summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:34:15 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:34:15 -0700
commit28f4de4492d8d61978ef5794de5644a58e8e68de (patch)
treea351eb446ec6362ee6391ed21074950438a7fd9c
initial commit of ebook 10334HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--10334-0.txt4653
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/10334-8.txt5069
-rw-r--r--old/10334-8.zipbin0 -> 81950 bytes
-rw-r--r--old/10334.txt5069
-rw-r--r--old/10334.zipbin0 -> 81448 bytes
8 files changed, 14807 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/10334-0.txt b/10334-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..f4eb124
--- /dev/null
+++ b/10334-0.txt
@@ -0,0 +1,4653 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10334 ***
+
+Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.
+
+Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE
+
+DOOR MARIE METZ-KONING
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+Van 't Viooltje dat weten wilde
+De Tulp en de Madeliefjes
+Elze
+De Watermolen. Wat het Beekje vertelde
+
+
+
+
+
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE.
+
+In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein
+viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als
+denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid
+angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch.
+
+Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen
+reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige,
+eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de
+moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen
+ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is.
+
+Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer,
+glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw.
+
+Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van
+het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer
+licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje.
+
+Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het
+ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende
+van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche
+boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over
+het zandpad elkander raakten.
+
+Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag
+aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming
+wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle
+op gelijken afstand van elkaar.
+
+Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen,
+van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende
+boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek
+angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar
+heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het
+pijn wou doen.
+
+Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel,
+en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht!
+
+Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel
+eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't
+licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen,
+toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk
+daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind
+wat sterker werd.
+
+De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet
+zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!... het
+fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode
+takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven
+haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen,
+weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer,
+zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze
+geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend!
+
+Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen,
+toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't
+verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog
+in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze
+er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar,
+zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren:
+de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en
+toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde,
+toen ze niet durfde luisteren: de melodieën die de dennen zongen in
+den nacht, en de melodieën die ze zongen in 't licht, telkens andere,
+en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen
+wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen,
+dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar,
+dik-zwart, één waren met den nacht.
+
+Dit alles boeide haar.
+
+Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen,
+ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap
+zonder droomen.
+
+Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen,
+nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar
+rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar
+aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in
+de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk
+voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het
+had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig
+air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was,
+scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen
+kant kon ze maar even zien.
+
+Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop,
+met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen
+onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van
+omhoog zitten, en wijs neerzien.
+
+Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje:
+
+--Hè, wat is dat?
+
+--Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap
+stoor! 't Was bij ongeluk!
+
+--Maar wie ben je?
+
+--Ik heet kikker!
+
+--Wat doe je hier?
+
+--Wel, springen, natuurlijk!
+
+--Waarom?
+
+--Waarom! waarom! omdat ik het doe!
+
+--Moet je het dan doen?
+
+--Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op
+dezelfde plaats blijven!
+
+--Waarom niet?
+
+'t Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan.
+
+--Hoor eens, zei deze, als je nu nog één keer "waarom" vraagt, ga ik
+heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen
+"waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me
+altijd erg uit mijn humeur brengt.
+
+--Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd
+zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan?
+
+--Op 't oogenblik van den straatweg.
+
+--Wat is dat?
+
+--Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal
+steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en
+hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over
+heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al.
+
+De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat
+zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde.
+
+--Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje.
+
+--Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien!
+
+--Wat zijn menschen?
+
+--Dieren, net als ik, maar veel, véél grooter. Zie je, jij bent een
+plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun
+twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen
+ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan.
+
+--Waarom doen ze zoo?
+
+--Wat heb ik je gezegd?
+
+--O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje
+nederig.
+
+--Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te
+leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel;
+dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij
+is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat
+zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De
+duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen
+elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel
+ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen;
+ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood?
+
+--Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje.
+
+Ze voelde zich héél wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en
+een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor
+dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet!
+
+--Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait
+en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig
+de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En
+evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuïtie hun vóórzegt,
+raadde ze goed.
+
+--Den wind meen je!
+
+--Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor
+het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets
+heel ergs. Misschien is dat de duivel wel!
+
+--Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last
+van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als
+je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er
+veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond;
+dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die
+raden elkaar óók altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg,
+hoe oud ben je?
+
+--Wat bedoel je daarmee?
+
+--Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan?
+
+--Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en
+daarna is 't nog eens weg geweest.
+
+--Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je
+nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm
+komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je
+zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de
+dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken
+worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het
+kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft,
+en of de aarde van binnen kermt!
+
+--Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me!
+
+--Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding
+als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken,
+bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder
+me over niets meer!
+
+--Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje.
+
+Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben.
+
+--Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een
+grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn
+erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt
+niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor
+ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk
+wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je
+niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten,
+dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets
+liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan
+hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe
+meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze
+nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met
+alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen
+dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk
+heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze
+praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen,
+net zoo min als "waarom" vragen. Eén ding is zeker: als ze je eenmaal
+meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je
+niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat
+kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag
+toch héél wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms
+wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je
+staan kijken, of er héél wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik
+alleen van hooren zeggen. Vader zag zóó iets nooit!
+
+--Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker
+zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al
+begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten;
+beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van,
+als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg
+te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was
+'t gezellig, iemand zoo bij zich!
+
+--Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen.
+
+--Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er
+is zooveel, zie je!
+
+--Wat is dat! riep opeens het viooltje.
+
+Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het
+plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de
+denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was.
+
+--Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms
+'s nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten
+weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen.
+
+--Slapen die dan nooit?
+
+--Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt
+niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk
+je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze
+"duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed
+altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan
+vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen
+wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls:
+'t Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat
+ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal
+moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil,
+en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en
+moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze
+maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen;
+en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk.
+
+En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zèlf eerst maken. Niets
+doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel
+vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn:
+zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen
+doen ze niets! Niet eens, hoe je je ècht lekker voelt. Ik houd het
+er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat
+ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen
+van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal
+leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets
+weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch
+niet énkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al
+weer zijn, om maar veel te doen hebben.--
+
+--Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte
+pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte.
+
+--Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze:
+Man; die witte: Vrouw.
+
+Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit
+vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms
+een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt!
+
+Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker
+in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken
+opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even
+straalden en verdwenen.
+
+Zoo zag het viooltje.
+
+Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten,
+boven het hoofd van de Vrouw.
+
+Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte.
+
+De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op.
+
+De Man zag haar aan, en zei: "Ja."
+
+Toen weer stilte.
+
+Langzaam, héél langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten
+vast hield; en ze spraken niet.
+
+--Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen
+mooi vond.
+
+--Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten
+de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen
+ze. Stom! eenvoudig stom!
+
+Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne
+iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al
+maar zwijgend.
+
+Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen.
+
+--Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft
+je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn!
+
+Nu was de Man het dichtst bij het viooltje.
+
+Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen:
+"Ik heb je nog zooveel te zeggen!"....
+
+De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien,
+want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't
+lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien
+met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei:
+"Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo."....
+
+Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over
+hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan
+strak liggen op den grond.
+
+--Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te
+zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat
+doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar
+ben ik zeker van!
+
+--Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje
+rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd.
+
+--Vindt je dat dan zoo prettig?
+
+--Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik
+houd zoo van licht!
+
+--Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht
+hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en
+van 't alléén zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan?
+
+--Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze
+weêr kwam!
+
+--Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht!
+
+--Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien
+hebben!
+
+--Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet
+kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde
+de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken,
+en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten.
+
+--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht
+'t viooltje.
+
+De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan
+het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes
+tegen hem op.
+
+--Het licht van háár stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van háár
+hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer.
+
+De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar.
+
+--Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje.
+
+--Naar niets!
+
+--Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem!
+
+--Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en dááraan
+denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is,
+omdat ze veel te doen hebben.
+
+--Hij zag het licht van haar stem!
+
+--Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets
+van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel
+verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net
+als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste
+avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet
+wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan
+doen. Allemaal gekheid... stòmheid... Natuurlijk doen ze weer zoo,
+omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen:
+ik wil niets te doen hebben!
+
+--Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem!
+
+--Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven,
+en alles vertellen wat ze te zeggen hadden!
+
+--Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't
+mijne wezen!
+
+--Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in
+hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze
+een papier hebben waarop staat dat ze het mòèten doen. Dàn doen ze
+'t, al zouden ze véél liever niet bij elkaar blijven.
+
+--Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat
+iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen:
+je moet héél graag blijven of heengaan! Ik zou 't wàt naar vinden,
+als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik mòet bij
+je blijven.
+
+--Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze
+wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen
+ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de
+duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort.
+
+--Dan vind ik den duivel zoo erg niet!
+
+--Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge
+deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dòm!!
+
+--Hoe kwam je vader bij de menschen?
+
+--Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot,
+dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land,
+naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen
+kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam
+hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half
+vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk
+ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken
+dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij
+de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij
+zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen
+de zon buiten zóó lekker scheen, dat vader boven op het laddertje
+geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zóó te
+verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat
+is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak,
+en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om
+zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen.
+
+De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich
+altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er
+geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al
+aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis
+woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt,
+en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje
+valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het
+menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We
+vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo
+mooi van zijn avonturen vertellen toen!
+
+Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet?
+
+--Blijf je hier? zei verheugd het viooltje.
+
+--Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen.
+
+--O, héél veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je
+bent zoo knàp... Je wéét zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden,
+als ik wakker werd, en je was er dan nog.
+
+--Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik
+overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei
+de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig
+neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren.
+
+--Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem!
+
+--Ik droom nooit.
+
+--Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen:
+"Wat is het mooi hier!"
+
+--Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij!
+
+--Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij,
+om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den
+kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit
+niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn.
+
+--Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde
+niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig
+lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in
+zijn kop.
+
+Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten
+of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem
+zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde
+houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap.
+
+Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze
+sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het
+geluk, niet meer alleen te zijn.
+
+En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen.
+
+En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen
+hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame,
+hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt
+het lichtende geluk in zich, overal.
+
+Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond,
+en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten
+naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe
+dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en
+wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde
+houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar
+zijn mooie, zachte, gemarmerde borst.
+
+Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje:
+
+--Ben je wakker?
+
+--Al lang! zei de kikker bedaard.
+
+--Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen!
+
+--Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen.
+
+--Wat is dat?
+
+--Waar ik zal gaan eten!
+
+--Wat is eten?
+
+--Dat moet je doen om te blijven leven.
+
+--Ik doe het toch nooit!...
+
+--Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet
+wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde,
+met je wortels die er in vastzitten!
+
+Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar
+gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat
+met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat
+de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe
+gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep
+nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was
+dat wonderlijk! Waarom zocht je bóven de aarde, als je van de aarde
+leefde? Waarom?
+
+--Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van
+haar overdenken.
+
+--Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding
+bewarende.
+
+--O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan
+'t geen ik niet begrijp.
+
+--Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel
+eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit
+pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden!
+
+--Je komt toch weer terug?
+
+--Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan
+dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur.
+
+--Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan
+iets denk?
+
+--Praat er dan niet over.
+
+--Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar
+eten en kom gauw terug.
+
+De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van
+'t stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door,
+tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen.
+
+Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om
+heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte
+oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam
+van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar
+gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens.
+
+Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur
+dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen
+alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen,
+dat over haar heen hing als een dikke sluier.
+
+Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn
+gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer
+alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse,
+onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen
+denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen.
+
+--Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop.
+
+Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar
+die lieve stem-muziek.
+
+--Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij
+meenam, opdat ik haar àltijd zou kunnen hooren!
+
+Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die
+zorgde dat ze leven kon. Wat dàn?... Door een kleine opening in de
+dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den
+blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht,
+en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende.
+
+Maar het licht kuste haar, en zweeg.
+
+Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door,
+de stem van de Vrouw hoorde.
+
+--Háár stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren.
+
+Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast
+zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem
+hoorde; en teleurgesteld riep ze uit:
+
+--Het licht is uit haar stem!
+
+Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante
+niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man,
+maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en
+beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte.
+
+--Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het
+licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje.
+
+De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden,
+riep zoo hard ze kon:
+
+--Vrouw!... Vrouw!... Vrouw!
+
+De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte
+violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren,
+liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog,
+denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam
+door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras,
+en keek naar den grond.
+
+De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en
+luisterde....
+
+--Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje.
+
+Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet,
+hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze
+wijd, wijd open omhoog zagen....
+
+En ze zag een licht komen in haar oogen, en nòg een licht en
+nòg een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke
+wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag,
+kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende
+er in, en ging naar de Gedaante, zeggende:
+
+--Aardig, dat ruischen van die dennen!
+
+--'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig
+naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet
+sentimenteel zijn!
+
+Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur
+zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de
+morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen.
+
+--Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het
+zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't
+viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken.
+
+Juist kwam hij aanspringen.
+
+--'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer.
+
+--De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje.
+
+--Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man.
+
+--Zoo, was dat óók een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak
+veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem.
+
+--Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze
+nú wel.
+
+--Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar
+oogen, toen ik haar riep.
+
+--Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat
+is héél zeldzaam! En kwam ze bij je?
+
+--Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en
+luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen,
+en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet
+je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan,
+of bij me houden.
+
+--Dat waren tránen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tránen! Die
+kàn je niet weervinden!
+
+--Tranen! Wat zijn dat?
+
+--Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van
+de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet
+weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels
+die neervallen.
+
+--Wat zijn dat?
+
+--Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel
+eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet
+zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei
+kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als
+je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de
+plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes.
+
+--Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde
+'t viooltje.
+
+--Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen?
+
+--Neen, wat is dat?
+
+--'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch
+wel lichtjes?
+
+--Ja!
+
+--Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er
+niets over van hun licht. Dat is dan óók weg!
+
+--Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet
+dat zoo zijn?
+
+--Begin je al weer met den duivel aan te roepen?
+
+--Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden
+op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten
+waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die
+mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de
+aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze
+aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet!
+
+--Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet.
+
+--Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen?
+
+--Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles
+heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever
+niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Láten ze het dan niet doen! Ik
+vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet
+met dingen die je niet aangaan!
+
+--Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik
+wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat
+ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet
+laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed?
+
+--Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat
+hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik!
+
+--Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi
+hier"; vindt dié dat dan goed?
+
+--Die heeft natuurlijk óók veel te doen! Daar komt bij de menschen
+alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat
+anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding,
+nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden.
+
+--Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg
+is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde
+het viooltje weer.
+
+--Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! Hè,
+wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen!
+
+En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen.
+
+De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad,
+en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij.
+
+--Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon.
+
+De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel
+donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed
+weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen.
+
+--Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie
+eens! Zie eens!
+
+Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel
+donker. Hij zag recht voor zich uit en ging.
+
+--Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hóór
+toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht
+is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie,
+mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezién!... Ik heb
+het gezién!...
+
+De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn
+pas, en verdween.
+
+--Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur
+verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet
+eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel
+gauw dood. Hij dacht óók weer dat de dennen riepen; dat was je geluk,
+anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen!
+
+--Ik wóú het!... Ik wóú dat hij me mee genomen had; dan zou ik
+misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig
+maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hèn, als ik dan maar éérst weet,
+wat zij weten!
+
+--Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel
+bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij
+meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet
+aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim,
+heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het
+nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit
+iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet!
+
+--Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och,
+wien zóú ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet
+hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens
+luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders
+was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch
+nóóit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet!
+
+--Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo
+dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er
+van, dan doen ze dat tòch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond,
+vouwen hun vóórpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden"
+zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op
+den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd
+heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't màg
+volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort;
+en vader wèrd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den
+gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders
+doen; want antwoord krijgen ze tòch nooit.
+
+Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je
+meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden
+ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens màg.
+
+--O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vrééselijk
+treurig!... snikte 't viooltje.
+
+--Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat
+afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet.
+
+--Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil óók
+bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door
+"waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden.
+
+--Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist
+voorbij vloog.
+
+--Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het
+uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig,
+innig treurig.
+
+--Je bent sentimenteel! Dát is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen
+lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten
+van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar
+het beste, als ik je alleen liet.
+
+De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over
+het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad,
+waar het weiland was.
+
+Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die
+gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet
+mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond,
+zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante....
+
+Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze
+mòèst denken, en treurig zijn, als ze treurig mòèst zijn....
+
+--Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed
+met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is,
+als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik
+ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en
+springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben,
+en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt
+je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik
+alleen: dat ik nóóit iets weten zal! nóóit iets begrijpen kan!
+
+--Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is
+in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap
+te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan,
+op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou
+dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet!
+
+--Dat ìs 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders
+zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw,
+en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel,
+net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik
+kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is,
+en dat ik weten wil, waaròm dat zoo is....
+
+--Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom;
+alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien
+kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger
+bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals
+ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat óók altijd
+tegen elkaar.
+
+--Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...!
+
+--Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu
+ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft,
+geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen
+en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de
+storm komt en ik ben er niet meer?
+
+--Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zóó
+erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot
+hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren
+om antwoord.
+
+--Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van
+alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt tòch nooit!... Nu,
+ik ga dan maar! Goeden dag!
+
+De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed
+en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets
+hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem
+opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van
+'t praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen,
+moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen.
+
+Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet
+het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx
+te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel
+succes had.
+
+--Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank
+je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood
+ben misschien. Ik kan tòch niet leeren, om net als de menschen,
+te praten over wat ik nièt denk, en te zwijgen over wat ik wèl
+denk!... Vaarwel!--
+
+En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist,
+dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer
+alleen te zijn.
+
+Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude
+kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar
+vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer
+gedaan hebben om hèm, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud
+om aan te raken!
+
+--Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele,
+geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje
+ziende.
+
+'t Viooltje wàs sentimenteel; en dat wàs vervelend. Hij kroop
+langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind
+van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen
+hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland,
+waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en
+paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot
+genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van
+de menschen, waar hij zooveel van wist.
+
+"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben,
+'t Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende.
+
+.........
+
+Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige
+omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen,
+en vroeg "waarom?"
+
+En haar stemmetje ging wèg in het ruischen van de altijd-groene,
+statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur.
+
+Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de
+dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?"
+
+En haar licht stemmetje stéég in het zwijgende licht, dat het wègdroeg
+... zonder antwoord te geven.
+
+Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?"
+
+En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg.
+
+Zoo gingen lange, lànge uren voorbij.
+
+Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne
+blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten.
+
+Ze werd heel stil.
+
+Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer.
+
+Ze kwam zacht, alléén, over 't mulle pad.
+
+Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen.
+
+--Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde.
+
+De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief
+de gevouwen handen op.
+
+Toen gebeurde het.
+
+Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar
+hoofd lei ze op haar gevouwen handen.
+
+En haar stem, nu héél donker, kwam in het donker héél zacht tot
+het viooltje:
+
+--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?... snikte ze.
+
+--Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na:
+
+--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?
+
+En wachtte.........
+
+En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken.........
+
+En ze wachtte.........
+
+Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den
+hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het
+uitstraalde.
+
+En wijd ... wijd ... héél wijd...! zwijgend en rustig, als een
+gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze
+te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen,
+vèr boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister
+leed, op de zwarte zwijgende aarde.
+
+En het wétende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende
+Vrouw, en op 't viooltje, en zwéég ... als alles.
+
+Toen zag het viooltje dat het wáár was, dat er geen antwoord is....
+
+Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde háár van het
+voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden
+nu, zonder licht er in.
+
+--Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien
+op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, àltijd!
+
+De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging.
+
+--Dat was het éénige Licht ... zei ze....
+
+En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna
+tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat
+kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte
+vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo.
+
+Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het
+zag... En héél stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode
+bloempje ... om het te zièn....
+
+Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve
+klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ...
+
+En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde,
+en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen
+... wist niemand waarheen die te zamen gingen.
+
+--Naar het Licht ... dacht de Vrouw.
+
+Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen,
+en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone
+schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar
+ze vallen.
+
+Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de
+menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het
+smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde
+doet geboren worden.
+
+Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op
+aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle
+schoonheidzoekende zielen eenmaal, om dáár te sterven. Want het leven,
+zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid,
+alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers,
+die niet loslaten.
+
+Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag.
+
+..................
+
+En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde
+hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest.
+
+Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan
+had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong
+verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij
+wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap
+lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal
+geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze
+altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze
+wel wilden doen.
+
+En hij làchte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs
+sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzèlf.
+
+En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde
+niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen.
+
+En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als
+remedie tegen nadenken, dat onrust brengt:
+
+"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de
+Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er
+uit de verte mee."
+
+Zijn vader had altijd gezegd:
+
+In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die
+drie samen zijn de "duivel".
+
+Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de
+menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte
+dus de verwarde theorieën van zijn vader na, die ze van de menschen
+nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken,
+dat onrust brengt.
+
+Toch was het nog niet zoo héél dom. De theorie was wel wijs; maar
+ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die héél deftige
+dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten.
+
+Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar
+"iets héél ergs" van.
+
+En het niet-zoeken noemden ze "God".
+
+Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en
+God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin.
+
+Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht
+dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch wéét ... en die hem
+soms zwijgend kust....
+
+Altijd zwijgend ... àltijd zwijgend.
+
+
+
+
+DE TULP EN DE MADELIEFJES.
+
+Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel
+duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje.
+
+Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan
+kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine
+kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk
+schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over
+het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied;
+en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad
+spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd,
+héél wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den
+hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik,
+opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden
+de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets
+verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes,
+al hun gedachten, vriendelijke en booze.
+
+De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes,
+stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een héél groote Zon denkt
+over't doen van héél kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach.
+
+Die kleine madeliefjes!... ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op
+hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken,
+puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe
+klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij,
+de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel
+niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke
+nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend,
+omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest
+schijnen...
+
+Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.--Een
+paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets
+wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond
+komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende,
+dan één van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun
+stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar
+het wonderlijke ding. Zóó verdiept waren ze in de beschouwing er van,
+dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje
+over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering
+stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd,
+en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd.
+
+Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de
+dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden
+hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde
+beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig
+vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een
+wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar héél eventjes te kijken.
+
+'s Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet,
+en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:--Jammer! zoo'n
+jong madeliefje nog, èrg treurig, vooral voor de familie!--over 't
+vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan
+een rood puntje vertoonde.
+
+--Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar
+zóó iets nog nooit!
+
+--Als dàt een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte
+de ander. Ik ben erg benieuwd wat dáárvan worden zal.
+
+--Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen,
+'t Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van,
+denkelijk.
+
+En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen
+ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap
+des rechtvaardigen.
+
+De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een
+tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur,
+ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar
+op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was,
+wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week
+gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt,
+om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt,
+door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar;
+en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten
+in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem,
+die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet;
+en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes.
+
+Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde
+ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte
+bij 't wakker worden.
+
+Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met
+spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel,
+waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen,
+gevouwen om te bidden.
+
+Het was nu zóó groot geworden, dat al de madeliefjes het haast
+konden zien.
+
+Dat gaf me een gebabbel!
+
+De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde
+zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn vóór zich geschoven,
+waaronder de aarde geduldig wachtte.
+
+De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle
+genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen
+die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over
+dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot
+zich trok, en dat dùrfde!... dùrfde!... anders dùrfde te zijn dan zij.
+
+--Heb je ooit zóó iets gezien? klonk het vol ergernis.
+
+--Neen maar, hoe vin je 't? In 't róód!
+
+--Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in
+'t oog loopen.
+
+--En die rechte houding!
+
+--En die aanstellerige blaadjes!
+
+--Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen.
+
+Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar
+de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op-
+en aanmerkingen.
+
+De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het
+gefluister om haar heen!... Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit
+geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon
+mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig
+smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal
+dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een
+vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen
+geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel
+anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Háár.
+
+Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van
+verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen
+om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat
+ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel mòèst zijn. Ze kende
+zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan:
+hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met
+dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep
+ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes
+hard en slecht; en begreep dàn ook weer niet: waarom die zoo lief en
+vriendelijk onder elkaar konden zijn.
+
+Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen
+tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te
+nemen, en niet verwaand te schijnen.
+
+Ze was toen héél eenzaam.
+
+De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun
+avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte
+rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij,
+en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen.
+
+De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die
+sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende
+bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde
+ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een
+zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen
+dànkten!... dànkten!...
+
+Zóó, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van
+de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten
+van hun avondgroet.
+
+Zóó viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan
+witte bloemen, levende in een donkere weide, héél hoog, en haar lief
+toelachende alsof ze hun zuster was.
+
+Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo
+erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer
+wat vréémds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard,
+en dacht aan de sterren.
+
+Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste
+topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zékerheid; en toen kwam het
+aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht
+... over àlles heen!
+
+Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde
+jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor
+het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden
+bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende gehéél,
+en het kussende met groote liefde....
+
+Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem
+straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans
+voor gloed weerom.
+
+Zóó bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even
+uitspreidende, opdat ze toch óók voelen zouden, héél voelen zouden:
+het Licht! de Zon!
+
+Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mòcht: of ze zóó meer plaats
+innam dan anderen! Ze mòèst het doen!
+
+Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes
+uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende,
+zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde
+teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze
+allen te zamen het Licht zochten, en door één Zon gekust werden.
+
+'s Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer
+'t babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den
+grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep
+wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden
+opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden;
+maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van
+balsemende Zonvreugde.
+
+De madeliefjes fluisterden:
+
+--Heb je 't gezien?
+
+--Ja; ze doet óók haar bladen open voor de Zon!
+
+--Wat doet die roode kleur zéér aan je oogen!
+
+--Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien,
+dat ze ons gouden hart mist!
+
+--Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien!
+
+--Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen!
+
+--Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen!
+
+--Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes.
+
+--Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan
+'t uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden
+hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen
+naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon
+zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je
+maar niet daaraan.
+
+Hóóg op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, héél stil,
+in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de
+sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht
+weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open
+kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen,
+een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren.
+
+De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen,
+en de tulp droeg het hóóg, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles
+weet, wist het. Maar hoe gróót haar leed voor de kleine tulp was,
+kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen....
+
+En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht,
+en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd
+stond de eenzame bloem daar.
+
+Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar.
+
+Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch
+eigenlijk geen kwaad deed!
+
+Dat waren de liefsten...
+
+Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering.
+
+Dat waren de besten....
+
+Dan waren er ook, die haar verdedigden, zóó dat zij 't niet hooren kon.
+
+Dat waren de moedigsten....
+
+En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun
+halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen
+verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden.
+
+De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch
+met de zekerheid van niet begrepen te kùnnen worden.
+
+De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch
+wantrouwend.
+
+--Ze meent niets van al haar liefheid!
+
+--Deed ze maar wat gewoner, net als wij!
+
+--Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je
+zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons méé-deed!
+
+De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken;
+en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel
+dik, was haar stengel bros en teer.
+
+--Laat me maar!... antwoordde ze vriendelijk.
+
+Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig
+als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn
+stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken.
+
+Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die
+veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood
+kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat
+zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze
+staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende
+vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het
+schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen.
+
+..................
+
+'t Werd Zomer.--Toen stierven, op een heerlijken, lichten zòn-dag,
+al de witte madeliefjes.
+
+Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze
+stonden.
+
+Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes
+lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de
+Zon gewend.
+
+De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland,
+brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas,
+die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was.
+
+Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die
+haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde,
+roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos
+in groezelig water, wijd open, moe....
+
+Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af.
+
+Ze was gestorven.... Haar gouden hart bleef alleen over.
+
+Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit
+'t fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele
+muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden,
+daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee
+... omhóóg ... naar den bloemen-hemel..................
+
+De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Eén van de kinderen
+uit 't arme gezin nam ze één voor één in de hand, ze streelende en
+mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte
+hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der
+blaadjes, het zwarte kruis.
+
+--Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike....
+
+Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend,
+zei vluchtig:
+
+--Ja jonkske; net een kruiske.... Zoo zie je: diën bloem het óók al
+zijn kruiske te dragen gehad!...
+
+En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed,
+dien ze zelf nauw wist.
+
+..................
+
+Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd
+hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven
+aanwijzende.
+
+De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu
+verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats
+zou aanwijzen.
+
+In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten.
+
+Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was:
+bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun
+onbekend was.
+
+Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun
+starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde
+vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen
+elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die
+alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes,
+met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende
+geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille
+reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog
+zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te
+ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken
+van verstandhouding met hen wisselden.
+
+Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die
+vreemde bloemen!
+
+Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een
+deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!... boog,
+en trad terzijde.
+
+Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare
+rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele,
+paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het gehéél lijkende een
+vlammend veld... Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende
+schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar
+de vreemde bloemen...
+
+Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen
+zijn buurtje.
+
+--'t Was dus een tulp, dat vreemde ding!
+
+--Zou zij er ook bij zijn?
+
+--Ze was kleiner dan één van dezen!
+
+--Zie je haar soms?
+
+En ze rekten hun tengere halsjes, en kéken en kéken, en na lang
+turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij"
+er wàs... "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks
+durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar
+geëerd gezelschap. Maar ze had wéér geknikt, en wéér, als een goede
+bekende... Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend
+aan een vreemd, zwart aârtje, op haar rood kleed.
+
+Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze
+was niet eens groot; véél kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal
+achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar
+nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen....
+
+Eén voor één traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen
+richtte.
+
+Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche
+houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed
+de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het,
+dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad.
+
+Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en
+fluisterde:
+
+--Zie je wel! Ik kòn niet anders. Ik was een tulp: een ander soort
+bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet!
+
+Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen
+was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte
+kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had ... hóóg
+boven hen uit!..................
+
+Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar
+miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden
+rood van schaamte.
+
+Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden;
+dat zij hen zou aanklagen!
+
+Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan
+de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo
+vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden,
+omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden
+omhóóg te zien, en niet om zich heen ... dat ze haar goed hadden
+gedaan en geen kwaad ... dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan
+tusschen hen ... dat ze wel eenzaam was geweest ... maar dat de Zon
+haar had getroost ... en de sterren!
+
+Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal
+het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en
+mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel.
+
+Ze mocht héél dicht, héél dicht bij de Zon blijven: bij het Licht
+dat haar troost was geweest in haar leven.
+
+De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten,
+en de moedigsten, juichten:
+
+--Ik wist het wel!
+
+En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp:
+hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar....
+
+En de Zon zag de madeliefjes aan.... Ze zag hun blaadjes rood van
+schaamte.
+
+Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon,
+die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu
+ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok
+even haar stralen in ... want ... de Zon moest schreien... En boos,
+héél boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al
+de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel
+boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in
+'t klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig
+opkeken naar Haar.
+
+Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen
+hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf
+als een gedachtenis.
+
+En zoo is het gebleven tot op dezen dag.
+
+
+
+
+ELZE
+
+Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat
+hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan
+de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo
+liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig
+zou kunnen maken.
+
+Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals
+de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die
+gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte
+van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem,
+dat zij hem boven alles bezig hield.
+
+Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en
+ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs
+trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde
+hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede,
+met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde
+maken, zonder dat hij wist hoe.
+
+Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken
+verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieën.
+
+Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen,
+die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken
+veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde
+de koning toe.
