Barnum en andere soortgelijke kwakzalvers. Ik ken de geschiedenis van +de knieschijf van Ajax, van het zoogenaamde lijk van Orestes, dat +door de Spartanen zou teruggevonden zijn, en van dat van Asterius, +tien ellebogen lang, waarvan Pausanias spreekt. Gelezen heb ik +de berichten aangaande het in de XIVde eeuw gevonden geraamte van +Trapani, waarin men Polyphemus heeft meenen te vinden; bekend is mij +de geschiedenis van een reus, die in de XVIe eeuw in den omtrek van +Palermo is opgegraven. Even goed als ik, weet gij, mijne heeren, +hoe de beenderen, te Lucern in 1577 gevonden, door den vermaarden +geneesheer Felix Plater verklaard zijn voor gedeelten van een reus +van negentien voet lengte. Gelezen, ik mag wel zeggen verslonden, +heb ik de verhandelingen van Cassanion, benevens al de geschriften en +tegenschriften ter gelegenheid van het geraamte, den 11den Januari +1613 op het landgoed van den heer de Langow bij het kasteel van +Chaumont in Dauphiné opgegraven, dat naar beweerd en betwist werd, +dat van Teuthobochus, koning der Cimbren, zou geweest zijn. Had ik +in de vorige eeuw geleefd, ik zou met P. Campet geplukhaard hebben +over het bestaan van den voorwereldlijken mensch van Scheuchzer. Ik +heb het geschrift in handen gehad, getiteld: Gigan...." + +Hier bleek het natuurlijke gebrek van mijn oom, die in het openbaar +geen moeilijke woorden kon uitspreken. + +"Het geschrift, getiteld Gigan...." + +Hij kon het niet verder brengen. + +"Giganteo...." + +Onmogelijk! Het moeielijke woord wilde er niet uit! Wat zou men hem +op het college hebben uitgelachen! + +Eindelijk wrong hij tusschen een paar vloeken in, uit de keel: +Gigantosteologie. + +Op vlugger toon ging hij voort: + +"Ja, mijne heeren, ik weet daar alles van. Ik weet ook, dat Cuvier +en Blumenbach die beenderen hebben gehouden voor overblijfselen van +mammouths en andere dieren uit het quaternaire tijdperk. Maar hier +zou elke twijfeling eene beleediging der wetenschap zijn. Ziedaar het +lijk! Gij kunt het zien, gij kunt het aanraken! Het is geen geraamte, +het is een volledig lichaam, uitsluitend bewaard als bijdrage tot de +natuurkundige geschiedenis van den mensch!" + +Ik had geen lust om die bewering tegen te spreken. + +"Indien ik het in een oplossing van zwavelzuur kon leggen," ging mijn +oom voort, "zou ik er alle aardachtige aanhangselen en schulpen af +weeken. Maar ik heb hier geen zwavelzuur. Intusschen, het zij zoo +als het wil, het lijk zal ons zijn eigene geschiedenis verhalen." + +De professor nam het lijk en ging er mede om als de handigste vertooner +van zeldzaamheden. + +"Gij ziet," hernam hij, "het haalt geen zes voet lengte, en wij zijn +dus ver van de voorgewende reuzen. Wat het ras betreft, waartoe het +behoort, dit is buiten allen twijfel het kaukasische, het blanke, +het onze! De schedel is regelmatig eivormig, zonder vooruitstekende +oogbeenderen of verlengde kaakbeenderen. Het vertoont geen spoor van +prognathismus dat den gelaatshoek wijzigt [15]. Meet dien hoek, hij is +bijna 90°. Maar ik zal nog verder gaan op den weg der gevolgtrekkingen, +en dus zeggen, dat dit voorwerp behoort tot het ras van Japhet--den +Indo-Germaanschen stam--, van Indië tot aan de westelijke streken +van Europa verspreid. Lacht niet, mijne heeren!" + +Niemand vertrok een mond tot lachen; maar de professor was gewoon +ongeloovige lachjes te zien verschijnen op het gelaat zijner +toehoorders te midden van het uitkramen zijner geleerdheid. + +"Voorzeker," begon hij met nieuwe kracht weder, "wij hebben +daar een voorwereldlijken mensch, tijdgenoot van de mastodonten, +wier gebeenten daar in den omtrek verspreid liggen. Maar u zeggen +hoe hij daar gekomen is, hoe de lagen, in welke hij is begraven +geweest, tot in deze geweldige holte in de ingewanden der aarde zijn +geschoven,--dat is iets waar ik mij niet aan wagen zal. Ongetwijfeld +hadden gedurende het quaternaire tijdvak nog verbazende, omwentelingen +in de aardschors plaats; de voortdurende afkoeling des aardbols +veroorzaakte scheuren, spleten, kloven, waarin waarschijnlijk +een gedeelte van den bovengrond wegzakte. Ik zal mij daarover niet +uitlaten; hoe het zij, het menschelijk overblijfsel is daar, omringd +door het werk zijner handen, die bijlen en bewerkte vuursteenen +die het steentijdperk gevormd hebben; misschien is hij hier gekomen +gelijk ik, als reiziger, als ontsteker van het licht der beschaving, +maar aan de opgegeven oudheid van zijn bestaan kan ik niet twijfelen." + +De professor zweeg en ik deed als een éénig man luide toejuichingen +hooren. Overigens, mijn oom had gelijk: geleerder mannen dan zijn +neef zouden veel moeite gehad hebben hem te wederleggen. + +Iets anders nog ten bewijze. Het gevonden overblijfsel was niet het +eenige in zijne soort in dit onmetelijke knekelhuis. Andere voorwerpen +vertoonden zich bij elke schrede die wij deden, en mijn oom had +slechts het merkwaardigste uit te zoeken om het aan ongeloovigen ter +overtuiging voor te leggen. + +In waarheid, die bonte verzameling overblijfselen van menschen en +dieren, op dit uitgestrekte kerkhof dooreenliggende, leverde een +eigenaardig schouwspel op. Maar er rees eene belangrijke vraag op, die +wij niet waagden te beantwoorden. Waren de overblijfselen herwaarts +gedreven nadat de menschen en dieren, tot welke zij eenmaal hadden +behoord, reeds hadden opgehouden te leven; of leefden en woonden zij +eenmaal in deze onderaardsche wereld? Tot dusver hadden wij er alleen +zeemonsters en visschen in leven gezien. Zwierf nog eenig onderaardsch +mensch rond op deze woeste vlakten? + + + + + + +HOOFDSTUK XXXIX + + Voorwereldlijke planten en dieren.--Mosplanten.--Mastodonten.--De + aapmensch.--Niet op het uitgangspunt terug.--Een dolk.--Eene echte + dagge. + + +Nog gedurende een half uur kraakten deze beenderenlagen onder onze +voeten. Wij stapten voorwaarts, voortgedreven door eene brandende +nieuwsgierigheid. Welke andere wonderen bevatte deze spelonk, welke +schatten voor de wetenschap? Mijn blik was voorbereid op allerlei +verrassingen, mijne verbeelding op allerlei merkwaardigheden. + +Het zeestrand was reeds lang achter de heuvels in het beenderendal +verdwenen. De onvoorzichtige professor gaf er weinig om of hij van den +weg geraakte en sleurde mij met zich voort. Zonder een woord te spreken +en badende in de elektrieke golven, schreden wij voorwaarts. Tengevolge +van een voor mij onverklaarbaar verschijnsel verspreidde zich het licht +zoodanig, dat het gelijkelijk op al de deelen der voorwerpen viel. Het +ging niet van een bepaald punt uit en vertoonde ook geen de minste +schaduw. Het was even alsof men zich op den vollen middag, in het +midden van den zomer, onder de loodrecht nedervallende zonnestralen +tusschen de keerkringen bevond. Van damp geen het minste spoor. De +rotsen, de verwijderde bergen, de nog verder afgelegen bosschen--het +had alles een zonderling voorkomen onder de gelijkmatige verdeeling +van de lichtende vloeistof. Wij geleken naar den man van Hoffmann, +die geen schaduw had. + +Na eene wandeling van een mijl vertoonde zich de zoom van een +onmetelijk woud, maar geen enkele der champignonboomen in de nabijheid +van Gräubenhaven. + +Het was de plantenwereld van het tertiaire tijdperk in al hare +heerlijkheid. Reusachtige palmboomen in soorten die tegenwoordig +niet meer bestaan, prachtige dennen, cypressen en levensboomen +vertegenwoordigden de kegeldragende boomen en waren onderling +verbonden door een netwerk van slingerplanten. De grond was bedekt +door een mollig tapijt van mosplanten en levermossen. Eenige beekjes +murmelden onder het geboomte, dat echter geene schaduw van zich +gaf. Langs de kanten van het water wiesen boomvarens, gelijkende naar +die, welke men aantreft in de broeikassen der bewoonde aarde. Doch +kleur hadden die boomen en heesters en planten niet, omdat zij het +zonlicht misten. Alles was als met eene flauwe, bruinachtige tint +overtogen. De bladeren misten hun groen, en de bloemen zelve, zoo +talrijk in het tertiaire tijdperk, hadden kleur noch geur; 't was +alsof zij vervaardigd waren van papier, verkleurd onder den invloed +van den dampkring. + +Mijn oom Lidenbrock waagde zich onder die reusachtige takken. Ik +volgde hem, niet zonder zekeren angst. Had de natuur daar gezorgd +voor overvloed van plantenvoedsel, waarom zag men er geen dier +reusachtige zoogdieren? Ik ontwaarde op de opene plekken, ontstaan +door het omvallen van doode boomen, kruiden die tot de legumineusen, +de acerinen, de rubiaceën behoorden, en voorts, duizenderlei eetbare +struikgewassen, op welke de herkauwende dieren van alle tijden zoozeer +aasden. Verder vertoonden zich, van alles dooreen, boomen zooals men +ze in de verschillende streken des aardbols aantreft, eiken naast +palmboomen, Australische mirten naast Noorweegsche dennen, Noordsche +berken, hunne takken slingerende tusschen tropische tamerinden. Het +was eene verzameling om de schranderste plantenkenners tot wanhoop +te brengen. + +Op eens bleef ik stilstaan. Met de hand hield ik mijn oom terug. + +Het gelijkmatig verspreidde licht liet ook de kleinste voorwerpen +op den grond onder het geboomte waarnemen. Ik geloofde te +zien.... Neen! inderdaad, ik zag er wezenlijk, met mijne oogen, eene +dierenwereld in beweging. Inderdaad, het waren reusachtige dieren, +eene geheele kudde mastodonten, nu geene geraamten, maar levende +dieren, gelijkende op die, waarvan de overblijfselen in 1801 in de +moerassen van de Ohio gevonden zijn. Ik zag die groote olifanten, +welker snuiten onder de boomen kronkelden als eene menigte slangen. Ik +hoorde hun ivoren slagtanden tegen de oude stammen slaan. De takken +braken af en de bladeren verdwenen in den open muil dier wangedrochten. + +Zoo was dan eindelijk de droom verwezenlijkt, in welken ik die geheele +voorhistorische wereld had zien herleven in den tertiairen en den +quaternairen tijd! En wij stonden daar, alléén, in de ingewanden der +aarde, ter prooi aan het woeste gedierte! + +Mijn oom zag nauwlettend om zich heen. + +"Kom," zeide hij, mij bij den arm nemende, "voorwaarts, voorwaarts!" + +"Neen!" riep ik uit, "dat niet. Wij zijn ongewapend. Wat zouden +wij doen in het midden dezer menigte reusachtige dieren? Kom, oom, +kom! Geen menschelijk wezen is in staat om ongestraft de woede dier +gedierten te tergen." + +"Geen menschelijk wezen!" antwoordde mijn oom met zachte stem. "Dat +hebt gij mis, Axel! Zie, daar omlaag! Mij dunkt ik zie een wezen als +wij zijn! Een mensch!" + +Met opgetrokken schouders zag ik toe, vast besloten om de +ongeloovigheid tot het uiterste te drijven. Maar ik was wel genoodzaakt +voor de klaarblijkelijkheid te zwichten. + +Inderdaad, op minstens een vierde mijl afstand, zat, leunende tegen +een reusachtigen boom, een menschelijk wezen, een Proteus in deze +onderaardsche gewesten, een nieuwe zoon van Neptunus, de wacht te +houden over die ontelbare kudde mastodonten! + + + Hoeder van een reuzenkudde, + Maar toch zelf nog grooter reus! + + +Ja! zelf nog grooter reus! 