diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 76890-0.txt | 5352 | ||||
| -rw-r--r-- | 76890-h/76890-h.htm | 5841 | ||||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/adv-1.png | bin | 0 -> 20696 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/adv-2.png | bin | 0 -> 49645 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/back.jpg | bin | 0 -> 122673 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 264195 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/frontispiece.png | bin | 0 -> 346715 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/p077.png | bin | 0 -> 515999 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/p171.png | bin | 0 -> 457381 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/p177.png | bin | 0 -> 447149 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 52082 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76890-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 47358 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
15 files changed, 11209 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/76890-0.txt b/76890-0.txt new file mode 100644 index 0000000..645b12f --- /dev/null +++ b/76890-0.txt @@ -0,0 +1,5352 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 *** + + + + + + PUCK + + DOOR + MARIE OVINK-SOER + SCHRIJFSTER VAN „DE CANNEHEUVELTJES” + MET BANDTEEKENING EN PLATEN VAN + JOHANNA COSTER + + TWEEDE DRUK + + GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN + + + + + + + + +I EEN SLECHT BEGREPEN KIND. + + +Jootje van Vorden, bijgenaamd Puck, stond voor ’t raam in de huiskamer, +en trok allerlei figuurtjes op de zwaar beslagen ruiten. Dit deed ze +misschien wel om een beetje kalmer te worden, want de jonge juffrouw +was hevig verontwaardigd. Zoo even had Bet „de meid”, haar de keuken +uitgejaagd, verbeeld je! + +Omdat de sinaasappels nog zoo zuur waren, hadden Lientien en zij +verzonnen de partjes in suiker te leggen. Maar de suiker moest eerst +gesmolten worden, anders drong ’t zoet niet door. Dus waren beide +meisjes naar de keuken gegaan, en hadden een leelijken morsboel +gemaakt, toen Bet, juist op ’t ongelukkigste oogenblik, dat ze kiezen +kon, binnen kwam. + +„Neen maar, wat voeren jullie uit?” riep ze boos. + +„Had je dat niet eerst kunnen vragen, Lientien? En jij moest je +schamen, Puck, de vuile rommel, die je gemaakt hebt, met mijn schoonen +bordendoek op te soppen.” En tegelijk wilde Bet Puck den doek +afgrijpen. Maar Puck hield stevig vast. Bet’s blauwe en Puck’s zwarte +oogen keken elkaar woedend aan, + +„Wil je wel dadelijk loslaten, kwaie meid, pas op, of je krijgt er een +om je ooren,” waarschuwde Bet. Puck trok nog harder, en liet toen op +eens los, zoodat Bet zeker zou gevallen zijn, als ze zich niet net +bijtijds aan de tafel had kunnen vastgrijpen. + +„En nou is ’t genoeg,” riep ze rood van drift. „Denk je soms, Puck, +dat....” + +„Hoor eens Bet,” viel Puck haar heel kalm in de rede, „ik vind, dat je +nou wel eens: „jongejuffrouw” kon zeggen in plaats van „Puck”, ’t komt +niet te pas van een m....” Verder kwam ze niet. Bet pakte haar bij den +arm, en schudde de rest van haar woorden weg. + +„Heb ’k van mijn leven. Moet je nog wat?.... Vort, mijn keuken uit, en +heb ’t hart niet, dat je hier weer komt knoeien.” + +Met een dreun sloeg de keukendeur achter Puckie dicht. Lientien was al +van te voren weggeslopen met de in den haast aangebrande suikerstroop. +Ze legde er voorzichtig de sinaasappelpartjes in, doch Puck trok er +haar neus voor op. Ze was dan al verschrikkelijk kwaad. Vroeger, op +Soerabaia, had niemand der bedienden haar ooit bij den naam durven +noemen, en nou ze tien was geworden, wilde ze ’t ook niet langer +verdragen van de dienstboden hier. + +„Wat kan ’t je eigenlijk toch schelen, Puckie, of ze je in de keuken +bij je naam noemen,” vroeg Lientien. „We zijn toch maar kinderen,” +voegde ze er eenvoudig bij. „Grace en Ellen hebben je zeker opgestookt, +om zoo groote-menscherig te doen, hé Puck?” Doch Puck duwde Lientien +weg, en wilde in ’t geheel niet kijken naar de rose schijfjes in het +zwart bruine sap. Ze teekende ’t eene sterretje vóór, ’t andere ná op +de beslagen ruiten. + +Waldi kwam van de wandeling thuis, maar zijn onstuimig vriendelijke +begroeting werd door Puck met een koel „weg vervelend beest,” +beantwoord. Lientien wilde ’t bij Waldi goed maken, doch dat behoefde +niet eens: Waldi nam ’t nooit kwalijk, wanneer de menschen +onvriendelijk tegen hem waren. Dat begreep hij niet, of hij nam de zaak +even wijsgeerig kalm op als Socrates, de kater. + +Nel kwam binnen, even later Frits, die Puck aan haar krullen trok, +omdat ze hem niet behoorlijk goeden dag zeide. + +„Wat scheelt er aan Puckie Muckie?” vroeg hij. „Heb je weer kuurtjes, +kruidje-roer-mij-niet?” + +Puck haalde nijdig haar schouders op en gaf geen antwoord. + +„Plaag haar toch niet, Frits,” verzocht Nel. + +„Toe, Puckekind, help me eens gauw. ’k Moet de sla nog aanmaken. Wil +jij vast de eieren pellen?” + +Jootje keerde zich half om, doch toen Frits haar vaderlijk goedkeurend +toeknikte: „Toe maar Puckie,” werd ze wéér woedend, en vloog de kamer +uit. + +„Och hemel! wat een lastig humeur heeft Puck tegenwoordig toch,” +zuchtte Nel. „De Haagsche lucht bekomt haar bepaald slecht.” + +„Nee,” verkondigde Lientien wijs, „’t komt door haar vriendinnen op +school. Die kinderen stoken haar van alles op.” + +„Jou ook, Lienepien?” vroeg Frits. + +„Ze noemen mij een „zuigelingkind”, en ze hebben altijd geheimen voor +me met hun drieën.... ’k Wou, dat ’k Annie en Wimpie hier had, die +houden ook van poppen en zoo.... Daar trekken Ellen en Grace haar neus +voor op.” + +„Maar in Den Haag is ’t toch heel wat leuker wonen dan in Utrecht,” +meende Frits. „Die heerlijke duinen en Scheveningen en de Boschjes en +’t Bosch.... Zou jij terug willen, Nel?” + +„Ik vind ’t overal prettig, waar we allemaal samen zijn, vent. ’t Spijt +me genoeg, dat Lous en de jongens zoo ver weg zitten.” + +Op ’t allerlaatste nippertje kwam Puck pas aan tafel, haar booze bui +scheen nog niets gezakt. Maar van slechte humeurtjes werd aan tafel +nooit notitie genomen. Mama keek Puckie wel even onderzoekend aan, doch +vroeg niets. Iedereen praatte gewoon en prettig zooals altijd op ’t +gezellig etensuur, wanneer al de familieleden bijeen waren. + +Doch ná tafel nam mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje apart. + +Eerst had mama gemeend en gehoopt, dat zij ’t zich verbeeldde (of, dat +dit een voorbijgaand verschijnsel zou zijn), toen Puck zoo in haar +nadeel veranderde sinds de familie in Den Haag woonde. Doch, daar +Jootje’s humeur eer erger dan beter werd, moest ze dit vermoeden +opgeven. Met ’t meisje, dat nu sinds drie jaar hun huisgenootje was, +had mevrouw Canneheuvel in ’t begin veel last gehad. ’t Kleine, +verwende ding snoepte, jokte en was verbazend koppig. Snoepen deed +Jootje nu zelden of nooit meer, en ook in andere opzichten was ze wel +in haar voordeel veranderd. + +Wat ’t kind echter de laatste maanden was gaan bezielen, dat begreep +niemand. + +Altijd achtte zij zich verongelijkt, en riep dan: „Niemand begrijpt mij +ook” (net of ze een raadseltje was, zei Lientien). Vaak liep ze uren +aaneen te mokken, en wist eigenlijk zelf niet waarom. Over ieder +plagerijtje werd ze boos, en had eens twee dagen lang niet tegen Frits +willen spreken, omdat hij haar de „reuzin” had genoemd toen ze klaagde, +dat iedereen haar als een klein kind behandelde. + +Mama sloeg Puckie opmerkzaam gade, en deed telkens weer haar best ’t +meisje van haar ongelijk te overtuigen; dit gelukte haar echter steeds +moeilijker. + +Ook nu weer kon tante Puck niet aan ’t verstand brengen, dat ’t al heel +bespottelijk en grievend tegenover Kee en Bet zou zijn, wanneer haar +gelast werd om de kleintjes op eens „jongejuffrouw” te noemen. + +„Maar kindje,” sprak tante, „de meisjes in de keuken noemen Frits nog +altijd bij zijn naam, en die is bijna zestien. Bet vergeet zelfs +meestal „Juffrouw” tegen Nel te zeggen. + +„Nou, ik vind, dat het niet te pas komt,” hield Puck vol, „Ellen en +Grace zeggen ’t ook.” + +„Frits en Nel maken daar nooit een aanmerking over, omdat we Bet en Kee +al zoo lang hebben, en ze ons zoo trouw en eerlijk dienen.” + +„Ellen en Grace hebben hier in huis niets te vertellen, Puckie... Kom, +vrouwtje, zet je mooie-weer mutsje toch weer op. Zoo gauw je achttien +bent mag je „juffrouw” zijn. Tot zoolang blijf je onze „Puckie” binnen +en in de keuken.” + +„Mijn paatje”... begon Puck, snikkend. Tante zag ’t kleine meisje heel +ernstig aan. + +„Kijk me eens in de oogen Puck... geloof je, dat je vadertje zou +meenen, dat je hier niet goed bezorgd was, en geen prettig tehuis +hebt?... Heusch, Puck, als je niet tevreê en vroolijk bent, is dat +alleen je eigen schuld. Strijd toch tegen dat verkeerde gevoel in je +hart. Wees niet hoogmoedig, en heb niet zoo’n groot idee van je zelf. +Je bent net als Lientien, nog maar een kind. En wanneer je eenvoudig en +voorkomend bent, houdt iedereen van je, en voel je je zelf ook +gelukkig... Geef mij nu maar een zoen, en beloof me je best te willen +doen.” + +Puck gaf tante wèl een zoen, doch voldaan was ze niet. Bij zich zelf +dacht ze: „Wat kan ’t tante nou toch eigenlijk schelen, of Bet en Kee +mij jongejuffrouw noemen, als ik ’t zoo graag heb. En nou kan ik Ellen +en Grace ook niet vertellen, dat ze ’t moeten doen voortaan, en ik heb +nogal zoo gebluft, dat tante ’t dadelijk goed zou vinden.” + +Toen ze in bed was, en Lientien al lang sliep, lag Puck nog een heele +poos over haar moeilijkheden na te denken. + +’t Was of ze tegenwoordig veel meer naar Indië terug verlangde dan +vroeger. Ze zag haar lief geboorteland in de schoonste kleuren; alles +was er heerlijk en veel beter dan in dat nare Holland, waar ’t bijna +aldoor regende. Ralima zou ’t wel uit haar hoofd hebben gelaten om haar +af te snauwen als die nare Bet deed... Tante was wel lief en de anderen +ook, behalve Frits, die aap van een jongen, met al zijn verbeelding... +Maar waarom lieten groote menschen kinderen bijna nooit hun zin doen? +Ach, waarom was haar paatje er niet meer? Van hem mocht ze alles. Hier +moest je altijd gehoorzamen, en, wat je prettig vond, mocht juist niet. +Grace en Ellen van Bergen deden thuis net wat ze wilden. Ze hadden geen +vader meer, en haar moeder gaf de meisjes in alles toe. Wanneer ze een +enkelen keer wat verbood, en Ellen en Grace deden ’t toch, dan kregen +ze nooit straf, maar mevrouw begon te schreien. „En,” zei Grace, „zoo’n +regenbuitje dreef van zelf voorbij...” + +Als zij dat toch ook maar durfde, iets te doen wat eigenlijk niet +mocht, maar dan zou tante vast niet huilen en roepen van: „hoe kan je +toch zoo ongehoorzaam zijn?” + +Ze zou flink straf krijgen, van oom ook... Die Lientien was toch zoo’n +flauw kind; ze kreeg al een kleur van schrik bij de gedachte, dat ze +iets uitvoerde wat mampie niet goed zou vinden. Grace vond ’t ook zoo +flauw, dat dat kind nog zoo graag met poppen speelde. „Poppen zijn maar +dooie dingen,” zei ze. + +Grace was al dertien en Ellen twaalf, maar zij wilden toch vriendin met +haar zijn. + +Daarmee voelde Puckie zich erg vereerd; ook, doch dit had ze voor geen +geld willen bekennen, omdat ze erg rijk waren. Mevrouw Van Bergen had +een auto en, als je er op een partijtje was, kreeg je allerlei moois +mee naar huis. Dat vond tante overdreven, en ’t gebeurde bij de familie +Canneheuvel dan ook nooit. + + + + + + + + +II POFFERTJES. + + +Zooals uit ’t vorige hoofdstuk blijkt, zou hij, die de familie +Canneheuvel nog in Utrecht wilde zoeken, verkeerd uitkomen. Om +verschillende redenen hadden de Heer en Mevrouw Canneheuvel besloten +naar Den Haag te verhuizen, kort ná het huwelijk van hun oudsten zoon, +Dolf, met Nel’s vriendin Loes (die omstreeks dienzelfden tijd naar +Indië waren vertrokken). Jan, de tweede zoon, die de Haagsche +Handelsschool bezocht, behoefde dan niet langer spoorstudent te zijn. +Voor tante Sjarlotje, die steeds erger aan rheumatiek begon te +sukkelen, en voor Nel, die nog al eens last van malaria had, was ’t +veel beter op duingrond te wonen. Toen vader en mama een geschikt huis +hadden gevonden, in Duinoord, werd het plan dan ook ten uitvoer +gebracht. De geheele familie was al gauw erg ingenomen met de +verandering van woonplaats. De heer en mevrouw Canneheuvel vonden er +verscheidene oude vrienden uit Indië terug; de kinderen genoten +oneindig meer van het heerlijk buiten wandelen en onderzoekingstochten +ondernemen nu duinen, bosch en zee zoo dicht bij huis te vinden waren. +Van Dolf en Lous kwamen voortdurend de beste berichten uit Semarang +(waar Dolf zich als dokter had gevestigd) en Jan maakte zich gereed hun +weldra de groeten van de geheele familie te gaan overbrengen. Op ’t +oogenblik was hij nog in ’t buitenland, om vreemde talen te leeren, +zooals vader en hij indertijd hadden afgesproken. Jan verbeeldde zich, +dat hij al aardig wat van de wereld had gezien. Hij vond het reizen +bizonder naar zijn smaak, en zou wel graag ontdekkingsreiziger zijn +geworden, als het maken van ontdekkingsreizen niet zulk een onzeker en +gevaarlijk bestaan had opgeleverd. Nel, nu de oudste thuis van de +kinderen Canneheuvel, was kort geleden één en twintig jaar geworden, en +een allerliefst jong meisje, kinderlijk in uiterlijk en manieren en nog +geheel de oude, hartelijke Nel van vroeger. Van hare studieplannen was +tot dusver niet veel gekomen. Eigenlijk vond zij ’t veel prettiger in +het huishouden bezig te zijn, en Nel was op weg, om, onder mama’s +leiding, een flinke huishoudster te worden. + +Frits, de jongste van de jongens Canneheuvel, ging steeds met mooie +cijfers over op de H. B. S., en hoopte ’t volgend jaar eindexamen te +kunnen doen. Hij beloofde een slanke, flinke jonge man te worden, maar +in zijn lange armen en beenen was hij nog niet geheel gegroeid. Frits +kwam altijd tijd te kort, want hij had ’t heel druk op school, en +studeerde bovendien meer dan ooit viool, nu hij les kreeg van een +uitstekenden meester, en lid was geworden van een muziekclub. + +Ja, dat de Canneheuveltjes groot werden, dat kon je ook best merken aan +Lientien, het Benjaminnetje in het gezin. Doch, al was Lientien al +negen jaar, ze werd nog wat graag als schootkindje behandeld, en voor +een vertrouwelijk praatje klom ze altijd bij vader op schoot. Papoes +zei dan, dat zoo’n groote meid zich wat schamen moest, haar voeten +reikten immers tot den grond als ze op vaders knie zat? Maar wie kon +lieve, aanhalige Lientien ooit iets weigeren? Ze keek altijd even +snoezig uit haar groote blauwe oogen en, met haar zijïg goudblond haar +en teer, fijn figuurtje, leek ze net een sprookjes-prinsesje, zei +Frits, als Lientien ’t niet hooren kon, want hij vond ’t in het geheel +niet goed kleine meisjes ijdel te maken. Aan Puck viel in dit opzicht +niet veel te bederven. Die keek voortdurend in den spiegel, en deed dan +erg aanstellerig, met haar hoofd op zij, om haar krullen goed in ’t oog +te krijgen. + +Op een keer had Frits in Puck’s kamertje een grooten badhanddoek voor +den toiletspiegel gehangen, en al de kleine spiegeltjes, die hij vinden +kon, met lapjes bedekt. Frits’ goede bedoeling werd geheel miskend, +want Puck had groote en kleine lappen verwoed weggesmeten, en Frits +gevraagd wat hij zich wel verbeeldde? Hoe durfde hij op haar kamertje +en aan haar goed komen? Als hij ’t weer deed, ging ze net zoo lang op +zijn viool krassen tot al de snaren kapot waren. Dat hield Frits zich +voor gezegd, en zekerheidshalve hield hij voortaan zijn viool achter +slot in de kast, en den sleutel goed weggestopt. Met die Puck moest je +op alles verdacht zijn.—Nee, Puckie werd er lang niet liever op, en +Frits geloofde, net als Lientien, dat ’t allemaal van die vriendinnen +kwam. Want dat waren me je echte nuffen, met een hoop verbeelding! om +van te gieren. Laatst, toen hij Puck en die kinderen was tegengekomen, +had hij hen met zijn hand „bonjour” toegewuifd. En verbeeld je! Puck +was er woedend over uitgevaren naderhand, en had hem verweten: „Je hebt +geen manieren, Frits Canneheuvel; Ellen en Grace vonden ’t vreeselijk +onbeleefd, dat je je pet niet afnam, toen je groette. Dat doen de +andere jongens allemaal, maar jij weet niet hoe het hoort.” „O, neem +mij niet kwalijk, mejuffrouw,” had Frits toen gespot, „een volgende +maal zal ’t niet meer gebeuren.” En, om haar te plagen, zwaaide Frits +voortaan zijn pet bijna tegen den grond, als hij de meisjes tegenkwam, +maar keek haar daarbij zoo ondeugend spottend aan, dat ze best +begrepen, hoe Frits haar voor den mal hield. + +Als Lientien alles had willen vertellen wat zij alzoo merkte en hoorde +van Puck, Grace en Ellen, zou mevrouw Canneheuvel al lang een stokje +hebben gestoken voor die innige vriendschap tusschen Puck en haar +vriendinnen. Maar de Canneheuveltjes hielden niet van klikken, en +bovendien begreep onschuldige Lientien lang niet alles, en liet zich +door Puck veel wijsmaken. + +Alleen aan tante Sjarlotje vertelde Lientien nog wel eens een en ander +over Ellen en Grace als die bizonder onuitstaanbaar waren geweest. Doch +tante suste steeds: „dat moet je je maar niet aantrekken, Lientien,” +of: „ze hebben dat zeker zoo niet bedoeld.”—Tante Sjarlotje was altijd +voor den vrede. Ze naderde nu zoo zachtjes aan de zeventig en, hoe +kalmer ’t om haar heen was, hoe liever of ze ’t had. Handen en voeten +wilden niet best meer mee, gezwollen en stijf als zij waren door de +rheumatiek, en tante bleef dan ook meest altijd boven, in haar mooie, +ruime zitkamer, die mama erg gezellig en geheel naar Sjarlotjes smaak, +had ingericht. Zelfs ’s zomers werd daar op koude dagen gestookt, en ’t +moest al verbazend heet zijn, als tante haar warme stoof of handkruikje +wilde missen. Bij ’t opstaan en naar bed gaan werd zij stéeds geholpen, +meestal door mevrouw Canneheuvel. Kee (het tweede meisje), die veel van +tante Sjarlotje hield, kwam uit zich zelf telkens eens kijken, of ’t de +oude dame aan niets ontbrak. „Was de waterstoof nog wel warm genoeg, +tochtte ’t niet bij ’t raam, zou ze den stoel van de Juffrouw wat meer +in ’t zonnetje schuiven?” Dan bleef ze nog even wat babbelen, want +tante hield dol van een praatje, en haar hoofd was nog even helder als +twintig jaar geleden. Ze vond ’t heerlijk als de kinderen uit school +kwamen om haar hun schoolnieuws te vertellen. Wanneer Nel een heelen +middag bij haar kwam zitten naaien was ’t bepaald een feestdag voor +tante, en Frits maakte tijd, om voor tante Sjarlotje viool te spelen, +want een verrukter, dankbaarder toehoorster bestond er op heel de +wereld niet. Dikwijls kwam papa zijn zuster wat voorlezen, maar +voorlezen was voor tante bepaald een slaapmiddeltje. Daar dutte ze zoo +heerlijkjes bij in, dat ’t een genot was om te zien. Zelf lezen deed ze +nog graag: ouderwetsche boeken uit haar jeugd, die in keurige, kleurige +bandjes in het boekenkastje stonden. Die las en herlas ze. En als Nel +dan met een nieuw uitgekomen boek aankwam, dat ze prachtig vond, en +tante wou laten meegenieten, weerde Sjarlotje zachtjes àf. „Dankje +lieverd, maar ik lees liever „Het Heideprinsesje” nog eens over. Dat is +toch zulk een prachtig verhaal, dat ik ’t nooit genoeg kan lezen.” + +Van al de huisgenooten was Lientien ’t meest en ’t liefst bij tante. +Die twee waren kinderen samen. Lientien maakte bij Sjarlotje haar +schoolwerk, en naaide, onder tantes toezicht, de kleeren voor haar +poppen, en intusschen had ze altijd wat te babbelen en te vertellen, +waarin tante verbazend veel belang stelde. Lientien werd ’t ook nooit +moe te luisteren naar de bekende verhalen uit tante’s jeugd. + +„Komt mijn Lienepien daar weer?” riep tante vroolijk, als ’t kleintje +haar hoofdje om de kamerdeur stak. En Lientien: „Nou moet je toch +hooren tante Sjarlotje...” En Lientien stortte haar overvol hart uit, +want niemand in huis luisterde zoo geduldig en vond alles wat Lientien +vertelde zóó gewichtig als tante Sjarlotje. + +„U is eigenlijk net zoo goed een vriendin van mij als Annie en Wimpie, +hè Sjarlottepotje?” kon Lientien zoo hartelijk zeggen, terwijl ze, net +als vroeger, met haar hoofdje op zij, tante vleiend aankeek. + +Tante vergat, dat zij bijna zeventig en Lientien nog geen tien was, en +knikte blij: „Natuurlijk, Lienepien, wat dacht je anders?” En ’t oude +en ’t jonge kind pakten elkaar eens terdege. + +Op een Woensdagmiddag kwam Lientien tante vertellen, dat de jurk voor +Francine moest blijven liggen, want ze ging met Frits en Puck naar +„stad”. + +Frits zou voor mamp verschillende soorten postzegels gaan koopen aan ’t +groote postkantoor, en de kleine meisjes gingen mee, want Waldi was ook +van de partij, en die mocht niet naar binnen in ’t postkantoor. Dus zou +Lientien hem zoolang aan de lijn houden. Daarna zou de verrassing komen +(voor Puck), want Frits had Lientien in ’t geheim beloofd, dat ze +poffertjes zouden gaan eten in de Prinsestraat. En met ’t oog daarop +had Lientien, om twaalf uur, verdacht weinig eetlust voorgewend. + +Even half drie stapte ’t drietal er al op uit. Gelukkig, dat Lientien +en Puckie met haar beiden waren, want ’t bleek een heele toer Waldi +vast te houden, toen Frits ’t postkantoor binnen ging. + +Waldi had namelijk een van zijn dolle buien, en wou Frits met geweld +volgen. Als een razende trok hij aan de lijn, en slaakte de snijdenste +gilletjes. Vier kleine stevige handen waren bijna niet genoeg om den +stouterd terug te houden. Als iemand ’t kantoor binnen ging, wou en zou +Waldi hem achterna om baasje Frits te zoeken. Lientien zag rood van +inspanning, Puckie schold op Waldi, en schopte naar hem; raken kon zij +den vluggerd niet... Waar bleef Frits toch! „’t Duurde zeker zoo lang,” +dacht Lientien, „omdat hij zoo veel verschillende soorten van +postzegels hebben moest.” + +Er kwam een hoopje menschen om de meisjes heen staan, en een oude +juffrouw onderzocht met strenge stem, of dat hondje haar wel toehoorde. +Zijn eigen vrouwtjes moest dat stomme beest toch beter kennen. + +Puck vroeg, of ’t soms een gewoonte van de juffrouw was om zich met +eens anders zaken te bemoeien, maar Lientien legde het geval uit met +een zacht, verzoenend stemmetje, waarop de juffrouw verklaarde, dat zij +een lieverdje was, en vroeg, of ze ook helpen zou. Doch daar kwam Frits +gelukkig aan. + +Kalmpjes liet hij Puck’s stroom van verwijten over zich heen gaan, en +kalmeerde Waldi’s uitbundige liefdesverklaringen, terwijl hij hem van +de lijn los maakte. + +„Komt nou maar kinderen,” „vaderde” hij wijs, „nog even voor pa sigaren +bestellen, en dan... de verrassing.” + +Lientien, zielsvergenoegd, haakte bij Frits in, en pakte aan den +anderen kant Puck beet. „Weet je wat de verrassing is, Puck?” vroeg +ze... „Frits wil ons op poffertjes trakteeren. We mogen ieder twee +bordjes, dol hé?” + +„Dol!” kwam de echo van Puck. „Mag Waldi los mee?” + +„Als er geen andere honden binnen zijn,” besliste Frits, „en hij krijgt +ook een poffer, maar zonder boter en suiker.” + +„Die lik ik er wel àf,” beloofde Lientien. + +’t Was leeg in het poffertjes salonnetje, toen Frits er met de meisjes +binnen kwam. + +Hij deed heel deftig, en bestelde groote-heerachtig, maar in zijn hart +verheugde hij zich niet minder op ’t festijn dan Lientien en Puck, want +hij was ook dol op poffertjes. + +Al gauw zat ’t drietal voor de smakelijk toebereide bordjes. Waldi +wachtte vrij geduldig zijn beurt àf, hij zat op een stoel naast Frits, +die hem zekerheidshalve aan de lijn had gehouden. En dat was maar goed +ook, want met een vaart sprong Waldi op eens van den stoel, en wilde +luid jankend op een grooten patrijshond af, die (gevolgd door een dame +en twee meisjes) het salonnetje binnenstoof. + +„O hemel! daar heb je „Avanti” en daar komen Ellen en Grace met hun +mama,” riep Puck. Ze kreeg een kleur van pleizier, terwijl Avanti tegen +haar opsprong. + +„Dop dan toch, Frits,” riep ze driftig. + +Frits had echter maar moeite Waldi in bedwang te houden. Hij groette +onhandig, zoodat zijn pet op den grond viel. + +Puck was intusschen opgevlogen, en begroette haar vriendinnen +hartelijk, al deed ze ’t wel wat druk en lacherig. Nu, dat was in orde, +doch ’t geen nu volgde in ’t geheel niet. + +In plaats van bij Frits, Lientien, Waldi en haar, half leeg gegeten +bordje terug te komen, schoof Puck naast haar vriendinnen aan een +tafeltje verderop, en keek niet meer om naar de anderen. Mevrouw +bestelde ook voor haar, en daar bleef me dat kind warempel bij die +„vreemden” zitten. Lientien keek eerst verbaasd, maar toen echt boos +naar trouwelooze Puck. Doch Frits, rood van ergernis, stond eensklaps +op, en ging vastberaden naar ’t andere tafeltje toe. + +Hij vond Puck’s gedrag verbazend onaardig en onbeleefd; daar hij +bovendien een hekel had aan haar omgang met die malle nuffen van Van +Bergen, nam hij de zaak dubbel hoog op. + +„Neem mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, een beetje haperend (want hij +verbeeldde zich dat de nesten spottend naar hem keken), „ik kom Puck +even halen, ze heeft haar poffertjes nog niet eens op, en ze is met ons +uit.” + +„Ooo...” antwoordde mevrouw Van Bergen, „nou, net als Puck wil... Ellen +en Grace vonden ’t juist zoo prettig, dat ze haar hier troffen en...” + +„Ik blijf hier ook veel liever,” vulde Puck aan, terwijl ze Frits’ +woedende blikken met woeker terug gaf. + +Even keek Frits verbluft, toen groette hij mevrouw zeer stijfjes, +verwaardigde de nesten met geen blik, en keerde naar Lientien terug. +Wat kon hij anders doen? ’t Ging toch niet aan, om Puck mee te sleuren. + +Met opzet verschoof hij zijn stoel, zoodat hij met den rug naar ’t +tafeltje van de anderen kwam te zitten, at zijn tweede bordje en +presenteerde Lientien heel edelmoedig een derde portie. Maar zusje +bedankte uit den grond van haar hart, want ze had met moeite haar +bordje leeg gegeten, en Waldi veel meer toegestopt dan goed voor hem +was. Neen, door Puck’s schuld was ’t aardig plannetje eigenlijk +mislukt. Lientien vond ’t dan ook geheel in orde, dat Frits, bij ’t +weggaan, in ’t geheel geen notitie meer nam van Puck en die „Van +Bergens”. + +Terwijl ze vlug voortstapten, voelde Lientien zich echter toch wel +bezwaard over Puck en ze vroeg: „Wachten we niet op Puck, Frits? Moet +ze nou alleen naar huis? Mevrouw Van Bergen woont een heel anderen kant +uit...” + +„Kan me niet schelen,” betuigde Frits, „al liep ze in zeven sloten +tegelijk, dat nare wurm!...” + +Maar aan ’t eind van de Prinsestraat bleef hij toch staan en +omkijken... Geen spoor van Puck. ’t Was al laat. Ze moesten aanstappen, +wilden ze op etenstijd thuis zijn. + +Over half zeven kwam Puck pas haastig aanvliegen. Mevrouw Van Bergen at +heel laat, en Puck had onder ’t drukke babbelen den tijd geheel +vergeten. Erg verschrikt, toen ze hoorde hoe laat ’t al was, had ze +zich verbazend gerept, stoof Geertje, die haar opendeed, met een vaart +voorbij, en kwam met een vuurrood gezicht binnen. Kee was al bezig àf +te nemen, en Nel spoelde de glazen aan het buffet. + +„Dag Nel,” zei Puck ontdaan. „Is ’t al zoo laat? Ik dacht...” + +„Je moest je schamen, Puck,” knorde Nel, „pa en ma zijn heel boos op +je. Ik moet zeggen, jij houdt er nette manieren op na. Wij zouden ’t +geen van allen in ons hoofd krijgen over etenstijd thuis te komen.” + +Puck keek op de klok: „Anders zijn we nooit om kwart vóór zeven al +heelemaal klaar,” pruttelde ze, „waarom?...” + +„Vader moest uit, en mamp kwam niet aan tafel, omdat ze zoo’n hoofdpijn +kreeg en naar bed ging,” verklaarde Nel. „Je begrijpt, dat we geen lust +hadden op jou te blijven wachten... je vindt dan ook den hond in den +pot, meisje.” + +„Nou, dat was ’t minste,” dacht Puck. Mevrouw Van Bergen had haar +zooveel poffertjes opgedrongen, dat ze daar vooreerst haar bekomst van +had. En toen dat gejacht en gevlieg! Ze was aan ’t huilen toe van +overspanning en zenuwachtigheid. + +Puck voelde ook best aan ’t kloppertje van binnen, dat „Meester” haar +gedrag streng afkeurde, en nu kreeg ze zeker straf en iedereen was +kwaad op haar. + +Natuurlijk, omdat ze een kind was, een groot mensch kon doen wat hij +wou, maar haar werd alles kwalijk genomen. + +Dit leek dit keer dan wel heel erg ’t geval te zijn. Puck kreeg dien +avond nog van oom zulk een ernstige vermaning, dat ze tranen met tuiten +schreide. Te meer omdat oom er bijvoegde, dat hij er hard over dacht, +haar den verderen omgang met Ellen en Grace te verbieden. Die meisjes +schenen al een heel verkeerden invloed op Puck uit te oefenen, en dat +mocht zoo niet langer. Tante was er niet om een verzachtend woordje mee +te spreken, en Puck mocht haar geen „goedennacht” gaan zeggen. Lientien +en Nel zaten boven bij tante Sjarlotje, maar Puck durfde er niet +heengaan, nu niemand haar kwam roepen. Ze had een treurigen, eenzamen +avond, geen ziel keek naar haar om. + +Toen Puck naar bed ging was ze zoo boos en verdrietig, dat ze lust had +om iedereen te stompen. Nu deed ze het haar kussen maar, en lag nog +lang te brommen en te foeteren. Ze had een hekel aan alle menschen en +aan alles, ’t meest nog aan poffertjes, want ze had er veel te veel van +gegeten en nu bezwaarden ze haar. + + + + + + + + +III 1 APRIL. + + +Zaterdag was eigenlijk de prettigste dag van de week, vonden Puck en +Lientien. Dan had je den heelen Zondag in ’t vooruitzicht, en lagen de +schoolzorgen nog ver weg. + +Op de vrije middagen moest op last van „Meester” eerst natuurlijk ’t +schoolwerk worden afgedaan. Lientien hield zich hier stipt aan, want ze +had nog steeds groot ontzag voor „Meester”. Bij Puck liet dit wel wat +te wenschen over, en Lientien moest altijd wéér vragen en zeuren: „hè +Puck, begin nou toch! Ik ben al half klaar; begin dan toch, teuterd.” + +Dezen Zaterdag had Puck ook vlug voortgemaakt, en, terwijl Lientien +opruimde, was ze al vast vooruit naar den tuin gegaan. Puck kon altijd +grappige spelletjes bedenken, en had telkens nieuwe invallen. + +Nu vond Lientien, toen zij in den tuin kwam, Puck druk bezig met een +grooten bezem door de lucht te vegen. + +„Wat doe je kind?” vroeg ze stom verbaasd. + +„Kijk maar goed,” schreeuwde Puck haar toe, „ik heb al de wolken in een +hoek gejaagd. Die zitten zich nou erg te vervelen, want ze houden niks +van stilzitten. Daarom kijken ze ook zoo donker, maar zich verroeren +durven ze niet, want ze zijn bang voor mijn bezem.” + +Lientien ging heelemaal op Pucks verbeeldingsspel in. „O Puck,” riep ze +even later, „dáár beweegt zich er één, kijk maar, die kleine witte wil +weg...” + +Puck dreigde woedend met haar bezemsteel, maar eer ze aan ’t vegen toe +was, zeilde het wolkje vroolijk heen aan den blauwen Aprilhemel. Een +groote zette het achterna, doch nu begon Puck zoo verwoed haar bezem te +zwaaien, dat de wolk achteruitkrabbelde, al dunner en dunner werd, en +eindelijk geheel scheen opgelost. + +„Ziezoo,” riep Puck weltevreden, „die doet geen kwaad meer, en nou is +de regen voor vandaag al vast naar huis gestuurd.” + +Lientien vond ’t eenig. „Vertel nog eens wat van de wolken, Puck,” +verzocht ze. + +„Nou ja,” zei Puck, „tusschenbeide zijn zij mij de baas, dan kan ik ze +niet aan met den bezem. Dat zijn van die groote zwarte, zie je, die +worden alleen door hun moeder uitgestuurd als ’t thuis niet meer met +hen is uit te houden. Dan jaagt de moeder hen de deur uit, en dan +krijgen we lekker weertje; storm is er niks bij. Die zwarte kan je uren +achtereen hooren brommen en grommen. Ze moeten van hun moeder net zoo +lang de zakken met regen blijven dragen tot ze zijn uitgeraasd. En +telkens steekt de moeder een lichtje aan om te zien of de zakken nog +wel vol zijn. Die lichtjes noemen de domme menschen: „bliksemstralen”. +Maar eindelijk, dan mogen de zakken los. Nou, en dan regent ’t +pijpestelen soms uren en uren lang. De zwarte wolken zie je dan niet +meer, moeder heeft den wind uitgestuurd, en die mag ze naar huis +terugdrijven.” + +„Waar wonen ze, Puck?” + +„O, zoo ver weg, achter de verste bergen,... en nog veel verder. In +reuzengroote holen, en ieder heeft zijn vaste plaats. Moeder zit in ’t +midden met „den wind” naast zich. Die is haar trouwe knecht, en die +doet alles wat ze zegt. Vandaag was de knecht er niet, en kon de wolken +dus niet naar huis drijven. Misschien heeft hij ook wel gezien, dat ik +ze met mijn bezem voortjoeg. Ze hebben altijd ruzie, de wolken en de +wind. De wind heeft altijd haast, en de wolken plagen hem expres door +maar te blijven hangen in plaats van voort te maken... Maar kijk de +hemel nou eens mooi blauw zijn! Al de wolken zijn stellig thuis bij +moeder in de reuzengrot en moeten slapen... Zeg Lientien, zullen we nu +eens gaan kijken, hoe de familie „Snater” ’t maakt in hun nieuwe huis?” + +„Wie zijn dat, en waar wonen ze?” vroeg Lientien nieuwsgierig. + +„In ’t voorjaar moeten alle vogels toch huisjes gaan huren?” vertelde +Puck. „De beste zijn natuurlijk ’t eerste weg, en de teutebollen kunnen +niks goeds meer krijgen. Mijnheer en juffrouw Snater, die aldoor maar +pret hebben gemaakt, lieten den goeden tijd voorbijgaan, en konden +daarom geen onderdak meer vinden. Nou moet je weten, dat een ouwe, +slimme spreeuw net gedaan heeft, of onze dakgoot, bij de logeerkamer, +van hem was. Voor veel geld heeft hij ’t ondereind van de pijp aan de +familie Snater verhuurd, en die heeft er dadelijk een nestje in +gemaakt.” + +„Maar Puck,” viel Lientien in, „wat heeft zoo’n ouwe spreeuw nou aan +geld?” + +„Bij de vogels is geld: eten,” verklaarde Puck wijs. „De Snaters moeten +mijnheer „Geelsnuit” onderhouden. Ga maar mee, dan kan je zelf zien, of +’t niet waar is.” Puck wees den weg naar ’t balcon van de logeerkamer. +Op haar teenen slopen de meisjes voorzichtig naderbij, en bogen zich +over den rand van ’t balcon. En ja wel! daar zat half blinde Geelsnuit +vlak naast ’t uiteinde van de dakgootpijp, trouw op post. Vader en +moeder Snater vlogen af en aan met allerlei lekkere beetjes voor hun +kinderen. Maar vast twee keer van de vier, snapte Geelsnuit een vet +brokje voor hun begeerige open snaveltjes weg, en stopte dit in zijn +eigen steeds hongerige maag. + +„Nou zie je ’t zelf,” riep Puck triomfantelijk. + +„Heb je ooit!” kwam Lientien heelemaal beduusd. „O Puck, hoe heb je dat +ontdekt? Zit die inhalige, ouwe Geelsnuit altijd naast ’t nest?” + +„Om dezen tijd ten minste...” + +„Ik ga Nel en Frits halen,” riep Lientien, „die moeten zoo iets eenigs +ook zien.” + +Ook Nel en Frits waren één en al verbazing, doch Nel bedacht dadelijk, +dat de jonge muschjes er met een harde regenbui treurig aan toe zouden +zijn. + +„Dat heeft die leelijke Geelsnuit natuurlijk verzwegen bij ’t verhuren +van het huis,” lachte Lientien. „Wat zullen we nou toch doen?” + +„’k Geloof,” zei Frits, en hij hield zich zoo ernstig als bij ’t geval +te pas kwam, „dat ik wel een huisje heb voor de familie Schater of +Snater, hoe heet ze ook? Tegen den zijmuur bij de regenton is nog een +leege bloempot: je reinste musschenhuis.” + +„Wat een geluk!” riepen de meisjes. + +Nu kwamen Frits’ lange armen toch maar goed van pas. Heel voorzichtig +haalde hij ’t nestje uit de pijp (er zaten vijf Snatertjes in) terwijl +de piepende ouders op den dakrand een beetje angstig toekeken. Maar òf +ze een kwartiertje later ook in hun schik waren, en dien leelijken +Geelsnuit uitlachten! Die moest nu voortaan zelf voor zijn muggen- en +wurmenpasteitjes zorgen. + +„’t Is geen wonder, dat jij altijd zulke mooie opstellen maakt,” zei +Lientien tegen Puck, nadat zij zich nog een poosje over Geelsnuit +hadden vroolijk gemaakt, „jij weet altijd weer wat nieuws.” + +„Ik wil naderhand schrijfster worden,” verklaarde Puck pedant. „En als +ik verbazend beroemd ben, zal ik toch altijd met jou willen omgaan, +hoor!” + +„Maar dan willen wij misschien niks meer met jou te maken hebben, +nest,” klonk een stem van boven, waar Frits uit ’t open raam hing. „Wat +een verbeelding van zoo’n uk! Denk liever eens aan apen, die hoog +klimmen willen...” + +„Je bent zelf een aap,” schreeuwde Puck verwoed tegen een dicht raam, +want Frits had dit juist gesloten. + +„Ik vind ’t toch zoo naar, dat Frits en jij eeuwig kibbelen,” zuchtte +Lientien; „dat leelijke gescheld altijd! mamp wil ’t niet hebben.” + +„Wie begint?” vroeg Puck heftig. „Is „nest” soms geen schelden?” + +„Nest is lang zoo leelijk niet als: aap,” vond Lientien. „Als Frits +weer „nest” tegen je zegt, moet je vragen: „hoeveel eitjes liggen er +in?” dan kijkt hij vast op zijn neus.” + +„Flauw,” vond Puck, waarop Lientien met een driftig kleurtje beweerde: +„Iedereen kan ook niet zoo knap en geleerd zijn als Johanna van +Vorden.” + +Puck schudde boos haar zwarte krullen, en liep hard weg, terwijl +„Meester” tegen Lientien zeide: „Foei, schaam je wat, om zoo uit te +vallen. Na ’t eten ga je dadelijk je kastje opruimen, hoor!” + +Lientien wist niet, dat zij zich, nog veel erger dan nu, over haar +drift zou hebben te schamen, eer de avond gevallen was. + +Dadelijk nadat ze van tafel was opgestaan, had Lientien den lust +weerstaan met Puck den tuin in te loopen, en zat nu op den grond vóór +haar half leeg gehaald speelgoedkastje met al de schatten om zich heen +verspreid. Juist bedacht ze, of ze daar maar niet eens een flinke +opruiming onder zou houden, en er arme kinderen gelukkig mee maken, +toen Puck de kamer binnenstoof. + +„Lien, Lientien,” riep ze, nog half buiten de deur, „compliment van +tante, en of je vreeselijk gauw voort wil maken. Je moet je blauwe jurk +aantrekken en je mooie hoed maar op, want zoo dadelijk komt ’t rijtuig, +en gaan we eerst toeren, en dan aan de „Witte Brug” theedrinken... Ik +moet me ook gauw verkleeden...” + +„O Hemel!” riep Lientien, haastig opstaand, „waarom zoo op eens? Nou +moet ik mijn haar ook nog over doen en...” + +„Ja, gauw maar, ’t is een plannetje van oom, juist echt, zoo op eens,” +vond Puck. + +Lientien bedacht niet, dat ’t een wel wat vreemd plan was nu nog uit +rijden te gaan, terwijl het al vrij frischjes was buiten bovendien. +Argeloos liep ze in de val, die Puck wijd voor haar had opengezet. Dit +juffertje liep weg, quasie om haar jurk uit de kast op den overloop te +halen, en Lientien lette niet op, dat ze vergat terug te komen. Zij +haastte zich wat ze kon, en rende tien minuten later keurig uitgedost +de trap af, de huiskamer binnen. Daar zat de heele familie rustig thee +te drinken, en keek zeer verbaasd, toen ze Lientien daar op eens in +groot toilet zag verschijnen. + +„Maar prul,” riep Frits, „hoe kom je zoo laat nog in je mooie spullen? +Waar wou je heen, poes?” + +Lientien keek beduusd: „Maar gaan we dan niet uit rijden? Puck zei, dat +papoes...” + +Daar vloog de kamerdeur wijd open en in de gang stond Puck te dansen +van pleizier over haar goed gelukte Aprilgrap, terwijl ze met een hoog +stemmetje zong: „Eén April, één April, mag je foppen wie je wil. +Lekker! lekker! Lientien, sliep uit!” + +Verbijsterd keek Lientien rond. Haar groote blauwe oogen gingen, meelij +smeekend, van den één naar den ander. Maar niemand nam ’t voor Lientien +op. Nel, papoes, Frits, zelfs mampie, allen zaten te lachen, en lieten +Lientien alleen met haar verdriet en teleurstelling. En daartusschen +klonk Puck’s sarrende stem: „gefopt, gefopt.” Lientien werd hoog rood, +ze beefde van boosheid, en wilde niet luisteren naar de waarschuwende +stem van „Meester”. Vóór ze ’t zelf wist, was ze op Puck toegevlogen, +en gaf haar een klinkende oorvijg, dien ze dadelijk met interest terug +ontving. + +„Foei kinderen, schaamt je wat!” riep mamp, en Frits had ’t vechtend +tweetal in een oogenblik uiteen. + +Lientien liep op vader toe en borg haar beschaamd gezichtje tegen zijn +schouder. Doch vader trok haar op zijn knie, en zei: „Ziezoo, nou ben +je echt een klein, stout schootkindje. Maar Lienepien, hoe kan je een +onschuldig grapje nou toch zoo hoog opnemen? En je houdt zelf zooveel +van een fop. Wie kaatst moet den bal verwachten, kleintje.” + +„Ja maar, ik was al zoo moe,” snikte Lientien, „en toen dat gejacht en +gerep, en dat U mij allemaal ook uitlachte, dat was nog ’t ergste.” + +„Zeker,” suste mamp, „dat was ook wel een beetje erg. Maar, Lientien, +je bent toch een echt gansje om te denken, dat we, nu ’t nog zoo koud +is en vroeg donker ook, uit rijden zouden gaan.” + +„’k Was zeker zoo suf door al dat vervelende opruimen en uitzoeken van +’t speelgoed,” zuchtte Lientien. + +„Kom,” sprak vader, „zoen mekaar nou maar gauw áf, en ga je daagsche +jurk aantrekken, Lientien, dan wil vader nog een eindje met jullie +wandelen, en brengen we wat lekkers mee voor bij ’t tweede kopje thee.” + +Daartoe was Lientien dadelijk bereid, en Puck niet minder. + +In haar hart vond zijn kleine dochter gearmd met vader wandelen haast +nog echter dan uit rijden gaan. Vader wist zoo eenig leuk te vertellen +van vroeger, uit zijn eigen kinderjaren. Je kon dan onder ’t +toeluisteren uren achtereen loopen zonder moe te worden. Dit keer +vertelde vader, dat hij in zijn jeugd ook verbazend driftig was, en +daar veel ergernis en verdriet door had gehad. + +„Hoe hebt u dat dan afgeleerd, papoes?” vroeg Lientien. + +„Misschien wel door al de draaien om mijn ooren, die ik er voor kreeg,” +lachte vader. „Want ik was op kostschool en dat is nog wat anders dan +thuis. Bovendien vonden de opvoeders in mijn jeugd, dat ’t een jongen +toekwam zoo af en toe een pak te krijgen. ’t Hoofd van de kostschool, +dien wij jongens „de baas” noemden, was een van de beste, braafste +menschen, dien ik ooit gekend heb; de goeie man is nu al jaren dood. +Wij, jongens, zouden voor hem door ’t vuur zijn geloopen, want we +wisten allen, dat hij streng, maar ook stipt rechtvaardig was. + +„De baas kon veel van ons verdragen, omdat hij van kinderen hield en, +behalve geniepige, gemeene streken, zag hij bijna alles door de +vingers. Wanneer hij een jongen met zijn groote, doordringende oogen +aanzag, moest je de waarheid zeggen, al was ’t nog zoo moeilijk. Maar, +had je eerlijk bekend, en vergiffenis gevraagd, dan werd hij net als +een vader voor je, en bij je zelf dacht je: „Ellendig toch, dat ik den +baas verdriet heb aangedaan.” + +„Nou, vader was een echte driftkop, zooals ik jullie al vertelde, en +tegen een vechtpartijtje zag hij ook niet op. Vechten was op school +verboden, en de baas had me al eens een paar keer gewaarschuwd: „Carel, +daar komt nog eens hommeles van, als je dat opstuiven niet kunt laten; +vecht je weer, dan krijg je een pak.” + +„En zoo kreeg ik trouw een draai om mijn ooren, als ’k aan ’t razen +was, en heb ook menig pak gehad. Maar ik geloof, dat de ernstige, +vriendelijke woorden van den baas, na afloop van de straf, mij veel +meer geholpen hebben om die leelijke fout er langzamerhand onder te +krijgen, dan de klappen.” + +„Je voelt ’t toch altijd aankomen, hé vader, als je wat verkeerds wil +doen,” sprak Lientien peinzend, „dan word je gewaarschuwd.” + +„Door „Meester”,” spotte Puck. + +„Juist Puck, en jij zult ook heel verstandig doen met zooveel mogelijk +naar „Meester” te luisteren,” meende oom. „En hier heb je nou net een +lekkeren banketbakkerswinkel. Wat zullen we nu eens voor thuis +meebrengen?” + +Puck vond: lekker-lekkerkoekjes, en Lientien: roomsoezen. Ze wilden +natuurlijk zelven de zakken dragen, als vader de porte-monnaie maar +open deed. Waartoe vader onmiddellijk overging; hij wist nu eenmaal: +„als je met meisjes uit bent, moet je niet op een dubbeltje zien.” + +Puck’s Aprilgrap had dus nog een lekker, zoet gevolg, en er was +zooveel, dat iedereen volop smullen kon. + +Toen Lientien dien avond naar boven ging, en er met schrik aan dacht, +wat een rommel er nog op den grond van haar kamer lag, vond ze daar +alles keurig opgeruimd. + +Dat had Nel natuurlijk gedaan, en Lientien bedacht met een dankbaar +hart, hoe lief dat van haar was. + +Hoe heerlijk toch om een tehuis te hebben als zij had, met zulke lieve +ouders, die nooit draaien om de ooren gaven, maar alleen met geduld en +liefde te werk gingen. + +En daarom hield ze ook nog duizendmaal meer van vader en mampie, dacht +Lientien, terwijl ze haar handjes vouwde, en God bad haar te helpen een +goed kind te zijn. + + + + + + + + +IV „MAMA!” + + +Mevrouw Canneheuvel had, kort na den hevigen influenza-aanval, dien zij +eenige jaren geleden ternauwernood te boven was gekomen, wel gemerkt, +dat haar linkeroog daardoor geleden had, want ze kon er niet meer zoo +goed mede zien als vroeger. Dit was langen tijd zoo gebleven, en mama +meende, dat ’t niet verergeren zou. Doch den laatsten tijd bleek dit +wel ’t geval, en in zoo hooge mate, dat vooral papa zich ernstig +ongerust begon te maken, en den dokter liet komen. Deze onderzocht +mama’s oogen zeer nauwkeurig, en raadde haar aan, te Utrecht professor +Snellen te raadplegen. + +En nu waren papa en mama zoo even uit Utrecht thuis gekomen. Nel had +best gezien, dat vader alles behalve opgewekt keek, toen hij naar boven +ging, en haar met mama alleen liet. Mama trok Nel naast zich op den +divan, en Nel streelde zachtjes haar hand, doch ze durfde mama niet +aankijken, want ze had moeite haar tranen te bedwingen. + +„Luister nu eens, kind,” sprak mama met haar vriendelijke, opgewekte +stem, „nu moet je niet zoo wanhopig doen en zoo erg bedroefd zijn, want +daar is in ’t geheel geen reden toe. Wat denk je toch eigenlijk, Nel?” + +„Nou,” antwoordde Nel, terwijl ze moeite deed het beven van haar stem +te bedwingen, „als dokter toch zegt, dat U vreeselijk voorzichtig moet +zijn, en U voor alles in acht moet nemen, omdat U anders... omdat Uw +andere oog anders...” + +Gevoelige Nel kon zich niet langer goedhouden, en snikte ’t uit, +terwijl zij haar hoofd tegen mamp’s schouder drukte. + +Doch mamp hief Nel’s gebogen hoofd op, en keek haar vast in de oogen. +„Niet zóó Nel, kalm toch, m’n lieve kind... Hoe kan ik met je praten, +als je je zelf zoo toegeeft? Kom! kom! vroeger hielp ik jou met alles +voort, nu moet ik een steuntje krijgen van mijn oudste dochter, is dat +nou zoo erg?” + +Nel veegde haar tranen af, en gaf mama’s hand een extra drukje. + +„Vertel U mij alles uitvoerig wat de professor gezegd heeft, wil U?” +verzocht ze. „U heeft gelijk, ik ben echt kinderachtig, let U er als ’t +U belieft maar niet op.” + +„Je bent mijn eigen, hartelijke Nel... Wel kind, professor was ’t in +hoofdzaak met onzen dokter eens, maar hij zag ’t geval toch lichter in. +Volgens hem kan ik, net als ieder ander mensch, goed blijven zien met +mijn rechteroog als ik voorzichtig ben, alle opwinding vermijd, en mij, +ook lichamelijk, zeer in acht neem. „U moogt nooit meer op een stoel +klimmen of boven Uw macht reiken, moet heel langzaam en voorzichtig +trappen loopen, en U vooral nooit en met niets overhaasten... Als U +zich aan dien raad houdt, kan U het licht in Uw gezonde oog even lang +behouden als anders ’t geval geweest zou zijn...” Zie je wel, Nel, dat +’t lang zoo erg niet is als je dacht? Er zijn honderden menschen, die +maar met één oog zien. ’t Moet verbazend gauw wennen met lezen, +handwerken en zoo.” + +„Kan U niets meer zien met uw ééne oog, mampie?” vroeg Nel bekommerd. + +„Zoo goed als niets, lieverd; van verre alles en iedereen slechts in +wazige omtrekken, en dichtbij niet veel beter.” + +„Maar ik zie in ’t geheel geen verschil tusschen uw oogen. Ze zijn +allebei even helder en... Kunnen die geleerde heeren zich niet +vergissen? ’t Is misschien iets tijdelijks, iets...” + +„Neen Nel; als ’k dat geloofde zou ik mij met ijdele hoop vleien. Ik +zal precies leven als de professor mij heeft aangeraden. En nou gaat +moeder eens ernstig met je overleggen, kind. + +„Hoe veel ’t mij ook kost, ik moet de zorg voor ’t huishouden zoo goed +als geheel uit handen geven. Je weet wel, Nel, hoe graag ik tot nu toe +alles zelf deed, en ’t is dus wel een groote beproeving voor me niet +meer voor jullie en in mijn huishouden bezig te kunnen zijn... Maar ’k +zal mijn best doen daar niet over te tobben, en mij op mijn wenken +laten bedienen voortaan, zooals papa dat wenscht.” + +„Was papoes niet vreeselijk bedroefd, toen hij ’t hoorde?” viel Nel in. + +„’k Geloof, dat vader ’t veel erger vond dan ik zelf, kind, maar nu we +de zaak eens van alle kanten bekeken hebben, doet papa ook zijn best ’t +vele goede, dat overblijft, niet voorbij te zien. ’k Behoef niet +hulpbehoevend te worden, Nel, als... ik heel voorzichtig ben.” + +Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd +zoo verwende met haar aan alles denken, voor alles zorgen... + +„O mampie, ik kan mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte +Nel. + +„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te +zitten,” glimlachte mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige +dingen: veel met vader wandelen, arme tante Sjarlotje gezelschap +houden, dan volop lezen en... weet je wat ik bedacht heb, poes: ik ga +weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n +beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in +huis is, want vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren +dichthouden, en dat mogen wij hun niet aandoen.” + +Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw +Canneheuvel, „er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk +overneemt. Als papa maar niet zoo’n hekel had aan juffrouwen. Papa +vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn, omdat hij ’t er +in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.” + +„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord +had, met nadruk in. + +Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet aanhooren komen. + +„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg +Frits bescheiden, en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof +gezegd?” + +„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar +jongen in de breede vensterbank naast zich. + +Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij +zoo even aan Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te +luisteren, en wisselde veelzeggende blikken met Nel. + +Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op +beide wangen. Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te +toonen wat hij voelde, en zijn opgewekten kijk op de dingen had hij +gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel door helpen, mamp,” +verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in eere +houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden +moeten gelooven.” + +Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden +stem: „Als U ’t mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats +vervullen, mamp. ’k Weet wel, dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar +ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden als er een vreemde in +huis moest komen, en...” + +Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van +een en twintig is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel +dat eigenlijk alleen in jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd +aan, maar uit zijn blik sprak ook stille trots: „wat een lieve, flinke +meid was Nel toch.” + +En wat mamp wel bij zich zelf dacht?... + +„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij +eindelijk. „Maar kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat +in ’t huishouden meehelpen als je er juist zin in hebt, is zoo heel +anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al je tijd en denken aan te +geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor de +huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor +menig pleziertje opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa +en ik je zoo van harte gunnen. Bovendien denk je er immers nog altijd +over om naar Leiden te gaan, en aan de studie te beginnen?” + +„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader +zei laatst, dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.” + +„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama, +en Frits verklaarde wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de +meisjes om, met de jongelui mee, aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij, +dat Nel er niet aan mee wil doen.” + +„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen +te zeggen,” oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens +over hebben. Zooals ik al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve +kind, maar ik wil niet, dat je een deftige huismusch zult worden, +terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld bent. Je moet gewoon je +jongemeisjespleziertjes aanhouden en...” + +„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of +uit wil,” viel Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U +zal eens zien, hoe lekker ik voor de koffietafel zorg, als ik er op mag +zetten wat lekker is...” + +„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet +ik ’t niet... + +„We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t +kunnen stellen zonder een juffrouw, die natuurlijk steeds in den +huiselijken kring zou moeten zijn. In de eerste plaats, omdat vader ’t +niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien. Maar een +kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó +ongeveer in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders +rechter- en linkerhand, en leent mij ook haar vlugge voeten als ’t +noodig is. + +„’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante +Sjarlotje te nemen, want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij +zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender wordt. Maar tante wil ook al +niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer helpen bij ’t +aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te +worden. Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor +tante te doen. ’k Neem er dan een aankomend meisje bij om Betje beneden +te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal alles +zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik +zijn, dat we, binnen, onder ons blijven.” + +„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,” +merkte Frits aan—„want midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden +uit haar kamer komen—kan Kee toch ook wel meehelpen, hé mamp?” + +„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa +opzoeken om de nieuwe regeling verder met hem te bespreken.” + +„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei +Nel, „en als ik ’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we +de anderen mopperen, hé?” + +„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog +leeren, of als je mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en +zóó,” vond Frits noodig op te merken. + +„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet +mij ook niet met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.” + +„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama, +„dan kan hij zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had +uitgelegd, dat dit een soort knoop was, die je, zonder naald of draad +te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen, toonde het jongmensch zich +hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding. + +„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, „mijn schoenen +onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.” + +Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t +ongeluk, dat die lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het +droeg. + +„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als onze mamp,” +verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor +ons. Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.” + +„Daarom moeten wij ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al +was ’t alleen maar omdat we alles aan mamp te danken hebben, zouden we +haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt flink van je, Nel, de +nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.” + +„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij, +dat dat studeeren van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe +langer hoe minder lust in, en ’t huishouden besturen lijkt mij echt +leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder aan mij hebben dan aan +mamp, dàt waarschuw ik vooruit.” + +„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij +geen steek te zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de +gehoorzaamheid van de kinderkamer, en je moogt Puck, Lientien, Socrates +en Waldi naar hartelust bedrillen.” + +„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd. +„Je bent en blijft zes jaar jonger dan ik, ventje, en behoort, ook nog +drie kwart tot de kinderkamer.” + +„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar +eindexamen hoopt te doen, staat minstens gelijk met een meisje van +twintig.” + +„Eén en twintig, als je belieft.” + +„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de +winkels zeggen ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.” + +„Zóó, ouwe heer.” + +„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan, +en in alles mamp te vervangen... nou, ik heb er een zwaar hoofd in....” + +Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich +dus niets aan van zijn laatste woorden. + +Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles +goed en best wat Nel deed omdat.... zij het deed. Al waren ze nu te +groot om nog „parkieten” te heeten, ze bleven dezelfde trouwe kameraden +als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel meer aan dan de andere +kinderen onderling. + +Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk +gelijk op met Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen +hen kleiner, redeneerde hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje +van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog wat graag. Ze speelde en +schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf nog een kind +was. + +Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t +geheel geen nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H. B. S.: van +die vervelende, aanstellerige wichten met een verbeelding en een idee +van zich zelf!.... Omdat een meisje één zat in hun klas (en dat was nog +de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de andere meisjes, +dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.... De +meesten van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van +zelf sprak. Echt prettig, dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn +behoefte zijn zuster iets hartelijks te zeggen, sprak Frits: „Zooals je +weet, Nel, zorg ik voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat +heb ik mij vast voorgenomen. Maak je dus maar niet ongerust, dat je +niet altijd een boterham (en met wat er op ook) hebben zult.” + +„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel. + +Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan +mij vroeg? Of ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou +willen worden. Ik kon nog heelemaal niet tot een besluit komen, maar +nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden naderhand oogarts. En ik ga +mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien is ’t toch +mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen +maar tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl +er zulke knappe oogendokters zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.” + +„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit +verwaandheid zegt.” + +„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen +ontdekken, zie je, en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd +hebt, en wat meer weet van de zaak dan een ander.... ’k Hoop wel, dat +ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar ik gooi me zelf toch ook +niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren ze me daar +altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter +Canneheuvel?” Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens +antwoorden: „Neen, die knappe is een broer van mij! of zoo iets.” + +„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.” + +„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft +niet in haar brieven, ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo +prachtig opereert, en de Chineezen er om vechten door hem geholpen te +worden.” + +„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.” + +„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij +zijn. In elk geval blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet. +Maar voorloopig, Nel, blijft dit tusschen ons, vooral de „kinderkamer” +heeft met mijn plannen voor later geen steek te maken.” + + + + + + + + +V HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS. + + +’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht +gingen, want papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden +maken met hun vragen, beklag, en van alles willen weten. Socrates en +Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven er dan ook doodkalm +onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de groote +baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend +nieuwsgierig, en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van +alles geheimen maken. Ze vroeg er Frits naar, maar die was natuurlijk +weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine meisjes moeten haar +beurt afwachten en niet vragen.” + +„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn +jaardag,” bedacht Lientien. Waarop Puck niet overbeleefd informeerde, +of Lientien bij geval mal was? In Den Haag kon je immers alles veel +mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht? + +„Nou ja...,” zei Lientien een beetje verlegen,... „maar we zullen ’t +toch wel gauw hooren als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol. + +„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet laten +merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante +wegreden.” + +„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?” + +„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen, +die mogen per sé nooit wat weten.” + +„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt +tegenwoordig altijd van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen +geleerd.” + +„Iedereen weet, dat „per sé” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck +wijs. + +„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat +begrijpt iedereen, en ik doe ’t ook.” + +De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige +rooden beuk. + +Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en +maakten daar grappige geheimpjes van. + +De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den +geur van de sterk riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd +„mamp” gedoopt, dat was de mooiste plant uit den tuin. De stammargariet +heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar de witte meidoorn +moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat hij +vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan +op Frits’ armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die +al hooger tegen den muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed +aan haar voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er +naast: „de schitterende edelknaap”. + +De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand +begreep, wat ze bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de +vorstin” al zoo „kaal” werd, of dat „de schitterende edelknaap” op +springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa Fluweeltje” (een prachtige +licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht Nel, dat de +kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de +twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je +poppen dan ook in ’t gras liggen?” + +Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt +aardig zijn, en allerlei leuke dingen verzinnen. + +Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid +moest worden. „Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk +die lange takken eens bovenaan, je ziet haast geen blaadjes, alleen +stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel praatjes en kale +drukte.” + +„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd, +„jij hebt altijd wat op Frits aan te merken.” + +„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.” + +Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan +bekijken. Die had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een +uit. + +Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes den tuin door tot ze +’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen. Doch +papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze +moesten nu niet hinderen. + +Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje +rondslenteren; ze had een plannetje bedacht. Jongejuffrouw +„Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden, en nauwelijks was de kust +vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze moest weten wat die geheimzinnigheid +beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open, dus sloop Puck weer +naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t venster +bleef staan, kon ze elk woord verstaan. + + + +Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net +hardop: „1625–dood van Maurits, 1647–...” + +Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck +binnen. + +„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante... je ma... ik heb ’t door ’t raam +gehoord. Nel huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de +professor heeft gezegd....” verder kwam ze niet. Want Lientien werd +doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen, en stond Puck, verstijfd +van schrik, aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck +nog harder begon te huilen. + +„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos... dat kon +toch niet... dat mocht niet... Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien +dat vreeselijke gelooven. + +Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij +papa opzoeken. + +Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en +streelde Socrates, die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug. + +Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo +bedroefd uitzag, als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje, +zoodat poes met een verontwaardigden „mauw” van papa’s schoot sprong, +en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen om zijn hals. + +„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig +weenen van zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd: +„Is ’t waar, dat mampie...?” raadde tegelijkertijd de waarheid... En o! +wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien door haar lieven vader zoo +heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden. + +’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als +Puck had gemeend. Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders +hart, beloofde hem een groot, verstandig meisje te zijn, en het mama +niet lastig te maken door overdreven beklag, en ’t haar voortdurend +laten merken, dat ze zich ontzien moest. + +„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er +Puck ook aan herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten +wezen.” + +„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd +naar boven te gaan.” + +Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met +een hangend hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.” + +„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute +meid niets beters te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt +àl ongehoorzamer en...” + +Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te +kijken, en zonder vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en +kuste zoo warm haar beschreid gezichtje, dat Lientien haar verdriet +vergat, en haar belofte aan vader indachtig, mampie toelachte. +Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak +verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze +toch zoo blij, dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien, +wanneer ze maar deed wat de professor had aangeraden.