summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--76890-0.txt5352
-rw-r--r--76890-h/76890-h.htm5841
-rw-r--r--76890-h/images/adv-1.pngbin0 -> 20696 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/adv-2.pngbin0 -> 49645 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/back.jpgbin0 -> 122673 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/front.jpgbin0 -> 264195 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/frontispiece.pngbin0 -> 346715 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/p077.pngbin0 -> 515999 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/p171.pngbin0 -> 457381 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/p177.pngbin0 -> 447149 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/spine.jpgbin0 -> 52082 bytes
-rw-r--r--76890-h/images/titlepage.pngbin0 -> 47358 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
15 files changed, 11209 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/76890-0.txt b/76890-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..645b12f
--- /dev/null
+++ b/76890-0.txt
@@ -0,0 +1,5352 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 ***
+
+
+
+
+
+ PUCK
+
+ DOOR
+ MARIE OVINK-SOER
+ SCHRIJFSTER VAN „DE CANNEHEUVELTJES”
+ MET BANDTEEKENING EN PLATEN VAN
+ JOHANNA COSTER
+
+ TWEEDE DRUK
+
+ GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN
+
+
+
+
+
+
+
+
+I EEN SLECHT BEGREPEN KIND.
+
+
+Jootje van Vorden, bijgenaamd Puck, stond voor ’t raam in de huiskamer,
+en trok allerlei figuurtjes op de zwaar beslagen ruiten. Dit deed ze
+misschien wel om een beetje kalmer te worden, want de jonge juffrouw
+was hevig verontwaardigd. Zoo even had Bet „de meid”, haar de keuken
+uitgejaagd, verbeeld je!
+
+Omdat de sinaasappels nog zoo zuur waren, hadden Lientien en zij
+verzonnen de partjes in suiker te leggen. Maar de suiker moest eerst
+gesmolten worden, anders drong ’t zoet niet door. Dus waren beide
+meisjes naar de keuken gegaan, en hadden een leelijken morsboel
+gemaakt, toen Bet, juist op ’t ongelukkigste oogenblik, dat ze kiezen
+kon, binnen kwam.
+
+„Neen maar, wat voeren jullie uit?” riep ze boos.
+
+„Had je dat niet eerst kunnen vragen, Lientien? En jij moest je
+schamen, Puck, de vuile rommel, die je gemaakt hebt, met mijn schoonen
+bordendoek op te soppen.” En tegelijk wilde Bet Puck den doek
+afgrijpen. Maar Puck hield stevig vast. Bet’s blauwe en Puck’s zwarte
+oogen keken elkaar woedend aan,
+
+„Wil je wel dadelijk loslaten, kwaie meid, pas op, of je krijgt er een
+om je ooren,” waarschuwde Bet. Puck trok nog harder, en liet toen op
+eens los, zoodat Bet zeker zou gevallen zijn, als ze zich niet net
+bijtijds aan de tafel had kunnen vastgrijpen.
+
+„En nou is ’t genoeg,” riep ze rood van drift. „Denk je soms, Puck,
+dat....”
+
+„Hoor eens Bet,” viel Puck haar heel kalm in de rede, „ik vind, dat je
+nou wel eens: „jongejuffrouw” kon zeggen in plaats van „Puck”, ’t komt
+niet te pas van een m....” Verder kwam ze niet. Bet pakte haar bij den
+arm, en schudde de rest van haar woorden weg.
+
+„Heb ’k van mijn leven. Moet je nog wat?.... Vort, mijn keuken uit, en
+heb ’t hart niet, dat je hier weer komt knoeien.”
+
+Met een dreun sloeg de keukendeur achter Puckie dicht. Lientien was al
+van te voren weggeslopen met de in den haast aangebrande suikerstroop.
+Ze legde er voorzichtig de sinaasappelpartjes in, doch Puck trok er
+haar neus voor op. Ze was dan al verschrikkelijk kwaad. Vroeger, op
+Soerabaia, had niemand der bedienden haar ooit bij den naam durven
+noemen, en nou ze tien was geworden, wilde ze ’t ook niet langer
+verdragen van de dienstboden hier.
+
+„Wat kan ’t je eigenlijk toch schelen, Puckie, of ze je in de keuken
+bij je naam noemen,” vroeg Lientien. „We zijn toch maar kinderen,”
+voegde ze er eenvoudig bij. „Grace en Ellen hebben je zeker opgestookt,
+om zoo groote-menscherig te doen, hé Puck?” Doch Puck duwde Lientien
+weg, en wilde in ’t geheel niet kijken naar de rose schijfjes in het
+zwart bruine sap. Ze teekende ’t eene sterretje vóór, ’t andere ná op
+de beslagen ruiten.
+
+Waldi kwam van de wandeling thuis, maar zijn onstuimig vriendelijke
+begroeting werd door Puck met een koel „weg vervelend beest,”
+beantwoord. Lientien wilde ’t bij Waldi goed maken, doch dat behoefde
+niet eens: Waldi nam ’t nooit kwalijk, wanneer de menschen
+onvriendelijk tegen hem waren. Dat begreep hij niet, of hij nam de zaak
+even wijsgeerig kalm op als Socrates, de kater.
+
+Nel kwam binnen, even later Frits, die Puck aan haar krullen trok,
+omdat ze hem niet behoorlijk goeden dag zeide.
+
+„Wat scheelt er aan Puckie Muckie?” vroeg hij. „Heb je weer kuurtjes,
+kruidje-roer-mij-niet?”
+
+Puck haalde nijdig haar schouders op en gaf geen antwoord.
+
+„Plaag haar toch niet, Frits,” verzocht Nel.
+
+„Toe, Puckekind, help me eens gauw. ’k Moet de sla nog aanmaken. Wil
+jij vast de eieren pellen?”
+
+Jootje keerde zich half om, doch toen Frits haar vaderlijk goedkeurend
+toeknikte: „Toe maar Puckie,” werd ze wéér woedend, en vloog de kamer
+uit.
+
+„Och hemel! wat een lastig humeur heeft Puck tegenwoordig toch,”
+zuchtte Nel. „De Haagsche lucht bekomt haar bepaald slecht.”
+
+„Nee,” verkondigde Lientien wijs, „’t komt door haar vriendinnen op
+school. Die kinderen stoken haar van alles op.”
+
+„Jou ook, Lienepien?” vroeg Frits.
+
+„Ze noemen mij een „zuigelingkind”, en ze hebben altijd geheimen voor
+me met hun drieën.... ’k Wou, dat ’k Annie en Wimpie hier had, die
+houden ook van poppen en zoo.... Daar trekken Ellen en Grace haar neus
+voor op.”
+
+„Maar in Den Haag is ’t toch heel wat leuker wonen dan in Utrecht,”
+meende Frits. „Die heerlijke duinen en Scheveningen en de Boschjes en
+’t Bosch.... Zou jij terug willen, Nel?”
+
+„Ik vind ’t overal prettig, waar we allemaal samen zijn, vent. ’t Spijt
+me genoeg, dat Lous en de jongens zoo ver weg zitten.”
+
+Op ’t allerlaatste nippertje kwam Puck pas aan tafel, haar booze bui
+scheen nog niets gezakt. Maar van slechte humeurtjes werd aan tafel
+nooit notitie genomen. Mama keek Puckie wel even onderzoekend aan, doch
+vroeg niets. Iedereen praatte gewoon en prettig zooals altijd op ’t
+gezellig etensuur, wanneer al de familieleden bijeen waren.
+
+Doch ná tafel nam mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje apart.
+
+Eerst had mama gemeend en gehoopt, dat zij ’t zich verbeeldde (of, dat
+dit een voorbijgaand verschijnsel zou zijn), toen Puck zoo in haar
+nadeel veranderde sinds de familie in Den Haag woonde. Doch, daar
+Jootje’s humeur eer erger dan beter werd, moest ze dit vermoeden
+opgeven. Met ’t meisje, dat nu sinds drie jaar hun huisgenootje was,
+had mevrouw Canneheuvel in ’t begin veel last gehad. ’t Kleine,
+verwende ding snoepte, jokte en was verbazend koppig. Snoepen deed
+Jootje nu zelden of nooit meer, en ook in andere opzichten was ze wel
+in haar voordeel veranderd.
+
+Wat ’t kind echter de laatste maanden was gaan bezielen, dat begreep
+niemand.
+
+Altijd achtte zij zich verongelijkt, en riep dan: „Niemand begrijpt mij
+ook” (net of ze een raadseltje was, zei Lientien). Vaak liep ze uren
+aaneen te mokken, en wist eigenlijk zelf niet waarom. Over ieder
+plagerijtje werd ze boos, en had eens twee dagen lang niet tegen Frits
+willen spreken, omdat hij haar de „reuzin” had genoemd toen ze klaagde,
+dat iedereen haar als een klein kind behandelde.
+
+Mama sloeg Puckie opmerkzaam gade, en deed telkens weer haar best ’t
+meisje van haar ongelijk te overtuigen; dit gelukte haar echter steeds
+moeilijker.
+
+Ook nu weer kon tante Puck niet aan ’t verstand brengen, dat ’t al heel
+bespottelijk en grievend tegenover Kee en Bet zou zijn, wanneer haar
+gelast werd om de kleintjes op eens „jongejuffrouw” te noemen.
+
+„Maar kindje,” sprak tante, „de meisjes in de keuken noemen Frits nog
+altijd bij zijn naam, en die is bijna zestien. Bet vergeet zelfs
+meestal „Juffrouw” tegen Nel te zeggen.
+
+„Nou, ik vind, dat het niet te pas komt,” hield Puck vol, „Ellen en
+Grace zeggen ’t ook.”
+
+„Frits en Nel maken daar nooit een aanmerking over, omdat we Bet en Kee
+al zoo lang hebben, en ze ons zoo trouw en eerlijk dienen.”
+
+„Ellen en Grace hebben hier in huis niets te vertellen, Puckie... Kom,
+vrouwtje, zet je mooie-weer mutsje toch weer op. Zoo gauw je achttien
+bent mag je „juffrouw” zijn. Tot zoolang blijf je onze „Puckie” binnen
+en in de keuken.”
+
+„Mijn paatje”... begon Puck, snikkend. Tante zag ’t kleine meisje heel
+ernstig aan.
+
+„Kijk me eens in de oogen Puck... geloof je, dat je vadertje zou
+meenen, dat je hier niet goed bezorgd was, en geen prettig tehuis
+hebt?... Heusch, Puck, als je niet tevreê en vroolijk bent, is dat
+alleen je eigen schuld. Strijd toch tegen dat verkeerde gevoel in je
+hart. Wees niet hoogmoedig, en heb niet zoo’n groot idee van je zelf.
+Je bent net als Lientien, nog maar een kind. En wanneer je eenvoudig en
+voorkomend bent, houdt iedereen van je, en voel je je zelf ook
+gelukkig... Geef mij nu maar een zoen, en beloof me je best te willen
+doen.”
+
+Puck gaf tante wèl een zoen, doch voldaan was ze niet. Bij zich zelf
+dacht ze: „Wat kan ’t tante nou toch eigenlijk schelen, of Bet en Kee
+mij jongejuffrouw noemen, als ik ’t zoo graag heb. En nou kan ik Ellen
+en Grace ook niet vertellen, dat ze ’t moeten doen voortaan, en ik heb
+nogal zoo gebluft, dat tante ’t dadelijk goed zou vinden.”
+
+Toen ze in bed was, en Lientien al lang sliep, lag Puck nog een heele
+poos over haar moeilijkheden na te denken.
+
+’t Was of ze tegenwoordig veel meer naar Indië terug verlangde dan
+vroeger. Ze zag haar lief geboorteland in de schoonste kleuren; alles
+was er heerlijk en veel beter dan in dat nare Holland, waar ’t bijna
+aldoor regende. Ralima zou ’t wel uit haar hoofd hebben gelaten om haar
+af te snauwen als die nare Bet deed... Tante was wel lief en de anderen
+ook, behalve Frits, die aap van een jongen, met al zijn verbeelding...
+Maar waarom lieten groote menschen kinderen bijna nooit hun zin doen?
+Ach, waarom was haar paatje er niet meer? Van hem mocht ze alles. Hier
+moest je altijd gehoorzamen, en, wat je prettig vond, mocht juist niet.
+Grace en Ellen van Bergen deden thuis net wat ze wilden. Ze hadden geen
+vader meer, en haar moeder gaf de meisjes in alles toe. Wanneer ze een
+enkelen keer wat verbood, en Ellen en Grace deden ’t toch, dan kregen
+ze nooit straf, maar mevrouw begon te schreien. „En,” zei Grace, „zoo’n
+regenbuitje dreef van zelf voorbij...”
+
+Als zij dat toch ook maar durfde, iets te doen wat eigenlijk niet
+mocht, maar dan zou tante vast niet huilen en roepen van: „hoe kan je
+toch zoo ongehoorzaam zijn?”
+
+Ze zou flink straf krijgen, van oom ook... Die Lientien was toch zoo’n
+flauw kind; ze kreeg al een kleur van schrik bij de gedachte, dat ze
+iets uitvoerde wat mampie niet goed zou vinden. Grace vond ’t ook zoo
+flauw, dat dat kind nog zoo graag met poppen speelde. „Poppen zijn maar
+dooie dingen,” zei ze.
+
+Grace was al dertien en Ellen twaalf, maar zij wilden toch vriendin met
+haar zijn.
+
+Daarmee voelde Puckie zich erg vereerd; ook, doch dit had ze voor geen
+geld willen bekennen, omdat ze erg rijk waren. Mevrouw Van Bergen had
+een auto en, als je er op een partijtje was, kreeg je allerlei moois
+mee naar huis. Dat vond tante overdreven, en ’t gebeurde bij de familie
+Canneheuvel dan ook nooit.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II POFFERTJES.
+
+
+Zooals uit ’t vorige hoofdstuk blijkt, zou hij, die de familie
+Canneheuvel nog in Utrecht wilde zoeken, verkeerd uitkomen. Om
+verschillende redenen hadden de Heer en Mevrouw Canneheuvel besloten
+naar Den Haag te verhuizen, kort ná het huwelijk van hun oudsten zoon,
+Dolf, met Nel’s vriendin Loes (die omstreeks dienzelfden tijd naar
+Indië waren vertrokken). Jan, de tweede zoon, die de Haagsche
+Handelsschool bezocht, behoefde dan niet langer spoorstudent te zijn.
+Voor tante Sjarlotje, die steeds erger aan rheumatiek begon te
+sukkelen, en voor Nel, die nog al eens last van malaria had, was ’t
+veel beter op duingrond te wonen. Toen vader en mama een geschikt huis
+hadden gevonden, in Duinoord, werd het plan dan ook ten uitvoer
+gebracht. De geheele familie was al gauw erg ingenomen met de
+verandering van woonplaats. De heer en mevrouw Canneheuvel vonden er
+verscheidene oude vrienden uit Indië terug; de kinderen genoten
+oneindig meer van het heerlijk buiten wandelen en onderzoekingstochten
+ondernemen nu duinen, bosch en zee zoo dicht bij huis te vinden waren.
+Van Dolf en Lous kwamen voortdurend de beste berichten uit Semarang
+(waar Dolf zich als dokter had gevestigd) en Jan maakte zich gereed hun
+weldra de groeten van de geheele familie te gaan overbrengen. Op ’t
+oogenblik was hij nog in ’t buitenland, om vreemde talen te leeren,
+zooals vader en hij indertijd hadden afgesproken. Jan verbeeldde zich,
+dat hij al aardig wat van de wereld had gezien. Hij vond het reizen
+bizonder naar zijn smaak, en zou wel graag ontdekkingsreiziger zijn
+geworden, als het maken van ontdekkingsreizen niet zulk een onzeker en
+gevaarlijk bestaan had opgeleverd. Nel, nu de oudste thuis van de
+kinderen Canneheuvel, was kort geleden één en twintig jaar geworden, en
+een allerliefst jong meisje, kinderlijk in uiterlijk en manieren en nog
+geheel de oude, hartelijke Nel van vroeger. Van hare studieplannen was
+tot dusver niet veel gekomen. Eigenlijk vond zij ’t veel prettiger in
+het huishouden bezig te zijn, en Nel was op weg, om, onder mama’s
+leiding, een flinke huishoudster te worden.
+
+Frits, de jongste van de jongens Canneheuvel, ging steeds met mooie
+cijfers over op de H. B. S., en hoopte ’t volgend jaar eindexamen te
+kunnen doen. Hij beloofde een slanke, flinke jonge man te worden, maar
+in zijn lange armen en beenen was hij nog niet geheel gegroeid. Frits
+kwam altijd tijd te kort, want hij had ’t heel druk op school, en
+studeerde bovendien meer dan ooit viool, nu hij les kreeg van een
+uitstekenden meester, en lid was geworden van een muziekclub.
+
+Ja, dat de Canneheuveltjes groot werden, dat kon je ook best merken aan
+Lientien, het Benjaminnetje in het gezin. Doch, al was Lientien al
+negen jaar, ze werd nog wat graag als schootkindje behandeld, en voor
+een vertrouwelijk praatje klom ze altijd bij vader op schoot. Papoes
+zei dan, dat zoo’n groote meid zich wat schamen moest, haar voeten
+reikten immers tot den grond als ze op vaders knie zat? Maar wie kon
+lieve, aanhalige Lientien ooit iets weigeren? Ze keek altijd even
+snoezig uit haar groote blauwe oogen en, met haar zijïg goudblond haar
+en teer, fijn figuurtje, leek ze net een sprookjes-prinsesje, zei
+Frits, als Lientien ’t niet hooren kon, want hij vond ’t in het geheel
+niet goed kleine meisjes ijdel te maken. Aan Puck viel in dit opzicht
+niet veel te bederven. Die keek voortdurend in den spiegel, en deed dan
+erg aanstellerig, met haar hoofd op zij, om haar krullen goed in ’t oog
+te krijgen.
+
+Op een keer had Frits in Puck’s kamertje een grooten badhanddoek voor
+den toiletspiegel gehangen, en al de kleine spiegeltjes, die hij vinden
+kon, met lapjes bedekt. Frits’ goede bedoeling werd geheel miskend,
+want Puck had groote en kleine lappen verwoed weggesmeten, en Frits
+gevraagd wat hij zich wel verbeeldde? Hoe durfde hij op haar kamertje
+en aan haar goed komen? Als hij ’t weer deed, ging ze net zoo lang op
+zijn viool krassen tot al de snaren kapot waren. Dat hield Frits zich
+voor gezegd, en zekerheidshalve hield hij voortaan zijn viool achter
+slot in de kast, en den sleutel goed weggestopt. Met die Puck moest je
+op alles verdacht zijn.—Nee, Puckie werd er lang niet liever op, en
+Frits geloofde, net als Lientien, dat ’t allemaal van die vriendinnen
+kwam. Want dat waren me je echte nuffen, met een hoop verbeelding! om
+van te gieren. Laatst, toen hij Puck en die kinderen was tegengekomen,
+had hij hen met zijn hand „bonjour” toegewuifd. En verbeeld je! Puck
+was er woedend over uitgevaren naderhand, en had hem verweten: „Je hebt
+geen manieren, Frits Canneheuvel; Ellen en Grace vonden ’t vreeselijk
+onbeleefd, dat je je pet niet afnam, toen je groette. Dat doen de
+andere jongens allemaal, maar jij weet niet hoe het hoort.” „O, neem
+mij niet kwalijk, mejuffrouw,” had Frits toen gespot, „een volgende
+maal zal ’t niet meer gebeuren.” En, om haar te plagen, zwaaide Frits
+voortaan zijn pet bijna tegen den grond, als hij de meisjes tegenkwam,
+maar keek haar daarbij zoo ondeugend spottend aan, dat ze best
+begrepen, hoe Frits haar voor den mal hield.
+
+Als Lientien alles had willen vertellen wat zij alzoo merkte en hoorde
+van Puck, Grace en Ellen, zou mevrouw Canneheuvel al lang een stokje
+hebben gestoken voor die innige vriendschap tusschen Puck en haar
+vriendinnen. Maar de Canneheuveltjes hielden niet van klikken, en
+bovendien begreep onschuldige Lientien lang niet alles, en liet zich
+door Puck veel wijsmaken.
+
+Alleen aan tante Sjarlotje vertelde Lientien nog wel eens een en ander
+over Ellen en Grace als die bizonder onuitstaanbaar waren geweest. Doch
+tante suste steeds: „dat moet je je maar niet aantrekken, Lientien,”
+of: „ze hebben dat zeker zoo niet bedoeld.”—Tante Sjarlotje was altijd
+voor den vrede. Ze naderde nu zoo zachtjes aan de zeventig en, hoe
+kalmer ’t om haar heen was, hoe liever of ze ’t had. Handen en voeten
+wilden niet best meer mee, gezwollen en stijf als zij waren door de
+rheumatiek, en tante bleef dan ook meest altijd boven, in haar mooie,
+ruime zitkamer, die mama erg gezellig en geheel naar Sjarlotjes smaak,
+had ingericht. Zelfs ’s zomers werd daar op koude dagen gestookt, en ’t
+moest al verbazend heet zijn, als tante haar warme stoof of handkruikje
+wilde missen. Bij ’t opstaan en naar bed gaan werd zij stéeds geholpen,
+meestal door mevrouw Canneheuvel. Kee (het tweede meisje), die veel van
+tante Sjarlotje hield, kwam uit zich zelf telkens eens kijken, of ’t de
+oude dame aan niets ontbrak. „Was de waterstoof nog wel warm genoeg,
+tochtte ’t niet bij ’t raam, zou ze den stoel van de Juffrouw wat meer
+in ’t zonnetje schuiven?” Dan bleef ze nog even wat babbelen, want
+tante hield dol van een praatje, en haar hoofd was nog even helder als
+twintig jaar geleden. Ze vond ’t heerlijk als de kinderen uit school
+kwamen om haar hun schoolnieuws te vertellen. Wanneer Nel een heelen
+middag bij haar kwam zitten naaien was ’t bepaald een feestdag voor
+tante, en Frits maakte tijd, om voor tante Sjarlotje viool te spelen,
+want een verrukter, dankbaarder toehoorster bestond er op heel de
+wereld niet. Dikwijls kwam papa zijn zuster wat voorlezen, maar
+voorlezen was voor tante bepaald een slaapmiddeltje. Daar dutte ze zoo
+heerlijkjes bij in, dat ’t een genot was om te zien. Zelf lezen deed ze
+nog graag: ouderwetsche boeken uit haar jeugd, die in keurige, kleurige
+bandjes in het boekenkastje stonden. Die las en herlas ze. En als Nel
+dan met een nieuw uitgekomen boek aankwam, dat ze prachtig vond, en
+tante wou laten meegenieten, weerde Sjarlotje zachtjes àf. „Dankje
+lieverd, maar ik lees liever „Het Heideprinsesje” nog eens over. Dat is
+toch zulk een prachtig verhaal, dat ik ’t nooit genoeg kan lezen.”
+
+Van al de huisgenooten was Lientien ’t meest en ’t liefst bij tante.
+Die twee waren kinderen samen. Lientien maakte bij Sjarlotje haar
+schoolwerk, en naaide, onder tantes toezicht, de kleeren voor haar
+poppen, en intusschen had ze altijd wat te babbelen en te vertellen,
+waarin tante verbazend veel belang stelde. Lientien werd ’t ook nooit
+moe te luisteren naar de bekende verhalen uit tante’s jeugd.
+
+„Komt mijn Lienepien daar weer?” riep tante vroolijk, als ’t kleintje
+haar hoofdje om de kamerdeur stak. En Lientien: „Nou moet je toch
+hooren tante Sjarlotje...” En Lientien stortte haar overvol hart uit,
+want niemand in huis luisterde zoo geduldig en vond alles wat Lientien
+vertelde zóó gewichtig als tante Sjarlotje.
+
+„U is eigenlijk net zoo goed een vriendin van mij als Annie en Wimpie,
+hè Sjarlottepotje?” kon Lientien zoo hartelijk zeggen, terwijl ze, net
+als vroeger, met haar hoofdje op zij, tante vleiend aankeek.
+
+Tante vergat, dat zij bijna zeventig en Lientien nog geen tien was, en
+knikte blij: „Natuurlijk, Lienepien, wat dacht je anders?” En ’t oude
+en ’t jonge kind pakten elkaar eens terdege.
+
+Op een Woensdagmiddag kwam Lientien tante vertellen, dat de jurk voor
+Francine moest blijven liggen, want ze ging met Frits en Puck naar
+„stad”.
+
+Frits zou voor mamp verschillende soorten postzegels gaan koopen aan ’t
+groote postkantoor, en de kleine meisjes gingen mee, want Waldi was ook
+van de partij, en die mocht niet naar binnen in ’t postkantoor. Dus zou
+Lientien hem zoolang aan de lijn houden. Daarna zou de verrassing komen
+(voor Puck), want Frits had Lientien in ’t geheim beloofd, dat ze
+poffertjes zouden gaan eten in de Prinsestraat. En met ’t oog daarop
+had Lientien, om twaalf uur, verdacht weinig eetlust voorgewend.
+
+Even half drie stapte ’t drietal er al op uit. Gelukkig, dat Lientien
+en Puckie met haar beiden waren, want ’t bleek een heele toer Waldi
+vast te houden, toen Frits ’t postkantoor binnen ging.
+
+Waldi had namelijk een van zijn dolle buien, en wou Frits met geweld
+volgen. Als een razende trok hij aan de lijn, en slaakte de snijdenste
+gilletjes. Vier kleine stevige handen waren bijna niet genoeg om den
+stouterd terug te houden. Als iemand ’t kantoor binnen ging, wou en zou
+Waldi hem achterna om baasje Frits te zoeken. Lientien zag rood van
+inspanning, Puckie schold op Waldi, en schopte naar hem; raken kon zij
+den vluggerd niet... Waar bleef Frits toch! „’t Duurde zeker zoo lang,”
+dacht Lientien, „omdat hij zoo veel verschillende soorten van
+postzegels hebben moest.”
+
+Er kwam een hoopje menschen om de meisjes heen staan, en een oude
+juffrouw onderzocht met strenge stem, of dat hondje haar wel toehoorde.
+Zijn eigen vrouwtjes moest dat stomme beest toch beter kennen.
+
+Puck vroeg, of ’t soms een gewoonte van de juffrouw was om zich met
+eens anders zaken te bemoeien, maar Lientien legde het geval uit met
+een zacht, verzoenend stemmetje, waarop de juffrouw verklaarde, dat zij
+een lieverdje was, en vroeg, of ze ook helpen zou. Doch daar kwam Frits
+gelukkig aan.
+
+Kalmpjes liet hij Puck’s stroom van verwijten over zich heen gaan, en
+kalmeerde Waldi’s uitbundige liefdesverklaringen, terwijl hij hem van
+de lijn los maakte.
+
+„Komt nou maar kinderen,” „vaderde” hij wijs, „nog even voor pa sigaren
+bestellen, en dan... de verrassing.”
+
+Lientien, zielsvergenoegd, haakte bij Frits in, en pakte aan den
+anderen kant Puck beet. „Weet je wat de verrassing is, Puck?” vroeg
+ze... „Frits wil ons op poffertjes trakteeren. We mogen ieder twee
+bordjes, dol hé?”
+
+„Dol!” kwam de echo van Puck. „Mag Waldi los mee?”
+
+„Als er geen andere honden binnen zijn,” besliste Frits, „en hij krijgt
+ook een poffer, maar zonder boter en suiker.”
+
+„Die lik ik er wel àf,” beloofde Lientien.
+
+’t Was leeg in het poffertjes salonnetje, toen Frits er met de meisjes
+binnen kwam.
+
+Hij deed heel deftig, en bestelde groote-heerachtig, maar in zijn hart
+verheugde hij zich niet minder op ’t festijn dan Lientien en Puck, want
+hij was ook dol op poffertjes.
+
+Al gauw zat ’t drietal voor de smakelijk toebereide bordjes. Waldi
+wachtte vrij geduldig zijn beurt àf, hij zat op een stoel naast Frits,
+die hem zekerheidshalve aan de lijn had gehouden. En dat was maar goed
+ook, want met een vaart sprong Waldi op eens van den stoel, en wilde
+luid jankend op een grooten patrijshond af, die (gevolgd door een dame
+en twee meisjes) het salonnetje binnenstoof.
+
+„O hemel! daar heb je „Avanti” en daar komen Ellen en Grace met hun
+mama,” riep Puck. Ze kreeg een kleur van pleizier, terwijl Avanti tegen
+haar opsprong.
+
+„Dop dan toch, Frits,” riep ze driftig.
+
+Frits had echter maar moeite Waldi in bedwang te houden. Hij groette
+onhandig, zoodat zijn pet op den grond viel.
+
+Puck was intusschen opgevlogen, en begroette haar vriendinnen
+hartelijk, al deed ze ’t wel wat druk en lacherig. Nu, dat was in orde,
+doch ’t geen nu volgde in ’t geheel niet.
+
+In plaats van bij Frits, Lientien, Waldi en haar, half leeg gegeten
+bordje terug te komen, schoof Puck naast haar vriendinnen aan een
+tafeltje verderop, en keek niet meer om naar de anderen. Mevrouw
+bestelde ook voor haar, en daar bleef me dat kind warempel bij die
+„vreemden” zitten. Lientien keek eerst verbaasd, maar toen echt boos
+naar trouwelooze Puck. Doch Frits, rood van ergernis, stond eensklaps
+op, en ging vastberaden naar ’t andere tafeltje toe.
+
+Hij vond Puck’s gedrag verbazend onaardig en onbeleefd; daar hij
+bovendien een hekel had aan haar omgang met die malle nuffen van Van
+Bergen, nam hij de zaak dubbel hoog op.
+
+„Neem mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, een beetje haperend (want hij
+verbeeldde zich dat de nesten spottend naar hem keken), „ik kom Puck
+even halen, ze heeft haar poffertjes nog niet eens op, en ze is met ons
+uit.”
+
+„Ooo...” antwoordde mevrouw Van Bergen, „nou, net als Puck wil... Ellen
+en Grace vonden ’t juist zoo prettig, dat ze haar hier troffen en...”
+
+„Ik blijf hier ook veel liever,” vulde Puck aan, terwijl ze Frits’
+woedende blikken met woeker terug gaf.
+
+Even keek Frits verbluft, toen groette hij mevrouw zeer stijfjes,
+verwaardigde de nesten met geen blik, en keerde naar Lientien terug.
+Wat kon hij anders doen? ’t Ging toch niet aan, om Puck mee te sleuren.
+
+Met opzet verschoof hij zijn stoel, zoodat hij met den rug naar ’t
+tafeltje van de anderen kwam te zitten, at zijn tweede bordje en
+presenteerde Lientien heel edelmoedig een derde portie. Maar zusje
+bedankte uit den grond van haar hart, want ze had met moeite haar
+bordje leeg gegeten, en Waldi veel meer toegestopt dan goed voor hem
+was. Neen, door Puck’s schuld was ’t aardig plannetje eigenlijk
+mislukt. Lientien vond ’t dan ook geheel in orde, dat Frits, bij ’t
+weggaan, in ’t geheel geen notitie meer nam van Puck en die „Van
+Bergens”.
+
+Terwijl ze vlug voortstapten, voelde Lientien zich echter toch wel
+bezwaard over Puck en ze vroeg: „Wachten we niet op Puck, Frits? Moet
+ze nou alleen naar huis? Mevrouw Van Bergen woont een heel anderen kant
+uit...”
+
+„Kan me niet schelen,” betuigde Frits, „al liep ze in zeven sloten
+tegelijk, dat nare wurm!...”
+
+Maar aan ’t eind van de Prinsestraat bleef hij toch staan en
+omkijken... Geen spoor van Puck. ’t Was al laat. Ze moesten aanstappen,
+wilden ze op etenstijd thuis zijn.
+
+Over half zeven kwam Puck pas haastig aanvliegen. Mevrouw Van Bergen at
+heel laat, en Puck had onder ’t drukke babbelen den tijd geheel
+vergeten. Erg verschrikt, toen ze hoorde hoe laat ’t al was, had ze
+zich verbazend gerept, stoof Geertje, die haar opendeed, met een vaart
+voorbij, en kwam met een vuurrood gezicht binnen. Kee was al bezig àf
+te nemen, en Nel spoelde de glazen aan het buffet.
+
+„Dag Nel,” zei Puck ontdaan. „Is ’t al zoo laat? Ik dacht...”
+
+„Je moest je schamen, Puck,” knorde Nel, „pa en ma zijn heel boos op
+je. Ik moet zeggen, jij houdt er nette manieren op na. Wij zouden ’t
+geen van allen in ons hoofd krijgen over etenstijd thuis te komen.”
+
+Puck keek op de klok: „Anders zijn we nooit om kwart vóór zeven al
+heelemaal klaar,” pruttelde ze, „waarom?...”
+
+„Vader moest uit, en mamp kwam niet aan tafel, omdat ze zoo’n hoofdpijn
+kreeg en naar bed ging,” verklaarde Nel. „Je begrijpt, dat we geen lust
+hadden op jou te blijven wachten... je vindt dan ook den hond in den
+pot, meisje.”
+
+„Nou, dat was ’t minste,” dacht Puck. Mevrouw Van Bergen had haar
+zooveel poffertjes opgedrongen, dat ze daar vooreerst haar bekomst van
+had. En toen dat gejacht en gevlieg! Ze was aan ’t huilen toe van
+overspanning en zenuwachtigheid.
+
+Puck voelde ook best aan ’t kloppertje van binnen, dat „Meester” haar
+gedrag streng afkeurde, en nu kreeg ze zeker straf en iedereen was
+kwaad op haar.
+
+Natuurlijk, omdat ze een kind was, een groot mensch kon doen wat hij
+wou, maar haar werd alles kwalijk genomen.
+
+Dit leek dit keer dan wel heel erg ’t geval te zijn. Puck kreeg dien
+avond nog van oom zulk een ernstige vermaning, dat ze tranen met tuiten
+schreide. Te meer omdat oom er bijvoegde, dat hij er hard over dacht,
+haar den verderen omgang met Ellen en Grace te verbieden. Die meisjes
+schenen al een heel verkeerden invloed op Puck uit te oefenen, en dat
+mocht zoo niet langer. Tante was er niet om een verzachtend woordje mee
+te spreken, en Puck mocht haar geen „goedennacht” gaan zeggen. Lientien
+en Nel zaten boven bij tante Sjarlotje, maar Puck durfde er niet
+heengaan, nu niemand haar kwam roepen. Ze had een treurigen, eenzamen
+avond, geen ziel keek naar haar om.
+
+Toen Puck naar bed ging was ze zoo boos en verdrietig, dat ze lust had
+om iedereen te stompen. Nu deed ze het haar kussen maar, en lag nog
+lang te brommen en te foeteren. Ze had een hekel aan alle menschen en
+aan alles, ’t meest nog aan poffertjes, want ze had er veel te veel van
+gegeten en nu bezwaarden ze haar.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III 1 APRIL.
+
+
+Zaterdag was eigenlijk de prettigste dag van de week, vonden Puck en
+Lientien. Dan had je den heelen Zondag in ’t vooruitzicht, en lagen de
+schoolzorgen nog ver weg.
+
+Op de vrije middagen moest op last van „Meester” eerst natuurlijk ’t
+schoolwerk worden afgedaan. Lientien hield zich hier stipt aan, want ze
+had nog steeds groot ontzag voor „Meester”. Bij Puck liet dit wel wat
+te wenschen over, en Lientien moest altijd wéér vragen en zeuren: „hè
+Puck, begin nou toch! Ik ben al half klaar; begin dan toch, teuterd.”
+
+Dezen Zaterdag had Puck ook vlug voortgemaakt, en, terwijl Lientien
+opruimde, was ze al vast vooruit naar den tuin gegaan. Puck kon altijd
+grappige spelletjes bedenken, en had telkens nieuwe invallen.
+
+Nu vond Lientien, toen zij in den tuin kwam, Puck druk bezig met een
+grooten bezem door de lucht te vegen.
+
+„Wat doe je kind?” vroeg ze stom verbaasd.
+
+„Kijk maar goed,” schreeuwde Puck haar toe, „ik heb al de wolken in een
+hoek gejaagd. Die zitten zich nou erg te vervelen, want ze houden niks
+van stilzitten. Daarom kijken ze ook zoo donker, maar zich verroeren
+durven ze niet, want ze zijn bang voor mijn bezem.”
+
+Lientien ging heelemaal op Pucks verbeeldingsspel in. „O Puck,” riep ze
+even later, „dáár beweegt zich er één, kijk maar, die kleine witte wil
+weg...”
+
+Puck dreigde woedend met haar bezemsteel, maar eer ze aan ’t vegen toe
+was, zeilde het wolkje vroolijk heen aan den blauwen Aprilhemel. Een
+groote zette het achterna, doch nu begon Puck zoo verwoed haar bezem te
+zwaaien, dat de wolk achteruitkrabbelde, al dunner en dunner werd, en
+eindelijk geheel scheen opgelost.
+
+„Ziezoo,” riep Puck weltevreden, „die doet geen kwaad meer, en nou is
+de regen voor vandaag al vast naar huis gestuurd.”
+
+Lientien vond ’t eenig. „Vertel nog eens wat van de wolken, Puck,”
+verzocht ze.
+
+„Nou ja,” zei Puck, „tusschenbeide zijn zij mij de baas, dan kan ik ze
+niet aan met den bezem. Dat zijn van die groote zwarte, zie je, die
+worden alleen door hun moeder uitgestuurd als ’t thuis niet meer met
+hen is uit te houden. Dan jaagt de moeder hen de deur uit, en dan
+krijgen we lekker weertje; storm is er niks bij. Die zwarte kan je uren
+achtereen hooren brommen en grommen. Ze moeten van hun moeder net zoo
+lang de zakken met regen blijven dragen tot ze zijn uitgeraasd. En
+telkens steekt de moeder een lichtje aan om te zien of de zakken nog
+wel vol zijn. Die lichtjes noemen de domme menschen: „bliksemstralen”.
+Maar eindelijk, dan mogen de zakken los. Nou, en dan regent ’t
+pijpestelen soms uren en uren lang. De zwarte wolken zie je dan niet
+meer, moeder heeft den wind uitgestuurd, en die mag ze naar huis
+terugdrijven.”
+
+„Waar wonen ze, Puck?”
+
+„O, zoo ver weg, achter de verste bergen,... en nog veel verder. In
+reuzengroote holen, en ieder heeft zijn vaste plaats. Moeder zit in ’t
+midden met „den wind” naast zich. Die is haar trouwe knecht, en die
+doet alles wat ze zegt. Vandaag was de knecht er niet, en kon de wolken
+dus niet naar huis drijven. Misschien heeft hij ook wel gezien, dat ik
+ze met mijn bezem voortjoeg. Ze hebben altijd ruzie, de wolken en de
+wind. De wind heeft altijd haast, en de wolken plagen hem expres door
+maar te blijven hangen in plaats van voort te maken... Maar kijk de
+hemel nou eens mooi blauw zijn! Al de wolken zijn stellig thuis bij
+moeder in de reuzengrot en moeten slapen... Zeg Lientien, zullen we nu
+eens gaan kijken, hoe de familie „Snater” ’t maakt in hun nieuwe huis?”
+
+„Wie zijn dat, en waar wonen ze?” vroeg Lientien nieuwsgierig.
+
+„In ’t voorjaar moeten alle vogels toch huisjes gaan huren?” vertelde
+Puck. „De beste zijn natuurlijk ’t eerste weg, en de teutebollen kunnen
+niks goeds meer krijgen. Mijnheer en juffrouw Snater, die aldoor maar
+pret hebben gemaakt, lieten den goeden tijd voorbijgaan, en konden
+daarom geen onderdak meer vinden. Nou moet je weten, dat een ouwe,
+slimme spreeuw net gedaan heeft, of onze dakgoot, bij de logeerkamer,
+van hem was. Voor veel geld heeft hij ’t ondereind van de pijp aan de
+familie Snater verhuurd, en die heeft er dadelijk een nestje in
+gemaakt.”
+
+„Maar Puck,” viel Lientien in, „wat heeft zoo’n ouwe spreeuw nou aan
+geld?”
+
+„Bij de vogels is geld: eten,” verklaarde Puck wijs. „De Snaters moeten
+mijnheer „Geelsnuit” onderhouden. Ga maar mee, dan kan je zelf zien, of
+’t niet waar is.” Puck wees den weg naar ’t balcon van de logeerkamer.
+Op haar teenen slopen de meisjes voorzichtig naderbij, en bogen zich
+over den rand van ’t balcon. En ja wel! daar zat half blinde Geelsnuit
+vlak naast ’t uiteinde van de dakgootpijp, trouw op post. Vader en
+moeder Snater vlogen af en aan met allerlei lekkere beetjes voor hun
+kinderen. Maar vast twee keer van de vier, snapte Geelsnuit een vet
+brokje voor hun begeerige open snaveltjes weg, en stopte dit in zijn
+eigen steeds hongerige maag.
+
+„Nou zie je ’t zelf,” riep Puck triomfantelijk.
+
+„Heb je ooit!” kwam Lientien heelemaal beduusd. „O Puck, hoe heb je dat
+ontdekt? Zit die inhalige, ouwe Geelsnuit altijd naast ’t nest?”
+
+„Om dezen tijd ten minste...”
+
+„Ik ga Nel en Frits halen,” riep Lientien, „die moeten zoo iets eenigs
+ook zien.”
+
+Ook Nel en Frits waren één en al verbazing, doch Nel bedacht dadelijk,
+dat de jonge muschjes er met een harde regenbui treurig aan toe zouden
+zijn.
+
+„Dat heeft die leelijke Geelsnuit natuurlijk verzwegen bij ’t verhuren
+van het huis,” lachte Lientien. „Wat zullen we nou toch doen?”
+
+„’k Geloof,” zei Frits, en hij hield zich zoo ernstig als bij ’t geval
+te pas kwam, „dat ik wel een huisje heb voor de familie Schater of
+Snater, hoe heet ze ook? Tegen den zijmuur bij de regenton is nog een
+leege bloempot: je reinste musschenhuis.”
+
+„Wat een geluk!” riepen de meisjes.
+
+Nu kwamen Frits’ lange armen toch maar goed van pas. Heel voorzichtig
+haalde hij ’t nestje uit de pijp (er zaten vijf Snatertjes in) terwijl
+de piepende ouders op den dakrand een beetje angstig toekeken. Maar òf
+ze een kwartiertje later ook in hun schik waren, en dien leelijken
+Geelsnuit uitlachten! Die moest nu voortaan zelf voor zijn muggen- en
+wurmenpasteitjes zorgen.
+
+„’t Is geen wonder, dat jij altijd zulke mooie opstellen maakt,” zei
+Lientien tegen Puck, nadat zij zich nog een poosje over Geelsnuit
+hadden vroolijk gemaakt, „jij weet altijd weer wat nieuws.”
+
+„Ik wil naderhand schrijfster worden,” verklaarde Puck pedant. „En als
+ik verbazend beroemd ben, zal ik toch altijd met jou willen omgaan,
+hoor!”
+
+„Maar dan willen wij misschien niks meer met jou te maken hebben,
+nest,” klonk een stem van boven, waar Frits uit ’t open raam hing. „Wat
+een verbeelding van zoo’n uk! Denk liever eens aan apen, die hoog
+klimmen willen...”
+
+„Je bent zelf een aap,” schreeuwde Puck verwoed tegen een dicht raam,
+want Frits had dit juist gesloten.
+
+„Ik vind ’t toch zoo naar, dat Frits en jij eeuwig kibbelen,” zuchtte
+Lientien; „dat leelijke gescheld altijd! mamp wil ’t niet hebben.”
+
+„Wie begint?” vroeg Puck heftig. „Is „nest” soms geen schelden?”
+
+„Nest is lang zoo leelijk niet als: aap,” vond Lientien. „Als Frits
+weer „nest” tegen je zegt, moet je vragen: „hoeveel eitjes liggen er
+in?” dan kijkt hij vast op zijn neus.”
+
+„Flauw,” vond Puck, waarop Lientien met een driftig kleurtje beweerde:
+„Iedereen kan ook niet zoo knap en geleerd zijn als Johanna van
+Vorden.”
+
+Puck schudde boos haar zwarte krullen, en liep hard weg, terwijl
+„Meester” tegen Lientien zeide: „Foei, schaam je wat, om zoo uit te
+vallen. Na ’t eten ga je dadelijk je kastje opruimen, hoor!”
+
+Lientien wist niet, dat zij zich, nog veel erger dan nu, over haar
+drift zou hebben te schamen, eer de avond gevallen was.
+
+Dadelijk nadat ze van tafel was opgestaan, had Lientien den lust
+weerstaan met Puck den tuin in te loopen, en zat nu op den grond vóór
+haar half leeg gehaald speelgoedkastje met al de schatten om zich heen
+verspreid. Juist bedacht ze, of ze daar maar niet eens een flinke
+opruiming onder zou houden, en er arme kinderen gelukkig mee maken,
+toen Puck de kamer binnenstoof.
+
+„Lien, Lientien,” riep ze, nog half buiten de deur, „compliment van
+tante, en of je vreeselijk gauw voort wil maken. Je moet je blauwe jurk
+aantrekken en je mooie hoed maar op, want zoo dadelijk komt ’t rijtuig,
+en gaan we eerst toeren, en dan aan de „Witte Brug” theedrinken... Ik
+moet me ook gauw verkleeden...”
+
+„O Hemel!” riep Lientien, haastig opstaand, „waarom zoo op eens? Nou
+moet ik mijn haar ook nog over doen en...”
+
+„Ja, gauw maar, ’t is een plannetje van oom, juist echt, zoo op eens,”
+vond Puck.
+
+Lientien bedacht niet, dat ’t een wel wat vreemd plan was nu nog uit
+rijden te gaan, terwijl het al vrij frischjes was buiten bovendien.
+Argeloos liep ze in de val, die Puck wijd voor haar had opengezet. Dit
+juffertje liep weg, quasie om haar jurk uit de kast op den overloop te
+halen, en Lientien lette niet op, dat ze vergat terug te komen. Zij
+haastte zich wat ze kon, en rende tien minuten later keurig uitgedost
+de trap af, de huiskamer binnen. Daar zat de heele familie rustig thee
+te drinken, en keek zeer verbaasd, toen ze Lientien daar op eens in
+groot toilet zag verschijnen.
+
+„Maar prul,” riep Frits, „hoe kom je zoo laat nog in je mooie spullen?
+Waar wou je heen, poes?”
+
+Lientien keek beduusd: „Maar gaan we dan niet uit rijden? Puck zei, dat
+papoes...”
+
+Daar vloog de kamerdeur wijd open en in de gang stond Puck te dansen
+van pleizier over haar goed gelukte Aprilgrap, terwijl ze met een hoog
+stemmetje zong: „Eén April, één April, mag je foppen wie je wil.
+Lekker! lekker! Lientien, sliep uit!”
+
+Verbijsterd keek Lientien rond. Haar groote blauwe oogen gingen, meelij
+smeekend, van den één naar den ander. Maar niemand nam ’t voor Lientien
+op. Nel, papoes, Frits, zelfs mampie, allen zaten te lachen, en lieten
+Lientien alleen met haar verdriet en teleurstelling. En daartusschen
+klonk Puck’s sarrende stem: „gefopt, gefopt.” Lientien werd hoog rood,
+ze beefde van boosheid, en wilde niet luisteren naar de waarschuwende
+stem van „Meester”. Vóór ze ’t zelf wist, was ze op Puck toegevlogen,
+en gaf haar een klinkende oorvijg, dien ze dadelijk met interest terug
+ontving.
+
+„Foei kinderen, schaamt je wat!” riep mamp, en Frits had ’t vechtend
+tweetal in een oogenblik uiteen.
+
+Lientien liep op vader toe en borg haar beschaamd gezichtje tegen zijn
+schouder. Doch vader trok haar op zijn knie, en zei: „Ziezoo, nou ben
+je echt een klein, stout schootkindje. Maar Lienepien, hoe kan je een
+onschuldig grapje nou toch zoo hoog opnemen? En je houdt zelf zooveel
+van een fop. Wie kaatst moet den bal verwachten, kleintje.”
+
+„Ja maar, ik was al zoo moe,” snikte Lientien, „en toen dat gejacht en
+gerep, en dat U mij allemaal ook uitlachte, dat was nog ’t ergste.”
+
+„Zeker,” suste mamp, „dat was ook wel een beetje erg. Maar, Lientien,
+je bent toch een echt gansje om te denken, dat we, nu ’t nog zoo koud
+is en vroeg donker ook, uit rijden zouden gaan.”
+
+„’k Was zeker zoo suf door al dat vervelende opruimen en uitzoeken van
+’t speelgoed,” zuchtte Lientien.
+
+„Kom,” sprak vader, „zoen mekaar nou maar gauw áf, en ga je daagsche
+jurk aantrekken, Lientien, dan wil vader nog een eindje met jullie
+wandelen, en brengen we wat lekkers mee voor bij ’t tweede kopje thee.”
+
+Daartoe was Lientien dadelijk bereid, en Puck niet minder.
+
+In haar hart vond zijn kleine dochter gearmd met vader wandelen haast
+nog echter dan uit rijden gaan. Vader wist zoo eenig leuk te vertellen
+van vroeger, uit zijn eigen kinderjaren. Je kon dan onder ’t
+toeluisteren uren achtereen loopen zonder moe te worden. Dit keer
+vertelde vader, dat hij in zijn jeugd ook verbazend driftig was, en
+daar veel ergernis en verdriet door had gehad.
+
+„Hoe hebt u dat dan afgeleerd, papoes?” vroeg Lientien.
+
+„Misschien wel door al de draaien om mijn ooren, die ik er voor kreeg,”
+lachte vader. „Want ik was op kostschool en dat is nog wat anders dan
+thuis. Bovendien vonden de opvoeders in mijn jeugd, dat ’t een jongen
+toekwam zoo af en toe een pak te krijgen. ’t Hoofd van de kostschool,
+dien wij jongens „de baas” noemden, was een van de beste, braafste
+menschen, dien ik ooit gekend heb; de goeie man is nu al jaren dood.
+Wij, jongens, zouden voor hem door ’t vuur zijn geloopen, want we
+wisten allen, dat hij streng, maar ook stipt rechtvaardig was.
+
+„De baas kon veel van ons verdragen, omdat hij van kinderen hield en,
+behalve geniepige, gemeene streken, zag hij bijna alles door de
+vingers. Wanneer hij een jongen met zijn groote, doordringende oogen
+aanzag, moest je de waarheid zeggen, al was ’t nog zoo moeilijk. Maar,
+had je eerlijk bekend, en vergiffenis gevraagd, dan werd hij net als
+een vader voor je, en bij je zelf dacht je: „Ellendig toch, dat ik den
+baas verdriet heb aangedaan.”
+
+„Nou, vader was een echte driftkop, zooals ik jullie al vertelde, en
+tegen een vechtpartijtje zag hij ook niet op. Vechten was op school
+verboden, en de baas had me al eens een paar keer gewaarschuwd: „Carel,
+daar komt nog eens hommeles van, als je dat opstuiven niet kunt laten;
+vecht je weer, dan krijg je een pak.”
+
+„En zoo kreeg ik trouw een draai om mijn ooren, als ’k aan ’t razen
+was, en heb ook menig pak gehad. Maar ik geloof, dat de ernstige,
+vriendelijke woorden van den baas, na afloop van de straf, mij veel
+meer geholpen hebben om die leelijke fout er langzamerhand onder te
+krijgen, dan de klappen.”
+
+„Je voelt ’t toch altijd aankomen, hé vader, als je wat verkeerds wil
+doen,” sprak Lientien peinzend, „dan word je gewaarschuwd.”
+
+„Door „Meester”,” spotte Puck.
+
+„Juist Puck, en jij zult ook heel verstandig doen met zooveel mogelijk
+naar „Meester” te luisteren,” meende oom. „En hier heb je nou net een
+lekkeren banketbakkerswinkel. Wat zullen we nu eens voor thuis
+meebrengen?”
+
+Puck vond: lekker-lekkerkoekjes, en Lientien: roomsoezen. Ze wilden
+natuurlijk zelven de zakken dragen, als vader de porte-monnaie maar
+open deed. Waartoe vader onmiddellijk overging; hij wist nu eenmaal:
+„als je met meisjes uit bent, moet je niet op een dubbeltje zien.”
+
+Puck’s Aprilgrap had dus nog een lekker, zoet gevolg, en er was
+zooveel, dat iedereen volop smullen kon.
+
+Toen Lientien dien avond naar boven ging, en er met schrik aan dacht,
+wat een rommel er nog op den grond van haar kamer lag, vond ze daar
+alles keurig opgeruimd.
+
+Dat had Nel natuurlijk gedaan, en Lientien bedacht met een dankbaar
+hart, hoe lief dat van haar was.
+
+Hoe heerlijk toch om een tehuis te hebben als zij had, met zulke lieve
+ouders, die nooit draaien om de ooren gaven, maar alleen met geduld en
+liefde te werk gingen.
+
+En daarom hield ze ook nog duizendmaal meer van vader en mampie, dacht
+Lientien, terwijl ze haar handjes vouwde, en God bad haar te helpen een
+goed kind te zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV „MAMA!”
+
+
+Mevrouw Canneheuvel had, kort na den hevigen influenza-aanval, dien zij
+eenige jaren geleden ternauwernood te boven was gekomen, wel gemerkt,
+dat haar linkeroog daardoor geleden had, want ze kon er niet meer zoo
+goed mede zien als vroeger. Dit was langen tijd zoo gebleven, en mama
+meende, dat ’t niet verergeren zou. Doch den laatsten tijd bleek dit
+wel ’t geval, en in zoo hooge mate, dat vooral papa zich ernstig
+ongerust begon te maken, en den dokter liet komen. Deze onderzocht
+mama’s oogen zeer nauwkeurig, en raadde haar aan, te Utrecht professor
+Snellen te raadplegen.
+
+En nu waren papa en mama zoo even uit Utrecht thuis gekomen. Nel had
+best gezien, dat vader alles behalve opgewekt keek, toen hij naar boven
+ging, en haar met mama alleen liet. Mama trok Nel naast zich op den
+divan, en Nel streelde zachtjes haar hand, doch ze durfde mama niet
+aankijken, want ze had moeite haar tranen te bedwingen.
+
+„Luister nu eens, kind,” sprak mama met haar vriendelijke, opgewekte
+stem, „nu moet je niet zoo wanhopig doen en zoo erg bedroefd zijn, want
+daar is in ’t geheel geen reden toe. Wat denk je toch eigenlijk, Nel?”
+
+„Nou,” antwoordde Nel, terwijl ze moeite deed het beven van haar stem
+te bedwingen, „als dokter toch zegt, dat U vreeselijk voorzichtig moet
+zijn, en U voor alles in acht moet nemen, omdat U anders... omdat Uw
+andere oog anders...”
+
+Gevoelige Nel kon zich niet langer goedhouden, en snikte ’t uit,
+terwijl zij haar hoofd tegen mamp’s schouder drukte.
+
+Doch mamp hief Nel’s gebogen hoofd op, en keek haar vast in de oogen.
+„Niet zóó Nel, kalm toch, m’n lieve kind... Hoe kan ik met je praten,
+als je je zelf zoo toegeeft? Kom! kom! vroeger hielp ik jou met alles
+voort, nu moet ik een steuntje krijgen van mijn oudste dochter, is dat
+nou zoo erg?”
+
+Nel veegde haar tranen af, en gaf mama’s hand een extra drukje.
+
+„Vertel U mij alles uitvoerig wat de professor gezegd heeft, wil U?”
+verzocht ze. „U heeft gelijk, ik ben echt kinderachtig, let U er als ’t
+U belieft maar niet op.”
+
+„Je bent mijn eigen, hartelijke Nel... Wel kind, professor was ’t in
+hoofdzaak met onzen dokter eens, maar hij zag ’t geval toch lichter in.
+Volgens hem kan ik, net als ieder ander mensch, goed blijven zien met
+mijn rechteroog als ik voorzichtig ben, alle opwinding vermijd, en mij,
+ook lichamelijk, zeer in acht neem. „U moogt nooit meer op een stoel
+klimmen of boven Uw macht reiken, moet heel langzaam en voorzichtig
+trappen loopen, en U vooral nooit en met niets overhaasten... Als U
+zich aan dien raad houdt, kan U het licht in Uw gezonde oog even lang
+behouden als anders ’t geval geweest zou zijn...” Zie je wel, Nel, dat
+’t lang zoo erg niet is als je dacht? Er zijn honderden menschen, die
+maar met één oog zien. ’t Moet verbazend gauw wennen met lezen,
+handwerken en zoo.”
+
+„Kan U niets meer zien met uw ééne oog, mampie?” vroeg Nel bekommerd.
+
+„Zoo goed als niets, lieverd; van verre alles en iedereen slechts in
+wazige omtrekken, en dichtbij niet veel beter.”
+
+„Maar ik zie in ’t geheel geen verschil tusschen uw oogen. Ze zijn
+allebei even helder en... Kunnen die geleerde heeren zich niet
+vergissen? ’t Is misschien iets tijdelijks, iets...”
+
+„Neen Nel; als ’k dat geloofde zou ik mij met ijdele hoop vleien. Ik
+zal precies leven als de professor mij heeft aangeraden. En nou gaat
+moeder eens ernstig met je overleggen, kind.
+
+„Hoe veel ’t mij ook kost, ik moet de zorg voor ’t huishouden zoo goed
+als geheel uit handen geven. Je weet wel, Nel, hoe graag ik tot nu toe
+alles zelf deed, en ’t is dus wel een groote beproeving voor me niet
+meer voor jullie en in mijn huishouden bezig te kunnen zijn... Maar ’k
+zal mijn best doen daar niet over te tobben, en mij op mijn wenken
+laten bedienen voortaan, zooals papa dat wenscht.”
+
+„Was papoes niet vreeselijk bedroefd, toen hij ’t hoorde?” viel Nel in.
+
+„’k Geloof, dat vader ’t veel erger vond dan ik zelf, kind, maar nu we
+de zaak eens van alle kanten bekeken hebben, doet papa ook zijn best ’t
+vele goede, dat overblijft, niet voorbij te zien. ’k Behoef niet
+hulpbehoevend te worden, Nel, als... ik heel voorzichtig ben.”
+
+Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd
+zoo verwende met haar aan alles denken, voor alles zorgen...
+
+„O mampie, ik kan mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte
+Nel.
+
+„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te
+zitten,” glimlachte mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige
+dingen: veel met vader wandelen, arme tante Sjarlotje gezelschap
+houden, dan volop lezen en... weet je wat ik bedacht heb, poes: ik ga
+weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n
+beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in
+huis is, want vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren
+dichthouden, en dat mogen wij hun niet aandoen.”
+
+Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw
+Canneheuvel, „er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk
+overneemt. Als papa maar niet zoo’n hekel had aan juffrouwen. Papa
+vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn, omdat hij ’t er
+in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.”
+
+„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord
+had, met nadruk in.
+
+Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet aanhooren komen.
+
+„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg
+Frits bescheiden, en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof
+gezegd?”
+
+„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar
+jongen in de breede vensterbank naast zich.
+
+Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij
+zoo even aan Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te
+luisteren, en wisselde veelzeggende blikken met Nel.
+
+Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op
+beide wangen. Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te
+toonen wat hij voelde, en zijn opgewekten kijk op de dingen had hij
+gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel door helpen, mamp,”
+verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in eere
+houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden
+moeten gelooven.”
+
+Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden
+stem: „Als U ’t mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats
+vervullen, mamp. ’k Weet wel, dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar
+ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden als er een vreemde in
+huis moest komen, en...”
+
+Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van
+een en twintig is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel
+dat eigenlijk alleen in jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd
+aan, maar uit zijn blik sprak ook stille trots: „wat een lieve, flinke
+meid was Nel toch.”
+
+En wat mamp wel bij zich zelf dacht?...
+
+„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij
+eindelijk. „Maar kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat
+in ’t huishouden meehelpen als je er juist zin in hebt, is zoo heel
+anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al je tijd en denken aan te
+geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor de
+huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor
+menig pleziertje opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa
+en ik je zoo van harte gunnen. Bovendien denk je er immers nog altijd
+over om naar Leiden te gaan, en aan de studie te beginnen?”
+
+„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader
+zei laatst, dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.”
+
+„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama,
+en Frits verklaarde wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de
+meisjes om, met de jongelui mee, aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij,
+dat Nel er niet aan mee wil doen.”
+
+„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen
+te zeggen,” oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens
+over hebben. Zooals ik al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve
+kind, maar ik wil niet, dat je een deftige huismusch zult worden,
+terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld bent. Je moet gewoon je
+jongemeisjespleziertjes aanhouden en...”
+
+„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of
+uit wil,” viel Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U
+zal eens zien, hoe lekker ik voor de koffietafel zorg, als ik er op mag
+zetten wat lekker is...”
+
+„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet
+ik ’t niet...
+
+„We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t
+kunnen stellen zonder een juffrouw, die natuurlijk steeds in den
+huiselijken kring zou moeten zijn. In de eerste plaats, omdat vader ’t
+niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien. Maar een
+kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó
+ongeveer in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders
+rechter- en linkerhand, en leent mij ook haar vlugge voeten als ’t
+noodig is.
+
+„’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante
+Sjarlotje te nemen, want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij
+zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender wordt. Maar tante wil ook al
+niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer helpen bij ’t
+aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te
+worden. Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor
+tante te doen. ’k Neem er dan een aankomend meisje bij om Betje beneden
+te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal alles
+zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik
+zijn, dat we, binnen, onder ons blijven.”
+
+„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,”
+merkte Frits aan—„want midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden
+uit haar kamer komen—kan Kee toch ook wel meehelpen, hé mamp?”
+
+„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa
+opzoeken om de nieuwe regeling verder met hem te bespreken.”
+
+„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei
+Nel, „en als ik ’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we
+de anderen mopperen, hé?”
+
+„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog
+leeren, of als je mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en
+zóó,” vond Frits noodig op te merken.
+
+„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet
+mij ook niet met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.”
+
+„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama,
+„dan kan hij zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had
+uitgelegd, dat dit een soort knoop was, die je, zonder naald of draad
+te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen, toonde het jongmensch zich
+hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding.
+
+„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, „mijn schoenen
+onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.”
+
+Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t
+ongeluk, dat die lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het
+droeg.
+
+„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als onze mamp,”
+verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor
+ons. Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.”
+
+„Daarom moeten wij ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al
+was ’t alleen maar omdat we alles aan mamp te danken hebben, zouden we
+haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt flink van je, Nel, de
+nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.”
+
+„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij,
+dat dat studeeren van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe
+langer hoe minder lust in, en ’t huishouden besturen lijkt mij echt
+leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder aan mij hebben dan aan
+mamp, dàt waarschuw ik vooruit.”
+
+„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij
+geen steek te zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de
+gehoorzaamheid van de kinderkamer, en je moogt Puck, Lientien, Socrates
+en Waldi naar hartelust bedrillen.”
+
+„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd.
+„Je bent en blijft zes jaar jonger dan ik, ventje, en behoort, ook nog
+drie kwart tot de kinderkamer.”
+
+„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar
+eindexamen hoopt te doen, staat minstens gelijk met een meisje van
+twintig.”
+
+„Eén en twintig, als je belieft.”
+
+„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de
+winkels zeggen ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.”
+
+„Zóó, ouwe heer.”
+
+„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan,
+en in alles mamp te vervangen... nou, ik heb er een zwaar hoofd in....”
+
+Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich
+dus niets aan van zijn laatste woorden.
+
+Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles
+goed en best wat Nel deed omdat.... zij het deed. Al waren ze nu te
+groot om nog „parkieten” te heeten, ze bleven dezelfde trouwe kameraden
+als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel meer aan dan de andere
+kinderen onderling.
+
+Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk
+gelijk op met Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen
+hen kleiner, redeneerde hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje
+van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog wat graag. Ze speelde en
+schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf nog een kind
+was.
+
+Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t
+geheel geen nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H. B. S.: van
+die vervelende, aanstellerige wichten met een verbeelding en een idee
+van zich zelf!.... Omdat een meisje één zat in hun klas (en dat was nog
+de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de andere meisjes,
+dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.... De
+meesten van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van
+zelf sprak. Echt prettig, dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn
+behoefte zijn zuster iets hartelijks te zeggen, sprak Frits: „Zooals je
+weet, Nel, zorg ik voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat
+heb ik mij vast voorgenomen. Maak je dus maar niet ongerust, dat je
+niet altijd een boterham (en met wat er op ook) hebben zult.”
+
+„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel.
+
+Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan
+mij vroeg? Of ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou
+willen worden. Ik kon nog heelemaal niet tot een besluit komen, maar
+nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden naderhand oogarts. En ik ga
+mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien is ’t toch
+mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen
+maar tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl
+er zulke knappe oogendokters zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.”
+
+„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit
+verwaandheid zegt.”
+
+„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen
+ontdekken, zie je, en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd
+hebt, en wat meer weet van de zaak dan een ander.... ’k Hoop wel, dat
+ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar ik gooi me zelf toch ook
+niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren ze me daar
+altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter
+Canneheuvel?” Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens
+antwoorden: „Neen, die knappe is een broer van mij! of zoo iets.”
+
+„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.”
+
+„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft
+niet in haar brieven, ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo
+prachtig opereert, en de Chineezen er om vechten door hem geholpen te
+worden.”
+
+„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.”
+
+„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij
+zijn. In elk geval blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet.
+Maar voorloopig, Nel, blijft dit tusschen ons, vooral de „kinderkamer”
+heeft met mijn plannen voor later geen steek te maken.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+V HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS.
+
+
+’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht
+gingen, want papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden
+maken met hun vragen, beklag, en van alles willen weten. Socrates en
+Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven er dan ook doodkalm
+onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de groote
+baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend
+nieuwsgierig, en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van
+alles geheimen maken. Ze vroeg er Frits naar, maar die was natuurlijk
+weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine meisjes moeten haar
+beurt afwachten en niet vragen.”
+
+„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn
+jaardag,” bedacht Lientien. Waarop Puck niet overbeleefd informeerde,
+of Lientien bij geval mal was? In Den Haag kon je immers alles veel
+mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht?
+
+„Nou ja...,” zei Lientien een beetje verlegen,... „maar we zullen ’t
+toch wel gauw hooren als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol.
+
+„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet laten
+merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante
+wegreden.”
+
+„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?”
+
+„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen,
+die mogen per sé nooit wat weten.”
+
+„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt
+tegenwoordig altijd van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen
+geleerd.”
+
+„Iedereen weet, dat „per sé” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck
+wijs.