't Was nu niet het menschelijk +overblijfsel dat wij hadden opgenomen te midden dier onmetelijke +beenderenwereld, maar een reus, in staat om gebied te voeren over +die monsterdieren. Zijne grootte ging de twaalf voet te boven. Zijn +hoofd, zoo groot als dat van een buffel, verschool zich onder een +kreupelbosch van verwarde haren. Het schenen manen, gelijkende naar +die van den voorwereldlijken olifant. Hij slingerde met de hand een +reusachtigen tak, waardigen staf van dezen voorwereldlijken herder. + +Onbeweeglijk en in verbazing waren wij blijven staan. Maar wij konden +opgemerkt worden. Het was tijd het hazepad te kiezen. + +"Kom, kom!" riep ik uit, mijn oom voorttrekkende, die zich voor het +eerst liet medetrekken. + +Een kwartier later waren wij uit het oog van dezen gevreesden vijand. + +En nu ik er bedaard over nadenk, nu mijn geest tot kalmte is +teruggekeerd, nu er maanden zijn verloopen na deze vreemde en +bovennatuurlijke ontmoeting--wat moet ik er nu van denken? Wat er van +gelooven? Neen! het is onmogelijk! Onze zintuigen hebben ons bedrogen; +onze oogen hebben niet gezien hetgeen wij waanden dat zij zagen. Er +leeft geen menschelijk wezen in die onderaardsche wereld! Geen +menschengeslacht bewoont die onderaardsche spelonken, buiten +gemeenschap met de bovenwereld! Dat is onzinnig, volkomen onzinnig! + +Ik wil liever denken aan een of ander dier, dat min of meer iets +heeft van de gedaanten des menschen, aan eene soort van aap, aan een +protopitheek of mesopitheek, omtrent zooals er Lartet de overblijfselen +van aantrof in de beenderenlaag van Sansan! Maar deze aapmensch +overschreed ver elke afmeting van de thans bekende wezens uit den +vóórtijd! Om 't even! Een aap, ja, een aap, hoe onwaarschijnlijk het +dan ook moge wezen! Maar een mensch, een levend mensch, en met hem een +geheel menschengeslacht, begraven in de ingewanden der aarde! Nimmer! + +Intusschen, wij hadden het heldere, lichtvolle bosch verlaten, +stom van verwondering, overstelpt door eene verbazing die ons als +wezenloos maakte. Wij liepen snel, in weerwil van ons zelven. Het +was een ware vlucht, gelijksoortig aan den geweldigen angst dien men +bij de zoogenoemde nachtmerrie gevoelt. Als onder den invloed eener +geheime aandrift keerden wij terug naar de Lidenbrock-zee, en ik weet +niet welke voorstellingen mijne ziel al doorkruist zouden hebben, +ware het niet, dat ik op andere wijze naar meer gewone gedachten +werd heengeleid. + +Hoewel ik zeker was een geheel anderen bodem te betreden, bemerkte ik +toch menigmaal gemengde rotsen, wier gedaante mij aan Gräubenhaven deed +denken. Men zou er zich soms in bedrogen hebben; beken en watervallen +stortten bij honderden van de uitstekende rotsen af. + +Ik verbeelde mij de laag Surtarbrandur, onze getrouwe Hansbeek en +de grot, waarin ik in het leven teruggekeerd was, weder te zien; +iets verder brachten de schikking der voorgebergten, de verschijning +eener beek, het verrassende voorkomen eener rots, mij weder aan +het twijfelen. + +De professor was even besluiteloos als ik; hij kon den weg niet vinden +in dat eenvormige panorama. Ik maakte het op uit eenige woorden, +die hem ontvielen. + +"Het is zeker," zeide ik hem, "dat wij niet op ons uitgangspunt terug +gekomen zijn; maar als wij den oever langs varen, komen wij stellig +weder bij Gräubenhaven terug." + +"Als dat zoo is," antwoordde mijn oom, "is het noodeloos om dit +onderzoek voort te zetten en het beste is naar het vlot terug te +keeren. Maar vergist gij u niet, Axel?" + +"Het is moeielijk dienaangaande iets te beslissen, want al die rotsen +gelijken op elkander. Mij dunkt echter, dat ik het voorgebergte herken, +aan welks voet Hans zijn vaartuig heeft gebouwd. Wij moeten dicht bij +de kleine haven zijn, misschien is deze het wel," voegde ik er bij, +eene kleine streek onderzoekende, die ik meende te herkennen. + +"Wel neen, Axel! dan zouden wij ten minste onze eigene sporen +terugvinden, en ik zie niets...." + +"Maar ik zie wat!" riep ik naar een voorwerp toeloopende, dat op het +zand blonk. + +"Wat is het dan?" + +"Ziedaar!" antwoordde ik, en toonde mijn oom een dolk, dien ik had +opgeraapt. + +"Hadt gij dan dat wapen medegenomen?" zeide hij. + +"Ik, in het geheel niet, maar gij veronderstel ik." + +"Zoo ver ik weet, niet; ik heb dat voorwerp nooit in mijn bezit gehad." + +"En ik nog minder, oom!" + +"Dat is vreemd." + +"Wel neen! het is zeer eenvoudig; de IJslanders hebben dikwijls +zulke wapenen, en Hans, wien dit toebehoort, heeft het op dezen +oever verloren...." + +"Hans!" zeide mijn oom het hoofd schuddende. + +Vervolgens onderzocht hij oplettend het wapen. + +"Axel!" zeide hij mij op een ernstigen toon, "deze dolk is een wapen +uit de zestiende eeuw, eene echte dagge, zooals de edellieden ze aan +hun gordel droegen om den genadestoot te geven; hij is van spaanschen +oorsprong; hij behoort u, noch mij, noch den jager!" + +"Durft gij zeggen?".... + +"Zie! die schaarden zijn er niet ingekomen door hem menschen in de +keel te duwen; zijn lemmet is met eene laag roest bedekt, die niet +dagteekent van één dag, van één jaar, noch van één eeuw!" + +De professor werd naar gewoonte opgewonden, terwijl hij zich door +zijne verbeelding liet medeslepen. + +"Axel!" hernam hij, "wij zijn op den goeden weg van de groote +ontdekking! Dit lemmet is sedert een, twee, drie honderd jaar op het +zand blijven liggen, en is geschaard op de rotsen dezer onderaardsche +zee!" + +"Maar het is hier niet van zelf gekomen!" riep ik uit; "het is niet +van zelf geschaard! iemand is ons voor geweest!..." + +"Ja, een man?" + +"En die man?" + +"Die man heeft zijn naam met dezen dolk gegrift! Die man heeft nog +eens eigenhandig den weg naar het middelpunt willen aanwijzen! Laten +wij zoeken! laten wij zoeken!" + +En vol belangstelling gaan wij den hoogen muur langs en onderzoeken +de geringste scheuren, die in eene galerij konden overgaan. + +Zoo kwamen wij op eene plaats, waar de oever smaller werd. De zee +bespeelde bijna den voet der voorgebergten, een pad van ter nauwernood +een vadem breed overlatende. Tusschen twee vooruitstekende rotsen +bemerkte men den ingang van een duisteren tunnel. + +Daar stonden op een granietblok twee geheimzinnige, half uitgewischte +letters, de beide voorletters van den stoutmoedigen, avontuurlijken +reiziger: + +[AFBEELDING] + +"A.S.!" riep mijn oom. "Arne Saknussemm! Altijd Arne Saknussemm!" + + + + + + +HOOFDSTUK XL + + Arne Saknussemm.--Altijd dalen.--De schepen verbranden.--Een + weg voor de lava.--De mijn moet springen. + + +Sedert den aanvang der reis had ik mij over veel verwonderd; ik mocht +dus meenen, dat ik op mijne hoede was tegen verrassingen en gewapend +tegen elke verbaasdheid. Op het gezicht echter van die beide letters, +die daar reeds voor tweehonderd jaar gegrift waren, stond ik bijna +zoo onnoozel te kijken als een domoor. + +Niet alleen las ik de naamteekening van den geleerden goudzoeker op +de rots, maar ook de stift, waarmede zij gegrift was, bevond zich in +mijne handen. Zonder in het oogloopend wantrouwend te zijn, kon ik +niet langer twijfelen aan het bestaan van den reiziger en de echtheid +zijner reis. + +Terwijl die gedachten in mij opkwamen, hief professor Lidenbrock een +min of meer gezwollen lied aan ter eere van Arne Saknussemm. + +"Wonderlijke geest!" riep hij uit, "gij hebt niets over het hoofd +gezien, wat anderen stervelingen den weg door de aardschors kan banen, +en zij die u gelijken, kunnen de sporen terugvinden die uwe voeten voor +drie eeuwen op den boden dezer duistere onderaardsche gewelven hebben +achtergelaten! Voor andere blikken dan de uwen hebt gij de beschouwing +dezer wonderen bespaard! Uw op iedere rustplaats gegrifte naam geleidt +den reiziger, die stoutmoedig genoeg is om u te volgen, recht op het +doel aan, en in het middelpunt onzer planeet zal hij ook staan, met +uwe eigene hand gegrift. Welnu! ook ik zal deze laatste bladzijde van +graniet met mijn naam teekenen! Maar dat van nu af deze door u geziene +kaap, bij deze door u ontdekte zee, voor altijd kaap Saknussemm heete!" + +Dit of iets dergelijks hoorde ik, en ik voelde mij aangrijpen door +de geestdrift, welke deze woorden ademden. Een inwendig vuur werd +in mijn boezem aangeblazen! Ik vergat alles, de gevaren der reis +en die der terugreis. Wat een ander gedaan had, wilde ik ook doen, +en niets wat menschelijk was scheen mij onmogelijk toe! + +"Voorwaarts! voorwaarts!" riep ik. + +Ik snelde reeds naar de donkere galerij, toen de professor mij +tegenhield, en hij, de driftige man, mij geduld en koelbloedigheid +aanried. + +"Laten wij eerst naar Hans terugkeeren," sprak hij, "en het vlot +hier brengen." + +Ik gehoorzaamde, niet zonder tegenzin, en liep snel tusschen de rotsen +aan den oever door. + +"Weet gij wel, oom!" zeide ik onder het loopen, "dat de omstandigheden +ons tot nu toe bijzonder begunstigd hebben?" + +"Zoo! vindt gij dat, Axel?" + +"Zonder twijfel! Of heeft zelfs de storm ons niet op den rechten weg +teruggebracht? Gezegend zij het onweder! Het heeft ons teruggevoerd op +die kust, waarvan het schoone weder ons had verwijderd! Veronderstel +eens, dat wij met onzen steven (den steven van een vlot!) de zuidelijke +kusten der Lidenbrock-zee hadden bereikt, wat zou er dan van ons +geworden zijn? De naam van Saknussemm zou ons niet onder de oogen +gekomen zijn, en wij zouden nu verlaten zijn op een strand zonder +uitweg." + +"Ja, Axel! het is het bestuur der voorzienigheid, dat wij, naar het +zuiden varende, juist in het noorden en bij kaap Saknussemm terecht +gekomen zijn. Ik moet zeggen, dat dit meer dan vreemd is, en dat het +een feit is, waarvoor