+
+--Geluk is rijkdom, zei de een.
+
+Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af.
+
+--Geluk is weten, leeraarde een tweede.
+
+Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de
+geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond.
+
+--Geluk is gezondheid, meende een ander.
+
+Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren,
+die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net,
+deed hem zwijgen.
+
+--Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette
+een heel diepzinnig gezicht.
+
+Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen
+duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een
+ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon!
+
+Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de
+rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor
+en, op de vraag die hem geen rust liet.
+
+--Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag,
+zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't
+sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken,
+totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge
+dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die
+niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel,
+en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen
+bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid!
+
+Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder
+naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim
+beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden!
+
+Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem
+vriendelijk opnam.
+
+Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der
+wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning
+genaderd, boog hij zich, en zei:
+
+--O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit
+omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij
+geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van
+het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij
+nog even wijs zijn gebleven als één vóór ons, is dit niet ònze schuld.
+
+Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor
+oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer:
+vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die
+vraag te geven is.
+
+De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik
+u geven kan.
+
+Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart,
+en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons,
+en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten
+van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af,
+is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde
+geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij
+heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten
+doen ontbranden in rustige harten.
+
+Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij,
+zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult
+trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en
+de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een
+mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin
+van vredig menschen-geluk.
+
+De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn
+gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem:
+
+--Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het
+al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga,
+dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult!
+
+De grijsaard boog en trad eerbiedig terug.
+
+--Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de
+koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Eén onder u, heeft
+u allen gekroond met de lauweren van zijn geest.
+
+Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken.
+
+
+
+
+
+Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en
+stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen
+bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven
+verrichten bij den prins.
+
+--Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na
+een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon,
+den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw
+gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn
+geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde,
+en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in
+het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte,
+en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht,
+en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder
+bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens
+alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult
+hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere
+beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor
+hun schoonheid.
+
+Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken
+moogt, één woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn:
+het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht
+moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht,
+zijn gansche leven.
+
+Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins
+spreken zal, zóó, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook
+hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij
+er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de
+zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden.
+
+De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich,
+als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen
+ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende
+daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning
+te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind.
+
+
+
+
+
+Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den
+prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein,
+rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in
+haar hart. Daar zong het maar al door; doch zóó zacht, dat zij zelf
+het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang.
+
+De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij
+de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor
+zijn vader, den koning.
+
+Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest,
+liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende,
+zijn krans op den grond.
+
+Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij:
+
+--Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen?
+
+--Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra
+zij Uwe Hoogheid zagen!
+
+--Voedster, er is iets ànders in uw lach! Zeg mij wàt!... Zeg mij wàt!
+
+Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar
+ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou.
+
+--Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij
+uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem
+de mooiste vinden kunt.
+
+--Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins,
+zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden
+... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na.
+
+--Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen
+... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de
+voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette
+vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden
+hebben..................
+
+
+
+
+
+Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot
+jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als
+pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat
+ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer
+goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn
+voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en
+liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in
+zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder
+leeg zou zijn gebleven.
+
+Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving
+waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit
+kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een
+reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen
+hadden zijn geest te ontwikkelen.
+
+Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig
+aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde
+te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor
+de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een
+hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg
+als de Liefde.
+
+Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij
+alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart
+niet overstemd werd door rumoer van buiten.
+
+--Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige
+oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte
+zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur
+aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten
+hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins!
+
+--Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar
+pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken
+vraag zweefde, voor zich heen staarde.
+
+--Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak,
+dingen die ik misschien gedroomd heb.
+
+--Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf
+op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong.
+
+De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover,
+wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met
+zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en
+toejuichen, hèm, die eenmaal over hen zou heerschen.
+
+Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig
+land, gesloten worden.
+
+De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou
+aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht
+zich te onttrekken.
+
+Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid
+stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige
+omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek
+niet willende weigeren, had hierin toegestemd.
+
+Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun
+veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van
+zijn voedster-moeder, en klopte aan.
+
+Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen
+maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend
+op het oogenblik waarin ze den prins zou zien.
+
+--Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende;
+en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde
+blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in,
+waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas,
+van licht doortrokken, over de verre boomen hing.
+
+De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder
+als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig,
+fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte
+van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende:
+
+--Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen,
+dat u zeker niet verwonderen zal.
+
+De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de
+waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de
+eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb
+u dit willen vragen, vroeg, héél vroeg, als nog bijna geen schepsel zou
+waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons,
+het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen
+later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een
+kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien....
+
+Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken,
+toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste.
+
+Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had,
+en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik
+zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten
+zou als ik groot was.
+
+Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben
+opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist,
+en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik
+dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik,
+vertrouwende op uw belofte.
+
+Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk
+me aanziet als een man. Ik bèn nu groot geworden, niet waar? Zie me
+nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb,
+en zeg me wat hij beduidt.
+
+De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel;
+en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had,
+zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen,
+evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te
+spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte.
+
+--Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die
+goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein,
+hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst,
+gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen
+ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep
+ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet;
+en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik
+mijner oogen naar zijn oorsprong....
+
+Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul
+haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis,
+zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij
+vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte....
+
+Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen
+in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich
+tot den prins, fluisterend:
+
+--Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze
+zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren
+en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van
+grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de
+Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben
+niet kùnnen zwijgen. Ze hebben niet kùnnen zwijgen, wat mijn hart
+dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij
+zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste
+geluk geeft: het éénige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun
+zekerheid, dat ook eenmaal voor ú zou opgaan de goudene, gloeiende
+zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid
+zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat,
+geen indruk achterlatende.
+
+Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood
+vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en
+verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw.
+
+--Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat
+mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte
+aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad
+ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over
+de waarheid mijner oogen....
+
+De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit.
+
+--Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen
+niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank
+heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek
+in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit
+woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft
+willen verwijderen uit mijn leven....
+
+Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't
+ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet
+ken! Waar kan ik vinden, dat groote, éénige geluk, dat men mij heeft
+willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!...
+
+Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde
+geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben
+geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen,
+mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het
+heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld.
+
+En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende
+gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig
+leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld.
+
+Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit
+gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat
+plotseling zijn denken vervulde.
+
+Hij ging maar ál door, ál door, niet hoorende de jammer stem die hem
+riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde.
+
+De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar
+oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren.
+
+Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde,
+sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug,
+en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende,
+en ter aarde wachtende haar straf.
+
+
+
+
+
+
+De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om
+uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden
+gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners vóór zich brengen,
+die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke
+straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid
+zou daarna hun loon zijn.
+
+Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad één van
+hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte.
+
+Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest
+van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en
+moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn
+houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch.
+
+Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige
+aandacht luisterde:
+
+--O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te
+dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid?
+
+--Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de
+koning met luid-klinkende stem.
+
+--Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn,
+dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig
+en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden,
+moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn
+leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van
+huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we
+kunnen uitdenken.
+
+En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn
+makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul
+van wilde dieren.
+
+Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze
+wenkbrauwen klommen zóó hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In
+het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet
+samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede
+als verdwenen.
+
+Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte,
+gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig
+werd gemaakt door roof en moord.
+
+De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in
+vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den
+koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde
+den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen,
+dat haar als een straf was voorgehouden.
+
+De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan
+de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege
+zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij
+schreide, na jaren van vrede.
+
+--Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen
+... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de
+oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk
+tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal
+hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het
+woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn
+gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan één hard woord van
+mij, aan één wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn
+hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden
+in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan
+tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij.
+
+Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis,
+zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister
+begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den
+armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om
+zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon.
+
+
+
+
+
+De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot
+bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar
+maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige
+vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de
+knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins,
+vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande
+in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde.
+
+--Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden:
+de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen.
+
+Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk
+waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde
+hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een
+vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef,
+kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te
+voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot.
+
+Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt
+om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard
+waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud,
+waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs
+bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen
+spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen
+van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg
+op den rug een half gevulden linnen zak.
+
+--Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch
+klonk, als harslucht uit dennen riekt.
+
+--Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig.
+
+--Al vroeg op 't pad! Zoek je iets?
+
+--Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde.
+
+--Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat
+je haar zoekt!
+
+--Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon
+haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij
+er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken.
+
+--Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in
+'t bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen.
+
+--Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een wóórd
+verdwaald!
+
+--Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond
+had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald
+bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin
+dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je
+met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, vóór
+je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit;
+dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal
+je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbeziën
+kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets,
+denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al
+mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op één na.
+
+--Dank je, zei de prins en ging verder.
+
+De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even
+na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs
+het pad.
+
+--Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig
+geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die
+geneeskrachtige kruiden zocht, vóórgingen.
+
+De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek
+naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en
+den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige
+plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het
+kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt.
+
+Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van
+blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid,
+in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een
+wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het
+kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in
+het liedje dat ze zong:
+
+ De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,
+ De liefde geeft beide: geluk en ....
+
+Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins
+stond, dien ze door een kromming van het pad niet áán had zien komen.
+
+--Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig.
+
+--Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend!
+
+--Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij
+wonderlijk beefde.
+
+Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames
+gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong,
+lief meisje hem als een openbaring was.
+
+Weer lachte het meisje.
+
+--Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar!
+
+--Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het
+immers? Waarom zing je het anders?
+
+--Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan
+een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat
+mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong
+binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou
+dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze
+maar! Waar ga je heen?
+
+--Ik wil hier blijven!
+
+Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de
+ernstig-luisterende boom-stammen.
+
+--Hier? Nu, goed! Help me dan aardbeziën plukken. Je bent zeker
+verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis
+nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis
+geweigerd.
+
+Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte
+kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet
+dóór wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen.
+
+De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand
+beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de
+zon kleine, verleidelijk geurende aardbeziën rijp had gekust.
+
+Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren
+zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een
+weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe
+aardbeziën groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had
+ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp
+een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even
+ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier
+helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar
+met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins
+en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde
+hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen
+in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een
+poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje,
+tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde.
+
+Eindelijk zei Elze:
+
+--Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange
+haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het
+kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje
+met rood-glimmende beziën heel voorzichtig droeg, haar langzaam
+volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos
+naast elkaar.
+
+--Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen
+hem drukte.
+
+--Omdat jij niets zegt!
+
+Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien
+heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten
+boom, een klein huisje met riet gedekt.
+
+--Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik.
+
+Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende
+bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die
+zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op
+haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden
+vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid
+rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit.
+
+Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op,
+toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met
+een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden.
+
+--Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben.
+
+Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige
+houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw
+waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten
+Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal
+hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode
+eikeblaren.
+
+Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje
+waren hare bewegingen.
+
+De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden
+zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na
+lang zwerven eindelijk thuis was.
+
+Toen Elze gereed was, zei ze:
+
+--Vreemdeling, eet en drink!
+
+Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger.
+
+--Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten
+op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu.
+
+Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte
+duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt
+te worden.
+
+Nog altijd zweeg de prins.
+
+--Maar zèg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk.
+
+--Ik moet zooveel denken!
+
+--Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!...
+
+--Woon je hier altijd?
+
+--Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren
+verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig
+hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet
+meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik
+vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader
+eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en....
+
+--Maar dat komt hem toch toe!
+
+--Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men
+vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan
+vragen?...
+
+--Maar het is toch zijn recht!
+
+Elze lachte.
+
+--Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen
+levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe,
+om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden!
+
+--De prins zal zeker helpen!
+
+--Is hij goed?
+
+--Dat weet hij zelf niet!
+
+--Maar jij? Hoe vindt jij hem?
+
+--Ik ken hem niet!
+
+Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen,
+opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat
+langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel
+zwaar naar voren.
+
+--Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang!
+
+Elze bloosde van genoegen.
+
+--Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik
+begrijp niet waarom....
+
+--Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken....
+
+Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei:
+
+--Och! waarom niet!
+
+Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn
+gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme
+blos zijn wangen kleurde.
+
+De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen,
+en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel
+onzichtbaar waren.
+
+--Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend,
+en vouwde nu stil haar handen.
+
+--Waarom?
+
+--Dat weet ik niet....
+
+Plotseling stond ze op en luisterde.
+
+--Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur
+open bleef.
+
+De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde,
+zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had
+gewezen.
+
+Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp
+de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide
+handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang
+en vast in de oogen.
+
+Toen zei hij langzaam:
+
+--Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn
+plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen;
+en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal,
+als 't u niet te eenvoudig is.
+
+Toen volgde de prins den ouden man in het huisje.
+
+Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen
+Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den
+prins voorbij gingen.
+
+--Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl
+hij opstond.
+
+--Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan!
+
+--Waarheen?
+
+--Dat weet ik niet!
+
+--Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden
+man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor
+een vreemde in 't bosch!
+
+--Ik zal meegaan, kind.
+
+De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong,
+en de prins wendde bevend zijn oogen af.
+
+--Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer
+op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar
+buiten ziende.
+
+--Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit.
+
+--Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje
+aan zijn gloeiende lippen.
+
+Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in.
+
+
+
+
+
+Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet,
+wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere
+smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een
+droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met
+vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende
+takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen.
+
+--Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen,
+dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge
+wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel!
+
+--Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen
+hand geven?
+
+De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de
+smalle, fijne handen van den prins.
+
+--God zegen u! zei hij, en keerde zich om.
+
+De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen
+weg.
+
+De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met
+een ruk recht schoof. Daar op lachte hij:
+
+--Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou
+gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed,
+of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene!
+
+En hij ging snel een rechten weg naar huis.
+
+
+
+
+
+Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich
+heen, als iemand die ontwaakt.
+
+De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden
+om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde
+gedachten.
+
+Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen,
+bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter
+het grijze silhouet van de verre stad.
+
+--Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit
+zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen!
+
+Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had
+gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan.
+
+Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins,
+zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen.
+
+Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen
+lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn
+naderen.
+
+Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein
+bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in
+'t half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken.
+
+De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit,
+dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood.
+
+--God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast;
+maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken
+geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten
+niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt,
+maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet
+zooals ze schijnen.
+
+De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich,
+en vervolgde zijn tocht.
+
+Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte
+winkels als vriendelijke oogen blonken.
+
+Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode
+gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die
+hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan,
+en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder
+tikte.
+
+--Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen
+vreugde-belovend in de oogen van den prins.
+
+--Dat weet ik niet!
+
+--Ga met mij mee!
+
+--Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna.
+
+--Wat doe je hier! vroeg ze lief.
+
+--Ik zoek!...
+
+--Wat zoek je?
+
+--De Liefde!
+
+Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand
+omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken.
+
+--Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt!
+
+Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins,
+moe en eenzaam, vond dit prettig.
+
+--Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend.
+
+En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm,
+mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde.
+
+--Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend.
+
+--Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig.
+
+--Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om
+zijn hals en kuste hem.
+
+Zacht weerde hij haar af?
+
+--Is dit het hoogste geluk?
+
+--Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer.
+
+Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze
+kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen
+wist hij niets meer.
+
+
+
+
+
+Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht
+vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze
+gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar
+was gekomen.
+
+--Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien.
+
+--Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins
+aan de gekregen zwavelstokjes.
+
+Haastig ontstak hij er een.
+
+En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde
+gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen,
+en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde,
+en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep.
+
+Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten,
+en snelde heen.
+
+
+
+
+
+Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad
+door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel
+voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde;
+en een groot verlangen welde in hem op.
+
+--Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit.
+
+Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had
+opgenomen in zijn groene armen.
+
+Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij
+den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar
+hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte
+duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag
+hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje,
+waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij
+zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag
+den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was.
+
+--Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop.
+
+En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen
+geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken
+waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit
+een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren
+naar het helder getril in 't groene loover.
+
+Zoo viel hij in slaap.
+
+Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm
+in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door
+het dichte kreupelhout, hopende aardbeziën te vinden; want hij begon
+honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon
+dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen.
+
+Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbeziën
+genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk
+gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een
+soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout
+verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den
+hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging.
+
+Eindelijk zag hij een geknakten tak.
+
+--Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond
+hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste
+blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's
+huisje moest voeren.
+
+Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje,
+en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten.
+
+Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels
+verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met
+kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van
+haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd,
+terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen....
+
+--Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En
+ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar
+opzag.
+
+--Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde
+zeker... want nu ben ik gelukkig!
+
+Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder
+lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar
+oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de
+droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed....
+
+Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd....
+
+De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware
+sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in.
+
+Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn
+hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op
+zijn knieën.
+
+Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de
+zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden
+zij zich op den jongen man.
+
+--Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge
+weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft
+u geleid?
+
+--Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het
+sterker was dan uw wil.
+
+--En wat zoekt het hier?
+
+--Liefde, oude man! En die heeft het gevonden!
+
+--Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart?
+
+--Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u
+verhalen, en oordeel dan.
+
+Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn
+vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning.
+
+--Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu?
+
+--Dat Elze mèt mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn
+vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw.
+
+Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang
+duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog.
+
+Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open.
+
+--Elze! riep hij naar buiten.
+
+Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje
+verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar
+aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en
+toen heen vloog.
+
+Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat
+van haar vader.
+
+--Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand
+op haar blond hoofd lei.
+
+--Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je
+zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig.
+
+--Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den
+ouden man uit.
+
+--Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem.
+
+Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader
+met kussen. Ze antwoordde niet.
+
+--Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar
+de deur.
+
+Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje
+tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend:
+
+--Blijf bij ons....
+
+--Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen.
+
+--Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig
+hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht.
+
+--Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat
+kan ik niet!
+
+En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op.
+
+--Zal de koning haar erkennen als uw vrouw?
+
+--Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets
+geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen,
+als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn
+vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk
+dat alleen in Liefde is!
+
+--Elze wil wèl uw vrouw zijn ... maar géén koningin, zei het meisje
+zacht.
+
+--Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn
+kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u,
+en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik
+met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven.
+
+Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn
+handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen.
+
+--God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen.
+
+
+
+
+
+Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van
+zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur,
+en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet
+zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want
+dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar
+lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart,
+toen hij haar in zijn armen drukte.
+
+--We zullen gaan vóór de zon te veel warmte geeft, zei de oude man.
+
+De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen
+meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op.
+
+--Misschien geeft één jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn
+kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot
+haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een
+goed mensch.
+
+Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte.
+
+Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje.
+
+--Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd
+witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil!
+
+--Je bent zóó mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins.
+
+Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren
+er niet!
+
+--Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze.
+
+Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en
+haar vader.
+
+
+
+
+
+In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die
+zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog
+altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn.
+
+Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de
+half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig
+toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam....
+
+--Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel
+geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen.
+
+Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe
+en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn
+stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd.
+
+--Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde
+zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met
+nadenken.
+
+Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm,
+en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm,
+en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect
+gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd,
+neerkomt op het hoofd van den geweldenaar.
+
+Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van
+zichzelf....
+
+Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord:
+zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeën deelt,
+wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij
+zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte.
+
+Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit
+hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... héél lang vast....
+
+Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was
+blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in
+'t weifelend licht.
+
+Vóór zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand;
+maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning
+verwijderd neerknielen.
+
+Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze
+het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht....
+
+Toen zei de prins:
+
+--Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang
+zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in
+'t hart, wanneer ik háár niet gevonden had, en door háár: de Liefde,
+het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof
+met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet
+aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer
+ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als
+mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!...
+
+De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij
+dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij:
+
+--Men brenge licht!
+
+Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn
+over de geknielde gestalte uitgoot.
+
+Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid,
+die zacht stemde zijn goed, oud hart.
+
+--Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik
+wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij!
+
+Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo
+statig alsof ze een edelvrouwe was.
+
+Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond
+gehouden had, nader, en boog zich voor den koning.
+
+--Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende
+stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen
+of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de
+herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons.
+
+--Wie zijt ge? vroeg de koning norsch.
+
+--Elze's vader; en een mensch zooals gij!
+
+--Wie zeide u hier binnen te treden?
+
+--Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw
+dwaasheid!
+
+--Verklaar u nader!
+
+--Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met
+hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het
+geweest ze hem zóó volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag!
+
+--Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken
+als gij!
+
+--Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker
+te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten....
+
+Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen.
+
+--Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt!
+
+--Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind?
+
+Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand.
+
+--Ziehier! zei hij.
+
+--Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of
+reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een
+gunst van uwe zijde?
+
+--Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij
+ons toereikt als ons deel!
+
+--Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart
+moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt!
+
+--Dit is een beleediging! riep de koning uit.
+
+--Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw
+dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is!
+
+Nu lachte de koning, en zei:
+
+--Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft,
+zal zij een voortreffelijke koningin zijn.
+
+--Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn
+eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt,
+en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in
+u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch.
+
+Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen,
+terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok.
+
+
+
+
+
+Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal
+verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige
+geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst
+zag, onwillekeurig de handen vouwde.
+
+De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn
+vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest
+vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar
+de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had.
+
+Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een
+zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch
+de zon werend.... Haar vader had alle weldaden die de koning hem
+wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd,
+die hem liever was dan het leven onder de menschen.
+
+Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen
+houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op
+gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom.
+
+--Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte
+zij zich. En 't is waar dat vader dáár gelukkiger is dan hij hier
+zou zijn.... Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden
+missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond,
+dat hij weg kuste.
+
+Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen.
+
+--'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel
+zette! had hij gezegd.
+
+Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen,
+de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden
+haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van
+hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze
+verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid.
+
+--O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar
+strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zóó, dat de gouden kroon niet
+dof wordt bij dit glanzende goud.
+
+--Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank
+van uw huid, prinses! vleide een tweede.
+
+--Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad,
+bij het stralen van uw oogen! zei een derde.
+
+Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes;
+maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig;
+en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug,
+zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had,
+en zich achteraf hield.
+
+--Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende
+juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten.
+
+Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig
+aanziende.
+
+Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep
+en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig,
+maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's
+ongepaste handelwijze:
+
+--Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te
+zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet
+zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten.
+
+De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde
+zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten
+verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning,
+die haar op het voorhoofd kuste, zeggende:
+
+--Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze
+antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch:
+
+--Als het dan maar vorstin over uw aller harten is.... Anders begeer
+ik niets.
+
+--Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins,
+haar vol ernstige liefde aanziende.
+
+--Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje
+kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar
+het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt.
+
+De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar
+vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder
+hun minzame lachjes en lieve manieren.
+
+Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende
+dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar,
+als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart
+wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd.
+
+Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar
+hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt...?
+
+De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk,
+of er van binnen een lichtje in brandde.
+
+
+
+
+
+In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed
+voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde,
+of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje,
+door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de
+straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de
+lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje,
+dat ze zelf mende, in moest houden, om hen één voor één te kussen. Ze
+bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want
+iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende
+daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden.
+
+Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon;
+en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte,
+met een vreemd lachje van steen.
+
+De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder
+verstand en goed hart te waardeeren.
+
+Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend
+leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als
+een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden
+zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet,
+en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar
+soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden
+droppel mee....
+
+--Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen
+schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze hééft nooit geleden.
+
+Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en
+de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden..................
+
+Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker,
+versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor
+Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij
+haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn
+gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en
+zachter voor haar was dan vroeger.
+
+Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht;
+maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder,
+zeggende:
+
+--Laat ik je niet vermoeien met zaken.
+
+Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang,
+tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde.
+
+--Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden,
+zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich
+oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong
+ben.... Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed,
+dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet
+erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles
+is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet
+rondwaart.... Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon
+van mijn vader moet ik doen.... Zie, dit doet me soms nadenken; en
+mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen.... Ze zouden je leed doen.
+
+Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder
+geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar
+ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was;
+omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden
+dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou.
+
+Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje
+in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op
+ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding
+van het volk eens goed waarnemen.
+
+Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve
+tot gerustheid dwingende.
+
+Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach
+groette.
+
+--De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als
+de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven,
+en bij de laatsten slapen ze nog.
+
+In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op
+den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide;
+zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen
+kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend:
+
+--Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond.
+
+Elze richtte zich hoog op.
+
+--Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie
+boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar
+ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen,
+die u nooit iets misdeed?
+
+Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm
+even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje,
+dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar
+paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een
+wilde zee van nijdige hoofden.
+
+Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk
+gerust.
+
+Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen,
+zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze
+naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar
+kleed en haren viel.
+
+Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden
+allen haar handen en kleederen kussen.
+
+Nu kwamen Elze de tranen in de oogen.
+
+--Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw
+kinderen, die me liefhebben!
+
+--Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje
+volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl
+de menigte zich verstrooide.
+
+--Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen,
+terwijl hij naar den grond zag.
+
+Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar
+hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar
+schuld verbitteren zou.
+
+Lang en ernstig dacht ze na.
+
+--Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond
+zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo
+heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar
+heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter,
+dan een heel leven vol verdrietelijkheden.
+
+--Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het
+vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar
+klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke
+duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar
+beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar
+wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen,
+dat ze hem alleen liet.
+
+Het zou haar óók hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet
+bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze
+hèm leed zou besparen.
+
+Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning,
+in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las.
+
+Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou,
+wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den
+tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen
+gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken;
+en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd
+zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en
+bij haar vader te brengen.
+
+Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet
+ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's
+Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en
+ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim
+haar stond te wachten.
+
+
+
+
+
+In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn
+diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en
+zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten,
+was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren.
+
+In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte
+hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom
+van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou,
+alsof een hemelziel zich op aarde uitzong.
+
+Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras
+witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De
+margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het
+licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de
+donker-groene boomen.
+
+De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend
+tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al
+zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn
+handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten
+tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in
+'t zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende
+aarde-sterretjes.
+
+Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de
+sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren
+die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze,
+alle!... alle!... en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes,
+die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden.
+
+Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag
+dáár omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht
+zilveren nachtegalen-lied.
+
+En het woud sliep, en droomde.
+
+En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn
+groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos;
+en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes
+snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk.
+
+Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in
+den ernst van zijn oogen.
+
+Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes
+bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht.
+
+Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet
+zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn
+hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve
+oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit.
+
+Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de
+Boschgeest dat het Elze was.
+
+Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de
+bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar
+op, vragende:
+
+--Elze, wat zoekt ge mij?
+
+--Het leed zendt me tot u om hulp en vrede.
+
+--Elze, is er geen ànder hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan
+niemand u helpen dan ik?
+
+--Menschen kùnnen niet troosten in leed!...
+
+--Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten?
+
+--Om de Liefde te volgen.
+
+--Kan die u niet troosten?
+
+--Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk
+is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk.
+
+--Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, méér lief dan de
+andere menschen: ik kende u, zooals gij mij ... wat kan ik voor u
+doen?... Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht,
+daar waar Liefde u leidde.
+
+--Ik kom u den dood vragen!
+
+Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende
+onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan
+zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde
+tegen zijn koel kleed, en zei:
+
+--Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der
+menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven
+gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde
+blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet
+leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister,
+en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik
+ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot
+voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van
+doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te
+doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen,
+ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling
+van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik
+ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood
+die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien
+dood niet geven; want gij zijt jong, en móógt niet sterven. Ook weet
+ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort
+in mijn rijk.
+
+--Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht
+de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want
+wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel.... Ik kom u
+vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik
+kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten
+laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer
+te ontwaken.
+
+Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te
+zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben
+aan degenen die ik liefheb ... om later weer terug te keeren tot het
+leven dat vrede was ... al was het geen gelùk.
+
+Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer.
+
+--Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en
+wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief ... dáárom wil ik
+u helpen.
+
+Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil
+vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge
+veilig zult zijn: bij uw vader.
+
+Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend
+kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar
+Elze toe.
+
+--Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles
+aan mij over.
+
+Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar
+schat door niemand opgemerkt het paleis binnen.
+
+
+
+
+
+Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield
+zich zóó ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd
+maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets
+van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter
+zij hun onkunde verborgen.
+
+Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een
+smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan
+de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in
+stelde, te hooren hoe haar toestand was.
+
+--Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden,
+schreien!... dacht ze bitter.
+
+Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van
+sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over
+haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen
+in haar handen, en zei ernstig:
+
+--Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning;
+maar voor ik misschien zóó ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin
+zouden worden aangezien, heb ik u één ding te vragen, dat ge mij niet
+weigeren zult, nietwaar?
+
+Snikkend viel de prins op de knieën en verborg zijn gelaat in de lange,
+blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede
+afhingen. Ook de koning wischte een traan weg.
+
+--Spreek, mijn kind! zei hij.
+
+--Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn
+vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven,
+begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn
+liefste herinneringen zijn daaraan verbonden.... Niet waar: gij zult
+doen wat ik u vraag?... Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden
+in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit
+paleis binnentrad.... Zweert ge me dit?
+
+--We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen
+inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult
+leven en gelukkig zijn.
+
+Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen:
+
+ De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,
+ De liefde brengt beide: geluk en leed.
+
+Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor
+'t eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor
+'t laatst.
+
+--Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten,
+en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn!
+
+De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning
+verwijderde zich met hem.
+
+Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze:
+
+--Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als
+ik u noodig heb.
+
+Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen
+ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins
+te verzekeren.
+
+De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in.
+
+Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een
+leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel
+te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen
+verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden
+koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn.
+
+
+
+
+
+Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over
+haar heengebogen.
+
+--Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw
+verstand. Ge doet een goede daad.
+
+--Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest
+kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde
+haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze,
+dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond
+dat naar de woning van haar vader voerde.
+
+Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog;
+en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen
+kuste ze hem op het voorhoofd.
+
+Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach:
+
+--Zoo, ben je daar al?... Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet
+wonen bij spreeuwen, uilen en valken.
+
+Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal
+was gekomen, zei ze:
+
+--Nu wil ik mijn haren afknippen.
+
+Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om
+haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud;
+en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist.
+
+--Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje
+verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer....
+
+Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende
+Christusbeeld aan den muur.
+
+--Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal
+je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren.
+
+Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook
+zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte
+maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest;
+en werkelijk leek het haar zoo.
+
+Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard
+aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde
+zóó, dat ze duizelde.
+
+--Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl
+hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast.
+
+De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat
+het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's
+vader zien.
+
+Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat
+het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk
+gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende
+flank, denkende: het paard herkent me; hij niet!
+
+--Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets
+te zeggen.
+
+--Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is ... antwoordde Elze met
+veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen.
+
+--Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken
+uitbarstend.
+
+--Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed
+te houden.
+
+--Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk
+langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier
+ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk
+eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg
+hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet
+hij niet denken!... Nu zal ik maar gaan!... Goeden dag!... Je zult
+de boodschap wel overbrengen, niet waar?
+
+--Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels
+over. Zonder haar aan te zien reed hij weg ... terwijl Elze op haar
+knieën zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten.
+
+Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten
+Christusbeeld neerknielde.
+
+--Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!...
+
+Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader
+thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd.
+
+
+
+
+
+Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren
+zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was
+nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen:
+een jongen en een meisje.
+
+--Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze
+bij zichzelve. Ik zal nu toch wel wáárlijk dood zijn!
+
+Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en
+ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken;
+maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep
+gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking."
+
+Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool
+van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant
+te lijken.
+
+Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning,
+waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar,
+wat ze wilde.
