summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 19:13:25 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-21 19:13:25 -0800
commit4d9f398a44737de94abf3de31a0eae144cd4d973 (patch)
tree4acf603f815eeaed00d9002dfe08003d79c4e09f
parent750bf44fc7ae048e1b45fbb220351aa33cc19808 (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/68381-0.txt8881
-rw-r--r--old/68381-0.zipbin157570 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68381-h.zipbin338038 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68381-h/68381-h.htm9008
-rw-r--r--old/68381-h/images/new-cover.jpgbin145610 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68381-h/images/titlepage.pngbin19651 -> 0 bytes
9 files changed, 17 insertions, 17889 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..3019de1
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #68381 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68381)
diff --git a/old/68381-0.txt b/old/68381-0.txt
deleted file mode 100644
index 968ab2c..0000000
--- a/old/68381-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,8881 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Heilige Banden, by Abraham Anthony
-Fokker
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Heilige Banden
- Roman
-
-Author: Abraham Anthony Fokker
-
-Release Date: June 23, 2022 [eBook #68381]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
- (Prepared from scans kindly made available by the
- Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HEILIGE BANDEN ***
-
-
-
-
- HEILIGE BANDEN
-
- ROMAN
- VAN
- A. A. FOKKER
- (KARAMATI)
-
-
- UITGEGEVEN IN 1903 DOOR
- C. A. J. VAN DISHOECK TE BUSSUM.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
-Paula stond op van haar stoeltje in de studeerkamer van haar man. Ze
-had er met hem koffie gedronken, zooals ze dat gewoon waren sinds
-jaren, na den eten. Hij had intusschen wat zitten bladeren in een oud
-manuscript, een bijna vergeten stuk werk uit een portefeuille met half
-voltooide of afgekeurde opstellen, die hij toevallig weer in handen
-gekregen had. Nu en dan hadden ze een woord gewisseld. Zij had zich
-verveeld.
-
-„Kom, ik ga ’s naar Louise. Ik moet haar kindje eens zien,” zeide zij,
-trad op hem toe, en gaf hem een tikje tegen de wang.
-
-„Blijf je lang uit?” vroeg hij, op eens geheel aandacht.
-
-Ze lachte even. Ze wist dat hij haar vooral ’s avonds moeilijk missen
-kon.
-
-„O, nee, een oogenblik. Ik ben terug vóor de thee; maak je maar niet
-ongerust. Daag!”
-
-„Goed, goed, tot straks!”
-
-Weg was ze.
-
-Hij keek haar na, en bleef staren naar de deur waardoor ze heen was
-gegaan.
-
-Ze waren dertien jaar getrouwd, en nòg was hij verliefd. Hij begreep
-het soms zelf niet.... Hij, de ernstige man van studie, reeds de
-veertig voorbij, nog verliefd als in de eerste dagen van hun huwelijk!
-
-’t Was hem nu weer duidelijk op dat oogenblik: die vrouw was een
-element in zijn leven dat hij niet missen kon. Hij kon zich het leven
-niet buiten haar denken, zij was hem dierbaar en onontbeerlijk als het
-licht zijner oogen. Neen, meer nog; want blind zou hij nog aan ’t leven
-hechten, zonder zijn Paula scheen het hem waardeloos. En zij had hem
-immers lief, het bekoorlijke vrouwtje dat zijn bestaan doorzonde.
-
-Ondanks haar vier-en-dertig jaren was ze altijd even aantrekkelijk voor
-hem. Hij kende geen gebaar van haar, geen houding, geen stemgeluid, dat
-hem ooit mishaagd had, en haar schoonheid was hem telkens en telkens
-weer een bron van nieuw genot.
-
-Droomerig staarde hij vóor zich uit, half omgedraaid in de
-bureau-stoel. Haar beeld was nog niet weggewischt van zijn geest: hij
-zag haar nog, zooals ze, bevallig als altijd, met een beminnelijk
-lachje weggewipt was, luchtig als een vogeltje, en toch met volkomen
-zelfbewuste bewegingen.
-
-Hij was toch een zondagskind! Hij.... zoo’n vrouwtje!.... En hij dacht
-aan al de moeilijkheden die indertijd hun huwelijk in de weg hadden
-gestaan, haar aanvankelijke tegenzin, zijn aanhouden. En thans, ná
-zooveel jaren nog geluk.... Hij was vader, sinds het tweede jaar van
-hun echt, en het nieuwe geluk had zich naast het oude gesteld, had het
-aangevuld en verhoogd, zonder het in ’t minst te verdringen. Hun
-eenigst kind was een meisje van elf jaar, en zijn verlangen naar een
-zoon was na korte vervulling—’t ventje was nu vijf jaar geleden na
-dertien maanden levens gestorven—verder onbevredigd gebleven. Ander
-verdriet had hij nooit gekend, en ’t gemeenschappelijk leed had man en
-vrouw immers dichter bijeen gebracht, als dat mogelijk was.... O, geen
-twijfel: hij was gelukkig. Hij.... En ’t kwam hem voor de zooveelste
-maal vóor de geest, hoe weinig aantrekkelijk hij als man wel moest
-wezen. Hij was ernstig en in zich zelf gekeerd, een man van studie en
-huiselijke neigingen, en .... waarlijk geen verschijning om een
-vrouwenhart in gloed te zetten. Men moest hem kennen, goed kennen. Ja,
-dat wàs ’t: zij kènde hem, en daarom had ze hem lief.... Dat pleitte
-voor haar degelijkheid. Ze had best andere, even goede partijen kunnen
-doen. ’t Is waar, hij was „knap”, maar de meeste vrouwen hebben dat
-woord, op een man toegepast, liever in de andere beteekenis. Hij was
-professor op zijn acht-en-twintigste jaar, en had wat geld. Doch wat
-zou dat? Paula had hem zeker niet daarom genomen, al waren haar ouders
-vrij onbemiddeld; zij de gevierde, mooie, geestige Paula Lindes.