— + +Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien. Mama +had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa, +want ’t kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had, +was zóó ontdaan en bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging, +toen zij berouwvol voor hem stond. Met een punt van haar schortje +veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl ze snikte: „Ik +kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo +vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou +dacht ik, dat tante bl... blind zou worden, en dat...” + +„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder over praten, dat je +zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en kus het +àf.”— + +’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te +houden. En om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had +uitgehaald, gauw en gemakkelijk vergeven hebben.— + + + + + + + + +VI „GEERTJE”. + + +De keuze uit de vele meisjes, die zich kwamen aanbieden op de +advertentie van Mevrouw Canneheuvel (de meesten met een piekerig +vlechtje in den hals en een schraal, bleek snoetje), viel op een zekere +Geertje Bom, wie het niet aan de noodige vrijmoedigheid ontbrak, toen +zij zich kwam aanmelden. + +Doch, hieraan gepaard ging iets bepaald trouwhartigs in het optreden +van het veertienjarig ding, dat Mevrouw Canneheuvel erg voor haar +innam. + +„’k Wou zoo dolgraag hooger op, ziet U,” zei Geertje, „en U doet er een +weldaad mee als U mij neemt, want moeder heeft zoo’n groot gezin, en ik +moet verdienen. Nou is zoo’n diensie as ’k nou heb, zonder middageten, +niks niet gedaan. Toe Mevrouw, neem U mij nou, U zal er geen spijt van +hebben, ikke kan werken als een paardje.”— + +De helder blauwe oogen smeekten mee met de overredende stem, en +Geertjes lief, frisch gezichtje sprak ook in haar voordeel. ’t Kind +droeg de Scheveningsche muts met ’t hoofdijzer (door Geertje „beugel” +genoemd), ze had een helder blauw boezelaar vóór, en maakte een +properen indruk. De Juffrouw in den winkel, bij wie ’t meisje gediend +had (van zeven uur ’s morgens tot drie uur ’s middags), gaf vrij +gunstige getuigen. + +Geertje plaste wel wat veel met water, en ze had meer weg van een +ouwelijk vrouwtje dan van een kind. Ze moest nog veel leeren, en, of ze +nou precies paste in een deftigen dienst?.... Maar eerlijk en werkzaam, +dat was zij, en eten kon ze voor tien. + +Van dit laatste vooral bleek de Juffrouw goed op de hoogte. Toen +Geertje dien eersten avond uit haar nieuwen dienst om acht uur naar +huis ging, raakten Kee en Bet er den heelen verderen avond niet over +uitgepraat, zooals dat kind met haar vork terecht had gekund. „’t Leek +wel,” zei Bet, „of ze aan ’t hooi laaien was, zoo schoof ze der eten +naar binnen, en der vingers werkten flink met der vork mee.” + +De groote meiden waren nog niet halfweg met haar eerste portie, toen +Geertjes bord al schoon leeg was, en ze gluurde zoo begeerig naar de +aardappels en lekkere jus, of ze nog niks gehad had. + +Groente, daar gaf ze niet veel om, en ’t tapiocaschoteltje toe, was een +kossie, dat ze niet kende, en waaraan zij zich dien eersten keer maar +niet zou wagen. „Nou,” vond Bet, „wonderen doet ’t me niet, ’t kind had +zich te..... (en hier gebruikte Bet geen net woord) gegeten aan vleesch +met aardappels en vette jus. Haar bord leek wel een kerktoren, zoo hoog +als ik ’t had opgestapeld.” + +Aan dikke boterhammen met vleesch of koek, liet Geertje zich ook niet +onbetuigd. „’t Was te merken,” zei Bet, „dat er eentje bij was in de +kost.” Doch mevrouw Canneheuvel gunde ’t Geertje graag, dat ze nu eens +volop kreeg, te meer daar ze wel haar best deed, en flink aanpakte. + +Bet en Kee sprak Geertje heel beleefd, met „U” aan, en deed steeds +alles wat beiden haar opdroegen, zonder ooit tegen te stribbelen. +(Moeder had immers gezegd: „houd de groote meiden te vrind, dan heb je +’t goed.”) Heel gedienstig nam het Scheveningstertje Bet dikwijls wat +werk uit de hand, wanneer die ’t wat drukker had dan anders met haar +„pot”, en bleef dan wat later als er dan veel vaten waren te wasschen. +De slimmerd wist wel, dat ze voor haar gedienstigheid den volgenden dag +een belooning kreeg in den vorm van een kopje extra zoete, heete +koffie. Volgens Geertje was dit de heerlijkste drank der wereld. Met +haar voeten op de stoelsport, en de roode handjes om de kom gevlijd, en +de oogen half dichtgeknepen van zoet genot, slurpte ze met kleine +teugjes haar kommetje leeg. Ze had dat van huis meegebracht, en er ging +veel meer in dan in een kopje. Maar, was dit leeg, dan sprong ze ook +vlug op, en ging met zulk een ijver aan ’t messen slijpen, dat de +vonken er afsprongen, terwijl ze haar voorhoofd vol rimpels trok van de +inspanning. Of ze gaf ’t tegelplaatsje bij den tuin een extra beurt, +want daar mocht ze naar hartelust met water kletsen. In de keuken moest +Bet daar niets van hebben. + +Lientien had Geertje graag als een soort kameraadje behandeld, maar dat +viel tegen. Want Geertje maakte ’t zich veel te druk met werken om voor +iets anders tijd te hebben, en bovendien voelde ze niets voor Lientiens +spelletjes; daarvoor was ze veel te oud-vrouwtjesachtig. + +Tot Lientiens groote verontwaardiging had Geertje ook niets op met +Socrates. ’t Was bepaald vijandschap tusschen die twee. Geertje joeg +poes weg van haar pas geschrobd plaatsje met een: „Vort kat,” waarover +deftige Socrates zich, met recht, zeer gekrenkt voelde. Aan zulk ruw +toespreken was hij volstrekt niet gewend. Waldi nam ’t misschien wel op +voor Socrates, want hij blafte Geertje in ’t begin altijd aan, als ze +in zijn buurt kwam. Langzamerhand leerde hij haar bijzijn verdragen, +doch toonde zich nooit aanhalig tegen ’t meisje. Geertje droeg deze +ramp zeer wijsgeerig. „’t Komt zeker van mijn mussie, daar kan ’t +stomme beest niet aan wennen,” meende zij. + +Puck en Geertje kibbelden heel wat af. Dat kind had absoluut geen +manieren, volgens Puck, en wat was ze mal aangekleed! „Waarom draag je +geen katoenen jurk in plaats van die hoop rokken en dat leelijke jak?” +informeerde ze smadelijk. Waarop Geertje haar afbonjourde met de +verzekering, dat die hoop rokken haar „drach” was, en die liet ze niet. + +Wanneer Puck Geertje verweet, dat ze haar expres lang voor de deur liet +staan en twee maal schellen, onderzocht Geertje, of Puck altijd zoo +heet gebakerd was, of ze zei kortaf: „loop heen.” Geertje verkoos ook +geen jongejuffrouw meer te zeggen tegen de kleine meisjes, zooals ze de +paar eerste dagen gedaan had. Ze mompelde zoowat van: „ja hum,” „nee +hum,” wat alles behalve beleefd kon worden genoemd. + +Nel verbood Puck mama lastig te vallen met haar klachten. Ze moest zich +maar niet met Geertje bemoeien en bedenken, dat Geertjes moeder geen +tijd zou hebben gehad om haar dochtertje goede manieren te leeren.—Puck +en Lientien maakten onder elkaar uit, dat het nieuwe meisje zoo’n raar +kind was, omdat ze tusschen bokking en scharretjes was opgegroeid. +(Haar vader dreef, voornamelijk in deze vischsoorten, een handeltje.) +Eens, toen Puck weer kwaad op haar was, wilde ze Geertje ergeren met te +zeggen: „’t Komt zeker van de bokking bij jullie, dat je weer zoo +bokkig bent.” Waarop Geertje gevat antwoordde: „Dat ben jij dan zonder +bokking.” Puck bleef sprakeloos van woede, maar ze hield der +complimenten voortaan vóór zich, vertelde Geertje in de keuken.— + +Puck had echter, niet minder dan de andere kinderen, toch wel erg met +Geertje te doen, toen zij (op een morgen thuis geroepen, omdat moeder +zoo náár lag) ’s avonds kwam vertellen, dat deze gestorven was. + +’t Arme kind huilde erbarmelijk. Hoe moest dat nu met die zes kleintjes +thuis? Moeder was toch zoo goed geweest; ze sloeg nooit hard, en was +altijd voor hen bezig. Vader wist niet wat hij moest beginnen!.... + +In overleg met vader Bom, werd er nu bepaald, dat Geertje voor een week +of langer naar huis zou gaan om voor ’t huishouden te zorgen. Vader +wilde zijn oude moeder uit Zeeland laten overkomen om hem te helpen, +want Geertjes verdiensten konden niet lang gemist worden, en zoo’n +puiken dienst als bij „Mevrouw” vond ze ook zoo gauw niet weerom. + +Nel liep met Puck en Lientien in den tuin ’t geval te bepraten. Ze +hadden allen toch zoo’n meelij met de familie Bom. + +„En moet Geertje nou alleen voor al die wormen bij haar thuis zorgen en +eten koken, en de boel aan kant houden?” vroeg Puck. „Maar Nel, dat kan +ze immers niet?” + +„’t Zal maar moeten gaan, zooals ’t gaat,” zei Nel. + +„Je begrijpt: mamp zal Geertje niet in den steek laten. ’t Is net iets +voor mamp, om die stumperds in den nood bij te staan, en Geertje mag al +vast hier elken avond komen halen, wat er aan brood en middageten over +is. Ik heb met Bet moeten afspreken, dat ze wat meer overhoudt dan +anders. Koken hoeft Geertje dan alvast niet.” + +„En ze kunnen dan tenminste met hun buikje vol naar bed gaan,” merkte +Lientien tevreden op. Ze zweeg een poosje, en vervolgde toen: „Wat +hebben die kinderen een heel ander leven dan wij, hé Nel? Geertje is +toch eigenlijk ook nog maar een kind, en nou moet ze al zoo tobben en +zorgen in plaats van te spelen en pret te maken. Toch wel zielig, dat +er zoo’n verschil moet zijn in de wereld, en je kan er zoo niks aan +doen.” + +„Neen, lieve schat, dat kunnen we nou eenmaal niet, maar weet je, wat +mamp van morgen zei? We kunnen wel ons best doen, naar ons vermogen +menschen, die ’t noodig hebben, bij te staan en te steunen. Niet alleen +met ons meelij aankomen, maar echt helpen.” + +Lientien dacht een poosje nà, en stelde toen voor: „We moesten van onze +centjes sparen om hun met St. Nicolaas wat te geven, zullen we, Puck? +Als we elke week vijf centen op zij leggen houden we nog twintig over; +dat kan best. ’t Is nou pas Juni, dus wat een weken hebben we nog!! +Misschien doe jij ook wel mee, Nel?” + +„Met liefde hoor, en ik geef een dubbeltje, omdat ik zooveel meer +zakgeld heb!” + +„Zou Frits ook willen?” onderzocht Lientien, die vond, dat de zaak +flink moest worden aangepakt. + +„Secuur,” besliste Nel. + +„Nou maar ik vind vijf cent veel te veel,” zei Puck. „Ik heb nog schuld +ook; ’t geef er maar twee.” + +„Ieder centje is welkom,” meende Lientien vriendelijk. + +Na drie weken kwam Geertje terug. In plaats van grootmoeder, was tante +Heintje gekomen om te helpen. Tante Heintje was weduwvrouw, en had zelf +geen kinderen. Geertje vond tante een goeie, ouwe zeur, die den jongens +stellig geen baas zou blijven. + +Aan Geertje kon je niet merken, dat ze zich moeders dood erg aantrok. +Ze was niet stiller dan anders, en schreien deed ze evenmin. Onder haar +werk neuriede ze, als vroeger, dezelfde eentonige liedjes. + +„Hoe kan Geertje toch weer zoo gewoon zijn; haar moeder is nog geen +maand dood,” zeiden de kleintjes. + +Doch mama wees hen terecht; de kinderen moesten niet zoo naar ’t +uiterlijke oordeelen. In haar hart was Geertje zeker nog wel bedroefd, +al toonde zij dit niet naar buiten. + +„’t Komt zeker van die weeë vischlucht,” zei Puck tegen Lientien. „’t +Is me ook wat lekkers om te moeten slapen in gezelschap van gerookte +visch. Geertje zegt, dat ze er nooit wat van ruikt; natuurlijk is haar +reuk afgestompt en de rest zal wel „navenant” wezen.” Puck wist dit +alles zoo precies van Frits. Die had een poosje geleden een pakje +aangereikt, namens Mevrouw Canneheuvel, bij de familie Bom, en was toen +even in de huis- tevens slaapkamer geweest. Er waren wel drie bedsteden +tegen de wanden. De kamer zag er zindelijk uit, maar ’t riekte er alles +behalve aangenaam, van wege de bokkings en scharretjes, die in rissen +tegen de zoldering hingen. + +„We hebben nog wel een plekkie op zolder,” had vrouw Bom gezegd, „maar +daar vreten de muizen er aan; dus moeten we de visch wel hier bergen. +Och, Jongeheer, wij menschen moeten maar niet kieskeurig zijn, en ons +weten te behelpen. Als de kinderen maar gezond bennen, en elken dag ’t +hunne krijgen, ben ’k al meer dan tevrêe.”— + +Arme ziel! nou hoefde zij zich niet meer te behelpen. Ze was +heengegaan, en had de zorg voor haar kleine stumperds aan anderen +moeten overgeven. + + + +Op den duur vond mevrouw Canneheuvel ’t toch wel wat te ver voor +Geertje om twee keer per dag dat lange eind tusschen Scheveningen en de +Groot Hertoginnelaan af te leggen. Er was op zolder een klein kamertje +met plaats voor een bed, waschtafeltje, stoel en tafel. Dit vertrekje +werd nu voor Geertje ingericht. Door een flink raam had je „’t mooiste +uitzicht van heel ’t huis,” zei Frits, want je zag de duinen in de +verte en, als je goed keek, zelf den vuurtoren. + +De kinderen hadden er schik in Geertjes kamertje aardig aan te kleeden. +Lientien spelde haar mooiste prentbriefkaarten met punaises tegen de +beschadigde plekjes van ’t behang. Nel hing er een groote plaat op +(welke lange jaren de kinderkamer had versierd), een muizenfamilie +voorstellend, die een bal geeft, en haar gasten heerlijk onthaalt op +spek, stukjes kaars, en andere lekkernijen. + +Puck versierde de waschtafel met twee bloemenvaasjes, één was nogal +kapot, maar stond met ’t stuk er uit tegen de plank, dus dat hinderde +niets. Frits wou ook wat doen, en had twee vuurroode papieren rozen +tegen de gordijntjes bevestigd. Deze versiering kleedde, volgens hem, +niet alleen ’t raam, doch ’t heele kamertje aan. + +Frits wou echter voor Geertje niet weten, dat hij haar met deze +schatten had begiftigd, want hij vond zich zelf te oud en te groot voor +zoo iets. ’t Was omdat hij die rozen nou had, zie je, en Geertje ze zoo +prachtig vond, toen zij ze eens bij toeval had gezien.— + +Toen mama Geertje vroeg, of ze niet liever bij hen wilde blijven +slapen, had ’t meisje onbeholpen van „ja” geknikt. Nu ze echter haar +vriendelijk, keurig kamertje zag, was ze echt blij, en huppelde +tusschen het ledikantje en de andere meubeltjes rond of ze vijf +inplaats van veertien was. Alles vond ze prachtig tot de beddesprei, +die Bet nog gevonden en over haar bed had gelegd, en den nachtzak van +Kee toe, waarop met rood verschoten letters: „Wel te rusten” was +geborduurd. „En, dat dat nou mijn kamertje is, van mijn eigens,” +zuchtte Geertje innig voldaan. „’t Is niet te gelooven.” + +Geertje was heel netjes op haar slaapsalet. Haar grootste plezier +bestond er in ’s Zaterdags ’t zeil met zeepsop op te nemen, en de +„heele kamer” een goede beurt te geven. Ze had dan een bereddering voor +tien, droeg alle meubeltjes op den zolder, en boende, poetste en wreef +alles wat hiervoor maar eenigszins in aanmerking kwam, tot haar ijzeren +bedje toe. + +En Bet liet ’t schaap goedig begaan, want het gebeurde maar eens in de +week, en maakte Geertjes grootste plezier uit.... op één na. Dàt was ’t +poetsen van haar hoofdijzer, waaraan ze menig kwartiertje besteedde, +maar dat blonk dan ook altijd als de zon. „Een zilveren zon, waarin je +je spiegelen kon,” zei Lientien. + + + + + + + + +VII VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN. + + +De vriendschap tusschen Frits en Japie was niet lang bestand geweest +tegen hun scheiding. Eerst hadden ze elkaar nog af en toe geschreven, +maar Frits vond Japies brieven „niets aan”. De zijne leken hem nog al +moppig, maar Japie beantwoordde ze met geen syllabe. Hij vertelde +flauwe grappen van school, en toonde in ’t geheel geen belangstelling +voor Frits’ leven in den Haag, en de nieuwe kennissen, die hij er +gemaakt had. Dus was de correspondentie al minder en minder geworden, +en nu zoo wat op sterven na dood. En met de vriendschap was ’t al niet +veel beter. + +Zijn nieuwen vrind had Frits in de muziekclub gevonden. Hij heette +Frans van Delden, en was een lange, tengere jongen van zestien jaar, +met heldere blauwe oogen, en een fijn besneden gezicht. Mevrouw +Canneheuvel voelde zich erg aangetrokken tot stillen, bleeken Frans, +ook omdat zijn oogen haar aan die van Careltje (haar jonggestorven +jongetje) deden denken. Frans kon ook zoo ernstig en stil voor zich +uitstaren, alsof hij dingen zag, die voor anderen verborgen bleven. + +Frans was niet sterk en werd, als eenige zoon, thuis door zijn ouders +dubbel ontzien. + +Puck, die altijd wat op iemands uiterlijk had aan te merken, vond, dat +de armen van Frans precies leken op die van een slingeraap, haast nog +meer dan die van Frits. Maar als Frans aan ’t spelen was, hield Puck +haar brutalen mond. Zij was dol op muziek en zag hoog tegen Frans op, +want zooals die viool speelde deed niemand van de club ’t hem nà, en +daarbuiten zeker niet velen van zijn leeftijd. Sinds Frans van Delden +in het muziekclubje was, werd er op de muziekavonden veel beter en +mooier gespeeld dan vroeger. Ook bij de familie Canneheuvel. Mamp en +Nel durfden geen mond open doen; van mopjes of gewone dansjes kwam +niets in, en haar oordeel over andere muziek hielden moeder en dochter +wijselijk vóór zich. Slechts verheven muziek werd gespeeld van de +allereerste meesters als: Beethoven, Mozart, Bach en dergelijken, veel +te hoog en onbegrijpelijk voor mama en Nel, doch waarvan vader en Frits +genoten. + +Papa vond ’t van zelf sprekend, dat Frans de muziekavonden leidde, en +niemand nam ’t hem kwalijk, als hij op zijn kalme, bescheiden manier op +gemaakte fouten wees. + +Want Frans was nu eenmaal een muzikaal genie, en zou nog eens als een +ster van den eersten rang aan den kunstenaarshemel schitteren. Daarover +waren al zijn vrienden ’t eens, en Frits had zich al vast bij Frans op +vrijkaartjes geabonneerd voor de concerten, waar deze als solist zou +optreden. Want die zouden natuurlijk zoo druk bezocht worden, dat de +menschen slechts met moeite een plaatsje zouden kunnen bemachtigen. + +Als Frits zoo aan ’t opsnijden was, verzocht Frans hem kalmpjes niet +zoo door te slaan als een blinde vink. Hij wist volstrekt nog niet, of +hij zich aan de muziek zou wijden. Zijn ouders zagen hem veel liever +ingenieur of dokter worden. Want de kunstenaarsloopbaan toch, is vol +stekels en doornen, en éér je nog zoover bent.... Al had Frans aanleg +als violist, ’t was nog hard de vraag, of hij doorzettingskracht genoeg +zou hebben voor die moeilijke studie. Hij stond nog pas aan ’t begin. +Al ’t reusachtig zware, de ontzettende rijstebrij-berg, waar je door +heen moet, om wat te kunnen „worden”, daaraan was hij nog niet eens +toe. + +Zoo sprak bescheiden Frans, doch zijn clubkameraden hielden vol, dat ’t +allemaal valsche bescheidenheid was van Frans. + +„Is muziek dan zoo vreeselijk moeielijk, mampie?” vroeg Lientien, die +niet begreep, hoe iemand op noten kon zingen. Met haar lief, fijn +stemmetje zong zij ouderwetsche liedjes naar ’t gehoor, die ze vroeger +van tante Sjarlotje leerde. + +„Veel te moeilijk voor ons, lieverdje,” antwoordde mama. „Ik vrees, +kind, dat je mijn muzikalen aanleg geërfd hebt, en wijs zult doen je +tijd niet met pianospelen of zangstudies te verknoeien.” + +Dit was Lientien roerend met moeder eens, al zong ze wel graag voor +haar poppen, als Puck er niet bij was, die dat met poppen spelen van +Lientien niet uit kon staan. Daar was je als kind van tien jaar toch al +veel te groot voor! + +Puck had bepaald aanleg voor muziek. Als ze er kans toe zag, zat ze +voor de piano, en tokkelde er op los, speelde allerlei wijsjes uit haar +hoofd na. ’t Werd tijd, dat ze les kreeg, doch oom wilde niet, dat Puck +op zijn mooien vleugel zou studeeren, en dus moest er voor Puck een +tweede-handsch piano worden aangeschaft, waarop ze naar hartelust zou +mogen oefenen en broddelen. + +„Ajakkes,” riep Jongejuffrouw Puck verdrietig, „waarom mag ik niet op +den vleugel? Je moet juist op een goeie piano studeeren, zegt +iedereen.” + +„Tante zal wel zorgen, dat de piano, die je voor je studeeren krijgt, +goed genoeg is,” zei oom. „Maar van mijn vleugel blijf je voortaan af, +begrepen juffertje? Je gebruikt ’t pedaal of ’t noodig is of niet, en +bonkt er me veel te hard op.” + +Tegen oom durfde Puck natuurlijk niet opspelen, maar bij zich zelf +dacht ze: „’t Zal wat moois zijn, die piano van tante! Tante zegt zelf, +dat ze in ’t geheel geen verstand heeft van piano’s.” + +Nu, dit was ook zoo, en daarom nam tante Frans in den arm, om haar bij +dit zaakje behulpzaam te zijn. En Frans deed zijn uiterste best, want +wie zou zich niet graag voor Mevrouw Canneheuvel uitgesloofd hebben. + +Toen ’t nieuwe instrument dan ook kwam, en in een kamertje werd +geplaatst, zoo ver mogelijk van den vleugel àf (anders kwam er vast +herrie tusschen die twee), was Puck dan ook nog al ingenomen met haar +piano. Frits’ muziekonderwijzer zou ook Puck les geven, en de goeie man +had al gauw reden om hoogst tevreden, of ernstig misnoegd te zijn over +zijn nieuwe leerling. Want Puck studeerde goed of niet, en dan gaf dat +op de les prijsjes, doch veel meer aanmerkingen en verwijten. De heer +Stang, door Puck de mopperbaas genoemd, had al gauw verzocht, of een +van de huisgenooten Pucks les wilde bijwonen. Want eigenlijk voelde hij +zich geen baas over bijdehante Puck, die altijd wat had tegen te +pruttelen en haar onderwijzer, als hij haar echt een standje maakte, +kon aankijken met haar zwarte flonkeroogen, alsof ze hem wou opeten. + +Als vader of mamp tijd noch gelegenheid hadden de les bij te wonen, +kwam Nel eens kijken, en vond dan dikwijls tante Sjarlotje, die aan +Kee’s arm over ’t portaal was komen aanschuifelen, en onder ’t gamma’s +spelen van Pucks vlugge vingers een zalig dutje deed. + +„Hoe is ’t mogelijk,” dacht Nel, „dat tante door dat lawaai heen slapen +kan.” + +Maar tante beweerde, dat ze juist nooit lekkerder hazenslaapjes deed +dan onder ’t luisteren naar eentonige geluiden, die al zachter en +zwakker werden, tot ze er heerlijk bij indutte. + + + +Al was de tweede-handsch piano heel goed, ’t ergerde Puck, met haar +hoogmoedig hartje, niet weinig, dat ze niet op den vleugel mocht +spelen. Frits, die Jongejuffrouw Puck niet te best vertrouwde, had den +sleutel verstopt, doch slimme Puck had het schuilplaatsje, in een van +de Japansche vazen, al gauw ontdekt, en op een keer, toen de „grooten” +allen uit waren (behalve tante Sjarlotje, die de trap niet meer +afkwam), haalde de bengel den sleutel uit de vaas, en ging, juist omdat +’t haar verboden was, op den vleugel spelen. + +Al gauw stak Lientien haar hoofd om de deur. + +„Maar Puck, je mag niet op pa’s vleugel,” riep ze verontwaardigd. + +„Gaat je niks an, bemoeial,” antwoordde Puck tusschen twee grepen van +een marsch in. + +„’t Zou maar gauw uitscheiden, ondeugend kind,” waarschuwde Lientien, +„je moest je schamen iets te doen wat papoes niet hebben wil.” + +„Iedereen is niet zoo’n flauw zuigelingenkind als jij,” hoonde Puck. + +Lientien werd echt driftig. „Nare treiter,” viel ze uit, „als je me +weer „zuigelingkind” noemt, zeg ik tegen jou: „zwarte Zigeuner”, want +iedereen zegt, dat je daarop lijkt en....” + +Puck plaagde wel graag, doch zelf kon ze volstrekt niet tegen plagen. +„Dat zal je berouwen, Caroline Canneheuvel,” riep ze, en keek Lientien +zoo koud en dreigend aan, terwijl haar stem akelig plechtig klonk, dat +kleine, domme Lientien er geweldig van ontroerde. Met een harden slag +vloog de vleugel dicht, en Puck rende naar boven, terwijl Lientien, +heelemaal ontdaan over de sombere, geheimzinnige bedreiging, +achterbleef. + + + +Den daarop volgenden Zaterdag was ’t zulk slecht weer, dat er den +heelen middag geen sprake was van uitgaan, of in den tuin spelen. Puck +stond maar voor ’t raam te mopperen en te brommen, zoodat tante +eindelijk knorde: „Houd nu eens eindelijk op, Puck, met dat gepruttel. +Waarom ga je niet lezen of pianospelen, of Lientien helpen naaien? Ze +heeft een heelen hoop mooie fluweelen en zijden lapjes van tante +Sjarlotje gekregen, en gaat de zomerkleeren van al haar poppen +opknappen.” + +„Jakkes, voor die malle, dooie poppen naaien! Hoe heeft Lientien er +lust in?” smaalde Puck. + +„’k Ben heel blij, dat Lientien nog niet zoo groote-menschachtig is als +jij, Puck,” zei tante kalm. „Daardoor heeft ze menig pleziertje, dat +jij moet missen. In elk geval wil ik je nu niet langer zoo ontevreden +en mopperig om me heen hebben draaien. Ga een of ander uitvoeren, dat +je prettig vindt, anders geef ik je een taak op. Je breikous...” + +Doch Puck was al weg. Aan breien had ze een broertje dood. De kous, die +ze onderhanden had, zag zoo zwart als roet, en als tante die zag, zat +er vast een standje voor haar op. + +Eerst ging Puck Socrates een beetje vervelen, want die wou slapen, en +was niets gesteld op Pucks hardhandige liefkoozingen. Maar Waldi wilde +wel spelen en al gauw maakten Puck en hij zulk een verschrikkelijk +lawaai met z’n beiden, dat oom heel boos uit zijn kamer kwam vragen, of +dat geweld haast gedaan was. + +„We maggen ook niks, hè Waldi?” riep Puck verontwaardigd. Ze bracht den +hond, die door ’t dolle heen was, tot bedaren, en slenterde naar boven, +op ander kattekwaad bedacht. + +Ze moest Lientien haar vreeselijke beleediging van „zwarte Zigeuner” +nog betaald zetten, en op eens viel haar in, welke poets ze Lientien +bakken zou. Die zat intusschen innig vergenoegd bij tante Sjarlotje. +Tantes vroeger zoo vlugge vingers konden nu niet meer voor Lientiens +poppengarderobe zorgen. Ze stonden krom en stijf van de rheumatiek. +Maar Lientien had heel wat van tante afgekeken, en van tantes goeden +raad kon ze nog steeds profiteeren. Haar babbelmondje stond geen +oogenblik stil, terwijl ze bezig was een hoedje op te maken voor haar +oudste dochter Suze. „Wat dunkt u, tante, zou ik op dit blauwe hoedje +wel een vuurroode roos zetten?.... ’t Lijkt me erg opzichtig.” + +„’t Wordt toch wel gedragen,” meende tante, die ’t opmaken van Suze’s +hoed niet minder gewichtig vond dan Lientien. Moeder Lientien legde de +roos weg, en hield een takje blauwe vergeet-mij-niet tegen de +hemelsblauwe zijde. „O Hemel! nee, leelijk hè?” + +„O Hemel nee,” kwam de echo van tante. „Wat denk je van een wit zijden +strik, Lienepien?” + +„Ook te schel... vindt u niet?” + +„Daar bedenk ’k mij, dat ’k nog zacht rose lint heb liggen, net +appelbloesemtint,” legde Sjarlotje uit, „dat zal er beeldig bij staan.” + +„Dat lijkt mij ook,” riep Lientien verheugd, en zij liep vlug naar de +commode, om in de derde lade, ’t hoekje links, volgens tantes +aanwijzing, de lintendoos te zoeken. + +„Voor „daags” heeft Suze een matelo’tje (van Nel gekregen), daar doe ik +een zwart lint om, en klaar is Kees,” vertelde Lientien, terwijl haar +mollige handjes ’t hoedje garneerden met kleine dofjes van het +appelbloesemlint. Al de slijtgaatjes konden mooi tusschen de plooitjes +weggestopt. „’t Wordt beeldig,” verklaarde ze opgewonden, „maar kan +tante ’t eigenlijk wel missen?” + +„Wat zou ik voor mijn Lienepoes niet graag geven?” vroeg tante teeder. +„Maar bovendien heeft tante Sjarlotje al sinds lange jaren niets meer +aan kleurige linten en strikken, dat is goed voor de jeugd. Dit lint is +al erg oud, ’t was vroeger bepaald hard rose, maar ieder jaar +verbleekte ’t een beetje meer, en is eigenlijk nu pas mooi van tint.” + +„Zit er een geschiedenis aan vast, tantetje?” vroeg Lientien, die dol +was op verhalen uit de jeugd van groote menschen. + +„Niet veel bizonders, kind. Toen tante een jong meisje was, had zij een +vriendin, die ook Charlotte heette, en zoo waren wij de twee „Lotjes”. +Wij hielden veel van elkaar, maar waren wel wat overdreven in onze +vriendschap, zooals jonge meisjes dat wel meer zijn. Natuurlijk gaven +we elkaar presentjes bij voorkomende gelegenheden, en zoo kreeg ik dit +rose lint van haar voor mijn haar. + +„Daar vond ik ’t veel te mooi voor, en bewaarde het, tusschen vloei, +jaar in jaar uit. Dikwijls bekeek ik het, en dacht dan aan dien ouden +tijd, toen Lotje en ik elkaar eeuwige vriendschap beloofden en.... +elkander toch zoo spoedig vergaten.” + +„Hoe kwam dat dan, Lottepotje?” + +„Wel, Lotje ging naar Canada, en ik hoorde nooit meer iets van haar. +Toen stierf mijn vriendschap ook, maar van ’t rose lint kon ik toch +niet scheiden. ’t Was haar laatste presentje.” + +„Ik denk, dat Annie en Wimpie wel altijd vriendinnen van mij zullen +blijven,” zei Lientien hoopvol. „We schrijven elkaar trouw, en mamp +heeft beloofd, dat ze in de vacantie mogen komen logeeren. Hè, +zalig!.... Tante, zal ik u eens wat vertellen? ’k Heb tegenwoordig toch +zoo dikwijls ruzie met Puck. Ze is niks lief tegen mij, en ik ook niet +tegen haar.” + +„Maar Lientien....” + +„Echt tante, nou praat ze ook weer niet tegen me, al twee dagen lang. +Enkel „ja” en „nee”.” + +„Hoe komt dat dan, snoezepoes?” + +„We hebben elkaar uitgescholden omdat.... maar dat kan ik niet allemaal +vertellen, want ik wil haar niet verklikken.” + +„’k Zou ’t maar weer bijleggen,” suste tante. „’t Is vast niks erg.” + +„Dat zit nog,” beweerde Lientien, die alle uitdrukkingen van Frits +trouw overnam, als zij ze leuk vond. „Puck houdt ook niks van poppen,” +ratelde Lientien door, „en ze vindt ’t vreeselijk gek, dat ik er zoo +graag voor naai. Nou, Annie en Wimpie brengen vier kinderen mee, en ik +wil natuurlijk, dat mijn zes er netjes uitzien tegen dat ze komen, wat +zegt u? Voor Suus en Francine ben ik klaar, maar Dora moet nog een jurk +en kleine Koo een paar sokjes....” + +„Jammer, dat ik je niet meer kan helpen, snoes,” zei tante treurig. + +„Niks erg hoor Sjarlottepotje,” riep Lientien, verteederd. „U helpt me +al genoeg met goeien raad. En kijk eens wat een prachthoed die Suus nou +voor best heeft? Als ze maar niet zoo’n ijdeltuit wordt als haar tante +Puck!”.... + +Wanneer Lientien op dit oogenblik Puck had kunnen zien, zou ze haar nog +voor wat heel anders hebben uitgemaakt dan voor een ijdeltuit. Want dit +slechte meisje vergreep zich juist aan Lientiens lievelingen. Behalve +Suus zaten al Lientiens kinderen op hun kleine stoeltjes rond ’t +tafeltje in een hoekje van de groote slaapkamer van Puck en Lientien. +Ze zeiden niets, ze keken maar, toen ze die woeste tante zagen +binnenkomen, en hun poppeharten beefden. Want tante Puck had meestal +niet veel goeds in den zin, en moeder was er niet om hen te beschermen. +En ja wel, daar had je ’t al! Eén voor één werden ze beet gepakt: mooie +Francine bij haar blonde haar, doch die was te groot, en werd weer op +haar plaatsje neergesmakt. Maar Dora, die kon nog net, Sjarlotje en +Nellie ook, kleine Koo, ruw aangepakt bij zijn verbonden been, was +juist geschikt, en zoo werd ’t viertal, hutje mutje, over elkaar, in +tantes schortje gestopt. + +Behoedzaam, naar alle kanten uitkijkend, sloop Puck met haar buit naar +den salon, kreeg met moeite ’t blad van den vleugel open, en legde +Lientiens lieverdjes zoo maar op de harde snaren. Kleine Koo zakte +tusschen een openingetje zelfs heelemaal weg. + +„Ziezoo,” knikte Puck onbarmhartig, terwijl ze ’t blad weer liet +vallen, „daar liggen jullie goed, en je moeder kan lang zoeken eer zij +je vindt. Hoe of je dat bevallen zal, Caroline Canneheuvel?” + +Lientien miste haar kinderen pas ’s avonds laat, toen ze Suus naar bed +bracht. (Die had tante Sjarlotje den heelen dag gezelschap mogen +houden.) Ze was meer verbaasd dan verschrikt, verdacht Puck geen +oogenblik, en vroeg Francine, of die er soms van àf wist. Doch Francine +deed niet anders dan staren. Ze zou dol graag alles verteld hebben, +maar ’t was al mooi, dat ze „papa” en „mama” kon piepen. Verder had ’t +wurm ’t nog niet gebracht. Moeder Lientien had te veel slaap, om nu nog +te gaan zoeken, doch den volgenden dag liep ze ’t heele huis door. Geen +plekje, waar ze niet keek, en iedereen hielp ’t arme, beroofde +moedertje: Nel, Frits, Kee, Socrates en Waldi, allen deden trouw hun +best. (Naderhand herinnerde Lientien zich, dat Waldi onder den vleugel +juist verschrikkelijk geblaft had.) En zij verdacht Waldi nog al van de +misdaad, omdat hij wel eens meer een kind had meegesleurd en deerlijk +gehavend. Maar nu, alle vier.... Puck deed quasi met zoeken mee, doch +dat slechte kind lachte in haar vuistje. „Wacht maar tot van avond,” +dacht ze bij zich zelf. „Puck mag niet aan de mooie piano komen, hé? +Maar nou liggen er lekker vier poppen in!” Frits had haar al een paar +keer verdacht aangekeken. Hij vertrouwde haar eigenlijk in ’t geheel +niet, en vroeg op eens: „Zeg Juffertje, weet je daar heusch niet meer +van?” waarop Puck ’t puntje van haar tong tegen hem uitstak. + +Lientien had een echt verdrietigen Zondag, en Puck voelde zich +eigenlijk ook in ’t geheel niet voldaan. Maar ze wilde niet naar de +stem van „Meester” luisteren. De „zwarte Zigeuner” zat haar nog veel te +dwars. + +Zondagavond kwam met de muziekjongens, zooals Puck ze noemde. Er was +een nieuw stuk ingestudeerd, dus verzocht Frans: „Als je blieft +langzaam spelen, hé?” Papa zat voor de piano, en keek al verbaasd, toen +hij de eerste noten aansloeg. „Wat drommel scheelt die piano vandaag?” +vroeg hij, „er is geen klank in; ’t lijkt wel, of er fluweel om de +toetsen heen zit. Frans, probeer jij eens kerel, er moet wat aan de +toetsen haperen. De stemmer is er pas geweest, ontstemd kan hij niet +zijn.” + +Frans sloeg een paar accoorden aan, en keek al even verwonderd als de +heer Canneheuvel. + +„’k Geloof, dat er wat op de snaren drukt,” zei hij toen. „Misschien is +er een muis in den vleugel....” + +„Lieve Hemel!” riep vader ontsteld, en sloeg haastig ’t bovenblad open, +keek naar binnen.... + +„Wat is dat?.... Lientiens poppen!!” En papa vischte vlug Dora op. +Sjarlotje en Nellie volgden. „Sla nu eens aan, Frans?.... Ja, ik +geloof, dat ’t nu in orde is. Maar wie heeft, in lieve vredes naam, +Lientiens poppen in den vleugel gestopt?” + +’t Was Puck toch te benauwd geworden. Toen haar ondeugendheid op ’t +punt stond aan ’t licht te komen, was ze vlug de kamer uitgeslipt, en +zat nu in de keuken met een angstig hart bij Bet, die haar al twee keer +minzaam had voorgesteld liever heen te gaan. + +Natuurlijk was er heel wat gelach en gepraat over de vondst van den +heer Canneheuvel onder de jongens. Lientien, heel blij, dat ze haar +verloren schapen terug had, liep er dadelijk mee naar boven. De +stakkerds hadden al lang in bed moeten liggen. „Natuurlijk een streek +van Puck,” dacht Lientien verontwaardigd, „ik hoop, dat ze er een flink +standje voor zal krijgen. Hoe durft dat brutale kind toch!” + +Intusschen werd er beneden doorgespeeld. Frans beweerde, dat ’t nog +niet heelemaal in orde was met ’t geluid, doch de anderen konden dit +niet zoo hooren, tot Lientien weer binnen kwam, en fluisterend aan mama +vertelde, dat ze „kleine Koo” nog miste. + +„’k Geloof, man, dat „kleine Koo” nog in den vleugel zit,” zei mama +hierop. + +En ja wel! Na veel kijken en zoeken, ontdekte Frans een klein +gevalletje in een rose hemdje, heel in de diepte vergleden. Met behulp +van Mama’s lange schaar werd „kleine Koo” uit de diepste duisternis aan +het heldere licht gebracht. + +„Mis je nu heusch geen enkel kind meer, Lientien?” vroeg vader een +beetje ongeduldig. „Voortaan gaat de vleugel stijf op slot, en bewaar +ik zelf den sleutel.” + +„Er is gelukkig geen kwaad van gekomen,” leidde Frans vaders +ontstemdheid af. „’t Is nu weer geheel in orde.” Frits wilde Puck gaan +halen om eens navraag te doen wat zij over ’t geval te vertellen had. +Doch mama stelde voor liever geen tijd meer verloren te laten gaan. +Papa ging weer zitten, en zoo werd er dus in ernst begonnen. + +Puck bleef weg, en mama liet haar maar niet roepen, zoolang de jongelui +er nog waren. + +Daar vond Puck iets angstigs in, en zonder goeden nacht zeggen, sloop +ze naar bed. + +Lientien was zoo blij, dat de poppekinderen weer in hun bedjes lagen +(die ze alle drie bij haar eigen ledikant had gezet), dat ze Puck geen +kwaad hart meer toedroeg. Maar een lesje moest die ondeugende meid toch +hebben. + +Dus liet ze Francine vragen, waar de anderen toch al dien tijd gebleven +waren, waarop Nellie antwoordde: „Dat moet je aan die akelige tante +Puck vragen. Neen maar, die is er me eentje! Ik ben heelemaal +geradbraakt, en Dora heeft een hoofdpijn, dat ze uit haar oogen niet +zien kan!” + +„En ik dan,” riep kleine Koo. „Grootvader heeft mij als een gek laten +dansen. Ik werd als een bal op en neer gegooid en kon niet op adem +komen. En dan nog al met mijn zieke been!” + +Puck proestte ’t uit. Ze zag in haar gedachten ’t rose poppetje met de +aangeslagen noten op en neer walsen. + +Ze deed met haar vingers op tafel na, hoe kleine Koo aan ’t hotsen en +springen was geweest. + +Nu schoot Lientien ook in den lach, en allebei gierden ’t uit. Toen was +de vrede gesloten, en beloofden ze elkaar nooit meer voor +„zuigelingkind” en „zwart Zigeunerkind” uit te maken.— + +Puck trof het, dat oom den volgenden dag naar Amsterdam moest en ’t +knorren dus aan tante had overgelaten. „Puckie, Puckie,” berispte +Mevrouw Canneheuvel, toen ’t kleine meisje haar goeden morgen had +gezegd, „hoe verzin je toch zulke ondeugende dingen? Dat jullie elkaar +eens fopt en voor den mal houdt, is zoo erg niet, maar als ’t bepaald +plagen wordt, om den ander verdriet te doen, dan is ’t heel leelijk. En +dat wil ik ook volstrekt niet hebben.” + +„Ik zal nooit meer aan den vleugel komen,” beloofde Puck benepen, „en +Lientien en ik hebben ’t al lang afgezoend. Van al haar kinderen is +alleen kleine Koo nog maar een beetje geradbraakt, maar die heeft dan +ook veel langer op en neer gedanst dan de anderen.” + +Tante had moeite niet te lachen, en dus bleef de rest van ’t standje +achterwege. + +En zóó kwam dat ondeugende nest er wéér veel te gemakkelijk af, zei +Frits naderhand tegen Nel. + + + + + + + + +VIII NEL ALS HUISMOEDER. + + +Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5de klasse zou +overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en +kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al +lang op stal. Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman. + +Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6de en 5de klasse +minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5de H. B. S. + +Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als +zij verhoogd werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t +bericht thuis, dat ze ’t best hadden gemaakt, en dus, na de groote +vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had verwacht, dat tante +minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet naar. +Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg +gestuurd. Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor +de koffers te zorgen. Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee +moest. + +„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante +heeft hem toch eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van +gulden; ’t klonk veel leuker, dus praatten de meisjes hem na). + +„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij +hem.” Doch ’t werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den +gulden werd niet meer gerept. + +’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat +durfde ze toch niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door +al ’t bedenken en met Nel overleggen, dien middag, voor de +vacantiedagen. + +Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck +zanikte altijd maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te +vervelen, dat ze haar door de poppen de les liet lezen. + +„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit +zoo’n zeurkous meer bijgewoond.” + +„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en +oproerderig. Als wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne +„pop”... Maar hou nou je mond, ik ga slapen, en ik mag bij moeder in +bed, want ’t is mijn beurt.” + +„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal +wicht,” riep tante Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog +eerst onze kas opmaken.” + +„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór +Annie en Wimpie komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!” + +Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens +vriendinnen als Lientien van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel +geen lust gehad de uitnoodiging van tante Johanna aan te nemen, en +gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven in de +vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker, +en dan bij die saaie tante, ajakkes! + +Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster +Cato, alleen was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de +familie Canneheuvel, nu deze in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij +vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden dit toelieten, wat meer +gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen broer, en +had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel +blij, dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante +Johanna hield niet van kinderen, en kon dus ook niet veel van hen +verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang niet anders gedaan +dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg +gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en +droefgeestiger was geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante +gruwelijk zou vervelen; dan veel liever wat gekibbel met Annie en +Wimpie. + +Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de +tafel, aan ’t rekenen van belang. Ze hadden al lang in bed moeten +liggen, doch ’t kas opmaken kon niet worden uitgesteld. + +Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze, +„maar met tantes „pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te +druk, om te antwoorden. Zij telde op haar vingers, en zag niet, dat +Puck de kamer uitging. + +Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit +nachtjaponnetje binnenkwam. + +„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd. + +„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck. +„Want we zijn bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er +nou nog bij, anders klopt ’t niet.” + +Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat +er een groote inktmop op Puck’s nachtpon zat. + +Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, stapte Puck even later +vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, mochten +ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo +iets! + +In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t +hoofdkussen, om die ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk +een reuzensom had geen van beiden nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk +centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want als je logée’s +krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes en +Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat +snoepcentjes te mogen afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan +’t sparen worden begonnen van „Meester”, voor de Sinterklaaspresentjes. +Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.... Of ze er niet wat van in ’t busje +zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar +den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje +doen?” + +„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is +afgesproken.” + +(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld +bovendien.) + +Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder +aan. Ze zou er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de +vacantie als mama beschouwen, had zij Mamp beloofd, en lief en +gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, zij was zelden +lastig en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus +veel strijd en moeite, als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet +mocht. Erg naar en lastig voor Puck, peinsde Lientien. + +De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te +bezoeken, en met hem een reisje door Holstein te maken. Daarna wilde +Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij zich +hebben. + +Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd +de geheele vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over +het huishouden, maar ook alle drukten en zorgen over te laten, welke +deze vacantie ruimschoots beloofde. + +„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis +zouden zijn, en er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp +daar nu eens in ’t geheel geen last van hebben. + +„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet +prettig vind...” + +„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet +(dat was moeders beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik +immers twee weken naar Haarlem gaan?” + +Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem +bijzette, gaf mama zich gewonnen. + +Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, dat mama zich ook +maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw +Canneheuvel zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook +die bezigheden niet meer te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen +mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig zeggen: „Lieve Suus, waar is +de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder dat je er aan +denkt.” + +Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man +en dochter. Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar +bestwil, was bedoeld. Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in +te richten, dat Nel geen saaie huismusch hoefde te wezen. Altijd was er +iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd voor een +of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef +tennissen en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar +jongemeisjespleziertjes niet meer op te offeren dan zij zelf wilde. + +Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een +eer in in alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen +„ikje” niet te tellen. Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren. +Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat zou ik toch beginnen, als ik jou +niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond. + +Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te +bespreken, om de kinderen een prettige vacantie te geven, en overigens +liet mama, met een gerust hart, alles aan Nel over. + +„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft, +want die Annie en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft, +ook niet weg.” + +Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder +Alkmaar. Deze behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er +heen, en hielp, als een echte boer, met alles mee. ’t Was een +uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit zijn kracht gegroeiden +Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. Frits vond +het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of +wat, en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd +aangetrokken tot dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen +geval sprake van, dat zij had kunnen gaan. + +Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en +Wimpie. Ze waren niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en +stoeierig als vroeger. Wimpie had, als ’t kon, nog meer bereddering dan +Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk veel drukte over +hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze +gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet +zuinig zijn opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd +door Nel gastvrij uitgenoodigd dien dag te blijven. Met veel +vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van Annie en Wimpie, +nam ze den volgenden morgen afscheid, en.... „nou kan de pret +beginnen,” zei Wimpie, want met Juf was dat altijd maar half. Die +verbood en vitte van den ochtend tot den avond. + +’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef +natuurlijk een beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens +gunde ze graag elk pleziertje, waar ze om vroegen, maar vond noodig, +als waakzame moeder, hen steeds op de hielen te blijven, geen oogenblik +uit het oog te verliezen. + +Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen +dag de duinen in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam +dan doodmoe thuis van ’t woeste spelletjes meedoen, ’t duinen op en +neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen. + +Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar, +dat ze haar troepje, zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht. + +Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden +gedaan, en de poppen ’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder +genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens gekibbeld, want Puck kon niet +veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets op zich zitten, +maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk +bewaren. + +Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te +maken, en wist Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet +schudde haar hoofd over dat gemors in haar keuken. Alles zag er +heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer en de aanrecht, tot de +bordendoeken toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit +„neen”. Ze moest dus maar een oogje toedoen, als de kinderen aan ’t +knoeien waren. + +Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was +altijd veel te gauw om naar hun zin. + +Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren +bezig houden, en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half +uurtje, of langer, als belooning voor de belofte van het viertal, om +dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te babbelen en rumoerig te +wezen. + +Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te +beredderen, ook voor den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en +kopjes af te wasschen, al namen Bet en Geertje de juffrouw veel uit de +hand. + +Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten +worden, en met Geertje moesten de boodschappen besproken. + +Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond +een praatje bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest +was, dit sloeg ze nooit over. + +Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren +geleden, toen ze ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had +die goeie Frits haar zoo heerlijk bijgestaan in den nood. Nou leek ’t +wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze kreeg zelfs geen +briefkaart meer van hem, sinds dagen al. + +Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste Nel zich +toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar. + +Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar +’t land gaan, ’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder +de balken slapen met den geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar +was hij dan terug, had geen lust om nog ergens anders heen te gaan, en +wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor de kleine rakkers. Als +’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor +houden. + +„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij +gehoorzaam, en zoo aardig en leuk.... Maar ik ben toch dol blij, dat je +er weer bent, vadertje. Nou heb ik amper tijd om vader en moeder te +schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als ik niet meespeel, is de +pret maar half, dat begrijp je.” + +„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de +heele hand.... + +„Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.” + +„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft, +heel deftig, door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie, +Puck en Lientien (met haar kinderen) plezier hadden te komen +theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag te passeeren.” +Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde +zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over +beraadslagen, hoeveel poppen ze konden meebrengen zonder onbescheiden +te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de partij +zijn.” + +„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met +vier treden tegelijk op. + +Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar +kanten mutsje met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig +bewonderde. Tante trakteerde op wafels met aardbeien, bovendien waren +er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef, mocht verdeeld en naar +beneden meegenomen worden. + +Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem +heen, dat Frits moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar +Waldi met oorverdoovend lawaai tegen den baas opsprong. Natuurlijk was +Waldi ook op de partij, want je zocht hem nooit tevergeefs, waar wat te +halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen toe, hoe hij ’t +daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er nog +al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de +glazen en bordjes steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje +een goeden dag! Ze speelde met zooveel lust en pleizer ganzenbord mee, +of ze even oud was als Lientien, die vlak naast haar zat, en Sjarlotje, +als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof ook in den kring, +en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam. Wimpie +verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot +(van bonbons) strijken. Heel edelmoedig liet Frits den pot staan, en +begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen Wimpie dien +eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven. + +Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of +daar dadelijk veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet +dadelijk drie groote pralines toe, „en straks krijg je nog meer, hoor +Bet!” beloofde ze gul. + +„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten, +Jongeheer Frits, maar er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,” +vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes vond, den kinderen aan +’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en afscheid +nemen van de gastvrouw. + +Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer +aantrekken. + +Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank +gebracht en gemakkelijk in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog +vertelde, was tante al heerlijk ingedut. + +„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.” + +’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en +Frits innig genoegelijk na te babbelen. + +En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast +had door zijn vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch +wel erg saai was alleen achter te blijven. + +„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans +gaat met hart en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij +niet en zijn handen spaart hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een +wagen met hooi opladen en naar huis rijden is voor hem bepaald een +genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat ik hoe +langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven. + +„Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en +had nog beteren eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor +dag en dauw op geweest, en verlang naar mijn mandje.... Wat ben je van +plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?” + +„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de +kinderen doen mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je +uit de voeten blijft, want wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.” + +„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan +Hilgers opzoeken. Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven. +En nou echt goeienacht, huismoeder.” + +Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden, +„Frits, luister eens....” + +Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe. +„Innig gezellig, dat je weer thuis bent, vent.” + + + + + + + + +IX OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS „BOSCHJESVRIENDEN”. + + +Drie manden spergie- en snijboonen stonden in ’t midden van de +huiskamer, op een groot laken, dat Nel over ’t tapijt had laten +uitspreiden. Daaromheen acht stoelen, een tabouret en een bankje. + +Trotsch overzag Nel haar hulptroepen, die bestonden uit: Kee, Bet, +Geertje, Wimpie, Puck, Lientien en Annie. + +’t Was met recht: alle hens aan dek, want anders kwamen ze vandaag vast +niet klaar, had Bet gezegd. Socrates was natuurlijk ook van de partij +(op de tabouret), en keek toe, of alles wel naar den aard gebeurde. +Waldi liep overal tusschen door als een agent van politie, en was braaf +lastig op den koop toe, terwijl hij niks uitvoerde. Truus en Nellie +mochten van moeder Lientien ook toekijken, en zaten knus samen op het +bankje. Lientien had ze de vruchtenmesjes gegeven, die voor haar en de +anderen bestemd waren. Hoe kon je nou met die stompe mesjes boonen +afhalen? Ze waren heusch groot genoeg om zich niet te bezeeren. + +„Viermaal afhalen, kinders,” sprak Nel, toen ze gereed waren aan den +slag te gaan, „en straks, bij ’t breken, verbazend goed toekijken, +anders eten we van ’t winter boontjes met haren.” + +Frits had een leuk boek gegeven, waar iedereen wat aan kon hebben, en +om de beurten zou er uit voorgelezen worden. Bet, Kee en Geertje +bedankten voor de eer, die konden veel vlugger met afhalen dan met +voorlezen terecht. Maar Puck deed ’t graag en goed (Puck vond zelf, dat +niemand ’t mooier kon dan zij), en dus bleef zij maar aan de beurt. +Nel, die bang was, dat onbesuisde Puck zich zou snijden of bezeeren met +het scherpe mesje, vond het uitstekend geregeld op deze manier. + +De boonen vlogen van de handen in de manden en omgekeerd. Bet droeg al +gauw een volle mand met afgehaalde en gebroken boontjes weg. + +Puck las al maar voort met een kleur van pleizer en inspanning. Ieder +vond het verhaaltje prachtig, al kwamen er dan ook „miserabel” stoute +kinderen in voor, volgens Bet, en Geertje dacht bij zich zelf: „Dat +bennen nou net goeie kameraden voor Puck.” + +Om half twaalf kwam Frits thuis, en bracht een grooten zak zoute +krakelingen mee voor de vlijtige werkers, die zeker wel wat „weeïg” +zouden zijn geworden van al dat groen. + +„Lang leve Frits,” riep Lientien, en allen stemden hiermee in. + +De krakelingen kwamen zóó uit den oven, dus òf ’t hartig hapje smaakte! +Waldi bedelde zoo brutaal, alsof hij ’t hardst van allemaal had +gewerkt, slokte een heelen krakeling gulzig naar binnen, en keek dan, +of hij nog niets gehad had, net als bij ’t vleesch bedelen aan tafel. +Maar Socrates trok er zijn nuffig neusje voor op. + +Toen Frits vertelde, dat zijn viool weer in orde was, bedelde Lientien: +„hè Frits, speel dan wat aardige wijsjes, waarbij we kunnen zingen, dan +kan Puck meteen een beetje op adem komen van ’t voorlezen.” + +„Vooruit maar,” zei Frits, en hij begon er lustig op los te strijken, +terwijl allen de woorden van de eenvoudige, ouderwetsche liedjes mee +zongen. Zelfs Geertje galmde: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden,” mooi +in de maat met de anderen. Daar ging tante Sjarlotje’s schel, en Kee +vloog naar boven, maar kwam dadelijk weer terug. De juffrouw had haar +gevraagd de kamerdeur wijd open te zetten, dan kon zij van de muziek +mee genieten. + +Er zou een uur later dan anders worden koffie gedronken, doch om half +één liet Nel met werken ophouden, en deden allen nog een dansje in de +gang, om de van ’t lange zitten stijve beenen weer lenig te maken. + +Bet en Kee verdwenen, doch Geertje bleef toekijken tot Nel haar Waldi +in de armen duwde, waarover Geertje en Waldi allebei even +verontwaardigd waren, terwijl ze niet wisten, hoe gauw ze van elkaar af +zouden komen. + +Aan de koffie trakteerde Nel op gerookte paling en, in weerwil van al +de verorberde krakelingen, liet de „trek” niets te wenschen over. +Vooral Puck liet zich niet onbetuigd, want een versche boterham met +gerookte paling! iets zaligers bestond er niet voor het +„twaalf-uurtje”. + +Lientien bewaarde altijd een middenreepje, dat ze extra dik belegde, +voor ’t laatst. En zoo had ze nu ook weer zulk een heerlijken reep +gereed liggen met een rose stukje palingmoot er midden op. Puck keek er +naar met begeerige blikken; haar boterhammen had ze al lang +opgesmikkeld. + +„Lientien,” zei ze op eens, en legde haar hand vleiend op Lientiens +mollepootje, „zou je ’t over je hart kunnen verkrijgen mij dat zalige +reepje van jou te geven?” + +Lientien keek een beetje verbijsterd in Pucks begeerige oogen; ze had +wel iets van een vogeltje, dat door een slangeoog betooverd wordt. +Iedereen keek Lientien aan. Wat zou ze doen? + +„Niet geven, niet geven, Lienepien,” riep Wimpie verontwaardigd, door +Annie krachtig bijgestaan. + +„Neen,” zei Puck, „jullie zouden ’t natuurlijk niet kunnen, maar +Lientien....” + +Lientien werd rood, keek eens naar Nel, die lachte, en naar Frits, die +zijn hoofd schudde. Toen nam ze ’t overheerlijke reepje en.... legde +het op Pucks bord. „Daar dan, maar je moet dat kunstje nou niet aldoor +uithalen, hoor!” voegde ze er bij. + +„Je bent een dot,” betuigde Puck, en liet Lientiens zuinig bespaard +brokje dadelijk in haar mond verdwijnen. + +„Wat een schrok!” gilden de logéetjes. „Neen maar, wat een gulzigaard!” +„Was juf maar hier,” wenschte Wimpie, „die zou je!” + +„Een volgenden keer zullen we Puck op de proef stellen,” sprak Nel. +„Bij Lientien is er eigenlijk geen aardigheid aan, want die geeft graag +wat weg, hé poes?” + +„Och ja,” betuigde Lientien, en wijsgeerig voegde ze er bij: „’t Was +nou toch al op geweest.” + +Na de koffie slonken Nels hulptroepen op een treurige manier. Bet moest +naar de keuken, Geertje had boodschappen te doen, Kee moest naar boven, +en Waldi ging er met Frits op uit. Dus hield Nel Socrates, Lientien, +Puck en de twee logéetjes over. Socrates maakte ook al gauw, dat hij +weg kwam, want hij had veel te veel palinggraatjes opgesmikkeld, en nog +een stukje vel gestolen, zoodat hij liever in eenzaamheid zijn +gulzigheid zat te betreuren. + +Maar Puck werkte voor twee, want ze stond er nog frisch vóór, en ze +sneed zich ook niet in de vingers, hoewel ze een vlijmscherp mesje had. +Toen Bet weer een mand met afgehaalde boontjes kwam halen, zei ze, dat +’t nou genoeg was. De rest zou ze van avond met Geertje wel doen. +Iedereen had maar wat flink geholpen, en ze konden van ’t winter +dikwijls ingemaakte boonen eten, want er was een verbazende „zooi”! + +„En nou moeten jullie eens boven gaan kijken,” zei Kee. „Juffrouw +Sjarlotje heeft zoowaar ook nog mee gedaan.” + +De kinderen stormden de trap op, en jawel, daar stond een mandje keurig +afgehaalde boontjes vóór tante op tafel. „Misschien net twee maaltjes +voor haar zelf,” dacht Lientien, want tante at niet veel. + + + +„’k Heb van middag toch zulke leuke jongens ontmoet, Nel,” vertelde +Frits aan tafel. „En als je ’t goedvindt, huismoeder, komen ze +morgenmiddag hier. ’k Heb ze gevraagd.” + +„Als je ze al gevraagd hebt, heeft Nel niks meer te „vinden”,” beweerde +Puck bijdehand. + +„Zóó, mejuffrouw wijsneus! Heb ik uw toestemming soms gevraagd?” spotte +Frits. + +„Nou, maar daar heeft Puck toch wel gelijk in,” viel Nel Puckie bij, +„wat zijn dat nou eigenlijk voor jongens, Frits?” + +„Zal je wel zien. Ze worden in den tuin ontvangen en..” + +„Onder de Vors....?” vroeg Lientien, en de rest slikte ze gelukkig nog +bijtijds in. + +„Kind, houd je mond toch,” waarschuwde Puck met een por. „Dommerd,” +fluisterde ze toen. + +Gelukkig scheen niemand iets van de „Vors”.... gehoord te hebben. + +„Frits, je moet me eerst vertellen, wat voor jongens ’t zijn,” hield +Nel aan, terwijl ze een waardig moedergezicht poogde te zetten. + +„Straks, als de pepernoten naar bed zijn, want die gaat ’t niets aan, +en morgen sturen we ze uit wandelen.” + +„Dat doen we lekker niet, we gaan lekkertjes niet,” riepen de kleine +meisjes in koor. + +Doch dit was dan ook maar een plagerijtje geweest van Frits, en hij +begon nu uitvoerig van zijn Boschjesvrienden te vertellen. Toen hij, +met Waldi naast zich, op een bank zat, dicht bij de Bataaf, was Waldi +gaan brommen tegen twee jongens, die op eens uit ’t groen naast de bank +opdoken. + +Maar de twee hadden den dackel vriendelijk toegesproken en over den rug +geaaid. + +„Mogen we hier even gaan zitten, mijnheer?” had de grootste daarop +gevraagd. + +Frits, niet weinig gevleid door dat „mijnheer”, had geantwoord: +„Natuurlijk jongens, de bank is niet van mij, en al was dat zoo....” +Nou, toen waren ze aan ’t praten geraakt, en dat konden de jongens +evengoed als Frits. + +„Hij zal Maandag toch zoo’n leuken dag hebben, mijnheer,” zei de +grootste, op zijn mager kameraadje wijzend. „Zijn vader is dan vijf en +twintig jaar letterzetter in de Wagenstraat, U weet wel, aan de +Haagsche Courant? En nou krijgt hij een gouden horloge van de heeren +en... wat nog meer, Daan?” + +„Vijf en twintig gulden van ’t personeel,” vertelde Daan trots; „en dan +gane we een auto-tocht maken naar Rotterdam en ik mag ook mee.” + +„Sapperloot, dat is niet voor de poes,” zei Frits. + +„Nee, hè mijnheer?.... ’t Wou, dat ik mijn vriend Hein hier, mee mocht +nemen,” vervolgde Daan, „maar zoo iets kan je natuurlijk niet vragen.” + +„’k Gun ’t je best,” nam Hein weer ’t woord. „Hij moet toch zoo veel +missen, mijnheer, want hij heeft twee maanden geleden zijn moeder +verloren, en ik heb de mijne nog.” + +En toen Daan weer: „Ja, als je moeder dood is, heb je niet veel meer... +Mijn groote zus doet nou ’t huishouden, die moest er voor uit een +besten dienst kommen, waar ze al acht jaar was. Ik ben de jongste, ziet +U, van bij ons thuis. Mijn zus is de oudste, die wordt al zes en +twintig, maar ik zeg maar: een zuster is toch geen moeder, bij lange +niet.” + +„En ik heb mijn moeder nog,” vertelde Hein nog eens, „en zoo’n goeie +moeder!” + +De oogen van den jongen blonken, en Frits vond hem hoe langer hoe +aardiger. + +„Wat is jouw vader, Hein?” vroeg hij. + +„Loodgieter, mijnheer, en daarom wil ik dat naderhand ook worden.” + +„En ik word chauffeur,” viel Daan in, „zoo leuk, dan zie je nog eens +wat van de wereld.” + +„Hij kan toch zoo fijn teekenen, die Daan,” deelde Hein mee, alsof deze +kunst voor ’t chauffeur worden bepaald noodig was. „Ik houd veel meer +van lezen.” + +„Ik ook,” zei Frits, „jullie hebt nou in de vacantie zeker leuk veel +tijd om te lezen.” + +„Tijd wel,” gaf Hein toe, „maar boeken niet. We magge één boek in de +week uit de schoolbibliotheek, dat heb ik dikwijls in één dag al uit.” + +„Weet je wat je doet,” had Frits toen gezegd, „komt morgen tegen half +drie met je beiden: Groot Hertoginnelaan 42, dan zal ik wat leuke +boeken voor jullie klaarleggen, goed?” + +„Alsjeblieft mijnheer, erg graag mijnheer,” en de jongens hadden +beleefd de pet afgenomen, toen Frits opstond en er met Waldi van door +ging. + +Iedereen had met plezier naar Frits geluisterd, en Nel verklaarde: „’t +Lijken mij aardige jongens, Frits, en daarom zal ik ook wat aardigs +verzinnen, als ze morgen komen. Hoe laat zei je ook weer?” + +„Tegen half drie, en reken maar, dat ze op tijd zullen wezen.” + +’t Was den volgenden middag ’t zelfde prachtige weer, als reeds dagen +achtereen in deze Augustusmaand. Onder den bruinen beuk stond een +keurig gedekt tafeltje met de witte tuinstoelen er gezellig omheen +geschikt. De frambozen- en citroen-limonade glinsterde als robijn en +goud in de karaffen, en een groote schaal met pitmoppen stond +verleidelijk in ’t midden. + +Precies half drie schelden Daan en Hein. Frits deed ze open en bracht +ze naar den tuin. + +De jongens zagen er netjes uit in lichte blouses, en korte zwarte +broeken. + +Nel trad hen dadelijk tegemoet. + +„Wel jongens,” zei ze, „daar doen jullie goed aan, de beloofde boeken +te komen halen; mijn broer heeft ze al voor jullie klaar gelegd.” + +Met de petten in de hand stonden de jongens voor Nel. Ze hadden allebei +prettige jongensgezichten en iets vrijmoedigs, dat toch volstrekt niet +vrijpostig was. + +„Gaat zitten; Hein en Daan, niet?” verzocht Nel. „Jullie lust zeker wel +een glaasje limonade?” + +De jongens kregen stoelen tusschen Nel en Frits in. Ze draaiden een +beetje verlegen met hun petten, doch Frits wist ze al gauw op hun gemak +te zetten. + +„Dat zijn niet allemaal zusjes van me,” vertelde hij, naar de kleine +meisjes knikkend. „Alleen die blonde met haar blauwe oogen,” en hij +wees op Lientien. + +„En ik hoor hier ook,” lichtte Puck toe, met haar neus in den wind, +„die twee zijn maar logéetjes.” + +„Ja,” zei Wimpie, „en we blijven nog tot overmorgen; jammer! dan is de +koek al weer op.” + +Hein en Daan waren niet zoo praatgraag als tegen Frits den vorigen dag. + +„Dat durfden ze zeker niet met al die meisjes,” beweerde Puck later. + +Nel schonk limonade en presenteerde pitmoppen. Ze zag met pleizier, dat +de jongens nette, bescheiden manieren hadden. + +Toen haalde Frits zijn boeken en liep met Hein en Daan den tuin rond. + +„Je moogt de boeken op je gemak lezen, en als je ze prompt terug +brengt, kan je weer een paar nieuwe krijgen,” beloofde hij. + +„Maar als jullie er slordig op geweest bent, met vlekken of scheuren, +dan kunnen jullie ophoepelen, en leen ik je nooit meer wat.” + +„U hoeft niet bang te zijn,” verzekerde Hein. „Als je van boeken houdt, +ben je er van zelf netjes op.” + +Dankbaar en voldaan namen Hein en Daan nu afscheid, en lieten den +indruk achter van een paar leuke, aardige, jongens. + + + +’s Avonds vond Lientien onder haar hoofdkussen een zakje met pitmoppen +met reuzepitten er op, en op een bijgevoegd papiertje stond: „Van Puck, +omdat je mij je lekkere „reep” hebt gegeven. ’k Heb de grootste +pitmoppen uitgezocht, en allemaal voor jou bewaard. Dag, of liever: +goeie nacht.” + +Dat was heusch aardig van Puck, dacht Lientien, want ze hield verbazend +veel van pitmoppen en had er geen één voor zich zelf gehouden. Lientien +vertelde ’t nog even aan Francine, die bij haar mocht slapen dien +nacht, en van al de kinderen altijd ’t meest op tante Puck had aan te +merken. + + + +Dien heelen daarop volgenden winter kwamen Hein of Daan elke veertien +dagen hun boeken ruilen, en raakten niet uitgepraat over ’t plezier, +waarmee zij ze gelezen hadden. + +Toen gingen Heins ouders naar Rotterdam wonen, en Daan kwam van school, +en moest een ambacht gaan leeren. + +Van lezen zou dus vooreerst wel niet veel inkomen. + +Bij de laatste boeken was een net geschreven bedankbrief en bovendien +een portretlijstje, dat Hein, in zijn vrije uurtjes, keurig had +uitgesneden. + +Frits zette er Nels portret in, en bewaarde het jaren en jaren lang. + + + + + + + + +X „SCHATTEBOUTJES”. + + +Mevrouw Canneheuvel had Bet, de keukenmeid, voor geen geld willen +missen, want ze was niet alleen een uitstekende dienstbode, doch ook +even eerlijk als betrouwbaar, en met de jaren geheel één met het gezin +geworden. + +’t Viel echter niet te ontkennen, dat Bet veel met haar humeur had te +stellen, en heel moeilijke dagen had, waarop ze eigenlijk alleen van +Lientien wat kon verdragen.