+
+--Den koning zien, zei ze.
+
+--Je bent moe!
+
+--Ja; ik kom van heel ver.
+
+Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos
+de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten.
+
+Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den
+koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee
+lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw;
+en de koning zag er tevreden en gelukkig uit.
+
+Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning
+had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar
+muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond,
+dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk
+juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig
+voorbij reed.
+
+--Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter.
+
+Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek
+waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen
+tranen meer had.
+
+Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen
+graf geschreid!
+
+Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden.
+
+Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden
+zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf.... Het is goed
+zoo.... Ik heb dit gewild.... Het was dus goed wat ik deed!
+
+
+
+
+
+Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen
+hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen.
+
+--Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen
+glans in de vriendelijke oogen.
+
+--Waarom vader?
+
+--Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven
+zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den
+koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst
+is!... Gij, Elze, zijt een heilige!
+
+--Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw.... Ik heb hem
+méér lief dan mezelve.... En nu is Elze tweemaal dood; want eerst
+heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven háár overwonnen.
+
+--Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen,
+van een die géén begeerte meer heeft.
+
+En zoo was het.
+
+
+
+
+
+DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE.
+
+In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een
+watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage
+eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende;
+en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen
+de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen,
+waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de
+onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de
+stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende.
+
+Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen
+ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden
+te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende
+uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals
+ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door
+hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen,
+daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht
+en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol,
+zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft
+naar hoogste kracht van uiting.
+
+Door het dal gleed een beekje.
+
+Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging.
+
+Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen
+hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak
+bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende.
+
+Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen
+brug over hem heen, het dal met den molen verbindende.
+
+Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen;
+en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad,
+dat wagens met zakken vol tarwe en maïs naar den molen leidde.
+
+Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels
+en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als
+de wind hen even streelde.
+
+Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje,
+groeiden sierlijke brandnetels.
+
+De menschen houden niet van de brandnetels, nu.
+
+Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten
+en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi.
+
+En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij,
+dat de menschen hen ook mooi zouden vinden.
+
+Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begééren wat ze mooi
+vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen
+ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die
+zich naar hen uitstrekt.
+
+Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit,
+en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde
+krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze
+wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft!
+
+De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus
+boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten:
+dat de brandnetels leelijk waren.
+
+De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de
+menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet
+kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten,
+tot de lieve God-zèlf hen plukt.
+
+Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug
+waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven
+enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare
+on-verwinbaarheid durvende.
+
+En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen,
+en het dal te verbinden met den watermolen.
+
+Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen
+had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden
+wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij
+'t werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere
+vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in
+'t water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun
+fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende
+als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop,
+deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in,
+en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken
+damp in het dal.
+
+De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want
+de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden
+menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen
+bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen,
+vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun
+graf: de zwijgende aarde.
+
+De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf,
+en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg
+hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan.
+
+Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich
+teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde
+krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels
+met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden
+helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze
+bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen.
+
+Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in
+'t midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen
+wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen
+wilden laten....
+
+Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker.
+
+Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken
+plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw
+leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon
+men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren.
+
+Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een
+watervalletje dichtbij gevende.
+
+Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende,
+dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet.
+
+Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet
+stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer
+insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende
+sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom.
+
+Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons óók niet aan
+den winter; net als jij!
+
+En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen,
+vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst,
+die geen macht over hem had.
+
+Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag
+sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht
+vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook,
+als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen.
+
+Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in
+den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken
+zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in
+winterslaap kwijnde.
+
+Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de
+bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal,
+langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat
+ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar
+menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan
+... mééstal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen
+woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het
+zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen.
+
+Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar
+gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het
+als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al dóór, al dóór, omdat
+het niet zwijgen kòn, van het beeld dat het opgenomen had in zijn
+rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed,
+moe van 't werk-doen.
+
+Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de
+weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals
+de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van
+hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind,
+en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote
+sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En
+haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water
+wevende molenrad.
+
+Vóór het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje
+wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was
+op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille,
+bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het
+had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met
+de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet
+vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende
+van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien
+tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve
+verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het
+meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het
+groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even
+bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met
+de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en
+gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan
+de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge,
+gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En
+de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen,
+die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het
+bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant,
+waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende.
+
+En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel
+bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde
+te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets
+mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht
+aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog
+hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag,
+stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde
+het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele
+brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde
+even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De
+blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras,
+hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van
+boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het
+kindje komen zou in het dal.
+
+Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs
+het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en
+onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond
+uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun
+rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het
+de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte,
+niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame
+bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de
+hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen,
+niet verder zeiden.
+
+Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als
+vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke,
+slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden
+het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; tè gevoelvol;
+tè angstig.
+
+Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de
+boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in
+vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager.
+
+Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind
+niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over
+'t zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen
+woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen
+dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht
+werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht,
+op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende,
+dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind
+zag het niet.
+
+En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de
+dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende.
+
+En traag gleed het beekje dan heen.
+
+Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het
+blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde
+verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen
+de oogen te raden....
+
+Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde
+kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde,
+weemoed die vèr weg zag, en wist van spoedig heengaan.
+
+Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd
+'t blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw,
+met donkere stralen.
+
+De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal
+geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zóó, dat het
+blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en
+"Moedertje ... moedertje!" snikte.
+
+Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje
+alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje
+niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer
+roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden.
+
+Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde
+rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes
+opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de
+wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes
+die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen àl dieper,
+àl dieper werden, en verhaaltjes vertelden.
+
+Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal,
+en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een
+zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, héél langzaam.... De
+witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat
+geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht
+was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En
+het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet,
+niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende.
+
+Lang duurde het, vóór het blonde meisje weer kwam bij het molenrad;
+en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals
+vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen
+nòg dieper, nòg donkerder waren geworden, en al maar vráágden, zonder
+te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen,
+en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer,
+die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen
+op het donkere kleedje lagen.
+
+Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar
+vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de
+witte man het roepen, en het ging.
+
+En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger,
+en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke,
+stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen
+den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertèlden.
+
+Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't
+voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer,
+en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar
+zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm.
+
+Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te
+worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de
+dennen, sloeg het boek open, en las.
+
+En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje
+gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen
+in 't leven.
+
+En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en
+op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat àl maar las, langzaam
+nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek
+met sprookjes.
+
+Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij
+gelezen had. Dan lag het boek op haar knieën, en volgden haar oogen
+het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en
+licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois
+en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen
+vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde
+ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht.
+
+Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf
+verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het
+beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het
+beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde
+voort, zóó mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg,
+en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes.
+
+Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken
+moesten worden opgeladen, of leeg gedragen.
+
+Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het
+dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar
+voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de
+blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend.
+
+De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons!
+
+De hooge dennen zongen: Bij ons!... en het blonde kind zag op naar de
+blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde.
+
+Dit had het beekje gedaan.
+
+Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels
+staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje
+hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de
+brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen;
+maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar
+sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden
+kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben
+wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven
+God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht
+verkorten, dat Hij wilde laten voortduren.
+
+De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm
+in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij
+'t molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek
+alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam
+luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel
+stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief,
+droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen,
+zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie,
+wondere dingen rond-dwaalden.
+
+Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog,
+zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den
+glooienden oever aan ... den prins ... uit haar sprookjesboek. Hij
+lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht;
+maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde
+meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees
+haar anders te zullen verjagen. Het was zóó iets wonderlijk liefs,
+dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren
+languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst
+dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe
+sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze
+blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje,
+dat hen meenam, het dal in.
+
+De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone,
+wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn
+armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen.
+
+Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige
+geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als
+iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende.
+
+Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het
+stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen,
+en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag.
+
+Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen,
+in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los,
+die nu tusschen hem en haar dicht sloeg.
+
+Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen.
+
+Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes,
+zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam
+afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek,
+doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast;
+en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins,
+die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog.
+
+En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden,
+en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was.
+
+--Wat lees je? vroeg eindelijk de prins.
+
+Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las,
+zijn oogen nu geheel openend:
+
+--Sprookjes?
+
+--Ja. Jij bent zeker een prins?
+
+Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins.
+
+--Ja; zei hij.
+
+Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen
+zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning
+over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord,
+dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hóóg houdende.
+
+--Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je
+al eens betooverd geweest?
+
+--Ja; zei de prins, en hij jokte niet.
+
+--Vertel eens!
+
+Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden
+oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het
+gezicht van den prins.
+
+Hij sloot weer de oogen.
+
+--Even denken, wat ik je vertellen zal.
+
+Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in
+'t gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen
+gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden
+tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem
+hield ze soms in ... dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende
+oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje,
+half open, luisterde mee.
+
+Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar
+oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden.
+
+Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend
+aanziende:
+
+--Je woont zeker in een kasteel?
+
+--Ja; zei de prins.
+
+Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht
+er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug
+neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen;
+want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren,
+binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag,
+trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde
+van schoonheid alleen.
+
+--Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind.
+
+--Misschien; later.... Woon jij hier?
+
+--In den molen?... Ja ... eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel:
+ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen
+mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik dènk altijd ergens anders.
+
+--Je woont hier toch niet alléén, wel?
+
+--Neen ... mijn vader nog.
+
+De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje
+weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in
+zich komen.
+
+--Ben je veel alleen?
+
+--Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de
+knechts ook.... En dan ... ze mógen me niet graag; ze noemen me
+prinsesje.... Ze denken dat ik trotsch ben ... maar, dàt is het niet!
+
+--Wie heeft je lezen geleerd?
+
+De mooie, heldere oogen zagen hem aan ... en in hun diepten smeekte
+het.
+
+De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden
+had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu
+een stroeve trek om haar mondje kwam.
+
+--Lees je veel? vroeg hij verder.
+
+--Neen, ik heb maar één boek. Dat is nog van háár, en ik ken het
+heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat
+denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel
+het beekje ook wel eens wat.
+
+--Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi!
+
+--Verhaaltjes zijn altijd mooi.... Heb je wel eens kabouters
+gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je
+kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de
+elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen
+in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met
+bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen;
+en ze zingen ... soms heel treurig ... meestal wel treurig ... maar
+dat is juist zoo mooi!... Wanneer neem je me mee naar je kasteel?
+
+--Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen.
+
+Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot
+een gelijke.
+
+--Waarom niet? vroeg ze.
+
+--Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug
+vinden.... Ik kan nu ook niet zoeken.
+
+--Waarom niet?
+
+--Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden.
+
+--Hier?
+
+--Neen, in 't dorp, achter de bosschen.
+
+Het kind dacht na.
+
+--Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze.
+
+--Neen.
+
+--Weet ik het dan alleen?
+
+--Velen gelooven het niet!
+
+--Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins!
+
+--Waarom?
+
+--Je hebt het gezicht van een prins!... Ben je erg ziek?
+
+--Ik weet het zelf niet. Misschien wel.
+
+--Zou het mogelijk zijn dat je dood ging?
+
+--Ik weet het niet.... Misschien wel.
+
+--Vóórdat je weer in je kasteel bent?
+
+--Misschien wel!
+
+Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind:
+angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige
+blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met
+hoopvolle oogen:
+
+--Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er
+mij dan brengen?
+
+--Ja: dàt zal ik!
+
+De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje
+gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die mìsschien
+sterven zou....
+
+En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken
+niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes,
+en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was
+zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder
+was dan tien.
+
+Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt
+kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn,
+en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom
+zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar
+schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje,
+met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk
+afstak bij het kinderlijke van haar manieren.
+
+Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den
+smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft,
+waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen.
+
+Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot
+den jongen man, die haar als een wonder aanzag.
+
+Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf
+af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals
+een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en
+drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat,
+hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of
+spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang...?
+
+Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen.
+
+--Als je naar den hemel gaat, vóórdat ik den sleutel van het kasteel
+heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze.
+
+--En je vader dan?
+
+--Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!... En... er
+is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben.
+
+--Moeder zeker..., zei de jonge man zacht.
+
+Het kind knikte.
+
+--Nu moet ik weg!--een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je
+gaat zeker ook heen straks.
+
+--Ja, straks.
+
+--Zal je weer komen?
+
+--Ja, ik zal komen... als ik kan.
+
+--Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet
+deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze
+niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi?
+
+--Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn... en... wij
+zijn toch ook menschen?
+
+--Neen, dat geloof ik niet!
+
+--Wat zijn wij dan?
+
+--Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook
+wel, en jou ook... dan geloof ik niet dat jij een mensch bent!
+
+--Misschien niet!
+
+--Waarom zeg je altijd misschien?
+
+--Omdat ik zoo weinig weet.
+
+Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer
+het blonde hoofdje.
+
+--Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid!
+
+Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze
+tusschen de wilde rozen.
+
+En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het
+beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe.
+
+En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins,
+en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder
+wachtte.............
+
+Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende
+al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste,
+donkere dennen.
+
+Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte
+tusschen de rozenstruiken op den prins.
+
+De rozen, een beetje verrégend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen
+het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek.
+
+--Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt
+hij niet ... zei ze, zich vooroverbuigend om te zien.
+
+Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder,
+tot zij ze niet meer zien kon.
+
+--De prins komt niet ... zei ze, neerzittende onder de dennen, bij
+'t bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte.
+
+--De prins komt niet ... herhaalde het beekje en gleed heen.
+
+--De prins komt niet ... zongen de wilde rozen.
+
+En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien;
+en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, héél ver,
+zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het
+beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij
+'t rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek,
+zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en àl maar tuurde naar
+'t donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte,
+en àl maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met
+lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond.
+
+Den volgen dag kwam de prins.
+
+'t Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met
+een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met
+sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere
+zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden.
+
+Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek.
+
+Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende.
+
+Toen keek ze rond.
+
+--Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in.
+
+De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij
+den molen verlicht werd.
+
+--Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen.
+
+Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den
+oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst
+gezien hadden.
+
+--Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik.
+
+En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve
+van zijn moe gezicht heen.
+
+--Is 't héél mooi? vroeg hij.
+
+Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen.
+
+--Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht.
+
+De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de
+wilde rozen in 't donker van de dennen.
+
+Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende
+dit óók te doen. Zoo zaten ze stil bijeen.... En 't zwarte rad woelde
+donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier
+daalde over het dal en over den molen.
+
+De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water
+het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans
+over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag
+hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij háár aanzag.
+
+--Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende.
+
+Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder,
+en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen
+gedachten.
+
+De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden
+met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze
+hem haar grootste geluk mee deed genieten.
+
+Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen,
+en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote
+vraag-oogen recht in de zijne zagen.
+
+--Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn
+kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het
+kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen.... Begrijp je me?
+
+De ernstige oogen, droevig, zeiden ja....
+
+--En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan
+op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nóóit, klein
+prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij.... Misschien zullen
+wij er dan óók mooie boeken van maken.... Later ... want ik zal je
+niet vergeten!--Zul je het doen?
+
+--Ik zal het probeeren!... zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar
+keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals,
+en kuste hem.
+
+--En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer
+een brengen, zoolang ik kan ... zoolang ik kan.... Maar nu moet ik
+gaan. Dag prinsesje!
+
+--Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met
+een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij
+'t molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het
+beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het
+nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen.
+
+Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad;
+maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam
+ze niet meer; maar bleef in den molen.
+
+En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en
+zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind,
+dat maar niet kwam.
+
+En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te
+kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf
+gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs
+de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het
+stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde,
+van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar àl wegbleef.
+
+Toen, op een helderen najaarsdag, de wilde rozen droegen glanzend-roode
+bottels tusschen hun gelende bladeren, kwamen weer zwart gekleede
+mannen over het brugje; en toen ze heen gingen, droegen ze een zwarte
+kist. Het blonde kind, met de sprookjes-oogen ging naar moeder....
+
+De witte man die in den molen woonde, volgde hen: ouder en meer
+gebogen, dan toen hij eenmaal achter die andere kist ging; maar er
+even strak en stuursch uitziende. Toen hij over het brugje ging, keek
+hij even opzij naar 't zwarte rad, dat stil stond, klemde toen stijf
+de lippen opeen, en volgde de mannen, die de kist droegen, het dal in.
+
+En 't beekje huppelde angstig den somberen stoet na, vragende, niet
+begrijpende.... Het volgde de zwarte kist zoolang het kon, klagend
+vragende, tot in het dorp, waar het schreiend murmelde langs de huizen,
+niet begrijpende....
+
+De brandnetels bij 't verweerde brugje zagen de zwarte mannen na,
+en schudden langzaam hun nu bruin-groene krullokken. Ze wisten dat de
+lieve God hen weldra plukken zou, zooals hij het blonde mensch-bloempje
+geplukt had, dat beter thuis zou vinden in Zijn hemel dan op de aarde.
+
+Twee dagen later, het zwarte rad wentelde weer, werd er een nieuw
+sprookjesboek gebracht: voor 't kleine prinsesje, van den prins.
+
+De witte man, die 't boek aannam, opende het niet, maar lei het weg,
+bij nog andere boeken, en bij groote vellen wit papier, beschreven
+met een stijve kinderhand. Toen, niemand zag het, beefden zijn anders
+zoo rustige lippen, en een paar groote tranen werden weggeveegd met
+de bovenzij van zijn ruwe hand.
+
+Later schreef hij een moeilijk leesbaar briefje aan den prins, wiens
+adres in de boeken stond, omdat hij ze zelf gemaakt had.
+
+Toen de prins het wonderlijk briefje kreeg, luidende: "Mijnheer,
+stuur geen boeken meer. Het kind is gestorven. U is vriendelijk
+bedankt."--zat hij lang, recht voor zich uit te staren; en zei toen
+zacht voor zich heen:
+
+--Arm kind!... Arm prinsesje!
+
+Arm kind, arm prinsesje, dat de macht van het woord onbewust bezeten
+had, zooals hij het bewust bezat, en een streven naar schoonheid, even
+groot als hij. Arm prinsesje, geboren met hoog-vorstelijk bloed in de
+aderen, dat nu nooit koningin zou zijn, zooals hij koning was geworden.
+
+Lieve, reine herinnering, waar hij zooveel aan te danken had, en die
+als een schoon beeld voort zou leven in zijn werk en in zijn gedachten.
+
+Arm kind, arm prinsesje, gestorven ... dood ... weg ... in 't eeuwig,
+zwart geheim!............
+
+De zomer, die volgde op een langen winter, waarin de molen als dood
+in het dal had gelegen, zag weer het zwarte, bezige rad zilveren
+glans-waden weven, en kleurvonkende droppels spatten, naar de wilde
+rozen, die toezagen in roze verwondering, wijd open.
+
+Hij zag weer het beekje het dal inglijden, nadat het werk gedaan had
+bij den molen, waar het rad rond wond en woelde en zong en ruischte
+onder de donkere dennen; en hij hoorde het beekje vertellen, klagelijk
+murmelend: van het blonde meisje dat eenmaal woonde in den molen
+van het dal, waar de brandnetels groeien, totdat de lieve God-zélf
+ze plukt.
+
+
+
+
+
+
+
+Van Marie Metz-Koning verscheen bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum:
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. Vijfde druk. Teekeningen en band
+van S. Moulijn. Ing. f 0.90. Geb. f 1.30.
+
+HET BEELD OP DE ROTS. Tweede druk. Met 5 lithografieën en band van
+S. Moulijn. Ing. f 2.90. Geb. f 3.75. LUXE-UITGAVE. 50 genummerde
+exemplaren. De steenteekeningen (Epreuve d'Artiste) gedrukt op Japansch
+papier. Gebonden in perkamenten band f 10.-.
+
+GABRIËLLE, Omslag en bandversiering van J. Toorop. Vierde druk. Ing.
+f 1.50. Geb. f 2.25. Gewoon geb. f 1.90.
+
+GABRIËLLE. Tweede Boek. Bandversiering van J. Toorop. Tweede
+druk. Ing. f 1.90. Geb. f 2.65. Gewoon geb. f 2.30.
+
+DOMINEE GEESTON. Omslag en bandversiering van Herman
+Teirlinck. Ingenaaid f 3.50. Gebonden f 4.25.
+
+VERZEN 1e (2e druk) en 2e bundel. Met portret. Gedrukt op geschept
+Hollandsch papier. Ingenaaid f 1.75. Gebonden f 2.50.
+
+NACHT-SILENE. Illustratiën en band van S. Moulijn. Tweede
+druk. Ingenaaid f 2.90. Gebonden f 3.90.
+
+VAN EEN SCHOONEN DAG. Ing. f 2.90. Geb. f 3.90.
+
+INTERMEZZO. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25.
+
+PETERKE'S BEELDENSTORM en andere Dorpsgeschiedenissen. Ingenaaid
+f 2.50. Gebonden f 3.25.
+
+Een fraai uitgevoerd PORTRET in Heliogravure, gedrukt op geschept
+papier, is verkrijgbaar a f 1.-.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde
+by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926)
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10334 ***
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..1be1d94
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #10334 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10334)
diff --git a/old/10334-8.txt b/old/10334-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..bdcdb30
--- /dev/null
+++ b/old/10334-8.txt
@@ -0,0 +1,5069 @@
+The Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde
+by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926)
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Van 't viooltje dat weten wilde
+
+Author: Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926)
+
+Release Date: November 29, 2003 [EBook #10334]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE ***
+
+
+
+
+Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.
+
+Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE
+
+DOOR MARIE METZ-KONING
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+Van 't Viooltje dat weten wilde
+De Tulp en de Madeliefjes
+Elze
+De Watermolen. Wat het Beekje vertelde
+
+
+
+
+
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE.
+
+In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein
+viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als
+denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid
+angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch.
+
+Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen
+reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige,
+eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de
+moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen
+ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is.
+
+Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer,
+glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw.
+
+Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van
+het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer
+licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje.
+
+Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het
+ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende
+van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche
+boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over
+het zandpad elkander raakten.
+
+Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag
+aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming
+wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle
+op gelijken afstand van elkaar.
+
+Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen,
+van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende
+boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek
+angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar
+heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het
+pijn wou doen.
+
+Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel,
+en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht!
+
+Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel
+eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't
+licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen,
+toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk
+daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind
+wat sterker werd.
+
+De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet
+zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!... het
+fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode
+takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven
+haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen,
+weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer,
+zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze
+geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend!
+
+Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen,
+toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't
+verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog
+in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze
+er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar,
+zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren:
+de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en
+toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde,
+toen ze niet durfde luisteren: de melodieën die de dennen zongen in
+den nacht, en de melodieën die ze zongen in 't licht, telkens andere,
+en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen
+wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen,
+dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar,
+dik-zwart, één waren met den nacht.
+
+Dit alles boeide haar.
+
+Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen,
+ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap
+zonder droomen.
+
+Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen,
+nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar
+rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar
+aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in
+de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk
+voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het
+had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig
+air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was,
+scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen
+kant kon ze maar even zien.
+
+Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop,
+met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen
+onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van
+omhoog zitten, en wijs neerzien.
+
+Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje:
+
+--Hè, wat is dat?
+
+--Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap
+stoor! 't Was bij ongeluk!
+
+--Maar wie ben je?
+
+--Ik heet kikker!
+
+--Wat doe je hier?
+
+--Wel, springen, natuurlijk!
+
+--Waarom?
+
+--Waarom! waarom! omdat ik het doe!
+
+--Moet je het dan doen?
+
+--Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op
+dezelfde plaats blijven!
+
+--Waarom niet?
+
+'t Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan.
+
+--Hoor eens, zei deze, als je nu nog één keer "waarom" vraagt, ga ik
+heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen
+"waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me
+altijd erg uit mijn humeur brengt.
+
+--Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd
+zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan?
+
+--Op 't oogenblik van den straatweg.
+
+--Wat is dat?
+
+--Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal
+steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en
+hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over
+heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al.
+
+De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat
+zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde.
+
+--Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje.
+
+--Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien!
+
+--Wat zijn menschen?
+
+--Dieren, net als ik, maar veel, véél grooter. Zie je, jij bent een
+plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun
+twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen
+ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan.
+
+--Waarom doen ze zoo?
+
+--Wat heb ik je gezegd?
+
+--O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje
+nederig.
+
+--Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te
+leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel;
+dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij
+is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat
+zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De
+duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen
+elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel
+ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen;
+ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood?
+
+--Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje.
+
+Ze voelde zich héél wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en
+een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor
+dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet!
+
+--Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait
+en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig
+de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En
+evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuïtie hun vóórzegt,
+raadde ze goed.
+
+--Den wind meen je!
+
+--Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor
+het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets
+heel ergs. Misschien is dat de duivel wel!
+
+--Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last
+van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als
+je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er
+veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond;
+dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die
+raden elkaar óók altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg,
+hoe oud ben je?
+
+--Wat bedoel je daarmee?
+
+--Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan?
+
+--Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en
+daarna is 't nog eens weg geweest.
+
+--Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je
+nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm
+komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je
+zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de
+dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken
+worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het
+kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft,
+en of de aarde van binnen kermt!
+
+--Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me!
+
+--Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding
+als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken,
+bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder
+me over niets meer!
+
+--Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje.
+
+Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben.
+
+--Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een
+grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn
+erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt
+niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor
+ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk
+wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je
+niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten,
+dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets
+liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan
+hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe
+meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze
+nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met
+alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen
+dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk
+heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze
+praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen,
+net zoo min als "waarom" vragen. Eén ding is zeker: als ze je eenmaal
+meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je
+niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat
+kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag
+toch héél wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms
+wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je
+staan kijken, of er héél wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik
+alleen van hooren zeggen. Vader zag zóó iets nooit!
+
+--Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker
+zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al
+begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten;
+beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van,
+als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg
+te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was
+'t gezellig, iemand zoo bij zich!
+
+--Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen.
+
+--Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er
+is zooveel, zie je!
+
+--Wat is dat! riep opeens het viooltje.
+
+Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het
+plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de
+denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was.
+
+--Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms
+'s nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten
+weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen.
+
+--Slapen die dan nooit?
+
+--Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt
+niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk
+je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze
+"duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed
+altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan
+vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen
+wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls:
+'t Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat
+ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal
+moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil,
+en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en
+moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze
+maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen;
+en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk.
+
+En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zèlf eerst maken. Niets
+doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel
+vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn:
+zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen
+doen ze niets! Niet eens, hoe je je ècht lekker voelt. Ik houd het
+er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat
+ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen
+van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal
+leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets
+weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch
+niet énkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al
+weer zijn, om maar veel te doen hebben.--
+
+--Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte
+pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte.
+
+--Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze:
+Man; die witte: Vrouw.
+
+Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit
+vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms
+een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt!
+
+Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker
+in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken
+opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even
+straalden en verdwenen.
+
+Zoo zag het viooltje.
+
+Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten,
+boven het hoofd van de Vrouw.
+
+Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte.
+
+De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op.
+
+De Man zag haar aan, en zei: "Ja."
+
+Toen weer stilte.
+
+Langzaam, héél langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten
+vast hield; en ze spraken niet.
+
+--Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen
+mooi vond.
+
+--Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten
+de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen
+ze. Stom! eenvoudig stom!
+
+Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne
+iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al
+maar zwijgend.
+
+Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen.
+
+--Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft
+je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn!
+
+Nu was de Man het dichtst bij het viooltje.
+
+Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen:
+"Ik heb je nog zooveel te zeggen!"....
+
+De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien,
+want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't
+lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien
+met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei:
+"Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo."....
+
+Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over
+hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan
+strak liggen op den grond.
+
+--Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te
+zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat
+doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar
+ben ik zeker van!
+
+--Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje
+rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd.
+
+--Vindt je dat dan zoo prettig?
+
+--Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik
+houd zoo van licht!
+
+--Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht
+hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en
+van 't alléén zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan?
+
+--Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze
+weêr kwam!
+
+--Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht!
+
+--Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien
+hebben!
+
+--Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet
+kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde
+de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken,
+en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten.
+
+--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht
+'t viooltje.
+
+De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan
+het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes
+tegen hem op.
+
+--Het licht van háár stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van háár
+hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer.
+
+De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar.
+
+--Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje.
+
+--Naar niets!
+
+--Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem!
+
+--Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en dááraan
+denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is,
+omdat ze veel te doen hebben.
+
+--Hij zag het licht van haar stem!
+
+--Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets
+van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel
+verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net
+als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste
+avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet
+wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan
+doen. Allemaal gekheid... stòmheid... Natuurlijk doen ze weer zoo,
+omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen:
+ik wil niets te doen hebben!
+
+--Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem!
+
+--Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven,
+en alles vertellen wat ze te zeggen hadden!
+
+--Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't
+mijne wezen!
+
+--Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in
+hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze
+een papier hebben waarop staat dat ze het mòèten doen. Dàn doen ze
+'t, al zouden ze véél liever niet bij elkaar blijven.
+
+--Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat
+iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen:
+je moet héél graag blijven of heengaan! Ik zou 't wàt naar vinden,
+als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik mòet bij
+je blijven.
+
+--Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze
+wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen
+ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de
+duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort.
+
+--Dan vind ik den duivel zoo erg niet!
+
+--Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge
+deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dòm!!
+
+--Hoe kwam je vader bij de menschen?
+
+--Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot,
+dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land,
+naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen
+kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam
+hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half
+vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk
+ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken
+dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij
+de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij
+zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen
+de zon buiten zóó lekker scheen, dat vader boven op het laddertje
+geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zóó te
+verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat
+is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak,
+en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om
+zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen.
+
+De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich
+altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er
+geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al
+aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis
+woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt,
+en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje
+valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het
+menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We
+vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo
+mooi van zijn avonturen vertellen toen!
+
+Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet?
+
+--Blijf je hier? zei verheugd het viooltje.
+
+--Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen.
+
+--O, héél veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je
+bent zoo knàp... Je wéét zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden,
+als ik wakker werd, en je was er dan nog.
+
+--Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik
+overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei
+de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig
+neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren.
+
+--Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem!
+
+--Ik droom nooit.
+
+--Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen:
+"Wat is het mooi hier!"
+
+--Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij!
+
+--Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij,
+om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den
+kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit
+niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn.
+
+--Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde
+niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig
+lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in
+zijn kop.
+
+Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten
+of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem
+zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde
+houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap.
+
+Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze
+sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het
+geluk, niet meer alleen te zijn.
+
+En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen.
+
+En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen
+hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame,
+hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt
+het lichtende geluk in zich, overal.
+
+Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond,
+en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten
+naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe
+dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en
+wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde
+houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar
+zijn mooie, zachte, gemarmerde borst.
+
+Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje:
+
+--Ben je wakker?
+
+--Al lang! zei de kikker bedaard.
+
+--Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen!
+
+--Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen.
+
+--Wat is dat?
+
+--Waar ik zal gaan eten!
+
+--Wat is eten?
+
+--Dat moet je doen om te blijven leven.
+
+--Ik doe het toch nooit!...
+
+--Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet
+wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde,
+met je wortels die er in vastzitten!
+
+Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar
+gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat
+met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat
+de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe
+gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep
+nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was
+dat wonderlijk! Waarom zocht je bóven de aarde, als je van de aarde
+leefde? Waarom?