+
+„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat
+begrijpt iedereen, en ik doe ’t ook.”
+
+De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige
+rooden beuk.
+
+Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en
+maakten daar grappige geheimpjes van.
+
+De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den
+geur van de sterk riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd
+„mamp” gedoopt, dat was de mooiste plant uit den tuin. De stammargariet
+heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar de witte meidoorn
+moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat hij
+vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan
+op Frits’ armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die
+al hooger tegen den muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed
+aan haar voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er
+naast: „de schitterende edelknaap”.
+
+De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand
+begreep, wat ze bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de
+vorstin” al zoo „kaal” werd, of dat „de schitterende edelknaap” op
+springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa Fluweeltje” (een prachtige
+licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht Nel, dat de
+kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de
+twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je
+poppen dan ook in ’t gras liggen?”
+
+Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt
+aardig zijn, en allerlei leuke dingen verzinnen.
+
+Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid
+moest worden. „Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk
+die lange takken eens bovenaan, je ziet haast geen blaadjes, alleen
+stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel praatjes en kale
+drukte.”
+
+„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd,
+„jij hebt altijd wat op Frits aan te merken.”
+
+„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.”
+
+Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan
+bekijken. Die had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een
+uit.
+
+Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes den tuin door tot ze
+’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen. Doch
+papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze
+moesten nu niet hinderen.
+
+Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje
+rondslenteren; ze had een plannetje bedacht. Jongejuffrouw
+„Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden, en nauwelijks was de kust
+vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze moest weten wat die geheimzinnigheid
+beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open, dus sloop Puck weer
+naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t venster
+bleef staan, kon ze elk woord verstaan.
+
+
+
+Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net
+hardop: „1625–dood van Maurits, 1647–...”
+
+Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck
+binnen.
+
+„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante... je ma... ik heb ’t door ’t raam
+gehoord. Nel huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de
+professor heeft gezegd....” verder kwam ze niet. Want Lientien werd
+doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen, en stond Puck, verstijfd
+van schrik, aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck
+nog harder begon te huilen.
+
+„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos... dat kon
+toch niet... dat mocht niet... Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien
+dat vreeselijke gelooven.
+
+Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij
+papa opzoeken.
+
+Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en
+streelde Socrates, die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug.
+
+Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo
+bedroefd uitzag, als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje,
+zoodat poes met een verontwaardigden „mauw” van papa’s schoot sprong,
+en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen om zijn hals.
+
+„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig
+weenen van zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd:
+„Is ’t waar, dat mampie...?” raadde tegelijkertijd de waarheid... En o!
+wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien door haar lieven vader zoo
+heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden.
+
+’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als
+Puck had gemeend. Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders
+hart, beloofde hem een groot, verstandig meisje te zijn, en het mama
+niet lastig te maken door overdreven beklag, en ’t haar voortdurend
+laten merken, dat ze zich ontzien moest.
+
+„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er
+Puck ook aan herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten
+wezen.”
+
+„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd
+naar boven te gaan.”
+
+Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met
+een hangend hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.”
+
+„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute
+meid niets beters te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt
+àl ongehoorzamer en...”
+
+Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te
+kijken, en zonder vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en
+kuste zoo warm haar beschreid gezichtje, dat Lientien haar verdriet
+vergat, en haar belofte aan vader indachtig, mampie toelachte.
+Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak
+verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze
+toch zoo blij, dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien,
+wanneer ze maar deed wat de professor had aangeraden.—
+
+Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien. Mama
+had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa,
+want ’t kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had,
+was zóó ontdaan en bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging,
+toen zij berouwvol voor hem stond. Met een punt van haar schortje
+veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl ze snikte: „Ik
+kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo
+vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou
+dacht ik, dat tante bl... blind zou worden, en dat...”
+
+„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder over praten, dat je
+zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en kus het
+àf.”—
+
+’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te
+houden. En om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had
+uitgehaald, gauw en gemakkelijk vergeven hebben.—
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI „GEERTJE”.
+
+
+De keuze uit de vele meisjes, die zich kwamen aanbieden op de
+advertentie van Mevrouw Canneheuvel (de meesten met een piekerig
+vlechtje in den hals en een schraal, bleek snoetje), viel op een zekere
+Geertje Bom, wie het niet aan de noodige vrijmoedigheid ontbrak, toen
+zij zich kwam aanmelden.
+
+Doch, hieraan gepaard ging iets bepaald trouwhartigs in het optreden
+van het veertienjarig ding, dat Mevrouw Canneheuvel erg voor haar
+innam.
+
+„’k Wou zoo dolgraag hooger op, ziet U,” zei Geertje, „en U doet er een
+weldaad mee als U mij neemt, want moeder heeft zoo’n groot gezin, en ik
+moet verdienen. Nou is zoo’n diensie as ’k nou heb, zonder middageten,
+niks niet gedaan. Toe Mevrouw, neem U mij nou, U zal er geen spijt van
+hebben, ikke kan werken als een paardje.”—
+
+De helder blauwe oogen smeekten mee met de overredende stem, en
+Geertjes lief, frisch gezichtje sprak ook in haar voordeel. ’t Kind
+droeg de Scheveningsche muts met ’t hoofdijzer (door Geertje „beugel”
+genoemd), ze had een helder blauw boezelaar vóór, en maakte een
+properen indruk. De Juffrouw in den winkel, bij wie ’t meisje gediend
+had (van zeven uur ’s morgens tot drie uur ’s middags), gaf vrij
+gunstige getuigen.
+
+Geertje plaste wel wat veel met water, en ze had meer weg van een
+ouwelijk vrouwtje dan van een kind. Ze moest nog veel leeren, en, of ze
+nou precies paste in een deftigen dienst?.... Maar eerlijk en werkzaam,
+dat was zij, en eten kon ze voor tien.
+
+Van dit laatste vooral bleek de Juffrouw goed op de hoogte. Toen
+Geertje dien eersten avond uit haar nieuwen dienst om acht uur naar
+huis ging, raakten Kee en Bet er den heelen verderen avond niet over
+uitgepraat, zooals dat kind met haar vork terecht had gekund. „’t Leek
+wel,” zei Bet, „of ze aan ’t hooi laaien was, zoo schoof ze der eten
+naar binnen, en der vingers werkten flink met der vork mee.”
+
+De groote meiden waren nog niet halfweg met haar eerste portie, toen
+Geertjes bord al schoon leeg was, en ze gluurde zoo begeerig naar de
+aardappels en lekkere jus, of ze nog niks gehad had.
+
+Groente, daar gaf ze niet veel om, en ’t tapiocaschoteltje toe, was een
+kossie, dat ze niet kende, en waaraan zij zich dien eersten keer maar
+niet zou wagen. „Nou,” vond Bet, „wonderen doet ’t me niet, ’t kind had
+zich te..... (en hier gebruikte Bet geen net woord) gegeten aan vleesch
+met aardappels en vette jus. Haar bord leek wel een kerktoren, zoo hoog
+als ik ’t had opgestapeld.”
+
+Aan dikke boterhammen met vleesch of koek, liet Geertje zich ook niet
+onbetuigd. „’t Was te merken,” zei Bet, „dat er eentje bij was in de
+kost.” Doch mevrouw Canneheuvel gunde ’t Geertje graag, dat ze nu eens
+volop kreeg, te meer daar ze wel haar best deed, en flink aanpakte.
+
+Bet en Kee sprak Geertje heel beleefd, met „U” aan, en deed steeds
+alles wat beiden haar opdroegen, zonder ooit tegen te stribbelen.
+(Moeder had immers gezegd: „houd de groote meiden te vrind, dan heb je
+’t goed.”) Heel gedienstig nam het Scheveningstertje Bet dikwijls wat
+werk uit de hand, wanneer die ’t wat drukker had dan anders met haar
+„pot”, en bleef dan wat later als er dan veel vaten waren te wasschen.
+De slimmerd wist wel, dat ze voor haar gedienstigheid den volgenden dag
+een belooning kreeg in den vorm van een kopje extra zoete, heete
+koffie. Volgens Geertje was dit de heerlijkste drank der wereld. Met
+haar voeten op de stoelsport, en de roode handjes om de kom gevlijd, en
+de oogen half dichtgeknepen van zoet genot, slurpte ze met kleine
+teugjes haar kommetje leeg. Ze had dat van huis meegebracht, en er ging
+veel meer in dan in een kopje. Maar, was dit leeg, dan sprong ze ook
+vlug op, en ging met zulk een ijver aan ’t messen slijpen, dat de
+vonken er afsprongen, terwijl ze haar voorhoofd vol rimpels trok van de
+inspanning. Of ze gaf ’t tegelplaatsje bij den tuin een extra beurt,
+want daar mocht ze naar hartelust met water kletsen. In de keuken moest
+Bet daar niets van hebben.
+
+Lientien had Geertje graag als een soort kameraadje behandeld, maar dat
+viel tegen. Want Geertje maakte ’t zich veel te druk met werken om voor
+iets anders tijd te hebben, en bovendien voelde ze niets voor Lientiens
+spelletjes; daarvoor was ze veel te oud-vrouwtjesachtig.
+
+Tot Lientiens groote verontwaardiging had Geertje ook niets op met
+Socrates. ’t Was bepaald vijandschap tusschen die twee. Geertje joeg
+poes weg van haar pas geschrobd plaatsje met een: „Vort kat,” waarover
+deftige Socrates zich, met recht, zeer gekrenkt voelde. Aan zulk ruw
+toespreken was hij volstrekt niet gewend. Waldi nam ’t misschien wel op
+voor Socrates, want hij blafte Geertje in ’t begin altijd aan, als ze
+in zijn buurt kwam. Langzamerhand leerde hij haar bijzijn verdragen,
+doch toonde zich nooit aanhalig tegen ’t meisje. Geertje droeg deze
+ramp zeer wijsgeerig. „’t Komt zeker van mijn mussie, daar kan ’t
+stomme beest niet aan wennen,” meende zij.
+
+Puck en Geertje kibbelden heel wat af. Dat kind had absoluut geen
+manieren, volgens Puck, en wat was ze mal aangekleed! „Waarom draag je
+geen katoenen jurk in plaats van die hoop rokken en dat leelijke jak?”
+informeerde ze smadelijk. Waarop Geertje haar afbonjourde met de
+verzekering, dat die hoop rokken haar „drach” was, en die liet ze niet.
+
+Wanneer Puck Geertje verweet, dat ze haar expres lang voor de deur liet
+staan en twee maal schellen, onderzocht Geertje, of Puck altijd zoo
+heet gebakerd was, of ze zei kortaf: „loop heen.” Geertje verkoos ook
+geen jongejuffrouw meer te zeggen tegen de kleine meisjes, zooals ze de
+paar eerste dagen gedaan had. Ze mompelde zoowat van: „ja hum,” „nee
+hum,” wat alles behalve beleefd kon worden genoemd.
+
+Nel verbood Puck mama lastig te vallen met haar klachten. Ze moest zich
+maar niet met Geertje bemoeien en bedenken, dat Geertjes moeder geen
+tijd zou hebben gehad om haar dochtertje goede manieren te leeren.—Puck
+en Lientien maakten onder elkaar uit, dat het nieuwe meisje zoo’n raar
+kind was, omdat ze tusschen bokking en scharretjes was opgegroeid.
+(Haar vader dreef, voornamelijk in deze vischsoorten, een handeltje.)
+Eens, toen Puck weer kwaad op haar was, wilde ze Geertje ergeren met te
+zeggen: „’t Komt zeker van de bokking bij jullie, dat je weer zoo
+bokkig bent.” Waarop Geertje gevat antwoordde: „Dat ben jij dan zonder
+bokking.” Puck bleef sprakeloos van woede, maar ze hield der
+complimenten voortaan vóór zich, vertelde Geertje in de keuken.—
+
+Puck had echter, niet minder dan de andere kinderen, toch wel erg met
+Geertje te doen, toen zij (op een morgen thuis geroepen, omdat moeder
+zoo náár lag) ’s avonds kwam vertellen, dat deze gestorven was.
+
+’t Arme kind huilde erbarmelijk. Hoe moest dat nu met die zes kleintjes
+thuis? Moeder was toch zoo goed geweest; ze sloeg nooit hard, en was
+altijd voor hen bezig. Vader wist niet wat hij moest beginnen!....
+
+In overleg met vader Bom, werd er nu bepaald, dat Geertje voor een week
+of langer naar huis zou gaan om voor ’t huishouden te zorgen. Vader
+wilde zijn oude moeder uit Zeeland laten overkomen om hem te helpen,
+want Geertjes verdiensten konden niet lang gemist worden, en zoo’n
+puiken dienst als bij „Mevrouw” vond ze ook zoo gauw niet weerom.
+
+Nel liep met Puck en Lientien in den tuin ’t geval te bepraten. Ze
+hadden allen toch zoo’n meelij met de familie Bom.
+
+„En moet Geertje nou alleen voor al die wormen bij haar thuis zorgen en
+eten koken, en de boel aan kant houden?” vroeg Puck. „Maar Nel, dat kan
+ze immers niet?”
+
+„’t Zal maar moeten gaan, zooals ’t gaat,” zei Nel.
+
+„Je begrijpt: mamp zal Geertje niet in den steek laten. ’t Is net iets
+voor mamp, om die stumperds in den nood bij te staan, en Geertje mag al
+vast hier elken avond komen halen, wat er aan brood en middageten over
+is. Ik heb met Bet moeten afspreken, dat ze wat meer overhoudt dan
+anders. Koken hoeft Geertje dan alvast niet.”
+
+„En ze kunnen dan tenminste met hun buikje vol naar bed gaan,” merkte
+Lientien tevreden op. Ze zweeg een poosje, en vervolgde toen: „Wat
+hebben die kinderen een heel ander leven dan wij, hé Nel? Geertje is
+toch eigenlijk ook nog maar een kind, en nou moet ze al zoo tobben en
+zorgen in plaats van te spelen en pret te maken. Toch wel zielig, dat
+er zoo’n verschil moet zijn in de wereld, en je kan er zoo niks aan
+doen.”
+
+„Neen, lieve schat, dat kunnen we nou eenmaal niet, maar weet je, wat
+mamp van morgen zei? We kunnen wel ons best doen, naar ons vermogen
+menschen, die ’t noodig hebben, bij te staan en te steunen. Niet alleen
+met ons meelij aankomen, maar echt helpen.”
+
+Lientien dacht een poosje nà, en stelde toen voor: „We moesten van onze
+centjes sparen om hun met St. Nicolaas wat te geven, zullen we, Puck?
+Als we elke week vijf centen op zij leggen houden we nog twintig over;
+dat kan best. ’t Is nou pas Juni, dus wat een weken hebben we nog!!
+Misschien doe jij ook wel mee, Nel?”
+
+„Met liefde hoor, en ik geef een dubbeltje, omdat ik zooveel meer
+zakgeld heb!”
+
+„Zou Frits ook willen?” onderzocht Lientien, die vond, dat de zaak
+flink moest worden aangepakt.
+
+„Secuur,” besliste Nel.
+
+„Nou maar ik vind vijf cent veel te veel,” zei Puck. „Ik heb nog schuld
+ook; ’t geef er maar twee.”
+
+„Ieder centje is welkom,” meende Lientien vriendelijk.
+
+Na drie weken kwam Geertje terug. In plaats van grootmoeder, was tante
+Heintje gekomen om te helpen. Tante Heintje was weduwvrouw, en had zelf
+geen kinderen. Geertje vond tante een goeie, ouwe zeur, die den jongens
+stellig geen baas zou blijven.
+
+Aan Geertje kon je niet merken, dat ze zich moeders dood erg aantrok.
+Ze was niet stiller dan anders, en schreien deed ze evenmin. Onder haar
+werk neuriede ze, als vroeger, dezelfde eentonige liedjes.
+
+„Hoe kan Geertje toch weer zoo gewoon zijn; haar moeder is nog geen
+maand dood,” zeiden de kleintjes.
+
+Doch mama wees hen terecht; de kinderen moesten niet zoo naar ’t
+uiterlijke oordeelen. In haar hart was Geertje zeker nog wel bedroefd,
+al toonde zij dit niet naar buiten.
+
+„’t Komt zeker van die weeë vischlucht,” zei Puck tegen Lientien. „’t
+Is me ook wat lekkers om te moeten slapen in gezelschap van gerookte
+visch. Geertje zegt, dat ze er nooit wat van ruikt; natuurlijk is haar
+reuk afgestompt en de rest zal wel „navenant” wezen.” Puck wist dit
+alles zoo precies van Frits. Die had een poosje geleden een pakje
+aangereikt, namens Mevrouw Canneheuvel, bij de familie Bom, en was toen
+even in de huis- tevens slaapkamer geweest. Er waren wel drie bedsteden
+tegen de wanden. De kamer zag er zindelijk uit, maar ’t riekte er alles
+behalve aangenaam, van wege de bokkings en scharretjes, die in rissen
+tegen de zoldering hingen.
+
+„We hebben nog wel een plekkie op zolder,” had vrouw Bom gezegd, „maar
+daar vreten de muizen er aan; dus moeten we de visch wel hier bergen.
+Och, Jongeheer, wij menschen moeten maar niet kieskeurig zijn, en ons
+weten te behelpen. Als de kinderen maar gezond bennen, en elken dag ’t
+hunne krijgen, ben ’k al meer dan tevrêe.”—
+
+Arme ziel! nou hoefde zij zich niet meer te behelpen. Ze was
+heengegaan, en had de zorg voor haar kleine stumperds aan anderen
+moeten overgeven.
+
+
+
+Op den duur vond mevrouw Canneheuvel ’t toch wel wat te ver voor
+Geertje om twee keer per dag dat lange eind tusschen Scheveningen en de
+Groot Hertoginnelaan af te leggen. Er was op zolder een klein kamertje
+met plaats voor een bed, waschtafeltje, stoel en tafel. Dit vertrekje
+werd nu voor Geertje ingericht. Door een flink raam had je „’t mooiste
+uitzicht van heel ’t huis,” zei Frits, want je zag de duinen in de
+verte en, als je goed keek, zelf den vuurtoren.
+
+De kinderen hadden er schik in Geertjes kamertje aardig aan te kleeden.
+Lientien spelde haar mooiste prentbriefkaarten met punaises tegen de
+beschadigde plekjes van ’t behang. Nel hing er een groote plaat op
+(welke lange jaren de kinderkamer had versierd), een muizenfamilie
+voorstellend, die een bal geeft, en haar gasten heerlijk onthaalt op
+spek, stukjes kaars, en andere lekkernijen.
+
+Puck versierde de waschtafel met twee bloemenvaasjes, één was nogal
+kapot, maar stond met ’t stuk er uit tegen de plank, dus dat hinderde
+niets. Frits wou ook wat doen, en had twee vuurroode papieren rozen
+tegen de gordijntjes bevestigd. Deze versiering kleedde, volgens hem,
+niet alleen ’t raam, doch ’t heele kamertje aan.
+
+Frits wou echter voor Geertje niet weten, dat hij haar met deze
+schatten had begiftigd, want hij vond zich zelf te oud en te groot voor
+zoo iets. ’t Was omdat hij die rozen nou had, zie je, en Geertje ze zoo
+prachtig vond, toen zij ze eens bij toeval had gezien.—
+
+Toen mama Geertje vroeg, of ze niet liever bij hen wilde blijven
+slapen, had ’t meisje onbeholpen van „ja” geknikt. Nu ze echter haar
+vriendelijk, keurig kamertje zag, was ze echt blij, en huppelde
+tusschen het ledikantje en de andere meubeltjes rond of ze vijf
+inplaats van veertien was. Alles vond ze prachtig tot de beddesprei,
+die Bet nog gevonden en over haar bed had gelegd, en den nachtzak van
+Kee toe, waarop met rood verschoten letters: „Wel te rusten” was
+geborduurd. „En, dat dat nou mijn kamertje is, van mijn eigens,”
+zuchtte Geertje innig voldaan. „’t Is niet te gelooven.”
+
+Geertje was heel netjes op haar slaapsalet. Haar grootste plezier
+bestond er in ’s Zaterdags ’t zeil met zeepsop op te nemen, en de
+„heele kamer” een goede beurt te geven. Ze had dan een bereddering voor
+tien, droeg alle meubeltjes op den zolder, en boende, poetste en wreef
+alles wat hiervoor maar eenigszins in aanmerking kwam, tot haar ijzeren
+bedje toe.
+
+En Bet liet ’t schaap goedig begaan, want het gebeurde maar eens in de
+week, en maakte Geertjes grootste plezier uit.... op één na. Dàt was ’t
+poetsen van haar hoofdijzer, waaraan ze menig kwartiertje besteedde,
+maar dat blonk dan ook altijd als de zon. „Een zilveren zon, waarin je
+je spiegelen kon,” zei Lientien.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN.
+
+
+De vriendschap tusschen Frits en Japie was niet lang bestand geweest
+tegen hun scheiding. Eerst hadden ze elkaar nog af en toe geschreven,
+maar Frits vond Japies brieven „niets aan”. De zijne leken hem nog al
+moppig, maar Japie beantwoordde ze met geen syllabe. Hij vertelde
+flauwe grappen van school, en toonde in ’t geheel geen belangstelling
+voor Frits’ leven in den Haag, en de nieuwe kennissen, die hij er
+gemaakt had. Dus was de correspondentie al minder en minder geworden,
+en nu zoo wat op sterven na dood. En met de vriendschap was ’t al niet
+veel beter.
+
+Zijn nieuwen vrind had Frits in de muziekclub gevonden. Hij heette
+Frans van Delden, en was een lange, tengere jongen van zestien jaar,
+met heldere blauwe oogen, en een fijn besneden gezicht. Mevrouw
+Canneheuvel voelde zich erg aangetrokken tot stillen, bleeken Frans,
+ook omdat zijn oogen haar aan die van Careltje (haar jonggestorven
+jongetje) deden denken. Frans kon ook zoo ernstig en stil voor zich
+uitstaren, alsof hij dingen zag, die voor anderen verborgen bleven.
+
+Frans was niet sterk en werd, als eenige zoon, thuis door zijn ouders
+dubbel ontzien.
+
+Puck, die altijd wat op iemands uiterlijk had aan te merken, vond, dat
+de armen van Frans precies leken op die van een slingeraap, haast nog
+meer dan die van Frits. Maar als Frans aan ’t spelen was, hield Puck
+haar brutalen mond. Zij was dol op muziek en zag hoog tegen Frans op,
+want zooals die viool speelde deed niemand van de club ’t hem nà, en
+daarbuiten zeker niet velen van zijn leeftijd. Sinds Frans van Delden
+in het muziekclubje was, werd er op de muziekavonden veel beter en
+mooier gespeeld dan vroeger. Ook bij de familie Canneheuvel. Mamp en
+Nel durfden geen mond open doen; van mopjes of gewone dansjes kwam
+niets in, en haar oordeel over andere muziek hielden moeder en dochter
+wijselijk vóór zich. Slechts verheven muziek werd gespeeld van de
+allereerste meesters als: Beethoven, Mozart, Bach en dergelijken, veel
+te hoog en onbegrijpelijk voor mama en Nel, doch waarvan vader en Frits
+genoten.
+
+Papa vond ’t van zelf sprekend, dat Frans de muziekavonden leidde, en
+niemand nam ’t hem kwalijk, als hij op zijn kalme, bescheiden manier op
+gemaakte fouten wees.
+
+Want Frans was nu eenmaal een muzikaal genie, en zou nog eens als een
+ster van den eersten rang aan den kunstenaarshemel schitteren. Daarover
+waren al zijn vrienden ’t eens, en Frits had zich al vast bij Frans op
+vrijkaartjes geabonneerd voor de concerten, waar deze als solist zou
+optreden. Want die zouden natuurlijk zoo druk bezocht worden, dat de
+menschen slechts met moeite een plaatsje zouden kunnen bemachtigen.
+
+Als Frits zoo aan ’t opsnijden was, verzocht Frans hem kalmpjes niet
+zoo door te slaan als een blinde vink. Hij wist volstrekt nog niet, of
+hij zich aan de muziek zou wijden. Zijn ouders zagen hem veel liever
+ingenieur of dokter worden. Want de kunstenaarsloopbaan toch, is vol
+stekels en doornen, en éér je nog zoover bent.... Al had Frans aanleg
+als violist, ’t was nog hard de vraag, of hij doorzettingskracht genoeg
+zou hebben voor die moeilijke studie. Hij stond nog pas aan ’t begin.
+Al ’t reusachtig zware, de ontzettende rijstebrij-berg, waar je door
+heen moet, om wat te kunnen „worden”, daaraan was hij nog niet eens
+toe.
+
+Zoo sprak bescheiden Frans, doch zijn clubkameraden hielden vol, dat ’t
+allemaal valsche bescheidenheid was van Frans.
+
+„Is muziek dan zoo vreeselijk moeielijk, mampie?” vroeg Lientien, die
+niet begreep, hoe iemand op noten kon zingen. Met haar lief, fijn
+stemmetje zong zij ouderwetsche liedjes naar ’t gehoor, die ze vroeger
+van tante Sjarlotje leerde.
+
+„Veel te moeilijk voor ons, lieverdje,” antwoordde mama. „Ik vrees,
+kind, dat je mijn muzikalen aanleg geërfd hebt, en wijs zult doen je
+tijd niet met pianospelen of zangstudies te verknoeien.”
+
+Dit was Lientien roerend met moeder eens, al zong ze wel graag voor
+haar poppen, als Puck er niet bij was, die dat met poppen spelen van
+Lientien niet uit kon staan. Daar was je als kind van tien jaar toch al
+veel te groot voor!
+
+Puck had bepaald aanleg voor muziek. Als ze er kans toe zag, zat ze
+voor de piano, en tokkelde er op los, speelde allerlei wijsjes uit haar
+hoofd na. ’t Werd tijd, dat ze les kreeg, doch oom wilde niet, dat Puck
+op zijn mooien vleugel zou studeeren, en dus moest er voor Puck een
+tweede-handsch piano worden aangeschaft, waarop ze naar hartelust zou
+mogen oefenen en broddelen.
+
+„Ajakkes,” riep Jongejuffrouw Puck verdrietig, „waarom mag ik niet op
+den vleugel? Je moet juist op een goeie piano studeeren, zegt
+iedereen.”
+
+„Tante zal wel zorgen, dat de piano, die je voor je studeeren krijgt,
+goed genoeg is,” zei oom. „Maar van mijn vleugel blijf je voortaan af,
+begrepen juffertje? Je gebruikt ’t pedaal of ’t noodig is of niet, en
+bonkt er me veel te hard op.”
+
+Tegen oom durfde Puck natuurlijk niet opspelen, maar bij zich zelf
+dacht ze: „’t Zal wat moois zijn, die piano van tante! Tante zegt zelf,
+dat ze in ’t geheel geen verstand heeft van piano’s.”
+
+Nu, dit was ook zoo, en daarom nam tante Frans in den arm, om haar bij
+dit zaakje behulpzaam te zijn. En Frans deed zijn uiterste best, want
+wie zou zich niet graag voor Mevrouw Canneheuvel uitgesloofd hebben.
+
+Toen ’t nieuwe instrument dan ook kwam, en in een kamertje werd
+geplaatst, zoo ver mogelijk van den vleugel àf (anders kwam er vast
+herrie tusschen die twee), was Puck dan ook nog al ingenomen met haar
+piano. Frits’ muziekonderwijzer zou ook Puck les geven, en de goeie man
+had al gauw reden om hoogst tevreden, of ernstig misnoegd te zijn over
+zijn nieuwe leerling. Want Puck studeerde goed of niet, en dan gaf dat
+op de les prijsjes, doch veel meer aanmerkingen en verwijten. De heer
+Stang, door Puck de mopperbaas genoemd, had al gauw verzocht, of een
+van de huisgenooten Pucks les wilde bijwonen. Want eigenlijk voelde hij
+zich geen baas over bijdehante Puck, die altijd wat had tegen te
+pruttelen en haar onderwijzer, als hij haar echt een standje maakte,
+kon aankijken met haar zwarte flonkeroogen, alsof ze hem wou opeten.
+
+Als vader of mamp tijd noch gelegenheid hadden de les bij te wonen,
+kwam Nel eens kijken, en vond dan dikwijls tante Sjarlotje, die aan
+Kee’s arm over ’t portaal was komen aanschuifelen, en onder ’t gamma’s
+spelen van Pucks vlugge vingers een zalig dutje deed.
+
+„Hoe is ’t mogelijk,” dacht Nel, „dat tante door dat lawaai heen slapen
+kan.”
+
+Maar tante beweerde, dat ze juist nooit lekkerder hazenslaapjes deed
+dan onder ’t luisteren naar eentonige geluiden, die al zachter en
+zwakker werden, tot ze er heerlijk bij indutte.
+
+
+
+Al was de tweede-handsch piano heel goed, ’t ergerde Puck, met haar
+hoogmoedig hartje, niet weinig, dat ze niet op den vleugel mocht
+spelen. Frits, die Jongejuffrouw Puck niet te best vertrouwde, had den
+sleutel verstopt, doch slimme Puck had het schuilplaatsje, in een van
+de Japansche vazen, al gauw ontdekt, en op een keer, toen de „grooten”
+allen uit waren (behalve tante Sjarlotje, die de trap niet meer
+afkwam), haalde de bengel den sleutel uit de vaas, en ging, juist omdat
+’t haar verboden was, op den vleugel spelen.
+
+Al gauw stak Lientien haar hoofd om de deur.
+
+„Maar Puck, je mag niet op pa’s vleugel,” riep ze verontwaardigd.
+
+„Gaat je niks an, bemoeial,” antwoordde Puck tusschen twee grepen van
+een marsch in.
+
+„’t Zou maar gauw uitscheiden, ondeugend kind,” waarschuwde Lientien,
+„je moest je schamen iets te doen wat papoes niet hebben wil.”
+
+„Iedereen is niet zoo’n flauw zuigelingenkind als jij,” hoonde Puck.
+
+Lientien werd echt driftig. „Nare treiter,” viel ze uit, „als je me
+weer „zuigelingkind” noemt, zeg ik tegen jou: „zwarte Zigeuner”, want
+iedereen zegt, dat je daarop lijkt en....”
+
+Puck plaagde wel graag, doch zelf kon ze volstrekt niet tegen plagen.
+„Dat zal je berouwen, Caroline Canneheuvel,” riep ze, en keek Lientien
+zoo koud en dreigend aan, terwijl haar stem akelig plechtig klonk, dat
+kleine, domme Lientien er geweldig van ontroerde. Met een harden slag
+vloog de vleugel dicht, en Puck rende naar boven, terwijl Lientien,
+heelemaal ontdaan over de sombere, geheimzinnige bedreiging,
+achterbleef.
+
+
+
+Den daarop volgenden Zaterdag was ’t zulk slecht weer, dat er den
+heelen middag geen sprake was van uitgaan, of in den tuin spelen. Puck
+stond maar voor ’t raam te mopperen en te brommen, zoodat tante
+eindelijk knorde: „Houd nu eens eindelijk op, Puck, met dat gepruttel.
+Waarom ga je niet lezen of pianospelen, of Lientien helpen naaien? Ze
+heeft een heelen hoop mooie fluweelen en zijden lapjes van tante
+Sjarlotje gekregen, en gaat de zomerkleeren van al haar poppen
+opknappen.”
+
+„Jakkes, voor die malle, dooie poppen naaien! Hoe heeft Lientien er
+lust in?” smaalde Puck.
+
+„’k Ben heel blij, dat Lientien nog niet zoo groote-menschachtig is als
+jij, Puck,” zei tante kalm. „Daardoor heeft ze menig pleziertje, dat
+jij moet missen. In elk geval wil ik je nu niet langer zoo ontevreden
+en mopperig om me heen hebben draaien. Ga een of ander uitvoeren, dat
+je prettig vindt, anders geef ik je een taak op. Je breikous...”
+
+Doch Puck was al weg. Aan breien had ze een broertje dood. De kous, die
+ze onderhanden had, zag zoo zwart als roet, en als tante die zag, zat
+er vast een standje voor haar op.
+
+Eerst ging Puck Socrates een beetje vervelen, want die wou slapen, en
+was niets gesteld op Pucks hardhandige liefkoozingen. Maar Waldi wilde
+wel spelen en al gauw maakten Puck en hij zulk een verschrikkelijk
+lawaai met z’n beiden, dat oom heel boos uit zijn kamer kwam vragen, of
+dat geweld haast gedaan was.
+
+„We maggen ook niks, hè Waldi?” riep Puck verontwaardigd. Ze bracht den
+hond, die door ’t dolle heen was, tot bedaren, en slenterde naar boven,
+op ander kattekwaad bedacht.
+
+Ze moest Lientien haar vreeselijke beleediging van „zwarte Zigeuner”
+nog betaald zetten, en op eens viel haar in, welke poets ze Lientien
+bakken zou. Die zat intusschen innig vergenoegd bij tante Sjarlotje.
+Tantes vroeger zoo vlugge vingers konden nu niet meer voor Lientiens
+poppengarderobe zorgen. Ze stonden krom en stijf van de rheumatiek.
+Maar Lientien had heel wat van tante afgekeken, en van tantes goeden
+raad kon ze nog steeds profiteeren. Haar babbelmondje stond geen
+oogenblik stil, terwijl ze bezig was een hoedje op te maken voor haar
+oudste dochter Suze. „Wat dunkt u, tante, zou ik op dit blauwe hoedje
+wel een vuurroode roos zetten?.... ’t Lijkt me erg opzichtig.”
+
+„’t Wordt toch wel gedragen,” meende tante, die ’t opmaken van Suze’s
+hoed niet minder gewichtig vond dan Lientien. Moeder Lientien legde de
+roos weg, en hield een takje blauwe vergeet-mij-niet tegen de
+hemelsblauwe zijde. „O Hemel! nee, leelijk hè?”
+
+„O Hemel nee,” kwam de echo van tante. „Wat denk je van een wit zijden
+strik, Lienepien?”
+
+„Ook te schel... vindt u niet?”
+
+„Daar bedenk ’k mij, dat ’k nog zacht rose lint heb liggen, net
+appelbloesemtint,” legde Sjarlotje uit, „dat zal er beeldig bij staan.”
+
+„Dat lijkt mij ook,” riep Lientien verheugd, en zij liep vlug naar de
+commode, om in de derde lade, ’t hoekje links, volgens tantes
+aanwijzing, de lintendoos te zoeken.
+
+„Voor „daags” heeft Suze een matelo’tje (van Nel gekregen), daar doe ik
+een zwart lint om, en klaar is Kees,” vertelde Lientien, terwijl haar
+mollige handjes ’t hoedje garneerden met kleine dofjes van het
+appelbloesemlint. Al de slijtgaatjes konden mooi tusschen de plooitjes
+weggestopt. „’t Wordt beeldig,” verklaarde ze opgewonden, „maar kan
+tante ’t eigenlijk wel missen?”
+
+„Wat zou ik voor mijn Lienepoes niet graag geven?” vroeg tante teeder.
+„Maar bovendien heeft tante Sjarlotje al sinds lange jaren niets meer
+aan kleurige linten en strikken, dat is goed voor de jeugd. Dit lint is
+al erg oud, ’t was vroeger bepaald hard rose, maar ieder jaar
+verbleekte ’t een beetje meer, en is eigenlijk nu pas mooi van tint.”
+
+„Zit er een geschiedenis aan vast, tantetje?” vroeg Lientien, die dol
+was op verhalen uit de jeugd van groote menschen.
+
+„Niet veel bizonders, kind. Toen tante een jong meisje was, had zij een
+vriendin, die ook Charlotte heette, en zoo waren wij de twee „Lotjes”.
+Wij hielden veel van elkaar, maar waren wel wat overdreven in onze
+vriendschap, zooals jonge meisjes dat wel meer zijn. Natuurlijk gaven
+we elkaar presentjes bij voorkomende gelegenheden, en zoo kreeg ik dit
+rose lint van haar voor mijn haar.
+
+„Daar vond ik ’t veel te mooi voor, en bewaarde het, tusschen vloei,
+jaar in jaar uit. Dikwijls bekeek ik het, en dacht dan aan dien ouden
+tijd, toen Lotje en ik elkaar eeuwige vriendschap beloofden en....
+elkander toch zoo spoedig vergaten.”
+
+„Hoe kwam dat dan, Lottepotje?”
+
+„Wel, Lotje ging naar Canada, en ik hoorde nooit meer iets van haar.
+Toen stierf mijn vriendschap ook, maar van ’t rose lint kon ik toch
+niet scheiden. ’t Was haar laatste presentje.”
+
+„Ik denk, dat Annie en Wimpie wel altijd vriendinnen van mij zullen
+blijven,” zei Lientien hoopvol. „We schrijven elkaar trouw, en mamp
+heeft beloofd, dat ze in de vacantie mogen komen logeeren. Hè,
+zalig!.... Tante, zal ik u eens wat vertellen? ’k Heb tegenwoordig toch
+zoo dikwijls ruzie met Puck. Ze is niks lief tegen mij, en ik ook niet
+tegen haar.”
+
+„Maar Lientien....”
+
+„Echt tante, nou praat ze ook weer niet tegen me, al twee dagen lang.
+Enkel „ja” en „nee”.”
+
+„Hoe komt dat dan, snoezepoes?”
+
+„We hebben elkaar uitgescholden omdat.... maar dat kan ik niet allemaal
+vertellen, want ik wil haar niet verklikken.”
+
+„’k Zou ’t maar weer bijleggen,” suste tante. „’t Is vast niks erg.”
+
+„Dat zit nog,” beweerde Lientien, die alle uitdrukkingen van Frits
+trouw overnam, als zij ze leuk vond. „Puck houdt ook niks van poppen,”
+ratelde Lientien door, „en ze vindt ’t vreeselijk gek, dat ik er zoo
+graag voor naai. Nou, Annie en Wimpie brengen vier kinderen mee, en ik
+wil natuurlijk, dat mijn zes er netjes uitzien tegen dat ze komen, wat
+zegt u? Voor Suus en Francine ben ik klaar, maar Dora moet nog een jurk
+en kleine Koo een paar sokjes....”
+
+„Jammer, dat ik je niet meer kan helpen, snoes,” zei tante treurig.
+
+„Niks erg hoor Sjarlottepotje,” riep Lientien, verteederd. „U helpt me
+al genoeg met goeien raad. En kijk eens wat een prachthoed die Suus nou
+voor best heeft? Als ze maar niet zoo’n ijdeltuit wordt als haar tante
+Puck!”....
+
+Wanneer Lientien op dit oogenblik Puck had kunnen zien, zou ze haar nog
+voor wat heel anders hebben uitgemaakt dan voor een ijdeltuit. Want dit
+slechte meisje vergreep zich juist aan Lientiens lievelingen. Behalve
+Suus zaten al Lientiens kinderen op hun kleine stoeltjes rond ’t
+tafeltje in een hoekje van de groote slaapkamer van Puck en Lientien.
+Ze zeiden niets, ze keken maar, toen ze die woeste tante zagen
+binnenkomen, en hun poppeharten beefden. Want tante Puck had meestal
+niet veel goeds in den zin, en moeder was er niet om hen te beschermen.
+En ja wel, daar had je ’t al! Eén voor één werden ze beet gepakt: mooie
+Francine bij haar blonde haar, doch die was te groot, en werd weer op
+haar plaatsje neergesmakt. Maar Dora, die kon nog net, Sjarlotje en
+Nellie ook, kleine Koo, ruw aangepakt bij zijn verbonden been, was
+juist geschikt, en zoo werd ’t viertal, hutje mutje, over elkaar, in
+tantes schortje gestopt.
+
+Behoedzaam, naar alle kanten uitkijkend, sloop Puck met haar buit naar
+den salon, kreeg met moeite ’t blad van den vleugel open, en legde
+Lientiens lieverdjes zoo maar op de harde snaren. Kleine Koo zakte
+tusschen een openingetje zelfs heelemaal weg.
+
+„Ziezoo,” knikte Puck onbarmhartig, terwijl ze ’t blad weer liet
+vallen, „daar liggen jullie goed, en je moeder kan lang zoeken eer zij
+je vindt. Hoe of je dat bevallen zal, Caroline Canneheuvel?”
+
+Lientien miste haar kinderen pas ’s avonds laat, toen ze Suus naar bed
+bracht. (Die had tante Sjarlotje den heelen dag gezelschap mogen
+houden.) Ze was meer verbaasd dan verschrikt, verdacht Puck geen
+oogenblik, en vroeg Francine, of die er soms van àf wist. Doch Francine
+deed niet anders dan staren. Ze zou dol graag alles verteld hebben,
+maar ’t was al mooi, dat ze „papa” en „mama” kon piepen. Verder had ’t
+wurm ’t nog niet gebracht. Moeder Lientien had te veel slaap, om nu nog
+te gaan zoeken, doch den volgenden dag liep ze ’t heele huis door. Geen
+plekje, waar ze niet keek, en iedereen hielp ’t arme, beroofde
+moedertje: Nel, Frits, Kee, Socrates en Waldi, allen deden trouw hun
+best. (Naderhand herinnerde Lientien zich, dat Waldi onder den vleugel
+juist verschrikkelijk geblaft had.) En zij verdacht Waldi nog al van de
+misdaad, omdat hij wel eens meer een kind had meegesleurd en deerlijk
+gehavend. Maar nu, alle vier.... Puck deed quasi met zoeken mee, doch
+dat slechte kind lachte in haar vuistje. „Wacht maar tot van avond,”
+dacht ze bij zich zelf. „Puck mag niet aan de mooie piano komen, hé?
+Maar nou liggen er lekker vier poppen in!” Frits had haar al een paar
+keer verdacht aangekeken. Hij vertrouwde haar eigenlijk in ’t geheel
+niet, en vroeg op eens: „Zeg Juffertje, weet je daar heusch niet meer
+van?” waarop Puck ’t puntje van haar tong tegen hem uitstak.
+
+Lientien had een echt verdrietigen Zondag, en Puck voelde zich
+eigenlijk ook in ’t geheel niet voldaan. Maar ze wilde niet naar de
+stem van „Meester” luisteren. De „zwarte Zigeuner” zat haar nog veel te
+dwars.
+
+Zondagavond kwam met de muziekjongens, zooals Puck ze noemde. Er was
+een nieuw stuk ingestudeerd, dus verzocht Frans: „Als je blieft
+langzaam spelen, hé?” Papa zat voor de piano, en keek al verbaasd, toen
+hij de eerste noten aansloeg. „Wat drommel scheelt die piano vandaag?”
+vroeg hij, „er is geen klank in; ’t lijkt wel, of er fluweel om de
+toetsen heen zit. Frans, probeer jij eens kerel, er moet wat aan de
+toetsen haperen. De stemmer is er pas geweest, ontstemd kan hij niet
+zijn.”
+
+Frans sloeg een paar accoorden aan, en keek al even verwonderd als de
+heer Canneheuvel.
+
+„’k Geloof, dat er wat op de snaren drukt,” zei hij toen. „Misschien is
+er een muis in den vleugel....”
+
+„Lieve Hemel!” riep vader ontsteld, en sloeg haastig ’t bovenblad open,
+keek naar binnen....
+
+„Wat is dat?.... Lientiens poppen!!” En papa vischte vlug Dora op.
+Sjarlotje en Nellie volgden. „Sla nu eens aan, Frans?.... Ja, ik
+geloof, dat ’t nu in orde is. Maar wie heeft, in lieve vredes naam,
+Lientiens poppen in den vleugel gestopt?”
+
+’t Was Puck toch te benauwd geworden. Toen haar ondeugendheid op ’t
+punt stond aan ’t licht te komen, was ze vlug de kamer uitgeslipt, en
+zat nu in de keuken met een angstig hart bij Bet, die haar al twee keer
+minzaam had voorgesteld liever heen te gaan.
+
+Natuurlijk was er heel wat gelach en gepraat over de vondst van den
+heer Canneheuvel onder de jongens. Lientien, heel blij, dat ze haar
+verloren schapen terug had, liep er dadelijk mee naar boven. De
+stakkerds hadden al lang in bed moeten liggen. „Natuurlijk een streek
+van Puck,” dacht Lientien verontwaardigd, „ik hoop, dat ze er een flink
+standje voor zal krijgen. Hoe durft dat brutale kind toch!”
+
+Intusschen werd er beneden doorgespeeld. Frans beweerde, dat ’t nog
+niet heelemaal in orde was met ’t geluid, doch de anderen konden dit
+niet zoo hooren, tot Lientien weer binnen kwam, en fluisterend aan mama
+vertelde, dat ze „kleine Koo” nog miste.
+
+„’k Geloof, man, dat „kleine Koo” nog in den vleugel zit,” zei mama
+hierop.
+
+En ja wel! Na veel kijken en zoeken, ontdekte Frans een klein
+gevalletje in een rose hemdje, heel in de diepte vergleden. Met behulp
+van Mama’s lange schaar werd „kleine Koo” uit de diepste duisternis aan
+het heldere licht gebracht.
+
+„Mis je nu heusch geen enkel kind meer, Lientien?” vroeg vader een
+beetje ongeduldig. „Voortaan gaat de vleugel stijf op slot, en bewaar
+ik zelf den sleutel.”
+
+„Er is gelukkig geen kwaad van gekomen,” leidde Frans vaders
+ontstemdheid af. „’t Is nu weer geheel in orde.” Frits wilde Puck gaan
+halen om eens navraag te doen wat zij over ’t geval te vertellen had.
+Doch mama stelde voor liever geen tijd meer verloren te laten gaan.
+Papa ging weer zitten, en zoo werd er dus in ernst begonnen.
+
+Puck bleef weg, en mama liet haar maar niet roepen, zoolang de jongelui
+er nog waren.
+
+Daar vond Puck iets angstigs in, en zonder goeden nacht zeggen, sloop
+ze naar bed.
+
+Lientien was zoo blij, dat de poppekinderen weer in hun bedjes lagen
+(die ze alle drie bij haar eigen ledikant had gezet), dat ze Puck geen
+kwaad hart meer toedroeg. Maar een lesje moest die ondeugende meid toch
+hebben.
+
+Dus liet ze Francine vragen, waar de anderen toch al dien tijd gebleven
+waren, waarop Nellie antwoordde: „Dat moet je aan die akelige tante
+Puck vragen. Neen maar, die is er me eentje! Ik ben heelemaal
+geradbraakt, en Dora heeft een hoofdpijn, dat ze uit haar oogen niet
+zien kan!”
+
+„En ik dan,” riep kleine Koo. „Grootvader heeft mij als een gek laten
+dansen. Ik werd als een bal op en neer gegooid en kon niet op adem
+komen. En dan nog al met mijn zieke been!”
+
+Puck proestte ’t uit. Ze zag in haar gedachten ’t rose poppetje met de
+aangeslagen noten op en neer walsen.
+
+Ze deed met haar vingers op tafel na, hoe kleine Koo aan ’t hotsen en
+springen was geweest.
+
+Nu schoot Lientien ook in den lach, en allebei gierden ’t uit. Toen was
+de vrede gesloten, en beloofden ze elkaar nooit meer voor
+„zuigelingkind” en „zwart Zigeunerkind” uit te maken.—
+
+Puck trof het, dat oom den volgenden dag naar Amsterdam moest en ’t
+knorren dus aan tante had overgelaten. „Puckie, Puckie,” berispte
+Mevrouw Canneheuvel, toen ’t kleine meisje haar goeden morgen had
+gezegd, „hoe verzin je toch zulke ondeugende dingen? Dat jullie elkaar
+eens fopt en voor den mal houdt, is zoo erg niet, maar als ’t bepaald
+plagen wordt, om den ander verdriet te doen, dan is ’t heel leelijk. En
+dat wil ik ook volstrekt niet hebben.”
+
+„Ik zal nooit meer aan den vleugel komen,” beloofde Puck benepen, „en
+Lientien en ik hebben ’t al lang afgezoend. Van al haar kinderen is
+alleen kleine Koo nog maar een beetje geradbraakt, maar die heeft dan
+ook veel langer op en neer gedanst dan de anderen.”
+
+Tante had moeite niet te lachen, en dus bleef de rest van ’t standje
+achterwege.
+
+En zóó kwam dat ondeugende nest er wéér veel te gemakkelijk af, zei
+Frits naderhand tegen Nel.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII NEL ALS HUISMOEDER.
+
+
+Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5de klasse zou
+overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en
+kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al
+lang op stal. Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman.
+
+Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6de en 5de klasse
+minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5de H. B. S.
+
+Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als
+zij verhoogd werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t
+bericht thuis, dat ze ’t best hadden gemaakt, en dus, na de groote
+vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had verwacht, dat tante
+minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet naar.
+Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg
+gestuurd. Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor
+de koffers te zorgen. Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee
+moest.
+
+„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante
+heeft hem toch eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van
+gulden; ’t klonk veel leuker, dus praatten de meisjes hem na).
+
+„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij
+hem.” Doch ’t werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den
+gulden werd niet meer gerept.
+
+’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat
+durfde ze toch niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door
+al ’t bedenken en met Nel overleggen, dien middag, voor de
+vacantiedagen.
+
+Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck
+zanikte altijd maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te
+vervelen, dat ze haar door de poppen de les liet lezen.
+
+„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit
+zoo’n zeurkous meer bijgewoond.”
+
+„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en
+oproerderig. Als wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne
+„pop”... Maar hou nou je mond, ik ga slapen, en ik mag bij moeder in
+bed, want ’t is mijn beurt.”
+
+„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal
+wicht,” riep tante Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog
+eerst onze kas opmaken.”
+
+„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór
+Annie en Wimpie komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!”
+
+Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens
+vriendinnen als Lientien van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel
+geen lust gehad de uitnoodiging van tante Johanna aan te nemen, en
+gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven in de
+vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker,
+en dan bij die saaie tante, ajakkes!
+
+Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster
+Cato, alleen was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de
+familie Canneheuvel, nu deze in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij
+vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden dit toelieten, wat meer
+gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen broer, en
+had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel
+blij, dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante
+Johanna hield niet van kinderen, en kon dus ook niet veel van hen
+verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang niet anders gedaan
+dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg
+gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en
+droefgeestiger was geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante
+gruwelijk zou vervelen; dan veel liever wat gekibbel met Annie en
+Wimpie.
+
+Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de
+tafel, aan ’t rekenen van belang. Ze hadden al lang in bed moeten
+liggen, doch ’t kas opmaken kon niet worden uitgesteld.
+
+Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze,
+„maar met tantes „pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te
+druk, om te antwoorden. Zij telde op haar vingers, en zag niet, dat
+Puck de kamer uitging.
+
+Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit
+nachtjaponnetje binnenkwam.
+
+„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd.
+
+„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck.
+„Want we zijn bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er
+nou nog bij, anders klopt ’t niet.”
+
+Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat
+er een groote inktmop op Puck’s nachtpon zat.
+
+Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, stapte Puck even later
+vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, mochten
+ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo
+iets!
+
+In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t
+hoofdkussen, om die ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk
+een reuzensom had geen van beiden nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk
+centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want als je logée’s
+krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes en
+Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat
+snoepcentjes te mogen afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan
+’t sparen worden begonnen van „Meester”, voor de Sinterklaaspresentjes.
+Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.... Of ze er niet wat van in ’t busje
+zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar
+den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje
+doen?”
+
+„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is
+afgesproken.”
+
+(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld
+bovendien.)
+
+Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder
+aan. Ze zou er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de
+vacantie als mama beschouwen, had zij Mamp beloofd, en lief en
+gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, zij was zelden
+lastig en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus
+veel strijd en moeite, als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet
+mocht. Erg naar en lastig voor Puck, peinsde Lientien.
+
+De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te
+bezoeken, en met hem een reisje door Holstein te maken. Daarna wilde
+Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij zich
+hebben.
+
+Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd
+de geheele vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over
+het huishouden, maar ook alle drukten en zorgen over te laten, welke
+deze vacantie ruimschoots beloofde.
+
+„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis
+zouden zijn, en er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp
+daar nu eens in ’t geheel geen last van hebben.
+
+„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet
+prettig vind...”
+
+„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet
+(dat was moeders beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik
+immers twee weken naar Haarlem gaan?”
+
+Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem
+bijzette, gaf mama zich gewonnen.
+
+Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, dat mama zich ook
+maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw
+Canneheuvel zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook
+die bezigheden niet meer te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen
+mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig zeggen: „Lieve Suus, waar is
+de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder dat je er aan
+denkt.”
+
+Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man
+en dochter. Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar
+bestwil, was bedoeld. Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in
+te richten, dat Nel geen saaie huismusch hoefde te wezen. Altijd was er
+iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd voor een
+of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef
+tennissen en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar
+jongemeisjespleziertjes niet meer op te offeren dan zij zelf wilde.
+
+Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een
+eer in in alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen
+„ikje” niet te tellen. Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren.
+Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat zou ik toch beginnen, als ik jou
+niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond.
+
+Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te
+bespreken, om de kinderen een prettige vacantie te geven, en overigens
+liet mama, met een gerust hart, alles aan Nel over.
+
+„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft,
+want die Annie en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft,
+ook niet weg.”
+
+Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder
+Alkmaar. Deze behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er
+heen, en hielp, als een echte boer, met alles mee. ’t Was een
+uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit zijn kracht gegroeiden
+Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. Frits vond
+het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of
+wat, en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd
+aangetrokken tot dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen
+geval sprake van, dat zij had kunnen gaan.
+
+Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en
+Wimpie. Ze waren niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en
+stoeierig als vroeger. Wimpie had, als ’t kon, nog meer bereddering dan
+Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk veel drukte over
+hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze
+gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet
+zuinig zijn opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd
+door Nel gastvrij uitgenoodigd dien dag te blijven. Met veel
+vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van Annie en Wimpie,
+nam ze den volgenden morgen afscheid, en.... „nou kan de pret
+beginnen,” zei Wimpie, want met Juf was dat altijd maar half. Die
+verbood en vitte van den ochtend tot den avond.
+
+’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef
+natuurlijk een beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens
+gunde ze graag elk pleziertje, waar ze om vroegen, maar vond noodig,
+als waakzame moeder, hen steeds op de hielen te blijven, geen oogenblik
+uit het oog te verliezen.
+
+Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen
+dag de duinen in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam
+dan doodmoe thuis van ’t woeste spelletjes meedoen, ’t duinen op en
+neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen.
+
+Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar,
+dat ze haar troepje, zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht.
+
+Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden
+gedaan, en de poppen ’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder
+genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens gekibbeld, want Puck kon niet
+veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets op zich zitten,
+maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk
+bewaren.
+
+Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te
+maken, en wist Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet
+schudde haar hoofd over dat gemors in haar keuken. Alles zag er
+heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer en de aanrecht, tot de
+bordendoeken toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit
+„neen”. Ze moest dus maar een oogje toedoen, als de kinderen aan ’t
+knoeien waren.
+
+Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was
+altijd veel te gauw om naar hun zin.
+
+Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren
+bezig houden, en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half
+uurtje, of langer, als belooning voor de belofte van het viertal, om
+dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te babbelen en rumoerig te
+wezen.
+
+Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te
+beredderen, ook voor den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en
+kopjes af te wasschen, al namen Bet en Geertje de juffrouw veel uit de
+hand.
+
+Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten
+worden, en met Geertje moesten de boodschappen besproken.
+
+Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond
+een praatje bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest
+was, dit sloeg ze nooit over.
+
+Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren
+geleden, toen ze ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had
+die goeie Frits haar zoo heerlijk bijgestaan in den nood. Nou leek ’t
+wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze kreeg zelfs geen
+briefkaart meer van hem, sinds dagen al.
+
+Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste Nel zich
+toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar.
+
+Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar
+’t land gaan, ’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder
+de balken slapen met den geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar
+was hij dan terug, had geen lust om nog ergens anders heen te gaan, en
+wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor de kleine rakkers. Als
+’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor
+houden.
+
+„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij
+gehoorzaam, en zoo aardig en leuk.... Maar ik ben toch dol blij, dat je
+er weer bent, vadertje. Nou heb ik amper tijd om vader en moeder te
+schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als ik niet meespeel, is de
+pret maar half, dat begrijp je.”
+
+„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de
+heele hand....
+
+„Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.”
+
+„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft,
+heel deftig, door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie,
+Puck en Lientien (met haar kinderen) plezier hadden te komen
+theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag te passeeren.”
+Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde
+zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over
+beraadslagen, hoeveel poppen ze konden meebrengen zonder onbescheiden
+te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de partij
+zijn.”
+
+„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met
+vier treden tegelijk op.
+
+Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar
+kanten mutsje met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig
+bewonderde. Tante trakteerde op wafels met aardbeien, bovendien waren
+er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef, mocht verdeeld en naar
+beneden meegenomen worden.
+
+Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem
+heen, dat Frits moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar
+Waldi met oorverdoovend lawaai tegen den baas opsprong. Natuurlijk was
+Waldi ook op de partij, want je zocht hem nooit tevergeefs, waar wat te
+halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen toe, hoe hij ’t
+daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er nog
+al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de
+glazen en bordjes steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje
+een goeden dag! Ze speelde met zooveel lust en pleizer ganzenbord mee,
+of ze even oud was als Lientien, die vlak naast haar zat, en Sjarlotje,
+als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof ook in den kring,
+en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam. Wimpie
+verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot
+(van bonbons) strijken. Heel edelmoedig liet Frits den pot staan, en
+begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen Wimpie dien
+eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven.
+
+Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of
+daar dadelijk veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet
+dadelijk drie groote pralines toe, „en straks krijg je nog meer, hoor
+Bet!” beloofde ze gul.
+
+„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten,
+Jongeheer Frits, maar er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,”
+vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes vond, den kinderen aan
+’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en afscheid
+nemen van de gastvrouw.
+
+Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer
+aantrekken.
+
+Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank
+gebracht en gemakkelijk in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog
+vertelde, was tante al heerlijk ingedut.
+
+„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.”
+
+’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en
+Frits innig genoegelijk na te babbelen.
+
+En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast
+had door zijn vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch
+wel erg saai was alleen achter te blijven.
+
+„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans
+gaat met hart en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij
+niet en zijn handen spaart hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een
+wagen met hooi opladen en naar huis rijden is voor hem bepaald een
+genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat ik hoe
+langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven.
+
+„Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en
+had nog beteren eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor
+dag en dauw op geweest, en verlang naar mijn mandje.... Wat ben je van
+plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?”
+
+„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de
+kinderen doen mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je
+uit de voeten blijft, want wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.”
+
+„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan
+Hilgers opzoeken. Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven.
+En nou echt goeienacht, huismoeder.”
+
+Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden,
+„Frits, luister eens....”
+
+Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe.
+„Innig gezellig, dat je weer thuis bent, vent.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+IX OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS „BOSCHJESVRIENDEN”.
+
+
+Drie manden spergie- en snijboonen stonden in ’t midden van de
+huiskamer, op een groot laken, dat Nel over ’t tapijt had laten
+uitspreiden. Daaromheen acht stoelen, een tabouret en een bankje.
+
+Trotsch overzag Nel haar hulptroepen, die bestonden uit: Kee, Bet,
+Geertje, Wimpie, Puck, Lientien en Annie.
+
+’t Was met recht: alle hens aan dek, want anders kwamen ze vandaag vast
+niet klaar, had Bet gezegd. Socrates was natuurlijk ook van de partij
+(op de tabouret), en keek toe, of alles wel naar den aard gebeurde.
+Waldi liep overal tusschen door als een agent van politie, en was braaf
+lastig op den koop toe, terwijl hij niks uitvoerde. Truus en Nellie
+mochten van moeder Lientien ook toekijken, en zaten knus samen op het
+bankje. Lientien had ze de vruchtenmesjes gegeven, die voor haar en de
+anderen bestemd waren. Hoe kon je nou met die stompe mesjes boonen
+afhalen? Ze waren heusch groot genoeg om zich niet te bezeeren.
+
+„Viermaal afhalen, kinders,” sprak Nel, toen ze gereed waren aan den
+slag te gaan, „en straks, bij ’t breken, verbazend goed toekijken,
+anders eten we van ’t winter boontjes met haren.”
+
+Frits had een leuk boek gegeven, waar iedereen wat aan kon hebben, en
+om de beurten zou er uit voorgelezen worden. Bet, Kee en Geertje
+bedankten voor de eer, die konden veel vlugger met afhalen dan met
+voorlezen terecht. Maar Puck deed ’t graag en goed (Puck vond zelf, dat
+niemand ’t mooier kon dan zij), en dus bleef zij maar aan de beurt.
+Nel, die bang was, dat onbesuisde Puck zich zou snijden of bezeeren met
+het scherpe mesje, vond het uitstekend geregeld op deze manier.
+
+De boonen vlogen van de handen in de manden en omgekeerd. Bet droeg al
+gauw een volle mand met afgehaalde en gebroken boontjes weg.
+
+Puck las al maar voort met een kleur van pleizer en inspanning. Ieder
+vond het verhaaltje prachtig, al kwamen er dan ook „miserabel” stoute
+kinderen in voor, volgens Bet, en Geertje dacht bij zich zelf: „Dat
+bennen nou net goeie kameraden voor Puck.”
+
+Om half twaalf kwam Frits thuis, en bracht een grooten zak zoute
+krakelingen mee voor de vlijtige werkers, die zeker wel wat „weeïg”
+zouden zijn geworden van al dat groen.
+
+„Lang leve Frits,” riep Lientien, en allen stemden hiermee in.
+
+De krakelingen kwamen zóó uit den oven, dus òf ’t hartig hapje smaakte!
+Waldi bedelde zoo brutaal, alsof hij ’t hardst van allemaal had
+gewerkt, slokte een heelen krakeling gulzig naar binnen, en keek dan,
+of hij nog niets gehad had, net als bij ’t vleesch bedelen aan tafel.
+Maar Socrates trok er zijn nuffig neusje voor op.
+
+Toen Frits vertelde, dat zijn viool weer in orde was, bedelde Lientien:
+„hè Frits, speel dan wat aardige wijsjes, waarbij we kunnen zingen, dan
+kan Puck meteen een beetje op adem komen van ’t voorlezen.”
+
+„Vooruit maar,” zei Frits, en hij begon er lustig op los te strijken,
+terwijl allen de woorden van de eenvoudige, ouderwetsche liedjes mee
+zongen. Zelfs Geertje galmde: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden,” mooi
+in de maat met de anderen. Daar ging tante Sjarlotje’s schel, en Kee
+vloog naar boven, maar kwam dadelijk weer terug. De juffrouw had haar
+gevraagd de kamerdeur wijd open te zetten, dan kon zij van de muziek
+mee genieten.
+
+Er zou een uur later dan anders worden koffie gedronken, doch om half
+één liet Nel met werken ophouden, en deden allen nog een dansje in de
+gang, om de van ’t lange zitten stijve beenen weer lenig te maken.
+
+Bet en Kee verdwenen, doch Geertje bleef toekijken tot Nel haar Waldi
+in de armen duwde, waarover Geertje en Waldi allebei even
+verontwaardigd waren, terwijl ze niet wisten, hoe gauw ze van elkaar af
+zouden komen.
+
+Aan de koffie trakteerde Nel op gerookte paling en, in weerwil van al
+de verorberde krakelingen, liet de „trek” niets te wenschen over.
+Vooral Puck liet zich niet onbetuigd, want een versche boterham met
+gerookte paling! iets zaligers bestond er niet voor het
+„twaalf-uurtje”.
+
+Lientien bewaarde altijd een middenreepje, dat ze extra dik belegde,
+voor ’t laatst. En zoo had ze nu ook weer zulk een heerlijken reep
+gereed liggen met een rose stukje palingmoot er midden op. Puck keek er
+naar met begeerige blikken; haar boterhammen had ze al lang
+opgesmikkeld.
+
+„Lientien,” zei ze op eens, en legde haar hand vleiend op Lientiens
+mollepootje, „zou je ’t over je hart kunnen verkrijgen mij dat zalige
+reepje van jou te geven?”
+
+Lientien keek een beetje verbijsterd in Pucks begeerige oogen; ze had
+wel iets van een vogeltje, dat door een slangeoog betooverd wordt.
+Iedereen keek Lientien aan. Wat zou ze doen?
+
+„Niet geven, niet geven, Lienepien,” riep Wimpie verontwaardigd, door
+Annie krachtig bijgestaan.
+
+„Neen,” zei Puck, „jullie zouden ’t natuurlijk niet kunnen, maar
+Lientien....”
+
+Lientien werd rood, keek eens naar Nel, die lachte, en naar Frits, die
+zijn hoofd schudde. Toen nam ze ’t overheerlijke reepje en.... legde
+het op Pucks bord. „Daar dan, maar je moet dat kunstje nou niet aldoor
+uithalen, hoor!” voegde ze er bij.
+
+„Je bent een dot,” betuigde Puck, en liet Lientiens zuinig bespaard
+brokje dadelijk in haar mond verdwijnen.
+
+„Wat een schrok!” gilden de logéetjes. „Neen maar, wat een gulzigaard!”
+„Was juf maar hier,” wenschte Wimpie, „die zou je!”
+
+„Een volgenden keer zullen we Puck op de proef stellen,” sprak Nel.
+„Bij Lientien is er eigenlijk geen aardigheid aan, want die geeft graag
+wat weg, hé poes?”
+
+„Och ja,” betuigde Lientien, en wijsgeerig voegde ze er bij: „’t Was
+nou toch al op geweest.”
+
+Na de koffie slonken Nels hulptroepen op een treurige manier. Bet moest
+naar de keuken, Geertje had boodschappen te doen, Kee moest naar boven,
+en Waldi ging er met Frits op uit. Dus hield Nel Socrates, Lientien,
+Puck en de twee logéetjes over. Socrates maakte ook al gauw, dat hij
+weg kwam, want hij had veel te veel palinggraatjes opgesmikkeld, en nog
+een stukje vel gestolen, zoodat hij liever in eenzaamheid zijn
+gulzigheid zat te betreuren.
+
+Maar Puck werkte voor twee, want ze stond er nog frisch vóór, en ze
+sneed zich ook niet in de vingers, hoewel ze een vlijmscherp mesje had.
+Toen Bet weer een mand met afgehaalde boontjes kwam halen, zei ze, dat
+’t nou genoeg was. De rest zou ze van avond met Geertje wel doen.
+Iedereen had maar wat flink geholpen, en ze konden van ’t winter
+dikwijls ingemaakte boonen eten, want er was een verbazende „zooi”!
+
+„En nou moeten jullie eens boven gaan kijken,” zei Kee. „Juffrouw
+Sjarlotje heeft zoowaar ook nog mee gedaan.”