ik volstrekt geene verklaring kan vinden." + +"Wat komt er dat op aan! het is niet de vraag om feiten te verklaren, +maar er ons voordeel mee te doen!" + +"Zonder twijfel, mijn jongen? maar...." + +"Maar wij zullen weder den weg naar het noorden inslaan, onder de +noordelijke landen van Europa, Zweden, Rusland, Siberië weet ik +het! doorgaan, in plaats van af te dalen onder de woestijnen van +Afrika of de golven van den Oceaan, en verder wil ik van niets weten!" + +"Ja, Axel! gij hebt gelijk, en alles is heel goed, daar wij nu die +waterpasse zee verlaten, die tot niets kon leiden. Wij gaan dalen, nog +eens dalen, altijd dalen! Weet gij wel, dat wij om het middelpunt van +den aardbol te bereiken nog maar vijftien honderd uur gaans behoeven +af te leggen!" + +"Ba!" riep ik uit, "dat is waarlijk de moeite niet waard om er van +te spreken! Op weg! op weg!" + +Deze zinnelooze gesprekken duurden nog voort, toen wij bij den jager +kwamen. Alles was gereed om onmiddellijk af te reizen; geene kist +of zij was aan boord, wij namen plaats op het vlot, en zoodra het +zeil was geheschen, richtte Hans den steven naar de kaap Saknussemm, +steeds de kust houdende. + +De wind was niet gunstig voor een vaartuig gelijk het onze, dat niet +scherp bij den wind kon houden. Ook moesten wij het op menige plaats +met onze met ijzer beslagen stokken voorduwen. Dikwijls dwongen ons +de rotsen, die zich in de waterlijn verlengden, om vrij lange omwegen +te maken. Eindelijk, na eene vaart van drie uur, dat is te zeggen +tegen zes uur des avonds, bereikten wij eene geschikte landingsplaats. + +Ik sprong aan land, gevolgd door mijn oom en den IJslander. + +Die overtocht had mij niet tot bedaren gebracht. Integendeel. Ik +stelde zelfs voor om "onze schepen" te verbranden, ten einde ons +zelven den terugtocht af te snijden. Maar mijn oom verzette zich er +tegen. Ik vond, dat hij bijzonder koel was. + +"Laten wij dan ten minste zonder tijdverlies vertrekken," zeide ik. + +"Ja, mijn jongen! maar vooraf zullen wij deze nieuwe galerij +onderzoeken om te weten, of wij onze ladders gereed moeten maken." + +Mijn oom bracht den toestel van Ruhmkorff in werking; het vlot werd, +aan den oever vastgemaakt, alleen gelaten; de opening der galerij +was er dan ook geene twintig pas af, en onze kleine troep ging er +terstond heen, met mij aan het hoofd. + +De bijna cirkelvormige opening had eene middellijn van omtrent vijf +voet; de duistere tunnel was in de harde rots uitgehouwen en netjes +gepolijst door de uitgebraakte stoffen, waaraan hij vroeger tot weg +diende; zijn laagste gedeelte lag met den grond in hetzelfde vlak, +zoodat wij er zonder eenige moeite in konden doordringen. + +Wij volgden een bijna waterpassen bodem, toen, nadat wij zes schreden +ver waren, onze tocht werd gestuit door een daar liggend verbazend +groot rotsblok. + +"Vervloekt blok!" riep ik toornig uit, toen ik mij zoo plotseling +zag ophouden door een onoverkomelijken hinderpaal. + +Wij zochten te vergeefs links en rechts, boven en beneden, er bestond +geen doorgang, geene splitsing. Ik was diep teleurgesteld en wilde +de wezenlijkheid van dien hinderpaal niet aannemen. Ik bukte. Ik zag +onder het blok. Geene tusschenruimte. Er boven. Dezelfde granieten +slagboom. Hans hield het licht van de lamp bij ieder punt van den wand, +maar hij was nergens afgebroken. Wij moesten alle hoop opgeven om er +door te komen. + +Ik was op den grond gaan zitten; mijn oom liep met groote schreden +den gang op en neder. "Maar Saknussemm dan?" riep ik. + +"Ja!" zeide mijn oom, "is hij dan door deze steenen deur tegen +gehouden?" + +"Neen! neen!" hernam ik driftig. "Dit rotsblok heeft, tengevolge van +den een of anderen schok of van een dier magnetische verschijnselen, +die de aardschors schudden, plotseling dezen doorgang gesloten. Er +zijn vele jaren verloopen tusschen den terugkeer van Saknussemm en den +val van dit blok. Is het niet duidelijk, dat deze galerij voorheen +een weg voor de lava is geweest en dat de uitgebraakte stoffen er +toen onbelemmerd doorstroomden? Zie! dit granieten dak vertoont nog +jonge scheuren; het bestaat uit samengevoegde stukken, uit verbazend +groote steenen, alsof eene reuzenhand aan dezen onderbouw had gewerkt; +maar eens is de schok heviger geweest, en dit blok, dat gelijkt op +een ontbrekenden sleutel van het gewelf, is op den grond gegleden en +heeft den doortocht versperd. Het is een toevallige hinderpaal, dien +Saknussemm niet heeft aangetroffen, en als wij hem niet omverwerpen, +dan zijn wij niet waard het middelpunt der aarde te bereiken!" + +Zoo sprak ik! De ziel des professors was geheel in mij overgegaan. De +zucht tot ontdekkingen bezielde mij. + +Ik vergat het verledenene, ik verachtte de toekomst. Er bestond voor +mij niets meer op de oppervlakte van den bol, in welks binnenste ik +begraven was, steden, noch velden, noch Hamburg, noch Koningstraat, +noch mijne arme Gräuben, die mij voor altoos verloren moest wanen in +de ingewanden der aarde.... + +"Welnu!" hernam mijn oom, "laten wij ons met het houweel en het +breekijzer een weg banen en die muren omverwerpen!" + +"Het is te hard voor het breekijzer!" riep ik. + +"Dan het houweel!" + +"Met het houweel zal het te lang duren!" + +"Maar!..." + +"Welnu! het kruit! de mijn! Laten wij eene mijn aanleggen, en den +hinderpaal in de lucht doen springen!" + +"Het kruit!" + +"Ja! het is maar een rotsblok, dat verbrijzeld moet worden!" + +"Hans! aan het werk!" riep mijn oom. + +De IJslander keerde naar het vlot terug en kwam spoedig met een +breekijzer weder, waarvan hij zich bediende om eene mijnkamer te +graven. Het was geen gemakkelijk werk. + +Er moest een gat gemaakt worden groot genoeg om vijftig pond +schietkatoen te bevatten, welks uitzettend vermogen viermaal grooter +is dan van het buskruit. + +Ik was verbazend opgewonden. Terwijl Hans werkte, hielp ik vlijtig +mijn oom om een lange lont te vervaardigen van natgemaakt kruit, +gewikkeld in eene linnen buis. + +"Wij zullen er doorkomen!" zeide ik. + +"Wij zullen er doorkomen!" herhaalde mijn oom. + +Tegen middernacht was onze mijnarbeid geheel voltooid; de lading +schietkatoen was in de kamer gestopt en de lont door de galerij +heengelegd, zoodat zij daarbuiten uitkwam. + +Eene vonk was genoeg om dit geduchte vernielingswerktuig in werking +te brengen. + +"Tot morgen!" zeide de professor. + +Ik moest mij wel onderwerpen en nog zes lange uren wachten! + + + + + + +HOOFDSTUK XLI + + De mijn gesprongen.--De ontploffing.--Snelle vaart van het vlot. + --De woede van den stortvloed.--Onverwachte overstrooming. + + +De volgende dag, Donderdag de 27ste Augustus, was een merkwaardig +tijdstip onzer onderaardsche reis. Ik kan er niet aan denken, zonder +dat de schrik mijn hart doet kloppen. Van dit oogenblik af hebben +onze rede, ons oordeel, onze vindingrijkheid geene stem meer in den +raad en worden wij de speelbal der natuurverschijnselen. + +Te zes uur waren wij op de been. Het oogenblik naderde, waarop het +kruit ons een doortocht moest banen door de schors van graniet. + +Ik verzocht om de eer de mijn te ontsteken. Als dat gedaan was, +moest ik mij bij mijne makkers voegen op het vlot, dat niet ontladen +was; dan zouden wij van wal steken om de gevaren der ontploffing te +ontwijken, welker uitwerkselen zich wellicht niet tot het inwendige +der vaste massa zouden bepalen. + +De lont moest naar onze berekening tien minuten branden, alvorens +het vuur de kruitkamer kon bereiken. Ik had dus den noodigen tijd om +weder op het vlot te komen. + +Niet zonder eene zekere ontroering maakte ik mij gereed om mijne taak +te vervullen. + +Na een korten maaltijd gingen mijn oom en de jager scheep, terwijl ik +op den oever achterbleef. Ik was voorzien van eene brandende lantaarn, +die mij dienen moest om de lont aan te steken. + +"Ga, mijn jongen!" sprak mijn oom, "en kom dadelijk weder bij ons." + +"Wees gerust!" antwoordde ik, "ik zal onderweg niet loopen spelen." + +Terstond begaf ik mij naar de opening der galerij. Ik maakte mijne +lantaarn open en greep het uiteinde der lont. + +De professor hield zijn tijdmeter in de hand. + +"Zijt gij gereed?" riep hij mij toe. + +"Ik ben gereed!" + +"Welaan dan! vuur, mijn jongen!" + +Ik stak de lont, die bij de aanraking knetterde, gezwind in de vlam +en liep pijlsnel naar den oever. + +"Kom aan boord!" zeide mijn oom, "steek van wal!" + +Met een krachtigen stoot verwijderde Hans ons van den oever. Het vlot +dreef omtrent twintig vadem ver. + +Het was een benauwd oogenblik. De professor staarde op den wijzer +van den tijdmeter. + +"Nog vijf minuten," zeide hij. "Nog vier. Nog drie." + +Mijn pols klopte gejaagd. + +"Nog twee. Eene!.... Stort in, bergen van graniet." + +Wat gebeurde er toen? Ik geloof, dat ik het geraas van de ontploffing +niet hoorde. Maar de gedaante der rotsen veranderde plotseling voor +mijn oog; zij gingen als een gordijn open. Ik bemerkte een onpeilbaren +afgrond, die zich in den oever opende. De zee, door schrik bevangen, +was slechts één onzettend groote golf, op wier rug het vlot zich +loodrecht verhief. + +Wij werden alle drie omvergeworpen. In minder dan eene seconde maakte +het licht plaats voor de zwartste duisternis. Vervolgens voelde ik +het steunpunt ontzinken, niet aan mijne voeten, maar aan het vlot. Ik +geloofde, dat het rechtstandig zonk. Maar dat was zoo niet. Al had +ik tot mijn oom willen spreken, dan zou toch het geloei van het water +hem belet hebben mij te verstaan. + +In weerwil van de duisternis, het geraas, de verbazing, de +ontsteltenis, begreep ik wat er gebeurd was. + +Aan gene zijde van de rots, die wij hadden laten springen, bestond een +afgrond. De uitbarsting had eene soort van aardbeving teweeg gebracht +in dezen door scheuren doorsneden grond; de afgrond had zich geopend, +en de zee, in een stortvloed veranderd, sleepte ons er in mede. + +Ik gevoelde, dat ik verloren was. + +Een, twee uren, weet ik het! gingen zoo voorbij. Wij drongen ons +tegen elkander aan, wij hielden elkaars handen vast, om niet van +het vlot geslagen te worden; allerhevigste schokken hadden plaats, +wanneer het tegen den muur stiet. Toch waren die schokken zeldzaam, +waaruit ik opmaakte, dat de galerij werkelijk breeder werd. Er was +geen twijfelen aan, het was de weg van Saknussemm, maar in plaats +van hem alleen te begaan, hadden