+
+--Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van
+haar overdenken.
+
+--Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding
+bewarende.
+
+--O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan
+'t geen ik niet begrijp.
+
+--Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel
+eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit
+pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden!
+
+--Je komt toch weer terug?
+
+--Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan
+dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur.
+
+--Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan
+iets denk?
+
+--Praat er dan niet over.
+
+--Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar
+eten en kom gauw terug.
+
+De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van
+'t stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door,
+tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen.
+
+Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om
+heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte
+oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam
+van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar
+gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens.
+
+Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur
+dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen
+alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen,
+dat over haar heen hing als een dikke sluier.
+
+Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn
+gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer
+alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse,
+onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen
+denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen.
+
+--Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop.
+
+Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar
+die lieve stem-muziek.
+
+--Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij
+meenam, opdat ik haar àltijd zou kunnen hooren!
+
+Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die
+zorgde dat ze leven kon. Wat dàn?... Door een kleine opening in de
+dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den
+blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht,
+en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende.
+
+Maar het licht kuste haar, en zweeg.
+
+Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door,
+de stem van de Vrouw hoorde.
+
+--Háár stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren.
+
+Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast
+zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem
+hoorde; en teleurgesteld riep ze uit:
+
+--Het licht is uit haar stem!
+
+Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante
+niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man,
+maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en
+beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte.
+
+--Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het
+licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje.
+
+De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden,
+riep zoo hard ze kon:
+
+--Vrouw!... Vrouw!... Vrouw!
+
+De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte
+violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren,
+liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog,
+denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam
+door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras,
+en keek naar den grond.
+
+De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en
+luisterde....
+
+--Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje.
+
+Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet,
+hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze
+wijd, wijd open omhoog zagen....
+
+En ze zag een licht komen in haar oogen, en nòg een licht en
+nòg een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke
+wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag,
+kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende
+er in, en ging naar de Gedaante, zeggende:
+
+--Aardig, dat ruischen van die dennen!
+
+--'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig
+naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet
+sentimenteel zijn!
+
+Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur
+zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de
+morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen.
+
+--Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het
+zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't
+viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken.
+
+Juist kwam hij aanspringen.
+
+--'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer.
+
+--De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje.
+
+--Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man.
+
+--Zoo, was dat óók een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak
+veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem.
+
+--Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze
+nú wel.
+
+--Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar
+oogen, toen ik haar riep.
+
+--Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat
+is héél zeldzaam! En kwam ze bij je?
+
+--Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en
+luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen,
+en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet
+je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan,
+of bij me houden.
+
+--Dat waren tránen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tránen! Die
+kàn je niet weervinden!
+
+--Tranen! Wat zijn dat?
+
+--Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van
+de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet
+weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels
+die neervallen.
+
+--Wat zijn dat?
+
+--Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel
+eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet
+zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei
+kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als
+je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de
+plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes.
+
+--Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde
+'t viooltje.
+
+--Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen?
+
+--Neen, wat is dat?
+
+--'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch
+wel lichtjes?
+
+--Ja!
+
+--Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er
+niets over van hun licht. Dat is dan óók weg!
+
+--Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet
+dat zoo zijn?
+
+--Begin je al weer met den duivel aan te roepen?
+
+--Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden
+op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten
+waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die
+mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de
+aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze
+aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet!
+
+--Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet.
+
+--Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen?
+
+--Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles
+heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever
+niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Láten ze het dan niet doen! Ik
+vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet
+met dingen die je niet aangaan!
+
+--Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik
+wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat
+ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet
+laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed?
+
+--Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat
+hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik!
+
+--Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi
+hier"; vindt dié dat dan goed?
+
+--Die heeft natuurlijk óók veel te doen! Daar komt bij de menschen
+alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat
+anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding,
+nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden.
+
+--Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg
+is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde
+het viooltje weer.
+
+--Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! Hè,
+wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen!
+
+En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen.
+
+De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad,
+en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij.
+
+--Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon.
+
+De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel
+donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed
+weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen.
+
+--Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie
+eens! Zie eens!
+
+Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel
+donker. Hij zag recht voor zich uit en ging.
+
+--Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hóór
+toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht
+is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie,
+mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezién!... Ik heb
+het gezién!...
+
+De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn
+pas, en verdween.
+
+--Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur
+verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet
+eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel
+gauw dood. Hij dacht óók weer dat de dennen riepen; dat was je geluk,
+anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen!
+
+--Ik wóú het!... Ik wóú dat hij me mee genomen had; dan zou ik
+misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig
+maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hèn, als ik dan maar éérst weet,
+wat zij weten!
+
+--Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel
+bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij
+meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet
+aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim,
+heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het
+nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit
+iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet!
+
+--Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och,
+wien zóú ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet
+hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens
+luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders
+was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch
+nóóit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet!
+
+--Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo
+dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er
+van, dan doen ze dat tòch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond,
+vouwen hun vóórpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden"
+zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op
+den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd
+heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't màg
+volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort;
+en vader wèrd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den
+gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders
+doen; want antwoord krijgen ze tòch nooit.
+
+Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je
+meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden
+ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens màg.
+
+--O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vrééselijk
+treurig!... snikte 't viooltje.
+
+--Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat
+afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet.
+
+--Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil óók
+bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door
+"waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden.
+
+--Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist
+voorbij vloog.
+
+--Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het
+uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig,
+innig treurig.
+
+--Je bent sentimenteel! Dát is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen
+lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten
+van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar
+het beste, als ik je alleen liet.
+
+De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over
+het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad,
+waar het weiland was.
+
+Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die
+gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet
+mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond,
+zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante....
+
+Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze
+mòèst denken, en treurig zijn, als ze treurig mòèst zijn....
+
+--Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed
+met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is,
+als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik
+ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en
+springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben,
+en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt
+je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik
+alleen: dat ik nóóit iets weten zal! nóóit iets begrijpen kan!
+
+--Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is
+in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap
+te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan,
+op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou
+dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet!
+
+--Dat ìs 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders
+zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw,
+en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel,
+net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik
+kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is,
+en dat ik weten wil, waaròm dat zoo is....
+
+--Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom;
+alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien
+kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger
+bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals
+ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat óók altijd
+tegen elkaar.
+
+--Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...!
+
+--Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu
+ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft,
+geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen
+en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de
+storm komt en ik ben er niet meer?
+
+--Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zóó
+erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot
+hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren
+om antwoord.
+
+--Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van
+alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt tòch nooit!... Nu,
+ik ga dan maar! Goeden dag!
+
+De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed
+en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets
+hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem
+opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van
+'t praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen,
+moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen.
+
+Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet
+het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx
+te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel
+succes had.
+
+--Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank
+je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood
+ben misschien. Ik kan tòch niet leeren, om net als de menschen,
+te praten over wat ik nièt denk, en te zwijgen over wat ik wèl
+denk!... Vaarwel!--
+
+En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist,
+dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer
+alleen te zijn.
+
+Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude
+kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar
+vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer
+gedaan hebben om hèm, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud
+om aan te raken!
+
+--Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele,
+geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje
+ziende.
+
+'t Viooltje wàs sentimenteel; en dat wàs vervelend. Hij kroop
+langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind
+van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen
+hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland,
+waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en
+paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot
+genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van
+de menschen, waar hij zooveel van wist.
+
+"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben,
+'t Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende.
+
+.........
+
+Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige
+omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen,
+en vroeg "waarom?"
+
+En haar stemmetje ging wèg in het ruischen van de altijd-groene,
+statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur.
+
+Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de
+dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?"
+
+En haar licht stemmetje stéég in het zwijgende licht, dat het wègdroeg
+... zonder antwoord te geven.
+
+Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?"
+
+En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg.
+
+Zoo gingen lange, lànge uren voorbij.
+
+Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne
+blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten.
+
+Ze werd heel stil.
+
+Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer.
+
+Ze kwam zacht, alléén, over 't mulle pad.
+
+Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen.
+
+--Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde.
+
+De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief
+de gevouwen handen op.
+
+Toen gebeurde het.
+
+Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar
+hoofd lei ze op haar gevouwen handen.
+
+En haar stem, nu héél donker, kwam in het donker héél zacht tot
+het viooltje:
+
+--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?... snikte ze.
+
+--Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na:
+
+--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?
+
+En wachtte.........
+
+En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken.........
+
+En ze wachtte.........
+
+Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den
+hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het
+uitstraalde.
+
+En wijd ... wijd ... héél wijd...! zwijgend en rustig, als een
+gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze
+te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen,
+vèr boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister
+leed, op de zwarte zwijgende aarde.
+
+En het wétende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende
+Vrouw, en op 't viooltje, en zwéég ... als alles.
+
+Toen zag het viooltje dat het wáár was, dat er geen antwoord is....
+
+Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde háár van het
+voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden
+nu, zonder licht er in.
+
+--Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien
+op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, àltijd!
+
+De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging.
+
+--Dat was het éénige Licht ... zei ze....
+
+En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna
+tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat
+kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte
+vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo.
+
+Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het
+zag... En héél stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode
+bloempje ... om het te zièn....
+
+Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve
+klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ...
+
+En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde,
+en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen
+... wist niemand waarheen die te zamen gingen.
+
+--Naar het Licht ... dacht de Vrouw.
+
+Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen,
+en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone
+schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar
+ze vallen.
+
+Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de
+menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het
+smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde
+doet geboren worden.
+
+Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op
+aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle
+schoonheidzoekende zielen eenmaal, om dáár te sterven. Want het leven,
+zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid,
+alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers,
+die niet loslaten.
+
+Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag.
+
+..................
+
+En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde
+hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest.
+
+Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan
+had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong
+verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij
+wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap
+lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal
+geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze
+altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze
+wel wilden doen.
+
+En hij làchte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs
+sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzèlf.
+
+En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde
+niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen.
+
+En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als
+remedie tegen nadenken, dat onrust brengt:
+
+"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de
+Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er
+uit de verte mee."
+
+Zijn vader had altijd gezegd:
+
+In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die
+drie samen zijn de "duivel".
+
+Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de
+menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte
+dus de verwarde theorieën van zijn vader na, die ze van de menschen
+nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken,
+dat onrust brengt.
+
+Toch was het nog niet zoo héél dom. De theorie was wel wijs; maar
+ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die héél deftige
+dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten.
+
+Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar
+"iets héél ergs" van.
+
+En het niet-zoeken noemden ze "God".
+
+Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en
+God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin.
+
+Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht
+dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch wéét ... en die hem
+soms zwijgend kust....
+
+Altijd zwijgend ... àltijd zwijgend.
+
+
+
+
+DE TULP EN DE MADELIEFJES.
+
+Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel
+duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje.
+
+Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan
+kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine
+kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk
+schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over
+het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied;
+en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad
+spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd,
+héél wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den
+hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik,
+opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden
+de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets
+verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes,
+al hun gedachten, vriendelijke en booze.
+
+De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes,
+stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een héél groote Zon denkt
+over't doen van héél kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach.
+
+Die kleine madeliefjes!... ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op
+hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken,
+puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe
+klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij,
+de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel
+niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke
+nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend,
+omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest
+schijnen...
+
+Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.--Een
+paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets
+wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond
+komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende,
+dan één van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun
+stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar
+het wonderlijke ding. Zóó verdiept waren ze in de beschouwing er van,
+dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje
+over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering
+stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd,
+en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd.
+
+Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de
+dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden
+hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde
+beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig
+vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een
+wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar héél eventjes te kijken.
+
+'s Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet,
+en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:--Jammer! zoo'n
+jong madeliefje nog, èrg treurig, vooral voor de familie!--over 't
+vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan
+een rood puntje vertoonde.
+
+--Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar
+zóó iets nog nooit!
+
+--Als dàt een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte
+de ander. Ik ben erg benieuwd wat dáárvan worden zal.
+
+--Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen,
+'t Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van,
+denkelijk.
+
+En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen
+ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap
+des rechtvaardigen.
+
+De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een
+tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur,
+ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar
+op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was,
+wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week
+gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt,
+om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt,
+door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar;
+en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten
+in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem,
+die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet;
+en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes.
+
+Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde
+ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte
+bij 't wakker worden.
+
+Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met
+spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel,
+waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen,
+gevouwen om te bidden.
+
+Het was nu zóó groot geworden, dat al de madeliefjes het haast
+konden zien.
+
+Dat gaf me een gebabbel!
+
+De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde
+zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn vóór zich geschoven,
+waaronder de aarde geduldig wachtte.
+
+De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle
+genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen
+die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over
+dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot
+zich trok, en dat dùrfde!... dùrfde!... anders dùrfde te zijn dan zij.
+
+--Heb je ooit zóó iets gezien? klonk het vol ergernis.
+
+--Neen maar, hoe vin je 't? In 't róód!
+
+--Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in
+'t oog loopen.
+
+--En die rechte houding!
+
+--En die aanstellerige blaadjes!
+
+--Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen.
+
+Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar
+de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op-
+en aanmerkingen.
+
+De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het
+gefluister om haar heen!... Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit
+geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon
+mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig
+smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal
+dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een
+vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen
+geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel
+anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Háár.
+
+Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van
+verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen
+om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat
+ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel mòèst zijn. Ze kende
+zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan:
+hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met
+dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep
+ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes
+hard en slecht; en begreep dàn ook weer niet: waarom die zoo lief en
+vriendelijk onder elkaar konden zijn.
+
+Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen
+tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te
+nemen, en niet verwaand te schijnen.
+
+Ze was toen héél eenzaam.
+
+De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun
+avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte
+rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij,
+en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen.
+
+De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die
+sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende
+bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde
+ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een
+zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen
+dànkten!... dànkten!...
+
+Zóó, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van
+de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten
+van hun avondgroet.
+
+Zóó viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan
+witte bloemen, levende in een donkere weide, héél hoog, en haar lief
+toelachende alsof ze hun zuster was.
+
+Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo
+erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer
+wat vréémds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard,
+en dacht aan de sterren.
+
+Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste
+topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zékerheid; en toen kwam het
+aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht
+... over àlles heen!
+
+Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde
+jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor
+het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden
+bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende gehéél,
+en het kussende met groote liefde....
+
+Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem
+straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans
+voor gloed weerom.
+
+Zóó bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even
+uitspreidende, opdat ze toch óók voelen zouden, héél voelen zouden:
+het Licht! de Zon!
+
+Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mòcht: of ze zóó meer plaats
+innam dan anderen! Ze mòèst het doen!
+
+Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes
+uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende,
+zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde
+teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze
+allen te zamen het Licht zochten, en door één Zon gekust werden.
+
+'s Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer
+'t babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den
+grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep
+wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden
+opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden;
+maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van
+balsemende Zonvreugde.
+
+De madeliefjes fluisterden:
+
+--Heb je 't gezien?
+
+--Ja; ze doet óók haar bladen open voor de Zon!
+
+--Wat doet die roode kleur zéér aan je oogen!
+
+--Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien,
+dat ze ons gouden hart mist!
+
+--Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien!
+
+--Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen!
+
+--Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen!
+
+--Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes.
+
+--Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan
+'t uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden
+hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen
+naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon
+zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je
+maar niet daaraan.
+
+Hóóg op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, héél stil,
+in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de
+sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht
+weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open
+kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen,
+een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren.
+
+De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen,
+en de tulp droeg het hóóg, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles
+weet, wist het. Maar hoe gróót haar leed voor de kleine tulp was,
+kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen....
+
+En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht,
+en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd
+stond de eenzame bloem daar.
+
+Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar.
+
+Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch
+eigenlijk geen kwaad deed!
+
+Dat waren de liefsten...
+
+Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering.
+
+Dat waren de besten....
+
+Dan waren er ook, die haar verdedigden, zóó dat zij 't niet hooren kon.
+
+Dat waren de moedigsten....
+
+En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun
+halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen
+verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden.
+
+De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch
+met de zekerheid van niet begrepen te kùnnen worden.
+
+De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch
+wantrouwend.
+
+--Ze meent niets van al haar liefheid!
+
+--Deed ze maar wat gewoner, net als wij!
+
+--Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je
+zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons méé-deed!
+
+De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken;
+en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel
+dik, was haar stengel bros en teer.
+
+--Laat me maar!... antwoordde ze vriendelijk.
+
+Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig
+als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn
+stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken.
+
+Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die
+veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood
+kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat
+zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze
+staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende
+vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het
+schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen.
+
+..................
+
+'t Werd Zomer.--Toen stierven, op een heerlijken, lichten zòn-dag,
+al de witte madeliefjes.
+
+Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze
+stonden.
+
+Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes
+lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de
+Zon gewend.
+
+De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland,
+brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas,
+die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was.
+
+Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die
+haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde,
+roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos
+in groezelig water, wijd open, moe....
+
+Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af.
+
+Ze was gestorven.... Haar gouden hart bleef alleen over.
+
+Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit
+'t fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele
+muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden,
+daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee
+... omhóóg ... naar den bloemen-hemel..................
+
+De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Eén van de kinderen
+uit 't arme gezin nam ze één voor één in de hand, ze streelende en
+mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte
+hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der
+blaadjes, het zwarte kruis.
+
+--Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike....
+
+Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend,
+zei vluchtig:
+
+--Ja jonkske; net een kruiske.... Zoo zie je: diën bloem het óók al
+zijn kruiske te dragen gehad!...
+
+En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed,
+dien ze zelf nauw wist.
+
+..................
+
+Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd
+hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven
+aanwijzende.
+
+De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu
+verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats
+zou aanwijzen.
+
+In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten.
+
+Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was:
+bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun
+onbekend was.
+
+Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun
+starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde
+vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen
+elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die
+alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes,
+met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende
+geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille
+reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog
+zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te
+ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken
+van verstandhouding met hen wisselden.
+
+Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die
+vreemde bloemen!
+
+Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een
+deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!... boog,
+en trad terzijde.
+
+Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare
+rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele,
+paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het gehéél lijkende een
+vlammend veld... Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende
+schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar
+de vreemde bloemen...
+
+Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen
+zijn buurtje.
+
+--'t Was dus een tulp, dat vreemde ding!
+
+--Zou zij er ook bij zijn?
+
+--Ze was kleiner dan één van dezen!
+
+--Zie je haar soms?
+
+En ze rekten hun tengere halsjes, en kéken en kéken, en na lang
+turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij"
+er wàs... "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks
+durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar
+geëerd gezelschap. Maar ze had wéér geknikt, en wéér, als een goede
+bekende... Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend
+aan een vreemd, zwart aârtje, op haar rood kleed.
+
+Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze
+was niet eens groot; véél kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal
+achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar
+nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen....
+
+Eén voor één traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen
+richtte.
+
+Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche
+houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed
+de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het,
+dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad.
+
+Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en
+fluisterde:
+
+--Zie je wel! Ik kòn niet anders. Ik was een tulp: een ander soort
+bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet!
+
+Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen
+was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte
+kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had ... hóóg
+boven hen uit!..................
+
+Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar
+miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden
+rood van schaamte.
+
+Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden;
+dat zij hen zou aanklagen!
+
+Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan
+de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo
+vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden,
+omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden
+omhóóg te zien, en niet om zich heen ... dat ze haar goed hadden
+gedaan en geen kwaad ... dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan
+tusschen hen ... dat ze wel eenzaam was geweest ... maar dat de Zon
+haar had getroost ... en de sterren!
+
+Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal
+het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en
+mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel.
+
+Ze mocht héél dicht, héél dicht bij de Zon blijven: bij het Licht
+dat haar troost was geweest in haar leven.
+
+De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten,
+en de moedigsten, juichten:
+
+--Ik wist het wel!
+
+En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp:
+hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar....
+
+En de Zon zag de madeliefjes aan.... Ze zag hun blaadjes rood van
+schaamte.
+
+Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon,
+die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu
+ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok
+even haar stralen in ... want ... de Zon moest schreien... En boos,
+héél boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al
+de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel
+boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in
+'t klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig
+opkeken naar Haar.
+
+Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen
+hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf
+als een gedachtenis.
+
+En zoo is het gebleven tot op dezen dag.
+
+
+
+
+ELZE
+
+Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat
+hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan
+de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo
+liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig
+zou kunnen maken.
+
+Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals
+de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die
+gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte
+van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem,
+dat zij hem boven alles bezig hield.
+
+Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en
+ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs
+trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde
+hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede,
+met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde
+maken, zonder dat hij wist hoe.
+
+Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken
+verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieën.
+
+Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen,
+die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken
+veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde
+de koning toe.
+
+--Geluk is rijkdom, zei de een.
+
+Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af.
+
+--Geluk is weten, leeraarde een tweede.
+
+Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de
+geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond.
+
+--Geluk is gezondheid, meende een ander.
+
+Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren,
+die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net,
+deed hem zwijgen.
+
+--Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette
+een heel diepzinnig gezicht.
+
+Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen
+duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een
+ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon!
+
+Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de
+rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor
+en, op de vraag die hem geen rust liet.
+
+--Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag,
+zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't
+sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken,
+totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge
+dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die
+niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel,
+en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen
+bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid!
+
+Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder
+naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim
+beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden!
+
+Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem
+vriendelijk opnam.
+
+Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der
+wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning
+genaderd, boog hij zich, en zei:
+
+--O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit
+omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij
+geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van
+het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij
+nog even wijs zijn gebleven als één vóór ons, is dit niet ònze schuld.
+
+Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor
+oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer:
+vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die
+vraag te geven is.
+
+De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik
+u geven kan.
+
+Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart,
+en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons,
+en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten
+van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af,
+is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde
+geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij
+heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten
+doen ontbranden in rustige harten.
+
+Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij,
+zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult
+trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en
+de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een
+mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin
+van vredig menschen-geluk.
+
+De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn
+gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem:
+
+--Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het
+al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga,
+dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult!
+
+De grijsaard boog en trad eerbiedig terug.
+
+--Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de
+koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Eén onder u, heeft
+u allen gekroond met de lauweren van zijn geest.
+
+Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken.
+
+
+
+
+
+Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en
+stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen
+bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven
+verrichten bij den prins.
+
+--Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na
+een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon,
+den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw
+gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn
+geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde,
+en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in
+het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte,
+en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht,
+en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder
+bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens
+alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult
+hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere
+beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor
+hun schoonheid.
+
+Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken
+moogt, één woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn:
+het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht
+moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht,
+zijn gansche leven.
+
+Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins
+spreken zal, zóó, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook
+hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij
+er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de
+zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden.
+
+De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich,
+als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen
+ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende
+daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning
+te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind.
+
+
+
+
+
+Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den
+prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein,
+rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in
+haar hart. Daar zong het maar al door; doch zóó zacht, dat zij zelf
+het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang.
+
+De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij
+de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor
+zijn vader, den koning.
+
+Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest,
+liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende,
+zijn krans op den grond.
+
+Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij:
+
+--Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen?
+
+--Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra
+zij Uwe Hoogheid zagen!
+
+--Voedster, er is iets ànders in uw lach! Zeg mij wàt!... Zeg mij wàt!
+
+Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar
+ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou.
+
+--Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij
+uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem
+de mooiste vinden kunt.
+
+--Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins,
+zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden
+... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na.
+
+--Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen
+... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de
+voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette
+vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden
+hebben..................
+
+
+
+
+
+Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot
+jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als
+pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat
+ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer
+goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn
+voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en
+liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in
+zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder
+leeg zou zijn gebleven.
+
+Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving
+waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit
+kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een
+reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen
+hadden zijn geest te ontwikkelen.
+
+Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig
+aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde
+te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor
+de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een
+hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg
+als de Liefde.
+
+Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij
+alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart
+niet overstemd werd door rumoer van buiten.
+
+--Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige
+oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte
+zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur
+aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten
+hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins!
+
+--Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar
+pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken
+vraag zweefde, voor zich heen staarde.
+
+--Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak,
+dingen die ik misschien gedroomd heb.
+
+--Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf
+op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong.
+
+De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover,
+wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met
+zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en
+toejuichen, hèm, die eenmaal over hen zou heerschen.
+
+Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig
+land, gesloten worden.
+
+De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou
+aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht
+zich te onttrekken.
+
+Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid
+stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige
+omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek
+niet willende weigeren, had hierin toegestemd.
+
+Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun
+veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van
+zijn voedster-moeder, en klopte aan.
+
+Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen
+maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend
+op het oogenblik waarin ze den prins zou zien.
+
+--Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende;
+en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde
+blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in,
+waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas,
+van licht doortrokken, over de verre boomen hing.
+
+De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder
+als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig,
+fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte
+van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende:
+
+--Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen,
+dat u zeker niet verwonderen zal.
+
+De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de
+waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de
+eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb
+u dit willen vragen, vroeg, héél vroeg, als nog bijna geen schepsel zou
+waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons,
+het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen
+later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een
+kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien....
+
+Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken,
+toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste.
+
+Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had,
+en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik
+zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten
+zou als ik groot was.
+
+Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben
+opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist,
+en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik
+dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik,
+vertrouwende op uw belofte.
+
+Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk
+me aanziet als een man. Ik bèn nu groot geworden, niet waar? Zie me
+nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb,
+en zeg me wat hij beduidt.
+
+De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel;
+en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had,
+zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen,
+evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te
+spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte.
+
+--Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die
+goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein,
+hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst,
+gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen
+ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep
+ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet;
+en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik
+mijner oogen naar zijn oorsprong....
+
+Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul
+haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis,
+zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij
+vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte....
+
+Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen
+in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich
+tot den prins, fluisterend:
+
+--Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze
+zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren
+en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van
+grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de
+Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben
+niet kùnnen zwijgen. Ze hebben niet kùnnen zwijgen, wat mijn hart
+dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij
+zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste
+geluk geeft: het éénige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun
+zekerheid, dat ook eenmaal voor ú zou opgaan de goudene, gloeiende
+zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid
+zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat,
+geen indruk achterlatende.
+
+Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood
+vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en
+verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw.
+
+--Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat
+mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte
+aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad
+ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over
+de waarheid mijner oogen....
+
+De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit.
+
+--Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen
+niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank
+heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek
+in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit
+woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft
+willen verwijderen uit mijn leven....
+
+Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't
+ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet
+ken! Waar kan ik vinden, dat groote, éénige geluk, dat men mij heeft
+willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!...
+
+Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde
+geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben
+geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen,
+mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het
+heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld.
+
+En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende
+gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig
+leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld.
+
+Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit
+gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat
+plotseling zijn denken vervulde.
+
+Hij ging maar ál door, ál door, niet hoorende de jammer stem die hem
+riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde.
+
+De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar
+oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren.
+
+Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde,
+sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug,
+en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende,
+en ter aarde wachtende haar straf.
+
+
+
+
+
+
+De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om
+uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden
+gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners vóór zich brengen,
+die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke
+straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid
+zou daarna hun loon zijn.
+
+Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad één van
+hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte.
+
+Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest
+van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en
+moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn
+houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch.
+
+Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige
+aandacht luisterde:
+
+--O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te
+dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid?
+
+--Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de
+koning met luid-klinkende stem.
+
+--Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn,
+dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig
+en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden,
+moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn
+leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van
+huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we
+kunnen uitdenken.
+
+En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn
+makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul
+van wilde dieren.
+
+Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze
+wenkbrauwen klommen zóó hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In
+het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet
+samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede
+als verdwenen.
+
+Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte,
+gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig
+werd gemaakt door roof en moord.
+
+De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in
+vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den
+koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde
+den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen,
+dat haar als een straf was voorgehouden.
+
+De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan
+de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege
+zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij
+schreide, na jaren van vrede.
+
+--Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen
+... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de
+oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk
+tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal
+hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het
+woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn
+gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan één hard woord van
+mij, aan één wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn
+hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden
+in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan
+tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij.
+
+Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis,
+zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister
+begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den
+armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om
+zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon.
+
+
+
+
+
+De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot
+bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar
+maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige
+vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de
+knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins,
+vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande
+in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde.
+
+--Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden:
+de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen.
+
+Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk
+waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde
+hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een
+vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef,
+kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te
+voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot.
+
+Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt
+om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard
+waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud,
+waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs
+bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen
+spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen
+van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg
+op den rug een half gevulden linnen zak.
+
+--Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch
+klonk, als harslucht uit dennen riekt.
+
+--Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig.
+
+--Al vroeg op 't pad! Zoek je iets?
+
+--Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde.
+
+--Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat
+je haar zoekt!
+
+--Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon
+haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij
+er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken.
+
+--Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in
+'t bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen.
+
+--Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een wóórd
+verdwaald!
+
+--Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond
+had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald
+bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin
+dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je
+met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, vóór
+je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit;
+dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal
+je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbeziën
+kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets,
+denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al
+mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op één na.
+
+--Dank je, zei de prins en ging verder.
+
+De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even
+na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs
+het pad.
+
+--Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig
+geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die
+geneeskrachtige kruiden zocht, vóórgingen.
+
+De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek
+naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en
+den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige
+plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het
+kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt.
+
+Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van
+blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid,
+in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een
+wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het
+kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in
+het liedje dat ze zong:
+
+ De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,
+ De liefde geeft beide: geluk en ....
+
+Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins
+stond, dien ze door een kromming van het pad niet áán had zien komen.
+
+--Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig.
+
+--Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend!
+
+--Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij
+wonderlijk beefde.
+
+Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames
+gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong,
+lief meisje hem als een openbaring was.
+
+Weer lachte het meisje.
+
+--Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar!
+
+--Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het
+immers? Waarom zing je het anders?
+
+--Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan
+een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat
+mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong
+binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou
+dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze
+maar! Waar ga je heen?
+
+--Ik wil hier blijven!
+
+Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de
+ernstig-luisterende boom-stammen.
+
+--Hier? Nu, goed! Help me dan aardbeziën plukken. Je bent zeker
+verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis
+nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis
+geweigerd.
+
+Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte
+kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet
+dóór wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen.
+
+De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand
+beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de
+zon kleine, verleidelijk geurende aardbeziën rijp had gekust.
+
+Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren
+zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een
+weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe
+aardbeziën groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had
+ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp
+een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even
+ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier
+helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar
+met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins
+en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde
+hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen
+in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een
+poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje,
+tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde.
+
+Eindelijk zei Elze:
+
+--Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange
+haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het
+kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje
+met rood-glimmende beziën heel voorzichtig droeg, haar langzaam
+volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos
+naast elkaar.
+
+--Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen
+hem drukte.
+
+--Omdat jij niets zegt!
+
+Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien
+heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten
+boom, een klein huisje met riet gedekt.
+
+--Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik.
+
+Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende
+bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die
+zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op
+haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden
+vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid
+rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit.
+
+Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op,
+toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met
+een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden.
+
+--Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben.
+
+Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige
+houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw
+waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten
+Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal
+hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode
+eikeblaren.