+
+De kinderen stormden de trap op, en jawel, daar stond een mandje keurig
+afgehaalde boontjes vóór tante op tafel. „Misschien net twee maaltjes
+voor haar zelf,” dacht Lientien, want tante at niet veel.
+
+
+
+„’k Heb van middag toch zulke leuke jongens ontmoet, Nel,” vertelde
+Frits aan tafel. „En als je ’t goedvindt, huismoeder, komen ze
+morgenmiddag hier. ’k Heb ze gevraagd.”
+
+„Als je ze al gevraagd hebt, heeft Nel niks meer te „vinden”,” beweerde
+Puck bijdehand.
+
+„Zóó, mejuffrouw wijsneus! Heb ik uw toestemming soms gevraagd?” spotte
+Frits.
+
+„Nou, maar daar heeft Puck toch wel gelijk in,” viel Nel Puckie bij,
+„wat zijn dat nou eigenlijk voor jongens, Frits?”
+
+„Zal je wel zien. Ze worden in den tuin ontvangen en..”
+
+„Onder de Vors....?” vroeg Lientien, en de rest slikte ze gelukkig nog
+bijtijds in.
+
+„Kind, houd je mond toch,” waarschuwde Puck met een por. „Dommerd,”
+fluisterde ze toen.
+
+Gelukkig scheen niemand iets van de „Vors”.... gehoord te hebben.
+
+„Frits, je moet me eerst vertellen, wat voor jongens ’t zijn,” hield
+Nel aan, terwijl ze een waardig moedergezicht poogde te zetten.
+
+„Straks, als de pepernoten naar bed zijn, want die gaat ’t niets aan,
+en morgen sturen we ze uit wandelen.”
+
+„Dat doen we lekker niet, we gaan lekkertjes niet,” riepen de kleine
+meisjes in koor.
+
+Doch dit was dan ook maar een plagerijtje geweest van Frits, en hij
+begon nu uitvoerig van zijn Boschjesvrienden te vertellen. Toen hij,
+met Waldi naast zich, op een bank zat, dicht bij de Bataaf, was Waldi
+gaan brommen tegen twee jongens, die op eens uit ’t groen naast de bank
+opdoken.
+
+Maar de twee hadden den dackel vriendelijk toegesproken en over den rug
+geaaid.
+
+„Mogen we hier even gaan zitten, mijnheer?” had de grootste daarop
+gevraagd.
+
+Frits, niet weinig gevleid door dat „mijnheer”, had geantwoord:
+„Natuurlijk jongens, de bank is niet van mij, en al was dat zoo....”
+Nou, toen waren ze aan ’t praten geraakt, en dat konden de jongens
+evengoed als Frits.
+
+„Hij zal Maandag toch zoo’n leuken dag hebben, mijnheer,” zei de
+grootste, op zijn mager kameraadje wijzend. „Zijn vader is dan vijf en
+twintig jaar letterzetter in de Wagenstraat, U weet wel, aan de
+Haagsche Courant? En nou krijgt hij een gouden horloge van de heeren
+en... wat nog meer, Daan?”
+
+„Vijf en twintig gulden van ’t personeel,” vertelde Daan trots; „en dan
+gane we een auto-tocht maken naar Rotterdam en ik mag ook mee.”
+
+„Sapperloot, dat is niet voor de poes,” zei Frits.
+
+„Nee, hè mijnheer?.... ’t Wou, dat ik mijn vriend Hein hier, mee mocht
+nemen,” vervolgde Daan, „maar zoo iets kan je natuurlijk niet vragen.”
+
+„’k Gun ’t je best,” nam Hein weer ’t woord. „Hij moet toch zoo veel
+missen, mijnheer, want hij heeft twee maanden geleden zijn moeder
+verloren, en ik heb de mijne nog.”
+
+En toen Daan weer: „Ja, als je moeder dood is, heb je niet veel meer...
+Mijn groote zus doet nou ’t huishouden, die moest er voor uit een
+besten dienst kommen, waar ze al acht jaar was. Ik ben de jongste, ziet
+U, van bij ons thuis. Mijn zus is de oudste, die wordt al zes en
+twintig, maar ik zeg maar: een zuster is toch geen moeder, bij lange
+niet.”
+
+„En ik heb mijn moeder nog,” vertelde Hein nog eens, „en zoo’n goeie
+moeder!”
+
+De oogen van den jongen blonken, en Frits vond hem hoe langer hoe
+aardiger.
+
+„Wat is jouw vader, Hein?” vroeg hij.
+
+„Loodgieter, mijnheer, en daarom wil ik dat naderhand ook worden.”
+
+„En ik word chauffeur,” viel Daan in, „zoo leuk, dan zie je nog eens
+wat van de wereld.”
+
+„Hij kan toch zoo fijn teekenen, die Daan,” deelde Hein mee, alsof deze
+kunst voor ’t chauffeur worden bepaald noodig was. „Ik houd veel meer
+van lezen.”
+
+„Ik ook,” zei Frits, „jullie hebt nou in de vacantie zeker leuk veel
+tijd om te lezen.”
+
+„Tijd wel,” gaf Hein toe, „maar boeken niet. We magge één boek in de
+week uit de schoolbibliotheek, dat heb ik dikwijls in één dag al uit.”
+
+„Weet je wat je doet,” had Frits toen gezegd, „komt morgen tegen half
+drie met je beiden: Groot Hertoginnelaan 42, dan zal ik wat leuke
+boeken voor jullie klaarleggen, goed?”
+
+„Alsjeblieft mijnheer, erg graag mijnheer,” en de jongens hadden
+beleefd de pet afgenomen, toen Frits opstond en er met Waldi van door
+ging.
+
+Iedereen had met plezier naar Frits geluisterd, en Nel verklaarde: „’t
+Lijken mij aardige jongens, Frits, en daarom zal ik ook wat aardigs
+verzinnen, als ze morgen komen. Hoe laat zei je ook weer?”
+
+„Tegen half drie, en reken maar, dat ze op tijd zullen wezen.”
+
+’t Was den volgenden middag ’t zelfde prachtige weer, als reeds dagen
+achtereen in deze Augustusmaand. Onder den bruinen beuk stond een
+keurig gedekt tafeltje met de witte tuinstoelen er gezellig omheen
+geschikt. De frambozen- en citroen-limonade glinsterde als robijn en
+goud in de karaffen, en een groote schaal met pitmoppen stond
+verleidelijk in ’t midden.
+
+Precies half drie schelden Daan en Hein. Frits deed ze open en bracht
+ze naar den tuin.
+
+De jongens zagen er netjes uit in lichte blouses, en korte zwarte
+broeken.
+
+Nel trad hen dadelijk tegemoet.
+
+„Wel jongens,” zei ze, „daar doen jullie goed aan, de beloofde boeken
+te komen halen; mijn broer heeft ze al voor jullie klaar gelegd.”
+
+Met de petten in de hand stonden de jongens voor Nel. Ze hadden allebei
+prettige jongensgezichten en iets vrijmoedigs, dat toch volstrekt niet
+vrijpostig was.
+
+„Gaat zitten; Hein en Daan, niet?” verzocht Nel. „Jullie lust zeker wel
+een glaasje limonade?”
+
+De jongens kregen stoelen tusschen Nel en Frits in. Ze draaiden een
+beetje verlegen met hun petten, doch Frits wist ze al gauw op hun gemak
+te zetten.
+
+„Dat zijn niet allemaal zusjes van me,” vertelde hij, naar de kleine
+meisjes knikkend. „Alleen die blonde met haar blauwe oogen,” en hij
+wees op Lientien.
+
+„En ik hoor hier ook,” lichtte Puck toe, met haar neus in den wind,
+„die twee zijn maar logéetjes.”
+
+„Ja,” zei Wimpie, „en we blijven nog tot overmorgen; jammer! dan is de
+koek al weer op.”
+
+Hein en Daan waren niet zoo praatgraag als tegen Frits den vorigen dag.
+
+„Dat durfden ze zeker niet met al die meisjes,” beweerde Puck later.
+
+Nel schonk limonade en presenteerde pitmoppen. Ze zag met pleizier, dat
+de jongens nette, bescheiden manieren hadden.
+
+Toen haalde Frits zijn boeken en liep met Hein en Daan den tuin rond.
+
+„Je moogt de boeken op je gemak lezen, en als je ze prompt terug
+brengt, kan je weer een paar nieuwe krijgen,” beloofde hij.
+
+„Maar als jullie er slordig op geweest bent, met vlekken of scheuren,
+dan kunnen jullie ophoepelen, en leen ik je nooit meer wat.”
+
+„U hoeft niet bang te zijn,” verzekerde Hein. „Als je van boeken houdt,
+ben je er van zelf netjes op.”
+
+Dankbaar en voldaan namen Hein en Daan nu afscheid, en lieten den
+indruk achter van een paar leuke, aardige, jongens.
+
+
+
+’s Avonds vond Lientien onder haar hoofdkussen een zakje met pitmoppen
+met reuzepitten er op, en op een bijgevoegd papiertje stond: „Van Puck,
+omdat je mij je lekkere „reep” hebt gegeven. ’k Heb de grootste
+pitmoppen uitgezocht, en allemaal voor jou bewaard. Dag, of liever:
+goeie nacht.”
+
+Dat was heusch aardig van Puck, dacht Lientien, want ze hield verbazend
+veel van pitmoppen en had er geen één voor zich zelf gehouden. Lientien
+vertelde ’t nog even aan Francine, die bij haar mocht slapen dien
+nacht, en van al de kinderen altijd ’t meest op tante Puck had aan te
+merken.
+
+
+
+Dien heelen daarop volgenden winter kwamen Hein of Daan elke veertien
+dagen hun boeken ruilen, en raakten niet uitgepraat over ’t plezier,
+waarmee zij ze gelezen hadden.
+
+Toen gingen Heins ouders naar Rotterdam wonen, en Daan kwam van school,
+en moest een ambacht gaan leeren.
+
+Van lezen zou dus vooreerst wel niet veel inkomen.
+
+Bij de laatste boeken was een net geschreven bedankbrief en bovendien
+een portretlijstje, dat Hein, in zijn vrije uurtjes, keurig had
+uitgesneden.
+
+Frits zette er Nels portret in, en bewaarde het jaren en jaren lang.
+
+
+
+
+
+
+
+
+X „SCHATTEBOUTJES”.
+
+
+Mevrouw Canneheuvel had Bet, de keukenmeid, voor geen geld willen
+missen, want ze was niet alleen een uitstekende dienstbode, doch ook
+even eerlijk als betrouwbaar, en met de jaren geheel één met het gezin
+geworden.
+
+’t Viel echter niet te ontkennen, dat Bet veel met haar humeur had te
+stellen, en heel moeilijke dagen had, waarop ze eigenlijk alleen van
+Lientien wat kon verdragen.—Maar Bet was nu al maanden achtereen in een
+opgewekte stemming, want haar moeder had ’t heerlijk nieuws geschreven,
+dat ze van plan was, om in Den Haag te komen wonen. ’t Werd haar in
+Franeker te stil, nu haar jongste dochter ook getrouwd was, en zich in
+Amsterdam had gevestigd.
+
+De getrouwde kinderen hadden man of vrouw, doch Bet en zij hadden nu
+alleen nog maar elkaar, en daarom wilde moeder in dezelfde stad komen
+wonen, waar haar Bet was.
+
+Bet huilde bijna van blijdschap, en vertrouwde Lientien toe, dat ze dan
+toch zoo „miserabel” in haar schik was. (Iedereen heeft een stopwoord,
+en dat van Bet was „miserabel”, of ’t paste of niet.) „Ben jij nooit
+„geangiseerd” geweest, Bet?” vroeg Lientien. „Ja, kind,” en Bet zuchtte
+zwaar, „maar hij is jong gestorven, hij was te goed voor deze wereld.”
+
+„Arme, lieve Bet!” troostte Lientien hartelijk.
+
+„’t Is al lang geleden,” vervolgde Bet, „en een mensch komt met den
+tijd over zijn verdriet heen, maar ik heb toch nooit een ander
+gewild.—En nou komt mijn moeder hier, en dat is compleet een engel van
+een mensch, die zal me veel vergoeden.
+
+„’k Heb al een étage op ’t oog voor moeder, want ze kan ’t best doen.
+Ze heeft der pensioentje, en nog geld van der eigens, van grootvader
+georven.
+
+„Als me moeder op orde is, Lientien, mag je met me mee, want moeder
+verlangt er naar om je te zien. ’k Heb der zoo vaak over je
+geschreven.”
+
+„Vreeselijk graag, Bet, op een Zondag hè, want de vacantie is nou al
+gauw uit.”
+
+
+
+’t Was voor Annie en Wimpie dus ook weer tijd naar Utrecht terug te
+gaan. Juf kwam ze halen, en bracht de boodschap mee van mevrouw, dat
+Lientien den volgenden zomer bij Wimpie en Annie moest komen, en dat
+dit voor vast moest worden afgesproken. Puck werd niet uitgenoodigd,
+doch ’t meisje bleef daar zeer kalm onder. Zij, Puck, had een veel
+deftiger invitatie. De chauffeur van Mevrouw van Bergen had een briefje
+gebracht, of zij lust had den volgenden dag mee te gaan op een
+autotochtje naar Haarlem en omstreken, ’s morgens vroeg uit, en ’s
+avonds vóór negenen weer thuis.
+
+Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet
+kon hebben. Maar Lientien was er ook nog.
+
+Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop
+Lientien, als een klein kindje, tegen haar aan.
+
+„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden,
+als ’t mocht.”
+
+„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo
+graag naar Haarlem, om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen,
+en als jij dan meeging....”
+
+„Dat kan in geen geval, lieverd.”
+
+„Neen hè?” zuchtte Lientien.
+
+„Maar we konden Frits vragen, of hij....”
+
+„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te
+halen.
+
+Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde.
+
+Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was.
+
+„Wil je wel, Frits?” vroeg ze.
+
+„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die gekke prul van een
+Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me nog al
+bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij,
+die gilt en jankt de halve wereld bij elkaar.”
+
+„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om
+beurten met haar heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend.
+
+„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar
+moeder wil ’t ook doen, heel uit Franeker...
+
+„Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we
+met ons drietjes in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook.
+Grootma schreef laatst, dat ze Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou,
+en daarom, zie je....”
+
+„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar
+Haarlem, en wij gaan per trein, derde klasse, hè prul?”
+
+’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een
+bezoek van stouten Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te
+vallen, want ’s avonds kwam er bericht uit Haarlem, dat Lientien, Frits
+en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel ’t goed vond.
+
+Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best
+amuseerde op ’t onverwacht opgekomen uitstapje.
+
+Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een
+courantenhanger voor in de zitkamer) en nog blijer met de verrassing,
+die de onverwachte komst van de kleinkinderen haar bereidde. Of
+Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht had! Waldi gedroeg
+zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder
+uitbundige luidruchtigheid.
+
+In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes
+opgesmikkeld. De medepassagiers hadden hem zeer bewonderd en
+aangehaald.
+
+’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed,
+en hield zich den heelen nacht muisstil.
+
+Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder
+lieve, welopgevoede hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem
+had gehad, en blij was, dat zij hem kende. Ze zou nu nog met grooter
+plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t taksje vertelde.—
+
+Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij
+verwachtte.
+
+Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en
+Ellen bepaald onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een
+meisje, met wie ze kennis hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij
+hen op school zou komen. „Een erg voornaam kind, haar vader is baron,”
+had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk
+een vriendin van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien
+jaar!” Terwijl Ellen dit zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net
+of ze wilde zeggen: „Als we Leonore tot vriendin hebben, kan jij
+ophoepelen.”
+
+Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch
+zéér.
+
+’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook
+volop genoten van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal,
+waar Mevrouw de auto voor restauratie of hotel liet stilhouden, had
+Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit- en instapte, terwijl de
+buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer achter
+haar dichtklepte. Maar toch....
+
+Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle
+woonde, en toen ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht
+haar te waarschuwen, als ze langs „den Hout” reden.
+
+Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit
+Lientien’s beschrijving het groote statige huis herkende.
+
+Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits
+hoorde, veel meer dan in de auto naast haar nuffige, onaardige
+vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt en op ’t huis toegeloopen,
+maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht.
+
+Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en
+eigen broers en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante
+heel in Zwolle, die nooit naar haar omkeken, en dus net zoo goed
+vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna in Voorburg....
+
+O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat
+zijn....
+
+
+
+Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en
+zouden al heel gauw thuis zijn....
+
+„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck
+bij ’t afscheid nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet
+zoo heel veel plezier gehad had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je
+Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie weer profiteeren,” nam
+ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.”
+
+Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek.
+
+„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma
+mij meevraagt.”
+
+’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na
+drie dagen thuis zou komen.
+
+Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en
+nam haar mee naar de bioscoop.
+
+’s Avonds mocht Puck een uur langer opblijven en Tante Sjarlotje en Nel
+voorlezen.
+
+En Puck las zoo prettig voor, zei tante, dat ze er niet bij in slaap
+kon vallen. (Maar misschien kwam dat ook wel, omdat tante pas een
+stevig dutje beet had.)
+
+Woensdag kwamen Frits, Lientien en Waldi thuis; en ’t was weer druk en
+gezellig.
+
+Puck had nooit gedacht, dat ze die drie zoo verschrikkelijk zou gemist
+hebben, vooral Lientien.
+
+
+
+„Hoor eens, Lienepien,” zei Bet een paar dagen later, „mijn moeder is
+nou netjes op orde, en, als je wil, mag je Zondagmiddag met me mee haar
+opzoeken.”
+
+Bet had moeder zoo veel verteld van Lientien, dat deze er naar
+verlangde, dat lieve schatteboutje te zien.
+
+„Erg graag Bet; mag Puck ook?”
+
+„Wel nee,” sprak Bet kortaf. „Puck is niet gevraagd, en die gaat er
+bovendien weer met de „voornamigheid” op uit in de auto.”
+
+Ja, dat was wààr. Lientien had ’t schoon vergeten.
+
+’s Zondagsmiddags was ze om half drie klaar, volgens afspraak, en
+stapte vergenoegd met Bet naar de Obrechtstraat, waar moeder op een
+étage woonde.
+
+Wat een aardige, oude vrouw was die moeder van Bet! Zij droeg de
+Friesche kap met een blinkend gouden oorijzer; dat was nog wat anders
+dan Geertjes hoofdversiersel. ’t Zag er maar wàt keurig uit bij moeder.
+Lientien moest overal rondkijken. In ’t aardige slaapkabinetje vóór aan
+straat, in ’t kraakzindelijk keukentje, waar alles wat er hing en stond
+je tegenblonk, zoodat je er voor je plezier naar keek. Daar tegenover
+was de zitkamer, waar ’t mooie ouderwetsche kabinet stond, dat als een
+spiegel glom. Ja, Bet had haar netheid en zindelijkheid van niemand
+vreemd. In de keuken lag Bobbie, een groote lobbes van een hond, (die
+veel op een setter leek, maar ook wel wat van een buldog had), in een
+reuzenmand, die maar net onder de keukentafel kon staan.
+
+Moeder vertelde allerlei aardige dingen van hem. Je moest hem alleen
+niet willen voeren. Want hij dacht altijd, als iemand de hand bij zijn
+bek hield, dat hem een kluifje of een andere lekkernij werd
+gepresenteerd, en hapte dan onbesuisd toe. Bobbie was een goede
+waakhond, doch had nooit aan een ketting gelegen. Dat was een naar
+leven voor zoo’n arm beest, vond moeder.
+
+„Is Bobbie op reis zoet geweest?” informeerde Lientien.
+
+„Als een lam,” prees moeder, „en gehoorzaam is hij ook. Bob mag niet in
+de mooie kamer, hé Bob, en blijft dus zoet hier in zijn mand.”—Bobbie
+kwispelde met zijn stompstaartje, en volgde ’t vrouwtje alleen met zijn
+oogen. Ja, hij was een hond met goede manieren.
+
+De zitkamer vond Lientien dan al bizonder gezellig met ’t vuurrood
+kleedje op de tafel, waartegen ’t nikkelen theeservies zoo mooi
+uitkwam, terwijl ’t theelichtje, onder den theepot, ’t geheel nog
+knusser maakte. Moeder haalde een trommeltje met koekjes uit de kast,
+en zette dat met een schotel Friesche drabbelkoek op tafel. De
+jongejuffrouw moest maar flink toetasten.
+
+„Zeg U toch Lientien,” verzocht de „jongejuffrouw”, „net als Bet, en
+dan zeg ik tegen U.... Betjesmoe.”
+
+Schatteboutje stal moeders hart voor de zooveelste maal.
+
+Bet zat maar goedmoedig te luisteren naar ’t druk gebabbel van Lientien
+en moeder, die ’t samen wat best konden vinden; maar dat had ze dan ook
+wel gedacht. Moeder hield dol van kinderen, en Lientien was nog zoo
+echt en heelemaal een kind, in ’t geheel niet pedant of aanstellerig,
+zooals Puck b.v. Die had zich heel deftig „jongejuffrouw” laten noemen,
+reken maar.
+
+Doch zelfs Bet zou nu wel een beetje meelij met Puck hebben gevoeld,
+als ze had kunnen zien, hoe zielig dat juffertje haar ongeduld zat te
+verbijten. Want ’t werd drie uur, half vier, en wat er verscheen: geen
+auto.
+
+Er was wel geen nader bericht van mevrouw van Bergen gekomen, maar
+mevrouw had haar toch zelf gevraagd, en bij ’t afscheidnemen nog
+gezegd: „Nou, tot Zondag dan.” Zouden ze haar vergeten hebben, of....?
+
+Puck zag weer den waarschuwenden por van Ellen aan haar moeder.—Om vier
+uur gaf Puck de hoop op. Nou goed, dan moesten die spoken van een Ellen
+en Grace maar weg blijven! Ze wachtte niet langer. Als ze nog kwamen
+moest Kee zeggen, dat de jongejuffrouw al lang was uit gegaan.
+
+Puck vroeg aan Nel, of ze Lientien mocht gaan halen. De Obrechtstraat
+was zoo vlak bij; zij zou heusch niet verdwalen. Nel vond ’t dadelijk
+goed. „Ja, ga maar Puck.” Nel had er mee te doen, dat ’t kind aldoor
+voor niets had zitten wachten.
+
+Lientien zat met een kleurtje van opwinding allerlei verhalen te doen
+over school en Waldi en haar poppen, toen er hard gescheld werd.
+
+„O,” zei moeder, „dat is Juffrouw Maas zeker, ik zal wel opentrekken,
+Bet....”
+
+„Dag juffrouw. Juffrouw, is Lientien hier?” klonk een stem naar boven.
+
+(„O Bet, daar is Puck,” riep Lientien blij, „hoe leuk, dat ze komt”.)
+
+„Jawel jongejuffrouw, komt u boven,” noodde Bets moeder vriendelijk.
+
+Puck rende de trap op, en werd door moeder de kamer binnengeleid.
+Lientien was wel wat verrast, toen Puck op haar toevloog en haar
+omhelsde met een zoen.
+
+Maar Lientien keek haar dan ook zoo vroolijk en vriendelijk aan, alsof
+ze blij was, dat ze haar zag, dacht Puck, die dit dubbel goed deed,
+nadat Ellen en Grace haar zoo teleurgesteld en leelijk behandeld
+hadden. Daarom moest ze Lientien even pakken.
+
+Toen vroeg ze een beetje benepen aan Bet: „Mag ik wel even blijven,
+Bet?”
+
+„Dat spreekt toch van zelf, Puck,” zei Bet, „ga maar zitten, er bennen
+nog koekjes genoeg.... Maar we dachten, dat je er met de auto op uit
+zou gaan....”
+
+Puck beet zich op de lippen. „Ze zijn me niet komen halen, misschien
+wat tusschenbeide gekomen,” mompelde zij, en begon toen vlug over wat
+anders.
+
+„Wat is ’t hier leuk en gezellig.... Juffrouw, u woont hier echt,
+hoor!”
+
+Als ze wou, kon die Puck ook wel haar beste beentje voorzetten, en dit
+deed ze nu. ’t Meisje was op haar liefst, en pakte „moeder” heelemaal
+in. Ze toonde voor en in alles minstens even groote belangstelling als
+Lientien, en haar babbelmondje stond ook geen oogenblik stil.
+
+De oude vrouw moest van alles laten kijken en voor den dag halen,
+terwijl de kleine meisjes om ’t zeerst bewonderden, en overal de
+geschiedenis van wilden weten.
+
+Toen moeder met ’t portret van haar lievelingszoon aankwam, die
+korporaal was in Indië, vleide Puck: „Hij lijkt precies op u; met uw
+kap op zou hij sprekend zijn moeder zijn.” Wat moest „Betjesmoe” daar
+om lachen, en Bet niet minder. Want de korporaal had een fameuze snor
+en zeer ruige wenkbrauwen. Verbeeld je die eens onder een Friesche kap
+uit! ’t Gaf een pret van belang! Toen liet moeder al ’t moois zien, dat
+haar zoon haar in den loop der jaren uit Indië had toegezonden:
+sierdingetjes in rood koraal, om hier of daar neer te zetten, een
+mandje, van kruidnagelen gemaakt, een Indisch bedehuisje, fijnbesneden,
+en allerlei grappige poppetjes van speksteen en andere steen.
+
+Lientien herinnerde zich niet veel meer van Indië dan tante Letje en
+Tidjem, maar Puck wist nog heel wat van haar geboorteland te vertellen,
+en Bets moeder zat met ’t grootste genoegen naar die verhalen te
+luisteren. Lientien dacht af en toe een beetje weifelend: „Of Puck nou
+niet wat overdrijft? Zou dat wel allemaal wáár wezen....?”
+
+Eindelijk zei Bet, dat ’t nu heusch tijd werd om naar huis te gaan en,
+terwijl Lientien hartelijk bedankte voor den prettigen middag, deed
+Puck dit niet minder beleefd en aardig; ze had echt plezier gehad, veel
+meer dan op ’t autotochtje van laatst. En dit maakte zij zich niet maar
+zoo wijs, want, al wilde Puck graag de hoogte in, al had ze een te
+grooten dunk van alles wat rijk en voornaam is, in haar hart voerde die
+neiging steeds strijd met haar beter ik. Ze maakte niet voor niets, nu
+sinds jaren al, deel uit van een gezin, waar natuurlijkheid en eenvoud
+den grondtoon vormden, en de lessen, in woord en voorbeeld, van de
+familie Canneheuvel, waren ook aan Puckie niet geheel voorbij gegaan.
+
+Op ’t portaal liep moeder nog even weer naar binnen, om wat te halen,
+en stopte de meisjes ieder een aardig Chineesch afgodsbeeldje in de
+hand (een grappig steenen poppetje in zittende houding, met een lange
+zwarte vlecht, en verbazend veel denkrimpeltjes op zijn verstard
+gezicht.)
+
+Betjesmoe kreeg er een zoen voor, ook van Puck. Dit laatste zag Bet met
+de allergrootste verbazing.
+
+Maar moeder fluisterde Bet toe, terwijl de meisjes de trap afliepen:
+„Je hebt gezegd, dat Lientien een schatteboutje was en de andere
+heelemaal niet?.... ik vind ze allebei schatteboutjes hoor! Als ze
+willen, breng ze dan maar gerust weer eens mee....”
+
+Bet zei niet veel, doch dacht des te meer, en bleef Puck een bijdehand
+nest vinden. Geen vergelijk met Lienepien, die dot!
+
+Een poos later, toen Bet weer eens op Puck bromde, durfde dat
+brutaaltje zoowaar zeggen: „Je lijkt zeker op je vader, Bet, want je
+moeder is een engel.”
+
+„Wil je er een om je ooren?” presenteerde Bet, met opgeheven hand.
+
+Maar naderhand zei ze tegen Lientien:
+
+„Ja, mijn vader was een „kortaffe”, net als ik, maar mijn moeder, die
+hield den vrede.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+XI JAN WEER THUIS.
+
+
+Vader en moeder waren nu ook weer thuis gekomen, en hadden Jan
+meegebracht.
+
+Dat was me een baas geworden, die Jan! Zoo groot en breed, met zoo’n
+heldere, vroolijke stem en drukke bewegelijkheid, dat hij ’t heele huis
+vulde. Voor iedereen had hij wat meegebracht, en zelfs Geertje niet
+vergeten. „Wat allemachies aardig is van dien jongen mijnheer met zijn
+lange beenen,” zei Geertje, „want kennen doet hij mij geen eens.” Ze
+was dan ook verbazend in haar schik met haar cadeau: een hertje van
+gepolijst metaal, dat er „echt” uitzag met zijn zware horens en mooie
+dunne pootjes. Het pronkte midden op haar tafeltje, en ’t hertebeest
+kreeg ’s Zaterdags ook een beurt van wat blief je! ’t Werd gepoetst en
+opgewreven tot ’t blonk als zilver.
+
+Jan zou nu over acht weken naar Indië vertrekken om te Soerabaia op
+vaders kantoor werkzaam te zijn. In die twee maanden moesten Mamp en
+Nel voor zijn uitzet zorgen, terwijl hij zelf ook nog heel wat te
+koopen en te beredderen had. Telkens bracht Jan wat mee uit de stad,
+bloemen voor Mamp, een lekker sigaartje voor vader, fijne odeur voor
+Nel, snoepgoed voor de meisjes, en voor tante Sjarlotje
+patiencekaartjes. Jan had er voor tante ook een boekje bij gekocht,
+daar stonden wel honderd verschillende patiencespelletjes in.
+
+Tante Sjarlotje raakte al gauw verzot op patiencespelen en.... Lientien
+ook. Die was er bizonder vlug en wijs mee. Als tante een nieuw spel
+wilde leeren en uit de verklaring niet wijs kon worden, begreep
+Lientien deze in een oogenblik en leerde haar tante Sjarlotje, die ze,
+op deze manier, vlug begreep. Wat hadden tante en Lienepien een pret
+over de namen van de patiencespelletjes.
+
+De moeilijke „Pad”, de „Zevenslapers” en de „Tweelingen” wilden van de
+tien keer negen maal niet uitkomen, maar de „Beeldengalerij” en de
+„schuchtere Louise” waren flauw gemakkelijk. Elken avond, vóór ’t naar
+bed gaan, speelde tante een uurtje, en daar sliep ze dubbel lekker op.
+
+’t Werd een gezellige tijd met Jan thuis. Zelden of nooit ging hij
+alleen uit. „Ik zal mijn heerlijk thuisje nu al gauw jaren lang moeten
+missen,” zei Jan, „en wil er dus nog zooveel mogelijk van profiteeren.”
+De jongen was bijna altijd naast Mamp te vinden, die hij „Mader”
+noemde. Dit was zijn lievelingsnaam voor zijn tweede moeder, die hij
+even liefhad, alsof zij zijn eigen was geweest.
+
+Als hij op de bank naast haar zat, stak hij vertrouwelijk zijn arm door
+den haren.
+
+„Nou niet naaien, Mader, maar gezellig babbelen.”
+
+„Domme jongen, hoe komen je zakdoeken dan klaar?”
+
+„Die wil Puckie wel voor mij naaien,” plaagde Jan, met een knipoogje
+naar deze jongejuffrouw. Hij wist wel, dat ze een broertje dood had aan
+naaien.
+
+„’k Ben zoo graag voor je bezig, Jan,” zei mama, „als je je goed
+gebruikt daarginds, denk je nog eens extra aan me.”
+
+„Of ik dat niet altijd zal doen, goeie, trouwe Mader mijn,” sprak Jan
+zacht. „Ik zal u wel erg missen en vader en Nel en lieve Lienepoes....
+Maar als ’t te erg dreigt te worden, zeg ik, net als vroeger: „den kop
+er tegen in, Jaromir.”
+
+„Juist Jan, en we hebben toch onze brieven over en weer, en ik heb nu
+zooveel tijd om aan jullie te schrijven. Van Dolf en Lous krijg ik
+voortdurend prijsjes.”
+
+„En u schrijft zulke heerlijke, en heerlijk lange brieven,” betuigde
+Jan dankbaar. „Zorg dus Mader, dat ik u ook prijsjes geven kan.... Ons
+eigenlijk huis blijft toch altijd hier,” vervolgde Jan na eenige
+oogenblikken, „de duiventil, waar de kinderen steeds in en uit blijven
+vliegen, of liever ’t nestje, dat u pas zacht en warm voor ons gemaakt
+heeft. Ik kom vast om de drie of vier jaar weer eens kijken; ’t is zoo
+goed als zeker, dat Lous en Dolf over een jaar of wat over komen
+wippen. U zal zien: tot in uw en vaders stokouderdom zal u van de
+kinderen Canneheuvel om u heen hebben.”
+
+„Vader en ik hopen en wenschen niets liever, m’n jongen,” zei mama
+bewogen.—
+
+Puck, die altijd met Frits kibbelde, zag tegen Jan op. Ze vond hem een
+echte „mijnheer”, en durfde geen bijdehante antwoorden geven, als hij
+haar plaagde.
+
+Puckie voelde niets voor ’t patiencespelen van tante Sjarlotje en
+Lientien, maar ze werd steeds „doller” op lezen. Lientien geloofde, dat
+ze van de heele school boeken leende, want altijd had ze weer nieuwe.
+
+„Tante Puck heeft de leeskoorts,” klaagde Lientien tegen haar eenig
+zoontje. „Ze is niks gezellig; wil nooit meer babbelen, maar zit eeuwig
+met haar neus in de boeken.”
+
+„Trek je er niks van an, moeder,” troostte kleine Koo, „dat luwt wel,
+want lezen is vreeselijk vervelend op den duur.”
+
+„Wat een ezel is die kleine Koo toch!” merkte tante Puck op, „zijn
+verstand is even klein als hij zelf is.” Daar kleine Koo, sinds zijn
+geboorte, nog geen sikkepitje gegroeid was, moest ’t arme wicht zijn
+mond wel houden.
+
+Mevrouw Canneheuvel zei er maar niet veel van, dat Puck voortdurend
+las, zoolang haar schoolwerk er niet onder leed. Ze vermeed alles, wat
+den vrede zou kunnen verstoren, den laatsten tijd, dat Jan nog thuis
+was.
+
+Maar Jan had in zijn goedhartigheid bedacht Puckie eens aardig te
+verrassen. Hij nam haar mee naar zolder, en gaf haar een kist vol
+boeken cadeau, die hij van kleinen jongen af aan bewaard had. De meeste
+bevatten avontuurlijke verhalen, zooals jongens die gaarne lezen. Doch
+er waren ook mooie boeken bij over dieren en zoo, die Dolf indertijd
+aan Jan vereerd had.
+
+Puck stond sprakeloos van vreugde over zulk een schat, en wist niet,
+hoe ze Jan zou bedanken. Overblij met dit prachtige cadeau, hief zij
+zich op haar teenen en gaf Jan een flinken klapzoen op zijn bruine
+wang. „Ze is toch wel een hartelijk kind,” dacht Jan.
+
+Goeiige Lientien hielp Puck den boekenschat naar beneden dragen, en nu
+voelde Puck zich net zoo rijk als een veldmuis of een hamster, die voor
+den heelen winter voorraad in zijn hol heeft gesleept.
+
+Jammer, dat oom voortdurend een oogje hield op ’t huiswerk, moeilijke
+lessen overhoorde en de sommen nakeek.
+
+Puck moest er haar dierbaar lezen dus dikwijls aan geven, want, was ’t
+werk niet in orde, dan moest ’t overgeleerd en overgemaakt worden, daar
+hielp geen lieve moederen aan.
+
+’t Beviel Puck dit keer heelemaal niet op school. Grace en Ellen gingen
+heelemaal op in de barones en lieten Puck links liggen.
+
+Het baronesje was een stil, zacht meisje met groote oogen, die altijd
+staarden. (Lientien vond, dat ze sprekend leek op haar oudste kind
+Francine, de oogen ten minste.) Men kon haar alles behalve vlug noemen,
+want ze kende nooit haar lessen, en gaf dikwijls zulke domme
+antwoorden, dat de andere kinderen er om lachten.
+
+Maar dan werd de juffrouw boos, en knorde. Al gauw begrepen de meisjes,
+dat ze meelij moesten hebben met Leonore, in plaats van haar uit te
+lachen. Ze was zwaar ziek geweest, en kon nu niet zoo goed meer leeren
+als andere meisjes van haar leeftijd. Mettertijd zou ’t wel terecht
+komen, had de dokter gezegd, en ’t was ’t beste, als zij
+klasse-onderwijs kreeg, en veel met meisjes van haar jaren in
+gezelschap was.
+
+Nu werd Leonore niet meer uitgelachen, doch, de goedhartige meisjes
+niet te na gesproken, die zich uit meelij met haar bemoeiden, lieten de
+klasgenootjes haar vrijwel links liggen. Behalve Ellen en Grace, die
+zich bepaald aan Leonore opdrongen.
+
+’t Stak Puck, dat zij dat deden, en ze begreep ook niet best, hoe ze
+haar bij dit meisje achterstelden. Want Puck gooide zich zelf alles
+behalve weg, en wat had je nou in vredesnaam aan dat suffe wurm, al kon
+ze ’t niet helpen, dat ze ’t was.
+
+Op een keer zei Puck ’t ronduit heel boos en driftig tegen Ellen. „Dat
+jullie niet meer vriendin met me wilt zijn, kan me geen zier schelen,
+maar dat je dat onnoozele schaap van een Leonore nou zoo achterna
+loopt, dat vind ik bespottelijk.”
+
+„Zoo!... vind je dat? smaalde Ellen. „Ze is in elk geval veel meer dan
+jij, want ze is een barones.”
+
+„Zeg, ben je van Lotje getikt?” onderzocht Puck. „Die Leonore is geen
+steek meer dan jij of ik, omdat haar vader bij toeval baron is....”
+
+„Kind, hoe verzin je ’t? We moeten meelij met haar hebben, zegt de
+juffrouw, en dat is waar, maar jij lijkt wel mal....”
+
+„Je hoeft niet te denken, dat je ooit meer in onze auto mee mag,”
+schreeuwde Ellen.
+
+„’k Zou niet eens willen,” gilde Puck weerom. „Jij en Grace stikken van
+verwaandheid. Hoepel op met je beiden, ik wil niet eens meer vriendin
+zijn met zulke bespottelijke mallooten.”
+
+„Dat komt goed uit,” hoonde Ellen, „want...”
+
+De rest hoorde Puck niet, want ze rende weg, nadat ze haar gewezen
+vriendin eerst nog een flinken stomp had toebedeeld.
+
+Ziezoo, met de Grace- en Ellen-vriendschap was ’t dus voorgoed uit. Ze
+lieten Puck loopen, toen ze een voornamere vriendin konden krijgen, net
+precies als Frits voorspeld had.
+
+Maar juist daarom vertelde Puck er thuis aan niemand van, behalve aan
+Lientien, die toch al zoo iets gemerkt had. Lientien had haar beloofd
+te zwijgen, en op Lientien kon je aan.
+
+Puck sloot nu nog inniger vriendschap met haar kostelijke boeken. Dat
+waren ten minste vrienden, die je nooit in den steek lieten.
+
+’t Was de laatste weken aldoor prachtig herfstweer, eigenlijk veel te
+warm voor den tijd van ’t jaar. De juffrouw zag ’t een beetje door de
+vingers, als er eens minder goed werd opgelet, en ook ’t werk beter had
+kunnen zijn. Zij had ’t de meisjes gaarne gegund nu buiten te wezen in
+plaats van in de warme school.
+
+Maar toch moest ze wel eens knorren, en ook Puck kreeg nog al eens te
+hooren: „Meisje, waar zijn je gedachten? Let toch wat beter op.”
+
+Puck verlangde al maar dat de school uit was, en ze ’t boeiend verhaal
+zou kunnen vervolgen, waarbij aldoor haar gedachten waren in plaats van
+bij haar sommen, of de aardrijkskundige les.
+
+
+
+Lientien moest met zwaar gevatte kou thuis blijven.
+
+Niemand begreep, hoe ’t mogelijk was, met ’t warme weer, maar arme
+Lienepien had ’t dan toch zoo verbazend te pakken, dat mampie haar in
+bed stopte. Lientiens neusje zag rood van ’t snuiten, en ze bleef maar
+hoesten, in weerwil van al de ulevellen en boterbrokken, die haar van
+alle kanten werden toegestopt.
+
+„Je moet Lientien nu liever niet zoenen, Puck,” waarschuwde tante,
+„anders krijg je ’t ook beet, en zou je de school moeten verzuimen, net
+als Lientien.”
+
+Deze argeloos gesproken woorden brachten ondeugende Puck op een onzalig
+denkbeeld.
+
+„Waarom zou zij ook niet ziek kunnen worden, net als Lientien, en een
+dag of wat heerlijk vacantie nemen om.... volop te lezen?”
+
+Diep in de Boschjes waren zulke stille plekjes tusschen ’t groen, waar
+nooit iemand kwam, of je stoorde...
+
+Dien middag op school gaf Puck al een begin van uitvoering aan haar
+plan. Telkens moest ze verdacht hoesten en haar zakdoek gebruiken. Toen
+de juffrouw vroeg, wat of ze toch had, jokte Puck, dat ze zich niets
+prettig voelde; zoo zwaar in ’t hoofd en zoo suf, net of ze zwaar
+verkouden zou worden. En dat zou geen wonder zijn, omdat Lientien al
+een paar dagen te bed lag, ziek van verkoudheid.
+
+Toen de school uit was, ging Puck naar de juffrouw toe. „Juffrouw, als
+ik er morgen niet ben, dan weet u wel waarom; ik voel mij niks goed.”
+En Puck huiverde, verbazend natuurlijk.
+
+„Best kind. Beterschap hoor!” zei de juffrouw, wie ’t geen oogenblik in
+’t hoofd opkwam, dat Puckie comedie speelde.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XII PUCK SPIJBELT.
+
+
+Den volgenden morgen stapte Puck op den gewonen tijd naar school. Doch,
+in haar tasch, verstopt tusschen boeken en schriften, had zij „De Witte
+Bison” meegenomen.
+
+Zij ging de school voorbij (door een evenwijdig loopende straat), de
+Laan van Meerdervoort door, den Scheveningschen weg op, en zoo de
+„Boschjes” in. Haar hart klopte als een hamer.
+
+„Schaam je wat, schaam je wat,” verweet „Meester”. „Je bent een slecht,
+bedriegelijk kind.” Maar Puck wilde niet luisteren; ze stapte steeds
+vlugger door, vond ’t verrukkelijk plekje, dat zij zocht, en vergat ’t
+tikkertje van binnen al heel spoedig, terwijl ze ’t verboden genot met
+volle teugen smaakte.
+
+Den volgenden dag wilde ze in ’t geheel niet meer naar „Meester”
+luisteren, en toen ze thuis kwam, hoorde ze bepaald met spijt, dat
+Lientien Donderdag weer naar school mocht. Dan durfde ze ook niet
+langer. Dat was veel te gevaarlijk voor ’t uitkomen.
+
+Doch, terwijl Puck hier pas over dacht, als iets, dat onmogelijk
+gebeuren kon, was dit al geschied.
+
+Op school heerschte n.l. ’t gebruik, dat aan de meisjes, die niet op
+school kwamen, het huiswerk thuis werd gezonden.
+
+Een meisje, dat in de buurt woonde, nam het gewoonlijk mee. Puck had
+hieraan wel gedacht, maar, nu voor Lientien ’t werk gebracht werd,
+bestond er geen gevaar voor haar, meende ze, want wie zou op ’t idee
+komen, dat dit voor twee in plaats van voor een was.
+
+Geertje was al eens verbaasd geweest, dat de boodschap bij ’t afgeven
+van ’t schoolwerk de laatste twee dagen luidde: „Voor de zieke
+jongejuffrouwen, en hoe ’t er mee was?”
+
+„Jongejuffrouwen,” herhaalde Geertje, „’t is er toch maar één? Lientien
+bedoel U immers?”
+
+’t Meisje, dat de schriften bracht, begreep Geertje niet te best. Ze
+had haast, knikte maar, en liep vlug weg.
+
+Doch Geertje vond de zaak niet pluis. Je kon die Puck heelemaal niet
+vertrouwen, ze ging vast niet naar school, en was aan ’t spijbelen.
+
+Bet leek ’t geval ook erg verdacht, terwijl Geertje ’t haar op haar
+zwaarwichtige manier vertelde.
+
+Ze wachtte Puck op, toen ze aanschelde, en vroeg haar op den man af:
+„Zeg Puck, ga jij soms niet naar school? Wat voer je uit?”
+
+„Natuurlijk ga ik naar school, wat hoef je me dat te vragen? Gaat ’t
+jou soms wat an?” onderzocht Puck, heel driftig.
+
+„Maar nou ga je mee naar binnen,” zei Bet, pakte Puck beet, en sleepte
+’t onwillig tegenstribbelende juffertje naar de huiskamer. Daar waren
+Mevrouw Canneheuvel en Jan, aan wie Bet ’t geval kort en bondig
+meedeelde.
+
+Mama begreep er niets van, doch Jan deed dit des te beter, want als
+kleine jongen had hij dien stouten streek ook wel eens uitgehaald.
+
+„Puckie, Muckie,” dreigde hij met den vinger, „je hebt gespijbeld,
+beken ’t maar eerlijk. Jongens doen dat wel meer, maar van kleine
+meisjes heb ik ’t nog nooit gehoord.”
+
+„Nee, ik ook niet,” sprak mevrouw Canneheuvel, „en ik kan ’t haast niet
+gelooven. Kijk mij eens aan, Puck.”
+
+Doch Puck hield ’t hoofd gebogen en versmolt in tranen. Eindelijk
+durfde ze opkijken, en daar ze wel begreep, dat alles nu toch uit moest
+komen, vertelde ze onder horten en stooten de volle waarheid.
+
+Mevrouw Canneheuvel keek heel ernstig, en schudde moedeloos het hoofd.
+
+„Puckie, ik begin er heusch aan te wanhopen, of jij ooit een oprecht,
+goed kind worden zult, en we doen toch zóó ons best je in ’t goede vóór
+te gaan....
+
+„De juffrouw en ons zóó te bedriegen! Hoe durfde je ’t te doen? En heel
+alleen eenzame plekjes in de boschjes op te zoeken... Daar had je van
+allerlei kunnen overkomen, Puck. Je weet niet, hoe gevaarlijk ’t is als
+kind alleen rond te dwalen. Of liever, je weet ’t wèl.
+
+„Verbeeld je eens, dat we aldoor op je zaten te wachten.. te
+wachten.... en je maar niet kwam, tot we eindelijk hoorden, dat je een
+of ander vreeselijk ongeluk overkomen was.... O Puck, dan zou ik geen
+gelukkig uur meer in mijn leven hebben gehad, want ik zou me zelf
+altijd verweten hebben, dat ik beter op je had moeten passen.”
+
+Als Mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje hard had aangepakt, en
+heftige verwijten gedaan, had ze ’t kind niet dieper kunnen treffen dan
+door de laatste woorden.
+
+Wanhopig snikkend wierp Puck zich in tante’s armen en smeekte: „O
+tante, tante, zeg dat toch niet. O! ik heb zoo’n spijt, dat ik zoo
+slecht ben geweest. Vergeef u mij toch, en kijk u toch niet zoo
+bedroefd; ik zal ’t nooit, nooit weer doen.”
+
+„Hoe dikwijls heb je me dat al beloofd, Puck!” zuchtte Mevrouw
+Canneheuvel treurig.
+
+Doch ze stootte het bevende, heftig schreiende meisje toch niet terug.
+
+Intusschen liep Jan de kamer op en neer.
+
+„’t Is eigenlijk ook wel een beetje mijn schuld, Mader,” sprak hij,
+zijn best doend, Puckie te verontschuldigen. „Ik had ’t kind met al die
+boeken niet in verzoeking moeten brengen.”
+
+Maar Puckie snikte, tusschen zijn woorden.
+
+„Neen Jan, ’t komt alles alleen door mijn slechtheid...”
+
+„Luister eens Puck,” zei Tante eindelijk, „met dat lezen moet ’t
+natuurlijk vooreerst uit zijn, en, daar je straf verdiend hebt, moet ik
+je die ook opleggen. Morgenochtend ga je dadelijk naar de juffrouw toe,
+en overhandigt haar ’t briefje, dat ik voor de juffrouw mee zal
+geven... En als de juffrouw oordeelt, dat je van haar ook straf
+verdient, dan is daar niets aan te doen.
+
+„Je moet mij dus al je boeken brengen, en je moogt vier weken lang in
+’t geheel niet voor je plezier lezen. Er is natuurlijk ook geen sprake
+van, dat je naar ’t partijtje bij mevrouw Reesers gaan mag. Ik zal
+mevrouw een briefje schrijven om voor je te bedanken.”
+
+„Moet Mevrouw ook weten waarom?” vroeg Puck, met een hoogroode kleur,
+en tante smeekend aanziende.
+
+„Neen kind,... laat dat maar aan tante over. En ga nu je gezicht
+wasschen, en denk er eens ernstig over na, hoe heel verkeerd je
+gehandeld hebt....”
+
+„Wil U mij dan vergeven, lieve tante?”
+
+„Eerst eens zien, hoe je je houdt. Je weet niet, Puck, hoe vreeselijk
+veel verdriet je mij hebt gedaan, en hoe bitter je me teleurgesteld
+hebt....”
+
+Met sleepende voeten ging Puck naar boven, wierp zich op haar bed, en
+vertrouwde haar hoofdkussen al haar groot leed toe.
+
+Zóó vond Lientien haar. Ze wist ’t al van Puck, en ze begreep niet, hoe
+ze ’t had durven doen. Maar Lientien kon niemand, die ze lief had, zien
+huilen. En zoo legde ze haar hoofdje naast Puck’s krullebol op ’t
+kussen, sloeg den arm om haar hals, en streelde Puck’s natbeschreide
+wangen.
+
+„Huil maar zoo niet, Puck,” troostte ze. „Mampie zal je wel vergeven.
+Maar hoe heb je ’t toch verzonnen! Was je niet bang, dat ’t uit zou
+komen?”....
+
+„Niet zoo erg Lientien.... Jij had ’t nooit kunnen doen hé?”
+
+„O nee hoor!” gaf Lientien gul toe. „Zoo heel alleen rond te dwalen....
+hoe griezelig! Maar ik zou ’t toch ook niet hebben willen doen om
+mampie,” voegde ze er eenvoudig aan toe.
+
+„Jij hebt goed praten, jij hebt een eigen vader en moeder.... Had ik
+die ook maar,” zuchtte Puck zielsbedroefd.
+
+„Maar je moet ook bedenken, dat ik lang zooveel niet van lezen houd als
+jij,” kwam Lientien weer. „Dat akelige gelees ook! ’k Heb je wel
+gezegd: pas er mee op.”
+
+„’k Mag een maand lang niet voor mijn pleizer lezen, zegt je ma, en ik
+mag ook niet naar de kinderpartij van Mevrouw Reesers.... En dat
+verdien ik ook,” klaagde Puck berouwvol, „want ik ben een slecht,
+bedriegelijk kind.”
+
+Daar klonk de heldere klank van de „gong” om de familie aan tafel te
+roepen. Puck durfde niet naar beneden gaan; ze had ook in ’t geheel
+geen trek. Naderhand bracht Lientien haar een bordje boven met een
+portie griesmeelpudding met frambozenvla. Op Jan’s voorspraak had Nel
+dit voor stoute Puck op zij gezet.
+
+
+
+Puck’s euveldaad raakte al gauw op den achtergrond, omdat ’t uur van
+Jans vertrek nu met reuzenschreden naderde.
+
+Nog één week, nog drie dagen.... nog één dag, en ’t oogenblik van
+afscheidnemen was dáár.
+
+Vader zou zijn jongen aan boord brengen, de overige familieleden zeiden
+Jan thuis „goedendag”.
+
+Al viel er menig traantje, Jan wist er toch de opgewektheid in te
+houden. Zijn laatste omhelzing en zoen waren voor mevrouw Canneheuvel,
+terwijl hij haar toefluisterde: „Houd je goed, lieve Mader; Jan moet nu
+op zijn eigen beenen leeren wandelen, en als dat hem lukt, heeft hij ’t
+aan u te danken. ’k Zal er mijn best voor doen, dat U met Jantje niet
+minder eer zult inleggen dan met Dolf.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIII HET FEEST.
+
+
+Op school heerschte, nu al weken lang, groote opgewondenheid. Want uit
+alle klassen bijna waren de kinderen genoodigd voor ’t bal, dat de
+familie Clifford in het „Hotel des Indes” wilde geven, ter eere van het
+vijf en dertig-jarig huwelijksfeest van mijnheer en mevrouw. Jonge en
+kleine Cliffordjes bij elkaar waren er wel dertig kinderen en
+kleinkinderen, en allen mochten, voor deze gelegenheid, hun vrienden en
+vriendinnen inviteeren. Dat zou me pas een partij worden! De Heer
+Hendriks, van de dansles, zou het bal leiden, en dat was maar goed,
+want ook in de balzaal moet er orde zijn, anders loopt de boel eerst
+recht in het honderd. Vooral daar er zoo verbazend veel kinderen zouden
+komen. „Nog meer misschien dan op de openbare dansles,” zei Puck.
+
+Dat juffertje had weer allemanspraats, want, na haar straf geduldig te
+hebben gedragen, voelde zij zich geheel opgelucht. Mevrouw Canneheuvel
+kwam nu, evenmin als vroeger, met achterna-verwijten aan, zooals Frits
+dat in der tijd noemde. En, als ze ’t gestrafte kind eenmaal vergeven
+had, zinspeelde ze nooit meer op de aanleiding tot de straf.
+
+Pucks boeken bleven onder tantes berusting, en van „verslinden” kwam
+niets meer in.
+
+’s Zondags en in haar vrijen tijd mocht Jootje een paar uur lezen, en
+daarmee uit.
+
+’t Was vreeselijk hard, maar ’t moest gedragen worden, zuchtte Puck.
+
+Toen de gedrukte kaart van de familie Clifford kwam, was ze toch
+evenwel erg bang geweest.
+
+Zou ze mogen? Zou tante...?
+
+Tot deze vroeg: „Hebben jullie er zin in, kinderen? Zal ik voor jullie
+dus ook maar aannemen?”
+
+Toen had zulk een dankbaar gevoel Puck’s hartje doorstroomd, dat ze
+nauwelijks woorden kon vinden om haar blijdschap uit te drukken.
+Lientien juichte: „hoe zalig, dat we gevraagd zijn,” maar Puck vloog
+tante om den hals, en riep maar al: „O tante, tante! hoe lief en goed
+is dat van u, mag ik heusch? Lientien, hoor je? Ik mag van tante.”
+
+’t Deed Lientien ook oprecht plezier, want op de kinderpartij had ze
+Puck aldoor gemist. De twee meisjes waren meer dan ooit samen, nu Puck
+’t met Ellen en Grace had „afgemaakt”.
+
+Nel en Frits waren ook gevraagd, want Nel was bevriend met de jongste
+dochter Pauline, en Willem Clifford was bij Frits in de muziekclub. De
+grooteren zouden naderhand nadansen. Tusschen ’t dansen door zouden er
+tableaux-vivants zijn, en op ’t tooneel mooie dansen worden uitgevoerd
+door de beste leerlingen van den heer Hendriks. Stel je eens voor, wat
+Lientien en Puck wel voelden, toen Lientien werd uitgenoodigd als
+„Lentefee” in een der tableaux op te treden, en Puck om den solodans
+uit te voeren in „Het feest der Elfen”.
+
+Papa vond ’t eigenlijk niet in den haak, dat feestvieren zoo midden in
+den schooltijd. Maar Lientien kuste papoes’ bezwaren weg.
+
+’t Was nu maar voor dit enkel keertje, zoo’n partij kwam vast in geen
+jaren terug, en naderhand zouden ze op school dubbel haar best doen. Al
+de vriendinnetjes gingen ook, dus...
+
+’t Was te begrijpen, dat het onderwerp: „’t Bal bij Clifford”, steeds
+op het tapijt was.
+
+Dagen van te voren werden er al dansen besproken. Het: „Wat doe jij
+aan? Krijg jij ook een splinternieuwe jurk, net als ik? In welk tableau
+doe jij mee? Heb je al veel dansen besproken?” waren aan de orde van
+den dag.
+
+
+
+Lientien en Puck zweefden op witte balschoentjes de trap af. Ze leken
+precies twee groote bloemen: Lientien in haar rose, Puck in haar
+zee-groen tarlatannen japonnetje, Lientien’s jurk was met witte
+margarietjes, die van Puck met rose roosjes versierd, die hier en daar
+en overal tusschen toefjes lint smaakvol waren aangebracht: in de
+ceintuurs, op den éénen schouder, als kleine bouquetjes uitkijkend
+tusschen de satijnen lussen van de lang afhangende witte en lichtgroene
+linten. Je moest aldoor van Puck naar Lientien en van Lientien naar
+Puck kijken, en wist niet, wie van beiden er het snoezigst uitzag.
+
+Puck wist ’t wèl. Ze had wel een kwartier voor tante’s grooten staanden
+spiegel heen en weer gedraaid, en zich zelf bewonderd.
+
+Vooral ’t gouden medaillonnetje aan ’t fijne kettinkje vond ze
+prachtig. Lientien had er geen; Nels bloedkoralen pasten niet bij haar
+rose jurk, en mampies sieraden nog minder. Gelukkig had tante Sjarlotje
+een kettinkje gevonden van witte cornalijnen met een echt gouden
+slotje. ’t Sloot precies om Lientiens mollig halsje.
+
+Maar zoo mooi als haar gouden medaillon stond ’t toch lang niet, vond
+Puck.
+
+Nel droeg een wit zijden japonnetje en Frits had heel deftig voor ’t
+eerst een „smoking” aan.
+
+Vader en mamp waren heel trotsch op hun troepje; ze konden er mee voor
+den dag komen.
+
+Ofschoon ze een paar keer gerepeteerd had voor de „Lentefee”, was
+Lientien er toch niet gerust op, of zij haar rol wel goed zou
+vervullen. Zouden haar handen niet trillen, haar voeten onbewegelijk
+blijven in de voorgeschreven houding?
+
+Doch Puck was heel niet bang. Ze kreeg op de dansles steeds prijsjes,
+werd den anderen kinderen ten voorbeeld gesteld, en moest dan
+voordansen. De moeilijkste passen leerde zij in een ommezien. De heer
+Hendriks zei dikwijls:
+
+„Als Jootje van Vorden zoo vlug is met leeren als met dansen, wordt ze
+nog eens professor.” De kleine meisjes hadden al verscheidene dansen
+besproken. Lientien meest met vriendinnetjes, want met jongens dansen
+vond ze maar zóó, zóó. Jongens hielden hun dame onverschillig vast en,
+in plaats van leuk te babbelen, keken ze een anderen kant uit, of
+vroegen onnoozele dingen.
+
+Lientien was, net als mamp, een echt gezellige babbelaarster, en nooit
+om stof voor een gesprek verlegen met de schoolvriendinnen. Maar met
+zoo’n halfvreemden jongen raakte je nooit op dreef.
+
+De heer Hendriks zag de kinderen liever bij „paartjes” dansen, maar,
+daar er meer meisjes dan jongens waren, kon dit toch niet.
+
+Puck danste natuurlijk liever met jongens, dat deed je op een
+groote-menschenbal ook, en zoo hoorde het. Als haar cavaliers uit de
+maat waren of slecht dansten, moesten ze er ongenadig veel over hooren.
+Ofschoon ze haar erg bijdehand vonden, wilden de goede dansers Puck
+toch graag als dame, want ze danste als een elfje in den maneschijn,
+en, als ze wou, kon ze verbazend leuk en aardig uit den hoek komen.
+
+Lientien was erg in haar schik, dat ze de polonaise met Jan Vrede had.
+Dat was een gezellige, kalme jongen, en hij had altijd wat van zijn
+dieren te vertellen.
+
+Bij de familie Vrede hadden ze een grooten tuin, en de kinderen hielden
+er een heele menagerie op na, zooals de Canneheuveltjes indertijd op ’t
+groote erf te Soerabaia.
+
+Puck had de polonaise besproken met den grootsten jongen van de
+dansles, een leuke bruinoog, die altijd uit de maat was, maar er uit
+zag als een echt chic salonjonkertje.
+
+Met de polonaise hinderde ’t niet of je mooi of leelijk danste,
+redeneerde Puck, en ze zou maar wàt een keurig figuur maken aan den arm
+van Guus Hooft van Elden. Hij stak wel een hoofd boven de andere
+kinderen uit, dus zou wel in ’t oog vallen en... zij er bij. Ellen zou
+maar leelijk op haar neus kijken, als Puck met Guus liep, want zij had
+op Guus gevlast, omdat zij beiden even groot waren.
+
+In ’t rijtuig stonden Pucks en Lientiens babbelmondjes geen oogenblik
+stil. Ze hadden samen ook één dans. Daarin had Puck genadig toegestemd.
+
+Wat een lange file van wagens stond er al voor het Hotel des Indes! Het
+rijtuig van de Canneheuveltjes was nog lang niet het laatste; een lange
+rij had zich al weer achter hun vigilante aangesloten, toen zij aan de
+beurt kwamen om uit te stappen.
+
+Verscheidene keurig gekleede, vriendelijke dienstmeisjes stonden gereed
+om de genoodigden, in de tot garderobe ingerichte kamer, te helpen met
+’t afdoen van sjaaltjes, doeken, jassen enz. en een allerlaatste hand
+te leggen aan de toiletjes en kapsels.
+
+Al de kinderen Clifford waren present, om hun of haar specialen vriend
+of vriendin naar het bruidspaar te brengen, dat in een aangrenzende
+zaal zat, en jong en klein hartelijk verwelkomde en aanraadde maar net
+zooveel pret te maken, als zij konden. Van daar ging het in troepjes
+naar de groote balzaal. Wat een massa bruintjes, blondjes en zwartjes
+waren daar al! Dat sprong en huppelde, drong en golfde door elkaar, dat
+’t zoo’n aard had, en allen lachte de voorpret de oogen uit.
+
+Nel en Frits zochten een plaatsje, waar de stoelen stonden gerijd. Ze
+moesten vooreerst nog voor balvader en balmoeder spelen, en waren al
+gauw in een gezellig clubje, terwijl Puck en Lientien, omringd door een
+troep vriendinnetjes en vrindjes, in hun buurt bleven. Want dat hadden
+ze afgesproken met hun dansers, daar ze elkander anders vast niet
+konden vinden in de menigte.
+
+’t Bruidspaar was nu ook binnen gekomen en naar de voor hen bestemde
+plaatsen geleid. Daar klom de heer Hendriks op een kleine verhevenheid
+en kondigde aan met heldere stem: „Aantreden voor de polonaise.”
+
+Jan Vrede kwam Lientien halen, die innig vergenoegd aan zijn arm
+wegdrentelde, en dadelijk naar Jan’s nieuwe volière vroeg. Dat was een
+echt vogelpaleis, zoo hoog en ruim, dat er wel drie boompjes in stonden
+behalve verscheidene struiken, die volop licht en lucht kregen door de
+wanden van kippengaas.
+
+Toen Jan, na heel lang ziek te zijn geweest, een mooi cadeau mocht
+kiezen, omdat hij pijn en ongemak zoo flink gedragen had, vroeg hij een
+„volière”.
+
+„Goed,” stemden zijn ouders toe, „maar geen gevangenis. Je moogt er
+boschvogels in wennen, en een poosje binnen houden. Willen ze niet
+langer blijven in je goeien stal, dan moet je ze hun vrijheid
+hergeven.”
+
+En nu vertelde Jan aan Lientien, dat, al was ’t in het begin recht
+treurig geweest, zoodat hij met al zijn zorg, toewijding en „lekkere
+tafel” de boschvogels niet had kunnen houden, dit nu steeds beter werd.
+Zoo langzaam aan kwamen er hoe langer hoe meer terug van hun
+plezierreisjes. De groenlingen vooraan, die werden zoo tam als
+kanaries. Hij hoefde maar een vinger uit te steken, flop! zat er ook
+een op, en bedelde om een wurmpje of een zaadje. ’t Was verbazend leuk.
+Wel een geduld werkje natuurlijk, eer je ze zoover had; de altijd
+aangerichte lekkere tafel trok zeker ’t meest. Een nachtegalenpaar had
+een nestje gemaakt in een van de boompjes, dit voorjaar; van broeden
+was nog niets gekomen, doch Jan was al erg in zijn schik, dat ze ’t
+zoover hadden gebracht. De nieuwelingen bleven lang schuw, dat sprak
+van zelf, en er waren ook wel vogels, die, als je dacht, dat ze gewend
+waren, wegvlogen, en nooit terug kwamen. Maar dat moesten die
+ondankbare, domme rakkers dan ook maar zelf weten.
+
+„Hoe eenig toch,” vond Lientien, en vroeg of ze eens met Frits mee
+mocht komen, om Jan’s vogeldressuur van nabij te zien, wat Jan
+natuurlijk uitstekend vond.
+
+Intusschen stond Puck nog steeds op haar „cavalier” te wachten. Ze had
+Lientien nageoogd, en keek nu zenuwachtig rond. Waar bleef Guus dan
+toch? Zou hij niet gekomen zijn? Misschien ziek geworden?.... Puck
+begreep er niets van. ’t Roode kleurtje op haar wangen werd steeds
+donkerder, terwijl haar hartje al onrustiger begon te kloppen. Nel zag
+Puck het halsje rekken, las ’t brandend ongeduld in haar vonkelende
+zwarte oogen. Bedarend legde ze haar hand op Jootjes schouder. „Waar of
+die teutebol van een Guus nou toch blijft, hè Puck?” sprak ze. „Wind je
+niet zoo op kind, kijk maar, er loopen nog heel wat kinderen alleen
+rond.”
+
+„Mag ik Guus gaan zoeken?” vroeg Puck, popelend van ongeduld.
+
+„Wacht nog maar even,” raadde Nel. „’k Geloof, dat ik hem zie
+aankomen.”
+
+En dat deed Gustaaf Hooft van Elden ook, maar niet alleen.
+
+Aan zijn arm liep triomfantelijk een lang, blond meisje: Ellen van
+Bergen. Ze droeg een beeldig, wel wat al te mooi japonnetje voor haar
+leeftijd, van licht blauwe zijde. Terwijl ze Nel, Frits en Puck
+voorbijliepen, keek Ellen een beetje spottend, maar Guus staarde
+verlegen den anderen kant op.
+
+Wat er op dit oogenblik in Pucks hart omging? Woede en afgunst
+spiegelden om beurten in haar blik. Ze wilde weg, het paartje na, doch
+Nel hield haar terug, bang, dat er een vechtpartijtje van zou komen.
+
+„O hoe valsch! hoe vreeselijk valsch,” kreunde Puck. „En nou heb ik
+niemand, en ik heb dat jongetje van Est bedankt en Truus van Druten
+ook, en die loopen al samen. En o! wat moet ik doen? Wat moet ik doen?”