—Maar Bet was nu al maanden achtereen in een +opgewekte stemming, want haar moeder had ’t heerlijk nieuws geschreven, +dat ze van plan was, om in Den Haag te komen wonen. ’t Werd haar in +Franeker te stil, nu haar jongste dochter ook getrouwd was, en zich in +Amsterdam had gevestigd. + +De getrouwde kinderen hadden man of vrouw, doch Bet en zij hadden nu +alleen nog maar elkaar, en daarom wilde moeder in dezelfde stad komen +wonen, waar haar Bet was. + +Bet huilde bijna van blijdschap, en vertrouwde Lientien toe, dat ze dan +toch zoo „miserabel” in haar schik was. (Iedereen heeft een stopwoord, +en dat van Bet was „miserabel”, of ’t paste of niet.) „Ben jij nooit +„geangiseerd” geweest, Bet?” vroeg Lientien. „Ja, kind,” en Bet zuchtte +zwaar, „maar hij is jong gestorven, hij was te goed voor deze wereld.” + +„Arme, lieve Bet!” troostte Lientien hartelijk. + +„’t Is al lang geleden,” vervolgde Bet, „en een mensch komt met den +tijd over zijn verdriet heen, maar ik heb toch nooit een ander +gewild.—En nou komt mijn moeder hier, en dat is compleet een engel van +een mensch, die zal me veel vergoeden. + +„’k Heb al een étage op ’t oog voor moeder, want ze kan ’t best doen. +Ze heeft der pensioentje, en nog geld van der eigens, van grootvader +georven. + +„Als me moeder op orde is, Lientien, mag je met me mee, want moeder +verlangt er naar om je te zien. ’k Heb der zoo vaak over je +geschreven.” + +„Vreeselijk graag, Bet, op een Zondag hè, want de vacantie is nou al +gauw uit.” + + + +’t Was voor Annie en Wimpie dus ook weer tijd naar Utrecht terug te +gaan. Juf kwam ze halen, en bracht de boodschap mee van mevrouw, dat +Lientien den volgenden zomer bij Wimpie en Annie moest komen, en dat +dit voor vast moest worden afgesproken. Puck werd niet uitgenoodigd, +doch ’t meisje bleef daar zeer kalm onder. Zij, Puck, had een veel +deftiger invitatie. De chauffeur van Mevrouw van Bergen had een briefje +gebracht, of zij lust had den volgenden dag mee te gaan op een +autotochtje naar Haarlem en omstreken, ’s morgens vroeg uit, en ’s +avonds vóór negenen weer thuis. + +Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet +kon hebben. Maar Lientien was er ook nog. + +Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop +Lientien, als een klein kindje, tegen haar aan. + +„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden, +als ’t mocht.” + +„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo +graag naar Haarlem, om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen, +en als jij dan meeging....” + +„Dat kan in geen geval, lieverd.” + +„Neen hè?” zuchtte Lientien. + +„Maar we konden Frits vragen, of hij....” + +„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te +halen. + +Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde. + +Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was. + +„Wil je wel, Frits?” vroeg ze. + +„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die gekke prul van een +Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me nog al +bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij, +die gilt en jankt de halve wereld bij elkaar.” + +„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om +beurten met haar heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend. + +„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar +moeder wil ’t ook doen, heel uit Franeker... + +„Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we +met ons drietjes in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook. +Grootma schreef laatst, dat ze Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou, +en daarom, zie je....” + +„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar +Haarlem, en wij gaan per trein, derde klasse, hè prul?” + +’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een +bezoek van stouten Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te +vallen, want ’s avonds kwam er bericht uit Haarlem, dat Lientien, Frits +en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel ’t goed vond. + +Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best +amuseerde op ’t onverwacht opgekomen uitstapje. + +Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een +courantenhanger voor in de zitkamer) en nog blijer met de verrassing, +die de onverwachte komst van de kleinkinderen haar bereidde. Of +Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht had! Waldi gedroeg +zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder +uitbundige luidruchtigheid. + +In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes +opgesmikkeld. De medepassagiers hadden hem zeer bewonderd en +aangehaald. + +’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed, +en hield zich den heelen nacht muisstil. + +Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder +lieve, welopgevoede hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem +had gehad, en blij was, dat zij hem kende. Ze zou nu nog met grooter +plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t taksje vertelde.— + +Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij +verwachtte. + +Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en +Ellen bepaald onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een +meisje, met wie ze kennis hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij +hen op school zou komen. „Een erg voornaam kind, haar vader is baron,” +had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk +een vriendin van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien +jaar!” Terwijl Ellen dit zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net +of ze wilde zeggen: „Als we Leonore tot vriendin hebben, kan jij +ophoepelen.” + +Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch +zéér. + +’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook +volop genoten van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal, +waar Mevrouw de auto voor restauratie of hotel liet stilhouden, had +Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit- en instapte, terwijl de +buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer achter +haar dichtklepte. Maar toch.... + +Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle +woonde, en toen ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht +haar te waarschuwen, als ze langs „den Hout” reden. + +Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit +Lientien’s beschrijving het groote statige huis herkende. + +Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits +hoorde, veel meer dan in de auto naast haar nuffige, onaardige +vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt en op ’t huis toegeloopen, +maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht. + +Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en +eigen broers en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante +heel in Zwolle, die nooit naar haar omkeken, en dus net zoo goed +vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna in Voorburg.... + +O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat +zijn.... + + + +Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en +zouden al heel gauw thuis zijn.... + +„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck +bij ’t afscheid nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet +zoo heel veel plezier gehad had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je +Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie weer profiteeren,” nam +ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.” + +Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek. + +„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma +mij meevraagt.” + +’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na +drie dagen thuis zou komen. + +Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en +nam haar mee naar de bioscoop. + +’s Avonds mocht Puck een uur langer opblijven en Tante Sjarlotje en Nel +voorlezen. + +En Puck las zoo prettig voor, zei tante, dat ze er niet bij in slaap +kon vallen. (Maar misschien kwam dat ook wel, omdat tante pas een +stevig dutje beet had.) + +Woensdag kwamen Frits, Lientien en Waldi thuis; en ’t was weer druk en +gezellig. + +Puck had nooit gedacht, dat ze die drie zoo verschrikkelijk zou gemist +hebben, vooral Lientien. + + + +„Hoor eens, Lienepien,” zei Bet een paar dagen later, „mijn moeder is +nou netjes op orde, en, als je wil, mag je Zondagmiddag met me mee haar +opzoeken.” + +Bet had moeder zoo veel verteld van Lientien, dat deze er naar +verlangde, dat lieve schatteboutje te zien. + +„Erg graag Bet; mag Puck ook?” + +„Wel nee,” sprak Bet kortaf. „Puck is niet gevraagd, en die gaat er +bovendien weer met de „voornamigheid” op uit in de auto.” + +Ja, dat was wààr. Lientien had ’t schoon vergeten. + +’s Zondagsmiddags was ze om half drie klaar, volgens afspraak, en +stapte vergenoegd met Bet naar de Obrechtstraat, waar moeder op een +étage woonde. + +Wat een aardige, oude vrouw was die moeder van Bet! Zij droeg de +Friesche kap met een blinkend gouden oorijzer; dat was nog wat anders +dan Geertjes hoofdversiersel. ’t Zag er maar wàt keurig uit bij moeder. +Lientien moest overal rondkijken. In ’t aardige slaapkabinetje vóór aan +straat, in ’t kraakzindelijk keukentje, waar alles wat er hing en stond +je tegenblonk, zoodat je er voor je plezier naar keek. Daar tegenover +was de zitkamer, waar ’t mooie ouderwetsche kabinet stond, dat als een +spiegel glom. Ja, Bet had haar netheid en zindelijkheid van niemand +vreemd. In de keuken lag Bobbie, een groote lobbes van een hond, (die +veel op een setter leek, maar ook wel wat van een buldog had), in een +reuzenmand, die maar net onder de keukentafel kon staan. + +Moeder vertelde allerlei aardige dingen van hem. Je moest hem alleen +niet willen voeren. Want hij dacht altijd, als iemand de hand bij zijn +bek hield, dat hem een kluifje of een andere lekkernij werd +gepresenteerd, en hapte dan onbesuisd toe. Bobbie was een goede +waakhond, doch had nooit aan een ketting gelegen. Dat was een naar +leven voor zoo’n arm beest, vond moeder. + +„Is Bobbie op reis zoet geweest?” informeerde Lientien. + +„Als een lam,” prees moeder, „en gehoorzaam is hij ook. Bob mag niet in +de mooie kamer, hé Bob, en blijft dus zoet hier in zijn mand.”—Bobbie +kwispelde met zijn stompstaartje, en volgde ’t vrouwtje alleen met zijn +oogen. Ja, hij was een hond met goede manieren. + +De zitkamer vond Lientien dan al bizonder gezellig met ’t vuurrood +kleedje op de tafel, waartegen ’t nikkelen theeservies zoo mooi +uitkwam, terwijl ’t theelichtje, onder den theepot, ’t geheel nog +knusser maakte. Moeder haalde een trommeltje met koekjes uit de kast, +en zette dat met een schotel Friesche drabbelkoek op tafel. De +jongejuffrouw moest maar flink toetasten. + +„Zeg U toch Lientien,” verzocht de „jongejuffrouw”, „net als Bet, en +dan zeg ik tegen U.... Betjesmoe.” + +Schatteboutje stal moeders hart voor de zooveelste maal. + +Bet zat maar goedmoedig te luisteren naar ’t druk gebabbel van Lientien +en moeder, die ’t samen wat best konden vinden; maar dat had ze dan ook +wel gedacht. Moeder hield dol van kinderen, en Lientien was nog zoo +echt en heelemaal een kind, in ’t geheel niet pedant of aanstellerig, +zooals Puck b.v. Die had zich heel deftig „jongejuffrouw” laten noemen, +reken maar. + +Doch zelfs Bet zou nu wel een beetje meelij met Puck hebben gevoeld, +als ze had kunnen zien, hoe zielig dat juffertje haar ongeduld zat te +verbijten. Want ’t werd drie uur, half vier, en wat er verscheen: geen +auto. + +Er was wel geen nader bericht van mevrouw van Bergen gekomen, maar +mevrouw had haar toch zelf gevraagd, en bij ’t afscheidnemen nog +gezegd: „Nou, tot Zondag dan.” Zouden ze haar vergeten hebben, of....? + +Puck zag weer den waarschuwenden por van Ellen aan haar moeder.—Om vier +uur gaf Puck de hoop op. Nou goed, dan moesten die spoken van een Ellen +en Grace maar weg blijven! Ze wachtte niet langer. Als ze nog kwamen +moest Kee zeggen, dat de jongejuffrouw al lang was uit gegaan. + +Puck vroeg aan Nel, of ze Lientien mocht gaan halen. De Obrechtstraat +was zoo vlak bij; zij zou heusch niet verdwalen. Nel vond ’t dadelijk +goed. „Ja, ga maar Puck.” Nel had er mee te doen, dat ’t kind aldoor +voor niets had zitten wachten. + +Lientien zat met een kleurtje van opwinding allerlei verhalen te doen +over school en Waldi en haar poppen, toen er hard gescheld werd. + +„O,” zei moeder, „dat is Juffrouw Maas zeker, ik zal wel opentrekken, +Bet....” + +„Dag juffrouw. Juffrouw, is Lientien hier?” klonk een stem naar boven. + +(„O Bet, daar is Puck,” riep Lientien blij, „hoe leuk, dat ze komt”.) + +„Jawel jongejuffrouw, komt u boven,” noodde Bets moeder vriendelijk. + +Puck rende de trap op, en werd door moeder de kamer binnengeleid. +Lientien was wel wat verrast, toen Puck op haar toevloog en haar +omhelsde met een zoen. + +Maar Lientien keek haar dan ook zoo vroolijk en vriendelijk aan, alsof +ze blij was, dat ze haar zag, dacht Puck, die dit dubbel goed deed, +nadat Ellen en Grace haar zoo teleurgesteld en leelijk behandeld +hadden. Daarom moest ze Lientien even pakken. + +Toen vroeg ze een beetje benepen aan Bet: „Mag ik wel even blijven, +Bet?” + +„Dat spreekt toch van zelf, Puck,” zei Bet, „ga maar zitten, er bennen +nog koekjes genoeg.... Maar we dachten, dat je er met de auto op uit +zou gaan....” + +Puck beet zich op de lippen. „Ze zijn me niet komen halen, misschien +wat tusschenbeide gekomen,” mompelde zij, en begon toen vlug over wat +anders. + +„Wat is ’t hier leuk en gezellig.... Juffrouw, u woont hier echt, +hoor!” + +Als ze wou, kon die Puck ook wel haar beste beentje voorzetten, en dit +deed ze nu. ’t Meisje was op haar liefst, en pakte „moeder” heelemaal +in. Ze toonde voor en in alles minstens even groote belangstelling als +Lientien, en haar babbelmondje stond ook geen oogenblik stil. + +De oude vrouw moest van alles laten kijken en voor den dag halen, +terwijl de kleine meisjes om ’t zeerst bewonderden, en overal de +geschiedenis van wilden weten. + +Toen moeder met ’t portret van haar lievelingszoon aankwam, die +korporaal was in Indië, vleide Puck: „Hij lijkt precies op u; met uw +kap op zou hij sprekend zijn moeder zijn.” Wat moest „Betjesmoe” daar +om lachen, en Bet niet minder. Want de korporaal had een fameuze snor +en zeer ruige wenkbrauwen. Verbeeld je die eens onder een Friesche kap +uit! ’t Gaf een pret van belang! Toen liet moeder al ’t moois zien, dat +haar zoon haar in den loop der jaren uit Indië had toegezonden: +sierdingetjes in rood koraal, om hier of daar neer te zetten, een +mandje, van kruidnagelen gemaakt, een Indisch bedehuisje, fijnbesneden, +en allerlei grappige poppetjes van speksteen en andere steen. + +Lientien herinnerde zich niet veel meer van Indië dan tante Letje en +Tidjem, maar Puck wist nog heel wat van haar geboorteland te vertellen, +en Bets moeder zat met ’t grootste genoegen naar die verhalen te +luisteren. Lientien dacht af en toe een beetje weifelend: „Of Puck nou +niet wat overdrijft? Zou dat wel allemaal wáár wezen....?” + +Eindelijk zei Bet, dat ’t nu heusch tijd werd om naar huis te gaan en, +terwijl Lientien hartelijk bedankte voor den prettigen middag, deed +Puck dit niet minder beleefd en aardig; ze had echt plezier gehad, veel +meer dan op ’t autotochtje van laatst. En dit maakte zij zich niet maar +zoo wijs, want, al wilde Puck graag de hoogte in, al had ze een te +grooten dunk van alles wat rijk en voornaam is, in haar hart voerde die +neiging steeds strijd met haar beter ik. Ze maakte niet voor niets, nu +sinds jaren al, deel uit van een gezin, waar natuurlijkheid en eenvoud +den grondtoon vormden, en de lessen, in woord en voorbeeld, van de +familie Canneheuvel, waren ook aan Puckie niet geheel voorbij gegaan. + +Op ’t portaal liep moeder nog even weer naar binnen, om wat te halen, +en stopte de meisjes ieder een aardig Chineesch afgodsbeeldje in de +hand (een grappig steenen poppetje in zittende houding, met een lange +zwarte vlecht, en verbazend veel denkrimpeltjes op zijn verstard +gezicht.) + +Betjesmoe kreeg er een zoen voor, ook van Puck. Dit laatste zag Bet met +de allergrootste verbazing. + +Maar moeder fluisterde Bet toe, terwijl de meisjes de trap afliepen: +„Je hebt gezegd, dat Lientien een schatteboutje was en de andere +heelemaal niet?.... ik vind ze allebei schatteboutjes hoor! Als ze +willen, breng ze dan maar gerust weer eens mee....” + +Bet zei niet veel, doch dacht des te meer, en bleef Puck een bijdehand +nest vinden. Geen vergelijk met Lienepien, die dot! + +Een poos later, toen Bet weer eens op Puck bromde, durfde dat +brutaaltje zoowaar zeggen: „Je lijkt zeker op je vader, Bet, want je +moeder is een engel.” + +„Wil je er een om je ooren?” presenteerde Bet, met opgeheven hand. + +Maar naderhand zei ze tegen Lientien: + +„Ja, mijn vader was een „kortaffe”, net als ik, maar mijn moeder, die +hield den vrede.” + + + + + + + + +XI JAN WEER THUIS. + + +Vader en moeder waren nu ook weer thuis gekomen, en hadden Jan +meegebracht. + +Dat was me een baas geworden, die Jan! Zoo groot en breed, met zoo’n +heldere, vroolijke stem en drukke bewegelijkheid, dat hij ’t heele huis +vulde. Voor iedereen had hij wat meegebracht, en zelfs Geertje niet +vergeten. „Wat allemachies aardig is van dien jongen mijnheer met zijn +lange beenen,” zei Geertje, „want kennen doet hij mij geen eens.” Ze +was dan ook verbazend in haar schik met haar cadeau: een hertje van +gepolijst metaal, dat er „echt” uitzag met zijn zware horens en mooie +dunne pootjes. Het pronkte midden op haar tafeltje, en ’t hertebeest +kreeg ’s Zaterdags ook een beurt van wat blief je! ’t Werd gepoetst en +opgewreven tot ’t blonk als zilver. + +Jan zou nu over acht weken naar Indië vertrekken om te Soerabaia op +vaders kantoor werkzaam te zijn. In die twee maanden moesten Mamp en +Nel voor zijn uitzet zorgen, terwijl hij zelf ook nog heel wat te +koopen en te beredderen had. Telkens bracht Jan wat mee uit de stad, +bloemen voor Mamp, een lekker sigaartje voor vader, fijne odeur voor +Nel, snoepgoed voor de meisjes, en voor tante Sjarlotje +patiencekaartjes. Jan had er voor tante ook een boekje bij gekocht, +daar stonden wel honderd verschillende patiencespelletjes in. + +Tante Sjarlotje raakte al gauw verzot op patiencespelen en.... Lientien +ook. Die was er bizonder vlug en wijs mee. Als tante een nieuw spel +wilde leeren en uit de verklaring niet wijs kon worden, begreep +Lientien deze in een oogenblik en leerde haar tante Sjarlotje, die ze, +op deze manier, vlug begreep. Wat hadden tante en Lienepien een pret +over de namen van de patiencespelletjes. + +De moeilijke „Pad”, de „Zevenslapers” en de „Tweelingen” wilden van de +tien keer negen maal niet uitkomen, maar de „Beeldengalerij” en de +„schuchtere Louise” waren flauw gemakkelijk. Elken avond, vóór ’t naar +bed gaan, speelde tante een uurtje, en daar sliep ze dubbel lekker op. + +’t Werd een gezellige tijd met Jan thuis. Zelden of nooit ging hij +alleen uit. „Ik zal mijn heerlijk thuisje nu al gauw jaren lang moeten +missen,” zei Jan, „en wil er dus nog zooveel mogelijk van profiteeren.” +De jongen was bijna altijd naast Mamp te vinden, die hij „Mader” +noemde. Dit was zijn lievelingsnaam voor zijn tweede moeder, die hij +even liefhad, alsof zij zijn eigen was geweest. + +Als hij op de bank naast haar zat, stak hij vertrouwelijk zijn arm door +den haren. + +„Nou niet naaien, Mader, maar gezellig babbelen.” + +„Domme jongen, hoe komen je zakdoeken dan klaar?” + +„Die wil Puckie wel voor mij naaien,” plaagde Jan, met een knipoogje +naar deze jongejuffrouw. Hij wist wel, dat ze een broertje dood had aan +naaien. + +„’k Ben zoo graag voor je bezig, Jan,” zei mama, „als je je goed +gebruikt daarginds, denk je nog eens extra aan me.” + +„Of ik dat niet altijd zal doen, goeie, trouwe Mader mijn,” sprak Jan +zacht. „Ik zal u wel erg missen en vader en Nel en lieve Lienepoes.... +Maar als ’t te erg dreigt te worden, zeg ik, net als vroeger: „den kop +er tegen in, Jaromir.” + +„Juist Jan, en we hebben toch onze brieven over en weer, en ik heb nu +zooveel tijd om aan jullie te schrijven. Van Dolf en Lous krijg ik +voortdurend prijsjes.” + +„En u schrijft zulke heerlijke, en heerlijk lange brieven,” betuigde +Jan dankbaar. „Zorg dus Mader, dat ik u ook prijsjes geven kan.... Ons +eigenlijk huis blijft toch altijd hier,” vervolgde Jan na eenige +oogenblikken, „de duiventil, waar de kinderen steeds in en uit blijven +vliegen, of liever ’t nestje, dat u pas zacht en warm voor ons gemaakt +heeft. Ik kom vast om de drie of vier jaar weer eens kijken; ’t is zoo +goed als zeker, dat Lous en Dolf over een jaar of wat over komen +wippen. U zal zien: tot in uw en vaders stokouderdom zal u van de +kinderen Canneheuvel om u heen hebben.” + +„Vader en ik hopen en wenschen niets liever, m’n jongen,” zei mama +bewogen.— + +Puck, die altijd met Frits kibbelde, zag tegen Jan op. Ze vond hem een +echte „mijnheer”, en durfde geen bijdehante antwoorden geven, als hij +haar plaagde. + +Puckie voelde niets voor ’t patiencespelen van tante Sjarlotje en +Lientien, maar ze werd steeds „doller” op lezen. Lientien geloofde, dat +ze van de heele school boeken leende, want altijd had ze weer nieuwe. + +„Tante Puck heeft de leeskoorts,” klaagde Lientien tegen haar eenig +zoontje. „Ze is niks gezellig; wil nooit meer babbelen, maar zit eeuwig +met haar neus in de boeken.” + +„Trek je er niks van an, moeder,” troostte kleine Koo, „dat luwt wel, +want lezen is vreeselijk vervelend op den duur.” + +„Wat een ezel is die kleine Koo toch!” merkte tante Puck op, „zijn +verstand is even klein als hij zelf is.” Daar kleine Koo, sinds zijn +geboorte, nog geen sikkepitje gegroeid was, moest ’t arme wicht zijn +mond wel houden. + +Mevrouw Canneheuvel zei er maar niet veel van, dat Puck voortdurend +las, zoolang haar schoolwerk er niet onder leed. Ze vermeed alles, wat +den vrede zou kunnen verstoren, den laatsten tijd, dat Jan nog thuis +was. + +Maar Jan had in zijn goedhartigheid bedacht Puckie eens aardig te +verrassen. Hij nam haar mee naar zolder, en gaf haar een kist vol +boeken cadeau, die hij van kleinen jongen af aan bewaard had. De meeste +bevatten avontuurlijke verhalen, zooals jongens die gaarne lezen. Doch +er waren ook mooie boeken bij over dieren en zoo, die Dolf indertijd +aan Jan vereerd had. + +Puck stond sprakeloos van vreugde over zulk een schat, en wist niet, +hoe ze Jan zou bedanken. Overblij met dit prachtige cadeau, hief zij +zich op haar teenen en gaf Jan een flinken klapzoen op zijn bruine +wang. „Ze is toch wel een hartelijk kind,” dacht Jan. + +Goeiige Lientien hielp Puck den boekenschat naar beneden dragen, en nu +voelde Puck zich net zoo rijk als een veldmuis of een hamster, die voor +den heelen winter voorraad in zijn hol heeft gesleept. + +Jammer, dat oom voortdurend een oogje hield op ’t huiswerk, moeilijke +lessen overhoorde en de sommen nakeek. + +Puck moest er haar dierbaar lezen dus dikwijls aan geven, want, was ’t +werk niet in orde, dan moest ’t overgeleerd en overgemaakt worden, daar +hielp geen lieve moederen aan. + +’t Beviel Puck dit keer heelemaal niet op school. Grace en Ellen gingen +heelemaal op in de barones en lieten Puck links liggen. + +Het baronesje was een stil, zacht meisje met groote oogen, die altijd +staarden. (Lientien vond, dat ze sprekend leek op haar oudste kind +Francine, de oogen ten minste.) Men kon haar alles behalve vlug noemen, +want ze kende nooit haar lessen, en gaf dikwijls zulke domme +antwoorden, dat de andere kinderen er om lachten. + +Maar dan werd de juffrouw boos, en knorde. Al gauw begrepen de meisjes, +dat ze meelij moesten hebben met Leonore, in plaats van haar uit te +lachen. Ze was zwaar ziek geweest, en kon nu niet zoo goed meer leeren +als andere meisjes van haar leeftijd. Mettertijd zou ’t wel terecht +komen, had de dokter gezegd, en ’t was ’t beste, als zij +klasse-onderwijs kreeg, en veel met meisjes van haar jaren in +gezelschap was. + +Nu werd Leonore niet meer uitgelachen, doch, de goedhartige meisjes +niet te na gesproken, die zich uit meelij met haar bemoeiden, lieten de +klasgenootjes haar vrijwel links liggen. Behalve Ellen en Grace, die +zich bepaald aan Leonore opdrongen. + +’t Stak Puck, dat zij dat deden, en ze begreep ook niet best, hoe ze +haar bij dit meisje achterstelden. Want Puck gooide zich zelf alles +behalve weg, en wat had je nou in vredesnaam aan dat suffe wurm, al kon +ze ’t niet helpen, dat ze ’t was. + +Op een keer zei Puck ’t ronduit heel boos en driftig tegen Ellen. „Dat +jullie niet meer vriendin met me wilt zijn, kan me geen zier schelen, +maar dat je dat onnoozele schaap van een Leonore nou zoo achterna +loopt, dat vind ik bespottelijk.” + +„Zoo!... vind je dat? smaalde Ellen. „Ze is in elk geval veel meer dan +jij, want ze is een barones.” + +„Zeg, ben je van Lotje getikt?” onderzocht Puck. „Die Leonore is geen +steek meer dan jij of ik, omdat haar vader bij toeval baron is....” + +„Kind, hoe verzin je ’t? We moeten meelij met haar hebben, zegt de +juffrouw, en dat is waar, maar jij lijkt wel mal....” + +„Je hoeft niet te denken, dat je ooit meer in onze auto mee mag,” +schreeuwde Ellen. + +„’k Zou niet eens willen,” gilde Puck weerom. „Jij en Grace stikken van +verwaandheid. Hoepel op met je beiden, ik wil niet eens meer vriendin +zijn met zulke bespottelijke mallooten.” + +„Dat komt goed uit,” hoonde Ellen, „want...” + +De rest hoorde Puck niet, want ze rende weg, nadat ze haar gewezen +vriendin eerst nog een flinken stomp had toebedeeld. + +Ziezoo, met de Grace- en Ellen-vriendschap was ’t dus voorgoed uit. Ze +lieten Puck loopen, toen ze een voornamere vriendin konden krijgen, net +precies als Frits voorspeld had. + +Maar juist daarom vertelde Puck er thuis aan niemand van, behalve aan +Lientien, die toch al zoo iets gemerkt had. Lientien had haar beloofd +te zwijgen, en op Lientien kon je aan. + +Puck sloot nu nog inniger vriendschap met haar kostelijke boeken. Dat +waren ten minste vrienden, die je nooit in den steek lieten. + +’t Was de laatste weken aldoor prachtig herfstweer, eigenlijk veel te +warm voor den tijd van ’t jaar. De juffrouw zag ’t een beetje door de +vingers, als er eens minder goed werd opgelet, en ook ’t werk beter had +kunnen zijn. Zij had ’t de meisjes gaarne gegund nu buiten te wezen in +plaats van in de warme school. + +Maar toch moest ze wel eens knorren, en ook Puck kreeg nog al eens te +hooren: „Meisje, waar zijn je gedachten? Let toch wat beter op.” + +Puck verlangde al maar dat de school uit was, en ze ’t boeiend verhaal +zou kunnen vervolgen, waarbij aldoor haar gedachten waren in plaats van +bij haar sommen, of de aardrijkskundige les. + + + +Lientien moest met zwaar gevatte kou thuis blijven. + +Niemand begreep, hoe ’t mogelijk was, met ’t warme weer, maar arme +Lienepien had ’t dan toch zoo verbazend te pakken, dat mampie haar in +bed stopte. Lientiens neusje zag rood van ’t snuiten, en ze bleef maar +hoesten, in weerwil van al de ulevellen en boterbrokken, die haar van +alle kanten werden toegestopt. + +„Je moet Lientien nu liever niet zoenen, Puck,” waarschuwde tante, +„anders krijg je ’t ook beet, en zou je de school moeten verzuimen, net +als Lientien.” + +Deze argeloos gesproken woorden brachten ondeugende Puck op een onzalig +denkbeeld. + +„Waarom zou zij ook niet ziek kunnen worden, net als Lientien, en een +dag of wat heerlijk vacantie nemen om.... volop te lezen?” + +Diep in de Boschjes waren zulke stille plekjes tusschen ’t groen, waar +nooit iemand kwam, of je stoorde... + +Dien middag op school gaf Puck al een begin van uitvoering aan haar +plan. Telkens moest ze verdacht hoesten en haar zakdoek gebruiken. Toen +de juffrouw vroeg, wat of ze toch had, jokte Puck, dat ze zich niets +prettig voelde; zoo zwaar in ’t hoofd en zoo suf, net of ze zwaar +verkouden zou worden. En dat zou geen wonder zijn, omdat Lientien al +een paar dagen te bed lag, ziek van verkoudheid. + +Toen de school uit was, ging Puck naar de juffrouw toe. „Juffrouw, als +ik er morgen niet ben, dan weet u wel waarom; ik voel mij niks goed.” +En Puck huiverde, verbazend natuurlijk. + +„Best kind. Beterschap hoor!” zei de juffrouw, wie ’t geen oogenblik in +’t hoofd opkwam, dat Puckie comedie speelde. + + + + + + + + +XII PUCK SPIJBELT. + + +Den volgenden morgen stapte Puck op den gewonen tijd naar school. Doch, +in haar tasch, verstopt tusschen boeken en schriften, had zij „De Witte +Bison” meegenomen. + +Zij ging de school voorbij (door een evenwijdig loopende straat), de +Laan van Meerdervoort door, den Scheveningschen weg op, en zoo de +„Boschjes” in. Haar hart klopte als een hamer. + +„Schaam je wat, schaam je wat,” verweet „Meester”. „Je bent een slecht, +bedriegelijk kind.” Maar Puck wilde niet luisteren; ze stapte steeds +vlugger door, vond ’t verrukkelijk plekje, dat zij zocht, en vergat ’t +tikkertje van binnen al heel spoedig, terwijl ze ’t verboden genot met +volle teugen smaakte. + +Den volgenden dag wilde ze in ’t geheel niet meer naar „Meester” +luisteren, en toen ze thuis kwam, hoorde ze bepaald met spijt, dat +Lientien Donderdag weer naar school mocht. Dan durfde ze ook niet +langer. Dat was veel te gevaarlijk voor ’t uitkomen. + +Doch, terwijl Puck hier pas over dacht, als iets, dat onmogelijk +gebeuren kon, was dit al geschied. + +Op school heerschte n.l. ’t gebruik, dat aan de meisjes, die niet op +school kwamen, het huiswerk thuis werd gezonden. + +Een meisje, dat in de buurt woonde, nam het gewoonlijk mee. Puck had +hieraan wel gedacht, maar, nu voor Lientien ’t werk gebracht werd, +bestond er geen gevaar voor haar, meende ze, want wie zou op ’t idee +komen, dat dit voor twee in plaats van voor een was. + +Geertje was al eens verbaasd geweest, dat de boodschap bij ’t afgeven +van ’t schoolwerk de laatste twee dagen luidde: „Voor de zieke +jongejuffrouwen, en hoe ’t er mee was?” + +„Jongejuffrouwen,” herhaalde Geertje, „’t is er toch maar één? Lientien +bedoel U immers?” + +’t Meisje, dat de schriften bracht, begreep Geertje niet te best. Ze +had haast, knikte maar, en liep vlug weg. + +Doch Geertje vond de zaak niet pluis. Je kon die Puck heelemaal niet +vertrouwen, ze ging vast niet naar school, en was aan ’t spijbelen. + +Bet leek ’t geval ook erg verdacht, terwijl Geertje ’t haar op haar +zwaarwichtige manier vertelde. + +Ze wachtte Puck op, toen ze aanschelde, en vroeg haar op den man af: +„Zeg Puck, ga jij soms niet naar school? Wat voer je uit?” + +„Natuurlijk ga ik naar school, wat hoef je me dat te vragen? Gaat ’t +jou soms wat an?” onderzocht Puck, heel driftig. + +„Maar nou ga je mee naar binnen,” zei Bet, pakte Puck beet, en sleepte +’t onwillig tegenstribbelende juffertje naar de huiskamer. Daar waren +Mevrouw Canneheuvel en Jan, aan wie Bet ’t geval kort en bondig +meedeelde. + +Mama begreep er niets van, doch Jan deed dit des te beter, want als +kleine jongen had hij dien stouten streek ook wel eens uitgehaald. + +„Puckie, Muckie,” dreigde hij met den vinger, „je hebt gespijbeld, +beken ’t maar eerlijk. Jongens doen dat wel meer, maar van kleine +meisjes heb ik ’t nog nooit gehoord.” + +„Nee, ik ook niet,” sprak mevrouw Canneheuvel, „en ik kan ’t haast niet +gelooven. Kijk mij eens aan, Puck.” + +Doch Puck hield ’t hoofd gebogen en versmolt in tranen. Eindelijk +durfde ze opkijken, en daar ze wel begreep, dat alles nu toch uit moest +komen, vertelde ze onder horten en stooten de volle waarheid. + +Mevrouw Canneheuvel keek heel ernstig, en schudde moedeloos het hoofd. + +„Puckie, ik begin er heusch aan te wanhopen, of jij ooit een oprecht, +goed kind worden zult, en we doen toch zóó ons best je in ’t goede vóór +te gaan.... + +„De juffrouw en ons zóó te bedriegen! Hoe durfde je ’t te doen? En heel +alleen eenzame plekjes in de boschjes op te zoeken... Daar had je van +allerlei kunnen overkomen, Puck. Je weet niet, hoe gevaarlijk ’t is als +kind alleen rond te dwalen. Of liever, je weet ’t wèl. + +„Verbeeld je eens, dat we aldoor op je zaten te wachten.. te +wachten.... en je maar niet kwam, tot we eindelijk hoorden, dat je een +of ander vreeselijk ongeluk overkomen was.... O Puck, dan zou ik geen +gelukkig uur meer in mijn leven hebben gehad, want ik zou me zelf +altijd verweten hebben, dat ik beter op je had moeten passen.” + +Als Mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje hard had aangepakt, en +heftige verwijten gedaan, had ze ’t kind niet dieper kunnen treffen dan +door de laatste woorden. + +Wanhopig snikkend wierp Puck zich in tante’s armen en smeekte: „O +tante, tante, zeg dat toch niet. O! ik heb zoo’n spijt, dat ik zoo +slecht ben geweest. Vergeef u mij toch, en kijk u toch niet zoo +bedroefd; ik zal ’t nooit, nooit weer doen.” + +„Hoe dikwijls heb je me dat al beloofd, Puck!” zuchtte Mevrouw +Canneheuvel treurig. + +Doch ze stootte het bevende, heftig schreiende meisje toch niet terug. + +Intusschen liep Jan de kamer op en neer. + +„’t Is eigenlijk ook wel een beetje mijn schuld, Mader,” sprak hij, +zijn best doend, Puckie te verontschuldigen. „Ik had ’t kind met al die +boeken niet in verzoeking moeten brengen.” + +Maar Puckie snikte, tusschen zijn woorden. + +„Neen Jan, ’t komt alles alleen door mijn slechtheid...” + +„Luister eens Puck,” zei Tante eindelijk, „met dat lezen moet ’t +natuurlijk vooreerst uit zijn, en, daar je straf verdiend hebt, moet ik +je die ook opleggen. Morgenochtend ga je dadelijk naar de juffrouw toe, +en overhandigt haar ’t briefje, dat ik voor de juffrouw mee zal +geven... En als de juffrouw oordeelt, dat je van haar ook straf +verdient, dan is daar niets aan te doen. + +„Je moet mij dus al je boeken brengen, en je moogt vier weken lang in +’t geheel niet voor je plezier lezen. Er is natuurlijk ook geen sprake +van, dat je naar ’t partijtje bij mevrouw Reesers gaan mag. Ik zal +mevrouw een briefje schrijven om voor je te bedanken.” + +„Moet Mevrouw ook weten waarom?” vroeg Puck, met een hoogroode kleur, +en tante smeekend aanziende. + +„Neen kind,... laat dat maar aan tante over. En ga nu je gezicht +wasschen, en denk er eens ernstig over na, hoe heel verkeerd je +gehandeld hebt....” + +„Wil U mij dan vergeven, lieve tante?” + +„Eerst eens zien, hoe je je houdt. Je weet niet, Puck, hoe vreeselijk +veel verdriet je mij hebt gedaan, en hoe bitter je me teleurgesteld +hebt....” + +Met sleepende voeten ging Puck naar boven, wierp zich op haar bed, en +vertrouwde haar hoofdkussen al haar groot leed toe. + +Zóó vond Lientien haar. Ze wist ’t al van Puck, en ze begreep niet, hoe +ze ’t had durven doen. Maar Lientien kon niemand, die ze lief had, zien +huilen. En zoo legde ze haar hoofdje naast Puck’s krullebol op ’t +kussen, sloeg den arm om haar hals, en streelde Puck’s natbeschreide +wangen. + +„Huil maar zoo niet, Puck,” troostte ze. „Mampie zal je wel vergeven. +Maar hoe heb je ’t toch verzonnen! Was je niet bang, dat ’t uit zou +komen?”.... + +„Niet zoo erg Lientien.... Jij had ’t nooit kunnen doen hé?” + +„O nee hoor!” gaf Lientien gul toe. „Zoo heel alleen rond te dwalen.... +hoe griezelig! Maar ik zou ’t toch ook niet hebben willen doen om +mampie,” voegde ze er eenvoudig aan toe. + +„Jij hebt goed praten, jij hebt een eigen vader en moeder.... Had ik +die ook maar,” zuchtte Puck zielsbedroefd. + +„Maar je moet ook bedenken, dat ik lang zooveel niet van lezen houd als +jij,” kwam Lientien weer. „Dat akelige gelees ook! ’k Heb je wel +gezegd: pas er mee op.” + +„’k Mag een maand lang niet voor mijn pleizer lezen, zegt je ma, en ik +mag ook niet naar de kinderpartij van Mevrouw Reesers.... En dat +verdien ik ook,” klaagde Puck berouwvol, „want ik ben een slecht, +bedriegelijk kind.” + +Daar klonk de heldere klank van de „gong” om de familie aan tafel te +roepen. Puck durfde niet naar beneden gaan; ze had ook in ’t geheel +geen trek. Naderhand bracht Lientien haar een bordje boven met een +portie griesmeelpudding met frambozenvla. Op Jan’s voorspraak had Nel +dit voor stoute Puck op zij gezet. + + + +Puck’s euveldaad raakte al gauw op den achtergrond, omdat ’t uur van +Jans vertrek nu met reuzenschreden naderde. + +Nog één week, nog drie dagen.... nog één dag, en ’t oogenblik van +afscheidnemen was dáár. + +Vader zou zijn jongen aan boord brengen, de overige familieleden zeiden +Jan thuis „goedendag”. + +Al viel er menig traantje, Jan wist er toch de opgewektheid in te +houden. Zijn laatste omhelzing en zoen waren voor mevrouw Canneheuvel, +terwijl hij haar toefluisterde: „Houd je goed, lieve Mader; Jan moet nu +op zijn eigen beenen leeren wandelen, en als dat hem lukt, heeft hij ’t +aan u te danken. ’k Zal er mijn best voor doen, dat U met Jantje niet +minder eer zult inleggen dan met Dolf.” + + + + + + + + +XIII HET FEEST. + + +Op school heerschte, nu al weken lang, groote opgewondenheid. Want uit +alle klassen bijna waren de kinderen genoodigd voor ’t bal, dat de +familie Clifford in het „Hotel des Indes” wilde geven, ter eere van het +vijf en dertig-jarig huwelijksfeest van mijnheer en mevrouw. Jonge en +kleine Cliffordjes bij elkaar waren er wel dertig kinderen en +kleinkinderen, en allen mochten, voor deze gelegenheid, hun vrienden en +vriendinnen inviteeren. Dat zou me pas een partij worden! De Heer +Hendriks, van de dansles, zou het bal leiden, en dat was maar goed, +want ook in de balzaal moet er orde zijn, anders loopt de boel eerst +recht in het honderd. Vooral daar er zoo verbazend veel kinderen zouden +komen. „Nog meer misschien dan op de openbare dansles,” zei Puck. + +Dat juffertje had weer allemanspraats, want, na haar straf geduldig te +hebben gedragen, voelde zij zich geheel opgelucht. Mevrouw Canneheuvel +kwam nu, evenmin als vroeger, met achterna-verwijten aan, zooals Frits +dat in der tijd noemde. En, als ze ’t gestrafte kind eenmaal vergeven +had, zinspeelde ze nooit meer op de aanleiding tot de straf. + +Pucks boeken bleven onder tantes berusting, en van „verslinden” kwam +niets meer in. + +’s Zondags en in haar vrijen tijd mocht Jootje een paar uur lezen, en +daarmee uit. + +’t Was vreeselijk hard, maar ’t moest gedragen worden, zuchtte Puck. + +Toen de gedrukte kaart van de familie Clifford kwam, was ze toch +evenwel erg bang geweest. + +Zou ze mogen? Zou tante...? + +Tot deze vroeg: „Hebben jullie er zin in, kinderen? Zal ik voor jullie +dus ook maar aannemen?” + +Toen had zulk een dankbaar gevoel Puck’s hartje doorstroomd, dat ze +nauwelijks woorden kon vinden om haar blijdschap uit te drukken. +Lientien juichte: „hoe zalig, dat we gevraagd zijn,” maar Puck vloog +tante om den hals, en riep maar al: „O tante, tante! hoe lief en goed +is dat van u, mag ik heusch? Lientien, hoor je? Ik mag van tante.” + +’t Deed Lientien ook oprecht plezier, want op de kinderpartij had ze +Puck aldoor gemist. De twee meisjes waren meer dan ooit samen, nu Puck +’t met Ellen en Grace had „afgemaakt”. + +Nel en Frits waren ook gevraagd, want Nel was bevriend met de jongste +dochter Pauline, en Willem Clifford was bij Frits in de muziekclub. De +grooteren zouden naderhand nadansen. Tusschen ’t dansen door zouden er +tableaux-vivants zijn, en op ’t tooneel mooie dansen worden uitgevoerd +door de beste leerlingen van den heer Hendriks. Stel je eens voor, wat +Lientien en Puck wel voelden, toen Lientien werd uitgenoodigd als +„Lentefee” in een der tableaux op te treden, en Puck om den solodans +uit te voeren in „Het feest der Elfen”. + +Papa vond ’t eigenlijk niet in den haak, dat feestvieren zoo midden in +den schooltijd. Maar Lientien kuste papoes’ bezwaren weg. + +’t Was nu maar voor dit enkel keertje, zoo’n partij kwam vast in geen +jaren terug, en naderhand zouden ze op school dubbel haar best doen. Al +de vriendinnetjes gingen ook, dus... + +’t Was te begrijpen, dat het onderwerp: „’t Bal bij Clifford”, steeds +op het tapijt was. + +Dagen van te voren werden er al dansen besproken. Het: „Wat doe jij +aan? Krijg jij ook een splinternieuwe jurk, net als ik? In welk tableau +doe jij mee? Heb je al veel dansen besproken?” waren aan de orde van +den dag. + + + +Lientien en Puck zweefden op witte balschoentjes de trap af. Ze leken +precies twee groote bloemen: Lientien in haar rose, Puck in haar +zee-groen tarlatannen japonnetje, Lientien’s jurk was met witte +margarietjes, die van Puck met rose roosjes versierd, die hier en daar +en overal tusschen toefjes lint smaakvol waren aangebracht: in de +ceintuurs, op den éénen schouder, als kleine bouquetjes uitkijkend +tusschen de satijnen lussen van de lang afhangende witte en lichtgroene +linten. Je moest aldoor van Puck naar Lientien en van Lientien naar +Puck kijken, en wist niet, wie van beiden er het snoezigst uitzag. + +Puck wist ’t wèl. Ze had wel een kwartier voor tante’s grooten staanden +spiegel heen en weer gedraaid, en zich zelf bewonderd. + +Vooral ’t gouden medaillonnetje aan ’t fijne kettinkje vond ze +prachtig. Lientien had er geen; Nels bloedkoralen pasten niet bij haar +rose jurk, en mampies sieraden nog minder. Gelukkig had tante Sjarlotje +een kettinkje gevonden van witte cornalijnen met een echt gouden +slotje. ’t Sloot precies om Lientiens mollig halsje. + +Maar zoo mooi als haar gouden medaillon stond ’t toch lang niet, vond +Puck. + +Nel droeg een wit zijden japonnetje en Frits had heel deftig voor ’t +eerst een „smoking” aan. + +Vader en mamp waren heel trotsch op hun troepje; ze konden er mee voor +den dag komen. + +Ofschoon ze een paar keer gerepeteerd had voor de „Lentefee”, was +Lientien er toch niet gerust op, of zij haar rol wel goed zou +vervullen. Zouden haar handen niet trillen, haar voeten onbewegelijk +blijven in de voorgeschreven houding? + +Doch Puck was heel niet bang. Ze kreeg op de dansles steeds prijsjes, +werd den anderen kinderen ten voorbeeld gesteld, en moest dan +voordansen. De moeilijkste passen leerde zij in een ommezien. De heer +Hendriks zei dikwijls: + +„Als Jootje van Vorden zoo vlug is met leeren als met dansen, wordt ze +nog eens professor.” De kleine meisjes hadden al verscheidene dansen +besproken. Lientien meest met vriendinnetjes, want met jongens dansen +vond ze maar zóó, zóó. Jongens hielden hun dame onverschillig vast en, +in plaats van leuk te babbelen, keken ze een anderen kant uit, of +vroegen onnoozele dingen. + +Lientien was, net als mamp, een echt gezellige babbelaarster, en nooit +om stof voor een gesprek verlegen met de schoolvriendinnen. Maar met +zoo’n halfvreemden jongen raakte je nooit op dreef. + +De heer Hendriks zag de kinderen liever bij „paartjes” dansen, maar, +daar er meer meisjes dan jongens waren, kon dit toch niet. + +Puck danste natuurlijk liever met jongens, dat deed je op een +groote-menschenbal ook, en zoo hoorde het. Als haar cavaliers uit de +maat waren of slecht dansten, moesten ze er ongenadig veel over hooren. +Ofschoon ze haar erg bijdehand vonden, wilden de goede dansers Puck +toch graag als dame, want ze danste als een elfje in den maneschijn, +en, als ze wou, kon ze verbazend leuk en aardig uit den hoek komen. + +Lientien was erg in haar schik, dat ze de polonaise met Jan Vrede had. +Dat was een gezellige, kalme jongen, en hij had altijd wat van zijn +dieren te vertellen. + +Bij de familie Vrede hadden ze een grooten tuin, en de kinderen hielden +er een heele menagerie op na, zooals de Canneheuveltjes indertijd op ’t +groote erf te Soerabaia. + +Puck had de polonaise besproken met den grootsten jongen van de +dansles, een leuke bruinoog, die altijd uit de maat was, maar er uit +zag als een echt chic salonjonkertje. + +Met de polonaise hinderde ’t niet of je mooi of leelijk danste, +redeneerde Puck, en ze zou maar wàt een keurig figuur maken aan den arm +van Guus Hooft van Elden. Hij stak wel een hoofd boven de andere +kinderen uit, dus zou wel in ’t oog vallen en... zij er bij. Ellen zou +maar leelijk op haar neus kijken, als Puck met Guus liep, want zij had +op Guus gevlast, omdat zij beiden even groot waren. + +In ’t rijtuig stonden Pucks en Lientiens babbelmondjes geen oogenblik +stil. Ze hadden samen ook één dans. Daarin had Puck genadig toegestemd. + +Wat een lange file van wagens stond er al voor het Hotel des Indes! Het +rijtuig van de Canneheuveltjes was nog lang niet het laatste; een lange +rij had zich al weer achter hun vigilante aangesloten, toen zij aan de +beurt kwamen om uit te stappen. + +Verscheidene keurig gekleede, vriendelijke dienstmeisjes stonden gereed +om de genoodigden, in de tot garderobe ingerichte kamer, te helpen met +’t afdoen van sjaaltjes, doeken, jassen enz. en een allerlaatste hand +te leggen aan de toiletjes en kapsels. + +Al de kinderen Clifford waren present, om hun of haar specialen vriend +of vriendin naar het bruidspaar te brengen, dat in een aangrenzende +zaal zat, en jong en klein hartelijk verwelkomde en aanraadde maar net +zooveel pret te maken, als zij konden. Van daar ging het in troepjes +naar de groote balzaal. Wat een massa bruintjes, blondjes en zwartjes +waren daar al! Dat sprong en huppelde, drong en golfde door elkaar, dat +’t zoo’n aard had, en allen lachte de voorpret de oogen uit. + +Nel en Frits zochten een plaatsje, waar de stoelen stonden gerijd. Ze +moesten vooreerst nog voor balvader en balmoeder spelen, en waren al +gauw in een gezellig clubje, terwijl Puck en Lientien, omringd door een +troep vriendinnetjes en vrindjes, in hun buurt bleven. Want dat hadden +ze afgesproken met hun dansers, daar ze elkander anders vast niet +konden vinden in de menigte. + +’t Bruidspaar was nu ook binnen gekomen en naar de voor hen bestemde +plaatsen geleid. Daar klom de heer Hendriks op een kleine verhevenheid +en kondigde aan met heldere stem: „Aantreden voor de polonaise.” + +Jan Vrede kwam Lientien halen, die innig vergenoegd aan zijn arm +wegdrentelde, en dadelijk naar Jan’s nieuwe volière vroeg. Dat was een +echt vogelpaleis, zoo hoog en ruim, dat er wel drie boompjes in stonden +behalve verscheidene struiken, die volop licht en lucht kregen door de +wanden van kippengaas. + +Toen Jan, na heel lang ziek te zijn geweest, een mooi cadeau mocht +kiezen, omdat hij pijn en ongemak zoo flink gedragen had, vroeg hij een +„volière”. + +„Goed,” stemden zijn ouders toe, „maar geen gevangenis. Je moogt er +boschvogels in wennen, en een poosje binnen houden. Willen ze niet +langer blijven in je goeien stal, dan moet je ze hun vrijheid +hergeven.” + +En nu vertelde Jan aan Lientien, dat, al was ’t in het begin recht +treurig geweest, zoodat hij met al zijn zorg, toewijding en „lekkere +tafel” de boschvogels niet had kunnen houden, dit nu steeds beter werd. +Zoo langzaam aan kwamen er hoe langer hoe meer terug van hun +plezierreisjes. De groenlingen vooraan, die werden zoo tam als +kanaries. Hij hoefde maar een vinger uit te steken, flop! zat er ook +een op, en bedelde om een wurmpje of een zaadje. ’t Was verbazend leuk. +Wel een geduld werkje natuurlijk, eer je ze zoover had; de altijd +aangerichte lekkere tafel trok zeker ’t meest. Een nachtegalenpaar had +een nestje gemaakt in een van de boompjes, dit voorjaar; van broeden +was nog niets gekomen, doch Jan was al erg in zijn schik, dat ze ’t +zoover hadden gebracht. De nieuwelingen bleven lang schuw, dat sprak +van zelf, en er waren ook wel vogels, die, als je dacht, dat ze gewend +waren, wegvlogen, en nooit terug kwamen. Maar dat moesten die +ondankbare, domme rakkers dan ook maar zelf weten. + +„Hoe eenig toch,” vond Lientien, en vroeg of ze eens met Frits mee +mocht komen, om Jan’s vogeldressuur van nabij te zien, wat Jan +natuurlijk uitstekend vond. + +Intusschen stond Puck nog steeds op haar „cavalier” te wachten. Ze had +Lientien nageoogd, en keek nu zenuwachtig rond. Waar bleef Guus dan +toch? Zou hij niet gekomen zijn? Misschien ziek geworden?.... Puck +begreep er niets van. ’t Roode kleurtje op haar wangen werd steeds +donkerder, terwijl haar hartje al onrustiger begon te kloppen. Nel zag +Puck het halsje rekken, las ’t brandend ongeduld in haar vonkelende +zwarte oogen. Bedarend legde ze haar hand op Jootjes schouder. „Waar of +die teutebol van een Guus nou toch blijft, hè Puck?” sprak ze. „Wind je +niet zoo op kind, kijk maar, er loopen nog heel wat kinderen alleen +rond.” + +„Mag ik Guus gaan zoeken?” vroeg Puck, popelend van ongeduld. + +„Wacht nog maar even,” raadde Nel. „’k Geloof, dat ik hem zie +aankomen.” + +En dat deed Gustaaf Hooft van Elden ook, maar niet alleen. + +Aan zijn arm liep triomfantelijk een lang, blond meisje: Ellen van +Bergen. Ze droeg een beeldig, wel wat al te mooi japonnetje voor haar +leeftijd, van licht blauwe zijde. Terwijl ze Nel, Frits en Puck +voorbijliepen, keek Ellen een beetje spottend, maar Guus staarde +verlegen den anderen kant op. + +Wat er op dit oogenblik in Pucks hart omging? Woede en afgunst +spiegelden om beurten in haar blik. Ze wilde weg, het paartje na, doch +Nel hield haar terug, bang, dat er een vechtpartijtje van zou komen. + +„O hoe valsch! hoe vreeselijk valsch,” kreunde Puck. „En nou heb ik +niemand, en ik heb dat jongetje van Est bedankt en Truus van Druten +ook, en die loopen al samen. En o! wat moet ik doen? Wat moet ik doen?” + +„Stil toch Puckie, ga in vredesnaam niet huilen,” verzocht Nel +fluisterend. „De menschen kijken al naar ons, en denken stellig, dat er +wat gebeurd is, toe dan Puck....” + +Daar stond die lange slungel van een Frits op eens overeind, stapte +plechtstatig op Puck toe, en, terwijl hij haar den arm bood, verzocht +hij: „Mag ik de eer hebben, Mejuffrouw van Vorden, de polonaise met u +te doen?” + +Weg met tranen en verdriet. Onuitsprekelijk verlicht, even gelukkig als +ze straks rampzalig was geweest, legde Puck haar hand op Frits’ arm. +Haar hartje zwol van trotsche vreugde, terwijl zij in de lange keten +meeliepen. ’t Leek wel een bloemenketen, wat de meisjes betrof. + +„’k Vind ’t vreeselijk lief van je, Frits,” fluisterde Puck, terwijl ze +hem overdankbaar aankeek. + +„’k Zal Guus straks toch eens vragen, hoe dat zaakje in elkaar zit,” +sprak Frits met gefronste wenkbrauwen. Hij zou ’t ook voor Lientien +hebben opgenomen, dus was dit eveneens zijn plicht tegenover Puckie. + +„Dat weet ik wel,” wist Puck vlug. „Ellen heeft hem aan mij +afgetroggeld... En die flauwerd heeft ’t gedaan, omdat ze zoo’n +prachtige jurk aan heeft, en praten kan voor tien. Daar kan zoo’n +jongen niet tegen op.” + +„Zie je nou wel, dat die Ellen geen echte vriendin van je is,” +„vaderde” Frits. „Je zult nog wel meer verdriet beleven door je omgang +met die malle nuf.” + +Puck knikte maar. Frits hoefde niet te weten, dat ’t al lang uit was +met de vriendschap tusschen haar en de meisjes Van Bergen. + +Haar woede op Ellen was al voor drie kwart bekoeld. Met Frits loopen +was nog veel deftiger dan met Guus. Frits was de grootste en de +„heerigste” van alle jongens in de zaal. + +Daar stond de lange keten stil. De heer Hendriks trad vooruit, en +plaatste ’t kleinste paartje aan ’t hoofd der polonaise, die hij, +achteruit gaande, leidde. ’t Paartje, dat de polonaise dus opende, +waren de jongste kleinkinderen in de familie Clifford: Goosje, die +drie, en Paultje, die vier jaar telde. Goosje, in ’t lichtblauw, had +een bloemenkransje op de blonde krulletjes en een bouquetje in de hand, +dat zij grootmama straks moest aanbieden. Ze was een heel klein beetje +verlegen onder den indruk van de plechtigheid. Maar Paultje, met zijn +groote oogen, net zwarte kersen, liep dapper naast haar voort. Vóór ’t +feestpaar gekomen, stond de heer Hendriks stil, en schoof Goosje voor +Grootma, die ’t kleine ding bemoedigend toeknikte. + +Maar wat deed die dwaze Goosje nu?.... Ze gooide ’t bouquetje in +grootma’s schoot, en terwijl de heer Hendriks fluisterde: „Nou de +buiging, kleintje,” wilde ze het eens bijzonder mooi maken, en boog zóó +diep, dat ze op eens op den grond zat naast Paultje, die ze had +meegetrokken. + +De dikkerdjes schaterden ’t allebei uit, en iedereen met hen mee. +Paultje scharrelde als een kikkertje overeind, terwijl de dansmeester +Goosje op haar voetjes zette; Grootma moest ze even mokkelen vóór ze +verder mochten. Nu volgden de andere paartjes. ’t Was een allerliefste +aanblik, al die kleurige, fleurige kinderen, vroolijk te zien +voortschrijden op de opgewekte tonen der muziek. Voor den heer en +mevrouw Clifford gekomen, stond ieder paartje weer even stil, en maakte +een bevallige of minder bevallige buiging, al naar dit zoo uitviel. + +Lientien bracht ’t er goed af, maar Puck nog bevalliger. + +Ze liet den arm van Frits los, nam met beide handjes haar japonnetje +even op, trad achteruit, en neeg zoo diep en sierlijk, dat niemand het +haar verbeteren kon. ’t Had niet mooier gekund, wanneer zij een buiging +voor de koningin had ingestudeerd. + +De heer Clifford klapte in de handen, en mevrouw lachte Puckie +bewonderend toe. Om haar heen hoorde Puck fluisteren: „Wie is dat? Hoe +beeldig! Hoe snoezig!” Of dat ook een voldoening was voor juffertje +ijdeltuit! + +Lientien had gelijk gehad. Zulk een feest als dat van heden kwam in +geen jaren en jaren weerom. Natuurlijk was er meer dan goed gezorgd +voor tal van lekkernijen, die op groote bladen den heelen avond door +gepresenteerd werden. Er diende heusch wel een oogje te worden gehouden +op de gulzige kinderen. + +En dan viel er zooveel prachtigs te zien, tableaux, levende beelden, +voorstellingen uit ’t leven van het feestpaar, telkens opgevoerd +tusschen de dansen door. + +Lientien werd toegejuicht als: „Lentefee”, en Puck niet minder in haar +Elfendans. Bij de „cotillon” kwamen er zulke mooie verrassingen voor +den dag, dat de kinderen stil waren van opgetogenheid. Ja, ’t was een +partij, die klonk als een klok! + +Puck had haar ergernis over Guus al drie kwart vergeten, toen hij er +haar zelf aan kwam herinneren. Terwijl zij, na haar „Elfendans”, een +beetje zat uit te rusten en zich waaierde, kwam Guus wel wat bedremmeld +op haar toedrentelen, en vroeg, of ze nog een dans voor hem had. + +„Ben je mal, jongen!” zei Puck. „’k Heb al mijn dansen al lang. En met +jou dans ik nooit meer, mijn heele leven niet. Wat denk je wel?” + +En ze liet Guus staan als „Jan Ongeluk”. + +Ja, zoo vergaat ’t jongens, die tegenover meisjes hun woord niet +houden. Lientien zou misschien gezegd hebben: „Neen, dank je, Guus, +want je bent erg onaardig en onbeleefd tegen me geweest.” Lientien had +ook haar gevoel van eigenwaarde. + +Maar met Puck was ’t met recht kwaad kersen eten, als men haar +verongelijkt had. + +Op ’t eind van den avond dansten de grooten ook nog even met de +kinderen, eer dezen plaats voor hen maakten. En zoo zweefde Lientien +met Frits rond, en deed Puck een extra toertje met Nel. Toen was het +kinderfeest afgeloopen. Maar de familie Clifford kon tevreden zijn met +de uitbundige dankbetuigingen voor de „dolle pret”, die al de +schitteroogen met roode wangen haar uit den grond van ’t hart kwamen +brengen, bij het afscheidnemen. + + + + + + + + +XIV „DE SCHOENTJES”. + + +Puck was dan danig uit haar humeur. Op de mooie balschoentjes, die ze +voor ’t bal nieuw had gehad, en nu verder mocht dragen op de dansles, +waren twee groote zwarte vlekken. Hoe ze er op waren gekomen, mocht de +drommel weten; ’t leek wel teer of wagensmeer. „Bedenk liever, hoe je +ze er weer af zal krijgen,” had Lientien geraden. De meisjes waren toen +aan ’t knoeien gegaan met eau de cologne, zeep, poeder, doch dit alles +had de zaak nog erger gemaakt. Puck durfde geen nieuwe schoentjes +vragen; in ’t begin van den winter had ze al een paar verloren. Die +waren haar „ontstolen”, verzekerde Puck. + +Tante had dit maar half geloofd, en geknord over Puck’s slordigheid. + +Voor ’t feest bij de familie Clifford had ze een paar nieuwe gekregen, +en tante had er bij gezegd, dat ze daar nu eens extra netjes op moest +wezen. Nieuwe kreeg ze vooreerst niet, daar hoefde ze niet mee aan te +komen. En nu deze ramp! + +Puck deed op de eerst volgende dansles haar onooglijke schoentjes aan, +in de hoop, dat niemand er iets van zou zeggen. Doch in plaats daarvan +keek iedereen naar haar voeten. Puck meende de kinderen spottend te +hooren fluisteren. + +„Trek er je toch niets van aan,” zei Lientien. „Wil je de mijne?” + +Die waren Puck te groot. „En dan zou ik toch niet willen, dat je mijn +vuile schoenen droeg,” zei Puck. + +De heer Hendriks had ook al naar haar voeten gekeken, verbeeldde zij +zich. Nee, ze kon die schoenen niet meer dragen. + +Kort daarop zag ze in de Prinsestraat een winkel, waar „Uitverkoop” +was. In de étalage stonden alle laarzen en schoenen, groot en klein, +zeer laag geprijsd, en daaronder, bepaald spotgoedkoop, een paar +snoezige dansschoentjes à twee gulden en vijftig cents. + +Puck ging eens informeeren. + +„Ja,” zei de bediende, „die schoentjes zijn een extra kleine maat; ze +passen bijna niemand, en daarom staan ze zoo goedkoop geprijsd.” + +„Mag ik ze eens passen?” vroeg Puck. + +„Zeker, ga uw gang, jongejuffrouw.” + +De schoentjes zaten als geschilderd om Puck’s voetjes. + +„Neemt U ze?” vroeg de bediende. + +„Eerst thuis vragen,” antwoordde het meisje, terwijl ze den winkel +uitging. + +Aldoor dansten de schoentjes Puck voor oogen. Als ze die aanhad, zouden +ze pas echt naar haar voeten kijken, maar dan stellig uit +jaloerschheid. Kon ze ze maar koopen! + +’t Was toch ook vreeselijk nooit geld te hebben. Haar heele bezit was +vijftig cent, en dat geld had ze hard noodig voor +Sinterklaascadeautjes. Tante Sjarlotje zou haar vast een gulden willen +leenen, al stond ze nog bij tante in de schuld. + +Aan Nel durfde ze best vijftig cent vragen, en goeie Nel gaf die ook +wel, als ze ze kon missen. + +Nou kwam ze nog één gulden te kort. Haar weekgeld kon ze niet +gebruiken, met ’t oog op de St. Nicolaas, en daar moesten bovendien nog +altijd twee centen af voor de „Bommen”. + +Dáár kreeg Puck op eens een idee. Als ze dien éénen gulden eens uit het +busje leende? + +Ze zou ’t geld zeker en vast terug geven naderhand. Er waren toch ook +heel wat centjes van haar zelf bij. + +Niemand zou ’t merken, want Lientien kreeg dikwijls een extra’tje voor +’t „Bommenbusje”. Naderhand, als ze ’t geleende geld bij elkaar had, +zou ze eerlijk opbiechten, dat ze ’t geld had genomen, en dan kreeg de +familie Bom nog een ná-cadeautje, waar ze niet op had kunnen rekenen, +en dat dus maar wàt een groote verrassing voor hen zou zijn. + +Op deze wijze trachtte Puck de verkeerde daad, die zij wilde doen, goed +te praten. Toen tante Sjarlotje haar dadelijk ’t geld gaf, en niet eens +vroeg waarvoor, en Nel ook, al hield die er een preekje bij, was Puck +al vast besloten den nog ontbrekenden gulden uit ’t „Bommenbusje” te +leenen. + +’t Busje stond in de open kast; Lientien had er nooit over gedacht het +achter slot te bergen. Puck leende dus den gulden, kocht de schoentjes, +en vertelde Lientien, dat tante Sjarlotje en Nel haar aan ’t geld er +voor hadden geholpen. (Dat was immers ook zoo?) Ze zat daardoor zwaar +in de schuld, en kon niet veel aan Sint Nicolaas doen. + +„Waar jij je geld toch laat!” verwonderde Lientien zich. + + + +Begin December vond Lientien, dat nu de tijd gekomen was om het +„Bommenbusje” te openen, en den inhoud na te tellen... Zij maakte er +een plechtige gebeurtenis van. Nel en Frits werden uitgenoodigd erbij +tegenwoordig te zijn, en te zien, hoe prachtig Lientien boek gehouden +en ieder centje bijgeschreven had. + +„O lieve deugd! heeft Lientien boek gehouden?” dacht Puck angstig. „Wat +nu?” + +Ja, Lientien had niet alleen elk centje, dat ze kreeg onmiddellijk in +het busje gedaan, maar op ’t lijstje ook dadelijk bijgeschreven. + +Met een plechtig gebaar overhandigde Lientien het busje aan Nel. ’t +Rammelde, of ’t aardig vol was. Even deftig nam Nel het busje in +ontvangst, deed het deksel er af en stortte den inhoud op tafel uit. + +Dubbeltjes, stuivertjes, centen, kwartjes en een enkele gulden rolden +er uit. Alles werd op hoopjes gelegd. + +Frits had het lijstje vóór zich, en Nel begon te tellen. + +„Er moet in ’t geheel vijf gulden vijf en vijftig zijn,” zei Frits. + +„En ik krijg maar vier gulden vijf en vijftig,” verklaarde Nel. „Hoe +kan dat nou?” + +„’k Heb er toch heusch elk centje in gedaan,” verzekerde Lientien +verbaasd. + +„Natuurlijk snoes.... nog eens overtellen.... nee hoor, kinders, er +blijft een gulden te kort.” + +„Ik begrijp ’t niet,” betuigde Lientien, „jij Nel? Is het lijstje wel +goed opgeteld, Frits?” + +„En òf, poes. Kijk toch eens Nel, hoe keurig die Lienepien dat gedaan +heeft. Achter elke gave staat de naam van den gever bovendien.” + +Maar Nel luisterde half toe, en keek bekommerd vóór zich. + +Zou Geertje?.... Maar ’t was leelijk, dat arme kind te verdenken, omdat +je niemand anders verdenken wilde of kon? + +Al had ze ’t ontbrekende geld wel willen aanvullen uit haar eigen zak, +Nel voelde, dat ze ’t geval niet mocht verzwijgen. + +’t Was een veel te ernstig iets; ze moest er met vader en mamp over +spreken. + +Dezen keken ook zeer ernstig, en mamp zei dadelijk: „Natuurlijk moet de +zaak onderzocht worden, en de waarheid aan ’t licht komen. + +„Jullie weet er niets van af, kinderen? Je hebt er geen geld uitgeleend +misschien, en vergeten terug te geven?” vroeg mevrouw Canneheuvel, van +Puck naar Lientien kijkend. + +Een oogenblik weifelde Puck.... Ach! had ze nu maar gesproken, hoeveel +verdriet zou haar bespaard zijn gebleven. + +Doch ze durfde niet. Eigenlijk had ze tegen Nel al gejokt, toen deze +haar zoo straks vragend had aangekeken, door heftig ontkennend het +hoofd te schudden. + +Ze liet de haar geboden kans voorbijgaan. + +En toen nu Lientien, op moeders vraag, dadelijk antwoordde: „Eerlijk +niet, mamp,” kon Puck er niet toe komen haar leugen te herroepen, en ze +sprak als Lientien: „Heusch niet, tante.” + + + +De vatenboel was aan kant en de keuken netjes opgeruimd. Genoegelijk +zat Geertje met Bet samen, en genoot juist van een lekker kopje thee, +toen de schel in de huiskamer haar boven riep. + +„’k Moet vast voor een boodschap,” dacht ’t kind, terwijl ze, op haar +bedachtzame oude-vrouwtjes-manier, toch vrij vlug de trap opliep. + +„Geertje,” zei mevrouw, terwijl ze het meisje vriendelijk in de heldere +oogen keek, „Lientien mist geld uit een blikken busje in de kast hier. +Nou begrijpen we niet, waar dat kan gebleven zijn. Ik heb de kinderen +er al naar gevraagd, en wil nou ook van jou weten...” + +Geertje verschoot even van kleur. „Denk mevrouw als dat ik ’t er uit +heb genomen?” + +„Neen Geertje, ik beschuldig je in ’t geheel niet, en als je me +verzekert...” + +Geertjes heldere blauwtjes keken mevrouw zoo oprecht en onschuldig aan, +dat elke achterdocht bij haar meesteres verdwenen was, eer ’t meisje +nog sprak. + +„Mevrouw,” verzekerde Geertje, en ook haar stem klonk overtuigend +eerlijk, „’k weet van geen bussie, en ben niet aan ’t geld gewees, +gerus niet. + +„Moeder zaliger heef ons geleerd: „hou je handen thuis,” en vader zegt +altijd: „Al benne we arm, we motten eerlijk blijven.” Geloof u Geertje +gerus, mevrouw; ik ben der niet an gewees.” + +„Dàt doe ik Geertje, met heel mijn hart hoor!” verzekerde mevrouw +Canneheuvel bewogen. „En geef me nou een hand, kind. Ik ben blij, dat +ik je eigenlijk geen oogenblik ernstig verdacht heb, Geertje.” + +’t Meisje kreeg een kleur van blijdschap, en haastte zich naar de +keuken, om ’t geval te vertellen. Den geheelen avond werd daar over +niets anders gepraat, en werden allerlei gerijmde en ongerijmde +vermoedens geopperd