+
+Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje
+waren hare bewegingen.
+
+De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden
+zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na
+lang zwerven eindelijk thuis was.
+
+Toen Elze gereed was, zei ze:
+
+--Vreemdeling, eet en drink!
+
+Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger.
+
+--Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten
+op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu.
+
+Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte
+duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt
+te worden.
+
+Nog altijd zweeg de prins.
+
+--Maar zèg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk.
+
+--Ik moet zooveel denken!
+
+--Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!...
+
+--Woon je hier altijd?
+
+--Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren
+verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig
+hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet
+meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik
+vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader
+eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en....
+
+--Maar dat komt hem toch toe!
+
+--Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men
+vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan
+vragen?...
+
+--Maar het is toch zijn recht!
+
+Elze lachte.
+
+--Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen
+levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe,
+om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden!
+
+--De prins zal zeker helpen!
+
+--Is hij goed?
+
+--Dat weet hij zelf niet!
+
+--Maar jij? Hoe vindt jij hem?
+
+--Ik ken hem niet!
+
+Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen,
+opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat
+langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel
+zwaar naar voren.
+
+--Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang!
+
+Elze bloosde van genoegen.
+
+--Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik
+begrijp niet waarom....
+
+--Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken....
+
+Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei:
+
+--Och! waarom niet!
+
+Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn
+gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme
+blos zijn wangen kleurde.
+
+De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen,
+en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel
+onzichtbaar waren.
+
+--Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend,
+en vouwde nu stil haar handen.
+
+--Waarom?
+
+--Dat weet ik niet....
+
+Plotseling stond ze op en luisterde.
+
+--Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur
+open bleef.
+
+De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde,
+zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had
+gewezen.
+
+Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp
+de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide
+handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang
+en vast in de oogen.
+
+Toen zei hij langzaam:
+
+--Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn
+plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen;
+en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal,
+als 't u niet te eenvoudig is.
+
+Toen volgde de prins den ouden man in het huisje.
+
+Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen
+Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den
+prins voorbij gingen.
+
+--Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl
+hij opstond.
+
+--Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan!
+
+--Waarheen?
+
+--Dat weet ik niet!
+
+--Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden
+man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor
+een vreemde in 't bosch!
+
+--Ik zal meegaan, kind.
+
+De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong,
+en de prins wendde bevend zijn oogen af.
+
+--Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer
+op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar
+buiten ziende.
+
+--Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit.
+
+--Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje
+aan zijn gloeiende lippen.
+
+Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in.
+
+
+
+
+
+Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet,
+wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere
+smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een
+droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met
+vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende
+takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen.
+
+--Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen,
+dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge
+wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel!
+
+--Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen
+hand geven?
+
+De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de
+smalle, fijne handen van den prins.
+
+--God zegen u! zei hij, en keerde zich om.
+
+De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen
+weg.
+
+De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met
+een ruk recht schoof. Daar op lachte hij:
+
+--Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou
+gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed,
+of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene!
+
+En hij ging snel een rechten weg naar huis.
+
+
+
+
+
+Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich
+heen, als iemand die ontwaakt.
+
+De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden
+om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde
+gedachten.
+
+Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen,
+bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter
+het grijze silhouet van de verre stad.
+
+--Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit
+zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen!
+
+Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had
+gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan.
+
+Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins,
+zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen.
+
+Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen
+lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn
+naderen.
+
+Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein
+bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in
+'t half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken.
+
+De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit,
+dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood.
+
+--God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast;
+maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken
+geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten
+niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt,
+maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet
+zooals ze schijnen.
+
+De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich,
+en vervolgde zijn tocht.
+
+Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte
+winkels als vriendelijke oogen blonken.
+
+Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode
+gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die
+hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan,
+en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder
+tikte.
+
+--Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen
+vreugde-belovend in de oogen van den prins.
+
+--Dat weet ik niet!
+
+--Ga met mij mee!
+
+--Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna.
+
+--Wat doe je hier! vroeg ze lief.
+
+--Ik zoek!...
+
+--Wat zoek je?
+
+--De Liefde!
+
+Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand
+omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken.
+
+--Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt!
+
+Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins,
+moe en eenzaam, vond dit prettig.
+
+--Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend.
+
+En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm,
+mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde.
+
+--Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend.
+
+--Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig.
+
+--Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om
+zijn hals en kuste hem.
+
+Zacht weerde hij haar af?
+
+--Is dit het hoogste geluk?
+
+--Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer.
+
+Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze
+kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen
+wist hij niets meer.
+
+
+
+
+
+Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht
+vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze
+gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar
+was gekomen.
+
+--Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien.
+
+--Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins
+aan de gekregen zwavelstokjes.
+
+Haastig ontstak hij er een.
+
+En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde
+gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen,
+en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde,
+en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep.
+
+Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten,
+en snelde heen.
+
+
+
+
+
+Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad
+door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel
+voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde;
+en een groot verlangen welde in hem op.
+
+--Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit.
+
+Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had
+opgenomen in zijn groene armen.
+
+Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij
+den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar
+hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte
+duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag
+hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje,
+waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij
+zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag
+den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was.
+
+--Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop.
+
+En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen
+geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken
+waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit
+een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren
+naar het helder getril in 't groene loover.
+
+Zoo viel hij in slaap.
+
+Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm
+in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door
+het dichte kreupelhout, hopende aardbeziën te vinden; want hij begon
+honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon
+dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen.
+
+Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbeziën
+genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk
+gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een
+soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout
+verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den
+hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging.
+
+Eindelijk zag hij een geknakten tak.
+
+--Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond
+hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste
+blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's
+huisje moest voeren.
+
+Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje,
+en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten.
+
+Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels
+verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met
+kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van
+haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd,
+terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen....
+
+--Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En
+ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar
+opzag.
+
+--Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde
+zeker... want nu ben ik gelukkig!
+
+Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder
+lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar
+oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de
+droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed....
+
+Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd....
+
+De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware
+sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in.
+
+Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn
+hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op
+zijn knieën.
+
+Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de
+zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden
+zij zich op den jongen man.
+
+--Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge
+weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft
+u geleid?
+
+--Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het
+sterker was dan uw wil.
+
+--En wat zoekt het hier?
+
+--Liefde, oude man! En die heeft het gevonden!
+
+--Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart?
+
+--Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u
+verhalen, en oordeel dan.
+
+Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn
+vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning.
+
+--Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu?
+
+--Dat Elze mèt mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn
+vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw.
+
+Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang
+duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog.
+
+Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open.
+
+--Elze! riep hij naar buiten.
+
+Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje
+verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar
+aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en
+toen heen vloog.
+
+Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat
+van haar vader.
+
+--Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand
+op haar blond hoofd lei.
+
+--Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je
+zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig.
+
+--Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den
+ouden man uit.
+
+--Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem.
+
+Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader
+met kussen. Ze antwoordde niet.
+
+--Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar
+de deur.
+
+Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje
+tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend:
+
+--Blijf bij ons....
+
+--Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen.
+
+--Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig
+hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht.
+
+--Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat
+kan ik niet!
+
+En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op.
+
+--Zal de koning haar erkennen als uw vrouw?
+
+--Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets
+geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen,
+als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn
+vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk
+dat alleen in Liefde is!
+
+--Elze wil wèl uw vrouw zijn ... maar géén koningin, zei het meisje
+zacht.
+
+--Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn
+kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u,
+en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik
+met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven.
+
+Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn
+handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen.
+
+--God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen.
+
+
+
+
+
+Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van
+zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur,
+en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet
+zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want
+dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar
+lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart,
+toen hij haar in zijn armen drukte.
+
+--We zullen gaan vóór de zon te veel warmte geeft, zei de oude man.
+
+De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen
+meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op.
+
+--Misschien geeft één jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn
+kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot
+haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een
+goed mensch.
+
+Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte.
+
+Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje.
+
+--Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd
+witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil!
+
+--Je bent zóó mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins.
+
+Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren
+er niet!
+
+--Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze.
+
+Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en
+haar vader.
+
+
+
+
+
+In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die
+zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog
+altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn.
+
+Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de
+half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig
+toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam....
+
+--Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel
+geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen.
+
+Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe
+en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn
+stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd.
+
+--Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde
+zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met
+nadenken.
+
+Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm,
+en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm,
+en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect
+gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd,
+neerkomt op het hoofd van den geweldenaar.
+
+Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van
+zichzelf....
+
+Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord:
+zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeën deelt,
+wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij
+zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte.
+
+Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit
+hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... héél lang vast....
+
+Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was
+blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in
+'t weifelend licht.
+
+Vóór zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand;
+maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning
+verwijderd neerknielen.
+
+Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze
+het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht....
+
+Toen zei de prins:
+
+--Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang
+zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in
+'t hart, wanneer ik háár niet gevonden had, en door háár: de Liefde,
+het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof
+met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet
+aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer
+ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als
+mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!...
+
+De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij
+dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij:
+
+--Men brenge licht!
+
+Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn
+over de geknielde gestalte uitgoot.
+
+Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid,
+die zacht stemde zijn goed, oud hart.
+
+--Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik
+wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij!
+
+Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo
+statig alsof ze een edelvrouwe was.
+
+Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond
+gehouden had, nader, en boog zich voor den koning.
+
+--Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende
+stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen
+of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de
+herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons.
+
+--Wie zijt ge? vroeg de koning norsch.
+
+--Elze's vader; en een mensch zooals gij!
+
+--Wie zeide u hier binnen te treden?
+
+--Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw
+dwaasheid!
+
+--Verklaar u nader!
+
+--Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met
+hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het
+geweest ze hem zóó volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag!
+
+--Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken
+als gij!
+
+--Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker
+te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten....
+
+Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen.
+
+--Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt!
+
+--Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind?
+
+Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand.
+
+--Ziehier! zei hij.
+
+--Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of
+reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een
+gunst van uwe zijde?
+
+--Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij
+ons toereikt als ons deel!
+
+--Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart
+moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt!
+
+--Dit is een beleediging! riep de koning uit.
+
+--Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw
+dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is!
+
+Nu lachte de koning, en zei:
+
+--Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft,
+zal zij een voortreffelijke koningin zijn.
+
+--Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn
+eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt,
+en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in
+u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch.
+
+Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen,
+terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok.
+
+
+
+
+
+Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal
+verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige
+geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst
+zag, onwillekeurig de handen vouwde.
+
+De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn
+vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest
+vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar
+de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had.
+
+Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een
+zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch
+de zon werend.... Haar vader had alle weldaden die de koning hem
+wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd,
+die hem liever was dan het leven onder de menschen.
+
+Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen
+houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op
+gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom.
+
+--Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte
+zij zich. En 't is waar dat vader dáár gelukkiger is dan hij hier
+zou zijn.... Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden
+missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond,
+dat hij weg kuste.
+
+Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen.
+
+--'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel
+zette! had hij gezegd.
+
+Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen,
+de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden
+haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van
+hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze
+verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid.
+
+--O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar
+strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zóó, dat de gouden kroon niet
+dof wordt bij dit glanzende goud.
+
+--Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank
+van uw huid, prinses! vleide een tweede.
+
+--Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad,
+bij het stralen van uw oogen! zei een derde.
+
+Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes;
+maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig;
+en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug,
+zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had,
+en zich achteraf hield.
+
+--Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende
+juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten.
+
+Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig
+aanziende.
+
+Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep
+en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig,
+maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's
+ongepaste handelwijze:
+
+--Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te
+zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet
+zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten.
+
+De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde
+zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten
+verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning,
+die haar op het voorhoofd kuste, zeggende:
+
+--Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze
+antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch:
+
+--Als het dan maar vorstin over uw aller harten is.... Anders begeer
+ik niets.
+
+--Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins,
+haar vol ernstige liefde aanziende.
+
+--Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje
+kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar
+het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt.
+
+De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar
+vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder
+hun minzame lachjes en lieve manieren.
+
+Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende
+dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar,
+als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart
+wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd.
+
+Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar
+hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt...?
+
+De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk,
+of er van binnen een lichtje in brandde.
+
+
+
+
+
+In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed
+voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde,
+of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje,
+door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de
+straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de
+lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje,
+dat ze zelf mende, in moest houden, om hen één voor één te kussen. Ze
+bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want
+iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende
+daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden.
+
+Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon;
+en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte,
+met een vreemd lachje van steen.
+
+De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder
+verstand en goed hart te waardeeren.
+
+Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend
+leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als
+een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden
+zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet,
+en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar
+soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden
+droppel mee....
+
+--Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen
+schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze hééft nooit geleden.
+
+Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en
+de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden..................
+
+Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker,
+versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor
+Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij
+haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn
+gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en
+zachter voor haar was dan vroeger.
+
+Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht;
+maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder,
+zeggende:
+
+--Laat ik je niet vermoeien met zaken.
+
+Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang,
+tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde.
+
+--Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden,
+zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich
+oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong
+ben.... Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed,
+dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet
+erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles
+is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet
+rondwaart.... Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon
+van mijn vader moet ik doen.... Zie, dit doet me soms nadenken; en
+mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen.... Ze zouden je leed doen.
+
+Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder
+geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar
+ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was;
+omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden
+dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou.
+
+Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje
+in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op
+ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding
+van het volk eens goed waarnemen.
+
+Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve
+tot gerustheid dwingende.
+
+Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach
+groette.
+
+--De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als
+de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven,
+en bij de laatsten slapen ze nog.
+
+In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op
+den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide;
+zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen
+kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend:
+
+--Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond.
+
+Elze richtte zich hoog op.
+
+--Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie
+boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar
+ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen,
+die u nooit iets misdeed?
+
+Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm
+even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje,
+dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar
+paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een
+wilde zee van nijdige hoofden.
+
+Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk
+gerust.
+
+Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen,
+zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze
+naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar
+kleed en haren viel.
+
+Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden
+allen haar handen en kleederen kussen.
+
+Nu kwamen Elze de tranen in de oogen.
+
+--Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw
+kinderen, die me liefhebben!
+
+--Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje
+volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl
+de menigte zich verstrooide.
+
+--Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen,
+terwijl hij naar den grond zag.
+
+Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar
+hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar
+schuld verbitteren zou.
+
+Lang en ernstig dacht ze na.
+
+--Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond
+zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo
+heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar
+heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter,
+dan een heel leven vol verdrietelijkheden.
+
+--Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het
+vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar
+klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke
+duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar
+beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar
+wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen,
+dat ze hem alleen liet.
+
+Het zou haar óók hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet
+bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze
+hèm leed zou besparen.
+
+Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning,
+in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las.
+
+Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou,
+wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den
+tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen
+gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken;
+en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd
+zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en
+bij haar vader te brengen.
+
+Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet
+ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's
+Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en
+ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim
+haar stond te wachten.
+
+
+
+
+
+In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn
+diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en
+zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten,
+was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren.
+
+In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte
+hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom
+van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou,
+alsof een hemelziel zich op aarde uitzong.
+
+Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras
+witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De
+margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het
+licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de
+donker-groene boomen.
+
+De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend
+tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al
+zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn
+handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten
+tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in
+'t zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende
+aarde-sterretjes.
+
+Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de
+sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren
+die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze,
+alle!... alle!... en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes,
+die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden.
+
+Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag
+dáár omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht
+zilveren nachtegalen-lied.
+
+En het woud sliep, en droomde.
+
+En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn
+groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos;
+en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes
+snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk.
+
+Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in
+den ernst van zijn oogen.
+
+Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes
+bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht.
+
+Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet
+zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn
+hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve
+oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit.
+
+Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de
+Boschgeest dat het Elze was.
+
+Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de
+bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar
+op, vragende:
+
+--Elze, wat zoekt ge mij?
+
+--Het leed zendt me tot u om hulp en vrede.
+
+--Elze, is er geen ànder hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan
+niemand u helpen dan ik?
+
+--Menschen kùnnen niet troosten in leed!...
+
+--Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten?
+
+--Om de Liefde te volgen.
+
+--Kan die u niet troosten?
+
+--Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk
+is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk.
+
+--Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, méér lief dan de
+andere menschen: ik kende u, zooals gij mij ... wat kan ik voor u
+doen?... Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht,
+daar waar Liefde u leidde.
+
+--Ik kom u den dood vragen!
+
+Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende
+onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan
+zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde
+tegen zijn koel kleed, en zei:
+
+--Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der
+menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven
+gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde
+blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet
+leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister,
+en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik
+ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot
+voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van
+doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te
+doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen,
+ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling
+van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik
+ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood
+die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien
+dood niet geven; want gij zijt jong, en móógt niet sterven. Ook weet
+ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort
+in mijn rijk.
+
+--Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht
+de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want
+wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel.... Ik kom u
+vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik
+kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten
+laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer
+te ontwaken.
+
+Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te
+zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben
+aan degenen die ik liefheb ... om later weer terug te keeren tot het
+leven dat vrede was ... al was het geen gelùk.
+
+Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer.
+
+--Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en
+wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief ... dáárom wil ik
+u helpen.
+
+Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil
+vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge
+veilig zult zijn: bij uw vader.
+
+Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend
+kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar
+Elze toe.
+
+--Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles
+aan mij over.
+
+Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar
+schat door niemand opgemerkt het paleis binnen.
+
+
+
+
+
+Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield
+zich zóó ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd
+maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets
+van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter
+zij hun onkunde verborgen.
+
+Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een
+smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan
+de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in
+stelde, te hooren hoe haar toestand was.
+
+--Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden,
+schreien!... dacht ze bitter.
+
+Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van
+sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over
+haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen
+in haar handen, en zei ernstig:
+
+--Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning;
+maar voor ik misschien zóó ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin
+zouden worden aangezien, heb ik u één ding te vragen, dat ge mij niet
+weigeren zult, nietwaar?
+
+Snikkend viel de prins op de knieën en verborg zijn gelaat in de lange,
+blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede
+afhingen. Ook de koning wischte een traan weg.
+
+--Spreek, mijn kind! zei hij.
+
+--Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn
+vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven,
+begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn
+liefste herinneringen zijn daaraan verbonden.... Niet waar: gij zult
+doen wat ik u vraag?... Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden
+in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit
+paleis binnentrad.... Zweert ge me dit?
+
+--We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen
+inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult
+leven en gelukkig zijn.
+
+Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen:
+
+ De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,
+ De liefde brengt beide: geluk en leed.
+
+Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor
+'t eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor
+'t laatst.
+
+--Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten,
+en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn!
+
+De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning
+verwijderde zich met hem.
+
+Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze:
+
+--Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als
+ik u noodig heb.
+
+Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen
+ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins
+te verzekeren.
+
+De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in.
+
+Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een
+leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel
+te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen
+verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden
+koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn.
+
+
+
+
+
+Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over
+haar heengebogen.
+
+--Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw
+verstand. Ge doet een goede daad.
+
+--Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest
+kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde
+haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze,
+dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond
+dat naar de woning van haar vader voerde.
+
+Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog;
+en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen
+kuste ze hem op het voorhoofd.
+
+Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach:
+
+--Zoo, ben je daar al?... Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet
+wonen bij spreeuwen, uilen en valken.
+
+Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal
+was gekomen, zei ze:
+
+--Nu wil ik mijn haren afknippen.
+
+Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om
+haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud;
+en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist.
+
+--Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje
+verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer....
+
+Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende
+Christusbeeld aan den muur.
+
+--Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal
+je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren.
+
+Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook
+zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte
+maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest;
+en werkelijk leek het haar zoo.
+
+Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard
+aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde
+zóó, dat ze duizelde.
+
+--Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl
+hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast.
+
+De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat
+het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's
+vader zien.
+
+Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat
+het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk
+gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende
+flank, denkende: het paard herkent me; hij niet!
+
+--Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets
+te zeggen.
+
+--Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is ... antwoordde Elze met
+veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen.
+
+--Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken
+uitbarstend.
+
+--Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed
+te houden.
+
+--Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk
+langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier
+ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk
+eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg
+hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet
+hij niet denken!... Nu zal ik maar gaan!... Goeden dag!... Je zult
+de boodschap wel overbrengen, niet waar?
+
+--Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels
+over. Zonder haar aan te zien reed hij weg ... terwijl Elze op haar
+knieën zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten.
+
+Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten
+Christusbeeld neerknielde.
+
+--Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!...
+
+Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader
+thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd.
+
+
+
+
+
+Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren
+zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was
+nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen:
+een jongen en een meisje.
+
+--Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze
+bij zichzelve. Ik zal nu toch wel wáárlijk dood zijn!
+
+Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en
+ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken;
+maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep
+gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking."
+
+Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool
+van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant
+te lijken.
+
+Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning,
+waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar,
+wat ze wilde.
+
+--Den koning zien, zei ze.
+
+--Je bent moe!
+
+--Ja; ik kom van heel ver.
+
+Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos
+de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten.
+
+Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den
+koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee
+lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw;
+en de koning zag er tevreden en gelukkig uit.
+
+Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning
+had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar
+muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond,
+dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk
+juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig
+voorbij reed.
+
+--Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter.
+
+Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek
+waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen
+tranen meer had.
+
+Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen
+graf geschreid!
+
+Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden.
+
+Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden
+zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf.... Het is goed
+zoo.... Ik heb dit gewild.... Het was dus goed wat ik deed!
+
+
+
+
+
+Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen
+hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen.
+
+--Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen
+glans in de vriendelijke oogen.
+
+--Waarom vader?
+
+--Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven
+zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den
+koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst
+is!... Gij, Elze, zijt een heilige!
+
+--Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw.... Ik heb hem
+méér lief dan mezelve.... En nu is Elze tweemaal dood; want eerst
+heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven háár overwonnen.
+
+--Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen,
+van een die géén begeerte meer heeft.
+
+En zoo was het.
+
+
+
+
+
+DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE.
+
+In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een
+watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage
+eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende;
+en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen
+de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen,
+waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de
+onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de
+stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende.
+
+Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen
+ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden
+te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende
+uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals
+ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door
+hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen,
+daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht
+en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol,
+zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft
+naar hoogste kracht van uiting.
+
+Door het dal gleed een beekje.
+
+Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging.
+
+Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen
+hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak
+bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende.
+
+Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen
+brug over hem heen, het dal met den molen verbindende.
+
+Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen;
+en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad,
+dat wagens met zakken vol tarwe en maïs naar den molen leidde.
+
+Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels
+en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als
+de wind hen even streelde.
+
+Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje,
+groeiden sierlijke brandnetels.
+
+De menschen houden niet van de brandnetels, nu.
+
+Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten
+en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi.
+
+En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij,
+dat de menschen hen ook mooi zouden vinden.
+
+Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begééren wat ze mooi
+vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen
+ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die
+zich naar hen uitstrekt.
+
+Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit,
+en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde
+krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze
+wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft!
+
+De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus
+boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten:
+dat de brandnetels leelijk waren.
+
+De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de
+menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet
+kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten,
+tot de lieve God-zèlf hen plukt.
+
+Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug
+waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven
+enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare
+on-verwinbaarheid durvende.
+
+En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen,
+en het dal te verbinden met den watermolen.
+
+Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen
+had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden
+wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij
+'t werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere
+vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in
+'t water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun
+fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende
+als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop,
+deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in,
+en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken
+damp in het dal.
+
+De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want
+de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden
+menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen
+bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen,
+vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun
+graf: de zwijgende aarde.
+
+De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf,
+en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg
+hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan.
+
+Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich
+teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde
+krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels
+met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden
+helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze
+bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen.
+
+Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in
+'t midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen
+wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen
+wilden laten....
+
+Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker.
+
+Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken
+plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw
+leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon
+men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren.
+
+Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een
+watervalletje dichtbij gevende.
+
+Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende,
+dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet.
+
+Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet
+stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer
+insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende
+sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom.
+
+Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons óók niet aan
+den winter; net als jij!
+
+En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen,
+vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst,
+die geen macht over hem had.
+
+Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag
+sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht
+vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook,
+als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen.
+
+Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in
+den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken
+zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in
+winterslaap kwijnde.
+
+Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de
+bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal,
+langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat
+ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar
+menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan
+... mééstal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen
+woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het
+zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen.
+
+Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar
+gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het
+als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al dóór, al dóór, omdat
+het niet zwijgen kòn, van het beeld dat het opgenomen had in zijn
+rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed,
+moe van 't werk-doen.
+
+Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de
+weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals
+de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van
+hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind,
+en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote
+sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En
+haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water
+wevende molenrad.
+
+Vóór het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje
+wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was
+op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille,
+bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het
+had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met
+de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet
+vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende
+van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien
+tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve
+verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het
+meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het
+groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even
+bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met
+de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en
+gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan
+de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge,
+gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En
+de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen,
+die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het
+bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant,
+waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende.
+
+En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel
+bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde
+te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets
+mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht
+aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog
+hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag,
+stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde
+het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele
+brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde
+even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De
+blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras,
+hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van
+boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het
+kindje komen zou in het dal.
+
+Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs
+het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en
+onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond
+uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun
+rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het
+de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte,
+niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame
+bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de
+hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen,
+niet verder zeiden.
+
+Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als
+vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke,
+slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden
+het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; tè gevoelvol;
+tè angstig.
+
+Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de
+boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in
+vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager.
+
+Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind
+niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over
+'t zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen
+woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen
+dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht
+werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht,
+op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende,
+dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind
+zag het niet.
+
+En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de
+dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende.
+
+En traag gleed het beekje dan heen.
+
+Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het
+blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde
+verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen
+de oogen te raden....
+
+Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde
+kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde,
+weemoed die vèr weg zag, en wist van spoedig heengaan.
+
+Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd
+'t blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw,
+met donkere stralen.
+
+De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal
+geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zóó, dat het
+blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en
+"Moedertje ... moedertje!" snikte.
+
+Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje
+alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje
+niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer
+roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden.
+
+Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde
+rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes
+opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de
+wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes
+die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen àl dieper,
+àl dieper werden, en verhaaltjes vertelden.
+
+Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal,
+en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een
+zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, héél langzaam.... De
+witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat
+geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht
+was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En
+het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet,
+niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende.
+
+Lang duurde het, vóór het blonde meisje weer kwam bij het molenrad;
+en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals
+vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen
+nòg dieper, nòg donkerder waren geworden, en al maar vráágden, zonder
+te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen,
+en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer,
+die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen
+op het donkere kleedje lagen.
+
+Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar
+vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de
+witte man het roepen, en het ging.
+
+En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger,
+en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke,
+stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen
+den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertèlden.
+
+Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't
+voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer,
+en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar
+zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm.
+
+Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te
+worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de
+dennen, sloeg het boek open, en las.
+
+En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje
+gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen
+in 't leven.
+
+En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en
+op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat àl maar las, langzaam
+nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek
+met sprookjes.
+
+Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij
+gelezen had. Dan lag het boek op haar knieën, en volgden haar oogen
+het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en
+licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois
+en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen
+vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde
+ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht.
+
+Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf
+verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het
+beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het
+beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde
+voort, zóó mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg,
+en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes.
+
+Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken
+moesten worden opgeladen, of leeg gedragen.
+
+Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het
+dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar
+voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de
+blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend.
+
+De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons!
+
+De hooge dennen zongen: Bij ons!... en het blonde kind zag op naar de
+blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde.
+
+Dit had het beekje gedaan.
+
+Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels
+staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje
+hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de
+brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen;
+maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar
+sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden
+kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben
+wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven
+God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht
+verkorten, dat Hij wilde laten voortduren.
+
+De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm
+in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij
+'t molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek
+alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam
+luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel
+stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief,
+droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen,
+zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie,
+wondere dingen rond-dwaalden.
+
+Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog,
+zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den
+glooienden oever aan ... den prins ... uit haar sprookjesboek. Hij
+lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht;
+maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde
+meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees
+haar anders te zullen verjagen. Het was zóó iets wonderlijk liefs,
+dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren
+languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst
+dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe
+sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze
+blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje,
+dat hen meenam, het dal in.
+
+De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone,
+wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn
+armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen.
+
+Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige
+geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als
+iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende.
+
+Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het
+stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen,
+en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag.
+
+Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen,
+in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los,
+die nu tusschen hem en haar dicht sloeg.
+
+Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen.
+
+Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes,
+zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam
+afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek,
+doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast;
+en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins,
+die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog.
+
+En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden,
+en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was.
+
+--Wat lees je? vroeg eindelijk de prins.
+
+Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las,
+zijn oogen nu geheel openend:
+
+--Sprookjes?
+
+--Ja. Jij bent zeker een prins?
+
+Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins.
+
+--Ja; zei hij.
+
+Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen
+zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning
+over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord,
+dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hóóg houdende.
+
+--Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je
+al eens betooverd geweest?
+
+--Ja; zei de prins, en hij jokte niet.
+
+--Vertel eens!
+
+Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden
+oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het
+gezicht van den prins.
+
+Hij sloot weer de oogen.
+
+--Even denken, wat ik je vertellen zal.
+
+Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in
+'t gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen
+gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden
+tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem
+hield ze soms in ... dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende
+oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje,
+half open, luisterde mee.
+
+Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar
+oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden.
+
+Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend
+aanziende:
+
+--Je woont zeker in een kasteel?
+
+--Ja; zei de prins.
+
+Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht
+er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug
+neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen;
+want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren,
+binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag,
+trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde
+van schoonheid alleen.
+
+--Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind.
+
+--Misschien; later.... Woon jij hier?
+
+--In den molen?... Ja ... eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel:
+ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen
+mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik dènk altijd ergens anders.
+
+--Je woont hier toch niet alléén, wel?
+
+--Neen ... mijn vader nog.
+
+De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje
+weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in
+zich komen.
+
+--Ben je veel alleen?
+
+--Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de
+knechts ook.... En dan ... ze mógen me niet graag; ze noemen me
+prinsesje.... Ze denken dat ik trotsch ben ... maar, dàt is het niet!
+
+--Wie heeft je lezen geleerd?
+
+De mooie, heldere oogen zagen hem aan ... en in hun diepten smeekte
+het.
+
+De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden
+had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu
+een stroeve trek om haar mondje kwam.
+
+--Lees je veel? vroeg hij verder.
+
+--Neen, ik heb maar één boek. Dat is nog van háár, en ik ken het
+heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat
+denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel
+het beekje ook wel eens wat.
+
+--Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi!
+
+--Verhaaltjes zijn altijd mooi.... Heb je wel eens kabouters
+gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je
+kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de
+elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen
+in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met
+bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen;
+en ze zingen ... soms heel treurig ... meestal wel treurig ... maar
+dat is juist zoo mooi!... Wanneer neem je me mee naar je kasteel?
+
+--Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen.
+
+Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot
+een gelijke.
+
+--Waarom niet? vroeg ze.
+
+--Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug
+vinden.... Ik kan nu ook niet zoeken.
+
+--Waarom niet?
+
+--Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden.
+
+--Hier?
+
+--Neen, in 't dorp, achter de bosschen.
+
+Het kind dacht na.