+
+„Stil toch Puckie, ga in vredesnaam niet huilen,” verzocht Nel
+fluisterend. „De menschen kijken al naar ons, en denken stellig, dat er
+wat gebeurd is, toe dan Puck....”
+
+Daar stond die lange slungel van een Frits op eens overeind, stapte
+plechtstatig op Puck toe, en, terwijl hij haar den arm bood, verzocht
+hij: „Mag ik de eer hebben, Mejuffrouw van Vorden, de polonaise met u
+te doen?”
+
+Weg met tranen en verdriet. Onuitsprekelijk verlicht, even gelukkig als
+ze straks rampzalig was geweest, legde Puck haar hand op Frits’ arm.
+Haar hartje zwol van trotsche vreugde, terwijl zij in de lange keten
+meeliepen. ’t Leek wel een bloemenketen, wat de meisjes betrof.
+
+„’k Vind ’t vreeselijk lief van je, Frits,” fluisterde Puck, terwijl ze
+hem overdankbaar aankeek.
+
+„’k Zal Guus straks toch eens vragen, hoe dat zaakje in elkaar zit,”
+sprak Frits met gefronste wenkbrauwen. Hij zou ’t ook voor Lientien
+hebben opgenomen, dus was dit eveneens zijn plicht tegenover Puckie.
+
+„Dat weet ik wel,” wist Puck vlug. „Ellen heeft hem aan mij
+afgetroggeld... En die flauwerd heeft ’t gedaan, omdat ze zoo’n
+prachtige jurk aan heeft, en praten kan voor tien. Daar kan zoo’n
+jongen niet tegen op.”
+
+„Zie je nou wel, dat die Ellen geen echte vriendin van je is,”
+„vaderde” Frits. „Je zult nog wel meer verdriet beleven door je omgang
+met die malle nuf.”
+
+Puck knikte maar. Frits hoefde niet te weten, dat ’t al lang uit was
+met de vriendschap tusschen haar en de meisjes Van Bergen.
+
+Haar woede op Ellen was al voor drie kwart bekoeld. Met Frits loopen
+was nog veel deftiger dan met Guus. Frits was de grootste en de
+„heerigste” van alle jongens in de zaal.
+
+Daar stond de lange keten stil. De heer Hendriks trad vooruit, en
+plaatste ’t kleinste paartje aan ’t hoofd der polonaise, die hij,
+achteruit gaande, leidde. ’t Paartje, dat de polonaise dus opende,
+waren de jongste kleinkinderen in de familie Clifford: Goosje, die
+drie, en Paultje, die vier jaar telde. Goosje, in ’t lichtblauw, had
+een bloemenkransje op de blonde krulletjes en een bouquetje in de hand,
+dat zij grootmama straks moest aanbieden. Ze was een heel klein beetje
+verlegen onder den indruk van de plechtigheid. Maar Paultje, met zijn
+groote oogen, net zwarte kersen, liep dapper naast haar voort. Vóór ’t
+feestpaar gekomen, stond de heer Hendriks stil, en schoof Goosje voor
+Grootma, die ’t kleine ding bemoedigend toeknikte.
+
+Maar wat deed die dwaze Goosje nu?.... Ze gooide ’t bouquetje in
+grootma’s schoot, en terwijl de heer Hendriks fluisterde: „Nou de
+buiging, kleintje,” wilde ze het eens bijzonder mooi maken, en boog zóó
+diep, dat ze op eens op den grond zat naast Paultje, die ze had
+meegetrokken.
+
+De dikkerdjes schaterden ’t allebei uit, en iedereen met hen mee.
+Paultje scharrelde als een kikkertje overeind, terwijl de dansmeester
+Goosje op haar voetjes zette; Grootma moest ze even mokkelen vóór ze
+verder mochten. Nu volgden de andere paartjes. ’t Was een allerliefste
+aanblik, al die kleurige, fleurige kinderen, vroolijk te zien
+voortschrijden op de opgewekte tonen der muziek. Voor den heer en
+mevrouw Clifford gekomen, stond ieder paartje weer even stil, en maakte
+een bevallige of minder bevallige buiging, al naar dit zoo uitviel.
+
+Lientien bracht ’t er goed af, maar Puck nog bevalliger.
+
+Ze liet den arm van Frits los, nam met beide handjes haar japonnetje
+even op, trad achteruit, en neeg zoo diep en sierlijk, dat niemand het
+haar verbeteren kon. ’t Had niet mooier gekund, wanneer zij een buiging
+voor de koningin had ingestudeerd.
+
+De heer Clifford klapte in de handen, en mevrouw lachte Puckie
+bewonderend toe. Om haar heen hoorde Puck fluisteren: „Wie is dat? Hoe
+beeldig! Hoe snoezig!” Of dat ook een voldoening was voor juffertje
+ijdeltuit!
+
+Lientien had gelijk gehad. Zulk een feest als dat van heden kwam in
+geen jaren en jaren weerom. Natuurlijk was er meer dan goed gezorgd
+voor tal van lekkernijen, die op groote bladen den heelen avond door
+gepresenteerd werden. Er diende heusch wel een oogje te worden gehouden
+op de gulzige kinderen.
+
+En dan viel er zooveel prachtigs te zien, tableaux, levende beelden,
+voorstellingen uit ’t leven van het feestpaar, telkens opgevoerd
+tusschen de dansen door.
+
+Lientien werd toegejuicht als: „Lentefee”, en Puck niet minder in haar
+Elfendans. Bij de „cotillon” kwamen er zulke mooie verrassingen voor
+den dag, dat de kinderen stil waren van opgetogenheid. Ja, ’t was een
+partij, die klonk als een klok!
+
+Puck had haar ergernis over Guus al drie kwart vergeten, toen hij er
+haar zelf aan kwam herinneren. Terwijl zij, na haar „Elfendans”, een
+beetje zat uit te rusten en zich waaierde, kwam Guus wel wat bedremmeld
+op haar toedrentelen, en vroeg, of ze nog een dans voor hem had.
+
+„Ben je mal, jongen!” zei Puck. „’k Heb al mijn dansen al lang. En met
+jou dans ik nooit meer, mijn heele leven niet. Wat denk je wel?”
+
+En ze liet Guus staan als „Jan Ongeluk”.
+
+Ja, zoo vergaat ’t jongens, die tegenover meisjes hun woord niet
+houden. Lientien zou misschien gezegd hebben: „Neen, dank je, Guus,
+want je bent erg onaardig en onbeleefd tegen me geweest.” Lientien had
+ook haar gevoel van eigenwaarde.
+
+Maar met Puck was ’t met recht kwaad kersen eten, als men haar
+verongelijkt had.
+
+Op ’t eind van den avond dansten de grooten ook nog even met de
+kinderen, eer dezen plaats voor hen maakten. En zoo zweefde Lientien
+met Frits rond, en deed Puck een extra toertje met Nel. Toen was het
+kinderfeest afgeloopen. Maar de familie Clifford kon tevreden zijn met
+de uitbundige dankbetuigingen voor de „dolle pret”, die al de
+schitteroogen met roode wangen haar uit den grond van ’t hart kwamen
+brengen, bij het afscheidnemen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIV „DE SCHOENTJES”.
+
+
+Puck was dan danig uit haar humeur. Op de mooie balschoentjes, die ze
+voor ’t bal nieuw had gehad, en nu verder mocht dragen op de dansles,
+waren twee groote zwarte vlekken. Hoe ze er op waren gekomen, mocht de
+drommel weten; ’t leek wel teer of wagensmeer. „Bedenk liever, hoe je
+ze er weer af zal krijgen,” had Lientien geraden. De meisjes waren toen
+aan ’t knoeien gegaan met eau de cologne, zeep, poeder, doch dit alles
+had de zaak nog erger gemaakt. Puck durfde geen nieuwe schoentjes
+vragen; in ’t begin van den winter had ze al een paar verloren. Die
+waren haar „ontstolen”, verzekerde Puck.
+
+Tante had dit maar half geloofd, en geknord over Puck’s slordigheid.
+
+Voor ’t feest bij de familie Clifford had ze een paar nieuwe gekregen,
+en tante had er bij gezegd, dat ze daar nu eens extra netjes op moest
+wezen. Nieuwe kreeg ze vooreerst niet, daar hoefde ze niet mee aan te
+komen. En nu deze ramp!
+
+Puck deed op de eerst volgende dansles haar onooglijke schoentjes aan,
+in de hoop, dat niemand er iets van zou zeggen. Doch in plaats daarvan
+keek iedereen naar haar voeten. Puck meende de kinderen spottend te
+hooren fluisteren.
+
+„Trek er je toch niets van aan,” zei Lientien. „Wil je de mijne?”
+
+Die waren Puck te groot. „En dan zou ik toch niet willen, dat je mijn
+vuile schoenen droeg,” zei Puck.
+
+De heer Hendriks had ook al naar haar voeten gekeken, verbeeldde zij
+zich. Nee, ze kon die schoenen niet meer dragen.
+
+Kort daarop zag ze in de Prinsestraat een winkel, waar „Uitverkoop”
+was. In de étalage stonden alle laarzen en schoenen, groot en klein,
+zeer laag geprijsd, en daaronder, bepaald spotgoedkoop, een paar
+snoezige dansschoentjes à twee gulden en vijftig cents.
+
+Puck ging eens informeeren.
+
+„Ja,” zei de bediende, „die schoentjes zijn een extra kleine maat; ze
+passen bijna niemand, en daarom staan ze zoo goedkoop geprijsd.”
+
+„Mag ik ze eens passen?” vroeg Puck.
+
+„Zeker, ga uw gang, jongejuffrouw.”
+
+De schoentjes zaten als geschilderd om Puck’s voetjes.
+
+„Neemt U ze?” vroeg de bediende.
+
+„Eerst thuis vragen,” antwoordde het meisje, terwijl ze den winkel
+uitging.
+
+Aldoor dansten de schoentjes Puck voor oogen. Als ze die aanhad, zouden
+ze pas echt naar haar voeten kijken, maar dan stellig uit
+jaloerschheid. Kon ze ze maar koopen!
+
+’t Was toch ook vreeselijk nooit geld te hebben. Haar heele bezit was
+vijftig cent, en dat geld had ze hard noodig voor
+Sinterklaascadeautjes. Tante Sjarlotje zou haar vast een gulden willen
+leenen, al stond ze nog bij tante in de schuld.
+
+Aan Nel durfde ze best vijftig cent vragen, en goeie Nel gaf die ook
+wel, als ze ze kon missen.
+
+Nou kwam ze nog één gulden te kort. Haar weekgeld kon ze niet
+gebruiken, met ’t oog op de St. Nicolaas, en daar moesten bovendien nog
+altijd twee centen af voor de „Bommen”.
+
+Dáár kreeg Puck op eens een idee. Als ze dien éénen gulden eens uit het
+busje leende?
+
+Ze zou ’t geld zeker en vast terug geven naderhand. Er waren toch ook
+heel wat centjes van haar zelf bij.
+
+Niemand zou ’t merken, want Lientien kreeg dikwijls een extra’tje voor
+’t „Bommenbusje”. Naderhand, als ze ’t geleende geld bij elkaar had,
+zou ze eerlijk opbiechten, dat ze ’t geld had genomen, en dan kreeg de
+familie Bom nog een ná-cadeautje, waar ze niet op had kunnen rekenen,
+en dat dus maar wàt een groote verrassing voor hen zou zijn.
+
+Op deze wijze trachtte Puck de verkeerde daad, die zij wilde doen, goed
+te praten. Toen tante Sjarlotje haar dadelijk ’t geld gaf, en niet eens
+vroeg waarvoor, en Nel ook, al hield die er een preekje bij, was Puck
+al vast besloten den nog ontbrekenden gulden uit ’t „Bommenbusje” te
+leenen.
+
+’t Busje stond in de open kast; Lientien had er nooit over gedacht het
+achter slot te bergen. Puck leende dus den gulden, kocht de schoentjes,
+en vertelde Lientien, dat tante Sjarlotje en Nel haar aan ’t geld er
+voor hadden geholpen. (Dat was immers ook zoo?) Ze zat daardoor zwaar
+in de schuld, en kon niet veel aan Sint Nicolaas doen.
+
+„Waar jij je geld toch laat!” verwonderde Lientien zich.
+
+
+
+Begin December vond Lientien, dat nu de tijd gekomen was om het
+„Bommenbusje” te openen, en den inhoud na te tellen... Zij maakte er
+een plechtige gebeurtenis van. Nel en Frits werden uitgenoodigd erbij
+tegenwoordig te zijn, en te zien, hoe prachtig Lientien boek gehouden
+en ieder centje bijgeschreven had.
+
+„O lieve deugd! heeft Lientien boek gehouden?” dacht Puck angstig. „Wat
+nu?”
+
+Ja, Lientien had niet alleen elk centje, dat ze kreeg onmiddellijk in
+het busje gedaan, maar op ’t lijstje ook dadelijk bijgeschreven.
+
+Met een plechtig gebaar overhandigde Lientien het busje aan Nel. ’t
+Rammelde, of ’t aardig vol was. Even deftig nam Nel het busje in
+ontvangst, deed het deksel er af en stortte den inhoud op tafel uit.
+
+Dubbeltjes, stuivertjes, centen, kwartjes en een enkele gulden rolden
+er uit. Alles werd op hoopjes gelegd.
+
+Frits had het lijstje vóór zich, en Nel begon te tellen.
+
+„Er moet in ’t geheel vijf gulden vijf en vijftig zijn,” zei Frits.
+
+„En ik krijg maar vier gulden vijf en vijftig,” verklaarde Nel. „Hoe
+kan dat nou?”
+
+„’k Heb er toch heusch elk centje in gedaan,” verzekerde Lientien
+verbaasd.
+
+„Natuurlijk snoes.... nog eens overtellen.... nee hoor, kinders, er
+blijft een gulden te kort.”
+
+„Ik begrijp ’t niet,” betuigde Lientien, „jij Nel? Is het lijstje wel
+goed opgeteld, Frits?”
+
+„En òf, poes. Kijk toch eens Nel, hoe keurig die Lienepien dat gedaan
+heeft. Achter elke gave staat de naam van den gever bovendien.”
+
+Maar Nel luisterde half toe, en keek bekommerd vóór zich.
+
+Zou Geertje?.... Maar ’t was leelijk, dat arme kind te verdenken, omdat
+je niemand anders verdenken wilde of kon?
+
+Al had ze ’t ontbrekende geld wel willen aanvullen uit haar eigen zak,
+Nel voelde, dat ze ’t geval niet mocht verzwijgen.
+
+’t Was een veel te ernstig iets; ze moest er met vader en mamp over
+spreken.
+
+Dezen keken ook zeer ernstig, en mamp zei dadelijk: „Natuurlijk moet de
+zaak onderzocht worden, en de waarheid aan ’t licht komen.
+
+„Jullie weet er niets van af, kinderen? Je hebt er geen geld uitgeleend
+misschien, en vergeten terug te geven?” vroeg mevrouw Canneheuvel, van
+Puck naar Lientien kijkend.
+
+Een oogenblik weifelde Puck.... Ach! had ze nu maar gesproken, hoeveel
+verdriet zou haar bespaard zijn gebleven.
+
+Doch ze durfde niet. Eigenlijk had ze tegen Nel al gejokt, toen deze
+haar zoo straks vragend had aangekeken, door heftig ontkennend het
+hoofd te schudden.
+
+Ze liet de haar geboden kans voorbijgaan.
+
+En toen nu Lientien, op moeders vraag, dadelijk antwoordde: „Eerlijk
+niet, mamp,” kon Puck er niet toe komen haar leugen te herroepen, en ze
+sprak als Lientien: „Heusch niet, tante.”
+
+
+
+De vatenboel was aan kant en de keuken netjes opgeruimd. Genoegelijk
+zat Geertje met Bet samen, en genoot juist van een lekker kopje thee,
+toen de schel in de huiskamer haar boven riep.
+
+„’k Moet vast voor een boodschap,” dacht ’t kind, terwijl ze, op haar
+bedachtzame oude-vrouwtjes-manier, toch vrij vlug de trap opliep.
+
+„Geertje,” zei mevrouw, terwijl ze het meisje vriendelijk in de heldere
+oogen keek, „Lientien mist geld uit een blikken busje in de kast hier.
+Nou begrijpen we niet, waar dat kan gebleven zijn. Ik heb de kinderen
+er al naar gevraagd, en wil nou ook van jou weten...”
+
+Geertje verschoot even van kleur. „Denk mevrouw als dat ik ’t er uit
+heb genomen?”
+
+„Neen Geertje, ik beschuldig je in ’t geheel niet, en als je me
+verzekert...”
+
+Geertjes heldere blauwtjes keken mevrouw zoo oprecht en onschuldig aan,
+dat elke achterdocht bij haar meesteres verdwenen was, eer ’t meisje
+nog sprak.
+
+„Mevrouw,” verzekerde Geertje, en ook haar stem klonk overtuigend
+eerlijk, „’k weet van geen bussie, en ben niet aan ’t geld gewees,
+gerus niet.
+
+„Moeder zaliger heef ons geleerd: „hou je handen thuis,” en vader zegt
+altijd: „Al benne we arm, we motten eerlijk blijven.” Geloof u Geertje
+gerus, mevrouw; ik ben der niet an gewees.”
+
+„Dàt doe ik Geertje, met heel mijn hart hoor!” verzekerde mevrouw
+Canneheuvel bewogen. „En geef me nou een hand, kind. Ik ben blij, dat
+ik je eigenlijk geen oogenblik ernstig verdacht heb, Geertje.”
+
+’t Meisje kreeg een kleur van blijdschap, en haastte zich naar de
+keuken, om ’t geval te vertellen. Den geheelen avond werd daar over
+niets anders gepraat, en werden allerlei gerijmde en ongerijmde
+vermoedens geopperd door Bet, Kee en Geertje.
+
+Aan Bet en Kee werd zelfs niet gevraagd, of ze iets van ’t verdwenen
+geld afwisten. „Die vertrouw ik als mij zelf,” zei mamp. Voorloopig
+liet zij de zaak, zooals zij was, sprak met niemand over haar stil
+vermoeden, en verzocht den huisgenooten het onderwerp verder te laten
+rusten. Intusschen sloeg ze Puck oplettend gade.
+
+Niet voor niets had mevrouw Canneheuvel jaren lang met kinderen
+omgegaan, en in hun hartjes leeren lezen als in een open boek. Juist
+omdat ze het kind zoo liefhad (met zijn feilen en gebreken), bleef zijn
+ware natuur voor haar geen raadsel.
+
+Ook Pucks aard en wezen doorgrondde zij.
+
+Mevrouw Canneheuvel „voelde”, dat haar pleegdochtertje de schuldige
+was. Alles zeide ’t haar. Toch weifelde ze af en toe, nu ’t kind bleef
+ontkennen. Kon Lientien zich met haar boekhouding niet vergist hebben?
+Ze wenschte bovendien zoo innig, dat Puck uit zich zelf tot inkeer
+kwam. Dus wachtte zij....
+
+’t Was intusschen half December geworden. Sint Nicolaas, met zijn
+drukke feestelijkheid, was voorbij, en mamp wist nog steeds niet, hoe
+ze eigenlijk handelen moest.
+
+Puck, geplaagd door haar slecht geweten, was niet gewoon en natuurlijk,
+zij voelde, dat tante haar verdacht, en streed met zich zelf. ’t Eene
+oogenblik nam ze zich ernstig voor de waarheid te bekennen, doch op ’t
+laatst deinsde ze daar toch voor terug.
+
+Ten slotte kwam ze tot het besluit om, als er sprake van was, dat
+Geertje weg zou moeten, alles eerlijk op te biechten.
+
+Mocht de weggeraakte gulden in het vergeetboek raken, dan zou ze
+blijven zwijgen tot ze ’t geld bijeen had gespaard, en eerlijk niets
+voor zich zelf koopen, eer ze zoover was.
+
+Dan zou ze alles aan tante vertellen, en om vergiffenis vragen....
+
+De familie Bom was er niet bij te kort gekomen, want tante had een
+gulden bijgepast, en er was een pak met allerlei heerlijkheden aan hun
+huisje afgegeven den 5den December. Geertje prakkizeerde nog steeds,
+hoe de Sint had kunnen raden, dat de inhoud zoo juist van pas kwam in
+het huishouden.
+
+Naderhand, dacht Puck, zouden ze dus nog een achterna cadeautje
+krijgen.
+
+Dit besluit bracht haar eerst wel wat verlichting, doch niet lang.
+„Meester” was er in ’t geheel niet mee tevreden.
+
+Als bij toeval de naam „Bom” genoemd werd, vloog Puck het bloed naar de
+wangen, en bukte zij zich haastig om quasi haar zakdoek op te rapen.
+
+Eens, toen dit weer gebeurde, ontmoetten haar oogen die van tante.
+Tante keek haar zoo bedroefd en bijna smeekend aan, dat ’t kind er van
+ontroerde. „’k Wil je helpen, ik zie wel, dat je rust nog vrede hebt,
+kom bij mij, kind,” las Puck in tantes blik. Ze had moeite haar tranen
+te bedwingen.
+
+Dien avond nam Mevrouw Canneheuvel Puck mee naar haar slaapkamer, waar
+ze geheel ongestoord met haar spreken kon.
+
+Puck hield de oogen neergeslagen, ’t hart bonsde haar in de keel. Tante
+trok ’t zwak tegenstribbelende meisje tegen zich aan, en lichtte met
+zachten dwang haar gezichtje op.
+
+Toen sprak ze eenvoudig: „Puckie, beken ’t nu maar, tante wèèt, dat jij
+’t geld hebt genomen.” Haar stem klonk zacht en liefderijk, alsof ze
+veel meer medelijden had met Puck dan dat ze boos op haar was.
+
+Schuw keek Puck ter zijde. Tante kòn ’t immers niet weten? „Niet wáár,
+niet wáár,” hield ze vol. „Hoe kan tante ’t zeggen, als ’t toch niet
+wáár is?”
+
+„Je durft niet te bekennen kind, en dat begrijp ik zoo goed. Hoe langer
+je er mee wacht, des te moeilijker wordt het voor de waarheid uit te
+komen. Maar pas als een kind kwaad bekend heeft, krijgt het een gerust
+geweten; tot zoolang voelt ’t zich diep ongelukkig.... Fluister nu maar
+„ja” in mijn oor, Puck, dan zal tante je nu niet verder vragen.”
+
+Doch Puck bleef van „neen” schudden, en als vroeger, wanneer ze
+gesnoept had, riep zij den hemel tot getuige (met haar blik naar het
+plafond gericht), dat ze ’t niet had gedaan. Waarom beschuldigde tante
+juist haar, en had zij Geertje dadelijk geloofd? En Puck begon zoo
+onbedaarlijk te schreien en te snikken, dat tante er van ontstelde.
+
+„Omdat ik Geertje de onschuld uit de oogen las, terwijl jij.... Maak je
+niet zoo overstuur, Puck, ga naar bed, straks kom ik met jullie
+bidden.”
+
+Slechts bij bizondere gelegenheden kwam Mevrouw Canneheuvel de kleine
+meisjes voorbidden bij het naar bed gaan.
+
+Puck keek tante even wanhopig aan, ze durfde haar geen zoen geven, en
+sloop weg, àl huilend en snikkend.
+
+Mevrouw Canneheuvel bleef stil zitten wachten, ze wist, dat haar
+pleegdochtertje terug zou komen....
+
+Een kwartier later werd de deur zacht geopend, en een zwart krullekopje
+keek om het hoekje, met een rood behuild gezicht. Toen ze tante nog op
+dezelfde plek zag zitten, vloog ze in één ren naar haar toe, knielde
+voor haar neer, en borg ’t hoofd in haar schoot.
+
+„Tante, ik kan straks niet bidden... Ik heb ’t tòch gedaan... tante,
+ach tante ...”
+
+Mevrouw Canneheuvel had moeite de afgebroken woorden te verstaan.
+
+„Waarom deed je het, Puck? ... Kind, hoe kon je het doen?”
+
+„Mijn dansschoenen waren zoo leelijk, en iedereen lachte mij uit op de
+dansles, en toen kon ik zoo goedkoop nieuwe krijgen en....”
+
+„’k Begrijp niet veel van je verhaal, Puck, vertel mij bedaard de heele
+waarheid.”
+
+Dit deed ’t meisje nu, met horten en stooten, en eindigde ten slotte
+met de woorden: „Ik had nooit gedacht, dat ’t zoo gauw uit zou komen,
+en toen het uitkwam, hoopte ik, dat u zou denken, dat Geertje... maar
+als u Geertje had willen wegsturen, zou ik heusch en eerlijk gezegd
+hebben, dat ik...”
+
+„Weet je wel, kind,” viel tante in, en er glinsterden tranen in haar
+oogen, „dat je stille hoop Geertje van den diefstal verdacht te zien,
+veel erger is dan het wegnemen van het geld zelf? ’k Kan niet
+begrijpen, dat je zoo iets verschrikkelijks hebt gehoopt, en ik kan je
+dit bijna niet vergeven....
+
+„Arm kind, hoe kwam je tot zulke slechte gedachten?”
+
+„Maar tante....” Puck wischte haar tranen af, en keek tante vol in de
+oogen. En dit keer las mevrouw Canneheuvel waarheid in de droeve,
+donkere kijkertjes, „tante, u moet mij gelooven. Later zou ik u alles
+eerlijk hebben opgebiecht.... als ik ’t geld weer bij elkaar had.
+
+„’k Heb al dertig cent gespaard en geen haarlint gekocht, dat ik toch
+zoo vreeselijk noodig had, en er geen enkel snoepcentje afgenomen.
+
+„Tante Sjarlotje heeft mij, als sinterklaassurprise, al mijn schuld
+kwijt gescholden, weet u wel, en Nel wil wel maanden wachten op haar
+vijftig cent. Nou schiet ik toch al zoo prachtig op met dien gulden
+voor de Bommen en... en... ik had ’t heusch willen zeggen, als Geertje
+weg had gemoeten.”
+
+„Misschien Puck, misschien ook niet. De eerste stap op den verkeerden
+weg is moeilijk, maar de verderen volgen meestal gewillig van zelf...”
+
+Puck boog ’t hoofd, en snikte in haar handen.... Geloofde tante haar
+toch niet?
+
+„Kom tot je zelf, kind,” sprak mevrouw Canneheuvel, terwijl ze haar
+hand bedarend op Puck’s hoofd legde. „Ik wil gelooven, dat ’t je ernst
+is met het terug geven van het geld, en ook, dat je Geertje, in ’t
+uiterste geval, niet ongelukkig zoudt hebben gemaakt. Juist, omdat je
+door je heele houding verraadde, dat je zelf de schuldige waart, je er
+over schaamde, en er door leed, behield ik goeden moed, dat je mij ten
+slotte toch de waarheid zoudt zeggen. ’k Heb je willen helpen, omdat ik
+zag, hoe veel strijd en moeite je dit kostte....
+
+„Maar Puck, lieve Puck, doe toch je best, om je booze aandriften in
+toom te houden, luister toch naar de stem van je geweten. Je ziet nu
+zelf, hoe ver een kind kan afdwalen en van kwaad tot erger komen, door
+er niet naar te hooren.”
+
+Puck kuste tante’s handen en drukte zich tegen haar zachte borst, als
+een ziek, ongelukkig kind, dat bescherming zoekt.
+
+„Tante,” fluisterde ze, „hoe zou ik toch zoo verkeerd komen? Ik weet ’t
+zelf niet.”
+
+„Ik weet ’t wèl, vrouwtje,” sprak mevrouw Canneheuvel. „’t Komt omdat
+je altijd ’t eerst aan je zelf denkt. Je eigen genoegen, je eigen
+voordeel staan steeds vooraan, daarvoor moet al ’t andere wijken. Als
+klein kind had je die leelijke fout in nog hooger mate. ’k Hoop zoo,
+dat ’t voorbeeld, dat je in Nel hebt, in oom vooral, je al veel geleerd
+zou hebben. Maar dit geval nu weer,”.... tante zuchtte bedroefd.
+
+„Tante, lieve tante, wil u mij niet vergeven...?”
+
+„Voel je, Puck, hoe heel verkeerd je hebt gehandeld, ’t ergste
+tegenover Geertje?”
+
+„Ja, ja tante, en ik zal...”
+
+„Ach Puck, hoe dikwijls heb je je beloften al verbroken! Daarmee doe je
+me toch zoo verschrikkelijk veel verdriet. Dikwijls denk ik bij mij
+zelf: „’k Wou, dat ik maar niet zoo veel van Puck hield, dan zou ik er
+lang zooveel leed niet van hebben, dat ze mij telkens weer
+teleurstelt.””
+
+Puck werd hoogrood, zij beefde van aandoening.
+
+„O tante, houdt u toch heusch van zoo’n slecht kind als ik ben?”
+
+„Veel meer dan je weet, Puckie... Heb je oprecht berouw? Wil je met
+hart en ziel je best doen tegen je booze neigingen te strijden, en om
+hulp bij mij komen, als je bang bent voor de verzoeking te bezwijken?
+Ik sta altijd voor je klaar, ik wil je altijd helpen, kind...”
+
+„Ja tante, ik wil, ik wil,” betuigde Puck vurig, „en als u mij
+helpt...” ’t Verdere werd onhoorbaar gefluisterd.
+
+Mevrouw Canneheuvel vouwde haar handen om die van Puck. „Lientien
+slaapt zeker al, ik zal hier met je bidden,” zei ze zacht. En aan haar
+oor sprak tante nu berouwvolle, vergeving vragende woorden en beloften
+van beterschap, die Puck haar nafluisterde.
+
+Toen mocht ze tante omhelzen, terwijl ze nog eens om vergeving smeekte,
+en deze in tante’s hartelijken nachtzoen voelde.
+
+Nog wel bedroefd, maar onuitsprekelijk verlicht en verruimd van hart
+ging Puck naar bed, en viel spoedig gerust in slaap.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XV BIJ TANTE JOHANNA.
+
+
+Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk
+eens bij haar kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer
+zoo goed als niet, en vroeg in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t
+niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar eigen nichtje een poosje
+bij zich te hebben.
+
+Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante
+Johanna ook graag, al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten
+teleurstelling zou geven. Want tante Johanna was een stijf dametje met
+ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen om te
+gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt
+niet in tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan
+tante’s verlangen naar nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van
+huis zou wezen.
+
+Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn
+tegen het meisje, haar niet te laten merken, dat men van haar
+schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende telkens stil verwijt te lezen
+in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer erg veel haast had,
+en Geertje op zij duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich
+ontvallen: „Als ik uwes was, Puck, zou ik zoo’n drukte niet maken.”
+
+Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in
+de ooren. Geertje had ze nooit durven zeggen, als ze niet op haar
+neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”.
+
+Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck
+verbleekte, en zich op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t
+Verheugde mama, dat ’t kind zich wist te beheerschen.
+
+Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te
+vertellen, dat tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de
+aanstaande vacantie. Ze wil je graag eens bij zich hebben, en dat is
+heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje. Nu hoop ik maar, dat
+je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk zal
+gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich
+heen heeft gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.”
+
+„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt
+me niks aardig; zoo stijf en stug!”
+
+„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die
+zich haar leven lang voor anderen heeft opgeofferd.”
+
+„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige
+vacantie te hebben,” zuchtte Puck gedwee, „dan...”
+
+„’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in.
+„Tante Johanna moest je hooren!.... Je straf heb je al gehad in de
+weken eer je bij mij kwam, niet Puck?.... Kom, zet nu je beste beentje
+eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig, opgewekt kind, zooals
+je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.”
+
+„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich
+zelf. „Wat een heerlijk vooruitzicht!”
+
+
+
+Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom
+haar naar Voorburg. Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk
+met oom, precies als ze met haar paatje had kunnen doen. Uit zich zelf
+was ze begonnen over haar laatste verkeerde daad, en oom zeide, dat hij
+zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen voor de
+waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze
+haar daad goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar
+voornemen een beter kind te worden. Hij hoopte van harte, dat Puck haar
+goede voornemen getrouw zou blijven, en tante beloonen voor al haar
+liefderijk geduld en trouwe moederzorg.
+
+Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes
+villa’tje, eer Puck er op verdacht was.
+
+Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid
+genomen, en Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen
+Lientien was.
+
+Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl
+ze intusschen bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar
+was. Tusschen haar en Lientien maakte hij nooit ’t minste onderscheid.
+Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom deed ’t Puck
+tegelijkertijd....
+
+„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes
+dienstbode, „we waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes
+voeten nog even af, ze zitten vol modder.”
+
+„’k Zie der niks an,” beweerde Puck.
+
+„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.”
+
+Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,”
+maar ze veegde haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het
+kortaffe: „Voeten vegen,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe
+uitnoodigde.
+
+„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt
+wel een poppenvilla, net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien
+lachen, als ik ’t haar vertel.”
+
+Maar dat kon vooreerst niet.... Puck onderdrukte een zucht, en ging de
+voorkamer binnen, waar tante in het serretje zat.
+
+„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek
+wel, of je oom naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je
+nog praten en afscheid nemen. Maar een volgenden keer laat je me de
+voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog aan mijn beenen.—Je haar
+is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je
+de logeerkamer wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.... heila kind,
+neem meteen je hoed en mantel mee, en berg ze netjes in de kast
+boven....”
+
+Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat
+tante een zeur en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich
+hier vervelen!
+
+Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te
+regenen, dus van uitgaan was geen sprake.
+
+Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden
+langzaam door haar vingers gleden, begon ze Puck een en ander te
+vertellen uit de kinderjaren van haar vader.
+
+Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en
+zijn schoolwerk niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven:
+„Ik moet beter mijn plichten betrachten,” kon Puck onmogelijk
+vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde zonder de minste
+belangstelling toe.
+
+’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op
+niks. Tante hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze
+haalde elk woord uit of ’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck
+niets bedenken, om over te babbelen; ze had er ook niets geen zin in.
+’t Etensuurtje bracht een prettige afwisseling, want ’t „spook” kookte
+lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel dan thuis. Toch
+smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders.
+
+Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat
+mee aan, wat Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en
+smakte en morste als een kind zonder manieren.
+
+Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek.
+
+„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje.
+
+„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad.
+
+„’t Is vol aardige, gekleurde platen,” zei tante, „die moet je maar
+eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd erg veel schik in
+dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.”
+
+Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend
+klein jongetje moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes
+dan al verbazend kinderachtig. Al gauw had ze haar bekomst van „De
+ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze, of ze naar bed mocht. Ze
+had zoo’n slaap.
+
+„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd.
+
+„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet....” ’t Woordje
+„gelukkig” slikte ze nog bijtijds in.
+
+’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze
+niet in de gedachte, Puck met een hartelijk woord of grapje te doen
+inzien, dat ze zich een beetje schamen moest over haar onbeleefd
+antwoord. Tante werd boos.
+
+„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga
+dan maar gauw, als je je zoo bij me verveelt.”
+
+„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck
+verwonderd. „Zoo noemt niemand mij ooit.”
+
+„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je
+heet naar mijn lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik,
+Johanna, Magdalena. En Johanna is wat een mooie naam!”
+
+„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit
+anders, en Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag
+zoo genoemd word.”
+
+„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe,
+en na een vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel”
+naar boven.
+
+In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu
+brak ’t los, wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig
+verlangen naar huis, dat ze ’t wel had kunnen uit gillen. ’t Leek haar,
+of ze al weken weg was in plaats van één dag.
+
+Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien
+en haar, lang geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een
+matroos, die oproer had willen maken aan boord van zijn schip. Zijn
+straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. Men liet hem achter
+op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood....
+
+O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn
+geweest, toen hij de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde
+tusschen hem en de bewoonde wereld.
+
+Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe
+zou ze ’t hier uithouden!
+
+En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs
+de wangen stroomden, tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep.
+
+’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te
+gaan zien, of haar een goedennachtkus te brengen.
+
+Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek
+haar een onhartelijk, bijdehand, verwend kind.
+
+Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele
+omgeving zag er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit.
+
+Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam.
+
+Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t
+Was nu mooi weer, en straks kon ’t wel weer regenen.
+
+Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts
+stapje voor stapje, voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante
+Johanna had last van asthma, en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij
+was oud en aamborstig, maar daarom waren tante, en vooral Saartje, niet
+minder dol op hem.
+
+Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om
+opgewekt te praten, zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al
+gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel van gisteren kwam met kracht
+terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis.
+
+Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck
+niet schelen. Ze kon niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen
+huilen; de last op haar borst woog ál zwaarder.
+
+’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had
+dit den eersten dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar
+boven, na eerst, op Puck’s verzoek, een ander boek voor haar nichtje
+uit de boekenkast te hebben gezocht.
+
+Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog
+uit haar jeugd. Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te
+hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” getiteld. Puck begon er over te
+geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met al die zedelessen.
+
+In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t
+boek, en wilde met Tom gaan spelen.
+
+Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever
+niet te dicht bij zijn mand moest komen.
+
+Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom
+lieve Tom bromde. Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was,
+want anders ging de lieverd nooit te keer.
+
+„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat
+leelijke, vette beest met geen vinger aangeraakt.”
+
+Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat
+onschuldige dier maar uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig,
+dat moet ik zeggen. Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en
+vrindelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal.”
+
+„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen
+beest.”
+
+„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je
+kijken, madam.”
+
+Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af
+naar de keuken.
+
+„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck.
+
+Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele
+voorbijgangers niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de
+wangen liepen. In de verte speelde een draaiorgel het melankolieke
+wijsje „Verdreven van huis.”
+
+Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat
+zou Lientien nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze
+met oudejaarsavond ook hier moeten blijven?... Maar dat hield ze niet
+uit!...
+
+Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier
+met die twee ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat
+’t dàt niet alleen was. Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest,
+ze had ’t hier toch akelig gevonden, omdat ze naar haar eigen thuis
+verlangde, en verging van heimwee.
+
+Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar
+Lientiens aanhaligheid en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen
+met Frits. Kon ze maar even om ’t hoekje kijken bij tante Sjarlotje....
+
+Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze
+Geertje met haar dikke rokken door de gang zien schommelen.
+
+De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige
+wandelingetje, ’t wanhopig pogen van Puck om tegen haar heimwee te
+strijden, en tante’s stille ergernis over ’t vervelende, saaie nichtje.
+Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet opwekken. Bij ’t
+spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en
+onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever
+mee uit te scheiden....
+
+Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke
+kind, van wie mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven?
+
+’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje
+aan heimwee leed.
+
+Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot
+het besluit, dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of
+tante haar dit nu kwalijk nam of niet, dat kon haar niet schelen.
+
+Ze kon ’t niet langer uithouden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVI NAAR HUIS TERUG.
+
+
+’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen
+nacht, uit haar bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich
+aan, haalde haar bed af, en ruimde de kamer netjes op. Tante Johanna
+hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen boel had
+achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t
+volgend briefje.
+
+
+ „Lieve tante Johanna,
+
+ ’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven.
+ Ik heb zoo’n verlangen naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik
+ heb zoo’n prop in mijn keel en net een ijsklomp op mijn borst.
+
+ Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw
+ liefhebbend nichtje Puck.”
+
+
+Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in
+’t oog viel. Puckie was slim genoeg, als het er op aankwam, en, terwijl
+ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid had ze alles
+goed overlegd.
+
+Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer
+bracht, sloop Puck naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op,
+dat de klink van het tuinhekje heel zacht toeviel, en snelde daarop
+voort, of de vijand haar op de hielen zat.
+
+Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze
+niets afnemen, zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op
+haar eerewoord beloofd! Het juffertje moest ’t dus met den wagen van
+„Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar de
+Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist
+ze wel drie kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen.
+
+Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af,
+naar Rijswijk. Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn
+in haar borst bij ’t haastig adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?),
+voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap en voedsel. Want ze had
+de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter ’t huis
+uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje
+had ze nu niet door de keel kunnen krijgen.
+
+Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog
+grooter en donkerder door de kringen er om heen van al ’t huilen en
+niet slapen.
+
+Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu
+op den Rijswijkschen weg waar, over de open velden aan weerszijden de
+koude wind meedogenloos op haar aanviel.
+
+’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar
+kleeren, die de storm stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte
+krullen dansten om Puck’s hoofd, het elastiek van haar hoed sprong
+kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde het weiland
+op.
+
+’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en
+verder ging ’t weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder....
+Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog
+’t ergste....
+
+De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t
+wat minder fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg,
+maar al gauw bij stralen. Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel
+aan; met te meer plezier viel de booze regen op haar onbeschermd hoofd
+neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als een wit vodje
+flapperde de zakdoek in haar nek.
+
+Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte
+rokken zweepten tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al
+gauw drijfnat werden.
+
+Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had
+gegeven, was ze zeker aan den berm van den weg neergevallen, geheel
+onverschillig voor wat er nu verder met haar zou gebeuren. Telkens had
+’t kind gedacht: „Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die
+mij misschien wel een eindje mee zal willen nemen?”
+
+De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en
+behalve de tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel
+vervoermiddel gezien.
+
+Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t
+gerommel van een vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een
+wagen van Van Gend en Loos, die haar achterop reed.
+
+Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op
+den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in.
+En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was
+ze door den goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de
+manden een plaatsje ingeruimd door den maat van den voerman.
+
+„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer
+alleen op weg? Menscheziele, wat ben je koud en nat!”
+
+„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier,
+de daad bij het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je
+thuis als een pakkie met Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon
+te lachen, maar daarop onbedaarlijk te schreien.
+
+„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de
+koetsier. „Waar moet uwes wezen?”
+
+„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden
+klapperden tegen elkaar.
+
+„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die
+buurt moet wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit
+Bles.” Hij zwaaide zijn zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een
+vluggen stap in zette.
+
+Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een
+poosje hield dit op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in
+haar borst hield echter aan. Ze hoorde maar half, wat de mannen haar
+vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan kwam, en hoe ze in dit
+hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.... Daarop was ze
+zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van
+den toestand, toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den
+koetsier voelde zij zich opgebeurd, en nu stond ze in de gang: thuis.
+’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een
+waas zag ze lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg
+verschrikt keken. Achter uit de lange gang, kwam een gestalte
+toeloopen: „Tante”.
+
+Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en
+zakte ineen. Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.... voelde zich opgenomen
+en naar boven gedragen. Iemand kleedde haar uit, kuste haar koude
+wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in haar eigen bed, dat
+verwarmd aanvoelde en wist niets meer.
+
+
+
+Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar
+ziek, dat de dokter zich ernstig ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig,
+dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar zenuwgestel bovendien
+geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle,
+liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster,
+waren voortdurend om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo
+nauwkeurig opgevolgd, als deze maar verlangen kon. Eindelijk kwam de
+crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en daarop, heel, heel
+langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg,
+lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk,
+zwak en moede voelde.
+
+Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van
+vóór haar ziek worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom,
+waaruit zij zich slechts enkele bizonderheden herinnerde: tantes hand
+op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar langs de wangen streek,
+zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in ’t geheel
+niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar
+heen, en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze
+angstige droomen gehad, maar dan was er altijd iemand geweest, die haar
+kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde in de kussens.
+
+Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze
+bleef maar moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster
+was weer vertrokken en, als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij
+het verbedden te helpen.
+
+Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had.
+
+Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en
+voorzichtig opnam en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot
+onmiddellijk de moede oogen weer, om haar tranen binnen te houden. Want
+Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij toe, dat Puck moeite
+had niet te gaan schreien.
+
+Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen.
+Alle ergernis over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor
+innig meelij met ’t doodzieke kind, en bange zorg om haar leven, dat
+dagen achtereen aan een zijden draad hing. In de keuken dacht men niet
+anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”, die
+telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t
+„schatteboutje” nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan
+longontsteking er bij....
+
+Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden.
+
+Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.”
+
+En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had
+fel de koorts, zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht.
+Geen wonder, dat ze doodziek is geworden. Hoe dat nog af moet
+loopen!”.... en Bet schudde meewarig het hoofd.
+
+’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje
+natte ellende, uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht.
+Den eersten tijd, terwijl dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel
+geruststellend woord durfde spreken, dan dat Puck’s jeugd en gezond
+gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde gezet door
+de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de
+angstige zorg om het meisje te behouden.
+
+Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t
+lezen van Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak
+viel haar van ’t hart bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag,
+dat haar Pucks behouden thuiskomst meldde.
+
+Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag
+gespoord en hartelijk door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk
+beneden kwam, om tante Johanna te woord te staan. Tot haar spijt kon ze
+deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter had alle bezoek
+streng verboden.
+
+„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon
+schikken,” klaagde Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over
+geschreven, maar wil nu nog eens zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om
+het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht, met haar uitgegaan,
+spelletjes gespeeld en....”
+
+„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw Van Vorden,”
+troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van
+heimwee, en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg
+vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar, en is van àf ’t oogenblik, dat ze
+bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd, dat het een
+volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.... Waren wij
+maar zoo ver,.... daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.”
+
+Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t
+in haar koortsdroomen steeds had gehad over een verlaten eiland, waar
+tante Johanna haar had heengebracht en achtergelaten, en dat ze ’t
+vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl ze versmachtte van
+dorst.
+
+Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s
+dorst te lesschen, doch haar manier was de ware niet, en dat kon de
+oude dame ook al weer niet helpen.
+
+„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde
+Mevrouw Canneheuvel tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u
+intusschen goed op de hoogte houden van haar toestand. Er is nu, God
+zij dank, geen kwestie meer van gevaar.”
+
+Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en
+vertelde haar wedervaren aan Saartje en Tom.
+
+Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest
+gelijk in, want wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè
+lieverd?”
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVII „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”.
+
+
+Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig
+geweest, en zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig
+gesteund had. Nu zat ze in ooms makkelijken stoel, heerlijk en kalm,
+met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. Daar kwam Lientien
+binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar
+schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat
+had ze mampie beloofd.
+
+Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer
+eventjes moest huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was.
+
+Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het patiëntje zonder
+hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet
+alleen te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven
+werd gebracht.
+
+Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits
+stak zijn hoofd om de deur, en knikte Puck vroolijk toe.
+
+„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!”
+
+„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?”
+
+„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens
+met mij uit.”
+
+’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar
+boven, want ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde
+wachten tot Puck bij haar kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong
+meisje ook eens heel erg heimwee had gehad, en dus kon begrijpen, hoe
+’t Puck te moede moest zijn geweest.
+
+Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest
+gauw weer weg, die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn
+liefkoozingen.
+
+Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te
+hebben gegeven, terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje
+naast haar gezocht in de vensterbank, waar hij behaaglijk in ’t lekkere
+zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht vachtje glad, en
+Socrates spon, dat ’t een aard had.
+
+Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien
+ochtend beloofd. Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk
+gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, morgen zit je weer op je oude
+plaatsje. Heerlijk hè?”
+
+Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen.
+„Dankje duizend maal, Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo
+alles voor me gedaan hebt. Iedereen is toch zoo vreeselijk lief voor me
+geweest.... ’t Is toch nergens zoo goed als bij je eigen thuis.”
+
+„We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, kleine Puck,”
+lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer uit
+wandelen te gaan!”
+
+„O, nee, nooit weer,” zuchtte ’t kind.
+
+Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast
+Puck zitten, en nam haar handje tusschen haar eigen zachte
+moederhanden. „Zullen we nu eens praten, kindje? Ik weet, dat je daar
+erg naar verlangt.”
+
+Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst,
+terwijl zij haar lippen op tante’s wang drukte.
+
+„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker
+wisten, dat je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen
+je zoo op eens bij tante Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden,
+om boos op je te zijn. Maar nu zullen we het verleden laten rusten;
+tante Johanna heeft ’t je ook vergeven....
+
+„Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig
+blij iedereen in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.”
+
+„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor
+me.... tante ik heb zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles
+aan u vertellen?”
+
+„Natuurlijk, kindje.”
+
+„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een
+smachtend verlangen uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t
+meisje bedarend over het voorhoofd streek.
+
+„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe
+radeloos ongelukkig ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk
+naar u en al de anderen verlangde. ’k Kòn ’t niet meer uithouden van
+heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij een vreemde tante, en
+den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een keer zei
+tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in
+’t geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een
+mes gestoken werd...
+
+„Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel
+en Frits, als u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn
+best doen. Ik zou net zoo goed willen zijn als Lientien, en ik zou
+altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet doen.”
+
+„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk
+je, dat ik er zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet,
+en mij zooveel moeite zou geven, om je ’t goede te leeren, als je mij
+niet na aan ’t hart lag?”
+
+„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck.....
+
+Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar
+aan. Zóó zacht sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen
+toe moest buigen, om te verstaan, wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik
+nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag ik dan ook uw kind zijn,
+tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen maatje
+zou ik niks meer kunnen houden.... ik zou zoo dolgraag, net als Nel en
+Frits, „Moeder” of „Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe
+„tante,” en dan „Vader” tegen oom?”
+
+Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel
+toet en kuste de hand, die ze tusschen de hare hield.
+
+Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze
+Puckie is ze toch, met haar naar liefde dorstend hartje!”
+
+„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers
+van Effen.
+
+„’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar,
+hoe ze Rutgers kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa.
+Weet U, wat ze zei? „Ik vond ’t zoo naar, om een anderen „van” te
+hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van mijn vroolijken tweeden
+papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag heeten, en
+Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.”
+
+„Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe
+zalig ’t zou wezen, als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en
+Frits en bijna als Lientien, en dan ook een Canneheuveltje mocht wezen.
+
+„O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan:
+Jootje Canneheuvel van Vorden heeten...”
+
+„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw
+Canneheuvel ernstig, „en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over
+spreken moet. ’k Geloof wel, dat dit op ’t oogenblik je grootste,
+innigste wensch is, maar...”
+
+„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet
+neen,” smeekte Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik
+er zoo’n steun aan zal hebben, om mijn best te doen, en vol te houden,
+ook als ’t vreeselijk moeilijk is.... Als ’t niet mag, was ik even lief
+dood gegaan....”
+
+„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante.
+
+„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.... tante, luister eens.
+Wanneer ik heel alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag
+ik dan „Mampie” tegen u zeggen? Zoo heel stilletjes, als niemand het
+hoort?”
+
+En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.... We
+zullen dus nog maar eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik,
+maar dan niet alsof je een nichtje, maar alsof je ons dochtertje
+waart.”
+
+„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste
+kind uit het heele land.”
+
+
+
+Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende
+Pucks ziekte had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke
+gelegenheid mochten Francine en kleine Koo ook van de partij zijn:
+Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo bij moeder.
+
+„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien
+hartelijk.
+
+„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? Ik moet je wat
+zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.”
+
+„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,”
+beweerde Lientien. Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even
+pakken, en daarop vertelde Puck, wat ze met tante had afgesproken, en
+wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde met groote
+belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t
+vinden, Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien
+niets dan „zalig!” en ze meende ’t met heel haar hart.
+
+
+
+Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al
+gauw, in de daarop volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die
+Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer geworden! Zou ze door haar
+ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk bij een
+ongeluk wezen.”
+
+Doch de juffrouw kon niet weten, welken talisman Puck in haar lessenaar
+had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. Op de
+binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters
+geschreven: „Dit boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.”
+
+’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar
+ze hoopte en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou.
+
+Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een „Canneheuveltje”
+mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had.
+
+En Puck wilde den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met hart
+en ziel.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Hoofdst. Bladz.
+
+ I. EEN SLECHT BEGREPEN KIND 5
+ II. POFFERTJES 12
+ III. 1 APRIL 24
+ IV. „MAMA!” 35
+ V. HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS 47
+ VI. „GEERTJE” 53
+ VII. VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN 63
+ VIII. NEL ALS HUISMOEDER 81
+ IX. OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS’ „BOSCHJESVRIENDEN” 95
+ X. „SCHATTEBOUTJES” 106
+ XI. JAN WEER THUIS 119
+ XII. PUCK SPIJBELT 128
+ XIII. HET FEEST 134
+ XIV. „DE SCHOENTJES” 147
+ XV. BIJ TANTE JOHANNA 161
+ XVI. NAAR HUIS TERUG 173
+ XVII. „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN” 183
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 ***
diff --git a/76890-h/76890-h.htm b/76890-h/76890-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..b9a2718
--- /dev/null
+++ b/76890-h/76890-h.htm
@@ -0,0 +1,5841 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>Puck | Project Gutenberg</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="author" content="M. C. E. Ovink-Soer (1860–1937)">
+<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
+<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover">
+<meta name="DC.Title" content="Puck">
+<meta name="DC.Creator" content="M. C. E. Ovink-Soer (1860–1937)">
+<meta name="DC.Contributor" content="Johanna Coster (1893–1960)">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style>
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #AAAAAA;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #AAAAAA;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+.titlePage {
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0 7em;
+padding: 5em 10% 6em;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle {
+line-height: 1.7;
+margin: 2em 0;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle {
+font-size: 1.8em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle,
+.titlePage .docTitle .seriesTitle,
+.titlePage .docTitle .volumeTitle {
+font-size: 1.44em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .byline {
+margin: 2em 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure {
+margin: 2em auto;
+}
+.titlePage .docImprint {
+margin: 4em 0 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+display: inline;
+font-size: 8.4pt;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.xs {
+font-size: x-small;
+}
+.small {
+font-size: small;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.xl {
+font-size: x-large;
+}
+.xxl {
+font-size: xx-large;
+}
+.vam {
+vertical-align: middle;
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+.divNum {
+float: left; padding-right: 1em;
+}
+.extraDivNum {
+float: right; padding-left: 1em;
+}
+.chapter .divHead {
+border-top: 2px solid black; border-bottom: 2px solid black;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.cover-imagewidth {
+width:562px;
+}
+.frontispiecewidth {
+width:540px;
+}
+.titlepage-imagewidth {
+width:457px;
+}
+.ad {
+border:2px solid black;
+}
+.p077width {
+width:548px;
+}
+.p171width {
+width:539px;
+}
+.p177width {
+width:543px;
+}
+.xd33e2704 {
+border:2px solid black;
+}
+.adv-1width {
+width:200px;
+}
+.adv-2width {
+width:243px;
+}
+.spinewidth {
+width:112px;
+}
+.backwidth {
+width:547px;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 ***</div>
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="562" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center xl">PUCK
+</p>
+<p>De personen leven zoo „echt”, ze zijn zoo <span class="ex">menschelijk</span> in hun handel en wandel; de kinderen zijn werkelijk kinderen met fouten en stoutheden,
+zoowel als met hartelijke liefheid en bekoorlijke naïeveteit.
+</p>
+<p class="signed">J. Kloos-Reyneke v. Stuwe <br>
+in De Nieuwe Gids.
+</p>
+<p>(12 jaar en ouder).
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.png" alt="Puck was intusschen opgevlogen en begroette haar vriendinnen hartelijk." width="540" height="720"><p class="figureHead">Puck was intusschen opgevlogen en begroette haar vriendinnen hartelijk.</p>
+<p class="first">(Blz. <a href="#pb20">20</a>).</p>
+</div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="457" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<h1 class="mainTitle">PUCK</h1>
+</div>
+<div class="byline">DOOR<br>
+<span class="docAuthor">MARIE OVINK-SOER</span><br>
+SCHRIJFSTER VAN „DE CANNEHEUVELTJES”<br>
+MET BANDTEEKENING EN PLATEN VAN<br>
+<span class="docAuthor">JOHANNA COSTER</span></div>
+<div class="docImprint">TWEEDE DRUK
+<br>
+GOUDA—G.&nbsp;B. VAN GOOR ZONEN</div>
+</div>
+<p></p>
+<div class="div1 last-child advertisement ad"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center large">DE CANNEHEUVELTJES
+</p>
+<p class="center">DEZE SERIE BESTAAT UIT:
+</p>
+<ul class="center">
+<li>DE CANNEHEUVELTJES IN INDIË</li>
+<li>DE CANNEHEUVELTJES IN HOLLAND</li>
+<li>PUCK</li>
+<li>HOE PUCK ’N CANNEHEUVELTJE WERD</li>
+<li>HUIZE CANNEHEUVEL („De Duiventil”)</li>
+</ul><p>
+</p>
+<p>De Canneheuveltjes-serie is een in prettige soberheid opgebouwd verhaal, welks eenige,
+en hoe te waardeeren! pretentie wellicht is, dat het in allen eenvoud na staat aan
+de werkelijkheid van het diepgeschakeerde kinderleven, juist omdat dit leuk gedoe
+van kinders, tot in zijn diepste en fijnste teederheden bloot gelegd, in zich zelf
+eigenlijk een wonder is, met rijke wisseling van schoonheid, kan een jeugdverhaal,
+dat met toewijding en na ernstig inleven geschreven werd, de rumoerige en bonte smuk
+van ongeloofelijke avonturen met gerustheid ontberen. Het is een waardevol getuigenis
+voor de belangrijkheid en levenswarmte van Mevr. Ovink’s boeken, dat het geheel vrij
+kon zijn van de algemeen, gangbare geforceerde en onnatuurlijke bedenksels, en toch
+boeiend blijven. Het is frisch en goed, met distinctie geschreven en met distinctie
+verlucht, en prettig en smaakvol uitgegeven.
+</p>
+<p class="signed"><span class="sc">Hessel Jongsma</span><br>
+in <i>De Amsterdammer</i>.
+<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2549">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">I</span> <span class="extraDivNum">I</span> EEN SLECHT BEGREPEN KIND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Jootje van Vorden, bijgenaamd Puck, stond voor ’t raam in de huiskamer, en trok allerlei
+figuurtjes op de zwaar beslagen ruiten. Dit deed ze misschien wel om een beetje kalmer
+te worden, want de jonge juffrouw was hevig verontwaardigd. Zoo even had Bet „de meid”,
+haar de keuken uitgejaagd, verbeeld je!
+</p>
+<p>Omdat de sinaasappels nog zoo zuur waren, hadden Lientien en zij verzonnen de partjes
+in suiker te leggen. Maar de suiker moest eerst gesmolten worden, anders drong ’t
+zoet niet door. Dus waren beide meisjes naar de keuken gegaan, en hadden een leelijken
+morsboel gemaakt, toen Bet, juist op ’t ongelukkigste oogenblik, dat ze kiezen kon,
+binnen kwam.
+</p>
+<p>„Neen maar, wat voeren jullie uit?” riep ze boos.
+</p>
+<p>„Had je dat niet eerst kunnen vragen, Lientien? En jij moest je schamen, Puck, de
+vuile rommel, die je gemaakt hebt, met mijn schoonen bordendoek op te soppen.” En
+tegelijk wilde Bet Puck den doek afgrijpen. Maar Puck hield stevig vast. Bet’s blauwe
+en Puck’s zwarte oogen keken elkaar woedend aan,
+</p>
+<p>„Wil je wel dadelijk loslaten, kwaie meid, pas op, of je <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>krijgt er een om je ooren,” waarschuwde Bet. Puck trok nog harder, en liet toen op
+eens los, zoodat Bet zeker zou gevallen zijn, als ze zich niet net bijtijds aan de
+tafel had kunnen vastgrijpen.
+</p>
+<p>„En nou is ’t genoeg,” riep ze rood van drift. „Denk je soms, Puck, dat.…”
+</p>
+<p>„Hoor eens Bet,” viel Puck haar heel kalm in de rede, „ik vind, dat je nou wel eens:
+„jongejuffrouw” kon zeggen in plaats van „Puck”, ’t komt niet te pas van een m.…”
+Verder kwam ze niet. Bet pakte haar bij den arm, en schudde de rest van haar woorden
+weg.
+</p>
+<p>„Heb ’k van mijn leven. Moet je nog wat?.… Vort, mijn keuken uit, en heb ’t hart niet,
+dat je hier weer komt knoeien.”
+</p>
+<p>Met een dreun sloeg de keukendeur achter Puckie dicht. Lientien was al van te voren
+weggeslopen met de in den haast aangebrande suikerstroop. Ze legde er voorzichtig
+de sinaasappelpartjes in, doch Puck trok er haar neus voor op. Ze was dan al verschrikkelijk
+kwaad. Vroeger, op Soerabaia, had niemand der bedienden haar ooit bij den naam durven
+noemen, en nou ze tien was geworden, wilde ze ’t ook niet langer verdragen van de
+dienstboden hier.
+</p>
+<p>„Wat kan ’t je eigenlijk toch schelen, Puckie, of ze je in de keuken bij je naam noemen,”
+vroeg Lientien. „We zijn toch maar kinderen,” voegde ze er eenvoudig bij. „Grace en
+Ellen hebben je zeker opgestookt, om zoo groote-menscherig te doen, hé Puck?” Doch
+Puck duwde Lientien <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>weg, en wilde in ’t geheel niet kijken naar de rose schijfjes in het zwart bruine
+sap. Ze teekende ’t eene sterretje vóór, ’t andere ná op de beslagen ruiten.
+</p>
+<p>Waldi kwam van de wandeling thuis, maar zijn onstuimig vriendelijke begroeting werd
+door Puck met een koel „weg vervelend beest,” beantwoord. Lientien wilde ’t bij Waldi
+goed maken, doch dat behoefde niet eens: Waldi nam ’t nooit kwalijk, wanneer de menschen
+onvriendelijk tegen hem waren. Dat begreep hij niet, of hij nam de zaak even wijsgeerig
+kalm op als Socrates, de kater.
+</p>
+<p>Nel kwam binnen, even later Frits, die Puck aan haar krullen trok, omdat ze hem niet
+behoorlijk goeden dag zeide.
+</p>
+<p>„Wat scheelt er aan Puckie Muckie?” vroeg hij. „Heb je weer kuurtjes, kruidje-roer-mij-niet?”
+</p>
+<p>Puck haalde nijdig haar schouders op en gaf geen antwoord.
+</p>
+<p>„Plaag haar toch niet, Frits,” verzocht Nel.
+</p>
+<p>„Toe, Puckekind, help me eens gauw. ’k Moet de sla nog aanmaken. Wil jij vast de eieren
+pellen?”
+</p>
+<p>Jootje keerde zich half om, doch toen Frits haar vaderlijk goedkeurend toeknikte:
+„Toe maar Puckie,” werd ze wéér woedend, en vloog de kamer uit.
+</p>
+<p>„Och hemel! wat een lastig humeur heeft Puck tegenwoordig toch,” zuchtte Nel. „De
+Haagsche lucht bekomt haar bepaald slecht.”
+</p>
+<p>„Nee,” verkondigde Lientien wijs, „’t komt door haar vriendinnen op school. Die kinderen
+stoken haar van alles op.”
+</p>
+<p>„Jou ook, Lienepien?” vroeg Frits.
+<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p>
+<p>„Ze noemen mij een „zuigelingkind”, en ze hebben altijd geheimen voor me met hun drieën.…
+’k Wou, dat ’k Annie en Wimpie hier had, die houden ook van poppen en zoo.… Daar trekken
+Ellen en Grace haar neus voor op.”
+</p>
+<p>„Maar in Den Haag is ’t toch heel wat leuker wonen dan in Utrecht,” meende Frits.
+„Die heerlijke duinen en Scheveningen en de Boschjes en ’t Bosch.… Zou jij terug willen,
+Nel?”
+</p>
+<p>„Ik vind ’t overal prettig, waar we allemaal samen zijn, vent. ’t Spijt me genoeg,
+dat Lous en de jongens zoo ver weg zitten.”
+</p>
+<p>Op ’t allerlaatste nippertje kwam Puck pas aan tafel, haar booze bui scheen nog niets
+gezakt. Maar van slechte humeurtjes werd aan tafel nooit notitie genomen. Mama keek
+Puckie wel even onderzoekend aan, doch vroeg niets. Iedereen praatte gewoon en prettig
+zooals altijd op ’t gezellig etensuur, wanneer al de familieleden bijeen waren.
+</p>
+<p>Doch ná tafel nam mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje apart.
+</p>
+<p>Eerst had mama gemeend en gehoopt, dat zij ’t zich verbeeldde (of, dat dit een voorbijgaand
+verschijnsel zou zijn), toen Puck zoo in haar nadeel veranderde sinds de familie in
+Den Haag woonde. Doch, daar Jootje’s humeur eer erger dan beter werd, moest ze dit
+vermoeden opgeven. Met ’t meisje, dat nu sinds drie jaar hun huisgenootje was, had
+mevrouw Canneheuvel in ’t begin veel last gehad. ’t Kleine, verwende ding snoepte,
+jokte en was verbazend <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>koppig. Snoepen deed Jootje nu zelden of nooit meer, en ook in andere opzichten was
+ze wel in haar voordeel veranderd.
+</p>
+<p>Wat ’t kind echter de laatste maanden was gaan bezielen, dat begreep niemand.
+</p>
+<p>Altijd achtte zij zich verongelijkt, en riep dan: „Niemand begrijpt mij ook” (net
+of ze een raadseltje was, zei Lientien). Vaak liep ze uren aaneen te mokken, en wist
+eigenlijk zelf niet waarom. Over ieder plagerijtje werd ze boos, en had eens twee
+dagen lang niet tegen Frits willen spreken, omdat hij haar de „reuzin” had genoemd
+toen ze klaagde, dat iedereen haar als een klein kind behandelde.
+</p>
+<p>Mama sloeg Puckie opmerkzaam gade, en deed telkens weer haar best ’t meisje van haar
+ongelijk te overtuigen; dit gelukte haar echter steeds moeilijker.
+</p>
+<p>Ook nu weer kon tante Puck niet aan ’t verstand brengen, dat ’t al heel bespottelijk
+en grievend tegenover Kee en Bet zou zijn, wanneer haar gelast werd om de kleintjes
+op eens „jongejuffrouw” te noemen.
+</p>
+<p>„Maar kindje,” sprak tante, „de meisjes in de keuken noemen Frits nog altijd bij zijn
+naam, en die is bijna zestien. Bet vergeet zelfs meestal „Juffrouw” tegen Nel te zeggen.
+</p>
+<p>„Nou, <i>ik</i> vind, dat het niet te pas komt,” hield Puck vol, „Ellen en Grace zeggen ’t ook.”
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Frits en Nel maken daar nooit een aanmerking over, omdat we Bet en Kee al zoo lang
+hebben, en ze ons zoo trouw en eerlijk dienen.”
+<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p>
+<p>„Ellen en Grace hebben hier in huis niets te vertellen, Puckie … Kom, vrouwtje, zet
+je mooie-weer mutsje toch weer op. Zoo gauw je achttien bent mag je „juffrouw” zijn.
+Tot zoolang blijf je onze „Puckie” binnen en in de keuken.”
+</p>
+<p>„Mijn paatje”… begon Puck, snikkend. Tante zag ’t kleine meisje heel ernstig aan.
