diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:34:15 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:34:15 -0700 |
| commit | 28f4de4492d8d61978ef5794de5644a58e8e68de (patch) | |
| tree | a351eb446ec6362ee6391ed21074950438a7fd9c | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 10334-0.txt | 4653 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10334-8.txt | 5069 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10334-8.zip | bin | 0 -> 81950 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/10334.txt | 5069 | ||||
| -rw-r--r-- | old/10334.zip | bin | 0 -> 81448 bytes |
8 files changed, 14807 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/10334-0.txt b/10334-0.txt new file mode 100644 index 0000000..f4eb124 --- /dev/null +++ b/10334-0.txt @@ -0,0 +1,4653 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10334 *** + +Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team. + +Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team. + + + + + + + + + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE + +DOOR MARIE METZ-KONING + + + + +INHOUD. + +Van 't Viooltje dat weten wilde +De Tulp en de Madeliefjes +Elze +De Watermolen. Wat het Beekje vertelde + + + + + + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. + +In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein +viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als +denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid +angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch. + +Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen +reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige, +eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de +moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen +ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is. + +Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer, +glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw. + +Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van +het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer +licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje. + +Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het +ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende +van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche +boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over +het zandpad elkander raakten. + +Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag +aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming +wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle +op gelijken afstand van elkaar. + +Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen, +van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende +boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek +angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar +heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het +pijn wou doen. + +Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel, +en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht! + +Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel +eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't +licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen, +toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk +daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind +wat sterker werd. + +De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet +zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!... het +fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode +takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven +haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen, +weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer, +zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze +geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend! + +Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen, +toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't +verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog +in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze +er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar, +zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren: +de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en +toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde, +toen ze niet durfde luisteren: de melodieën die de dennen zongen in +den nacht, en de melodieën die ze zongen in 't licht, telkens andere, +en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen +wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen, +dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar, +dik-zwart, één waren met den nacht. + +Dit alles boeide haar. + +Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen, +ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap +zonder droomen. + +Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen, +nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar +rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar +aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in +de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk +voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het +had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig +air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was, +scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen +kant kon ze maar even zien. + +Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop, +met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen +onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van +omhoog zitten, en wijs neerzien. + +Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje: + +--Hè, wat is dat? + +--Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap +stoor! 't Was bij ongeluk! + +--Maar wie ben je? + +--Ik heet kikker! + +--Wat doe je hier? + +--Wel, springen, natuurlijk! + +--Waarom? + +--Waarom! waarom! omdat ik het doe! + +--Moet je het dan doen? + +--Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op +dezelfde plaats blijven! + +--Waarom niet? + +'t Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan. + +--Hoor eens, zei deze, als je nu nog één keer "waarom" vraagt, ga ik +heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen +"waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me +altijd erg uit mijn humeur brengt. + +--Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd +zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan? + +--Op 't oogenblik van den straatweg. + +--Wat is dat? + +--Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal +steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en +hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over +heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al. + +De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat +zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde. + +--Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje. + +--Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien! + +--Wat zijn menschen? + +--Dieren, net als ik, maar veel, véél grooter. Zie je, jij bent een +plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun +twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen +ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan. + +--Waarom doen ze zoo? + +--Wat heb ik je gezegd? + +--O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje +nederig. + +--Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te +leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel; +dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij +is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat +zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De +duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen +elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel +ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen; +ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood? + +--Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje. + +Ze voelde zich héél wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en +een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor +dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet! + +--Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait +en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig +de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En +evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuïtie hun vóórzegt, +raadde ze goed. + +--Den wind meen je! + +--Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor +het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets +heel ergs. Misschien is dat de duivel wel! + +--Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last +van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als +je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er +veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond; +dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die +raden elkaar óók altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg, +hoe oud ben je? + +--Wat bedoel je daarmee? + +--Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan? + +--Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en +daarna is 't nog eens weg geweest. + +--Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je +nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm +komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je +zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de +dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken +worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het +kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft, +en of de aarde van binnen kermt! + +--Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me! + +--Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding +als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken, +bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder +me over niets meer! + +--Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje. + +Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben. + +--Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een +grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn +erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt +niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor +ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk +wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je +niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten, +dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets +liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan +hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe +meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze +nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met +alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen +dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk +heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze +praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen, +net zoo min als "waarom" vragen. Eén ding is zeker: als ze je eenmaal +meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je +niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat +kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag +toch héél wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms +wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je +staan kijken, of er héél wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik +alleen van hooren zeggen. Vader zag zóó iets nooit! + +--Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker +zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al +begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten; +beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van, +als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg +te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was +'t gezellig, iemand zoo bij zich! + +--Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen. + +--Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er +is zooveel, zie je! + +--Wat is dat! riep opeens het viooltje. + +Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het +plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de +denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was. + +--Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms +'s nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten +weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen. + +--Slapen die dan nooit? + +--Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt +niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk +je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze +"duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed +altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan +vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen +wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls: +'t Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat +ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal +moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil, +en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en +moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze +maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen; +en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk. + +En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zèlf eerst maken. Niets +doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel +vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn: +zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen +doen ze niets! Niet eens, hoe je je ècht lekker voelt. Ik houd het +er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat +ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen +van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal +leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets +weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch +niet énkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al +weer zijn, om maar veel te doen hebben.-- + +--Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte +pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte. + +--Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze: +Man; die witte: Vrouw. + +Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit +vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms +een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt! + +Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker +in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken +opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even +straalden en verdwenen. + +Zoo zag het viooltje. + +Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten, +boven het hoofd van de Vrouw. + +Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte. + +De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op. + +De Man zag haar aan, en zei: "Ja." + +Toen weer stilte. + +Langzaam, héél langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten +vast hield; en ze spraken niet. + +--Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen +mooi vond. + +--Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten +de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen +ze. Stom! eenvoudig stom! + +Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne +iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al +maar zwijgend. + +Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen. + +--Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft +je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn! + +Nu was de Man het dichtst bij het viooltje. + +Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen: +"Ik heb je nog zooveel te zeggen!".... + +De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien, +want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't +lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien +met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei: +"Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo.".... + +Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over +hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan +strak liggen op den grond. + +--Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te +zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat +doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar +ben ik zeker van! + +--Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje +rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd. + +--Vindt je dat dan zoo prettig? + +--Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik +houd zoo van licht! + +--Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht +hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en +van 't alléén zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan? + +--Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze +weêr kwam! + +--Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht! + +--Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien +hebben! + +--Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet +kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde +de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken, +en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten. + +--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht +'t viooltje. + +De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan +het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes +tegen hem op. + +--Het licht van háár stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van háár +hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer. + +De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar. + +--Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje. + +--Naar niets! + +--Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem! + +--Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en dááraan +denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is, +omdat ze veel te doen hebben. + +--Hij zag het licht van haar stem! + +--Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets +van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel +verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net +als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste +avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet +wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan +doen. Allemaal gekheid... stòmheid... Natuurlijk doen ze weer zoo, +omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen: +ik wil niets te doen hebben! + +--Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem! + +--Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven, +en alles vertellen wat ze te zeggen hadden! + +--Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't +mijne wezen! + +--Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in +hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze +een papier hebben waarop staat dat ze het mòèten doen. Dà n doen ze +'t, al zouden ze véél liever niet bij elkaar blijven. + +--Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat +iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen: +je moet héél graag blijven of heengaan! Ik zou 't wà t naar vinden, +als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik mòet bij +je blijven. + +--Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze +wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen +ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de +duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort. + +--Dan vind ik den duivel zoo erg niet! + +--Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge +deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dòm!! + +--Hoe kwam je vader bij de menschen? + +--Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot, +dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land, +naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen +kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam +hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half +vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk +ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken +dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij +de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij +zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen +de zon buiten zóó lekker scheen, dat vader boven op het laddertje +geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zóó te +verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat +is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak, +en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om +zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen. + +De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich +altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er +geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al +aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis +woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt, +en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje +valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het +menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We +vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo +mooi van zijn avonturen vertellen toen! + +Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet? + +--Blijf je hier? zei verheugd het viooltje. + +--Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen. + +--O, héél veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je +bent zoo knà p... Je wéét zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden, +als ik wakker werd, en je was er dan nog. + +--Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik +overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei +de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig +neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren. + +--Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem! + +--Ik droom nooit. + +--Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen: +"Wat is het mooi hier!" + +--Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij! + +--Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij, +om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den +kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit +niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn. + +--Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde +niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig +lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in +zijn kop. + +Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten +of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem +zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde +houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap. + +Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze +sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het +geluk, niet meer alleen te zijn. + +En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen. + +En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen +hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame, +hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt +het lichtende geluk in zich, overal. + +Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond, +en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten +naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe +dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en +wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde +houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar +zijn mooie, zachte, gemarmerde borst. + +Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje: + +--Ben je wakker? + +--Al lang! zei de kikker bedaard. + +--Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen! + +--Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen. + +--Wat is dat? + +--Waar ik zal gaan eten! + +--Wat is eten? + +--Dat moet je doen om te blijven leven. + +--Ik doe het toch nooit!... + +--Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet +wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde, +met je wortels die er in vastzitten! + +Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar +gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat +met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat +de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe +gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep +nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was +dat wonderlijk! Waarom zocht je bóven de aarde, als je van de aarde +leefde? Waarom? + +--Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van +haar overdenken. + +--Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding +bewarende. + +--O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan +'t geen ik niet begrijp. + +--Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel +eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit +pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden! + +--Je komt toch weer terug? + +--Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan +dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur. + +--Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan +iets denk? + +--Praat er dan niet over. + +--Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar +eten en kom gauw terug. + +De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van +'t stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door, +tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen. + +Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om +heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte +oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam +van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar +gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens. + +Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur +dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen +alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen, +dat over haar heen hing als een dikke sluier. + +Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn +gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer +alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse, +onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen +denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen. + +--Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop. + +Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar +die lieve stem-muziek. + +--Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij +meenam, opdat ik haar à ltijd zou kunnen hooren! + +Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die +zorgde dat ze leven kon. Wat dà n?... Door een kleine opening in de +dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den +blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht, +en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende. + +Maar het licht kuste haar, en zweeg. + +Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door, +de stem van de Vrouw hoorde. + +--Háár stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren. + +Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast +zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem +hoorde; en teleurgesteld riep ze uit: + +--Het licht is uit haar stem! + +Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante +niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man, +maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en +beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte. + +--Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het +licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje. + +De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden, +riep zoo hard ze kon: + +--Vrouw!... Vrouw!... Vrouw! + +De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte +violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren, +liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog, +denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam +door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras, +en keek naar den grond. + +De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en +luisterde.... + +--Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje. + +Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet, +hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze +wijd, wijd open omhoog zagen.... + +En ze zag een licht komen in haar oogen, en nòg een licht en +nòg een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke +wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag, +kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende +er in, en ging naar de Gedaante, zeggende: + +--Aardig, dat ruischen van die dennen! + +--'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig +naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet +sentimenteel zijn! + +Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur +zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de +morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen. + +--Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het +zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't +viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken. + +Juist kwam hij aanspringen. + +--'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer. + +--De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje. + +--Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man. + +--Zoo, was dat óók een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak +veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem. + +--Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze +nú wel. + +--Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar +oogen, toen ik haar riep. + +--Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat +is héél zeldzaam! En kwam ze bij je? + +--Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en +luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen, +en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet +je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan, +of bij me houden. + +--Dat waren tránen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tránen! Die +kà n je niet weervinden! + +--Tranen! Wat zijn dat? + +--Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van +de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet +weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels +die neervallen. + +--Wat zijn dat? + +--Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel +eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet +zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei +kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als +je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de +plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes. + +--Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde +'t viooltje. + +--Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen? + +--Neen, wat is dat? + +--'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch +wel lichtjes? + +--Ja! + +--Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er +niets over van hun licht. Dat is dan óók weg! + +--Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet +dat zoo zijn? + +--Begin je al weer met den duivel aan te roepen? + +--Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden +op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten +waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die +mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de +aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze +aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet! + +--Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet. + +--Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen? + +--Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles +heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever +niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Láten ze het dan niet doen! Ik +vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet +met dingen die je niet aangaan! + +--Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik +wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat +ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet +laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed? + +--Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat +hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik! + +--Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi +hier"; vindt dié dat dan goed? + +--Die heeft natuurlijk óók veel te doen! Daar komt bij de menschen +alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat +anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding, +nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden. + +--Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg +is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde +het viooltje weer. + +--Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! Hè, +wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen! + +En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen. + +De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad, +en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij. + +--Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon. + +De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel +donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed +weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen. + +--Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie +eens! Zie eens! + +Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel +donker. Hij zag recht voor zich uit en ging. + +--Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hóór +toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht +is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie, +mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezién!... Ik heb +het gezién!... + +De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn +pas, en verdween. + +--Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur +verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet +eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel +gauw dood. Hij dacht óók weer dat de dennen riepen; dat was je geluk, +anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen! + +--Ik wóú het!... Ik wóú dat hij me mee genomen had; dan zou ik +misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig +maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hèn, als ik dan maar éérst weet, +wat zij weten! + +--Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel +bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij +meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet +aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim, +heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het +nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit +iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet! + +--Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och, +wien zóú ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet +hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens +luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders +was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch +nóóit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet! + +--Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo +dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er +van, dan doen ze dat tòch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond, +vouwen hun vóórpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden" +zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op +den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd +heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't mà g +volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort; +en vader wèrd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den +gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders +doen; want antwoord krijgen ze tòch nooit. + +Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je +meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden +ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens mà g. + +--O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vrééselijk +treurig!... snikte 't viooltje. + +--Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat +afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet. + +--Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil óók +bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door +"waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden. + +--Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist +voorbij vloog. + +--Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het +uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig, +innig treurig. + +--Je bent sentimenteel! Dát is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen +lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten +van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar +het beste, als ik je alleen liet. + +De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over +het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad, +waar het weiland was. + +Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die +gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet +mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond, +zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante.... + +Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze +mòèst denken, en treurig zijn, als ze treurig mòèst zijn.... + +--Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed +met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is, +als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik +ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en +springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben, +en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt +je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik +alleen: dat ik nóóit iets weten zal! nóóit iets begrijpen kan! + +--Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is +in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap +te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan, +op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou +dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet! + +--Dat ìs 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders +zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw, +en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel, +net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik +kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is, +en dat ik weten wil, waaròm dat zoo is.... + +--Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom; +alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien +kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger +bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals +ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat óók altijd +tegen elkaar. + +--Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...! + +--Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu +ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft, +geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen +en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de +storm komt en ik ben er niet meer? + +--Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zóó +erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot +hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren +om antwoord. + +--Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van +alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt tòch nooit!... Nu, +ik ga dan maar! Goeden dag! + +De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed +en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets +hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem +opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van +'t praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen, +moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen. + +Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet +het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx +te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel +succes had. + +--Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank +je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood +ben misschien. Ik kan tòch niet leeren, om net als de menschen, +te praten over wat ik nièt denk, en te zwijgen over wat ik wèl +denk!... Vaarwel!-- + +En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist, +dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer +alleen te zijn. + +Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude +kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar +vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer +gedaan hebben om hèm, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud +om aan te raken! + +--Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele, +geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje +ziende. + +'t Viooltje wà s sentimenteel; en dat wà s vervelend. Hij kroop +langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind +van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen +hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland, +waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en +paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot +genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van +de menschen, waar hij zooveel van wist. + +"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben, +'t Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende. + +......... + +Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige +omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen, +en vroeg "waarom?" + +En haar stemmetje ging wèg in het ruischen van de altijd-groene, +statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur. + +Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de +dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?" + +En haar licht stemmetje stéég in het zwijgende licht, dat het wègdroeg +... zonder antwoord te geven. + +Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?" + +En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg. + +Zoo gingen lange, là nge uren voorbij. + +Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne +blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten. + +Ze werd heel stil. + +Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer. + +Ze kwam zacht, alléén, over 't mulle pad. + +Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen. + +--Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde. + +De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief +de gevouwen handen op. + +Toen gebeurde het. + +Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar +hoofd lei ze op haar gevouwen handen. + +En haar stem, nu héél donker, kwam in het donker héél zacht tot +het viooltje: + +--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?... snikte ze. + +--Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na: + +--Waarom?... O mijn Gòd! waarom? + +En wachtte......... + +En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken......... + +En ze wachtte......... + +Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den +hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het +uitstraalde. + +En wijd ... wijd ... héél wijd...! zwijgend en rustig, als een +gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze +te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen, +vèr boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister +leed, op de zwarte zwijgende aarde. + +En het wétende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende +Vrouw, en op 't viooltje, en zwéég ... als alles. + +Toen zag het viooltje dat het wáár was, dat er geen antwoord is.... + +Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde háár van het +voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden +nu, zonder licht er in. + +--Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien +op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, à ltijd! + +De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging. + +--Dat was het éénige Licht ... zei ze.... + +En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna +tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat +kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte +vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo. + +Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het +zag... En héél stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode +bloempje ... om het te zièn.... + +Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve +klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ... + +En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde, +en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen +... wist niemand waarheen die te zamen gingen. + +--Naar het Licht ... dacht de Vrouw. + +Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen, +en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone +schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar +ze vallen. + +Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de +menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het +smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde +doet geboren worden. + +Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op +aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle +schoonheidzoekende zielen eenmaal, om dáár te sterven. Want het leven, +zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid, +alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers, +die niet loslaten. + +Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag. + +.................. + +En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde +hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest. + +Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan +had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong +verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij +wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap +lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal +geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze +altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze +wel wilden doen. + +En hij là chte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs +sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzèlf. + +En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde +niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen. + +En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als +remedie tegen nadenken, dat onrust brengt: + +"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de +Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er +uit de verte mee." + +Zijn vader had altijd gezegd: + +In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die +drie samen zijn de "duivel". + +Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de +menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte +dus de verwarde theorieën van zijn vader na, die ze van de menschen +nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken, +dat onrust brengt. + +Toch was het nog niet zoo héél dom. De theorie was wel wijs; maar +ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die héél deftige +dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten. + +Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar +"iets héél ergs" van. + +En het niet-zoeken noemden ze "God". + +Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en +God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin. + +Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht +dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch wéét ... en die hem +soms zwijgend kust.... + +Altijd zwijgend ... à ltijd zwijgend. + + + + +DE TULP EN DE MADELIEFJES. + +Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel +duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje. + +Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan +kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine +kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk +schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over +het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied; +en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad +spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd, +héél wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den +hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik, +opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden +de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets +verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes, +al hun gedachten, vriendelijke en booze. + +De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes, +stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een héél groote Zon denkt +over't doen van héél kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach. + +Die kleine madeliefjes!... ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op +hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken, +puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe +klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij, +de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel +niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke +nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend, +omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest +schijnen... + +Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.--Een +paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets +wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond +komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende, +dan één van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun +stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar +het wonderlijke ding. Zóó verdiept waren ze in de beschouwing er van, +dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje +over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering +stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd, +en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd. + +Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de +dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden +hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde +beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig +vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een +wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar héél eventjes te kijken. + +'s Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet, +en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:--Jammer! zoo'n +jong madeliefje nog, èrg treurig, vooral voor de familie!--over 't +vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan +een rood puntje vertoonde. + +--Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar +zóó iets nog nooit! + +--Als dà t een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte +de ander. Ik ben erg benieuwd wat dáárvan worden zal. + +--Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen, +'t Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van, +denkelijk. + +En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen +ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap +des rechtvaardigen. + +De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een +tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur, +ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar +op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was, +wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week +gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt, +om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt, +door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar; +en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten +in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem, +die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet; +en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes. + +Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde +ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte +bij 't wakker worden. + +Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met +spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel, +waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen, +gevouwen om te bidden. + +Het was nu zóó groot geworden, dat al de madeliefjes het haast +konden zien. + +Dat gaf me een gebabbel! + +De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde +zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn vóór zich geschoven, +waaronder de aarde geduldig wachtte. + +De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle +genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen +die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over +dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot +zich trok, en dat dùrfde!... dùrfde!... anders dùrfde te zijn dan zij. + +--Heb je ooit zóó iets gezien? klonk het vol ergernis. + +--Neen maar, hoe vin je 't? In 't róód! + +--Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in +'t oog loopen. + +--En die rechte houding! + +--En die aanstellerige blaadjes! + +--Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen. + +Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar +de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op- +en aanmerkingen. + +De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het +gefluister om haar heen!... Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit +geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon +mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig +smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal +dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een +vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen +geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel +anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Háár. + +Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van +verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen +om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat +ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel mòèst zijn. Ze kende +zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan: +hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met +dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep +ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes +hard en slecht; en begreep dà n ook weer niet: waarom die zoo lief en +vriendelijk onder elkaar konden zijn. + +Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen +tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te +nemen, en niet verwaand te schijnen. + +Ze was toen héél eenzaam. + +De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun +avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte +rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij, +en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen. + +De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die +sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende +bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde +ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een +zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen +dà nkten!... dà nkten!... + +Zóó, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van +de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten +van hun avondgroet. + +Zóó viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan +witte bloemen, levende in een donkere weide, héél hoog, en haar lief +toelachende alsof ze hun zuster was. + +Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo +erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer +wat vréémds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard, +en dacht aan de sterren. + +Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste +topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zékerheid; en toen kwam het +aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht +... over à lles heen! + +Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde +jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor +het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden +bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende gehéél, +en het kussende met groote liefde.... + +Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem +straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans +voor gloed weerom. + +Zóó bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even +uitspreidende, opdat ze toch óók voelen zouden, héél voelen zouden: +het Licht! de Zon! + +Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mòcht: of ze zóó meer plaats +innam dan anderen! Ze mòèst het doen! + +Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes +uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende, +zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde +teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze +allen te zamen het Licht zochten, en door één Zon gekust werden. + +'s Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer +'t babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den +grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep +wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden +opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden; +maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van +balsemende Zonvreugde. + +De madeliefjes fluisterden: + +--Heb je 't gezien? + +--Ja; ze doet óók haar bladen open voor de Zon! + +--Wat doet die roode kleur zéér aan je oogen! + +--Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien, +dat ze ons gouden hart mist! + +--Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien! + +--Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen! + +--Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen! + +--Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes. + +--Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan +'t uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden +hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen +naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon +zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je +maar niet daaraan. + +Hóóg op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, héél stil, +in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de +sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht +weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open +kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen, +een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren. + +De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen, +en de tulp droeg het hóóg, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles +weet, wist het. Maar hoe gróót haar leed voor de kleine tulp was, +kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen.... + +En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht, +en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd +stond de eenzame bloem daar. + +Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar. + +Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch +eigenlijk geen kwaad deed! + +Dat waren de liefsten... + +Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering. + +Dat waren de besten.... + +Dan waren er ook, die haar verdedigden, zóó dat zij 't niet hooren kon. + +Dat waren de moedigsten.... + +En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun +halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen +verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden. + +De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch +met de zekerheid van niet begrepen te kùnnen worden. + +De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch +wantrouwend. + +--Ze meent niets van al haar liefheid! + +--Deed ze maar wat gewoner, net als wij! + +--Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je +zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons méé-deed! + +De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken; +en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel +dik, was haar stengel bros en teer. + +--Laat me maar!... antwoordde ze vriendelijk. + +Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig +als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn +stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken. + +Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die +veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood +kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat +zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze +staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende +vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het +schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen. + +.................. + +'t Werd Zomer.--Toen stierven, op een heerlijken, lichten zòn-dag, +al de witte madeliefjes. + +Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze +stonden. + +Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes +lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de +Zon gewend. + +De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland, +brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas, +die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was. + +Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die +haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde, +roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos +in groezelig water, wijd open, moe.... + +Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af. + +Ze was gestorven.... Haar gouden hart bleef alleen over. + +Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit +'t fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele +muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden, +daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee +... omhóóg ... naar den bloemen-hemel.................. + +De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Eén van de kinderen +uit 't arme gezin nam ze één voor één in de hand, ze streelende en +mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte +hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der +blaadjes, het zwarte kruis. + +--Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike.... + +Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend, +zei vluchtig: + +--Ja jonkske; net een kruiske.... Zoo zie je: diën bloem het óók al +zijn kruiske te dragen gehad!... + +En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed, +dien ze zelf nauw wist. + +.................. + +Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd +hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven +aanwijzende. + +De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu +verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats +zou aanwijzen. + +In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten. + +Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was: +bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun +onbekend was. + +Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun +starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde +vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen +elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die +alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes, +met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende +geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille +reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog +zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te +ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken +van verstandhouding met hen wisselden. + +Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die +vreemde bloemen! + +Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een +deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!... boog, +en trad terzijde. + +Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare +rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele, +paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het gehéél lijkende een +vlammend veld... Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende +schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar +de vreemde bloemen... + +Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen +zijn buurtje. + +--'t Was dus een tulp, dat vreemde ding! + +--Zou zij er ook bij zijn? + +--Ze was kleiner dan één van dezen! + +--Zie je haar soms? + +En ze rekten hun tengere halsjes, en kéken en kéken, en na lang +turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij" +er wà s... "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks +durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar +geëerd gezelschap. Maar ze had wéér geknikt, en wéér, als een goede +bekende... Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend +aan een vreemd, zwart aârtje, op haar rood kleed. + +Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze +was niet eens groot; véél kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal +achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar +nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen.... + +Eén voor één traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen +richtte. + +Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche +houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed +de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het, +dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad. + +Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en +fluisterde: + +--Zie je wel! Ik kòn niet anders. Ik was een tulp: een ander soort +bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet! + +Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen +was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte +kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had ... hóóg +boven hen uit!.................. + +Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar +miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden +rood van schaamte. + +Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden; +dat zij hen zou aanklagen! + +Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan +de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo +vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden, +omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden +omhóóg te zien, en niet om zich heen ... dat ze haar goed hadden +gedaan en geen kwaad ... dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan +tusschen hen ... dat ze wel eenzaam was geweest ... maar dat de Zon +haar had getroost ... en de sterren! + +Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal +het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en +mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel. + +Ze mocht héél dicht, héél dicht bij de Zon blijven: bij het Licht +dat haar troost was geweest in haar leven. + +De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten, +en de moedigsten, juichten: + +--Ik wist het wel! + +En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp: +hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar.... + +En de Zon zag de madeliefjes aan.... Ze zag hun blaadjes rood van +schaamte. + +Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon, +die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu +ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok +even haar stralen in ... want ... de Zon moest schreien... En boos, +héél boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al +de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel +boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in +'t klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig +opkeken naar Haar. + +Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen +hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf +als een gedachtenis. + +En zoo is het gebleven tot op dezen dag. + + + + +ELZE + +Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat +hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan +de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo +liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig +zou kunnen maken. + +Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals +de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die +gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte +van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem, +dat zij hem boven alles bezig hield. + +Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en +ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs +trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde +hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede, +met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde +maken, zonder dat hij wist hoe. + +Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken +verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieën. + +Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen, +die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken +veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde +de koning toe. + +--Geluk is rijkdom, zei de een. + +Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af. + +--Geluk is weten, leeraarde een tweede. + +Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de +geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond. + +--Geluk is gezondheid, meende een ander. + +Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren, +die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net, +deed hem zwijgen. + +--Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette +een heel diepzinnig gezicht. + +Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen +duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een +ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon! + +Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de +rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor +en, op de vraag die hem geen rust liet. + +--Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag, +zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't +sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken, +totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge +dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die +niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel, +en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen +bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid! + +Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder +naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim +beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden! + +Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem +vriendelijk opnam. + +Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der +wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning +genaderd, boog hij zich, en zei: + +--O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit +omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij +geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van +het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij +nog even wijs zijn gebleven als één vóór ons, is dit niet ònze schuld. + +Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor +oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer: +vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die +vraag te geven is. + +De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik +u geven kan. + +Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart, +en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons, +en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten +van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af, +is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde +geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij +heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten +doen ontbranden in rustige harten. + +Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij, +zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult +trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en +de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een +mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin +van vredig menschen-geluk. + +De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn +gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem: + +--Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het +al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga, +dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult! + +De grijsaard boog en trad eerbiedig terug. + +--Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de +koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Eén onder u, heeft +u allen gekroond met de lauweren van zijn geest. + +Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken. + + + + + +Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en +stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen +bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven +verrichten bij den prins. + +--Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na +een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon, +den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw +gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn +geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde, +en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in +het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte, +en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht, +en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder +bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens +alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult +hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere +beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor +hun schoonheid. + +Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken +moogt, één woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn: +het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht +moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht, +zijn gansche leven. + +Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins +spreken zal, zóó, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook +hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij +er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de +zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden. + +De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich, +als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen +ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende +daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning +te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind. + + + + + +Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den +prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein, +rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in +haar hart. Daar zong het maar al door; doch zóó zacht, dat zij zelf +het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang. + +De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij +de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor +zijn vader, den koning. + +Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest, +liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende, +zijn krans op den grond. + +Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij: + +--Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen? + +--Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra +zij Uwe Hoogheid zagen! + +--Voedster, er is iets à nders in uw lach! Zeg mij wà t!... Zeg mij wà t! + +Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar +ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou. + +--Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij +uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem +de mooiste vinden kunt. + +--Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins, +zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden +... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na. + +--Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen +... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de +voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette +vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden +hebben.................. + + + + + +Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot +jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als +pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat +ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer +goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn +voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en +liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in +zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder +leeg zou zijn gebleven. + +Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving +waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit +kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een +reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen +hadden zijn geest te ontwikkelen. + +Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig +aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde +te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor +de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een +hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg +als de Liefde. + +Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij +alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart +niet overstemd werd door rumoer van buiten. + +--Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige +oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte +zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur +aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten +hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins! + +--Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar +pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken +vraag zweefde, voor zich heen staarde. + +--Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak, +dingen die ik misschien gedroomd heb. + +--Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf +op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong. + +De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover, +wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met +zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en +toejuichen, hèm, die eenmaal over hen zou heerschen. + +Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig +land, gesloten worden. + +De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou +aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht +zich te onttrekken. + +Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid +stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige +omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek +niet willende weigeren, had hierin toegestemd. + +Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun +veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van +zijn voedster-moeder, en klopte aan. + +Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen +maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend +op het oogenblik waarin ze den prins zou zien. + +--Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende; +en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde +blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in, +waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas, +van licht doortrokken, over de verre boomen hing. + +De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder +als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig, +fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte +van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende: + +--Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen, +dat u zeker niet verwonderen zal. + +De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de +waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de +eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb +u dit willen vragen, vroeg, héél vroeg, als nog bijna geen schepsel zou +waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons, +het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen +later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een +kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien.... + +Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken, +toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste. + +Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had, +en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik +zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten +zou als ik groot was. + +Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben +opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist, +en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik +dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik, +vertrouwende op uw belofte. + +Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk +me aanziet als een man. Ik bèn nu groot geworden, niet waar? Zie me +nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb, +en zeg me wat hij beduidt. + +De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel; +en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had, +zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen, +evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te +spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte. + +--Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die +goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein, +hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst, +gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen +ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep +ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet; +en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik +mijner oogen naar zijn oorsprong.... + +Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul +haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis, +zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij +vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte.... + +Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen +in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich +tot den prins, fluisterend: + +--Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze +zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren +en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van +grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de +Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben +niet kùnnen zwijgen. Ze hebben niet kùnnen zwijgen, wat mijn hart +dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij +zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste +geluk geeft: het éénige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun +zekerheid, dat ook eenmaal voor ú zou opgaan de goudene, gloeiende +zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid +zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat, +geen indruk achterlatende. + +Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood +vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en +verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw. + +--Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat +mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte +aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad +ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over +de waarheid mijner oogen.... + +De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit. + +--Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen +niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank +heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek +in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit +woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft +willen verwijderen uit mijn leven.... + +Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't +ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet +ken! Waar kan ik vinden, dat groote, éénige geluk, dat men mij heeft +willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!... + +Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde +geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben +geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen, +mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het +heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld. + +En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende +gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig +leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld. + +Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit +gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat +plotseling zijn denken vervulde. + +Hij ging maar ál door, ál door, niet hoorende de jammer stem die hem +riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde. + +De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar +oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren. + +Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde, +sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug, +en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende, +en ter aarde wachtende haar straf. + + + + + + +De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om +uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden +gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners vóór zich brengen, +die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke +straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid +zou daarna hun loon zijn. + +Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad één van +hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte. + +Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest +van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en +moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn +houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch. + +Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige +aandacht luisterde: + +--O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te +dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid? + +--Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de +koning met luid-klinkende stem. + +--Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn, +dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig +en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden, +moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn +leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van +huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we +kunnen uitdenken. + +En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn +makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul +van wilde dieren. + +Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze +wenkbrauwen klommen zóó hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In +het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet +samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede +als verdwenen. + +Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte, +gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig +werd gemaakt door roof en moord. + +De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in +vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den +koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde +den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen, +dat haar als een straf was voorgehouden. + +De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan +de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege +zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij +schreide, na jaren van vrede. + +--Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen +... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de +oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk +tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal +hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het +woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn +gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan één hard woord van +mij, aan één wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn +hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden +in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan +tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij. + +Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis, +zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister +begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den +armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om +zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon. + + + + + +De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot +bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar +maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige +vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de +knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins, +vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande +in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde. + +--Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden: +de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen. + +Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk +waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde +hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een +vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef, +kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te +voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot. + +Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt +om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard +waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud, +waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs +bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen +spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen +van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg +op den rug een half gevulden linnen zak. + +--Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch +klonk, als harslucht uit dennen riekt. + +--Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig. + +--Al vroeg op 't pad! Zoek je iets? + +--Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde. + +--Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat +je haar zoekt! + +--Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon +haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij +er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken. + +--Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in +'t bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen. + +--Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een wóórd +verdwaald! + +--Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond +had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald +bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin +dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je +met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, vóór +je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit; +dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal +je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbeziën +kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets, +denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al +mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op één na. + +--Dank je, zei de prins en ging verder. + +De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even +na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs +het pad. + +--Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig +geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die +geneeskrachtige kruiden zocht, vóórgingen. + +De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek +naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en +den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige +plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het +kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt. + +Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van +blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid, +in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een +wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het +kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in +het liedje dat ze zong: + + De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, + De liefde geeft beide: geluk en .... + +Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins +stond, dien ze door een kromming van het pad niet áán had zien komen. + +--Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig. + +--Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend! + +--Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij +wonderlijk beefde. + +Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames +gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong, +lief meisje hem als een openbaring was. + +Weer lachte het meisje. + +--Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar! + +--Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het +immers? Waarom zing je het anders? + +--Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan +een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat +mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong +binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou +dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze +maar! Waar ga je heen? + +--Ik wil hier blijven! + +Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de +ernstig-luisterende boom-stammen. + +--Hier? Nu, goed! Help me dan aardbeziën plukken. Je bent zeker +verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis +nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis +geweigerd. + +Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte +kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet +dóór wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen. + +De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand +beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de +zon kleine, verleidelijk geurende aardbeziën rijp had gekust. + +Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren +zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een +weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe +aardbeziën groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had +ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp +een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even +ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier +helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar +met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins +en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde +hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen +in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een +poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje, +tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde. + +Eindelijk zei Elze: + +--Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange +haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het +kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje +met rood-glimmende beziën heel voorzichtig droeg, haar langzaam +volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos +naast elkaar. + +--Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen +hem drukte. + +--Omdat jij niets zegt! + +Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien +heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten +boom, een klein huisje met riet gedekt. + +--Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik. + +Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende +bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die +zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op +haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden +vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid +rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit. + +Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op, +toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met +een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden. + +--Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben. + +Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige +houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw +waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten +Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal +hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode +eikeblaren. + +Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje +waren hare bewegingen. + +De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden +zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na +lang zwerven eindelijk thuis was. + +Toen Elze gereed was, zei ze: + +--Vreemdeling, eet en drink! + +Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger. + +--Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten +op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu. + +Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte +duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt +te worden. + +Nog altijd zweeg de prins. + +--Maar zèg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk. + +--Ik moet zooveel denken! + +--Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!... + +--Woon je hier altijd? + +--Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren +verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig +hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet +meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik +vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader +eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en.... + +--Maar dat komt hem toch toe! + +--Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men +vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan +vragen?... + +--Maar het is toch zijn recht! + +Elze lachte. + +--Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen +levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe, +om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden! + +--De prins zal zeker helpen! + +--Is hij goed? + +--Dat weet hij zelf niet! + +--Maar jij? Hoe vindt jij hem? + +--Ik ken hem niet! + +Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen, +opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat +langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel +zwaar naar voren. + +--Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang! + +Elze bloosde van genoegen. + +--Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik +begrijp niet waarom.... + +--Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken.... + +Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei: + +--Och! waarom niet! + +Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn +gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme +blos zijn wangen kleurde. + +De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen, +en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel +onzichtbaar waren. + +--Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend, +en vouwde nu stil haar handen. + +--Waarom? + +--Dat weet ik niet.... + +Plotseling stond ze op en luisterde. + +--Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur +open bleef. + +De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde, +zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had +gewezen. + +Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp +de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide +handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang +en vast in de oogen. + +Toen zei hij langzaam: + +--Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn +plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen; +en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal, +als 't u niet te eenvoudig is. + +Toen volgde de prins den ouden man in het huisje. + +Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen +Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den +prins voorbij gingen. + +--Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl +hij opstond. + +--Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan! + +--Waarheen? + +--Dat weet ik niet! + +--Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden +man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor +een vreemde in 't bosch! + +--Ik zal meegaan, kind. + +De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong, +en de prins wendde bevend zijn oogen af. + +--Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer +op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar +buiten ziende. + +--Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit. + +--Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje +aan zijn gloeiende lippen. + +Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in. + + + + + +Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet, +wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere +smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een +droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met +vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende +takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen. + +--Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen, +dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge +wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel! + +--Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen +hand geven? + +De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de +smalle, fijne handen van den prins. + +--God zegen u! zei hij, en keerde zich om. + +De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen +weg. + +De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met +een ruk recht schoof. Daar op lachte hij: + +--Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou +gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed, +of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene! + +En hij ging snel een rechten weg naar huis. + + + + + +Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich +heen, als iemand die ontwaakt. + +De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden +om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde +gedachten. + +Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen, +bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter +het grijze silhouet van de verre stad. + +--Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit +zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen! + +Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had +gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan. + +Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins, +zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen. + +Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen +lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn +naderen. + +Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein +bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in +'t half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken. + +De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit, +dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood. + +--God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast; +maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken +geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten +niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt, +maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet +zooals ze schijnen. + +De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich, +en vervolgde zijn tocht. + +Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte +winkels als vriendelijke oogen blonken. + +Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode +gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die +hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan, +en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder +tikte. + +--Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen +vreugde-belovend in de oogen van den prins. + +--Dat weet ik niet! + +--Ga met mij mee! + +--Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna. + +--Wat doe je hier! vroeg ze lief. + +--Ik zoek!... + +--Wat zoek je? + +--De Liefde! + +Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand +omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken. + +--Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt! + +Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins, +moe en eenzaam, vond dit prettig. + +--Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend. + +En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm, +mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde. + +--Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend. + +--Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig. + +--Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om +zijn hals en kuste hem. + +Zacht weerde hij haar af? + +--Is dit het hoogste geluk? + +--Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer. + +Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze +kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen +wist hij niets meer. + + + + + +Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht +vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze +gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar +was gekomen. + +--Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien. + +--Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins +aan de gekregen zwavelstokjes. + +Haastig ontstak hij er een. + +En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde +gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen, +en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde, +en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep. + +Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten, +en snelde heen. + + + + + +Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad +door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel +voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde; +en een groot verlangen welde in hem op. + +--Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit. + +Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had +opgenomen in zijn groene armen. + +Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij +den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar +hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte +duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag +hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje, +waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij +zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag +den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was. + +--Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop. + +En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen +geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken +waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit +een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren +naar het helder getril in 't groene loover. + +Zoo viel hij in slaap. + +Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm +in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door +het dichte kreupelhout, hopende aardbeziën te vinden; want hij begon +honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon +dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen. + +Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbeziën +genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk +gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een +soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout +verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den +hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging. + +Eindelijk zag hij een geknakten tak. + +--Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond +hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste +blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's +huisje moest voeren. + +Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje, +en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten. + +Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels +verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met +kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van +haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd, +terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen.... + +--Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En +ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar +opzag. + +--Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde +zeker... want nu ben ik gelukkig! + +Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder +lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar +oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de +droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed.... + +Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd.... + +De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware +sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in. + +Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn +hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op +zijn knieën. + +Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de +zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden +zij zich op den jongen man. + +--Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge +weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft +u geleid? + +--Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het +sterker was dan uw wil. + +--En wat zoekt het hier? + +--Liefde, oude man! En die heeft het gevonden! + +--Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart? + +--Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u +verhalen, en oordeel dan. + +Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn +vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning. + +--Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu? + +--Dat Elze mèt mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn +vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw. + +Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang +duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog. + +Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open. + +--Elze! riep hij naar buiten. + +Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje +verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar +aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en +toen heen vloog. + +Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat +van haar vader. + +--Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand +op haar blond hoofd lei. + +--Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je +zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig. + +--Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den +ouden man uit. + +--Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem. + +Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader +met kussen. Ze antwoordde niet. + +--Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar +de deur. + +Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje +tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend: + +--Blijf bij ons.... + +--Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen. + +--Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig +hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht. + +--Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat +kan ik niet! + +En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op. + +--Zal de koning haar erkennen als uw vrouw? + +--Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets +geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen, +als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn +vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk +dat alleen in Liefde is! + +--Elze wil wèl uw vrouw zijn ... maar géén koningin, zei het meisje +zacht. + +--Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn +kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u, +en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik +met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven. + +Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn +handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen. + +--God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen. + + + + + +Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van +zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur, +en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet +zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want +dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar +lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart, +toen hij haar in zijn armen drukte. + +--We zullen gaan vóór de zon te veel warmte geeft, zei de oude man. + +De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen +meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op. + +--Misschien geeft één jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn +kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot +haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een +goed mensch. + +Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte. + +Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje. + +--Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd +witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil! + +--Je bent zóó mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins. + +Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren +er niet! + +--Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze. + +Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en +haar vader. + + + + + +In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die +zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog +altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn. + +Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de +half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig +toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam.... + +--Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel +geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen. + +Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe +en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn +stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd. + +--Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde +zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met +nadenken. + +Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm, +en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm, +en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect +gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd, +neerkomt op het hoofd van den geweldenaar. + +Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van +zichzelf.... + +Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord: +zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeën deelt, +wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij +zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte. + +Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit +hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... héél lang vast.... + +Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was +blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in +'t weifelend licht. + +Vóór zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand; +maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning +verwijderd neerknielen. + +Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze +het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht.... + +Toen zei de prins: + +--Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang +zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in +'t hart, wanneer ik háár niet gevonden had, en door háár: de Liefde, +het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof +met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet +aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer +ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als +mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!... + +De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij +dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij: + +--Men brenge licht! + +Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn +over de geknielde gestalte uitgoot. + +Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid, +die zacht stemde zijn goed, oud hart. + +--Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik +wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij! + +Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo +statig alsof ze een edelvrouwe was. + +Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond +gehouden had, nader, en boog zich voor den koning. + +--Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende +stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen +of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de +herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons. + +--Wie zijt ge? vroeg de koning norsch. + +--Elze's vader; en een mensch zooals gij! + +--Wie zeide u hier binnen te treden? + +--Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw +dwaasheid! + +--Verklaar u nader! + +--Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met +hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het +geweest ze hem zóó volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag! + +--Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken +als gij! + +--Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker +te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten.... + +Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen. + +--Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt! + +--Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind? + +Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand. + +--Ziehier! zei hij. + +--Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of +reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een +gunst van uwe zijde? + +--Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij +ons toereikt als ons deel! + +--Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart +moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt! + +--Dit is een beleediging! riep de koning uit. + +--Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw +dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is! + +Nu lachte de koning, en zei: + +--Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft, +zal zij een voortreffelijke koningin zijn. + +--Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn +eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt, +en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in +u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch. + +Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen, +terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok. + + + + + +Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal +verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige +geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst +zag, onwillekeurig de handen vouwde. + +De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn +vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest +vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar +de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had. + +Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een +zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch +de zon werend.... Haar vader had alle weldaden die de koning hem +wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd, +die hem liever was dan het leven onder de menschen. + +Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen +houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op +gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom. + +--Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte +zij zich. En 't is waar dat vader dáár gelukkiger is dan hij hier +zou zijn.... Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden +missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond, +dat hij weg kuste. + +Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen. + +--'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel +zette! had hij gezegd. + +Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen, +de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden +haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van +hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze +verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid. + +--O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar +strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zóó, dat de gouden kroon niet +dof wordt bij dit glanzende goud. + +--Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank +van uw huid, prinses! vleide een tweede. + +--Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad, +bij het stralen van uw oogen! zei een derde. + +Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes; +maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig; +en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug, +zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had, +en zich achteraf hield. + +--Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende +juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten. + +Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig +aanziende. + +Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep +en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig, +maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's +ongepaste handelwijze: + +--Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te +zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet +zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten. + +De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde +zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten +verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning, +die haar op het voorhoofd kuste, zeggende: + +--Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze +antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch: + +--Als het dan maar vorstin over uw aller harten is.... Anders begeer +ik niets. + +--Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins, +haar vol ernstige liefde aanziende. + +--Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje +kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar +het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt. + +De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar +vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder +hun minzame lachjes en lieve manieren. + +Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende +dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar, +als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart +wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd. + +Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar +hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt...? + +De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk, +of er van binnen een lichtje in brandde. + + + + + +In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed +voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde, +of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje, +door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de +straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de +lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje, +dat ze zelf mende, in moest houden, om hen één voor één te kussen. Ze +bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want +iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende +daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden. + +Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon; +en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte, +met een vreemd lachje van steen. + +De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder +verstand en goed hart te waardeeren. + +Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend +leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als +een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden +zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet, +en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar +soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden +droppel mee.... + +--Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen +schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze hééft nooit geleden. + +Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en +de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden.................. + +Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker, +versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor +Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij +haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn +gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en +zachter voor haar was dan vroeger. + +Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht; +maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder, +zeggende: + +--Laat ik je niet vermoeien met zaken. + +Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang, +tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde. + +--Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden, +zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich +oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong +ben.... Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed, +dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet +erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles +is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet +rondwaart.... Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon +van mijn vader moet ik doen.... Zie, dit doet me soms nadenken; en +mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen.... Ze zouden je leed doen. + +Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder +geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar +ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was; +omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden +dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou. + +Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje +in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op +ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding +van het volk eens goed waarnemen. + +Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve +tot gerustheid dwingende. + +Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach +groette. + +--De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als +de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven, +en bij de laatsten slapen ze nog. + +In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op +den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide; +zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen +kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend: + +--Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond. + +Elze richtte zich hoog op. + +--Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie +boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar +ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen, +die u nooit iets misdeed? + +Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm +even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje, +dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar +paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een +wilde zee van nijdige hoofden. + +Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk +gerust. + +Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen, +zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze +naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar +kleed en haren viel. + +Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden +allen haar handen en kleederen kussen. + +Nu kwamen Elze de tranen in de oogen. + +--Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw +kinderen, die me liefhebben! + +--Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje +volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl +de menigte zich verstrooide. + +--Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen, +terwijl hij naar den grond zag. + +Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar +hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar +schuld verbitteren zou. + +Lang en ernstig dacht ze na. + +--Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond +zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo +heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar +heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter, +dan een heel leven vol verdrietelijkheden. + +--Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het +vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar +klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke +duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar +beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar +wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen, +dat ze hem alleen liet. + +Het zou haar óók hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet +bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze +hèm leed zou besparen. + +Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning, +in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las. + +Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou, +wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den +tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen +gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken; +en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd +zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en +bij haar vader te brengen. + +Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet +ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's +Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en +ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim +haar stond te wachten. + + + + + +In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn +diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en +zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten, +was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren. + +In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte +hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom +van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou, +alsof een hemelziel zich op aarde uitzong. + +Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras +witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De +margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het +licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de +donker-groene boomen. + +De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend +tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al +zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn +handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten +tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in +'t zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende +aarde-sterretjes. + +Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de +sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren +die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze, +alle!... alle!... en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes, +die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden. + +Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag +dáár omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht +zilveren nachtegalen-lied. + +En het woud sliep, en droomde. + +En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn +groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos; +en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes +snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk. + +Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in +den ernst van zijn oogen. + +Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes +bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht. + +Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet +zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn +hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve +oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit. + +Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de +Boschgeest dat het Elze was. + +Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de +bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar +op, vragende: + +--Elze, wat zoekt ge mij? + +--Het leed zendt me tot u om hulp en vrede. + +--Elze, is er geen à nder hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan +niemand u helpen dan ik? + +--Menschen kùnnen niet troosten in leed!... + +--Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten? + +--Om de Liefde te volgen. + +--Kan die u niet troosten? + +--Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk +is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk. + +--Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, méér lief dan de +andere menschen: ik kende u, zooals gij mij ... wat kan ik voor u +doen?... Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht, +daar waar Liefde u leidde. + +--Ik kom u den dood vragen! + +Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende +onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan +zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde +tegen zijn koel kleed, en zei: + +--Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der +menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven +gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde +blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet +leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister, +en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik +ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot +voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van +doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te +doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen, +ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling +van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik +ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood +die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien +dood niet geven; want gij zijt jong, en móógt niet sterven. Ook weet +ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort +in mijn rijk. + +--Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht +de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want +wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel.... Ik kom u +vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik +kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten +laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer +te ontwaken. + +Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te +zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben +aan degenen die ik liefheb ... om later weer terug te keeren tot het +leven dat vrede was ... al was het geen gelùk. + +Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer. + +--Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en +wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief ... dáárom wil ik +u helpen. + +Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil +vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge +veilig zult zijn: bij uw vader. + +Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend +kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar +Elze toe. + +--Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles +aan mij over. + +Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar +schat door niemand opgemerkt het paleis binnen. + + + + + +Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield +zich zóó ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd +maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets +van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter +zij hun onkunde verborgen. + +Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een +smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan +de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in +stelde, te hooren hoe haar toestand was. + +--Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden, +schreien!... dacht ze bitter. + +Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van +sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over +haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen +in haar handen, en zei ernstig: + +--Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning; +maar voor ik misschien zóó ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin +zouden worden aangezien, heb ik u één ding te vragen, dat ge mij niet +weigeren zult, nietwaar? + +Snikkend viel de prins op de knieën en verborg zijn gelaat in de lange, +blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede +afhingen. Ook de koning wischte een traan weg. + +--Spreek, mijn kind! zei hij. + +--Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn +vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven, +begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn +liefste herinneringen zijn daaraan verbonden.... Niet waar: gij zult +doen wat ik u vraag?... Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden +in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit +paleis binnentrad.... Zweert ge me dit? + +--We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen +inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult +leven en gelukkig zijn. + +Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen: + + De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, + De liefde brengt beide: geluk en leed. + +Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor +'t eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor +'t laatst. + +--Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten, +en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn! + +De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning +verwijderde zich met hem. + +Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze: + +--Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als +ik u noodig heb. + +Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen +ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins +te verzekeren. + +De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in. + +Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een +leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel +te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen +verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden +koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn. + + + + + +Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over +haar heengebogen. + +--Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw +verstand. Ge doet een goede daad. + +--Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest +kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde +haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze, +dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond +dat naar de woning van haar vader voerde. + +Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog; +en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen +kuste ze hem op het voorhoofd. + +Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach: + +--Zoo, ben je daar al?... Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet +wonen bij spreeuwen, uilen en valken. + +Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal +was gekomen, zei ze: + +--Nu wil ik mijn haren afknippen. + +Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om +haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud; +en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist. + +--Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje +verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer.... + +Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende +Christusbeeld aan den muur. + +--Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal +je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren. + +Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook +zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte +maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest; +en werkelijk leek het haar zoo. + +Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard +aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde +zóó, dat ze duizelde. + +--Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl +hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast. + +De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat +het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's +vader zien. + +Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat +het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk +gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende +flank, denkende: het paard herkent me; hij niet! + +--Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets +te zeggen. + +--Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is ... antwoordde Elze met +veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen. + +--Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken +uitbarstend. + +--Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed +te houden. + +--Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk +langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier +ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk +eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg +hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet +hij niet denken!... Nu zal ik maar gaan!... Goeden dag!... Je zult +de boodschap wel overbrengen, niet waar? + +--Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels +over. Zonder haar aan te zien reed hij weg ... terwijl Elze op haar +knieën zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten. + +Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten +Christusbeeld neerknielde. + +--Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!... + +Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader +thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd. + + + + + +Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren +zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was +nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen: +een jongen en een meisje. + +--Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze +bij zichzelve. Ik zal nu toch wel wáárlijk dood zijn! + +Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en +ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken; +maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep +gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking." + +Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool +van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant +te lijken. + +Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning, +waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar, +wat ze wilde. + +--Den koning zien, zei ze. + +--Je bent moe! + +--Ja; ik kom van heel ver. + +Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos +de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten. + +Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den +koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee +lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw; +en de koning zag er tevreden en gelukkig uit. + +Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning +had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar +muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond, +dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk +juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig +voorbij reed. + +--Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter. + +Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek +waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen +tranen meer had. + +Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen +graf geschreid! + +Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden. + +Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden +zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf.... Het is goed +zoo.... Ik heb dit gewild.... Het was dus goed wat ik deed! + + + + + +Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen +hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen. + +--Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen +glans in de vriendelijke oogen. + +--Waarom vader? + +--Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven +zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den +koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst +is!... Gij, Elze, zijt een heilige! + +--Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw.... Ik heb hem +méér lief dan mezelve.... En nu is Elze tweemaal dood; want eerst +heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven háár overwonnen. + +--Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen, +van een die géén begeerte meer heeft. + +En zoo was het. + + + + + +DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE. + +In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een +watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage +eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende; +en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen +de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen, +waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de +onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de +stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende. + +Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen +ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden +te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende +uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals +ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door +hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen, +daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht +en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol, +zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft +naar hoogste kracht van uiting. + +Door het dal gleed een beekje. + +Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging. + +Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen +hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak +bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende. + +Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen +brug over hem heen, het dal met den molen verbindende. + +Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen; +en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad, +dat wagens met zakken vol tarwe en maïs naar den molen leidde. + +Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels +en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als +de wind hen even streelde. + +Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje, +groeiden sierlijke brandnetels. + +De menschen houden niet van de brandnetels, nu. + +Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten +en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi. + +En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij, +dat de menschen hen ook mooi zouden vinden. + +Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begééren wat ze mooi +vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen +ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die +zich naar hen uitstrekt. + +Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit, +en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde +krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze +wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft! + +De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus +boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten: +dat de brandnetels leelijk waren. + +De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de +menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet +kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten, +tot de lieve God-zèlf hen plukt. + +Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug +waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven +enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare +on-verwinbaarheid durvende. + +En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen, +en het dal te verbinden met den watermolen. + +Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen +had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden +wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij +'t werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere +vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in +'t water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun +fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende +als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop, +deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in, +en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken +damp in het dal. + +De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want +de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden +menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen +bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen, +vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun +graf: de zwijgende aarde. + +De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf, +en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg +hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan. + +Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich +teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde +krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels +met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden +helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze +bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen. + +Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in +'t midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen +wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen +wilden laten.... + +Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker. + +Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken +plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw +leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon +men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren. + +Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een +watervalletje dichtbij gevende. + +Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende, +dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet. + +Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet +stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer +insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende +sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom. + +Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons óók niet aan +den winter; net als jij! + +En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen, +vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst, +die geen macht over hem had. + +Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag +sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht +vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook, +als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen. + +Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in +den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken +zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in +winterslaap kwijnde. + +Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de +bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal, +langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat +ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar +menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan +... mééstal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen +woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het +zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen. + +Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar +gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het +als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al dóór, al dóór, omdat +het niet zwijgen kòn, van het beeld dat het opgenomen had in zijn +rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed, +moe van 't werk-doen. + +Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de +weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals +de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van +hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind, +en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote +sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En +haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water +wevende molenrad. + +Vóór het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje +wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was +op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille, +bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het +had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met +de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet +vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende +van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien +tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve +verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het +meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het +groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even +bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met +de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en +gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan +de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge, +gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En +de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen, +die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het +bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant, +waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende. + +En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel +bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde +te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets +mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht +aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog +hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag, +stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde +het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele +brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde +even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De +blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras, +hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van +boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het +kindje komen zou in het dal. + +Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs +het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en +onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond +uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun +rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het +de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte, +niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame +bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de +hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen, +niet verder zeiden. + +Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als +vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke, +slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden +het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; tè gevoelvol; +tè angstig. + +Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de +boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in +vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager. + +Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind +niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over +'t zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen +woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen +dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht +werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht, +op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende, +dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind +zag het niet. + +En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de +dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende. + +En traag gleed het beekje dan heen. + +Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het +blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde +verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen +de oogen te raden.... + +Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde +kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde, +weemoed die vèr weg zag, en wist van spoedig heengaan. + +Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd +'t blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw, +met donkere stralen. + +De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal +geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zóó, dat het +blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en +"Moedertje ... moedertje!" snikte. + +Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje +alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje +niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer +roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden. + +Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde +rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes +opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de +wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes +die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen à l dieper, +à l dieper werden, en verhaaltjes vertelden. + +Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal, +en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een +zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, héél langzaam.... De +witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat +geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht +was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En +het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet, +niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende. + +Lang duurde het, vóór het blonde meisje weer kwam bij het molenrad; +en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals +vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen +nòg dieper, nòg donkerder waren geworden, en al maar vráágden, zonder +te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen, +en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer, +die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen +op het donkere kleedje lagen. + +Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar +vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de +witte man het roepen, en het ging. + +En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger, +en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke, +stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen +den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertèlden. + +Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't +voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer, +en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar +zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm. + +Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te +worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de +dennen, sloeg het boek open, en las. + +En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje +gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen +in 't leven. + +En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en +op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat à l maar las, langzaam +nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek +met sprookjes. + +Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij +gelezen had. Dan lag het boek op haar knieën, en volgden haar oogen +het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en +licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois +en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen +vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde +ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht. + +Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf +verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het +beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het +beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde +voort, zóó mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg, +en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes. + +Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken +moesten worden opgeladen, of leeg gedragen. + +Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het +dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar +voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de +blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend. + +De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons! + +De hooge dennen zongen: Bij ons!... en het blonde kind zag op naar de +blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde. + +Dit had het beekje gedaan. + +Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels +staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje +hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de +brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen; +maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar +sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden +kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben +wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven +God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht +verkorten, dat Hij wilde laten voortduren. + +De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm +in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij +'t molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek +alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam +luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel +stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief, +droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen, +zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie, +wondere dingen rond-dwaalden. + +Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog, +zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den +glooienden oever aan ... den prins ... uit haar sprookjesboek. Hij +lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht; +maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde +meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees +haar anders te zullen verjagen. Het was zóó iets wonderlijk liefs, +dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren +languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst +dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe +sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze +blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje, +dat hen meenam, het dal in. + +De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone, +wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn +armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen. + +Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige +geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als +iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende. + +Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het +stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen, +en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag. + +Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen, +in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los, +die nu tusschen hem en haar dicht sloeg. + +Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen. + +Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes, +zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam +afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek, +doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast; +en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins, +die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog. + +En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden, +en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was. + +--Wat lees je? vroeg eindelijk de prins. + +Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las, +zijn oogen nu geheel openend: + +--Sprookjes? + +--Ja. Jij bent zeker een prins? + +Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins. + +--Ja; zei hij. + +Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen +zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning +over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord, +dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hóóg houdende. + +--Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je +al eens betooverd geweest? + +--Ja; zei de prins, en hij jokte niet. + +--Vertel eens! + +Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden +oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het +gezicht van den prins. + +Hij sloot weer de oogen. + +--Even denken, wat ik je vertellen zal. + +Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in +'t gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen +gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden +tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem +hield ze soms in ... dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende +oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje, +half open, luisterde mee. + +Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar +oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden. + +Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend +aanziende: + +--Je woont zeker in een kasteel? + +--Ja; zei de prins. + +Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht +er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug +neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen; +want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren, +binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag, +trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde +van schoonheid alleen. + +--Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind. + +--Misschien; later.... Woon jij hier? + +--In den molen?... Ja ... eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel: +ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen +mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik dènk altijd ergens anders. + +--Je woont hier toch niet alléén, wel? + +--Neen ... mijn vader nog. + +De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje +weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in +zich komen. + +--Ben je veel alleen? + +--Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de +knechts ook.... En dan ... ze mógen me niet graag; ze noemen me +prinsesje.... Ze denken dat ik trotsch ben ... maar, dà t is het niet! + +--Wie heeft je lezen geleerd? + +De mooie, heldere oogen zagen hem aan ... en in hun diepten smeekte +het. + +De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden +had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu +een stroeve trek om haar mondje kwam. + +--Lees je veel? vroeg hij verder. + +--Neen, ik heb maar één boek. Dat is nog van háár, en ik ken het +heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat +denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel +het beekje ook wel eens wat. + +--Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi! + +--Verhaaltjes zijn altijd mooi.... Heb je wel eens kabouters +gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je +kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de +elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen +in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met +bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen; +en ze zingen ... soms heel treurig ... meestal wel treurig ... maar +dat is juist zoo mooi!... Wanneer neem je me mee naar je kasteel? + +--Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen. + +Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot +een gelijke. + +--Waarom niet? vroeg ze. + +--Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug +vinden.... Ik kan nu ook niet zoeken. + +--Waarom niet? + +--Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden. + +--Hier? + +--Neen, in 't dorp, achter de bosschen. + +Het kind dacht na. + +--Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze. + +--Neen. + +--Weet ik het dan alleen? + +--Velen gelooven het niet! + +--Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins! + +--Waarom? + +--Je hebt het gezicht van een prins!... Ben je erg ziek? + +--Ik weet het zelf niet. Misschien wel. + +--Zou het mogelijk zijn dat je dood ging? + +--Ik weet het niet.... Misschien wel. + +--Vóórdat je weer in je kasteel bent? + +--Misschien wel! + +Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind: +angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige +blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met +hoopvolle oogen: + +--Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er +mij dan brengen? + +--Ja: dà t zal ik! + +De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje +gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die mìsschien +sterven zou.... + +En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken +niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes, +en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was +zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder +was dan tien. + +Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt +kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn, +en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom +zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar +schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje, +met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk +afstak bij het kinderlijke van haar manieren. + +Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den +smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft, +waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen. + +Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot +den jongen man, die haar als een wonder aanzag. + +Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf +af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals +een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en +drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat, +hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of +spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang...? + +Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen. + +--Als je naar den hemel gaat, vóórdat ik den sleutel van het kasteel +heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze. + +--En je vader dan? + +--Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!... En... er +is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben. + +--Moeder zeker..., zei de jonge man zacht. + +Het kind knikte. + +--Nu moet ik weg!--een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je +gaat zeker ook heen straks. + +--Ja, straks. + +--Zal je weer komen? + +--Ja, ik zal komen... als ik kan. + +--Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet +deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze +niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi? + +--Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn... en... wij +zijn toch ook menschen? + +--Neen, dat geloof ik niet! + +--Wat zijn wij dan? + +--Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook +wel, en jou ook... dan geloof ik niet dat jij een mensch bent! + +--Misschien niet! + +--Waarom zeg je altijd misschien? + +--Omdat ik zoo weinig weet. + +Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer +het blonde hoofdje. + +--Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid! + +Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze +tusschen de wilde rozen. + +En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het +beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe. + +En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins, +en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder +wachtte............. + +Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende +al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste, +donkere dennen. + +Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte +tusschen de rozenstruiken op den prins. + +De rozen, een beetje verrégend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen +het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek. + +--Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt +hij niet ... zei ze, zich vooroverbuigend om te zien. + +Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder, +tot zij ze niet meer zien kon. + +--De prins komt niet ... zei ze, neerzittende onder de dennen, bij +'t bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte. + +--De prins komt niet ... herhaalde het beekje en gleed heen. + +--De prins komt niet ... zongen de wilde rozen. + +En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien; +en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, héél ver, +zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het +beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij +'t rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek, +zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en à l maar tuurde naar +'t donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte, +en à l maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met +lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond. + +Den volgen dag kwam de prins. + +'t Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met +een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met +sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere +zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden. + +Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek. + +Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende. + +Toen keek ze rond. + +--Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in. + +De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij +den molen verlicht werd. + +--Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen. + +Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den +oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst +gezien hadden. + +--Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik. + +En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve +van zijn moe gezicht heen. + +--Is 't héél mooi? vroeg hij. + +Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen. + +--Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht. + +De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de +wilde rozen in 't donker van de dennen. + +Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende +dit óók te doen. Zoo zaten ze stil bijeen.... En 't zwarte rad woelde +donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier +daalde over het dal en over den molen. + +De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water +het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans +over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag +hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij háár aanzag. + +--Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende. + +Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder, +en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen +gedachten. + +De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden +met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze +hem haar grootste geluk mee deed genieten. + +Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen, +en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote +vraag-oogen recht in de zijne zagen. + +--Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn +kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het +kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen.... Begrijp je me? + +De ernstige oogen, droevig, zeiden ja.... + +--En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan +op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nóóit, klein +prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij.... Misschien zullen +wij er dan óók mooie boeken van maken.... Later ... want ik zal je +niet vergeten!--Zul je het doen? + +--Ik zal het probeeren!... zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar +keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals, +en kuste hem. + +--En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer +een brengen, zoolang ik kan ... zoolang ik kan.... Maar nu moet ik +gaan. Dag prinsesje! + +--Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met +een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij +'t molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het +beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het +nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen. + +Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad; +maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam +ze niet meer; maar bleef in den molen. + +En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en +zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind, +dat maar niet kwam. + +En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te +kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf +gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs +de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het +stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde, +van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar à l wegbleef. + +Toen, op een helderen najaarsdag, de wilde rozen droegen glanzend-roode +bottels tusschen hun gelende bladeren, kwamen weer zwart gekleede +mannen over het brugje; en toen ze heen gingen, droegen ze een zwarte +kist. Het blonde kind, met de sprookjes-oogen ging naar moeder.... + +De witte man die in den molen woonde, volgde hen: ouder en meer +gebogen, dan toen hij eenmaal achter die andere kist ging; maar er +even strak en stuursch uitziende. Toen hij over het brugje ging, keek +hij even opzij naar 't zwarte rad, dat stil stond, klemde toen stijf +de lippen opeen, en volgde de mannen, die de kist droegen, het dal in. + +En 't beekje huppelde angstig den somberen stoet na, vragende, niet +begrijpende.... Het volgde de zwarte kist zoolang het kon, klagend +vragende, tot in het dorp, waar het schreiend murmelde langs de huizen, +niet begrijpende.... + +De brandnetels bij 't verweerde brugje zagen de zwarte mannen na, +en schudden langzaam hun nu bruin-groene krullokken. Ze wisten dat de +lieve God hen weldra plukken zou, zooals hij het blonde mensch-bloempje +geplukt had, dat beter thuis zou vinden in Zijn hemel dan op de aarde. + +Twee dagen later, het zwarte rad wentelde weer, werd er een nieuw +sprookjesboek gebracht: voor 't kleine prinsesje, van den prins. + +De witte man, die 't boek aannam, opende het niet, maar lei het weg, +bij nog andere boeken, en bij groote vellen wit papier, beschreven +met een stijve kinderhand. Toen, niemand zag het, beefden zijn anders +zoo rustige lippen, en een paar groote tranen werden weggeveegd met +de bovenzij van zijn ruwe hand. + +Later schreef hij een moeilijk leesbaar briefje aan den prins, wiens +adres in de boeken stond, omdat hij ze zelf gemaakt had. + +Toen de prins het wonderlijk briefje kreeg, luidende: "Mijnheer, +stuur geen boeken meer. Het kind is gestorven. U is vriendelijk +bedankt."--zat hij lang, recht voor zich uit te staren; en zei toen +zacht voor zich heen: + +--Arm kind!... Arm prinsesje! + +Arm kind, arm prinsesje, dat de macht van het woord onbewust bezeten +had, zooals hij het bewust bezat, en een streven naar schoonheid, even +groot als hij. Arm prinsesje, geboren met hoog-vorstelijk bloed in de +aderen, dat nu nooit koningin zou zijn, zooals hij koning was geworden. + +Lieve, reine herinnering, waar hij zooveel aan te danken had, en die +als een schoon beeld voort zou leven in zijn werk en in zijn gedachten. + +Arm kind, arm prinsesje, gestorven ... dood ... weg ... in 't eeuwig, +zwart geheim!............ + +De zomer, die volgde op een langen winter, waarin de molen als dood +in het dal had gelegen, zag weer het zwarte, bezige rad zilveren +glans-waden weven, en kleurvonkende droppels spatten, naar de wilde +rozen, die toezagen in roze verwondering, wijd open. + +Hij zag weer het beekje het dal inglijden, nadat het werk gedaan had +bij den molen, waar het rad rond wond en woelde en zong en ruischte +onder de donkere dennen; en hij hoorde het beekje vertellen, klagelijk +murmelend: van het blonde meisje dat eenmaal woonde in den molen +van het dal, waar de brandnetels groeien, totdat de lieve God-zélf +ze plukt. + + + + + + + +Van Marie Metz-Koning verscheen bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum: + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. Vijfde druk. Teekeningen en band +van S. Moulijn. Ing. f 0.90. Geb. f 1.30. + +HET BEELD OP DE ROTS. Tweede druk. Met 5 lithografieën en band van +S. Moulijn. Ing. f 2.90. Geb. f 3.75. LUXE-UITGAVE. 50 genummerde +exemplaren. De steenteekeningen (Epreuve d'Artiste) gedrukt op Japansch +papier. Gebonden in perkamenten band f 10.-. + +GABRIËLLE, Omslag en bandversiering van J. Toorop. Vierde druk. Ing. +f 1.50. Geb. f 2.25. Gewoon geb. f 1.90. + +GABRIËLLE. Tweede Boek. Bandversiering van J. Toorop. Tweede +druk. Ing. f 1.90. Geb. f 2.65. Gewoon geb. f 2.30. + +DOMINEE GEESTON. Omslag en bandversiering van Herman +Teirlinck. Ingenaaid f 3.50. Gebonden f 4.25. + +VERZEN 1e (2e druk) en 2e bundel. Met portret. Gedrukt op geschept +Hollandsch papier. Ingenaaid f 1.75. Gebonden f 2.50. + +NACHT-SILENE. Illustratiën en band van S. Moulijn. Tweede +druk. Ingenaaid f 2.90. Gebonden f 3.90. + +VAN EEN SCHOONEN DAG. Ing. f 2.90. Geb. f 3.90. + +INTERMEZZO. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25. + +PETERKE'S BEELDENSTORM en andere Dorpsgeschiedenissen. Ingenaaid +f 2.50. Gebonden f 3.25. + +Een fraai uitgevoerd PORTRET in Heliogravure, gedrukt op geschept +papier, is verkrijgbaar a f 1.-. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde +by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 10334 *** diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..1be1d94 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #10334 (https://www.gutenberg.org/ebooks/10334) diff --git a/old/10334-8.txt b/old/10334-8.txt new file mode 100644 index 0000000..bdcdb30 --- /dev/null +++ b/old/10334-8.txt @@ -0,0 +1,5069 @@ +The Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde +by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Van 't viooltje dat weten wilde + +Author: Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) + +Release Date: November 29, 2003 [EBook #10334] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE *** + + + + +Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team. + +Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team. + + + + + + + + + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE + +DOOR MARIE METZ-KONING + + + + +INHOUD. + +Van 't Viooltje dat weten wilde +De Tulp en de Madeliefjes +Elze +De Watermolen. Wat het Beekje vertelde + + + + + + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. + +In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein +viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als +denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid +angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch. + +Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen +reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige, +eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de +moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen +ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is. + +Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer, +glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw. + +Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van +het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer +licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje. + +Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het +ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende +van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche +boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over +het zandpad elkander raakten. + +Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag +aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming +wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle +op gelijken afstand van elkaar. + +Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen, +van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende +boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek +angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar +heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het +pijn wou doen. + +Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel, +en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht! + +Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel +eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't +licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen, +toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk +daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind +wat sterker werd. + +De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet +zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!... het +fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode +takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven +haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen, +weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer, +zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze +geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend! + +Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen, +toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't +verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog +in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze +er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar, +zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren: +de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en +toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde, +toen ze niet durfde luisteren: de melodieën die de dennen zongen in +den nacht, en de melodieën die ze zongen in 't licht, telkens andere, +en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen +wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen, +dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar, +dik-zwart, één waren met den nacht. + +Dit alles boeide haar. + +Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen, +ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap +zonder droomen. + +Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen, +nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar +rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar +aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in +de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk +voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het +had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig +air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was, +scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen +kant kon ze maar even zien. + +Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop, +met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen +onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van +omhoog zitten, en wijs neerzien. + +Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje: + +--Hè, wat is dat? + +--Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap +stoor! 't Was bij ongeluk! + +--Maar wie ben je? + +--Ik heet kikker! + +--Wat doe je hier? + +--Wel, springen, natuurlijk! + +--Waarom? + +--Waarom! waarom! omdat ik het doe! + +--Moet je het dan doen? + +--Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op +dezelfde plaats blijven! + +--Waarom niet? + +'t Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan. + +--Hoor eens, zei deze, als je nu nog één keer "waarom" vraagt, ga ik +heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen +"waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me +altijd erg uit mijn humeur brengt. + +--Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd +zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan? + +--Op 't oogenblik van den straatweg. + +--Wat is dat? + +--Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal +steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en +hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over +heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al. + +De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat +zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde. + +--Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje. + +--Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien! + +--Wat zijn menschen? + +--Dieren, net als ik, maar veel, véél grooter. Zie je, jij bent een +plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun +twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen +ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan. + +--Waarom doen ze zoo? + +--Wat heb ik je gezegd? + +--O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje +nederig. + +--Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te +leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel; +dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij +is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat +zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De +duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen +elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel +ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen; +ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood? + +--Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje. + +Ze voelde zich héél wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en +een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor +dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet! + +--Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait +en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig +de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En +evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuïtie hun vóórzegt, +raadde ze goed. + +--Den wind meen je! + +--Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor +het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets +heel ergs. Misschien is dat de duivel wel! + +--Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last +van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als +je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er +veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond; +dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die +raden elkaar óók altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg, +hoe oud ben je? + +--Wat bedoel je daarmee? + +--Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan? + +--Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en +daarna is 't nog eens weg geweest. + +--Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je +nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm +komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je +zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de +dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken +worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het +kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft, +en of de aarde van binnen kermt! + +--Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me! + +--Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding +als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken, +bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder +me over niets meer! + +--Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje. + +Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben. + +--Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een +grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn +erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt +niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor +ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk +wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je +niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten, +dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets +liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan +hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe +meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze +nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met +alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen +dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk +heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze +praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen, +net zoo min als "waarom" vragen. Eén ding is zeker: als ze je eenmaal +meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je +niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat +kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag +toch héél wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms +wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je +staan kijken, of er héél wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik +alleen van hooren zeggen. Vader zag zóó iets nooit! + +--Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker +zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al +begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten; +beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van, +als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg +te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was +'t gezellig, iemand zoo bij zich! + +--Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen. + +--Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er +is zooveel, zie je! + +--Wat is dat! riep opeens het viooltje. + +Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het +plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de +denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was. + +--Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms +'s nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten +weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen. + +--Slapen die dan nooit? + +--Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt +niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk +je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze +"duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed +altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan +vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen +wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls: +'t Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat +ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal +moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil, +en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en +moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze +maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen; +en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk. + +En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zèlf eerst maken. Niets +doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel +vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn: +zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen +doen ze niets! Niet eens, hoe je je ècht lekker voelt. Ik houd het +er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat +ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen +van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal +leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets +weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch +niet énkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al +weer zijn, om maar veel te doen hebben.