+
+--Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze.
+
+--Neen.
+
+--Weet ik het dan alleen?
+
+--Velen gelooven het niet!
+
+--Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins!
+
+--Waarom?
+
+--Je hebt het gezicht van een prins!... Ben je erg ziek?
+
+--Ik weet het zelf niet. Misschien wel.
+
+--Zou het mogelijk zijn dat je dood ging?
+
+--Ik weet het niet.... Misschien wel.
+
+--Vóórdat je weer in je kasteel bent?
+
+--Misschien wel!
+
+Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind:
+angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige
+blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met
+hoopvolle oogen:
+
+--Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er
+mij dan brengen?
+
+--Ja: dàt zal ik!
+
+De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje
+gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die mìsschien
+sterven zou....
+
+En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken
+niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes,
+en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was
+zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder
+was dan tien.
+
+Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt
+kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn,
+en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom
+zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar
+schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje,
+met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk
+afstak bij het kinderlijke van haar manieren.
+
+Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den
+smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft,
+waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen.
+
+Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot
+den jongen man, die haar als een wonder aanzag.
+
+Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf
+af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals
+een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en
+drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat,
+hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of
+spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang...?
+
+Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen.
+
+--Als je naar den hemel gaat, vóórdat ik den sleutel van het kasteel
+heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze.
+
+--En je vader dan?
+
+--Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!... En... er
+is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben.
+
+--Moeder zeker..., zei de jonge man zacht.
+
+Het kind knikte.
+
+--Nu moet ik weg!--een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je
+gaat zeker ook heen straks.
+
+--Ja, straks.
+
+--Zal je weer komen?
+
+--Ja, ik zal komen... als ik kan.
+
+--Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet
+deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze
+niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi?
+
+--Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn... en... wij
+zijn toch ook menschen?
+
+--Neen, dat geloof ik niet!
+
+--Wat zijn wij dan?
+
+--Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook
+wel, en jou ook... dan geloof ik niet dat jij een mensch bent!
+
+--Misschien niet!
+
+--Waarom zeg je altijd misschien?
+
+--Omdat ik zoo weinig weet.
+
+Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer
+het blonde hoofdje.
+
+--Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid!
+
+Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze
+tusschen de wilde rozen.
+
+En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het
+beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe.
+
+En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins,
+en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder
+wachtte.............
+
+Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende
+al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste,
+donkere dennen.
+
+Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte
+tusschen de rozenstruiken op den prins.
+
+De rozen, een beetje verrégend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen
+het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek.
+
+--Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt
+hij niet ... zei ze, zich vooroverbuigend om te zien.
+
+Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder,
+tot zij ze niet meer zien kon.
+
+--De prins komt niet ... zei ze, neerzittende onder de dennen, bij
+'t bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte.
+
+--De prins komt niet ... herhaalde het beekje en gleed heen.
+
+--De prins komt niet ... zongen de wilde rozen.
+
+En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien;
+en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, héél ver,
+zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het
+beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij
+'t rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek,
+zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en àl maar tuurde naar
+'t donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte,
+en àl maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met
+lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond.
+
+Den volgen dag kwam de prins.
+
+'t Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met
+een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met
+sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere
+zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden.
+
+Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek.
+
+Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende.
+
+Toen keek ze rond.
+
+--Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in.
+
+De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij
+den molen verlicht werd.
+
+--Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen.
+
+Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den
+oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst
+gezien hadden.
+
+--Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik.
+
+En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve
+van zijn moe gezicht heen.
+
+--Is 't héél mooi? vroeg hij.
+
+Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen.
+
+--Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht.
+
+De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de
+wilde rozen in 't donker van de dennen.
+
+Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende
+dit óók te doen. Zoo zaten ze stil bijeen.... En 't zwarte rad woelde
+donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier
+daalde over het dal en over den molen.
+
+De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water
+het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans
+over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag
+hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij háár aanzag.
+
+--Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende.
+
+Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder,
+en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen
+gedachten.
+
+De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden
+met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze
+hem haar grootste geluk mee deed genieten.
+
+Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen,
+en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote
+vraag-oogen recht in de zijne zagen.
+
+--Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn
+kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het
+kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen.... Begrijp je me?
+
+De ernstige oogen, droevig, zeiden ja....
+
+--En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan
+op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nóóit, klein
+prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij.... Misschien zullen
+wij er dan óók mooie boeken van maken.... Later ... want ik zal je
+niet vergeten!--Zul je het doen?
+
+--Ik zal het probeeren!... zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar
+keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals,
+en kuste hem.
+
+--En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer
+een brengen, zoolang ik kan ... zoolang ik kan.... Maar nu moet ik
+gaan. Dag prinsesje!
+
+--Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met
+een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij
+'t molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het
+beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het
+nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen.
+
+Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad;
+maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam
+ze niet meer; maar bleef in den molen.
+
+En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en
+zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind,
+dat maar niet kwam.
+
+En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te
+kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf
+gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs
+de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het
+stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde,
+van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar àl wegbleef.
+
+Toen, op een helderen najaarsdag, de wilde rozen droegen glanzend-roode
+bottels tusschen hun gelende bladeren, kwamen weer zwart gekleede
+mannen over het brugje; en toen ze heen gingen, droegen ze een zwarte
+kist. Het blonde kind, met de sprookjes-oogen ging naar moeder....
+
+De witte man die in den molen woonde, volgde hen: ouder en meer
+gebogen, dan toen hij eenmaal achter die andere kist ging; maar er
+even strak en stuursch uitziende. Toen hij over het brugje ging, keek
+hij even opzij naar 't zwarte rad, dat stil stond, klemde toen stijf
+de lippen opeen, en volgde de mannen, die de kist droegen, het dal in.
+
+En 't beekje huppelde angstig den somberen stoet na, vragende, niet
+begrijpende.... Het volgde de zwarte kist zoolang het kon, klagend
+vragende, tot in het dorp, waar het schreiend murmelde langs de huizen,
+niet begrijpende....
+
+De brandnetels bij 't verweerde brugje zagen de zwarte mannen na,
+en schudden langzaam hun nu bruin-groene krullokken. Ze wisten dat de
+lieve God hen weldra plukken zou, zooals hij het blonde mensch-bloempje
+geplukt had, dat beter thuis zou vinden in Zijn hemel dan op de aarde.
+
+Twee dagen later, het zwarte rad wentelde weer, werd er een nieuw
+sprookjesboek gebracht: voor 't kleine prinsesje, van den prins.
+
+De witte man, die 't boek aannam, opende het niet, maar lei het weg,
+bij nog andere boeken, en bij groote vellen wit papier, beschreven
+met een stijve kinderhand. Toen, niemand zag het, beefden zijn anders
+zoo rustige lippen, en een paar groote tranen werden weggeveegd met
+de bovenzij van zijn ruwe hand.
+
+Later schreef hij een moeilijk leesbaar briefje aan den prins, wiens
+adres in de boeken stond, omdat hij ze zelf gemaakt had.
+
+Toen de prins het wonderlijk briefje kreeg, luidende: "Mijnheer,
+stuur geen boeken meer. Het kind is gestorven. U is vriendelijk
+bedankt."--zat hij lang, recht voor zich uit te staren; en zei toen
+zacht voor zich heen:
+
+--Arm kind!... Arm prinsesje!
+
+Arm kind, arm prinsesje, dat de macht van het woord onbewust bezeten
+had, zooals hij het bewust bezat, en een streven naar schoonheid, even
+groot als hij. Arm prinsesje, geboren met hoog-vorstelijk bloed in de
+aderen, dat nu nooit koningin zou zijn, zooals hij koning was geworden.
+
+Lieve, reine herinnering, waar hij zooveel aan te danken had, en die
+als een schoon beeld voort zou leven in zijn werk en in zijn gedachten.
+
+Arm kind, arm prinsesje, gestorven ... dood ... weg ... in 't eeuwig,
+zwart geheim!............
+
+De zomer, die volgde op een langen winter, waarin de molen als dood
+in het dal had gelegen, zag weer het zwarte, bezige rad zilveren
+glans-waden weven, en kleurvonkende droppels spatten, naar de wilde
+rozen, die toezagen in roze verwondering, wijd open.
+
+Hij zag weer het beekje het dal inglijden, nadat het werk gedaan had
+bij den molen, waar het rad rond wond en woelde en zong en ruischte
+onder de donkere dennen; en hij hoorde het beekje vertellen, klagelijk
+murmelend: van het blonde meisje dat eenmaal woonde in den molen
+van het dal, waar de brandnetels groeien, totdat de lieve God-zélf
+ze plukt.
+
+
+
+
+
+
+
+Van Marie Metz-Koning verscheen bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum:
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. Vijfde druk. Teekeningen en band
+van S. Moulijn. Ing. f 0.90. Geb. f 1.30.
+
+HET BEELD OP DE ROTS. Tweede druk. Met 5 lithografieën en band van
+S. Moulijn. Ing. f 2.90. Geb. f 3.75. LUXE-UITGAVE. 50 genummerde
+exemplaren. De steenteekeningen (Epreuve d'Artiste) gedrukt op Japansch
+papier. Gebonden in perkamenten band f 10.-.
+
+GABRIËLLE, Omslag en bandversiering van J. Toorop. Vierde druk. Ing.
+f 1.50. Geb. f 2.25. Gewoon geb. f 1.90.
+
+GABRIËLLE. Tweede Boek. Bandversiering van J. Toorop. Tweede
+druk. Ing. f 1.90. Geb. f 2.65. Gewoon geb. f 2.30.
+
+DOMINEE GEESTON. Omslag en bandversiering van Herman
+Teirlinck. Ingenaaid f 3.50. Gebonden f 4.25.
+
+VERZEN 1e (2e druk) en 2e bundel. Met portret. Gedrukt op geschept
+Hollandsch papier. Ingenaaid f 1.75. Gebonden f 2.50.
+
+NACHT-SILENE. Illustratiën en band van S. Moulijn. Tweede
+druk. Ingenaaid f 2.90. Gebonden f 3.90.
+
+VAN EEN SCHOONEN DAG. Ing. f 2.90. Geb. f 3.90.
+
+INTERMEZZO. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25.
+
+PETERKE'S BEELDENSTORM en andere Dorpsgeschiedenissen. Ingenaaid
+f 2.50. Gebonden f 3.25.
+
+Een fraai uitgevoerd PORTRET in Heliogravure, gedrukt op geschept
+papier, is verkrijgbaar a f 1.-.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde
+by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926)
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE ***
+
+***** This file should be named 10334-8.txt or 10334-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/3/3/10334/
+
+Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.
+
+Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10334-8.zip b/old/10334-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..c26732e
--- /dev/null
+++ b/old/10334-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/10334.txt b/old/10334.txt
new file mode 100644
index 0000000..af3b117
--- /dev/null
+++ b/old/10334.txt
@@ -0,0 +1,5069 @@
+The Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde
+by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926)
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Van 't viooltje dat weten wilde
+
+Author: Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926)
+
+Release Date: November 29, 2003 [EBook #10334]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE ***
+
+
+
+
+Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.
+
+Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE
+
+DOOR MARIE METZ-KONING
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+Van 't Viooltje dat weten wilde
+De Tulp en de Madeliefjes
+Elze
+De Watermolen. Wat het Beekje vertelde
+
+
+
+
+
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE.
+
+In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein
+viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als
+denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid
+angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch.
+
+Hoog, recht, streefden de dennen er op uit de aarde. Hun kruinen
+reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige,
+eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de
+moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen
+ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is.
+
+Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer,
+glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw.
+
+Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van
+het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer
+licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje.
+
+Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het
+ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende
+van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche
+boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over
+het zandpad elkander raakten.
+
+Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag
+aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming
+wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle
+op gelijken afstand van elkaar.
+
+Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen,
+van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende
+boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek
+angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar
+heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het
+pijn wou doen.
+
+Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel,
+en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht!
+
+Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel
+eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't
+licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen,
+toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk
+daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind
+wat sterker werd.
+
+De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet
+zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar een kant op!... het
+fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode
+takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven
+haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen,
+weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer,
+zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze
+geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend!
+
+Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen,
+toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't
+verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog
+in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze
+er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar,
+zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren:
+de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en
+toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde,
+toen ze niet durfde luisteren: de melodieen die de dennen zongen in
+den nacht, en de melodieen die ze zongen in 't licht, telkens andere,
+en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen
+wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen,
+dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar,
+dik-zwart, een waren met den nacht.
+
+Dit alles boeide haar.
+
+Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen,
+ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap
+zonder droomen.
+
+Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen,
+nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar
+rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar
+aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in
+de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk
+voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het
+had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig
+air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was,
+scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen
+kant kon ze maar even zien.
+
+Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop,
+met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen
+onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van
+omhoog zitten, en wijs neerzien.
+
+Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje:
+
+--He, wat is dat?
+
+--Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap
+stoor! 't Was bij ongeluk!
+
+--Maar wie ben je?
+
+--Ik heet kikker!
+
+--Wat doe je hier?
+
+--Wel, springen, natuurlijk!
+
+--Waarom?
+
+--Waarom! waarom! omdat ik het doe!
+
+--Moet je het dan doen?
+
+--Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op
+dezelfde plaats blijven!
+
+--Waarom niet?
+
+'t Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan.
+
+--Hoor eens, zei deze, als je nu nog een keer "waarom" vraagt, ga ik
+heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen
+"waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me
+altijd erg uit mijn humeur brengt.
+
+--Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd
+zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan?
+
+--Op 't oogenblik van den straatweg.
+
+--Wat is dat?
+
+--Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal
+steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en
+hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over
+heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al.
+
+De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat
+zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde.
+
+--Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje.
+
+--Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien!
+
+--Wat zijn menschen?
+
+--Dieren, net als ik, maar veel, veel grooter. Zie je, jij bent een
+plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun
+twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen
+ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan.
+
+--Waarom doen ze zoo?
+
+--Wat heb ik je gezegd?
+
+--O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje
+nederig.
+
+--Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te
+leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel;
+dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij
+is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat
+zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De
+duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen
+elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel
+ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen;
+ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood?
+
+--Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje.
+
+Ze voelde zich heel wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en
+een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor
+dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet!
+
+--Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait
+en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig
+de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En
+evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuitie hun voorzegt,
+raadde ze goed.
+
+--Den wind meen je!
+
+--Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor
+het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets
+heel ergs. Misschien is dat de duivel wel!
+
+--Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last
+van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als
+je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er
+veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond;
+dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die
+raden elkaar ook altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg,
+hoe oud ben je?
+
+--Wat bedoel je daarmee?
+
+--Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan?
+
+--Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en
+daarna is 't nog eens weg geweest.
+
+--Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je
+nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm
+komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je
+zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de
+dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken
+worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het
+kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft,
+en of de aarde van binnen kermt!
+
+--Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me!
+
+--Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding
+als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken,
+bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder
+me over niets meer!
+
+--Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje.
+
+Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben.
+
+--Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een
+grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn
+erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt
+niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor
+ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk
+wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je
+niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten,
+dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets
+liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan
+hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe
+meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze
+nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met
+alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen
+dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk
+heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze
+praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen,
+net zoo min als "waarom" vragen. Een ding is zeker: als ze je eenmaal
+meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je
+niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat
+kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag
+toch heel wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms
+wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je
+staan kijken, of er heel wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik
+alleen van hooren zeggen. Vader zag zoo iets nooit!
+
+--Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker
+zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al
+begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten;
+beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van,
+als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg
+te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was
+'t gezellig, iemand zoo bij zich!
+
+--Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen.
+
+--Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er
+is zooveel, zie je!
+
+--Wat is dat! riep opeens het viooltje.
+
+Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het
+plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de
+denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was.
+
+--Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms
+'s nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten
+weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen.
+
+--Slapen die dan nooit?
+
+--Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt
+niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk
+je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze
+"duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed
+altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan
+vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen
+wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls:
+'t Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat
+ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal
+moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil,
+en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en
+moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze
+maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen;
+en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk.
+
+En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zelf eerst maken. Niets
+doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel
+vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn:
+zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen
+doen ze niets! Niet eens, hoe je je echt lekker voelt. Ik houd het
+er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat
+ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen
+van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal
+leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets
+weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch
+niet enkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al
+weer zijn, om maar veel te doen hebben.--
+
+--Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte
+pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte.
+
+--Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze:
+Man; die witte: Vrouw.
+
+Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit
+vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms
+een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt!
+
+Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker
+in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken
+opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even
+straalden en verdwenen.
+
+Zoo zag het viooltje.
+
+Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten,
+boven het hoofd van de Vrouw.
+
+Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte.
+
+De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op.
+
+De Man zag haar aan, en zei: "Ja."
+
+Toen weer stilte.
+
+Langzaam, heel langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten
+vast hield; en ze spraken niet.
+
+--Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen
+mooi vond.
+
+--Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten
+de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen
+ze. Stom! eenvoudig stom!
+
+Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne
+iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al
+maar zwijgend.
+
+Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen.
+
+--Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft
+je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn!
+
+Nu was de Man het dichtst bij het viooltje.
+
+Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen:
+"Ik heb je nog zooveel te zeggen!"....
+
+De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien,
+want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't
+lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien
+met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei:
+"Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo."....
+
+Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over
+hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan
+strak liggen op den grond.
+
+--Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te
+zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat
+doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar
+ben ik zeker van!
+
+--Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje
+rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd.
+
+--Vindt je dat dan zoo prettig?
+
+--Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik
+houd zoo van licht!
+
+--Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht
+hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en
+van 't alleen zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan?
+
+--Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze
+weer kwam!
+
+--Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht!
+
+--Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien
+hebben!
+
+--Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet
+kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde
+de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken,
+en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten.
+
+--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht
+'t viooltje.
+
+De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan
+het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes
+tegen hem op.
+
+--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van haar
+hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer.
+
+De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar.
+
+--Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje.
+
+--Naar niets!
+
+--Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem!
+
+--Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en daaraan
+denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is,
+omdat ze veel te doen hebben.
+
+--Hij zag het licht van haar stem!
+
+--Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets
+van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel
+verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net
+als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste
+avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet
+wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan
+doen. Allemaal gekheid... stomheid... Natuurlijk doen ze weer zoo,
+omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen:
+ik wil niets te doen hebben!
+
+--Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem!
+
+--Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven,
+en alles vertellen wat ze te zeggen hadden!
+
+--Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't
+mijne wezen!
+
+--Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in
+hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze
+een papier hebben waarop staat dat ze het moeten doen. Dan doen ze
+'t, al zouden ze veel liever niet bij elkaar blijven.
+
+--Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat
+iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen:
+je moet heel graag blijven of heengaan! Ik zou 't wat naar vinden,
+als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik moet bij
+je blijven.
+
+--Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze
+wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen
+ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de
+duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort.
+
+--Dan vind ik den duivel zoo erg niet!
+
+--Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge
+deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dom!!
+
+--Hoe kwam je vader bij de menschen?
+
+--Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot,
+dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land,
+naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen
+kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam
+hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half
+vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk
+ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken
+dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij
+de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij
+zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen
+de zon buiten zoo lekker scheen, dat vader boven op het laddertje
+geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zoo te
+verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat
+is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak,
+en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om
+zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen.
+
+De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich
+altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er
+geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al
+aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis
+woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt,
+en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje
+valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het
+menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We
+vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo
+mooi van zijn avonturen vertellen toen!
+
+Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet?
+
+--Blijf je hier? zei verheugd het viooltje.
+
+--Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen.
+
+--O, heel veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je
+bent zoo knap... Je weet zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden,
+als ik wakker werd, en je was er dan nog.
+
+--Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik
+overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei
+de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig
+neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren.
+
+--Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem!
+
+--Ik droom nooit.
+
+--Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen:
+"Wat is het mooi hier!"
+
+--Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij!
+
+--Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij,
+om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den
+kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit
+niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn.
+
+--Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde
+niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig
+lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in
+zijn kop.
+
+Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten
+of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem
+zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde
+houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap.
+
+Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze
+sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het
+geluk, niet meer alleen te zijn.
+
+En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen.
+
+En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen
+hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame,
+hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt
+het lichtende geluk in zich, overal.
+
+Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond,
+en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten
+naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe
+dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en
+wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde
+houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar
+zijn mooie, zachte, gemarmerde borst.
+
+Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje:
+
+--Ben je wakker?
+
+--Al lang! zei de kikker bedaard.
+
+--Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen!
+
+--Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen.
+
+--Wat is dat?
+
+--Waar ik zal gaan eten!
+
+--Wat is eten?
+
+--Dat moet je doen om te blijven leven.
+
+--Ik doe het toch nooit!...
+
+--Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet
+wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde,
+met je wortels die er in vastzitten!
+
+Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar
+gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat
+met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat
+de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe
+gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep
+nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was
+dat wonderlijk! Waarom zocht je boven de aarde, als je van de aarde
+leefde? Waarom?
+
+--Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van
+haar overdenken.
+
+--Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding
+bewarende.
+
+--O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan
+'t geen ik niet begrijp.
+
+--Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel
+eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit
+pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden!
+
+--Je komt toch weer terug?
+
+--Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan
+dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur.
+
+--Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan
+iets denk?
+
+--Praat er dan niet over.
+
+--Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar
+eten en kom gauw terug.
+
+De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van
+'t stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door,
+tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen.
+
+Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om
+heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte
+oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam
+van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar
+gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens.
+
+Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur
+dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen
+alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen,
+dat over haar heen hing als een dikke sluier.
+
+Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn
+gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer
+alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse,
+onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen
+denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen.
+
+--Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop.
+
+Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar
+die lieve stem-muziek.
+
+--Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij
+meenam, opdat ik haar altijd zou kunnen hooren!
+
+Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die
+zorgde dat ze leven kon. Wat dan?... Door een kleine opening in de
+dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den
+blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht,
+en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende.
+
+Maar het licht kuste haar, en zweeg.
+
+Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door,
+de stem van de Vrouw hoorde.
+
+--Haar stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren.
+
+Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast
+zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem
+hoorde; en teleurgesteld riep ze uit:
+
+--Het licht is uit haar stem!
+
+Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante
+niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man,
+maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en
+beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte.
+
+--Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het
+licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje.
+
+De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden,
+riep zoo hard ze kon:
+
+--Vrouw!... Vrouw!... Vrouw!
+
+De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte
+violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren,
+liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog,
+denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam
+door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras,
+en keek naar den grond.
+
+De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en
+luisterde....
+
+--Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje.
+
+Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet,
+hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze
+wijd, wijd open omhoog zagen....
+
+En ze zag een licht komen in haar oogen, en nog een licht en
+nog een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke
+wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag,
+kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende
+er in, en ging naar de Gedaante, zeggende:
+
+--Aardig, dat ruischen van die dennen!
+
+--'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig
+naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet
+sentimenteel zijn!
+
+Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur
+zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de
+morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen.
+
+--Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het
+zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't
+viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken.
+
+Juist kwam hij aanspringen.
+
+--'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer.
+
+--De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje.
+
+--Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man.
+
+--Zoo, was dat ook een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak
+veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem.
+
+--Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze
+nu wel.
+
+--Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar
+oogen, toen ik haar riep.
+
+--Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat
+is heel zeldzaam! En kwam ze bij je?
+
+--Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en
+luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen,
+en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet
+je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan,
+of bij me houden.
+
+--Dat waren tranen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tranen! Die
+kan je niet weervinden!
+
+--Tranen! Wat zijn dat?
+
+--Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van
+de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet
+weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels
+die neervallen.
+
+--Wat zijn dat?
+
+--Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel
+eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet
+zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei
+kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als
+je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de
+plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes.
+
+--Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde
+'t viooltje.
+
+--Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen?
+
+--Neen, wat is dat?
+
+--'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch
+wel lichtjes?
+
+--Ja!
+
+--Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er
+niets over van hun licht. Dat is dan ook weg!
+
+--Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet
+dat zoo zijn?
+
+--Begin je al weer met den duivel aan te roepen?
+
+--Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden
+op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten
+waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die
+mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de
+aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze
+aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet!
+
+--Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet.
+
+--Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen?
+
+--Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles
+heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever
+niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Laten ze het dan niet doen! Ik
+vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet
+met dingen die je niet aangaan!
+
+--Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik
+wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat
+ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet
+laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed?
+
+--Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat
+hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik!
+
+--Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi
+hier"; vindt die dat dan goed?
+
+--Die heeft natuurlijk ook veel te doen! Daar komt bij de menschen
+alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat
+anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding,
+nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden.
+
+--Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg
+is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde
+het viooltje weer.
+
+--Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! He,
+wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen!
+
+En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen.
+
+De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad,
+en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij.
+
+--Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon.
+
+De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel
+donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed
+weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen.
+
+--Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie
+eens! Zie eens!
+
+Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel
+donker. Hij zag recht voor zich uit en ging.
+
+--Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hoor
+toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht
+is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie,
+mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezien!... Ik heb
+het gezien!...
+
+De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn
+pas, en verdween.
+
+--Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur
+verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet
+eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel
+gauw dood. Hij dacht ook weer dat de dennen riepen; dat was je geluk,
+anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen!
+
+--Ik wou het!... Ik wou dat hij me mee genomen had; dan zou ik
+misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig
+maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hen, als ik dan maar eerst weet,
+wat zij weten!
+
+--Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel
+bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij
+meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet
+aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim,
+heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het
+nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit
+iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet!
+
+--Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och,
+wien zou ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet
+hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens
+luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders
+was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch
+nooit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet!
+
+--Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo
+dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er
+van, dan doen ze dat toch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond,
+vouwen hun voorpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden"
+zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op
+den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd
+heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't mag
+volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort;
+en vader werd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den
+gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders
+doen; want antwoord krijgen ze toch nooit.
+
+Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je
+meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden
+ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens mag.
+
+--O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vreeselijk
+treurig!... snikte 't viooltje.
+
+--Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat
+afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet.
+
+--Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil ook
+bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door
+"waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden.
+
+--Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist
+voorbij vloog.
+
+--Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het
+uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig,
+innig treurig.
+
+--Je bent sentimenteel! Dat is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen
+lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten
+van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar
+het beste, als ik je alleen liet.
+
+De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over
+het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad,
+waar het weiland was.
+
+Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die
+gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet
+mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond,
+zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante....
+
+Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze
+moest denken, en treurig zijn, als ze treurig moest zijn....
+
+--Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed
+met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is,
+als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik
+ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en
+springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben,
+en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt
+je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik
+alleen: dat ik nooit iets weten zal! nooit iets begrijpen kan!
+
+--Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is
+in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap
+te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan,
+op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou
+dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet!
+
+--Dat is 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders
+zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw,
+en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel,
+net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik
+kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is,
+en dat ik weten wil, waarom dat zoo is....
+
+--Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom;
+alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien
+kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger
+bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals
+ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat ook altijd
+tegen elkaar.
+
+--Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...!
+
+--Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu
+ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft,
+geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen
+en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de
+storm komt en ik ben er niet meer?
+
+--Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zoo
+erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot
+hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren
+om antwoord.
+
+--Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van
+alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt toch nooit!... Nu,
+ik ga dan maar! Goeden dag!
+
+De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed
+en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets
+hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem
+opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van
+'t praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen,
+moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen.
+
+Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet
+het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx
+te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel
+succes had.
+
+--Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank
+je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood
+ben misschien. Ik kan toch niet leeren, om net als de menschen,
+te praten over wat ik niet denk, en te zwijgen over wat ik wel
+denk!... Vaarwel!--
+
+En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist,
+dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer
+alleen te zijn.
+
+Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude
+kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar
+vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer
+gedaan hebben om hem, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud
+om aan te raken!
+
+--Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele,
+geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje
+ziende.
+
+'t Viooltje was sentimenteel; en dat was vervelend. Hij kroop
+langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind
+van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen
+hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland,
+waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en
+paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot
+genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van
+de menschen, waar hij zooveel van wist.
+
+"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben,
+'t Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende.
+
+.........
+
+Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige
+omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen,
+en vroeg "waarom?"
+
+En haar stemmetje ging weg in het ruischen van de altijd-groene,
+statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur.
+
+Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de
+dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?"
+
+En haar licht stemmetje steeg in het zwijgende licht, dat het wegdroeg
+... zonder antwoord te geven.
+
+Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?"
+
+En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg.
+
+Zoo gingen lange, lange uren voorbij.
+
+Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne
+blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten.
+
+Ze werd heel stil.
+
+Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer.
+
+Ze kwam zacht, alleen, over 't mulle pad.
+
+Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen.
+
+--Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde.
+
+De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief
+de gevouwen handen op.
+
+Toen gebeurde het.
+
+Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar
+hoofd lei ze op haar gevouwen handen.
+
+En haar stem, nu heel donker, kwam in het donker heel zacht tot
+het viooltje:
+
+--Waarom?... O mijn God! waarom?... snikte ze.
+
+--Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na:
+
+--Waarom?... O mijn God! waarom?
+
+En wachtte.........
+
+En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken.........
+
+En ze wachtte.........
+
+Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den
+hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het
+uitstraalde.
+
+En wijd ... wijd ... heel wijd...! zwijgend en rustig, als een
+gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze
+te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen,
+ver boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister
+leed, op de zwarte zwijgende aarde.
+
+En het wetende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende
+Vrouw, en op 't viooltje, en zweeg ... als alles.
+
+Toen zag het viooltje dat het waar was, dat er geen antwoord is....
+
+Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde haar van het
+voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden
+nu, zonder licht er in.
+
+--Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien
+op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, altijd!
+
+De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging.
+
+--Dat was het eenige Licht ... zei ze....
+
+En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna
+tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat
+kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte
+vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo.
+
+Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het
+zag... En heel stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode
+bloempje ... om het te zien....
+
+Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve
+klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ...
+
+En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde,
+en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen
+... wist niemand waarheen die te zamen gingen.
+
+--Naar het Licht ... dacht de Vrouw.
+
+Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen,
+en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone
+schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar
+ze vallen.
+
+Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de
+menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het
+smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde
+doet geboren worden.
+
+Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op
+aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle
+schoonheidzoekende zielen eenmaal, om daar te sterven. Want het leven,
+zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid,
+alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers,
+die niet loslaten.
+
+Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag.
+
+..................
+
+En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde
+hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest.
+
+Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan
+had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong
+verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij
+wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap
+lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal
+geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze
+altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze
+wel wilden doen.
+
+En hij lachte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs
+sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzelf.
+
+En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde
+niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen.
+
+En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als
+remedie tegen nadenken, dat onrust brengt:
+
+"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de
+Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er
+uit de verte mee."
+
+Zijn vader had altijd gezegd:
+
+In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die
+drie samen zijn de "duivel".
+
+Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de
+menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte
+dus de verwarde theorieen van zijn vader na, die ze van de menschen
+nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken,
+dat onrust brengt.
+
+Toch was het nog niet zoo heel dom. De theorie was wel wijs; maar
+ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die heel deftige
+dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten.
+
+Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar
+"iets heel ergs" van.