wij door onze onvoorzichtigheid eene +geheele zee medegesleept. + +Men begrijpt licht, dat die gedachten zich in een onbepaalden en +duisteren vorm aan mijn geest voordeden. Ik kon ze met moeite verbinden +gedurende dezen duizelingwekkenden tocht, die op een val geleek. Naar +den wind te oordeelen, die mijn aangezicht zweepte, moest hij de +snelste treinen in vaart overtreffen. In deze omstandigheden eene +toorts aan te steken was dus onmogelijk, en onze laatste electrieke +toestel was, op het oogenblik van de ontploffing, gebroken. + +Het verbaasde mij dus zeer, toen ik eensklaps een licht bij mij zag +schitteren. Het kalme gelaat van Hans werd er door beschenen. Het was +den behendigen jager gelukt de lantaarn aan te steken, en hoewel hare +vlam trilde, alsof zij uit wilde gaan, wierp zij toch eenig schijnsel +in de verschrikkelijke duisternis. + +De galerij was breed. Mijn vermoeden werd dus bevestigd. Ons +onvoldoend licht veroorloofde ons niet de beide wanden te gelijk te +zien. De helling van het water, dat ons medevoerde, overtrof die +der onoverkomelijkste watervallen van Amerika; zijne oppervlakte +scheen te bestaan uit een bundel pijlen die met verbazende kracht +waren afgeschoten. Ik kan den indruk, dien ik ondervond, door geene +juistere vergelijking wedergeven. Het vlot, soms in eene draaikolk +rakende, schoot al ronddraaiende verder. Wanneer het de wanden der +galerij naderde, liet ik het licht der lantaarn er op vallen, en ik +kon over zijne snelheid oordeelen, daar ik de uitspringende rotspunten +in verlengde lijnen zag veranderen, zoodat wij besloten waren in een +net van beweeglijke lijnen. Ik schatte onze vaart op dertig uur gaans +per uur. + +Mijn oom en ik, leunende tegen de stomp van den mast, die op het +oogenblik van de ramp weggeslagen was, zagen elkander met verwilderde +oogen aan. Wij keerden den rug naar den luchtstroom, om niet gesmoord +te worden door de snelheid eener beweging, die geene menschelijke +macht kon beteugelen. + +Intusschen verliepen de uren. De toestand veranderde niet, maar een +voorval maakte hem nog ingewikkelder. + +Toen ik trachtte een weinig orde in de lading te brengen, zag ik dat +het grootste gedeelte der aan boord gebrachte voorwerpen verdwenen was +op het oogenblik der ontploffing, toen de zee ons met zooveel geweld +aangreep. Ik wilde nauwkeurig weten, hoe het met onze hulpmiddelen +stond, en met de lantaarn in de hand begon ik mijne nasporingen. Van +onze werktuigen was er niets over dan het kompas en de tijdmeter. De +ladders en touwen waren weg, op een eindje kabel na, dat om de stomp +van den mast zat. + +Geen houweel, geen breekijzer, geen hamer was er meer, en, +onherstelbaar ongeluk! wij hadden voor geen dag levensmiddelen meer! + +Ik begon de tusschenruimten van het vlot, de kleinste hoekjes door de +balken en de samengevoegde planken gevormd, te doorzoeken. Niets! Al +onze voorraad bestond slechts uit een stuk gedroogd vleesch en wat +beschuit! + +Wat stond ik versuft te kijken! Ik wilde het maar niet begrijpen! En +toch over welk gevaar bekommerde ik mij? Al ware er mondvoorraad genoeg +geweest voor maanden, voor jaren, hoe zouden wij nog uit die afgronden +komen, waarin die onweerstaanbare stortvloed ons medesleepte? Waarom +zouden wij de martelingen van den honger vreezen, als de dood zich +reeds onder zoo vele andere gedaanten vertoonde? Zouden wij den tijd +hebben om van gebrek om te komen? + +En echter vergat ik door eene onverklaarbare gril der verbeelding +het onmiddellijke gevaar, voor de bedreigingen der toekomst, die mij +in al hare verschrikkelijkheid voor den geest zweefden. Bovendien +zouden wij misschien aan de woede van den stortvloed kunnen ontkomen +en op de oppervlakte van den aardbol terugkeeren. Hoe? dat wist ik +niet! Waar? Dat kon mij niet schelen! Eene kans van de duizend is +toch altijd eene kans, terwijl de hongerdood ons ook niet de geringste +hoop overliet. + +Ik dacht er over om alles aan mijn oom te zeggen, hem aan te toonen hoe +bitter slecht wij voorzien waren, en nauwkeurig den tijd te berekenen, +dien wij nog te leven hadden. Maar ik had den moed om te zwijgen. Ik +wilde hem niet van zijn koelbloedigheid berooven. + +Op dit oogenblik verflauwde het licht der lantaarn allengs en ging +uit. De pit was geheel opgebrand. Het werd stikdonker. Er viel niet +meer aan te denken om die ondoordringbare duisternis te verdrijven. Er +bleef nog eene toorts over, maar wij zouden haar niet brandende kunnen +houden. Nu sloot ik als een kind mijne oogen om die verschrikkelijke +duisternis niet te zien. + +Na een vrij lang tijdsverloop verdubbelde de snelheid onzer vaart. Ik +bespeurde het aan de terugkaatsing der lucht op mijn gelaat. Het water +liep verbazend snel af. Ik geloof waarlijk, dat wij niet meer dreven, +maar vielen. Ik had een gevoel, alsof ik loodrecht nederviel. De +hand van mijn oom en die van Hans, om mijne armen gekneld, hielden +mij met kracht tegen. + +Na een onberekenbaar tijdsverloop voelde ik eensklaps iets als een +schok; het vlot had niet tegen een hard lichaam gestooten, maar was +plotseling in zijn val gestuit. Eene waterhoos, eene onmetelijke +vloeibare zuil viel op zijne oppervlakte neder. Ik stikte. Ik verdronk. + +Die onverwachte overstrooming duurde echter niet lang. Binnen weinige +seconden ademde ik weder met volle teugen de vrije lucht in. Mijn oom +en Hans hielden mij zoo stevig vast, dat mijn arm bijna verbrijzeld +werd, en het vlot droeg ons nog alle drie. + + + + + + +HOOFDSTUK XLII + + De nauwe put.--Geen voedsel meer.--Levend verbranden.--De + laatste maaltijd.--Een gloeiende dampkring. + + +Het moet naar mijne gissing 's avonds omstreeks tien uur geweest +zijn. Het eerste mijner zintuigen, dat na dien laatsten stoot mij +weder ten dienste stond, was het gehoor. Ik hoorde bijna terstond, +want het was inderdaad eene zaak van het gehoor, dat er stilte in +de galerij ontstond en op het geloei volgde, dat sedert zoovele uren +mijn oor vervulde. Eindelijk drongen deze woord en van mijn oom als +een gemompel tot mij door: + +"Wij stijgen!" + +"Wat zegt gij daar?" riep ik. + +"Ja! wij stijgen! wij stijgen!" + +Ik stak den arm uit; ik raakte den muur aan; mijne hand begon te +bloeden. Wij stegen weder met verbazende snelheid. + +"De toorts! de toorts!" riep de professor. + +Het gelukte Hans, echter niet zonder veel moeite, om haar te ontsteken, +en hoewel de vlam van boven naar beneden woei ten gevolge van de +stijgende beweging, verspreidde zij genoeg helderheid om het geheele +tooneel te verlichten. + +"Het is zooals ik dacht," zeide mijn oom. "Wij zijn in een nauwen put, +die geene drie vadem middellijn heeft. Nu het water op den bodem van +den afgrond is gekomen, herneemt het zijn waterpassen stand en voert +ons mede omhoog." + +"Waarheen?" + +"Dat weet ik niet, maar wij moeten ons op alles voorbereid houden. Wij +stijgen met eene snelheid, die ik op twee vadem per seconde bereken, +dat is honderd twintig vadem per minuut of meer dan twee en een derde +uur gaans per uur. Op die wijze vorderen wij goed." + +"ja! als niets ons stuit, als deze put een uitgang heeft! Maar als +hij verstopt is, als de lucht langzamerhand samengeperst wordt onder +de drukking der waterkolom, als wij verpletterd worden!" + +"Axel!" antwoordde de professor heel bedaard, "de toestand is bijna +wanhopig, maar er zijn eenige kansen van redding en die onderzoek +ik. Kunnen wij al ieder oogenblik omkomen, wij kunnen even goed ieder +oogenblik gered worden. Wees er dus op bedacht om van de geringste +omstandigheden partij te trekken." + +"Maar wat moet ik doen?" + +"Eten om uwe krachten te herstellen." + +Op die woorden zag ik mijn oom met een verwilderden blik aan. Wat ik +tot nu toe had verzwegen, moest ik eindelijk zeggen: + +"Eten?" herhaalde ik. + +"Ja! zonder uitstel." + +De professor voegde er in het deensch eenige woorden bij. Hans schudde +het hoofd. + +"Hoe!" riep mijn oom, "is onze voorraad weg?" + +"Ja! dit is alles wat nog over is: een stuk droog vleesch voor ons +drieën!" + +Mijn oom zag mij aan, zonder mijne woorden te willen begrijpen. + +"Welnu!" zeide ik, "denkt gij, dat wij nog gered kunnen worden?" + +Er volgde op mijne vraag geen antwoord. + +Een uur verliep. Ik begon een ergen honger te krijgen. Mijne +metgezellen leden ook, en niemand onzer durfde deze handvol +levensmiddelen aanraken. + +Intusschen stegen wij nog altijd snel; soms belemmerde de lucht +onze ademhaling, gelijk de luchtreizigers die te snel stijgen, +het soms ondervinden. Maar dezen voelen eene koude, die toeneemt +naar mate zij in hoogere luchtlagen komen; wij ondergingen juist het +tegenovergestelde. De warmte nam op eene onrustbarende wijze toe en +steeg zeker wel tot veertig graden. + +Wat beteekende die verandering? Tot nu toe hadden de feiten +de theoriën van Davy en Lidenbrock bevestigd; tot nu toe hadden, +bijzondere omstandigheden van tegen het vuur bestand zijnde rotsen, van +electriciteit, van magnetismus, de algemeene natuurwetten gewijzigd; +want de theorie van het inwendige vuur bleef, mijns inziens, de eenige +ware, de eenige verklaarbare. Zouden wij nu op eene plaats komen, +waar die verschijnselen zich in volle kracht openbaarden en waar de +hitte de rotsen volkomen smeltend maakte? Ik vreesde het en zeide +tot den professor: + +"Al verdrinken wij niet, al worden wij niet verpletterd, al sterven +wij niet van honger, dan hebben wij toch altijd nog kans van levend +te verbranden." + +Hij vergenoegde zich met de schouders op te halen en verviel weder +in gepeins. + +Een uur verliep en met uitzondering van een geringe toeneming +van hitte, bracht geen voorval eenige verandering in onzen +toestand. Eindelijk verbrak mijn oom het stilzwijgen. + +"Welaan!" zeide hij, "wij moeten een besluit nemen." + +"Een besluit nemen?" antwoordde ik. + +"Ja! wij moeten onze krachten herstellen. Als wij ons leven eenige uren +trachten te rekken door de overschietende levensmiddelen te sparen, +zullen wij tot het einde toe zwak zijn." + +"Ja, tot het einde toe, dat niet lang zal uitblijven." + +"Welnu! als er zich een kans op redding voordoet, als er een oogenblik +van handelen komt, waar zullen wij dan de kracht tot handelen vinden, +als wij ons door gebrek aan voedsel laten verzwakken?" + +"Maar, oom! wat blijft ons over, als dit stuk vleesch opgegeten