door Bet, Kee en Geertje. + +Aan Bet en Kee werd zelfs niet gevraagd, of ze iets van ’t verdwenen +geld afwisten. „Die vertrouw ik als mij zelf,” zei mamp. Voorloopig +liet zij de zaak, zooals zij was, sprak met niemand over haar stil +vermoeden, en verzocht den huisgenooten het onderwerp verder te laten +rusten. Intusschen sloeg ze Puck oplettend gade. + +Niet voor niets had mevrouw Canneheuvel jaren lang met kinderen +omgegaan, en in hun hartjes leeren lezen als in een open boek. Juist +omdat ze het kind zoo liefhad (met zijn feilen en gebreken), bleef zijn +ware natuur voor haar geen raadsel. + +Ook Pucks aard en wezen doorgrondde zij. + +Mevrouw Canneheuvel „voelde”, dat haar pleegdochtertje de schuldige +was. Alles zeide ’t haar. Toch weifelde ze af en toe, nu ’t kind bleef +ontkennen. Kon Lientien zich met haar boekhouding niet vergist hebben? +Ze wenschte bovendien zoo innig, dat Puck uit zich zelf tot inkeer +kwam. Dus wachtte zij.... + +’t Was intusschen half December geworden. Sint Nicolaas, met zijn +drukke feestelijkheid, was voorbij, en mamp wist nog steeds niet, hoe +ze eigenlijk handelen moest. + +Puck, geplaagd door haar slecht geweten, was niet gewoon en natuurlijk, +zij voelde, dat tante haar verdacht, en streed met zich zelf. ’t Eene +oogenblik nam ze zich ernstig voor de waarheid te bekennen, doch op ’t +laatst deinsde ze daar toch voor terug. + +Ten slotte kwam ze tot het besluit om, als er sprake van was, dat +Geertje weg zou moeten, alles eerlijk op te biechten. + +Mocht de weggeraakte gulden in het vergeetboek raken, dan zou ze +blijven zwijgen tot ze ’t geld bijeen had gespaard, en eerlijk niets +voor zich zelf koopen, eer ze zoover was. + +Dan zou ze alles aan tante vertellen, en om vergiffenis vragen.... + +De familie Bom was er niet bij te kort gekomen, want tante had een +gulden bijgepast, en er was een pak met allerlei heerlijkheden aan hun +huisje afgegeven den 5den December. Geertje prakkizeerde nog steeds, +hoe de Sint had kunnen raden, dat de inhoud zoo juist van pas kwam in +het huishouden. + +Naderhand, dacht Puck, zouden ze dus nog een achterna cadeautje +krijgen. + +Dit besluit bracht haar eerst wel wat verlichting, doch niet lang. +„Meester” was er in ’t geheel niet mee tevreden. + +Als bij toeval de naam „Bom” genoemd werd, vloog Puck het bloed naar de +wangen, en bukte zij zich haastig om quasi haar zakdoek op te rapen. + +Eens, toen dit weer gebeurde, ontmoetten haar oogen die van tante. +Tante keek haar zoo bedroefd en bijna smeekend aan, dat ’t kind er van +ontroerde. „’k Wil je helpen, ik zie wel, dat je rust nog vrede hebt, +kom bij mij, kind,” las Puck in tantes blik. Ze had moeite haar tranen +te bedwingen. + +Dien avond nam Mevrouw Canneheuvel Puck mee naar haar slaapkamer, waar +ze geheel ongestoord met haar spreken kon. + +Puck hield de oogen neergeslagen, ’t hart bonsde haar in de keel. Tante +trok ’t zwak tegenstribbelende meisje tegen zich aan, en lichtte met +zachten dwang haar gezichtje op. + +Toen sprak ze eenvoudig: „Puckie, beken ’t nu maar, tante wèèt, dat jij +’t geld hebt genomen.” Haar stem klonk zacht en liefderijk, alsof ze +veel meer medelijden had met Puck dan dat ze boos op haar was. + +Schuw keek Puck ter zijde. Tante kòn ’t immers niet weten? „Niet wáár, +niet wáár,” hield ze vol. „Hoe kan tante ’t zeggen, als ’t toch niet +wáár is?” + +„Je durft niet te bekennen kind, en dat begrijp ik zoo goed. Hoe langer +je er mee wacht, des te moeilijker wordt het voor de waarheid uit te +komen. Maar pas als een kind kwaad bekend heeft, krijgt het een gerust +geweten; tot zoolang voelt ’t zich diep ongelukkig.... Fluister nu maar +„ja” in mijn oor, Puck, dan zal tante je nu niet verder vragen.” + +Doch Puck bleef van „neen” schudden, en als vroeger, wanneer ze +gesnoept had, riep zij den hemel tot getuige (met haar blik naar het +plafond gericht), dat ze ’t niet had gedaan. Waarom beschuldigde tante +juist haar, en had zij Geertje dadelijk geloofd? En Puck begon zoo +onbedaarlijk te schreien en te snikken, dat tante er van ontstelde. + +„Omdat ik Geertje de onschuld uit de oogen las, terwijl jij.... Maak je +niet zoo overstuur, Puck, ga naar bed, straks kom ik met jullie +bidden.” + +Slechts bij bizondere gelegenheden kwam Mevrouw Canneheuvel de kleine +meisjes voorbidden bij het naar bed gaan. + +Puck keek tante even wanhopig aan, ze durfde haar geen zoen geven, en +sloop weg, àl huilend en snikkend. + +Mevrouw Canneheuvel bleef stil zitten wachten, ze wist, dat haar +pleegdochtertje terug zou komen.... + +Een kwartier later werd de deur zacht geopend, en een zwart krullekopje +keek om het hoekje, met een rood behuild gezicht. Toen ze tante nog op +dezelfde plek zag zitten, vloog ze in één ren naar haar toe, knielde +voor haar neer, en borg ’t hoofd in haar schoot. + +„Tante, ik kan straks niet bidden... Ik heb ’t tòch gedaan... tante, +ach tante ...” + +Mevrouw Canneheuvel had moeite de afgebroken woorden te verstaan. + +„Waarom deed je het, Puck? ... Kind, hoe kon je het doen?” + +„Mijn dansschoenen waren zoo leelijk, en iedereen lachte mij uit op de +dansles, en toen kon ik zoo goedkoop nieuwe krijgen en....” + +„’k Begrijp niet veel van je verhaal, Puck, vertel mij bedaard de heele +waarheid.” + +Dit deed ’t meisje nu, met horten en stooten, en eindigde ten slotte +met de woorden: „Ik had nooit gedacht, dat ’t zoo gauw uit zou komen, +en toen het uitkwam, hoopte ik, dat u zou denken, dat Geertje... maar +als u Geertje had willen wegsturen, zou ik heusch en eerlijk gezegd +hebben, dat ik...” + +„Weet je wel, kind,” viel tante in, en er glinsterden tranen in haar +oogen, „dat je stille hoop Geertje van den diefstal verdacht te zien, +veel erger is dan het wegnemen van het geld zelf? ’k Kan niet +begrijpen, dat je zoo iets verschrikkelijks hebt gehoopt, en ik kan je +dit bijna niet vergeven.... + +„Arm kind, hoe kwam je tot zulke slechte gedachten?” + +„Maar tante....” Puck wischte haar tranen af, en keek tante vol in de +oogen. En dit keer las mevrouw Canneheuvel waarheid in de droeve, +donkere kijkertjes, „tante, u moet mij gelooven. Later zou ik u alles +eerlijk hebben opgebiecht.... als ik ’t geld weer bij elkaar had. + +„’k Heb al dertig cent gespaard en geen haarlint gekocht, dat ik toch +zoo vreeselijk noodig had, en er geen enkel snoepcentje afgenomen. + +„Tante Sjarlotje heeft mij, als sinterklaassurprise, al mijn schuld +kwijt gescholden, weet u wel, en Nel wil wel maanden wachten op haar +vijftig cent. Nou schiet ik toch al zoo prachtig op met dien gulden +voor de Bommen en... en... ik had ’t heusch willen zeggen, als Geertje +weg had gemoeten.” + +„Misschien Puck, misschien ook niet. De eerste stap op den verkeerden +weg is moeilijk, maar de verderen volgen meestal gewillig van zelf...” + +Puck boog ’t hoofd, en snikte in haar handen.... Geloofde tante haar +toch niet? + +„Kom tot je zelf, kind,” sprak mevrouw Canneheuvel, terwijl ze haar +hand bedarend op Puck’s hoofd legde. „Ik wil gelooven, dat ’t je ernst +is met het terug geven van het geld, en ook, dat je Geertje, in ’t +uiterste geval, niet ongelukkig zoudt hebben gemaakt. Juist, omdat je +door je heele houding verraadde, dat je zelf de schuldige waart, je er +over schaamde, en er door leed, behield ik goeden moed, dat je mij ten +slotte toch de waarheid zoudt zeggen. ’k Heb je willen helpen, omdat ik +zag, hoe veel strijd en moeite je dit kostte.... + +„Maar Puck, lieve Puck, doe toch je best, om je booze aandriften in +toom te houden, luister toch naar de stem van je geweten. Je ziet nu +zelf, hoe ver een kind kan afdwalen en van kwaad tot erger komen, door +er niet naar te hooren.” + +Puck kuste tante’s handen en drukte zich tegen haar zachte borst, als +een ziek, ongelukkig kind, dat bescherming zoekt. + +„Tante,” fluisterde ze, „hoe zou ik toch zoo verkeerd komen? Ik weet ’t +zelf niet.” + +„Ik weet ’t wèl, vrouwtje,” sprak mevrouw Canneheuvel. „’t Komt omdat +je altijd ’t eerst aan je zelf denkt. Je eigen genoegen, je eigen +voordeel staan steeds vooraan, daarvoor moet al ’t andere wijken. Als +klein kind had je die leelijke fout in nog hooger mate. ’k Hoop zoo, +dat ’t voorbeeld, dat je in Nel hebt, in oom vooral, je al veel geleerd +zou hebben. Maar dit geval nu weer,”.... tante zuchtte bedroefd. + +„Tante, lieve tante, wil u mij niet vergeven...?” + +„Voel je, Puck, hoe heel verkeerd je hebt gehandeld, ’t ergste +tegenover Geertje?” + +„Ja, ja tante, en ik zal...” + +„Ach Puck, hoe dikwijls heb je je beloften al verbroken! Daarmee doe je +me toch zoo verschrikkelijk veel verdriet. Dikwijls denk ik bij mij +zelf: „’k Wou, dat ik maar niet zoo veel van Puck hield, dan zou ik er +lang zooveel leed niet van hebben, dat ze mij telkens weer +teleurstelt.”” + +Puck werd hoogrood, zij beefde van aandoening. + +„O tante, houdt u toch heusch van zoo’n slecht kind als ik ben?” + +„Veel meer dan je weet, Puckie... Heb je oprecht berouw? Wil je met +hart en ziel je best doen tegen je booze neigingen te strijden, en om +hulp bij mij komen, als je bang bent voor de verzoeking te bezwijken? +Ik sta altijd voor je klaar, ik wil je altijd helpen, kind...” + +„Ja tante, ik wil, ik wil,” betuigde Puck vurig, „en als u mij +helpt...” ’t Verdere werd onhoorbaar gefluisterd. + +Mevrouw Canneheuvel vouwde haar handen om die van Puck. „Lientien +slaapt zeker al, ik zal hier met je bidden,” zei ze zacht. En aan haar +oor sprak tante nu berouwvolle, vergeving vragende woorden en beloften +van beterschap, die Puck haar nafluisterde. + +Toen mocht ze tante omhelzen, terwijl ze nog eens om vergeving smeekte, +en deze in tante’s hartelijken nachtzoen voelde. + +Nog wel bedroefd, maar onuitsprekelijk verlicht en verruimd van hart +ging Puck naar bed, en viel spoedig gerust in slaap. + + + + + + + + +XV BIJ TANTE JOHANNA. + + +Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk +eens bij haar kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer +zoo goed als niet, en vroeg in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t +niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar eigen nichtje een poosje +bij zich te hebben. + +Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante +Johanna ook graag, al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten +teleurstelling zou geven. Want tante Johanna was een stijf dametje met +ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen om te +gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt +niet in tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan +tante’s verlangen naar nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van +huis zou wezen. + +Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn +tegen het meisje, haar niet te laten merken, dat men van haar +schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende telkens stil verwijt te lezen +in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer erg veel haast had, +en Geertje op zij duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich +ontvallen: „Als ik uwes was, Puck, zou ik zoo’n drukte niet maken.” + +Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in +de ooren. Geertje had ze nooit durven zeggen, als ze niet op haar +neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”. + +Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck +verbleekte, en zich op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t +Verheugde mama, dat ’t kind zich wist te beheerschen. + +Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te +vertellen, dat tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de +aanstaande vacantie. Ze wil je graag eens bij zich hebben, en dat is +heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje. Nu hoop ik maar, dat +je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk zal +gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich +heen heeft gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.” + +„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt +me niks aardig; zoo stijf en stug!” + +„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die +zich haar leven lang voor anderen heeft opgeofferd.” + +„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige +vacantie te hebben,” zuchtte Puck gedwee, „dan...” + +„’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in. +„Tante Johanna moest je hooren!.... Je straf heb je al gehad in de +weken eer je bij mij kwam, niet Puck?.... Kom, zet nu je beste beentje +eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig, opgewekt kind, zooals +je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.” + +„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich +zelf. „Wat een heerlijk vooruitzicht!” + + + +Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom +haar naar Voorburg. Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk +met oom, precies als ze met haar paatje had kunnen doen. Uit zich zelf +was ze begonnen over haar laatste verkeerde daad, en oom zeide, dat hij +zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen voor de +waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze +haar daad goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar +voornemen een beter kind te worden. Hij hoopte van harte, dat Puck haar +goede voornemen getrouw zou blijven, en tante beloonen voor al haar +liefderijk geduld en trouwe moederzorg. + +Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes +villa’tje, eer Puck er op verdacht was. + +Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid +genomen, en Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen +Lientien was. + +Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl +ze intusschen bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar +was. Tusschen haar en Lientien maakte hij nooit ’t minste onderscheid. +Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom deed ’t Puck +tegelijkertijd.... + +„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes +dienstbode, „we waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes +voeten nog even af, ze zitten vol modder.” + +„’k Zie der niks an,” beweerde Puck. + +„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.” + +Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,” +maar ze veegde haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het +kortaffe: „Voeten vegen,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe +uitnoodigde. + +„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt +wel een poppenvilla, net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien +lachen, als ik ’t haar vertel.” + +Maar dat kon vooreerst niet.... Puck onderdrukte een zucht, en ging de +voorkamer binnen, waar tante in het serretje zat. + +„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek +wel, of je oom naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je +nog praten en afscheid nemen. Maar een volgenden keer laat je me de +voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog aan mijn beenen.—Je haar +is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je +de logeerkamer wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.... heila kind, +neem meteen je hoed en mantel mee, en berg ze netjes in de kast +boven....” + +Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat +tante een zeur en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich +hier vervelen! + +Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te +regenen, dus van uitgaan was geen sprake. + +Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden +langzaam door haar vingers gleden, begon ze Puck een en ander te +vertellen uit de kinderjaren van haar vader. + +Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en +zijn schoolwerk niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven: +„Ik moet beter mijn plichten betrachten,” kon Puck onmogelijk +vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde zonder de minste +belangstelling toe. + +’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op +niks. Tante hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze +haalde elk woord uit of ’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck +niets bedenken, om over te babbelen; ze had er ook niets geen zin in. +’t Etensuurtje bracht een prettige afwisseling, want ’t „spook” kookte +lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel dan thuis. Toch +smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders. + +Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat +mee aan, wat Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en +smakte en morste als een kind zonder manieren. + +Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek. + +„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje. + +„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad. + +„’t Is vol aardige, gekleurde platen,” zei tante, „die moet je maar +eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd erg veel schik in +dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.” + +Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend +klein jongetje moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes +dan al verbazend kinderachtig. Al gauw had ze haar bekomst van „De +ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze, of ze naar bed mocht. Ze +had zoo’n slaap. + +„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd. + +„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet....” ’t Woordje +„gelukkig” slikte ze nog bijtijds in. + +’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze +niet in de gedachte, Puck met een hartelijk woord of grapje te doen +inzien, dat ze zich een beetje schamen moest over haar onbeleefd +antwoord. Tante werd boos. + +„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga +dan maar gauw, als je je zoo bij me verveelt.” + +„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck +verwonderd. „Zoo noemt niemand mij ooit.” + +„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je +heet naar mijn lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik, +Johanna, Magdalena. En Johanna is wat een mooie naam!” + +„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit +anders, en Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag +zoo genoemd word.” + +„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe, +en na een vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel” +naar boven. + +In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu +brak ’t los, wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig +verlangen naar huis, dat ze ’t wel had kunnen uit gillen. ’t Leek haar, +of ze al weken weg was in plaats van één dag. + +Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien +en haar, lang geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een +matroos, die oproer had willen maken aan boord van zijn schip. Zijn +straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. Men liet hem achter +op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood.... + +O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn +geweest, toen hij de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde +tusschen hem en de bewoonde wereld. + +Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe +zou ze ’t hier uithouden! + +En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs +de wangen stroomden, tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep. + +’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te +gaan zien, of haar een goedennachtkus te brengen. + +Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek +haar een onhartelijk, bijdehand, verwend kind. + +Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele +omgeving zag er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit. + +Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam. + +Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t +Was nu mooi weer, en straks kon ’t wel weer regenen. + +Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts +stapje voor stapje, voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante +Johanna had last van asthma, en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij +was oud en aamborstig, maar daarom waren tante, en vooral Saartje, niet +minder dol op hem. + +Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om +opgewekt te praten, zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al +gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel van gisteren kwam met kracht +terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis. + +Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck +niet schelen. Ze kon niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen +huilen; de last op haar borst woog ál zwaarder. + +’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had +dit den eersten dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar +boven, na eerst, op Puck’s verzoek, een ander boek voor haar nichtje +uit de boekenkast te hebben gezocht. + +Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog +uit haar jeugd. Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te +hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” getiteld. Puck begon er over te +geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met al die zedelessen. + +In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t +boek, en wilde met Tom gaan spelen. + +Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever +niet te dicht bij zijn mand moest komen. + +Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom +lieve Tom bromde. Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was, +want anders ging de lieverd nooit te keer. + +„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat +leelijke, vette beest met geen vinger aangeraakt.” + +Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat +onschuldige dier maar uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig, +dat moet ik zeggen. Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en +vrindelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal.” + +„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen +beest.” + +„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je +kijken, madam.” + +Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af +naar de keuken. + +„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck. + +Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele +voorbijgangers niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de +wangen liepen. In de verte speelde een draaiorgel het melankolieke +wijsje „Verdreven van huis.” + +Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat +zou Lientien nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze +met oudejaarsavond ook hier moeten blijven?... Maar dat hield ze niet +uit!... + +Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier +met die twee ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat +’t dàt niet alleen was. Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest, +ze had ’t hier toch akelig gevonden, omdat ze naar haar eigen thuis +verlangde, en verging van heimwee. + +Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar +Lientiens aanhaligheid en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen +met Frits. Kon ze maar even om ’t hoekje kijken bij tante Sjarlotje.... + +Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze +Geertje met haar dikke rokken door de gang zien schommelen. + +De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige +wandelingetje, ’t wanhopig pogen van Puck om tegen haar heimwee te +strijden, en tante’s stille ergernis over ’t vervelende, saaie nichtje. +Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet opwekken. Bij ’t +spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en +onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever +mee uit te scheiden.... + +Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke +kind, van wie mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven? + +’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje +aan heimwee leed. + +Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot +het besluit, dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of +tante haar dit nu kwalijk nam of niet, dat kon haar niet schelen. + +Ze kon ’t niet langer uithouden. + + + + + + + + +XVI NAAR HUIS TERUG. + + +’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen +nacht, uit haar bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich +aan, haalde haar bed af, en ruimde de kamer netjes op. Tante Johanna +hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen boel had +achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t +volgend briefje. + + + „Lieve tante Johanna, + + ’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven. + Ik heb zoo’n verlangen naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik + heb zoo’n prop in mijn keel en net een ijsklomp op mijn borst. + + Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw + liefhebbend nichtje Puck.” + + +Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in +’t oog viel. Puckie was slim genoeg, als het er op aankwam, en, terwijl +ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid had ze alles +goed overlegd. + +Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer +bracht, sloop Puck naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op, +dat de klink van het tuinhekje heel zacht toeviel, en snelde daarop +voort, of de vijand haar op de hielen zat. + +Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze +niets afnemen, zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op +haar eerewoord beloofd! Het juffertje moest ’t dus met den wagen van +„Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar de +Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist +ze wel drie kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen. + +Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af, +naar Rijswijk. Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn +in haar borst bij ’t haastig adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?), +voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap en voedsel. Want ze had +de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter ’t huis +uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje +had ze nu niet door de keel kunnen krijgen. + +Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog +grooter en donkerder door de kringen er om heen van al ’t huilen en +niet slapen. + +Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu +op den Rijswijkschen weg waar, over de open velden aan weerszijden de +koude wind meedogenloos op haar aanviel. + +’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar +kleeren, die de storm stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte +krullen dansten om Puck’s hoofd, het elastiek van haar hoed sprong +kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde het weiland +op. + +’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en +verder ging ’t weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder.... +Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog +’t ergste.... + +De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t +wat minder fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg, +maar al gauw bij stralen. Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel +aan; met te meer plezier viel de booze regen op haar onbeschermd hoofd +neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als een wit vodje +flapperde de zakdoek in haar nek. + +Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte +rokken zweepten tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al +gauw drijfnat werden. + +Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had +gegeven, was ze zeker aan den berm van den weg neergevallen, geheel +onverschillig voor wat er nu verder met haar zou gebeuren. Telkens had +’t kind gedacht: „Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die +mij misschien wel een eindje mee zal willen nemen?” + +De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en +behalve de tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel +vervoermiddel gezien. + +Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t +gerommel van een vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een +wagen van Van Gend en Loos, die haar achterop reed. + +Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op +den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in. +En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was +ze door den goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de +manden een plaatsje ingeruimd door den maat van den voerman. + +„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer +alleen op weg? Menscheziele, wat ben je koud en nat!” + +„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier, +de daad bij het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je +thuis als een pakkie met Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon +te lachen, maar daarop onbedaarlijk te schreien. + +„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de +koetsier. „Waar moet uwes wezen?” + +„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden +klapperden tegen elkaar. + +„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die +buurt moet wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit +Bles.” Hij zwaaide zijn zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een +vluggen stap in zette. + +Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een +poosje hield dit op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in +haar borst hield echter aan. Ze hoorde maar half, wat de mannen haar +vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan kwam, en hoe ze in dit +hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.... Daarop was ze +zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van +den toestand, toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den +koetsier voelde zij zich opgebeurd, en nu stond ze in de gang: thuis. +’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een +waas zag ze lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg +verschrikt keken. Achter uit de lange gang, kwam een gestalte +toeloopen: „Tante”. + +Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en +zakte ineen. Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.... voelde zich opgenomen +en naar boven gedragen. Iemand kleedde haar uit, kuste haar koude +wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in haar eigen bed, dat +verwarmd aanvoelde en wist niets meer. + + + +Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar +ziek, dat de dokter zich ernstig ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig, +dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar zenuwgestel bovendien +geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle, +liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster, +waren voortdurend om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo +nauwkeurig opgevolgd, als deze maar verlangen kon. Eindelijk kwam de +crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en daarop, heel, heel +langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg, +lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk, +zwak en moede voelde. + +Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van +vóór haar ziek worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom, +waaruit zij zich slechts enkele bizonderheden herinnerde: tantes hand +op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar langs de wangen streek, +zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in ’t geheel +niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar +heen, en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze +angstige droomen gehad, maar dan was er altijd iemand geweest, die haar +kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde in de kussens. + +Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze +bleef maar moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster +was weer vertrokken en, als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij +het verbedden te helpen. + +Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had. + +Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en +voorzichtig opnam en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot +onmiddellijk de moede oogen weer, om haar tranen binnen te houden. Want +Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij toe, dat Puck moeite +had niet te gaan schreien. + +Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen. +Alle ergernis over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor +innig meelij met ’t doodzieke kind, en bange zorg om haar leven, dat +dagen achtereen aan een zijden draad hing. In de keuken dacht men niet +anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”, die +telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t +„schatteboutje” nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan +longontsteking er bij.... + +Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden. + +Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.” + +En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had +fel de koorts, zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht. +Geen wonder, dat ze doodziek is geworden. Hoe dat nog af moet +loopen!”.... en Bet schudde meewarig het hoofd. + +’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje +natte ellende, uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht. +Den eersten tijd, terwijl dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel +geruststellend woord durfde spreken, dan dat Puck’s jeugd en gezond +gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde gezet door +de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de +angstige zorg om het meisje te behouden. + +Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t +lezen van Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak +viel haar van ’t hart bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag, +dat haar Pucks behouden thuiskomst meldde. + +Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag +gespoord en hartelijk door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk +beneden kwam, om tante Johanna te woord te staan. Tot haar spijt kon ze +deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter had alle bezoek +streng verboden. + +„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon +schikken,” klaagde Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over +geschreven, maar wil nu nog eens zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om +het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht, met haar uitgegaan, +spelletjes gespeeld en....” + +„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw Van Vorden,” +troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van +heimwee, en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg +vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar, en is van àf ’t oogenblik, dat ze +bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd, dat het een +volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.... Waren wij +maar zoo ver,.... daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.” + +Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t +in haar koortsdroomen steeds had gehad over een verlaten eiland, waar +tante Johanna haar had heengebracht en achtergelaten, en dat ze ’t +vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl ze versmachtte van +dorst. + +Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s +dorst te lesschen, doch haar manier was de ware niet, en dat kon de +oude dame ook al weer niet helpen. + +„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde +Mevrouw Canneheuvel tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u +intusschen goed op de hoogte houden van haar toestand. Er is nu, God +zij dank, geen kwestie meer van gevaar.” + +Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en +vertelde haar wedervaren aan Saartje en Tom. + +Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest +gelijk in, want wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè +lieverd?” + + + + + + + + +XVII „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”. + + +Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig +geweest, en zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig +gesteund had. Nu zat ze in ooms makkelijken stoel, heerlijk en kalm, +met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. Daar kwam Lientien +binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar +schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat +had ze mampie beloofd. + +Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer +eventjes moest huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was. + +Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het patiëntje zonder +hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet +alleen te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven +werd gebracht. + +Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits +stak zijn hoofd om de deur, en knikte Puck vroolijk toe. + +„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!” + +„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?” + +„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens +met mij uit.” + +’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar +boven, want ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde +wachten tot Puck bij haar kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong +meisje ook eens heel erg heimwee had gehad, en dus kon begrijpen, hoe +’t Puck te moede moest zijn geweest. + +Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest +gauw weer weg, die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn +liefkoozingen. + +Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te +hebben gegeven, terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje +naast haar gezocht in de vensterbank, waar hij behaaglijk in ’t lekkere +zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht vachtje glad, en +Socrates spon, dat ’t een aard had. + +Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien +ochtend beloofd. Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk +gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, morgen zit je weer op je oude +plaatsje. Heerlijk hè?” + +Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen. +„Dankje duizend maal, Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo +alles voor me gedaan hebt. Iedereen is toch zoo vreeselijk lief voor me +geweest.... ’t Is toch nergens zoo goed als bij je eigen thuis.” + +„We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, kleine Puck,” +lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer uit +wandelen te gaan!” + +„O, nee, nooit weer,” zuchtte ’t kind. + +Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast +Puck zitten, en nam haar handje tusschen haar eigen zachte +moederhanden. „Zullen we nu eens praten, kindje? Ik weet, dat je daar +erg naar verlangt.” + +Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst, +terwijl zij haar lippen op tante’s wang drukte. + +„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker +wisten, dat je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen +je zoo op eens bij tante Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden, +om boos op je te zijn. Maar nu zullen we het verleden laten rusten; +tante Johanna heeft ’t je ook vergeven.... + +„Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig +blij iedereen in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.” + +„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor +me.... tante ik heb zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles +aan u vertellen?” + +„Natuurlijk, kindje.” + +„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een +smachtend verlangen uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t +meisje bedarend over het voorhoofd streek. + +„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe +radeloos ongelukkig ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk +naar u en al de anderen verlangde. ’k Kòn ’t niet meer uithouden van +heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij een vreemde tante, en +den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een keer zei +tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in +’t geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een +mes gestoken werd... + +„Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel +en Frits, als u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn +best doen. Ik zou net zoo goed willen zijn als Lientien, en ik zou +altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet doen.” + +„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk +je, dat ik er zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet, +en mij zooveel moeite zou geven, om je ’t goede te leeren, als je mij +niet na aan ’t hart lag?” + +„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck..... + +Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar +aan. Zóó zacht sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen +toe moest buigen, om te verstaan, wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik +nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag ik dan ook uw kind zijn, +tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen maatje +zou ik niks meer kunnen houden.... ik zou zoo dolgraag, net als Nel en +Frits, „Moeder” of „Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe +„tante,” en dan „Vader” tegen oom?” + +Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel +toet en kuste de hand, die ze tusschen de hare hield. + +Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze +Puckie is ze toch, met haar naar liefde dorstend hartje!” + +„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers +van Effen. + +„’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar, +hoe ze Rutgers kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa. +Weet U, wat ze zei? „Ik vond ’t zoo naar, om een anderen „van” te +hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van mijn vroolijken tweeden +papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag heeten, en +Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.” + +„Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe +zalig ’t zou wezen, als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en +Frits en bijna als Lientien, en dan ook een Canneheuveltje mocht wezen. + +„O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan: +Jootje Canneheuvel van Vorden heeten...” + +„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw +Canneheuvel ernstig, „en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over +spreken moet. ’k Geloof wel, dat dit op ’t oogenblik je grootste, +innigste wensch is, maar...” + +„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet +neen,” smeekte Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik +er zoo’n steun aan zal hebben, om mijn best te doen, en vol te houden, +ook als ’t vreeselijk moeilijk is.... Als ’t niet mag, was ik even lief +dood gegaan....” + +„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante. + +„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.... tante, luister eens. +Wanneer ik heel alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag +ik dan „Mampie” tegen u zeggen? Zoo heel stilletjes, als niemand het +hoort?” + +En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.... We +zullen dus nog maar eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik, +maar dan niet alsof je een nichtje, maar alsof je ons dochtertje +waart.” + +„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste +kind uit het heele land.” + + + +Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende +Pucks ziekte had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke +gelegenheid mochten Francine en kleine Koo ook van de partij zijn: +Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo bij moeder. + +„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien +hartelijk. + +„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? Ik moet je wat +zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.” + +„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,” +beweerde Lientien. Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even +pakken, en daarop vertelde Puck, wat ze met tante had afgesproken, en +wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde met groote +belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t +vinden, Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien +niets dan „zalig!” en ze meende ’t met heel haar hart. + + + +Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al +gauw, in de daarop volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die +Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer geworden! Zou ze door haar +ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk bij een +ongeluk wezen.” + +Doch de juffrouw kon niet weten, welken talisman Puck in haar lessenaar +had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. Op de +binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters +geschreven: „Dit boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.” + +’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar +ze hoopte en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou. + +Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een „Canneheuveltje” +mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had. + +En Puck wilde den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met hart +en ziel. + + + + + + + + +INHOUD. + + + Hoofdst. Bladz. + + I. EEN SLECHT BEGREPEN KIND 5 + II. POFFERTJES 12 + III. 1 APRIL 24 + IV. „MAMA!” 35 + V. HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS 47 + VI. „GEERTJE” 53 + VII. VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN 63 + VIII. NEL ALS HUISMOEDER 81 + IX. OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS’ „BOSCHJESVRIENDEN” 95 + X. „SCHATTEBOUTJES” 106 + XI. JAN WEER THUIS 119 + XII. PUCK SPIJBELT 128 + XIII. HET FEEST 134 + XIV. „DE SCHOENTJES” 147 + XV. BIJ TANTE JOHANNA 161 + XVI. NAAR HUIS TERUG 173 + XVII. „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN” 183 + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 *** diff --git a/76890-h/76890-h.htm b/76890-h/76890-h.htm new file mode 100644 index 0000000..b9a2718 --- /dev/null +++ b/76890-h/76890-h.htm @@ -0,0 +1,5841 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<html lang="nl"> +<head> +<title>Puck | Project Gutenberg</title> +<meta charset="utf-8"> +<meta name="author" content="M. C. E. Ovink-Soer (1860–1937)"> +<link rel="coverpage" href="images/front.jpg"> +<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover"> +<meta name="DC.Title" content="Puck"> +<meta name="DC.Creator" content="M. C. E. Ovink-Soer (1860–1937)"> +<meta name="DC.Contributor" content="Johanna Coster (1893–1960)"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<style> +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #AAAAAA; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #AAAAAA; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +.titlePage { +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0 7em; +padding: 5em 10% 6em; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle { +line-height: 1.7; +margin: 2em 0; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle { +font-size: 1.8em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, +.titlePage .docTitle .seriesTitle, +.titlePage .docTitle .volumeTitle { +font-size: 1.44em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .byline { +margin: 2em 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .byline .docAuthor { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure { +margin: 2em auto; +} +.titlePage .docImprint { +margin: 4em 0 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .docImprint .docDate { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +display: inline; +font-size: 8.4pt; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.tableCaption { +text-align: center; +} +.arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +.xs { +font-size: x-small; +} +.small { +font-size: small; +} +.large { +font-size: large; +} +.xl { +font-size: x-large; +} +.xxl { +font-size: xx-large; +} +.vam { +vertical-align: middle; +} +.center { +text-align: center; +} +.divNum { +float: left; padding-right: 1em; +} +.extraDivNum { +float: right; padding-left: 1em; +} +.chapter .divHead { +border-top: 2px solid black; border-bottom: 2px solid black; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.cover-imagewidth { +width:562px; +} +.frontispiecewidth { +width:540px; +} +.titlepage-imagewidth { +width:457px; +} +.ad { +border:2px solid black; +} +.p077width { +width:548px; +} +.p171width { +width:539px; +} +.p177width { +width:543px; +} +.xd33e2704 { +border:2px solid black; +} +.adv-1width { +width:200px; +} +.adv-2width { +width:243px; +} +.spinewidth { +width:112px; +} +.backwidth { +width:547px; +} +</style> +</head> +<body> +<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 ***</div> +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="562" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center xl">PUCK +</p> +<p>De personen leven zoo „echt”, ze zijn zoo <span class="ex">menschelijk</span> in hun handel en wandel; de kinderen zijn werkelijk kinderen met fouten en stoutheden, +zoowel als met hartelijke liefheid en bekoorlijke naïeveteit. +</p> +<p class="signed">J. Kloos-Reyneke v. Stuwe <br> +in De Nieuwe Gids. +</p> +<p>(12 jaar en ouder). +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.png" alt="Puck was intusschen opgevlogen en begroette haar vriendinnen hartelijk." width="540" height="720"><p class="figureHead">Puck was intusschen opgevlogen en begroette haar vriendinnen hartelijk.</p> +<p class="first">(Blz. <a href="#pb20">20</a>).</p> +</div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="457" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<h1 class="mainTitle">PUCK</h1> +</div> +<div class="byline">DOOR<br> +<span class="docAuthor">MARIE OVINK-SOER</span><br> +SCHRIJFSTER VAN „DE CANNEHEUVELTJES”<br> +MET BANDTEEKENING EN PLATEN VAN<br> +<span class="docAuthor">JOHANNA COSTER</span></div> +<div class="docImprint">TWEEDE DRUK +<br> +GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN</div> +</div> +<p></p> +<div class="div1 last-child advertisement ad"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center large">DE CANNEHEUVELTJES +</p> +<p class="center">DEZE SERIE BESTAAT UIT: +</p> +<ul class="center"> +<li>DE CANNEHEUVELTJES IN INDIË</li> +<li>DE CANNEHEUVELTJES IN HOLLAND</li> +<li>PUCK</li> +<li>HOE PUCK ’N CANNEHEUVELTJE WERD</li> +<li>HUIZE CANNEHEUVEL („De Duiventil”)</li> +</ul><p> +</p> +<p>De Canneheuveltjes-serie is een in prettige soberheid opgebouwd verhaal, welks eenige, +en hoe te waardeeren! pretentie wellicht is, dat het in allen eenvoud na staat aan +de werkelijkheid van het diepgeschakeerde kinderleven, juist omdat dit leuk gedoe +van kinders, tot in zijn diepste en fijnste teederheden bloot gelegd, in zich zelf +eigenlijk een wonder is, met rijke wisseling van schoonheid, kan een jeugdverhaal, +dat met toewijding en na ernstig inleven geschreven werd, de rumoerige en bonte smuk +van ongeloofelijke avonturen met gerustheid ontberen. Het is een waardevol getuigenis +voor de belangrijkheid en levenswarmte van Mevr. Ovink’s boeken, dat het geheel vrij +kon zijn van de algemeen, gangbare geforceerde en onnatuurlijke bedenksels, en toch +boeiend blijven. Het is frisch en goed, met distinctie geschreven en met distinctie +verlucht, en prettig en smaakvol uitgegeven. +</p> +<p class="signed"><span class="sc">Hessel Jongsma</span><br> +in <i>De Amsterdammer</i>. +<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2549">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">I</span> <span class="extraDivNum">I</span> EEN SLECHT BEGREPEN KIND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Jootje van Vorden, bijgenaamd Puck, stond voor ’t raam in de huiskamer, en trok allerlei +figuurtjes op de zwaar beslagen ruiten. Dit deed ze misschien wel om een beetje kalmer +te worden, want de jonge juffrouw was hevig verontwaardigd. Zoo even had Bet „de meid”, +haar de keuken uitgejaagd, verbeeld je! +</p> +<p>Omdat de sinaasappels nog zoo zuur waren, hadden Lientien en zij verzonnen de partjes +in suiker te leggen. Maar de suiker moest eerst gesmolten worden, anders drong ’t +zoet niet door. Dus waren beide meisjes naar de keuken gegaan, en hadden een leelijken +morsboel gemaakt, toen Bet, juist op ’t ongelukkigste oogenblik, dat ze kiezen kon, +binnen kwam. +</p> +<p>„Neen maar, wat voeren jullie uit?” riep ze boos. +</p> +<p>„Had je dat niet eerst kunnen vragen, Lientien? En jij moest je schamen, Puck, de +vuile rommel, die je gemaakt hebt, met mijn schoonen bordendoek op te soppen.” En +tegelijk wilde Bet Puck den doek afgrijpen. Maar Puck hield stevig vast. Bet’s blauwe +en Puck’s zwarte oogen keken elkaar woedend aan, +</p> +<p>„Wil je wel dadelijk loslaten, kwaie meid, pas op, of je <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>krijgt er een om je ooren,” waarschuwde Bet. Puck trok nog harder, en liet toen op +eens los, zoodat Bet zeker zou gevallen zijn, als ze zich niet net bijtijds aan de +tafel had kunnen vastgrijpen. +</p> +<p>„En nou is ’t genoeg,” riep ze rood van drift. „Denk je soms, Puck, dat.…” +</p> +<p>„Hoor eens Bet,” viel Puck haar heel kalm in de rede, „ik vind, dat je nou wel eens: +„jongejuffrouw” kon zeggen in plaats van „Puck”, ’t komt niet te pas van een m.…” +Verder kwam ze niet. Bet pakte haar bij den arm, en schudde de rest van haar woorden +weg. +</p> +<p>„Heb ’k van mijn leven. Moet je nog wat?.… Vort, mijn keuken uit, en heb ’t hart niet, +dat je hier weer komt knoeien.” +</p> +<p>Met een dreun sloeg de keukendeur achter Puckie dicht. Lientien was al van te voren +weggeslopen met de in den haast aangebrande suikerstroop. Ze legde er voorzichtig +de sinaasappelpartjes in, doch Puck trok er haar neus voor op. Ze was dan al verschrikkelijk +kwaad. Vroeger, op Soerabaia, had niemand der bedienden haar ooit bij den naam durven +noemen, en nou ze tien was geworden, wilde ze ’t ook niet langer verdragen van de +dienstboden hier. +</p> +<p>„Wat kan ’t je eigenlijk toch schelen, Puckie, of ze je in de keuken bij je naam noemen,” +vroeg Lientien. „We zijn toch maar kinderen,” voegde ze er eenvoudig bij. „Grace en +Ellen hebben je zeker opgestookt, om zoo groote-menscherig te doen, hé Puck?” Doch +Puck duwde Lientien <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>weg, en wilde in ’t geheel niet kijken naar de rose schijfjes in het zwart bruine +sap. Ze teekende ’t eene sterretje vóór, ’t andere ná op de beslagen ruiten. +</p> +<p>Waldi kwam van de wandeling thuis, maar zijn onstuimig vriendelijke begroeting werd +door Puck met een koel „weg vervelend beest,” beantwoord. Lientien wilde ’t bij Waldi +goed maken, doch dat behoefde niet eens: Waldi nam ’t nooit kwalijk, wanneer de menschen +onvriendelijk tegen hem waren. Dat begreep hij niet, of hij nam de zaak even wijsgeerig +kalm op als Socrates, de kater. +</p> +<p>Nel kwam binnen, even later Frits, die Puck aan haar krullen trok, omdat ze hem niet +behoorlijk goeden dag zeide. +</p> +<p>„Wat scheelt er aan Puckie Muckie?” vroeg hij. „Heb je weer kuurtjes, kruidje-roer-mij-niet?” +</p> +<p>Puck haalde nijdig haar schouders op en gaf geen antwoord. +</p> +<p>„Plaag haar toch niet, Frits,” verzocht Nel. +</p> +<p>„Toe, Puckekind, help me eens gauw. ’k Moet de sla nog aanmaken. Wil jij vast de eieren +pellen?” +</p> +<p>Jootje keerde zich half om, doch toen Frits haar vaderlijk goedkeurend toeknikte: +„Toe maar Puckie,” werd ze wéér woedend, en vloog de kamer uit. +</p> +<p>„Och hemel! wat een lastig humeur heeft Puck tegenwoordig toch,” zuchtte Nel. „De +Haagsche lucht bekomt haar bepaald slecht.” +</p> +<p>„Nee,” verkondigde Lientien wijs, „’t komt door haar vriendinnen op school. Die kinderen +stoken haar van alles op.” +</p> +<p>„Jou ook, Lienepien?” vroeg Frits. +<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p> +<p>„Ze noemen mij een „zuigelingkind”, en ze hebben altijd geheimen voor me met hun drieën.… +’k Wou, dat ’k Annie en Wimpie hier had, die houden ook van poppen en zoo.… Daar trekken +Ellen en Grace haar neus voor op.” +</p> +<p>„Maar in Den Haag is ’t toch heel wat leuker wonen dan in Utrecht,” meende Frits. +„Die heerlijke duinen en Scheveningen en de Boschjes en ’t Bosch.… Zou jij terug willen, +Nel?” +</p> +<p>„Ik vind ’t overal prettig, waar we allemaal samen zijn, vent. ’t Spijt me genoeg, +dat Lous en de jongens zoo ver weg zitten.” +</p> +<p>Op ’t allerlaatste nippertje kwam Puck pas aan tafel, haar booze bui scheen nog niets +gezakt. Maar van slechte humeurtjes werd aan tafel nooit notitie genomen. Mama keek +Puckie wel even onderzoekend aan, doch vroeg niets. Iedereen praatte gewoon en prettig +zooals altijd op ’t gezellig etensuur, wanneer al de familieleden bijeen waren. +</p> +<p>Doch ná tafel nam mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje apart. +</p> +<p>Eerst had mama gemeend en gehoopt, dat zij ’t zich verbeeldde (of, dat dit een voorbijgaand +verschijnsel zou zijn), toen Puck zoo in haar nadeel veranderde sinds de familie in +Den Haag woonde. Doch, daar Jootje’s humeur eer erger dan beter werd, moest ze dit +vermoeden opgeven. Met ’t meisje, dat nu sinds drie jaar hun huisgenootje was, had +mevrouw Canneheuvel in ’t begin veel last gehad. ’t Kleine, verwende ding snoepte, +jokte en was verbazend <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>koppig. Snoepen deed Jootje nu zelden of nooit meer, en ook in andere opzichten was +ze wel in haar voordeel veranderd. +</p> +<p>Wat ’t kind echter de laatste maanden was gaan bezielen, dat begreep niemand. +</p> +<p>Altijd achtte zij zich verongelijkt, en riep dan: „Niemand begrijpt mij ook” (net +of ze een raadseltje was, zei Lientien). Vaak liep ze uren aaneen te mokken, en wist +eigenlijk zelf niet waarom. Over ieder plagerijtje werd ze boos, en had eens twee +dagen lang niet tegen Frits willen spreken, omdat hij haar de „reuzin” had genoemd +toen ze klaagde, dat iedereen haar als een klein kind behandelde. +</p> +<p>Mama sloeg Puckie opmerkzaam gade, en deed telkens weer haar best ’t meisje van haar +ongelijk te overtuigen; dit gelukte haar echter steeds moeilijker. +</p> +<p>Ook nu weer kon tante Puck niet aan ’t verstand brengen, dat ’t al heel bespottelijk +en grievend tegenover Kee en Bet zou zijn, wanneer haar gelast werd om de kleintjes +op eens „jongejuffrouw” te noemen. +</p> +<p>„Maar kindje,” sprak tante, „de meisjes in de keuken noemen Frits nog altijd bij zijn +naam, en die is bijna zestien. Bet vergeet zelfs meestal „Juffrouw” tegen Nel te zeggen. +</p> +<p>„Nou, <i>ik</i> vind, dat het niet te pas komt,” hield Puck vol, „Ellen en Grace zeggen ’t ook.” +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Frits en Nel maken daar nooit een aanmerking over, omdat we Bet en Kee al zoo lang +hebben, en ze ons zoo trouw en eerlijk dienen.” +<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p> +<p>„Ellen en Grace hebben hier in huis niets te vertellen, Puckie … Kom, vrouwtje, zet +je mooie-weer mutsje toch weer op. Zoo gauw je achttien bent mag je „juffrouw” zijn. +Tot zoolang blijf je onze „Puckie” binnen en in de keuken.” +</p> +<p>„Mijn paatje”… begon Puck, snikkend. Tante zag ’t kleine meisje heel ernstig aan. +</p> +<p>„Kijk me eens in de oogen Puck … geloof je, dat je vadertje zou meenen, dat je hier +niet goed bezorgd was, en geen prettig tehuis hebt?… Heusch, Puck, als je niet tevreê +en vroolijk bent, is dat alleen je eigen schuld. Strijd toch tegen dat verkeerde gevoel +in je hart. Wees niet hoogmoedig, en heb niet zoo’n groot idee van je zelf. Je bent +net als Lientien, nog maar een kind. En wanneer je eenvoudig en voorkomend bent, houdt +iedereen van je, en voel je je zelf ook gelukkig … Geef mij nu maar een zoen, en beloof +me je best te willen doen.” +</p> +<p>Puck gaf tante wèl een zoen, doch voldaan was ze niet. Bij zich zelf dacht ze: „Wat +kan ’t tante nou toch eigenlijk schelen, of Bet en Kee mij jongejuffrouw noemen, als +ik ’t zoo graag heb. En nou kan ik Ellen en Grace ook niet vertellen, dat ze ’t moeten +doen voortaan, en ik heb nogal zoo gebluft, dat tante ’t dadelijk goed zou vinden.” +</p> +<p>Toen ze in bed was, en Lientien al lang sliep, lag Puck nog een heele poos over haar +moeilijkheden na te denken. +</p> +<p>’t Was of ze tegenwoordig veel meer naar Indië terug verlangde dan vroeger. Ze zag +haar lief geboorteland in de schoonste kleuren; alles was er heerlijk en veel beter +<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>dan in dat nare Holland, waar ’t bijna aldoor regende. Ralima zou ’t wel uit haar +hoofd hebben gelaten om haar af te snauwen als die nare Bet deed … Tante was wel lief +en de anderen ook, behalve Frits, die aap van een jongen, met al zijn verbeelding … +Maar waarom lieten groote menschen kinderen bijna nooit hun zin doen? Ach, waarom +was haar paatje er niet meer? Van hem mocht ze alles. Hier moest je altijd gehoorzamen, +en, wat je prettig vond, mocht juist niet. Grace en Ellen van Bergen deden thuis net +wat ze wilden. Ze hadden geen vader meer, en haar moeder gaf de meisjes in alles toe. +Wanneer ze een enkelen keer wat verbood, en Ellen en Grace deden ’t toch, dan kregen +ze nooit straf, maar mevrouw begon te schreien. „En,” zei Grace, „zoo’n regenbuitje +dreef van zelf voorbij<span class="corr" id="xd33e262" title="Bron: ..">…</span>” +</p> +<p>Als <i>zij</i> dat toch ook maar durfde, iets te doen wat eigenlijk niet mocht, maar dan zou tante +vast niet huilen en roepen van: „hoe kan je toch zoo ongehoorzaam zijn?” +</p> +<p>Ze zou flink straf krijgen, van oom ook … Die Lientien was toch zoo’n flauw kind; +ze kreeg al een kleur van schrik bij de gedachte, dat ze iets uitvoerde wat mampie +niet goed zou vinden. Grace vond ’t ook zoo flauw, dat dat kind nog zoo graag met +poppen speelde. „Poppen zijn maar dooie dingen,” zei ze. +</p> +<p>Grace was al dertien en Ellen twaalf, maar zij wilden toch vriendin met haar zijn. +</p> +<p>Daarmee voelde Puckie zich erg vereerd; ook, doch dit had ze voor geen geld willen +bekennen, omdat ze erg rijk <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>waren. Mevrouw Van Bergen had een auto en, als je er op een partijtje was, kreeg je +allerlei moois mee naar huis. Dat vond tante overdreven, en ’t gebeurde bij de familie +Canneheuvel dan ook nooit. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2558">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">II</span> <span class="extraDivNum">II</span> POFFERTJES.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zooals uit ’t vorige hoofdstuk blijkt, zou hij, die de familie Canneheuvel nog in +Utrecht wilde zoeken, verkeerd uitkomen. Om verschillende redenen hadden de Heer en +Mevrouw Canneheuvel besloten naar Den Haag te verhuizen, kort ná het huwelijk van +hun oudsten zoon, Dolf, met Nel’s vriendin Loes (die omstreeks dienzelfden tijd naar +Indië waren vertrokken). Jan, de tweede zoon, die de Haagsche Handelsschool bezocht, +behoefde dan niet langer spoorstudent te zijn. Voor tante Sjarlotje, die steeds erger +aan rheumatiek begon te sukkelen, en voor Nel, die nog al eens last van malaria had, +was ’t veel beter op duingrond te wonen. Toen vader en mama een geschikt huis hadden +gevonden, in Duinoord, werd het plan dan ook ten uitvoer gebracht. De geheele familie +was al gauw erg ingenomen met de verandering van woonplaats. De heer en mevrouw Canneheuvel +vonden er verscheidene oude vrienden uit Indië terug; de kinderen genoten oneindig +meer van het <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>heerlijk buiten wandelen en onderzoekingstochten ondernemen nu duinen, bosch en zee +zoo dicht bij huis te vinden waren. Van Dolf en Lous kwamen voortdurend de beste berichten +uit Semarang (waar Dolf zich als dokter had gevestigd) en Jan maakte zich gereed hun +weldra de groeten van de geheele familie te gaan overbrengen. Op ’t oogenblik was +hij nog in ’t buitenland, om vreemde talen te leeren, zooals vader en hij indertijd +hadden afgesproken. Jan verbeeldde zich, dat hij al aardig wat van de wereld had gezien. +Hij vond het reizen bizonder naar zijn smaak, en zou wel graag ontdekkingsreiziger +zijn geworden, als het maken van ontdekkingsreizen niet zulk een onzeker en gevaarlijk +bestaan had opgeleverd. Nel, nu de oudste thuis van de kinderen Canneheuvel, was kort +geleden één en twintig jaar geworden, en een allerliefst jong meisje, kinderlijk in +uiterlijk en manieren en nog geheel de oude, hartelijke Nel van vroeger. Van hare +studieplannen was tot dusver niet veel gekomen. Eigenlijk vond zij ’t veel prettiger +in het huishouden bezig te zijn, en Nel was op weg, om, onder mama’s leiding, een +flinke huishoudster te worden. +</p> +<p>Frits, de jongste van de jongens Canneheuvel, ging steeds met mooie cijfers over op +de H. B. S., en hoopte ’t volgend jaar eindexamen te kunnen doen. Hij beloofde een +slanke, flinke jonge man te worden, maar in zijn lange armen en beenen was hij nog +niet geheel gegroeid. Frits kwam altijd tijd te kort, want hij had ’t heel druk op +school, en studeerde bovendien meer dan ooit viool, nu hij les kreeg van <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>een uitstekenden meester, en lid was geworden van een muziekclub. +</p> +<p>Ja, dat de Canneheuveltjes groot werden, dat kon je ook best merken aan Lientien, +het Benjaminnetje in het gezin. Doch, al was Lientien al negen jaar, ze werd nog wat +graag als schootkindje behandeld, en voor een vertrouwelijk praatje klom ze altijd +bij vader op schoot. Papoes zei dan, dat zoo’n groote meid zich wat schamen moest, +haar voeten reikten immers tot den grond als ze op vaders knie zat? Maar wie kon lieve, +aanhalige Lientien ooit iets weigeren? Ze keek altijd even snoezig uit haar groote +blauwe oogen en, met haar zijïg goudblond haar en teer, fijn figuurtje, leek ze net +een sprookjes-prinsesje, zei Frits, als Lientien ’t niet hooren kon, want hij vond +’t in het geheel niet goed kleine meisjes ijdel te maken. Aan Puck viel in dit opzicht +niet veel te bederven. Die keek voortdurend in den spiegel, en deed dan erg aanstellerig, +met haar hoofd op zij, om haar krullen goed in ’t oog te krijgen. +</p> +<p>Op een keer had Frits in Puck’s kamertje een grooten badhanddoek voor den toiletspiegel +gehangen, en al de kleine spiegeltjes, die hij vinden kon, met lapjes bedekt. Frits’ +goede bedoeling werd geheel miskend, want Puck had groote en kleine lappen verwoed +weggesmeten, en Frits gevraagd wat hij zich wel verbeeldde? Hoe durfde hij op haar +kamertje en aan haar goed komen? Als hij ’t weer deed, ging ze net zoo lang op zijn +viool krassen tot al de snaren kapot waren. Dat hield Frits zich voor gezegd, en <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>zekerheidshalve hield hij voortaan zijn viool achter slot in de kast, en den sleutel +goed weggestopt. Met die Puck moest je op alles verdacht zijn.