+
+En het niet-zoeken noemden ze "God".
+
+Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en
+God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin.
+
+Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht
+dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch weet ... en die hem
+soms zwijgend kust....
+
+Altijd zwijgend ... altijd zwijgend.
+
+
+
+
+DE TULP EN DE MADELIEFJES.
+
+Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel
+duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje.
+
+Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan
+kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine
+kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk
+schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over
+het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied;
+en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad
+spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd,
+heel wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den
+hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik,
+opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden
+de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets
+verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes,
+al hun gedachten, vriendelijke en booze.
+
+De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes,
+stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een heel groote Zon denkt
+over't doen van heel kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach.
+
+Die kleine madeliefjes!... ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op
+hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken,
+puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe
+klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij,
+de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel
+niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke
+nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend,
+omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest
+schijnen...
+
+Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.--Een
+paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets
+wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond
+komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende,
+dan een van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun
+stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar
+het wonderlijke ding. Zoo verdiept waren ze in de beschouwing er van,
+dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje
+over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering
+stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd,
+en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd.
+
+Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de
+dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden
+hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde
+beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig
+vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een
+wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar heel eventjes te kijken.
+
+'s Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet,
+en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:--Jammer! zoo'n
+jong madeliefje nog, erg treurig, vooral voor de familie!--over 't
+vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan
+een rood puntje vertoonde.
+
+--Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar
+zoo iets nog nooit!
+
+--Als dat een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte
+de ander. Ik ben erg benieuwd wat daarvan worden zal.
+
+--Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen,
+'t Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van,
+denkelijk.
+
+En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen
+ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap
+des rechtvaardigen.
+
+De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een
+tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur,
+ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar
+op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was,
+wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week
+gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt,
+om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt,
+door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar;
+en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten
+in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem,
+die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet;
+en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes.
+
+Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde
+ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte
+bij 't wakker worden.
+
+Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met
+spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel,
+waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen,
+gevouwen om te bidden.
+
+Het was nu zoo groot geworden, dat al de madeliefjes het haast
+konden zien.
+
+Dat gaf me een gebabbel!
+
+De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde
+zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn voor zich geschoven,
+waaronder de aarde geduldig wachtte.
+
+De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle
+genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen
+die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over
+dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot
+zich trok, en dat durfde!... durfde!... anders durfde te zijn dan zij.
+
+--Heb je ooit zoo iets gezien? klonk het vol ergernis.
+
+--Neen maar, hoe vin je 't? In 't rood!
+
+--Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in
+'t oog loopen.
+
+--En die rechte houding!
+
+--En die aanstellerige blaadjes!
+
+--Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen.
+
+Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar
+de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op-
+en aanmerkingen.
+
+De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het
+gefluister om haar heen!... Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit
+geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon
+mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig
+smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal
+dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een
+vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen
+geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel
+anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Haar.
+
+Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van
+verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen
+om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat
+ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel moest zijn. Ze kende
+zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan:
+hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met
+dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep
+ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes
+hard en slecht; en begreep dan ook weer niet: waarom die zoo lief en
+vriendelijk onder elkaar konden zijn.
+
+Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen
+tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te
+nemen, en niet verwaand te schijnen.
+
+Ze was toen heel eenzaam.
+
+De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun
+avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte
+rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij,
+en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen.
+
+De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die
+sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende
+bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde
+ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een
+zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen
+dankten!... dankten!...
+
+Zoo, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van
+de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten
+van hun avondgroet.
+
+Zoo viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan
+witte bloemen, levende in een donkere weide, heel hoog, en haar lief
+toelachende alsof ze hun zuster was.
+
+Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo
+erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer
+wat vreemds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard,
+en dacht aan de sterren.
+
+Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste
+topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zekerheid; en toen kwam het
+aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht
+... over alles heen!
+
+Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde
+jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor
+het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden
+bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende geheel,
+en het kussende met groote liefde....
+
+Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem
+straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans
+voor gloed weerom.
+
+Zoo bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even
+uitspreidende, opdat ze toch ook voelen zouden, heel voelen zouden:
+het Licht! de Zon!
+
+Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mocht: of ze zoo meer plaats
+innam dan anderen! Ze moest het doen!
+
+Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes
+uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende,
+zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde
+teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze
+allen te zamen het Licht zochten, en door een Zon gekust werden.
+
+'s Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer
+'t babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den
+grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep
+wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden
+opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden;
+maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van
+balsemende Zonvreugde.
+
+De madeliefjes fluisterden:
+
+--Heb je 't gezien?
+
+--Ja; ze doet ook haar bladen open voor de Zon!
+
+--Wat doet die roode kleur zeer aan je oogen!
+
+--Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien,
+dat ze ons gouden hart mist!
+
+--Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien!
+
+--Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen!
+
+--Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen!
+
+--Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes.
+
+--Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan
+'t uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden
+hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen
+naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon
+zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je
+maar niet daaraan.
+
+Hoog op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, heel stil,
+in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de
+sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht
+weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open
+kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen,
+een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren.
+
+De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen,
+en de tulp droeg het hoog, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles
+weet, wist het. Maar hoe groot haar leed voor de kleine tulp was,
+kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen....
+
+En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht,
+en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd
+stond de eenzame bloem daar.
+
+Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar.
+
+Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch
+eigenlijk geen kwaad deed!
+
+Dat waren de liefsten...
+
+Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering.
+
+Dat waren de besten....
+
+Dan waren er ook, die haar verdedigden, zoo dat zij 't niet hooren kon.
+
+Dat waren de moedigsten....
+
+En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun
+halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen
+verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden.
+
+De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch
+met de zekerheid van niet begrepen te kunnen worden.
+
+De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch
+wantrouwend.
+
+--Ze meent niets van al haar liefheid!
+
+--Deed ze maar wat gewoner, net als wij!
+
+--Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je
+zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons mee-deed!
+
+De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken;
+en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel
+dik, was haar stengel bros en teer.
+
+--Laat me maar!... antwoordde ze vriendelijk.
+
+Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig
+als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn
+stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken.
+
+Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die
+veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood
+kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat
+zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze
+staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende
+vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het
+schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen.
+
+..................
+
+'t Werd Zomer.--Toen stierven, op een heerlijken, lichten zon-dag,
+al de witte madeliefjes.
+
+Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze
+stonden.
+
+Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes
+lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de
+Zon gewend.
+
+De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland,
+brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas,
+die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was.
+
+Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die
+haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde,
+roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos
+in groezelig water, wijd open, moe....
+
+Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af.
+
+Ze was gestorven.... Haar gouden hart bleef alleen over.
+
+Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit
+'t fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele
+muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden,
+daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee
+... omhoog ... naar den bloemen-hemel..................
+
+De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Een van de kinderen
+uit 't arme gezin nam ze een voor een in de hand, ze streelende en
+mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte
+hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der
+blaadjes, het zwarte kruis.
+
+--Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike....
+
+Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend,
+zei vluchtig:
+
+--Ja jonkske; net een kruiske.... Zoo zie je: dien bloem het ook al
+zijn kruiske te dragen gehad!...
+
+En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed,
+dien ze zelf nauw wist.
+
+..................
+
+Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd
+hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven
+aanwijzende.
+
+De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu
+verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats
+zou aanwijzen.
+
+In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten.
+
+Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was:
+bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun
+onbekend was.
+
+Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun
+starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde
+vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen
+elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die
+alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes,
+met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende
+geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille
+reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog
+zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te
+ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken
+van verstandhouding met hen wisselden.
+
+Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die
+vreemde bloemen!
+
+Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een
+deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!... boog,
+en trad terzijde.
+
+Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare
+rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele,
+paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het geheel lijkende een
+vlammend veld... Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende
+schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar
+de vreemde bloemen...
+
+Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen
+zijn buurtje.
+
+--'t Was dus een tulp, dat vreemde ding!
+
+--Zou zij er ook bij zijn?
+
+--Ze was kleiner dan een van dezen!
+
+--Zie je haar soms?
+
+En ze rekten hun tengere halsjes, en keken en keken, en na lang
+turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij"
+er was... "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks
+durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar
+geeerd gezelschap. Maar ze had weer geknikt, en weer, als een goede
+bekende... Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend
+aan een vreemd, zwart aartje, op haar rood kleed.
+
+Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze
+was niet eens groot; veel kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal
+achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar
+nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen....
+
+Een voor een traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen
+richtte.
+
+Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche
+houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed
+de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het,
+dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad.
+
+Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en
+fluisterde:
+
+--Zie je wel! Ik kon niet anders. Ik was een tulp: een ander soort
+bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet!
+
+Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen
+was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte
+kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had ... hoog
+boven hen uit!..................
+
+Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar
+miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden
+rood van schaamte.
+
+Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden;
+dat zij hen zou aanklagen!
+
+Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan
+de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo
+vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden,
+omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden
+omhoog te zien, en niet om zich heen ... dat ze haar goed hadden
+gedaan en geen kwaad ... dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan
+tusschen hen ... dat ze wel eenzaam was geweest ... maar dat de Zon
+haar had getroost ... en de sterren!
+
+Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal
+het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en
+mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel.
+
+Ze mocht heel dicht, heel dicht bij de Zon blijven: bij het Licht
+dat haar troost was geweest in haar leven.
+
+De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten,
+en de moedigsten, juichten:
+
+--Ik wist het wel!
+
+En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp:
+hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar....
+
+En de Zon zag de madeliefjes aan.... Ze zag hun blaadjes rood van
+schaamte.
+
+Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon,
+die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu
+ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok
+even haar stralen in ... want ... de Zon moest schreien... En boos,
+heel boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al
+de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel
+boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in
+'t klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig
+opkeken naar Haar.
+
+Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen
+hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf
+als een gedachtenis.
+
+En zoo is het gebleven tot op dezen dag.
+
+
+
+
+ELZE
+
+Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat
+hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan
+de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo
+liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig
+zou kunnen maken.
+
+Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals
+de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die
+gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte
+van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem,
+dat zij hem boven alles bezig hield.
+
+Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en
+ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs
+trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde
+hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede,
+met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde
+maken, zonder dat hij wist hoe.
+
+Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken
+verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieen.
+
+Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen,
+die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken
+veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde
+de koning toe.
+
+--Geluk is rijkdom, zei de een.
+
+Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af.
+
+--Geluk is weten, leeraarde een tweede.
+
+Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de
+geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond.
+
+--Geluk is gezondheid, meende een ander.
+
+Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren,
+die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net,
+deed hem zwijgen.
+
+--Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette
+een heel diepzinnig gezicht.
+
+Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen
+duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een
+ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon!
+
+Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de
+rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor
+en, op de vraag die hem geen rust liet.
+
+--Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag,
+zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't
+sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken,
+totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge
+dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die
+niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel,
+en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen
+bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid!
+
+Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder
+naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim
+beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden!
+
+Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem
+vriendelijk opnam.
+
+Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der
+wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning
+genaderd, boog hij zich, en zei:
+
+--O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit
+omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij
+geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van
+het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij
+nog even wijs zijn gebleven als een voor ons, is dit niet onze schuld.
+
+Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor
+oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer:
+vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die
+vraag te geven is.
+
+De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik
+u geven kan.
+
+Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart,
+en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons,
+en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten
+van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af,
+is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde
+geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij
+heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten
+doen ontbranden in rustige harten.
+
+Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij,
+zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult
+trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en
+de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een
+mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin
+van vredig menschen-geluk.
+
+De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn
+gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem:
+
+--Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het
+al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga,
+dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult!
+
+De grijsaard boog en trad eerbiedig terug.
+
+--Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de
+koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Een onder u, heeft
+u allen gekroond met de lauweren van zijn geest.
+
+Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken.
+
+
+
+
+
+Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en
+stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen
+bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven
+verrichten bij den prins.
+
+--Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na
+een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon,
+den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw
+gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn
+geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde,
+en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in
+het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte,
+en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht,
+en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder
+bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens
+alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult
+hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere
+beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor
+hun schoonheid.
+
+Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken
+moogt, een woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn:
+het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht
+moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht,
+zijn gansche leven.
+
+Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins
+spreken zal, zoo, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook
+hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij
+er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de
+zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden.
+
+De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich,
+als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen
+ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende
+daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning
+te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind.
+
+
+
+
+
+Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den
+prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein,
+rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in
+haar hart. Daar zong het maar al door; doch zoo zacht, dat zij zelf
+het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang.
+
+De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij
+de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor
+zijn vader, den koning.
+
+Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest,
+liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende,
+zijn krans op den grond.
+
+Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij:
+
+--Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen?
+
+--Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra
+zij Uwe Hoogheid zagen!
+
+--Voedster, er is iets anders in uw lach! Zeg mij wat!... Zeg mij wat!
+
+Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar
+ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou.
+
+--Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij
+uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem
+de mooiste vinden kunt.
+
+--Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins,
+zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden
+... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na.
+
+--Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen
+... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de
+voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette
+vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden
+hebben..................
+
+
+
+
+
+Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot
+jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als
+pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat
+ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer
+goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn
+voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en
+liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in
+zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder
+leeg zou zijn gebleven.
+
+Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving
+waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit
+kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een
+reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen
+hadden zijn geest te ontwikkelen.
+
+Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig
+aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde
+te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor
+de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een
+hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg
+als de Liefde.
+
+Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij
+alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart
+niet overstemd werd door rumoer van buiten.
+
+--Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige
+oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte
+zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur
+aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten
+hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins!
+
+--Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar
+pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken
+vraag zweefde, voor zich heen staarde.
+
+--Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak,
+dingen die ik misschien gedroomd heb.
+
+--Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf
+op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong.
+
+De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover,
+wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met
+zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en
+toejuichen, hem, die eenmaal over hen zou heerschen.
+
+Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig
+land, gesloten worden.
+
+De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou
+aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht
+zich te onttrekken.
+
+Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid
+stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige
+omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek
+niet willende weigeren, had hierin toegestemd.
+
+Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun
+veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van
+zijn voedster-moeder, en klopte aan.
+
+Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen
+maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend
+op het oogenblik waarin ze den prins zou zien.
+
+--Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende;
+en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde
+blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in,
+waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas,
+van licht doortrokken, over de verre boomen hing.
+
+De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder
+als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig,
+fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte
+van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende:
+
+--Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen,
+dat u zeker niet verwonderen zal.
+
+De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de
+waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de
+eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb
+u dit willen vragen, vroeg, heel vroeg, als nog bijna geen schepsel zou
+waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons,
+het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen
+later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een
+kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien....
+
+Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken,
+toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste.
+
+Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had,
+en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik
+zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten
+zou als ik groot was.
+
+Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben
+opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist,
+en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik
+dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik,
+vertrouwende op uw belofte.
+
+Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk
+me aanziet als een man. Ik ben nu groot geworden, niet waar? Zie me
+nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb,
+en zeg me wat hij beduidt.
+
+De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel;
+en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had,
+zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen,
+evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te
+spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte.
+
+--Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die
+goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein,
+hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst,
+gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen
+ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep
+ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet;
+en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik
+mijner oogen naar zijn oorsprong....
+
+Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul
+haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis,
+zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij
+vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte....
+
+Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen
+in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich
+tot den prins, fluisterend:
+
+--Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze
+zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren
+en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van
+grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de
+Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben
+niet kunnen zwijgen. Ze hebben niet kunnen zwijgen, wat mijn hart
+dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij
+zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste
+geluk geeft: het eenige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun
+zekerheid, dat ook eenmaal voor u zou opgaan de goudene, gloeiende
+zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid
+zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat,
+geen indruk achterlatende.
+
+Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood
+vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en
+verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw.
+
+--Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat
+mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte
+aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad
+ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over
+de waarheid mijner oogen....
+
+De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit.
+
+--Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen
+niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank
+heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek
+in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit
+woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft
+willen verwijderen uit mijn leven....
+
+Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't
+ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet
+ken! Waar kan ik vinden, dat groote, eenige geluk, dat men mij heeft
+willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!...
+
+Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde
+geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben
+geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen,
+mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het
+heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld.
+
+En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende
+gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig
+leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld.
+
+Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit
+gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat
+plotseling zijn denken vervulde.
+
+Hij ging maar al door, al door, niet hoorende de jammer stem die hem
+riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde.
+
+De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar
+oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren.
+
+Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde,
+sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug,
+en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende,
+en ter aarde wachtende haar straf.
+
+
+
+
+
+
+De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om
+uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden
+gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners voor zich brengen,
+die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke
+straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid
+zou daarna hun loon zijn.
+
+Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad een van
+hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte.
+
+Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest
+van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en
+moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn
+houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch.
+
+Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige
+aandacht luisterde:
+
+--O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te
+dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid?
+
+--Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de
+koning met luid-klinkende stem.
+
+--Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn,
+dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig
+en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden,
+moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn
+leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van
+huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we
+kunnen uitdenken.
+
+En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn
+makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul
+van wilde dieren.
+
+Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze
+wenkbrauwen klommen zoo hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In
+het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet
+samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede
+als verdwenen.
+
+Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte,
+gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig
+werd gemaakt door roof en moord.
+
+De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in
+vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den
+koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde
+den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen,
+dat haar als een straf was voorgehouden.
+
+De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan
+de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege
+zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij
+schreide, na jaren van vrede.
+
+--Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen
+... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de
+oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk
+tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal
+hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het
+woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn
+gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan een hard woord van
+mij, aan een wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn
+hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden
+in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan
+tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij.
+
+Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis,
+zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister
+begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den
+armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om
+zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon.
+
+
+
+
+
+De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot
+bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar
+maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige
+vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de
+knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins,
+vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande
+in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde.
+
+--Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden:
+de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen.
+
+Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk
+waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde
+hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een
+vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef,
+kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te
+voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot.
+
+Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt
+om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard
+waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud,
+waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs
+bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen
+spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen
+van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg
+op den rug een half gevulden linnen zak.
+
+--Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch
+klonk, als harslucht uit dennen riekt.
+
+--Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig.
+
+--Al vroeg op 't pad! Zoek je iets?
+
+--Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde.
+
+--Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat
+je haar zoekt!
+
+--Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon
+haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij
+er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken.
+
+--Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in
+'t bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen.
+
+--Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een woord
+verdwaald!
+
+--Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond
+had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald
+bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin
+dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je
+met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, voor
+je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit;
+dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal
+je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbezien
+kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets,
+denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al
+mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op een na.
+
+--Dank je, zei de prins en ging verder.
+
+De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even
+na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs
+het pad.
+
+--Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig
+geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die
+geneeskrachtige kruiden zocht, voorgingen.
+
+De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek
+naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en
+den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige
+plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het
+kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt.
+
+Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van
+blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid,
+in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een
+wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het
+kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in
+het liedje dat ze zong:
+
+ De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,
+ De liefde geeft beide: geluk en ....
+
+Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins
+stond, dien ze door een kromming van het pad niet aan had zien komen.
+
+--Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig.
+
+--Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend!
+
+--Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij
+wonderlijk beefde.
+
+Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames
+gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong,
+lief meisje hem als een openbaring was.
+
+Weer lachte het meisje.
+
+--Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar!
+
+--Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het
+immers? Waarom zing je het anders?
+
+--Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan
+een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat
+mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong
+binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou
+dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze
+maar! Waar ga je heen?
+
+--Ik wil hier blijven!
+
+Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de
+ernstig-luisterende boom-stammen.
+
+--Hier? Nu, goed! Help me dan aardbezien plukken. Je bent zeker
+verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis
+nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis
+geweigerd.
+
+Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte
+kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet
+door wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen.
+
+De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand
+beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de
+zon kleine, verleidelijk geurende aardbezien rijp had gekust.
+
+Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren
+zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een
+weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe
+aardbezien groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had
+ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp
+een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even
+ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier
+helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar
+met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins
+en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde
+hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen
+in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een
+poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje,
+tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde.
+
+Eindelijk zei Elze:
+
+--Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange
+haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het
+kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje
+met rood-glimmende bezien heel voorzichtig droeg, haar langzaam
+volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos
+naast elkaar.
+
+--Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen
+hem drukte.
+
+--Omdat jij niets zegt!
+
+Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien
+heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten
+boom, een klein huisje met riet gedekt.
+
+--Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik.
+
+Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende
+bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die
+zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op
+haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden
+vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid
+rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit.
+
+Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op,
+toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met
+een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden.
+
+--Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben.
+
+Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige
+houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw
+waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten
+Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal
+hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode
+eikeblaren.
+
+Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje
+waren hare bewegingen.
+
+De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden
+zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na
+lang zwerven eindelijk thuis was.
+
+Toen Elze gereed was, zei ze:
+
+--Vreemdeling, eet en drink!
+
+Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger.
+
+--Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten
+op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu.
+
+Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte
+duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt
+te worden.
+
+Nog altijd zweeg de prins.
+
+--Maar zeg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk.
+
+--Ik moet zooveel denken!
+
+--Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!...
+
+--Woon je hier altijd?
+
+--Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren
+verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig
+hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet
+meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik
+vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader
+eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en....
+
+--Maar dat komt hem toch toe!
+
+--Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men
+vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan
+vragen?...
+
+--Maar het is toch zijn recht!
+
+Elze lachte.
+
+--Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen
+levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe,
+om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden!
+
+--De prins zal zeker helpen!
+
+--Is hij goed?
+
+--Dat weet hij zelf niet!
+
+--Maar jij? Hoe vindt jij hem?
+
+--Ik ken hem niet!
+
+Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen,
+opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat
+langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel
+zwaar naar voren.
+
+--Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang!
+
+Elze bloosde van genoegen.
+
+--Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik
+begrijp niet waarom....
+
+--Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken....
+
+Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei:
+
+--Och! waarom niet!
+
+Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn
+gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme
+blos zijn wangen kleurde.
+
+De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen,
+en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel
+onzichtbaar waren.
+
+--Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend,
+en vouwde nu stil haar handen.
+
+--Waarom?
+
+--Dat weet ik niet....
+
+Plotseling stond ze op en luisterde.
+
+--Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur
+open bleef.
+
+De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde,
+zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had
+gewezen.
+
+Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp
+de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide
+handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang
+en vast in de oogen.
+
+Toen zei hij langzaam:
+
+--Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn
+plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen;
+en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal,
+als 't u niet te eenvoudig is.
+
+Toen volgde de prins den ouden man in het huisje.
+
+Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen
+Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den
+prins voorbij gingen.
+
+--Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl
+hij opstond.
+
+--Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan!
+
+--Waarheen?
+
+--Dat weet ik niet!
+
+--Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden
+man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor
+een vreemde in 't bosch!
+
+--Ik zal meegaan, kind.
+
+De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong,
+en de prins wendde bevend zijn oogen af.
+
+--Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer
+op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar
+buiten ziende.
+
+--Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit.
+
+--Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje
+aan zijn gloeiende lippen.
+
+Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in.
+
+
+
+
+
+Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet,
+wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere
+smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een
+droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met
+vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende
+takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen.
+
+--Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen,
+dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge
+wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel!
+
+--Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen
+hand geven?
+
+De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de
+smalle, fijne handen van den prins.
+
+--God zegen u! zei hij, en keerde zich om.
+
+De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen
+weg.
+
+De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met
+een ruk recht schoof. Daar op lachte hij:
+
+--Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou
+gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed,
+of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene!
+
+En hij ging snel een rechten weg naar huis.
+
+
+
+
+
+Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich
+heen, als iemand die ontwaakt.
+
+De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden
+om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde
+gedachten.
+
+Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen,
+bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter
+het grijze silhouet van de verre stad.
+
+--Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit
+zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen!
+
+Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had
+gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan.
+
+Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins,
+zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen.
+
+Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen
+lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn
+naderen.
+
+Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein
+bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in
+'t half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken.
+
+De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit,
+dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood.
+
+--God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast;
+maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken
+geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten
+niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt,
+maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet
+zooals ze schijnen.
+
+De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich,
+en vervolgde zijn tocht.
+
+Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte
+winkels als vriendelijke oogen blonken.
+
+Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode
+gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die
+hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan,
+en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder
+tikte.
+
+--Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen
+vreugde-belovend in de oogen van den prins.
+
+--Dat weet ik niet!
+
+--Ga met mij mee!
+
+--Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna.
+
+--Wat doe je hier! vroeg ze lief.
+
+--Ik zoek!...
+
+--Wat zoek je?
+
+--De Liefde!
+
+Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand
+omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken.
+
+--Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt!
+
+Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins,
+moe en eenzaam, vond dit prettig.
+
+--Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend.
+
+En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm,
+mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde.
+
+--Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend.
+
+--Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig.
+
+--Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om
+zijn hals en kuste hem.
+
+Zacht weerde hij haar af?
+
+--Is dit het hoogste geluk?
+
+--Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer.
+
+Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze
+kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen
+wist hij niets meer.
+
+
+
+
+
+Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht
+vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze
+gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar
+was gekomen.
+
+--Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien.
+
+--Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins
+aan de gekregen zwavelstokjes.
+
+Haastig ontstak hij er een.
+
+En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde
+gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen,
+en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde,
+en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep.
+
+Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten,
+en snelde heen.
+
+
+
+
+
+Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad
+door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel
+voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde;
+en een groot verlangen welde in hem op.
+
+--Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit.
+
+Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had
+opgenomen in zijn groene armen.
+
+Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij
+den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar
+hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte
+duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag
+hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje,
+waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij
+zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag
+den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was.
+
+--Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop.
+
+En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen
+geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken
+waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit
+een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren
+naar het helder getril in 't groene loover.
+
+Zoo viel hij in slaap.
+
+Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm
+in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door
+het dichte kreupelhout, hopende aardbezien te vinden; want hij begon
+honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon
+dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen.
+
+Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbezien
+genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk
+gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een
+soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout
+verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den
+hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging.
+
+Eindelijk zag hij een geknakten tak.
+
+--Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond
+hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste
+blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's
+huisje moest voeren.
+
+Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje,
+en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten.
+
+Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels
+verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met
+kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van
+haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd,
+terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen....
+
+--Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En
+ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar
+opzag.
+
+--Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde
+zeker... want nu ben ik gelukkig!
+
+Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder
+lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar
+oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de
+droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed....
+
+Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd....
+
+De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware
+sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in.
+
+Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn
+hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op
+zijn knieen.
+
+Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de
+zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden
+zij zich op den jongen man.
+
+--Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge
+weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft
+u geleid?
+
+--Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het
+sterker was dan uw wil.
+
+--En wat zoekt het hier?
+
+--Liefde, oude man! En die heeft het gevonden!
+
+--Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart?
+
+--Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u
+verhalen, en oordeel dan.
+
+Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn
+vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning.
+
+--Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu?
+
+--Dat Elze met mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn
+vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw.
+
+Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang
+duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog.
+
+Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open.
+
+--Elze! riep hij naar buiten.
+
+Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje
+verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar
+aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en
+toen heen vloog.
+
+Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat
+van haar vader.
+
+--Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand
+op haar blond hoofd lei.
+
+--Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je
+zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig.
+
+--Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den
+ouden man uit.
+
+--Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem.
+
+Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader
+met kussen. Ze antwoordde niet.
+
+--Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar
+de deur.
+
+Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje
+tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend:
+
+--Blijf bij ons....
+
+--Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen.
+
+--Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig
+hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht.
+
+--Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat
+kan ik niet!
+
+En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op.
+
+--Zal de koning haar erkennen als uw vrouw?
+
+--Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets
+geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen,
+als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn
+vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk
+dat alleen in Liefde is!
+
+--Elze wil wel uw vrouw zijn ... maar geen koningin, zei het meisje
+zacht.
+
+--Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn
+kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u,
+en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik
+met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven.
+
+Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn
+handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen.
+
+--God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen.
+
+
+
+
+
+Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van
+zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur,
+en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet
+zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want
+dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar
+lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart,
+toen hij haar in zijn armen drukte.
+
+--We zullen gaan voor de zon te veel warmte geeft, zei de oude man.
+
+De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen
+meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op.
+
+--Misschien geeft een jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn
+kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot
+haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een
+goed mensch.
+
+Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte.
+
+Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje.
+
+--Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd
+witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil!
+
+--Je bent zoo mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins.
+
+Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren
+er niet!
+
+--Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze.
+
+Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en
+haar vader.
+
+
+
+
+
+In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die
+zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog
+altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn.
+
+Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de
+half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig
+toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam....
+
+--Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel
+geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen.
+
+Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe
+en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn
+stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd.
+
+--Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde
+zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met
+nadenken.
+
+Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm,
+en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm,
+en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect
+gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd,
+neerkomt op het hoofd van den geweldenaar.
+
+Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van
+zichzelf....
+
+Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord:
+zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeen deelt,
+wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij
+zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte.
+
+Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit
+hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... heel lang vast....
+
+Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was
+blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in
+'t weifelend licht.
+
+Voor zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand;
+maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning
+verwijderd neerknielen.
+
+Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze
+het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht....
+
+Toen zei de prins:
+
+--Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang
+zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in
+'t hart, wanneer ik haar niet gevonden had, en door haar: de Liefde,
+het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof
+met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet
+aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer
+ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als
+mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!...
+
+De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij
+dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij:
+
+--Men brenge licht!
+
+Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn
+over de geknielde gestalte uitgoot.
+
+Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid,
+die zacht stemde zijn goed, oud hart.
+
+--Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik
+wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij!
+
+Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo
+statig alsof ze een edelvrouwe was.
+
+Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond
+gehouden had, nader, en boog zich voor den koning.
+
+--Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende
+stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen
+of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de
+herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons.
+
+--Wie zijt ge? vroeg de koning norsch.
+
+--Elze's vader; en een mensch zooals gij!
+
+--Wie zeide u hier binnen te treden?
+
+--Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw
+dwaasheid!
+
+--Verklaar u nader!
+
+--Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met
+hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het
+geweest ze hem zoo volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag!
+
+--Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken
+als gij!
+
+--Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker
+te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten....
+
+Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen.
+
+--Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt!
+
+--Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind?
+
+Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand.
+
+--Ziehier! zei hij.
+
+--Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of
+reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een
+gunst van uwe zijde?
+
+--Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij
+ons toereikt als ons deel!
+
+--Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart
+moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt!
+
+--Dit is een beleediging! riep de koning uit.
+
+--Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw
+dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is!
+
+Nu lachte de koning, en zei:
+
+--Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft,
+zal zij een voortreffelijke koningin zijn.
+
+--Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn
+eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt,
+en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in
+u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch.
+
+Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen,
+terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok.
+
+
+
+
+
+Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal
+verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige
+geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst
+zag, onwillekeurig de handen vouwde.
+
+De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn
+vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest
+vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar
+de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had.
+
+Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een
+zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch
+de zon werend.... Haar vader had alle weldaden die de koning hem
+wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd,
+die hem liever was dan het leven onder de menschen.
+
+Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen
+houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op
+gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom.