+</p>
+<p>„Kijk me eens in de oogen Puck … geloof je, dat je vadertje zou meenen, dat je hier
+niet goed bezorgd was, en geen prettig tehuis hebt?… Heusch, Puck, als je niet tevreê
+en vroolijk bent, is dat alleen je eigen schuld. Strijd toch tegen dat verkeerde gevoel
+in je hart. Wees niet hoogmoedig, en heb niet zoo’n groot idee van je zelf. Je bent
+net als Lientien, nog maar een kind. En wanneer je eenvoudig en voorkomend bent, houdt
+iedereen van je, en voel je je zelf ook gelukkig … Geef mij nu maar een zoen, en beloof
+me je best te willen doen.”
+</p>
+<p>Puck gaf tante wèl een zoen, doch voldaan was ze niet. Bij zich zelf dacht ze: „Wat
+kan ’t tante nou toch eigenlijk schelen, of Bet en Kee mij jongejuffrouw noemen, als
+ik ’t zoo graag heb. En nou kan ik Ellen en Grace ook niet vertellen, dat ze ’t moeten
+doen voortaan, en ik heb nogal zoo gebluft, dat tante ’t dadelijk goed zou vinden.”
+</p>
+<p>Toen ze in bed was, en Lientien al lang sliep, lag Puck nog een heele poos over haar
+moeilijkheden na te denken.
+</p>
+<p>’t Was of ze tegenwoordig veel meer naar Indië terug verlangde dan vroeger. Ze zag
+haar lief geboorteland in de schoonste kleuren; alles was er heerlijk en veel beter
+<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>dan in dat nare Holland, waar ’t bijna aldoor regende. Ralima zou ’t wel uit haar
+hoofd hebben gelaten om haar af te snauwen als die nare Bet deed … Tante was wel lief
+en de anderen ook, behalve Frits, die aap van een jongen, met al zijn verbeelding …
+Maar waarom lieten groote menschen kinderen bijna nooit hun zin doen? Ach, waarom
+was haar paatje er niet meer? Van hem mocht ze alles. Hier moest je altijd gehoorzamen,
+en, wat je prettig vond, mocht juist niet. Grace en Ellen van Bergen deden thuis net
+wat ze wilden. Ze hadden geen vader meer, en haar moeder gaf de meisjes in alles toe.
+Wanneer ze een enkelen keer wat verbood, en Ellen en Grace deden ’t toch, dan kregen
+ze nooit straf, maar mevrouw begon te schreien. „En,” zei Grace, „zoo’n regenbuitje
+dreef van zelf voorbij<span class="corr" id="xd33e262" title="Bron: ..">…</span>”
+</p>
+<p>Als <i>zij</i> dat toch ook maar durfde, iets te doen wat eigenlijk niet mocht, maar dan zou tante
+vast niet huilen en roepen van: „hoe kan je toch zoo ongehoorzaam zijn?”
+</p>
+<p>Ze zou flink straf krijgen, van oom ook … Die Lientien was toch zoo’n flauw kind;
+ze kreeg al een kleur van schrik bij de gedachte, dat ze iets uitvoerde wat mampie
+niet goed zou vinden. Grace vond ’t ook zoo flauw, dat dat kind nog zoo graag met
+poppen speelde. „Poppen zijn maar dooie dingen,” zei ze.
+</p>
+<p>Grace was al dertien en Ellen twaalf, maar zij wilden toch vriendin met haar zijn.
+</p>
+<p>Daarmee voelde Puckie zich erg vereerd; ook, doch dit had ze voor geen geld willen
+bekennen, omdat ze erg rijk <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>waren. Mevrouw Van Bergen had een auto en, als je er op een partijtje was, kreeg je
+allerlei moois mee naar huis. Dat vond tante overdreven, en ’t gebeurde bij de familie
+Canneheuvel dan ook nooit.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2558">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">II</span> <span class="extraDivNum">II</span> POFFERTJES.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zooals uit ’t vorige hoofdstuk blijkt, zou hij, die de familie Canneheuvel nog in
+Utrecht wilde zoeken, verkeerd uitkomen. Om verschillende redenen hadden de Heer en
+Mevrouw Canneheuvel besloten naar Den Haag te verhuizen, kort ná het huwelijk van
+hun oudsten zoon, Dolf, met Nel’s vriendin Loes (die omstreeks dienzelfden tijd naar
+Indië waren vertrokken). Jan, de tweede zoon, die de Haagsche Handelsschool bezocht,
+behoefde dan niet langer spoorstudent te zijn. Voor tante Sjarlotje, die steeds erger
+aan rheumatiek begon te sukkelen, en voor Nel, die nog al eens last van malaria had,
+was ’t veel beter op duingrond te wonen. Toen vader en mama een geschikt huis hadden
+gevonden, in Duinoord, werd het plan dan ook ten uitvoer gebracht. De geheele familie
+was al gauw erg ingenomen met de verandering van woonplaats. De heer en mevrouw Canneheuvel
+vonden er verscheidene oude vrienden uit Indië terug; de kinderen genoten oneindig
+meer van het <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>heerlijk buiten wandelen en onderzoekingstochten ondernemen nu duinen, bosch en zee
+zoo dicht bij huis te vinden waren. Van Dolf en Lous kwamen voortdurend de beste berichten
+uit Semarang (waar Dolf zich als dokter had gevestigd) en Jan maakte zich gereed hun
+weldra de groeten van de geheele familie te gaan overbrengen. Op ’t oogenblik was
+hij nog in ’t buitenland, om vreemde talen te leeren, zooals vader en hij indertijd
+hadden afgesproken. Jan verbeeldde zich, dat hij al aardig wat van de wereld had gezien.
+Hij vond het reizen bizonder naar zijn smaak, en zou wel graag ontdekkingsreiziger
+zijn geworden, als het maken van ontdekkingsreizen niet zulk een onzeker en gevaarlijk
+bestaan had opgeleverd. Nel, nu de oudste thuis van de kinderen Canneheuvel, was kort
+geleden één en twintig jaar geworden, en een allerliefst jong meisje, kinderlijk in
+uiterlijk en manieren en nog geheel de oude, hartelijke Nel van vroeger. Van hare
+studieplannen was tot dusver niet veel gekomen. Eigenlijk vond zij ’t veel prettiger
+in het huishouden bezig te zijn, en Nel was op weg, om, onder mama’s leiding, een
+flinke huishoudster te worden.
+</p>
+<p>Frits, de jongste van de jongens Canneheuvel, ging steeds met mooie cijfers over op
+de H.&nbsp;B. S., en hoopte ’t volgend jaar eindexamen te kunnen doen. Hij beloofde een
+slanke, flinke jonge man te worden, maar in zijn lange armen en beenen was hij nog
+niet geheel gegroeid. Frits kwam altijd tijd te kort, want hij had ’t heel druk op
+school, en studeerde bovendien meer dan ooit viool, nu hij les kreeg van <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>een uitstekenden meester, en lid was geworden van een muziekclub.
+</p>
+<p>Ja, dat de Canneheuveltjes groot werden, dat kon je ook best merken aan Lientien,
+het Benjaminnetje in het gezin. Doch, al was Lientien al negen jaar, ze werd nog wat
+graag als schootkindje behandeld, en voor een vertrouwelijk praatje klom ze altijd
+bij vader op schoot. Papoes zei dan, dat zoo’n groote meid zich wat schamen moest,
+haar voeten reikten immers tot den grond als ze op vaders knie zat? Maar wie kon lieve,
+aanhalige Lientien ooit iets weigeren? Ze keek altijd even snoezig uit haar groote
+blauwe oogen en, met haar zijïg goudblond haar en teer, fijn figuurtje, leek ze net
+een sprookjes-prinsesje, zei Frits, als Lientien ’t niet hooren kon, want hij vond
+’t in het geheel niet goed kleine meisjes ijdel te maken. Aan Puck viel in dit opzicht
+niet veel te bederven. Die keek voortdurend in den spiegel, en deed dan erg aanstellerig,
+met haar hoofd op zij, om haar krullen goed in ’t oog te krijgen.
+</p>
+<p>Op een keer had Frits in Puck’s kamertje een grooten badhanddoek voor den toiletspiegel
+gehangen, en al de kleine spiegeltjes, die hij vinden kon, met lapjes bedekt. Frits’
+goede bedoeling werd geheel miskend, want Puck had groote en kleine lappen verwoed
+weggesmeten, en Frits gevraagd wat hij zich wel verbeeldde? Hoe durfde hij op haar
+kamertje en aan haar goed komen? Als hij ’t weer deed, ging ze net zoo lang op zijn
+viool krassen tot al de snaren kapot waren. Dat hield Frits zich voor gezegd, en <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>zekerheidshalve hield hij voortaan zijn viool achter slot in de kast, en den sleutel
+goed weggestopt. Met die Puck moest je op alles verdacht zijn.—Nee, Puckie werd er
+lang niet liever op, en Frits geloofde, net als Lientien, dat ’t allemaal van die
+vriendinnen kwam. Want dat waren me je echte nuffen, met een hoop verbeelding! om
+van te gieren. Laatst, toen hij Puck en die kinderen was tegengekomen, had hij hen
+met zijn hand „bonjour” toegewuifd. En verbeeld je! Puck was er woedend over uitgevaren
+naderhand, en had hem verweten: „Je hebt geen manieren, Frits Canneheuvel; Ellen en
+Grace vonden ’t vreeselijk onbeleefd, dat je je pet niet afnam, toen je groette. Dat
+doen de andere jongens allemaal, maar jij weet niet hoe het hoort.” „O, neem mij niet
+kwalijk, mejuffrouw,” had Frits toen gespot, „een volgende maal zal ’t niet meer gebeuren.”
+En, om haar te plagen, zwaaide Frits voortaan zijn pet bijna tegen den grond, als
+hij de meisjes tegenkwam, maar keek haar daarbij zoo ondeugend spottend aan, dat ze
+best begrepen, hoe Frits haar voor den mal hield.
+</p>
+<p>Als Lientien alles had willen vertellen wat zij alzoo merkte en hoorde van Puck, Grace
+en Ellen, zou mevrouw Canneheuvel al lang een stokje hebben gestoken voor die innige
+vriendschap tusschen Puck en haar vriendinnen. Maar de Canneheuveltjes hielden niet
+van klikken, en bovendien begreep onschuldige Lientien lang niet alles, en liet zich
+door Puck veel wijsmaken.
+</p>
+<p>Alleen aan tante Sjarlotje vertelde Lientien nog wel eens <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>een en ander over Ellen en <span class="corr" id="xd33e301" title="Bron: Grave">Grace</span> als die bizonder onuitstaanbaar waren geweest<span class="corr" id="xd33e304" title="Niet in bron">.</span> Doch tante suste steeds: „dat moet je je maar niet aantrekken, Lientien,” of: „ze
+hebben dat zeker zoo niet bedoeld.”—Tante Sjarlotje was altijd voor den vrede. Ze
+naderde nu zoo zachtjes aan de zeventig en, hoe kalmer ’t om haar heen was, hoe liever
+of ze ’t had. Handen en voeten wilden niet best meer mee, gezwollen en stijf als zij
+waren door de rheumatiek, en tante bleef dan ook meest altijd boven, in haar mooie,
+ruime zitkamer, die mama erg gezellig en geheel naar Sjarlotjes smaak, had ingericht.
+Zelfs ’s zomers werd daar op koude dagen gestookt, en ’t moest al verbazend heet zijn,
+als tante haar warme stoof of handkruikje wilde missen. Bij ’t opstaan en naar bed
+gaan werd zij stéeds geholpen, meestal door mevrouw Canneheuvel. Kee (het tweede meisje),
+die veel van tante Sjarlotje hield, kwam uit zich zelf telkens eens kijken, of ’t
+de oude dame aan niets ontbrak. „Was de waterstoof nog wel warm genoeg, tochtte ’t
+niet bij ’t raam, zou ze den stoel van de Juffrouw wat meer in ’t zonnetje schuiven?”
+Dan bleef ze nog even wat babbelen, want tante hield dol van een praatje, en haar
+hoofd was nog even helder als twintig jaar geleden. Ze vond ’t heerlijk als de kinderen
+uit school kwamen om haar hun schoolnieuws te vertellen. Wanneer Nel een heelen middag
+bij haar kwam zitten naaien was ’t bepaald een feestdag voor tante, en Frits maakte
+tijd, om voor tante Sjarlotje viool te spelen, want een verrukter, dankbaarder toehoorster
+bestond er <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>op heel de wereld niet. Dikwijls kwam papa zijn zuster wat voorlezen, maar voorlezen
+was voor tante bepaald een slaapmiddeltje. Daar dutte ze zoo heerlijkjes bij in, dat
+’t een genot was om te zien. Zelf lezen deed ze nog graag: ouderwetsche boeken uit
+haar jeugd, die in keurige, kleurige bandjes in het boekenkastje stonden. Die las
+en herlas ze. En als Nel dan met een nieuw uitgekomen boek aankwam, dat ze prachtig
+vond, en tante wou laten meegenieten, weerde Sjarlotje zachtjes àf. „Dankje lieverd,
+maar ik lees liever „Het Heideprinsesje” nog eens over. Dat is toch zulk een prachtig
+verhaal, dat ik ’t nooit genoeg kan lezen.”
+</p>
+<p>Van al de huisgenooten was Lientien ’t meest en ’t liefst bij tante. Die twee waren
+kinderen samen. Lientien maakte bij Sjarlotje haar schoolwerk, en naaide, onder tantes
+toezicht, de kleeren voor haar poppen, en intusschen had ze altijd wat te babbelen
+en te vertellen, waarin tante verbazend veel belang stelde. Lientien werd ’t ook nooit
+moe te luisteren naar de bekende verhalen uit tante’s jeugd.
+</p>
+<p>„Komt mijn Lienepien daar weer?” riep tante vroolijk, als ’t kleintje haar hoofdje
+om de kamerdeur stak. En Lientien: „Nou moet je toch hooren tante Sjarlotje …” En
+Lientien <span class="corr" id="xd33e311" title="Bron: storte">stortte</span> haar overvol hart uit, want niemand in huis luisterde zoo geduldig en vond alles
+wat Lientien vertelde zóó gewichtig als tante Sjarlotje.
+</p>
+<p>„U is eigenlijk net zoo goed een vriendin van mij als Annie en Wimpie, hè Sjarlottepotje?”
+kon Lientien zoo <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>hartelijk zeggen, terwijl ze, net als vroeger, met haar hoofdje op zij, tante vleiend
+aankeek.
+</p>
+<p>Tante vergat, dat zij bijna zeventig en Lientien nog geen tien was, en knikte blij:
+„Natuurlijk, Lienepien, wat dacht je anders?” En ’t oude en ’t jonge kind pakten elkaar
+eens terdege.
+</p>
+<p>Op een Woensdagmiddag kwam Lientien tante vertellen, dat de jurk voor Francine moest
+blijven liggen, want ze ging met Frits en Puck naar „stad”.
+</p>
+<p>Frits zou voor mamp verschillende soorten postzegels gaan koopen aan ’t groote postkantoor,
+en de kleine meisjes gingen mee, want Waldi was ook van de partij, en die mocht niet
+naar binnen in ’t postkantoor. Dus zou Lientien hem zoolang aan de lijn houden. Daarna
+zou de verrassing komen (voor Puck), want Frits had Lientien in ’t geheim beloofd,
+dat ze poffertjes zouden gaan eten in de Prinsestraat. En met ’t oog daarop had Lientien,
+om twaalf uur, verdacht weinig eetlust voorgewend.
+</p>
+<p>Even half drie stapte ’t drietal er al op uit. Gelukkig, dat Lientien en Puckie met
+haar beiden waren, want ’t bleek een heele toer Waldi vast te houden, toen Frits ’t
+postkantoor binnen ging.
+</p>
+<p>Waldi had namelijk een van zijn dolle buien, en wou Frits met geweld volgen. Als een
+razende trok hij aan de lijn, en slaakte de snijdenste gilletjes. Vier kleine stevige
+handen waren bijna niet genoeg om den stouterd terug te houden. Als iemand ’t kantoor
+binnen ging, wou en zou <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Waldi hem achterna om baasje Frits te zoeken. Lientien zag rood van inspanning, Puckie
+schold op Waldi, en schopte naar hem; raken kon zij den vluggerd niet … Waar bleef
+Frits toch! „’t Duurde zeker zoo lang,” dacht Lientien, „omdat hij zoo veel verschillende
+soorten van postzegels hebben moest.”
+</p>
+<p>Er kwam een hoopje menschen om de meisjes heen staan, en een oude juffrouw onderzocht
+met strenge stem, of dat hondje haar wel toehoorde. Zijn eigen vrouwtjes moest dat
+stomme beest toch beter kennen.
+</p>
+<p>Puck vroeg, of ’t soms een gewoonte van de juffrouw was om zich met eens anders zaken
+te bemoeien, maar Lientien legde het geval uit met een zacht, verzoenend stemmetje,
+waarop de juffrouw verklaarde, dat <i>zij</i> een lieverdje was, en vroeg, of ze ook helpen zou. Doch daar kwam Frits gelukkig
+aan.
+</p>
+<p>Kalmpjes liet hij Puck’s stroom van verwijten over zich heen gaan, en kalmeerde Waldi’s
+uitbundige liefdesverklaringen, terwijl hij hem van de lijn los maakte.
+</p>
+<p>„Komt nou maar kinderen,” „vaderde” hij wijs, „nog even voor pa sigaren bestellen,
+en dan … de verrassing.”
+</p>
+<p>Lientien, zielsvergenoegd, haakte bij Frits in, en pakte aan den anderen kant Puck
+beet. „Weet je wat de verrassing is, Puck?” vroeg ze … „Frits wil ons op poffertjes
+trakteeren. We mogen ieder twee bordjes, dol hé?”
+</p>
+<p>„Dol!” kwam de echo van Puck. „Mag Waldi los mee?”
+</p>
+<p>„Als er geen andere honden binnen zijn,” besliste Frits, <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>„en hij krijgt ook een poffer, maar zonder boter en suiker.”
+</p>
+<p>„Die lik ik er wel àf,” beloofde Lientien.
+</p>
+<p>’t Was leeg in het poffertjes salonnetje, toen Frits er met de meisjes binnen kwam.
+</p>
+<p>Hij deed heel deftig, en bestelde groote-heerachtig, maar in zijn hart verheugde hij
+zich niet minder op ’t festijn dan Lientien en Puck, want hij was ook dol op poffertjes.
+</p>
+<p>Al gauw zat ’t drietal voor de smakelijk toebereide bordjes. Waldi wachtte vrij geduldig
+zijn beurt àf, hij zat op een stoel naast Frits, die hem zekerheidshalve aan de lijn
+had gehouden. En dat was maar goed ook, want met een vaart sprong Waldi op eens van
+den stoel, en wilde luid jankend op een grooten patrijshond af, die (gevolgd door
+een dame en twee meisjes) het salonnetje binnenstoof.
+</p>
+<p>„O hemel! daar heb je „Avanti” en daar komen Ellen en Grace met hun mama,” riep Puck.
+Ze kreeg een kleur van pleizier, terwijl Avanti tegen haar opsprong.
+</p>
+<p>„Dop dan toch, Frits,” riep ze driftig.
+</p>
+<p>Frits had echter maar moeite Waldi in bedwang te houden. Hij groette onhandig, zoodat
+zijn pet op den grond viel.
+</p>
+<p>Puck was intusschen opgevlogen, en begroette haar vriendinnen hartelijk, al deed ze
+’t wel wat druk en lacherig. Nu, dat was in orde, doch ’t geen nu volgde in ’t geheel
+niet.
+</p>
+<p>In plaats van bij Frits, Lientien, Waldi en haar, half leeg gegeten bordje terug te
+komen, schoof Puck naast haar vriendinnen aan een tafeltje verderop, en keek niet
+meer om naar de anderen. Mevrouw bestelde ook voor haar, en daar <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>bleef me dat kind warempel bij die „vreemden” zitten. Lientien keek eerst verbaasd,
+maar toen echt boos naar trouwelooze Puck. Doch Frits, rood van ergernis, stond eensklaps
+op, en ging vastberaden naar ’t andere tafeltje toe.
+</p>
+<p>Hij vond Puck’s gedrag verbazend onaardig en onbeleefd; daar hij bovendien een hekel
+had aan haar omgang met die malle nuffen van Van Bergen, nam hij de zaak dubbel hoog
+op.
+</p>
+<p>„Neem mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, een beetje haperend (want hij <span class="corr" id="xd33e356" title="Bron: verbeelde">verbeeldde</span> zich dat de nesten spottend naar hem keken), „ik kom Puck even halen, ze heeft haar
+poffertjes nog niet eens op, en ze is met ons uit.”
+</p>
+<p>„Ooo …” antwoordde mevrouw Van Bergen, „nou, net als Puck wil … Ellen en Grace vonden
+’t juist zoo prettig, dat ze haar hier troffen en …”
+</p>
+<p>„Ik blijf hier ook veel liever,” vulde Puck aan, terwijl ze Frits’ woedende blikken
+met woeker terug gaf.
+</p>
+<p>Even keek Frits verbluft, toen groette hij mevrouw zeer stijfjes, verwaardigde de
+nesten met geen blik, en keerde naar Lientien terug. Wat kon hij anders doen? ’t Ging
+toch niet aan, om Puck mee te sleuren.
+</p>
+<p>Met opzet verschoof hij zijn stoel, zoodat hij met den rug naar ’t tafeltje van de
+anderen kwam te zitten, at zijn tweede bordje en presenteerde Lientien heel edelmoedig
+een derde portie. Maar zusje bedankte uit den grond van haar hart, want ze had met
+moeite haar bordje leeg gegeten, en Waldi veel meer toegestopt dan goed voor hem was.
+<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>Neen, door Puck’s schuld was ’t aardig plannetje eigenlijk mislukt. Lientien vond
+’t dan ook geheel in orde, dat Frits, bij ’t weggaan, in ’t geheel geen notitie meer
+nam van Puck en die „Van Bergens”.
+</p>
+<p>Terwijl ze vlug voortstapten, voelde Lientien zich echter toch wel bezwaard over Puck
+en ze vroeg: „Wachten we niet op Puck, Frits? Moet ze nou alleen naar huis? Mevrouw
+Van Bergen woont een heel anderen kant uit …”
+</p>
+<p>„Kan me niet schelen,” betuigde Frits, „al liep ze in zeven sloten tegelijk, dat nare
+wurm!…”
+</p>
+<p>Maar aan ’t eind van de Prinsestraat bleef hij toch staan en omkijken … Geen spoor
+van Puck. ’t Was al laat. Ze moesten aanstappen, wilden ze op etenstijd thuis zijn.
+</p>
+<p>Over half zeven kwam Puck pas haastig aanvliegen. Mevrouw Van Bergen at heel laat,
+en Puck had onder ’t drukke babbelen den tijd geheel vergeten. Erg verschrikt, toen
+ze hoorde hoe laat ’t al was, had ze zich verbazend gerept, stoof Geertje, die haar
+opendeed, met een vaart voorbij, en kwam met een vuurrood gezicht binnen. Kee was
+al bezig àf te nemen, en Nel spoelde de glazen aan het buffet.
+</p>
+<p>„Dag Nel,” zei Puck ontdaan. „Is ’t al <i>zoo</i> laat? Ik dacht …”
+</p>
+<p>„Je moest je schamen, Puck,” knorde Nel, „pa en ma zijn heel boos op je. Ik moet zeggen,
+jij houdt er nette manieren op na. Wij zouden ’t geen van allen in ons hoofd krijgen
+over etenstijd thuis te komen.”
+<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p>
+<p>Puck keek op de klok: „Anders zijn we nooit om kwart vóór zeven al heelemaal klaar,”
+pruttelde ze, „waarom?…”
+</p>
+<p>„Vader moest uit, en mamp kwam niet aan tafel, omdat ze zoo’n hoofdpijn kreeg en naar
+bed ging,” verklaarde Nel. „Je begrijpt, dat we geen lust hadden op jou te blijven
+wachten … je vindt dan ook den hond in den pot, meisje.”
+</p>
+<p>„Nou, dat was ’t minste,” dacht Puck. Mevrouw Van Bergen had haar zooveel poffertjes
+opgedrongen, dat ze daar vooreerst haar bekomst van had. En toen dat gejacht en gevlieg!
+Ze was aan ’t huilen toe van overspanning en zenuwachtigheid.
+</p>
+<p>Puck voelde ook best aan ’t kloppertje van binnen, dat „Meester” haar gedrag streng
+afkeurde, en nu kreeg ze zeker straf en iedereen was kwaad op haar.
+</p>
+<p>Natuurlijk, omdat ze een kind was, een groot mensch kon doen wat hij wou, maar haar
+werd alles kwalijk genomen.
+</p>
+<p>Dit leek dit keer dan wel heel erg ’t geval te zijn. Puck kreeg dien avond nog van
+oom zulk een ernstige vermaning, dat ze tranen met tuiten schreide. Te meer omdat
+oom er bijvoegde, dat hij er hard over dacht, haar den verderen omgang met Ellen en
+Grace te verbieden. Die meisjes schenen al een heel verkeerden invloed op Puck uit
+te oefenen, en dat mocht zoo niet langer. Tante was er niet om een verzachtend woordje
+mee te spreken, en Puck mocht haar geen „goedennacht” gaan zeggen. Lientien en Nel
+zaten boven bij tante Sjarlotje, maar Puck durfde er niet <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>heengaan, nu niemand haar kwam roepen. Ze had een treurigen, eenzamen avond, geen
+ziel keek naar haar om.
+</p>
+<p>Toen Puck naar bed ging was ze zoo boos en verdrietig, dat ze lust had om iedereen
+te stompen. Nu deed ze het haar kussen maar, en lag nog lang te brommen en te foeteren.
+Ze had een hekel aan alle menschen en aan alles, ’t meest nog aan poffertjes, want
+ze had er veel te veel van gegeten en nu bezwaarden ze haar.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2567">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">III</span> <span class="extraDivNum">III</span> 1 APRIL.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zaterdag was eigenlijk de prettigste dag van de week, vonden Puck en Lientien. Dan
+had je den heelen Zondag in ’t vooruitzicht, en lagen de schoolzorgen nog ver weg.
+</p>
+<p>Op de vrije middagen moest op last van „Meester” eerst natuurlijk ’t schoolwerk worden
+afgedaan. Lientien hield zich hier stipt aan, want ze had nog steeds groot ontzag
+voor „Meester”. Bij Puck liet dit wel wat te wenschen over, en Lientien moest altijd
+wéér vragen en zeuren: „hè Puck, begin nou toch! Ik ben al half klaar; begin dan toch,
+teuterd.”
+</p>
+<p>Dezen Zaterdag had Puck ook vlug voortgemaakt, en, terwijl Lientien opruimde, was
+ze al vast vooruit naar den tuin gegaan. Puck kon altijd grappige spelletjes bedenken,
+en had telkens nieuwe invallen.
+<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
+<p>Nu vond Lientien, toen zij in den tuin kwam, Puck druk bezig met een grooten bezem
+door de lucht te vegen.
+</p>
+<p>„Wat doe je kind?” vroeg ze stom verbaasd.
+</p>
+<p>„Kijk maar goed,” schreeuwde Puck haar toe, „ik heb al de wolken in een hoek gejaagd.
+Die zitten zich nou erg te vervelen, want ze houden niks van stilzitten. Daarom kijken
+ze ook zoo donker, maar zich verroeren durven ze niet, want ze zijn bang voor mijn
+bezem.”
+</p>
+<p>Lientien ging heelemaal op Pucks verbeeldingsspel in. „O Puck,” riep ze even later,
+<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>dáár beweegt zich er één, kijk maar, die kleine witte wil weg …”
+</p>
+<p>Puck dreigde woedend met haar bezemsteel, maar eer ze aan ’t vegen toe was, zeilde
+het wolkje vroolijk heen aan den blauwen Aprilhemel. Een groote zette het achterna,
+doch nu begon Puck zoo verwoed haar bezem te zwaaien, dat de wolk achteruitkrabbelde,
+al dunner en dunner werd, en eindelijk geheel scheen opgelost.
+</p>
+<p>„Ziezoo,” riep Puck weltevreden, „die doet geen kwaad meer, en nou is de regen voor
+vandaag al vast naar huis gestuurd.”
+</p>
+<p>Lientien vond ’t eenig. „Vertel nog eens wat van de wolken, Puck,” verzocht ze.
+</p>
+<p>„Nou ja,” zei Puck, „tusschenbeide zijn zij mij de baas, dan kan ik ze niet aan met
+den bezem. Dat zijn van die groote zwarte, zie je, die worden alleen door hun moeder
+uitgestuurd als ’t thuis niet meer met hen is uit te houden. Dan jaagt de moeder hen
+de deur uit, en dan krijgen we <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span><i>lekker</i> weertje; storm is er niks bij. Die zwarte kan je uren achtereen hooren brommen en
+grommen. Ze moeten van hun moeder net zoo lang de zakken met regen blijven dragen
+tot ze zijn uitgeraasd. En telkens steekt de moeder een lichtje aan om te zien of
+de zakken nog wel vol zijn. Die lichtjes noemen de domme menschen: „bliksemstralen”.
+Maar eindelijk, dan mogen de zakken los. Nou, en dan regent ’t pijpestelen soms uren
+en uren lang. De zwarte wolken zie je dan niet meer, moeder heeft den wind uitgestuurd,
+en die mag ze naar huis terugdrijven.”
+</p>
+<p>„Waar wonen ze, Puck?”
+</p>
+<p>„O, zoo ver weg, achter de verste bergen,… en nog veel verder. In reuzengroote holen,
+en ieder heeft zijn vaste plaats. Moeder zit in ’t midden met „den wind” naast zich.
+Die is haar trouwe knecht, en die doet alles wat ze zegt. Vandaag was de knecht er
+niet, en kon de wolken dus niet naar huis drijven. Misschien heeft hij ook wel gezien,
+dat ik ze met mijn bezem voortjoeg. Ze hebben altijd ruzie, de wolken en de wind.
+De wind heeft altijd haast, en de wolken plagen hem expres door maar te blijven hangen
+in plaats van voort te maken … Maar kijk de hemel nou eens mooi blauw zijn! Al de
+wolken zijn stellig thuis bij moeder in de reuzengrot en moeten slapen … Zeg Lientien,
+zullen we nu eens gaan kijken, hoe de familie „Snater” ’t maakt in hun nieuwe huis?”
+</p>
+<p>„Wie zijn dat, en waar wonen ze?” vroeg Lientien nieuwsgierig.
+<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
+<p>„In ’t voorjaar moeten alle vogels toch huisjes gaan huren?” vertelde Puck. „De beste
+zijn natuurlijk ’t eerste weg, en de teutebollen kunnen niks goeds meer krijgen. Mijnheer
+en juffrouw Snater, die aldoor maar pret hebben gemaakt, lieten den goeden tijd voorbijgaan,
+en konden daarom geen onderdak meer vinden. Nou moet je weten, dat een ouwe, slimme
+spreeuw net gedaan heeft, of onze dakgoot, bij de logeerkamer, van hem was. Voor veel
+geld heeft hij ’t ondereind van de pijp aan de familie Snater verhuurd, en die heeft
+er dadelijk een nestje in gemaakt.”
+</p>
+<p>„Maar Puck,” viel Lientien in, „wat heeft zoo’n ouwe spreeuw nou aan geld?”
+</p>
+<p>„Bij de vogels is geld: eten,” verklaarde Puck wijs. „De Snaters moeten mijnheer „Geelsnuit”
+onderhouden. Ga maar mee, dan kan je zelf zien, of ’t niet waar is.” Puck wees den
+weg naar ’t balcon van de logeerkamer. Op haar teenen slopen de meisjes voorzichtig
+naderbij, en bogen zich over den rand van ’t balcon. En ja wel! daar zat half blinde
+Geelsnuit vlak naast ’t uiteinde van de dakgootpijp, trouw op post. Vader en moeder
+Snater vlogen af en aan met allerlei lekkere beetjes voor hun kinderen. Maar vast
+twee keer van de vier, snapte Geelsnuit een vet brokje voor hun begeerige open snaveltjes
+weg, en stopte dit in zijn eigen steeds hongerige maag.
+</p>
+<p>„Nou zie je ’t zelf,” riep Puck triomfantelijk.
+</p>
+<p>„Heb je ooit!” kwam Lientien heelemaal beduusd. „O <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>Puck, hoe heb je dat ontdekt? Zit die inhalige, ouwe Geelsnuit altijd naast ’t nest?”
+</p>
+<p>„Om dezen tijd ten minste …”
+</p>
+<p>„Ik ga Nel en Frits halen,” riep Lientien, „die moeten zoo iets eenigs ook zien.”
+</p>
+<p>Ook Nel en Frits waren één en al verbazing, doch Nel bedacht dadelijk, dat de jonge
+muschjes er met een harde regenbui treurig aan toe zouden zijn.
+</p>
+<p>„Dat heeft die leelijke Geelsnuit natuurlijk verzwegen bij ’t verhuren van het huis,”
+lachte Lientien. „Wat zullen we nou toch doen?”
+</p>
+<p>„’k Geloof,” zei Frits, en hij hield zich zoo ernstig als bij ’t geval te pas kwam,
+„dat ik wel een huisje heb voor de familie Schater of Snater, hoe heet ze ook? Tegen
+den zijmuur bij de regenton is nog een leege bloempot: je reinste musschenhuis.”
+</p>
+<p>„Wat een geluk!” riepen de meisjes.
+</p>
+<p>Nu kwamen Frits’ lange armen toch maar goed van pas. Heel voorzichtig haalde hij ’t
+nestje uit de pijp (er zaten vijf Snatertjes in) terwijl de piepende ouders op den
+dakrand een beetje angstig toekeken. Maar òf ze een kwartiertje later ook in hun schik
+waren, en dien leelijken Geelsnuit uitlachten! Die moest nu voortaan zelf voor zijn
+muggen- en wurmenpasteitjes zorgen.
+</p>
+<p>„’t Is geen wonder, dat jij altijd zulke mooie opstellen maakt,” zei Lientien tegen
+Puck, nadat zij zich nog een poosje over Geelsnuit hadden vroolijk gemaakt, „jij weet
+altijd weer wat nieuws.”
+<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
+<p>„Ik wil naderhand schrijfster worden,” verklaarde Puck pedant. „En als ik verbazend
+beroemd ben, zal ik toch altijd met jou willen omgaan, hoor!”
+</p>
+<p>„Maar dan willen <i>wij</i> misschien niks meer met <i>jou</i> te maken hebben, nest,” klonk een stem van boven, waar Frits uit ’t open raam hing.
+„Wat een verbeelding van zoo’n uk! Denk liever eens aan apen, die hoog klimmen willen …”
+</p>
+<p>„Je bent zelf een aap,” schreeuwde Puck verwoed tegen een dicht raam, want Frits had
+dit juist gesloten.
+</p>
+<p>„Ik vind ’t toch zoo naar, dat Frits en jij eeuwig kibbelen,” zuchtte Lientien; „dat
+leelijke gescheld altijd! mamp wil ’t niet hebben.”
+</p>
+<p>„Wie begint?” vroeg Puck heftig. „Is „nest” soms geen schelden?”
+</p>
+<p>„Nest is lang zoo leelijk niet als: aap,” vond Lientien. „Als Frits weer „nest” tegen
+je zegt, moet je vragen: „hoeveel eitjes liggen er in?” dan kijkt hij vast op zijn
+neus.”
+</p>
+<p>„Flauw,” vond Puck, waarop Lientien met een driftig kleurtje beweerde: „Iedereen kan
+ook niet zoo knap en geleerd zijn als Johanna van Vorden.”
+</p>
+<p>Puck schudde boos haar zwarte krullen, en liep hard weg, terwijl „Meester” tegen Lientien
+zeide: „Foei, schaam je wat, om zoo uit te vallen. Na ’t eten ga je dadelijk je kastje
+opruimen, hoor!”
+</p>
+<p>Lientien wist niet, dat zij zich, nog veel erger dan nu, over haar drift zou hebben
+te schamen, eer de avond gevallen was.
+<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p>
+<p>Dadelijk nadat ze van tafel was opgestaan, had Lientien den lust weerstaan met Puck
+den tuin in te loopen, en zat nu op den grond vóór haar half leeg gehaald speelgoedkastje
+met al de schatten om zich heen verspreid. Juist bedacht ze, of ze daar maar niet
+eens een flinke opruiming onder zou houden, en er arme kinderen gelukkig mee maken,
+toen Puck de kamer binnenstoof.
+</p>
+<p>„Lien, Lientien,” riep ze, nog half buiten de deur, „compliment van tante, en of je
+vreeselijk gauw voort wil maken. Je moet je blauwe jurk aantrekken en je mooie hoed
+maar <span class="corr" id="xd33e462" title="Bron: op. Want">op, want</span> zoo dadelijk komt ’t rijtuig, en gaan we eerst toeren, en dan aan de „Witte Brug”
+theedrinken … Ik moet me ook gauw verkleeden …”
+</p>
+<p>„O Hemel!” riep Lientien, haastig opstaand, „waarom zoo op eens? Nou moet ik mijn
+haar ook nog over doen en …”
+</p>
+<p>„Ja, gauw maar, ’t is een plannetje van oom, juist echt, zoo op eens,” vond Puck.
+</p>
+<p>Lientien bedacht niet, dat ’t een wel wat vreemd plan was <i>nu</i> nog uit rijden<span class="corr" id="xd33e471" title="Niet in bron"> te</span> gaan, terwijl het al vrij frischjes was buiten bovendien. Argeloos liep ze in de
+val, die Puck wijd voor haar had opengezet. Dit juffertje liep weg, quasie om haar
+jurk uit de kast op den overloop te halen, en Lientien lette niet op, dat ze vergat
+terug te komen. Zij haastte zich wat ze kon, en rende tien minuten later keurig uitgedost
+de trap af, de huiskamer binnen. Daar zat de heele familie rustig thee te drinken,
+en keek zeer verbaasd, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>toen ze Lientien daar op eens in groot toilet zag verschijnen.
+</p>
+<p>„Maar prul,” riep Frits, „hoe kom je zoo laat nog in je mooie spullen? Waar wou je
+heen, poes?”
+</p>
+<p>Lientien keek beduusd: „Maar gaan we dan niet uit rijden? Puck zei, dat papoes …”
+</p>
+<p>Daar vloog de kamerdeur wijd open en in de gang stond Puck te dansen van pleizier
+over haar goed gelukte Aprilgrap, terwijl ze met een hoog stemmetje zong: „Eén April,
+één April, mag je foppen wie je wil. Lekker! lekker! Lientien, sliep uit!”
+</p>
+<p>Verbijsterd keek Lientien rond. Haar groote blauwe oogen gingen, meelij smeekend,
+van den één naar den ander. Maar niemand nam ’t voor Lientien op. Nel, papoes, Frits,
+zelfs mampie, allen zaten te lachen, en lieten Lientien alleen met haar verdriet en
+teleurstelling. En daartusschen klonk Puck’s sarrende stem: „gefopt, gefopt.” Lientien
+werd hoog rood, ze beefde van boosheid, en wilde niet luisteren naar de waarschuwende
+stem van „Meester”. Vóór ze ’t zelf wist, was ze op Puck toegevlogen, en gaf haar
+een klinkende oorvijg, dien ze dadelijk met interest terug ontving.
+</p>
+<p>„Foei kinderen, schaamt je wat!” riep mamp, en Frits had ’t vechtend tweetal in een
+oogenblik uiteen.
+</p>
+<p>Lientien liep op vader toe en borg haar beschaamd gezichtje tegen zijn schouder. Doch
+vader trok haar op zijn knie, en zei: „Ziezoo, nou ben je echt een klein, stout schootkindje.
+Maar Lienepien, hoe kan je een onschuldig grapje nou toch zoo hoog opnemen? En je
+houdt zelf zooveel <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>van een fop. Wie kaatst moet den bal verwachten, kleintje.”
+</p>
+<p>„Ja maar, ik was al zoo moe,” snikte Lientien, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>en toen dat gejacht en gerep, en dat U mij allemaal ook uitlachte, <i>dat</i> was nog ’t ergste.”
+</p>
+<p>„Zeker,” suste mamp, „dat was ook wel een beetje erg. Maar, Lientien, je bent toch
+een echt gansje om te denken, dat we, nu ’t nog zoo koud is en vroeg donker ook, uit
+rijden zouden gaan.”
+</p>
+<p>„’k Was zeker zoo suf door al dat vervelende opruimen en uitzoeken van ’t speelgoed,”
+zuchtte Lientien.
+</p>
+<p>„Kom,” sprak vader, „zoen mekaar nou maar gauw áf, en ga je daagsche jurk aantrekken,
+Lientien, dan wil vader nog een eindje met jullie wandelen, en brengen we wat lekkers
+mee voor bij ’t tweede kopje thee.”
+</p>
+<p>Daartoe was Lientien dadelijk bereid, en Puck niet minder.
+</p>
+<p>In haar hart vond zijn kleine dochter gearmd met vader wandelen haast nog echter dan
+uit rijden gaan. Vader wist zoo eenig leuk te vertellen van vroeger, uit zijn eigen
+kinderjaren. Je kon dan onder ’t toeluisteren uren achtereen loopen zonder moe te
+worden. Dit keer vertelde vader, dat hij in zijn jeugd ook verbazend driftig was,
+en daar veel ergernis en verdriet door had gehad.
+</p>
+<p>„Hoe hebt u dat dan afgeleerd, papoes?” vroeg Lientien.
+</p>
+<p>„Misschien wel door al de draaien om mijn ooren, die ik er voor kreeg,” lachte vader.
+„Want ik was op kostschool <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>en dat is nog wat anders dan thuis. Bovendien vonden de opvoeders in mijn jeugd, dat
+’t een jongen toekwam zoo af en toe een pak te krijgen. ’t Hoofd van de kostschool,
+dien wij jongens „de baas” noemden, was een van de beste, braafste menschen, dien
+ik ooit gekend heb; de goeie man is nu al jaren dood. Wij, jongens, zouden voor hem
+door ’t vuur zijn geloopen, want we wisten allen, dat hij streng, maar ook stipt rechtvaardig
+was.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De baas kon veel van ons verdragen, omdat hij van kinderen hield en, behalve geniepige,
+gemeene streken, zag hij bijna alles door de vingers. Wanneer hij een jongen met zijn
+groote, doordringende oogen aanzag, <i>moest</i> je de waarheid zeggen, al was ’t nog zoo moeilijk. Maar, had je eerlijk bekend, en
+vergiffenis gevraagd, dan werd hij net als een vader voor je, en bij je zelf dacht
+je: „Ellendig toch, dat ik den baas verdriet heb aangedaan.”
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Nou, vader was een echte driftkop, zooals ik jullie al vertelde, en tegen een vechtpartijtje
+zag hij ook niet op. Vechten was op school verboden, en de baas had me al eens een
+paar keer gewaarschuwd: „Carel, daar komt nog eens hommeles van, als je dat opstuiven
+niet kunt laten; vecht je weer, dan krijg je een pak.”
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En zoo kreeg ik trouw een draai om mijn ooren, als ’k aan ’t razen was, en heb ook
+menig pak gehad. Maar ik geloof, dat de ernstige, vriendelijke woorden van den baas,
+na afloop van de straf, mij veel meer geholpen hebben om die leelijke fout er langzamerhand
+onder te krijgen, dan de klappen.”
+<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
+<p>„Je voelt ’t toch altijd aankomen, hé vader, als je wat verkeerds wil doen,” sprak
+Lientien peinzend, „dan word je gewaarschuwd.”
+</p>
+<p>„Door „Meester”,” spotte Puck.
+</p>
+<p>„Juist Puck, en jij zult ook heel verstandig doen met zooveel mogelijk naar „Meester”
+te luisteren,” meende oom. „En hier heb je nou net een lekkeren banketbakkerswinkel.
+Wat zullen we nu eens voor thuis meebrengen?”
+</p>
+<p>Puck vond: lekker-lekkerkoekjes, en Lientien: roomsoezen. Ze wilden natuurlijk zelven
+de zakken dragen, als vader de porte-monnaie maar open deed. Waartoe vader onmiddellijk
+overging; hij wist nu eenmaal: „als je met meisjes uit bent, moet je niet op een dubbeltje
+zien.”
+</p>
+<p>Puck’s Aprilgrap had dus nog een lekker, zoet gevolg, en er was zooveel, dat iedereen
+volop smullen kon.
+</p>
+<p>Toen Lientien dien avond naar boven ging, en er met schrik aan dacht, wat een rommel
+er nog op den grond van haar kamer lag, vond ze daar alles keurig opgeruimd.
+</p>
+<p>Dat had Nel natuurlijk gedaan, en Lientien bedacht met een dankbaar hart, hoe lief
+dat van haar was.
+</p>
+<p>Hoe heerlijk toch om een tehuis te hebben als zij had, met zulke lieve ouders, die
+nooit draaien om de ooren gaven, maar alleen met geduld en liefde te werk gingen.
+</p>
+<p>En daarom hield ze ook nog duizendmaal meer van vader en mampie, dacht Lientien, terwijl
+ze haar handjes vouwde, en God bad haar te helpen een goed kind te zijn.
+<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2576">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">IV</span> <span class="extraDivNum">IV</span> „MAMA!”</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Mevrouw Canneheuvel had, kort na den hevigen influenza-aanval, dien zij eenige jaren
+geleden ternauwernood te boven was gekomen, wel gemerkt, dat haar linkeroog daardoor
+geleden had, want ze kon er niet meer zoo goed mede zien als vroeger. Dit was langen
+tijd zoo gebleven, en mama meende, dat ’t niet verergeren zou. Doch den laatsten tijd
+bleek dit wel ’t geval, en in zoo hooge mate, dat vooral papa zich ernstig ongerust
+begon te maken, en den dokter liet komen. Deze onderzocht mama’s oogen zeer nauwkeurig,
+en raadde haar aan, te Utrecht professor Snellen te raadplegen.
+</p>
+<p>En nu waren papa en mama zoo even uit Utrecht thuis gekomen. Nel had best gezien,
+dat vader alles behalve opgewekt keek, toen hij naar boven ging, en haar met mama
+alleen liet. Mama trok Nel naast zich op den divan, en Nel streelde zachtjes haar
+hand, doch ze durfde mama niet aankijken, want ze had moeite haar tranen te bedwingen.
+</p>
+<p>„Luister nu eens, kind,” sprak mama met haar vriendelijke, opgewekte stem, „nu moet
+je niet zoo wanhopig doen en zoo erg bedroefd zijn, want daar is in ’t geheel geen
+reden toe. Wat denk je toch eigenlijk, Nel?”
+</p>
+<p>„Nou,” antwoordde Nel, terwijl ze moeite deed het beven van haar stem te bedwingen,
+„als dokter toch zegt, dat U vreeselijk voorzichtig moet zijn, en U voor alles in
+acht <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>moet nemen, omdat U anders … omdat Uw andere oog anders …”
+</p>
+<p>Gevoelige Nel kon zich niet langer goedhouden, en snikte ’t uit, terwijl zij haar
+hoofd tegen mamp’s schouder drukte.
+</p>
+<p>Doch mamp hief Nel’s gebogen hoofd op, en keek haar vast in de oogen. „Niet zóó Nel,
+kalm toch, m’n lieve kind … Hoe kan ik met je praten, als je je zelf zoo toegeeft?
+Kom! kom! vroeger hielp ik jou met alles voort, nu moet ik een steuntje krijgen van
+mijn oudste dochter, is dat nou zoo erg?”
+</p>
+<p>Nel veegde haar tranen af, en gaf mama’s hand een extra drukje.
+</p>
+<p>„Vertel U mij alles uitvoerig wat de professor gezegd heeft, wil U?” verzocht ze.
+„U heeft gelijk, ik ben echt kinderachtig, let U er als ’t U belieft maar niet op.”
+</p>
+<p>„Je bent mijn eigen, hartelijke Nel … Wel kind, professor was ’t in hoofdzaak met
+onzen dokter eens, maar hij zag ’t geval toch lichter in. Volgens hem kan ik, net
+als ieder ander mensch, goed blijven zien met mijn rechteroog als ik voorzichtig ben,
+alle opwinding vermijd, en mij, ook lichamelijk, zeer in acht neem. „U moogt nooit
+meer op een stoel klimmen of boven Uw macht reiken, moet heel langzaam en voorzichtig
+trappen loopen, en U vooral nooit en met niets overhaasten … Als U zich aan dien raad
+houdt, kan U het licht in Uw gezonde oog even lang behouden als anders ’t geval geweest
+zou zijn …” Zie je wel, Nel, dat ’t lang zoo erg niet is als je dacht? Er zijn honderden
+<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>menschen, die maar met één oog zien. ’t Moet verbazend gauw wennen met lezen, handwerken
+en zoo.”
+</p>
+<p>„Kan U <i>niets</i> meer zien met uw ééne oog, mampie?” vroeg Nel bekommerd.
+</p>
+<p>„Zoo goed als niets, lieverd; van verre alles en iedereen slechts in wazige omtrekken,
+en dichtbij niet veel beter.”
+</p>
+<p>„Maar ik zie in ’t geheel geen verschil tusschen uw oogen. Ze zijn allebei even helder
+en … Kunnen die geleerde heeren zich niet vergissen? ’t Is misschien iets tijdelijks,
+iets …”
+</p>
+<p>„Neen Nel; als ’k dat geloofde zou ik mij met ijdele hoop vleien. Ik zal precies leven
+als de professor mij heeft aangeraden. En nou gaat moeder eens ernstig met je overleggen,
+kind.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Hoe veel ’t mij ook kost, ik moet de zorg voor ’t huishouden zoo goed als geheel uit
+handen geven. Je weet wel, Nel, hoe graag ik tot nu toe alles zelf deed, en ’t is
+dus wel een groote beproeving voor me niet meer voor jullie en in mijn huishouden
+bezig te kunnen zijn … Maar ’k zal mijn best doen daar niet over te tobben, en mij
+op mijn wenken laten bedienen voortaan, zooals papa dat wenscht.”
+</p>
+<p>„Was papoes niet vreeselijk bedroefd, toen hij ’t hoorde?” viel Nel in.
+</p>
+<p>„’k Geloof, dat vader ’t veel erger vond dan ik zelf, kind, maar nu we de zaak eens
+van alle kanten bekeken hebben, doet papa ook zijn best ’t vele goede, dat overblijft,
+niet <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>voorbij te zien. ’k Behoef niet hulpbehoevend te worden, Nel, als … ik heel voorzichtig
+ben.”
+</p>
+<p>Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd zoo verwende
+met haar aan alles denken, voor alles zorgen …
+</p>
+<p>„O mampie, ik <i>kan</i> mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte Nel.
+</p>
+<p>„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te zitten,” glimlachte
+mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige dingen: veel met vader wandelen,
+arme tante Sjarlotje gezelschap houden, dan volop lezen en … weet je wat ik bedacht
+heb, poes: ik ga weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n
+beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in huis is, want
+vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren dichthouden, en dat mogen wij hun
+niet aandoen.”
+</p>
+<p>Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw Canneheuvel,
+„er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk overneemt. Als papa maar niet zoo’n
+hekel had aan juffrouwen. Papa vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn,
+omdat hij ’t er in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.”
+</p>
+<p>„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord had, met nadruk
+in.
+</p>
+<p>Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet <span class="corr" id="xd33e576" title="Bron: aan hooren">aanhooren</span> komen.
+<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p>
+<p>„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg Frits bescheiden,
+en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof gezegd?”
+</p>
+<p>„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar jongen in de
+breede vensterbank naast zich.
+</p>
+<p>Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij zoo even aan
+Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te luisteren, en wisselde veelzeggende
+blikken met Nel.
+</p>
+<p>Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op beide wangen.
+Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te toonen wat hij voelde, en zijn
+opgewekten kijk op de dingen had hij gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel
+door helpen, mamp,” verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in
+eere houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden moeten
+gelooven.”
+</p>
+<p>Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden stem: „Als U ’t
+mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats vervullen, mamp. ’k Weet wel,
+dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden
+als er een vreemde in huis moest komen, en …”
+</p>
+<p>Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van een en twintig
+is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel dat eigenlijk alleen in <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd aan, maar uit zijn blik sprak ook stille
+trots: „wat een lieve, flinke meid was Nel toch.”
+</p>
+<p>En wat mamp wel bij zich zelf dacht?…
+</p>
+<p>„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij eindelijk. „Maar
+kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat in ’t huishouden meehelpen als
+je er juist zin in hebt, is zoo heel anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al
+je tijd en denken aan te geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor
+de huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor menig pleziertje
+opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa en ik je zoo van harte gunnen.
+Bovendien denk je er immers nog altijd over om naar Leiden te gaan, en aan de studie
+te beginnen?”
+</p>
+<p>„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader zei laatst,
+dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.”
+</p>
+<p>„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama, en Frits verklaarde
+wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de meisjes om, met de jongelui mee,
+aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij, dat Nel er niet aan mee wil doen.”
+</p>
+<p>„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen te zeggen,”
+oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens over hebben. Zooals ik
+al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve kind, maar ik wil niet, <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>dat je een deftige huismusch zult worden, terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld
+bent. Je moet gewoon je jongemeisjespleziertjes aanhouden en …”
+</p>
+<p>„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of uit wil,” viel
+Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U zal eens zien, hoe lekker ik
+voor de koffietafel zorg, als ik er op mag zetten wat lekker is …”
+</p>
+<p>„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet ik ’t niet …
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t kunnen stellen zonder
+een juffrouw, die natuurlijk steeds in den huiselijken kring zou moeten zijn. In de
+eerste plaats, omdat vader ’t niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien.
+Maar een kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó ongeveer
+in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders rechter- en linkerhand, en
+leent mij ook haar vlugge voeten als ’t noodig is.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante Sjarlotje te nemen,
+want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender
+wordt. Maar tante wil ook al niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer
+helpen bij ’t aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te worden.
+Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor tante te doen. ’k Neem
+er dan een aankomend meisje bij <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>om Betje beneden te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal
+alles zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik zijn,
+dat we, binnen, onder ons blijven.”
+</p>
+<p>„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,” merkte Frits aan—„want
+midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden uit haar kamer komen—kan Kee toch
+ook wel meehelpen, hé mamp?”
+</p>
+<p>„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa opzoeken om de
+nieuwe regeling verder met hem te bespreken.”
+</p>
+<p>„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei Nel, „en als ik
+’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we de anderen mopperen, hé?”
+</p>
+<p>„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog leeren, of als je
+mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en zóó,” vond Frits noodig op te merken.
+</p>
+<p>„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet mij ook niet
+met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.”
+</p>
+<p>„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama, „dan kan hij
+zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had uitgelegd, dat dit een soort
+knoop was, die je, zonder naald of draad te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen,
+toonde het jongmensch zich hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding.
+</p>
+<p>„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>„mijn schoenen onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.”
+</p>
+<p>Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t ongeluk, dat die
+lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het droeg.
+</p>
+<p>„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als <i>onze</i> mamp,” verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor ons.
+Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.”
+</p>
+<p>„Daarom moeten <i>wij</i> ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al was ’t alleen maar omdat we alles
+aan mamp te danken hebben, zouden we haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt
+flink van je, Nel, de nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.”
+</p>
+<p>„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij, dat dat studeeren
+van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe langer hoe minder lust in, en ’t
+huishouden besturen lijkt mij echt leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder
+aan mij hebben dan aan mamp, dàt waarschuw ik vooruit.”
+</p>
+<p>„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij geen steek te
+zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de gehoorzaamheid van de kinderkamer,
+en je moogt Puck, Lientien, Socrates en <span class="corr" id="xd33e631" title="Bron: Wald">Waldi</span> naar hartelust bedrillen.”
+</p>
+<p>„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd. „Je bent en blijft
+zes jaar jonger dan ik, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>ventje, en behoort, ook nog drie kwart tot de kinderkamer.”
+</p>
+<p>„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar eindexamen hoopt
+te doen, staat minstens gelijk met een meisje van twintig.”
+</p>
+<p>„Eén en twintig, als je belieft.”
+</p>
+<p>„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de winkels zeggen
+ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.”
+</p>
+<p>„Zóó, ouwe heer.”
+</p>
+<p>„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan, en in alles
+mamp te vervangen … nou, ik heb er een zwaar hoofd in.…”
+</p>
+<p>Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich dus niets aan
+van zijn laatste woorden.
+</p>
+<p>Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles goed en best
+wat Nel deed omdat.… zij het deed. Al waren ze nu te groot om nog „parkieten” te heeten,
+ze bleven dezelfde trouwe kameraden als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel
+meer aan dan de andere kinderen onderling.
+</p>
+<p>Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk gelijk op met
+Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen hen kleiner, redeneerde
+hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog
+wat graag. Ze speelde en schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf
+nog een kind was.
+<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p>
+<p>Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t geheel geen
+nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H.&nbsp;B. S.: van die vervelende, aanstellerige
+wichten met een verbeelding en een idee van zich zelf!.… Omdat een meisje één zat
+in hun klas (en dat was nog de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de
+andere meisjes, dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.… De meesten
+van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van zelf sprak. Echt prettig,
+dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn behoefte zijn zuster iets hartelijks
+te zeggen, sprak Frits: „Zooals je weet, Nel, zorg <i>ik</i> voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat heb ik mij vast voorgenomen.
+Maak je dus maar niet ongerust, dat je niet altijd een boterham (en met wat er op
+ook) hebben zult.”
+</p>
+<p>„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel.
+</p>
+<p>Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan mij vroeg? Of
+ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou willen worden. Ik kon nog
+heelemaal niet tot een besluit komen, maar nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden
+naderhand oogarts. En ik ga mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien
+is ’t toch mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen maar
+tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl er zulke knappe oogendokters
+zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.”
+<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p>
+<p>„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit verwaandheid zegt.”
+</p>
+<p>„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen ontdekken, zie je,
+en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd hebt, en wat meer weet van de
+zaak dan een ander.… ’k Hoop wel, dat ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar
+ik gooi me zelf toch ook niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren
+ze me daar altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter Canneheuvel?”
+Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens antwoorden: „Neen, die knappe is
+een broer van <i>mij</i>! of zoo iets.”
+</p>
+<p>„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.”
+</p>
+<p>„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft niet in haar brieven,
+ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo prachtig opereert, en de Chineezen er om
+vechten door hem geholpen te worden.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.”
+</p>
+<p>„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij zijn. In elk geval
+blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet. Maar voorloopig, Nel, blijft dit
+tusschen ons, vooral de „kinderkamer” heeft met mijn plannen voor later geen steek
+te maken.”
+<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2585">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">V</span> <span class="extraDivNum">V</span> HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht gingen, want
+papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden maken met hun vragen, beklag,
+en van alles willen weten. Socrates en Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven
+er dan ook doodkalm onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de
+groote baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend nieuwsgierig,
+en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van alles geheimen maken. Ze vroeg
+er Frits naar, maar die was natuurlijk weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine
+meisjes moeten haar beurt afwachten en niet vragen.”
+</p>
+<p>„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn jaardag,” bedacht Lientien.
+Waarop Puck niet overbeleefd informeerde, of Lientien bij geval mal was? In Den Haag
+kon je immers alles veel mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht?<span id="xd33e680"></span>
+</p>
+<p>„Nou ja …,” zei Lientien een beetje verlegen,… „maar we zullen ’t toch wel gauw hooren
+als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol.
+</p>
+<p>„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>laten merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante wegreden.”
+</p>
+<p>„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?”
+</p>
+<p>„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen, die mogen <i>per sé</i> nooit wat weten.”
+</p>
+<p>„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt tegenwoordig altijd
+van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen geleerd.”
+</p>
+<p>„Iedereen weet, dat „<i>per sé</i>” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck wijs.
+</p>
+<p>„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat begrijpt iedereen,
+en ik doe ’t ook.”
+</p>
+<p>De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige rooden beuk.
+</p>
+<p>Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en maakten daar grappige
+geheimpjes van.
+</p>
+<p>De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den geur van de sterk
+riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd „mamp” gedoopt, dat was de mooiste
+plant uit den tuin. De stammargariet heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar
+de witte meidoorn moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat
+hij vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan op Frits’
+armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die al hooger tegen den
+muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed aan haar <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er naast: „de schitterende
+edelknaap”.
+</p>
+<p>De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand begreep, wat ze
+bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de vorstin” al zoo „kaal” werd,
+of dat „de schitterende edelknaap” op springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa
+Fluweeltje” (een prachtige licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht
+Nel, dat de kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de
+twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je poppen dan ook
+in ’t gras liggen?”
+</p>
+<p>Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt aardig zijn,
+en allerlei leuke dingen verzinnen.
+</p>
+<p>Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid moest worden.
+„Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk die lange takken eens bovenaan,
+je ziet haast geen blaadjes, alleen stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel
+praatjes en kale drukte.”
+</p>
+<p>„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd, „jij hebt
+altijd wat op Frits aan te merken.”
+</p>
+<p>„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.”
+</p>
+<p>Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan bekijken. Die
+had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een uit.
+</p>
+<p>Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>den tuin door tot ze ’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen.
+Doch papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze moesten
+nu niet hinderen.
+</p>
+<p>Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje rondslenteren; ze had
+een plannetje bedacht. Jongejuffrouw „Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden,
+en nauwelijks was de kust vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze <i>moest</i> weten wat die geheimzinnigheid beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open,
+dus sloop Puck weer naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t
+venster bleef staan, kon ze elk woord verstaan.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net hardop: „1625–dood
+van Maurits, 1647–…”
+</p>
+<p>Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck binnen.
+</p>
+<p>„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante … je ma … ik heb ’t door ’t raam gehoord. Nel
+huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de professor heeft gezegd.…”
+verder kwam ze niet. Want Lientien werd doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen,
+en stond Puck, verstijfd van schrik<span class="corr" id="xd33e726" title="Niet in bron">,</span> aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck nog harder begon te huilen.
+</p>
+<p>„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos … dat kon toch niet … dat
+mocht niet … Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien dat vreeselijke gelooven.
+<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
+<p>Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij papa opzoeken.
+</p>
+<p>Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en streelde Socrates,
+die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug.
+</p>
+<p>Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo bedroefd uitzag,
+als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje, zoodat poes met een verontwaardigden
+„mauw” van papa’s schoot sprong, en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen
+om zijn hals.
+</p>
+<p>„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig weenen van
+zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd: „Is ’t waar, dat mampie …?”
+raadde tegelijkertijd de waarheid … En o! wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien
+door haar lieven vader zoo heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden.
+</p>
+<p><span id="xd33e736"></span>’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als Puck had gemeend.
+Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders hart, beloofde hem een groot,
+verstandig meisje te zijn, en het mama niet lastig te maken door overdreven beklag,
+en ’t haar voortdurend laten merken, dat ze zich ontzien moest.<span id="xd33e738"></span>
+</p>
+<p>„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er Puck ook aan
+herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten wezen.”
+</p>
+<p>„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd naar boven te
+gaan.”
+<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span></p>
+<p>Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met een hangend
+hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.”
+</p>
+<p>„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute meid niets beters
+te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt àl ongehoorzamer en …”
+</p>
+<p>Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te kijken, en zonder
+vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en kuste zoo warm haar beschreid
+gezichtje, dat Lientien haar verdriet vergat, en haar belofte aan vader indachtig,
+mampie toelachte. Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak
+verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze toch zoo blij,
+dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien, wanneer ze maar deed wat de professor
+had aangeraden.—
+</p>
+<p>Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien<span class="corr" id="xd33e750" title="Niet in bron">.</span> Mama had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa, want ’t
+kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had, was zóó ontdaan en
+bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging, toen zij berouwvol voor hem stond.
+Met een punt van haar schortje veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl
+ze snikte: „Ik kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo
+vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou dacht ik, dat tante
+bl … blind zou worden, en dat …”
+</p>
+<p>„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>over praten, dat je zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en
+kus het àf.”—
+</p>
+<p>’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te houden. En
+om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had uitgehaald, gauw en gemakkelijk
+vergeven hebben.—
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2594">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">VI</span> <span class="extraDivNum">VI</span> „GEERTJE”.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De keuze uit de vele meisjes, die zich kwamen aanbieden op de advertentie van Mevrouw
+Canneheuvel (de meesten met een piekerig vlechtje in den hals en een schraal, bleek
+snoetje), viel op een zekere Geertje Bom, wie het niet aan de noodige vrijmoedigheid
+ontbrak, toen zij zich kwam aanmelden.
+</p>
+<p>Doch, hieraan gepaard ging iets bepaald trouwhartigs in het optreden van het veertienjarig
+ding, dat Mevrouw Canneheuvel erg voor haar innam.
+</p>
+<p>„’k Wou zoo dolgraag hooger op, ziet U,” zei Geertje, „en U doet er een weldaad mee
+als U mij neemt, want moeder heeft zoo’n groot gezin, en ik moet verdienen. Nou is
+zoo’n diensie as ’k nou heb, zonder middageten, niks niet gedaan. Toe Mevrouw, neem
+U mij nou, U zal er geen <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>spijt van hebben, ikke kan werken als een paardje.”—
+</p>
+<p>De helder blauwe oogen smeekten mee met de overredende stem, en Geertjes lief, frisch
+gezichtje sprak ook in haar voordeel. ’t Kind droeg de Scheveningsche muts met ’t
+hoofdijzer (door Geertje „beugel” genoemd), ze had een helder blauw boezelaar vóór,
+en maakte een properen indruk. De Juffrouw in den winkel, bij wie ’t meisje gediend
+had (van zeven uur ’s morgens tot drie uur ’s middags), gaf vrij gunstige getuigen.
+</p>
+<p>Geertje plaste wel wat veel met water, en ze had meer weg van een ouwelijk vrouwtje
+dan van een kind. Ze moest nog veel leeren, en, of ze nou precies paste in een deftigen
+dienst?.… Maar eerlijk en werkzaam, dat <i>was</i> zij, en eten kon ze voor tien.
+</p>
+<p>Van dit laatste vooral bleek de Juffrouw goed op de hoogte. Toen Geertje dien eersten
+avond uit haar nieuwen dienst om acht uur naar huis ging, raakten Kee en Bet er den
+heelen verderen avond niet over uitgepraat, zooals <i>dat</i> kind met haar vork terecht had gekund. „’t Leek wel,” zei Bet, „of ze aan ’t hooi
+laaien was, zoo schoof ze der eten naar binnen, en der vingers werkten flink met der
+vork mee.”
+</p>
+<p>De groote meiden waren nog niet halfweg met haar eerste portie, toen Geertjes bord
+al schoon leeg was, en ze gluurde zoo begeerig naar de aardappels en lekkere jus,
+of ze nog niks gehad had.