—Nee, Puckie werd er +lang niet liever op, en Frits geloofde, net als Lientien, dat ’t allemaal van die +vriendinnen kwam. Want dat waren me je echte nuffen, met een hoop verbeelding! om +van te gieren. Laatst, toen hij Puck en die kinderen was tegengekomen, had hij hen +met zijn hand „bonjour” toegewuifd. En verbeeld je! Puck was er woedend over uitgevaren +naderhand, en had hem verweten: „Je hebt geen manieren, Frits Canneheuvel; Ellen en +Grace vonden ’t vreeselijk onbeleefd, dat je je pet niet afnam, toen je groette. Dat +doen de andere jongens allemaal, maar jij weet niet hoe het hoort.” „O, neem mij niet +kwalijk, mejuffrouw,” had Frits toen gespot, „een volgende maal zal ’t niet meer gebeuren.” +En, om haar te plagen, zwaaide Frits voortaan zijn pet bijna tegen den grond, als +hij de meisjes tegenkwam, maar keek haar daarbij zoo ondeugend spottend aan, dat ze +best begrepen, hoe Frits haar voor den mal hield. +</p> +<p>Als Lientien alles had willen vertellen wat zij alzoo merkte en hoorde van Puck, Grace +en Ellen, zou mevrouw Canneheuvel al lang een stokje hebben gestoken voor die innige +vriendschap tusschen Puck en haar vriendinnen. Maar de Canneheuveltjes hielden niet +van klikken, en bovendien begreep onschuldige Lientien lang niet alles, en liet zich +door Puck veel wijsmaken. +</p> +<p>Alleen aan tante Sjarlotje vertelde Lientien nog wel eens <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>een en ander over Ellen en <span class="corr" id="xd33e301" title="Bron: Grave">Grace</span> als die bizonder onuitstaanbaar waren geweest<span class="corr" id="xd33e304" title="Niet in bron">.</span> Doch tante suste steeds: „dat moet je je maar niet aantrekken, Lientien,” of: „ze +hebben dat zeker zoo niet bedoeld.”—Tante Sjarlotje was altijd voor den vrede. Ze +naderde nu zoo zachtjes aan de zeventig en, hoe kalmer ’t om haar heen was, hoe liever +of ze ’t had. Handen en voeten wilden niet best meer mee, gezwollen en stijf als zij +waren door de rheumatiek, en tante bleef dan ook meest altijd boven, in haar mooie, +ruime zitkamer, die mama erg gezellig en geheel naar Sjarlotjes smaak, had ingericht. +Zelfs ’s zomers werd daar op koude dagen gestookt, en ’t moest al verbazend heet zijn, +als tante haar warme stoof of handkruikje wilde missen. Bij ’t opstaan en naar bed +gaan werd zij stéeds geholpen, meestal door mevrouw Canneheuvel. Kee (het tweede meisje), +die veel van tante Sjarlotje hield, kwam uit zich zelf telkens eens kijken, of ’t +de oude dame aan niets ontbrak. „Was de waterstoof nog wel warm genoeg, tochtte ’t +niet bij ’t raam, zou ze den stoel van de Juffrouw wat meer in ’t zonnetje schuiven?” +Dan bleef ze nog even wat babbelen, want tante hield dol van een praatje, en haar +hoofd was nog even helder als twintig jaar geleden. Ze vond ’t heerlijk als de kinderen +uit school kwamen om haar hun schoolnieuws te vertellen. Wanneer Nel een heelen middag +bij haar kwam zitten naaien was ’t bepaald een feestdag voor tante, en Frits maakte +tijd, om voor tante Sjarlotje viool te spelen, want een verrukter, dankbaarder toehoorster +bestond er <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>op heel de wereld niet. Dikwijls kwam papa zijn zuster wat voorlezen, maar voorlezen +was voor tante bepaald een slaapmiddeltje. Daar dutte ze zoo heerlijkjes bij in, dat +’t een genot was om te zien. Zelf lezen deed ze nog graag: ouderwetsche boeken uit +haar jeugd, die in keurige, kleurige bandjes in het boekenkastje stonden. Die las +en herlas ze. En als Nel dan met een nieuw uitgekomen boek aankwam, dat ze prachtig +vond, en tante wou laten meegenieten, weerde Sjarlotje zachtjes àf. „Dankje lieverd, +maar ik lees liever „Het Heideprinsesje” nog eens over. Dat is toch zulk een prachtig +verhaal, dat ik ’t nooit genoeg kan lezen.” +</p> +<p>Van al de huisgenooten was Lientien ’t meest en ’t liefst bij tante. Die twee waren +kinderen samen. Lientien maakte bij Sjarlotje haar schoolwerk, en naaide, onder tantes +toezicht, de kleeren voor haar poppen, en intusschen had ze altijd wat te babbelen +en te vertellen, waarin tante verbazend veel belang stelde. Lientien werd ’t ook nooit +moe te luisteren naar de bekende verhalen uit tante’s jeugd. +</p> +<p>„Komt mijn Lienepien daar weer?” riep tante vroolijk, als ’t kleintje haar hoofdje +om de kamerdeur stak. En Lientien: „Nou moet je toch hooren tante Sjarlotje …” En +Lientien <span class="corr" id="xd33e311" title="Bron: storte">stortte</span> haar overvol hart uit, want niemand in huis luisterde zoo geduldig en vond alles +wat Lientien vertelde zóó gewichtig als tante Sjarlotje. +</p> +<p>„U is eigenlijk net zoo goed een vriendin van mij als Annie en Wimpie, hè Sjarlottepotje?” +kon Lientien zoo <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>hartelijk zeggen, terwijl ze, net als vroeger, met haar hoofdje op zij, tante vleiend +aankeek. +</p> +<p>Tante vergat, dat zij bijna zeventig en Lientien nog geen tien was, en knikte blij: +„Natuurlijk, Lienepien, wat dacht je anders?” En ’t oude en ’t jonge kind pakten elkaar +eens terdege. +</p> +<p>Op een Woensdagmiddag kwam Lientien tante vertellen, dat de jurk voor Francine moest +blijven liggen, want ze ging met Frits en Puck naar „stad”. +</p> +<p>Frits zou voor mamp verschillende soorten postzegels gaan koopen aan ’t groote postkantoor, +en de kleine meisjes gingen mee, want Waldi was ook van de partij, en die mocht niet +naar binnen in ’t postkantoor. Dus zou Lientien hem zoolang aan de lijn houden. Daarna +zou de verrassing komen (voor Puck), want Frits had Lientien in ’t geheim beloofd, +dat ze poffertjes zouden gaan eten in de Prinsestraat. En met ’t oog daarop had Lientien, +om twaalf uur, verdacht weinig eetlust voorgewend. +</p> +<p>Even half drie stapte ’t drietal er al op uit. Gelukkig, dat Lientien en Puckie met +haar beiden waren, want ’t bleek een heele toer Waldi vast te houden, toen Frits ’t +postkantoor binnen ging. +</p> +<p>Waldi had namelijk een van zijn dolle buien, en wou Frits met geweld volgen. Als een +razende trok hij aan de lijn, en slaakte de snijdenste gilletjes. Vier kleine stevige +handen waren bijna niet genoeg om den stouterd terug te houden. Als iemand ’t kantoor +binnen ging, wou en zou <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Waldi hem achterna om baasje Frits te zoeken. Lientien zag rood van inspanning, Puckie +schold op Waldi, en schopte naar hem; raken kon zij den vluggerd niet … Waar bleef +Frits toch! „’t Duurde zeker zoo lang,” dacht Lientien, „omdat hij zoo veel verschillende +soorten van postzegels hebben moest.” +</p> +<p>Er kwam een hoopje menschen om de meisjes heen staan, en een oude juffrouw onderzocht +met strenge stem, of dat hondje haar wel toehoorde. Zijn eigen vrouwtjes moest dat +stomme beest toch beter kennen. +</p> +<p>Puck vroeg, of ’t soms een gewoonte van de juffrouw was om zich met eens anders zaken +te bemoeien, maar Lientien legde het geval uit met een zacht, verzoenend stemmetje, +waarop de juffrouw verklaarde, dat <i>zij</i> een lieverdje was, en vroeg, of ze ook helpen zou. Doch daar kwam Frits gelukkig +aan. +</p> +<p>Kalmpjes liet hij Puck’s stroom van verwijten over zich heen gaan, en kalmeerde Waldi’s +uitbundige liefdesverklaringen, terwijl hij hem van de lijn los maakte. +</p> +<p>„Komt nou maar kinderen,” „vaderde” hij wijs, „nog even voor pa sigaren bestellen, +en dan … de verrassing.” +</p> +<p>Lientien, zielsvergenoegd, haakte bij Frits in, en pakte aan den anderen kant Puck +beet. „Weet je wat de verrassing is, Puck?” vroeg ze … „Frits wil ons op poffertjes +trakteeren. We mogen ieder twee bordjes, dol hé?” +</p> +<p>„Dol!” kwam de echo van Puck. „Mag Waldi los mee?” +</p> +<p>„Als er geen andere honden binnen zijn,” besliste Frits, <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>„en hij krijgt ook een poffer, maar zonder boter en suiker.” +</p> +<p>„Die lik ik er wel àf,” beloofde Lientien. +</p> +<p>’t Was leeg in het poffertjes salonnetje, toen Frits er met de meisjes binnen kwam. +</p> +<p>Hij deed heel deftig, en bestelde groote-heerachtig, maar in zijn hart verheugde hij +zich niet minder op ’t festijn dan Lientien en Puck, want hij was ook dol op poffertjes. +</p> +<p>Al gauw zat ’t drietal voor de smakelijk toebereide bordjes. Waldi wachtte vrij geduldig +zijn beurt àf, hij zat op een stoel naast Frits, die hem zekerheidshalve aan de lijn +had gehouden. En dat was maar goed ook, want met een vaart sprong Waldi op eens van +den stoel, en wilde luid jankend op een grooten patrijshond af, die (gevolgd door +een dame en twee meisjes) het salonnetje binnenstoof. +</p> +<p>„O hemel! daar heb je „Avanti” en daar komen Ellen en Grace met hun mama,” riep Puck. +Ze kreeg een kleur van pleizier, terwijl Avanti tegen haar opsprong. +</p> +<p>„Dop dan toch, Frits,” riep ze driftig. +</p> +<p>Frits had echter maar moeite Waldi in bedwang te houden. Hij groette onhandig, zoodat +zijn pet op den grond viel. +</p> +<p>Puck was intusschen opgevlogen, en begroette haar vriendinnen hartelijk, al deed ze +’t wel wat druk en lacherig. Nu, dat was in orde, doch ’t geen nu volgde in ’t geheel +niet. +</p> +<p>In plaats van bij Frits, Lientien, Waldi en haar, half leeg gegeten bordje terug te +komen, schoof Puck naast haar vriendinnen aan een tafeltje verderop, en keek niet +meer om naar de anderen. Mevrouw bestelde ook voor haar, en daar <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>bleef me dat kind warempel bij die „vreemden” zitten. Lientien keek eerst verbaasd, +maar toen echt boos naar trouwelooze Puck. Doch Frits, rood van ergernis, stond eensklaps +op, en ging vastberaden naar ’t andere tafeltje toe. +</p> +<p>Hij vond Puck’s gedrag verbazend onaardig en onbeleefd; daar hij bovendien een hekel +had aan haar omgang met die malle nuffen van Van Bergen, nam hij de zaak dubbel hoog +op. +</p> +<p>„Neem mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, een beetje haperend (want hij <span class="corr" id="xd33e356" title="Bron: verbeelde">verbeeldde</span> zich dat de nesten spottend naar hem keken), „ik kom Puck even halen, ze heeft haar +poffertjes nog niet eens op, en ze is met ons uit.” +</p> +<p>„Ooo …” antwoordde mevrouw Van Bergen, „nou, net als Puck wil … Ellen en Grace vonden +’t juist zoo prettig, dat ze haar hier troffen en …” +</p> +<p>„Ik blijf hier ook veel liever,” vulde Puck aan, terwijl ze Frits’ woedende blikken +met woeker terug gaf. +</p> +<p>Even keek Frits verbluft, toen groette hij mevrouw zeer stijfjes, verwaardigde de +nesten met geen blik, en keerde naar Lientien terug. Wat kon hij anders doen? ’t Ging +toch niet aan, om Puck mee te sleuren. +</p> +<p>Met opzet verschoof hij zijn stoel, zoodat hij met den rug naar ’t tafeltje van de +anderen kwam te zitten, at zijn tweede bordje en presenteerde Lientien heel edelmoedig +een derde portie. Maar zusje bedankte uit den grond van haar hart, want ze had met +moeite haar bordje leeg gegeten, en Waldi veel meer toegestopt dan goed voor hem was. +<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>Neen, door Puck’s schuld was ’t aardig plannetje eigenlijk mislukt. Lientien vond +’t dan ook geheel in orde, dat Frits, bij ’t weggaan, in ’t geheel geen notitie meer +nam van Puck en die „Van Bergens”. +</p> +<p>Terwijl ze vlug voortstapten, voelde Lientien zich echter toch wel bezwaard over Puck +en ze vroeg: „Wachten we niet op Puck, Frits? Moet ze nou alleen naar huis? Mevrouw +Van Bergen woont een heel anderen kant uit …” +</p> +<p>„Kan me niet schelen,” betuigde Frits, „al liep ze in zeven sloten tegelijk, dat nare +wurm!…” +</p> +<p>Maar aan ’t eind van de Prinsestraat bleef hij toch staan en omkijken … Geen spoor +van Puck. ’t Was al laat. Ze moesten aanstappen, wilden ze op etenstijd thuis zijn. +</p> +<p>Over half zeven kwam Puck pas haastig aanvliegen. Mevrouw Van Bergen at heel laat, +en Puck had onder ’t drukke babbelen den tijd geheel vergeten. Erg verschrikt, toen +ze hoorde hoe laat ’t al was, had ze zich verbazend gerept, stoof Geertje, die haar +opendeed, met een vaart voorbij, en kwam met een vuurrood gezicht binnen. Kee was +al bezig àf te nemen, en Nel spoelde de glazen aan het buffet. +</p> +<p>„Dag Nel,” zei Puck ontdaan. „Is ’t al <i>zoo</i> laat? Ik dacht …” +</p> +<p>„Je moest je schamen, Puck,” knorde Nel, „pa en ma zijn heel boos op je. Ik moet zeggen, +jij houdt er nette manieren op na. Wij zouden ’t geen van allen in ons hoofd krijgen +over etenstijd thuis te komen.” +<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p> +<p>Puck keek op de klok: „Anders zijn we nooit om kwart vóór zeven al heelemaal klaar,” +pruttelde ze, „waarom?…” +</p> +<p>„Vader moest uit, en mamp kwam niet aan tafel, omdat ze zoo’n hoofdpijn kreeg en naar +bed ging,” verklaarde Nel. „Je begrijpt, dat we geen lust hadden op jou te blijven +wachten … je vindt dan ook den hond in den pot, meisje.” +</p> +<p>„Nou, dat was ’t minste,” dacht Puck. Mevrouw Van Bergen had haar zooveel poffertjes +opgedrongen, dat ze daar vooreerst haar bekomst van had. En toen dat gejacht en gevlieg! +Ze was aan ’t huilen toe van overspanning en zenuwachtigheid. +</p> +<p>Puck voelde ook best aan ’t kloppertje van binnen, dat „Meester” haar gedrag streng +afkeurde, en nu kreeg ze zeker straf en iedereen was kwaad op haar. +</p> +<p>Natuurlijk, omdat ze een kind was, een groot mensch kon doen wat hij wou, maar haar +werd alles kwalijk genomen. +</p> +<p>Dit leek dit keer dan wel heel erg ’t geval te zijn. Puck kreeg dien avond nog van +oom zulk een ernstige vermaning, dat ze tranen met tuiten schreide. Te meer omdat +oom er bijvoegde, dat hij er hard over dacht, haar den verderen omgang met Ellen en +Grace te verbieden. Die meisjes schenen al een heel verkeerden invloed op Puck uit +te oefenen, en dat mocht zoo niet langer. Tante was er niet om een verzachtend woordje +mee te spreken, en Puck mocht haar geen „goedennacht” gaan zeggen. Lientien en Nel +zaten boven bij tante Sjarlotje, maar Puck durfde er niet <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>heengaan, nu niemand haar kwam roepen. Ze had een treurigen, eenzamen avond, geen +ziel keek naar haar om. +</p> +<p>Toen Puck naar bed ging was ze zoo boos en verdrietig, dat ze lust had om iedereen +te stompen. Nu deed ze het haar kussen maar, en lag nog lang te brommen en te foeteren. +Ze had een hekel aan alle menschen en aan alles, ’t meest nog aan poffertjes, want +ze had er veel te veel van gegeten en nu bezwaarden ze haar. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2567">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">III</span> <span class="extraDivNum">III</span> 1 APRIL.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zaterdag was eigenlijk de prettigste dag van de week, vonden Puck en Lientien. Dan +had je den heelen Zondag in ’t vooruitzicht, en lagen de schoolzorgen nog ver weg. +</p> +<p>Op de vrije middagen moest op last van „Meester” eerst natuurlijk ’t schoolwerk worden +afgedaan. Lientien hield zich hier stipt aan, want ze had nog steeds groot ontzag +voor „Meester”. Bij Puck liet dit wel wat te wenschen over, en Lientien moest altijd +wéér vragen en zeuren: „hè Puck, begin nou toch! Ik ben al half klaar; begin dan toch, +teuterd.” +</p> +<p>Dezen Zaterdag had Puck ook vlug voortgemaakt, en, terwijl Lientien opruimde, was +ze al vast vooruit naar den tuin gegaan. Puck kon altijd grappige spelletjes bedenken, +en had telkens nieuwe invallen. +<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p> +<p>Nu vond Lientien, toen zij in den tuin kwam, Puck druk bezig met een grooten bezem +door de lucht te vegen. +</p> +<p>„Wat doe je kind?” vroeg ze stom verbaasd. +</p> +<p>„Kijk maar goed,” schreeuwde Puck haar toe, „ik heb al de wolken in een hoek gejaagd. +Die zitten zich nou erg te vervelen, want ze houden niks van stilzitten. Daarom kijken +ze ook zoo donker, maar zich verroeren durven ze niet, want ze zijn bang voor mijn +bezem.” +</p> +<p>Lientien ging heelemaal op Pucks verbeeldingsspel in. „O Puck,” riep ze even later, +<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>dáár beweegt zich er één, kijk maar, die kleine witte wil weg …” +</p> +<p>Puck dreigde woedend met haar bezemsteel, maar eer ze aan ’t vegen toe was, zeilde +het wolkje vroolijk heen aan den blauwen Aprilhemel. Een groote zette het achterna, +doch nu begon Puck zoo verwoed haar bezem te zwaaien, dat de wolk achteruitkrabbelde, +al dunner en dunner werd, en eindelijk geheel scheen opgelost. +</p> +<p>„Ziezoo,” riep Puck weltevreden, „die doet geen kwaad meer, en nou is de regen voor +vandaag al vast naar huis gestuurd.” +</p> +<p>Lientien vond ’t eenig. „Vertel nog eens wat van de wolken, Puck,” verzocht ze. +</p> +<p>„Nou ja,” zei Puck, „tusschenbeide zijn zij mij de baas, dan kan ik ze niet aan met +den bezem. Dat zijn van die groote zwarte, zie je, die worden alleen door hun moeder +uitgestuurd als ’t thuis niet meer met hen is uit te houden. Dan jaagt de moeder hen +de deur uit, en dan krijgen we <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span><i>lekker</i> weertje; storm is er niks bij. Die zwarte kan je uren achtereen hooren brommen en +grommen. Ze moeten van hun moeder net zoo lang de zakken met regen blijven dragen +tot ze zijn uitgeraasd. En telkens steekt de moeder een lichtje aan om te zien of +de zakken nog wel vol zijn. Die lichtjes noemen de domme menschen: „bliksemstralen”. +Maar eindelijk, dan mogen de zakken los. Nou, en dan regent ’t pijpestelen soms uren +en uren lang. De zwarte wolken zie je dan niet meer, moeder heeft den wind uitgestuurd, +en die mag ze naar huis terugdrijven.” +</p> +<p>„Waar wonen ze, Puck?” +</p> +<p>„O, zoo ver weg, achter de verste bergen,… en nog veel verder. In reuzengroote holen, +en ieder heeft zijn vaste plaats. Moeder zit in ’t midden met „den wind” naast zich. +Die is haar trouwe knecht, en die doet alles wat ze zegt. Vandaag was de knecht er +niet, en kon de wolken dus niet naar huis drijven. Misschien heeft hij ook wel gezien, +dat ik ze met mijn bezem voortjoeg. Ze hebben altijd ruzie, de wolken en de wind. +De wind heeft altijd haast, en de wolken plagen hem expres door maar te blijven hangen +in plaats van voort te maken … Maar kijk de hemel nou eens mooi blauw zijn! Al de +wolken zijn stellig thuis bij moeder in de reuzengrot en moeten slapen … Zeg Lientien, +zullen we nu eens gaan kijken, hoe de familie „Snater” ’t maakt in hun nieuwe huis?” +</p> +<p>„Wie zijn dat, en waar wonen ze?” vroeg Lientien nieuwsgierig. +<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p> +<p>„In ’t voorjaar moeten alle vogels toch huisjes gaan huren?” vertelde Puck. „De beste +zijn natuurlijk ’t eerste weg, en de teutebollen kunnen niks goeds meer krijgen. Mijnheer +en juffrouw Snater, die aldoor maar pret hebben gemaakt, lieten den goeden tijd voorbijgaan, +en konden daarom geen onderdak meer vinden. Nou moet je weten, dat een ouwe, slimme +spreeuw net gedaan heeft, of onze dakgoot, bij de logeerkamer, van hem was. Voor veel +geld heeft hij ’t ondereind van de pijp aan de familie Snater verhuurd, en die heeft +er dadelijk een nestje in gemaakt.” +</p> +<p>„Maar Puck,” viel Lientien in, „wat heeft zoo’n ouwe spreeuw nou aan geld?” +</p> +<p>„Bij de vogels is geld: eten,” verklaarde Puck wijs. „De Snaters moeten mijnheer „Geelsnuit” +onderhouden. Ga maar mee, dan kan je zelf zien, of ’t niet waar is.” Puck wees den +weg naar ’t balcon van de logeerkamer. Op haar teenen slopen de meisjes voorzichtig +naderbij, en bogen zich over den rand van ’t balcon. En ja wel! daar zat half blinde +Geelsnuit vlak naast ’t uiteinde van de dakgootpijp, trouw op post. Vader en moeder +Snater vlogen af en aan met allerlei lekkere beetjes voor hun kinderen. Maar vast +twee keer van de vier, snapte Geelsnuit een vet brokje voor hun begeerige open snaveltjes +weg, en stopte dit in zijn eigen steeds hongerige maag. +</p> +<p>„Nou zie je ’t zelf,” riep Puck triomfantelijk. +</p> +<p>„Heb je ooit!” kwam Lientien heelemaal beduusd. „O <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>Puck, hoe heb je dat ontdekt? Zit die inhalige, ouwe Geelsnuit altijd naast ’t nest?” +</p> +<p>„Om dezen tijd ten minste …” +</p> +<p>„Ik ga Nel en Frits halen,” riep Lientien, „die moeten zoo iets eenigs ook zien.” +</p> +<p>Ook Nel en Frits waren één en al verbazing, doch Nel bedacht dadelijk, dat de jonge +muschjes er met een harde regenbui treurig aan toe zouden zijn. +</p> +<p>„Dat heeft die leelijke Geelsnuit natuurlijk verzwegen bij ’t verhuren van het huis,” +lachte Lientien. „Wat zullen we nou toch doen?” +</p> +<p>„’k Geloof,” zei Frits, en hij hield zich zoo ernstig als bij ’t geval te pas kwam, +„dat ik wel een huisje heb voor de familie Schater of Snater, hoe heet ze ook? Tegen +den zijmuur bij de regenton is nog een leege bloempot: je reinste musschenhuis.” +</p> +<p>„Wat een geluk!” riepen de meisjes. +</p> +<p>Nu kwamen Frits’ lange armen toch maar goed van pas. Heel voorzichtig haalde hij ’t +nestje uit de pijp (er zaten vijf Snatertjes in) terwijl de piepende ouders op den +dakrand een beetje angstig toekeken. Maar òf ze een kwartiertje later ook in hun schik +waren, en dien leelijken Geelsnuit uitlachten! Die moest nu voortaan zelf voor zijn +muggen- en wurmenpasteitjes zorgen. +</p> +<p>„’t Is geen wonder, dat jij altijd zulke mooie opstellen maakt,” zei Lientien tegen +Puck, nadat zij zich nog een poosje over Geelsnuit hadden vroolijk gemaakt, „jij weet +altijd weer wat nieuws.” +<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> +<p>„Ik wil naderhand schrijfster worden,” verklaarde Puck pedant. „En als ik verbazend +beroemd ben, zal ik toch altijd met jou willen omgaan, hoor!” +</p> +<p>„Maar dan willen <i>wij</i> misschien niks meer met <i>jou</i> te maken hebben, nest,” klonk een stem van boven, waar Frits uit ’t open raam hing. +„Wat een verbeelding van zoo’n uk! Denk liever eens aan apen, die hoog klimmen willen …” +</p> +<p>„Je bent zelf een aap,” schreeuwde Puck verwoed tegen een dicht raam, want Frits had +dit juist gesloten. +</p> +<p>„Ik vind ’t toch zoo naar, dat Frits en jij eeuwig kibbelen,” zuchtte Lientien; „dat +leelijke gescheld altijd! mamp wil ’t niet hebben.” +</p> +<p>„Wie begint?” vroeg Puck heftig. „Is „nest” soms geen schelden?” +</p> +<p>„Nest is lang zoo leelijk niet als: aap,” vond Lientien. „Als Frits weer „nest” tegen +je zegt, moet je vragen: „hoeveel eitjes liggen er in?” dan kijkt hij vast op zijn +neus.” +</p> +<p>„Flauw,” vond Puck, waarop Lientien met een driftig kleurtje beweerde: „Iedereen kan +ook niet zoo knap en geleerd zijn als Johanna van Vorden.” +</p> +<p>Puck schudde boos haar zwarte krullen, en liep hard weg, terwijl „Meester” tegen Lientien +zeide: „Foei, schaam je wat, om zoo uit te vallen. Na ’t eten ga je dadelijk je kastje +opruimen, hoor!” +</p> +<p>Lientien wist niet, dat zij zich, nog veel erger dan nu, over haar drift zou hebben +te schamen, eer de avond gevallen was. +<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p> +<p>Dadelijk nadat ze van tafel was opgestaan, had Lientien den lust weerstaan met Puck +den tuin in te loopen, en zat nu op den grond vóór haar half leeg gehaald speelgoedkastje +met al de schatten om zich heen verspreid. Juist bedacht ze, of ze daar maar niet +eens een flinke opruiming onder zou houden, en er arme kinderen gelukkig mee maken, +toen Puck de kamer binnenstoof. +</p> +<p>„Lien, Lientien,” riep ze, nog half buiten de deur, „compliment van tante, en of je +vreeselijk gauw voort wil maken. Je moet je blauwe jurk aantrekken en je mooie hoed +maar <span class="corr" id="xd33e462" title="Bron: op. Want">op, want</span> zoo dadelijk komt ’t rijtuig, en gaan we eerst toeren, en dan aan de „Witte Brug” +theedrinken … Ik moet me ook gauw verkleeden …” +</p> +<p>„O Hemel!” riep Lientien, haastig opstaand, „waarom zoo op eens? Nou moet ik mijn +haar ook nog over doen en …” +</p> +<p>„Ja, gauw maar, ’t is een plannetje van oom, juist echt, zoo op eens,” vond Puck. +</p> +<p>Lientien bedacht niet, dat ’t een wel wat vreemd plan was <i>nu</i> nog uit rijden<span class="corr" id="xd33e471" title="Niet in bron"> te</span> gaan, terwijl het al vrij frischjes was buiten bovendien. Argeloos liep ze in de +val, die Puck wijd voor haar had opengezet. Dit juffertje liep weg, quasie om haar +jurk uit de kast op den overloop te halen, en Lientien lette niet op, dat ze vergat +terug te komen. Zij haastte zich wat ze kon, en rende tien minuten later keurig uitgedost +de trap af, de huiskamer binnen. Daar zat de heele familie rustig thee te drinken, +en keek zeer verbaasd, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>toen ze Lientien daar op eens in groot toilet zag verschijnen. +</p> +<p>„Maar prul,” riep Frits, „hoe kom je zoo laat nog in je mooie spullen? Waar wou je +heen, poes?” +</p> +<p>Lientien keek beduusd: „Maar gaan we dan niet uit rijden? Puck zei, dat papoes …” +</p> +<p>Daar vloog de kamerdeur wijd open en in de gang stond Puck te dansen van pleizier +over haar goed gelukte Aprilgrap, terwijl ze met een hoog stemmetje zong: „Eén April, +één April, mag je foppen wie je wil. Lekker! lekker! Lientien, sliep uit!” +</p> +<p>Verbijsterd keek Lientien rond. Haar groote blauwe oogen gingen, meelij smeekend, +van den één naar den ander. Maar niemand nam ’t voor Lientien op. Nel, papoes, Frits, +zelfs mampie, allen zaten te lachen, en lieten Lientien alleen met haar verdriet en +teleurstelling. En daartusschen klonk Puck’s sarrende stem: „gefopt, gefopt.” Lientien +werd hoog rood, ze beefde van boosheid, en wilde niet luisteren naar de waarschuwende +stem van „Meester”. Vóór ze ’t zelf wist, was ze op Puck toegevlogen, en gaf haar +een klinkende oorvijg, dien ze dadelijk met interest terug ontving. +</p> +<p>„Foei kinderen, schaamt je wat!” riep mamp, en Frits had ’t vechtend tweetal in een +oogenblik uiteen. +</p> +<p>Lientien liep op vader toe en borg haar beschaamd gezichtje tegen zijn schouder. Doch +vader trok haar op zijn knie, en zei: „Ziezoo, nou ben je echt een klein, stout schootkindje. +Maar Lienepien, hoe kan je een onschuldig grapje nou toch zoo hoog opnemen? En je +houdt zelf zooveel <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>van een fop. Wie kaatst moet den bal verwachten, kleintje.” +</p> +<p>„Ja maar, ik was al zoo moe,” snikte Lientien, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>en toen dat gejacht en gerep, en dat U mij allemaal ook uitlachte, <i>dat</i> was nog ’t ergste.” +</p> +<p>„Zeker,” suste mamp, „dat was ook wel een beetje erg. Maar, Lientien, je bent toch +een echt gansje om te denken, dat we, nu ’t nog zoo koud is en vroeg donker ook, uit +rijden zouden gaan.” +</p> +<p>„’k Was zeker zoo suf door al dat vervelende opruimen en uitzoeken van ’t speelgoed,” +zuchtte Lientien. +</p> +<p>„Kom,” sprak vader, „zoen mekaar nou maar gauw áf, en ga je daagsche jurk aantrekken, +Lientien, dan wil vader nog een eindje met jullie wandelen, en brengen we wat lekkers +mee voor bij ’t tweede kopje thee.” +</p> +<p>Daartoe was Lientien dadelijk bereid, en Puck niet minder. +</p> +<p>In haar hart vond zijn kleine dochter gearmd met vader wandelen haast nog echter dan +uit rijden gaan. Vader wist zoo eenig leuk te vertellen van vroeger, uit zijn eigen +kinderjaren. Je kon dan onder ’t toeluisteren uren achtereen loopen zonder moe te +worden. Dit keer vertelde vader, dat hij in zijn jeugd ook verbazend driftig was, +en daar veel ergernis en verdriet door had gehad. +</p> +<p>„Hoe hebt u dat dan afgeleerd, papoes?” vroeg Lientien. +</p> +<p>„Misschien wel door al de draaien om mijn ooren, die ik er voor kreeg,” lachte vader. +„Want ik was op kostschool <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>en dat is nog wat anders dan thuis. Bovendien vonden de opvoeders in mijn jeugd, dat +’t een jongen toekwam zoo af en toe een pak te krijgen. ’t Hoofd van de kostschool, +dien wij jongens „de baas” noemden, was een van de beste, braafste menschen, dien +ik ooit gekend heb; de goeie man is nu al jaren dood. Wij, jongens, zouden voor hem +door ’t vuur zijn geloopen, want we wisten allen, dat hij streng, maar ook stipt rechtvaardig +was. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De baas kon veel van ons verdragen, omdat hij van kinderen hield en, behalve geniepige, +gemeene streken, zag hij bijna alles door de vingers. Wanneer hij een jongen met zijn +groote, doordringende oogen aanzag, <i>moest</i> je de waarheid zeggen, al was ’t nog zoo moeilijk. Maar, had je eerlijk bekend, en +vergiffenis gevraagd, dan werd hij net als een vader voor je, en bij je zelf dacht +je: „Ellendig toch, dat ik den baas verdriet heb aangedaan.” +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Nou, vader was een echte driftkop, zooals ik jullie al vertelde, en tegen een vechtpartijtje +zag hij ook niet op. Vechten was op school verboden, en de baas had me al eens een +paar keer gewaarschuwd: „Carel, daar komt nog eens hommeles van, als je dat opstuiven +niet kunt laten; vecht je weer, dan krijg je een pak.” +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En zoo kreeg ik trouw een draai om mijn ooren, als ’k aan ’t razen was, en heb ook +menig pak gehad. Maar ik geloof, dat de ernstige, vriendelijke woorden van den baas, +na afloop van de straf, mij veel meer geholpen hebben om die leelijke fout er langzamerhand +onder te krijgen, dan de klappen.” +<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> +<p>„Je voelt ’t toch altijd aankomen, hé vader, als je wat verkeerds wil doen,” sprak +Lientien peinzend, „dan word je gewaarschuwd.” +</p> +<p>„Door „Meester”,” spotte Puck. +</p> +<p>„Juist Puck, en jij zult ook heel verstandig doen met zooveel mogelijk naar „Meester” +te luisteren,” meende oom. „En hier heb je nou net een lekkeren banketbakkerswinkel. +Wat zullen we nu eens voor thuis meebrengen?” +</p> +<p>Puck vond: lekker-lekkerkoekjes, en Lientien: roomsoezen. Ze wilden natuurlijk zelven +de zakken dragen, als vader de porte-monnaie maar open deed. Waartoe vader onmiddellijk +overging; hij wist nu eenmaal: „als je met meisjes uit bent, moet je niet op een dubbeltje +zien.” +</p> +<p>Puck’s Aprilgrap had dus nog een lekker, zoet gevolg, en er was zooveel, dat iedereen +volop smullen kon. +</p> +<p>Toen Lientien dien avond naar boven ging, en er met schrik aan dacht, wat een rommel +er nog op den grond van haar kamer lag, vond ze daar alles keurig opgeruimd. +</p> +<p>Dat had Nel natuurlijk gedaan, en Lientien bedacht met een dankbaar hart, hoe lief +dat van haar was. +</p> +<p>Hoe heerlijk toch om een tehuis te hebben als zij had, met zulke lieve ouders, die +nooit draaien om de ooren gaven, maar alleen met geduld en liefde te werk gingen. +</p> +<p>En daarom hield ze ook nog duizendmaal meer van vader en mampie, dacht Lientien, terwijl +ze haar handjes vouwde, en God bad haar te helpen een goed kind te zijn. +<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2576">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">IV</span> <span class="extraDivNum">IV</span> „MAMA!”</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mevrouw Canneheuvel had, kort na den hevigen influenza-aanval, dien zij eenige jaren +geleden ternauwernood te boven was gekomen, wel gemerkt, dat haar linkeroog daardoor +geleden had, want ze kon er niet meer zoo goed mede zien als vroeger. Dit was langen +tijd zoo gebleven, en mama meende, dat ’t niet verergeren zou. Doch den laatsten tijd +bleek dit wel ’t geval, en in zoo hooge mate, dat vooral papa zich ernstig ongerust +begon te maken, en den dokter liet komen. Deze onderzocht mama’s oogen zeer nauwkeurig, +en raadde haar aan, te Utrecht professor Snellen te raadplegen. +</p> +<p>En nu waren papa en mama zoo even uit Utrecht thuis gekomen. Nel had best gezien, +dat vader alles behalve opgewekt keek, toen hij naar boven ging, en haar met mama +alleen liet. Mama trok Nel naast zich op den divan, en Nel streelde zachtjes haar +hand, doch ze durfde mama niet aankijken, want ze had moeite haar tranen te bedwingen. +</p> +<p>„Luister nu eens, kind,” sprak mama met haar vriendelijke, opgewekte stem, „nu moet +je niet zoo wanhopig doen en zoo erg bedroefd zijn, want daar is in ’t geheel geen +reden toe. Wat denk je toch eigenlijk, Nel?” +</p> +<p>„Nou,” antwoordde Nel, terwijl ze moeite deed het beven van haar stem te bedwingen, +„als dokter toch zegt, dat U vreeselijk voorzichtig moet zijn, en U voor alles in +acht <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>moet nemen, omdat U anders … omdat Uw andere oog anders …” +</p> +<p>Gevoelige Nel kon zich niet langer goedhouden, en snikte ’t uit, terwijl zij haar +hoofd tegen mamp’s schouder drukte. +</p> +<p>Doch mamp hief Nel’s gebogen hoofd op, en keek haar vast in de oogen. „Niet zóó Nel, +kalm toch, m’n lieve kind … Hoe kan ik met je praten, als je je zelf zoo toegeeft? +Kom! kom! vroeger hielp ik jou met alles voort, nu moet ik een steuntje krijgen van +mijn oudste dochter, is dat nou zoo erg?” +</p> +<p>Nel veegde haar tranen af, en gaf mama’s hand een extra drukje. +</p> +<p>„Vertel U mij alles uitvoerig wat de professor gezegd heeft, wil U?” verzocht ze. +„U heeft gelijk, ik ben echt kinderachtig, let U er als ’t U belieft maar niet op.” +</p> +<p>„Je bent mijn eigen, hartelijke Nel … Wel kind, professor was ’t in hoofdzaak met +onzen dokter eens, maar hij zag ’t geval toch lichter in. Volgens hem kan ik, net +als ieder ander mensch, goed blijven zien met mijn rechteroog als ik voorzichtig ben, +alle opwinding vermijd, en mij, ook lichamelijk, zeer in acht neem. „U moogt nooit +meer op een stoel klimmen of boven Uw macht reiken, moet heel langzaam en voorzichtig +trappen loopen, en U vooral nooit en met niets overhaasten … Als U zich aan dien raad +houdt, kan U het licht in Uw gezonde oog even lang behouden als anders ’t geval geweest +zou zijn …” Zie je wel, Nel, dat ’t lang zoo erg niet is als je dacht? Er zijn honderden +<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>menschen, die maar met één oog zien. ’t Moet verbazend gauw wennen met lezen, handwerken +en zoo.” +</p> +<p>„Kan U <i>niets</i> meer zien met uw ééne oog, mampie?” vroeg Nel bekommerd. +</p> +<p>„Zoo goed als niets, lieverd; van verre alles en iedereen slechts in wazige omtrekken, +en dichtbij niet veel beter.” +</p> +<p>„Maar ik zie in ’t geheel geen verschil tusschen uw oogen. Ze zijn allebei even helder +en … Kunnen die geleerde heeren zich niet vergissen? ’t Is misschien iets tijdelijks, +iets …” +</p> +<p>„Neen Nel; als ’k dat geloofde zou ik mij met ijdele hoop vleien. Ik zal precies leven +als de professor mij heeft aangeraden. En nou gaat moeder eens ernstig met je overleggen, +kind. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Hoe veel ’t mij ook kost, ik moet de zorg voor ’t huishouden zoo goed als geheel uit +handen geven. Je weet wel, Nel, hoe graag ik tot nu toe alles zelf deed, en ’t is +dus wel een groote beproeving voor me niet meer voor jullie en in mijn huishouden +bezig te kunnen zijn … Maar ’k zal mijn best doen daar niet over te tobben, en mij +op mijn wenken laten bedienen voortaan, zooals papa dat wenscht.” +</p> +<p>„Was papoes niet vreeselijk bedroefd, toen hij ’t hoorde?” viel Nel in. +</p> +<p>„’k Geloof, dat vader ’t veel erger vond dan ik zelf, kind, maar nu we de zaak eens +van alle kanten bekeken hebben, doet papa ook zijn best ’t vele goede, dat overblijft, +niet <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>voorbij te zien. ’k Behoef niet hulpbehoevend te worden, Nel, als … ik heel voorzichtig +ben.” +</p> +<p>Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd zoo verwende +met haar aan alles denken, voor alles zorgen … +</p> +<p>„O mampie, ik <i>kan</i> mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte Nel. +</p> +<p>„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te zitten,” glimlachte +mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige dingen: veel met vader wandelen, +arme tante Sjarlotje gezelschap houden, dan volop lezen en … weet je wat ik bedacht +heb, poes: ik ga weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n +beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in huis is, want +vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren dichthouden, en dat mogen wij hun +niet aandoen.” +</p> +<p>Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, +„er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk overneemt. Als papa maar niet zoo’n +hekel had aan juffrouwen. Papa vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn, +omdat hij ’t er in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.” +</p> +<p>„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord had, met nadruk +in. +</p> +<p>Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet <span class="corr" id="xd33e576" title="Bron: aan hooren">aanhooren</span> komen. +<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> +<p>„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg Frits bescheiden, +en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof gezegd?” +</p> +<p>„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar jongen in de +breede vensterbank naast zich. +</p> +<p>Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij zoo even aan +Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te luisteren, en wisselde veelzeggende +blikken met Nel. +</p> +<p>Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op beide wangen. +Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te toonen wat hij voelde, en zijn +opgewekten kijk op de dingen had hij gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel +door helpen, mamp,” verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in +eere houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden moeten +gelooven.” +</p> +<p>Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden stem: „Als U ’t +mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats vervullen, mamp. ’k Weet wel, +dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden +als er een vreemde in huis moest komen, en …” +</p> +<p>Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van een en twintig +is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel dat eigenlijk alleen in <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd aan, maar uit zijn blik sprak ook stille +trots: „wat een lieve, flinke meid was Nel toch.” +</p> +<p>En wat mamp wel bij zich zelf dacht?… +</p> +<p>„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij eindelijk. „Maar +kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat in ’t huishouden meehelpen als +je er juist zin in hebt, is zoo heel anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al +je tijd en denken aan te geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor +de huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor menig pleziertje +opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa en ik je zoo van harte gunnen. +Bovendien denk je er immers nog altijd over om naar Leiden te gaan, en aan de studie +te beginnen?” +</p> +<p>„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader zei laatst, +dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.” +</p> +<p>„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama, en Frits verklaarde +wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de meisjes om, met de jongelui mee, +aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij, dat Nel er niet aan mee wil doen.” +</p> +<p>„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen te zeggen,” +oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens over hebben. Zooals ik +al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve kind, maar ik wil niet, <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>dat je een deftige huismusch zult worden, terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld +bent. Je moet gewoon je jongemeisjespleziertjes aanhouden en …” +</p> +<p>„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of uit wil,” viel +Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U zal eens zien, hoe lekker ik +voor de koffietafel zorg, als ik er op mag zetten wat lekker is …” +</p> +<p>„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet ik ’t niet … +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t kunnen stellen zonder +een juffrouw, die natuurlijk steeds in den huiselijken kring zou moeten zijn. In de +eerste plaats, omdat vader ’t niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien. +Maar een kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó ongeveer +in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders rechter- en linkerhand, en +leent mij ook haar vlugge voeten als ’t noodig is. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante Sjarlotje te nemen, +want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender +wordt. Maar tante wil ook al niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer +helpen bij ’t aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te worden. +Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor tante te doen. ’k Neem +er dan een aankomend meisje bij <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>om Betje beneden te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal +alles zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik zijn, +dat we, binnen, onder ons blijven.” +</p> +<p>„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,” merkte Frits aan—„want +midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden uit haar kamer komen—kan Kee toch +ook wel meehelpen, hé mamp?” +</p> +<p>„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa opzoeken om de +nieuwe regeling verder met hem te bespreken.” +</p> +<p>„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei Nel, „en als ik +’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we de anderen mopperen, hé?” +</p> +<p>„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog leeren, of als je +mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en zóó,” vond Frits noodig op te merken. +</p> +<p>„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet mij ook niet +met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.” +</p> +<p>„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama, „dan kan hij +zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had uitgelegd, dat dit een soort +knoop was, die je, zonder naald of draad te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen, +toonde het jongmensch zich hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding. +</p> +<p>„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>„mijn schoenen onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.” +</p> +<p>Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t ongeluk, dat die +lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het droeg. +</p> +<p>„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als <i>onze</i> mamp,” verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor ons. +Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.” +</p> +<p>„Daarom moeten <i>wij</i> ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al was ’t alleen maar omdat we alles +aan mamp te danken hebben, zouden we haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt +flink van je, Nel, de nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.” +</p> +<p>„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij, dat dat studeeren +van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe langer hoe minder lust in, en ’t +huishouden besturen lijkt mij echt leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder +aan mij hebben dan aan mamp, dàt waarschuw ik vooruit.” +</p> +<p>„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij geen steek te +zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de gehoorzaamheid van de kinderkamer, +en je moogt Puck, Lientien, Socrates en <span class="corr" id="xd33e631" title="Bron: Wald">Waldi</span> naar hartelust bedrillen.” +</p> +<p>„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd. „Je bent en blijft +zes jaar jonger dan ik, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>ventje, en behoort, ook nog drie kwart tot de kinderkamer.” +</p> +<p>„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar eindexamen hoopt +te doen, staat minstens gelijk met een meisje van twintig.” +</p> +<p>„Eén en twintig, als je belieft.” +</p> +<p>„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de winkels zeggen +ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.” +</p> +<p>„Zóó, ouwe heer.” +</p> +<p>„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan, en in alles +mamp te vervangen … nou, ik heb er een zwaar hoofd in.…” +</p> +<p>Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich dus niets aan +van zijn laatste woorden. +</p> +<p>Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles goed en best +wat Nel deed omdat.… zij het deed. Al waren ze nu te groot om nog „parkieten” te heeten, +ze bleven dezelfde trouwe kameraden als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel +meer aan dan de andere kinderen onderling. +</p> +<p>Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk gelijk op met +Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen hen kleiner, redeneerde +hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog +wat graag. Ze speelde en schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf +nog een kind was. +<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p> +<p>Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t geheel geen +nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H. B. S.: van die vervelende, aanstellerige +wichten met een verbeelding en een idee van zich zelf!.… Omdat een meisje één zat +in hun klas (en dat was nog de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de +andere meisjes, dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.… De meesten +van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van zelf sprak. Echt prettig, +dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn behoefte zijn zuster iets hartelijks +te zeggen, sprak Frits: „Zooals je weet, Nel, zorg <i>ik</i> voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat heb ik mij vast voorgenomen. +Maak je dus maar niet ongerust, dat je niet altijd een boterham (en met wat er op +ook) hebben zult.” +</p> +<p>„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel. +</p> +<p>Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan mij vroeg? Of +ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou willen worden. Ik kon nog +heelemaal niet tot een besluit komen, maar nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden +naderhand oogarts. En ik ga mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien +is ’t toch mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen maar +tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl er zulke knappe oogendokters +zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.” +<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p> +<p>„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit verwaandheid zegt.” +</p> +<p>„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen ontdekken, zie je, +en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd hebt, en wat meer weet van de +zaak dan een ander.… ’k Hoop wel, dat ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar +ik gooi me zelf toch ook niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren +ze me daar altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter Canneheuvel?” +Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens antwoorden: „Neen, die knappe is +een broer van <i>mij</i>! of zoo iets.” +</p> +<p>„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.” +</p> +<p>„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft niet in haar brieven, +ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo prachtig opereert, en de Chineezen er om +vechten door hem geholpen te worden.” +</p> +<p>„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.” +</p> +<p>„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij zijn. In elk geval +blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet. Maar voorloopig, Nel, blijft dit +tusschen ons, vooral de „kinderkamer” heeft met mijn plannen voor later geen steek +te maken.” +<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2585">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">V</span> <span class="extraDivNum">V</span> HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht gingen, want +papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden maken met hun vragen, beklag, +en van alles willen weten. Socrates en Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven +er dan ook doodkalm onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de +groote baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend nieuwsgierig, +en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van alles geheimen maken. Ze vroeg +er Frits naar, maar die was natuurlijk weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine +meisjes moeten haar beurt afwachten en niet vragen.” +</p> +<p>„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn jaardag,” bedacht Lientien. +Waarop Puck niet overbeleefd informeerde, of Lientien bij geval mal was? In Den Haag +kon je immers alles veel mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht?<span id="xd33e680"></span> +</p> +<p>„Nou ja …,” zei Lientien een beetje verlegen,… „maar we zullen ’t toch wel gauw hooren +als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol. +</p> +<p>„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>laten merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante wegreden.” +</p> +<p>„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?” +</p> +<p>„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen, die mogen <i>per sé</i> nooit wat weten.” +</p> +<p>„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt tegenwoordig altijd +van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen geleerd.” +</p> +<p>„Iedereen weet, dat „<i>per sé</i>” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck wijs. +</p> +<p>„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat begrijpt iedereen, +en ik doe ’t ook.” +</p> +<p>De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige rooden beuk. +</p> +<p>Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en maakten daar grappige +geheimpjes van. +</p> +<p>De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den geur van de sterk +riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd „mamp” gedoopt, dat was de mooiste +plant uit den tuin. De stammargariet heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar +de witte meidoorn moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat +hij vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan op Frits’ +armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die al hooger tegen den +muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed aan haar <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er naast: „de schitterende +edelknaap”. +</p> +<p>De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand begreep, wat ze +bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de vorstin” al zoo „kaal” werd, +of dat „de schitterende edelknaap” op springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa +Fluweeltje” (een prachtige licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht +Nel, dat de kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de +twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je poppen dan ook +in ’t gras liggen?” +</p> +<p>Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt aardig zijn, +en allerlei leuke dingen verzinnen. +</p> +<p>Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid moest worden. +„Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk die lange takken eens bovenaan, +je ziet haast geen blaadjes, alleen stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel +praatjes en kale drukte.” +</p> +<p>„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd, „jij hebt +altijd wat op Frits aan te merken.” +</p> +<p>„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.” +</p> +<p>Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan bekijken. Die +had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een uit. +</p> +<p>Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>den tuin door tot ze ’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen. +Doch papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze moesten +nu niet hinderen. +</p> +<p>Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje rondslenteren; ze had +een plannetje bedacht. Jongejuffrouw „Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden, +en nauwelijks was de kust vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze <i>moest</i> weten wat die geheimzinnigheid beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open, +dus sloop Puck weer naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t +venster bleef staan, kon ze elk woord verstaan. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net hardop: „1625–dood +van Maurits, 1647–…” +</p> +<p>Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck binnen. +</p> +<p>„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante … je ma … ik heb ’t door ’t raam gehoord. Nel +huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de professor heeft gezegd.…” +verder kwam ze niet. Want Lientien werd doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen, +en stond Puck, verstijfd van schrik<span class="corr" id="xd33e726" title="Niet in bron">,</span> aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck nog harder begon te huilen. +</p> +<p>„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos … dat kon toch niet … dat +mocht niet … Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien dat vreeselijke gelooven. +<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> +<p>Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij papa opzoeken. +</p> +<p>Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en streelde Socrates, +die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug. +</p> +<p>Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo bedroefd uitzag, +als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje, zoodat poes met een verontwaardigden +„mauw” van papa’s schoot sprong, en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen +om zijn hals. +</p> +<p>„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig weenen van +zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd: „Is ’t waar, dat mampie …?” +raadde tegelijkertijd de waarheid … En o! wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien +door haar lieven vader zoo heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden. +</p> +<p><span id="xd33e736"></span>’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als Puck had gemeend. +Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders hart, beloofde hem een groot, +verstandig meisje te zijn, en het mama niet lastig te maken door overdreven beklag, +en ’t haar voortdurend laten merken, dat ze zich ontzien moest.<span id="xd33e738"></span> +</p> +<p>„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er Puck ook aan +herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten wezen.” +</p> +<p>„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd naar boven te +gaan.” +<span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span></p> +<p>Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met een hangend +hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.” +</p> +<p>„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute meid niets beters +te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt àl ongehoorzamer en …” +</p> +<p>Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te kijken, en zonder +vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en kuste zoo warm haar beschreid +gezichtje, dat Lientien haar verdriet vergat, en haar belofte aan vader indachtig, +mampie toelachte. Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak +verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze toch zoo blij, +dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien, wanneer ze maar deed wat de professor +had aangeraden.— +</p> +<p>Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien<span class="corr" id="xd33e750" title="Niet in bron">.</span> Mama had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa, want ’t +kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had, was zóó ontdaan en +bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging, toen zij berouwvol voor hem stond. +Met een punt van haar schortje veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl +ze snikte: „Ik kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo +vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou dacht ik, dat tante +bl … blind zou worden, en dat …” +</p> +<p>„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>over praten, dat je zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en +kus het àf.”— +</p> +<p>’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te houden. En +om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had uitgehaald, gauw en gemakkelijk +vergeven hebben.— +</p> +</div> +</div> +<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2594">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">VI</span> <span class="extraDivNum">VI</span> „GEERTJE”.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De keuze uit de vele meisjes, die zich kwamen aanbieden op de advertentie van Mevrouw +Canneheuvel (de meesten met een piekerig vlechtje in den hals en een schraal, bleek +snoetje), viel op een zekere Geertje Bom, wie het niet aan de noodige vrijmoedigheid +ontbrak, toen zij zich kwam aanmelden. +</p> +<p>Doch, hieraan gepaard ging iets bepaald trouwhartigs in het optreden van het veertienjarig +ding, dat Mevrouw Canneheuvel erg voor haar innam. +</p> +<p>„’k Wou zoo dolgraag hooger op, ziet U,” zei Geertje, „en U doet er een weldaad mee +als U mij neemt, want moeder heeft zoo’n groot gezin, en ik moet verdienen. Nou is +zoo’n diensie as ’k nou heb, zonder middageten, niks niet gedaan. Toe Mevrouw, neem +U mij nou, U zal er geen <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>spijt van hebben, ikke kan werken als een paardje.”— +</p> +<p>De helder blauwe oogen smeekten mee met de overredende stem, en Geertjes lief, frisch +gezichtje sprak ook in haar voordeel. ’t Kind droeg de Scheveningsche muts met ’t +hoofdijzer (door Geertje „beugel” genoemd), ze had een helder blauw boezelaar vóór, +en maakte een properen indruk. De Juffrouw in den winkel, bij wie ’t meisje gediend +had (van zeven uur ’s morgens tot drie uur ’s middags), gaf vrij gunstige getuigen. +</p> +<p>Geertje plaste wel wat veel met water, en ze had meer weg van een ouwelijk vrouwtje +dan van een kind. Ze moest nog veel leeren, en, of ze nou precies paste in een deftigen +dienst?.… Maar eerlijk en werkzaam, dat <i>was</i> zij, en eten kon ze voor tien. +</p> +<p>Van dit laatste vooral bleek de Juffrouw goed op de hoogte. Toen Geertje dien eersten +avond uit haar nieuwen dienst om acht uur naar huis ging, raakten Kee en Bet er den +heelen verderen avond niet over uitgepraat, zooals <i>dat</i> kind met haar vork terecht had gekund. „’t Leek wel,” zei Bet, „of ze aan ’t hooi +laaien was, zoo schoof ze der eten naar binnen, en der vingers werkten flink met der +vork mee.” +</p> +<p>De groote meiden waren nog niet halfweg met haar eerste portie, toen Geertjes bord +al schoon leeg was, en ze gluurde zoo begeerig naar de aardappels en lekkere jus, +of ze nog niks gehad had. +</p> +<p>Groente, daar gaf ze niet veel om, en ’t tapiocaschoteltje <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>toe, was een kossie, dat ze niet kende, en waaraan zij zich dien eersten keer maar +niet zou wagen. „Nou,” vond Bet, „wonderen doet ’t me niet, ’t kind had zich te.…. +(en hier gebruikte Bet geen net woord) gegeten aan vleesch met aardappels en vette +jus. Haar bord leek wel een kerktoren, zoo hoog als ik ’t had opgestapeld.” +</p> +<p>Aan dikke boterhammen met vleesch of koek, liet Geertje zich ook niet onbetuigd. „’t +Was te merken,” zei Bet, „dat er eentje bij was in de kost.” Doch mevrouw Canneheuvel +gunde ’t Geertje graag, dat ze nu eens volop kreeg, te meer daar ze wel haar best +deed, en flink aanpakte. +</p> +<p>Bet en Kee sprak Geertje heel beleefd, met „U” aan, en deed steeds alles wat beiden +haar opdroegen, zonder ooit tegen te stribbelen. (Moeder had immers gezegd: „houd +de groote meiden te vrind, dan heb je ’t goed.”) Heel gedienstig nam het Scheveningstertje +Bet dikwijls wat werk uit de hand, wanneer die ’t wat drukker had dan anders met haar +„pot”, en bleef dan wat later als er dan veel vaten waren te wasschen. De slimmerd +wist wel, dat ze voor haar gedienstigheid den volgenden dag een belooning kreeg in +den vorm van een kopje extra zoete, heete koffie. Volgens Geertje was dit de heerlijkste +drank der wereld. Met haar voeten op de stoelsport, en de roode handjes om de kom +gevlijd, en de oogen half dichtgeknepen van zoet genot, slurpte ze met kleine teugjes +haar kommetje leeg. Ze had dat van huis meegebracht, en er ging veel meer in dan in +een kopje. Maar, was dit leeg, dan sprong <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>ze ook vlug op, en ging met zulk een ijver aan ’t messen slijpen, dat de vonken er +afsprongen, terwijl ze haar voorhoofd vol rimpels trok van de inspanning. Of ze gaf +’t tegelplaatsje bij den tuin<span id="xd33e790"></span> een extra beurt, want daar mocht ze naar hartelust met water kletsen. In de keuken +moest Bet daar niets van hebben. +</p> +<p>Lientien had Geertje graag als een soort kameraadje behandeld, maar dat viel tegen. +Want Geertje maakte ’t zich veel te druk met werken om voor iets anders tijd te hebben, +en bovendien voelde ze niets voor Lientiens spelletjes; daarvoor was ze veel te oud-vrouwtjesachtig. +</p> +<p>Tot Lientiens groote verontwaardiging had Geertje ook niets op met Socrates. ’t Was +bepaald vijandschap tusschen die twee. Geertje joeg poes weg van haar pas geschrobd +plaatsje met een: „Vort kat,” waarover deftige Socrates zich, met recht, zeer gekrenkt +voelde. Aan zulk ruw toespreken was hij volstrekt niet gewend. Waldi nam ’t misschien +wel op voor Socrates, want hij blafte Geertje in ’t begin altijd aan, als ze in zijn +buurt kwam. Langzamerhand leerde hij haar bijzijn verdragen, doch toonde zich nooit +aanhalig tegen ’t meisje. Geertje droeg deze ramp zeer wijsgeerig. „’t Komt zeker +van mijn mussie, daar kan ’t stomme beest niet aan wennen,” meende zij. +</p> +<p>Puck en Geertje kibbelden heel wat af. Dat kind had <span class="corr" id="xd33e797" title="Bron: absolut">absoluut</span> geen manieren, volgens Puck, en wat was ze mal aangekleed! „Waarom draag je geen +katoenen jurk in plaats van die hoop rokken en dat leelijke jak?” informeerde <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>ze smadelijk. Waarop Geertje haar afbonjourde met de verzekering, dat die hoop rokken +haar „drach” was, en die liet ze niet. +</p> +<p>Wanneer Puck Geertje verweet, dat ze haar expres lang voor de deur liet staan en twee +maal schellen, onderzocht Geertje, of Puck altijd zoo heet gebakerd was, of ze zei +kortaf: „loop heen.” Geertje verkoos ook geen jongejuffrouw meer te zeggen tegen de +kleine meisjes, zooals ze de paar eerste dagen gedaan had. Ze mompelde zoowat van: +„ja hum,” „nee hum,” wat alles behalve beleefd kon worden genoemd. +</p> +<p>Nel verbood Puck mama lastig te vallen met haar klachten. Ze moest zich maar niet +met Geertje bemoeien en bedenken, dat Geertjes moeder geen tijd zou hebben gehad om +haar dochtertje goede manieren te leeren.—Puck en Lientien maakten onder elkaar uit, +dat het nieuwe meisje zoo’n raar kind was, omdat ze tusschen bokking en scharretjes +was opgegroeid. (Haar vader dreef, voornamelijk in deze vischsoorten, een handeltje.) +Eens, toen Puck weer kwaad op haar was, wilde ze Geertje ergeren met te zeggen: <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’t Komt zeker van de bokking bij jullie, dat je weer zoo bokkig bent.” Waarop Geertje +gevat antwoordde: „Dat ben jij dan zonder bokking.” Puck bleef sprakeloos van woede, +maar ze hield der complimenten voortaan vóór zich, vertelde Geertje in de keuken.— +</p> +<p>Puck had echter, niet minder dan de andere kinderen, toch wel erg met Geertje te doen, +toen zij (op een morgen <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>thuis geroepen, omdat moeder zoo náár lag) ’s avonds kwam vertellen, dat deze gestorven +was. +</p> +<p>’t Arme kind huilde erbarmelijk. Hoe moest dat nu met die zes kleintjes thuis? Moeder +was toch zoo goed geweest; ze sloeg nooit hard, en was altijd voor hen bezig. Vader +wist niet wat hij moest beginnen!.… +</p> +<p>In overleg met vader Bom, werd er nu bepaald, dat Geertje voor een week of langer +naar huis zou gaan om voor ’t huishouden te zorgen. Vader wilde zijn oude moeder uit +Zeeland laten overkomen om hem te helpen, want Geertjes verdiensten konden niet lang +gemist worden, en zoo’n puiken dienst als bij „Mevrouw” vond ze ook zoo gauw niet +weerom. +</p> +<p>Nel liep met Puck en Lientien in den tuin ’t geval te bepraten. Ze hadden allen toch +zoo’n meelij met de familie Bom. +</p> +<p>„En moet Geertje nou alleen voor al die wormen bij haar thuis zorgen en eten koken, +en de boel aan kant houden?” vroeg Puck. „Maar Nel, dat kan ze immers niet?” +</p> +<p>„’t Zal maar moeten gaan, zooals ’t gaat,” zei Nel. +</p> +<p>„Je begrijpt: mamp zal Geertje niet in den steek laten. ’t Is net iets voor mamp, +om die stumperds in den nood bij te staan, en Geertje mag al vast hier elken avond +komen halen, wat er aan brood en middageten over is. Ik heb met Bet moeten afspreken, +dat ze wat meer overhoudt dan anders. Koken hoeft Geertje dan alvast niet.” +</p> +<p>„En ze kunnen dan tenminste met hun buikje vol naar bed gaan,” merkte Lientien tevreden +op. Ze zweeg een <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>poosje, en vervolgde toen: „Wat hebben die kinderen een heel ander leven dan wij, +hé Nel? Geertje is toch eigenlijk ook nog maar een kind, en nou moet ze al zoo tobben +en zorgen in plaats van te spelen en pret te maken. Toch wel zielig, dat er zoo’n +verschil moet zijn in de wereld, en je kan er zoo niks aan doen.” +</p> +<p>„Neen, lieve schat, dat kunnen we nou eenmaal niet, maar weet je, wat mamp van morgen +zei? We kunnen <i>wel</i> ons best doen, naar ons vermogen menschen, die ’t noodig hebben, bij te staan en +te steunen. Niet alleen met ons meelij aankomen, maar echt <i>helpen</i>.” +</p> +<p>Lientien dacht een poosje nà, en stelde toen voor: „We moesten van onze centjes sparen +om hun met St. Nicolaas wat te geven, zullen we, Puck? Als we elke week vijf centen +op zij leggen houden we nog twintig over; dat kan best. ’t Is nou pas Juni, dus wat +een weken hebben we nog!! <span class="corr" id="xd33e830" title="Bron: Mischien">Misschien</span> doe jij ook wel mee, Nel?” +</p> +<p>„Met liefde hoor, en ik geef een dubbeltje, omdat ik zooveel meer zakgeld heb!” +</p> +<p>„Zou Frits ook willen?” onderzocht Lientien, die vond, dat de zaak flink moest worden +aangepakt. +</p> +<p>„Secuur,” besliste Nel. +</p> +<p>„Nou maar <i>ik</i> vind vijf cent veel te veel,” zei Puck. „Ik heb nog schuld ook; ’t geef er maar twee.” +</p> +<p>„Ieder centje is welkom,” meende Lientien vriendelijk. +</p> +<p>Na drie weken kwam Geertje terug. In plaats van grootmoeder, was tante Heintje gekomen +om te helpen. Tante <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>Heintje was weduwvrouw, en had zelf geen kinderen. Geertje vond tante een goeie, ouwe +zeur, die den jongens stellig geen baas zou blijven. +</p> +<p>Aan Geertje kon je niet merken, dat ze zich moeders dood erg aantrok. Ze was niet +stiller dan anders, en schreien deed ze evenmin. Onder haar werk neuriede ze, als +vroeger, dezelfde eentonige liedjes. +</p> +<p>„Hoe kan Geertje toch weer zoo gewoon zijn; haar moeder is nog geen maand dood,” zeiden +de kleintjes. +</p> +<p>Doch mama wees hen terecht; de kinderen moesten niet zoo naar ’t uiterlijke oordeelen. +In haar hart was Geertje zeker nog wel bedroefd, al toonde zij dit niet naar buiten. +</p> +<p>„’t Komt zeker van die weeë vischlucht,” zei Puck tegen Lientien. „’t Is me ook wat +lekkers om te moeten slapen in gezelschap van gerookte visch. Geertje zegt, dat ze +er nooit wat van ruikt; natuurlijk is haar reuk afgestompt en de rest zal wel „<span class="corr" id="xd33e851" title="Bron: na venant">navenant</span>” wezen.” Puck wist dit alles zoo precies van Frits. Die had een poosje geleden een +pakje aangereikt, namens Mevrouw Canneheuvel, bij de familie Bom, en was toen even +in de huis- tevens slaapkamer geweest. Er waren wel drie bedsteden tegen de wanden. +De kamer zag er zindelijk uit, maar ’t riekte er alles behalve aangenaam, van wege +de bokkings en scharretjes, die in rissen tegen de zoldering hingen. +</p> +<p>„We hebben nog wel een plekkie op zolder,” had vrouw Bom gezegd, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>maar daar vreten de muizen er aan; dus moeten we de visch wel hier bergen. Och, Jongeheer, +wij <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>menschen moeten maar niet kieskeurig zijn, en ons weten te behelpen. Als de kinderen +maar gezond bennen, en elken dag ’t hunne krijgen, ben ’k al meer dan tevrêe.”