+
+--Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte
+zij zich. En 't is waar dat vader daar gelukkiger is dan hij hier
+zou zijn.... Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden
+missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond,
+dat hij weg kuste.
+
+Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen.
+
+--'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel
+zette! had hij gezegd.
+
+Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen,
+de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden
+haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van
+hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze
+verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid.
+
+--O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar
+strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zoo, dat de gouden kroon niet
+dof wordt bij dit glanzende goud.
+
+--Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank
+van uw huid, prinses! vleide een tweede.
+
+--Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad,
+bij het stralen van uw oogen! zei een derde.
+
+Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes;
+maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig;
+en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug,
+zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had,
+en zich achteraf hield.
+
+--Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende
+juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten.
+
+Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig
+aanziende.
+
+Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep
+en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig,
+maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's
+ongepaste handelwijze:
+
+--Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te
+zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet
+zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten.
+
+De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde
+zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten
+verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning,
+die haar op het voorhoofd kuste, zeggende:
+
+--Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze
+antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch:
+
+--Als het dan maar vorstin over uw aller harten is.... Anders begeer
+ik niets.
+
+--Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins,
+haar vol ernstige liefde aanziende.
+
+--Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje
+kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar
+het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt.
+
+De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar
+vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder
+hun minzame lachjes en lieve manieren.
+
+Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende
+dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar,
+als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart
+wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd.
+
+Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar
+hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt...?
+
+De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk,
+of er van binnen een lichtje in brandde.
+
+
+
+
+
+In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed
+voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde,
+of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje,
+door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de
+straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de
+lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje,
+dat ze zelf mende, in moest houden, om hen een voor een te kussen. Ze
+bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want
+iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende
+daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden.
+
+Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon;
+en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte,
+met een vreemd lachje van steen.
+
+De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder
+verstand en goed hart te waardeeren.
+
+Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend
+leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als
+een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden
+zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet,
+en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar
+soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden
+droppel mee....
+
+--Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen
+schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze heeft nooit geleden.
+
+Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en
+de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden..................
+
+Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker,
+versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor
+Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij
+haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn
+gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en
+zachter voor haar was dan vroeger.
+
+Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht;
+maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder,
+zeggende:
+
+--Laat ik je niet vermoeien met zaken.
+
+Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang,
+tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde.
+
+--Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden,
+zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich
+oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong
+ben.... Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed,
+dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet
+erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles
+is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet
+rondwaart.... Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon
+van mijn vader moet ik doen.... Zie, dit doet me soms nadenken; en
+mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen.... Ze zouden je leed doen.
+
+Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder
+geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar
+ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was;
+omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden
+dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou.
+
+Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje
+in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op
+ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding
+van het volk eens goed waarnemen.
+
+Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve
+tot gerustheid dwingende.
+
+Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach
+groette.
+
+--De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als
+de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven,
+en bij de laatsten slapen ze nog.
+
+In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op
+den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide;
+zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen
+kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend:
+
+--Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond.
+
+Elze richtte zich hoog op.
+
+--Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie
+boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar
+ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen,
+die u nooit iets misdeed?
+
+Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm
+even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje,
+dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar
+paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een
+wilde zee van nijdige hoofden.
+
+Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk
+gerust.
+
+Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen,
+zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze
+naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar
+kleed en haren viel.
+
+Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden
+allen haar handen en kleederen kussen.
+
+Nu kwamen Elze de tranen in de oogen.
+
+--Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw
+kinderen, die me liefhebben!
+
+--Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje
+volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl
+de menigte zich verstrooide.
+
+--Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen,
+terwijl hij naar den grond zag.
+
+Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar
+hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar
+schuld verbitteren zou.
+
+Lang en ernstig dacht ze na.
+
+--Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond
+zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo
+heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar
+heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter,
+dan een heel leven vol verdrietelijkheden.
+
+--Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het
+vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar
+klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke
+duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar
+beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar
+wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen,
+dat ze hem alleen liet.
+
+Het zou haar ook hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet
+bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze
+hem leed zou besparen.
+
+Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning,
+in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las.
+
+Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou,
+wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den
+tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen
+gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken;
+en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd
+zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en
+bij haar vader te brengen.
+
+Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet
+ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's
+Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en
+ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim
+haar stond te wachten.
+
+
+
+
+
+In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn
+diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en
+zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten,
+was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren.
+
+In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte
+hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom
+van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou,
+alsof een hemelziel zich op aarde uitzong.
+
+Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras
+witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De
+margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het
+licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de
+donker-groene boomen.
+
+De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend
+tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al
+zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn
+handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten
+tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in
+'t zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende
+aarde-sterretjes.
+
+Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de
+sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren
+die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze,
+alle!... alle!... en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes,
+die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden.
+
+Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag
+daar omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht
+zilveren nachtegalen-lied.
+
+En het woud sliep, en droomde.
+
+En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn
+groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos;
+en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes
+snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk.
+
+Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in
+den ernst van zijn oogen.
+
+Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes
+bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht.
+
+Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet
+zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn
+hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve
+oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit.
+
+Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de
+Boschgeest dat het Elze was.
+
+Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de
+bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar
+op, vragende:
+
+--Elze, wat zoekt ge mij?
+
+--Het leed zendt me tot u om hulp en vrede.
+
+--Elze, is er geen ander hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan
+niemand u helpen dan ik?
+
+--Menschen kunnen niet troosten in leed!...
+
+--Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten?
+
+--Om de Liefde te volgen.
+
+--Kan die u niet troosten?
+
+--Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk
+is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk.
+
+--Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, meer lief dan de
+andere menschen: ik kende u, zooals gij mij ... wat kan ik voor u
+doen?... Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht,
+daar waar Liefde u leidde.
+
+--Ik kom u den dood vragen!
+
+Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende
+onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan
+zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde
+tegen zijn koel kleed, en zei:
+
+--Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der
+menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven
+gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde
+blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet
+leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister,
+en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik
+ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot
+voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van
+doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te
+doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen,
+ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling
+van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik
+ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood
+die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien
+dood niet geven; want gij zijt jong, en moogt niet sterven. Ook weet
+ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort
+in mijn rijk.
+
+--Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht
+de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want
+wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel.... Ik kom u
+vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik
+kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten
+laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer
+te ontwaken.
+
+Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te
+zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben
+aan degenen die ik liefheb ... om later weer terug te keeren tot het
+leven dat vrede was ... al was het geen geluk.
+
+Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer.
+
+--Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en
+wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief ... daarom wil ik
+u helpen.
+
+Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil
+vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge
+veilig zult zijn: bij uw vader.
+
+Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend
+kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar
+Elze toe.
+
+--Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles
+aan mij over.
+
+Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar
+schat door niemand opgemerkt het paleis binnen.
+
+
+
+
+
+Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield
+zich zoo ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd
+maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets
+van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter
+zij hun onkunde verborgen.
+
+Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een
+smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan
+de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in
+stelde, te hooren hoe haar toestand was.
+
+--Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden,
+schreien!... dacht ze bitter.
+
+Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van
+sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over
+haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen
+in haar handen, en zei ernstig:
+
+--Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning;
+maar voor ik misschien zoo ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin
+zouden worden aangezien, heb ik u een ding te vragen, dat ge mij niet
+weigeren zult, nietwaar?
+
+Snikkend viel de prins op de knieen en verborg zijn gelaat in de lange,
+blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede
+afhingen. Ook de koning wischte een traan weg.
+
+--Spreek, mijn kind! zei hij.
+
+--Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn
+vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven,
+begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn
+liefste herinneringen zijn daaraan verbonden.... Niet waar: gij zult
+doen wat ik u vraag?... Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden
+in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit
+paleis binnentrad.... Zweert ge me dit?
+
+--We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen
+inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult
+leven en gelukkig zijn.
+
+Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen:
+
+ De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,
+ De liefde brengt beide: geluk en leed.
+
+Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor
+'t eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor
+'t laatst.
+
+--Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten,
+en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn!
+
+De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning
+verwijderde zich met hem.
+
+Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze:
+
+--Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als
+ik u noodig heb.
+
+Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen
+ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins
+te verzekeren.
+
+De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in.
+
+Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een
+leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel
+te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen
+verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden
+koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn.
+
+
+
+
+
+Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over
+haar heengebogen.
+
+--Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw
+verstand. Ge doet een goede daad.
+
+--Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest
+kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde
+haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze,
+dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond
+dat naar de woning van haar vader voerde.
+
+Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog;
+en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen
+kuste ze hem op het voorhoofd.
+
+Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach:
+
+--Zoo, ben je daar al?... Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet
+wonen bij spreeuwen, uilen en valken.
+
+Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal
+was gekomen, zei ze:
+
+--Nu wil ik mijn haren afknippen.
+
+Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om
+haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud;
+en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist.
+
+--Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje
+verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer....
+
+Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende
+Christusbeeld aan den muur.
+
+--Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal
+je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren.
+
+Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook
+zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte
+maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest;
+en werkelijk leek het haar zoo.
+
+Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard
+aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde
+zoo, dat ze duizelde.
+
+--Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl
+hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast.
+
+De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat
+het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's
+vader zien.
+
+Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat
+het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk
+gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende
+flank, denkende: het paard herkent me; hij niet!
+
+--Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets
+te zeggen.
+
+--Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is ... antwoordde Elze met
+veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen.
+
+--Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken
+uitbarstend.
+
+--Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed
+te houden.
+
+--Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk
+langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier
+ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk
+eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg
+hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet
+hij niet denken!... Nu zal ik maar gaan!... Goeden dag!... Je zult
+de boodschap wel overbrengen, niet waar?
+
+--Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels
+over. Zonder haar aan te zien reed hij weg ... terwijl Elze op haar
+knieen zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten.
+
+Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten
+Christusbeeld neerknielde.
+
+--Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!...
+
+Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader
+thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd.
+
+
+
+
+
+Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren
+zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was
+nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen:
+een jongen en een meisje.
+
+--Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze
+bij zichzelve. Ik zal nu toch wel waarlijk dood zijn!
+
+Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en
+ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken;
+maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep
+gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking."
+
+Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool
+van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant
+te lijken.
+
+Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning,
+waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar,
+wat ze wilde.
+
+--Den koning zien, zei ze.
+
+--Je bent moe!
+
+--Ja; ik kom van heel ver.
+
+Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos
+de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten.
+
+Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den
+koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee
+lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw;
+en de koning zag er tevreden en gelukkig uit.
+
+Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning
+had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar
+muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond,
+dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk
+juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig
+voorbij reed.
+
+--Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter.
+
+Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek
+waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen
+tranen meer had.
+
+Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen
+graf geschreid!
+
+Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden.
+
+Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden
+zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf.... Het is goed
+zoo.... Ik heb dit gewild.... Het was dus goed wat ik deed!
+
+
+
+
+
+Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen
+hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen.
+
+--Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen
+glans in de vriendelijke oogen.
+
+--Waarom vader?
+
+--Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven
+zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den
+koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst
+is!... Gij, Elze, zijt een heilige!
+
+--Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw.... Ik heb hem
+meer lief dan mezelve.... En nu is Elze tweemaal dood; want eerst
+heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven haar overwonnen.
+
+--Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen,
+van een die geen begeerte meer heeft.
+
+En zoo was het.
+
+
+
+
+
+DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE.
+
+In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een
+watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage
+eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende;
+en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen
+de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen,
+waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de
+onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de
+stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende.
+
+Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen
+ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden
+te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende
+uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals
+ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door
+hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen,
+daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht
+en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol,
+zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft
+naar hoogste kracht van uiting.
+
+Door het dal gleed een beekje.
+
+Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging.
+
+Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen
+hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak
+bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende.
+
+Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen
+brug over hem heen, het dal met den molen verbindende.
+
+Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen;
+en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad,
+dat wagens met zakken vol tarwe en mais naar den molen leidde.
+
+Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels
+en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als
+de wind hen even streelde.
+
+Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje,
+groeiden sierlijke brandnetels.
+
+De menschen houden niet van de brandnetels, nu.
+
+Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten
+en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi.
+
+En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij,
+dat de menschen hen ook mooi zouden vinden.
+
+Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begeeren wat ze mooi
+vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen
+ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die
+zich naar hen uitstrekt.
+
+Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit,
+en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde
+krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze
+wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft!
+
+De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus
+boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten:
+dat de brandnetels leelijk waren.
+
+De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de
+menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet
+kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten,
+tot de lieve God-zelf hen plukt.
+
+Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug
+waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven
+enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare
+on-verwinbaarheid durvende.
+
+En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen,
+en het dal te verbinden met den watermolen.
+
+Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen
+had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden
+wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij
+'t werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere
+vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in
+'t water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun
+fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende
+als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop,
+deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in,
+en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken
+damp in het dal.
+
+De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want
+de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden
+menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen
+bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen,
+vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun
+graf: de zwijgende aarde.
+
+De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf,
+en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg
+hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan.
+
+Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich
+teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde
+krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels
+met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden
+helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze
+bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen.
+
+Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in
+'t midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen
+wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen
+wilden laten....
+
+Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker.
+
+Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken
+plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw
+leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon
+men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren.
+
+Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een
+watervalletje dichtbij gevende.
+
+Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende,
+dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet.
+
+Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet
+stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer
+insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende
+sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom.
+
+Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons ook niet aan
+den winter; net als jij!
+
+En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen,
+vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst,
+die geen macht over hem had.
+
+Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag
+sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht
+vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook,
+als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen.
+
+Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in
+den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken
+zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in
+winterslaap kwijnde.
+
+Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de
+bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal,
+langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat
+ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar
+menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan
+... meestal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen
+woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het
+zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen.
+
+Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar
+gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het
+als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al door, al door, omdat
+het niet zwijgen kon, van het beeld dat het opgenomen had in zijn
+rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed,
+moe van 't werk-doen.
+
+Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de
+weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals
+de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van
+hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind,
+en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote
+sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En
+haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water
+wevende molenrad.
+
+Voor het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje
+wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was
+op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille,
+bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het
+had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met
+de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet
+vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende
+van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien
+tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve
+verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het
+meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het
+groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even
+bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met
+de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en
+gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan
+de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge,
+gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En
+de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen,
+die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het
+bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant,
+waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende.
+
+En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel
+bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde
+te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets
+mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht
+aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog
+hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag,
+stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde
+het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele
+brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde
+even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De
+blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras,
+hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van
+boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het
+kindje komen zou in het dal.
+
+Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs
+het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en
+onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond
+uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun
+rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het
+de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte,
+niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame
+bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de
+hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen,
+niet verder zeiden.
+
+Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als
+vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke,
+slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden
+het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; te gevoelvol;
+te angstig.
+
+Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de
+boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in
+vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager.
+
+Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind
+niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over
+'t zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen
+woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen
+dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht
+werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht,
+op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende,
+dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind
+zag het niet.
+
+En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de
+dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende.
+
+En traag gleed het beekje dan heen.
+
+Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het
+blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde
+verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen
+de oogen te raden....
+
+Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde
+kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde,
+weemoed die ver weg zag, en wist van spoedig heengaan.
+
+Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd
+'t blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw,
+met donkere stralen.
+
+De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal
+geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zoo, dat het
+blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en
+"Moedertje ... moedertje!" snikte.
+
+Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje
+alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje
+niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer
+roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden.
+
+Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde
+rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes
+opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de
+wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes
+die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen al dieper,
+al dieper werden, en verhaaltjes vertelden.
+
+Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal,
+en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een
+zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, heel langzaam.... De
+witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat
+geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht
+was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En
+het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet,
+niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende.
+
+Lang duurde het, voor het blonde meisje weer kwam bij het molenrad;
+en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals
+vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen
+nog dieper, nog donkerder waren geworden, en al maar vraagden, zonder
+te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen,
+en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer,
+die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen
+op het donkere kleedje lagen.
+
+Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar
+vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de
+witte man het roepen, en het ging.
+
+En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger,
+en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke,
+stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen
+den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertelden.
+
+Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't
+voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer,
+en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar
+zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm.
+
+Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te
+worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de
+dennen, sloeg het boek open, en las.
+
+En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje
+gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen
+in 't leven.
+
+En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en
+op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat al maar las, langzaam
+nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek
+met sprookjes.
+
+Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij
+gelezen had. Dan lag het boek op haar knieen, en volgden haar oogen
+het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en
+licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois
+en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen
+vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde
+ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht.
+
+Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf
+verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het
+beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het
+beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde
+voort, zoo mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg,
+en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes.
+
+Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken
+moesten worden opgeladen, of leeg gedragen.
+
+Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het
+dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar
+voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de
+blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend.
+
+De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons!
+
+De hooge dennen zongen: Bij ons!... en het blonde kind zag op naar de
+blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde.
+
+Dit had het beekje gedaan.
+
+Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels
+staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje
+hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de
+brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen;
+maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar
+sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden
+kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben
+wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven
+God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht
+verkorten, dat Hij wilde laten voortduren.
+
+De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm
+in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij
+'t molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek
+alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam
+luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel
+stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief,
+droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen,
+zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie,
+wondere dingen rond-dwaalden.
+
+Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog,
+zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den
+glooienden oever aan ... den prins ... uit haar sprookjesboek. Hij
+lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht;
+maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde
+meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees
+haar anders te zullen verjagen. Het was zoo iets wonderlijk liefs,
+dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren
+languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst
+dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe
+sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze
+blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje,
+dat hen meenam, het dal in.
+
+De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone,
+wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn
+armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen.
+
+Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige
+geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als
+iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende.
+
+Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het
+stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen,
+en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag.
+
+Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen,
+in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los,
+die nu tusschen hem en haar dicht sloeg.
+
+Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen.
+
+Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes,
+zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam
+afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek,
+doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast;
+en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins,
+die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog.
+
+En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden,
+en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was.
+
+--Wat lees je? vroeg eindelijk de prins.
+
+Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las,
+zijn oogen nu geheel openend:
+
+--Sprookjes?
+
+--Ja. Jij bent zeker een prins?
+
+Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins.
+
+--Ja; zei hij.
+
+Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen
+zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning
+over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord,
+dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hoog houdende.
+
+--Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je
+al eens betooverd geweest?
+
+--Ja; zei de prins, en hij jokte niet.
+
+--Vertel eens!
+
+Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden
+oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het
+gezicht van den prins.
+
+Hij sloot weer de oogen.
+
+--Even denken, wat ik je vertellen zal.
+
+Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in
+'t gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen
+gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden
+tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem
+hield ze soms in ... dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende
+oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje,
+half open, luisterde mee.
+
+Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar
+oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden.
+
+Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend
+aanziende:
+
+--Je woont zeker in een kasteel?
+
+--Ja; zei de prins.
+
+Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht
+er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug
+neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen;
+want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren,
+binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag,
+trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde
+van schoonheid alleen.
+
+--Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind.
+
+--Misschien; later.... Woon jij hier?
+
+--In den molen?... Ja ... eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel:
+ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen
+mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik denk altijd ergens anders.
+
+--Je woont hier toch niet alleen, wel?
+
+--Neen ... mijn vader nog.
+
+De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje
+weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in
+zich komen.
+
+--Ben je veel alleen?
+
+--Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de
+knechts ook.... En dan ... ze mogen me niet graag; ze noemen me
+prinsesje.... Ze denken dat ik trotsch ben ... maar, dat is het niet!
+
+--Wie heeft je lezen geleerd?
+
+De mooie, heldere oogen zagen hem aan ... en in hun diepten smeekte
+het.
+
+De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden
+had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu
+een stroeve trek om haar mondje kwam.
+
+--Lees je veel? vroeg hij verder.
+
+--Neen, ik heb maar een boek. Dat is nog van haar, en ik ken het
+heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat
+denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel
+het beekje ook wel eens wat.
+
+--Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi!
+
+--Verhaaltjes zijn altijd mooi.... Heb je wel eens kabouters
+gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je
+kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de
+elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen
+in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met
+bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen;
+en ze zingen ... soms heel treurig ... meestal wel treurig ... maar
+dat is juist zoo mooi!... Wanneer neem je me mee naar je kasteel?
+
+--Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen.
+
+Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot
+een gelijke.
+
+--Waarom niet? vroeg ze.
+
+--Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug
+vinden.... Ik kan nu ook niet zoeken.
+
+--Waarom niet?
+
+--Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden.
+
+--Hier?
+
+--Neen, in 't dorp, achter de bosschen.
+
+Het kind dacht na.
+
+--Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze.
+
+--Neen.
+
+--Weet ik het dan alleen?
+
+--Velen gelooven het niet!
+
+--Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins!
+
+--Waarom?
+
+--Je hebt het gezicht van een prins!... Ben je erg ziek?
+
+--Ik weet het zelf niet. Misschien wel.
+
+--Zou het mogelijk zijn dat je dood ging?
+
+--Ik weet het niet.... Misschien wel.
+
+--Voordat je weer in je kasteel bent?
+
+--Misschien wel!
+
+Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind:
+angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige
+blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met
+hoopvolle oogen:
+
+--Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er
+mij dan brengen?
+
+--Ja: dat zal ik!
+
+De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje
+gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die misschien
+sterven zou....
+
+En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken
+niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes,
+en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was
+zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder
+was dan tien.
+
+Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt
+kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn,
+en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom
+zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar
+schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje,
+met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk
+afstak bij het kinderlijke van haar manieren.
+
+Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den
+smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft,
+waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen.
+
+Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot
+den jongen man, die haar als een wonder aanzag.
+
+Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf
+af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals
+een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en
+drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat,
+hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of
+spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang...?
+
+Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen.
+
+--Als je naar den hemel gaat, voordat ik den sleutel van het kasteel
+heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze.
+
+--En je vader dan?
+
+--Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!... En... er
+is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben.
+
+--Moeder zeker..., zei de jonge man zacht.
+
+Het kind knikte.
+
+--Nu moet ik weg!--een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je
+gaat zeker ook heen straks.
+
+--Ja, straks.
+
+--Zal je weer komen?
+
+--Ja, ik zal komen... als ik kan.
+
+--Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet
+deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze
+niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi?
+
+--Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn... en... wij
+zijn toch ook menschen?
+
+--Neen, dat geloof ik niet!
+
+--Wat zijn wij dan?
+
+--Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook
+wel, en jou ook... dan geloof ik niet dat jij een mensch bent!
+
+--Misschien niet!
+
+--Waarom zeg je altijd misschien?
+
+--Omdat ik zoo weinig weet.
+
+Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer
+het blonde hoofdje.
+
+--Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid!
+
+Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze
+tusschen de wilde rozen.
+
+En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het
+beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe.
+
+En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins,
+en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder
+wachtte.............
+
+Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende
+al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste,
+donkere dennen.
+
+Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte
+tusschen de rozenstruiken op den prins.
+
+De rozen, een beetje verregend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen
+het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek.
+
+--Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt
+hij niet ... zei ze, zich vooroverbuigend om te zien.
+
+Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder,
+tot zij ze niet meer zien kon.
+
+--De prins komt niet ... zei ze, neerzittende onder de dennen, bij
+'t bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte.
+
+--De prins komt niet ... herhaalde het beekje en gleed heen.
+
+--De prins komt niet ... zongen de wilde rozen.
+
+En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien;
+en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, heel ver,
+zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het
+beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij
+'t rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek,
+zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en al maar tuurde naar
+'t donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte,
+en al maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met
+lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond.
+
+Den volgen dag kwam de prins.
+
+'t Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met
+een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met
+sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere
+zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden.
+
+Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek.
+
+Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende.
+
+Toen keek ze rond.
+
+--Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in.
+
+De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij
+den molen verlicht werd.
+
+--Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen.
+
+Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den
+oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst
+gezien hadden.
+
+--Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik.
+
+En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve
+van zijn moe gezicht heen.
+
+--Is 't heel mooi? vroeg hij.
+
+Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen.
+
+--Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht.
+
+De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de
+wilde rozen in 't donker van de dennen.
+
+Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende
+dit ook te doen. Zoo zaten ze stil bijeen.... En 't zwarte rad woelde
+donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier
+daalde over het dal en over den molen.
+
+De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water
+het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans
+over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag
+hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij haar aanzag.
+
+--Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende.
+
+Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder,
+en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen
+gedachten.
+
+De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden
+met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze
+hem haar grootste geluk mee deed genieten.
+
+Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen,
+en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote
+vraag-oogen recht in de zijne zagen.
+
+--Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn
+kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het
+kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen.... Begrijp je me?
+
+De ernstige oogen, droevig, zeiden ja....
+
+--En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan
+op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nooit, klein
+prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij.... Misschien zullen
+wij er dan ook mooie boeken van maken.... Later ... want ik zal je
+niet vergeten!--Zul je het doen?
+
+--Ik zal het probeeren!... zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar
+keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals,
+en kuste hem.
+
+--En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer
+een brengen, zoolang ik kan ... zoolang ik kan.... Maar nu moet ik
+gaan. Dag prinsesje!
+
+--Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met
+een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij
+'t molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het
+beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het
+nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen.
+
+Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad;
+maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam
+ze niet meer; maar bleef in den molen.
+
+En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en
+zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind,
+dat maar niet kwam.
+
+En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te
+kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf
+gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs
+de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het
+stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde,
+van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar al wegbleef.
+
+Toen, op een helderen najaarsdag, de wilde rozen droegen glanzend-roode
+bottels tusschen hun gelende bladeren, kwamen weer zwart gekleede
+mannen over het brugje; en toen ze heen gingen, droegen ze een zwarte
+kist. Het blonde kind, met de sprookjes-oogen ging naar moeder....
+
+De witte man die in den molen woonde, volgde hen: ouder en meer
+gebogen, dan toen hij eenmaal achter die andere kist ging; maar er
+even strak en stuursch uitziende. Toen hij over het brugje ging, keek
+hij even opzij naar 't zwarte rad, dat stil stond, klemde toen stijf
+de lippen opeen, en volgde de mannen, die de kist droegen, het dal in.
+
+En 't beekje huppelde angstig den somberen stoet na, vragende, niet
+begrijpende.... Het volgde de zwarte kist zoolang het kon, klagend
+vragende, tot in het dorp, waar het schreiend murmelde langs de huizen,
+niet begrijpende....
+
+De brandnetels bij 't verweerde brugje zagen de zwarte mannen na,
+en schudden langzaam hun nu bruin-groene krullokken. Ze wisten dat de
+lieve God hen weldra plukken zou, zooals hij het blonde mensch-bloempje
+geplukt had, dat beter thuis zou vinden in Zijn hemel dan op de aarde.
+
+Twee dagen later, het zwarte rad wentelde weer, werd er een nieuw
+sprookjesboek gebracht: voor 't kleine prinsesje, van den prins.
+
+De witte man, die 't boek aannam, opende het niet, maar lei het weg,
+bij nog andere boeken, en bij groote vellen wit papier, beschreven
+met een stijve kinderhand. Toen, niemand zag het, beefden zijn anders
+zoo rustige lippen, en een paar groote tranen werden weggeveegd met
+de bovenzij van zijn ruwe hand.
+
+Later schreef hij een moeilijk leesbaar briefje aan den prins, wiens
+adres in de boeken stond, omdat hij ze zelf gemaakt had.
+
+Toen de prins het wonderlijk briefje kreeg, luidende: "Mijnheer,
+stuur geen boeken meer. Het kind is gestorven. U is vriendelijk
+bedankt."--zat hij lang, recht voor zich uit te staren; en zei toen
+zacht voor zich heen:
+
+--Arm kind!... Arm prinsesje!
+
+Arm kind, arm prinsesje, dat de macht van het woord onbewust bezeten
+had, zooals hij het bewust bezat, en een streven naar schoonheid, even
+groot als hij. Arm prinsesje, geboren met hoog-vorstelijk bloed in de
+aderen, dat nu nooit koningin zou zijn, zooals hij koning was geworden.
+
+Lieve, reine herinnering, waar hij zooveel aan te danken had, en die
+als een schoon beeld voort zou leven in zijn werk en in zijn gedachten.
+
+Arm kind, arm prinsesje, gestorven ... dood ... weg ... in 't eeuwig,
+zwart geheim!............
+
+De zomer, die volgde op een langen winter, waarin de molen als dood
+in het dal had gelegen, zag weer het zwarte, bezige rad zilveren
+glans-waden weven, en kleurvonkende droppels spatten, naar de wilde
+rozen, die toezagen in roze verwondering, wijd open.
+
+Hij zag weer het beekje het dal inglijden, nadat het werk gedaan had
+bij den molen, waar het rad rond wond en woelde en zong en ruischte
+onder de donkere dennen; en hij hoorde het beekje vertellen, klagelijk
+murmelend: van het blonde meisje dat eenmaal woonde in den molen
+van het dal, waar de brandnetels groeien, totdat de lieve God-zelf
+ze plukt.
+
+
+
+
+
+
+
+Van Marie Metz-Koning verscheen bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum:
+
+VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. Vijfde druk. Teekeningen en band
+van S. Moulijn. Ing. f 0.90. Geb. f 1.30.
+
+HET BEELD OP DE ROTS. Tweede druk. Met 5 lithografieen en band van
+S. Moulijn. Ing. f 2.90. Geb. f 3.75. LUXE-UITGAVE. 50 genummerde
+exemplaren. De steenteekeningen (Epreuve d'Artiste) gedrukt op Japansch
+papier. Gebonden in perkamenten band f 10.-.
+
+GABRIELLE, Omslag en bandversiering van J. Toorop. Vierde druk. Ing.
+f 1.50. Geb. f 2.25. Gewoon geb. f 1.90.
+
+GABRIELLE. Tweede Boek. Bandversiering van J. Toorop. Tweede
+druk. Ing. f 1.90. Geb. f 2.65. Gewoon geb. f 2.30.
+
+DOMINEE GEESTON. Omslag en bandversiering van Herman
+Teirlinck. Ingenaaid f 3.50. Gebonden f 4.25.
+
+VERZEN 1e (2e druk) en 2e bundel. Met portret. Gedrukt op geschept
+Hollandsch papier. Ingenaaid f 1.75. Gebonden f 2.50.
+
+NACHT-SILENE. Illustratien en band van S. Moulijn. Tweede
+druk. Ingenaaid f 2.90. Gebonden f 3.90.
+
+VAN EEN SCHOONEN DAG. Ing. f 2.90. Geb. f 3.90.
+
+INTERMEZZO. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25.
+
+PETERKE'S BEELDENSTORM en andere Dorpsgeschiedenissen. Ingenaaid
+f 2.50. Gebonden f 3.25.
+
+Een fraai uitgevoerd PORTRET in Heliogravure, gedrukt op geschept
+papier, is verkrijgbaar a f 1.-.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde
+by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926)
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE ***
+
+***** This file should be named 10334.txt or 10334.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/0/3/3/10334/
+
+Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.
+
+Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/10334.zip b/old/10334.zip
new file mode 100644
index 0000000..b02b73e
--- /dev/null
+++ b/old/10334.zip
Binary files differ