+</p>
+<p>Groente, daar gaf ze niet veel om, en ’t tapiocaschoteltje <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>toe, was een kossie, dat ze niet kende, en waaraan zij zich dien eersten keer maar
+niet zou wagen. „Nou,” vond Bet, „wonderen doet ’t me niet, ’t kind had zich te.….
+(en hier gebruikte Bet geen net woord) gegeten aan vleesch met aardappels en vette
+jus. Haar bord leek wel een kerktoren, zoo hoog als ik ’t had opgestapeld.”
+</p>
+<p>Aan dikke boterhammen met vleesch of koek, liet Geertje zich ook niet onbetuigd. „’t
+Was te merken,” zei Bet, „dat er eentje bij was in de kost.” Doch mevrouw Canneheuvel
+gunde ’t Geertje graag, dat ze nu eens volop kreeg, te meer daar ze wel haar best
+deed, en flink aanpakte.
+</p>
+<p>Bet en Kee sprak Geertje heel beleefd, met „U” aan, en deed steeds alles wat beiden
+haar opdroegen, zonder ooit tegen te stribbelen. (Moeder had immers gezegd: „houd
+de groote meiden te vrind, dan heb je ’t goed.”) Heel gedienstig nam het Scheveningstertje
+Bet dikwijls wat werk uit de hand, wanneer die ’t wat drukker had dan anders met haar
+„pot”, en bleef dan wat later als er dan veel vaten waren te wasschen. De slimmerd
+wist wel, dat ze voor haar gedienstigheid den volgenden dag een belooning kreeg in
+den vorm van een kopje extra zoete, heete koffie. Volgens Geertje was dit de heerlijkste
+drank der wereld. Met haar voeten op de stoelsport, en de roode handjes om de kom
+gevlijd, en de oogen half dichtgeknepen van zoet genot, slurpte ze met kleine teugjes
+haar kommetje leeg. Ze had dat van huis meegebracht, en er ging veel meer in dan in
+een kopje. Maar, was dit leeg, dan sprong <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>ze ook vlug op, en ging met zulk een ijver aan ’t messen slijpen, dat de vonken er
+afsprongen, terwijl ze haar voorhoofd vol rimpels trok van de inspanning. Of ze gaf
+’t tegelplaatsje bij den tuin<span id="xd33e790"></span> een extra beurt, want daar mocht ze naar hartelust met water kletsen. In de keuken
+moest Bet daar niets van hebben.
+</p>
+<p>Lientien had Geertje graag als een soort kameraadje behandeld, maar dat viel tegen.
+Want Geertje maakte ’t zich veel te druk met werken om voor iets anders tijd te hebben,
+en bovendien voelde ze niets voor Lientiens spelletjes; daarvoor was ze veel te oud-vrouwtjesachtig.
+</p>
+<p>Tot Lientiens groote verontwaardiging had Geertje ook niets op met Socrates. ’t Was
+bepaald vijandschap tusschen die twee. Geertje joeg poes weg van haar pas geschrobd
+plaatsje met een: „Vort kat,” waarover deftige Socrates zich, met recht, zeer gekrenkt
+voelde. Aan zulk ruw toespreken was hij volstrekt niet gewend. Waldi nam ’t misschien
+wel op voor Socrates, want hij blafte Geertje in ’t begin altijd aan, als ze in zijn
+buurt kwam. Langzamerhand leerde hij haar bijzijn verdragen, doch toonde zich nooit
+aanhalig tegen ’t meisje. Geertje droeg deze ramp zeer wijsgeerig. „’t Komt zeker
+van mijn mussie, daar kan ’t stomme beest niet aan wennen,” meende zij.
+</p>
+<p>Puck en Geertje kibbelden heel wat af. Dat kind had <span class="corr" id="xd33e797" title="Bron: absolut">absoluut</span> geen manieren, volgens Puck, en wat was ze mal aangekleed! „Waarom draag je geen
+katoenen jurk in plaats van die hoop rokken en dat leelijke jak?” informeerde <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>ze smadelijk. Waarop Geertje haar afbonjourde met de verzekering, dat die hoop rokken
+haar „drach” was, en die liet ze niet.
+</p>
+<p>Wanneer Puck Geertje verweet, dat ze haar expres lang voor de deur liet staan en twee
+maal schellen, onderzocht Geertje, of Puck altijd zoo heet gebakerd was, of ze zei
+kortaf: „loop heen.” Geertje verkoos ook geen jongejuffrouw meer te zeggen tegen de
+kleine meisjes, zooals ze de paar eerste dagen gedaan had. Ze mompelde zoowat van:
+„ja hum,” „nee hum,” wat alles behalve beleefd kon worden genoemd.
+</p>
+<p>Nel verbood Puck mama lastig te vallen met haar klachten. Ze moest zich maar niet
+met Geertje bemoeien en bedenken, dat Geertjes moeder geen tijd zou hebben gehad om
+haar dochtertje goede manieren te leeren.—Puck en Lientien maakten onder elkaar uit,
+dat het nieuwe meisje zoo’n raar kind was, omdat ze tusschen bokking en scharretjes
+was opgegroeid. (Haar vader dreef, voornamelijk in deze vischsoorten, een handeltje.)
+Eens, toen Puck weer kwaad op haar was, wilde ze Geertje ergeren met te zeggen: <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’t Komt zeker van de bokking bij jullie, dat je weer zoo bokkig bent.” Waarop Geertje
+gevat antwoordde: „Dat ben jij dan zonder bokking.” Puck bleef sprakeloos van woede,
+maar ze hield der complimenten voortaan vóór zich, vertelde Geertje in de keuken.—
+</p>
+<p>Puck had echter, niet minder dan de andere kinderen, toch wel erg met Geertje te doen,
+toen zij (op een morgen <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>thuis geroepen, omdat moeder zoo náár lag) ’s avonds kwam vertellen, dat deze gestorven
+was.
+</p>
+<p>’t Arme kind huilde erbarmelijk. Hoe moest dat nu met die zes kleintjes thuis? Moeder
+was toch zoo goed geweest; ze sloeg nooit hard, en was altijd voor hen bezig. Vader
+wist niet wat hij moest beginnen!.…
+</p>
+<p>In overleg met vader Bom, werd er nu bepaald, dat Geertje voor een week of langer
+naar huis zou gaan om voor ’t huishouden te zorgen. Vader wilde zijn oude moeder uit
+Zeeland laten overkomen om hem te helpen, want Geertjes verdiensten konden niet lang
+gemist worden, en zoo’n puiken dienst als bij „Mevrouw” vond ze ook zoo gauw niet
+weerom.
+</p>
+<p>Nel liep met Puck en Lientien in den tuin ’t geval te bepraten. Ze hadden allen toch
+zoo’n meelij met de familie Bom.
+</p>
+<p>„En moet Geertje nou alleen voor al die wormen bij haar thuis zorgen en eten koken,
+en de boel aan kant houden?” vroeg Puck. „Maar Nel, dat kan ze immers niet?”
+</p>
+<p>„’t Zal maar moeten gaan, zooals ’t gaat,” zei Nel.
+</p>
+<p>„Je begrijpt: mamp zal Geertje niet in den steek laten. ’t Is net iets voor mamp,
+om die stumperds in den nood bij te staan, en Geertje mag al vast hier elken avond
+komen halen, wat er aan brood en middageten over is. Ik heb met Bet moeten afspreken,
+dat ze wat meer overhoudt dan anders. Koken hoeft Geertje dan alvast niet.”
+</p>
+<p>„En ze kunnen dan tenminste met hun buikje vol naar bed gaan,” merkte Lientien tevreden
+op. Ze zweeg een <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>poosje, en vervolgde toen: „Wat hebben die kinderen een heel ander leven dan wij,
+hé Nel? Geertje is toch eigenlijk ook nog maar een kind, en nou moet ze al zoo tobben
+en zorgen in plaats van te spelen en pret te maken. Toch wel zielig, dat er zoo’n
+verschil moet zijn in de wereld, en je kan er zoo niks aan doen.”
+</p>
+<p>„Neen, lieve schat, dat kunnen we nou eenmaal niet, maar weet je, wat mamp van morgen
+zei? We kunnen <i>wel</i> ons best doen, naar ons vermogen menschen, die ’t noodig hebben, bij te staan en
+te steunen. Niet alleen met ons meelij aankomen, maar echt <i>helpen</i>.”
+</p>
+<p>Lientien dacht een poosje nà, en stelde toen voor: „We moesten van onze centjes sparen
+om hun met St. Nicolaas wat te geven, zullen we, Puck? Als we elke week vijf centen
+op zij leggen houden we nog twintig over; dat kan best. ’t Is nou pas Juni, dus wat
+een weken hebben we nog!! <span class="corr" id="xd33e830" title="Bron: Mischien">Misschien</span> doe jij ook wel mee, Nel?”
+</p>
+<p>„Met liefde hoor, en ik geef een dubbeltje, omdat ik zooveel meer zakgeld heb!”
+</p>
+<p>„Zou Frits ook willen?” onderzocht Lientien, die vond, dat de zaak flink moest worden
+aangepakt.
+</p>
+<p>„Secuur,” besliste Nel.
+</p>
+<p>„Nou maar <i>ik</i> vind vijf cent veel te veel,” zei Puck. „Ik heb nog schuld ook; ’t geef er maar twee.”
+</p>
+<p>„Ieder centje is welkom,” meende Lientien vriendelijk.
+</p>
+<p>Na drie weken kwam Geertje terug. In plaats van grootmoeder, was tante Heintje gekomen
+om te helpen. Tante <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>Heintje was weduwvrouw, en had zelf geen kinderen. Geertje vond tante een goeie, ouwe
+zeur, die den jongens stellig geen baas zou blijven.
+</p>
+<p>Aan Geertje kon je niet merken, dat ze zich moeders dood erg aantrok. Ze was niet
+stiller dan anders, en schreien deed ze evenmin. Onder haar werk neuriede ze, als
+vroeger, dezelfde eentonige liedjes.
+</p>
+<p>„Hoe kan Geertje toch weer zoo gewoon zijn; haar moeder is nog geen maand dood,” zeiden
+de kleintjes.
+</p>
+<p>Doch mama wees hen terecht; de kinderen moesten niet zoo naar ’t uiterlijke oordeelen.
+In haar hart was Geertje zeker nog wel bedroefd, al toonde zij dit niet naar buiten.
+</p>
+<p>„’t Komt zeker van die weeë vischlucht,” zei Puck tegen Lientien. „’t Is me ook wat
+lekkers om te moeten slapen in gezelschap van gerookte visch. Geertje zegt, dat ze
+er nooit wat van ruikt; natuurlijk is haar reuk afgestompt en de rest zal wel „<span class="corr" id="xd33e851" title="Bron: na venant">navenant</span>” wezen.” Puck wist dit alles zoo precies van Frits. Die had een poosje geleden een
+pakje aangereikt, namens Mevrouw Canneheuvel, bij de familie Bom, en was toen even
+in de huis- tevens slaapkamer geweest. Er waren wel drie bedsteden tegen de wanden.
+De kamer zag er zindelijk uit, maar ’t riekte er alles behalve aangenaam, van wege
+de bokkings en scharretjes, die in rissen tegen de zoldering hingen.
+</p>
+<p>„We hebben nog wel een plekkie op zolder,” had vrouw Bom gezegd, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>maar daar vreten de muizen er aan; dus moeten we de visch wel hier bergen. Och, Jongeheer,
+wij <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>menschen moeten maar niet kieskeurig zijn, en ons weten te behelpen. Als de kinderen
+maar gezond bennen, en elken dag ’t hunne krijgen, ben ’k al meer dan tevrêe.”—
+</p>
+<p>Arme ziel! nou hoefde zij zich niet meer te behelpen. Ze was heengegaan, en had de
+zorg voor haar kleine stumperds aan anderen moeten overgeven.
+</p>
+<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
+</p>
+<p>Op den duur vond mevrouw Canneheuvel ’t toch wel wat te ver voor Geertje om twee keer
+per dag dat lange eind tusschen Scheveningen en de Groot Hertoginnelaan af te leggen.
+Er was op zolder een klein kamertje met plaats voor een bed, waschtafeltje, stoel
+en tafel. Dit vertrekje werd nu voor Geertje ingericht. Door een flink raam had je
+„’t mooiste uitzicht van heel ’t huis,” zei Frits, want je zag de duinen in de verte
+en, als je goed keek, zelf den vuurtoren.
+</p>
+<p>De kinderen hadden er schik in Geertjes kamertje aardig aan te kleeden. Lientien spelde
+haar mooiste prentbriefkaarten met punaises tegen de beschadigde plekjes van ’t behang.
+Nel hing er een groote plaat op (welke lange jaren de kinderkamer had versierd), een
+muizenfamilie voorstellend, die een bal geeft, en haar gasten heerlijk onthaalt op
+spek, stukjes kaars, en andere lekkernijen.
+</p>
+<p>Puck versierde de waschtafel met twee bloemenvaasjes, één was nogal kapot, maar stond
+met ’t stuk er uit tegen de plank, dus dat hinderde niets. Frits wou ook wat doen,
+<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>en had twee vuurroode papieren rozen tegen de gordijntjes bevestigd. Deze versiering
+kleedde, volgens hem, niet alleen ’t raam, doch ’t heele kamertje aan.
+</p>
+<p>Frits wou echter voor Geertje niet weten, dat hij haar met deze schatten had begiftigd,
+want hij vond zich zelf te oud en te groot voor zoo iets. ’t Was omdat hij die rozen
+nou had, zie je, en Geertje ze zoo prachtig vond, toen zij ze eens bij toeval had
+gezien.—
+</p>
+<p>Toen mama Geertje vroeg, of ze niet liever bij hen wilde blijven slapen, had ’t meisje
+onbeholpen van „ja” geknikt. Nu ze echter haar vriendelijk, keurig kamertje zag, was
+ze echt blij, en huppelde tusschen het ledikantje en de andere meubeltjes rond of
+ze vijf inplaats van veertien was. Alles vond ze prachtig tot de beddesprei, die Bet
+nog gevonden en over haar bed had gelegd, en den nachtzak van Kee toe, waarop met
+rood verschoten letters: „Wel te rusten” was geborduurd. „En, dat <i>dat</i> nou <i>mijn</i> kamertje is, van mijn eigens,” zuchtte Geertje innig voldaan. „’t Is niet te gelooven.”
+</p>
+<p>Geertje was heel netjes op haar slaapsalet. Haar grootste plezier bestond er in ’s
+Zaterdags ’t zeil met zeepsop op te nemen, en de „heele kamer” een goede beurt te
+geven. Ze had dan een bereddering voor tien, droeg alle meubeltjes op den zolder,
+en boende, poetste en wreef alles wat hiervoor maar eenigszins in aanmerking kwam,
+tot haar ijzeren bedje toe.
+</p>
+<p>En Bet liet ’t schaap goedig begaan, want het gebeurde <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>maar eens in de week, en maakte Geertjes grootste plezier uit.… op één na. Dàt was
+’t poetsen van haar hoofdijzer, waaraan ze menig kwartiertje besteedde, maar dat blonk
+dan ook altijd als de zon. „Een zilveren zon, waarin je je spiegelen kon,” zei Lientien.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2603">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">VII</span> <span class="extraDivNum">VII</span> VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De vriendschap tusschen Frits en Japie was niet lang bestand geweest tegen hun scheiding.
+Eerst hadden ze elkaar nog af en toe geschreven, maar Frits vond Japies brieven „niets
+aan”. De zijne leken hem nog al moppig, maar Japie beantwoordde ze met geen syllabe.
+Hij vertelde flauwe grappen van school, en toonde in ’t geheel geen belangstelling
+voor Frits’ leven in den Haag, en de nieuwe kennissen, die hij er gemaakt had. Dus
+was de correspondentie al minder en minder geworden, en nu zoo wat op sterven na dood.
+En met de vriendschap was ’t al niet veel beter.
+</p>
+<p>Zijn nieuwen vrind had Frits in de muziekclub gevonden. Hij heette Frans van Delden,
+en was een lange, tengere jongen van zestien jaar, met heldere blauwe oogen, en een
+<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>fijn besneden gezicht. Mevrouw Canneheuvel voelde zich erg aangetrokken tot stillen,
+bleeken Frans, ook omdat zijn oogen haar aan die van Careltje (haar jonggestorven
+jongetje) deden denken. Frans kon ook zoo ernstig en stil voor zich uitstaren, alsof
+hij dingen zag, die voor anderen verborgen bleven.
+</p>
+<p>Frans was niet sterk en werd, als eenige zoon, thuis door zijn ouders dubbel ontzien.
+</p>
+<p>Puck, die altijd wat op iemands uiterlijk had aan te merken, vond, dat de armen van
+Frans precies leken op die van een slingeraap, haast nog meer dan die van Frits. Maar
+als Frans aan ’t spelen was, hield Puck haar brutalen mond. Zij was dol op muziek
+en zag hoog tegen Frans op, want zooals die viool speelde deed niemand van de club
+’t hem nà, en daarbuiten zeker niet velen van zijn leeftijd. Sinds Frans van Delden
+in het muziekclubje was, werd er op de muziekavonden veel beter en mooier gespeeld
+dan vroeger. Ook bij de familie Canneheuvel. Mamp en Nel durfden geen mond open doen;
+van mopjes of gewone dansjes kwam niets in, en haar oordeel over andere muziek hielden
+moeder en dochter wijselijk vóór zich. Slechts verheven muziek werd gespeeld van de
+allereerste meesters als: Beethoven, Mozart, Bach en dergelijken, veel te hoog en
+onbegrijpelijk voor mama en Nel, doch waarvan vader en Frits genoten.
+</p>
+<p>Papa vond ’t van zelf sprekend, dat Frans de muziekavonden leidde, en niemand nam
+’t hem kwalijk, als hij <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>op zijn kalme, bescheiden manier op gemaakte fouten wees.
+</p>
+<p>Want Frans was nu eenmaal een muzikaal genie, en zou nog eens als een ster van den
+eersten rang aan den kunstenaarshemel schitteren. Daarover waren al zijn vrienden
+’t eens, en Frits had zich al vast bij Frans op vrijkaartjes geabonneerd voor de concerten,
+waar deze als solist zou optreden. Want die zouden natuurlijk zoo druk bezocht worden,
+dat de menschen slechts met moeite een plaatsje zouden kunnen bemachtigen.
+</p>
+<p>Als Frits zoo aan ’t opsnijden was, verzocht Frans hem kalmpjes niet zoo door te slaan
+als een blinde vink. Hij wist volstrekt nog niet, of hij zich aan de muziek zou wijden.
+Zijn ouders zagen hem veel liever ingenieur of dokter worden. Want de kunstenaarsloopbaan
+toch, is vol stekels en doornen, en éér je nog zoover bent.… Al had Frans aanleg als
+violist, ’t was nog hard de vraag, of hij doorzettingskracht genoeg zou hebben voor
+die moeilijke studie. Hij stond nog pas aan ’t begin. Al ’t reusachtig zware, de ontzettende
+rijstebrij-berg, waar je door heen moet, om wat te kunnen „worden”, daaraan was hij
+nog niet eens toe.
+</p>
+<p>Zoo sprak bescheiden Frans, doch zijn clubkameraden hielden vol, dat ’t allemaal valsche
+bescheidenheid was van Frans.
+</p>
+<p>„Is muziek dan zoo vreeselijk moeielijk, mampie?” vroeg Lientien, die niet begreep,
+hoe iemand op noten kon zingen. Met haar lief, fijn stemmetje zong zij ouderwetsche
+<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>liedjes naar ’t gehoor, die ze vroeger van tante Sjarlotje leerde.
+</p>
+<p>„Veel te moeilijk voor ons, lieverdje,” antwoordde mama. „Ik vrees, kind, dat je mijn
+muzikalen aanleg geërfd hebt, en wijs zult doen je tijd niet met pianospelen of zangstudies
+te verknoeien.”
+</p>
+<p>Dit was Lientien roerend met moeder eens, al zong ze wel graag voor haar poppen, als
+Puck er niet bij was, die dat met poppen spelen van Lientien niet uit kon staan<span class="corr" id="xd33e913" title="Niet in bron">.</span> Daar was je als kind van tien jaar toch al veel te groot voor!
+</p>
+<p>Puck had bepaald aanleg voor muziek. Als ze er kans toe zag, zat ze voor de piano,
+en tokkelde er op los, speelde allerlei wijsjes uit haar hoofd na. ’t Werd tijd, dat
+ze les kreeg, doch oom wilde niet, dat Puck op zijn mooien vleugel zou studeeren,
+en dus moest er voor Puck een tweede-handsch piano worden aangeschaft, waarop ze naar
+hartelust zou mogen oefenen en broddelen.
+</p>
+<p>„Ajakkes,” riep Jongejuffrouw Puck verdrietig, „waarom mag ik niet op den vleugel?
+Je moet juist op een goeie piano studeeren,<span id="xd33e918"></span> zegt iedereen.<span class="corr" id="xd33e920" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„Tante zal wel zorgen, dat de piano, die je voor je studeeren krijgt, goed genoeg
+is,” zei oom. „Maar van mijn vleugel blijf je voortaan af, begrepen juffertje? Je
+gebruikt ’t pedaal of ’t noodig is of niet, en bonkt er me veel te hard op.”
+</p>
+<p>Tegen oom durfde Puck natuurlijk niet opspelen, maar <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>bij zich zelf dacht ze: „’t Zal wat moois zijn, die piano van tante! Tante zegt zelf,
+dat ze in ’t geheel geen verstand heeft van piano’s.”
+</p>
+<p>Nu, dit was ook zoo, en daarom nam tante Frans in den arm, om haar bij dit zaakje
+behulpzaam te zijn. En Frans deed zijn uiterste best, want wie zou zich niet graag
+voor Mevrouw Canneheuvel uitgesloofd hebben.
+</p>
+<p>Toen ’t nieuwe instrument dan ook kwam, en in een kamertje werd geplaatst, zoo ver
+mogelijk van den vleugel àf (anders kwam er vast herrie tusschen die twee), was Puck
+dan ook nog al ingenomen met <i>haar</i> piano. Frits’ muziekonderwijzer zou ook Puck les geven, en de goeie man had al gauw
+reden om hoogst tevreden, of ernstig misnoegd te zijn over zijn nieuwe leerling. Want
+Puck studeerde goed of niet, en dan gaf dat op de les prijsjes, doch veel meer aanmerkingen
+en verwijten. De heer Stang, door Puck de mopperbaas genoemd, had al gauw verzocht,
+of een van de huisgenooten Pucks les wilde bijwonen. Want eigenlijk voelde hij zich
+geen baas over bijdehante Puck, die altijd wat had tegen te pruttelen en haar onderwijzer,
+als hij haar echt een standje maakte, kon aankijken met haar zwarte flonkeroogen,
+alsof ze hem wou opeten.
+</p>
+<p>Als vader of mamp tijd noch gelegenheid hadden de les bij te wonen, kwam Nel eens
+kijken, en vond dan dikwijls tante Sjarlotje, die aan Kee’s arm over ’t portaal was
+komen aanschuifelen, en onder ’t gamma’s spelen van Pucks vlugge vingers een zalig
+dutje deed.
+<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
+<p>„Hoe is ’t mogelijk,” dacht Nel, „dat tante door dat lawaai heen slapen kan.”
+</p>
+<p>Maar tante beweerde, dat ze juist nooit lekkerder hazenslaapjes deed dan onder ’t
+luisteren naar eentonige geluiden, die al zachter en zwakker werden, tot ze er heerlijk
+bij indutte.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Al was de tweede-handsch piano heel goed, ’t ergerde Puck, met haar hoogmoedig hartje,
+niet weinig, dat ze niet op den vleugel mocht spelen. Frits, die Jongejuffrouw Puck
+niet te best vertrouwde, had den sleutel verstopt, doch slimme Puck had het schuilplaatsje,
+in een van de Japansche vazen, al gauw ontdekt, en op een keer, toen de „grooten”
+allen uit waren (behalve tante Sjarlotje, die de trap niet meer afkwam), haalde de
+bengel den sleutel uit de vaas, en ging, juist omdat ’t haar verboden was, op den
+vleugel spelen.
+</p>
+<p>Al gauw stak Lientien haar hoofd om de deur.
+</p>
+<p>„Maar Puck, je mag niet op pa’s vleugel,” riep ze verontwaardigd.
+</p>
+<p>„Gaat je niks an, bemoeial,” antwoordde Puck tusschen twee grepen van een marsch in.
+</p>
+<p>„’t Zou maar gauw uitscheiden, ondeugend kind,” waarschuwde Lientien, „je moest je
+schamen iets te doen wat papoes niet hebben wil.”
+</p>
+<p>„Iedereen is niet zoo’n flauw zuigelingenkind als jij,” hoonde Puck.
+<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
+<p>Lientien werd echt driftig<span class="corr" id="xd33e951" title="Niet in bron">.</span> <span class="corr" id="xd33e953" title="Bron: ,.,">„</span>Nare treiter,” viel ze uit, „als je me weer „zuigelingkind” noemt, zeg ik tegen jou:
+„zwarte Zigeuner”, want iedereen zegt, dat je daarop lijkt en.…”
+</p>
+<p>Puck plaagde wel graag, doch zelf kon ze volstrekt niet tegen plagen. „<i>Dat</i> zal je berouwen, Caroline Canneheuvel,” riep ze, en keek Lientien zoo koud en dreigend
+aan, terwijl haar stem akelig plechtig klonk, dat kleine, domme Lientien er geweldig
+van ontroerde. Met een harden slag vloog de vleugel dicht, en Puck rende naar boven,
+terwijl Lientien, heelemaal ontdaan over de sombere, geheimzinnige bedreiging, achterbleef.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Den daarop volgenden Zaterdag was ’t zulk slecht weer, dat er den heelen middag geen
+sprake was van uitgaan, of in den tuin spelen. Puck stond maar voor ’t raam te mopperen
+en te brommen, zoodat tante eindelijk knorde: „Houd nu eens eindelijk op, Puck, met
+dat gepruttel. Waarom ga je niet lezen of pianospelen, of Lientien helpen naaien?
+Ze heeft een heelen hoop mooie fluweelen en zijden lapjes van tante Sjarlotje gekregen,
+en gaat de zomerkleeren van al haar poppen opknappen.”
+</p>
+<p>„Jakkes, voor die malle, dooie poppen naaien! Hoe heeft Lientien er lust in?” smaalde
+Puck.
+</p>
+<p>„’k Ben heel blij, dat Lientien nog niet zoo groote-menschachtig is als jij, Puck,”
+zei tante kalm. „Daardoor heeft ze menig pleziertje, dat jij moet missen. In elk geval
+<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>wil ik je nu niet langer zoo ontevreden en mopperig om me heen hebben draaien. Ga
+een of ander uitvoeren, dat je prettig vindt, anders geef ik je een taak op. Je breikous …”
+</p>
+<p>Doch Puck was al weg. Aan breien had ze een broertje dood. De kous, die ze onderhanden
+had, zag zoo zwart als roet, en als tante die zag, zat er vast een standje voor haar
+op.
+</p>
+<p>Eerst ging Puck Socrates een beetje vervelen, want die wou slapen, en was niets gesteld
+op Pucks hardhandige liefkoozingen. Maar Waldi wilde wel spelen en al gauw maakten
+Puck en hij zulk een verschrikkelijk lawaai met z’n beiden, dat oom heel boos uit
+zijn kamer kwam vragen, of dat geweld haast gedaan was.
+</p>
+<p>„We maggen ook niks, hè Waldi?” riep Puck verontwaardigd. Ze bracht den hond, die
+door ’t dolle heen was, tot bedaren, en slenterde naar boven, op ander kattekwaad
+bedacht.
+</p>
+<p>Ze moest Lientien haar vreeselijke beleediging van „zwarte <span class="corr" id="xd33e974" title="Bron: zigeuner">Zigeuner</span>” nog betaald zetten, en op eens viel haar in, welke poets ze Lientien bakken zou.
+Die zat intusschen innig vergenoegd bij tante Sjarlotje. Tantes vroeger zoo vlugge
+vingers konden nu niet meer voor Lientiens poppengarderobe zorgen. Ze stonden krom
+en stijf van de rheumatiek. Maar Lientien had heel wat van tante afgekeken, en van
+tantes goeden raad kon ze nog steeds profiteeren. Haar babbelmondje stond geen oogenblik
+stil, terwijl ze bezig was een hoedje op te maken voor haar oudste dochter <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>Suze. „Wat dunkt u, tante, zou ik op dit blauwe hoedje wel een vuurroode roos zetten?.…
+’t Lijkt me erg opzichtig.”
+</p>
+<p>„’t Wordt toch wel gedragen,” meende tante, die ’t opmaken van Suze’s hoed niet minder
+gewichtig vond dan Lientien. Moeder Lientien legde de roos weg, en hield een takje
+blauwe vergeet-mij-niet tegen de hemelsblauwe zijde. „O Hemel! nee, leelijk hè?”
+</p>
+<p>„O Hemel nee,” kwam de echo van tante. „Wat denk je van een wit zijden strik, Lienepien?”
+</p>
+<p>„Ook te schel … vindt u niet?”
+</p>
+<p>„Daar bedenk ’k mij, dat ’k nog zacht rose lint heb liggen, net appelbloesemtint,”
+legde Sjarlotje uit, „dat zal er beeldig bij staan.”
+</p>
+<p>„Dat lijkt mij ook,” riep Lientien verheugd, en zij liep vlug naar de commode, om
+in de derde lade, ’t hoekje links, volgens tantes aanwijzing, de lintendoos te zoeken.
+</p>
+<p>„Voor „daags” heeft Suze een matelo’tje (van Nel gekregen), daar doe ik een zwart
+lint om, en klaar is Kees,” vertelde Lientien, terwijl haar mollige handjes ’t hoedje
+garneerden met kleine dofjes van het appelbloesemlint. Al de slijtgaatjes konden mooi
+tusschen de <span class="corr" id="xd33e986" title="Bron: plootjes">plooitjes</span> weggestopt. „’t Wordt beeldig,” verklaarde ze opgewonden, „maar kan tante ’t eigenlijk
+wel missen?”
+</p>
+<p>„Wat zou ik voor mijn Lienepoes niet graag geven?” vroeg tante teeder. „Maar bovendien
+heeft tante Sjarlotje al sinds lange jaren niets meer aan kleurige linten en strikken,
+dat is goed voor de jeugd. Dit lint is al erg oud, <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>’t was vroeger bepaald hard rose, maar ieder jaar verbleekte ’t een beetje meer, en
+is eigenlijk nu pas mooi van tint.”
+</p>
+<p>„Zit er een geschiedenis aan vast, tantetje?” vroeg Lientien, die dol was op verhalen
+uit de jeugd van groote menschen.
+</p>
+<p>„Niet veel bizonders, kind. Toen tante een jong meisje was, had zij een vriendin,
+die ook Charlotte heette, en zoo waren wij de twee „Lotjes”<span class="corr" id="xd33e997" title="Bron: ,">.</span> Wij hielden veel van elkaar, maar waren wel wat overdreven in onze vriendschap, zooals
+jonge meisjes dat wel meer zijn. Natuurlijk gaven we elkaar presentjes bij voorkomende
+gelegenheden, en zoo kreeg ik dit rose lint van haar voor mijn haar.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Daar vond ik ’t veel te mooi voor, en bewaarde het, tusschen vloei, jaar in jaar uit.
+Dikwijls bekeek ik het, en dacht dan aan dien ouden tijd, toen Lotje en ik elkaar
+eeuwige vriendschap beloofden en.… elkander toch zoo spoedig vergaten<span class="corr" id="xd33e1003" title="Bron: ”.">.”</span>
+</p>
+<p>„Hoe kwam dat dan, Lottepotje?”
+</p>
+<p>„Wel, Lotje ging naar Canada, en ik hoorde nooit meer iets van haar. Toen stierf mijn
+vriendschap ook, maar van ’t rose lint kon ik toch niet scheiden. ’t Was haar laatste
+presentje.”
+</p>
+<p>„Ik denk, dat Annie en Wimpie wel altijd vriendinnen van mij zullen blijven,” zei
+Lientien hoopvol. „We schrijven elkaar trouw, en mamp heeft beloofd, dat ze in de
+vacantie mogen komen logeeren. Hè, zalig!.… Tante, zal ik u eens wat vertellen? ’k
+Heb tegenwoordig toch zoo <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>dikwijls ruzie met Puck. Ze is niks lief tegen mij, en ik ook niet tegen haar.”
+</p>
+<p>„Maar Lientien.…”
+</p>
+<p>„Echt tante, nou praat ze ook weer niet tegen me, al twee dagen lang. Enkel „ja” en
+„nee”.”
+</p>
+<p>„Hoe komt dat dan, snoezepoes?”
+</p>
+<p>„We hebben elkaar uitgescholden omdat.… maar dat kan ik niet allemaal vertellen, want
+ik wil haar niet verklikken.”
+</p>
+<p>„’k Zou ’t maar weer bijleggen,” suste tante. „’t Is vast niks erg.”
+</p>
+<p>„Dat zit nog,” beweerde Lientien, die alle uitdrukkingen van Frits trouw overnam,
+als zij ze leuk vond. „Puck houdt ook niks van poppen,” ratelde Lientien door, „en
+ze vindt ’t vreeselijk gek, dat ik er zoo graag voor naai. Nou, Annie<span id="xd33e1019"></span> en Wimpie brengen vier kinderen mee, en ik wil natuurlijk, dat mijn zes er netjes
+uitzien tegen dat ze komen, wat zegt u? Voor Suus en Francine ben ik klaar, maar Dora
+moet nog een jurk en kleine Koo een paar sokjes.…”
+</p>
+<p>„Jammer, dat ik je niet meer kan helpen, snoes,” zei tante treurig.
+</p>
+<p>„Niks erg hoor Sjarlottepotje,” riep Lientien, verteederd. „U helpt me al genoeg met
+goeien raad. En kijk eens wat een prachthoed die Suus nou voor best heeft? Als ze
+maar niet zoo’n ijdeltuit wordt als haar tante Puck!”.…
+</p>
+<p>Wanneer Lientien op dit oogenblik Puck had kunnen zien, zou ze haar nog voor wat heel
+anders hebben uitgemaakt <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>dan voor een ijdeltuit. Want dit slechte meisje vergreep zich juist aan Lientiens
+lievelingen. Behalve Suus zaten al Lientiens kinderen op hun kleine stoeltjes rond
+’t tafeltje in een hoekje van de groote slaapkamer van Puck en Lientien. Ze zeiden
+niets, ze keken maar, toen ze die woeste tante zagen binnenkomen, en hun poppeharten
+beefden. Want tante Puck had meestal niet veel goeds in den zin, en moeder was er
+niet om hen te beschermen. En ja wel, daar had je ’t al! Eén voor één werden ze beet
+gepakt: mooie Francine bij haar blonde haar, doch die was te groot, en werd weer op
+haar plaatsje neergesmakt. Maar Dora, die kon nog net, Sjarlotje en Nellie ook, kleine
+Koo, ruw aangepakt bij zijn verbonden been, was juist geschikt, en zoo werd ’t viertal,
+hutje mutje, over elkaar, in tantes schortje gestopt.
+</p>
+<p>Behoedzaam, naar alle kanten uitkijkend, sloop Puck met haar buit naar den salon,
+kreeg met moeite ’t blad van den vleugel open, en legde Lientiens lieverdjes zoo maar
+op de harde snaren. Kleine Koo zakte tusschen een openingetje zelfs heelemaal weg.
+</p>
+<p>„Ziezoo,” knikte Puck onbarmhartig, terwijl ze ’t blad weer liet vallen, „daar liggen
+jullie goed, en je moeder kan lang zoeken eer zij je vindt. Hoe of je dat bevallen
+zal, Caroline Canneheuvel?”
+</p>
+<p>Lientien miste haar kinderen pas ’s avonds laat, toen ze Suus naar bed bracht. (Die
+had tante Sjarlotje den heelen dag gezelschap mogen houden.) Ze was meer verbaasd
+dan <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>verschrikt, verdacht Puck geen oogenblik, en vroeg Francine, of die er soms van àf
+wist. Doch Francine deed niet anders dan staren. Ze zou dol graag alles verteld hebben,
+maar ’t was al mooi, dat ze „papa” en „mama” kon piepen. Verder had ’t wurm ’t nog
+niet gebracht. Moeder Lientien had te veel slaap, om nu nog te gaan zoeken, doch den
+volgenden dag liep ze ’t heele huis door. Geen plekje, waar ze niet keek, en iedereen
+hielp ’t arme, beroofde moedertje: Nel, Frits, Kee, Socrates en Waldi, allen deden
+trouw hun best. (Naderhand herinnerde Lientien zich, dat Waldi onder den vleugel juist
+verschrikkelijk geblaft had.) En zij verdacht Waldi nog al van de misdaad, omdat hij
+wel eens meer een kind had meegesleurd en deerlijk gehavend. Maar nu, alle vier.…
+Puck deed quasi met zoeken mee, doch dat slechte kind lachte in haar vuistje. „Wacht
+maar tot van avond,” dacht ze bij zich zelf. „Puck mag niet aan de mooie piano komen,
+hé? Maar nou liggen er lekker vier poppen in!” Frits had haar al een paar keer verdacht
+aangekeken. Hij vertrouwde haar eigenlijk in ’t geheel niet, en vroeg op eens: „Zeg
+Juffertje, weet je daar heusch niet meer van?” waarop Puck ’t puntje van haar tong
+tegen hem uitstak.
+</p>
+<p>Lientien had een echt verdrietigen Zondag, en Puck voelde zich eigenlijk ook in ’t
+geheel niet voldaan. Maar ze wilde niet naar de stem van „Meester” luisteren. De „zwarte
+Zigeuner” zat haar nog veel te dwars.
+</p>
+<p>Zondagavond kwam met de muziekjongens, zooals Puck <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>ze noemde. Er was een nieuw stuk ingestudeerd, dus verzocht Frans: „Als je blieft
+langzaam spelen, hé?” Papa zat voor de piano, en keek al verbaasd, toen hij de eerste
+noten aansloeg. „Wat drommel scheelt die piano vandaag?” vroeg hij, „er is geen klank
+in; ’t lijkt wel, of er fluweel om de toetsen heen zit. Frans, probeer jij eens kerel,
+er moet wat aan de toetsen haperen. De stemmer is er pas geweest, ontstemd kan hij
+niet zijn.”
+</p>
+<p>Frans sloeg een paar accoorden aan, en keek al even verwonderd als de heer Canneheuvel.
+</p>
+<p>„’k Geloof, dat er wat op de snaren drukt,” zei hij toen. „Misschien is er een muis
+in den vleugel.…”
+</p>
+<p>„Lieve Hemel!” riep vader ontsteld, en sloeg haastig ’t bovenblad open, keek naar
+binnen.…
+</p>
+<p>„Wat is dat?.… Lientiens poppen!!” En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotje en Nellie
+volgden. „Sla nu eens aan, Frans?.… Ja, ik geloof, dat ’t nu in orde is. Maar wie
+heeft, in lieve vredes naam, Lientiens poppen in den vleugel gestopt?”
+</p>
+<p>’t Was Puck toch te benauwd geworden. Toen haar ondeugendheid op ’t punt stond aan
+’t licht te komen, was ze vlug de kamer uitgeslipt, en zat nu in de keuken met een
+angstig hart bij Bet, die haar al twee keer minzaam had voorgesteld liever heen te
+gaan.
+<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p077width"><img src="images/p077.png" alt="Wat is dat?—Lientiens poppen! En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotte en Nellie volgden." width="548" height="720"><p class="figureHead">Wat is dat?—Lientiens poppen! En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotte en Nellie volgden.</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb76a">[<a href="#pb76a">76</a>]</span></p>
+<p>Natuurlijk was er heel wat gelach en gepraat over de vondst van den heer Canneheuvel
+onder de jongens. Lientien, heel blij, dat ze haar verloren schapen terug had, liep
+<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>er dadelijk mee naar boven. De stakkerds hadden al lang in bed moeten liggen. „Natuurlijk
+een streek van Puck,” dacht Lientien verontwaardigd, „ik hoop, dat ze er een flink
+standje voor zal krijgen. Hoe durft dat brutale kind toch!”
+</p>
+<p>Intusschen werd er beneden doorgespeeld. Frans beweerde, dat ’t nog niet heelemaal
+in orde was met ’t geluid, doch de anderen konden dit niet zoo hooren, tot Lientien
+weer binnen kwam, en fluisterend aan mama vertelde, dat ze „kleine Koo” nog miste.
+</p>
+<p>„’k Geloof, man, dat „kleine Koo” nog in den vleugel zit,” zei mama hierop.
+</p>
+<p>En ja wel! Na veel kijken en zoeken, ontdekte Frans een klein gevalletje in een rose
+hemdje, heel in de diepte vergleden. Met behulp van Mama’s lange schaar werd „kleine
+Koo” uit de diepste duisternis aan het heldere licht gebracht.
+</p>
+<p>„Mis je nu heusch geen enkel kind meer, Lientien?” vroeg vader een beetje ongeduldig.
+„Voortaan gaat de vleugel stijf op slot, en bewaar ik zelf den sleutel.”
+</p>
+<p>„Er is gelukkig geen kwaad van gekomen,” leidde Frans vaders ontstemdheid af. „’t
+Is nu weer geheel in orde.<span class="corr" id="xd33e1063" title="Niet in bron">”</span> Frits wilde Puck gaan halen om eens navraag te doen wat zij over ’t geval te vertellen
+had. Doch mama stelde <span class="corr" id="xd33e1065" title="Bron: vóór">voor</span> liever geen tijd meer verloren te laten gaan. Papa ging weer zitten, en zoo werd
+er dus in ernst begonnen.
+<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
+<p>Puck bleef weg, en mama liet haar maar niet roepen, zoolang de jongelui er nog waren.
+</p>
+<p>Daar vond Puck iets angstigs in, en zonder goeden nacht zeggen, sloop ze naar bed.
+</p>
+<p>Lientien was zoo blij, dat de poppekinderen weer in hun bedjes lagen (die ze alle
+drie bij haar eigen ledikant had gezet), dat ze Puck geen kwaad hart meer toedroeg.
+Maar een lesje moest die ondeugende meid toch hebben.
+</p>
+<p>Dus liet ze Francine vragen, waar de anderen toch al dien tijd gebleven waren, waarop
+Nellie antwoordde: „Dat moet je aan die akelige tante Puck vragen. Neen maar, die
+is er me eentje! Ik ben heelemaal geradbraakt, en Dora heeft een hoofdpijn, dat ze
+uit haar oogen niet zien kan!”
+</p>
+<p>„En ik dan,” riep kleine Koo. „Grootvader heeft mij als een gek laten dansen. Ik werd
+als een bal op en neer gegooid en kon niet op adem komen. En dan nog al met mijn zieke
+been!”
+</p>
+<p>Puck proestte ’t uit. Ze zag in haar gedachten ’t rose poppetje met de aangeslagen
+noten op en neer walsen.
+</p>
+<p>Ze deed met haar vingers op tafel na, hoe kleine Koo aan ’t hotsen en springen was
+geweest.
+</p>
+<p>Nu schoot Lientien ook in den lach, en allebei gierden ’t uit. Toen was de vrede gesloten,
+en beloofden ze elkaar nooit meer voor „zuigelingkind” en „zwart Zigeunerkind” uit
+te maken.—
+</p>
+<p>Puck trof het, dat oom den volgenden dag naar Amsterdam moest en ’t knorren dus aan
+tante had overgelaten. „Puckie, <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>Puckie,” berispte Mevrouw Canneheuvel, toen ’t kleine meisje haar goeden morgen had
+gezegd, „hoe verzin je toch zulke ondeugende dingen? Dat jullie elkaar eens fopt en
+voor den mal houdt, is zoo erg niet, maar als ’t bepaald plagen wordt, om den ander
+verdriet te doen, dan is ’t heel leelijk. En dat wil ik ook volstrekt niet hebben.”
+</p>
+<p>„Ik zal nooit meer aan den vleugel komen,” beloofde Puck benepen, „en Lientien en
+ik hebben ’t al lang afgezoend. Van al haar kinderen is alleen kleine Koo nog maar
+een beetje geradbraakt, maar die heeft dan ook veel langer op en neer gedanst dan
+de anderen.”
+</p>
+<p>Tante had moeite niet te lachen, en dus bleef de rest van ’t standje achterwege.
+</p>
+<p>En zóó kwam dat ondeugende nest er wéér veel te gemakkelijk af, zei Frits naderhand
+tegen Nel.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2615">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">VIII</span> <span class="extraDivNum">VIII</span> NEL ALS HUISMOEDER.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5<sup>de</sup> klasse zou overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en
+kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al lang op stal.
+Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman.
+</p>
+<p>Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6<sup>de</sup> en 5<sup>de</sup> klasse minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5<sup>de</sup> H.&nbsp;B. S.
+<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als zij verhoogd
+werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t bericht thuis, dat ze ’t best
+hadden gemaakt, en dus, na de groote vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had
+verwacht, dat tante minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet
+naar. Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg gestuurd.
+Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor de koffers te zorgen.
+Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee moest.
+</p>
+<p>„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante heeft hem toch
+eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van gulden; ’t klonk veel leuker,
+dus praatten de meisjes hem na).
+</p>
+<p>„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij hem.” Doch ’t
+werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den gulden werd niet meer gerept.
+</p>
+<p>’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat durfde ze toch
+niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door al ’t bedenken en met Nel
+overleggen, dien middag, voor de vacantiedagen.
+</p>
+<p>Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck zanikte altijd
+maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te vervelen, dat ze haar door
+de poppen de les liet lezen.
+</p>
+<p>„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit zoo’n zeurkous
+meer bijgewoond.”
+<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p>
+<p>„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en oproerderig. Als
+wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne „pop”… Maar hou nou je mond,
+ik ga slapen, en ik mag bij moeder in bed, want ’t is mijn beurt.”
+</p>
+<p>„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal wicht,” riep tante
+Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog eerst onze kas opmaken.”
+</p>
+<p>„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór Annie en Wimpie
+komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!”
+</p>
+<p>Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens vriendinnen als Lientien
+van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel geen lust gehad de uitnoodiging van
+tante Johanna aan te nemen, en gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven
+in de vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker, en dan
+bij die saaie tante, ajakkes!
+</p>
+<p>Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster Cato, alleen
+was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de familie Canneheuvel, nu deze
+in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden
+dit toelieten, wat meer gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen
+broer, en had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel blij,
+dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante Johanna hield niet van
+kinderen, en <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>kon dus ook niet veel van hen verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang
+niet anders gedaan dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg
+gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en droefgeestiger was
+geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante gruwelijk zou vervelen; dan veel
+liever wat gekibbel met Annie en Wimpie.
+</p>
+<p>Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de tafel, aan ’t rekenen
+van belang. Ze hadden al lang in bed moeten liggen, doch ’t kas opmaken <i>kon</i> niet worden uitgesteld.
+</p>
+<p>Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze, „maar met tantes
+„pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te druk, om te antwoorden. Zij
+telde op haar vingers, en zag niet, dat Puck de kamer uitging.
+</p>
+<p>Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit nachtjaponnetje
+binnenkwam.
+</p>
+<p>„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd.
+</p>
+<p>„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck. „Want we zijn
+bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er nou nog bij, anders klopt
+’t niet.<span class="corr" id="xd33e1136" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat er een groote
+inktmop op Puck’s nachtpon zat.
+</p>
+<p>Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>stapte Puck even later vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen,
+mochten ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo iets!
+</p>
+<p>In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t hoofdkussen,
+om <span class="corr" id="xd33e1145" title="Bron: dien">die</span> ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk een reuzensom had geen van beiden
+nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want
+als je logée’s krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes
+en Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat snoepcentjes te mogen
+afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan ’t sparen worden begonnen van „Meester”,
+voor de Sinterklaaspresentjes. Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.… Of ze er niet wat
+van in ’t busje zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar
+den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje doen?”
+</p>
+<p>„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is afgesproken.”
+</p>
+<p>(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld bovendien.)
+</p>
+<p>Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder aan. Ze zou
+er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de vacantie als mama beschouwen,
+had zij Mamp beloofd, en lief en gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven,
+zij was zelden lastig <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus veel strijd en moeite,
+als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet mocht. Erg naar en lastig voor Puck,
+peinsde Lientien.
+</p>
+<p>De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te bezoeken,
+en met hem een reisje door <span class="corr" id="xd33e1157" title="Bron: Hollstein">Holstein</span> te maken. Daarna wilde Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij
+zich hebben.
+</p>
+<p>Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd de geheele
+vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over het huishouden, maar
+ook alle drukten en zorgen over te laten, welke deze vacantie ruimschoots beloofde.
+</p>
+<p>„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis zouden zijn, en
+er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp daar nu eens in ’t geheel geen
+last van hebben.
+</p>
+<p>„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet prettig vind …”
+</p>
+<p>„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet (dat was moeders
+beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik immers twee weken naar Haarlem
+gaan?”
+</p>
+<p>Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem bijzette, gaf
+mama zich gewonnen.
+</p>
+<p>Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>dat mama zich ook maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw Canneheuvel
+zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook die bezigheden niet meer
+te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig
+zeggen: „Lieve Suus, waar is de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder
+dat je er aan denkt.”
+</p>
+<p>Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man en dochter.
+Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar bestwil, was bedoeld.
+Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in te richten, dat Nel geen saaie huismusch
+hoefde te wezen. Altijd was er iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd
+voor een of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef tennissen
+en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar jongemeisjespleziertjes niet meer op
+te offeren dan zij zelf wilde.
+</p>
+<p>Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een eer in in
+alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen „ikje” niet te tellen.
+Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren. Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat
+zou ik toch beginnen, als ik jou niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond.
+</p>
+<p>Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te bespreken, om de kinderen
+een prettige vacantie te geven, en overigens liet mama, met een gerust hart, alles
+aan Nel over.
+<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p>
+<p>„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft, want die Annie
+en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft, ook niet weg.”
+</p>
+<p>Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder Alkmaar. Deze
+behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er heen, en hielp, als een
+echte boer, met alles mee. ’t Was een uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit
+zijn kracht gegroeiden Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats.
+Frits vond het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of wat,
+en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd aangetrokken tot
+dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen geval sprake van, dat zij had kunnen
+gaan.
+</p>
+<p>Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en Wimpie. Ze waren
+niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en stoeierig als vroeger. Wimpie had,
+als ’t kon, nog meer bereddering dan Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk
+veel drukte over hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze
+gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet zuinig zijn
+opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd door Nel gastvrij uitgenoodigd
+dien dag te blijven. Met veel vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van
+Annie en Wimpie, nam ze den volgenden morgen afscheid, en.… „nou kan de pret beginnen,”
+zei Wimpie, want met Juf was dat <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>altijd maar half. Die verbood en vitte van den ochtend tot den avond.
+</p>
+<p>’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef natuurlijk een
+beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens gunde ze graag elk pleziertje,
+waar ze om vroegen, maar vond noodig, als waakzame moeder, hen steeds op de hielen
+te blijven, geen oogenblik uit het oog te verliezen.
+</p>
+<p>Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen dag de duinen
+in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam dan doodmoe thuis van ’t woeste
+spelletjes meedoen, ’t duinen op en neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen.
+</p>
+<p>Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar, dat ze haar troepje,
+zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht.
+</p>
+<p>Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden gedaan, en de poppen
+’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens
+gekibbeld, want Puck kon niet veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets
+op zich zitten, maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk
+bewaren.
+</p>
+<p>Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te maken, en wist
+Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet schudde haar hoofd over dat
+gemors in haar keuken. Alles zag er heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer
+en de aanrecht, tot de bordendoeken <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit „neen”. Ze moest dus maar een
+oogje toedoen, als de kinderen aan ’t knoeien waren.
+</p>
+<p>Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was altijd veel te gauw
+om naar hun zin.
+</p>
+<p>Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren bezig houden,
+en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half uurtje, of langer, als belooning
+voor de belofte van het viertal, om dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te
+babbelen en rumoerig te wezen.
+</p>
+<p>Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te beredderen, ook voor
+den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en kopjes af te wasschen, al namen Bet
+en Geertje de juffrouw veel uit de hand.
+</p>
+<p>Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten worden, en met
+Geertje moesten de boodschappen besproken.
+</p>
+<p>Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond een praatje
+bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest was, dit sloeg ze nooit
+over.
+</p>
+<p>Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren geleden, toen ze
+ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had die goeie Frits haar zoo heerlijk
+bijgestaan in den nood. Nou leek ’t wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze
+kreeg zelfs geen briefkaart meer van hem, sinds dagen al.
+</p>
+<p>Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>Nel zich toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar.
+</p>
+<p>Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar ’t land gaan,
+’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder de balken slapen met den
+geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar was hij dan terug, had geen lust om
+nog ergens anders heen te gaan, en wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor
+de kleine <span class="corr" id="xd33e1202" title="Bron: rakkerds">rakkers</span>. Als ’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor houden.
+</p>
+<p>„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij gehoorzaam, en zoo
+aardig en leuk.… Maar ik ben toch dol blij, dat je er weer bent, vadertje. Nou heb
+ik amper tijd om vader en moeder te schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als
+ik niet meespeel, is de pret maar half, dat begrijp je.”
+</p>
+<p>„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de heele hand.…
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.”
+</p>
+<p>„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft, heel deftig,
+door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie, Puck en Lientien (met haar
+kinderen) plezier hadden te komen theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag
+te passeeren.” Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde
+zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over beraadslagen, hoeveel
+poppen ze konden meebrengen <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>zonder onbescheiden te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de
+partij zijn.”
+</p>
+<p>„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met vier treden tegelijk
+op.
+</p>
+<p>Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar kanten mutsje
+met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig bewonderde. Tante trakteerde
+op wafels met aardbeien, bovendien waren er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef,
+mocht verdeeld en naar beneden meegenomen worden.
+</p>
+<p>Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem heen, dat Frits
+moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar Waldi met oorverdoovend lawaai
+tegen den baas opsprong. Natuurlijk was Waldi ook op de partij, want je zocht hem
+nooit tevergeefs, waar wat te halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen
+toe, hoe hij ’t daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er
+nog al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de glazen en bordjes
+steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje een goeden dag! Ze speelde met
+zooveel lust en pleizer ganzenbord mee, of ze even oud was als Lientien, die vlak
+naast haar zat, en Sjarlotje, als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof
+ook in den kring, en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam.
+Wimpie verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot (van bonbons)
+strijken. Heel edelmoedig liet <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>Frits den pot staan, en begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen
+Wimpie dien eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven.
+</p>
+<p>Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of daar dadelijk
+veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet dadelijk drie groote <span class="corr" id="xd33e1223" title="Bron: prelines">pralines</span> toe, „en straks krijg je nog meer, hoor Bet!” beloofde ze gul.
+</p>
+<p>„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten, Jongeheer Frits, maar
+er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,” vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes
+vond, den kinderen aan ’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en
+afscheid nemen van de gastvrouw.
+</p>
+<p>Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer aantrekken.
+</p>
+<p>Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank gebracht en gemakkelijk
+in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog vertelde, was tante al heerlijk ingedut.
+</p>
+<p>„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.”
+</p>
+<p>’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en Frits innig
+genoegelijk na te babbelen.
+</p>
+<p>En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast had door zijn
+vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch wel erg saai was alleen achter
+te blijven.
+<span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span></p>
+<p>„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans gaat met hart
+en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij niet en zijn handen spaart
+hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een wagen met hooi opladen en naar huis rijden
+is voor hem bepaald een genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat
+ik hoe langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en had nog beteren
+eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor dag en dauw op geweest, en verlang
+naar mijn mandje.… Wat ben je van plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?”
+</p>
+<p>„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de kinderen doen
+mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je uit de voeten blijft, want
+wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.”
+</p>
+<p>„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan Hilgers opzoeken.
+Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven. En nou echt goeienacht, huismoeder.”
+</p>
+<p>Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden, „Frits, luister
+eens.…”
+</p>
+<p>Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe. „Innig gezellig,
+dat je weer thuis bent, vent.”
+<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2624">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">IX</span> <span class="extraDivNum">IX</span> OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS „BOSCHJESVRIENDEN”.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Drie manden spergie- en snijboonen stonden in ’t midden van de huiskamer, op een groot
+laken, dat Nel over ’t tapijt had laten uitspreiden. Daaromheen acht stoelen, een
+tabouret en een bankje.
+</p>
+<p>Trotsch overzag Nel haar hulptroepen, die bestonden uit: Kee, Bet, Geertje, Wimpie,
+Puck, Lientien en Annie.
+</p>
+<p>’t Was met recht: alle hens aan dek, want anders kwamen ze vandaag vast niet klaar,
+had Bet gezegd. Socrates was natuurlijk ook van de partij (op de tabouret), en keek
+toe, of alles wel naar den aard gebeurde. Waldi liep overal tusschen door als een
+agent van politie, en was braaf lastig op den koop toe, terwijl hij niks uitvoerde<span class="corr" id="xd33e1257" title="Niet in bron">.</span> Truus en Nellie mochten van moeder Lientien ook toekijken, en zaten knus samen op
+het bankje. Lientien had ze de vruchtenmesjes gegeven, die voor haar en de anderen
+bestemd waren. Hoe kon je nou met die stompe mesjes boonen afhalen? Ze waren heusch
+groot genoeg om zich niet te bezeeren.
+</p>
+<p>„Viermaal afhalen, kinders,” sprak Nel, toen ze gereed waren aan den slag te gaan,
+„en straks, bij ’t breken, verbazend goed toekijken, anders eten we van ’t winter
+boontjes met haren.”
+</p>
+<p>Frits had een leuk boek gegeven, waar iedereen wat <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>aan kon hebben, en om de beurten zou er uit voorgelezen worden. Bet, Kee en Geertje
+bedankten voor de eer, die konden veel vlugger met afhalen dan met voorlezen terecht.
+Maar Puck deed ’t graag en goed (Puck vond zelf, dat niemand ’t mooier kon dan zij),
+en dus bleef zij maar aan de beurt. Nel, die bang was, dat onbesuisde Puck zich zou
+snijden of bezeeren met het scherpe mesje, vond het uitstekend geregeld op deze manier.
+</p>
+<p>De boonen vlogen van de handen in de manden en omgekeerd. Bet droeg al gauw een volle
+mand met afgehaalde en gebroken boontjes weg.
+</p>
+<p>Puck las al maar voort met een kleur van pleizer en inspanning. Ieder vond het verhaaltje
+prachtig, al kwamen er dan ook „miserabel” stoute kinderen in voor, volgens Bet, en
+Geertje dacht bij zich zelf: „Dat bennen nou net goeie kameraden voor Puck.”
+</p>
+<p>Om half twaalf kwam Frits thuis, en bracht een grooten zak zoute krakelingen mee voor
+de vlijtige werkers, die zeker wel wat „weeïg” zouden zijn geworden van al dat groen.
+</p>
+<p>„Lang leve Frits,” riep Lientien, en allen stemden hiermee in.
+</p>
+<p>De krakelingen kwamen zóó uit den oven, dus òf ’t hartig hapje smaakte! Waldi bedelde
+zoo brutaal, alsof hij ’t hardst van allemaal had gewerkt, slokte een heelen krakeling
+gulzig naar binnen, en keek dan, of hij nog niets gehad had, net als bij ’t vleesch
+bedelen aan tafel. Maar Socrates trok er zijn nuffig neusje voor op.
+<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p>
+<p>Toen Frits vertelde, dat zijn viool weer in orde was, bedelde Lientien: „hè Frits,
+speel dan wat aardige wijsjes, waarbij we kunnen zingen, dan kan Puck meteen een beetje
+op adem komen van ’t voorlezen.”
+</p>
+<p>„Vooruit maar,” zei Frits, en hij begon er lustig op los te strijken, terwijl allen
+de woorden van de eenvoudige, ouderwetsche liedjes mee zongen. Zelfs Geertje galmde:
+„’t Zonnetje gaat van ons scheiden,” mooi in de maat met de anderen. Daar ging tante
+Sjarlotje’s schel, en Kee vloog naar boven, maar kwam dadelijk weer terug. De juffrouw
+had haar gevraagd de kamerdeur wijd open te zetten, dan kon zij van de muziek mee
+genieten.
+</p>
+<p>Er zou een uur later dan anders worden koffie gedronken, doch om half één liet Nel
+met werken ophouden, en deden allen nog een dansje in de gang, om de van ’t lange
+zitten stijve beenen weer lenig te maken.
+</p>
+<p>Bet en Kee verdwenen, doch Geertje bleef toekijken tot Nel haar Waldi in de armen
+duwde, waarover Geertje en Waldi allebei even verontwaardigd waren, terwijl ze niet
+wisten, hoe gauw ze van elkaar af zouden komen.
+</p>
+<p>Aan de koffie trakteerde Nel op gerookte paling en, in weerwil van al de verorberde
+krakelingen, liet de „trek” niets te wenschen over. Vooral Puck liet zich niet onbetuigd,
+want een versche boterham met gerookte paling! iets zaligers bestond er niet voor
+het „twaalf-uurtje”.
+</p>
+<p>Lientien bewaarde altijd een middenreepje, dat ze extra dik belegde, voor ’t laatst.
+En zoo had ze nu ook weer <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>zulk een heerlijken reep gereed liggen met een rose stukje palingmoot er midden op.
+Puck keek er naar met begeerige blikken; haar boterhammen had ze al lang opgesmikkeld.
+</p>
+<p>„Lientien,” zei ze op eens, en legde haar hand vleiend op Lientiens mollepootje, „zou
+je ’t over je hart kunnen verkrijgen mij dat zalige reepje van jou te geven?”
+</p>
+<p>Lientien keek een beetje verbijsterd in Pucks begeerige oogen; ze had wel iets van
+een vogeltje, dat door een slangeoog betooverd wordt. Iedereen keek Lientien aan.
+Wat zou ze doen?
+</p>
+<p>„Niet geven, niet geven, Lienepien,” riep Wimpie verontwaardigd, door Annie krachtig
+bijgestaan.
+</p>
+<p>„Neen,” zei Puck, „jullie zouden ’t natuurlijk niet kunnen, maar Lientien.…”
+</p>
+<p>Lientien werd rood, keek eens naar Nel, die lachte, en naar Frits, die zijn hoofd
+schudde. Toen nam ze ’t overheerlijke reepje en.… legde het op Pucks bord. „Daar dan,
+maar je moet dat kunstje nou niet aldoor uithalen, hoor!” voegde ze er bij.
+</p>
+<p>„Je bent een dot,” betuigde Puck, en liet Lientiens zuinig bespaard brokje dadelijk
+in haar mond verdwijnen.
+</p>
+<p>„Wat een schrok!” gilden de logéetjes. „Neen maar, wat een gulzigaard!” „Was juf maar
+hier,” wenschte Wimpie, „die zou je!”
+</p>
+<p>„Een volgenden keer zullen we Puck op de proef stellen,” sprak Nel. „Bij Lientien
+is er eigenlijk geen aardigheid aan, want die geeft graag wat weg, hé poes?”
+<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p>
+<p>„Och ja,” betuigde Lientien, en wijsgeerig voegde ze er bij: „’t Was nou toch al op
+geweest.”
+</p>
+<p>Na de koffie slonken Nels hulptroepen op een treurige manier. Bet moest naar de keuken,
+Geertje had boodschappen te doen, Kee moest naar boven, en Waldi ging er met Frits
+op uit. Dus hield Nel Socrates, Lientien, Puck en de twee logéetjes over. Socrates
+maakte ook al gauw, dat hij weg kwam, want hij had veel te veel palinggraatjes opgesmikkeld,
+en nog een stukje vel gestolen, zoodat hij liever in eenzaamheid zijn gulzigheid zat
+te betreuren.
+</p>
+<p>Maar Puck werkte voor twee, want ze stond er nog frisch vóór, en ze sneed zich ook
+niet in de vingers, hoewel ze een vlijmscherp mesje had. Toen Bet weer een mand met
+afgehaalde boontjes kwam halen, zei ze, dat ’t nou genoeg was. De rest zou ze van
+avond met Geertje wel doen. Iedereen had maar wat flink geholpen, en ze konden van
+’t winter dikwijls ingemaakte boonen eten, want er was een verbazende „zooi”!
+</p>
+<p>„En nou moeten jullie eens boven gaan kijken,” zei Kee. „Juffrouw Sjarlotje heeft
+zoowaar ook nog mee gedaan.”
+</p>
+<p>De kinderen stormden de trap op, en jawel, daar stond een mandje keurig afgehaalde
+boontjes vóór tante op tafel. „Misschien net twee maaltjes voor haar zelf,” dacht
+Lientien, want tante at niet veel.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>„’k Heb van middag toch zulke leuke jongens ontmoet, <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>Nel,” vertelde Frits aan tafel. „En als je ’t goedvindt, huismoeder, komen ze morgenmiddag
+hier. ’k Heb ze gevraagd.”
+</p>
+<p>„Als je ze al gevraagd hebt, heeft Nel niks meer te „vinden”,” beweerde Puck bijdehand.
+</p>
+<p>„Zóó, mejuffrouw wijsneus! Heb ik <i>uw</i> toestemming soms gevraagd?” spotte Frits.
+</p>
+<p>„Nou, maar daar heeft Puck toch wel gelijk in,” viel Nel Puckie bij, „wat zijn dat
+nou eigenlijk voor jongens, Frits?”
+</p>
+<p>„Zal je wel zien. Ze worden in den tuin ontvangen en..”
+</p>
+<p>„Onder de Vors.…?” vroeg Lientien, en de rest slikte ze gelukkig nog bijtijds in.
+</p>
+<p>„Kind, houd je mond toch,” waarschuwde Puck met een por. „Dommerd,” fluisterde ze
+toen.
+</p>
+<p>Gelukkig scheen niemand iets van de „Vors”.… gehoord te hebben.
+</p>
+<p>„Frits, je moet me eerst vertellen, wat voor jongens ’t zijn,” hield Nel aan, terwijl
+ze een waardig moedergezicht poogde te zetten.
+</p>
+<p>„Straks, als de pepernoten naar bed zijn, want die gaat ’t niets aan, en morgen sturen
+we ze uit wandelen.”
+</p>
+<p>„Dat doen we lekker niet, we gaan lekkertjes niet,” riepen de kleine meisjes in koor.
+</p>
+<p>Doch dit was dan ook maar een plagerijtje geweest van Frits, en hij begon nu uitvoerig
+van zijn Boschjesvrienden te vertellen. Toen hij, met Waldi naast zich, op een bank
+zat, dicht bij de Bataaf, was Waldi gaan brommen tegen twee jongens, die op eens uit
+’t groen naast de bank opdoken.