— +</p> +<p>Arme ziel! nou hoefde zij zich niet meer te behelpen. Ze was heengegaan, en had de +zorg voor haar kleine stumperds aan anderen moeten overgeven. +</p> +<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> +</p> +<p>Op den duur vond mevrouw Canneheuvel ’t toch wel wat te ver voor Geertje om twee keer +per dag dat lange eind tusschen Scheveningen en de Groot Hertoginnelaan af te leggen. +Er was op zolder een klein kamertje met plaats voor een bed, waschtafeltje, stoel +en tafel. Dit vertrekje werd nu voor Geertje ingericht. Door een flink raam had je +„’t mooiste uitzicht van heel ’t huis,” zei Frits, want je zag de duinen in de verte +en, als je goed keek, zelf den vuurtoren. +</p> +<p>De kinderen hadden er schik in Geertjes kamertje aardig aan te kleeden. Lientien spelde +haar mooiste prentbriefkaarten met punaises tegen de beschadigde plekjes van ’t behang. +Nel hing er een groote plaat op (welke lange jaren de kinderkamer had versierd), een +muizenfamilie voorstellend, die een bal geeft, en haar gasten heerlijk onthaalt op +spek, stukjes kaars, en andere lekkernijen. +</p> +<p>Puck versierde de waschtafel met twee bloemenvaasjes, één was nogal kapot, maar stond +met ’t stuk er uit tegen de plank, dus dat hinderde niets. Frits wou ook wat doen, +<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>en had twee vuurroode papieren rozen tegen de gordijntjes bevestigd. Deze versiering +kleedde, volgens hem, niet alleen ’t raam, doch ’t heele kamertje aan. +</p> +<p>Frits wou echter voor Geertje niet weten, dat hij haar met deze schatten had begiftigd, +want hij vond zich zelf te oud en te groot voor zoo iets. ’t Was omdat hij die rozen +nou had, zie je, en Geertje ze zoo prachtig vond, toen zij ze eens bij toeval had +gezien.— +</p> +<p>Toen mama Geertje vroeg, of ze niet liever bij hen wilde blijven slapen, had ’t meisje +onbeholpen van „ja” geknikt. Nu ze echter haar vriendelijk, keurig kamertje zag, was +ze echt blij, en huppelde tusschen het ledikantje en de andere meubeltjes rond of +ze vijf inplaats van veertien was. Alles vond ze prachtig tot de beddesprei, die Bet +nog gevonden en over haar bed had gelegd, en den nachtzak van Kee toe, waarop met +rood verschoten letters: „Wel te rusten” was geborduurd. „En, dat <i>dat</i> nou <i>mijn</i> kamertje is, van mijn eigens,” zuchtte Geertje innig voldaan. „’t Is niet te gelooven.” +</p> +<p>Geertje was heel netjes op haar slaapsalet. Haar grootste plezier bestond er in ’s +Zaterdags ’t zeil met zeepsop op te nemen, en de „heele kamer” een goede beurt te +geven. Ze had dan een bereddering voor tien, droeg alle meubeltjes op den zolder, +en boende, poetste en wreef alles wat hiervoor maar eenigszins in aanmerking kwam, +tot haar ijzeren bedje toe. +</p> +<p>En Bet liet ’t schaap goedig begaan, want het gebeurde <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>maar eens in de week, en maakte Geertjes grootste plezier uit.… op één na. Dàt was +’t poetsen van haar hoofdijzer, waaraan ze menig kwartiertje besteedde, maar dat blonk +dan ook altijd als de zon. „Een zilveren zon, waarin je je spiegelen kon,” zei Lientien. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2603">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">VII</span> <span class="extraDivNum">VII</span> VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De vriendschap tusschen Frits en Japie was niet lang bestand geweest tegen hun scheiding. +Eerst hadden ze elkaar nog af en toe geschreven, maar Frits vond Japies brieven „niets +aan”. De zijne leken hem nog al moppig, maar Japie beantwoordde ze met geen syllabe. +Hij vertelde flauwe grappen van school, en toonde in ’t geheel geen belangstelling +voor Frits’ leven in den Haag, en de nieuwe kennissen, die hij er gemaakt had. Dus +was de correspondentie al minder en minder geworden, en nu zoo wat op sterven na dood. +En met de vriendschap was ’t al niet veel beter. +</p> +<p>Zijn nieuwen vrind had Frits in de muziekclub gevonden. Hij heette Frans van Delden, +en was een lange, tengere jongen van zestien jaar, met heldere blauwe oogen, en een +<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>fijn besneden gezicht. Mevrouw Canneheuvel voelde zich erg aangetrokken tot stillen, +bleeken Frans, ook omdat zijn oogen haar aan die van Careltje (haar jonggestorven +jongetje) deden denken. Frans kon ook zoo ernstig en stil voor zich uitstaren, alsof +hij dingen zag, die voor anderen verborgen bleven. +</p> +<p>Frans was niet sterk en werd, als eenige zoon, thuis door zijn ouders dubbel ontzien. +</p> +<p>Puck, die altijd wat op iemands uiterlijk had aan te merken, vond, dat de armen van +Frans precies leken op die van een slingeraap, haast nog meer dan die van Frits. Maar +als Frans aan ’t spelen was, hield Puck haar brutalen mond. Zij was dol op muziek +en zag hoog tegen Frans op, want zooals die viool speelde deed niemand van de club +’t hem nà, en daarbuiten zeker niet velen van zijn leeftijd. Sinds Frans van Delden +in het muziekclubje was, werd er op de muziekavonden veel beter en mooier gespeeld +dan vroeger. Ook bij de familie Canneheuvel. Mamp en Nel durfden geen mond open doen; +van mopjes of gewone dansjes kwam niets in, en haar oordeel over andere muziek hielden +moeder en dochter wijselijk vóór zich. Slechts verheven muziek werd gespeeld van de +allereerste meesters als: Beethoven, Mozart, Bach en dergelijken, veel te hoog en +onbegrijpelijk voor mama en Nel, doch waarvan vader en Frits genoten. +</p> +<p>Papa vond ’t van zelf sprekend, dat Frans de muziekavonden leidde, en niemand nam +’t hem kwalijk, als hij <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>op zijn kalme, bescheiden manier op gemaakte fouten wees. +</p> +<p>Want Frans was nu eenmaal een muzikaal genie, en zou nog eens als een ster van den +eersten rang aan den kunstenaarshemel schitteren. Daarover waren al zijn vrienden +’t eens, en Frits had zich al vast bij Frans op vrijkaartjes geabonneerd voor de concerten, +waar deze als solist zou optreden. Want die zouden natuurlijk zoo druk bezocht worden, +dat de menschen slechts met moeite een plaatsje zouden kunnen bemachtigen. +</p> +<p>Als Frits zoo aan ’t opsnijden was, verzocht Frans hem kalmpjes niet zoo door te slaan +als een blinde vink. Hij wist volstrekt nog niet, of hij zich aan de muziek zou wijden. +Zijn ouders zagen hem veel liever ingenieur of dokter worden. Want de kunstenaarsloopbaan +toch, is vol stekels en doornen, en éér je nog zoover bent.… Al had Frans aanleg als +violist, ’t was nog hard de vraag, of hij doorzettingskracht genoeg zou hebben voor +die moeilijke studie. Hij stond nog pas aan ’t begin. Al ’t reusachtig zware, de ontzettende +rijstebrij-berg, waar je door heen moet, om wat te kunnen „worden”, daaraan was hij +nog niet eens toe. +</p> +<p>Zoo sprak bescheiden Frans, doch zijn clubkameraden hielden vol, dat ’t allemaal valsche +bescheidenheid was van Frans. +</p> +<p>„Is muziek dan zoo vreeselijk moeielijk, mampie?” vroeg Lientien, die niet begreep, +hoe iemand op noten kon zingen. Met haar lief, fijn stemmetje zong zij ouderwetsche +<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>liedjes naar ’t gehoor, die ze vroeger van tante Sjarlotje leerde. +</p> +<p>„Veel te moeilijk voor ons, lieverdje,” antwoordde mama. „Ik vrees, kind, dat je mijn +muzikalen aanleg geërfd hebt, en wijs zult doen je tijd niet met pianospelen of zangstudies +te verknoeien.” +</p> +<p>Dit was Lientien roerend met moeder eens, al zong ze wel graag voor haar poppen, als +Puck er niet bij was, die dat met poppen spelen van Lientien niet uit kon staan<span class="corr" id="xd33e913" title="Niet in bron">.</span> Daar was je als kind van tien jaar toch al veel te groot voor! +</p> +<p>Puck had bepaald aanleg voor muziek. Als ze er kans toe zag, zat ze voor de piano, +en tokkelde er op los, speelde allerlei wijsjes uit haar hoofd na. ’t Werd tijd, dat +ze les kreeg, doch oom wilde niet, dat Puck op zijn mooien vleugel zou studeeren, +en dus moest er voor Puck een tweede-handsch piano worden aangeschaft, waarop ze naar +hartelust zou mogen oefenen en broddelen. +</p> +<p>„Ajakkes,” riep Jongejuffrouw Puck verdrietig, „waarom mag ik niet op den vleugel? +Je moet juist op een goeie piano studeeren,<span id="xd33e918"></span> zegt iedereen.<span class="corr" id="xd33e920" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Tante zal wel zorgen, dat de piano, die je voor je studeeren krijgt, goed genoeg +is,” zei oom. „Maar van mijn vleugel blijf je voortaan af, begrepen juffertje? Je +gebruikt ’t pedaal of ’t noodig is of niet, en bonkt er me veel te hard op.” +</p> +<p>Tegen oom durfde Puck natuurlijk niet opspelen, maar <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>bij zich zelf dacht ze: „’t Zal wat moois zijn, die piano van tante! Tante zegt zelf, +dat ze in ’t geheel geen verstand heeft van piano’s.” +</p> +<p>Nu, dit was ook zoo, en daarom nam tante Frans in den arm, om haar bij dit zaakje +behulpzaam te zijn. En Frans deed zijn uiterste best, want wie zou zich niet graag +voor Mevrouw Canneheuvel uitgesloofd hebben. +</p> +<p>Toen ’t nieuwe instrument dan ook kwam, en in een kamertje werd geplaatst, zoo ver +mogelijk van den vleugel àf (anders kwam er vast herrie tusschen die twee), was Puck +dan ook nog al ingenomen met <i>haar</i> piano. Frits’ muziekonderwijzer zou ook Puck les geven, en de goeie man had al gauw +reden om hoogst tevreden, of ernstig misnoegd te zijn over zijn nieuwe leerling. Want +Puck studeerde goed of niet, en dan gaf dat op de les prijsjes, doch veel meer aanmerkingen +en verwijten. De heer Stang, door Puck de mopperbaas genoemd, had al gauw verzocht, +of een van de huisgenooten Pucks les wilde bijwonen. Want eigenlijk voelde hij zich +geen baas over bijdehante Puck, die altijd wat had tegen te pruttelen en haar onderwijzer, +als hij haar echt een standje maakte, kon aankijken met haar zwarte flonkeroogen, +alsof ze hem wou opeten. +</p> +<p>Als vader of mamp tijd noch gelegenheid hadden de les bij te wonen, kwam Nel eens +kijken, en vond dan dikwijls tante Sjarlotje, die aan Kee’s arm over ’t portaal was +komen aanschuifelen, en onder ’t gamma’s spelen van Pucks vlugge vingers een zalig +dutje deed. +<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p> +<p>„Hoe is ’t mogelijk,” dacht Nel, „dat tante door dat lawaai heen slapen kan.” +</p> +<p>Maar tante beweerde, dat ze juist nooit lekkerder hazenslaapjes deed dan onder ’t +luisteren naar eentonige geluiden, die al zachter en zwakker werden, tot ze er heerlijk +bij indutte. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Al was de tweede-handsch piano heel goed, ’t ergerde Puck, met haar hoogmoedig hartje, +niet weinig, dat ze niet op den vleugel mocht spelen. Frits, die Jongejuffrouw Puck +niet te best vertrouwde, had den sleutel verstopt, doch slimme Puck had het schuilplaatsje, +in een van de Japansche vazen, al gauw ontdekt, en op een keer, toen de „grooten” +allen uit waren (behalve tante Sjarlotje, die de trap niet meer afkwam), haalde de +bengel den sleutel uit de vaas, en ging, juist omdat ’t haar verboden was, op den +vleugel spelen. +</p> +<p>Al gauw stak Lientien haar hoofd om de deur. +</p> +<p>„Maar Puck, je mag niet op pa’s vleugel,” riep ze verontwaardigd. +</p> +<p>„Gaat je niks an, bemoeial,” antwoordde Puck tusschen twee grepen van een marsch in. +</p> +<p>„’t Zou maar gauw uitscheiden, ondeugend kind,” waarschuwde Lientien, „je moest je +schamen iets te doen wat papoes niet hebben wil.” +</p> +<p>„Iedereen is niet zoo’n flauw zuigelingenkind als jij,” hoonde Puck. +<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> +<p>Lientien werd echt driftig<span class="corr" id="xd33e951" title="Niet in bron">.</span> <span class="corr" id="xd33e953" title="Bron: ,.,">„</span>Nare treiter,” viel ze uit, „als je me weer „zuigelingkind” noemt, zeg ik tegen jou: +„zwarte Zigeuner”, want iedereen zegt, dat je daarop lijkt en.…” +</p> +<p>Puck plaagde wel graag, doch zelf kon ze volstrekt niet tegen plagen. „<i>Dat</i> zal je berouwen, Caroline Canneheuvel,” riep ze, en keek Lientien zoo koud en dreigend +aan, terwijl haar stem akelig plechtig klonk, dat kleine, domme Lientien er geweldig +van ontroerde. Met een harden slag vloog de vleugel dicht, en Puck rende naar boven, +terwijl Lientien, heelemaal ontdaan over de sombere, geheimzinnige bedreiging, achterbleef. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Den daarop volgenden Zaterdag was ’t zulk slecht weer, dat er den heelen middag geen +sprake was van uitgaan, of in den tuin spelen. Puck stond maar voor ’t raam te mopperen +en te brommen, zoodat tante eindelijk knorde: „Houd nu eens eindelijk op, Puck, met +dat gepruttel. Waarom ga je niet lezen of pianospelen, of Lientien helpen naaien? +Ze heeft een heelen hoop mooie fluweelen en zijden lapjes van tante Sjarlotje gekregen, +en gaat de zomerkleeren van al haar poppen opknappen.” +</p> +<p>„Jakkes, voor die malle, dooie poppen naaien! Hoe heeft Lientien er lust in?” smaalde +Puck. +</p> +<p>„’k Ben heel blij, dat Lientien nog niet zoo groote-menschachtig is als jij, Puck,” +zei tante kalm. „Daardoor heeft ze menig pleziertje, dat jij moet missen. In elk geval +<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>wil ik je nu niet langer zoo ontevreden en mopperig om me heen hebben draaien. Ga +een of ander uitvoeren, dat je prettig vindt, anders geef ik je een taak op. Je breikous …” +</p> +<p>Doch Puck was al weg. Aan breien had ze een broertje dood. De kous, die ze onderhanden +had, zag zoo zwart als roet, en als tante die zag, zat er vast een standje voor haar +op. +</p> +<p>Eerst ging Puck Socrates een beetje vervelen, want die wou slapen, en was niets gesteld +op Pucks hardhandige liefkoozingen. Maar Waldi wilde wel spelen en al gauw maakten +Puck en hij zulk een verschrikkelijk lawaai met z’n beiden, dat oom heel boos uit +zijn kamer kwam vragen, of dat geweld haast gedaan was. +</p> +<p>„We maggen ook niks, hè Waldi?” riep Puck verontwaardigd. Ze bracht den hond, die +door ’t dolle heen was, tot bedaren, en slenterde naar boven, op ander kattekwaad +bedacht. +</p> +<p>Ze moest Lientien haar vreeselijke beleediging van „zwarte <span class="corr" id="xd33e974" title="Bron: zigeuner">Zigeuner</span>” nog betaald zetten, en op eens viel haar in, welke poets ze Lientien bakken zou. +Die zat intusschen innig vergenoegd bij tante Sjarlotje. Tantes vroeger zoo vlugge +vingers konden nu niet meer voor Lientiens poppengarderobe zorgen. Ze stonden krom +en stijf van de rheumatiek. Maar Lientien had heel wat van tante afgekeken, en van +tantes goeden raad kon ze nog steeds profiteeren. Haar babbelmondje stond geen oogenblik +stil, terwijl ze bezig was een hoedje op te maken voor haar oudste dochter <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>Suze. „Wat dunkt u, tante, zou ik op dit blauwe hoedje wel een vuurroode roos zetten?.… +’t Lijkt me erg opzichtig.” +</p> +<p>„’t Wordt toch wel gedragen,” meende tante, die ’t opmaken van Suze’s hoed niet minder +gewichtig vond dan Lientien. Moeder Lientien legde de roos weg, en hield een takje +blauwe vergeet-mij-niet tegen de hemelsblauwe zijde. „O Hemel! nee, leelijk hè?” +</p> +<p>„O Hemel nee,” kwam de echo van tante. „Wat denk je van een wit zijden strik, Lienepien?” +</p> +<p>„Ook te schel … vindt u niet?” +</p> +<p>„Daar bedenk ’k mij, dat ’k nog zacht rose lint heb liggen, net appelbloesemtint,” +legde Sjarlotje uit, „dat zal er beeldig bij staan.” +</p> +<p>„Dat lijkt mij ook,” riep Lientien verheugd, en zij liep vlug naar de commode, om +in de derde lade, ’t hoekje links, volgens tantes aanwijzing, de lintendoos te zoeken. +</p> +<p>„Voor „daags” heeft Suze een matelo’tje (van Nel gekregen), daar doe ik een zwart +lint om, en klaar is Kees,” vertelde Lientien, terwijl haar mollige handjes ’t hoedje +garneerden met kleine dofjes van het appelbloesemlint. Al de slijtgaatjes konden mooi +tusschen de <span class="corr" id="xd33e986" title="Bron: plootjes">plooitjes</span> weggestopt. „’t Wordt beeldig,” verklaarde ze opgewonden, „maar kan tante ’t eigenlijk +wel missen?” +</p> +<p>„Wat zou ik voor mijn Lienepoes niet graag geven?” vroeg tante teeder. „Maar bovendien +heeft tante Sjarlotje al sinds lange jaren niets meer aan kleurige linten en strikken, +dat is goed voor de jeugd. Dit lint is al erg oud, <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>’t was vroeger bepaald hard rose, maar ieder jaar verbleekte ’t een beetje meer, en +is eigenlijk nu pas mooi van tint.” +</p> +<p>„Zit er een geschiedenis aan vast, tantetje?” vroeg Lientien, die dol was op verhalen +uit de jeugd van groote menschen. +</p> +<p>„Niet veel bizonders, kind. Toen tante een jong meisje was, had zij een vriendin, +die ook Charlotte heette, en zoo waren wij de twee „Lotjes”<span class="corr" id="xd33e997" title="Bron: ,">.</span> Wij hielden veel van elkaar, maar waren wel wat overdreven in onze vriendschap, zooals +jonge meisjes dat wel meer zijn. Natuurlijk gaven we elkaar presentjes bij voorkomende +gelegenheden, en zoo kreeg ik dit rose lint van haar voor mijn haar. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Daar vond ik ’t veel te mooi voor, en bewaarde het, tusschen vloei, jaar in jaar uit. +Dikwijls bekeek ik het, en dacht dan aan dien ouden tijd, toen Lotje en ik elkaar +eeuwige vriendschap beloofden en.… elkander toch zoo spoedig vergaten<span class="corr" id="xd33e1003" title="Bron: ”.">.”</span> +</p> +<p>„Hoe kwam dat dan, Lottepotje?” +</p> +<p>„Wel, Lotje ging naar Canada, en ik hoorde nooit meer iets van haar. Toen stierf mijn +vriendschap ook, maar van ’t rose lint kon ik toch niet scheiden. ’t Was haar laatste +presentje.” +</p> +<p>„Ik denk, dat Annie en Wimpie wel altijd vriendinnen van mij zullen blijven,” zei +Lientien hoopvol. „We schrijven elkaar trouw, en mamp heeft beloofd, dat ze in de +vacantie mogen komen logeeren. Hè, zalig!.… Tante, zal ik u eens wat vertellen? ’k +Heb tegenwoordig toch zoo <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>dikwijls ruzie met Puck. Ze is niks lief tegen mij, en ik ook niet tegen haar.” +</p> +<p>„Maar Lientien.…” +</p> +<p>„Echt tante, nou praat ze ook weer niet tegen me, al twee dagen lang. Enkel „ja” en +„nee”.” +</p> +<p>„Hoe komt dat dan, snoezepoes?” +</p> +<p>„We hebben elkaar uitgescholden omdat.… maar dat kan ik niet allemaal vertellen, want +ik wil haar niet verklikken.” +</p> +<p>„’k Zou ’t maar weer bijleggen,” suste tante. „’t Is vast niks erg.” +</p> +<p>„Dat zit nog,” beweerde Lientien, die alle uitdrukkingen van Frits trouw overnam, +als zij ze leuk vond. „Puck houdt ook niks van poppen,” ratelde Lientien door, „en +ze vindt ’t vreeselijk gek, dat ik er zoo graag voor naai. Nou, Annie<span id="xd33e1019"></span> en Wimpie brengen vier kinderen mee, en ik wil natuurlijk, dat mijn zes er netjes +uitzien tegen dat ze komen, wat zegt u? Voor Suus en Francine ben ik klaar, maar Dora +moet nog een jurk en kleine Koo een paar sokjes.…” +</p> +<p>„Jammer, dat ik je niet meer kan helpen, snoes,” zei tante treurig. +</p> +<p>„Niks erg hoor Sjarlottepotje,” riep Lientien, verteederd. „U helpt me al genoeg met +goeien raad. En kijk eens wat een prachthoed die Suus nou voor best heeft? Als ze +maar niet zoo’n ijdeltuit wordt als haar tante Puck!”.… +</p> +<p>Wanneer Lientien op dit oogenblik Puck had kunnen zien, zou ze haar nog voor wat heel +anders hebben uitgemaakt <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>dan voor een ijdeltuit. Want dit slechte meisje vergreep zich juist aan Lientiens +lievelingen. Behalve Suus zaten al Lientiens kinderen op hun kleine stoeltjes rond +’t tafeltje in een hoekje van de groote slaapkamer van Puck en Lientien. Ze zeiden +niets, ze keken maar, toen ze die woeste tante zagen binnenkomen, en hun poppeharten +beefden. Want tante Puck had meestal niet veel goeds in den zin, en moeder was er +niet om hen te beschermen. En ja wel, daar had je ’t al! Eén voor één werden ze beet +gepakt: mooie Francine bij haar blonde haar, doch die was te groot, en werd weer op +haar plaatsje neergesmakt. Maar Dora, die kon nog net, Sjarlotje en Nellie ook, kleine +Koo, ruw aangepakt bij zijn verbonden been, was juist geschikt, en zoo werd ’t viertal, +hutje mutje, over elkaar, in tantes schortje gestopt. +</p> +<p>Behoedzaam, naar alle kanten uitkijkend, sloop Puck met haar buit naar den salon, +kreeg met moeite ’t blad van den vleugel open, en legde Lientiens lieverdjes zoo maar +op de harde snaren. Kleine Koo zakte tusschen een openingetje zelfs heelemaal weg. +</p> +<p>„Ziezoo,” knikte Puck onbarmhartig, terwijl ze ’t blad weer liet vallen, „daar liggen +jullie goed, en je moeder kan lang zoeken eer zij je vindt. Hoe of je dat bevallen +zal, Caroline Canneheuvel?” +</p> +<p>Lientien miste haar kinderen pas ’s avonds laat, toen ze Suus naar bed bracht. (Die +had tante Sjarlotje den heelen dag gezelschap mogen houden.) Ze was meer verbaasd +dan <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>verschrikt, verdacht Puck geen oogenblik, en vroeg Francine, of die er soms van àf +wist. Doch Francine deed niet anders dan staren. Ze zou dol graag alles verteld hebben, +maar ’t was al mooi, dat ze „papa” en „mama” kon piepen. Verder had ’t wurm ’t nog +niet gebracht. Moeder Lientien had te veel slaap, om nu nog te gaan zoeken, doch den +volgenden dag liep ze ’t heele huis door. Geen plekje, waar ze niet keek, en iedereen +hielp ’t arme, beroofde moedertje: Nel, Frits, Kee, Socrates en Waldi, allen deden +trouw hun best. (Naderhand herinnerde Lientien zich, dat Waldi onder den vleugel juist +verschrikkelijk geblaft had.) En zij verdacht Waldi nog al van de misdaad, omdat hij +wel eens meer een kind had meegesleurd en deerlijk gehavend. Maar nu, alle vier.… +Puck deed quasi met zoeken mee, doch dat slechte kind lachte in haar vuistje. „Wacht +maar tot van avond,” dacht ze bij zich zelf. „Puck mag niet aan de mooie piano komen, +hé? Maar nou liggen er lekker vier poppen in!” Frits had haar al een paar keer verdacht +aangekeken. Hij vertrouwde haar eigenlijk in ’t geheel niet, en vroeg op eens: „Zeg +Juffertje, weet je daar heusch niet meer van?” waarop Puck ’t puntje van haar tong +tegen hem uitstak. +</p> +<p>Lientien had een echt verdrietigen Zondag, en Puck voelde zich eigenlijk ook in ’t +geheel niet voldaan. Maar ze wilde niet naar de stem van „Meester” luisteren. De „zwarte +Zigeuner” zat haar nog veel te dwars. +</p> +<p>Zondagavond kwam met de muziekjongens, zooals Puck <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>ze noemde. Er was een nieuw stuk ingestudeerd, dus verzocht Frans: „Als je blieft +langzaam spelen, hé?” Papa zat voor de piano, en keek al verbaasd, toen hij de eerste +noten aansloeg. „Wat drommel scheelt die piano vandaag?” vroeg hij, „er is geen klank +in; ’t lijkt wel, of er fluweel om de toetsen heen zit. Frans, probeer jij eens kerel, +er moet wat aan de toetsen haperen. De stemmer is er pas geweest, ontstemd kan hij +niet zijn.” +</p> +<p>Frans sloeg een paar accoorden aan, en keek al even verwonderd als de heer Canneheuvel. +</p> +<p>„’k Geloof, dat er wat op de snaren drukt,” zei hij toen. „Misschien is er een muis +in den vleugel.…” +</p> +<p>„Lieve Hemel!” riep vader ontsteld, en sloeg haastig ’t bovenblad open, keek naar +binnen.… +</p> +<p>„Wat is dat?.… Lientiens poppen!!” En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotje en Nellie +volgden. „Sla nu eens aan, Frans?.… Ja, ik geloof, dat ’t nu in orde is. Maar wie +heeft, in lieve vredes naam, Lientiens poppen in den vleugel gestopt?” +</p> +<p>’t Was Puck toch te benauwd geworden. Toen haar ondeugendheid op ’t punt stond aan +’t licht te komen, was ze vlug de kamer uitgeslipt, en zat nu in de keuken met een +angstig hart bij Bet, die haar al twee keer minzaam had voorgesteld liever heen te +gaan. +<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span> +</p> +<p></p> +<div class="figure p077width"><img src="images/p077.png" alt="Wat is dat?—Lientiens poppen! En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotte en Nellie volgden." width="548" height="720"><p class="figureHead">Wat is dat?—Lientiens poppen! En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotte en Nellie volgden.</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb76a">[<a href="#pb76a">76</a>]</span></p> +<p>Natuurlijk was er heel wat gelach en gepraat over de vondst van den heer Canneheuvel +onder de jongens. Lientien, heel blij, dat ze haar verloren schapen terug had, liep +<span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>er dadelijk mee naar boven. De stakkerds hadden al lang in bed moeten liggen. „Natuurlijk +een streek van Puck,” dacht Lientien verontwaardigd, „ik hoop, dat ze er een flink +standje voor zal krijgen. Hoe durft dat brutale kind toch!” +</p> +<p>Intusschen werd er beneden doorgespeeld. Frans beweerde, dat ’t nog niet heelemaal +in orde was met ’t geluid, doch de anderen konden dit niet zoo hooren, tot Lientien +weer binnen kwam, en fluisterend aan mama vertelde, dat ze „kleine Koo” nog miste. +</p> +<p>„’k Geloof, man, dat „kleine Koo” nog in den vleugel zit,” zei mama hierop. +</p> +<p>En ja wel! Na veel kijken en zoeken, ontdekte Frans een klein gevalletje in een rose +hemdje, heel in de diepte vergleden. Met behulp van Mama’s lange schaar werd „kleine +Koo” uit de diepste duisternis aan het heldere licht gebracht. +</p> +<p>„Mis je nu heusch geen enkel kind meer, Lientien?” vroeg vader een beetje ongeduldig. +„Voortaan gaat de vleugel stijf op slot, en bewaar ik zelf den sleutel.” +</p> +<p>„Er is gelukkig geen kwaad van gekomen,” leidde Frans vaders ontstemdheid af. „’t +Is nu weer geheel in orde.<span class="corr" id="xd33e1063" title="Niet in bron">”</span> Frits wilde Puck gaan halen om eens navraag te doen wat zij over ’t geval te vertellen +had. Doch mama stelde <span class="corr" id="xd33e1065" title="Bron: vóór">voor</span> liever geen tijd meer verloren te laten gaan. Papa ging weer zitten, en zoo werd +er dus in ernst begonnen. +<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p> +<p>Puck bleef weg, en mama liet haar maar niet roepen, zoolang de jongelui er nog waren. +</p> +<p>Daar vond Puck iets angstigs in, en zonder goeden nacht zeggen, sloop ze naar bed. +</p> +<p>Lientien was zoo blij, dat de poppekinderen weer in hun bedjes lagen (die ze alle +drie bij haar eigen ledikant had gezet), dat ze Puck geen kwaad hart meer toedroeg. +Maar een lesje moest die ondeugende meid toch hebben. +</p> +<p>Dus liet ze Francine vragen, waar de anderen toch al dien tijd gebleven waren, waarop +Nellie antwoordde: „Dat moet je aan die akelige tante Puck vragen. Neen maar, die +is er me eentje! Ik ben heelemaal geradbraakt, en Dora heeft een hoofdpijn, dat ze +uit haar oogen niet zien kan!” +</p> +<p>„En ik dan,” riep kleine Koo. „Grootvader heeft mij als een gek laten dansen. Ik werd +als een bal op en neer gegooid en kon niet op adem komen. En dan nog al met mijn zieke +been!” +</p> +<p>Puck proestte ’t uit. Ze zag in haar gedachten ’t rose poppetje met de aangeslagen +noten op en neer walsen. +</p> +<p>Ze deed met haar vingers op tafel na, hoe kleine Koo aan ’t hotsen en springen was +geweest. +</p> +<p>Nu schoot Lientien ook in den lach, en allebei gierden ’t uit. Toen was de vrede gesloten, +en beloofden ze elkaar nooit meer voor „zuigelingkind” en „zwart Zigeunerkind” uit +te maken.— +</p> +<p>Puck trof het, dat oom den volgenden dag naar Amsterdam moest en ’t knorren dus aan +tante had overgelaten. „Puckie, <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>Puckie,” berispte Mevrouw Canneheuvel, toen ’t kleine meisje haar goeden morgen had +gezegd, „hoe verzin je toch zulke ondeugende dingen? Dat jullie elkaar eens fopt en +voor den mal houdt, is zoo erg niet, maar als ’t bepaald plagen wordt, om den ander +verdriet te doen, dan is ’t heel leelijk. En dat wil ik ook volstrekt niet hebben.” +</p> +<p>„Ik zal nooit meer aan den vleugel komen,” beloofde Puck benepen, „en Lientien en +ik hebben ’t al lang afgezoend. Van al haar kinderen is alleen kleine Koo nog maar +een beetje geradbraakt, maar die heeft dan ook veel langer op en neer gedanst dan +de anderen.” +</p> +<p>Tante had moeite niet te lachen, en dus bleef de rest van ’t standje achterwege. +</p> +<p>En zóó kwam dat ondeugende nest er wéér veel te gemakkelijk af, zei Frits naderhand +tegen Nel. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2615">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">VIII</span> <span class="extraDivNum">VIII</span> NEL ALS HUISMOEDER.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5<sup>de</sup> klasse zou overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en +kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al lang op stal. +Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman. +</p> +<p>Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6<sup>de</sup> en 5<sup>de</sup> klasse minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5<sup>de</sup> H. B. S. +<span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span></p> +<p>Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als zij verhoogd +werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t bericht thuis, dat ze ’t best +hadden gemaakt, en dus, na de groote vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had +verwacht, dat tante minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet +naar. Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg gestuurd. +Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor de koffers te zorgen. +Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee moest. +</p> +<p>„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante heeft hem toch +eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van gulden; ’t klonk veel leuker, +dus praatten de meisjes hem na). +</p> +<p>„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij hem.” Doch ’t +werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den gulden werd niet meer gerept. +</p> +<p>’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat durfde ze toch +niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door al ’t bedenken en met Nel +overleggen, dien middag, voor de vacantiedagen. +</p> +<p>Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck zanikte altijd +maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te vervelen, dat ze haar door +de poppen de les liet lezen. +</p> +<p>„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit zoo’n zeurkous +meer bijgewoond.” +<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p> +<p>„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en oproerderig. Als +wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne „pop”… Maar hou nou je mond, +ik ga slapen, en ik mag bij moeder in bed, want ’t is mijn beurt.” +</p> +<p>„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal wicht,” riep tante +Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog eerst onze kas opmaken.” +</p> +<p>„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór Annie en Wimpie +komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!” +</p> +<p>Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens vriendinnen als Lientien +van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel geen lust gehad de uitnoodiging van +tante Johanna aan te nemen, en gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven +in de vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker, en dan +bij die saaie tante, ajakkes! +</p> +<p>Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster Cato, alleen +was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de familie Canneheuvel, nu deze +in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden +dit toelieten, wat meer gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen +broer, en had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel blij, +dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante Johanna hield niet van +kinderen, en <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>kon dus ook niet veel van hen verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang +niet anders gedaan dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg +gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en droefgeestiger was +geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante gruwelijk zou vervelen; dan veel +liever wat gekibbel met Annie en Wimpie. +</p> +<p>Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de tafel, aan ’t rekenen +van belang. Ze hadden al lang in bed moeten liggen, doch ’t kas opmaken <i>kon</i> niet worden uitgesteld. +</p> +<p>Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze, „maar met tantes +„pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te druk, om te antwoorden. Zij +telde op haar vingers, en zag niet, dat Puck de kamer uitging. +</p> +<p>Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit nachtjaponnetje +binnenkwam. +</p> +<p>„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd. +</p> +<p>„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck. „Want we zijn +bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er nou nog bij, anders klopt +’t niet.<span class="corr" id="xd33e1136" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat er een groote +inktmop op Puck’s nachtpon zat. +</p> +<p>Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>stapte Puck even later vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, +mochten ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo iets! +</p> +<p>In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t hoofdkussen, +om <span class="corr" id="xd33e1145" title="Bron: dien">die</span> ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk een reuzensom had geen van beiden +nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want +als je logée’s krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes +en Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat snoepcentjes te mogen +afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan ’t sparen worden begonnen van „Meester”, +voor de Sinterklaaspresentjes. Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.… Of ze er niet wat +van in ’t busje zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar +den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje doen?” +</p> +<p>„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is afgesproken.” +</p> +<p>(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld bovendien.) +</p> +<p>Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder aan. Ze zou +er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de vacantie als mama beschouwen, +had zij Mamp beloofd, en lief en gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, +zij was zelden lastig <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus veel strijd en moeite, +als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet mocht. Erg naar en lastig voor Puck, +peinsde Lientien. +</p> +<p>De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te bezoeken, +en met hem een reisje door <span class="corr" id="xd33e1157" title="Bron: Hollstein">Holstein</span> te maken. Daarna wilde Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij +zich hebben. +</p> +<p>Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd de geheele +vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over het huishouden, maar +ook alle drukten en zorgen over te laten, welke deze vacantie ruimschoots beloofde. +</p> +<p>„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis zouden zijn, en +er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp daar nu eens in ’t geheel geen +last van hebben. +</p> +<p>„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet prettig vind …” +</p> +<p>„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet (dat was moeders +beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik immers twee weken naar Haarlem +gaan?” +</p> +<p>Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem bijzette, gaf +mama zich gewonnen. +</p> +<p>Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>dat mama zich ook maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw Canneheuvel +zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook die bezigheden niet meer +te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig +zeggen: „Lieve Suus, waar is de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder +dat je er aan denkt.” +</p> +<p>Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man en dochter. +Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar bestwil, was bedoeld. +Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in te richten, dat Nel geen saaie huismusch +hoefde te wezen. Altijd was er iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd +voor een of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef tennissen +en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar jongemeisjespleziertjes niet meer op +te offeren dan zij zelf wilde. +</p> +<p>Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een eer in in +alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen „ikje” niet te tellen. +Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren. Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat +zou ik toch beginnen, als ik jou niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond. +</p> +<p>Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te bespreken, om de kinderen +een prettige vacantie te geven, en overigens liet mama, met een gerust hart, alles +aan Nel over. +<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p> +<p>„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft, want die Annie +en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft, ook niet weg.” +</p> +<p>Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder Alkmaar. Deze +behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er heen, en hielp, als een +echte boer, met alles mee. ’t Was een uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit +zijn kracht gegroeiden Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. +Frits vond het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of wat, +en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd aangetrokken tot +dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen geval sprake van, dat zij had kunnen +gaan. +</p> +<p>Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en Wimpie. Ze waren +niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en stoeierig als vroeger. Wimpie had, +als ’t kon, nog meer bereddering dan Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk +veel drukte over hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze +gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet zuinig zijn +opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd door Nel gastvrij uitgenoodigd +dien dag te blijven. Met veel vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van +Annie en Wimpie, nam ze den volgenden morgen afscheid, en.… „nou kan de pret beginnen,” +zei Wimpie, want met Juf was dat <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>altijd maar half. Die verbood en vitte van den ochtend tot den avond. +</p> +<p>’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef natuurlijk een +beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens gunde ze graag elk pleziertje, +waar ze om vroegen, maar vond noodig, als waakzame moeder, hen steeds op de hielen +te blijven, geen oogenblik uit het oog te verliezen. +</p> +<p>Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen dag de duinen +in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam dan doodmoe thuis van ’t woeste +spelletjes meedoen, ’t duinen op en neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen. +</p> +<p>Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar, dat ze haar troepje, +zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht. +</p> +<p>Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden gedaan, en de poppen +’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens +gekibbeld, want Puck kon niet veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets +op zich zitten, maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk +bewaren. +</p> +<p>Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te maken, en wist +Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet schudde haar hoofd over dat +gemors in haar keuken. Alles zag er heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer +en de aanrecht, tot de bordendoeken <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit „neen”. Ze moest dus maar een +oogje toedoen, als de kinderen aan ’t knoeien waren. +</p> +<p>Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was altijd veel te gauw +om naar hun zin. +</p> +<p>Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren bezig houden, +en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half uurtje, of langer, als belooning +voor de belofte van het viertal, om dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te +babbelen en rumoerig te wezen. +</p> +<p>Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te beredderen, ook voor +den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en kopjes af te wasschen, al namen Bet +en Geertje de juffrouw veel uit de hand. +</p> +<p>Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten worden, en met +Geertje moesten de boodschappen besproken. +</p> +<p>Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond een praatje +bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest was, dit sloeg ze nooit +over. +</p> +<p>Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren geleden, toen ze +ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had die goeie Frits haar zoo heerlijk +bijgestaan in den nood. Nou leek ’t wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze +kreeg zelfs geen briefkaart meer van hem, sinds dagen al. +</p> +<p>Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>Nel zich toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar. +</p> +<p>Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar ’t land gaan, +’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder de balken slapen met den +geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar was hij dan terug, had geen lust om +nog ergens anders heen te gaan, en wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor +de kleine <span class="corr" id="xd33e1202" title="Bron: rakkerds">rakkers</span>. Als ’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor houden. +</p> +<p>„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij gehoorzaam, en zoo +aardig en leuk.… Maar ik ben toch dol blij, dat je er weer bent, vadertje. Nou heb +ik amper tijd om vader en moeder te schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als +ik niet meespeel, is de pret maar half, dat begrijp je.” +</p> +<p>„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de heele hand.… +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.” +</p> +<p>„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft, heel deftig, +door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie, Puck en Lientien (met haar +kinderen) plezier hadden te komen theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag +te passeeren.” Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde +zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over beraadslagen, hoeveel +poppen ze konden meebrengen <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>zonder onbescheiden te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de +partij zijn.” +</p> +<p>„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met vier treden tegelijk +op. +</p> +<p>Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar kanten mutsje +met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig bewonderde. Tante trakteerde +op wafels met aardbeien, bovendien waren er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef, +mocht verdeeld en naar beneden meegenomen worden. +</p> +<p>Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem heen, dat Frits +moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar Waldi met oorverdoovend lawaai +tegen den baas opsprong. Natuurlijk was Waldi ook op de partij, want je zocht hem +nooit tevergeefs, waar wat te halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen +toe, hoe hij ’t daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er +nog al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de glazen en bordjes +steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje een goeden dag! Ze speelde met +zooveel lust en pleizer ganzenbord mee, of ze even oud was als Lientien, die vlak +naast haar zat, en Sjarlotje, als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof +ook in den kring, en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam. +Wimpie verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot (van bonbons) +strijken. Heel edelmoedig liet <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>Frits den pot staan, en begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen +Wimpie dien eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven. +</p> +<p>Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of daar dadelijk +veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet dadelijk drie groote <span class="corr" id="xd33e1223" title="Bron: prelines">pralines</span> toe, „en straks krijg je nog meer, hoor Bet!” beloofde ze gul. +</p> +<p>„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten, Jongeheer Frits, maar +er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,” vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes +vond, den kinderen aan ’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en +afscheid nemen van de gastvrouw. +</p> +<p>Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer aantrekken. +</p> +<p>Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank gebracht en gemakkelijk +in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog vertelde, was tante al heerlijk ingedut. +</p> +<p>„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.” +</p> +<p>’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en Frits innig +genoegelijk na te babbelen. +</p> +<p>En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast had door zijn +vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch wel erg saai was alleen achter +te blijven. +<span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span></p> +<p>„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans gaat met hart +en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij niet en zijn handen spaart +hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een wagen met hooi opladen en naar huis rijden +is voor hem bepaald een genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat +ik hoe langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en had nog beteren +eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor dag en dauw op geweest, en verlang +naar mijn mandje.… Wat ben je van plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?” +</p> +<p>„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de kinderen doen +mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je uit de voeten blijft, want +wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.” +</p> +<p>„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan Hilgers opzoeken. +Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven. En nou echt goeienacht, huismoeder.” +</p> +<p>Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden, „Frits, luister +eens.…” +</p> +<p>Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe. „Innig gezellig, +dat je weer thuis bent, vent.” +<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2624">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">IX</span> <span class="extraDivNum">IX</span> OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS „BOSCHJESVRIENDEN”.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Drie manden spergie- en snijboonen stonden in ’t midden van de huiskamer, op een groot +laken, dat Nel over ’t tapijt had laten uitspreiden. Daaromheen acht stoelen, een +tabouret en een bankje. +</p> +<p>Trotsch overzag Nel haar hulptroepen, die bestonden uit: Kee, Bet, Geertje, Wimpie, +Puck, Lientien en Annie. +</p> +<p>’t Was met recht: alle hens aan dek, want anders kwamen ze vandaag vast niet klaar, +had Bet gezegd. Socrates was natuurlijk ook van de partij (op de tabouret), en keek +toe, of alles wel naar den aard gebeurde. Waldi liep overal tusschen door als een +agent van politie, en was braaf lastig op den koop toe, terwijl hij niks uitvoerde<span class="corr" id="xd33e1257" title="Niet in bron">.</span> Truus en Nellie mochten van moeder Lientien ook toekijken, en zaten knus samen op +het bankje. Lientien had ze de vruchtenmesjes gegeven, die voor haar en de anderen +bestemd waren. Hoe kon je nou met die stompe mesjes boonen afhalen? Ze waren heusch +groot genoeg om zich niet te bezeeren. +</p> +<p>„Viermaal afhalen, kinders,” sprak Nel, toen ze gereed waren aan den slag te gaan, +„en straks, bij ’t breken, verbazend goed toekijken, anders eten we van ’t winter +boontjes met haren.” +</p> +<p>Frits had een leuk boek gegeven, waar iedereen wat <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>aan kon hebben, en om de beurten zou er uit voorgelezen worden. Bet, Kee en Geertje +bedankten voor de eer, die konden veel vlugger met afhalen dan met voorlezen terecht. +Maar Puck deed ’t graag en goed (Puck vond zelf, dat niemand ’t mooier kon dan zij), +en dus bleef zij maar aan de beurt. Nel, die bang was, dat onbesuisde Puck zich zou +snijden of bezeeren met het scherpe mesje, vond het uitstekend geregeld op deze manier. +</p> +<p>De boonen vlogen van de handen in de manden en omgekeerd. Bet droeg al gauw een volle +mand met afgehaalde en gebroken boontjes weg. +</p> +<p>Puck las al maar voort met een kleur van pleizer en inspanning. Ieder vond het verhaaltje +prachtig, al kwamen er dan ook „miserabel” stoute kinderen in voor, volgens Bet, en +Geertje dacht bij zich zelf: „Dat bennen nou net goeie kameraden voor Puck.” +</p> +<p>Om half twaalf kwam Frits thuis, en bracht een grooten zak zoute krakelingen mee voor +de vlijtige werkers, die zeker wel wat „weeïg” zouden zijn geworden van al dat groen. +</p> +<p>„Lang leve Frits,” riep Lientien, en allen stemden hiermee in. +</p> +<p>De krakelingen kwamen zóó uit den oven, dus òf ’t hartig hapje smaakte! Waldi bedelde +zoo brutaal, alsof hij ’t hardst van allemaal had gewerkt, slokte een heelen krakeling +gulzig naar binnen, en keek dan, of hij nog niets gehad had, net als bij ’t vleesch +bedelen aan tafel. Maar Socrates trok er zijn nuffig neusje voor op. +<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p> +<p>Toen Frits vertelde, dat zijn viool weer in orde was, bedelde Lientien: „hè Frits, +speel dan wat aardige wijsjes, waarbij we kunnen zingen, dan kan Puck meteen een beetje +op adem komen van ’t voorlezen.” +</p> +<p>„Vooruit maar,” zei Frits, en hij begon er lustig op los te strijken, terwijl allen +de woorden van de eenvoudige, ouderwetsche liedjes mee zongen. Zelfs Geertje galmde: +„’t Zonnetje gaat van ons scheiden,” mooi in de maat met de anderen. Daar ging tante +Sjarlotje’s schel, en Kee vloog naar boven, maar kwam dadelijk weer terug. De juffrouw +had haar gevraagd de kamerdeur wijd open te zetten, dan kon zij van de muziek mee +genieten. +</p> +<p>Er zou een uur later dan anders worden koffie gedronken, doch om half één liet Nel +met werken ophouden, en deden allen nog een dansje in de gang, om de van ’t lange +zitten stijve beenen weer lenig te maken. +</p> +<p>Bet en Kee verdwenen, doch Geertje bleef toekijken tot Nel haar Waldi in de armen +duwde, waarover Geertje en Waldi allebei even verontwaardigd waren, terwijl ze niet +wisten, hoe gauw ze van elkaar af zouden komen. +</p> +<p>Aan de koffie trakteerde Nel op gerookte paling en, in weerwil van al de verorberde +krakelingen, liet de „trek” niets te wenschen over. Vooral Puck liet zich niet onbetuigd, +want een versche boterham met gerookte paling! iets zaligers bestond er niet voor +het „twaalf-uurtje”. +</p> +<p>Lientien bewaarde altijd een middenreepje, dat ze extra dik belegde, voor ’t laatst. +En zoo had ze nu ook weer <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>zulk een heerlijken reep gereed liggen met een rose stukje palingmoot er midden op. +Puck keek er naar met begeerige blikken; haar boterhammen had ze al lang opgesmikkeld. +</p> +<p>„Lientien,” zei ze op eens, en legde haar hand vleiend op Lientiens mollepootje, „zou +je ’t over je hart kunnen verkrijgen mij dat zalige reepje van jou te geven?” +</p> +<p>Lientien keek een beetje verbijsterd in Pucks begeerige oogen; ze had wel iets van +een vogeltje, dat door een slangeoog betooverd wordt. Iedereen keek Lientien aan. +Wat zou ze doen? +</p> +<p>„Niet geven, niet geven, Lienepien,” riep Wimpie verontwaardigd, door Annie krachtig +bijgestaan. +</p> +<p>„Neen,” zei Puck, „jullie zouden ’t natuurlijk niet kunnen, maar Lientien.…” +</p> +<p>Lientien werd rood, keek eens naar Nel, die lachte, en naar Frits, die zijn hoofd +schudde. Toen nam ze ’t overheerlijke reepje en.… legde het op Pucks bord. „Daar dan, +maar je moet dat kunstje nou niet aldoor uithalen, hoor!” voegde ze er bij. +</p> +<p>„Je bent een dot,” betuigde Puck, en liet Lientiens zuinig bespaard brokje dadelijk +in haar mond verdwijnen. +</p> +<p>„Wat een schrok!” gilden de logéetjes. „Neen maar, wat een gulzigaard!” „Was juf maar +hier,” wenschte Wimpie, „die zou je!” +</p> +<p>„Een volgenden keer zullen we Puck op de proef stellen,” sprak Nel. „Bij Lientien +is er eigenlijk geen aardigheid aan, want die geeft graag wat weg, hé poes?” +<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p> +<p>„Och ja,” betuigde Lientien, en wijsgeerig voegde ze er bij: „’t Was nou toch al op +geweest.” +</p> +<p>Na de koffie slonken Nels hulptroepen op een treurige manier. Bet moest naar de keuken, +Geertje had boodschappen te doen, Kee moest naar boven, en Waldi ging er met Frits +op uit. Dus hield Nel Socrates, Lientien, Puck en de twee logéetjes over. Socrates +maakte ook al gauw, dat hij weg kwam, want hij had veel te veel palinggraatjes opgesmikkeld, +en nog een stukje vel gestolen, zoodat hij liever in eenzaamheid zijn gulzigheid zat +te betreuren. +</p> +<p>Maar Puck werkte voor twee, want ze stond er nog frisch vóór, en ze sneed zich ook +niet in de vingers, hoewel ze een vlijmscherp mesje had. Toen Bet weer een mand met +afgehaalde boontjes kwam halen, zei ze, dat ’t nou genoeg was. De rest zou ze van +avond met Geertje wel doen. Iedereen had maar wat flink geholpen, en ze konden van +’t winter dikwijls ingemaakte boonen eten, want er was een verbazende „zooi”! +</p> +<p>„En nou moeten jullie eens boven gaan kijken,” zei Kee. „Juffrouw Sjarlotje heeft +zoowaar ook nog mee gedaan.” +</p> +<p>De kinderen stormden de trap op, en jawel, daar stond een mandje keurig afgehaalde +boontjes vóór tante op tafel. „Misschien net twee maaltjes voor haar zelf,” dacht +Lientien, want tante at niet veel. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>„’k Heb van middag toch zulke leuke jongens ontmoet, <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>Nel,” vertelde Frits aan tafel. „En als je ’t goedvindt, huismoeder, komen ze morgenmiddag +hier. ’k Heb ze gevraagd.” +</p> +<p>„Als je ze al gevraagd hebt, heeft Nel niks meer te „vinden”,” beweerde Puck bijdehand. +</p> +<p>„Zóó, mejuffrouw wijsneus! Heb ik <i>uw</i> toestemming soms gevraagd?” spotte Frits. +</p> +<p>„Nou, maar daar heeft Puck toch wel gelijk in,” viel Nel Puckie bij, „wat zijn dat +nou eigenlijk voor jongens, Frits?” +</p> +<p>„Zal je wel zien. Ze worden in den tuin ontvangen en..” +</p> +<p>„Onder de Vors.…?” vroeg Lientien, en de rest slikte ze gelukkig nog bijtijds in. +</p> +<p>„Kind, houd je mond toch,” waarschuwde Puck met een por. „Dommerd,” fluisterde ze +toen. +</p> +<p>Gelukkig scheen niemand iets van de „Vors”.… gehoord te hebben. +</p> +<p>„Frits, je moet me eerst vertellen, wat voor jongens ’t zijn,” hield Nel aan, terwijl +ze een waardig moedergezicht poogde te zetten. +</p> +<p>„Straks, als de pepernoten naar bed zijn, want die gaat ’t niets aan, en morgen sturen +we ze uit wandelen.” +</p> +<p>„Dat doen we lekker niet, we gaan lekkertjes niet,” riepen de kleine meisjes in koor. +</p> +<p>Doch dit was dan ook maar een plagerijtje geweest van Frits, en hij begon nu uitvoerig +van zijn Boschjesvrienden te vertellen. Toen hij, met Waldi naast zich, op een bank +zat, dicht bij de Bataaf, was Waldi gaan brommen tegen twee jongens, die op eens uit +’t groen naast de bank opdoken. +<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p> +<p>Maar de twee hadden den dackel vriendelijk toegesproken en over den rug geaaid. +</p> +<p>„Mogen we hier even gaan zitten, mijnheer?” had de grootste daarop gevraagd. +</p> +<p>Frits, niet weinig gevleid door dat „mijnheer”, had geantwoord<span class="corr" id="xd33e1326" title="Bron: .">:</span> „Natuurlijk jongens, de bank is niet van mij, en al was dat zoo.…” Nou, toen waren +ze aan ’t praten geraakt, en dat konden de jongens evengoed als Frits. +</p> +<p>„Hij zal Maandag toch zoo’n leuken dag hebben, mijnheer,” zei de grootste, op zijn +mager kameraadje wijzend. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Zijn vader is dan vijf en twintig jaar letterzetter in de Wagenstraat, U weet wel, +aan de Haagsche Courant? En nou krijgt hij een gouden horloge van de heeren en … wat +nog meer, Daan?” +</p> +<p>„Vijf en twintig gulden van ’t personeel,” vertelde Daan trots; „en dan gane we een +auto-tocht maken naar Rotterdam en ik mag ook mee.” +</p> +<p>„Sapperloot, dat is niet voor de poes,” zei Frits. +</p> +<p>„Nee, hè mijnheer?.… ’t Wou, dat ik mijn vriend Hein hier, mee mocht nemen,” vervolgde +Daan, „maar zoo iets kan je natuurlijk niet vragen.” +</p> +<p>„’k Gun ’t je best,” nam Hein weer ’t woord. „Hij moet toch zoo veel missen, mijnheer, +want hij heeft twee maanden geleden zijn moeder verloren, en ik heb de mijne nog.” +</p> +<p>En toen Daan weer: „Ja, als je moeder dood is, heb je <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>niet veel meer … Mijn groote zus doet nou ’t huishouden, die moest er voor uit een +besten dienst kommen, waar ze al acht jaar was. Ik ben de jongste, ziet U, van bij +ons thuis. Mijn zus is de oudste, die wordt al zes en twintig, maar ik zeg maar: een +zuster is toch geen <i>moeder</i>, bij lange niet.” +</p> +<p>„En ik heb mijn moeder nog,” vertelde Hein nog eens, „en zoo’n goeie moeder!” +</p> +<p>De oogen van den jongen blonken, en Frits vond hem hoe langer hoe aardiger. +</p> +<p>„Wat is jouw vader, Hein?” vroeg hij. +</p> +<p>„Loodgieter, mijnheer, en daarom wil ik dat naderhand ook worden.” +</p> +<p>„En ik word chauffeur,” viel Daan in, „zoo leuk, dan zie je nog eens wat van de wereld.<span class="corr" id="xd33e1350" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Hij kan toch zoo fijn teekenen, die Daan,” deelde Hein mee, alsof deze kunst voor +’t chauffeur worden bepaald noodig was. „Ik houd veel meer van lezen.” +</p> +<p>„Ik ook,” zei Frits, „jullie hebt nou in de vacantie zeker leuk veel tijd om te lezen.” +</p> +<p>„Tijd wel,” gaf Hein toe, „maar boeken niet. We magge één boek in de week uit de schoolbibliotheek, +dat heb ik dikwijls in één dag al uit.” +</p> +<p>„Weet je wat je doet,” had Frits toen gezegd, „komt morgen tegen half drie met je +beiden: Groot Hertoginnelaan 42, dan zal ik wat leuke boeken voor jullie klaarleggen, +goed?” +<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p> +<p>„Alsjeblieft mijnheer, erg graag mijnheer,” en de jongens hadden beleefd de pet afgenomen, +toen Frits opstond en er met Waldi van door ging. +</p> +<p>Iedereen had met plezier naar Frits geluisterd, en Nel verklaarde: „’t Lijken mij +aardige jongens, Frits, en daarom zal ik ook wat aardigs verzinnen, als ze morgen +komen. Hoe laat zei je ook weer?” +</p> +<p>„Tegen half drie, en reken maar, dat ze op tijd zullen wezen.” +</p> +<p>’t Was den volgenden middag ’t zelfde prachtige weer, als reeds dagen achtereen in +deze Augustusmaand. Onder den bruinen beuk stond een keurig gedekt tafeltje met de +witte tuinstoelen er gezellig omheen geschikt. De frambozen- en citroen-limonade glinsterde +als robijn en goud in de karaffen, en een groote schaal met pitmoppen stond verleidelijk +in ’t midden. +</p> +<p>Precies half drie schelden Daan en Hein. Frits deed ze open en bracht ze naar den +tuin. +</p> +<p>De jongens zagen er netjes uit in lichte blouses, en korte zwarte <span class="corr" id="xd33e1365" title="Bron: broek">broeken</span>. +</p> +<p>Nel trad hen dadelijk tegemoet. +</p> +<p>„Wel jongens,” zei ze, „daar doen jullie goed aan, de beloofde boeken te komen halen; +mijn broer heeft ze al voor jullie klaar gelegd.” +</p> +<p>Met de petten in de hand stonden de jongens voor Nel. Ze hadden allebei prettige jongensgezichten +en iets vrijmoedigs, dat toch volstrekt niet vrijpostig was. +<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p> +<p>„Gaat zitten; Hein en Daan, niet?” verzocht Nel. „Jullie lust zeker wel een glaasje +limonade?” +</p> +<p>De jongens kregen stoelen tusschen Nel en Frits in. Ze draaiden een beetje verlegen +met hun petten, doch Frits wist ze al gauw op hun gemak te zetten. +</p> +<p>„Dat zijn niet allemaal zusjes van me,” vertelde hij, naar de kleine meisjes knikkend. +„Alleen die blonde met haar blauwe oogen,” en hij wees op Lientien. +</p> +<p>„En ik hoor hier ook,” lichtte Puck toe, met haar neus in den wind, „die twee zijn +maar logéetjes.” +</p> +<p>„Ja,” zei Wimpie, „en we blijven nog tot overmorgen; jammer! dan is de koek al weer +op.” +</p> +<p>Hein en Daan waren niet zoo praatgraag als tegen Frits den vorigen dag. +</p> +<p>„Dat durfden ze zeker niet met al die meisjes,” beweerde Puck later. +</p> +<p>Nel schonk limonade en presenteerde pitmoppen. Ze zag met pleizier, dat de jongens +nette, bescheiden manieren hadden. +</p> +<p>Toen haalde Frits zijn boeken en liep met Hein en Daan den tuin rond. +</p> +<p>„Je moogt de boeken op je gemak lezen, en als je ze prompt terug brengt, kan je weer +een paar nieuwe krijgen,” beloofde hij. +</p> +<p>„Maar als jullie er slordig op geweest bent, met vlekken of scheuren, dan kunnen jullie +ophoepelen, en leen ik je nooit meer wat.” +<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p> +<p>„U hoeft niet bang te zijn,” verzekerde Hein. „Als je van boeken houdt, ben je er +van zelf netjes op.” +</p> +<p>Dankbaar en voldaan namen Hein en Daan nu afscheid, en lieten den indruk achter van +een paar leuke, aardige, jongens. +</p> +<p class="tb"></p><p> +</p> +<p>’s Avonds vond Lientien onder haar hoofdkussen een zakje met pitmoppen met reuzepitten +er op, en op een bijgevoegd papiertje stond: „Van Puck, omdat je mij je lekkere „reep” +hebt gegeven. ’k Heb de grootste pitmoppen uitgezocht, en allemaal voor jou bewaard. +Dag, of liever: goeie nacht.” +</p> +<p>Dat was heusch aardig van Puck, dacht Lientien, want ze hield verbazend veel van pitmoppen +en had er geen één voor zich zelf gehouden. Lientien vertelde ’t nog even aan Francine, +die bij haar mocht slapen dien nacht, en van al de kinderen altijd ’t meest op tante +Puck had aan te merken. +</p> +<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> +</p> +<p>Dien heelen daarop volgenden winter kwamen Hein of Daan elke veertien dagen hun boeken +ruilen, en raakten niet uitgepraat over ’t plezier, waarmee zij ze gelezen hadden. +</p> +<p>Toen gingen Heins ouders naar Rotterdam wonen, en Daan kwam van school, en moest een +ambacht gaan leeren. +</p> +<p>Van lezen zou dus vooreerst wel niet veel inkomen. +</p> +<p>Bij de laatste boeken was een net geschreven bedankbrief <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>en bovendien een portretlijstje, dat Hein, in zijn vrije uurtjes, keurig had uitgesneden. +</p> +<p>Frits zette er Nels portret in, en bewaarde het jaren en jaren lang. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2633">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">X</span> <span class="extraDivNum">X</span> „SCHATTEBOUTJES”.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mevrouw Canneheuvel had Bet, de keukenmeid, voor geen geld willen missen, want ze +was niet alleen een uitstekende dienstbode, doch ook even eerlijk als betrouwbaar, +en met de jaren geheel één met het gezin geworden. +</p> +<p>’t Viel echter niet te ontkennen, dat Bet veel met haar humeur had te stellen, en +heel moeilijke dagen had, waarop ze eigenlijk alleen van Lientien wat kon verdragen.