-- + +--Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte +pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte. + +--Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze: +Man; die witte: Vrouw. + +Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit +vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms +een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt! + +Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker +in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken +opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even +straalden en verdwenen. + +Zoo zag het viooltje. + +Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten, +boven het hoofd van de Vrouw. + +Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte. + +De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op. + +De Man zag haar aan, en zei: "Ja." + +Toen weer stilte. + +Langzaam, héél langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten +vast hield; en ze spraken niet. + +--Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen +mooi vond. + +--Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten +de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen +ze. Stom! eenvoudig stom! + +Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne +iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al +maar zwijgend. + +Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen. + +--Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft +je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn! + +Nu was de Man het dichtst bij het viooltje. + +Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen: +"Ik heb je nog zooveel te zeggen!".... + +De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien, +want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't +lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien +met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei: +"Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo.".... + +Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over +hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan +strak liggen op den grond. + +--Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te +zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat +doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar +ben ik zeker van! + +--Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje +rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd. + +--Vindt je dat dan zoo prettig? + +--Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik +houd zoo van licht! + +--Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht +hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en +van 't alléén zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan? + +--Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze +weêr kwam! + +--Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht! + +--Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien +hebben! + +--Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet +kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde +de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken, +en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten. + +--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht +'t viooltje. + +De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan +het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes +tegen hem op. + +--Het licht van háár stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van háár +hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer. + +De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar. + +--Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje. + +--Naar niets! + +--Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem! + +--Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en dááraan +denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is, +omdat ze veel te doen hebben. + +--Hij zag het licht van haar stem! + +--Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets +van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel +verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net +als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste +avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet +wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan +doen. Allemaal gekheid... stòmheid... Natuurlijk doen ze weer zoo, +omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen: +ik wil niets te doen hebben! + +--Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem! + +--Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven, +en alles vertellen wat ze te zeggen hadden! + +--Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't +mijne wezen! + +--Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in +hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze +een papier hebben waarop staat dat ze het mòèten doen. Dàn doen ze +'t, al zouden ze véél liever niet bij elkaar blijven. + +--Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat +iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen: +je moet héél graag blijven of heengaan! Ik zou 't wàt naar vinden, +als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik mòet bij +je blijven. + +--Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze +wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen +ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de +duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort. + +--Dan vind ik den duivel zoo erg niet! + +--Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge +deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dòm!! + +--Hoe kwam je vader bij de menschen? + +--Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot, +dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land, +naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen +kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam +hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half +vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk +ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken +dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij +de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij +zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen +de zon buiten zóó lekker scheen, dat vader boven op het laddertje +geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zóó te +verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat +is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak, +en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om +zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen. + +De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich +altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er +geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al +aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis +woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt, +en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje +valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het +menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We +vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo +mooi van zijn avonturen vertellen toen! + +Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet? + +--Blijf je hier? zei verheugd het viooltje. + +--Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen. + +--O, héél veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je +bent zoo knàp... Je wéét zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden, +als ik wakker werd, en je was er dan nog. + +--Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik +overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei +de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig +neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren. + +--Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem! + +--Ik droom nooit. + +--Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen: +"Wat is het mooi hier!" + +--Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij! + +--Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij, +om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den +kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit +niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn. + +--Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde +niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig +lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in +zijn kop. + +Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten +of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem +zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde +houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap. + +Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze +sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het +geluk, niet meer alleen te zijn. + +En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen. + +En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen +hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame, +hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt +het lichtende geluk in zich, overal. + +Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond, +en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten +naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe +dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en +wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde +houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar +zijn mooie, zachte, gemarmerde borst. + +Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje: + +--Ben je wakker? + +--Al lang! zei de kikker bedaard. + +--Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen! + +--Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen. + +--Wat is dat? + +--Waar ik zal gaan eten! + +--Wat is eten? + +--Dat moet je doen om te blijven leven. + +--Ik doe het toch nooit!... + +--Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet +wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde, +met je wortels die er in vastzitten! + +Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar +gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat +met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat +de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe +gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep +nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was +dat wonderlijk! Waarom zocht je bóven de aarde, als je van de aarde +leefde? Waarom? + +--Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van +haar overdenken. + +--Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding +bewarende. + +--O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan +'t geen ik niet begrijp. + +--Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel +eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit +pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden! + +--Je komt toch weer terug? + +--Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan +dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur. + +--Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan +iets denk? + +--Praat er dan niet over. + +--Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar +eten en kom gauw terug. + +De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van +'t stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door, +tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen. + +Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om +heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte +oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam +van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar +gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens. + +Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur +dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen +alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen, +dat over haar heen hing als een dikke sluier. + +Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn +gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer +alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse, +onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen +denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen. + +--Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop. + +Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar +die lieve stem-muziek. + +--Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij +meenam, opdat ik haar àltijd zou kunnen hooren! + +Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die +zorgde dat ze leven kon. Wat dàn?... Door een kleine opening in de +dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den +blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht, +en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende. + +Maar het licht kuste haar, en zweeg. + +Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door, +de stem van de Vrouw hoorde. + +--Háár stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren. + +Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast +zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem +hoorde; en teleurgesteld riep ze uit: + +--Het licht is uit haar stem! + +Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante +niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man, +maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en +beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte. + +--Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het +licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje. + +De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden, +riep zoo hard ze kon: + +--Vrouw!... Vrouw!... Vrouw! + +De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte +violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren, +liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog, +denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam +door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras, +en keek naar den grond. + +De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en +luisterde.... + +--Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje. + +Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet, +hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze +wijd, wijd open omhoog zagen.... + +En ze zag een licht komen in haar oogen, en nòg een licht en +nòg een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke +wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag, +kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende +er in, en ging naar de Gedaante, zeggende: + +--Aardig, dat ruischen van die dennen! + +--'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig +naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet +sentimenteel zijn! + +Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur +zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de +morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen. + +--Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het +zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't +viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken. + +Juist kwam hij aanspringen. + +--'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer. + +--De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje. + +--Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man. + +--Zoo, was dat óók een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak +veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem. + +--Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze +nú wel. + +--Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar +oogen, toen ik haar riep. + +--Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat +is héél zeldzaam! En kwam ze bij je? + +--Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en +luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen, +en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet +je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan, +of bij me houden. + +--Dat waren tránen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tránen! Die +kàn je niet weervinden! + +--Tranen! Wat zijn dat? + +--Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van +de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet +weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels +die neervallen. + +--Wat zijn dat? + +--Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel +eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet +zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei +kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als +je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de +plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes. + +--Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde +'t viooltje. + +--Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen? + +--Neen, wat is dat? + +--'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch +wel lichtjes? + +--Ja! + +--Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er +niets over van hun licht. Dat is dan óók weg! + +--Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet +dat zoo zijn? + +--Begin je al weer met den duivel aan te roepen? + +--Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden +op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten +waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die +mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de +aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze +aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet! + +--Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet. + +--Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen? + +--Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles +heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever +niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Láten ze het dan niet doen! Ik +vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet +met dingen die je niet aangaan! + +--Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik +wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat +ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet +laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed? + +--Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat +hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik! + +--Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi +hier"; vindt dié dat dan goed? + +--Die heeft natuurlijk óók veel te doen! Daar komt bij de menschen +alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat +anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding, +nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden. + +--Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg +is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde +het viooltje weer. + +--Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! Hè, +wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen! + +En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen. + +De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad, +en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij. + +--Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon. + +De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel +donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed +weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen. + +--Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie +eens! Zie eens! + +Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel +donker. Hij zag recht voor zich uit en ging. + +--Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hóór +toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht +is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie, +mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezién!... Ik heb +het gezién!... + +De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn +pas, en verdween. + +--Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur +verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet +eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel +gauw dood. Hij dacht óók weer dat de dennen riepen; dat was je geluk, +anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen! + +--Ik wóú het!... Ik wóú dat hij me mee genomen had; dan zou ik +misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig +maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hèn, als ik dan maar éérst weet, +wat zij weten! + +--Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel +bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij +meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet +aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim, +heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het +nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit +iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet! + +--Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och, +wien zóú ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet +hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens +luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders +was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch +nóóit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet! + +--Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo +dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er +van, dan doen ze dat tòch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond, +vouwen hun vóórpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden" +zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op +den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd +heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't màg +volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort; +en vader wèrd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den +gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders +doen; want antwoord krijgen ze tòch nooit. + +Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je +meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden +ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens màg. + +--O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vrééselijk +treurig!... snikte 't viooltje. + +--Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat +afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet. + +--Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil óók +bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door +"waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden. + +--Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist +voorbij vloog. + +--Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het +uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig, +innig treurig. + +--Je bent sentimenteel! Dát is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen +lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten +van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar +het beste, als ik je alleen liet. + +De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over +het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad, +waar het weiland was. + +Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die +gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet +mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond, +zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante.... + +Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze +mòèst denken, en treurig zijn, als ze treurig mòèst zijn.... + +--Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed +met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is, +als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik +ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en +springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben, +en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt +je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik +alleen: dat ik nóóit iets weten zal! nóóit iets begrijpen kan! + +--Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is +in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap +te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan, +op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou +dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet! + +--Dat ìs 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders +zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw, +en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel, +net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik +kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is, +en dat ik weten wil, waaròm dat zoo is.... + +--Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom; +alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien +kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger +bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals +ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat óók altijd +tegen elkaar. + +--Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...! + +--Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu +ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft, +geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen +en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de +storm komt en ik ben er niet meer? + +--Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zóó +erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot +hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren +om antwoord. + +--Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van +alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt tòch nooit!... Nu, +ik ga dan maar! Goeden dag! + +De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed +en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets +hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem +opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van +'t praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen, +moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen. + +Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet +het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx +te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel +succes had. + +--Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank +je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood +ben misschien. Ik kan tòch niet leeren, om net als de menschen, +te praten over wat ik nièt denk, en te zwijgen over wat ik wèl +denk!... Vaarwel!-- + +En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist, +dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer +alleen te zijn. + +Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude +kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar +vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer +gedaan hebben om hèm, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud +om aan te raken! + +--Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele, +geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje +ziende. + +'t Viooltje wàs sentimenteel; en dat wàs vervelend. Hij kroop +langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind +van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen +hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland, +waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en +paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot +genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van +de menschen, waar hij zooveel van wist. + +"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben, +'t Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende. + +......... + +Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige +omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen, +en vroeg "waarom?" + +En haar stemmetje ging wèg in het ruischen van de altijd-groene, +statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur. + +Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de +dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?" + +En haar licht stemmetje stéég in het zwijgende licht, dat het wègdroeg +... zonder antwoord te geven. + +Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?" + +En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg. + +Zoo gingen lange, lànge uren voorbij. + +Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne +blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten. + +Ze werd heel stil. + +Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer. + +Ze kwam zacht, alléén, over 't mulle pad. + +Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen. + +--Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde. + +De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief +de gevouwen handen op. + +Toen gebeurde het. + +Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar +hoofd lei ze op haar gevouwen handen. + +En haar stem, nu héél donker, kwam in het donker héél zacht tot +het viooltje: + +--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?... snikte ze. + +--Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na: + +--Waarom?... O mijn Gòd! waarom? + +En wachtte......... + +En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken......... + +En ze wachtte......... + +Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den +hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het +uitstraalde. + +En wijd ... wijd ... héél wijd...! zwijgend en rustig, als een +gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze +te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen, +vèr boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister +leed, op de zwarte zwijgende aarde. + +En het wétende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende +Vrouw, en op 't viooltje, en zwéég ... als alles. + +Toen zag het viooltje dat het wáár was, dat er geen antwoord is.... + +Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde háár van het +voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden +nu, zonder licht er in. + +--Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien +op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, àltijd! + +De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging. + +--Dat was het éénige Licht ... zei ze.... + +En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna +tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat +kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte +vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo. + +Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het +zag... En héél stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode +bloempje ... om het te zièn.... + +Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve +klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ... + +En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde, +en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen +... wist niemand waarheen die te zamen gingen. + +--Naar het Licht ... dacht de Vrouw. + +Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen, +en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone +schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar +ze vallen. + +Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de +menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het +smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde +doet geboren worden. + +Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op +aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle +schoonheidzoekende zielen eenmaal, om dáár te sterven. Want het leven, +zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid, +alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers, +die niet loslaten. + +Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag. + +.................. + +En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde +hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest. + +Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan +had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong +verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij +wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap +lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal +geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze +altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze +wel wilden doen. + +En hij làchte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs +sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzèlf. + +En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde +niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen. + +En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als +remedie tegen nadenken, dat onrust brengt: + +"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de +Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er +uit de verte mee." + +Zijn vader had altijd gezegd: + +In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die +drie samen zijn de "duivel". + +Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de +menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte +dus de verwarde theorieën van zijn vader na, die ze van de menschen +nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken, +dat onrust brengt. + +Toch was het nog niet zoo héél dom. De theorie was wel wijs; maar +ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die héél deftige +dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten. + +Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar +"iets héél ergs" van. + +En het niet-zoeken noemden ze "God". + +Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en +God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin. + +Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht +dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch wéét ... en die hem +soms zwijgend kust.... + +Altijd zwijgend ... àltijd zwijgend. + + + + +DE TULP EN DE MADELIEFJES. + +Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel +duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje. + +Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan +kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine +kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk +schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over +het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied; +en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad +spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd, +héél wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den +hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik, +opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden +de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets +verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes, +al hun gedachten, vriendelijke en booze. + +De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes, +stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een héél groote Zon denkt +over't doen van héél kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach. + +Die kleine madeliefjes!... ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op +hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken, +puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe +klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij, +de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel +niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke +nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend, +omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest +schijnen... + +Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.--Een +paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets +wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond +komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende, +dan één van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun +stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar +het wonderlijke ding. Zóó verdiept waren ze in de beschouwing er van, +dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje +over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering +stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd, +en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd. + +Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de +dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden +hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde +beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig +vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een +wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar héél eventjes te kijken. + +'s Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet, +en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:--Jammer! zoo'n +jong madeliefje nog, èrg treurig, vooral voor de familie!--over 't +vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan +een rood puntje vertoonde. + +--Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar +zóó iets nog nooit! + +--Als dàt een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte +de ander. Ik ben erg benieuwd wat dáárvan worden zal. + +--Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen, +'t Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van, +denkelijk. + +En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen +ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap +des rechtvaardigen. + +De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een +tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur, +ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar +op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was, +wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week +gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt, +om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt, +door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar; +en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten +in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem, +die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet; +en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes. + +Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde +ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte +bij 't wakker worden. + +Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met +spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel, +waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen, +gevouwen om te bidden. + +Het was nu zóó groot geworden, dat al de madeliefjes het haast +konden zien. + +Dat gaf me een gebabbel! + +De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde +zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn vóór zich geschoven, +waaronder de aarde geduldig wachtte. + +De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle +genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen +die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over +dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot +zich trok, en dat dùrfde!... dùrfde!... anders dùrfde te zijn dan zij. + +--Heb je ooit zóó iets gezien? klonk het vol ergernis. + +--Neen maar, hoe vin je 't? In 't róód! + +--Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in +'t oog loopen. + +--En die rechte houding! + +--En die aanstellerige blaadjes! + +--Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen. + +Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar +de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op- +en aanmerkingen. + +De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het +gefluister om haar heen!... Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit +geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon +mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig +smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal +dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een +vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen +geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel +anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Háár. + +Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van +verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen +om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat +ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel mòèst zijn. Ze kende +zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan: +hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met +dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep +ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes +hard en slecht; en begreep dàn ook weer niet: waarom die zoo lief en +vriendelijk onder elkaar konden zijn. + +Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen +tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te +nemen, en niet verwaand te schijnen. + +Ze was toen héél eenzaam. + +De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun +avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte +rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij, +en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen. + +De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die +sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende +bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde +ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een +zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen +dànkten!... dànkten!... + +Zóó, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van +de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten +van hun avondgroet. + +Zóó viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan +witte bloemen, levende in een donkere weide, héél hoog, en haar lief +toelachende alsof ze hun zuster was. + +Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo +erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer +wat vréémds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard, +en dacht aan de sterren. + +Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste +topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zékerheid; en toen kwam het +aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht +... over àlles heen! + +Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde +jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor +het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden +bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende gehéél, +en het kussende met groote liefde.... + +Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem +straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans +voor gloed weerom. + +Zóó bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even +uitspreidende, opdat ze toch óók voelen zouden, héél voelen zouden: +het Licht! de Zon! + +Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mòcht: of ze zóó meer plaats +innam dan anderen! Ze mòèst het doen! + +Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes +uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende, +zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde +teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze +allen te zamen het Licht zochten, en door één Zon gekust werden. + +'s Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer +'t babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den +grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep +wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden +opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden; +maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van +balsemende Zonvreugde. + +De madeliefjes fluisterden: + +--Heb je 't gezien? + +--Ja; ze doet óók haar bladen open voor de Zon! + +--Wat doet die roode kleur zéér aan je oogen! + +--Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien, +dat ze ons gouden hart mist! + +--Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien! + +--Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen! + +--Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen! + +--Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes. + +--Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan +'t uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden +hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen +naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon +zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je +maar niet daaraan. + +Hóóg op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, héél stil, +in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de +sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht +weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open +kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen, +een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren. + +De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen, +en de tulp droeg het hóóg, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles +weet, wist het. Maar hoe gróót haar leed voor de kleine tulp was, +kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen.... + +En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht, +en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd +stond de eenzame bloem daar. + +Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar. + +Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch +eigenlijk geen kwaad deed! + +Dat waren de liefsten... + +Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering. + +Dat waren de besten.... + +Dan waren er ook, die haar verdedigden, zóó dat zij 't niet hooren kon. + +Dat waren de moedigsten.... + +En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun +halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen +verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden. + +De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch +met de zekerheid van niet begrepen te kùnnen worden. + +De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch +wantrouwend. + +--Ze meent niets van al haar liefheid! + +--Deed ze maar wat gewoner, net als wij! + +--Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je +zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons méé-deed! + +De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken; +en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel +dik, was haar stengel bros en teer. + +--Laat me maar!... antwoordde ze vriendelijk. + +Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig +als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn +stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken. + +Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die +veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood +kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat +zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze +staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende +vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het +schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen. + +.................. + +'t Werd Zomer.--Toen stierven, op een heerlijken, lichten zòn-dag, +al de witte madeliefjes. + +Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze +stonden. + +Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes +lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de +Zon gewend. + +De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland, +brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas, +die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was. + +Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die +haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde, +roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos +in groezelig water, wijd open, moe.... + +Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af. + +Ze was gestorven.... Haar gouden hart bleef alleen over. + +Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit +'t fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele +muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden, +daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee +... omhóóg ... naar den bloemen-hemel.................. + +De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Eén van de kinderen +uit 't arme gezin nam ze één voor één in de hand, ze streelende en +mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte +hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der +blaadjes, het zwarte kruis. + +--Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike.... + +Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend, +zei vluchtig: + +--Ja jonkske; net een kruiske.... Zoo zie je: diën bloem het óók al +zijn kruiske te dragen gehad!... + +En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed, +dien ze zelf nauw wist. + +.................. + +Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd +hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven +aanwijzende. + +De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu +verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats +zou aanwijzen. + +In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten. + +Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was: +bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun +onbekend was. + +Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun +starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde +vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen +elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die +alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes, +met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende +geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille +reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog +zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te +ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken +van verstandhouding met hen wisselden. + +Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die +vreemde bloemen! + +Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een +deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!... boog, +en trad terzijde. + +Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare +rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele, +paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het gehéél lijkende een +vlammend veld... Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende +schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar +de vreemde bloemen... + +Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen +zijn buurtje. + +--'t Was dus een tulp, dat vreemde ding! + +--Zou zij er ook bij zijn? + +--Ze was kleiner dan één van dezen! + +--Zie je haar soms? + +En ze rekten hun tengere halsjes, en kéken en kéken, en na lang +turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij" +er wàs... "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks +durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar +geëerd gezelschap. Maar ze had wéér geknikt, en wéér, als een goede +bekende... Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend +aan een vreemd, zwart aârtje, op haar rood kleed. + +Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze +was niet eens groot; véél kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal +achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar +nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen.... + +Eén voor één traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen +richtte. + +Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche +houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed +de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het, +dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad. + +Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en +fluisterde: + +--Zie je wel! Ik kòn niet anders. Ik was een tulp: een ander soort +bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet! + +Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen +was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte +kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had ... hóóg +boven hen uit!.................. + +Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar +miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden +rood van schaamte. + +Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden; +dat zij hen zou aanklagen! + +Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan +de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo +vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden, +omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden +omhóóg te zien, en niet om zich heen ... dat ze haar goed hadden +gedaan en geen kwaad ... dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan +tusschen hen ... dat ze wel eenzaam was geweest ... maar dat de Zon +haar had getroost ... en de sterren! + +Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal +het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en +mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel. + +Ze mocht héél dicht, héél dicht bij de Zon blijven: bij het Licht +dat haar troost was geweest in haar leven. + +De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten, +en de moedigsten, juichten: + +--Ik wist het wel! + +En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp: +hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar.... + +En de Zon zag de madeliefjes aan.... Ze zag hun blaadjes rood van +schaamte. + +Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon, +die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu +ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok +even haar stralen in ... want ... de Zon moest schreien... En boos, +héél boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al +de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel +boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in +'t klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig +opkeken naar Haar. + +Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen +hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf +als een gedachtenis. + +En zoo is het gebleven tot op dezen dag. + + + + +ELZE + +Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat +hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan +de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo +liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig +zou kunnen maken. + +Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals +de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die +gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte +van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem, +dat zij hem boven alles bezig hield. + +Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en +ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs +trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde +hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede, +met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde +maken, zonder dat hij wist hoe. + +Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken +verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieën. + +Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen, +die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken +veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde +de koning toe. + +--Geluk is rijkdom, zei de een. + +Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af. + +--Geluk is weten, leeraarde een tweede. + +Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de +geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond. + +--Geluk is gezondheid, meende een ander. + +Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren, +die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net, +deed hem zwijgen. + +--Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette +een heel diepzinnig gezicht. + +Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen +duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een +ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon! + +Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de +rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor +en, op de vraag die hem geen rust liet. + +--Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag, +zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't +sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken, +totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge +dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die +niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel, +en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen +bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid! + +Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder +naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim +beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden! + +Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem +vriendelijk opnam. + +Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der +wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning +genaderd, boog hij zich, en zei: + +--O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit +omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij +geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van +het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij +nog even wijs zijn gebleven als één vóór ons, is dit niet ònze schuld. + +Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor +oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer: +vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die +vraag te geven is. + +De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik +u geven kan. + +Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart, +en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons, +en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten +van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af, +is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde +geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij +heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten +doen ontbranden in rustige harten. + +Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij, +zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult +trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en +de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een +mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin +van vredig menschen-geluk. + +De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn +gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem: + +--Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het +al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga, +dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult! + +De grijsaard boog en trad eerbiedig terug. + +--Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de +koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Eén onder u, heeft +u allen gekroond met de lauweren van zijn geest. + +Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken. + + + + + +Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en +stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen +bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven +verrichten bij den prins. + +--Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na +een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon, +den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw +gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn +geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde, +en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in +het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte, +en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht, +en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder +bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens +alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult +hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere +beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor +hun schoonheid. + +Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken +moogt, één woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn: +het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht +moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht, +zijn gansche leven. + +Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins +spreken zal, zóó, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook +hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij +er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de +zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden. + +De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich, +als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen +ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende +daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning +te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind. + + + + + +Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den +prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein, +rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in +haar hart. Daar zong het maar al door; doch zóó zacht, dat zij zelf +het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang. + +De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij +de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor +zijn vader, den koning. + +Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest, +liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende, +zijn krans op den grond. + +Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij: + +--Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen? + +--Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra +zij Uwe Hoogheid zagen! + +--Voedster, er is iets ànders in uw lach! Zeg mij wàt!... Zeg mij wàt! + +Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar +ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou. + +--Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij +uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem +de mooiste vinden kunt. + +--Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins, +zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden +... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na. + +--Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen +... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de +voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette +vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden +hebben.................. + + + + + +Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot +jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als +pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat +ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer +goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn +voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en +liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in +zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder +leeg zou zijn gebleven. + +Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving +waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit +kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een +reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen +hadden zijn geest te ontwikkelen. + +Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig +aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde +te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor +de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een +hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg +als de Liefde. + +Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij +alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart +niet overstemd werd door rumoer van buiten. + +--Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige +oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte +zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur +aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten +hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins! + +--Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar +pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken +vraag zweefde, voor zich heen staarde. + +--Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak, +dingen die ik misschien gedroomd heb. + +--Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf +op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong. + +De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover, +wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met +zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en +toejuichen, hèm, die eenmaal over hen zou heerschen. + +Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig +land, gesloten worden. + +De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou +aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht +zich te onttrekken. + +Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid +stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige +omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek +niet willende weigeren, had hierin toegestemd. + +Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun +veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van +zijn voedster-moeder, en klopte aan. + +Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen +maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend +op het oogenblik waarin ze den prins zou zien. + +--Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende; +en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde +blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in, +waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas, +van licht doortrokken, over de verre boomen hing. + +De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder +als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig, +fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte +van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende: + +--Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen, +dat u zeker niet verwonderen zal. + +De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de +waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de +eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb +u dit willen vragen, vroeg, héél vroeg, als nog bijna geen schepsel zou +waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons, +het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen +later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een +kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien.... + +Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken, +toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste. + +Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had, +en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik +zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten +zou als ik groot was. + +Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben +opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist, +en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik +dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik, +vertrouwende op uw belofte. + +Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk +me aanziet als een man. Ik bèn nu groot geworden, niet waar? Zie me +nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb, +en zeg me wat hij beduidt. + +De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel; +en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had, +zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen, +evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te +spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte. + +--Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die +goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein, +hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst, +gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen +ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep +ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet; +en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik +mijner oogen naar zijn oorsprong.... + +Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul +haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis, +zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij +vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte.... + +Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen +in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich +tot den prins, fluisterend: + +--Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze +zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren +en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van +grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de +Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben +niet kùnnen zwijgen. Ze hebben niet kùnnen zwijgen, wat mijn hart +dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij +zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste +geluk geeft: het éénige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun +zekerheid, dat ook eenmaal voor ú zou opgaan de goudene, gloeiende +zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid +zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat, +geen indruk achterlatende. + +Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood +vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en +verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw. + +--Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat +mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte +aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad +ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over +de waarheid mijner oogen.... + +De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit. + +--Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen +niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank +heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek +in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit +woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft +willen verwijderen uit mijn leven.... + +Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't +ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet +ken! Waar kan ik vinden, dat groote, éénige geluk, dat men mij heeft +willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!... + +Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde +geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben +geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen, +mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het +heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld. + +En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende +gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig +leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld. + +Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit +gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat +plotseling zijn denken vervulde. + +Hij ging maar ál door, ál door, niet hoorende de jammer stem die hem +riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde. + +De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar +oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren. + +Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde, +sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug, +en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende, +en ter aarde wachtende haar straf. + + + + + + +De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om +uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden +gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners vóór zich brengen, +die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke +straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid +zou daarna hun loon zijn. + +Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad één van +hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte. + +Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest +van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en +moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn +houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch. + +Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige +aandacht luisterde: + +--O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te +dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid? + +--Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de +koning met luid-klinkende stem. + +--Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn, +dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig +en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden, +moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn +leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van +huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we +kunnen uitdenken. + +En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn +makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul +van wilde dieren. + +Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze +wenkbrauwen klommen zóó hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In +het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet +samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede +als verdwenen. + +Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte, +gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig +werd gemaakt door roof en moord. + +De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in +vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den +koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde +den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen, +dat haar als een straf was voorgehouden. + +De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan +de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege +zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij +schreide, na jaren van vrede. + +--Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen +... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de +oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk +tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal +hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het +woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn +gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan één hard woord van +mij, aan één wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn +hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden +in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan +tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij. + +Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis, +zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister +begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den +armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om +zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon. + + + + + +De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot +bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar +maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige +vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de +knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins, +vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande +in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde. + +--Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden: +de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen. + +Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk +waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde +hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een +vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef, +kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te +voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot. + +Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt +om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard +waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud, +waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs +bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen +spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen +van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg +op den rug een half gevulden linnen zak. + +--Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch +klonk, als harslucht uit dennen riekt. + +--Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig. + +--Al vroeg op 't pad! Zoek je iets? + +--Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde. + +--Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat +je haar zoekt! + +--Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon +haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij +er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken. + +--Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in +'t bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen. + +--Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een wóórd +verdwaald! + +--Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond +had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald +bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin +dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je +met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, vóór +je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit; +dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal +je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbeziën +kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets, +denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al +mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op één na. + +--Dank je, zei de prins en ging verder. + +De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even +na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs +het pad. + +--Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig +geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die +geneeskrachtige kruiden zocht, vóórgingen. + +De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek +naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en +den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige +plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het +kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt. + +Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van +blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid, +in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een +wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het +kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in +het liedje dat ze zong: + + De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, + De liefde geeft beide: geluk en .... + +Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins +stond, dien ze door een kromming van het pad niet áán had zien komen. + +--Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig. + +--Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend! + +--Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij +wonderlijk beefde. + +Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames +gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong, +lief meisje hem als een openbaring was. + +Weer lachte het meisje. + +--Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar! + +--Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het +immers? Waarom zing je het anders? + +--Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan +een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat +mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong +binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou +dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze +maar! Waar ga je heen? + +--Ik wil hier blijven! + +Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de +ernstig-luisterende boom-stammen. + +--Hier? Nu, goed! Help me dan aardbeziën plukken. Je bent zeker +verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis +nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis +geweigerd. + +Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte +kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet +dóór wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen. + +De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand +beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de +zon kleine, verleidelijk geurende aardbeziën rijp had gekust. + +Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren +zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een +weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe +aardbeziën groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had +ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp +een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even +ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier +helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar +met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins +en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde +hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen +in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een +poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje, +tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde. + +Eindelijk zei Elze: + +--Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange +haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het +kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje +met rood-glimmende beziën heel voorzichtig droeg, haar langzaam +volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos +naast elkaar. + +--Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen +hem drukte. + +--Omdat jij niets zegt! + +Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien +heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten +boom, een klein huisje met riet gedekt. + +--Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik. + +Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende +bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die +zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op +haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden +vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid +rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit. + +Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op, +toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met +een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden. + +--Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben. + +Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige +houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw +waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten +Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal +hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode +eikeblaren. + +Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje +waren hare bewegingen. + +De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden +zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na +lang zwerven eindelijk thuis was. + +Toen Elze gereed was, zei ze: + +--Vreemdeling, eet en drink! + +Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger. + +--Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten +op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu. + +Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte +duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt +te worden. + +Nog altijd zweeg de prins. + +--Maar zèg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk. + +--Ik moet zooveel denken! + +--Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!... + +--Woon je hier altijd? + +--Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren +verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig +hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet +meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik +vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader +eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en.... + +--Maar dat komt hem toch toe! + +--Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men +vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan +vragen?... + +--Maar het is toch zijn recht! + +Elze lachte. + +--Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen +levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe, +om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden! + +--De prins zal zeker helpen! + +--Is hij goed? + +--Dat weet hij zelf niet! + +--Maar jij? Hoe vindt jij hem? + +--Ik ken hem niet! + +Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen, +opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat +langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel +zwaar naar voren. + +--Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang! + +Elze bloosde van genoegen. + +--Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik +begrijp niet waarom.... + +--Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken.... + +Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei: + +--Och! waarom niet! + +Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn +gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme +blos zijn wangen kleurde. + +De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen, +en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel +onzichtbaar waren. + +--Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend, +en vouwde nu stil haar handen. + +--Waarom? + +--Dat weet ik niet.... + +Plotseling stond ze op en luisterde. + +--Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur +open bleef. + +De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde, +zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had +gewezen. + +Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp +de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide +handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang +en vast in de oogen. + +Toen zei hij langzaam: + +--Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn +plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen; +en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal, +als 't u niet te eenvoudig is. + +Toen volgde de prins den ouden man in het huisje. + +Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen +Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den +prins voorbij gingen. + +--Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl +hij opstond. + +--Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan! + +--Waarheen? + +--Dat weet ik niet! + +--Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden +man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor +een vreemde in 't bosch! + +--Ik zal meegaan, kind. + +De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong, +en de prins wendde bevend zijn oogen af. + +--Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer +op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar +buiten ziende. + +--Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit. + +--Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje +aan zijn gloeiende lippen. + +Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in. + + + + + +Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet, +wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere +smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een +droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met +vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende +takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen. + +--Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen, +dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge +wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel! + +--Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen +hand geven? + +De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de +smalle, fijne handen van den prins. + +--God zegen u! zei hij, en keerde zich om. + +De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen +weg. + +De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met +een ruk recht schoof. Daar op lachte hij: + +--Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou +gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed, +of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene! + +En hij ging snel een rechten weg naar huis. + + + + + +Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich +heen, als iemand die ontwaakt. + +De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden +om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde +gedachten. + +Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen, +bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter +het grijze silhouet van de verre stad. + +--Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit +zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen! + +Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had +gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan. + +Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins, +zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen. + +Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen +lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn +naderen. + +Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein +bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in +'t half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken. + +De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit, +dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood. + +--God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast; +maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken +geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten +niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt, +maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet +zooals ze schijnen. + +De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich, +en vervolgde zijn tocht. + +Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte +winkels als vriendelijke oogen blonken. + +Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode +gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die +hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan, +en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder +tikte. + +--Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen +vreugde-belovend in de oogen van den prins. + +--Dat weet ik niet! + +--Ga met mij mee! + +--Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna. + +--Wat doe je hier! vroeg ze lief. + +--Ik zoek!... + +--Wat zoek je? + +--De Liefde! + +Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand +omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken. + +--Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt! + +Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins, +moe en eenzaam, vond dit prettig. + +--Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend. + +En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm, +mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde. + +--Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend. + +--Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig. + +--Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om +zijn hals en kuste hem. + +Zacht weerde hij haar af? + +--Is dit het hoogste geluk? + +--Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer. + +Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze +kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen +wist hij niets meer. + + + + + +Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht +vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze +gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar +was gekomen. + +--Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien. + +--Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins +aan de gekregen zwavelstokjes. + +Haastig ontstak hij er een. + +En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde +gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen, +en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde, +en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep. + +Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten, +en snelde heen. + + + + + +Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad +door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel +voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde; +en een groot verlangen welde in hem op. + +--Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit. + +Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had +opgenomen in zijn groene armen. + +Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij +den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar +hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte +duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag +hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje, +waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij +zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag +den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was. + +--Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop. + +En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen +geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken +waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit +een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren +naar het helder getril in 't groene loover. + +Zoo viel hij in slaap. + +Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm +in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door +het dichte kreupelhout, hopende aardbeziën te vinden; want hij begon +honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon +dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen. + +Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbeziën +genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk +gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een +soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout +verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den +hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging. + +Eindelijk zag hij een geknakten tak. + +--Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond +hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste +blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's +huisje moest voeren. + +Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje, +en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten. + +Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels +verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met +kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van +haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd, +terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen.... + +--Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En +ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar +opzag. + +--Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde +zeker... want nu ben ik gelukkig! + +Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder +lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar +oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de +droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed.... + +Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd.... + +De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware +sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in. + +Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn +hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op +zijn knieën. + +Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de +zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden +zij zich op den jongen man. + +--Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge +weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft +u geleid? + +--Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het +sterker was dan uw wil. + +--En wat zoekt het hier? + +--Liefde, oude man! En die heeft het gevonden! + +--Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart? + +--Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u +verhalen, en oordeel dan. + +Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn +vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning. + +--Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu? + +--Dat Elze mèt mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn +vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw. + +Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang +duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog. + +Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open. + +--Elze! riep hij naar buiten. + +Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje +verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar +aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en +toen heen vloog. + +Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat +van haar vader. + +--Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand +op haar blond hoofd lei. + +--Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je +zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig. + +--Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den +ouden man uit. + +--Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem. + +Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader +met kussen. Ze antwoordde niet. + +--Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar +de deur. + +Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje +tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend: + +--Blijf bij ons.... + +--Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen. + +--Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig +hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht. + +--Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat +kan ik niet! + +En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op. + +--Zal de koning haar erkennen als uw vrouw? + +--Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets +geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen, +als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn +vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk +dat alleen in Liefde is! + +--Elze wil wèl uw vrouw zijn ... maar géén koningin, zei het meisje +zacht. + +--Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn +kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u, +en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik +met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven. + +Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn +handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen. + +--God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen. + + + + + +Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van +zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur, +en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet +zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want +dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar +lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart, +toen hij haar in zijn armen drukte. + +--We zullen gaan vóór de zon te veel warmte geeft, zei de oude man. + +De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen +meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op. + +--Misschien geeft één jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn +kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot +haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een +goed mensch. + +Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte. + +Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje. + +--Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd +witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil! + +--Je bent zóó mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins. + +Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren +er niet! + +--Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze. + +Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en +haar vader. + + + + + +In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die +zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog +altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn. + +Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de +half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig +toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam.... + +--Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel +geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen. + +Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe +en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn +stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd. + +--Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde +zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met +nadenken. + +Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm, +en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm, +en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect +gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd, +neerkomt op het hoofd van den geweldenaar. + +Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van +zichzelf.... + +Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord: +zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeën deelt, +wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij +zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte. + +Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit +hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... héél lang vast.... + +Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was +blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in +'t weifelend licht. + +Vóór zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand; +maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning +verwijderd neerknielen. + +Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze +het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht.... + +Toen zei de prins: + +--Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang +zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in +'t hart, wanneer ik háár niet gevonden had, en door háár: de Liefde, +het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof +met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet +aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer +ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als +mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!... + +De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij +dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij: + +--Men brenge licht! + +Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn +over de geknielde gestalte uitgoot. + +Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid, +die zacht stemde zijn goed, oud hart. + +--Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik +wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij! + +Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo +statig alsof ze een edelvrouwe was. + +Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond +gehouden had, nader, en boog zich voor den koning. + +--Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende +stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen +of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de +herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons. + +--Wie zijt ge? vroeg de koning norsch. + +--Elze's vader; en een mensch zooals gij! + +--Wie zeide u hier binnen te treden? + +--Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw +dwaasheid! + +--Verklaar u nader! + +--Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met +hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het +geweest ze hem zóó volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag! + +--Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken +als gij! + +--Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker +te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten.... + +Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen. + +--Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt! + +--Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind? + +Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand. + +--Ziehier! zei hij. + +--Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of +reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een +gunst van uwe zijde? + +--Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij +ons toereikt als ons deel! + +--Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart +moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt! + +--Dit is een beleediging! riep de koning uit. + +--Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw +dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is! + +Nu lachte de koning, en zei: + +--Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft, +zal zij een voortreffelijke koningin zijn. + +--Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn +eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt, +en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in +u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch. + +Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen, +terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok. + + + + + +Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal +verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige +geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst +zag, onwillekeurig de handen vouwde. + +De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn +vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest +vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar +de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had. + +Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een +zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch +de zon werend.... Haar vader had alle weldaden die de koning hem +wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd, +die hem liever was dan het leven onder de menschen. + +Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen +houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op +gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom. + +--Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte +zij zich. En 't is waar dat vader dáár gelukkiger is dan hij hier +zou zijn.... Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden +missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond, +dat hij weg kuste. + +Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen. + +--'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel +zette! had hij gezegd. + +Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen, +de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden +haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van +hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze +verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid. + +--O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar +strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zóó, dat de gouden kroon niet +dof wordt bij dit glanzende goud. + +--Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank +van uw huid, prinses! vleide een tweede. + +--Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad, +bij het stralen van uw oogen! zei een derde. + +Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes; +maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig; +en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug, +zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had, +en zich achteraf hield. + +--Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende +juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten. + +Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig +aanziende. + +Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep +en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig, +maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's +ongepaste handelwijze: + +--Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te +zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet +zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten. + +De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde +zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten +verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning, +die haar op het voorhoofd kuste, zeggende: + +--Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze +antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch: + +--Als het dan maar vorstin over uw aller harten is.... Anders begeer +ik niets. + +--Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins, +haar vol ernstige liefde aanziende. + +--Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje +kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar +het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt. + +De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar +vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder +hun minzame lachjes en lieve manieren. + +Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende +dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar, +als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart +wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd. + +Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar +hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt...? + +De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk, +of er van binnen een lichtje in brandde. + + + + + +In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed +voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde, +of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje, +door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de +straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de +lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje, +dat ze zelf mende, in moest houden, om hen één voor één te kussen. Ze +bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want +iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende +daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden. + +Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon; +en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte, +met een vreemd lachje van steen. + +De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder +verstand en goed hart te waardeeren. + +Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend +leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als +een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden +zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet, +en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar +soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden +droppel mee.... + +--Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen +schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze hééft nooit geleden. + +Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en +de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden.................. + +Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker, +versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor +Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij +haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn +gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en +zachter voor haar was dan vroeger. + +Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht; +maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder, +zeggende: + +--Laat ik je niet vermoeien met zaken. + +Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang, +tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde. + +--Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden, +zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich +oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong +ben.... Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed, +dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet +erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles +is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet +rondwaart.... Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon +van mijn vader moet ik doen.... Zie, dit doet me soms nadenken; en +mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen.... Ze zouden je leed doen. + +Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder +geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar +ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was; +omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden +dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou. + +Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje +in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op +ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding +van het volk eens goed waarnemen. + +Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve +tot gerustheid dwingende. + +Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach +groette. + +--De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als +de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven, +en bij de laatsten slapen ze nog. + +In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op +den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide; +zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen +kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend: + +--Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond. + +Elze richtte zich hoog op. + +--Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie +boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar +ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen, +die u nooit iets misdeed? + +Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm +even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje, +dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar +paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een +wilde zee van nijdige hoofden. + +Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk +gerust. + +Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen, +zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze +naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar +kleed en haren viel. + +Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden +allen haar handen en kleederen kussen. + +Nu kwamen Elze de tranen in de oogen. + +--Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw +kinderen, die me liefhebben! + +--Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje +volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl +de menigte zich verstrooide. + +--Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen, +terwijl hij naar den grond zag. + +Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar +hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar +schuld verbitteren zou. + +Lang en ernstig dacht ze na. + +--Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond +zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo +heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar +heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter, +dan een heel leven vol verdrietelijkheden. + +--Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het +vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar +klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke +duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar +beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar +wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen, +dat ze hem alleen liet. + +Het zou haar óók hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet +bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze +hèm leed zou besparen. + +Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning, +in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las. + +Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou, +wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den +tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen +gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken; +en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd +zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en +bij haar vader te brengen. + +Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet +ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's +Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en +ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim +haar stond te wachten. + + + + + +In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn +diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en +zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten, +was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren. + +In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte +hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom +van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou, +alsof een hemelziel zich op aarde uitzong. + +Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras +witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De +margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het +licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de +donker-groene boomen. + +De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend +tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al +zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn +handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten +tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in +'t zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende +aarde-sterretjes. + +Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de +sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren +die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze, +alle!... alle!... en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes, +die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden. + +Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag +dáár omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht +zilveren nachtegalen-lied. + +En het woud sliep, en droomde. + +En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn +groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos; +en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes +snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk. + +Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in +den ernst van zijn oogen. + +Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes +bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht. + +Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet +zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn +hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve +oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit. + +Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de +Boschgeest dat het Elze was. + +Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de +bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar +op, vragende: + +--Elze, wat zoekt ge mij? + +--Het leed zendt me tot u om hulp en vrede. + +--Elze, is er geen ànder hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan +niemand u helpen dan ik? + +--Menschen kùnnen niet troosten in leed!... + +--Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten? + +--Om de Liefde te volgen. + +--Kan die u niet troosten? + +--Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk +is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk. + +--Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, méér lief dan de +andere menschen: ik kende u, zooals gij mij ... wat kan ik voor u +doen?... Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht, +daar waar Liefde u leidde. + +--Ik kom u den dood vragen! + +Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende +onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan +zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde +tegen zijn koel kleed, en zei: + +--Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der +menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven +gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde +blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet +leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister, +en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik +ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot +voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van +doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te +doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen, +ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling +van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik +ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood +die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien +dood niet geven; want gij zijt jong, en móógt niet sterven. Ook weet +ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort +in mijn rijk. + +--Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht +de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want +wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel.... Ik kom u +vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik +kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten +laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer +te ontwaken. + +Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te +zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben +aan degenen die ik liefheb ... om later weer terug te keeren tot het +leven dat vrede was ... al was het geen gelùk. + +Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer. + +--Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en +wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief ... dáárom wil ik +u helpen. + +Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil +vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge +veilig zult zijn: bij uw vader. + +Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend +kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar +Elze toe. + +--Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles +aan mij over. + +Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar +schat door niemand opgemerkt het paleis binnen. + + + + + +Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield +zich zóó ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd +maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets +van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter +zij hun onkunde verborgen. + +Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een +smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan +de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in +stelde, te hooren hoe haar toestand was. + +--Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden, +schreien!... dacht ze bitter. + +Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van +sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over +haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen +in haar handen, en zei ernstig: + +--Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning; +maar voor ik misschien zóó ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin +zouden worden aangezien, heb ik u één ding te vragen, dat ge mij niet +weigeren zult, nietwaar? + +Snikkend viel de prins op de knieën en verborg zijn gelaat in de lange, +blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede +afhingen. Ook de koning wischte een traan weg. + +--Spreek, mijn kind! zei hij. + +--Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn +vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven, +begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn +liefste herinneringen zijn daaraan verbonden.... Niet waar: gij zult +doen wat ik u vraag?... Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden +in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit +paleis binnentrad.... Zweert ge me dit? + +--We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen +inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult +leven en gelukkig zijn. + +Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen: + + De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, + De liefde brengt beide: geluk en leed. + +Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor +'t eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor +'t laatst. + +--Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten, +en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn! + +De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning +verwijderde zich met hem. + +Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze: + +--Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als +ik u noodig heb. + +Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen +ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins +te verzekeren. + +De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in. + +Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een +leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel +te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen +verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden +koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn. + + + + + +Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over +haar heengebogen. + +--Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw +verstand. Ge doet een goede daad. + +--Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest +kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde +haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze, +dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond +dat naar de woning van haar vader voerde. + +Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog; +en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen +kuste ze hem op het voorhoofd. + +Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach: + +--Zoo, ben je daar al?... Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet +wonen bij spreeuwen, uilen en valken. + +Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal +was gekomen, zei ze: + +--Nu wil ik mijn haren afknippen. + +Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om +haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud; +en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist. + +--Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje +verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer.... + +Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende +Christusbeeld aan den muur. + +--Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal +je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren. + +Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook +zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte +maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest; +en werkelijk leek het haar zoo. + +Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard +aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde +zóó, dat ze duizelde. + +--Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl +hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast. + +De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat +het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's +vader zien. + +Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat +het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk +gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende +flank, denkende: het paard herkent me; hij niet! + +--Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets +te zeggen. + +--Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is ... antwoordde Elze met +veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen. + +--Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken +uitbarstend. + +--Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed +te houden. + +--Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk +langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier +ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk +eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg +hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet +hij niet denken!... Nu zal ik maar gaan!... Goeden dag!... Je zult +de boodschap wel overbrengen, niet waar? + +--Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels +over. Zonder haar aan te zien reed hij weg ... terwijl Elze op haar +knieën zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten. + +Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten +Christusbeeld neerknielde. + +--Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!... + +Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader +thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd. + + + + + +Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren +zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was +nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen: +een jongen en een meisje. + +--Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze +bij zichzelve. Ik zal nu toch wel wáárlijk dood zijn! + +Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en +ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken; +maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep +gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking." + +Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool +van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant +te lijken. + +Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning, +waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar, +wat ze wilde. + +--Den koning zien, zei ze. + +--Je bent moe! + +--Ja; ik kom van heel ver. + +Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos +de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten. + +Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den +koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee +lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw; +en de koning zag er tevreden en gelukkig uit. + +Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning +had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar +muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond, +dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk +juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig +voorbij reed. + +--Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter. + +Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek +waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen +tranen meer had. + +Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen +graf geschreid! + +Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden. + +Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden +zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf.... Het is goed +zoo.... Ik heb dit gewild.... Het was dus goed wat ik deed! + + + + + +Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen +hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen. + +--Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen +glans in de vriendelijke oogen. + +--Waarom vader? + +--Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven +zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den +koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst +is!... Gij, Elze, zijt een heilige! + +--Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw.... Ik heb hem +méér lief dan mezelve.... En nu is Elze tweemaal dood; want eerst +heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven háár overwonnen. + +--Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen, +van een die géén begeerte meer heeft. + +En zoo was het. + + + + + +DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE. + +In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een +watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage +eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende; +en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen +de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen, +waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de +onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de +stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende. + +Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen +ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden +te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende +uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals +ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door +hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen, +daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht +en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol, +zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft +naar hoogste kracht van uiting. + +Door het dal gleed een beekje. + +Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging. + +Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen +hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak +bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende. + +Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen +brug over hem heen, het dal met den molen verbindende. + +Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen; +en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad, +dat wagens met zakken vol tarwe en maïs naar den molen leidde. + +Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels +en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als +de wind hen even streelde. + +Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje, +groeiden sierlijke brandnetels. + +De menschen houden niet van de brandnetels, nu. + +Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten +en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi. + +En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij, +dat de menschen hen ook mooi zouden vinden. + +Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begééren wat ze mooi +vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen +ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die +zich naar hen uitstrekt. + +Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit, +en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde +krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze +wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft! + +De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus +boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten: +dat de brandnetels leelijk waren. + +De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de +menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet +kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten, +tot de lieve God-zèlf hen plukt. + +Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug +waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven +enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare +on-verwinbaarheid durvende. + +En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen, +en het dal te verbinden met den watermolen. + +Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen +had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden +wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij +'t werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere +vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in +'t water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun +fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende +als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop, +deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in, +en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken +damp in het dal. + +De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want +de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden +menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen +bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen, +vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun +graf: de zwijgende aarde. + +De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf, +en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg +hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan. + +Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich +teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde +krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels +met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden +helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze +bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen. + +Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in +'t midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen +wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen +wilden laten.... + +Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker. + +Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken +plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw +leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon +men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren. + +Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een +watervalletje dichtbij gevende. + +Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende, +dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet. + +Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet +stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer +insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende +sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom. + +Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons óók niet aan +den winter; net als jij! + +En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen, +vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst, +die geen macht over hem had. + +Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag +sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht +vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook, +als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen. + +Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in +den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken +zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in +winterslaap kwijnde. + +Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de +bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal, +langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat +ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar +menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan +... mééstal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen +woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het +zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen. + +Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar +gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het +als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al dóór, al dóór, omdat +het niet zwijgen kòn, van het beeld dat het opgenomen had in zijn +rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed, +moe van 't werk-doen. + +Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de +weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals +de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van +hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind, +en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote +sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En +haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water +wevende molenrad. + +Vóór het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje +wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was +op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille, +bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het +had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met +de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet +vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende +van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien +tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve +verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het +meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het +groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even +bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met +de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en +gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan +de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge, +gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En +de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen, +die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het +bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant, +waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende. + +En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel +bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde +te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets +mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht +aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog +hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag, +stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde +het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele +brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde +even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De +blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras, +hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van +boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het +kindje komen zou in het dal. + +Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs +het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en +onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond +uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun +rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het +de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte, +niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame +bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de +hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen, +niet verder zeiden. + +Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als +vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke, +slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden +het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; tè gevoelvol; +tè angstig. + +Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de +boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in +vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager. + +Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind +niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over +'t zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen +woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen +dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht +werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht, +op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende, +dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind +zag het niet. + +En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de +dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende. + +En traag gleed het beekje dan heen. + +Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het +blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde +verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen +de oogen te raden.... + +Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde +kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde, +weemoed die vèr weg zag, en wist van spoedig heengaan. + +Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd +'t blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw, +met donkere stralen. + +De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal +geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zóó, dat het +blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en +"Moedertje ... moedertje!" snikte. + +Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje +alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje +niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer +roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden. + +Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde +rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes +opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de +wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes +die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen àl dieper, +àl dieper werden, en verhaaltjes vertelden. + +Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal, +en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een +zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, héél langzaam.... De +witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat +geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht +was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En +het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet, +niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende. + +Lang duurde het, vóór het blonde meisje weer kwam bij het molenrad; +en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals +vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen +nòg dieper, nòg donkerder waren geworden, en al maar vráágden, zonder +te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen, +en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer, +die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen +op het donkere kleedje lagen. + +Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar +vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de +witte man het roepen, en het ging. + +En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger, +en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke, +stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen +den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertèlden. + +Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't +voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer, +en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar +zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm. + +Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te +worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de +dennen, sloeg het boek open, en las. + +En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje +gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen +in 't leven. + +En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en +op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat àl maar las, langzaam +nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek +met sprookjes. + +Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij +gelezen had. Dan lag het boek op haar knieën, en volgden haar oogen +het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en +licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois +en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen +vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde +ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht. + +Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf +verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het +beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het +beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde +voort, zóó mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg, +en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes. + +Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken +moesten worden opgeladen, of leeg gedragen. + +Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het +dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar +voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de +blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend. + +De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons! + +De hooge dennen zongen: Bij ons!... en het blonde kind zag op naar de +blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde. + +Dit had het beekje gedaan. + +Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels +staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje +hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de +brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen; +maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar +sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden +kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben +wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven +God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht +verkorten, dat Hij wilde laten voortduren. + +De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm +in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij +'t molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek +alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam +luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel +stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief, +droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen, +zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie, +wondere dingen rond-dwaalden. + +Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog, +zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den +glooienden oever aan ... den prins ... uit haar sprookjesboek. Hij +lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht; +maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde +meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees +haar anders te zullen verjagen. Het was zóó iets wonderlijk liefs, +dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren +languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst +dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe +sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze +blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje, +dat hen meenam, het dal in. + +De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone, +wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn +armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen. + +Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige +geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als +iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende. + +Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het +stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen, +en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag. + +Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen, +in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los, +die nu tusschen hem en haar dicht sloeg. + +Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen. + +Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes, +zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam +afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek, +doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast; +en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins, +die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog. + +En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden, +en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was. + +--Wat lees je? vroeg eindelijk de prins. + +Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las, +zijn oogen nu geheel openend: + +--Sprookjes? + +--Ja. Jij bent zeker een prins? + +Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins. + +--Ja; zei hij. + +Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen +zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning +over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord, +dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hóóg houdende. + +--Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je +al eens betooverd geweest? + +--Ja; zei de prins, en hij jokte niet. + +--Vertel eens! + +Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden +oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het +gezicht van den prins. + +Hij sloot weer de oogen. + +--Even denken, wat ik je vertellen zal. + +Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in +'t gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen +gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden +tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem +hield ze soms in ... dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende +oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje, +half open, luisterde mee. + +Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar +oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden. + +Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend +aanziende: + +--Je woont zeker in een kasteel? + +--Ja; zei de prins. + +Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht +er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug +neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen; +want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren, +binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag, +trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde +van schoonheid alleen. + +--Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind. + +--Misschien; later.... Woon jij hier? + +--In den molen?... Ja ... eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel: +ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen +mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik dènk altijd ergens anders. + +--Je woont hier toch niet alléén, wel? + +--Neen ... mijn vader nog. + +De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje +weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in +zich komen. + +--Ben je veel alleen? + +--Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de +knechts ook.... En dan ... ze mógen me niet graag; ze noemen me +prinsesje.... Ze denken dat ik trotsch ben ... maar, dàt is het niet! + +--Wie heeft je lezen geleerd? + +De mooie, heldere oogen zagen hem aan ... en in hun diepten smeekte +het. + +De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden +had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu +een stroeve trek om haar mondje kwam. + +--Lees je veel? vroeg hij verder. + +--Neen, ik heb maar één boek. Dat is nog van háár, en ik ken het +heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat +denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel +het beekje ook wel eens wat. + +--Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi! + +--Verhaaltjes zijn altijd mooi.... Heb je wel eens kabouters +gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je +kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de +elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen +in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met +bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen; +en ze zingen ... soms heel treurig ... meestal wel treurig ... maar +dat is juist zoo mooi!... Wanneer neem je me mee naar je kasteel? + +--Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen. + +Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot +een gelijke. + +--Waarom niet? vroeg ze. + +--Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug +vinden.... Ik kan nu ook niet zoeken. + +--Waarom niet? + +--Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden. + +--Hier? + +--Neen, in 't dorp, achter de bosschen. + +Het kind dacht na. + +--Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze. + +--Neen. + +--Weet ik het dan alleen? + +--Velen gelooven het niet! + +--Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins! + +--Waarom? + +--Je hebt het gezicht van een prins!... Ben je erg ziek? + +--Ik weet het zelf niet. Misschien wel. + +--Zou het mogelijk zijn dat je dood ging? + +--Ik weet het niet.... Misschien wel. + +--Vóórdat je weer in je kasteel bent? + +--Misschien wel! + +Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind: +angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige +blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met +hoopvolle oogen: + +--Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er +mij dan brengen? + +--Ja: dàt zal ik! + +De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje +gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die mìsschien +sterven zou.... + +En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken +niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes, +en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was +zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder +was dan tien. + +Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt +kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn, +en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom +zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar +schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje, +met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk +afstak bij het kinderlijke van haar manieren. + +Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den +smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft, +waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen. + +Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot +den jongen man, die haar als een wonder aanzag. + +Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf +af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals +een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en +drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat, +hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of +spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang...? + +Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen. + +--Als je naar den hemel gaat, vóórdat ik den sleutel van het kasteel +heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze. + +--En je vader dan? + +--Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!... En... er +is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben. + +--Moeder zeker..., zei de jonge man zacht. + +Het kind knikte. + +--Nu moet ik weg!--een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je +gaat zeker ook heen straks. + +--Ja, straks. + +--Zal je weer komen? + +--Ja, ik zal komen... als ik kan. + +--Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet +deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze +niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi? + +--Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn... en... wij +zijn toch ook menschen? + +--Neen, dat geloof ik niet! + +--Wat zijn wij dan? + +--Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook +wel, en jou ook... dan geloof ik niet dat jij een mensch bent! + +--Misschien niet! + +--Waarom zeg je altijd misschien? + +--Omdat ik zoo weinig weet. + +Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer +het blonde hoofdje. + +--Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid! + +Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze +tusschen de wilde rozen. + +En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het +beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe. + +En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins, +en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder +wachtte............. + +Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende +al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste, +donkere dennen. + +Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte +tusschen de rozenstruiken op den prins. + +De rozen, een beetje verrégend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen +het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek. + +--Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt +hij niet ... zei ze, zich vooroverbuigend om te zien. + +Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder, +tot zij ze niet meer zien kon. + +--De prins komt niet ... zei ze, neerzittende onder de dennen, bij +'t bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte. + +--De prins komt niet ... herhaalde het beekje en gleed heen. + +--De prins komt niet ... zongen de wilde rozen. + +En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien; +en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, héél ver, +zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het +beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij +'t rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek, +zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en àl maar tuurde naar +'t donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte, +en àl maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met +lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond. + +Den volgen dag kwam de prins. + +'t Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met +een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met +sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere +zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden. + +Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek. + +Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende. + +Toen keek ze rond. + +--Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in. + +De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij +den molen verlicht werd. + +--Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen. + +Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den +oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst +gezien hadden. + +--Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik. + +En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve +van zijn moe gezicht heen. + +--Is 't héél mooi? vroeg hij. + +Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen. + +--Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht. + +De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de +wilde rozen in 't donker van de dennen. + +Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende +dit óók te doen. Zoo zaten ze stil bijeen.... En 't zwarte rad woelde +donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier +daalde over het dal en over den molen. + +De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water +het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans +over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag +hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij háár aanzag. + +--Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende. + +Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder, +en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen +gedachten. + +De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden +met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze +hem haar grootste geluk mee deed genieten. + +Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen, +en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote +vraag-oogen recht in de zijne zagen. + +--Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn +kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het +kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen.... Begrijp je me? + +De ernstige oogen, droevig, zeiden ja.... + +--En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan +op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nóóit, klein +prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij.... Misschien zullen +wij er dan óók mooie boeken van maken.... Later ... want ik zal je +niet vergeten!--Zul je het doen? + +--Ik zal het probeeren!... zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar +keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals, +en kuste hem. + +--En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer +een brengen, zoolang ik kan ... zoolang ik kan.... Maar nu moet ik +gaan. Dag prinsesje! + +--Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met +een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij +'t molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het +beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het +nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen. + +Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad; +maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam +ze niet meer; maar bleef in den molen. + +En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en +zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind, +dat maar niet kwam. + +En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te +kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf +gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs +de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het +stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde, +van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar àl wegbleef. + +Toen, op een helderen najaarsdag, de wilde rozen droegen glanzend-roode +bottels tusschen hun gelende bladeren, kwamen weer zwart gekleede +mannen over het brugje; en toen ze heen gingen, droegen ze een zwarte +kist. Het blonde kind, met de sprookjes-oogen ging naar moeder.... + +De witte man die in den molen woonde, volgde hen: ouder en meer +gebogen, dan toen hij eenmaal achter die andere kist ging; maar er +even strak en stuursch uitziende. Toen hij over het brugje ging, keek +hij even opzij naar 't zwarte rad, dat stil stond, klemde toen stijf +de lippen opeen, en volgde de mannen, die de kist droegen, het dal in. + +En 't beekje huppelde angstig den somberen stoet na, vragende, niet +begrijpende.... Het volgde de zwarte kist zoolang het kon, klagend +vragende, tot in het dorp, waar het schreiend murmelde langs de huizen, +niet begrijpende.... + +De brandnetels bij 't verweerde brugje zagen de zwarte mannen na, +en schudden langzaam hun nu bruin-groene krullokken. Ze wisten dat de +lieve God hen weldra plukken zou, zooals hij het blonde mensch-bloempje +geplukt had, dat beter thuis zou vinden in Zijn hemel dan op de aarde. + +Twee dagen later, het zwarte rad wentelde weer, werd er een nieuw +sprookjesboek gebracht: voor 't kleine prinsesje, van den prins. + +De witte man, die 't boek aannam, opende het niet, maar lei het weg, +bij nog andere boeken, en bij groote vellen wit papier, beschreven +met een stijve kinderhand. Toen, niemand zag het, beefden zijn anders +zoo rustige lippen, en een paar groote tranen werden weggeveegd met +de bovenzij van zijn ruwe hand. + +Later schreef hij een moeilijk leesbaar briefje aan den prins, wiens +adres in de boeken stond, omdat hij ze zelf gemaakt had. + +Toen de prins het wonderlijk briefje kreeg, luidende: "Mijnheer, +stuur geen boeken meer. Het kind is gestorven. U is vriendelijk +bedankt."--zat hij lang, recht voor zich uit te staren; en zei toen +zacht voor zich heen: + +--Arm kind!... Arm prinsesje! + +Arm kind, arm prinsesje, dat de macht van het woord onbewust bezeten +had, zooals hij het bewust bezat, en een streven naar schoonheid, even +groot als hij. Arm prinsesje, geboren met hoog-vorstelijk bloed in de +aderen, dat nu nooit koningin zou zijn, zooals hij koning was geworden. + +Lieve, reine herinnering, waar hij zooveel aan te danken had, en die +als een schoon beeld voort zou leven in zijn werk en in zijn gedachten. + +Arm kind, arm prinsesje, gestorven ... dood ... weg ... in 't eeuwig, +zwart geheim!............ + +De zomer, die volgde op een langen winter, waarin de molen als dood +in het dal had gelegen, zag weer het zwarte, bezige rad zilveren +glans-waden weven, en kleurvonkende droppels spatten, naar de wilde +rozen, die toezagen in roze verwondering, wijd open. + +Hij zag weer het beekje het dal inglijden, nadat het werk gedaan had +bij den molen, waar het rad rond wond en woelde en zong en ruischte +onder de donkere dennen; en hij hoorde het beekje vertellen, klagelijk +murmelend: van het blonde meisje dat eenmaal woonde in den molen +van het dal, waar de brandnetels groeien, totdat de lieve God-zélf +ze plukt. + + + + + + + +Van Marie Metz-Koning verscheen bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum: + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. Vijfde druk. Teekeningen en band +van S. Moulijn. Ing. f 0.90. Geb. f 1.30. + +HET BEELD OP DE ROTS. Tweede druk. Met 5 lithografieën en band van +S. Moulijn. Ing. f 2.90. Geb. f 3.75. LUXE-UITGAVE. 50 genummerde +exemplaren. De steenteekeningen (Epreuve d'Artiste) gedrukt op Japansch +papier. Gebonden in perkamenten band f 10.-. + +GABRIËLLE, Omslag en bandversiering van J. Toorop. Vierde druk. Ing. +f 1.50. Geb. f 2.25. Gewoon geb. f 1.90. + +GABRIËLLE. Tweede Boek. Bandversiering van J. Toorop. Tweede +druk. Ing. f 1.90. Geb. f 2.65. Gewoon geb. f 2.30. + +DOMINEE GEESTON. Omslag en bandversiering van Herman +Teirlinck. Ingenaaid f 3.50. Gebonden f 4.25. + +VERZEN 1e (2e druk) en 2e bundel. Met portret. Gedrukt op geschept +Hollandsch papier. Ingenaaid f 1.75. Gebonden f 2.50. + +NACHT-SILENE. Illustratiën en band van S. Moulijn. Tweede +druk. Ingenaaid f 2.90. Gebonden f 3.90. + +VAN EEN SCHOONEN DAG. Ing. f 2.90. Geb. f 3.90. + +INTERMEZZO. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25. + +PETERKE'S BEELDENSTORM en andere Dorpsgeschiedenissen. Ingenaaid +f 2.50. Gebonden f 3.25. + +Een fraai uitgevoerd PORTRET in Heliogravure, gedrukt op geschept +papier, is verkrijgbaar a f 1.-. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde +by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE *** + +***** This file should be named 10334-8.txt or 10334-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/3/3/10334/ + +Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team. + +Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10334-8.zip b/old/10334-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c26732e --- /dev/null +++ b/old/10334-8.zip diff --git a/old/10334.txt b/old/10334.txt new file mode 100644 index 0000000..af3b117 --- /dev/null +++ b/old/10334.txt @@ -0,0 +1,5069 @@ +The Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde +by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Van 't viooltje dat weten wilde + +Author: Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) + +Release Date: November 29, 2003 [EBook #10334] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE *** + + + + +Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team. + +Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team. + + + + + + + + + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE + +DOOR MARIE METZ-KONING + + + + +INHOUD. + +Van 't Viooltje dat weten wilde +De Tulp en de Madeliefjes +Elze +De Watermolen. Wat het Beekje vertelde + + + + + + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. + +In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein +viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als +denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid +angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch. + +Hoog, recht, streefden de dennen er op uit de aarde. Hun kruinen +reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige, +eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de +moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen +ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is. + +Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer, +glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw. + +Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van +het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer +licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje. + +Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het +ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende +van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche +boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over +het zandpad elkander raakten. + +Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag +aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming +wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle +op gelijken afstand van elkaar. + +Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen, +van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende +boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek +angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar +heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het +pijn wou doen. + +Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel, +en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht! + +Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel +eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't +licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen, +toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk +daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind +wat sterker werd. + +De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet +zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar een kant op!... het +fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode +takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven +haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen, +weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer, +zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze +geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend! + +Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen, +toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't +verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog +in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze +er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar, +zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren: +de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en +toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde, +toen ze niet durfde luisteren: de melodieen die de dennen zongen in +den nacht, en de melodieen die ze zongen in 't licht, telkens andere, +en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen +wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen, +dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar, +dik-zwart, een waren met den nacht. + +Dit alles boeide haar. + +Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen, +ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap +zonder droomen. + +Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen, +nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar +rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar +aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in +de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk +voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het +had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig +air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was, +scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen +kant kon ze maar even zien. + +Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop, +met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen +onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van +omhoog zitten, en wijs neerzien. + +Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje: + +--He, wat is dat? + +--Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap +stoor! 't Was bij ongeluk! + +--Maar wie ben je? + +--Ik heet kikker! + +--Wat doe je hier? + +--Wel, springen, natuurlijk! + +--Waarom? + +--Waarom! waarom! omdat ik het doe! + +--Moet je het dan doen? + +--Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op +dezelfde plaats blijven! + +--Waarom niet? + +'t Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan. + +--Hoor eens, zei deze, als je nu nog een keer "waarom" vraagt, ga ik +heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen +"waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me +altijd erg uit mijn humeur brengt. + +--Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd +zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan? + +--Op 't oogenblik van den straatweg. + +--Wat is dat? + +--Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal +steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en +hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over +heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al. + +De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat +zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde. + +--Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje. + +--Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien! + +--Wat zijn menschen? + +--Dieren, net als ik, maar veel, veel grooter. Zie je, jij bent een +plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun +twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen +ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan. + +--Waarom doen ze zoo? + +--Wat heb ik je gezegd? + +--O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje +nederig. + +--Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te +leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel; +dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij +is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat +zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De +duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen +elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel +ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen; +ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood? + +--Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje. + +Ze voelde zich heel wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en +een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor +dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet! + +--Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait +en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig +de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En +evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuitie hun voorzegt, +raadde ze goed. + +--Den wind meen je! + +--Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor +het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets +heel ergs. Misschien is dat de duivel wel! + +--Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last +van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als +je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er +veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond; +dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die +raden elkaar ook altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg, +hoe oud ben je? + +--Wat bedoel je daarmee? + +--Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan? + +--Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en +daarna is 't nog eens weg geweest. + +--Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je +nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm +komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je +zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de +dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken +worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het +kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft, +en of de aarde van binnen kermt! + +--Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me! + +--Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding +als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken, +bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder +me over niets meer! + +--Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje. + +Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben. + +--Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een +grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn +erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt +niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor +ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk +wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je +niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten, +dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets +liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan +hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe +meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze +nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met +alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen +dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk +heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze +praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen, +net zoo min als "waarom" vragen. Een ding is zeker: als ze je eenmaal +meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je +niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat +kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag +toch heel wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms +wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je +staan kijken, of er heel wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik +alleen van hooren zeggen. Vader zag zoo iets nooit! + +--Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker +zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al +begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten; +beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van, +als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg +te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was +'t gezellig, iemand zoo bij zich! + +--Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen. + +--Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er +is zooveel, zie je! + +--Wat is dat! riep opeens het viooltje. + +Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het +plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de +denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was. + +--Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms +'s nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten +weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen. + +--Slapen die dan nooit? + +--Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt +niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk +je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze +"duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed +altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan +vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen +wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls: +'t Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat +ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal +moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil, +en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en +moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze +maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen; +en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk. + +En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zelf eerst maken. Niets +doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel +vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn: +zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen +doen ze niets! Niet eens, hoe je je echt lekker voelt. Ik houd het +er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat +ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen +van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal +leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets +weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch +niet enkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al +weer zijn, om maar veel te doen hebben.-- + +--Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte +pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte. + +--Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze: +Man; die witte: Vrouw. + +Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit +vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms +een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt! + +Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker +in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken +opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even +straalden en verdwenen. + +Zoo zag het viooltje. + +Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten, +boven het hoofd van de Vrouw. + +Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte. + +De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op. + +De Man zag haar aan, en zei: "Ja." + +Toen weer stilte. + +Langzaam, heel langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten +vast hield; en ze spraken niet. + +--Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen +mooi vond. + +--Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten +de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen +ze. Stom! eenvoudig stom! + +Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne +iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al +maar zwijgend. + +Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen. + +--Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft +je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn! + +Nu was de Man het dichtst bij het viooltje. + +Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen: +"Ik heb je nog zooveel te zeggen!".... + +De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien, +want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't +lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien +met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei: +"Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo.".... + +Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over +hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan +strak liggen op den grond. + +--Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te +zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat +doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar +ben ik zeker van! + +--Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje +rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd. + +--Vindt je dat dan zoo prettig? + +--Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik +houd zoo van licht! + +--Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht +hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en +van 't alleen zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan? + +--Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze +weer kwam! + +--Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht! + +--Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien +hebben! + +--Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet +kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde +de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken, +en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten. + +--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht +'t viooltje. + +De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan +het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes +tegen hem op. + +--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van haar +hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer. + +De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar. + +--Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje. + +--Naar niets! + +--Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem! + +--Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en daaraan +denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is, +omdat ze veel te doen hebben. + +--Hij zag het licht van haar stem! + +--Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets +van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel +verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net +als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste +avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet +wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan +doen. Allemaal gekheid... stomheid... Natuurlijk doen ze weer zoo, +omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen: +ik wil niets te doen hebben! + +--Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem! + +--Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven, +en alles vertellen wat ze te zeggen hadden! + +--Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't +mijne wezen! + +--Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in +hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze +een papier hebben waarop staat dat ze het moeten doen. Dan doen ze +'t, al zouden ze veel liever niet bij elkaar blijven. + +--Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat +iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen: +je moet heel graag blijven of heengaan! Ik zou 't wat naar vinden, +als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik moet bij +je blijven. + +--Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze +wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen +ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de +duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort. + +--Dan vind ik den duivel zoo erg niet! + +--Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge +deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dom!! + +--Hoe kwam je vader bij de menschen? + +--Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot, +dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land, +naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen +kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam +hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half +vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk +ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken +dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij +de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij +zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen +de zon buiten zoo lekker scheen, dat vader boven op het laddertje +geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zoo te +verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat +is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak, +en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om +zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen. + +De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich +altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er +geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al +aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis +woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt, +en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje +valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het +menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We +vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo +mooi van zijn avonturen vertellen toen! + +Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet? + +--Blijf je hier? zei verheugd het viooltje. + +--Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen. + +--O, heel veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je +bent zoo knap... Je weet zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden, +als ik wakker werd, en je was er dan nog. + +--Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik +overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei +de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig +neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren. + +--Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem! + +--Ik droom nooit. + +--Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen: +"Wat is het mooi hier!" + +--Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij! + +--Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij, +om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den +kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit +niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn. + +--Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde +niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig +lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in +zijn kop. + +Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten +of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem +zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde +houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap. + +Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze +sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het +geluk, niet meer alleen te zijn. + +En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen. + +En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen +hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame, +hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt +het lichtende geluk in zich, overal. + +Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond, +en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten +naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe +dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en +wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde +houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar +zijn mooie, zachte, gemarmerde borst. + +Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje: + +--Ben je wakker? + +--Al lang! zei de kikker bedaard. + +--Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen! + +--Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen. + +--Wat is dat? + +--Waar ik zal gaan eten! + +--Wat is eten? + +--Dat moet je doen om te blijven leven. + +--Ik doe het toch nooit!... + +--Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet +wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde, +met je wortels die er in vastzitten! + +Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar +gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat +met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat +de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe +gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep +nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was +dat wonderlijk! Waarom zocht je boven de aarde, als je van de aarde +leefde? Waarom? + +--Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van +haar overdenken. + +--Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding +bewarende. + +--O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan +'t geen ik niet begrijp. + +--Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel +eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit +pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden! + +--Je komt toch weer terug? + +--Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan +dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur. + +--Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan +iets denk? + +--Praat er dan niet over. + +--Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar +eten en kom gauw terug. + +De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van +'t stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door, +tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen. + +Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om +heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte +oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam +van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar +gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens. + +Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur +dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen +alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen, +dat over haar heen hing als een dikke sluier. + +Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn +gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer +alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse, +onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen +denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen. + +--Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop. + +Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar +die lieve stem-muziek. + +--Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij +meenam, opdat ik haar altijd zou kunnen hooren! + +Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die +zorgde dat ze leven kon. Wat dan?... Door een kleine opening in de +dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den +blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht, +en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende. + +Maar het licht kuste haar, en zweeg. + +Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door, +de stem van de Vrouw hoorde. + +--Haar stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren. + +Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast +zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem +hoorde; en teleurgesteld riep ze uit: + +--Het licht is uit haar stem! + +Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante +niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man, +maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en +beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte. + +--Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het +licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje. + +De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden, +riep zoo hard ze kon: + +--Vrouw!... Vrouw!... Vrouw! + +De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte +violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren, +liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog, +denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam +door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras, +en keek naar den grond. + +De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en +luisterde.... + +--Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje. + +Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet, +hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze +wijd, wijd open omhoog zagen.... + +En ze zag een licht komen in haar oogen, en nog een licht en +nog een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke +wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag, +kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende +er in, en ging naar de Gedaante, zeggende: + +--Aardig, dat ruischen van die dennen! + +--'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig +naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet +sentimenteel zijn! + +Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur +zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de +morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen. + +--Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het +zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't +viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken. + +Juist kwam hij aanspringen. + +--'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer. + +--De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje. + +--Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man. + +--Zoo, was dat ook een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak +veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem. + +--Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze +nu wel. + +--Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar +oogen, toen ik haar riep. + +--Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat +is heel zeldzaam! En kwam ze bij je? + +--Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en +luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen, +en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet +je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan, +of bij me houden. + +--Dat waren tranen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tranen! Die +kan je niet weervinden! + +--Tranen! Wat zijn dat? + +--Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van +de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet +weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels +die neervallen. + +--Wat zijn dat? + +--Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel +eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet +zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei +kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als +je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de +plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes. + +--Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde +'t viooltje. + +--Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen? + +--Neen, wat is dat? + +--'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch +wel lichtjes? + +--Ja! + +--Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er +niets over van hun licht. Dat is dan ook weg! + +--Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet +dat zoo zijn? + +--Begin je al weer met den duivel aan te roepen? + +--Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden +op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten +waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die +mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de +aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze +aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet! + +--Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet. + +--Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen? + +--Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles +heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever +niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Laten ze het dan niet doen! Ik +vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet +met dingen die je niet aangaan! + +--Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik +wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat +ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet +laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed? + +--Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat +hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik! + +--Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi +hier"; vindt die dat dan goed? + +--Die heeft natuurlijk ook veel te doen! Daar komt bij de menschen +alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat +anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding, +nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden. + +--Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg +is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde +het viooltje weer. + +--Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! He, +wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen! + +En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen. + +De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad, +en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij. + +--Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon. + +De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel +donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed +weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen. + +--Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie +eens! Zie eens! + +Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel +donker. Hij zag recht voor zich uit en ging. + +--Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hoor +toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht +is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie, +mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezien!... Ik heb +het gezien!... + +De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn +pas, en verdween. + +--Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur +verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet +eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel +gauw dood. Hij dacht ook weer dat de dennen riepen; dat was je geluk, +anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen! + +--Ik wou het!... Ik wou dat hij me mee genomen had; dan zou ik +misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig +maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hen, als ik dan maar eerst weet, +wat zij weten! + +--Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel +bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij +meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet +aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim, +heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het +nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit +iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet! + +--Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och, +wien zou ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet +hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens +luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders +was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch +nooit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet! + +--Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo +dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er +van, dan doen ze dat toch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond, +vouwen hun voorpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden" +zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op +den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd +heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't mag +volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort; +en vader werd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den +gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders +doen; want antwoord krijgen ze toch nooit. + +Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je +meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden +ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens mag. + +--O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vreeselijk +treurig!... snikte 't viooltje. + +--Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat +afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet. + +--Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil ook +bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door +"waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden. + +--Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist +voorbij vloog. + +--Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het +uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig, +innig treurig. + +--Je bent sentimenteel! Dat is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen +lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten +van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar +het beste, als ik je alleen liet. + +De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over +het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad, +waar het weiland was. + +Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die +gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet +mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond, +zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante.... + +Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze +moest denken, en treurig zijn, als ze treurig moest zijn.... + +--Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed +met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is, +als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik +ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en +springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben, +en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt +je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik +alleen: dat ik nooit iets weten zal! nooit iets begrijpen kan! + +--Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is +in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap +te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan, +op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou +dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet! + +--Dat is 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders +zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw, +en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel, +net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik +kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is, +en dat ik weten wil, waarom dat zoo is.... + +--Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom; +alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien +kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger +bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals +ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat ook altijd +tegen elkaar. + +--Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...! + +--Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu +ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft, +geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen +en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de +storm komt en ik ben er niet meer? + +--Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zoo +erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot +hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren +om antwoord. + +--Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van +alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt toch nooit!... Nu, +ik ga dan maar! Goeden dag! + +De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed +en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets +hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem +opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van +'t praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen, +moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen. + +Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet +het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx +te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel +succes had. + +--Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank +je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood +ben misschien. Ik kan toch niet leeren, om net als de menschen, +te praten over wat ik niet denk, en te zwijgen over wat ik wel +denk!... Vaarwel!-- + +En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist, +dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer +alleen te zijn. + +Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude +kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar +vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer +gedaan hebben om hem, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud +om aan te raken! + +--Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele, +geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje +ziende. + +'t Viooltje was sentimenteel; en dat was vervelend. Hij kroop +langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind +van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen +hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland, +waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en +paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot +genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van +de menschen, waar hij zooveel van wist. + +"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben, +'t Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende. + +......... + +Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige +omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen, +en vroeg "waarom?" + +En haar stemmetje ging weg in het ruischen van de altijd-groene, +statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur. + +Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de +dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?" + +En haar licht stemmetje steeg in het zwijgende licht, dat het wegdroeg +... zonder antwoord te geven. + +Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?" + +En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg. + +Zoo gingen lange, lange uren voorbij. + +Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne +blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten. + +Ze werd heel stil. + +Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer. + +Ze kwam zacht, alleen, over 't mulle pad. + +Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen. + +--Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde. + +De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief +de gevouwen handen op. + +Toen gebeurde het. + +Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar +hoofd lei ze op haar gevouwen handen. + +En haar stem, nu heel donker, kwam in het donker heel zacht tot +het viooltje: + +--Waarom?... O mijn God! waarom?... snikte ze. + +--Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na: + +--Waarom?... O mijn God! waarom? + +En wachtte......... + +En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken......... + +En ze wachtte......... + +Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den +hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het +uitstraalde. + +En wijd ... wijd ... heel wijd...! zwijgend en rustig, als een +gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze +te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen, +ver boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister +leed, op de zwarte zwijgende aarde. + +En het wetende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende +Vrouw, en op 't viooltje, en zweeg ... als alles. + +Toen zag het viooltje dat het waar was, dat er geen antwoord is.... + +Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde haar van het +voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden +nu, zonder licht er in. + +--Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien +op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, altijd! + +De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging. + +--Dat was het eenige Licht ... zei ze.... + +En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna +tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat +kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte +vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo. + +Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het +zag... En heel stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode +bloempje ... om het te zien.... + +Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve +klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ... + +En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde, +en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen +... wist niemand waarheen die te zamen gingen. + +--Naar het Licht ... dacht de Vrouw. + +Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen, +en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone +schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar +ze vallen. + +Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de +menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het +smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde +doet geboren worden. + +Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op +aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle +schoonheidzoekende zielen eenmaal, om daar te sterven. Want het leven, +zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid, +alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers, +die niet loslaten. + +Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag. + +.................. + +En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde +hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest. + +Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan +had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong +verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij +wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap +lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal +geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze +altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze +wel wilden doen. + +En hij lachte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs +sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzelf. + +En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde +niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen. + +En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als +remedie tegen nadenken, dat onrust brengt: + +"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de +Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er +uit de verte mee." + +Zijn vader had altijd gezegd: + +In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die +drie samen zijn de "duivel". + +Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de +menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte +dus de verwarde theorieen van zijn vader na, die ze van de menschen +nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken, +dat onrust brengt. + +Toch was het nog niet zoo heel dom. De theorie was wel wijs; maar +ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die heel deftige +dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten. + +Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar +"iets heel ergs" van. + +En het niet-zoeken noemden ze "God". + +Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en +God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin. + +Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht +dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch weet ... en die hem +soms zwijgend kust.... + +Altijd zwijgend ... altijd zwijgend. + + + + +DE TULP EN DE MADELIEFJES. + +Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel +duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje. + +Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan +kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine +kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk +schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over +het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied; +en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad +spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd, +heel wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den +hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik, +opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden +de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets +verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes, +al hun gedachten, vriendelijke en booze. + +De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes, +stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een heel groote Zon denkt +over't doen van heel kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach. + +Die kleine madeliefjes!... ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op +hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken, +puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe +klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij, +de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel +niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke +nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend, +omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest +schijnen... + +Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.--Een +paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets +wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond +komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende, +dan een van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun +stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar +het wonderlijke ding. Zoo verdiept waren ze in de beschouwing er van, +dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje +over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering +stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd, +en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd. + +Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de +dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden +hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde +beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig +vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een +wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar heel eventjes te kijken. + +'s Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet, +en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:--Jammer! zoo'n +jong madeliefje nog, erg treurig, vooral voor de familie!--over 't +vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan +een rood puntje vertoonde. + +--Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar +zoo iets nog nooit! + +--Als dat een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte +de ander. Ik ben erg benieuwd wat daarvan worden zal. + +--Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen, +'t Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van, +denkelijk. + +En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen +ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap +des rechtvaardigen. + +De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een +tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur, +ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar +op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was, +wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week +gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt, +om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt, +door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar; +en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten +in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem, +die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet; +en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes. + +Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde +ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte +bij 't wakker worden. + +Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met +spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel, +waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen, +gevouwen om te bidden. + +Het was nu zoo groot geworden, dat al de madeliefjes het haast +konden zien. + +Dat gaf me een gebabbel! + +De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde +zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn voor zich geschoven, +waaronder de aarde geduldig wachtte. + +De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle +genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen +die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over +dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot +zich trok, en dat durfde!... durfde!... anders durfde te zijn dan zij. + +--Heb je ooit zoo iets gezien? klonk het vol ergernis. + +--Neen maar, hoe vin je 't? In 't rood! + +--Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in +'t oog loopen. + +--En die rechte houding! + +--En die aanstellerige blaadjes! + +--Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen. + +Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar +de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op- +en aanmerkingen. + +De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het +gefluister om haar heen!... Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit +geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon +mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig +smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal +dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een +vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen +geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel +anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Haar. + +Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van +verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen +om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat +ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel moest zijn. Ze kende +zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan: +hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met +dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep +ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes +hard en slecht; en begreep dan ook weer niet: waarom die zoo lief en +vriendelijk onder elkaar konden zijn. + +Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen +tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te +nemen, en niet verwaand te schijnen. + +Ze was toen heel eenzaam. + +De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun +avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte +rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij, +en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen. + +De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die +sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende +bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde +ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een +zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen +dankten!... dankten!... + +Zoo, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van +de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten +van hun avondgroet. + +Zoo viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan +witte bloemen, levende in een donkere weide, heel hoog, en haar lief +toelachende alsof ze hun zuster was. + +Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo +erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer +wat vreemds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard, +en dacht aan de sterren. + +Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste +topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zekerheid; en toen kwam het +aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht +... over alles heen! + +Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde +jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor +het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden +bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende geheel, +en het kussende met groote liefde.... + +Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem +straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans +voor gloed weerom. + +Zoo bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even +uitspreidende, opdat ze toch ook voelen zouden, heel voelen zouden: +het Licht! de Zon! + +Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mocht: of ze zoo meer plaats +innam dan anderen! Ze moest het doen! + +Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes +uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende, +zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde +teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze +allen te zamen het Licht zochten, en door een Zon gekust werden. + +'s Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer +'t babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den +grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep +wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden +opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden; +maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van +balsemende Zonvreugde. + +De madeliefjes fluisterden: + +--Heb je 't gezien? + +--Ja; ze doet ook haar bladen open voor de Zon! + +--Wat doet die roode kleur zeer aan je oogen! + +--Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien, +dat ze ons gouden hart mist! + +--Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien! + +--Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen! + +--Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen! + +--Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes. + +--Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan +'t uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden +hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen +naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon +zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je +maar niet daaraan. + +Hoog op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, heel stil, +in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de +sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht +weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open +kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen, +een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren. + +De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen, +en de tulp droeg het hoog, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles +weet, wist het. Maar hoe groot haar leed voor de kleine tulp was, +kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen.... + +En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht, +en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd +stond de eenzame bloem daar. + +Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar. + +Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch +eigenlijk geen kwaad deed! + +Dat waren de liefsten... + +Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering. + +Dat waren de besten.... + +Dan waren er ook, die haar verdedigden, zoo dat zij 't niet hooren kon. + +Dat waren de moedigsten.... + +En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun +halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen +verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden. + +De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch +met de zekerheid van niet begrepen te kunnen worden. + +De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch +wantrouwend. + +--Ze meent niets van al haar liefheid! + +--Deed ze maar wat gewoner, net als wij! + +--Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je +zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons mee-deed! + +De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken; +en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel +dik, was haar stengel bros en teer. + +--Laat me maar!... antwoordde ze vriendelijk. + +Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig +als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn +stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken. + +Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die +veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood +kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat +zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze +staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende +vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het +schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen. + +.................. + +'t Werd Zomer.--Toen stierven, op een heerlijken, lichten zon-dag, +al de witte madeliefjes. + +Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze +stonden. + +Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes +lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de +Zon gewend. + +De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland, +brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas, +die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was. + +Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die +haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde, +roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos +in groezelig water, wijd open, moe.... + +Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af. + +Ze was gestorven.... Haar gouden hart bleef alleen over. + +Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit +'t fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele +muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden, +daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee +... omhoog ... naar den bloemen-hemel.................. + +De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Een van de kinderen +uit 't arme gezin nam ze een voor een in de hand, ze streelende en +mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte +hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der +blaadjes, het zwarte kruis. + +--Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike.... + +Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend, +zei vluchtig: + +--Ja jonkske; net een kruiske.... Zoo zie je: dien bloem het ook al +zijn kruiske te dragen gehad!... + +En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed, +dien ze zelf nauw wist. + +.................. + +Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd +hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven +aanwijzende. + +De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu +verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats +zou aanwijzen. + +In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten. + +Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was: +bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun +onbekend was. + +Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun +starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde +vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen +elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die +alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes, +met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende +geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille +reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog +zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te +ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken +van verstandhouding met hen wisselden. + +Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die +vreemde bloemen! + +Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een +deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!... boog, +en trad terzijde. + +Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare +rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele, +paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het geheel lijkende een +vlammend veld... Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende +schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar +de vreemde bloemen... + +Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen +zijn buurtje. + +--'t Was dus een tulp, dat vreemde ding! + +--Zou zij er ook bij zijn? + +--Ze was kleiner dan een van dezen! + +--Zie je haar soms? + +En ze rekten hun tengere halsjes, en keken en keken, en na lang +turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij" +er was... "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks +durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar +geeerd gezelschap. Maar ze had weer geknikt, en weer, als een goede +bekende... Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend +aan een vreemd, zwart aartje, op haar rood kleed. + +Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze +was niet eens groot; veel kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal +achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar +nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen.... + +Een voor een traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen +richtte. + +Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche +houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed +de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het, +dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad. + +Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en +fluisterde: + +--Zie je wel! Ik kon niet anders. Ik was een tulp: een ander soort +bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet! + +Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen +was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte +kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had ... hoog +boven hen uit!.................. + +Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar +miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden +rood van schaamte. + +Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden; +dat zij hen zou aanklagen! + +Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan +de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo +vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden, +omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden +omhoog te zien, en niet om zich heen ... dat ze haar goed hadden +gedaan en geen kwaad ... dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan +tusschen hen ... dat ze wel eenzaam was geweest ... maar dat de Zon +haar had getroost ... en de sterren! + +Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal +het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en +mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel. + +Ze mocht heel dicht, heel dicht bij de Zon blijven: bij het Licht +dat haar troost was geweest in haar leven. + +De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten, +en de moedigsten, juichten: + +--Ik wist het wel! + +En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp: +hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar.... + +En de Zon zag de madeliefjes aan.... Ze zag hun blaadjes rood van +schaamte. + +Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon, +die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu +ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok +even haar stralen in ... want ... de Zon moest schreien... En boos, +heel boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al +de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel +boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in +'t klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig +opkeken naar Haar. + +Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen +hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf +als een gedachtenis. + +En zoo is het gebleven tot op dezen dag. + + + + +ELZE + +Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat +hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan +de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo +liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig +zou kunnen maken. + +Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals +de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die +gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte +van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem, +dat zij hem boven alles bezig hield. + +Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en +ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs +trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde +hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede, +met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde +maken, zonder dat hij wist hoe. + +Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken +verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieen. + +Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen, +die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken +veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde +de koning toe. + +--Geluk is rijkdom, zei de een. + +Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af. + +--Geluk is weten, leeraarde een tweede. + +Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de +geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond. + +--Geluk is gezondheid, meende een ander. + +Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren, +die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net, +deed hem zwijgen. + +--Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette +een heel diepzinnig gezicht. + +Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen +duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een +ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon! + +Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de +rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor +en, op de vraag die hem geen rust liet. + +--Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag, +zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't +sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken, +totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge +dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die +niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel, +en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen +bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid! + +Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder +naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim +beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden! + +Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem +vriendelijk opnam. + +Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der +wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning +genaderd, boog hij zich, en zei: + +--O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit +omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij +geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van +het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij +nog even wijs zijn gebleven als een voor ons, is dit niet onze schuld. + +Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor +oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer: +vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die +vraag te geven is. + +De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik +u geven kan. + +Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart, +en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons, +en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten +van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af, +is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde +geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij +heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten +doen ontbranden in rustige harten. + +Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij, +zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult +trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en +de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een +mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin +van vredig menschen-geluk. + +De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn +gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem: + +--Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het +al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga, +dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult! + +De grijsaard boog en trad eerbiedig terug. + +--Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de +koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Een onder u, heeft +u allen gekroond met de lauweren van zijn geest. + +Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken. + + + + + +Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en +stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen +bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven +verrichten bij den prins. + +--Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na +een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon, +den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw +gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn +geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde, +en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in +het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte, +en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht, +en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder +bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens +alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult +hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere +beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor +hun schoonheid. + +Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken +moogt, een woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn: +het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht +moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht, +zijn gansche leven. + +Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins +spreken zal, zoo, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook +hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij +er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de +zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden. + +De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich, +als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen +ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende +daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning +te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind. + + + + + +Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den +prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein, +rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in +haar hart. Daar zong het maar al door; doch zoo zacht, dat zij zelf +het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang. + +De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij +de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor +zijn vader, den koning. + +Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest, +liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende, +zijn krans op den grond. + +Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij: + +--Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen? + +--Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra +zij Uwe Hoogheid zagen! + +--Voedster, er is iets anders in uw lach! Zeg mij wat!... Zeg mij wat! + +Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar +ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou. + +--Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij +uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem +de mooiste vinden kunt. + +--Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins, +zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden +... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na. + +--Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen +... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de +voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette +vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden +hebben.................. + + + + + +Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot +jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als +pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat +ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer +goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn +voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en +liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in +zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder +leeg zou zijn gebleven. + +Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving +waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit +kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een +reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen +hadden zijn geest te ontwikkelen. + +Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig +aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde +te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor +de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een +hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg +als de Liefde. + +Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij +alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart +niet overstemd werd door rumoer van buiten. + +--Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige +oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte +zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur +aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten +hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins! + +--Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar +pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken +vraag zweefde, voor zich heen staarde. + +--Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak, +dingen die ik misschien gedroomd heb. + +--Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf +op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong. + +De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover, +wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met +zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en +toejuichen, hem, die eenmaal over hen zou heerschen. + +Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig +land, gesloten worden. + +De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou +aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht +zich te onttrekken. + +Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid +stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige +omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek +niet willende weigeren, had hierin toegestemd. + +Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun +veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van +zijn voedster-moeder, en klopte aan. + +Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen +maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend +op het oogenblik waarin ze den prins zou zien. + +--Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende; +en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde +blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in, +waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas, +van licht doortrokken, over de verre boomen hing. + +De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder +als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig, +fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte +van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende: + +--Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen, +dat u zeker niet verwonderen zal. + +De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de +waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de +eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb +u dit willen vragen, vroeg, heel vroeg, als nog bijna geen schepsel zou +waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons, +het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen +later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een +kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien.... + +Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken, +toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste. + +Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had, +en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik +zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten +zou als ik groot was. + +Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben +opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist, +en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik +dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik, +vertrouwende op uw belofte. + +Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk +me aanziet als een man. Ik ben nu groot geworden, niet waar? Zie me +nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb, +en zeg me wat hij beduidt. + +De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel; +en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had, +zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen, +evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te +spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte. + +--Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die +goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein, +hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst, +gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen +ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep +ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet; +en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik +mijner oogen naar zijn oorsprong.... + +Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul +haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis, +zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij +vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte.... + +Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen +in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich +tot den prins, fluisterend: + +--Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze +zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren +en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van +grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de +Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben +niet kunnen zwijgen. Ze hebben niet kunnen zwijgen, wat mijn hart +dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij +zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste +geluk geeft: het eenige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun +zekerheid, dat ook eenmaal voor u zou opgaan de goudene, gloeiende +zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid +zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat, +geen indruk achterlatende. + +Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood +vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en +verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw. + +--Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat +mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte +aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad +ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over +de waarheid mijner oogen.... + +De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit. + +--Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen +niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank +heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek +in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit +woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft +willen verwijderen uit mijn leven.... + +Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't +ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet +ken! Waar kan ik vinden, dat groote, eenige geluk, dat men mij heeft +willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!... + +Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde +geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben +geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen, +mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het +heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld. + +En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende +gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig +leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld. + +Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit +gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat +plotseling zijn denken vervulde. + +Hij ging maar al door, al door, niet hoorende de jammer stem die hem +riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde. + +De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar +oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren. + +Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde, +sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug, +en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende, +en ter aarde wachtende haar straf. + + + + + + +De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om +uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden +gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners voor zich brengen, +die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke +straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid +zou daarna hun loon zijn. + +Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad een van +hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte. + +Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest +van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en +moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn +houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch. + +Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige +aandacht luisterde: + +--O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te +dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid? + +--Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de +koning met luid-klinkende stem. + +--Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn, +dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig +en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden, +moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn +leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van +huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we +kunnen uitdenken. + +En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn +makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul +van wilde dieren. + +Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze +wenkbrauwen klommen zoo hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In +het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet +samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede +als verdwenen. + +Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte, +gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig +werd gemaakt door roof en moord. + +De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in +vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den +koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde +den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen, +dat haar als een straf was voorgehouden. + +De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan +de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege +zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij +schreide, na jaren van vrede. + +--Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen +... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de +oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk +tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal +hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het +woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn +gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan een hard woord van +mij, aan een wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn +hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden +in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan +tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij. + +Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis, +zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister +begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den +armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om +zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon. + + + + + +De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot +bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar +maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige +vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de +knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins, +vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande +in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde. + +--Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden: +de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen. + +Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk +waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde +hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een +vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef, +kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te +voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot. + +Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt +om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard +waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud, +waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs +bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen +spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen +van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg +op den rug een half gevulden linnen zak. + +--Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch +klonk, als harslucht uit dennen riekt. + +--Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig. + +--Al vroeg op 't pad! Zoek je iets? + +--Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde. + +--Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat +je haar zoekt! + +--Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon +haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij +er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken. + +--Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in +'t bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen. + +--Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een woord +verdwaald! + +--Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond +had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald +bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin +dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je +met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, voor +je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit; +dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal +je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbezien +kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets, +denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al +mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op een na. + +--Dank je, zei de prins en ging verder. + +De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even +na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs +het pad. + +--Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig +geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die +geneeskrachtige kruiden zocht, voorgingen. + +De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek +naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en +den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige +plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het +kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt. + +Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van +blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid, +in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een +wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het +kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in +het liedje dat ze zong: + + De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, + De liefde geeft beide: geluk en .... + +Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins +stond, dien ze door een kromming van het pad niet aan had zien komen. + +--Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig. + +--Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend! + +--Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij +wonderlijk beefde. + +Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames +gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong, +lief meisje hem als een openbaring was. + +Weer lachte het meisje. + +--Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar! + +--Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het +immers? Waarom zing je het anders? + +--Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan +een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat +mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong +binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou +dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze +maar! Waar ga je heen? + +--Ik wil hier blijven! + +Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de +ernstig-luisterende boom-stammen. + +--Hier? Nu, goed! Help me dan aardbezien plukken. Je bent zeker +verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis +nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis +geweigerd. + +Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte +kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet +door wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen. + +De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand +beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de +zon kleine, verleidelijk geurende aardbezien rijp had gekust. + +Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren +zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een +weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe +aardbezien groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had +ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp +een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even +ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier +helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar +met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins +en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde +hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen +in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een +poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje, +tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde. + +Eindelijk zei Elze: + +--Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange +haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het +kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje +met rood-glimmende bezien heel voorzichtig droeg, haar langzaam +volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos +naast elkaar. + +--Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen +hem drukte. + +--Omdat jij niets zegt! + +Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien +heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten +boom, een klein huisje met riet gedekt. + +--Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik. + +Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende +bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die +zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op +haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden +vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid +rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit. + +Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op, +toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met +een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden. + +--Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben. + +Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige +houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw +waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten +Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal +hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode +eikeblaren. + +Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje +waren hare bewegingen. + +De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden +zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na +lang zwerven eindelijk thuis was. + +Toen Elze gereed was, zei ze: + +--Vreemdeling, eet en drink! + +Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger. + +--Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten +op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu. + +Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte +duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt +te worden. + +Nog altijd zweeg de prins. + +--Maar zeg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk. + +--Ik moet zooveel denken! + +--Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!... + +--Woon je hier altijd? + +--Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren +verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig +hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet +meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik +vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader +eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en.... + +--Maar dat komt hem toch toe! + +--Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men +vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan +vragen?... + +--Maar het is toch zijn recht! + +Elze lachte. + +--Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen +levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe, +om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden! + +--De prins zal zeker helpen! + +--Is hij goed? + +--Dat weet hij zelf niet! + +--Maar jij? Hoe vindt jij hem? + +--Ik ken hem niet! + +Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen, +opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat +langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel +zwaar naar voren. + +--Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang! + +Elze bloosde van genoegen. + +--Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik +begrijp niet waarom.... + +--Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken.... + +Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei: + +--Och! waarom niet! + +Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn +gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme +blos zijn wangen kleurde. + +De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen, +en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel +onzichtbaar waren. + +--Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend, +en vouwde nu stil haar handen. + +--Waarom? + +--Dat weet ik niet.... + +Plotseling stond ze op en luisterde. + +--Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur +open bleef. + +De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde, +zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had +gewezen. + +Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp +de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide +handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang +en vast in de oogen. + +Toen zei hij langzaam: + +--Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn +plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen; +en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal, +als 't u niet te eenvoudig is. + +Toen volgde de prins den ouden man in het huisje. + +Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen +Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den +prins voorbij gingen. + +--Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl +hij opstond. + +--Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan! + +--Waarheen? + +--Dat weet ik niet! + +--Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden +man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor +een vreemde in 't bosch! + +--Ik zal meegaan, kind. + +De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong, +en de prins wendde bevend zijn oogen af. + +--Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer +op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar +buiten ziende. + +--Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit. + +--Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje +aan zijn gloeiende lippen. + +Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in. + + + + + +Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet, +wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere +smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een +droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met +vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende +takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen. + +--Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen, +dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge +wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel! + +--Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen +hand geven? + +De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de +smalle, fijne handen van den prins. + +--God zegen u! zei hij, en keerde zich om. + +De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen +weg. + +De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met +een ruk recht schoof. Daar op lachte hij: + +--Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou +gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed, +of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene! + +En hij ging snel een rechten weg naar huis. + + + + + +Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich +heen, als iemand die ontwaakt. + +De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden +om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde +gedachten. + +Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen, +bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter +het grijze silhouet van de verre stad. + +--Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit +zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen! + +Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had +gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan. + +Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins, +zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen. + +Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen +lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn +naderen. + +Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein +bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in +'t half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken. + +De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit, +dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood. + +--God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast; +maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken +geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten +niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt, +maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet +zooals ze schijnen. + +De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich, +en vervolgde zijn tocht. + +Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte +winkels als vriendelijke oogen blonken. + +Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode +gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die +hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan, +en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder +tikte. + +--Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen +vreugde-belovend in de oogen van den prins. + +--Dat weet ik niet! + +--Ga met mij mee! + +--Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna. + +--Wat doe je hier! vroeg ze lief. + +--Ik zoek!... + +--Wat zoek je? + +--De Liefde! + +Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand +omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken. + +--Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt! + +Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins, +moe en eenzaam, vond dit prettig. + +--Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend. + +En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm, +mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde. + +--Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend. + +--Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig. + +--Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om +zijn hals en kuste hem. + +Zacht weerde hij haar af? + +--Is dit het hoogste geluk? + +--Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer. + +Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze +kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen +wist hij niets meer. + + + + + +Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht +vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze +gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar +was gekomen. + +--Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien. + +--Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins +aan de gekregen zwavelstokjes. + +Haastig ontstak hij er een. + +En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde +gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen, +en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde, +en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep. + +Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten, +en snelde heen. + + + + + +Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad +door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel +voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde; +en een groot verlangen welde in hem op. + +--Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit. + +Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had +opgenomen in zijn groene armen. + +Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij +den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar +hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte +duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag +hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje, +waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij +zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag +den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was. + +--Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop. + +En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen +geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken +waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit +een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren +naar het helder getril in 't groene loover. + +Zoo viel hij in slaap. + +Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm +in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door +het dichte kreupelhout, hopende aardbezien te vinden; want hij begon +honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon +dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen. + +Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbezien +genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk +gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een +soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout +verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den +hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging. + +Eindelijk zag hij een geknakten tak. + +--Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond +hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste +blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's +huisje moest voeren. + +Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje, +en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten. + +Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels +verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met +kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van +haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd, +terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen.... + +--Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En +ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar +opzag. + +--Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde +zeker... want nu ben ik gelukkig! + +Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder +lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar +oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de +droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed.... + +Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd.... + +De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware +sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in. + +Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn +hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op +zijn knieen. + +Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de +zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden +zij zich op den jongen man. + +--Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge +weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft +u geleid? + +--Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het +sterker was dan uw wil. + +--En wat zoekt het hier? + +--Liefde, oude man! En die heeft het gevonden! + +--Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart? + +--Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u +verhalen, en oordeel dan. + +Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn +vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning. + +--Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu? + +--Dat Elze met mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn +vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw. + +Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang +duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog. + +Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open. + +--Elze! riep hij naar buiten. + +Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje +verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar +aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en +toen heen vloog. + +Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat +van haar vader. + +--Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand +op haar blond hoofd lei. + +--Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je +zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig. + +--Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den +ouden man uit. + +--Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem. + +Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader +met kussen. Ze antwoordde niet. + +--Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar +de deur. + +Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje +tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend: + +--Blijf bij ons.... + +--Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen. + +--Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig +hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht. + +--Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat +kan ik niet! + +En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op. + +--Zal de koning haar erkennen als uw vrouw? + +--Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets +geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen, +als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn +vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk +dat alleen in Liefde is! + +--Elze wil wel uw vrouw zijn ... maar geen koningin, zei het meisje +zacht. + +--Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn +kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u, +en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik +met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven. + +Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn +handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen. + +--God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen. + + + + + +Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van +zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur, +en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet +zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want +dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar +lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart, +toen hij haar in zijn armen drukte. + +--We zullen gaan voor de zon te veel warmte geeft, zei de oude man. + +De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen +meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op. + +--Misschien geeft een jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn +kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot +haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een +goed mensch. + +Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte. + +Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje. + +--Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd +witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil! + +--Je bent zoo mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins. + +Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren +er niet! + +--Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze. + +Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en +haar vader. + + + + + +In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die +zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog +altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn. + +Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de +half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig +toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam.... + +--Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel +geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen. + +Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe +en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn +stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd. + +--Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde +zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met +nadenken. + +Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm, +en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm, +en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect +gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd, +neerkomt op het hoofd van den geweldenaar. + +Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van +zichzelf.... + +Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord: +zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeen deelt, +wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij +zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte. + +Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit +hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... heel lang vast.... + +Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was +blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in +'t weifelend licht. + +Voor zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand; +maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning +verwijderd neerknielen. + +Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze +het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht.... + +Toen zei de prins: + +--Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang +zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in +'t hart, wanneer ik haar niet gevonden had, en door haar: de Liefde, +het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof +met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet +aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer +ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als +mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!... + +De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij +dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij: + +--Men brenge licht! + +Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn +over de geknielde gestalte uitgoot. + +Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid, +die zacht stemde zijn goed, oud hart. + +--Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik +wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij! + +Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo +statig alsof ze een edelvrouwe was. + +Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond +gehouden had, nader, en boog zich voor den koning. + +--Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende +stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen +of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de +herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons. + +--Wie zijt ge? vroeg de koning norsch. + +--Elze's vader; en een mensch zooals gij! + +--Wie zeide u hier binnen te treden? + +--Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw +dwaasheid! + +--Verklaar u nader! + +--Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met +hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het +geweest ze hem zoo volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag! + +--Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken +als gij! + +--Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker +te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten.... + +Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen. + +--Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt! + +--Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind? + +Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand. + +--Ziehier! zei hij. + +--Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of +reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een +gunst van uwe zijde? + +--Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij +ons toereikt als ons deel! + +--Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart +moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt! + +--Dit is een beleediging! riep de koning uit. + +--Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw +dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is! + +Nu lachte de koning, en zei: + +--Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft, +zal zij een voortreffelijke koningin zijn. + +--Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn +eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt, +en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in +u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch. + +Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen, +terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok. + + + + + +Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal +verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige +geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst +zag, onwillekeurig de handen vouwde. + +De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn +vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest +vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar +de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had. + +Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een +zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch +de zon werend.... Haar vader had alle weldaden die de koning hem +wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd, +die hem liever was dan het leven onder de menschen. + +Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen +houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op +gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom. + +--Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte +zij zich. En 't is waar dat vader daar gelukkiger is dan hij hier +zou zijn.... Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden +missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond, +dat hij weg kuste. + +Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen. + +--'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel +zette! had hij gezegd. + +Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen, +de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden +haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van +hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze +verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid. + +--O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar +strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zoo, dat de gouden kroon niet +dof wordt bij dit glanzende goud. + +--Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank +van uw huid, prinses! vleide een tweede. + +--Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad, +bij het stralen van uw oogen! zei een derde. + +Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes; +maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig; +en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug, +zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had, +en zich achteraf hield. + +--Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende +juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten. + +Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig +aanziende. + +Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep +en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig, +maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's +ongepaste handelwijze: + +--Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te +zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet +zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten. + +De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde +zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten +verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning, +die haar op het voorhoofd kuste, zeggende: + +--Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze +antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch: + +--Als het dan maar vorstin over uw aller harten is.... Anders begeer +ik niets. + +--Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins, +haar vol ernstige liefde aanziende. + +--Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje +kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar +het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt. + +De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar +vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder +hun minzame lachjes en lieve manieren. + +Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende +dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar, +als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart +wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd. + +Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar +hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt...? + +De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk, +of er van binnen een lichtje in brandde. + + + + + +In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed +voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde, +of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje, +door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de +straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de +lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje, +dat ze zelf mende, in moest houden, om hen een voor een te kussen. Ze +bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want +iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende +daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden. + +Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon; +en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte, +met een vreemd lachje van steen. + +De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder +verstand en goed hart te waardeeren. + +Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend +leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als +een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden +zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet, +en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar +soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden +droppel mee.... + +--Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen +schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze heeft nooit geleden. + +Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en +de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden.................. + +Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker, +versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor +Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij +haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn +gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en +zachter voor haar was dan vroeger. + +Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht; +maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder, +zeggende: + +--Laat ik je niet vermoeien met zaken. + +Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang, +tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde. + +--Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden, +zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich +oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong +ben.... Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed, +dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet +erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles +is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet +rondwaart.... Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon +van mijn vader moet ik doen.... Zie, dit doet me soms nadenken; en +mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen.... Ze zouden je leed doen. + +Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder +geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar +ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was; +omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden +dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou. + +Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje +in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op +ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding +van het volk eens goed waarnemen. + +Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve +tot gerustheid dwingende. + +Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach +groette. + +--De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als +de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven, +en bij de laatsten slapen ze nog. + +In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op +den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide; +zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen +kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend: + +--Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond. + +Elze richtte zich hoog op. + +--Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie +boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar +ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen, +die u nooit iets misdeed? + +Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm +even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje, +dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar +paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een +wilde zee van nijdige hoofden. + +Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk +gerust. + +Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen, +zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze +naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar +kleed en haren viel. + +Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden +allen haar handen en kleederen kussen. + +Nu kwamen Elze de tranen in de oogen. + +--Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw +kinderen, die me liefhebben! + +--Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje +volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl +de menigte zich verstrooide. + +--Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen, +terwijl hij naar den grond zag. + +Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar +hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar +schuld verbitteren zou. + +Lang en ernstig dacht ze na. + +--Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond +zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo +heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar +heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter, +dan een heel leven vol verdrietelijkheden. + +--Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het +vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar +klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke +duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar +beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar +wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen, +dat ze hem alleen liet. + +Het zou haar ook hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet +bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze +hem leed zou besparen. + +Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning, +in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las. + +Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou, +wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den +tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen +gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken; +en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd +zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en +bij haar vader te brengen. + +Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet +ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's +Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en +ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim +haar stond te wachten. + + + + + +In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn +diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en +zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten, +was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren. + +In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte +hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom +van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou, +alsof een hemelziel zich op aarde uitzong. + +Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras +witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De +margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het +licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de +donker-groene boomen. + +De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend +tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al +zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn +handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten +tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in +'t zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende +aarde-sterretjes. + +Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de +sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren +die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze, +alle!... alle!... en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes, +die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden. + +Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag +daar omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht +zilveren nachtegalen-lied. + +En het woud sliep, en droomde. + +En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn +groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos; +en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes +snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk. + +Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in +den ernst van zijn oogen. + +Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes +bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht. + +Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet +zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn +hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve +oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit. + +Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de +Boschgeest dat het Elze was. + +Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de +bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar +op, vragende: + +--Elze, wat zoekt ge mij? + +--Het leed zendt me tot u om hulp en vrede. + +--Elze, is er geen ander hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan +niemand u helpen dan ik? + +--Menschen kunnen niet troosten in leed!... + +--Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten? + +--Om de Liefde te volgen. + +--Kan die u niet troosten? + +--Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk +is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk. + +--Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, meer lief dan de +andere menschen: ik kende u, zooals gij mij ... wat kan ik voor u +doen?... Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht, +daar waar Liefde u leidde. + +--Ik kom u den dood vragen! + +Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende +onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan +zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde +tegen zijn koel kleed, en zei: + +--Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der +menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven +gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde +blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet +leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister, +en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik +ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot +voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van +doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te +doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen, +ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling +van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik +ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood +die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien +dood niet geven; want gij zijt jong, en moogt niet sterven. Ook weet +ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort +in mijn rijk. + +--Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht +de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want +wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel.... Ik kom u +vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik +kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten +laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer +te ontwaken. + +Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te +zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben +aan degenen die ik liefheb ... om later weer terug te keeren tot het +leven dat vrede was ... al was het geen geluk. + +Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer. + +--Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en +wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief ... daarom wil ik +u helpen. + +Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil +vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge +veilig zult zijn: bij uw vader. + +Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend +kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar +Elze toe. + +--Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles +aan mij over. + +Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar +schat door niemand opgemerkt het paleis binnen. + + + + + +Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield +zich zoo ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd +maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets +van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter +zij hun onkunde verborgen. + +Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een +smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan +de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in +stelde, te hooren hoe haar toestand was. + +--Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden, +schreien!... dacht ze bitter. + +Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van +sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over +haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen +in haar handen, en zei ernstig: + +--Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning; +maar voor ik misschien zoo ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin +zouden worden aangezien, heb ik u een ding te vragen, dat ge mij niet +weigeren zult, nietwaar? + +Snikkend viel de prins op de knieen en verborg zijn gelaat in de lange, +blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede +afhingen. Ook de koning wischte een traan weg. + +--Spreek, mijn kind! zei hij. + +--Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn +vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven, +begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn +liefste herinneringen zijn daaraan verbonden.... Niet waar: gij zult +doen wat ik u vraag?... Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden +in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit +paleis binnentrad.... Zweert ge me dit? + +--We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen +inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult +leven en gelukkig zijn. + +Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen: + + De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, + De liefde brengt beide: geluk en leed. + +Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor +'t eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor +'t laatst. + +--Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten, +en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn! + +De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning +verwijderde zich met hem. + +Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze: + +--Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als +ik u noodig heb. + +Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen +ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins +te verzekeren. + +De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in. + +Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een +leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel +te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen +verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden +koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn. + + + + + +Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over +haar heengebogen. + +--Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw +verstand. Ge doet een goede daad. + +--Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest +kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde +haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze, +dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond +dat naar de woning van haar vader voerde. + +Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog; +en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen +kuste ze hem op het voorhoofd. + +Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach: + +--Zoo, ben je daar al?... Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet +wonen bij spreeuwen, uilen en valken. + +Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal +was gekomen, zei ze: + +--Nu wil ik mijn haren afknippen. + +Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om +haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud; +en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist. + +--Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje +verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer.... + +Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende +Christusbeeld aan den muur. + +--Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal +je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren. + +Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook +zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte +maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest; +en werkelijk leek het haar zoo. + +Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard +aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde +zoo, dat ze duizelde. + +--Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl +hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast. + +De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat +het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's +vader zien. + +Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat +het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk +gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende +flank, denkende: het paard herkent me; hij niet! + +--Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets +te zeggen. + +--Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is ... antwoordde Elze met +veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen. + +--Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken +uitbarstend. + +--Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed +te houden. + +--Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk +langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier +ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk +eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg +hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet +hij niet denken!... Nu zal ik maar gaan!... Goeden dag!... Je zult +de boodschap wel overbrengen, niet waar? + +--Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels +over. Zonder haar aan te zien reed hij weg ... terwijl Elze op haar +knieen zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten. + +Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten +Christusbeeld neerknielde. + +--Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!... + +Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader +thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd. + + + + + +Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren +zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was +nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen: +een jongen en een meisje. + +--Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze +bij zichzelve. Ik zal nu toch wel waarlijk dood zijn! + +Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en +ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken; +maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep +gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking." + +Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool +van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant +te lijken. + +Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning, +waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar, +wat ze wilde. + +--Den koning zien, zei ze. + +--Je bent moe! + +--Ja; ik kom van heel ver. + +Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos +de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten. + +Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den +koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee +lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw; +en de koning zag er tevreden en gelukkig uit. + +Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning +had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar +muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond, +dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk +juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig +voorbij reed. + +--Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter. + +Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek +waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen +tranen meer had. + +Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen +graf geschreid! + +Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden. + +Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden +zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf.... Het is goed +zoo.... Ik heb dit gewild.... Het was dus goed wat ik deed! + + + + + +Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen +hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen. + +--Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen +glans in de vriendelijke oogen. + +--Waarom vader? + +--Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven +zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den +koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst +is!... Gij, Elze, zijt een heilige! + +--Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw.... Ik heb hem +meer lief dan mezelve.... En nu is Elze tweemaal dood; want eerst +heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven haar overwonnen. + +--Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen, +van een die geen begeerte meer heeft. + +En zoo was het. + + + + + +DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE. + +In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een +watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage +eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende; +en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen +de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen, +waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de +onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de +stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende. + +Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen +ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden +te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende +uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals +ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door +hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen, +daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht +en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol, +zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft +naar hoogste kracht van uiting. + +Door het dal gleed een beekje. + +Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging. + +Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen +hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak +bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende. + +Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen +brug over hem heen, het dal met den molen verbindende. + +Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen; +en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad, +dat wagens met zakken vol tarwe en mais naar den molen leidde. + +Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels +en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als +de wind hen even streelde. + +Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje, +groeiden sierlijke brandnetels. + +De menschen houden niet van de brandnetels, nu. + +Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten +en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi. + +En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij, +dat de menschen hen ook mooi zouden vinden. + +Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begeeren wat ze mooi +vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen +ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die +zich naar hen uitstrekt. + +Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit, +en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde +krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze +wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft! + +De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus +boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten: +dat de brandnetels leelijk waren. + +De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de +menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet +kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten, +tot de lieve God-zelf hen plukt. + +Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug +waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven +enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare +on-verwinbaarheid durvende. + +En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen, +en het dal te verbinden met den watermolen. + +Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen +had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden +wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij +'t werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere +vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in +'t water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun +fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende +als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop, +deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in, +en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken +damp in het dal. + +De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want +de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden +menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen +bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen, +vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun +graf: de zwijgende aarde. + +De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf, +en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg +hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan. + +Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich +teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde +krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels +met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden +helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze +bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen. + +Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in +'t midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen +wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen +wilden laten.... + +Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker. + +Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken +plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw +leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon +men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren. + +Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een +watervalletje dichtbij gevende. + +Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende, +dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet. + +Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet +stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer +insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende +sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom. + +Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons ook niet aan +den winter; net als jij! + +En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen, +vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst, +die geen macht over hem had. + +Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag +sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht +vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook, +als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen. + +Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in +den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken +zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in +winterslaap kwijnde. + +Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de +bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal, +langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat +ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar +menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan +... meestal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen +woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het +zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen. + +Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar +gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het +als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al door, al door, omdat +het niet zwijgen kon, van het beeld dat het opgenomen had in zijn +rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed, +moe van 't werk-doen. + +Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de +weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals +de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van +hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind, +en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote +sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En +haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water +wevende molenrad. + +Voor het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje +wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was +op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille, +bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het +had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met +de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet +vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende +van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien +tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve +verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het +meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het +groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even +bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met +de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en +gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan +de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge, +gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En +de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen, +die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het +bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant, +waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende. + +En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel +bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde +te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets +mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht +aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog +hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag, +stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde +het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele +brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde +even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De +blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras, +hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van +boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het +kindje komen zou in het dal. + +Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs +het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en +onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond +uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun +rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het +de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte, +niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame +bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de +hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen, +niet verder zeiden. + +Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als +vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke, +slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden +het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; te gevoelvol; +te angstig. + +Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de +boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in +vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager. + +Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind +niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over +'t zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen +woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen +dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht +werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht, +op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende, +dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind +zag het niet. + +En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de +dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende. + +En traag gleed het beekje dan heen. + +Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het +blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde +verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen +de oogen te raden.... + +Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde +kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde, +weemoed die ver weg zag, en wist van spoedig heengaan. + +Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd +'t blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw, +met donkere stralen. + +De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal +geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zoo, dat het +blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en +"Moedertje ... moedertje!" snikte. + +Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje +alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje +niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer +roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden. + +Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde +rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes +opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de +wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes +die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen al dieper, +al dieper werden, en verhaaltjes vertelden. + +Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal, +en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een +zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, heel langzaam.... De +witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat +geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht +was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En +het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet, +niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende. + +Lang duurde het, voor het blonde meisje weer kwam bij het molenrad; +en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals +vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen +nog dieper, nog donkerder waren geworden, en al maar vraagden, zonder +te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen, +en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer, +die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen +op het donkere kleedje lagen. + +Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar +vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de +witte man het roepen, en het ging. + +En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger, +en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke, +stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen +den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertelden. + +Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't +voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer, +en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar +zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm. + +Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te +worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de +dennen, sloeg het boek open, en las. + +En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje +gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen +in 't leven. + +En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en +op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat al maar las, langzaam +nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek +met sprookjes. + +Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij +gelezen had. Dan lag het boek op haar knieen, en volgden haar oogen +het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en +licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois +en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen +vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde +ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht. + +Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf +verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het +beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het +beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde +voort, zoo mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg, +en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes. + +Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken +moesten worden opgeladen, of leeg gedragen. + +Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het +dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar +voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de +blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend. + +De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons! + +De hooge dennen zongen: Bij ons!... en het blonde kind zag op naar de +blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde. + +Dit had het beekje gedaan. + +Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels +staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje +hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de +brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen; +maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar +sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden +kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben +wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven +God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht +verkorten, dat Hij wilde laten voortduren. + +De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm +in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij +'t molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek +alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam +luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel +stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief, +droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen, +zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie, +wondere dingen rond-dwaalden. + +Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog, +zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den +glooienden oever aan ... den prins ... uit haar sprookjesboek. Hij +lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht; +maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde +meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees +haar anders te zullen verjagen. Het was zoo iets wonderlijk liefs, +dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren +languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst +dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe +sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze +blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje, +dat hen meenam, het dal in. + +De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone, +wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn +armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen. + +Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige +geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als +iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende. + +Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het +stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen, +en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag. + +Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen, +in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los, +die nu tusschen hem en haar dicht sloeg. + +Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen. + +Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes, +zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam +afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek, +doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast; +en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins, +die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog. + +En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden, +en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was. + +--Wat lees je? vroeg eindelijk de prins. + +Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las, +zijn oogen nu geheel openend: + +--Sprookjes? + +--Ja. Jij bent zeker een prins? + +Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins. + +--Ja; zei hij. + +Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen +zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning +over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord, +dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hoog houdende. + +--Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je +al eens betooverd geweest? + +--Ja; zei de prins, en hij jokte niet. + +--Vertel eens! + +Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden +oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het +gezicht van den prins. + +Hij sloot weer de oogen. + +--Even denken, wat ik je vertellen zal. + +Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in +'t gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen +gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden +tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem +hield ze soms in ... dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende +oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje, +half open, luisterde mee. + +Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar +oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden. + +Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend +aanziende: + +--Je woont zeker in een kasteel? + +--Ja; zei de prins. + +Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht +er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug +neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen; +want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren, +binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag, +trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde +van schoonheid alleen. + +--Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind. + +--Misschien; later.... Woon jij hier? + +--In den molen?... Ja ... eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel: +ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen +mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik denk altijd ergens anders. + +--Je woont hier toch niet alleen, wel? + +--Neen ... mijn vader nog. + +De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje +weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in +zich komen. + +--Ben je veel alleen? + +--Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de +knechts ook.... En dan ... ze mogen me niet graag; ze noemen me +prinsesje.... Ze denken dat ik trotsch ben ... maar, dat is het niet! + +--Wie heeft je lezen geleerd? + +De mooie, heldere oogen zagen hem aan ... en in hun diepten smeekte +het. + +De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden +had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu +een stroeve trek om haar mondje kwam. + +--Lees je veel? vroeg hij verder. + +--Neen, ik heb maar een boek. Dat is nog van haar, en ik ken het +heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat +denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel +het beekje ook wel eens wat. + +--Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi! + +--Verhaaltjes zijn altijd mooi.... Heb je wel eens kabouters +gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je +kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de +elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen +in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met +bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen; +en ze zingen ... soms heel treurig ... meestal wel treurig ... maar +dat is juist zoo mooi!... Wanneer neem je me mee naar je kasteel? + +--Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen. + +Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot +een gelijke. + +--Waarom niet? vroeg ze. + +--Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug +vinden.... Ik kan nu ook niet zoeken. + +--Waarom niet? + +--Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden. + +--Hier? + +--Neen, in 't dorp, achter de bosschen. + +Het kind dacht na. + +--Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze. + +--Neen. + +--Weet ik het dan alleen? + +--Velen gelooven het niet! + +--Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins! + +--Waarom? + +--Je hebt het gezicht van een prins!... Ben je erg ziek? + +--Ik weet het zelf niet. Misschien wel. + +--Zou het mogelijk zijn dat je dood ging? + +--Ik weet het niet.... Misschien wel. + +--Voordat je weer in je kasteel bent? + +--Misschien wel! + +Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind: +angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige +blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met +hoopvolle oogen: + +--Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er +mij dan brengen? + +--Ja: dat zal ik! + +De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje +gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die misschien +sterven zou.... + +En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken +niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes, +en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was +zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder +was dan tien. + +Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt +kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn, +en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom +zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar +schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje, +met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk +afstak bij het kinderlijke van haar manieren. + +Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den +smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft, +waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen. + +Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot +den jongen man, die haar als een wonder aanzag. + +Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf +af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals +een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en +drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat, +hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of +spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang...? + +Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen. + +--Als je naar den hemel gaat, voordat ik den sleutel van het kasteel +heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze. + +--En je vader dan? + +--Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!... En... er +is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben. + +--Moeder zeker..., zei de jonge man zacht. + +Het kind knikte. + +--Nu moet ik weg!--een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je +gaat zeker ook heen straks. + +--Ja, straks. + +--Zal je weer komen? + +--Ja, ik zal komen... als ik kan. + +--Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet +deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze +niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi? + +--Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn... en... wij +zijn toch ook menschen? + +--Neen, dat geloof ik niet! + +--Wat zijn wij dan? + +--Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook +wel, en jou ook... dan geloof ik niet dat jij een mensch bent! + +--Misschien niet! + +--Waarom zeg je altijd misschien? + +--Omdat ik zoo weinig weet. + +Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer +het blonde hoofdje. + +--Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid! + +Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze +tusschen de wilde rozen. + +En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het +beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe. + +En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins, +en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder +wachtte............. + +Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende +al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste, +donkere dennen. + +Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte +tusschen de rozenstruiken op den prins. + +De rozen, een beetje verregend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen +het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek. + +--Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt +hij niet ... zei ze, zich vooroverbuigend om te zien. + +Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder, +tot zij ze niet meer zien kon. + +--De prins komt niet ... zei ze, neerzittende onder de dennen, bij +'t bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte. + +--De prins komt niet ... herhaalde het beekje en gleed heen. + +--De prins komt niet ... zongen de wilde rozen. + +En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien; +en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, heel ver, +zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het +beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij +'t rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek, +zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en al maar tuurde naar +'t donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte, +en al maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met +lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond. + +Den volgen dag kwam de prins. + +'t Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met +een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met +sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere +zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden. + +Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek. + +Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende. + +Toen keek ze rond. + +--Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in. + +De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij +den molen verlicht werd. + +--Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen. + +Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den +oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst +gezien hadden. + +--Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik. + +En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve +van zijn moe gezicht heen. + +--Is 't heel mooi? vroeg hij. + +Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen. + +--Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht. + +De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de +wilde rozen in 't donker van de dennen. + +Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende +dit ook te doen. Zoo zaten ze stil bijeen.... En 't zwarte rad woelde +donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier +daalde over het dal en over den molen. + +De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water +het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans +over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag +hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij haar aanzag. + +--Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende. + +Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder, +en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen +gedachten. + +De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden +met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze +hem haar grootste geluk mee deed genieten. + +Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen, +en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote +vraag-oogen recht in de zijne zagen. + +--Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn +kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het +kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen.... Begrijp je me? + +De ernstige oogen, droevig, zeiden ja.... + +--En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan +op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nooit, klein +prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij.... Misschien zullen +wij er dan ook mooie boeken van maken.... Later ... want ik zal je +niet vergeten!--Zul je het doen? + +--Ik zal het probeeren!... zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar +keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals, +en kuste hem. + +--En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer +een brengen, zoolang ik kan ... zoolang ik kan.... Maar nu moet ik +gaan. Dag prinsesje! + +--Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met +een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij +'t molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het +beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het +nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen. + +Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad; +maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam +ze niet meer; maar bleef in den molen. + +En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en +zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind, +dat maar niet kwam. + +En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te +kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf +gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs +de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het +stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde, +van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar al wegbleef. + +Toen, op een helderen najaarsdag, de wilde rozen droegen glanzend-roode +bottels tusschen hun gelende bladeren, kwamen weer zwart gekleede +mannen over het brugje; en toen ze heen gingen, droegen ze een zwarte +kist. Het blonde kind, met de sprookjes-oogen ging naar moeder.... + +De witte man die in den molen woonde, volgde hen: ouder en meer +gebogen, dan toen hij eenmaal achter die andere kist ging; maar er +even strak en stuursch uitziende. Toen hij over het brugje ging, keek +hij even opzij naar 't zwarte rad, dat stil stond, klemde toen stijf +de lippen opeen, en volgde de mannen, die de kist droegen, het dal in. + +En 't beekje huppelde angstig den somberen stoet na, vragende, niet +begrijpende.... Het volgde de zwarte kist zoolang het kon, klagend +vragende, tot in het dorp, waar het schreiend murmelde langs de huizen, +niet begrijpende.... + +De brandnetels bij 't verweerde brugje zagen de zwarte mannen na, +en schudden langzaam hun nu bruin-groene krullokken. Ze wisten dat de +lieve God hen weldra plukken zou, zooals hij het blonde mensch-bloempje +geplukt had, dat beter thuis zou vinden in Zijn hemel dan op de aarde. + +Twee dagen later, het zwarte rad wentelde weer, werd er een nieuw +sprookjesboek gebracht: voor 't kleine prinsesje, van den prins. + +De witte man, die 't boek aannam, opende het niet, maar lei het weg, +bij nog andere boeken, en bij groote vellen wit papier, beschreven +met een stijve kinderhand. Toen, niemand zag het, beefden zijn anders +zoo rustige lippen, en een paar groote tranen werden weggeveegd met +de bovenzij van zijn ruwe hand. + +Later schreef hij een moeilijk leesbaar briefje aan den prins, wiens +adres in de boeken stond, omdat hij ze zelf gemaakt had. + +Toen de prins het wonderlijk briefje kreeg, luidende: "Mijnheer, +stuur geen boeken meer. Het kind is gestorven. U is vriendelijk +bedankt."--zat hij lang, recht voor zich uit te staren; en zei toen +zacht voor zich heen: + +--Arm kind!... Arm prinsesje! + +Arm kind, arm prinsesje, dat de macht van het woord onbewust bezeten +had, zooals hij het bewust bezat, en een streven naar schoonheid, even +groot als hij. Arm prinsesje, geboren met hoog-vorstelijk bloed in de +aderen, dat nu nooit koningin zou zijn, zooals hij koning was geworden. + +Lieve, reine herinnering, waar hij zooveel aan te danken had, en die +als een schoon beeld voort zou leven in zijn werk en in zijn gedachten. + +Arm kind, arm prinsesje, gestorven ... dood ... weg ... in 't eeuwig, +zwart geheim!............ + +De zomer, die volgde op een langen winter, waarin de molen als dood +in het dal had gelegen, zag weer het zwarte, bezige rad zilveren +glans-waden weven, en kleurvonkende droppels spatten, naar de wilde +rozen, die toezagen in roze verwondering, wijd open. + +Hij zag weer het beekje het dal inglijden, nadat het werk gedaan had +bij den molen, waar het rad rond wond en woelde en zong en ruischte +onder de donkere dennen; en hij hoorde het beekje vertellen, klagelijk +murmelend: van het blonde meisje dat eenmaal woonde in den molen +van het dal, waar de brandnetels groeien, totdat de lieve God-zelf +ze plukt. + + + + + + + +Van Marie Metz-Koning verscheen bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum: + +VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. Vijfde druk. Teekeningen en band +van S. Moulijn. Ing. f 0.90. Geb. f 1.30. + +HET BEELD OP DE ROTS. Tweede druk. Met 5 lithografieen en band van +S. Moulijn. Ing. f 2.90. Geb. f 3.75. LUXE-UITGAVE. 50 genummerde +exemplaren. De steenteekeningen (Epreuve d'Artiste) gedrukt op Japansch +papier. Gebonden in perkamenten band f 10.-. + +GABRIELLE, Omslag en bandversiering van J. Toorop. Vierde druk. Ing. +f 1.50. Geb. f 2.25. Gewoon geb. f 1.90. + +GABRIELLE. Tweede Boek. Bandversiering van J. Toorop. Tweede +druk. Ing. f 1.90. Geb. f 2.65. Gewoon geb. f 2.30. + +DOMINEE GEESTON. Omslag en bandversiering van Herman +Teirlinck. Ingenaaid f 3.50. Gebonden f 4.25. + +VERZEN 1e (2e druk) en 2e bundel. Met portret. Gedrukt op geschept +Hollandsch papier. Ingenaaid f 1.75. Gebonden f 2.50. + +NACHT-SILENE. Illustratien en band van S. Moulijn. Tweede +druk. Ingenaaid f 2.90. Gebonden f 3.90. + +VAN EEN SCHOONEN DAG. Ing. f 2.90. Geb. f 3.90. + +INTERMEZZO. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25. + +PETERKE'S BEELDENSTORM en andere Dorpsgeschiedenissen. Ingenaaid +f 2.50. Gebonden f 3.25. + +Een fraai uitgevoerd PORTRET in Heliogravure, gedrukt op geschept +papier, is verkrijgbaar a f 1.-. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde +by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE *** + +***** This file should be named 10334.txt or 10334.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/0/3/3/10334/ + +Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team. + +Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/10334.zip b/old/10334.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b02b73e --- /dev/null +++ b/old/10334.zip |