+<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
+<p>Maar de twee hadden den dackel vriendelijk toegesproken en over den rug geaaid.
+</p>
+<p>„Mogen we hier even gaan zitten, mijnheer?” had de grootste daarop gevraagd.
+</p>
+<p>Frits, niet weinig gevleid door dat „mijnheer”, had geantwoord<span class="corr" id="xd33e1326" title="Bron: .">:</span> „Natuurlijk jongens, de bank is niet van mij, en al was dat zoo.…” Nou, toen waren
+ze aan ’t praten geraakt, en dat konden de jongens evengoed als Frits.
+</p>
+<p>„Hij zal Maandag toch zoo’n leuken dag hebben, mijnheer,” zei de grootste, op zijn
+mager kameraadje wijzend. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Zijn vader is dan vijf en twintig jaar letterzetter in de Wagenstraat, U weet wel,
+aan de Haagsche Courant? En nou krijgt hij een gouden horloge van de heeren en … wat
+nog meer, Daan?”
+</p>
+<p>„Vijf en twintig gulden van ’t personeel,” vertelde Daan trots; „en dan gane we een
+auto-tocht maken naar Rotterdam en ik mag ook mee.”
+</p>
+<p>„Sapperloot, dat is niet voor de poes,” zei Frits.
+</p>
+<p>„Nee, hè mijnheer?.… ’t Wou, dat ik mijn vriend Hein hier, mee mocht nemen,” vervolgde
+Daan, „maar zoo iets kan je natuurlijk niet vragen.”
+</p>
+<p>„’k Gun ’t je best,” nam Hein weer ’t woord. „Hij moet toch zoo veel missen, mijnheer,
+want hij heeft twee maanden geleden zijn moeder verloren, en ik heb de mijne nog.”
+</p>
+<p>En toen Daan weer: „Ja, als je moeder dood is, heb je <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>niet veel meer … Mijn groote zus doet nou ’t huishouden, die moest er voor uit een
+besten dienst kommen, waar ze al acht jaar was. Ik ben de jongste, ziet U, van bij
+ons thuis. Mijn zus is de oudste, die wordt al zes en twintig, maar ik zeg maar: een
+zuster is toch geen <i>moeder</i>, bij lange niet.”
+</p>
+<p>„En ik heb mijn moeder nog,” vertelde Hein nog eens, „en zoo’n goeie moeder!”
+</p>
+<p>De oogen van den jongen blonken, en Frits vond hem hoe langer hoe aardiger.
+</p>
+<p>„Wat is jouw vader, Hein?” vroeg hij.
+</p>
+<p>„Loodgieter, mijnheer, en daarom wil ik dat naderhand ook worden.”
+</p>
+<p>„En ik word chauffeur,” viel Daan in, „zoo leuk, dan zie je nog eens wat van de wereld.<span class="corr" id="xd33e1350" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„Hij kan toch zoo fijn teekenen, die Daan,” deelde Hein mee, alsof deze kunst voor
+’t chauffeur worden bepaald noodig was. „Ik houd veel meer van lezen.”
+</p>
+<p>„Ik ook,” zei Frits, „jullie hebt nou in de vacantie zeker leuk veel tijd om te lezen.”
+</p>
+<p>„Tijd wel,” gaf Hein toe, „maar boeken niet. We magge één boek in de week uit de schoolbibliotheek,
+dat heb ik dikwijls in één dag al uit.”
+</p>
+<p>„Weet je wat je doet,” had Frits toen gezegd, „komt morgen tegen half drie met je
+beiden: Groot Hertoginnelaan 42, dan zal ik wat leuke boeken voor jullie klaarleggen,
+goed?”
+<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p>
+<p>„Alsjeblieft mijnheer, erg graag mijnheer,” en de jongens hadden beleefd de pet afgenomen,
+toen Frits opstond en er met Waldi van door ging.
+</p>
+<p>Iedereen had met plezier naar Frits geluisterd, en Nel verklaarde: „’t Lijken mij
+aardige jongens, Frits, en daarom zal ik ook wat aardigs verzinnen, als ze morgen
+komen. Hoe laat zei je ook weer?”
+</p>
+<p>„Tegen half drie, en reken maar, dat ze op tijd zullen wezen.”
+</p>
+<p>’t Was den volgenden middag ’t zelfde prachtige weer, als reeds dagen achtereen in
+deze Augustusmaand. Onder den bruinen beuk stond een keurig gedekt tafeltje met de
+witte tuinstoelen er gezellig omheen geschikt. De frambozen- en citroen-limonade glinsterde
+als robijn en goud in de karaffen, en een groote schaal met pitmoppen stond verleidelijk
+in ’t midden.
+</p>
+<p>Precies half drie schelden Daan en Hein. Frits deed ze open en bracht ze naar den
+tuin.
+</p>
+<p>De jongens zagen er netjes uit in lichte blouses, en korte zwarte <span class="corr" id="xd33e1365" title="Bron: broek">broeken</span>.
+</p>
+<p>Nel trad hen dadelijk tegemoet.
+</p>
+<p>„Wel jongens,” zei ze, „daar doen jullie goed aan, de beloofde boeken te komen halen;
+mijn broer heeft ze al voor jullie klaar gelegd.”
+</p>
+<p>Met de petten in de hand stonden de jongens voor Nel. Ze hadden allebei prettige jongensgezichten
+en iets vrijmoedigs, dat toch volstrekt niet vrijpostig was.
+<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
+<p>„Gaat zitten; Hein en Daan, niet?” verzocht Nel. „Jullie lust zeker wel een glaasje
+limonade?”
+</p>
+<p>De jongens kregen stoelen tusschen Nel en Frits in. Ze draaiden een beetje verlegen
+met hun petten, doch Frits wist ze al gauw op hun gemak te zetten.
+</p>
+<p>„Dat zijn niet allemaal zusjes van me,” vertelde hij, naar de kleine meisjes knikkend.
+„Alleen die blonde met haar blauwe oogen,” en hij wees op Lientien.
+</p>
+<p>„En ik hoor hier ook,” lichtte Puck toe, met haar neus in den wind, „die twee zijn
+maar logéetjes.”
+</p>
+<p>„Ja,” zei Wimpie, „en we blijven nog tot overmorgen; jammer! dan is de koek al weer
+op.”
+</p>
+<p>Hein en Daan waren niet zoo praatgraag als tegen Frits den vorigen dag.
+</p>
+<p>„Dat durfden ze zeker niet met al die meisjes,” beweerde Puck later.
+</p>
+<p>Nel schonk limonade en presenteerde pitmoppen. Ze zag met pleizier, dat de jongens
+nette, bescheiden manieren hadden.
+</p>
+<p>Toen haalde Frits zijn boeken en liep met Hein en Daan den tuin rond.
+</p>
+<p>„Je moogt de boeken op je gemak lezen, en als je ze prompt terug brengt, kan je weer
+een paar nieuwe krijgen,” beloofde hij.
+</p>
+<p>„Maar als jullie er slordig op geweest bent, met vlekken of scheuren, dan kunnen jullie
+ophoepelen, en leen ik je nooit meer wat.”
+<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p>
+<p>„U hoeft niet bang te zijn,” verzekerde Hein. „Als je van boeken houdt, ben je er
+van zelf netjes op.”
+</p>
+<p>Dankbaar en voldaan namen Hein en Daan nu afscheid, en lieten den indruk achter van
+een paar leuke, aardige, jongens.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+</p>
+<p>’s Avonds vond Lientien onder haar hoofdkussen een zakje met pitmoppen met reuzepitten
+er op, en op een bijgevoegd papiertje stond: „Van Puck, omdat je mij je lekkere „reep”
+hebt gegeven. ’k Heb de grootste pitmoppen uitgezocht, en allemaal voor jou bewaard.
+Dag, of liever: goeie nacht.”
+</p>
+<p>Dat was heusch aardig van Puck, dacht Lientien, want ze hield verbazend veel van pitmoppen
+en had er geen één voor zich zelf gehouden. Lientien vertelde ’t nog even aan Francine,
+die bij haar mocht slapen dien nacht, en van al de kinderen altijd ’t meest op tante
+Puck had aan te merken.
+</p>
+<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
+</p>
+<p>Dien heelen daarop volgenden winter kwamen Hein of Daan elke veertien dagen hun boeken
+ruilen, en raakten niet uitgepraat over ’t plezier, waarmee zij ze gelezen hadden.
+</p>
+<p>Toen gingen Heins ouders naar Rotterdam wonen, en Daan kwam van school, en moest een
+ambacht gaan leeren.
+</p>
+<p>Van lezen zou dus vooreerst wel niet veel inkomen.
+</p>
+<p>Bij de laatste boeken was een net geschreven bedankbrief <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>en bovendien een portretlijstje, dat Hein, in zijn vrije uurtjes, keurig had uitgesneden.
+</p>
+<p>Frits zette er Nels portret in, en bewaarde het jaren en jaren lang.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2633">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">X</span> <span class="extraDivNum">X</span> „SCHATTEBOUTJES”.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Mevrouw Canneheuvel had Bet, de keukenmeid, voor geen geld willen missen, want ze
+was niet alleen een uitstekende dienstbode, doch ook even eerlijk als betrouwbaar,
+en met de jaren geheel één met het gezin geworden.
+</p>
+<p>’t Viel echter niet te ontkennen, dat Bet veel met haar humeur had te stellen, en
+heel moeilijke dagen had, waarop ze eigenlijk alleen van Lientien wat kon verdragen.—Maar
+Bet was nu al maanden achtereen in een opgewekte stemming, want haar moeder had ’t
+heerlijk nieuws geschreven, dat ze van plan was, om in Den Haag te komen wonen. ’t
+Werd haar in Franeker te stil, nu haar jongste dochter ook getrouwd was, en zich in
+Amsterdam had gevestigd.
+</p>
+<p>De getrouwde kinderen hadden man of vrouw, doch Bet en zij hadden nu alleen nog maar
+elkaar, en daarom wilde moeder in dezelfde stad komen wonen, waar haar Bet was.
+<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p>
+<p>Bet huilde bijna van blijdschap, en vertrouwde Lientien toe, dat ze dan toch zoo „miserabel”
+in haar schik was. (Iedereen heeft een stopwoord, en dat van Bet was „miserabel”,
+of ’t paste of niet.) „Ben jij nooit „geangiseerd” geweest, Bet?” vroeg Lientien.
+„Ja, kind,” en Bet zuchtte zwaar, „maar hij is jong gestorven, hij was te goed voor
+deze wereld.”
+</p>
+<p>„Arme, lieve Bet!” troostte Lientien hartelijk.
+</p>
+<p>„’t Is al lang geleden,” vervolgde Bet, „en een mensch komt met den tijd over zijn
+verdriet heen, maar ik heb toch nooit een ander gewild.—En nou komt mijn moeder hier,
+en dat is compleet een engel van een mensch, die zal me veel vergoeden.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e1424" title="Bron: ’t">„’k</span> Heb al een étage op ’t oog voor moeder, want ze kan ’t best doen. Ze heeft der pensioentje,
+en nog geld van der eigens, van grootvader georven.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Als me moeder op orde is, Lientien, mag je met me mee, want moeder verlangt er naar
+om je te zien. ’k Heb der zoo vaak over je geschreven.”
+</p>
+<p>„Vreeselijk graag, Bet, op een Zondag hè, want de vacantie is nou al gauw uit.”
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>’t Was voor Annie en Wimpie dus ook weer tijd naar Utrecht terug te gaan. Juf kwam
+ze halen, en bracht de boodschap mee van mevrouw, dat Lientien den volgenden zomer
+bij Wimpie en Annie moest komen, en dat dit voor <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>vast moest worden afgesproken. Puck werd niet uitgenoodigd, doch ’t meisje bleef daar
+zeer kalm onder. Zij, Puck, had een veel deftiger invitatie. De chauffeur van Mevrouw
+van Bergen had een briefje gebracht, of zij lust had den volgenden dag mee te gaan
+op een autotochtje naar Haarlem en omstreken, ’s morgens vroeg uit, en ’s avonds vóór
+negenen weer thuis.
+</p>
+<p>Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet kon hebben.
+Maar Lientien was er ook nog.
+</p>
+<p>Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop Lientien, als
+een klein kindje, tegen haar aan.
+</p>
+<p>„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden, als ’t mocht.”
+</p>
+<p>„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo graag naar Haarlem,
+om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen, en als jij dan meeging.…”
+</p>
+<p>„Dat kan in geen geval, lieverd.”
+</p>
+<p>„Neen hè?” zuchtte Lientien.
+</p>
+<p>„Maar we konden Frits vragen, of hij.…”
+</p>
+<p>„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te halen.
+</p>
+<p>Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde.
+</p>
+<p>Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was.
+</p>
+<p>„Wil je wel, Frits?” vroeg ze.
+</p>
+<p>„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>gekke prul van een Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me
+nog al bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij, die gilt
+en jankt de halve wereld bij elkaar.”
+</p>
+<p>„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om beurten met haar
+heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend.
+</p>
+<p>„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar moeder wil ’t ook
+doen, heel uit Franeker …
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we met ons drietjes
+in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook. Grootma schreef laatst, dat ze
+Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou, en daarom, zie je.…”
+</p>
+<p>„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar Haarlem, en wij
+gaan per trein, derde klasse, hè prul?”
+</p>
+<p>’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een bezoek van stouten
+Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te vallen, want ’s avonds kwam er bericht
+uit Haarlem, dat Lientien, Frits en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel
+’t goed vond.
+</p>
+<p>Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best amuseerde op ’t
+onverwacht opgekomen uitstapje.
+</p>
+<p>Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een courantenhanger voor in
+de zitkamer) en nog blijer met de verrassing, die de onverwachte komst van de <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>kleinkinderen haar bereidde. Of Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht
+had! Waldi gedroeg zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder
+uitbundige luidruchtigheid.
+</p>
+<p>In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes opgesmikkeld. De medepassagiers
+hadden hem zeer bewonderd en aangehaald.
+</p>
+<p>’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed, en hield zich
+den heelen nacht muisstil.
+</p>
+<p>Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder lieve, welopgevoede
+hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem had gehad, en blij was, dat zij hem
+kende. Ze zou nu nog met grooter plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t
+taksje vertelde.—
+</p>
+<p>Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij verwachtte.
+</p>
+<p>Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en Ellen bepaald
+onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een meisje, met wie ze kennis
+hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij hen op school zou komen. „Een erg voornaam
+kind, haar vader is <i>baron</i>,” had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk een vriendin
+van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien jaar!” Terwijl Ellen dit
+zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net of ze wilde zeggen: „Als we Leonore
+tot vriendin hebben, kan jij ophoepelen.”
+<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p>
+<p>Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch zéér.
+</p>
+<p>’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook volop genoten
+van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal, waar Mevrouw de auto voor
+restauratie of hotel liet stilhouden, had Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit-
+en instapte, terwijl de buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer
+achter haar dichtklepte. Maar toch.…
+</p>
+<p>Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle woonde, en toen
+ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht haar te waarschuwen, als ze langs
+„den Hout” reden.
+</p>
+<p>Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit Lientien’s beschrijving
+het groote statige huis herkende.
+</p>
+<p>Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits hoorde, veel meer
+dan in de auto naast haar nuffige, onaardige vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt
+en op ’t huis toegeloopen, maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht.
+</p>
+<p>Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en eigen broers
+en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante heel in Zwolle, die nooit naar
+haar omkeken, en dus net zoo goed vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna
+in Voorburg.…
+<span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span></p>
+<p>O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat zijn.…
+</p>
+<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
+</p>
+<p>Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en zouden al heel
+gauw thuis zijn.…
+</p>
+<p>„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck bij ’t afscheid
+nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet zoo heel veel plezier gehad
+had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie
+weer profiteeren,” nam ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.”
+</p>
+<p>Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek.
+</p>
+<p>„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma mij meevraagt.”
+</p>
+<p>’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na drie dagen
+thuis zou komen.
+</p>
+<p>Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en nam haar mee
+naar de bioscoop.
+</p>
+<p>’s Avonds mocht Puck een uur langer opblijven en Tante Sjarlotje en Nel voorlezen.
+</p>
+<p>En Puck las zoo prettig voor, zei tante, dat ze er niet bij in slaap <i>kon</i> vallen. (Maar misschien kwam dat ook wel, omdat tante pas een stevig dutje beet had.)
+</p>
+<p>Woensdag kwamen Frits, Lientien en Waldi thuis; en ’t was weer druk en gezellig.
+<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
+<p>Puck had nooit gedacht, dat ze die drie zoo verschrikkelijk zou gemist hebben, vooral
+Lientien.
+</p>
+<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
+</p>
+<p>„Hoor eens, Lienepien,” zei Bet een paar dagen later, „mijn moeder is nou netjes op
+orde, en, als je wil, mag je Zondagmiddag met me mee haar opzoeken.”
+</p>
+<p>Bet had moeder zoo veel verteld van Lientien, dat deze er naar verlangde, dat lieve
+schatteboutje te zien.
+</p>
+<p>„Erg graag Bet; mag Puck ook?”
+</p>
+<p>„Wel nee,” sprak Bet kortaf. „Puck is niet gevraagd, en die gaat er bovendien weer
+met de „voornamigheid” op uit in de auto.<span class="corr" id="xd33e1514" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>Ja, dat was wààr. Lientien had ’t schoon vergeten.
+</p>
+<p>’s Zondagsmiddags was ze om half drie klaar, volgens afspraak, en stapte vergenoegd
+met Bet naar de Obrechtstraat, waar moeder op een étage woonde.
+</p>
+<p>Wat een aardige, oude vrouw was die moeder van Bet! Zij droeg de Friesche kap met
+een blinkend gouden oorijzer; dat was nog wat anders dan Geertjes hoofdversiersel.
+’t Zag er maar wàt keurig uit bij moeder. Lientien moest overal rondkijken. In ’t
+aardige slaapkabinetje vóór aan straat, in ’t kraakzindelijk keukentje, waar alles
+wat er hing en stond je tegenblonk, zoodat je er voor je plezier naar keek. Daar tegenover
+was de zitkamer, waar ’t mooie ouderwetsche kabinet stond, dat als een spiegel glom.
+Ja, Bet had haar netheid en zindelijkheid van niemand vreemd. <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>In de keuken lag Bobbie, een groote lobbes van een hond, (die veel op een setter leek,
+maar ook wel wat van een buldog had), in een reuzenmand, die maar net onder de keukentafel
+kon staan.
+</p>
+<p>Moeder vertelde allerlei aardige dingen van hem. Je moest hem alleen niet willen voeren.
+Want hij dacht altijd, als iemand de hand bij zijn bek hield, dat hem een kluifje
+of een andere lekkernij werd gepresenteerd, en hapte dan onbesuisd toe. Bobbie was
+een goede waakhond, doch had nooit aan een ketting gelegen. Dat was een naar leven
+voor zoo’n arm beest, vond moeder.
+</p>
+<p>„Is Bobbie op reis zoet geweest?” informeerde Lientien.
+</p>
+<p>„Als een lam,” prees moeder, „en gehoorzaam is hij ook. Bob mag niet in de mooie kamer,
+hé Bob, en blijft dus zoet hier in zijn mand.”—Bobbie kwispelde met zijn stompstaartje,
+en volgde ’t vrouwtje alleen met zijn oogen. Ja, hij was een hond met goede manieren.
+</p>
+<p>De zitkamer vond Lientien dan al bizonder gezellig met ’t vuurrood kleedje op de tafel,
+waartegen ’t nikkelen theeservies zoo mooi uitkwam, terwijl ’t theelichtje, onder
+den theepot, ’t geheel nog knusser maakte. Moeder haalde een trommeltje met koekjes
+uit de kast, en zette dat met een schotel Friesche drabbelkoek op tafel. De jongejuffrouw
+moest maar flink toetasten.
+</p>
+<p>„Zeg U toch Lientien,” verzocht de „jongejuffrouw”, „net als Bet, en dan zeg ik tegen
+U.… Betjesmoe.”
+</p>
+<p>Schatteboutje stal moeders hart voor de zooveelste maal.
+<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p>
+<p>Bet zat maar goedmoedig te luisteren naar ’t druk gebabbel van Lientien en moeder,
+die ’t samen wat best konden vinden; maar dat had ze dan ook wel gedacht. Moeder hield
+dol van kinderen, en Lientien was nog zoo echt en heelemaal een kind, in ’t geheel
+niet pedant of aanstellerig, zooals Puck b.v. Die had zich heel deftig „jongejuffrouw”
+laten noemen, reken maar.
+</p>
+<p>Doch zelfs Bet zou nu wel een beetje meelij met Puck hebben gevoeld, als ze had kunnen
+zien, hoe zielig dat juffertje haar ongeduld zat te verbijten. Want ’t werd drie uur,
+half vier, en wat er verscheen: geen auto.
+</p>
+<p>Er was wel geen nader bericht van mevrouw van Bergen gekomen, maar mevrouw had haar
+toch zelf gevraagd, en bij ’t afscheidnemen nog gezegd: „Nou, tot Zondag dan.” Zouden
+ze haar vergeten hebben, of.…?
+</p>
+<p>Puck zag weer den waarschuwenden por van Ellen aan haar moeder.—Om vier uur gaf Puck
+de hoop op. Nou goed, dan moesten die spoken van een Ellen en Grace maar weg blijven!
+Ze wachtte niet langer. Als ze nog kwamen moest Kee zeggen, dat de jongejuffrouw al
+lang was uit gegaan.
+</p>
+<p>Puck vroeg aan Nel, of ze Lientien mocht gaan halen. De Obrechtstraat was zoo vlak
+bij; zij zou heusch niet verdwalen. Nel vond ’t dadelijk goed. „Ja, ga maar Puck.”
+Nel had er mee te doen, dat ’t kind aldoor voor niets had zitten wachten.
+</p>
+<p>Lientien zat met een kleurtje van opwinding allerlei <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>verhalen te doen over school en Waldi en haar poppen, toen er hard gescheld werd.
+</p>
+<p>„O,” zei moeder, „dat is Juffrouw Maas zeker, ik zal wel opentrekken, Bet.…<span class="corr" id="xd33e1542" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„Dag juffrouw. Juffrouw, is Lientien hier?” klonk een stem naar boven.
+</p>
+<p>(„O Bet, daar is Puck,” riep Lientien blij, „hoe leuk, dat ze komt”.)
+</p>
+<p>„Jawel jongejuffrouw, komt u boven,” noodde Bets moeder vriendelijk.
+</p>
+<p>Puck rende de trap op, en werd door moeder de kamer binnengeleid. Lientien was wel
+wat verrast, toen Puck op haar toevloog en haar omhelsde met een zoen.
+</p>
+<p>Maar Lientien keek haar dan ook zoo vroolijk en vriendelijk aan, alsof ze blij was,
+dat ze haar zag, dacht Puck, die dit dubbel goed deed, nadat Ellen en Grace haar zoo
+teleurgesteld en leelijk behandeld hadden. Daarom <i>moest</i> ze Lientien even pakken.
+</p>
+<p>Toen vroeg ze een beetje benepen aan Bet: „Mag ik wel even blijven, Bet?”
+</p>
+<p>„Dat spreekt toch van zelf, Puck,” zei Bet, „ga maar zitten, er bennen nog koekjes
+genoeg.… Maar we dachten, dat je er met de auto op uit zou gaan.…”
+</p>
+<p>Puck beet zich op de lippen. „Ze zijn me niet komen halen, misschien wat tusschenbeide
+gekomen,” mompelde zij, en begon toen vlug over wat anders.
+<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
+<p>„Wat is ’t hier leuk en gezellig.… Juffrouw, u woont hier echt, hoor!”
+</p>
+<p>Als ze wou, kon die Puck ook wel haar beste beentje voorzetten, en dit deed ze nu.
+’t Meisje was op haar liefst, en pakte „moeder” heelemaal in. Ze toonde voor en in
+alles minstens even groote belangstelling als Lientien, en haar babbelmondje stond
+ook geen oogenblik stil.
+</p>
+<p>De oude vrouw moest van alles laten kijken en voor den dag halen, terwijl de kleine
+meisjes om ’t zeerst bewonderden, en overal de geschiedenis van wilden weten.
+</p>
+<p>Toen moeder met ’t portret van haar lievelingszoon aankwam, die korporaal was in Indië,
+vleide Puck: „Hij lijkt precies op u; met uw kap op zou hij sprekend zijn moeder zijn.”
+Wat moest „Betjesmoe” daar om lachen, en Bet niet minder. Want de korporaal had een
+fameuze snor en zeer ruige wenkbrauwen. Verbeeld je die eens onder een Friesche kap
+uit! ’t Gaf een pret van belang! Toen liet moeder al ’t moois zien, dat haar zoon
+haar in den loop der jaren uit Indië had toegezonden: sierdingetjes in rood koraal,
+om hier of daar neer te zetten, een mandje, van kruidnagelen gemaakt, een Indisch
+bedehuisje, fijnbesneden, en allerlei grappige poppetjes van speksteen en andere steen.
+</p>
+<p>Lientien herinnerde zich niet veel meer van Indië dan tante Letje en Tidjem, maar
+Puck wist nog heel wat van haar geboorteland te vertellen, en Bets moeder zat met
+’t grootste genoegen naar die verhalen te luisteren. Lientien dacht af en toe een
+beetje weifelend: „Of Puck nou niet <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>wat overdrijft? Zou dat wel allemaal wáár wezen.…?”
+</p>
+<p>Eindelijk zei Bet, dat ’t nu heusch tijd werd om naar huis te gaan en, terwijl Lientien
+hartelijk bedankte voor den prettigen middag, deed Puck dit niet minder beleefd en
+aardig; ze had echt plezier gehad, veel meer dan op ’t autotochtje van laatst. En
+dit maakte zij zich niet maar zoo wijs, want, al wilde Puck graag de hoogte in, al
+had ze een te grooten dunk van alles wat rijk en voornaam is, in haar hart voerde
+die neiging steeds strijd met haar beter ik. Ze maakte niet voor niets, nu sinds jaren
+al, deel uit van een gezin, waar natuurlijkheid en eenvoud den grondtoon vormden,
+en de lessen, in woord en voorbeeld, van de familie Canneheuvel, waren ook aan Puckie
+niet geheel voorbij gegaan.
+</p>
+<p>Op ’t portaal liep moeder nog even weer naar binnen, om wat te halen, en stopte de
+meisjes ieder een aardig Chineesch afgodsbeeldje in de hand (een grappig steenen poppetje
+in zittende houding, met een lange zwarte vlecht, en verbazend veel denkrimpeltjes
+op zijn verstard gezicht.)
+</p>
+<p>Betjesmoe kreeg er een zoen voor, ook van Puck. Dit laatste zag Bet met de allergrootste
+verbazing.
+</p>
+<p>Maar moeder fluisterde Bet toe, terwijl de meisjes de trap afliepen: „Je hebt gezegd,
+dat Lientien een schatteboutje was en de andere heelemaal niet?.… <i>ik</i> vind ze allebei schatteboutjes hoor! Als ze willen, breng ze dan maar gerust weer
+eens mee.…”
+</p>
+<p>Bet zei niet veel, doch dacht des te meer, en bleef Puck <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>een bijdehand nest vinden. Geen vergelijk met Lienepien, die dot!
+</p>
+<p>Een poos later, toen Bet weer eens op Puck bromde, durfde dat brutaaltje zoowaar zeggen:
+„Je lijkt zeker op je vader, Bet, want je moeder is een engel.”
+</p>
+<p>„Wil je er een om je ooren?” presenteerde Bet, met opgeheven hand.
+</p>
+<p>Maar naderhand zei ze tegen Lientien:
+</p>
+<p>„Ja, mijn vader was een „kortaffe”, net als ik, maar mijn moeder, die hield den vrede.”
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2643">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">XI</span> <span class="extraDivNum">XI</span> JAN WEER THUIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Vader en moeder waren nu ook weer thuis gekomen, en hadden Jan meegebracht.
+</p>
+<p>Dat was me een baas geworden, die Jan! Zoo groot en breed, met zoo’n heldere, vroolijke
+stem en drukke bewegelijkheid, dat hij ’t heele huis vulde. Voor iedereen had hij
+wat meegebracht, en zelfs Geertje niet vergeten. „Wat allemachies aardig is van dien
+jongen mijnheer met zijn lange beenen,” zei Geertje, „want kennen doet hij mij geen
+eens.” Ze was dan ook verbazend in haar schik met haar cadeau: een hertje van gepolijst
+metaal, dat er „echt” uitzag met zijn zware horens en mooie dunne pootjes. Het pronkte
+midden op haar tafeltje, en ’t hertebeest kreeg ’s Zaterdags <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>ook een beurt van wat blief je! ’t Werd gepoetst en opgewreven tot ’t blonk als zilver.
+</p>
+<p>Jan zou nu over acht weken naar Indië vertrekken om te Soerabaia op vaders kantoor
+werkzaam te zijn. In die twee maanden moesten Mamp en Nel voor zijn uitzet zorgen,
+terwijl hij zelf ook nog heel wat te koopen en te beredderen had. Telkens bracht Jan
+wat mee uit de stad, bloemen voor Mamp, een lekker sigaartje voor vader, fijne odeur
+voor Nel, snoepgoed voor de meisjes, en voor tante Sjarlotje patiencekaartjes. Jan
+had er voor tante ook een boekje bij gekocht, daar stonden wel honderd verschillende
+patiencespelletjes in.
+</p>
+<p>Tante Sjarlotje raakte al gauw verzot op patiencespelen en.… Lientien ook. Die was
+er bizonder vlug en wijs mee. Als tante een nieuw spel wilde leeren en uit de verklaring
+niet wijs kon worden, begreep Lientien deze in een oogenblik en leerde haar tante
+Sjarlotje, die ze, op deze manier, vlug begreep. Wat hadden tante en Lienepien een
+pret over de namen van de patiencespelletjes.
+</p>
+<p>De moeilijke „Pad”, de „Zevenslapers” en de „Tweelingen” wilden van de tien keer negen
+maal niet uitkomen, maar de „Beeldengalerij” en de „schuchtere Louise” waren flauw
+gemakkelijk. Elken avond, vóór ’t naar bed gaan, speelde tante een uurtje, en daar
+sliep ze dubbel lekker op.
+</p>
+<p>’t Werd een gezellige tijd met Jan thuis. Zelden of nooit ging hij alleen uit. „Ik
+zal mijn heerlijk thuisje nu al gauw jaren lang moeten missen,” zei Jan, „en wil er
+<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>dus nog zooveel mogelijk van profiteeren.” De jongen was bijna altijd naast Mamp te
+vinden, die hij „Mader” noemde. Dit was zijn lievelingsnaam voor zijn tweede moeder,
+die hij even liefhad, alsof zij zijn eigen was geweest.
+</p>
+<p>Als hij op de bank naast haar zat, stak hij vertrouwelijk zijn arm door den haren.
+</p>
+<p>„Nou niet naaien, Mader, maar gezellig babbelen.”
+</p>
+<p>„Domme jongen, hoe komen je zakdoeken dan klaar?”
+</p>
+<p>„Die wil Puckie wel voor mij naaien,” plaagde Jan, met een knipoogje naar deze jongejuffrouw.
+Hij wist wel, dat ze een broertje dood had aan naaien.
+</p>
+<p>„’k Ben zoo graag voor je bezig, Jan,” zei mama, „als je je goed gebruikt daarginds,
+denk je nog eens extra aan me.”
+</p>
+<p>„Of ik dat niet altijd zal doen, goeie, trouwe Mader mijn,” sprak Jan zacht. „Ik zal
+u wel erg missen en vader en Nel en lieve Lienepoes.… Maar als ’t te erg dreigt te
+worden, zeg ik, net als vroeger: „den kop er tegen in, Jaromir.”
+</p>
+<p>„Juist Jan, en we hebben toch onze brieven over en weer, en ik heb nu zooveel tijd
+om aan jullie te schrijven. Van Dolf en Lous krijg ik voortdurend prijsjes.”
+</p>
+<p>„En u schrijft zulke heerlijke, en heerlijk lange brieven,” betuigde Jan dankbaar.
+„Zorg dus Mader, dat ik u ook prijsjes geven kan.… Ons eigenlijk huis blijft toch
+altijd hier,” vervolgde Jan na eenige oogenblikken, „de duiventil, waar de kinderen
+steeds in en uit blijven vliegen, of liever ’t nestje, dat u pas zacht en warm voor
+ons gemaakt heeft. <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span><i>Ik</i> kom vast om de drie of vier jaar weer eens kijken; ’t is zoo goed als zeker, dat
+Lous en Dolf over een jaar of wat over komen wippen. U zal zien: tot in uw en vaders
+stokouderdom zal u van de kinderen Canneheuvel om u heen hebben.”
+</p>
+<p>„Vader en ik hopen en wenschen niets liever, m’n jongen,” zei mama bewogen.—
+</p>
+<p>Puck, die altijd met Frits kibbelde, zag tegen Jan op. Ze vond hem een echte „mijnheer”,
+en durfde geen bijdehante antwoorden geven, als hij haar plaagde.
+</p>
+<p>Puckie voelde niets voor ’t patiencespelen van tante Sjarlotje en Lientien, maar ze
+werd steeds „doller” op lezen. Lientien geloofde, dat ze van de heele school boeken
+leende, want altijd had ze weer nieuwe.
+</p>
+<p>„Tante Puck heeft de leeskoorts,” klaagde Lientien tegen haar eenig zoontje. „Ze is
+niks gezellig; wil nooit meer babbelen, maar zit eeuwig met haar neus in de boeken.”
+</p>
+<p>„Trek je er niks van an, moeder,” troostte kleine Koo, „dat luwt wel, want lezen is
+vreeselijk vervelend op den duur.”
+</p>
+<p>„Wat een ezel is die kleine Koo toch!” merkte tante Puck op, „zijn verstand is even
+klein als hij zelf is.” Daar kleine Koo, sinds zijn geboorte, nog geen sikkepitje
+gegroeid was, moest ’t arme wicht zijn mond wel houden.
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel zei er maar niet veel van, dat Puck voortdurend las, zoolang haar
+schoolwerk er niet onder leed. Ze vermeed alles, wat den vrede zou kunnen <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>verstoren, den laatsten tijd, dat Jan nog thuis was.
+</p>
+<p>Maar Jan had in zijn goedhartigheid bedacht Puckie eens aardig te verrassen. Hij nam
+haar mee naar zolder, en gaf haar een kist vol boeken cadeau, die hij van kleinen
+jongen af aan bewaard had. De meeste bevatten avontuurlijke verhalen, zooals jongens
+die gaarne lezen. Doch er waren ook mooie boeken bij over dieren en zoo, die Dolf
+indertijd aan Jan vereerd had.
+</p>
+<p>Puck stond sprakeloos van vreugde over zulk een schat, en wist niet, hoe ze Jan zou
+bedanken. Overblij met dit prachtige cadeau, hief zij zich op haar teenen en gaf Jan
+een flinken klapzoen op zijn bruine wang. „Ze is toch wel een hartelijk kind,” dacht
+Jan.
+</p>
+<p>Goeiige Lientien hielp Puck den boekenschat naar beneden dragen, en nu voelde Puck
+zich net zoo rijk als een veldmuis of een hamster, die voor den heelen winter voorraad
+in zijn hol heeft gesleept.
+</p>
+<p>Jammer, dat oom voortdurend een oogje hield op ’t huiswerk, moeilijke lessen overhoorde
+en de sommen nakeek.
+</p>
+<p>Puck moest er haar dierbaar lezen dus dikwijls aan geven, want, was ’t werk niet in
+orde, dan moest ’t overgeleerd en overgemaakt worden, daar hielp geen lieve moederen
+aan.
+</p>
+<p>’t Beviel Puck dit keer heelemaal niet op school. Grace en Ellen gingen heelemaal
+op in de barones en lieten Puck links liggen.
+<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p>
+<p>Het baronesje was een stil, zacht meisje met groote oogen, die altijd staarden. (Lientien
+vond, dat ze sprekend leek op haar oudste kind Francine, de oogen ten minste.) Men
+kon haar alles behalve vlug noemen, want ze kende nooit haar lessen, en gaf dikwijls
+zulke domme antwoorden, dat de andere kinderen er om lachten.
+</p>
+<p>Maar dan werd de juffrouw boos, en knorde. Al gauw begrepen de meisjes, dat ze meelij
+moesten hebben met Leonore, in plaats van haar uit te lachen. Ze was zwaar ziek geweest,
+en kon nu niet zoo goed meer leeren als andere meisjes van haar leeftijd. Mettertijd
+zou ’t wel terecht komen, had de dokter gezegd, en ’t was ’t beste, als zij klasse-onderwijs
+kreeg, en veel met meisjes van haar jaren in gezelschap was.
+</p>
+<p>Nu werd Leonore niet meer uitgelachen, doch, de goedhartige meisjes niet te na gesproken,
+die zich uit meelij met haar bemoeiden, lieten de klasgenootjes haar vrijwel links
+liggen. Behalve Ellen en Grace, die zich bepaald aan Leonore opdrongen.
+</p>
+<p>’t Stak Puck, dat zij dat deden, en ze begreep ook niet best, hoe ze <i>haar</i> bij dit meisje achterstelden. Want Puck gooide zich zelf alles behalve weg, en wat
+had je nou in vredesnaam aan dat suffe wurm, al kon ze ’t niet helpen, dat ze ’t was.
+</p>
+<p>Op een keer zei Puck ’t ronduit heel boos en driftig tegen Ellen. „Dat jullie niet
+meer vriendin met me wilt zijn, kan me geen zier schelen, maar dat je dat onnoozele
+<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>schaap van een Leonore nou zoo achterna loopt, dat vind ik bespottelijk.”
+</p>
+<p>„Zoo!… vind je dat? smaalde Ellen<span class="corr" id="xd33e1648" title="Niet in bron">.</span> „Ze is in elk geval veel meer dan jij, want ze is een barones.”
+</p>
+<p>„Zeg, ben je van Lotje getikt?” onderzocht Puck. „Die Leonore is geen steek meer dan
+jij of ik, omdat haar vader bij toeval baron is.…”
+</p>
+<p>„Kind, hoe verzin je ’t? We moeten meelij met haar hebben, zegt de juffrouw, en dat
+is waar, maar jij lijkt wel mal.…”
+</p>
+<p>„Je hoeft niet te denken, dat je ooit meer in onze auto mee mag,” schreeuwde Ellen.
+</p>
+<p>„’k Zou niet eens willen,” gilde Puck weerom. „Jij en Grace stikken van verwaandheid.
+Hoepel op met je beiden, ik <i>wil</i> niet eens meer vriendin zijn met zulke bespottelijke mallooten.”
+</p>
+<p>„Dat komt goed uit,” hoonde Ellen, „want …”
+</p>
+<p>De rest hoorde Puck niet, want ze rende weg, nadat ze haar gewezen vriendin eerst
+nog een flinken stomp had toebedeeld.
+</p>
+<p>Ziezoo, met de Grace- en Ellen-vriendschap was ’t dus voorgoed uit. Ze lieten Puck
+loopen, toen ze een voornamere vriendin konden krijgen, net precies als Frits voorspeld
+had.
+</p>
+<p>Maar juist daarom vertelde Puck er thuis aan niemand van, behalve aan Lientien, die
+toch al zoo iets gemerkt had. Lientien had haar beloofd te zwijgen, en op Lientien
+kon je aan.
+<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p>
+<p>Puck sloot nu nog inniger vriendschap met haar kostelijke boeken. Dat waren ten minste
+vrienden, die je nooit in den steek lieten.
+</p>
+<p>’t Was de laatste weken aldoor prachtig herfstweer, eigenlijk veel te warm voor den
+tijd van ’t jaar. De juffrouw zag ’t een beetje door de vingers, als er eens minder
+goed werd opgelet, en ook ’t werk beter had kunnen zijn. Zij had ’t de meisjes gaarne
+gegund nu buiten te wezen in plaats van in de warme school.
+</p>
+<p>Maar toch moest ze wel eens knorren, en ook Puck kreeg nog al eens te hooren: „Meisje,
+waar zijn je gedachten? Let toch wat beter op.”
+</p>
+<p>Puck verlangde al maar dat de school uit was, en ze ’t boeiend verhaal zou kunnen
+vervolgen, waarbij aldoor haar gedachten waren in plaats van bij haar sommen, of de
+aardrijkskundige les.
+</p>
+<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
+</p>
+<p>Lientien moest met zwaar gevatte kou thuis blijven.
+</p>
+<p>Niemand begreep, hoe ’t mogelijk was, met ’t warme weer, maar arme Lienepien had ’t
+dan toch zoo verbazend te pakken, dat mampie haar in bed stopte. Lientiens neusje
+zag rood van ’t snuiten, en ze bleef maar hoesten, in weerwil van al de ulevellen
+en boterbrokken, die haar van alle kanten werden toegestopt.
+</p>
+<p>„Je moet Lientien nu liever niet zoenen, Puck,” waarschuwde tante, „anders krijg je
+’t ook beet, en zou je de school moeten verzuimen, net als Lientien.”
+<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p>
+<p>Deze argeloos gesproken woorden brachten ondeugende Puck op een onzalig denkbeeld.
+</p>
+<p>„Waarom zou zij ook niet ziek kunnen worden, net als Lientien, en een dag of wat heerlijk
+vacantie nemen om.… volop te lezen?”
+</p>
+<p>Diep in de Boschjes waren zulke stille plekjes tusschen ’t groen, waar nooit iemand
+kwam, of je stoorde …
+</p>
+<p>Dien middag op school gaf Puck al een begin van uitvoering aan haar plan. Telkens
+moest ze verdacht hoesten en haar zakdoek gebruiken. Toen de juffrouw vroeg, wat of
+ze toch had, jokte Puck, dat ze zich niets prettig voelde; zoo zwaar in ’t hoofd en
+zoo suf, net of ze zwaar verkouden zou worden. En dat zou geen wonder zijn, omdat
+Lientien al een paar dagen te bed lag, ziek van verkoudheid.
+</p>
+<p>Toen de school uit was, ging Puck naar de juffrouw toe. „<span class="corr" id="xd33e1682" title="Bron: Jufrouw">Juffrouw</span>, als ik er morgen niet ben, dan weet u wel waarom; ik voel mij niks goed.” En Puck
+huiverde, verbazend natuurlijk.
+</p>
+<p>„Best kind. Beterschap hoor!” zei de juffrouw, wie ’t geen oogenblik in ’t hoofd opkwam,
+dat Puckie comedie speelde.
+<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2652">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">XII</span> <span class="extraDivNum">XII</span> PUCK SPIJBELT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen stapte Puck op den gewonen tijd naar school. Doch, in haar tasch,
+verstopt tusschen boeken en schriften, had zij „De Witte Bison” meegenomen.
+</p>
+<p>Zij ging de school voorbij (door een evenwijdig loopende straat), de Laan van Meerdervoort
+door, den Scheveningschen weg op, en zoo de „Boschjes” in. Haar hart klopte als een
+hamer.
+</p>
+<p>„Schaam je wat, schaam je wat,” verweet „Meester”. „Je bent een slecht, bedriegelijk
+kind.” Maar Puck wilde niet luisteren; ze stapte steeds vlugger door, vond ’t verrukkelijk
+plekje, dat zij zocht, en vergat ’t tikkertje van binnen al heel spoedig, terwijl
+ze ’t verboden genot met volle teugen smaakte.
+</p>
+<p>Den volgenden dag wilde ze in ’t geheel niet meer naar „Meester” luisteren, en toen
+ze thuis kwam, hoorde ze bepaald met spijt, dat Lientien Donderdag weer naar school
+mocht. <i>Dan</i> durfde ze ook niet langer. Dat was veel te gevaarlijk voor ’t uitkomen.
+</p>
+<p>Doch, terwijl Puck hier pas over dacht, als iets, dat onmogelijk gebeuren kon, was
+dit al geschied.
+</p>
+<p>Op school heerschte n.l. ’t gebruik, dat aan de meisjes, die niet op school kwamen,
+het huiswerk thuis werd gezonden.
+</p>
+<p>Een meisje, dat in de buurt woonde, nam het gewoonlijk mee. Puck had hieraan wel gedacht,
+maar, nu voor Lientien <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>’t werk gebracht werd, bestond er geen gevaar voor haar, meende ze, want wie zou op
+’t idee komen, dat dit voor twee in plaats van voor een was.
+</p>
+<p>Geertje was al eens verbaasd geweest, dat de boodschap bij ’t afgeven van ’t schoolwerk
+de laatste twee dagen luidde: „Voor de zieke jongejuffrouwen, en hoe ’t er mee was?”
+</p>
+<p>„Jongejuffrouw<i>en</i>,” herhaalde Geertje, „’t is er toch maar één? Lientien bedoel U immers?”
+</p>
+<p>’t Meisje, dat de schriften bracht, begreep Geertje niet te best. Ze had haast, knikte
+maar, en liep vlug weg.
+</p>
+<p>Doch Geertje vond de zaak niet pluis. Je kon die Puck heelemaal niet vertrouwen, ze
+ging vast niet naar school, en was aan ’t spijbelen.
+</p>
+<p>Bet leek ’t geval ook erg verdacht, terwijl Geertje ’t haar op haar zwaarwichtige
+manier vertelde.
+</p>
+<p>Ze wachtte Puck op, toen ze aanschelde, en vroeg haar op den man af: „Zeg Puck, ga
+jij soms niet naar school? Wat voer je uit?”
+</p>
+<p>„Natuurlijk ga ik naar school, wat hoef je me dat te vragen? Gaat ’t jou soms wat
+an?” onderzocht Puck, heel driftig.
+</p>
+<p>„Maar nou ga je mee naar binnen,” zei Bet, pakte Puck beet, en sleepte ’t onwillig
+tegenstribbelende juffertje naar de huiskamer. Daar waren Mevrouw Canneheuvel en Jan,
+aan wie Bet ’t geval kort en bondig meedeelde.
+</p>
+<p>Mama begreep er niets van, doch Jan deed dit des te <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>beter, want als kleine jongen had hij dien stouten streek ook wel eens uitgehaald.
+</p>
+<p>„Puckie, Muckie,” dreigde hij met den vinger, „je hebt gespijbeld, beken ’t maar eerlijk.
+Jongens doen dat wel meer, maar van kleine meisjes heb ik ’t nog nooit gehoord.”
+</p>
+<p>„Nee, ik ook niet,” sprak mevrouw Canneheuvel, „en ik kan ’t haast niet gelooven.
+Kijk mij eens aan, Puck.”
+</p>
+<p>Doch Puck hield ’t hoofd gebogen en versmolt in tranen. Eindelijk durfde ze opkijken,
+en daar ze wel begreep, dat alles nu toch uit moest komen, vertelde ze onder horten
+en stooten de volle waarheid.
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel keek heel ernstig, en schudde moedeloos het hoofd.
+</p>
+<p>„Puckie, ik begin er heusch aan te wanhopen, of jij ooit een oprecht, goed kind worden
+zult, en we doen toch zóó ons best je in ’t goede vóór te gaan.…
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De juffrouw en ons zóó te bedriegen! Hoe durfde je ’t te doen? En heel alleen eenzame
+plekjes in de boschjes op te zoeken … Daar had je van allerlei kunnen overkomen, Puck.
+Je weet niet, hoe gevaarlijk ’t is als kind alleen rond te dwalen. Of liever, je weet
+’t wèl.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Verbeeld je eens, dat we aldoor op je zaten te wachten.. te wachten.… en je maar niet
+kwam, tot we eindelijk hoorden, dat je een of ander vreeselijk ongeluk overkomen was.…
+O Puck, dan zou ik geen gelukkig uur meer in mijn leven hebben gehad, want ik zou
+me zelf altijd verweten hebben, dat ik beter op je had moeten passen.”
+<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p>
+<p>Als Mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje hard had aangepakt, en heftige verwijten
+gedaan, had ze ’t kind niet dieper kunnen treffen dan door de laatste woorden.
+</p>
+<p>Wanhopig snikkend wierp Puck zich in tante’s armen en smeekte: „O tante, tante, zeg
+dat toch niet. O! ik heb zoo’n spijt, dat ik zoo slecht ben geweest. Vergeef u mij
+toch, en kijk u toch niet zoo bedroefd; ik zal ’t nooit, nooit weer doen.”
+</p>
+<p>„Hoe dikwijls heb je me dat al beloofd, Puck!” zuchtte Mevrouw Canneheuvel treurig.
+</p>
+<p>Doch ze stootte het bevende, heftig schreiende meisje toch niet terug.
+</p>
+<p>Intusschen liep Jan de kamer op en neer.
+</p>
+<p>„’t Is eigenlijk ook wel een beetje mijn schuld, Mader,” sprak hij, zijn best doend,
+Puckie te verontschuldigen. „Ik had ’t kind met al die boeken niet in verzoeking moeten
+brengen.”
+</p>
+<p>Maar Puckie snikte, tusschen zijn woorden.
+</p>
+<p>„Neen Jan, ’t komt alles alleen door mijn slechtheid …”
+</p>
+<p>„Luister eens Puck,” zei Tante eindelijk, „met dat lezen moet ’t natuurlijk vooreerst
+uit zijn, en, daar je straf verdiend hebt, moet ik je die ook opleggen. Morgenochtend
+ga je dadelijk naar de juffrouw toe, en overhandigt haar ’t briefje, dat ik voor de
+juffrouw mee zal geven … En als de juffrouw oordeelt, dat je van haar ook straf verdient,
+dan is daar niets aan te doen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Je moet mij dus al je boeken brengen, en je moogt <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>vier weken lang in ’t geheel niet voor je plezier lezen. Er is natuurlijk ook geen
+sprake van, dat je naar ’t partijtje bij mevrouw Reesers gaan mag. Ik zal mevrouw
+een briefje schrijven om voor je te bedanken.”
+</p>
+<p>„Moet Mevrouw ook weten waarom?” vroeg Puck, met een hoogroode kleur, en tante smeekend
+aanziende.
+</p>
+<p>„Neen kind,… laat dat maar aan tante over. En ga nu je gezicht wasschen, en denk er
+eens ernstig over na, hoe heel verkeerd je gehandeld hebt.…”
+</p>
+<p>„Wil U mij dan vergeven, lieve tante?”
+</p>
+<p>„Eerst eens zien, hoe je je houdt. Je weet niet, Puck, hoe vreeselijk veel verdriet
+je mij hebt gedaan, en hoe bitter je me teleurgesteld hebt.…”
+</p>
+<p>Met sleepende voeten ging Puck naar boven, wierp zich op haar bed, en vertrouwde haar
+hoofdkussen al haar groot leed toe.
+</p>
+<p>Zóó vond Lientien haar. Ze wist ’t al van Puck, en ze begreep niet, hoe ze ’t had
+<i>durven</i> doen. Maar Lientien kon niemand, die ze lief had, zien huilen. En zoo legde ze haar
+hoofdje naast Puck’s krullebol op ’t kussen, sloeg den arm om haar hals, en streelde
+Puck’s natbeschreide wangen.
+</p>
+<p>„Huil maar zoo niet, Puck,” troostte ze. „Mampie zal je wel vergeven. Maar hoe heb
+je ’t toch verzonnen! Was je niet bang, dat ’t uit zou komen?”.…
+</p>
+<p>„Niet zoo erg Lientien.… Jij had ’t nooit <i>kunnen</i> doen hé?”
+<span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span></p>
+<p>„O nee hoor!” gaf Lientien gul toe. „Zoo heel alleen rond te dwalen.… hoe griezelig!
+Maar ik zou ’t toch ook niet hebben willen doen om mampie,” voegde ze er eenvoudig
+aan toe.
+</p>
+<p>„Jij hebt goed praten, jij hebt een eigen vader en moeder.… Had ik die ook maar,”
+zuchtte Puck zielsbedroefd.
+</p>
+<p>„Maar je moet ook bedenken, dat ik lang zooveel niet van lezen houd als jij,” kwam
+Lientien weer. „Dat akelige gelees ook! ’k Heb je wel gezegd: pas er mee op.”
+</p>
+<p>„’k Mag een maand lang niet voor mijn pleizer lezen, zegt je ma, en ik mag ook niet
+naar de kinderpartij van Mevrouw Reesers.… En dat verdien ik ook,” klaagde Puck berouwvol,
+„want ik ben een slecht, bedriegelijk kind.”
+</p>
+<p>Daar klonk de heldere klank van de „gong” om de familie aan tafel te roepen. Puck
+durfde niet naar beneden gaan; ze had ook in ’t geheel geen trek. Naderhand bracht
+Lientien haar een bordje boven met een portie griesmeelpudding met frambozenvla. Op
+Jan’s voorspraak had Nel dit voor stoute Puck op zij gezet.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Puck’s euveldaad raakte al gauw op den achtergrond, omdat ’t uur van Jans vertrek
+nu met reuzenschreden naderde.
+</p>
+<p>Nog één week, nog drie dagen.… nog één dag, en ’t oogenblik van afscheidnemen was
+dáár.
+</p>
+<p>Vader zou zijn jongen aan boord brengen, de overige familieleden zeiden Jan thuis
+„goedendag”.
+<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p>
+<p>Al viel er menig traantje, Jan wist er toch de opgewektheid in te houden. Zijn laatste
+omhelzing en zoen waren voor mevrouw Canneheuvel, terwijl hij haar toefluisterde:
+„Houd je goed, lieve Mader; Jan moet nu op zijn eigen beenen leeren wandelen, en als
+dat hem lukt, heeft hij ’t aan u te danken. ’k Zal er mijn best voor doen, dat U met
+Jantje niet minder eer zult inleggen dan met Dolf.”
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2661">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">XIII</span> <span class="extraDivNum">XIII</span> HET FEEST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op school heerschte, nu al weken lang, groote opgewondenheid. Want uit alle klassen
+bijna waren de kinderen genoodigd voor ’t bal, dat de familie Clifford in het „Hotel
+des Indes” wilde geven, ter eere van het vijf en dertig-jarig huwelijksfeest van mijnheer
+en mevrouw. Jonge en kleine Cliffordjes bij elkaar waren er wel dertig kinderen en
+kleinkinderen, en allen mochten, voor deze gelegenheid, hun vrienden en vriendinnen
+inviteeren. Dat zou me pas een partij worden! De Heer Hendriks, van de dansles, zou
+het bal leiden, en dat was maar goed, want ook in de balzaal moet er orde zijn, anders
+loopt de boel eerst recht in het honderd. Vooral daar er zoo verbazend veel kinderen
+zouden komen. „Nog meer misschien dan op de openbare dansles,” zei Puck.
+</p>
+<p>Dat juffertje had weer allemanspraats, want, na haar <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>straf geduldig te hebben gedragen, voelde zij zich geheel opgelucht. Mevrouw Canneheuvel
+kwam nu, evenmin als vroeger, met achterna-verwijten aan, zooals Frits dat in der
+tijd noemde. En, als ze ’t gestrafte kind eenmaal vergeven had, zinspeelde ze nooit
+meer op de aanleiding tot de straf.
+</p>
+<p>Pucks boeken bleven onder tantes berusting, en van „verslinden” kwam niets meer in.
+</p>
+<p>’s Zondags en in haar vrijen tijd mocht Jootje een paar uur lezen, en daarmee uit<span class="corr" id="xd33e1800" title="Bron: ..">.</span>
+</p>
+<p>’t Was vreeselijk hard, maar ’t moest gedragen worden, zuchtte Puck.
+</p>
+<p>Toen de gedrukte kaart van de familie Clifford kwam, was ze toch evenwel erg bang
+geweest.
+</p>
+<p>Zou ze mogen? Zou tante …?
+</p>
+<p>Tot deze vroeg: „Hebben jullie er zin in, kinderen? Zal ik voor jullie dus ook maar
+aannemen?”
+</p>
+<p>Toen had zulk een dankbaar gevoel Puck’s hartje doorstroomd, dat ze nauwelijks woorden
+kon vinden om haar blijdschap uit te drukken. Lientien juichte: „hoe zalig, dat we
+gevraagd zijn,” maar Puck vloog tante om den hals, en riep maar al: „O tante, tante!
+hoe lief en goed is dat van u, mag ik heusch? Lientien, hoor je? Ik <i>mag</i> van tante.”
+</p>
+<p>’t Deed Lientien ook oprecht plezier, want op de kinderpartij had ze Puck aldoor gemist.
+De twee meisjes waren meer dan ooit samen, nu Puck ’t met Ellen en Grace had „afgemaakt”.
+<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p>
+<p>Nel en Frits waren ook gevraagd, want Nel was bevriend met de jongste dochter Pauline,
+en Willem Clifford was bij Frits in de muziekclub. De grooteren zouden naderhand nadansen.
+Tusschen ’t dansen door zouden er tableaux-vivants zijn, en op ’t tooneel mooie dansen
+worden uitgevoerd door de beste leerlingen van den heer Hendriks. Stel je eens voor,
+wat Lientien en Puck wel voelden, toen Lientien werd uitgenoodigd als „Lentefee” in
+een der tableaux op te treden, en Puck om den solodans uit te voeren in „Het feest
+der Elfen”.
+</p>
+<p>Papa vond ’t eigenlijk niet in den haak, dat feestvieren zoo midden in den schooltijd.
+Maar Lientien kuste papoes’ bezwaren weg.
+</p>
+<p>’t Was nu maar voor dit enkel keertje, zoo’n partij kwam vast in geen jaren terug,
+en naderhand zouden ze op school dubbel haar best doen. Al de vriendinnetjes gingen
+ook, dus …
+</p>
+<p>’t Was te begrijpen, dat het onderwerp: „’t Bal bij Clifford”, steeds op het tapijt
+was.
+</p>
+<p>Dagen van te voren werden er al dansen besproken. Het: „Wat doe jij aan? Krijg jij
+ook een splinternieuwe jurk, net als ik? In welk tableau doe jij mee? Heb je al veel
+dansen besproken?” waren aan de orde van den dag.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Lientien en Puck zweefden op witte balschoentjes de trap af. Ze leken precies twee
+groote bloemen: Lientien <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>in haar rose, Puck in haar zee-groen tarlatannen japonnetje, Lientien’s jurk was met
+witte margarietjes, die van Puck met rose roosjes versierd, die hier en daar en overal
+tusschen toefjes lint smaakvol waren aangebracht: in de ceintuurs, op den éénen schouder,
+als kleine bouquetjes uitkijkend tusschen de satijnen lussen van de lang afhangende
+witte en lichtgroene linten. Je moest aldoor van Puck naar Lientien en van Lientien
+naar Puck kijken, en wist niet, wie van beiden er het snoezigst uitzag.
+</p>
+<p>Puck wist ’t wèl. Ze had wel een kwartier voor tante’s grooten staanden spiegel heen
+en weer gedraaid, en zich zelf bewonderd.
+</p>
+<p>Vooral ’t gouden medaillonnetje aan ’t fijne kettinkje vond ze prachtig. Lientien
+had er geen; Nels bloedkoralen pasten niet bij haar rose jurk, en mampies sieraden
+nog minder. Gelukkig had tante Sjarlotje een kettinkje gevonden van witte cornalijnen
+met een echt gouden slotje. ’t Sloot precies om Lientiens mollig halsje.
+</p>
+<p>Maar zoo mooi als haar gouden medaillon stond ’t toch lang niet, vond Puck.
+</p>
+<p>Nel droeg een wit zijden japonnetje en Frits had heel deftig voor ’t eerst een „smoking”
+aan.
+</p>
+<p>Vader en mamp waren heel trotsch op hun troepje; ze konden er mee voor den dag komen.
+</p>
+<p>Ofschoon ze een paar keer gerepeteerd had voor de „Lentefee”, was Lientien er toch
+niet gerust op, of zij haar rol wel goed zou vervullen. Zouden haar handen niet trillen,
+<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>haar voeten onbewegelijk blijven in de voorgeschreven houding?
+</p>
+<p>Doch Puck was heel niet bang. Ze kreeg op de dansles steeds prijsjes, werd den anderen
+kinderen ten voorbeeld gesteld, en moest dan voordansen. De moeilijkste passen leerde
+zij in een ommezien. De heer Hendriks zei dikwijls:
+</p>
+<p>„Als Jootje van Vorden zoo vlug is met leeren als met dansen, wordt ze nog eens professor.”
+De kleine meisjes hadden al verscheidene dansen besproken. Lientien meest met vriendinnetjes,
+want met jongens dansen vond ze maar zóó, zóó. Jongens hielden hun dame onverschillig
+vast en, in plaats van leuk te babbelen, keken ze een anderen kant uit, of vroegen
+onnoozele dingen.
+</p>
+<p>Lientien was, net als mamp, een echt gezellige babbelaarster, en nooit om stof voor
+een gesprek verlegen met de schoolvriendinnen. Maar met zoo’n halfvreemden jongen
+raakte je nooit op dreef.
+</p>
+<p>De heer Hendriks zag de kinderen liever bij „paartjes” dansen, maar, daar er meer
+meisjes dan jongens waren, kon dit toch niet.
+</p>
+<p>Puck danste natuurlijk liever met jongens, dat deed je op een groote-menschenbal ook,
+en zoo hoorde het. Als haar cavaliers uit de maat waren of slecht dansten, moesten
+ze er ongenadig veel over hooren. Ofschoon ze haar erg bijdehand vonden, wilden de
+goede dansers Puck toch graag als dame, want ze danste als een elfje in den maneschijn,
+en, als ze wou, kon ze verbazend leuk en aardig uit den hoek komen.
+<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p>
+<p>Lientien was erg in haar schik, dat ze de polonaise met Jan Vrede had. Dat was een
+gezellige, kalme jongen, en hij had altijd wat van zijn dieren te vertellen.
+</p>
+<p>Bij de familie Vrede hadden ze een grooten tuin, en de kinderen hielden er een heele
+menagerie op na, zooals de Canneheuveltjes indertijd op ’t groote erf te Soerabaia.
+</p>
+<p>Puck had de polonaise besproken met den grootsten jongen van de dansles, een leuke
+bruinoog, die altijd uit de maat was, maar er uit zag als een echt chic salonjonkertje.
+</p>
+<p>Met de polonaise hinderde ’t niet of je mooi of leelijk danste, redeneerde Puck, en
+ze zou maar wàt een keurig figuur maken aan den arm van Guus Hooft van Elden. Hij
+stak wel een hoofd boven de andere kinderen uit, dus zou wel in ’t oog vallen en …
+zij er bij. Ellen zou maar leelijk op haar neus kijken, als Puck met Guus liep, want
+zij had op Guus gevlast, omdat zij beiden even groot waren.
+</p>
+<p>In ’t rijtuig stonden Pucks en Lientiens babbelmondjes geen oogenblik stil. Ze hadden
+samen ook één dans. Daarin had Puck genadig toegestemd.
+</p>
+<p>Wat een lange file van wagens stond er al voor het Hotel des Indes! Het rijtuig van
+de Canneheuveltjes was nog lang niet het laatste; een lange rij had zich al weer achter
+hun vigilante aangesloten, toen zij aan de beurt kwamen om uit te stappen.
+</p>
+<p>Verscheidene keurig gekleede, vriendelijke dienstmeisjes stonden gereed om de genoodigden,
+in de tot garderobe <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>ingerichte kamer, te helpen met ’t afdoen van sjaaltjes, doeken, jassen enz. en een
+allerlaatste hand te leggen aan de toiletjes en kapsels.
+</p>
+<p>Al de kinderen Clifford waren present, om hun of haar specialen vriend of vriendin
+naar het bruidspaar te brengen, dat in een aangrenzende zaal zat, en jong en klein
+hartelijk verwelkomde en aanraadde maar net zooveel pret te maken, als zij konden.
+Van daar ging het in troepjes naar de groote balzaal. Wat een massa bruintjes, blondjes
+en zwartjes waren daar al! Dat sprong en huppelde, drong en golfde door elkaar, dat
+’t zoo’n aard had, en allen lachte de voorpret de oogen uit.
+</p>
+<p>Nel en Frits zochten een plaatsje, waar de stoelen stonden gerijd. Ze moesten vooreerst
+nog voor balvader en balmoeder spelen, en waren al gauw in een gezellig clubje, terwijl
+Puck en Lientien, omringd door een troep vriendinnetjes en vrindjes, in hun buurt
+bleven. Want dat hadden ze afgesproken met hun dansers, daar ze elkander anders vast
+niet konden vinden in de menigte.
+</p>
+<p>’t Bruidspaar was nu ook binnen gekomen en naar <span class="corr" id="xd33e1859" title="Bron: de de">de</span> voor hen bestemde plaatsen geleid. Daar klom de heer Hendriks op een kleine verhevenheid
+en kondigde aan met heldere stem: „Aantreden voor de polonaise.”
+</p>
+<p>Jan Vrede kwam Lientien halen, die innig vergenoegd aan zijn arm wegdrentelde, en
+dadelijk naar Jan’s nieuwe volière vroeg. Dat was een echt vogelpaleis, zoo hoog en
+ruim, dat er wel drie boompjes in stonden behalve verscheidene <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>struiken, die volop licht en lucht kregen door de wanden van kippengaas.
+</p>
+<p>Toen Jan, na heel lang ziek te zijn geweest, een mooi cadeau mocht kiezen, omdat hij
+pijn en ongemak zoo flink gedragen had, vroeg hij een „volière”.
+</p>
+<p>„Goed,” stemden zijn ouders toe, „maar geen gevangenis. Je moogt er boschvogels in
+wennen, en een poosje binnen houden. Willen ze niet langer blijven in je goeien stal,
+dan moet je ze hun vrijheid hergeven.”
+</p>
+<p>En nu vertelde Jan aan Lientien, dat, al was ’t in het begin recht treurig geweest,
+zoodat hij met al zijn zorg, toewijding en „lekkere tafel” de boschvogels niet had
+kunnen houden, dit nu steeds beter werd. Zoo langzaam aan kwamen er hoe langer hoe
+meer terug van hun plezierreisjes. De groenlingen vooraan, die werden zoo tam als
+kanaries. Hij hoefde maar een vinger uit te steken, flop! zat er ook een op, en bedelde
+om een wurmpje of een zaadje. ’t Was verbazend leuk. Wel een geduld werkje natuurlijk,
+eer je ze zoover had; de altijd aangerichte lekkere tafel trok zeker ’t meest. Een
+nachtegalenpaar had een nestje gemaakt in een van de boompjes, dit voorjaar; van broeden
+was nog niets gekomen, doch Jan was al erg in zijn schik, dat ze ’t zoover hadden
+gebracht. De nieuwelingen bleven lang schuw, dat sprak van zelf, en er waren ook wel
+vogels, die, als je dacht, dat ze gewend waren, wegvlogen, en nooit terug kwamen.
+Maar dat moesten die ondankbare, domme rakkers dan ook maar zelf weten.