is?" + +"Niets, Axel! niets, maar zal het u meer voeden, als gij het met uwe +oogen verslindt? Gij redeneert daar als iemand zonder wil, als een +wezen zonder geestkracht!" + +"Wanhoopt gij dan niet?" riep ik verbitterd uit. + +"Neen!" antwoordde de professor op vasten toon. + +"Hoe! gelooft gij dan nog aan eene kans op behoud?" + +"Ja! zeker ja! en zoo lang zijn hart klopt, zijn vleesch trilt, +duld ik niet dat een met een wil begaafd wezen aan de wanhoop eene +plaats inruimt." + +Welke woorden! De man, die ze in zulke omstandigheden sprak, was +zeker van een buitengewonen aard. + +"Wat wilt gij dan eigenlijk doen?" zeide ik. + +"Tot de laatste kruimel het voedsel, dat nog overgebleven is, opeten +en onze verlorene krachten herstellen. Deze maaltijd zal onze laatste +zijn, het zij zoo! maar ten minste zullen wij, in plaats van uitgeput +te wezen, weder mannen zijn geworden." + +"Welnu! wij zullen eten!" riep ik uit. + +Mijn oom nam het stuk vleesch en de weinige beschuiten, die uit de +schipbreuk gered waren, maakte er drie gelijke deelen van en gaf ze +ons. Het was ten naasten bij een pond voedsel voor elk. De professor +at gulzig met eene soort van koortsige drift; ik, zonder trek ondanks +mijn honger, en bijna met tegenzin; Hans, rustig, bedaard, en zonder +leven te maken kleine beetjes kauwende en ze doorslikkende met de +kalmte van een man, dien de bezorgdheid voor de toekomst niet kon +verontrusten. Na lang zoeken had hij eene half volle flesch jenever +gevonden, en dit weldadige vocht wekte mij weder eenigszins op. + +"Förtrafflig!" zeide Hans op zijne beurt drinkende. + +"Voortreffelijk!" antwoordde mijn oom. + +Ik begon weder eenige hoop te koesteren. Maar onze laatste maaltijd +was afgeloopen. Het was nu 's morgens vijf uur. + +Het is met den mensch zoo gesteld, dat zijne gezondheid een zuiver +negatief iets is; als de behoefte aan voedsel eens voldaan is, kan men +zich moeielijk de kwellingen van den honger voorstellen; men moet ze +ondervinden om ze te begrijpen. Na het lange vasten zegevierden dan +ook eenige beten beschuit en vleesch over onze doorgestane smarten. + +Na dien maaltijd gaven wij ons allen aan onze overpeinzingen +over. Waaraan dacht Hans, die man uit het hooge noorden, die onder +de heerschappij stond van de oostersche leer van onderwerping aan +het noodlot? Mijne denkbeelden bestonden slechts uit herinneringen, +en deze voerden mij terug naar de oppervlakte van den aardbol, die ik +nooit had moeten verlaten. Het huisje in de Koningstraat, mijn arme +Gräuben, de goede Martha, gingen als gezichten voorbij mijne oogen, +en in het doffe gebrul, dat door het vaste gesteente liep, meende ik +het geraas van de steden op aarde te herkennen. + +Mijn oom, "altijd bij de zaak," onderzocht aandachtig met de toorts +in de hand den aard der gronden; hij trachtte te onderscheiden waar +hij was door de opeenvolging der op elkander liggende lagen. Die +berekening of liever die schatting kon slechts bij benadering wezen; +maar een geleerde is altijd een geleerde, wanneer het hem gelukt zijne +koelbloedigheid te behouden, en zeker bezat professor Lidenbrock die +hoedanigheid in een buitengewonen graad. + +Ik hoorde hem woorden uit de geologische wetenschap mompelen: ik +begreep ze en stelde ondanks mij zelven belang in die verhevene studie. + +"Uitgebraakt graniet," zeide hij; "wij zijn nog altijd in het eerste +tijdperk; maar wij stijgen! wij stijgen! Wie weet?" + +Wie weet? Hij hoopte dus nog altijd. Met zijne hand betastte hij den +loodrechten wand, en eenige oogenblikken later hernam hij aldus: + +"Dat is gneiss! dat mica-leisteen! Goed! nu komen weldra de gronden +uit het overgangstijdperk en dan...." + +Wat wilde de professor zeggen? Kon hij de dikte der aardschors boven +ons meten? Bezat hij het eene of andere middel om die berekening +te verrichten? Neen! Hij miste den luchtdichtheidsmeter, en geene +schatting kon dien vergoeden. + +Inmiddels nam de warmte geducht toe en ik was doornat midden in een +gloeienden dampkring. Ik kon haar niet anders vergelijken dan met de +hitte, die door de fornuizen eener ijzersmelterij wordt uitgestraald, +wanneer het metaal vloeibaar wordt. Langzamerhand hadden Hans, mijn +oom en ik onze buizen en vesten moeten uittrekken; het geringste +kleedingstuk werd een oorzaak van onbehaaglijkheid, om niet te zeggen +van pijn. + +"Stijgen wij dan naar een witgloeienden haard?" riep ik uit op een +oogenblik dat de warmte verdubbelde. + +"Neen!" antwoordde mijn oom, "het is onmogelijk! het is onmogelijk!" + +"Maar die muur is gloeiend!" zeide ik den wand betastende. + +Terwijl ik dit zeide, had mijne hand het water even aangeraakt en +moest ik haar zoo spoedig mogelijk terug trekken. + +"Het water is kokend heet!" riep ik. + +Ditmaal antwoordde de professor slechts met een toornig gebaar. + +Nu maakte zich een onoverwinnelijke schrik van mijne hersenen meester +en verliet ze niet meer. Ik had een voorgevoel van een naderend +onheil, en wel van een dat de stoutste verbeeldingskracht niet zou +hebben kunnen bevatten. Een eerst onbepaald en weifelend denkbeeld +werd in mijn verstand tot zekerheid. Ik durfde het niet onder woorden +brengen. Intusschen bevestigden eenige onwillekeurige waarnemingen +mijne overtuiging; bij het twijfelachtige toortslicht bespeurde ik +onregelmatige bewegingen in de granietlagen; er was klaarblijkelijk +een verschijnsel op handen, waarin de electriciteit eene rol speelde; +dan die buitensporige hitte, dat kokende water!... Ik besloot het +kompas waar te nemen. + +Het was miswijzend geworden! + + + + + + +HOOFDSTUK XLIII + + Miswijzend kompas.--Ontploffingen.--Eene + uitbarsting.--Zwavelvlammen.--Het vlot blijft + liggen.--Op nieuw opgestuwd. + + +Ja miswijzend! De naald sprong met plotselinge schokken van de eene +pool op de andere, doorliep al de streken van de windroos, en draaide, +als had een duizeling haar bevangen. + +Ik wist wel, dat volgens de meest algemeen aangenomene theoriën +de delfstoffelijke schors van den aardbol nooit in een staat van +volslagene rust is; de wijzigingen teweeggebracht door de ontbinding +der inwendige stoffen, de beweging voortkomende uit de groote +stroomingen der vloeistoffen, de werking van het magnetismus, dat +alles strekt om haar onophoudelijk te schudden, zelfs dan als de op +hare oppervlakte verspreide wezens hare ontroering niet vermoeden. Dit +verschijnsel zou mij dus anders niet beangst of, althans in mijn geest, +geen verschrikkelijk denkbeeld opgewekt hebben. + +Maar andere feiten, sommige omstandigheden van gezegden aard; konden +mij niet langer bedriegen, de ontploffingen vermenigvuldigden met eene +verschrikkelijke kracht: ik kon ze alleen vergelijken met het geraas, +dat een groot aantal karren, die snel over het plaveisel voortgetrokken +worden, zouden maken. Het was een aanhoudende donder. + +Het miswijzend kompas, geschokt door de electrieke +natuurverschijnselen, bevestigde mij verder in mijne meening; de +delfstoffelijke korst dreigde te breken, het massieve graniet zich +te vereenigen, de scheur zich te sluiten, het ledige zich te vullen, +en wij, nietige stofjes, zouden in die geduchte omhelzing verpletterd +worden. + +"Oom! oom! wij zijn verloren!" riep ik uit. + +"Wat is dat voor een nieuwen schrik?" antwoordde hij mij met eene +verbazende kalmte. "Wat scheelt u toch?" + +"Wat mij scheelt? zie die muren die schudden; dat vaste gesteente +dat scheurt; die verzengende hitte, dat kokende water, die dampen, +die al dikker en dikker worden, die gekke naald, alle kenteekenen +van eene aardbeving." + +Mijn oom schudde zachtjes het hoofd. + +"Eene aardbeving?" vraagde hij. + +"Ja!" + +"Mijn jongen! ik geloof, dat gij u vergist!" + +"Hoe! herkent gij dan die kenteekenen niet?" + +"Van een aardbeving? neen? Ik verwacht wat beters!" + +"Wat bedoelt gij?" + +"Eene uitbarsting, Axel!" + +"Eene uitbarsting!" zeide ik; "zijn wij dan in den schoorsteen van +een werkenden vulkaan?" + +"Ik denk het ten minste," zeide de professor glimlachende, "en dat +is het gelukkigste wat ons overkomen kan!" + +Het gelukkigste! Was mijn oom dan gek? Wat beduidden die woorden? Van +waar die kalmte en die glimlach? + +"Hoe!" riep ik, "zijn wij midden in eene uitbarsting! Heeft het noodlot +ons geworpen op den weg der witgloeiende lava, der brandende rotsen, +van het kokende water, van alle uitgebraakte stoffen! zullen wij +nu opgestuwd, uitgedreven, uitgeworpen, uitgebraakt, in de lucht +geslingerd worden met de rotsblokken, de asch- en slakkenregens, +in een dwarlwind van vlammen! en is dat het gelukkigste wat ons +overkomen kan?" + +"Ja!" antwoordde de professor mij over zijn bril aanziende, "want +het is de eenige kans, die wij hebben, om weder op de oppervlakte +der aarde te komen!" + +Ik ga stilzwijgend de duizend gedachten voorbij, die elkaar in mijne +hersenen kruisten. Mijn oom had gelijk, volkomen gelijk, en nooit +kwam hij mij stoutmoediger noch inniger overtuigd voor dan op dit +oogenblik, waarop hij de kansen eener uitbarsting afwachtte en optelde. + +Intusschen stegen wij maar altijd door; de nacht ging voorbij onder +die stijgende beweging; het geraas om ons heen verdubbelde; ik was +bijna gestikt; ik meende, dat mijn laatste uur kwam; en toch is de +verbeeldingskracht zoo grillig, dat ik mij overgaf aan een waarlijk +kinderachtig onderzoek. Maar ik stond onder de heerschappij mijner +denkbeelden, zij niet onder de mijne! + +Het was duidelijk, dat wij opgestuwd werden door eene uitbarsting; +onder het vlot was kokend water, en onder dat water smeltende lava, +een mengsel van rotssteenen, die zich aan den rand van den krater in +alle richtingen zouden verstrooien. Wij waren dus in den schoorsteen +van een vulkaan. Daar was geen twijfel aan. + +Maar in plaats van den Sneffels, een uitgebranden vulkaan, was het +er nu een in volle werkzaamheid. Ik vraagde mij af, welke berg het +kon zijn en in welk werelddeel wij uitgebraakt zouden worden. + +Zonder twijfel in de noordelijke streken. Vóór zijne miswijzing +had het kompas ten dien aanzien geen afwijking getoond. Van kaap +Saknussemm af waren wij honderden uur ver rechtstreeks naar het +noorden gedreven. Waren wij dan nu weder onder IJsland? Zouden wij +uitgeworpen worden door den krater van den Hekla of door dien van een +der zeven andere vuurspuwende bergen des eilands? In een straal van +vijf honderd uur gaans naar het westen zag ik onder dien breedtegraad +slechts de bijna onbekende vulkanen der noordwestkust van Amerika. Ten +oosten bestond er onder den tachtigsten breedtegraad maar één vulkaan, +de Esk, op het Jan Mayen-eiland, niet verre van Spitsbergen. Zeker, +er was geen gebrek aan kraters en zij waren ruim genoeg om een geheel +leger uit te braken! Maar welke ons een uitgang zou verleenen, dat +trachtte ik te gissen. + +Tegen den morgen werd de stijgende beweging sneller. Dat de warmte +toenam in plaats van te verminderen hoe dichter wij bij de oppervlakte +des aardbols kwamen, had eene plaatselijke oorzaak en was een gevolg +van den invloed des vulkaans. Ik kon niet langer twijfelen aan de +soort van ons middel van vervoer; eene ontzettende kracht, eene kracht +van verscheidene honderden dampkringen, veroorzaakt door de dampen +opeengehoopt in den schoot der aarde, dreef ons onwederstaanbaar +voort. Maar aan welke ontelbare gevaren stelde zij ons bloot? + +Weldra drong een vale weerschijn in de wijder wordende loodrechte +galerij; ik bespeurde links en rechts diepe gangen, gelijk aan +onmetelijke tunnels, waaruit dichte dampen ontsnapten; vurige tongen +lekten flikkerend hunne wanden. + +"Zie eens! zie eens, oom!" riep ik. + +"Welnu! het zijn zwavelvlammen. Niets is natuurlijker bij uitbarsting." + +"Maar als zij ons eens omhullen?" + +"Zij zullen ons niet omhullen." + +"Maar als wij stikken?" + +"Wij zullen niet stikken; de galerij wordt wijder en als het noodig +is, zullen wij het vlot verlaten om in een kloof te schuilen." + +"En het water, het stijgende water dan?" + +"Er is geen water meer, Axel! maar eene soort van lavadeeg, dat ons +oplicht tot aan de opening des kraters." + +De waterkolom was inderdaad verdwenen om plaats te maken voor vrij +dichte, hoewel kokend heete uitstroomende stoffen. De hitte werd +onuitstaanbaar en een thermometer, welke aan dien dampkring werd +blootgesteld, zou meer dan zeventig graden gewezen hebben! Ik baadde +in het zweet. Zonder de snelheid der opstijging zouden wij zeker +gesmoord zijn. + +Echter gaf de professor geen gevolg aan zijn voorstel om het vlot te +verlaten, en hij deed wel. Die weinige slecht samengevoegde planken +boden eene vaste oppervlakte aan, een steunpunt, dat ons overal elders +ontbroken zou hebben. + +'s Morgens omstreeks acht uur had er voor het eerst een nieuw voorval +plaats. De stijgende beweging hield eensklaps op. Het vlot bleef +onbeweeglijk liggen. + +"Wat is dat?" vroeg ik, verontrust door dit oponthoud, dat even +plotseling was als een schok. + +"Eene halt," antwoordde mijn oom. + +"Houdt de uitbarsting op?" + +"Ik hoop van neen." + +Ik stond op. Ik poogde rond te zien. Misschien bood het vlot, door eene +uitspringende rotspunt tegengehouden, eene kortstondigen tegenstand +aan de uitstroomende massa. In dit geval moesten wij ons haasten het +zoo spoedig mogelijk los te maken. + +Het was zoo niet. De kolom van asch, slakken en steenbrokken had +zelve opgehouden te stijgen. + +"Zou de uitbarsting geen voortgang hebben?" riep ik. + +"Wel, mijn jongen! vreest gij dat?" zeide mijn oom met op elkander +geklemde tanden; "maar stel u gerust, dit oogenblik van kalmte kan +niet lang aanhouden; het duurt nu reeds vijf minuten en weldra zal +onze opklimming naar den mond des kraters weder beginnen." + +Zoo sprekende hield de professor niet op zijn tijdmeter te raadplegen, +en alweder zouden zijne voorspellingen vervuld worden. Weldra werd het +vlot op nieuw aangegrepen door eene snelle en onregelmatige beweging, +die omtrent twee minuten aanhield; toen bleef het nogmaals stil liggen. + +"Goed!" zeide mijn oom op het uurwerk ziende, "binnen tien minuten +gaan wij weder op weg." + +"Binnen tien minuten?" + +"Ja! Wij hebben te doen met een vulkaan, wiens uitbarsting +tusschenpoozend is. Hij laat ons met zich ademhalen." + +Niets was meer overeenkomstig de waarheid. Op de minuut af werden +wij op nieuw met groote snelheid opgestuwd; wij moesten ons aan de +balken vasthouden om niet van het vlot geslagen te worden. Daarna +hield de stoot weder op. + +Naderhand heb ik nagedacht over dit zonderlinge verschijnsel, +zonder er eene voldoende verklaring van te vinden. Intusschen houd +ik het voor zeker, dat wij ons niet in den hoofdschoorsteen van den +vulkaan bevonden, maar wel in een zijgang, waar alleen de terugwerking +merkbaar was. + +Ik kan niet zeggen hoe dikwijls die beweging herhaald werd; ik +kan alleen verzekeren, dat wij, telkens als zij zich herhaalde, +met toenemende kracht werden opgestuwd en als het ware door een +kogel medegevoerd. In de oogenblikken van rust stikten wij; in de +oogenblikken van opstuwing belette de brandend heete lucht mijne +ademhaling. Ik dacht een oogenblik aan het genot van mij plotseling +in die hoog noordelijke gewesten te zullen bevinden, waar eene koude +heerscht van dertig graden onder nul. Mijne overspannen verbeelding +dwaalde rond op de sneeuwvlakten der poolgewesten en ik smachtte naar +het oogenblik, waarop ik mij rond zou rollen op het ijstapijt aan +de pool. Maar langzamerhand verloor ik, door die herhaalde schokken +uitgeput, mijn bewustzijn. Zonder de armen van Hans zou ik meer dan +eens mijne hersenpan verbrijzeld hebben tegen den granietwand. + +Ik kan mij dus niets met zekerheid herinneren van hetgeen in de +volgende uren voorviel. Ik heb een duister gevoel van aanhoudende +ontploffingen, van de beroering van het vaste gesteente, van eene +ronddraaiende beweging, waarin het vlot werd medegesleept. Het +dreef op golven van lava midden in een aschregen. De loeiende +vlammen omwikkelden het. Een orkaan, die men meenen zou, dat uit een +ontzaglijken luchttrekker voortkwam, blies het onderaardsche vuur +aan. Nog eenmaal zag ik het gelaat van Hans in den weerschijn van +den brand, en ik gevoelde niets meer dan die ontzettende angst van +veroordeelden, die aan den mond van een stuk geschut zijn gebonden, +op het oogenblik dat het schot afgaat en hunne ledematen in de lucht +verstrooit. + + + + + + +HOOFDSTUK XLIV + + Op aarde terug.--In Azië?--De tegenvoeters.--In de + Middellandsche zee.--Stromboli.--Een glimlach van Hans. + + +Toen ik de oogen weder opende, voelde ik, dat de stevige hand van den +gids mij bij den gordel vasthield. Met de andere hand ondersteunde +hij mijn oom. Ik was niet zwaar gekwetst, maar veeleer uitgeput door +eene algemeene stijfheid in de leden. Ik lag tegen de glooiing van +een berg, twee schreden van een afgrond, waarin de geringste beweging +mij nedergestort zou hebben. Hans had mij van den dood gered, terwijl +ik van de zijden des kraters afrolde. + +"Waar zijn wij?" vroeg mijn oom, die zeer verstoord scheen over zijn +terugkeer op de aarde. + +De jager haalde de schouders op ten teeken van onwetendheid. + +"Op IJsland?" zeide ik. + +"Nej," antwoordde Hans. + +"Wat, neen?" riep de professor. + +"Hans vergist zich," zeide ik overeind rijzende. + +Na de tallooze verrassingen dezer reis, was er ons nog ééne +weggelegd. Ik verwachtte een kegel te zien, bedekt met eeuwige sneeuw, +in het midden der barre woestenijen van de noordelijke landen, onder +de bleeke stralen van een poolhemel, verre boven de hoogste breedten; +en in strijd met al die vermoedens lagen mijn oom, de IJslander en +ik op de zijde van een berg, die geblakerd was door de hitte der zon, +die ons met hare stralen verschroeide. + +Ik wilde mijn oogen niet gelooven; maar de stekende pijn, die ik over +het geheele lichaam voelde, veroorloofde geen verderen twijfel. Wij +waren half naakt uit den krater gekomen, en het schitterend gesternte, +dat wij in geen twee maanden gezien hadden, vertoonde zich aan ons +met een kwistigen overvloed van licht en warmte, en goot heerlijke +stralen over ons uit. + +Toen mijne oogen aan dien glans gewend waren, dien zij zoo lang hadden +ontbeerd, maakte ik er gebruik van om de dwalingen mijner verbeelding +te herstellen. Op zijn allerminst wilde ik op Spitsbergen zijn, +en ik was niet gezind om het spoedig op te geven. + +De professor vatte het eerst het woord op en zeide: + +"Dat gelijkt volstrekt niet op IJsland." + +"Maar het Jan Mayen-eiland?" antwoordde ik. + +"Evenmin, mijn jongen! dit is geen noordsche vulkaan met zijne heuvelen +van graniet en zijn sneeuwhoed." + +"Echter...." + +"Zie eens, Axel! zie eens!" + +Hoogstens vijf honderd voet boven ons opende zich de krater van +een vulkaan, waaruit om het kwartier met een zeer sterk geraas een +hooge vlammenzuil, vermengd met puimsteen, asch en lava, opsteeg. Ik +voelde de stuiptrekkingen van den berg, die gelijk de walvisschen +ademhaalde, en nu en dan vuur en rook door zijn geduchte neusgaten +uitspoot. Onder ons breidden zich met eene vrij steile helling de +vlakten van uitgebraakte stoffen van zeven tot acht honderd voet diep +uit, hetgeen den vulkaan eene hoogte gaf van nog geen drie honderd +vademen. Zijn voet verdween in een waren korf van groene boomen, +waaronder ik olijfboomen, vijgeboomen en wijnstokken met purperen +trossen onderscheidde. + +Zoo zagen de noordelijke gewesten, ik moest het wel bekennen, er +niet uit. + +Over dien groenenden omtrek heen verloor de blik zich spoedig in het +water eener heerlijke zee of van een meer, dat van dien liefelijken +bodem een eiland maakte, dat nauwelijks eenige uren gaans breed +kon zijn. In het oosten vertoonde zich eene kleine haven, met eenige +huizen er voor, waarin vaartuigen van een bijzonderen vorm op de blauwe +golfjes wiegelden. Verder doken groepen eilandjes uit de watervlakte +op, in zulk een menigte, dat zij op een groot mierennest geleken. In +het westen strekten zich verafgelegene kusten langs den gezichteinder +uit; op sommigen vertoonden zich blauwe, zeer regelmatig gevormde +bergen; op de andere, meer in de verte, verrees een verbazend hooge +kegel, op wiens top zich een vederbos van rook bewoog. In het noorden +fonkelde eene onmetelijke watervlakte in de zonnestralen, en zag men +hier en daar den top van een mast of de bolronde zijde van een door +den wind gezwollen zeil. + +Het onverwachte van zulk een schouwspel verhonderdvoudigde nog zijne +wonderlijke schoonheden. + +"Waar zijn wij? waar zijn wij?" herhaalde ik half luid. + +Hans sloot onverschillig zijne oogen en mijn oom zag in het rond +zonder er iets van te begrijpen. + +"Welke berg het ook moge zijn," zeide