—Maar +Bet was nu al maanden achtereen in een opgewekte stemming, want haar moeder had ’t +heerlijk nieuws geschreven, dat ze van plan was, om in Den Haag te komen wonen. ’t +Werd haar in Franeker te stil, nu haar jongste dochter ook getrouwd was, en zich in +Amsterdam had gevestigd. +</p> +<p>De getrouwde kinderen hadden man of vrouw, doch Bet en zij hadden nu alleen nog maar +elkaar, en daarom wilde moeder in dezelfde stad komen wonen, waar haar Bet was. +<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p> +<p>Bet huilde bijna van blijdschap, en vertrouwde Lientien toe, dat ze dan toch zoo „miserabel” +in haar schik was. (Iedereen heeft een stopwoord, en dat van Bet was „miserabel”, +of ’t paste of niet.) „Ben jij nooit „geangiseerd” geweest, Bet?” vroeg Lientien. +„Ja, kind,” en Bet zuchtte zwaar, „maar hij is jong gestorven, hij was te goed voor +deze wereld.” +</p> +<p>„Arme, lieve Bet!” troostte Lientien hartelijk. +</p> +<p>„’t Is al lang geleden,” vervolgde Bet, „en een mensch komt met den tijd over zijn +verdriet heen, maar ik heb toch nooit een ander gewild.—En nou komt mijn moeder hier, +en dat is compleet een engel van een mensch, die zal me veel vergoeden. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1424" title="Bron: ’t">„’k</span> Heb al een étage op ’t oog voor moeder, want ze kan ’t best doen. Ze heeft der pensioentje, +en nog geld van der eigens, van grootvader georven. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Als me moeder op orde is, Lientien, mag je met me mee, want moeder verlangt er naar +om je te zien. ’k Heb der zoo vaak over je geschreven.” +</p> +<p>„Vreeselijk graag, Bet, op een Zondag hè, want de vacantie is nou al gauw uit.” +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>’t Was voor Annie en Wimpie dus ook weer tijd naar Utrecht terug te gaan. Juf kwam +ze halen, en bracht de boodschap mee van mevrouw, dat Lientien den volgenden zomer +bij Wimpie en Annie moest komen, en dat dit voor <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>vast moest worden afgesproken. Puck werd niet uitgenoodigd, doch ’t meisje bleef daar +zeer kalm onder. Zij, Puck, had een veel deftiger invitatie. De chauffeur van Mevrouw +van Bergen had een briefje gebracht, of zij lust had den volgenden dag mee te gaan +op een autotochtje naar Haarlem en omstreken, ’s morgens vroeg uit, en ’s avonds vóór +negenen weer thuis. +</p> +<p>Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet kon hebben. +Maar Lientien was er ook nog. +</p> +<p>Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop Lientien, als +een klein kindje, tegen haar aan. +</p> +<p>„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden, als ’t mocht.” +</p> +<p>„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo graag naar Haarlem, +om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen, en als jij dan meeging.…” +</p> +<p>„Dat kan in geen geval, lieverd.” +</p> +<p>„Neen hè?” zuchtte Lientien. +</p> +<p>„Maar we konden Frits vragen, of hij.…” +</p> +<p>„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te halen. +</p> +<p>Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde. +</p> +<p>Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was. +</p> +<p>„Wil je wel, Frits?” vroeg ze. +</p> +<p>„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>gekke prul van een Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me +nog al bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij, die gilt +en jankt de halve wereld bij elkaar.” +</p> +<p>„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om beurten met haar +heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend. +</p> +<p>„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar moeder wil ’t ook +doen, heel uit Franeker … +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we met ons drietjes +in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook. Grootma schreef laatst, dat ze +Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou, en daarom, zie je.…” +</p> +<p>„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar Haarlem, en wij +gaan per trein, derde klasse, hè prul?” +</p> +<p>’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een bezoek van stouten +Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te vallen, want ’s avonds kwam er bericht +uit Haarlem, dat Lientien, Frits en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel +’t goed vond. +</p> +<p>Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best amuseerde op ’t +onverwacht opgekomen uitstapje. +</p> +<p>Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een courantenhanger voor in +de zitkamer) en nog blijer met de verrassing, die de onverwachte komst van de <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>kleinkinderen haar bereidde. Of Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht +had! Waldi gedroeg zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder +uitbundige luidruchtigheid. +</p> +<p>In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes opgesmikkeld. De medepassagiers +hadden hem zeer bewonderd en aangehaald. +</p> +<p>’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed, en hield zich +den heelen nacht muisstil. +</p> +<p>Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder lieve, welopgevoede +hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem had gehad, en blij was, dat zij hem +kende. Ze zou nu nog met grooter plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t +taksje vertelde.— +</p> +<p>Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij verwachtte. +</p> +<p>Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en Ellen bepaald +onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een meisje, met wie ze kennis +hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij hen op school zou komen. „Een erg voornaam +kind, haar vader is <i>baron</i>,” had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk een vriendin +van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien jaar!” Terwijl Ellen dit +zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net of ze wilde zeggen: „Als we Leonore +tot vriendin hebben, kan jij ophoepelen.” +<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p> +<p>Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch zéér. +</p> +<p>’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook volop genoten +van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal, waar Mevrouw de auto voor +restauratie of hotel liet stilhouden, had Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit- +en instapte, terwijl de buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer +achter haar dichtklepte. Maar toch.… +</p> +<p>Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle woonde, en toen +ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht haar te waarschuwen, als ze langs +„den Hout” reden. +</p> +<p>Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit Lientien’s beschrijving +het groote statige huis herkende. +</p> +<p>Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits hoorde, veel meer +dan in de auto naast haar nuffige, onaardige vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt +en op ’t huis toegeloopen, maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht. +</p> +<p>Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en eigen broers +en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante heel in Zwolle, die nooit naar +haar omkeken, en dus net zoo goed vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna +in Voorburg.… +<span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span></p> +<p>O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat zijn.… +</p> +<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> +</p> +<p>Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en zouden al heel +gauw thuis zijn.… +</p> +<p>„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck bij ’t afscheid +nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet zoo heel veel plezier gehad +had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie +weer profiteeren,” nam ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.” +</p> +<p>Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek. +</p> +<p>„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma mij meevraagt.” +</p> +<p>’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na drie dagen +thuis zou komen. +</p> +<p>Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en nam haar mee +naar de bioscoop. +</p> +<p>’s Avonds mocht Puck een uur langer opblijven en Tante Sjarlotje en Nel voorlezen. +</p> +<p>En Puck las zoo prettig voor, zei tante, dat ze er niet bij in slaap <i>kon</i> vallen. (Maar misschien kwam dat ook wel, omdat tante pas een stevig dutje beet had.) +</p> +<p>Woensdag kwamen Frits, Lientien en Waldi thuis; en ’t was weer druk en gezellig. +<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p> +<p>Puck had nooit gedacht, dat ze die drie zoo verschrikkelijk zou gemist hebben, vooral +Lientien. +</p> +<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> +</p> +<p>„Hoor eens, Lienepien,” zei Bet een paar dagen later, „mijn moeder is nou netjes op +orde, en, als je wil, mag je Zondagmiddag met me mee haar opzoeken.” +</p> +<p>Bet had moeder zoo veel verteld van Lientien, dat deze er naar verlangde, dat lieve +schatteboutje te zien. +</p> +<p>„Erg graag Bet; mag Puck ook?” +</p> +<p>„Wel nee,” sprak Bet kortaf. „Puck is niet gevraagd, en die gaat er bovendien weer +met de „voornamigheid” op uit in de auto.<span class="corr" id="xd33e1514" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>Ja, dat was wààr. Lientien had ’t schoon vergeten. +</p> +<p>’s Zondagsmiddags was ze om half drie klaar, volgens afspraak, en stapte vergenoegd +met Bet naar de Obrechtstraat, waar moeder op een étage woonde. +</p> +<p>Wat een aardige, oude vrouw was die moeder van Bet! Zij droeg de Friesche kap met +een blinkend gouden oorijzer; dat was nog wat anders dan Geertjes hoofdversiersel. +’t Zag er maar wàt keurig uit bij moeder. Lientien moest overal rondkijken. In ’t +aardige slaapkabinetje vóór aan straat, in ’t kraakzindelijk keukentje, waar alles +wat er hing en stond je tegenblonk, zoodat je er voor je plezier naar keek. Daar tegenover +was de zitkamer, waar ’t mooie ouderwetsche kabinet stond, dat als een spiegel glom. +Ja, Bet had haar netheid en zindelijkheid van niemand vreemd. <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>In de keuken lag Bobbie, een groote lobbes van een hond, (die veel op een setter leek, +maar ook wel wat van een buldog had), in een reuzenmand, die maar net onder de keukentafel +kon staan. +</p> +<p>Moeder vertelde allerlei aardige dingen van hem. Je moest hem alleen niet willen voeren. +Want hij dacht altijd, als iemand de hand bij zijn bek hield, dat hem een kluifje +of een andere lekkernij werd gepresenteerd, en hapte dan onbesuisd toe. Bobbie was +een goede waakhond, doch had nooit aan een ketting gelegen. Dat was een naar leven +voor zoo’n arm beest, vond moeder. +</p> +<p>„Is Bobbie op reis zoet geweest?” informeerde Lientien. +</p> +<p>„Als een lam,” prees moeder, „en gehoorzaam is hij ook. Bob mag niet in de mooie kamer, +hé Bob, en blijft dus zoet hier in zijn mand.”—Bobbie kwispelde met zijn stompstaartje, +en volgde ’t vrouwtje alleen met zijn oogen. Ja, hij was een hond met goede manieren. +</p> +<p>De zitkamer vond Lientien dan al bizonder gezellig met ’t vuurrood kleedje op de tafel, +waartegen ’t nikkelen theeservies zoo mooi uitkwam, terwijl ’t theelichtje, onder +den theepot, ’t geheel nog knusser maakte. Moeder haalde een trommeltje met koekjes +uit de kast, en zette dat met een schotel Friesche drabbelkoek op tafel. De jongejuffrouw +moest maar flink toetasten. +</p> +<p>„Zeg U toch Lientien,” verzocht de „jongejuffrouw”, „net als Bet, en dan zeg ik tegen +U.… Betjesmoe.” +</p> +<p>Schatteboutje stal moeders hart voor de zooveelste maal. +<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p> +<p>Bet zat maar goedmoedig te luisteren naar ’t druk gebabbel van Lientien en moeder, +die ’t samen wat best konden vinden; maar dat had ze dan ook wel gedacht. Moeder hield +dol van kinderen, en Lientien was nog zoo echt en heelemaal een kind, in ’t geheel +niet pedant of aanstellerig, zooals Puck b.v. Die had zich heel deftig „jongejuffrouw” +laten noemen, reken maar. +</p> +<p>Doch zelfs Bet zou nu wel een beetje meelij met Puck hebben gevoeld, als ze had kunnen +zien, hoe zielig dat juffertje haar ongeduld zat te verbijten. Want ’t werd drie uur, +half vier, en wat er verscheen: geen auto. +</p> +<p>Er was wel geen nader bericht van mevrouw van Bergen gekomen, maar mevrouw had haar +toch zelf gevraagd, en bij ’t afscheidnemen nog gezegd: „Nou, tot Zondag dan.” Zouden +ze haar vergeten hebben, of.…? +</p> +<p>Puck zag weer den waarschuwenden por van Ellen aan haar moeder.—Om vier uur gaf Puck +de hoop op. Nou goed, dan moesten die spoken van een Ellen en Grace maar weg blijven! +Ze wachtte niet langer. Als ze nog kwamen moest Kee zeggen, dat de jongejuffrouw al +lang was uit gegaan. +</p> +<p>Puck vroeg aan Nel, of ze Lientien mocht gaan halen. De Obrechtstraat was zoo vlak +bij; zij zou heusch niet verdwalen. Nel vond ’t dadelijk goed. „Ja, ga maar Puck.” +Nel had er mee te doen, dat ’t kind aldoor voor niets had zitten wachten. +</p> +<p>Lientien zat met een kleurtje van opwinding allerlei <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>verhalen te doen over school en Waldi en haar poppen, toen er hard gescheld werd. +</p> +<p>„O,” zei moeder, „dat is Juffrouw Maas zeker, ik zal wel opentrekken, Bet.…<span class="corr" id="xd33e1542" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Dag juffrouw. Juffrouw, is Lientien hier?” klonk een stem naar boven. +</p> +<p>(„O Bet, daar is Puck,” riep Lientien blij, „hoe leuk, dat ze komt”.) +</p> +<p>„Jawel jongejuffrouw, komt u boven,” noodde Bets moeder vriendelijk. +</p> +<p>Puck rende de trap op, en werd door moeder de kamer binnengeleid. Lientien was wel +wat verrast, toen Puck op haar toevloog en haar omhelsde met een zoen. +</p> +<p>Maar Lientien keek haar dan ook zoo vroolijk en vriendelijk aan, alsof ze blij was, +dat ze haar zag, dacht Puck, die dit dubbel goed deed, nadat Ellen en Grace haar zoo +teleurgesteld en leelijk behandeld hadden. Daarom <i>moest</i> ze Lientien even pakken. +</p> +<p>Toen vroeg ze een beetje benepen aan Bet: „Mag ik wel even blijven, Bet?” +</p> +<p>„Dat spreekt toch van zelf, Puck,” zei Bet, „ga maar zitten, er bennen nog koekjes +genoeg.… Maar we dachten, dat je er met de auto op uit zou gaan.…” +</p> +<p>Puck beet zich op de lippen. „Ze zijn me niet komen halen, misschien wat tusschenbeide +gekomen,” mompelde zij, en begon toen vlug over wat anders. +<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> +<p>„Wat is ’t hier leuk en gezellig.… Juffrouw, u woont hier echt, hoor!” +</p> +<p>Als ze wou, kon die Puck ook wel haar beste beentje voorzetten, en dit deed ze nu. +’t Meisje was op haar liefst, en pakte „moeder” heelemaal in. Ze toonde voor en in +alles minstens even groote belangstelling als Lientien, en haar babbelmondje stond +ook geen oogenblik stil. +</p> +<p>De oude vrouw moest van alles laten kijken en voor den dag halen, terwijl de kleine +meisjes om ’t zeerst bewonderden, en overal de geschiedenis van wilden weten. +</p> +<p>Toen moeder met ’t portret van haar lievelingszoon aankwam, die korporaal was in Indië, +vleide Puck: „Hij lijkt precies op u; met uw kap op zou hij sprekend zijn moeder zijn.” +Wat moest „Betjesmoe” daar om lachen, en Bet niet minder. Want de korporaal had een +fameuze snor en zeer ruige wenkbrauwen. Verbeeld je die eens onder een Friesche kap +uit! ’t Gaf een pret van belang! Toen liet moeder al ’t moois zien, dat haar zoon +haar in den loop der jaren uit Indië had toegezonden: sierdingetjes in rood koraal, +om hier of daar neer te zetten, een mandje, van kruidnagelen gemaakt, een Indisch +bedehuisje, fijnbesneden, en allerlei grappige poppetjes van speksteen en andere steen. +</p> +<p>Lientien herinnerde zich niet veel meer van Indië dan tante Letje en Tidjem, maar +Puck wist nog heel wat van haar geboorteland te vertellen, en Bets moeder zat met +’t grootste genoegen naar die verhalen te luisteren. Lientien dacht af en toe een +beetje weifelend: „Of Puck nou niet <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>wat overdrijft? Zou dat wel allemaal wáár wezen.…?” +</p> +<p>Eindelijk zei Bet, dat ’t nu heusch tijd werd om naar huis te gaan en, terwijl Lientien +hartelijk bedankte voor den prettigen middag, deed Puck dit niet minder beleefd en +aardig; ze had echt plezier gehad, veel meer dan op ’t autotochtje van laatst. En +dit maakte zij zich niet maar zoo wijs, want, al wilde Puck graag de hoogte in, al +had ze een te grooten dunk van alles wat rijk en voornaam is, in haar hart voerde +die neiging steeds strijd met haar beter ik. Ze maakte niet voor niets, nu sinds jaren +al, deel uit van een gezin, waar natuurlijkheid en eenvoud den grondtoon vormden, +en de lessen, in woord en voorbeeld, van de familie Canneheuvel, waren ook aan Puckie +niet geheel voorbij gegaan. +</p> +<p>Op ’t portaal liep moeder nog even weer naar binnen, om wat te halen, en stopte de +meisjes ieder een aardig Chineesch afgodsbeeldje in de hand (een grappig steenen poppetje +in zittende houding, met een lange zwarte vlecht, en verbazend veel denkrimpeltjes +op zijn verstard gezicht.) +</p> +<p>Betjesmoe kreeg er een zoen voor, ook van Puck. Dit laatste zag Bet met de allergrootste +verbazing. +</p> +<p>Maar moeder fluisterde Bet toe, terwijl de meisjes de trap afliepen: „Je hebt gezegd, +dat Lientien een schatteboutje was en de andere heelemaal niet?.… <i>ik</i> vind ze allebei schatteboutjes hoor! Als ze willen, breng ze dan maar gerust weer +eens mee.…” +</p> +<p>Bet zei niet veel, doch dacht des te meer, en bleef Puck <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>een bijdehand nest vinden. Geen vergelijk met Lienepien, die dot! +</p> +<p>Een poos later, toen Bet weer eens op Puck bromde, durfde dat brutaaltje zoowaar zeggen: +„Je lijkt zeker op je vader, Bet, want je moeder is een engel.” +</p> +<p>„Wil je er een om je ooren?” presenteerde Bet, met opgeheven hand. +</p> +<p>Maar naderhand zei ze tegen Lientien: +</p> +<p>„Ja, mijn vader was een „kortaffe”, net als ik, maar mijn moeder, die hield den vrede.” +</p> +</div> +</div> +<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2643">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">XI</span> <span class="extraDivNum">XI</span> JAN WEER THUIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Vader en moeder waren nu ook weer thuis gekomen, en hadden Jan meegebracht. +</p> +<p>Dat was me een baas geworden, die Jan! Zoo groot en breed, met zoo’n heldere, vroolijke +stem en drukke bewegelijkheid, dat hij ’t heele huis vulde. Voor iedereen had hij +wat meegebracht, en zelfs Geertje niet vergeten. „Wat allemachies aardig is van dien +jongen mijnheer met zijn lange beenen,” zei Geertje, „want kennen doet hij mij geen +eens.” Ze was dan ook verbazend in haar schik met haar cadeau: een hertje van gepolijst +metaal, dat er „echt” uitzag met zijn zware horens en mooie dunne pootjes. Het pronkte +midden op haar tafeltje, en ’t hertebeest kreeg ’s Zaterdags <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>ook een beurt van wat blief je! ’t Werd gepoetst en opgewreven tot ’t blonk als zilver. +</p> +<p>Jan zou nu over acht weken naar Indië vertrekken om te Soerabaia op vaders kantoor +werkzaam te zijn. In die twee maanden moesten Mamp en Nel voor zijn uitzet zorgen, +terwijl hij zelf ook nog heel wat te koopen en te beredderen had. Telkens bracht Jan +wat mee uit de stad, bloemen voor Mamp, een lekker sigaartje voor vader, fijne odeur +voor Nel, snoepgoed voor de meisjes, en voor tante Sjarlotje patiencekaartjes. Jan +had er voor tante ook een boekje bij gekocht, daar stonden wel honderd verschillende +patiencespelletjes in. +</p> +<p>Tante Sjarlotje raakte al gauw verzot op patiencespelen en.… Lientien ook. Die was +er bizonder vlug en wijs mee. Als tante een nieuw spel wilde leeren en uit de verklaring +niet wijs kon worden, begreep Lientien deze in een oogenblik en leerde haar tante +Sjarlotje, die ze, op deze manier, vlug begreep. Wat hadden tante en Lienepien een +pret over de namen van de patiencespelletjes. +</p> +<p>De moeilijke „Pad”, de „Zevenslapers” en de „Tweelingen” wilden van de tien keer negen +maal niet uitkomen, maar de „Beeldengalerij” en de „schuchtere Louise” waren flauw +gemakkelijk. Elken avond, vóór ’t naar bed gaan, speelde tante een uurtje, en daar +sliep ze dubbel lekker op. +</p> +<p>’t Werd een gezellige tijd met Jan thuis. Zelden of nooit ging hij alleen uit. „Ik +zal mijn heerlijk thuisje nu al gauw jaren lang moeten missen,” zei Jan, „en wil er +<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>dus nog zooveel mogelijk van profiteeren.” De jongen was bijna altijd naast Mamp te +vinden, die hij „Mader” noemde. Dit was zijn lievelingsnaam voor zijn tweede moeder, +die hij even liefhad, alsof zij zijn eigen was geweest. +</p> +<p>Als hij op de bank naast haar zat, stak hij vertrouwelijk zijn arm door den haren. +</p> +<p>„Nou niet naaien, Mader, maar gezellig babbelen.” +</p> +<p>„Domme jongen, hoe komen je zakdoeken dan klaar?” +</p> +<p>„Die wil Puckie wel voor mij naaien,” plaagde Jan, met een knipoogje naar deze jongejuffrouw. +Hij wist wel, dat ze een broertje dood had aan naaien. +</p> +<p>„’k Ben zoo graag voor je bezig, Jan,” zei mama, „als je je goed gebruikt daarginds, +denk je nog eens extra aan me.” +</p> +<p>„Of ik dat niet altijd zal doen, goeie, trouwe Mader mijn,” sprak Jan zacht. „Ik zal +u wel erg missen en vader en Nel en lieve Lienepoes.… Maar als ’t te erg dreigt te +worden, zeg ik, net als vroeger: „den kop er tegen in, Jaromir.” +</p> +<p>„Juist Jan, en we hebben toch onze brieven over en weer, en ik heb nu zooveel tijd +om aan jullie te schrijven. Van Dolf en Lous krijg ik voortdurend prijsjes.” +</p> +<p>„En u schrijft zulke heerlijke, en heerlijk lange brieven,” betuigde Jan dankbaar. +„Zorg dus Mader, dat ik u ook prijsjes geven kan.… Ons eigenlijk huis blijft toch +altijd hier,” vervolgde Jan na eenige oogenblikken, „de duiventil, waar de kinderen +steeds in en uit blijven vliegen, of liever ’t nestje, dat u pas zacht en warm voor +ons gemaakt heeft. <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span><i>Ik</i> kom vast om de drie of vier jaar weer eens kijken; ’t is zoo goed als zeker, dat +Lous en Dolf over een jaar of wat over komen wippen. U zal zien: tot in uw en vaders +stokouderdom zal u van de kinderen Canneheuvel om u heen hebben.” +</p> +<p>„Vader en ik hopen en wenschen niets liever, m’n jongen,” zei mama bewogen.— +</p> +<p>Puck, die altijd met Frits kibbelde, zag tegen Jan op. Ze vond hem een echte „mijnheer”, +en durfde geen bijdehante antwoorden geven, als hij haar plaagde. +</p> +<p>Puckie voelde niets voor ’t patiencespelen van tante Sjarlotje en Lientien, maar ze +werd steeds „doller” op lezen. Lientien geloofde, dat ze van de heele school boeken +leende, want altijd had ze weer nieuwe. +</p> +<p>„Tante Puck heeft de leeskoorts,” klaagde Lientien tegen haar eenig zoontje. „Ze is +niks gezellig; wil nooit meer babbelen, maar zit eeuwig met haar neus in de boeken.” +</p> +<p>„Trek je er niks van an, moeder,” troostte kleine Koo, „dat luwt wel, want lezen is +vreeselijk vervelend op den duur.” +</p> +<p>„Wat een ezel is die kleine Koo toch!” merkte tante Puck op, „zijn verstand is even +klein als hij zelf is.” Daar kleine Koo, sinds zijn geboorte, nog geen sikkepitje +gegroeid was, moest ’t arme wicht zijn mond wel houden. +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel zei er maar niet veel van, dat Puck voortdurend las, zoolang haar +schoolwerk er niet onder leed. Ze vermeed alles, wat den vrede zou kunnen <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>verstoren, den laatsten tijd, dat Jan nog thuis was. +</p> +<p>Maar Jan had in zijn goedhartigheid bedacht Puckie eens aardig te verrassen. Hij nam +haar mee naar zolder, en gaf haar een kist vol boeken cadeau, die hij van kleinen +jongen af aan bewaard had. De meeste bevatten avontuurlijke verhalen, zooals jongens +die gaarne lezen. Doch er waren ook mooie boeken bij over dieren en zoo, die Dolf +indertijd aan Jan vereerd had. +</p> +<p>Puck stond sprakeloos van vreugde over zulk een schat, en wist niet, hoe ze Jan zou +bedanken. Overblij met dit prachtige cadeau, hief zij zich op haar teenen en gaf Jan +een flinken klapzoen op zijn bruine wang. „Ze is toch wel een hartelijk kind,” dacht +Jan. +</p> +<p>Goeiige Lientien hielp Puck den boekenschat naar beneden dragen, en nu voelde Puck +zich net zoo rijk als een veldmuis of een hamster, die voor den heelen winter voorraad +in zijn hol heeft gesleept. +</p> +<p>Jammer, dat oom voortdurend een oogje hield op ’t huiswerk, moeilijke lessen overhoorde +en de sommen nakeek. +</p> +<p>Puck moest er haar dierbaar lezen dus dikwijls aan geven, want, was ’t werk niet in +orde, dan moest ’t overgeleerd en overgemaakt worden, daar hielp geen lieve moederen +aan. +</p> +<p>’t Beviel Puck dit keer heelemaal niet op school. Grace en Ellen gingen heelemaal +op in de barones en lieten Puck links liggen. +<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p> +<p>Het baronesje was een stil, zacht meisje met groote oogen, die altijd staarden. (Lientien +vond, dat ze sprekend leek op haar oudste kind Francine, de oogen ten minste.) Men +kon haar alles behalve vlug noemen, want ze kende nooit haar lessen, en gaf dikwijls +zulke domme antwoorden, dat de andere kinderen er om lachten. +</p> +<p>Maar dan werd de juffrouw boos, en knorde. Al gauw begrepen de meisjes, dat ze meelij +moesten hebben met Leonore, in plaats van haar uit te lachen. Ze was zwaar ziek geweest, +en kon nu niet zoo goed meer leeren als andere meisjes van haar leeftijd. Mettertijd +zou ’t wel terecht komen, had de dokter gezegd, en ’t was ’t beste, als zij klasse-onderwijs +kreeg, en veel met meisjes van haar jaren in gezelschap was. +</p> +<p>Nu werd Leonore niet meer uitgelachen, doch, de goedhartige meisjes niet te na gesproken, +die zich uit meelij met haar bemoeiden, lieten de klasgenootjes haar vrijwel links +liggen. Behalve Ellen en Grace, die zich bepaald aan Leonore opdrongen. +</p> +<p>’t Stak Puck, dat zij dat deden, en ze begreep ook niet best, hoe ze <i>haar</i> bij dit meisje achterstelden. Want Puck gooide zich zelf alles behalve weg, en wat +had je nou in vredesnaam aan dat suffe wurm, al kon ze ’t niet helpen, dat ze ’t was. +</p> +<p>Op een keer zei Puck ’t ronduit heel boos en driftig tegen Ellen. „Dat jullie niet +meer vriendin met me wilt zijn, kan me geen zier schelen, maar dat je dat onnoozele +<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>schaap van een Leonore nou zoo achterna loopt, dat vind ik bespottelijk.” +</p> +<p>„Zoo!… vind je dat? smaalde Ellen<span class="corr" id="xd33e1648" title="Niet in bron">.</span> „Ze is in elk geval veel meer dan jij, want ze is een barones.” +</p> +<p>„Zeg, ben je van Lotje getikt?” onderzocht Puck. „Die Leonore is geen steek meer dan +jij of ik, omdat haar vader bij toeval baron is.…” +</p> +<p>„Kind, hoe verzin je ’t? We moeten meelij met haar hebben, zegt de juffrouw, en dat +is waar, maar jij lijkt wel mal.…” +</p> +<p>„Je hoeft niet te denken, dat je ooit meer in onze auto mee mag,” schreeuwde Ellen. +</p> +<p>„’k Zou niet eens willen,” gilde Puck weerom. „Jij en Grace stikken van verwaandheid. +Hoepel op met je beiden, ik <i>wil</i> niet eens meer vriendin zijn met zulke bespottelijke mallooten.” +</p> +<p>„Dat komt goed uit,” hoonde Ellen, „want …” +</p> +<p>De rest hoorde Puck niet, want ze rende weg, nadat ze haar gewezen vriendin eerst +nog een flinken stomp had toebedeeld. +</p> +<p>Ziezoo, met de Grace- en Ellen-vriendschap was ’t dus voorgoed uit. Ze lieten Puck +loopen, toen ze een voornamere vriendin konden krijgen, net precies als Frits voorspeld +had. +</p> +<p>Maar juist daarom vertelde Puck er thuis aan niemand van, behalve aan Lientien, die +toch al zoo iets gemerkt had. Lientien had haar beloofd te zwijgen, en op Lientien +kon je aan. +<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p> +<p>Puck sloot nu nog inniger vriendschap met haar kostelijke boeken. Dat waren ten minste +vrienden, die je nooit in den steek lieten. +</p> +<p>’t Was de laatste weken aldoor prachtig herfstweer, eigenlijk veel te warm voor den +tijd van ’t jaar. De juffrouw zag ’t een beetje door de vingers, als er eens minder +goed werd opgelet, en ook ’t werk beter had kunnen zijn. Zij had ’t de meisjes gaarne +gegund nu buiten te wezen in plaats van in de warme school. +</p> +<p>Maar toch moest ze wel eens knorren, en ook Puck kreeg nog al eens te hooren: „Meisje, +waar zijn je gedachten? Let toch wat beter op.” +</p> +<p>Puck verlangde al maar dat de school uit was, en ze ’t boeiend verhaal zou kunnen +vervolgen, waarbij aldoor haar gedachten waren in plaats van bij haar sommen, of de +aardrijkskundige les. +</p> +<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> +</p> +<p>Lientien moest met zwaar gevatte kou thuis blijven. +</p> +<p>Niemand begreep, hoe ’t mogelijk was, met ’t warme weer, maar arme Lienepien had ’t +dan toch zoo verbazend te pakken, dat mampie haar in bed stopte. Lientiens neusje +zag rood van ’t snuiten, en ze bleef maar hoesten, in weerwil van al de ulevellen +en boterbrokken, die haar van alle kanten werden toegestopt. +</p> +<p>„Je moet Lientien nu liever niet zoenen, Puck,” waarschuwde tante, „anders krijg je +’t ook beet, en zou je de school moeten verzuimen, net als Lientien.” +<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> +<p>Deze argeloos gesproken woorden brachten ondeugende Puck op een onzalig denkbeeld. +</p> +<p>„Waarom zou zij ook niet ziek kunnen worden, net als Lientien, en een dag of wat heerlijk +vacantie nemen om.… volop te lezen?” +</p> +<p>Diep in de Boschjes waren zulke stille plekjes tusschen ’t groen, waar nooit iemand +kwam, of je stoorde … +</p> +<p>Dien middag op school gaf Puck al een begin van uitvoering aan haar plan. Telkens +moest ze verdacht hoesten en haar zakdoek gebruiken. Toen de juffrouw vroeg, wat of +ze toch had, jokte Puck, dat ze zich niets prettig voelde; zoo zwaar in ’t hoofd en +zoo suf, net of ze zwaar verkouden zou worden. En dat zou geen wonder zijn, omdat +Lientien al een paar dagen te bed lag, ziek van verkoudheid. +</p> +<p>Toen de school uit was, ging Puck naar de juffrouw toe. „<span class="corr" id="xd33e1682" title="Bron: Jufrouw">Juffrouw</span>, als ik er morgen niet ben, dan weet u wel waarom; ik voel mij niks goed.” En Puck +huiverde, verbazend natuurlijk. +</p> +<p>„Best kind. Beterschap hoor!” zei de juffrouw, wie ’t geen oogenblik in ’t hoofd opkwam, +dat Puckie comedie speelde. +<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2652">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">XII</span> <span class="extraDivNum">XII</span> PUCK SPIJBELT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen stapte Puck op den gewonen tijd naar school. Doch, in haar tasch, +verstopt tusschen boeken en schriften, had zij „De Witte Bison” meegenomen. +</p> +<p>Zij ging de school voorbij (door een evenwijdig loopende straat), de Laan van Meerdervoort +door, den Scheveningschen weg op, en zoo de „Boschjes” in. Haar hart klopte als een +hamer. +</p> +<p>„Schaam je wat, schaam je wat,” verweet „Meester”. „Je bent een slecht, bedriegelijk +kind.” Maar Puck wilde niet luisteren; ze stapte steeds vlugger door, vond ’t verrukkelijk +plekje, dat zij zocht, en vergat ’t tikkertje van binnen al heel spoedig, terwijl +ze ’t verboden genot met volle teugen smaakte. +</p> +<p>Den volgenden dag wilde ze in ’t geheel niet meer naar „Meester” luisteren, en toen +ze thuis kwam, hoorde ze bepaald met spijt, dat Lientien Donderdag weer naar school +mocht. <i>Dan</i> durfde ze ook niet langer. Dat was veel te gevaarlijk voor ’t uitkomen. +</p> +<p>Doch, terwijl Puck hier pas over dacht, als iets, dat onmogelijk gebeuren kon, was +dit al geschied. +</p> +<p>Op school heerschte n.l. ’t gebruik, dat aan de meisjes, die niet op school kwamen, +het huiswerk thuis werd gezonden. +</p> +<p>Een meisje, dat in de buurt woonde, nam het gewoonlijk mee. Puck had hieraan wel gedacht, +maar, nu voor Lientien <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>’t werk gebracht werd, bestond er geen gevaar voor haar, meende ze, want wie zou op +’t idee komen, dat dit voor twee in plaats van voor een was. +</p> +<p>Geertje was al eens verbaasd geweest, dat de boodschap bij ’t afgeven van ’t schoolwerk +de laatste twee dagen luidde: „Voor de zieke jongejuffrouwen, en hoe ’t er mee was?” +</p> +<p>„Jongejuffrouw<i>en</i>,” herhaalde Geertje, „’t is er toch maar één? Lientien bedoel U immers?” +</p> +<p>’t Meisje, dat de schriften bracht, begreep Geertje niet te best. Ze had haast, knikte +maar, en liep vlug weg. +</p> +<p>Doch Geertje vond de zaak niet pluis. Je kon die Puck heelemaal niet vertrouwen, ze +ging vast niet naar school, en was aan ’t spijbelen. +</p> +<p>Bet leek ’t geval ook erg verdacht, terwijl Geertje ’t haar op haar zwaarwichtige +manier vertelde. +</p> +<p>Ze wachtte Puck op, toen ze aanschelde, en vroeg haar op den man af: „Zeg Puck, ga +jij soms niet naar school? Wat voer je uit?” +</p> +<p>„Natuurlijk ga ik naar school, wat hoef je me dat te vragen? Gaat ’t jou soms wat +an?” onderzocht Puck, heel driftig. +</p> +<p>„Maar nou ga je mee naar binnen,” zei Bet, pakte Puck beet, en sleepte ’t onwillig +tegenstribbelende juffertje naar de huiskamer. Daar waren Mevrouw Canneheuvel en Jan, +aan wie Bet ’t geval kort en bondig meedeelde. +</p> +<p>Mama begreep er niets van, doch Jan deed dit des te <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>beter, want als kleine jongen had hij dien stouten streek ook wel eens uitgehaald. +</p> +<p>„Puckie, Muckie,” dreigde hij met den vinger, „je hebt gespijbeld, beken ’t maar eerlijk. +Jongens doen dat wel meer, maar van kleine meisjes heb ik ’t nog nooit gehoord.” +</p> +<p>„Nee, ik ook niet,” sprak mevrouw Canneheuvel, „en ik kan ’t haast niet gelooven. +Kijk mij eens aan, Puck.” +</p> +<p>Doch Puck hield ’t hoofd gebogen en versmolt in tranen. Eindelijk durfde ze opkijken, +en daar ze wel begreep, dat alles nu toch uit moest komen, vertelde ze onder horten +en stooten de volle waarheid. +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel keek heel ernstig, en schudde moedeloos het hoofd. +</p> +<p>„Puckie, ik begin er heusch aan te wanhopen, of jij ooit een oprecht, goed kind worden +zult, en we doen toch zóó ons best je in ’t goede vóór te gaan.… +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>De juffrouw en ons zóó te bedriegen! Hoe durfde je ’t te doen? En heel alleen eenzame +plekjes in de boschjes op te zoeken … Daar had je van allerlei kunnen overkomen, Puck. +Je weet niet, hoe gevaarlijk ’t is als kind alleen rond te dwalen. Of liever, je weet +’t wèl. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Verbeeld je eens, dat we aldoor op je zaten te wachten.. te wachten.… en je maar niet +kwam, tot we eindelijk hoorden, dat je een of ander vreeselijk ongeluk overkomen was.… +O Puck, dan zou ik geen gelukkig uur meer in mijn leven hebben gehad, want ik zou +me zelf altijd verweten hebben, dat ik beter op je had moeten passen.” +<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p> +<p>Als Mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje hard had aangepakt, en heftige verwijten +gedaan, had ze ’t kind niet dieper kunnen treffen dan door de laatste woorden. +</p> +<p>Wanhopig snikkend wierp Puck zich in tante’s armen en smeekte: „O tante, tante, zeg +dat toch niet. O! ik heb zoo’n spijt, dat ik zoo slecht ben geweest. Vergeef u mij +toch, en kijk u toch niet zoo bedroefd; ik zal ’t nooit, nooit weer doen.” +</p> +<p>„Hoe dikwijls heb je me dat al beloofd, Puck!” zuchtte Mevrouw Canneheuvel treurig. +</p> +<p>Doch ze stootte het bevende, heftig schreiende meisje toch niet terug. +</p> +<p>Intusschen liep Jan de kamer op en neer. +</p> +<p>„’t Is eigenlijk ook wel een beetje mijn schuld, Mader,” sprak hij, zijn best doend, +Puckie te verontschuldigen. „Ik had ’t kind met al die boeken niet in verzoeking moeten +brengen.” +</p> +<p>Maar Puckie snikte, tusschen zijn woorden. +</p> +<p>„Neen Jan, ’t komt alles alleen door mijn slechtheid …” +</p> +<p>„Luister eens Puck,” zei Tante eindelijk, „met dat lezen moet ’t natuurlijk vooreerst +uit zijn, en, daar je straf verdiend hebt, moet ik je die ook opleggen. Morgenochtend +ga je dadelijk naar de juffrouw toe, en overhandigt haar ’t briefje, dat ik voor de +juffrouw mee zal geven … En als de juffrouw oordeelt, dat je van haar ook straf verdient, +dan is daar niets aan te doen. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Je moet mij dus al je boeken brengen, en je moogt <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>vier weken lang in ’t geheel niet voor je plezier lezen. Er is natuurlijk ook geen +sprake van, dat je naar ’t partijtje bij mevrouw Reesers gaan mag. Ik zal mevrouw +een briefje schrijven om voor je te bedanken.” +</p> +<p>„Moet Mevrouw ook weten waarom?” vroeg Puck, met een hoogroode kleur, en tante smeekend +aanziende. +</p> +<p>„Neen kind,… laat dat maar aan tante over. En ga nu je gezicht wasschen, en denk er +eens ernstig over na, hoe heel verkeerd je gehandeld hebt.…” +</p> +<p>„Wil U mij dan vergeven, lieve tante?” +</p> +<p>„Eerst eens zien, hoe je je houdt. Je weet niet, Puck, hoe vreeselijk veel verdriet +je mij hebt gedaan, en hoe bitter je me teleurgesteld hebt.…” +</p> +<p>Met sleepende voeten ging Puck naar boven, wierp zich op haar bed, en vertrouwde haar +hoofdkussen al haar groot leed toe. +</p> +<p>Zóó vond Lientien haar. Ze wist ’t al van Puck, en ze begreep niet, hoe ze ’t had +<i>durven</i> doen. Maar Lientien kon niemand, die ze lief had, zien huilen. En zoo legde ze haar +hoofdje naast Puck’s krullebol op ’t kussen, sloeg den arm om haar hals, en streelde +Puck’s natbeschreide wangen. +</p> +<p>„Huil maar zoo niet, Puck,” troostte ze. „Mampie zal je wel vergeven. Maar hoe heb +je ’t toch verzonnen! Was je niet bang, dat ’t uit zou komen?”.… +</p> +<p>„Niet zoo erg Lientien.… Jij had ’t nooit <i>kunnen</i> doen hé?” +<span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span></p> +<p>„O nee hoor!” gaf Lientien gul toe. „Zoo heel alleen rond te dwalen.… hoe griezelig! +Maar ik zou ’t toch ook niet hebben willen doen om mampie,” voegde ze er eenvoudig +aan toe. +</p> +<p>„Jij hebt goed praten, jij hebt een eigen vader en moeder.… Had ik die ook maar,” +zuchtte Puck zielsbedroefd. +</p> +<p>„Maar je moet ook bedenken, dat ik lang zooveel niet van lezen houd als jij,” kwam +Lientien weer. „Dat akelige gelees ook! ’k Heb je wel gezegd: pas er mee op.” +</p> +<p>„’k Mag een maand lang niet voor mijn pleizer lezen, zegt je ma, en ik mag ook niet +naar de kinderpartij van Mevrouw Reesers.… En dat verdien ik ook,” klaagde Puck berouwvol, +„want ik ben een slecht, bedriegelijk kind.” +</p> +<p>Daar klonk de heldere klank van de „gong” om de familie aan tafel te roepen. Puck +durfde niet naar beneden gaan; ze had ook in ’t geheel geen trek. Naderhand bracht +Lientien haar een bordje boven met een portie griesmeelpudding met frambozenvla. Op +Jan’s voorspraak had Nel dit voor stoute Puck op zij gezet. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Puck’s euveldaad raakte al gauw op den achtergrond, omdat ’t uur van Jans vertrek +nu met reuzenschreden naderde. +</p> +<p>Nog één week, nog drie dagen.… nog één dag, en ’t oogenblik van afscheidnemen was +dáár. +</p> +<p>Vader zou zijn jongen aan boord brengen, de overige familieleden zeiden Jan thuis +„goedendag”. +<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p> +<p>Al viel er menig traantje, Jan wist er toch de opgewektheid in te houden. Zijn laatste +omhelzing en zoen waren voor mevrouw Canneheuvel, terwijl hij haar toefluisterde: +„Houd je goed, lieve Mader; Jan moet nu op zijn eigen beenen leeren wandelen, en als +dat hem lukt, heeft hij ’t aan u te danken. ’k Zal er mijn best voor doen, dat U met +Jantje niet minder eer zult inleggen dan met Dolf.” +</p> +</div> +</div> +<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2661">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">XIII</span> <span class="extraDivNum">XIII</span> HET FEEST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op school heerschte, nu al weken lang, groote opgewondenheid. Want uit alle klassen +bijna waren de kinderen genoodigd voor ’t bal, dat de familie Clifford in het „Hotel +des Indes” wilde geven, ter eere van het vijf en dertig-jarig huwelijksfeest van mijnheer +en mevrouw. Jonge en kleine Cliffordjes bij elkaar waren er wel dertig kinderen en +kleinkinderen, en allen mochten, voor deze gelegenheid, hun vrienden en vriendinnen +inviteeren. Dat zou me pas een partij worden! De Heer Hendriks, van de dansles, zou +het bal leiden, en dat was maar goed, want ook in de balzaal moet er orde zijn, anders +loopt de boel eerst recht in het honderd. Vooral daar er zoo verbazend veel kinderen +zouden komen. „Nog meer misschien dan op de openbare dansles,” zei Puck. +</p> +<p>Dat juffertje had weer allemanspraats, want, na haar <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>straf geduldig te hebben gedragen, voelde zij zich geheel opgelucht. Mevrouw Canneheuvel +kwam nu, evenmin als vroeger, met achterna-verwijten aan, zooals Frits dat in der +tijd noemde. En, als ze ’t gestrafte kind eenmaal vergeven had, zinspeelde ze nooit +meer op de aanleiding tot de straf. +</p> +<p>Pucks boeken bleven onder tantes berusting, en van „verslinden” kwam niets meer in. +</p> +<p>’s Zondags en in haar vrijen tijd mocht Jootje een paar uur lezen, en daarmee uit<span class="corr" id="xd33e1800" title="Bron: ..">.</span> +</p> +<p>’t Was vreeselijk hard, maar ’t moest gedragen worden, zuchtte Puck. +</p> +<p>Toen de gedrukte kaart van de familie Clifford kwam, was ze toch evenwel erg bang +geweest. +</p> +<p>Zou ze mogen? Zou tante …? +</p> +<p>Tot deze vroeg: „Hebben jullie er zin in, kinderen? Zal ik voor jullie dus ook maar +aannemen?” +</p> +<p>Toen had zulk een dankbaar gevoel Puck’s hartje doorstroomd, dat ze nauwelijks woorden +kon vinden om haar blijdschap uit te drukken. Lientien juichte: „hoe zalig, dat we +gevraagd zijn,” maar Puck vloog tante om den hals, en riep maar al: „O tante, tante! +hoe lief en goed is dat van u, mag ik heusch? Lientien, hoor je? Ik <i>mag</i> van tante.” +</p> +<p>’t Deed Lientien ook oprecht plezier, want op de kinderpartij had ze Puck aldoor gemist. +De twee meisjes waren meer dan ooit samen, nu Puck ’t met Ellen en Grace had „afgemaakt”. +<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p> +<p>Nel en Frits waren ook gevraagd, want Nel was bevriend met de jongste dochter Pauline, +en Willem Clifford was bij Frits in de muziekclub. De grooteren zouden naderhand nadansen. +Tusschen ’t dansen door zouden er tableaux-vivants zijn, en op ’t tooneel mooie dansen +worden uitgevoerd door de beste leerlingen van den heer Hendriks. Stel je eens voor, +wat Lientien en Puck wel voelden, toen Lientien werd uitgenoodigd als „Lentefee” in +een der tableaux op te treden, en Puck om den solodans uit te voeren in „Het feest +der Elfen”. +</p> +<p>Papa vond ’t eigenlijk niet in den haak, dat feestvieren zoo midden in den schooltijd. +Maar Lientien kuste papoes’ bezwaren weg. +</p> +<p>’t Was nu maar voor dit enkel keertje, zoo’n partij kwam vast in geen jaren terug, +en naderhand zouden ze op school dubbel haar best doen. Al de vriendinnetjes gingen +ook, dus … +</p> +<p>’t Was te begrijpen, dat het onderwerp: „’t Bal bij Clifford”, steeds op het tapijt +was. +</p> +<p>Dagen van te voren werden er al dansen besproken. Het: „Wat doe jij aan? Krijg jij +ook een splinternieuwe jurk, net als ik? In welk tableau doe jij mee? Heb je al veel +dansen besproken?” waren aan de orde van den dag. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Lientien en Puck zweefden op witte balschoentjes de trap af. Ze leken precies twee +groote bloemen: Lientien <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>in haar rose, Puck in haar zee-groen tarlatannen japonnetje, Lientien’s jurk was met +witte margarietjes, die van Puck met rose roosjes versierd, die hier en daar en overal +tusschen toefjes lint smaakvol waren aangebracht: in de ceintuurs, op den éénen schouder, +als kleine bouquetjes uitkijkend tusschen de satijnen lussen van de lang afhangende +witte en lichtgroene linten. Je moest aldoor van Puck naar Lientien en van Lientien +naar Puck kijken, en wist niet, wie van beiden er het snoezigst uitzag. +</p> +<p>Puck wist ’t wèl. Ze had wel een kwartier voor tante’s grooten staanden spiegel heen +en weer gedraaid, en zich zelf bewonderd. +</p> +<p>Vooral ’t gouden medaillonnetje aan ’t fijne kettinkje vond ze prachtig. Lientien +had er geen; Nels bloedkoralen pasten niet bij haar rose jurk, en mampies sieraden +nog minder. Gelukkig had tante Sjarlotje een kettinkje gevonden van witte cornalijnen +met een echt gouden slotje. ’t Sloot precies om Lientiens mollig halsje. +</p> +<p>Maar zoo mooi als haar gouden medaillon stond ’t toch lang niet, vond Puck. +</p> +<p>Nel droeg een wit zijden japonnetje en Frits had heel deftig voor ’t eerst een „smoking” +aan. +</p> +<p>Vader en mamp waren heel trotsch op hun troepje; ze konden er mee voor den dag komen. +</p> +<p>Ofschoon ze een paar keer gerepeteerd had voor de „Lentefee”, was Lientien er toch +niet gerust op, of zij haar rol wel goed zou vervullen. Zouden haar handen niet trillen, +<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>haar voeten onbewegelijk blijven in de voorgeschreven houding? +</p> +<p>Doch Puck was heel niet bang. Ze kreeg op de dansles steeds prijsjes, werd den anderen +kinderen ten voorbeeld gesteld, en moest dan voordansen. De moeilijkste passen leerde +zij in een ommezien. De heer Hendriks zei dikwijls: +</p> +<p>„Als Jootje van Vorden zoo vlug is met leeren als met dansen, wordt ze nog eens professor.” +De kleine meisjes hadden al verscheidene dansen besproken. Lientien meest met vriendinnetjes, +want met jongens dansen vond ze maar zóó, zóó. Jongens hielden hun dame onverschillig +vast en, in plaats van leuk te babbelen, keken ze een anderen kant uit, of vroegen +onnoozele dingen. +</p> +<p>Lientien was, net als mamp, een echt gezellige babbelaarster, en nooit om stof voor +een gesprek verlegen met de schoolvriendinnen. Maar met zoo’n halfvreemden jongen +raakte je nooit op dreef. +</p> +<p>De heer Hendriks zag de kinderen liever bij „paartjes” dansen, maar, daar er meer +meisjes dan jongens waren, kon dit toch niet. +</p> +<p>Puck danste natuurlijk liever met jongens, dat deed je op een groote-menschenbal ook, +en zoo hoorde het. Als haar cavaliers uit de maat waren of slecht dansten, moesten +ze er ongenadig veel over hooren. Ofschoon ze haar erg bijdehand vonden, wilden de +goede dansers Puck toch graag als dame, want ze danste als een elfje in den maneschijn, +en, als ze wou, kon ze verbazend leuk en aardig uit den hoek komen. +<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p> +<p>Lientien was erg in haar schik, dat ze de polonaise met Jan Vrede had. Dat was een +gezellige, kalme jongen, en hij had altijd wat van zijn dieren te vertellen. +</p> +<p>Bij de familie Vrede hadden ze een grooten tuin, en de kinderen hielden er een heele +menagerie op na, zooals de Canneheuveltjes indertijd op ’t groote erf te Soerabaia. +</p> +<p>Puck had de polonaise besproken met den grootsten jongen van de dansles, een leuke +bruinoog, die altijd uit de maat was, maar er uit zag als een echt chic salonjonkertje. +</p> +<p>Met de polonaise hinderde ’t niet of je mooi of leelijk danste, redeneerde Puck, en +ze zou maar wàt een keurig figuur maken aan den arm van Guus Hooft van Elden. Hij +stak wel een hoofd boven de andere kinderen uit, dus zou wel in ’t oog vallen en … +zij er bij. Ellen zou maar leelijk op haar neus kijken, als Puck met Guus liep, want +zij had op Guus gevlast, omdat zij beiden even groot waren. +</p> +<p>In ’t rijtuig stonden Pucks en Lientiens babbelmondjes geen oogenblik stil. Ze hadden +samen ook één dans. Daarin had Puck genadig toegestemd. +</p> +<p>Wat een lange file van wagens stond er al voor het Hotel des Indes! Het rijtuig van +de Canneheuveltjes was nog lang niet het laatste; een lange rij had zich al weer achter +hun vigilante aangesloten, toen zij aan de beurt kwamen om uit te stappen. +</p> +<p>Verscheidene keurig gekleede, vriendelijke dienstmeisjes stonden gereed om de genoodigden, +in de tot garderobe <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>ingerichte kamer, te helpen met ’t afdoen van sjaaltjes, doeken, jassen enz. en een +allerlaatste hand te leggen aan de toiletjes en kapsels. +</p> +<p>Al de kinderen Clifford waren present, om hun of haar specialen vriend of vriendin +naar het bruidspaar te brengen, dat in een aangrenzende zaal zat, en jong en klein +hartelijk verwelkomde en aanraadde maar net zooveel pret te maken, als zij konden. +Van daar ging het in troepjes naar de groote balzaal. Wat een massa bruintjes, blondjes +en zwartjes waren daar al! Dat sprong en huppelde, drong en golfde door elkaar, dat +’t zoo’n aard had, en allen lachte de voorpret de oogen uit. +</p> +<p>Nel en Frits zochten een plaatsje, waar de stoelen stonden gerijd. Ze moesten vooreerst +nog voor balvader en balmoeder spelen, en waren al gauw in een gezellig clubje, terwijl +Puck en Lientien, omringd door een troep vriendinnetjes en vrindjes, in hun buurt +bleven. Want dat hadden ze afgesproken met hun dansers, daar ze elkander anders vast +niet konden vinden in de menigte. +</p> +<p>’t Bruidspaar was nu ook binnen gekomen en naar <span class="corr" id="xd33e1859" title="Bron: de de">de</span> voor hen bestemde plaatsen geleid. Daar klom de heer Hendriks op een kleine verhevenheid +en kondigde aan met heldere stem: „Aantreden voor de polonaise.” +</p> +<p>Jan Vrede kwam Lientien halen, die innig vergenoegd aan zijn arm wegdrentelde, en +dadelijk naar Jan’s nieuwe volière vroeg. Dat was een echt vogelpaleis, zoo hoog en +ruim, dat er wel drie boompjes in stonden behalve verscheidene <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>struiken, die volop licht en lucht kregen door de wanden van kippengaas. +</p> +<p>Toen Jan, na heel lang ziek te zijn geweest, een mooi cadeau mocht kiezen, omdat hij +pijn en ongemak zoo flink gedragen had, vroeg hij een „volière”. +</p> +<p>„Goed,” stemden zijn ouders toe, „maar geen gevangenis. Je moogt er boschvogels in +wennen, en een poosje binnen houden. Willen ze niet langer blijven in je goeien stal, +dan moet je ze hun vrijheid hergeven.” +</p> +<p>En nu vertelde Jan aan Lientien, dat, al was ’t in het begin recht treurig geweest, +zoodat hij met al zijn zorg, toewijding en „lekkere tafel” de boschvogels niet had +kunnen houden, dit nu steeds beter werd. Zoo langzaam aan kwamen er hoe langer hoe +meer terug van hun plezierreisjes. De groenlingen vooraan, die werden zoo tam als +kanaries. Hij hoefde maar een vinger uit te steken, flop! zat er ook een op, en bedelde +om een wurmpje of een zaadje. ’t Was verbazend leuk. Wel een geduld werkje natuurlijk, +eer je ze zoover had; de altijd aangerichte lekkere tafel trok zeker ’t meest. Een +nachtegalenpaar had een nestje gemaakt in een van de boompjes, dit voorjaar; van broeden +was nog niets gekomen, doch Jan was al erg in zijn schik, dat ze ’t zoover hadden +gebracht. De nieuwelingen bleven lang schuw, dat sprak van zelf, en er waren ook wel +vogels, die, als je dacht, dat ze gewend waren, wegvlogen, en nooit terug kwamen. +Maar dat moesten die ondankbare, domme rakkers dan ook maar zelf weten. +<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p> +<p>„Hoe eenig toch,” vond Lientien, en vroeg of ze eens met Frits mee mocht komen, om +Jan’s vogeldressuur van nabij te zien, wat Jan natuurlijk uitstekend vond. +</p> +<p>Intusschen stond Puck nog steeds op haar „cavalier” te wachten. Ze had Lientien nageoogd, +en keek nu zenuwachtig rond. Waar bleef Guus dan toch? Zou hij niet gekomen zijn? +Misschien ziek geworden?.… Puck begreep er niets van. ’t Roode kleurtje op haar wangen +werd steeds donkerder, terwijl haar hartje al onrustiger begon te kloppen. Nel zag +Puck het halsje rekken, las ’t brandend ongeduld in haar vonkelende zwarte oogen. +Bedarend legde ze haar hand op Jootjes schouder. „Waar of die teutebol van een Guus +nou toch blijft, hè Puck?” sprak ze. „Wind je niet zoo op kind, kijk maar, er loopen +nog heel wat kinderen alleen rond.” +</p> +<p>„Mag ik Guus gaan zoeken?” vroeg Puck, popelend van ongeduld. +</p> +<p>„Wacht nog maar even,” raadde Nel. „’k Geloof, dat ik hem zie aankomen.” +</p> +<p>En dat deed Gustaaf Hooft van Elden ook, maar niet alleen. +</p> +<p>Aan zijn arm liep triomfantelijk een lang, blond meisje: Ellen van Bergen. Ze droeg +een beeldig, wel wat al te mooi japonnetje voor haar leeftijd, van licht blauwe zijde. +Terwijl ze Nel, Frits en Puck voorbijliepen, keek Ellen een beetje spottend, maar +Guus staarde verlegen den anderen kant op. +<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p> +<p>Wat er op dit oogenblik in Pucks hart omging? Woede en afgunst spiegelden om beurten +in haar blik. Ze wilde weg, het paartje na, doch Nel hield haar terug, bang, dat er +een vechtpartijtje van zou komen. +</p> +<p>„O hoe valsch! hoe vreeselijk valsch,” kreunde Puck. „En nou heb ik niemand, en ik +heb dat jongetje van Est bedankt en Truus van Druten ook, en die loopen al samen. +En o! wat moet ik doen? Wat moet ik doen?” +</p> +<p>„Stil toch Puckie, ga in vredesnaam niet huilen,” verzocht Nel fluisterend. „De menschen +kijken al naar ons, en denken stellig, dat er wat gebeurd is, toe dan Puck.…” +</p> +<p>Daar stond die lange slungel van een Frits op eens overeind, stapte plechtstatig op +Puck toe, en, terwijl hij haar den arm bood, verzocht hij: „Mag ik de eer hebben, +Mejuffrouw van Vorden, de polonaise met u te doen?” +</p> +<p>Weg met tranen en verdriet. Onuitsprekelijk verlicht, even gelukkig als ze straks +rampzalig was geweest, legde Puck haar hand op Frits’ arm. Haar hartje zwol van trotsche +vreugde, terwijl zij in de lange keten meeliepen. ’t Leek wel een bloemenketen, wat +de meisjes betrof. +</p> +<p>„’k Vind ’t vreeselijk lief van je, Frits,” fluisterde Puck, terwijl ze hem overdankbaar +aankeek. +</p> +<p>„’k Zal Guus straks toch eens vragen, hoe dat zaakje in elkaar zit,” sprak Frits met +gefronste wenkbrauwen. Hij zou ’t ook voor Lientien hebben opgenomen, dus was dit +eveneens zijn plicht tegenover Puckie. +</p> +<p>„Dat weet ik wel,” wist Puck vlug. „Ellen heeft hem aan <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>mij afgetroggeld … En die flauwerd heeft ’t gedaan, omdat ze zoo’n prachtige jurk +aan heeft, en praten kan voor tien. Daar kan zoo’n jongen niet tegen op.” +</p> +<p>„Zie je nou wel, dat die Ellen geen echte vriendin van je is,” „vaderde” Frits. „Je +zult nog wel meer verdriet beleven door je omgang met die malle nuf.” +</p> +<p>Puck knikte maar. Frits hoefde niet te weten, dat ’t al lang uit was met de vriendschap +tusschen haar en de meisjes Van Bergen. +</p> +<p>Haar woede op Ellen was al voor drie kwart bekoeld. Met Frits loopen was nog veel +deftiger dan met Guus. Frits was de grootste en de „heerigste” van alle jongens in +de zaal. +</p> +<p>Daar stond de lange keten stil. De heer Hendriks trad vooruit, en plaatste ’t kleinste +paartje aan ’t hoofd der polonaise, die hij, achteruit gaande, leidde. ’t Paartje, +dat de polonaise dus opende, waren de jongste kleinkinderen in de familie Clifford: +Goosje, die drie, en Paultje, die vier jaar telde. Goosje, in ’t lichtblauw, had een +bloemenkransje op de blonde krulletjes en een bouquetje in de hand, dat zij grootmama +straks moest aanbieden. Ze was een heel klein beetje verlegen onder den indruk van +de plechtigheid. Maar Paultje, met zijn groote oogen, net zwarte kersen, liep dapper +naast haar voort. Vóór ’t feestpaar gekomen, stond de heer Hendriks stil, en schoof +Goosje voor Grootma, die ’t kleine ding bemoedigend toeknikte. +</p> +<p>Maar wat deed die dwaze Goosje nu?.… Ze gooide ’t <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>bouquetje in grootma’s schoot, en terwijl de heer Hendriks fluisterde: „Nou de buiging, +kleintje,” wilde ze het eens bijzonder mooi maken, en boog zóó diep, dat ze op eens +op den grond zat naast Paultje, die ze had meegetrokken. +</p> +<p>De dikkerdjes schaterden ’t allebei uit, en iedereen met hen mee. Paultje scharrelde +als een kikkertje overeind, terwijl de dansmeester Goosje op haar voetjes zette; Grootma +moest ze even mokkelen vóór ze verder mochten. Nu volgden de andere paartjes. ’t Was +een allerliefste aanblik, al die kleurige, fleurige kinderen, vroolijk te zien voortschrijden +op de opgewekte tonen der muziek. Voor den heer en mevrouw Clifford gekomen, stond +ieder paartje weer even stil, en maakte een bevallige of minder bevallige buiging, +al naar dit zoo uitviel. +</p> +<p>Lientien bracht ’t er goed af, maar Puck nog bevalliger. +</p> +<p>Ze liet den arm van Frits los, nam met beide handjes haar japonnetje even op, trad +achteruit, en neeg zoo diep en sierlijk, dat niemand het haar verbeteren kon. ’t Had +niet mooier gekund, wanneer zij een buiging voor de koningin had ingestudeerd. +</p> +<p>De heer Clifford klapte in de handen, en mevrouw lachte Puckie bewonderend toe. Om +haar heen hoorde Puck fluisteren: „Wie is dat? Hoe beeldig! Hoe snoezig!” Of dat ook +een voldoening was voor juffertje ijdeltuit! +</p> +<p>Lientien had gelijk gehad. Zulk een feest als dat van heden kwam in geen jaren en +jaren weerom. Natuurlijk was er meer dan goed gezorgd voor tal van lekkernijen, die +op <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>groote bladen den heelen avond door gepresenteerd werden. Er diende heusch wel een +oogje te worden gehouden op de gulzige kinderen. +</p> +<p>En dan viel er zooveel prachtigs te zien, tableaux, levende beelden, voorstellingen +uit ’t leven van het feestpaar, telkens opgevoerd tusschen de dansen door. +</p> +<p>Lientien werd toegejuicht als: „Lentefee”, en Puck niet minder in haar Elfendans. +Bij de „cotillon” kwamen er zulke mooie verrassingen voor den dag, dat de kinderen +stil waren van opgetogenheid. Ja, ’t was een partij, die klonk als een klok! +</p> +<p>Puck had haar ergernis over Guus al drie kwart vergeten, toen hij er haar zelf aan +kwam herinneren. Terwijl zij, na haar „Elfendans”, een beetje zat uit te rusten en +zich waaierde, kwam Guus wel wat bedremmeld op haar toedrentelen, en vroeg, of ze +nog een dans voor hem had. +</p> +<p>„Ben je mal, jongen!” zei Puck. „’k Heb al mijn dansen al lang. En met jou dans ik +nooit meer, mijn heele leven niet. Wat denk je wel?” +</p> +<p>En ze liet Guus staan als „Jan Ongeluk”. +</p> +<p>Ja, zoo vergaat ’t jongens, die tegenover meisjes hun woord niet houden. Lientien +zou misschien gezegd hebben: „Neen, dank je, Guus, want je bent erg onaardig en onbeleefd +tegen me geweest.” Lientien had ook haar gevoel van eigenwaarde. +</p> +<p>Maar met Puck was ’t met recht kwaad kersen eten, als men haar verongelijkt had. +<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> +<p>Op ’t eind van den avond dansten de grooten ook nog even met de kinderen, eer dezen +plaats voor hen maakten. En zoo zweefde Lientien met Frits rond, en deed Puck een +extra toertje met Nel. Toen was het kinderfeest afgeloopen. Maar de familie Clifford +kon tevreden zijn met de uitbundige dankbetuigingen voor de „dolle pret”, die al de +schitteroogen met roode wangen haar uit den grond van ’t hart kwamen brengen, bij +het afscheidnemen. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2670">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">XIV</span> <span class="extraDivNum">XIV</span> „DE SCHOENTJES”.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Puck was dan danig uit haar humeur. Op de mooie balschoentjes, die ze voor ’t bal +nieuw had gehad, en nu verder mocht dragen op de dansles, waren twee groote zwarte +vlekken. Hoe ze er op waren gekomen, mocht de drommel weten; ’t leek wel teer of wagensmeer. +„Bedenk liever, hoe je ze er weer af zal krijgen,” had Lientien geraden. De meisjes +waren toen aan ’t knoeien gegaan met eau de cologne, zeep, poeder, doch dit alles +had de zaak nog erger gemaakt. Puck durfde geen nieuwe schoentjes vragen; in ’t begin +van den winter had ze al een paar verloren. Die waren haar „ontstolen”, verzekerde +Puck. +</p> +<p>Tante had dit maar half geloofd, en geknord over Puck’s slordigheid. +</p> +<p>Voor ’t feest bij de familie Clifford had ze een paar nieuwe <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>gekregen, en tante had er bij gezegd, dat ze daar nu eens extra netjes op moest wezen. +Nieuwe kreeg ze vooreerst niet, daar hoefde ze niet mee aan te komen. En nu deze ramp! +</p> +<p>Puck deed op de eerst volgende dansles haar onooglijke schoentjes aan, in de hoop, +dat niemand er iets van zou zeggen. Doch in plaats daarvan keek iedereen naar haar +voeten. Puck meende de kinderen spottend te hooren fluisteren. +</p> +<p>„Trek er je toch niets van aan,” zei Lientien. „Wil je de mijne?” +</p> +<p>Die waren Puck te groot. „En dan zou ik toch niet willen, dat je mijn vuile schoenen +droeg,” zei Puck. +</p> +<p>De heer Hendriks had ook al naar haar voeten gekeken, verbeeldde zij zich. Nee, ze +<i>kon</i> die schoenen niet meer dragen. +</p> +<p>Kort daarop zag ze in de Prinsestraat een winkel, waar „Uitverkoop” was. In de étalage +stonden alle laarzen en schoenen, groot en klein, zeer laag geprijsd, en daaronder, +bepaald spotgoedkoop, een paar snoezige dansschoentjes à twee gulden en vijftig cents. +</p> +<p>Puck ging eens informeeren. +</p> +<p>„Ja,” zei de bediende, „die schoentjes zijn een extra kleine maat; ze passen bijna +niemand, en daarom staan ze zoo goedkoop geprijsd.” +</p> +<p>„Mag ik ze eens passen?” vroeg Puck. +</p> +<p>„Zeker, ga uw gang, jongejuffrouw.” +<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> +<p>De schoentjes zaten als geschilderd om Puck’s voetjes. +</p> +<p>„Neemt U ze?” vroeg de bediende. +</p> +<p>„Eerst thuis vragen,” antwoordde het meisje, terwijl ze den winkel uitging. +</p> +<p>Aldoor dansten de schoentjes Puck voor oogen. Als ze die aanhad, zouden ze pas echt +naar haar voeten kijken, maar dan stellig uit jaloerschheid. Kon ze ze maar koopen! +</p> +<p>’t Was toch ook vreeselijk nooit geld te hebben. Haar heele bezit was vijftig cent, +en dat geld had ze hard noodig voor Sinterklaascadeautjes. Tante Sjarlotje zou haar +vast een gulden willen leenen, al stond ze nog bij tante in de schuld. +</p> +<p>Aan Nel durfde ze best vijftig cent vragen, en goeie Nel gaf die ook wel, als ze ze +kon missen. +</p> +<p>Nou kwam ze nog één gulden te kort. Haar weekgeld kon ze niet gebruiken, met ’t oog +op de St. Nicolaas, en daar moesten bovendien nog altijd twee centen af voor de „Bommen”. +</p> +<p>Dáár kreeg Puck op eens een idee. Als ze dien éénen gulden eens uit het busje <i>leende</i>? +</p> +<p>Ze zou ’t geld zeker en vast terug geven naderhand. Er waren toch ook heel wat centjes +van haar zelf bij. +</p> +<p>Niemand zou ’t merken, want Lientien kreeg dikwijls een extra’tje voor ’t „Bommenbusje”. +Naderhand, als ze ’t geleende geld bij elkaar had, zou ze eerlijk opbiechten, dat +ze ’t geld had genomen, en dan kreeg de familie Bom nog een ná-cadeautje, waar ze +niet op had kunnen rekenen, en dat dus maar wàt een groote verrassing voor hen zou +zijn. +<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> +<p>Op deze wijze trachtte Puck de verkeerde daad, die zij wilde doen, goed te praten. +Toen tante Sjarlotje haar dadelijk ’t geld gaf, en niet eens vroeg waarvoor, en Nel +ook, al hield die er een preekje bij, was Puck al vast besloten den nog ontbrekenden +gulden uit ’t „Bommenbusje” te leenen. +</p> +<p>’t Busje stond in de open kast; Lientien had er nooit over gedacht het achter slot +te bergen. Puck <i>leende</i> dus den gulden, kocht de schoentjes, en vertelde Lientien, dat tante Sjarlotje en +Nel haar aan ’t geld er voor hadden geholpen. (Dat was immers ook zoo?) Ze zat daardoor +zwaar in de schuld, en kon niet veel aan Sint Nicolaas doen. +</p> +<p>„Waar jij je geld toch laat!” verwonderde Lientien zich. +</p> +<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> +</p> +<p>Begin December vond Lientien, dat <i>nu</i> de tijd gekomen was om het „Bommenbusje” te openen, en den inhoud na te tellen … +Zij maakte er een plechtige gebeurtenis van. Nel en Frits werden uitgenoodigd erbij +tegenwoordig te zijn, en te zien, hoe prachtig Lientien boek gehouden en ieder centje +bijgeschreven had. +</p> +<p>„O lieve deugd! heeft Lientien boek gehouden?” dacht Puck angstig. „Wat nu?” +</p> +<p>Ja, Lientien had niet alleen elk centje, dat ze kreeg onmiddellijk in het busje gedaan, +maar op ’t lijstje ook dadelijk bijgeschreven. +</p> +<p>Met een plechtig gebaar overhandigde Lientien het busje aan Nel. ’t Rammelde, of ’t +aardig vol was. Even deftig nam <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>Nel het busje in ontvangst, deed het deksel er af en stortte den inhoud op tafel uit. +</p> +<p>Dubbeltjes, stuivertjes, centen, kwartjes en een enkele gulden rolden er uit. Alles +werd op hoopjes gelegd. +</p> +<p>Frits had het lijstje vóór zich, en Nel begon te tellen. +</p> +<p>„Er moet in ’t geheel vijf gulden vijf en vijftig zijn,” zei Frits. +</p> +<p>„En ik krijg maar vier gulden vijf en vijftig,” verklaarde Nel. „Hoe kan dat nou?” +</p> +<p>„’k Heb er toch heusch elk centje in gedaan,” verzekerde Lientien verbaasd. +</p> +<p>„Natuurlijk snoes.… nog eens overtellen.… nee hoor, kinders, er blijft een gulden +te kort.” +</p> +<p>„<i>Ik</i> begrijp ’t niet,” betuigde Lientien, „jij Nel? Is het lijstje wel goed opgeteld, +Frits?” +</p> +<p>„En òf, poes. Kijk toch eens Nel, hoe keurig die Lienepien dat gedaan heeft. Achter +elke gave staat de naam van den gever bovendien.” +</p> +<p>Maar Nel luisterde half toe, en keek bekommerd vóór zich. +</p> +<p>Zou Geertje?.… Maar ’t was leelijk, dat arme kind te verdenken, omdat je niemand anders +verdenken wilde of kon? +</p> +<p>Al had ze ’t ontbrekende geld wel willen aanvullen uit haar eigen zak, Nel voelde, +dat ze ’t geval niet <i>mocht</i> verzwijgen. +</p> +<p>’t Was een veel te ernstig iets; ze moest er met vader en mamp over spreken. +<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p> +<p>Dezen keken ook zeer ernstig, en mamp zei dadelijk: „Natuurlijk moet de zaak onderzocht +worden, en de waarheid aan ’t licht komen. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Jullie weet er niets van af, kinderen? Je hebt er geen geld uitgeleend misschien, +en vergeten terug te geven?” vroeg mevrouw Canneheuvel, van Puck naar Lientien kijkend. +</p> +<p>Een oogenblik weifelde Puck.