+<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p>
+<p>„Hoe eenig toch,” vond Lientien, en vroeg of ze eens met Frits mee mocht komen, om
+Jan’s vogeldressuur van nabij te zien, wat Jan natuurlijk uitstekend vond.
+</p>
+<p>Intusschen stond Puck nog steeds op haar „cavalier” te wachten. Ze had Lientien nageoogd,
+en keek nu zenuwachtig rond. Waar bleef Guus dan toch? Zou hij niet gekomen zijn?
+Misschien ziek geworden?.… Puck begreep er niets van. ’t Roode kleurtje op haar wangen
+werd steeds donkerder, terwijl haar hartje al onrustiger begon te kloppen. Nel zag
+Puck het halsje rekken, las ’t brandend ongeduld in haar vonkelende zwarte oogen.
+Bedarend legde ze haar hand op Jootjes schouder. „Waar of die teutebol van een Guus
+nou toch blijft, hè Puck?” sprak ze. „Wind je niet zoo op kind, kijk maar, er loopen
+nog heel wat kinderen alleen rond.”
+</p>
+<p>„Mag ik Guus gaan zoeken?” vroeg Puck, popelend van ongeduld.
+</p>
+<p>„Wacht nog maar even,” raadde Nel. „’k Geloof, dat ik hem zie aankomen.”
+</p>
+<p>En dat deed Gustaaf Hooft van Elden ook, maar niet alleen.
+</p>
+<p>Aan zijn arm liep triomfantelijk een lang, blond meisje: Ellen van Bergen. Ze droeg
+een beeldig, wel wat al te mooi japonnetje voor haar leeftijd, van licht blauwe zijde.
+Terwijl ze Nel, Frits en Puck voorbijliepen, keek Ellen een beetje spottend, maar
+Guus staarde verlegen den anderen kant op.
+<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p>
+<p>Wat er op dit oogenblik in Pucks hart omging? Woede en afgunst spiegelden om beurten
+in haar blik. Ze wilde weg, het paartje na, doch Nel hield haar terug, bang, dat er
+een vechtpartijtje van zou komen.
+</p>
+<p>„O hoe valsch! hoe vreeselijk valsch,” kreunde Puck. „En nou heb ik niemand, en ik
+heb dat jongetje van Est bedankt en Truus van Druten ook, en die loopen al samen.
+En o! wat moet ik doen? Wat moet ik doen?”
+</p>
+<p>„Stil toch Puckie, ga in vredesnaam niet huilen,” verzocht Nel fluisterend. „De menschen
+kijken al naar ons, en denken stellig, dat er wat gebeurd is, toe dan Puck.…”
+</p>
+<p>Daar stond die lange slungel van een Frits op eens overeind, stapte plechtstatig op
+Puck toe, en, terwijl hij haar den arm bood, verzocht hij: „Mag ik de eer hebben,
+Mejuffrouw van Vorden, de polonaise met u te doen?”
+</p>
+<p>Weg met tranen en verdriet. Onuitsprekelijk verlicht, even gelukkig als ze straks
+rampzalig was geweest, legde Puck haar hand op Frits’ arm. Haar hartje zwol van trotsche
+vreugde, terwijl zij in de lange keten meeliepen. ’t Leek wel een bloemenketen, wat
+de meisjes betrof.
+</p>
+<p>„’k Vind ’t vreeselijk lief van je, Frits,” fluisterde Puck, terwijl ze hem overdankbaar
+aankeek.
+</p>
+<p>„’k Zal Guus straks toch eens vragen, hoe dat zaakje in elkaar zit,” sprak Frits met
+gefronste wenkbrauwen. Hij zou ’t ook voor Lientien hebben opgenomen, dus was dit
+eveneens zijn plicht tegenover Puckie.
+</p>
+<p>„Dat weet ik wel,” wist Puck vlug. „Ellen heeft hem aan <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>mij afgetroggeld … En die flauwerd heeft ’t gedaan, omdat ze zoo’n prachtige jurk
+aan heeft, en praten kan voor tien. Daar kan zoo’n jongen niet tegen op.”
+</p>
+<p>„Zie je nou wel, dat die Ellen geen echte vriendin van je is,” „vaderde” Frits. „Je
+zult nog wel meer verdriet beleven door je omgang met die malle nuf.”
+</p>
+<p>Puck knikte maar. Frits hoefde niet te weten, dat ’t al lang uit was met de vriendschap
+tusschen haar en de meisjes Van Bergen.
+</p>
+<p>Haar woede op Ellen was al voor drie kwart bekoeld. Met Frits loopen was nog veel
+deftiger dan met Guus. Frits was de grootste en de „heerigste” van alle jongens in
+de zaal.
+</p>
+<p>Daar stond de lange keten stil. De heer Hendriks trad vooruit, en plaatste ’t kleinste
+paartje aan ’t hoofd der polonaise, die hij, achteruit gaande, leidde. ’t Paartje,
+dat de polonaise dus opende, waren de jongste kleinkinderen in de familie Clifford:
+Goosje, die drie, en Paultje, die vier jaar telde. Goosje, in ’t lichtblauw, had een
+bloemenkransje op de blonde krulletjes en een bouquetje in de hand, dat zij grootmama
+straks moest aanbieden. Ze was een heel klein beetje verlegen onder den indruk van
+de plechtigheid. Maar Paultje, met zijn groote oogen, net zwarte kersen, liep dapper
+naast haar voort. Vóór ’t feestpaar gekomen, stond de heer Hendriks stil, en schoof
+Goosje voor Grootma, die ’t kleine ding bemoedigend toeknikte.
+</p>
+<p>Maar wat deed die dwaze Goosje nu?.… Ze gooide ’t <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>bouquetje in grootma’s schoot, en terwijl de heer Hendriks fluisterde: „Nou de buiging,
+kleintje,” wilde ze het eens bijzonder mooi maken, en boog zóó diep, dat ze op eens
+op den grond zat naast Paultje, die ze had meegetrokken.
+</p>
+<p>De dikkerdjes schaterden ’t allebei uit, en iedereen met hen mee. Paultje scharrelde
+als een kikkertje overeind, terwijl de dansmeester Goosje op haar voetjes zette; Grootma
+moest ze even mokkelen vóór ze verder mochten. Nu volgden de andere paartjes. ’t Was
+een allerliefste aanblik, al die kleurige, fleurige kinderen, vroolijk te zien voortschrijden
+op de opgewekte tonen der muziek. Voor den heer en mevrouw Clifford gekomen, stond
+ieder paartje weer even stil, en maakte een bevallige of minder bevallige buiging,
+al naar dit zoo uitviel.
+</p>
+<p>Lientien bracht ’t er goed af, maar Puck nog bevalliger.
+</p>
+<p>Ze liet den arm van Frits los, nam met beide handjes haar japonnetje even op, trad
+achteruit, en neeg zoo diep en sierlijk, dat niemand het haar verbeteren kon. ’t Had
+niet mooier gekund, wanneer zij een buiging voor de koningin had ingestudeerd.
+</p>
+<p>De heer Clifford klapte in de handen, en mevrouw lachte Puckie bewonderend toe. Om
+haar heen hoorde Puck fluisteren: „Wie is dat? Hoe beeldig! Hoe snoezig!” Of dat ook
+een voldoening was voor juffertje ijdeltuit!
+</p>
+<p>Lientien had gelijk gehad. Zulk een feest als dat van heden kwam in geen jaren en
+jaren weerom. Natuurlijk was er meer dan goed gezorgd voor tal van lekkernijen, die
+op <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>groote bladen den heelen avond door gepresenteerd werden. Er diende heusch wel een
+oogje te worden gehouden op de gulzige kinderen.
+</p>
+<p>En dan viel er zooveel prachtigs te zien, tableaux, levende beelden, voorstellingen
+uit ’t leven van het feestpaar, telkens opgevoerd tusschen de dansen door.
+</p>
+<p>Lientien werd toegejuicht als: „Lentefee”, en Puck niet minder in haar Elfendans.
+Bij de „cotillon” kwamen er zulke mooie verrassingen voor den dag, dat de kinderen
+stil waren van opgetogenheid. Ja, ’t was een partij, die klonk als een klok!
+</p>
+<p>Puck had haar ergernis over Guus al drie kwart vergeten, toen hij er haar zelf aan
+kwam herinneren. Terwijl zij, na haar „Elfendans”, een beetje zat uit te rusten en
+zich waaierde, kwam Guus wel wat bedremmeld op haar toedrentelen, en vroeg, of ze
+nog een dans voor hem had.
+</p>
+<p>„Ben je mal, jongen!” zei Puck. „’k Heb al mijn dansen al lang. En met jou dans ik
+nooit meer, mijn heele leven niet. Wat denk je wel?”
+</p>
+<p>En ze liet Guus staan als „Jan Ongeluk”.
+</p>
+<p>Ja, zoo vergaat ’t jongens, die tegenover meisjes hun woord niet houden. Lientien
+zou misschien gezegd hebben: „Neen, dank je, Guus, want je bent erg onaardig en onbeleefd
+tegen me geweest.” Lientien had ook haar gevoel van eigenwaarde.
+</p>
+<p>Maar met Puck was ’t met recht kwaad kersen eten, als men haar verongelijkt had.
+<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
+<p>Op ’t eind van den avond dansten de grooten ook nog even met de kinderen, eer dezen
+plaats voor hen maakten. En zoo zweefde Lientien met Frits rond, en deed Puck een
+extra toertje met Nel. Toen was het kinderfeest afgeloopen. Maar de familie Clifford
+kon tevreden zijn met de uitbundige dankbetuigingen voor de „dolle pret”, die al de
+schitteroogen met roode wangen haar uit den grond van ’t hart kwamen brengen, bij
+het afscheidnemen.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2670">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">XIV</span> <span class="extraDivNum">XIV</span> „DE SCHOENTJES”.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Puck was dan danig uit haar humeur. Op de mooie balschoentjes, die ze voor ’t bal
+nieuw had gehad, en nu verder mocht dragen op de dansles, waren twee groote zwarte
+vlekken. Hoe ze er op waren gekomen, mocht de drommel weten; ’t leek wel teer of wagensmeer.
+„Bedenk liever, hoe je ze er weer af zal krijgen,” had Lientien geraden. De meisjes
+waren toen aan ’t knoeien gegaan met eau de cologne, zeep, poeder, doch dit alles
+had de zaak nog erger gemaakt. Puck durfde geen nieuwe schoentjes vragen; in ’t begin
+van den winter had ze al een paar verloren. Die waren haar „ontstolen”, verzekerde
+Puck.
+</p>
+<p>Tante had dit maar half geloofd, en geknord over Puck’s slordigheid.
+</p>
+<p>Voor ’t feest bij de familie Clifford had ze een paar nieuwe <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>gekregen, en tante had er bij gezegd, dat ze daar nu eens extra netjes op moest wezen.
+Nieuwe kreeg ze vooreerst niet, daar hoefde ze niet mee aan te komen. En nu deze ramp!
+</p>
+<p>Puck deed op de eerst volgende dansles haar onooglijke schoentjes aan, in de hoop,
+dat niemand er iets van zou zeggen. Doch in plaats daarvan keek iedereen naar haar
+voeten. Puck meende de kinderen spottend te hooren fluisteren.
+</p>
+<p>„Trek er je toch niets van aan,” zei Lientien. „Wil je de mijne?”
+</p>
+<p>Die waren Puck te groot. „En dan zou ik toch niet willen, dat je mijn vuile schoenen
+droeg,” zei Puck.
+</p>
+<p>De heer Hendriks had ook al naar haar voeten gekeken, verbeeldde zij zich. Nee, ze
+<i>kon</i> die schoenen niet meer dragen.
+</p>
+<p>Kort daarop zag ze in de Prinsestraat een winkel, waar „Uitverkoop” was. In de étalage
+stonden alle laarzen en schoenen, groot en klein, zeer laag geprijsd, en daaronder,
+bepaald spotgoedkoop, een paar snoezige dansschoentjes à twee gulden en vijftig cents.
+</p>
+<p>Puck ging eens informeeren.
+</p>
+<p>„Ja,” zei de bediende, „die schoentjes zijn een extra kleine maat; ze passen bijna
+niemand, en daarom staan ze zoo goedkoop geprijsd.”
+</p>
+<p>„Mag ik ze eens passen?” vroeg Puck.
+</p>
+<p>„Zeker, ga uw gang, jongejuffrouw.”
+<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p>
+<p>De schoentjes zaten als geschilderd om Puck’s voetjes.
+</p>
+<p>„Neemt U ze?” vroeg de bediende.
+</p>
+<p>„Eerst thuis vragen,” antwoordde het meisje, terwijl ze den winkel uitging.
+</p>
+<p>Aldoor dansten de schoentjes Puck voor oogen. Als ze die aanhad, zouden ze pas echt
+naar haar voeten kijken, maar dan stellig uit jaloerschheid. Kon ze ze maar koopen!
+</p>
+<p>’t Was toch ook vreeselijk nooit geld te hebben. Haar heele bezit was vijftig cent,
+en dat geld had ze hard noodig voor Sinterklaascadeautjes. Tante Sjarlotje zou haar
+vast een gulden willen leenen, al stond ze nog bij tante in de schuld.
+</p>
+<p>Aan Nel durfde ze best vijftig cent vragen, en goeie Nel gaf die ook wel, als ze ze
+kon missen.
+</p>
+<p>Nou kwam ze nog één gulden te kort. Haar weekgeld kon ze niet gebruiken, met ’t oog
+op de St. Nicolaas, en daar moesten bovendien nog altijd twee centen af voor de „Bommen”.
+</p>
+<p>Dáár kreeg Puck op eens een idee. Als ze dien éénen gulden eens uit het busje <i>leende</i>?
+</p>
+<p>Ze zou ’t geld zeker en vast terug geven naderhand. Er waren toch ook heel wat centjes
+van haar zelf bij.
+</p>
+<p>Niemand zou ’t merken, want Lientien kreeg dikwijls een extra’tje voor ’t „Bommenbusje”.
+Naderhand, als ze ’t geleende geld bij elkaar had, zou ze eerlijk opbiechten, dat
+ze ’t geld had genomen, en dan kreeg de familie Bom nog een ná-cadeautje, waar ze
+niet op had kunnen rekenen, en dat dus maar wàt een groote verrassing voor hen zou
+zijn.
+<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
+<p>Op deze wijze trachtte Puck de verkeerde daad, die zij wilde doen, goed te praten.
+Toen tante Sjarlotje haar dadelijk ’t geld gaf, en niet eens vroeg waarvoor, en Nel
+ook, al hield die er een preekje bij, was Puck al vast besloten den nog ontbrekenden
+gulden uit ’t „Bommenbusje” te leenen.
+</p>
+<p>’t Busje stond in de open kast; Lientien had er nooit over gedacht het achter slot
+te bergen. Puck <i>leende</i> dus den gulden, kocht de schoentjes, en vertelde Lientien, dat tante Sjarlotje en
+Nel haar aan ’t geld er voor hadden geholpen. (Dat was immers ook zoo?) Ze zat daardoor
+zwaar in de schuld, en kon niet veel aan Sint Nicolaas doen.
+</p>
+<p>„Waar jij je geld toch laat!” verwonderde Lientien zich.
+</p>
+<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
+</p>
+<p>Begin December vond Lientien, dat <i>nu</i> de tijd gekomen was om het „Bommenbusje” te openen, en den inhoud na te tellen …
+Zij maakte er een plechtige gebeurtenis van. Nel en Frits werden uitgenoodigd erbij
+tegenwoordig te zijn, en te zien, hoe prachtig Lientien boek gehouden en ieder centje
+bijgeschreven had.
+</p>
+<p>„O lieve deugd! heeft Lientien boek gehouden?” dacht Puck angstig. „Wat nu?”
+</p>
+<p>Ja, Lientien had niet alleen elk centje, dat ze kreeg onmiddellijk in het busje gedaan,
+maar op ’t lijstje ook dadelijk bijgeschreven.
+</p>
+<p>Met een plechtig gebaar overhandigde Lientien het busje aan Nel. ’t Rammelde, of ’t
+aardig vol was. Even deftig nam <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>Nel het busje in ontvangst, deed het deksel er af en stortte den inhoud op tafel uit.
+</p>
+<p>Dubbeltjes, stuivertjes, centen, kwartjes en een enkele gulden rolden er uit. Alles
+werd op hoopjes gelegd.
+</p>
+<p>Frits had het lijstje vóór zich, en Nel begon te tellen.
+</p>
+<p>„Er moet in ’t geheel vijf gulden vijf en vijftig zijn,” zei Frits.
+</p>
+<p>„En ik krijg maar vier gulden vijf en vijftig,” verklaarde Nel. „Hoe kan dat nou?”
+</p>
+<p>„’k Heb er toch heusch elk centje in gedaan,” verzekerde Lientien verbaasd.
+</p>
+<p>„Natuurlijk snoes.… nog eens overtellen.… nee hoor, kinders, er blijft een gulden
+te kort.”
+</p>
+<p>„<i>Ik</i> begrijp ’t niet,” betuigde Lientien, „jij Nel? Is het lijstje wel goed opgeteld,
+Frits?”
+</p>
+<p>„En òf, poes. Kijk toch eens Nel, hoe keurig die Lienepien dat gedaan heeft. Achter
+elke gave staat de naam van den gever bovendien.”
+</p>
+<p>Maar Nel luisterde half toe, en keek bekommerd vóór zich.
+</p>
+<p>Zou Geertje?.… Maar ’t was leelijk, dat arme kind te verdenken, omdat je niemand anders
+verdenken wilde of kon?
+</p>
+<p>Al had ze ’t ontbrekende geld wel willen aanvullen uit haar eigen zak, Nel voelde,
+dat ze ’t geval niet <i>mocht</i> verzwijgen.
+</p>
+<p>’t Was een veel te ernstig iets; ze moest er met vader en mamp over spreken.
+<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p>
+<p>Dezen keken ook zeer ernstig, en mamp zei dadelijk: „Natuurlijk moet de zaak onderzocht
+worden, en de waarheid aan ’t licht komen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Jullie weet er niets van af, kinderen? Je hebt er geen geld uitgeleend misschien,
+en vergeten terug te geven?” vroeg mevrouw Canneheuvel, van Puck naar Lientien kijkend.
+</p>
+<p>Een oogenblik weifelde Puck.… Ach! had ze nu maar gesproken, hoeveel verdriet zou
+haar bespaard zijn gebleven.
+</p>
+<p>Doch ze durfde niet. Eigenlijk had ze tegen Nel al gejokt, toen deze haar zoo straks
+vragend had aangekeken, door heftig ontkennend het hoofd te schudden.
+</p>
+<p>Ze liet de haar geboden kans voorbijgaan.
+</p>
+<p>En toen nu Lientien, op moeders vraag, dadelijk antwoordde: „Eerlijk niet, mamp,”
+kon Puck er niet toe komen haar leugen te herroepen, en ze sprak als Lientien: „Heusch
+niet, tante.”
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>De vatenboel was aan kant en de keuken netjes opgeruimd. Genoegelijk zat Geertje met
+Bet samen, en genoot juist van een lekker kopje thee, toen de schel in de huiskamer
+haar boven riep.
+</p>
+<p>„’k Moet vast voor een boodschap,” dacht ’t kind, terwijl ze, op haar bedachtzame
+oude-vrouwtjes-manier, toch vrij vlug de trap opliep.
+</p>
+<p>„Geertje,” zei mevrouw, terwijl ze het meisje vriendelijk <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>in de heldere oogen keek, „Lientien mist geld uit een blikken busje in de kast hier.
+Nou begrijpen we niet, waar dat kan gebleven zijn. Ik heb de kinderen er al naar gevraagd,
+en wil nou ook van jou weten …”
+</p>
+<p>Geertje verschoot even van kleur. „Denk mevrouw als dat <i>ik</i> ’t er uit heb genomen?”
+</p>
+<p>„Neen Geertje, ik beschuldig je in ’t geheel niet, en als je me verzekert …”
+</p>
+<p>Geertjes heldere blauwtjes keken mevrouw zoo oprecht en onschuldig aan, dat elke achterdocht
+bij haar meesteres verdwenen was, eer ’t meisje nog sprak.
+</p>
+<p>„Mevrouw,” verzekerde Geertje, en ook haar stem klonk overtuigend eerlijk, „’k weet
+van geen bussie, en ben niet aan ’t geld gewees, gerus niet.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Moeder zaliger heef ons geleerd: „hou je handen thuis,” en vader zegt altijd: „Al
+benne we arm, we motten eerlijk blijven.” Geloof u Geertje gerus, mevrouw; ik ben
+der niet an gewees.”
+</p>
+<p>„Dàt doe ik Geertje, met heel mijn hart hoor!” verzekerde mevrouw Canneheuvel bewogen.
+„En geef me nou een hand, kind. Ik ben blij, dat ik je eigenlijk geen oogenblik ernstig
+verdacht heb, Geertje.”
+</p>
+<p>’t Meisje kreeg een kleur van blijdschap, en haastte zich naar de keuken, om ’t geval
+te vertellen. Den geheelen avond werd daar over niets anders gepraat, en werden allerlei
+gerijmde en ongerijmde vermoedens geopperd door Bet, Kee en Geertje.
+<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p>
+<p>Aan Bet en Kee werd zelfs niet gevraagd, of ze iets van ’t verdwenen geld afwisten.
+„Die vertrouw ik als mij zelf,” zei mamp. Voorloopig liet zij de zaak, zooals zij
+was, sprak met niemand over haar stil vermoeden, en verzocht den huisgenooten het
+onderwerp verder te laten rusten. Intusschen sloeg ze Puck oplettend gade.
+</p>
+<p>Niet voor niets had mevrouw Canneheuvel jaren lang met kinderen omgegaan, en in hun
+hartjes leeren lezen als in een open boek. Juist omdat ze het kind zoo liefhad (met
+zijn feilen en gebreken), bleef zijn ware natuur voor haar geen raadsel.
+</p>
+<p>Ook Pucks aard en wezen doorgrondde zij.
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel „voelde”<span class="corr" id="xd33e2042" title="Bron: ,">, </span>dat haar pleegdochtertje de schuldige was. Alles zeide ’t haar. Toch weifelde ze af
+en toe, nu ’t kind bleef ontkennen. <i>Kon</i> Lientien zich met haar boekhouding niet vergist hebben? Ze wenschte bovendien zoo
+innig, dat Puck uit zich zelf tot inkeer kwam. Dus wachtte zij.…
+</p>
+<p>’t Was intusschen half December geworden. Sint Nicolaas, met zijn drukke feestelijkheid,
+was voorbij, en mamp wist nog steeds niet, hoe ze eigenlijk handelen moest.
+</p>
+<p>Puck, geplaagd door haar slecht geweten, was niet gewoon en natuurlijk, zij <i>voelde</i>, dat tante haar verdacht, en streed met zich zelf. ’t Eene oogenblik nam ze zich
+ernstig voor de waarheid te bekennen, doch op ’t laatst deinsde ze daar toch voor
+terug.
+</p>
+<p>Ten slotte kwam ze tot het besluit om, als er sprake van <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>was, dat Geertje weg zou moeten, alles eerlijk op te biechten.
+</p>
+<p>Mocht de weggeraakte gulden in het vergeetboek raken, dan zou ze blijven zwijgen tot
+ze ’t geld bijeen had gespaard, en eerlijk niets voor zich zelf koopen, eer ze zoover
+was.
+</p>
+<p>Dan zou ze alles aan tante vertellen, en om vergiffenis vragen.…
+</p>
+<p>De familie Bom was er niet bij te kort gekomen, want tante had een gulden bijgepast,
+en er was een pak met allerlei heerlijkheden aan hun huisje afgegeven den 5<sup>den</sup> December. Geertje prakkizeerde nog steeds, hoe de Sint had kunnen raden, dat de inhoud
+zoo juist van pas kwam in het huishouden.
+</p>
+<p>Naderhand, dacht Puck, zouden ze dus nog een achterna cadeautje krijgen.
+</p>
+<p>Dit besluit bracht haar eerst wel wat verlichting, doch niet lang. „Meester” was er
+in ’t geheel niet mee tevreden.
+</p>
+<p>Als bij toeval de naam „Bom” genoemd werd, vloog Puck het bloed naar de wangen, en
+bukte zij zich haastig om quasi haar zakdoek op te rapen.
+</p>
+<p>Eens, toen dit weer gebeurde, ontmoetten haar oogen die van tante. Tante keek haar
+zoo bedroefd en bijna smeekend aan, dat ’t kind er van ontroerde. „’k Wil je helpen,
+ik zie wel, dat je rust nog vrede hebt, kom bij mij, kind,” las Puck in tantes blik.
+Ze had moeite haar tranen te bedwingen.
+</p>
+<p>Dien avond nam Mevrouw Canneheuvel Puck mee naar haar slaapkamer, waar ze geheel ongestoord
+met haar spreken kon<span class="corr" id="xd33e2070" title="Niet in bron">.</span>
+<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p>
+<p>Puck hield de oogen neergeslagen, ’t hart bonsde haar in de keel. Tante trok ’t zwak
+tegenstribbelende meisje tegen zich aan, en lichtte met zachten dwang haar gezichtje
+op.
+</p>
+<p>Toen sprak ze eenvoudig: „Puckie, beken ’t nu maar, tante wèèt, dat jij ’t geld hebt
+genomen.” Haar stem klonk zacht en liefderijk, alsof ze veel meer medelijden had met
+Puck dan dat ze boos op haar was.
+</p>
+<p>Schuw keek Puck ter zijde. Tante kòn ’t immers niet weten? „Niet wáár, niet wáár,”
+hield ze vol. „Hoe kan tante ’t zeggen, als ’t toch niet wáár is?”
+</p>
+<p>„Je <i>durft</i> niet te bekennen kind, en dat begrijp ik zoo goed. Hoe langer je er mee wacht, des
+te moeilijker wordt het voor de waarheid uit te komen. Maar pas als een kind kwaad
+bekend heeft, krijgt het een gerust geweten; tot zoolang voelt ’t zich diep ongelukkig.…
+Fluister nu maar „ja” in mijn oor, Puck, dan zal tante je nu niet verder vragen.”
+</p>
+<p>Doch Puck bleef van „neen” schudden, en als vroeger, wanneer ze gesnoept had, riep
+zij den hemel tot getuige (met haar blik naar het plafond gericht), dat ze ’t niet
+had gedaan. Waarom beschuldigde tante juist haar, en had zij Geertje dadelijk geloofd?
+En Puck begon zoo onbedaarlijk te schreien en te snikken, dat tante er van ontstelde.
+</p>
+<p>„Omdat ik Geertje de onschuld uit de oogen las, terwijl jij.… Maak je niet zoo overstuur,
+Puck, ga naar bed, straks kom ik met jullie bidden.”
+</p>
+<p>Slechts bij bizondere gelegenheden kwam Mevrouw Canneheuvel <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>de kleine meisjes voorbidden bij het naar bed gaan.
+</p>
+<p>Puck keek tante even wanhopig aan, ze durfde haar geen zoen geven, en sloop weg, àl
+huilend en snikkend.
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel bleef stil zitten wachten, ze wist, dat haar pleegdochtertje terug
+zou komen.…
+</p>
+<p>Een kwartier later werd de deur zacht geopend, en een zwart krullekopje keek om het
+hoekje, met een rood behuild gezicht. Toen ze tante nog op dezelfde plek zag zitten,
+vloog ze in één ren naar haar toe, knielde voor haar neer, en borg ’t hoofd in haar
+schoot.
+</p>
+<p>„Tante, ik kan straks niet bidden … Ik heb ’t tòch gedaan … tante, ach tante …”
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel had moeite de afgebroken woorden te verstaan.
+</p>
+<p>„Waarom deed je het, Puck? … Kind, hoe <i>kon</i> je het doen?”
+</p>
+<p>„Mijn dansschoenen waren zoo leelijk, en iedereen lachte mij uit op de dansles, en
+toen kon ik zoo goedkoop nieuwe krijgen en.…”
+</p>
+<p>„’k Begrijp niet veel van je verhaal, Puck, vertel mij bedaard de heele waarheid.”
+</p>
+<p>Dit deed ’t meisje nu, met horten en stooten, en eindigde ten slotte met de woorden:
+„Ik had nooit gedacht, dat ’t zoo gauw uit zou komen, en toen het uitkwam, hoopte
+ik, dat u zou denken, dat Geertje … maar als u Geertje had willen wegsturen, zou ik
+heusch en eerlijk gezegd hebben, dat ik …”
+</p>
+<p>„Weet je wel, kind,” viel tante in, en er glinsterden tranen <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>in haar oogen, „dat je stille hoop Geertje van den diefstal verdacht te zien, veel
+erger is dan het wegnemen van het geld zelf? ’k Kan niet begrijpen, dat je zoo iets
+verschrikkelijks hebt gehoopt, en ik kan je dit bijna niet vergeven.…
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Arm kind, hoe kwam je tot zulke slechte gedachten?”
+</p>
+<p>„Maar tante.…” Puck wischte haar tranen af, en keek tante vol in de oogen. En dit
+keer las mevrouw Canneheuvel <i>waarheid</i> in de droeve, donkere kijkertjes, „tante, u <i>moet</i> mij gelooven. Later zou ik u alles eerlijk hebben opgebiecht.… als ik ’t geld weer
+bij elkaar had.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’k Heb al dertig cent gespaard en geen haarlint gekocht, dat ik toch zoo vreeselijk
+noodig had, en er geen enkel snoepcentje afgenomen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Tante Sjarlotje heeft mij, als sinterklaassurprise, al mijn schuld kwijt gescholden,
+weet u wel, en Nel wil wel maanden wachten op haar vijftig cent. Nou schiet ik toch
+al zoo prachtig op met dien gulden voor de Bommen en … en<span class="corr" id="xd33e2119" title="Bron: ..">…</span> ik had ’t heusch willen zeggen, als Geertje weg had gemoeten.”
+</p>
+<p>„Misschien Puck, misschien ook niet. De eerste stap op den verkeerden weg is moeilijk,
+maar de verderen volgen meestal gewillig van zelf …”
+</p>
+<p>Puck boog ’t hoofd, en snikte in haar handen.… Geloofde tante haar toch niet?
+</p>
+<p>„Kom tot je zelf, kind,” sprak mevrouw Canneheuvel, terwijl ze haar hand bedarend
+op Puck’s hoofd legde. „Ik <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>wil gelooven, dat ’t je ernst is met het terug geven van het geld, en ook, dat je
+Geertje, in ’t uiterste geval, niet ongelukkig zoudt hebben gemaakt. Juist, omdat
+je door je heele houding verraadde, dat je zelf de schuldige waart, je er over schaamde,
+en er door leed, behield ik goeden moed, dat je mij ten slotte toch de waarheid zoudt
+zeggen. ’k Heb je willen helpen, omdat ik zag, hoe veel strijd en moeite je dit kostte.…
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar Puck, lieve Puck, doe toch je best, om je booze aandriften in toom te houden,
+luister toch naar de stem van je geweten. Je ziet nu zelf, hoe ver een kind kan afdwalen
+en van kwaad tot erger komen, door er niet naar te hooren.”
+</p>
+<p>Puck kuste tante’s handen en drukte zich tegen haar zachte borst, als een ziek, ongelukkig
+kind, dat bescherming zoekt.
+</p>
+<p>„Tante,” fluisterde ze, „hoe zou ik toch zoo verkeerd komen? Ik weet ’t zelf niet.”
+</p>
+<p>„Ik weet ’t wèl, vrouwtje,” sprak mevrouw Canneheuvel. „’t Komt omdat je altijd ’t
+eerst aan je zelf denkt. Je eigen genoegen, je eigen voordeel staan steeds vooraan,
+daarvoor moet al ’t andere wijken. Als klein kind had je die leelijke fout in nog
+hooger mate. ’k Hoop zoo, dat ’t voorbeeld, dat je in Nel hebt, in oom vooral, je
+al veel geleerd zou hebben. Maar dit geval nu weer,”.… tante zuchtte bedroefd.
+</p>
+<p>„Tante, lieve tante, wil u mij niet vergeven …?”
+<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p>
+<p>„Voel je, Puck, hoe heel verkeerd je hebt gehandeld, ’t ergste tegenover Geertje?”
+</p>
+<p>„Ja, ja tante, en ik zal …”
+</p>
+<p>„Ach Puck, hoe dikwijls heb je je beloften al verbroken! Daarmee doe je me toch zoo
+verschrikkelijk veel verdriet. Dikwijls denk ik bij mij zelf: „’k Wou, dat ik maar
+niet zoo veel van Puck hield, dan zou ik er lang zooveel leed niet van hebben, dat
+ze mij telkens weer teleurstelt.”<span class="corr" id="xd33e2142" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>Puck werd hoogrood, zij beefde van aandoening.
+</p>
+<p>„O tante, houdt u toch heusch van zoo’n slecht kind als ik ben?”
+</p>
+<p>„Veel meer dan je weet, Puckie … Heb je oprecht berouw? Wil je met hart en ziel je
+best doen tegen je booze neigingen te strijden, en om hulp bij mij komen, als je bang
+bent voor de verzoeking te bezwijken? Ik sta altijd voor je klaar, ik wil je altijd
+helpen, kind …”
+</p>
+<p>„Ja tante, ik wil, ik wil,” betuigde Puck vurig, „en als u mij helpt …” ’t Verdere
+werd onhoorbaar gefluisterd.
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel vouwde haar handen om die van Puck. „Lientien slaapt zeker al,
+ik zal hier met je bidden,” zei ze zacht. En aan haar oor sprak tante nu berouwvolle,
+vergeving vragende woorden en beloften van beterschap, die Puck haar nafluisterde.
+</p>
+<p>Toen mocht ze tante omhelzen, terwijl ze nog eens om vergeving smeekte, en deze in
+tante’s hartelijken nachtzoen voelde.
+</p>
+<p>Nog wel bedroefd, maar onuitsprekelijk verlicht en verruimd <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>van hart ging Puck naar bed, en viel spoedig gerust in slaap.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2679">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">XV</span> <span class="extraDivNum">XV</span> BIJ TANTE JOHANNA.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk eens bij haar
+kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer zoo goed als niet, en vroeg
+in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar
+eigen nichtje een poosje bij zich te hebben.
+</p>
+<p>Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante Johanna ook graag,
+al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten teleurstelling zou geven. Want tante Johanna
+was een stijf dametje met ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen
+om te gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt niet in
+tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan tante’s verlangen naar
+nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van huis zou wezen.
+</p>
+<p>Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn tegen het meisje,
+haar niet te laten merken, dat men van haar schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende
+telkens stil verwijt te lezen in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer
+erg veel haast had, en Geertje op zij <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich ontvallen: „Als ik uwes was, Puck,
+zou ik zoo’n drukte niet maken.”
+</p>
+<p>Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in de ooren. Geertje
+had ze nooit durven zeggen, als ze<span id="xd33e2171"></span> niet op haar neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”.
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck verbleekte, en zich
+op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t Verheugde mama, dat ’t kind zich
+wist te beheerschen.
+</p>
+<p>Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te vertellen, dat
+tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de aanstaande vacantie. Ze wil je
+graag eens bij zich hebben, en dat is heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje.
+Nu hoop ik maar, dat je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk
+zal gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich heen heeft
+gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.”
+</p>
+<p>„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt me niks aardig;
+zoo stijf en stug!”
+</p>
+<p>„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die zich haar leven
+lang voor anderen heeft opgeofferd.”
+</p>
+<p>„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige vacantie te hebben,”
+zuchtte Puck gedwee, „dan …”
+<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in. „Tante Johanna
+moest je hooren!.… Je straf heb je al gehad in de weken eer je bij mij kwam, niet
+Puck?.… Kom, zet nu je beste beentje eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig,
+opgewekt kind, zooals je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.”
+</p>
+<p>„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich zelf. „Wat een
+heerlijk vooruitzicht!”
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom haar naar Voorburg.
+Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk met oom, precies als ze met haar
+paatje had kunnen doen. Uit zich zelf was ze begonnen over haar laatste verkeerde
+daad, en oom zeide, dat hij zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen
+voor de waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze haar daad
+goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar voornemen een beter kind te worden.
+Hij hoopte van harte, dat Puck haar goede voornemen getrouw zou blijven, en tante
+beloonen voor al haar liefderijk geduld en trouwe moederzorg.
+</p>
+<p>Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes villa’tje,
+eer Puck er op verdacht was.
+</p>
+<p>Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid genomen, en
+Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen Lientien was.
+<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
+<p>Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl ze intusschen
+bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar was. Tusschen haar en Lientien
+maakte hij nooit ’t minste onderscheid. Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom
+deed ’t Puck tegelijkertijd.…
+</p>
+<p>„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes dienstbode, „we
+waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes voeten nog even af, ze zitten
+vol modder.”
+</p>
+<p>„’k Zie der niks an,” beweerde Puck.
+</p>
+<p>„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.”
+</p>
+<p>Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,” maar ze veegde
+haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het kortaffe: „<i>Voeten vegen</i>,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe uitnoodigde.
+</p>
+<p>„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt wel een poppenvilla,
+net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien lachen, als ik ’t haar vertel.”
+</p>
+<p>Maar dat kon vooreerst niet.… Puck onderdrukte een zucht, en ging de voorkamer binnen,
+waar tante in het serretje zat.
+</p>
+<p>„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek wel, of je oom
+naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je nog praten en afscheid nemen.
+Maar een volgenden keer laat je me de voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog
+aan mijn beenen.—Je <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>haar is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je de logeerkamer
+wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.… heila kind, neem meteen je hoed en mantel
+mee, en berg ze netjes in de kast boven.…”
+</p>
+<p>Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat tante een zeur
+en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich hier vervelen!
+</p>
+<p>Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te regenen, dus
+van uitgaan was geen sprake.
+</p>
+<p>Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden langzaam door haar
+vingers gleden, begon ze Puck een en ander te vertellen uit de kinderjaren van haar
+vader.
+</p>
+<p>Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en zijn schoolwerk
+niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven: „Ik moet beter mijn plichten
+betrachten,” kon Puck onmogelijk vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde
+zonder de minste belangstelling toe.
+</p>
+<p>’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op niks. Tante
+hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze haalde elk woord uit of
+’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck niets bedenken, om over te babbelen;
+ze had er ook niets geen zin in. ’t Etensuurtje bracht een <span class="corr" id="xd33e2214" title="Bron: pretttige">prettige</span> afwisseling, want ’t „spook” kookte lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel
+dan thuis. Toch smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders.
+<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p>
+<p>Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat mee aan, wat
+Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en smakte en morste als een
+kind zonder manieren.
+</p>
+<p>Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek.
+</p>
+<p>„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje.
+</p>
+<p>„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’t Is vol aardige, gekleurde platen,<span class="corr" id="xd33e2225" title="Niet in bron">”</span> zei tante, „die moet je maar eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd
+erg veel schik in dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.”
+</p>
+<p>Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend klein jongetje
+moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes dan al verbazend kinderachtig.
+Al gauw had ze haar bekomst van „De ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze,
+of ze naar bed mocht. Ze had zoo’n slaap.
+</p>
+<p>„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd.
+</p>
+<p>„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet.…” ’t Woordje „gelukkig” slikte
+ze nog bijtijds in.
+</p>
+<p>’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze niet in de gedachte,
+Puck met een hartelijk woord of grapje te doen inzien, dat ze zich een beetje <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>schamen moest over haar onbeleefd antwoord. Tante werd boos.
+</p>
+<p>„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga dan maar gauw,
+als je je zoo bij me verveelt.”
+</p>
+<p>„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck verwonderd.
+„Zoo noemt niemand mij ooit.”
+</p>
+<p>„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je heet naar mijn
+lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik, Johanna, Magdalena. En Johanna
+is wat een mooie naam!”
+</p>
+<p>„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit anders, en
+Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag zoo genoemd word.”
+</p>
+<p>„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe, en na een
+vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel” naar boven.
+</p>
+<p>In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu brak ’t los,
+wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig verlangen naar huis, dat ze ’t wel
+had kunnen uit gillen. ’t Leek haar, of ze al weken weg was in plaats van één dag.
+</p>
+<p>Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien en haar, lang
+geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een matroos, die oproer had willen
+maken aan boord van zijn schip. Zijn straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk.
+Men liet hem achter <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood.…
+</p>
+<p>O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn geweest, toen hij
+de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde tusschen hem en de bewoonde wereld.
+</p>
+<p>Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe zou ze ’t hier
+uithouden!
+</p>
+<p>En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs de wangen stroomden,
+tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep.
+</p>
+<p>’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te gaan zien, of
+haar een goedennachtkus te brengen.
+</p>
+<p>Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek haar een onhartelijk,
+bijdehand, verwend kind.
+</p>
+<p>Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele omgeving zag
+er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit.
+</p>
+<p>Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam.
+</p>
+<p>Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t Was nu mooi weer,
+en straks kon ’t wel weer regenen.
+</p>
+<p>Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts stapje voor stapje,
+voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante Johanna had last van asthma, <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij was oud en aamborstig, maar daarom waren
+tante, en vooral Saartje, niet minder dol op hem.
+</p>
+<p>Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om opgewekt te praten,
+zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel
+van gisteren kwam met kracht terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis.
+</p>
+<p>Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck niet schelen.
+Ze <i>kon</i> niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen huilen; de last op haar borst
+woog ál zwaarder.
+</p>
+<p>’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had dit den eersten
+dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar boven, na eerst, op Puck’s
+verzoek, een ander boek voor haar nichtje uit de boekenkast te hebben gezocht.
+</p>
+<p>Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog uit haar jeugd.
+Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te hebben gegeven, „Roza van Tannenburg”
+getiteld. Puck begon er over te geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met
+al die zedelessen.
+</p>
+<p>In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t boek, en wilde
+met Tom gaan spelen.
+</p>
+<p>Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever niet te dicht
+bij zijn mand moest komen.
+<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p>
+<p>Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom lieve Tom bromde.
+Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was, want anders ging de lieverd nooit
+te keer.
+</p>
+<p>„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat leelijke, vette
+beest met geen vinger aangeraakt.”
+</p>
+<p>Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat onschuldige dier maar
+uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig, dat moet ik zeggen. <i>Ik</i> zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vrindelijker beest is dan sommige,
+die ik niet noemen zal.”
+</p>
+<p>„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen beest.”
+</p>
+<p>„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je kijken, madam.”
+</p>
+<p>Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af naar de keuken.
+</p>
+<p>„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck.
+</p>
+<p>Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele voorbijgangers
+niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de wangen liepen. In de verte speelde
+een draaiorgel het melankolieke wijsje „Verdreven van huis.”
+</p>
+<p>Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat zou Lientien
+nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze met oudejaarsavond <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>ook hier moeten blijven?… Maar dat hield ze niet uit!…
+<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p171width"><img src="images/p171.png" alt="„Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vriendelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal”." width="539" height="720"><p class="figureHead">„Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vriendelijker beest is dan sommige,
+die ik niet noemen zal”.</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb172a">[<a href="#pb172a">172</a>]</span></p>
+<p>Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier met die twee
+ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat ’t dàt niet alleen was.
+Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest, ze had ’t hier toch akelig gevonden,
+omdat ze naar haar eigen thuis verlangde, en verging van heimwee.
+</p>
+<p>Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar Lientiens aanhaligheid
+en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen met Frits. Kon ze maar even om ’t
+hoekje kijken bij tante Sjarlotje.…
+</p>
+<p>Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze Geertje met haar
+dikke rokken door de gang zien schommelen.
+</p>
+<p>De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige wandelingetje, ’t wanhopig
+pogen van Puck om tegen haar heimwee te strijden, en tante’s stille ergernis over
+’t vervelende, saaie nichtje. Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet
+opwekken. Bij ’t spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en
+onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever mee uit te scheiden.…
+</p>
+<p>Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke kind, van wie
+mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven?
+</p>
+<p>’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje aan heimwee
+leed.
+<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p>
+<p>Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot het besluit,
+dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of tante haar dit nu kwalijk
+nam of niet, dat kon haar niet schelen.
+</p>
+<p>Ze <i>kon</i> ’t niet langer uithouden.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2688">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">XVI</span> <span class="extraDivNum">XVI</span> NAAR HUIS TERUG.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen nacht, uit haar
+bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich aan, haalde haar bed af, en ruimde
+de kamer netjes op. Tante Johanna hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen
+boel had achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t volgend
+briefje.
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first salute">„<i>Lieve tante Johanna</i>,
+</p>
+<p><i>’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven. Ik heb zoo’n verlangen
+naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik heb zoo’n prop in mijn keel en net een
+ijsklomp op mijn borst.</i>
+</p>
+<p><i>Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw liefhebbend nichtje
+Puck.</i>”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in ’t oog viel.
+Puckie was slim genoeg, als <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>het er op aankwam, en, terwijl ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid
+had ze alles goed overlegd.
+</p>
+<p>Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer bracht, sloop Puck
+naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op, dat de klink van het tuinhekje heel
+zacht toeviel, en snelde daarop voort, of de vijand haar op de hielen zat.
+</p>
+<p>Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze niets afnemen,
+zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op haar eerewoord beloofd! Het juffertje
+moest ’t dus met den wagen van „Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar
+de Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist ze wel drie
+kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen.
+</p>
+<p>Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af, naar Rijswijk.
+Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn in haar borst bij ’t haastig
+adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?), voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap
+en voedsel. Want ze had de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter
+’t huis uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje had
+ze nu niet door de keel kunnen krijgen.
+</p>
+<p>Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog grooter en donkerder
+door de kringen er om heen van al ’t huilen en niet slapen.
+<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p>
+<p>Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu op den Rijswijkschen
+weg waar, over de open velden aan weerszijden de koude wind meedogenloos op haar aanviel.
+</p>
+<p>’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar kleeren, die de storm
+stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte krullen dansten om Puck’s hoofd, het
+elastiek van haar hoed sprong kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde
+het weiland op.
+</p>
+<p>’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en verder ging ’t
+weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder<span class="corr" id="xd33e2342" title="Bron: ..">.…</span> Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog ’t ergste.…
+</p>
+<p>De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t wat minder
+fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg, maar al gauw bij stralen.
+Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel aan; met te meer plezier viel de booze
+regen op haar onbeschermd hoofd neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als
+een wit vodje flapperde de zakdoek in haar nek.
+</p>
+<p>Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte rokken zweepten
+tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al gauw drijfnat werden.
+</p>
+<p>Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had gegeven, was ze zeker
+aan den berm van den weg neergevallen, geheel onverschillig voor wat er nu verder
+met haar zou gebeuren. Telkens had ’t kind gedacht: <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>„Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die mij misschien wel een eindje
+mee zal willen nemen?”
+</p>
+<p>De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en behalve de
+tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel vervoermiddel gezien.
+</p>
+<p>Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t gerommel van een
+vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een wagen van Van Gend en Loos,
+die haar achterop reed.
+</p>
+<p>Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen
+weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in<span class="corr" id="xd33e2356" title="Niet in bron">.</span> En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was ze door den
+goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de manden een plaatsje ingeruimd
+door den maat van den voerman.
+</p>
+<p>„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer alleen op weg?
+Menscheziele, wat ben je koud en nat!”
+</p>
+<p>„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier, de daad bij
+het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je thuis als een pakkie met
+Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon te lachen, maar daarop onbedaarlijk te
+schreien.
+</p>
+<p>„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de koetsier. „Waar moet
+uwes wezen?”
+</p>
+<p>„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden klapperden tegen
+elkaar.
+<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p177width"><img src="images/p177.png" alt="Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in." width="543" height="720"><p class="figureHead">Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen
+weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in.</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p>
+<p>„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die buurt moet
+wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit Bles.” Hij zwaaide zijn
+zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een vluggen stap in zette.
+</p>
+<p>Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een poosje hield dit
+op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in haar borst hield echter aan.
+Ze hoorde maar half, wat de mannen haar vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan
+kwam, en hoe ze in dit hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.… Daarop was
+ze zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van den toestand,
+toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den koetsier voelde zij zich opgebeurd,
+en nu stond ze in de gang: <i>thuis</i>. ’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een waas zag ze
+lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg verschrikt keken. Achter uit de
+lange gang, kwam een gestalte toeloopen: „Tante”.
+</p>
+<p>Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en zakte ineen.
+Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.… voelde zich opgenomen en naar boven gedragen. Iemand
+kleedde haar uit, kuste haar koude wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in
+haar eigen bed, dat verwarmd aanvoelde en wist niets meer.
+</p>
+<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p>
+</p>
+<p>Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar ziek, dat de
+dokter zich ernstig <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig, dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar
+zenuwgestel bovendien geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle,
+liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster, waren voortdurend
+om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo nauwkeurig opgevolgd, als deze maar
+verlangen kon. Eindelijk kwam de crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en
+daarop, heel, heel langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg,
+lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk, zwak en moede
+voelde.
+</p>
+<p>Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van vóór haar ziek
+worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom, waaruit zij zich slechts enkele
+bizonderheden herinnerde: tantes hand op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar
+langs de wangen streek, zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in
+’t geheel niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar heen,
+en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze angstige droomen gehad,
+maar dan was er altijd iemand geweest, die haar kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde
+in de kussens.
+</p>
+<p>Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze bleef maar
+moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster was weer vertrokken en,
+als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij het verbedden te helpen.
+<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p>
+<p>Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had.
+</p>
+<p>Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en voorzichtig opnam
+en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot onmiddellijk de moede oogen weer,
+om haar tranen binnen te houden. Want Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij
+toe, dat Puck moeite had niet te gaan schreien.
+</p>
+<p>Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen. Alle ergernis
+over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor innig meelij met ’t doodzieke
+kind, en bange zorg om haar leven, dat dagen achtereen aan een zijden draad hing.
+In de keuken dacht men niet anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”,
+die telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t „schatteboutje”
+nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan longontsteking er bij.…
+</p>
+<p>Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden.
+</p>
+<p>Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.”
+</p>
+<p>En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had fel de koorts,
+zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht. Geen wonder, dat ze doodziek
+is geworden. Hoe dat nog af moet loopen!”.… en Bet schudde meewarig het hoofd.
+<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p>
+<p>’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje natte ellende,
+uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht. Den eersten tijd, terwijl
+dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel geruststellend woord durfde spreken, dan
+dat Puck’s jeugd en gezond gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde
+gezet door de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de angstige
+zorg om het meisje te behouden.
+</p>
+<p>Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t lezen van
+Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak viel haar van ’t hart
+bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag, dat haar Pucks behouden thuiskomst
+meldde.
+</p>
+<p>Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag gespoord en hartelijk
+door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk beneden kwam, om tante Johanna te
+woord te staan. Tot haar spijt kon ze deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter
+had alle bezoek streng verboden.
+</p>
+<p>„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon schikken,” klaagde
+Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over geschreven, maar wil nu nog eens
+zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht,
+met haar uitgegaan, spelletjes gespeeld en.…”
+</p>
+<p>„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span><span class="corr" id="xd33e2404" title="Bron: van">Van</span> Vorden,” troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van heimwee,
+en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar,
+en is van àf ’t oogenblik, dat ze bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd,
+dat het een volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.… Waren wij maar
+zoo ver,.… daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.”
+</p>
+<p>Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t in haar koortsdroomen
+steeds had gehad over een verlaten eiland, waar tante Johanna haar had heengebracht
+en achtergelaten, en dat ze ’t vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl
+ze versmachtte van dorst.
+</p>
+<p>Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s dorst te lesschen,
+doch haar manier was de ware niet, en dat kon de oude dame ook al weer niet helpen.
+</p>
+<p>„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde Mevrouw Canneheuvel
+tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u intusschen goed op de hoogte houden
+van haar toestand. Er is nu, God zij dank, geen kwestie meer van gevaar.”
+</p>
+<p>Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en vertelde haar wedervaren
+aan Saartje en Tom.
+</p>
+<p>Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest gelijk in, want
+wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè lieverd?”
+<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch17" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2697">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main"><span class="divNum">XVII</span> <span class="extraDivNum">XVII</span> „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig geweest, en
+zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig gesteund had. Nu zat ze in ooms
+makkelijken stoel, heerlijk en kalm, met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was.
+Daar kwam Lientien binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar
+schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat had ze mampie
+beloofd.
+</p>
+<p>Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer eventjes moest
+huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was.
+</p>
+<p>Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het <span class="corr" id="xd33e2426" title="Bron: patientje">patiëntje</span> zonder hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet alleen
+te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven werd gebracht.
+</p>
+<p>Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits stak zijn hoofd
+om de deur, en knikte Puck vroolijk toe.
+</p>
+<p>„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!”
+</p>
+<p>„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?”
+<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p>
+<p>„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens met mij uit.”
+</p>
+<p>’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar boven, want
+ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde wachten tot Puck bij haar
+kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong meisje ook eens heel erg heimwee had
+gehad, en dus kon begrijpen, hoe ’t Puck te moede moest zijn geweest.
+</p>
+<p>Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest gauw weer weg,
+die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn liefkoozingen.
+</p>
+<p>Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te hebben gegeven,
+terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje naast haar gezocht in de vensterbank,
+waar hij behaaglijk in ’t lekkere zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht
+vachtje glad, en Socrates spon, dat ’t een aard had.
+</p>
+<p>Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien ochtend beloofd.
+Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie,
+morgen zit je weer op je oude plaatsje. Heerlijk hè?”
+</p>
+<p>Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen. „Dankje duizend maal,
+Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo alles voor me gedaan hebt. Iedereen
+is toch zoo vreeselijk lief voor me geweest.… ’t Is toch nergens zoo goed als bij
+je eigen thuis.”
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>kleine Puck,” lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer
+uit wandelen te gaan!”
+</p>
+<p>„O, nee, <i>nooit</i> weer,” zuchtte ’t kind.
+</p>
+<p>Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast Puck zitten,
+en nam haar handje tusschen haar eigen zachte moederhanden. „Zullen we nu eens praten,
+kindje? Ik weet, dat je daar erg naar verlangt.”
+</p>
+<p>Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst, terwijl zij
+haar lippen op tante’s wang drukte.
+</p>
+<p>„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker wisten, dat
+je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen je zoo op eens bij tante
+Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden, om boos op je te zijn. Maar nu zullen
+we het verleden laten rusten; tante Johanna heeft ’t je ook vergeven.…
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig blij iedereen
+in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.”
+</p>
+<p>„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor me.… tante ik heb
+zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles aan u vertellen?”
+</p>
+<p>„Natuurlijk, kindje.”
+</p>
+<p>„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een smachtend verlangen
+uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t meisje bedarend over het voorhoofd
+streek.
+<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p>
+<p>„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe radeloos ongelukkig
+ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk naar u en al de anderen verlangde.
+’k Kòn ’t niet meer uithouden van heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij
+een vreemde tante, en den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een
+keer zei tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in ’t
+geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een mes gestoken
+werd …
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel en Frits, als
+u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn best doen. Ik zou net zoo goed
+willen zijn als Lientien, en ik zou altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet
+doen.”
+</p>
+<p>„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk je, dat ik er
+zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet, en mij zooveel moeite zou
+geven, om je ’t goede te leeren, als je mij niet na aan ’t hart lag?”
+</p>
+<p>„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck.….
+</p>
+<p>Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar aan. Zóó zacht
+sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen toe moest buigen, om te verstaan,
+wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag
+ik dan ook uw kind zijn, tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen
+maatje zou ik niks meer kunnen houden.… ik zou zoo dolgraag, net als Nel en Frits,
+„Moeder” of <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>„Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe „tante<span class="corr" id="xd33e2472" title="Bron: ”,">,”</span> en dan „Vader” tegen oom?”
+</p>
+<p>Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel toet en kuste
+de hand, die ze tusschen de hare hield.
+</p>
+<p>Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze Puckie is ze
+toch, met haar naar liefde dorstend hartje!”
+</p>
+<p>„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers van Effen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar, hoe ze Rutgers
+kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa. Weet U, wat ze zei? „Ik vond
+’t zoo naar, om een anderen „van” te hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van
+mijn vroolijken tweeden papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag
+heeten, en Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.”
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe zalig ’t zou wezen,
+als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en Frits en bijna als Lientien, en
+dan ook een Canneheuveltje mocht wezen.
+</p>
+<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan: Jootje Canneheuvel
+van Vorden heeten …”
+</p>
+<p>„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw Canneheuvel ernstig,
+„en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over spreken moet. ’k Geloof wel, dat <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>dit op ’t oogenblik je grootste, innigste wensch is, maar …”
+</p>
+<p>„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet neen,” smeekte
+Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik er zoo’n steun aan zal hebben,
+om mijn best te doen, en vol te houden, ook als ’t vreeselijk moeilijk is.… Als ’t
+niet mag, was ik even lief dood gegaan.…”
+</p>
+<p>„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante.
+</p>
+<p>„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.… tante, luister eens. Wanneer ik heel
+alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag ik dan „Mampie” tegen u zeggen?
+Zoo heel stilletjes, als niemand het hoort?”
+</p>
+<p>En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.… We zullen dus nog maar
+eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik, maar dan niet alsof je een <i>nichtje</i>, maar alsof je ons <i>dochtertje</i> waart.”
+</p>
+<p>„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste kind uit het
+heele land.”
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende Pucks ziekte
+had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke gelegenheid mochten Francine
+en kleine Koo ook van de partij zijn: Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo
+bij moeder.
+</p>
+<p>„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien hartelijk.
+</p>
+<p>„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>Ik moet je wat zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.”
+</p>
+<p>„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,” beweerde Lientien.
+Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even pakken, en daarop vertelde Puck,
+wat ze met tante had afgesproken, en wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde
+met groote belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t vinden,
+Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien niets dan „zalig!” en ze
+meende ’t met heel haar hart.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al gauw, in de daarop
+volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer
+geworden! Zou ze door haar ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk
+bij een ongeluk wezen.”
+</p>
+<p>Doch de juffrouw kon niet weten, welken <i>talisman</i> Puck in haar lessenaar had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht.
+Op de binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters geschreven: „Dit
+boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.”
+</p>
+<p>’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar ze hoopte
+en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou.
+</p>
+<p>Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>„Canneheuveltje” mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had.
+</p>
+<p>En Puck <i>wilde</i> den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met <i>hart</i> en <i>ziel</i>.
+<span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">INHOUD.</h2>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">Hoofdst.</td>
+<td class="tocDivTitle"> </td>
+<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch1" id="xd33e2549">EEN SLECHT BEGREPEN KIND</a> </td>
+<td class="tocPageNum">5</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2" id="xd33e2558">POFFERTJES</a> </td>
+<td class="tocPageNum">12</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch3" id="xd33e2567">1 APRIL</a> </td>
+<td class="tocPageNum">24</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch4" id="xd33e2576">„MAMA!”</a> </td>
+<td class="tocPageNum">35</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch5" id="xd33e2585">HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS</a> </td>
+<td class="tocPageNum">47</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch6" id="xd33e2594">„GEERTJE”</a> </td>
+<td class="tocPageNum">53</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch7" id="xd33e2603">VAN MUZIEK EN <span class="corr" id="xd33e2605" title="Bron: LIENTJENS">LIENTIENS</span> POPPEN</a> </td>
+<td class="tocPageNum">63</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch8" id="xd33e2615">NEL ALS HUISMOEDER</a> </td>
+<td class="tocPageNum">81</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch9" id="xd33e2624">OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS’ „BOSCHJESVRIENDEN”</a> </td>
+<td class="tocPageNum">95</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">X.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch10" id="xd33e2633">„SCHATTEBOUTJES”</a> </td>
+<td class="tocPageNum">106</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XI.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch11" id="xd33e2643">JAN WEER THUIS</a> </td>
+<td class="tocPageNum">119</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XII.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch12" id="xd33e2652">PUCK SPIJBELT</a> </td>
+<td class="tocPageNum">128</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XIII.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch13" id="xd33e2661">HET FEEST</a> </td>
+<td class="tocPageNum">134</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XIV.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch14" id="xd33e2670">„DE SCHOENTJES”</a> </td>
+<td class="tocPageNum">147</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XV.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch15" id="xd33e2679">BIJ TANTE JOHANNA</a> </td>
+<td class="tocPageNum">161</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XVI.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch16" id="xd33e2688">NAAR HUIS TERUG</a> </td>
+<td class="tocPageNum">173</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XVII.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch17" id="xd33e2697">„JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”</a> </td>
+<td class="tocPageNum">183</td>
+</tr>
+</table>
+<p><span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center xxl xd33e2704">INDISCH KINDERLEVEN
+</p>
+<p>Van <span class="sc">Gerda C. van der Horst-van Doorn</span> verscheen:
+</p>
+<p class="center xl">EEN HOLLANDSCH GEZIN IN INDIË
+</p>
+<p class="center">Met platen van SIJTJE AAFJES.
+</p>
+<p>(11–13 jaar) In prachtband f <b>2.50</b>
+</p>
+<p>Dit is een aardig verhaal voor Hollandertjes, die nooit in Indië zijn geweest. Zij
+komen zoo ongemerkt van een heeleboel dingen op de hoogte, en raken vertrouwd met
+de landen „over de zee”. Maar ook kinderen, die wèl met Indië bekend zijn, zullen
+ervan genieten. Mevr. v. d. Horst tracht haar boek zoo belangrijk mogelijk te maken
+door het verslag van de oorlogsreis der Indische boot, de beschrijving van het rijst-kweeken
+enz. Een boek dus dat aanbeveling verdient.
+</p>
+<p class="signed"><i>De Nieuwe Gids.</i>
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatLeft adv-1width"><img src="images/adv-1.png" alt="" data-role="presentation" width="200" height="288"></div><p>
+</p>
+<p class="center xl">TINEKE
+</p>
+<p class="center">Een verhaal uit het Indische Kinderleven
+</p>
+<p class="center">Met platen van SIJTJE AAFJES.
+</p>
+<p>(10–12 jaar). Tweede dr. In prachtband f <b>2.50</b>
+</p>
+<p>Een innig geschreven boek, dat een groote kennis van en een groote liefde voor het
+kinderleven verraadt.
+</p>
+<p class="signed"><i>Bataviaasch Nieuwsblad.</i>
+</p>
+<p>Een voortreffelijk meisjesboek.
+</p>
+<p class="signed"><i>De Schoolwereld.</i>
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatRight adv-2width"><img src="images/adv-2.png" alt="" data-role="presentation" width="243" height="307"></div><p>
+</p>
+<p>Van <span class="sc">Clémence M.&nbsp;H. Bauer</span> verscheen:
+</p>
+<p class="center xl">KLEINE SARINA
+</p>
+<p>Bandteekening en platen van B. MIDDERIGH-BOKHORST 12 jaar en ouder. Tweede druk. In
+prachtband f <b>2.50</b>
+</p>
+<p>’t Is een prachtig werk. <i>N. van Hichtum.</i>
+</p>
+<p class="center xl"><span class="sc">Een</span> INDISCH TROEPJE
+</p>
+<p>Bandteekening en platen van RIE CRAMER. 12 jaar en ouder. Tweede druk. In prachtband
+f <b>2.75</b>
+</p>
+<p>’n Gevoelig geschreven kinderboek. Verrassend oorspronkelijk.
+</p>
+<p class="signed"><i>De Vrouw in de XXe Eeuw.</i>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="112" height="720"></div><p>
+</p>
+<p>&nbsp;
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="547" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2025-09-14 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 93 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><i title="34 gevallen">Passim.
+</i></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e262">11</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">..</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">…</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e301">16</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Grave</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Grace</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e304">16</a>, <a class="pageref" href="#xd33e750">52</a>, <a class="pageref" href="#xd33e913">66</a>, <a class="pageref" href="#xd33e951">69</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1257">95</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1648">125</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2070">155</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2356">176</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e311">17</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">storte</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">stortte</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e356">21</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">verbeelde</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">verbeeldde</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e462">30</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">op. Want</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">op, want</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e471">30</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl"> te</td>
+<td class="bottom">3</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e576">38</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">aan hooren</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">aanhooren</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e631">43</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Wald</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Waldi</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e680">47</a>, <a class="pageref" href="#xd33e738">51</a>, <a class="pageref" href="#xd33e918">66</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e726">50</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e736">51</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e790">56</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1019">73</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2171">162</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e797">56</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">absolut</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">absoluut</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e830">59</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Mischien</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Misschien</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e851">60</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">na venant</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">navenant</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e920">66</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1063">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1136">84</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1350">102</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1514">113</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1542">116</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2142">160</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2225">166</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e953">69</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,.,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="bottom">3</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e974">70</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">zigeuner</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Zigeuner</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e986">71</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">plootjes</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">plooitjes</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e997">72</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1003">72</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”.</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1065">79</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vóór</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">voor</td>
+<td class="bottom">2 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1145">85</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">dien</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">die</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1157">86</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Hollstein</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Holstein</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1202">91</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">rakkerds</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">rakkers</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1223">93</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">prelines</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">pralines</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1326">101</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">:</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1365">103</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">broek</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">broeken</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1424">107</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">’t</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„’k</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1682">127</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Jufrouw</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Juffrouw</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1800">135</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">..</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1859">140</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">de de</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">de</td>
+<td class="bottom">3</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2042">154</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl"> ,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">, </td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2119">158</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl"> ..</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">…</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2214">165</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">pretttige</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">prettige</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2342">175</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">..</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.…</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2404">182</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">van</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Van</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2426">183</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">patientje</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">patiëntje</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2472">187</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,”</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2605">191</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">LIENTJENS</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">LIENTIENS</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 ***</div>
+</body>
+</html>
+
diff --git a/76890-h/images/adv-1.png b/76890-h/images/adv-1.png
new file mode 100644
index 0000000..30052ce
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/adv-1.png
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/adv-2.png b/76890-h/images/adv-2.png
new file mode 100644
index 0000000..3c1dea0
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/adv-2.png
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/back.jpg b/76890-h/images/back.jpg
new file mode 100644
index 0000000..12b3fa0
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/back.jpg
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/front.jpg b/76890-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..47b2271
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/frontispiece.png b/76890-h/images/frontispiece.png
new file mode 100644
index 0000000..1c623a3
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/frontispiece.png
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/p077.png b/76890-h/images/p077.png
new file mode 100644
index 0000000..3095996
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/p077.png
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/p171.png b/76890-h/images/p171.png
new file mode 100644
index 0000000..b71bac2
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/p171.png
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/p177.png b/76890-h/images/p177.png
new file mode 100644
index 0000000..5dd854c
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/p177.png
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/spine.jpg b/76890-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7b07640
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/76890-h/images/titlepage.png b/76890-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..6b13b57
--- /dev/null
+++ b/76890-h/images/titlepage.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..0dd7ed3
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for eBook #76890
+(https://www.gutenberg.org/ebooks/76890)