hij eindelijk, "het is hier een +beetje warm; de uitbarstingen houden niet op, en het zou waarlijk de +moeite niet waard zijn uitgebraakt te wezen om ten slotte nog een +rotsbrok op het hoofd te krijgen. Laten wij naar beneden gaan, dan +zullen wij wel ontdekken, waar wij ons aan te houden hebben. Bovendien +sterf ik van honger en dorst." + +Zekerlijk was de professor geen man van bespiegelingen. Ik voor mij, +behoefte en vermoeienis vergetende, zou nog uren lang op deze plek +hebben willen blijven, maar ik moest mijne makkers volgen. + +De zijde van den berg helde sterk; wij gleden in ware aschkuilen +om de lavastroomen te ontwijken, die als vurige slangen zich +kronkelden. Onder het dalen sprak ik met een grooten woordenrijkdom, +want mijne verbeelding was te vol om zich niet in woorden te uiten. + +"Wij zijn in Azië," riep ik, "op de kusten van Indië, op de Sunda +eilanden, midden in Australië! Wij hebben den halven aardbol +doorgereisd om bij de tegenvoeters van Europa uit te komen!" + +"Maar het kompas? antwoordde mijn oom. + +"Ja! het kompas!" zeide ik met een verlegen gelaat ... "Als wij het +gelooven mogen, dan zijn wij altijd noordwaarts gegaan." + +"Heeft het dan gelogen?" + +"O! gelogen!" + +"Of dit moest de noordpool zijn!" + +"De pool! neen; maar...." + +Het was een onverklaarbaar feit. Ik wist niet, wat ik er van moest +denken. + +Intusschen naderden wij dat groen, dat zoo streelend was voor het +oog. Honger en dorst kwelden mij. Gelukkig vertoonde zich na twee uur +loopens eene schoone vlakte aan ons oog, geheel bedekt met olijfboomen, +granaatappelboomen en wijnstokken, die niemands bijzonder eigendom +schenen te zijn. Als lieden, die van alles beroofd waren, konden wij +dan ook zoo nauw niet zien. Welk een genot, die sappige vruchten op +onze lippen te drukken en geheele trossen uit die purpere wijngaarden +te happen! Niet verre van daar in het gras ontdekte ik in de heerlijke +schaduw der boomen eene frissche waterbron, waarin wij ons gelaat en +onze handen met een gevoel van wellust dompelden. + +Terwijl wij ons zoo aan al de genoegens der rust overgaven, verscheen +een kind tusschen twee olijfboschjes. + +"Ha!" riep ik uit, "een bewoner van dit gelukkige land!" + +Het was een kleine, arme, zeer ellendig gekleede, ziekelijke knaap, +dien ons gezicht scheen te beangstigen; wij zagen er dan ook half +naakt en met ongeschoren baard zeer ongunstig uit, en als het geen land +van dieven was, moest ons voorkomen zijne bewoners wel schrik aanjagen. + +Zoodra de jongen op den loop wilde gaan, liep Hans hem na en bracht +hem terug, ondanks zijn schreeuwen en schoppen. + +Mijn oom begon met hem zoo goed mogelijk gerust te stellen en zeide +hem in goed duitsch: + +"Hoe heet die berg, vriendje?" + +Het kind antwoordde niet. + +"Goed!" zeide mijn oom, "wij zijn niet in Duitschland." En hij +herhaalde de vraag in het engelsch. + +Het kind antwoordde evenmin. Ik was in groote spanning. + +"Zou hij stom zijn?" riep de professor, die trotsch op zijne taalkennis +dezelfde vraag in het fransch deed. + +Het kind bewaarde het stilzwijgen. + +"Dan zullen wij het italiaansch beproeven," hernam mijn oom, en hij +zeide in die taal: + +"Dove noi siamo?" + +"Ja! waar zijn wij?" herhaalde ik vol ongeduld. + +Het kind gaf geen antwoord. + +"Hoe is het! zult gij haast spreken?" riep mijn oom die toornig begon +te worden en het kind bij de ooren trok. "Come si noma questa isola?" + +"Stromboli," antwoordde de kleine herder, die zich uit de handen van +Hans losrukte en door de olijfboomen heen de vlakte bereikte. + +Wij dachten niet eens meer aan hem. Stromboli! Welk een uitwerksel +had die onverwachte naam op mijne verbeelding! Wij waren in de +Middellandsche zee, in het midden van den eolischen archipel, +mythologischer gedachtenis! op het oude Strongylus, waar Eolus de +winden en stormen aan een keten hield. En die blauwe bergen in het +westen waren die van Calabrië! En die vulkaan, die aan den zuidelijken +gezichteinder verrees, was de Etna, de vreeselijke Etna zelf! + +"Stromboli! Stromboli!" herhaalde ik. + +Mijn oom begeleidde mij met zijne gebaren en woorden. Het was alsof +wij een koor zongen! + +"O! welk eene reis! Welk eene vreemde reis! Den eenen vulkaan waren +wij in, een anderen uitgekomen, en die andere lag meer dan twaalf +honderd uur gaans van den Sneffels, van dat barre IJsland, dat op +de grenzen der aarde ligt! De toevalligheden op dezen tocht hadden +ons in de liefelijkste streken der aarde overgevoerd! Wij hadden het +gewest der eeuwige sneeuw verlaten voor dat van het eindelooze groen, +en de grauwe mist der koude luchtstreek boven ons gelaten om terug +te komen onder den azuren hemel van Sicilië! + +Na een heerlijken maaltijd, uit ooft en frisch water bestaande, gingen +wij weder op weg om de haven van Stromboli te bereiken. Het scheen ons +niet voorzichtig toe om te zeggen, hoe wij op het eiland gekomen waren: +de bijgeloovige geest der Italianen zou ons stellig aangezien hebben +voor duivels, die de hel had uitgebraakt; wij moesten er dus vrede +mede hebben om voor eenvoudige schipbreukelingen door te gaan. Dat +was minder roemvol, maar veiliger. + +Onderweg hoorde ik mijn oom mompelen: + +"Maar het kompas! het kompas, dat het noorden aanwees! hoe moet ik +dat verklaren?" + +"Op mijne eer!" zeide ik op een minachtenden toon, "wij moeten het +maar niet verklaren; dat is het gemakkelijkst!" + +"Dat zou wat moois wezen! Een professor aan het Johannaeum, die +de oorzaak van een natuurverschijnsel niet kon vinden, mocht zich +wel schamen!" + +Zoo sprekende, werd mijn oom, half naakt, met de lederen beurs om de +lendenen en den bril op den neus, weder de verschrikkelijke professor +in de delfstofkunde. + +Een uur nadat wij het olijvenboschje verlaten hadden, kwamen wij aan +de haven San-Vicenzo, waar Hans het loon voor zijne dertiende week +dienst vorderde, dat hem met warme handdrukken werd uitbetaald. + +Al deelde hij in dit oogenblik ook niet in onze zeer natuurlijke +aandoening; zoo liet hij zich toch medeslepen door een gevoel van +buitengewone openhartigheid. + +Met de toppen zijner vingers drukte hij zacht onze beide handen en +begon te glimlachen. + + + + + + +HOOFDSTUK XLV + + In Hamburg terug.--Hans vertrekt naar IJsland.--De polen + van het kompas verwisseld. + +Ziehier het slot van een verhaal, waaraan zelfs zij, die gewoon zijn +zich over niets te verwonderen, geen geloof zullen slaan. Maar ik +ben van te voren gewapend tegen de ongeloovigheid der menschen. + +Wij werden door de visschers van Stromboli ontvangen met al de +vriendelijkheid, waarop schipbreukelingen aanspraak hebben. Zij gaven +ons kleederen en levensmiddelen. Na twee dagen wachtens bracht een +klein open vaartuig ons den 31sten Augustus naar Messina, waar eenige +dagen rust ons van al onze vermoeienissen herstelden. + +Vrijdag, den 4den September, gingen wij aan boord van de Volturno, +eene der paketbooten van de keizerlijk Fransche stoombootmaatschappij, +en drie dagen later zetten wij te Marseille voet aan wal, zonder +dat ons iets meer kwelde dan die zaak van het vervloekte kompas. Dit +onverklaarbare voorval veroorzaakte mij veel muizenissen. Den 9den +September kwamen wij 's avonds te Hamburg. + +Ik waag het niet om de verbazing van Martha, de vreugde van Gräuben +te beschrijven. + +"Nu gij een held zijt," sprak mijne lieve bruid, "behoeft gij mij +niet meer te verlaten, Axel!" + +Ik zag haar aan. Zij lachte door hare tranen heen. + +Men kan licht nagaan welk een opzien de terugkomst van professor +Lidenbrock te Hamburg baarde. Door de praatjes van Martha was de +tijding van zijn vertrek naar het middelpunt der aarde over de +geheele wereld verspreid. Men wilde er geen geloof aan slaan en, +toen men hem terugzag, geloofde men het evenmin. + +Toch brachten de tegenwoordigheid van Hans en verschillende berichten +uit IJsland allengs eenige verandering in de openbare meening. + +Nu werd mijn oom een groot man en ik de neef van een groot man, +dat ook reeds iets is. Hamburg gaf een feest ter onzer eere. Eene +openbare zitting had in het Johannaeum plaats, waar de professor +een verslag deed van zijn tocht en alleen de zaak van het kompas +verzweeg. Dienzelfden dag legde hij het document van Saknussemm in het +stedelijk archief neder en drukte hij zijn leedwezen daarover uit, dat +de omstandigheden, sterker dan zijn wil, hem niet veroorloofd hadden +om de sporen van den ijslandschen reizigers tot in het middelpunt +der aarde te volgen. Hij was bescheiden bij al zijn roem, waardoor +de achting voor hem nog vermeerderde. + +Zooveel eerbewijzingen moesten hem noodzakelijk benijders +verschaffen. Hij kreeg er ook, en daar zijne theorie op stellige +daadzaken gegrond, in tegenspraak was met de wetenschappelijke stelsels +betreffende het inwendige vuur, voerde hij met pen en mond belangrijke +twisten met de geleerden uit alle landen. + +Ik voor mij kon zijne theorie van de afkoeling niet aannemen: in +spijt van hetgeen ik gezien heb, geloof ik en zal ik altijd gelooven +aan de inwendige hitte; maar ik geef toe, dat sommige nog duistere +omstandigheden die wet kunnen wijzigen door de werking van natuurlijke +verschijnselen. + +Terwijl die vraagstukken aan de orde van den dag waren, ondervond +mijn oom eene ware smart. Hans had, in weerwil van zijn aanhouden, +Hamburg verlaten; de man, wien wij alles te danken hadden, wilde +niet toelaten, dat wij onze schuld aan hem afbetaalden. Hij kreeg +het heimwee naar IJsland. + +"Farval!" zeide hij op zekeren dag en met dien eenvoudigen +afscheidsgroet vertrok hij naar Reikiavik, waar hij behouden aankwam. + +Wij waren bijzonder gehecht aan onzen dapperen eiderjager; zijne +afwezigheid zal hem nooit doen vergeten door hen, wier leven hij heeft +gered, en stellig zal ik niet sterven zonder hem voor het laatst nog +eens gezien te hebben. + +Ten slotte voeg ik er nog bij, dat die "Reis naar het middelpunt der +aarde" verbazend veel opzien in de wereld baarde. Zij werd gedrukt en +in alle talen overgezet; de grootste dagbladen namen er de voornaamste +gedeelten van over, die in het kamp der geloovigen en ongeloovigen +met eene gelijke overtuiging werden beoordeeld, besproken, bestreden +en verdedigd. Mijn oom had het zeldzame voorrecht van nog bij zijn +leven al den roem te genieten, dien hij verworven had, en zelfs