… Ach! had ze nu maar gesproken, hoeveel verdriet zou +haar bespaard zijn gebleven. +</p> +<p>Doch ze durfde niet. Eigenlijk had ze tegen Nel al gejokt, toen deze haar zoo straks +vragend had aangekeken, door heftig ontkennend het hoofd te schudden. +</p> +<p>Ze liet de haar geboden kans voorbijgaan. +</p> +<p>En toen nu Lientien, op moeders vraag, dadelijk antwoordde: „Eerlijk niet, mamp,” +kon Puck er niet toe komen haar leugen te herroepen, en ze sprak als Lientien: „Heusch +niet, tante.” +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>De vatenboel was aan kant en de keuken netjes opgeruimd. Genoegelijk zat Geertje met +Bet samen, en genoot juist van een lekker kopje thee, toen de schel in de huiskamer +haar boven riep. +</p> +<p>„’k Moet vast voor een boodschap,” dacht ’t kind, terwijl ze, op haar bedachtzame +oude-vrouwtjes-manier, toch vrij vlug de trap opliep. +</p> +<p>„Geertje,” zei mevrouw, terwijl ze het meisje vriendelijk <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>in de heldere oogen keek, „Lientien mist geld uit een blikken busje in de kast hier. +Nou begrijpen we niet, waar dat kan gebleven zijn. Ik heb de kinderen er al naar gevraagd, +en wil nou ook van jou weten …” +</p> +<p>Geertje verschoot even van kleur. „Denk mevrouw als dat <i>ik</i> ’t er uit heb genomen?” +</p> +<p>„Neen Geertje, ik beschuldig je in ’t geheel niet, en als je me verzekert …” +</p> +<p>Geertjes heldere blauwtjes keken mevrouw zoo oprecht en onschuldig aan, dat elke achterdocht +bij haar meesteres verdwenen was, eer ’t meisje nog sprak. +</p> +<p>„Mevrouw,” verzekerde Geertje, en ook haar stem klonk overtuigend eerlijk, „’k weet +van geen bussie, en ben niet aan ’t geld gewees, gerus niet. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Moeder zaliger heef ons geleerd: „hou je handen thuis,” en vader zegt altijd: „Al +benne we arm, we motten eerlijk blijven.” Geloof u Geertje gerus, mevrouw; ik ben +der niet an gewees.” +</p> +<p>„Dàt doe ik Geertje, met heel mijn hart hoor!” verzekerde mevrouw Canneheuvel bewogen. +„En geef me nou een hand, kind. Ik ben blij, dat ik je eigenlijk geen oogenblik ernstig +verdacht heb, Geertje.” +</p> +<p>’t Meisje kreeg een kleur van blijdschap, en haastte zich naar de keuken, om ’t geval +te vertellen. Den geheelen avond werd daar over niets anders gepraat, en werden allerlei +gerijmde en ongerijmde vermoedens geopperd door Bet, Kee en Geertje. +<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p> +<p>Aan Bet en Kee werd zelfs niet gevraagd, of ze iets van ’t verdwenen geld afwisten. +„Die vertrouw ik als mij zelf,” zei mamp. Voorloopig liet zij de zaak, zooals zij +was, sprak met niemand over haar stil vermoeden, en verzocht den huisgenooten het +onderwerp verder te laten rusten. Intusschen sloeg ze Puck oplettend gade. +</p> +<p>Niet voor niets had mevrouw Canneheuvel jaren lang met kinderen omgegaan, en in hun +hartjes leeren lezen als in een open boek. Juist omdat ze het kind zoo liefhad (met +zijn feilen en gebreken), bleef zijn ware natuur voor haar geen raadsel. +</p> +<p>Ook Pucks aard en wezen doorgrondde zij. +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel „voelde”<span class="corr" id="xd33e2042" title="Bron: ,">, </span>dat haar pleegdochtertje de schuldige was. Alles zeide ’t haar. Toch weifelde ze af +en toe, nu ’t kind bleef ontkennen. <i>Kon</i> Lientien zich met haar boekhouding niet vergist hebben? Ze wenschte bovendien zoo +innig, dat Puck uit zich zelf tot inkeer kwam. Dus wachtte zij.… +</p> +<p>’t Was intusschen half December geworden. Sint Nicolaas, met zijn drukke feestelijkheid, +was voorbij, en mamp wist nog steeds niet, hoe ze eigenlijk handelen moest. +</p> +<p>Puck, geplaagd door haar slecht geweten, was niet gewoon en natuurlijk, zij <i>voelde</i>, dat tante haar verdacht, en streed met zich zelf. ’t Eene oogenblik nam ze zich +ernstig voor de waarheid te bekennen, doch op ’t laatst deinsde ze daar toch voor +terug. +</p> +<p>Ten slotte kwam ze tot het besluit om, als er sprake van <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>was, dat Geertje weg zou moeten, alles eerlijk op te biechten. +</p> +<p>Mocht de weggeraakte gulden in het vergeetboek raken, dan zou ze blijven zwijgen tot +ze ’t geld bijeen had gespaard, en eerlijk niets voor zich zelf koopen, eer ze zoover +was. +</p> +<p>Dan zou ze alles aan tante vertellen, en om vergiffenis vragen.… +</p> +<p>De familie Bom was er niet bij te kort gekomen, want tante had een gulden bijgepast, +en er was een pak met allerlei heerlijkheden aan hun huisje afgegeven den 5<sup>den</sup> December. Geertje prakkizeerde nog steeds, hoe de Sint had kunnen raden, dat de inhoud +zoo juist van pas kwam in het huishouden. +</p> +<p>Naderhand, dacht Puck, zouden ze dus nog een achterna cadeautje krijgen. +</p> +<p>Dit besluit bracht haar eerst wel wat verlichting, doch niet lang. „Meester” was er +in ’t geheel niet mee tevreden. +</p> +<p>Als bij toeval de naam „Bom” genoemd werd, vloog Puck het bloed naar de wangen, en +bukte zij zich haastig om quasi haar zakdoek op te rapen. +</p> +<p>Eens, toen dit weer gebeurde, ontmoetten haar oogen die van tante. Tante keek haar +zoo bedroefd en bijna smeekend aan, dat ’t kind er van ontroerde. „’k Wil je helpen, +ik zie wel, dat je rust nog vrede hebt, kom bij mij, kind,” las Puck in tantes blik. +Ze had moeite haar tranen te bedwingen. +</p> +<p>Dien avond nam Mevrouw Canneheuvel Puck mee naar haar slaapkamer, waar ze geheel ongestoord +met haar spreken kon<span class="corr" id="xd33e2070" title="Niet in bron">.</span> +<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p> +<p>Puck hield de oogen neergeslagen, ’t hart bonsde haar in de keel. Tante trok ’t zwak +tegenstribbelende meisje tegen zich aan, en lichtte met zachten dwang haar gezichtje +op. +</p> +<p>Toen sprak ze eenvoudig: „Puckie, beken ’t nu maar, tante wèèt, dat jij ’t geld hebt +genomen.” Haar stem klonk zacht en liefderijk, alsof ze veel meer medelijden had met +Puck dan dat ze boos op haar was. +</p> +<p>Schuw keek Puck ter zijde. Tante kòn ’t immers niet weten? „Niet wáár, niet wáár,” +hield ze vol. „Hoe kan tante ’t zeggen, als ’t toch niet wáár is?” +</p> +<p>„Je <i>durft</i> niet te bekennen kind, en dat begrijp ik zoo goed. Hoe langer je er mee wacht, des +te moeilijker wordt het voor de waarheid uit te komen. Maar pas als een kind kwaad +bekend heeft, krijgt het een gerust geweten; tot zoolang voelt ’t zich diep ongelukkig.… +Fluister nu maar „ja” in mijn oor, Puck, dan zal tante je nu niet verder vragen.” +</p> +<p>Doch Puck bleef van „neen” schudden, en als vroeger, wanneer ze gesnoept had, riep +zij den hemel tot getuige (met haar blik naar het plafond gericht), dat ze ’t niet +had gedaan. Waarom beschuldigde tante juist haar, en had zij Geertje dadelijk geloofd? +En Puck begon zoo onbedaarlijk te schreien en te snikken, dat tante er van ontstelde. +</p> +<p>„Omdat ik Geertje de onschuld uit de oogen las, terwijl jij.… Maak je niet zoo overstuur, +Puck, ga naar bed, straks kom ik met jullie bidden.” +</p> +<p>Slechts bij bizondere gelegenheden kwam Mevrouw Canneheuvel <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>de kleine meisjes voorbidden bij het naar bed gaan. +</p> +<p>Puck keek tante even wanhopig aan, ze durfde haar geen zoen geven, en sloop weg, àl +huilend en snikkend. +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel bleef stil zitten wachten, ze wist, dat haar pleegdochtertje terug +zou komen.… +</p> +<p>Een kwartier later werd de deur zacht geopend, en een zwart krullekopje keek om het +hoekje, met een rood behuild gezicht. Toen ze tante nog op dezelfde plek zag zitten, +vloog ze in één ren naar haar toe, knielde voor haar neer, en borg ’t hoofd in haar +schoot. +</p> +<p>„Tante, ik kan straks niet bidden … Ik heb ’t tòch gedaan … tante, ach tante …” +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel had moeite de afgebroken woorden te verstaan. +</p> +<p>„Waarom deed je het, Puck? … Kind, hoe <i>kon</i> je het doen?” +</p> +<p>„Mijn dansschoenen waren zoo leelijk, en iedereen lachte mij uit op de dansles, en +toen kon ik zoo goedkoop nieuwe krijgen en.…” +</p> +<p>„’k Begrijp niet veel van je verhaal, Puck, vertel mij bedaard de heele waarheid.” +</p> +<p>Dit deed ’t meisje nu, met horten en stooten, en eindigde ten slotte met de woorden: +„Ik had nooit gedacht, dat ’t zoo gauw uit zou komen, en toen het uitkwam, hoopte +ik, dat u zou denken, dat Geertje … maar als u Geertje had willen wegsturen, zou ik +heusch en eerlijk gezegd hebben, dat ik …” +</p> +<p>„Weet je wel, kind,” viel tante in, en er glinsterden tranen <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>in haar oogen, „dat je stille hoop Geertje van den diefstal verdacht te zien, veel +erger is dan het wegnemen van het geld zelf? ’k Kan niet begrijpen, dat je zoo iets +verschrikkelijks hebt gehoopt, en ik kan je dit bijna niet vergeven.… +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Arm kind, hoe kwam je tot zulke slechte gedachten?” +</p> +<p>„Maar tante.…” Puck wischte haar tranen af, en keek tante vol in de oogen. En dit +keer las mevrouw Canneheuvel <i>waarheid</i> in de droeve, donkere kijkertjes, „tante, u <i>moet</i> mij gelooven. Later zou ik u alles eerlijk hebben opgebiecht.… als ik ’t geld weer +bij elkaar had. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’k Heb al dertig cent gespaard en geen haarlint gekocht, dat ik toch zoo vreeselijk +noodig had, en er geen enkel snoepcentje afgenomen. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Tante Sjarlotje heeft mij, als sinterklaassurprise, al mijn schuld kwijt gescholden, +weet u wel, en Nel wil wel maanden wachten op haar vijftig cent. Nou schiet ik toch +al zoo prachtig op met dien gulden voor de Bommen en … en<span class="corr" id="xd33e2119" title="Bron: ..">…</span> ik had ’t heusch willen zeggen, als Geertje weg had gemoeten.” +</p> +<p>„Misschien Puck, misschien ook niet. De eerste stap op den verkeerden weg is moeilijk, +maar de verderen volgen meestal gewillig van zelf …” +</p> +<p>Puck boog ’t hoofd, en snikte in haar handen.… Geloofde tante haar toch niet? +</p> +<p>„Kom tot je zelf, kind,” sprak mevrouw Canneheuvel, terwijl ze haar hand bedarend +op Puck’s hoofd legde. „Ik <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>wil gelooven, dat ’t je ernst is met het terug geven van het geld, en ook, dat je +Geertje, in ’t uiterste geval, niet ongelukkig zoudt hebben gemaakt. Juist, omdat +je door je heele houding verraadde, dat je zelf de schuldige waart, je er over schaamde, +en er door leed, behield ik goeden moed, dat je mij ten slotte toch de waarheid zoudt +zeggen. ’k Heb je willen helpen, omdat ik zag, hoe veel strijd en moeite je dit kostte.… +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar Puck, lieve Puck, doe toch je best, om je booze aandriften in toom te houden, +luister toch naar de stem van je geweten. Je ziet nu zelf, hoe ver een kind kan afdwalen +en van kwaad tot erger komen, door er niet naar te hooren.” +</p> +<p>Puck kuste tante’s handen en drukte zich tegen haar zachte borst, als een ziek, ongelukkig +kind, dat bescherming zoekt. +</p> +<p>„Tante,” fluisterde ze, „hoe zou ik toch zoo verkeerd komen? Ik weet ’t zelf niet.” +</p> +<p>„Ik weet ’t wèl, vrouwtje,” sprak mevrouw Canneheuvel. „’t Komt omdat je altijd ’t +eerst aan je zelf denkt. Je eigen genoegen, je eigen voordeel staan steeds vooraan, +daarvoor moet al ’t andere wijken. Als klein kind had je die leelijke fout in nog +hooger mate. ’k Hoop zoo, dat ’t voorbeeld, dat je in Nel hebt, in oom vooral, je +al veel geleerd zou hebben. Maar dit geval nu weer,”.… tante zuchtte bedroefd. +</p> +<p>„Tante, lieve tante, wil u mij niet vergeven …?” +<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p> +<p>„Voel je, Puck, hoe heel verkeerd je hebt gehandeld, ’t ergste tegenover Geertje?” +</p> +<p>„Ja, ja tante, en ik zal …” +</p> +<p>„Ach Puck, hoe dikwijls heb je je beloften al verbroken! Daarmee doe je me toch zoo +verschrikkelijk veel verdriet. Dikwijls denk ik bij mij zelf: „’k Wou, dat ik maar +niet zoo veel van Puck hield, dan zou ik er lang zooveel leed niet van hebben, dat +ze mij telkens weer teleurstelt.”<span class="corr" id="xd33e2142" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>Puck werd hoogrood, zij beefde van aandoening. +</p> +<p>„O tante, houdt u toch heusch van zoo’n slecht kind als ik ben?” +</p> +<p>„Veel meer dan je weet, Puckie … Heb je oprecht berouw? Wil je met hart en ziel je +best doen tegen je booze neigingen te strijden, en om hulp bij mij komen, als je bang +bent voor de verzoeking te bezwijken? Ik sta altijd voor je klaar, ik wil je altijd +helpen, kind …” +</p> +<p>„Ja tante, ik wil, ik wil,” betuigde Puck vurig, „en als u mij helpt …” ’t Verdere +werd onhoorbaar gefluisterd. +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel vouwde haar handen om die van Puck. „Lientien slaapt zeker al, +ik zal hier met je bidden,” zei ze zacht. En aan haar oor sprak tante nu berouwvolle, +vergeving vragende woorden en beloften van beterschap, die Puck haar nafluisterde. +</p> +<p>Toen mocht ze tante omhelzen, terwijl ze nog eens om vergeving smeekte, en deze in +tante’s hartelijken nachtzoen voelde. +</p> +<p>Nog wel bedroefd, maar onuitsprekelijk verlicht en verruimd <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>van hart ging Puck naar bed, en viel spoedig gerust in slaap. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2679">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">XV</span> <span class="extraDivNum">XV</span> BIJ TANTE JOHANNA.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk eens bij haar +kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer zoo goed als niet, en vroeg +in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar +eigen nichtje een poosje bij zich te hebben. +</p> +<p>Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante Johanna ook graag, +al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten teleurstelling zou geven. Want tante Johanna +was een stijf dametje met ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen +om te gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt niet in +tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan tante’s verlangen naar +nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van huis zou wezen. +</p> +<p>Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn tegen het meisje, +haar niet te laten merken, dat men van haar schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende +telkens stil verwijt te lezen in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer +erg veel haast had, en Geertje op zij <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich ontvallen: „Als ik uwes was, Puck, +zou ik zoo’n drukte niet maken.” +</p> +<p>Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in de ooren. Geertje +had ze nooit durven zeggen, als ze<span id="xd33e2171"></span> niet op haar neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”. +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck verbleekte, en zich +op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t Verheugde mama, dat ’t kind zich +wist te beheerschen. +</p> +<p>Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te vertellen, dat +tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de aanstaande vacantie. Ze wil je +graag eens bij zich hebben, en dat is heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje. +Nu hoop ik maar, dat je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk +zal gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich heen heeft +gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.” +</p> +<p>„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt me niks aardig; +zoo stijf en stug!” +</p> +<p>„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die zich haar leven +lang voor anderen heeft opgeofferd.” +</p> +<p>„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige vacantie te hebben,” +zuchtte Puck gedwee, „dan …” +<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in. „Tante Johanna +moest je hooren!.… Je straf heb je al gehad in de weken eer je bij mij kwam, niet +Puck?.… Kom, zet nu je beste beentje eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig, +opgewekt kind, zooals je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.” +</p> +<p>„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich zelf. „Wat een +heerlijk vooruitzicht!” +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom haar naar Voorburg. +Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk met oom, precies als ze met haar +paatje had kunnen doen. Uit zich zelf was ze begonnen over haar laatste verkeerde +daad, en oom zeide, dat hij zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen +voor de waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze haar daad +goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar voornemen een beter kind te worden. +Hij hoopte van harte, dat Puck haar goede voornemen getrouw zou blijven, en tante +beloonen voor al haar liefderijk geduld en trouwe moederzorg. +</p> +<p>Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes villa’tje, +eer Puck er op verdacht was. +</p> +<p>Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid genomen, en +Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen Lientien was. +<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p> +<p>Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl ze intusschen +bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar was. Tusschen haar en Lientien +maakte hij nooit ’t minste onderscheid. Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom +deed ’t Puck tegelijkertijd.… +</p> +<p>„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes dienstbode, „we +waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes voeten nog even af, ze zitten +vol modder.” +</p> +<p>„’k Zie der niks an,” beweerde Puck. +</p> +<p>„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.” +</p> +<p>Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,” maar ze veegde +haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het kortaffe: „<i>Voeten vegen</i>,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe uitnoodigde. +</p> +<p>„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt wel een poppenvilla, +net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien lachen, als ik ’t haar vertel.” +</p> +<p>Maar dat kon vooreerst niet.… Puck onderdrukte een zucht, en ging de voorkamer binnen, +waar tante in het serretje zat. +</p> +<p>„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek wel, of je oom +naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je nog praten en afscheid nemen. +Maar een volgenden keer laat je me de voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog +aan mijn beenen.—Je <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>haar is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je de logeerkamer +wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.… heila kind, neem meteen je hoed en mantel +mee, en berg ze netjes in de kast boven.…” +</p> +<p>Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat tante een zeur +en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich hier vervelen! +</p> +<p>Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te regenen, dus +van uitgaan was geen sprake. +</p> +<p>Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden langzaam door haar +vingers gleden, begon ze Puck een en ander te vertellen uit de kinderjaren van haar +vader. +</p> +<p>Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en zijn schoolwerk +niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven: „Ik moet beter mijn plichten +betrachten,” kon Puck onmogelijk vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde +zonder de minste belangstelling toe. +</p> +<p>’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op niks. Tante +hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze haalde elk woord uit of +’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck niets bedenken, om over te babbelen; +ze had er ook niets geen zin in. ’t Etensuurtje bracht een <span class="corr" id="xd33e2214" title="Bron: pretttige">prettige</span> afwisseling, want ’t „spook” kookte lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel +dan thuis. Toch smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders. +<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p> +<p>Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat mee aan, wat +Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en smakte en morste als een +kind zonder manieren. +</p> +<p>Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek. +</p> +<p>„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje. +</p> +<p>„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’t Is vol aardige, gekleurde platen,<span class="corr" id="xd33e2225" title="Niet in bron">”</span> zei tante, „die moet je maar eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd +erg veel schik in dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.” +</p> +<p>Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend klein jongetje +moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes dan al verbazend kinderachtig. +Al gauw had ze haar bekomst van „De ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze, +of ze naar bed mocht. Ze had zoo’n slaap. +</p> +<p>„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd. +</p> +<p>„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet.…” ’t Woordje „gelukkig” slikte +ze nog bijtijds in. +</p> +<p>’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze niet in de gedachte, +Puck met een hartelijk woord of grapje te doen inzien, dat ze zich een beetje <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>schamen moest over haar onbeleefd antwoord. Tante werd boos. +</p> +<p>„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga dan maar gauw, +als je je zoo bij me verveelt.” +</p> +<p>„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck verwonderd. +„Zoo noemt niemand mij ooit.” +</p> +<p>„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je heet naar mijn +lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik, Johanna, Magdalena. En Johanna +is wat een mooie naam!” +</p> +<p>„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit anders, en +Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag zoo genoemd word.” +</p> +<p>„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe, en na een +vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel” naar boven. +</p> +<p>In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu brak ’t los, +wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig verlangen naar huis, dat ze ’t wel +had kunnen uit gillen. ’t Leek haar, of ze al weken weg was in plaats van één dag. +</p> +<p>Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien en haar, lang +geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een matroos, die oproer had willen +maken aan boord van zijn schip. Zijn straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. +Men liet hem achter <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood.… +</p> +<p>O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn geweest, toen hij +de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde tusschen hem en de bewoonde wereld. +</p> +<p>Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe zou ze ’t hier +uithouden! +</p> +<p>En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs de wangen stroomden, +tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep. +</p> +<p>’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te gaan zien, of +haar een goedennachtkus te brengen. +</p> +<p>Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek haar een onhartelijk, +bijdehand, verwend kind. +</p> +<p>Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele omgeving zag +er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit. +</p> +<p>Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam. +</p> +<p>Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t Was nu mooi weer, +en straks kon ’t wel weer regenen. +</p> +<p>Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts stapje voor stapje, +voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante Johanna had last van asthma, <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij was oud en aamborstig, maar daarom waren +tante, en vooral Saartje, niet minder dol op hem. +</p> +<p>Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om opgewekt te praten, +zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel +van gisteren kwam met kracht terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis. +</p> +<p>Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck niet schelen. +Ze <i>kon</i> niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen huilen; de last op haar borst +woog ál zwaarder. +</p> +<p>’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had dit den eersten +dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar boven, na eerst, op Puck’s +verzoek, een ander boek voor haar nichtje uit de boekenkast te hebben gezocht. +</p> +<p>Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog uit haar jeugd. +Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” +getiteld. Puck begon er over te geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met +al die zedelessen. +</p> +<p>In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t boek, en wilde +met Tom gaan spelen. +</p> +<p>Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever niet te dicht +bij zijn mand moest komen. +<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p> +<p>Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom lieve Tom bromde. +Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was, want anders ging de lieverd nooit +te keer. +</p> +<p>„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat leelijke, vette +beest met geen vinger aangeraakt.” +</p> +<p>Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat onschuldige dier maar +uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig, dat moet ik zeggen. <i>Ik</i> zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vrindelijker beest is dan sommige, +die ik niet noemen zal.” +</p> +<p>„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen beest.” +</p> +<p>„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je kijken, madam.” +</p> +<p>Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af naar de keuken. +</p> +<p>„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck. +</p> +<p>Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele voorbijgangers +niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de wangen liepen. In de verte speelde +een draaiorgel het melankolieke wijsje „Verdreven van huis.” +</p> +<p>Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat zou Lientien +nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze met oudejaarsavond <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>ook hier moeten blijven?… Maar dat hield ze niet uit!… +<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span> +</p> +<p></p> +<div class="figure p171width"><img src="images/p171.png" alt="„Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vriendelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal”." width="539" height="720"><p class="figureHead">„Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vriendelijker beest is dan sommige, +die ik niet noemen zal”.</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb172a">[<a href="#pb172a">172</a>]</span></p> +<p>Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier met die twee +ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat ’t dàt niet alleen was. +Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest, ze had ’t hier toch akelig gevonden, +omdat ze naar haar eigen thuis verlangde, en verging van heimwee. +</p> +<p>Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar Lientiens aanhaligheid +en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen met Frits. Kon ze maar even om ’t +hoekje kijken bij tante Sjarlotje.… +</p> +<p>Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze Geertje met haar +dikke rokken door de gang zien schommelen. +</p> +<p>De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige wandelingetje, ’t wanhopig +pogen van Puck om tegen haar heimwee te strijden, en tante’s stille ergernis over +’t vervelende, saaie nichtje. Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet +opwekken. Bij ’t spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en +onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever mee uit te scheiden.… +</p> +<p>Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke kind, van wie +mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven? +</p> +<p>’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje aan heimwee +leed. +<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p> +<p>Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot het besluit, +dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of tante haar dit nu kwalijk +nam of niet, dat kon haar niet schelen. +</p> +<p>Ze <i>kon</i> ’t niet langer uithouden. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2688">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">XVI</span> <span class="extraDivNum">XVI</span> NAAR HUIS TERUG.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen nacht, uit haar +bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich aan, haalde haar bed af, en ruimde +de kamer netjes op. Tante Johanna hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen +boel had achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t volgend +briefje. +</p> +<blockquote> +<p class="first salute">„<i>Lieve tante Johanna</i>, +</p> +<p><i>’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven. Ik heb zoo’n verlangen +naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik heb zoo’n prop in mijn keel en net een +ijsklomp op mijn borst.</i> +</p> +<p><i>Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw liefhebbend nichtje +Puck.</i>”</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in ’t oog viel. +Puckie was slim genoeg, als <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>het er op aankwam, en, terwijl ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid +had ze alles goed overlegd. +</p> +<p>Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer bracht, sloop Puck +naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op, dat de klink van het tuinhekje heel +zacht toeviel, en snelde daarop voort, of de vijand haar op de hielen zat. +</p> +<p>Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze niets afnemen, +zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op haar eerewoord beloofd! Het juffertje +moest ’t dus met den wagen van „Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar +de Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist ze wel drie +kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen. +</p> +<p>Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af, naar Rijswijk. +Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn in haar borst bij ’t haastig +adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?), voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap +en voedsel. Want ze had de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter +’t huis uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje had +ze nu niet door de keel kunnen krijgen. +</p> +<p>Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog grooter en donkerder +door de kringen er om heen van al ’t huilen en niet slapen. +<span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span></p> +<p>Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu op den Rijswijkschen +weg waar, over de open velden aan weerszijden de koude wind meedogenloos op haar aanviel. +</p> +<p>’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar kleeren, die de storm +stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte krullen dansten om Puck’s hoofd, het +elastiek van haar hoed sprong kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde +het weiland op. +</p> +<p>’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en verder ging ’t +weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder<span class="corr" id="xd33e2342" title="Bron: ..">.…</span> Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog ’t ergste.… +</p> +<p>De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t wat minder +fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg, maar al gauw bij stralen. +Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel aan; met te meer plezier viel de booze +regen op haar onbeschermd hoofd neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als +een wit vodje flapperde de zakdoek in haar nek. +</p> +<p>Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte rokken zweepten +tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al gauw drijfnat werden. +</p> +<p>Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had gegeven, was ze zeker +aan den berm van den weg neergevallen, geheel onverschillig voor wat er nu verder +met haar zou gebeuren. Telkens had ’t kind gedacht: <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>„Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die mij misschien wel een eindje +mee zal willen nemen?” +</p> +<p>De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en behalve de +tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel vervoermiddel gezien. +</p> +<p>Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t gerommel van een +vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een wagen van Van Gend en Loos, +die haar achterop reed. +</p> +<p>Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen +weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in<span class="corr" id="xd33e2356" title="Niet in bron">.</span> En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was ze door den +goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de manden een plaatsje ingeruimd +door den maat van den voerman. +</p> +<p>„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer alleen op weg? +Menscheziele, wat ben je koud en nat!” +</p> +<p>„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier, de daad bij +het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je thuis als een pakkie met +Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon te lachen, maar daarop onbedaarlijk te +schreien. +</p> +<p>„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de koetsier. „Waar moet +uwes wezen?” +</p> +<p>„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden klapperden tegen +elkaar. +<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span> +</p> +<p></p> +<div class="figure p177width"><img src="images/p177.png" alt="Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in." width="543" height="720"><p class="figureHead">Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen +weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in.</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p> +<p>„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die buurt moet +wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit Bles.” Hij zwaaide zijn +zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een vluggen stap in zette. +</p> +<p>Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een poosje hield dit +op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in haar borst hield echter aan. +Ze hoorde maar half, wat de mannen haar vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan +kwam, en hoe ze in dit hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.… Daarop was +ze zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van den toestand, +toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den koetsier voelde zij zich opgebeurd, +en nu stond ze in de gang: <i>thuis</i>. ’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een waas zag ze +lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg verschrikt keken. Achter uit de +lange gang, kwam een gestalte toeloopen: „Tante”. +</p> +<p>Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en zakte ineen. +Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.… voelde zich opgenomen en naar boven gedragen. Iemand +kleedde haar uit, kuste haar koude wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in +haar eigen bed, dat verwarmd aanvoelde en wist niets meer. +</p> +<p class="tb">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</p><p> +</p> +<p>Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar ziek, dat de +dokter zich ernstig <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig, dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar +zenuwgestel bovendien geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle, +liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster, waren voortdurend +om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo nauwkeurig opgevolgd, als deze maar +verlangen kon. Eindelijk kwam de crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en +daarop, heel, heel langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg, +lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk, zwak en moede +voelde. +</p> +<p>Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van vóór haar ziek +worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom, waaruit zij zich slechts enkele +bizonderheden herinnerde: tantes hand op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar +langs de wangen streek, zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in +’t geheel niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar heen, +en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze angstige droomen gehad, +maar dan was er altijd iemand geweest, die haar kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde +in de kussens. +</p> +<p>Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze bleef maar +moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster was weer vertrokken en, +als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij het verbedden te helpen. +<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p> +<p>Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had. +</p> +<p>Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en voorzichtig opnam +en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot onmiddellijk de moede oogen weer, +om haar tranen binnen te houden. Want Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij +toe, dat Puck moeite had niet te gaan schreien. +</p> +<p>Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen. Alle ergernis +over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor innig meelij met ’t doodzieke +kind, en bange zorg om haar leven, dat dagen achtereen aan een zijden draad hing. +In de keuken dacht men niet anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”, +die telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t „schatteboutje” +nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan longontsteking er bij.… +</p> +<p>Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden. +</p> +<p>Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.” +</p> +<p>En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had fel de koorts, +zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht. Geen wonder, dat ze doodziek +is geworden. Hoe dat nog af moet loopen!”.… en Bet schudde meewarig het hoofd. +<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p> +<p>’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje natte ellende, +uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht. Den eersten tijd, terwijl +dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel geruststellend woord durfde spreken, dan +dat Puck’s jeugd en gezond gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde +gezet door de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de angstige +zorg om het meisje te behouden. +</p> +<p>Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t lezen van +Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak viel haar van ’t hart +bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag, dat haar Pucks behouden thuiskomst +meldde. +</p> +<p>Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag gespoord en hartelijk +door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk beneden kwam, om tante Johanna te +woord te staan. Tot haar spijt kon ze deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter +had alle bezoek streng verboden. +</p> +<p>„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon schikken,” klaagde +Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over geschreven, maar wil nu nog eens +zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht, +met haar uitgegaan, spelletjes gespeeld en.…” +</p> +<p>„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span><span class="corr" id="xd33e2404" title="Bron: van">Van</span> Vorden,” troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van heimwee, +en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar, +en is van àf ’t oogenblik, dat ze bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd, +dat het een volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.… Waren wij maar +zoo ver,.… daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.” +</p> +<p>Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t in haar koortsdroomen +steeds had gehad over een verlaten eiland, waar tante Johanna haar had heengebracht +en achtergelaten, en dat ze ’t vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl +ze versmachtte van dorst. +</p> +<p>Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s dorst te lesschen, +doch haar manier was de ware niet, en dat kon de oude dame ook al weer niet helpen. +</p> +<p>„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde Mevrouw Canneheuvel +tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u intusschen goed op de hoogte houden +van haar toestand. Er is nu, God zij dank, geen kwestie meer van gevaar.” +</p> +<p>Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en vertelde haar wedervaren +aan Saartje en Tom. +</p> +<p>Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest gelijk in, want +wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè lieverd?” +<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch17" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e2697">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main"><span class="divNum">XVII</span> <span class="extraDivNum">XVII</span> „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig geweest, en +zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig gesteund had. Nu zat ze in ooms +makkelijken stoel, heerlijk en kalm, met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. +Daar kwam Lientien binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar +schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat had ze mampie +beloofd. +</p> +<p>Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer eventjes moest +huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was. +</p> +<p>Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het <span class="corr" id="xd33e2426" title="Bron: patientje">patiëntje</span> zonder hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet alleen +te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven werd gebracht. +</p> +<p>Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits stak zijn hoofd +om de deur, en knikte Puck vroolijk toe. +</p> +<p>„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!” +</p> +<p>„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?” +<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p> +<p>„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens met mij uit.” +</p> +<p>’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar boven, want +ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde wachten tot Puck bij haar +kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong meisje ook eens heel erg heimwee had +gehad, en dus kon begrijpen, hoe ’t Puck te moede moest zijn geweest. +</p> +<p>Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest gauw weer weg, +die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn liefkoozingen. +</p> +<p>Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te hebben gegeven, +terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje naast haar gezocht in de vensterbank, +waar hij behaaglijk in ’t lekkere zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht +vachtje glad, en Socrates spon, dat ’t een aard had. +</p> +<p>Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien ochtend beloofd. +Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, +morgen zit je weer op je oude plaatsje. Heerlijk hè?” +</p> +<p>Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen. „Dankje duizend maal, +Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo alles voor me gedaan hebt. Iedereen +is toch zoo vreeselijk lief voor me geweest.… ’t Is toch nergens zoo goed als bij +je eigen thuis.” +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>kleine Puck,” lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer +uit wandelen te gaan!” +</p> +<p>„O, nee, <i>nooit</i> weer,” zuchtte ’t kind. +</p> +<p>Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast Puck zitten, +en nam haar handje tusschen haar eigen zachte moederhanden. „Zullen we nu eens praten, +kindje? Ik weet, dat je daar erg naar verlangt.” +</p> +<p>Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst, terwijl zij +haar lippen op tante’s wang drukte. +</p> +<p>„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker wisten, dat +je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen je zoo op eens bij tante +Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden, om boos op je te zijn. Maar nu zullen +we het verleden laten rusten; tante Johanna heeft ’t je ook vergeven.… +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig blij iedereen +in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.” +</p> +<p>„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor me.… tante ik heb +zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles aan u vertellen?” +</p> +<p>„Natuurlijk, kindje.” +</p> +<p>„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een smachtend verlangen +uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t meisje bedarend over het voorhoofd +streek. +<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p> +<p>„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe radeloos ongelukkig +ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk naar u en al de anderen verlangde. +’k Kòn ’t niet meer uithouden van heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij +een vreemde tante, en den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een +keer zei tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in ’t +geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een mes gestoken +werd … +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel en Frits, als +u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn best doen. Ik zou net zoo goed +willen zijn als Lientien, en ik zou altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet +doen.” +</p> +<p>„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk je, dat ik er +zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet, en mij zooveel moeite zou +geven, om je ’t goede te leeren, als je mij niet na aan ’t hart lag?” +</p> +<p>„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck.…. +</p> +<p>Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar aan. Zóó zacht +sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen toe moest buigen, om te verstaan, +wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag +ik dan ook uw kind zijn, tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen +maatje zou ik niks meer kunnen houden.… ik zou zoo dolgraag, net als Nel en Frits, +„Moeder” of <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>„Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe „tante<span class="corr" id="xd33e2472" title="Bron: ”,">,”</span> en dan „Vader” tegen oom?” +</p> +<p>Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel toet en kuste +de hand, die ze tusschen de hare hield. +</p> +<p>Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze Puckie is ze +toch, met haar naar liefde dorstend hartje!” +</p> +<p>„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers van Effen. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar, hoe ze Rutgers +kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa. Weet U, wat ze zei? „Ik vond +’t zoo naar, om een anderen „van” te hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van +mijn vroolijken tweeden papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag +heeten, en Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.” +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe zalig ’t zou wezen, +als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en Frits en bijna als Lientien, en +dan ook een Canneheuveltje mocht wezen. +</p> +<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan: Jootje Canneheuvel +van Vorden heeten …” +</p> +<p>„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw Canneheuvel ernstig, +„en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over spreken moet. ’k Geloof wel, dat <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>dit op ’t oogenblik je grootste, innigste wensch is, maar …” +</p> +<p>„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet neen,” smeekte +Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik er zoo’n steun aan zal hebben, +om mijn best te doen, en vol te houden, ook als ’t vreeselijk moeilijk is.… Als ’t +niet mag, was ik even lief dood gegaan.…” +</p> +<p>„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante. +</p> +<p>„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.… tante, luister eens. Wanneer ik heel +alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag ik dan „Mampie” tegen u zeggen? +Zoo heel stilletjes, als niemand het hoort?” +</p> +<p>En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.… We zullen dus nog maar +eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik, maar dan niet alsof je een <i>nichtje</i>, maar alsof je ons <i>dochtertje</i> waart.” +</p> +<p>„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste kind uit het +heele land.” +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende Pucks ziekte +had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke gelegenheid mochten Francine +en kleine Koo ook van de partij zijn: Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo +bij moeder. +</p> +<p>„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien hartelijk. +</p> +<p>„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>Ik moet je wat zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.” +</p> +<p>„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,” beweerde Lientien. +Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even pakken, en daarop vertelde Puck, +wat ze met tante had afgesproken, en wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde +met groote belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t vinden, +Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien niets dan „zalig!” en ze +meende ’t met heel haar hart. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al gauw, in de daarop +volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer +geworden! Zou ze door haar ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk +bij een ongeluk wezen.” +</p> +<p>Doch de juffrouw kon niet weten, welken <i>talisman</i> Puck in haar lessenaar had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. +Op de binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters geschreven: „Dit +boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.” +</p> +<p>’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar ze hoopte +en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou. +</p> +<p>Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>„Canneheuveltje” mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had. +</p> +<p>En Puck <i>wilde</i> den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met <i>hart</i> en <i>ziel</i>. +<span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">INHOUD.</h2> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">Hoofdst.</td> +<td class="tocDivTitle"> </td> +<td class="tocPageNum">Bladz.</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch1" id="xd33e2549">EEN SLECHT BEGREPEN KIND</a> </td> +<td class="tocPageNum">5</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2" id="xd33e2558">POFFERTJES</a> </td> +<td class="tocPageNum">12</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch3" id="xd33e2567">1 APRIL</a> </td> +<td class="tocPageNum">24</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch4" id="xd33e2576">„MAMA!”</a> </td> +<td class="tocPageNum">35</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch5" id="xd33e2585">HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS</a> </td> +<td class="tocPageNum">47</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch6" id="xd33e2594">„GEERTJE”</a> </td> +<td class="tocPageNum">53</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch7" id="xd33e2603">VAN MUZIEK EN <span class="corr" id="xd33e2605" title="Bron: LIENTJENS">LIENTIENS</span> POPPEN</a> </td> +<td class="tocPageNum">63</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch8" id="xd33e2615">NEL ALS HUISMOEDER</a> </td> +<td class="tocPageNum">81</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch9" id="xd33e2624">OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS’ „BOSCHJESVRIENDEN”</a> </td> +<td class="tocPageNum">95</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">X.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch10" id="xd33e2633">„SCHATTEBOUTJES”</a> </td> +<td class="tocPageNum">106</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XI.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch11" id="xd33e2643">JAN WEER THUIS</a> </td> +<td class="tocPageNum">119</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XII.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch12" id="xd33e2652">PUCK SPIJBELT</a> </td> +<td class="tocPageNum">128</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIII.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch13" id="xd33e2661">HET FEEST</a> </td> +<td class="tocPageNum">134</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIV.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch14" id="xd33e2670">„DE SCHOENTJES”</a> </td> +<td class="tocPageNum">147</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XV.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch15" id="xd33e2679">BIJ TANTE JOHANNA</a> </td> +<td class="tocPageNum">161</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XVI.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch16" id="xd33e2688">NAAR HUIS TERUG</a> </td> +<td class="tocPageNum">173</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XVII.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch17" id="xd33e2697">„JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”</a> </td> +<td class="tocPageNum">183</td> +</tr> +</table> +<p><span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center xxl xd33e2704">INDISCH KINDERLEVEN +</p> +<p>Van <span class="sc">Gerda C. van der Horst-van Doorn</span> verscheen: +</p> +<p class="center xl">EEN HOLLANDSCH GEZIN IN INDIË +</p> +<p class="center">Met platen van SIJTJE AAFJES. +</p> +<p>(11–13 jaar) In prachtband f <b>2.50</b> +</p> +<p>Dit is een aardig verhaal voor Hollandertjes, die nooit in Indië zijn geweest. Zij +komen zoo ongemerkt van een heeleboel dingen op de hoogte, en raken vertrouwd met +de landen „over de zee”. Maar ook kinderen, die wèl met Indië bekend zijn, zullen +ervan genieten. Mevr. v. d. Horst tracht haar boek zoo belangrijk mogelijk te maken +door het verslag van de oorlogsreis der Indische boot, de beschrijving van het rijst-kweeken +enz. Een boek dus dat aanbeveling verdient. +</p> +<p class="signed"><i>De Nieuwe Gids.</i> +</p> +<p></p> +<div class="figure floatLeft adv-1width"><img src="images/adv-1.png" alt="" data-role="presentation" width="200" height="288"></div><p> +</p> +<p class="center xl">TINEKE +</p> +<p class="center">Een verhaal uit het Indische Kinderleven +</p> +<p class="center">Met platen van SIJTJE AAFJES. +</p> +<p>(10–12 jaar). Tweede dr. In prachtband f <b>2.50</b> +</p> +<p>Een innig geschreven boek, dat een groote kennis van en een groote liefde voor het +kinderleven verraadt. +</p> +<p class="signed"><i>Bataviaasch Nieuwsblad.</i> +</p> +<p>Een voortreffelijk meisjesboek. +</p> +<p class="signed"><i>De Schoolwereld.</i> +</p> +<p></p> +<div class="figure floatRight adv-2width"><img src="images/adv-2.png" alt="" data-role="presentation" width="243" height="307"></div><p> +</p> +<p>Van <span class="sc">Clémence M. H. Bauer</span> verscheen: +</p> +<p class="center xl">KLEINE SARINA +</p> +<p>Bandteekening en platen van B. MIDDERIGH-BOKHORST 12 jaar en ouder. Tweede druk. In +prachtband f <b>2.50</b> +</p> +<p>’t Is een prachtig werk. <i>N. van Hichtum.</i> +</p> +<p class="center xl"><span class="sc">Een</span> INDISCH TROEPJE +</p> +<p>Bandteekening en platen van RIE CRAMER. 12 jaar en ouder. Tweede druk. In prachtband +f <b>2.75</b> +</p> +<p>’n Gevoelig geschreven kinderboek. Verrassend oorspronkelijk. +</p> +<p class="signed"><i>De Vrouw in de XXe Eeuw.</i> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="112" height="720"></div><p> +</p> +<p> +</p> +<p></p> +<div class="figure backwidth"><img src="images/back.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="547" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel +zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van +dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2025-09-14 Begonnen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 93 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><i title="34 gevallen">Passim. +</i></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e262">11</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">..</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">…</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e301">16</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Grave</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Grace</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e304">16</a>, <a class="pageref" href="#xd33e750">52</a>, <a class="pageref" href="#xd33e913">66</a>, <a class="pageref" href="#xd33e951">69</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1257">95</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1648">125</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2070">155</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2356">176</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e311">17</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">storte</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">stortte</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e356">21</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verbeelde</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verbeeldde</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e462">30</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">op. Want</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">op, want</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e471">30</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> te</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e576">38</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">aan hooren</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">aanhooren</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e631">43</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Wald</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Waldi</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e680">47</a>, <a class="pageref" href="#xd33e738">51</a>, <a class="pageref" href="#xd33e918">66</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e726">50</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e736">51</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e790">56</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1019">73</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2171">162</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e797">56</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">absolut</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">absoluut</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e830">59</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Mischien</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Misschien</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e851">60</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">na venant</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">navenant</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e920">66</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1063">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1136">84</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1350">102</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1514">113</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1542">116</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2142">160</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2225">166</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e953">69</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,.,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e974">70</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">zigeuner</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Zigeuner</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e986">71</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">plootjes</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">plooitjes</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e997">72</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1003">72</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1065">79</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vóór</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">voor</td> +<td class="bottom">2 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1145">85</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">dien</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">die</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1157">86</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Hollstein</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Holstein</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1202">91</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">rakkerds</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">rakkers</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1223">93</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">prelines</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">pralines</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1326">101</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">:</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1365">103</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">broek</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">broeken</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1424">107</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">’t</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„’k</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1682">127</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Jufrouw</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Juffrouw</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1800">135</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">..</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1859">140</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">de de</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">de</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2042">154</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> ,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">, </td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2119">158</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> ..</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">…</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2214">165</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">pretttige</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">prettige</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2342">175</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">..</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.…</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2404">182</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">van</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Van</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2426">183</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">patientje</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">patiëntje</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2472">187</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,”</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2605">191</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">LIENTJENS</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">LIENTIENS</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76890 ***</div> +</body> +</html> + diff --git a/76890-h/images/adv-1.png b/76890-h/images/adv-1.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..30052ce --- /dev/null +++ b/76890-h/images/adv-1.png diff --git a/76890-h/images/adv-2.png b/76890-h/images/adv-2.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3c1dea0 --- /dev/null +++ b/76890-h/images/adv-2.png diff --git a/76890-h/images/back.jpg b/76890-h/images/back.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..12b3fa0 --- /dev/null +++ b/76890-h/images/back.jpg diff --git a/76890-h/images/front.jpg b/76890-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..47b2271 --- /dev/null +++ b/76890-h/images/front.jpg diff --git a/76890-h/images/frontispiece.png b/76890-h/images/frontispiece.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1c623a3 --- /dev/null +++ b/76890-h/images/frontispiece.png diff --git a/76890-h/images/p077.png b/76890-h/images/p077.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3095996 --- /dev/null +++ b/76890-h/images/p077.png diff --git a/76890-h/images/p171.png b/76890-h/images/p171.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b71bac2 --- /dev/null +++ b/76890-h/images/p171.png diff --git a/76890-h/images/p177.png b/76890-h/images/p177.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5dd854c --- /dev/null +++ b/76890-h/images/p177.png diff --git a/76890-h/images/spine.jpg b/76890-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7b07640 --- /dev/null +++ b/76890-h/images/spine.jpg diff --git a/76890-h/images/titlepage.png b/76890-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6b13b57 --- /dev/null +++ b/76890-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..0dd7ed3 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for eBook #76890 +(https://www.gutenberg.org/ebooks/76890) |