Barnum +bleef niet achter met het voorstel om hem voor eene zeer hooge som +in de Vereenigde Staten "ten toon te stellen." + +Maar eene verveling, ja eene kwelling sloop onder al dien roem. Eene +zaak bleef onverklaarbaar, die van het kompas. Voor een geleerde nu +wordt zulk een onverklaard natuurverschijnsel eene marteling voor +het verstand. Welnu! de hemel had voor mijn oom een volmaakt geluk +weggelegd. + +Toen ik eens eene verzameling delfstoffen in zijn kabinet rangschikte, +bespeurde ik dat beruchte kompas en begon het te onderzoeken. + +Reeds zes maanden lang lag het daar in een hoek, zonder iets te +vermoeden van al het hoofdbreken, dat het veroorzaakte. + +Hoe groot was daar op eens mijne verbazing! Ik begon te schreeuwen. De +professor kwam aanloopen. + +"Wat is er toch te doen?" vroeg hij. + +"Dat kompas!".... + +"Welnu?" + +"Zijne naald wijst naar het zuiden en niet naar het noorden!" + +"Wat zegt gij!" + +"Zie maar! zijne polen zijn verwisseld." + +"Verwisseld!" + +Mijn oom keek, vergeleek, en deed het huis beven door een hoogen +sprong. + +Welk een licht ging er tegelijk op voor zijn en mijn verstand! + +"Dus wees dan," riep hij, zoodra hij weder spreken kon, "na onze +aankomst bij kaap Saknussemm de naald van dat verdoemde kompas het +zuiden in plaats van het noorden aan?" + +"Dat blijkt." + +"Dan wordt onze dwaling verklaard. Maar welk natuurverschijnsel heeft +die verwisseling van polen teweeg kunnen brengen?" + +"Niets is eenvoudiger." + +"Verklaar u, mijn jongen!" + +"Gedurende den storm op de Lidenbrock-zee heeft die vuurbol, die het +ijzer van het vlot magnetisch maakte, heel eenvoudig ons kompas in +de war gebracht!" + +"Zoo! dan was het een grap van de electriciteit?" riep de professor +schaterende van lachen. + +Van dien dag af was mijn oom de gelukkigste aller geleerden en ik de +gelukkigste aller mannen; want mijne lieve Gräuben, hare betrekking +van pupil nederleggende, nam plaats in het huis in de Koningstraat +in de dubbele betrekking van nicht en echtgenoote. Ik behoef hier +niet bij te voegen, dat de vermaarde professor Otto Lidenbrock, +correspondeerend lid van alle wetenschappelijke, aardrijkskundige en +delfstofkundige genootschappen der vijf werelddeelen, haar oom werd. + + + + + + +INHOUD. + + +I. Prof Otto Lidenbrock.--Eigenaardigheden van oom.--De studeerkamer. + +II. Een fraai boek.--Een merkwaardige inhoud.--Het oude document.--Wat +het oude papier kostte. + +III. Een runisch handschrift;--Uitleg van het alphabet.--Het +geheimschrift.--Een geleerd man.--Nichtje Gräuben.--Ontcijfering van +het document.--Einde der ontcijfering. + +IV. Vrees voor het raadselachtige werk.--Waar is oom?--Moeielijkheden +der ontcijfering.--De sleutel gevonden. + +V. De professor aan het werk.--De neef valt in slaap.--De huissleutel +verdwenen.--De vreugde van mijn oom.--De lezing van het document.--De +valiezen moeten gepakt worden. + +VI. In het studeervertrek.--De Sneffels.--De warmte in den aardbol.--De +vulkanen.--Inwendige hitte der aarde. + +VII. Naar het middelpunt der aarde.--Een onmogelijke +reis.--Toebereidselen tot het vertrek.--Reikiavik.--De koffer moet +gepakt worden.--Naar den kelder? + +VIII. Altona.--Kiel.--Korsör.--Professor Thomson.--Kopenhagen.--De +Vor-Frelserskerk.--Duizeligheid. + +IX. Het Kattegat.--Skagen.--Naar het middelpunt der aarde.--Het +handschrift van Saknussemm.--Reikiavik.--De IJslanders. + +X. Leeslust der IJslanders.--Letterkunde der IJslanders.--De +Sneffels.--Over zee of over land? + +XI. Eiderganzen.--Hans Bjelke.--Toestel van +Rhumkorff.--Reisvoorraad.--Uitrusting voor den tocht. + +XII. Aanvang van den tocht.--Door IJsland.--Het vlek +Gufunus.--Overtocht van den Fjörd. + +XIII. Het huis van een boer.--De IJslandsche vrouw.--Gastvrij +onthaal.--IJslandsche hartelijkheid.--Melaatschen. + +XIV. De familie van Hans.--Stapi.--Verbasterde geestelijke.--Vrees voor +uitbarsting.--Te mooi om mogelijk te zijn.--Gevaar voor uitbarsting. + +XV. Het vertrek naar Stapi.--Grondgesteldheid.--Moeielijkheid van +den tocht.--De hellingen van den Sneffels.--De "mistoer". + +XVI. Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den +krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock +wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw. + +XVII. Naar den afgrond.--De theorie van Davy bevestigd.--Geen inwendige +warmte.--Op den bodem van den krater. + +XVIII. Kalmte.--Begin der onderaardsche reis.--Schakeeringen der lava. + +XIX. De kruisweg.--Vermoeienis van Axel.--Klimmen of dalen?--Naar +boven, naar Gräuben.--Dreigend watergebrek. + +XX. Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong +der steenkolen.--Vergeefsche tocht. + +XXI. Gemoedsgesteldheid.--Opoffering van den +professor.--Spanning.--Columbus nagevolgd. + +XXII. Zeldzaam geologisch genot.--Verdwijning van Hans. + +XXIII. Water in uitzicht.--Weder voorwaarts.--Zoekende.--Dorst +gelescht.--De beek een wegwijzer.--Rustige slaap. + +XXIV. Te horizontaal.--Bijna loodrechte lijn.--Onder den Oceaan. + +XXV. Kalm vertrek.--Plaatsbepaling.--Heeft Hamphry Davy +gelijk?--Dichtheid der lucht.--Lucht in vasten toestand. + +XXVI. Toenemende stilzwijgendheid.--Verdwaald. + +XXVII. Levend begraven.--Splitsing der galerij.--Bede tot God.--In +de zwarte duisternis. + +XXVIII. Een geraas!--Het geluid van +woorden.--Förlorad.--Gemeenschap.--Gesprek op anderhalf uur +gaans.--Bemoediging.--Bewusteloos neergeploft. + +XXIX. Ontwaken van Axel.--Was hij krankzinnig?--De grot verlaten. + +XXX. De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende +zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees voor +voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor. + +XXXI. Door een zeebad versterkt.--Vloed, ebbe en magnetische +helling.--scheepstimmerhout.--Het vlot. + +XXXII. Zeilklaar.--Vertrek van Gräubenhaven.--Het +scheepsjournaal.--Voorwereldlijke visch.--Blindheid van dien +visch.--Axel's droom.--Axel ontwaakt. + +XXXIII. Des professors ongeduld geboekstaafd.--De lange zeereis.--In +het ijzer gebeten.--Zeemonsters.--Ontsteltenis.--Strijd.--De +plesiosaurus bezwijkt. + +XXXIV. Nieuw gevaar.--Iets gezien.--Een eiland.--De geyser. + +XXXV. Naderend onweder.--De rotsen van den oever.--Een orkaan.--Werking +der electriciteit.--Hevigheid van den orkaan.--De electrische +kogel.--Altijd op zee. + +XXXVI. Vreugde van den professor.--Toebereidselen voor de +terugreis.--Werktuigen gered.--De professor denkt aan zijne +collega's.--Op welke hoogte? + +XXXVII. Verloren reis.--Landverkenning.--Verbastering der +schildpad.--De beenderenvlakte. + +XXXVIII. Voorwereldlijke overblijfselen.--Een menschelijk lichaam.--De +reus van Palermo.--Onderzoek van een lijk.--Een onmetelijk knekelhuis. + +XXXIX. Voorwereldlijke planten en +dieren.--Mosplanten.--Mastodonten.--De aapmensch.--Niet op het +uitgangspunt terug.--Een dolk.--Eene echte dagge. + +XL. Arne Saknussemm.--Altijd dalen.--De schepen verbranden.--Een weg +voor de lava.--De mijn moet springen. + +XLI. De mijn gesprongen.--De ontploffing--Snelle vaart van het +vlot.--De woede van den stortvloed--Onverwachte overstrooming. + +XLII. De nauwe put.--Geen voedsel meer.--Levend verbranden.--De +laatste maaltijd.--Een gloeiende dampkring. + +XLIII. Miswijzend kompas.--Ontploffingen.--Een +uitbarsting.--Zwavelvlammen.--Het vlot blijft liggen.--Op nieuw +opgestuwd. + +XLIV. Op aarde terug.--In Azië?--De tegenvoeters.--In de Middellandsche +zee.--Stromboli.--Een glimlach van Hans. + +XLV. In Hamburg terug.--Hans vertrekt naar IJsland.--De polen van +het kompas verwisseld. + + + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +[1] Omtrent f 2.30. + +[2] La Recherche werd in 1835 door den admiraal Duperré uitgezonden +om de sporen eener verongelukte expeditie, die van den heer de +Blosseville, en van la Lilloise, waarvan men nooit bericht heeft gehad, +op te zoeken. + +[3] Deze naam wordt gegeven aan de nauwe inhammen in de scandinavische +landen. + +[4] Ruim f 8. + +[5] De toestel van Ruhmkorff bestaat uit eene kolom van Bunsen, +in werking gebracht door middel van het dubbel chroniumzuur zout +van potasch, dat reukeloos is; een inductie-toestel brengt de +electriciteit door de kolom voortgebracht, in verband met een +lantaarn van een bijzondere inrichting; in deze lantaarn bevindt +zich eene bijna luchtledige slang, waarin alleen een overschot van +koolzuurgas of van stikstof overblijft. Als de toestel werkt, wordt +dit gas lichtgevend en verschaft een witachtig en aanhoudend licht. De +kolom en de inductie-toestel worden in een lederen zak geborgen, +dien de reiziger als een bandelier draagt. De lantaarn er uitgenomen +zijnde geeft genoeg licht in de zwartste duisternis; zij laat toe, +dat men zich zonder vrees voor ontploffing in de brandbaarste gassen +waagt en gaat zelfs diep onder water niet uit. + +De heer Ruhmkorff is een geleerd en bekwaam natuurkundige. Zijne +groote ontdekking is de inductie toestel, die veroorlooft om eene +electriciteit van hooge drukking voort te brengen. In 1864 heeft hij +den vijfjarigen prijs van 50000 frank verkregen, dien Frankrijk voor +de vernuftigste toepassing der electriciteit had uitgeloofd. + +[6] Huis van den ijslandschen boer. + +[7] Hamburgsche munt, omtrent f 42,75. + +[8] Dus genoemd, omdat de gronden van dit tijdperk zeer uitgestrekt +zijn in Engeland in de streken, die voorheen bewoond werden door een +celtischen volksstam, de Siluriërs. + +[9] Visschen met vierkante, harde schubben of platen. + +[10] Ontvlambaar gas in de gangen der kolenmijnen, uit koolwaterstof +met eenig koolzuur en stikstof bestaande. + +[11] Eene plotselinge afwijking in den loop eener steenkolenader. + +[12] Phosphorzure kalk. + +[13] Zeeën van het secundaire tijdperk, die de gronden hebben gevormd, +waaruit het Juragebergte bestaat. + +[14] Eene zeer beroemde springbron aan den voet van den Hekla. + +[15] De gelaatshoek wordt gevormd door twee vlakken; het eene, min +of meer loodrecht, raakt het voorhoofd en de snijtanden; het andere, +horizontaal, snijdt de opening der gehoorwerktuigen en de benedenzijde +van het neusbeen. Men verstaat onder prognathismus, in de taal der +natuurkundige beschrijving van den mensch, het vooruitspringen van +het kaakbeen of de kinnebak, waardoor de gelaatshoek gewijzigd wordt. + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10349 *** |