-
-De bureau-stoel kraakte. Larsen’s blik dwaalde naar de andere zijde van
-’t ruime studeervertrek. Daar stond Paula’s schrijftafeltje. ’t Paste
-eigenlijk niet in de strenge eenvoud der omgeving: ’t stond daar als
-het beeld van haar losse gratie tegenover de ietwat logge ernst van
-zijn wezen. Zij had het meubeltje boven laten brengen uit haar
-„pruilkamertje”, voor de gezelligheid, om meer bij hem te zijn, zooals
-ze zeide.
-
-Als onwillekeurig aangetrokken, richtte Larsen zich op, en ging naar
-het schrijftafeltje toe.
-
-O, er was niets bizonders aan te zien. Hij had het honderd malen
-gezien. Zij had er in zijn bijzijn nu reeds tientallen geurige briefjes
-aan vriendinnen en verwanten aan zitten afpennen, haar werk slechts
-afbrekend om nu en dan guitig op te kijken, en hem, quasi ruw, toe te
-roepen:
-
-„Zeg’s, geleerde, slepen met twee e’s of met éen? Kom, gauw ’s wat!” of
-iets dergelijks.
-
-Ze had immers ook geen geheimen voor hem.... Aan ’t tafeltje was niets
-bizonders, evenmin als aan de inhoud der laadjes. Hij kende al haar
-brieven. Hij keek ze voor haar na, steeds. Bij al haar ontwikkeling had
-de spelling van haar moedertaal haar steeds moeilijkheden in de weg
-gelegd. Ze vond die „stupide”, en „kon er geen touw aan vastknoopen”.
-Ze was te levendig, ongedurig, zenuwachtig, om ooit de ingewikkelde
-regels onzer orthografie behoorlijk uit een te houden. En op
-„Kollewijnsche” manier te spellen vond ze te „burgerlijk” of
-„kruidenierachtig”, wat bij haar op ’t zelfde neerkwam.
-
-Wat kon ze ’n brieven schrijven! Zes kleine, geurige, rooskleurige of
-roomgetinte velletjes waren in een ommezien vol gekrabbeld. En wat een
-hand! Zes regels op een bladzijde. O, hij zag haar zitten, met het
-gitzwarte haar in een sierlijke dikke wrong, waarin éen fraaie
-haarnaald haar fonkelend knopje vertoonde, de „dolle” haartjes in de
-nek, en dan ’t enkele lokje, dat vóor over ’t voorhoofd neerviel, en
-telkens met een driftige beweging werd weggetrokken, tusschen twee
-vurige adjectieven eener ontboezeming in. Dan haar plotseling zich
-omwenden, om een vraag te doen, of naar „hem” te kijken, uit pure
-ongedurigheid: de pen balanceerend tusschen wijs- en middenvinger der
-linkerhand, de rechterarm languit over de leuning van haar stoeltje
-geslagen, met groote, kinderlijk open blik en iets sterk verwachtends
-in de oogopslag als van een paardrijdster, die zich plotseling
-voorbereidt tot een sprong door een hoepel.
-
-Hij had dikwijls opgezien van zijn werk, als zij zoo opkeek, de
-verliefde „lobbes”, zooals zij hem noemde. En had hij haar dan in
-stilte gadegeslagen, wanneer ze half omgewend in gepeins zat met de
-saamgeknepen lipjes, waarboven ’t fijne zwarte dons zoo aardig uitkwam.
-Soms had ze hem betrapt en, bruusk als altijd, had ze hem toegeroepen:
-
-„Hei daar, ouwe jonge, eet me niet op met je oogen! Schaam je wat. Ga
-aan je werk.” En met een ruk zette zij zich dan weer aan haar brief, om
-voort te kriewelen in ritselende vaart.
-
-Larsen zat voor het schrijftafeltje.
-
-Waarom lustte het hem op dat oogenblik de laadjes open te trekken, éen
-voor éen, en er de bundeltjes veelkleurige brieven en briefjes uit te
-nemen? Om ze te lezen? Och, hij kende ze immers alle! Geleuter en
-gebabbel van vrouwtjes, overdreven uitingen van vriendschap, van
-verveling of ergernis, van vreugdetjes of smartjes van meest
-onbeduidende vrouwenleventjes! Om de geur in te ademen die Paula binnen
-haar fijne bewegelijke neusvleugeltjes liet dringen, om aan te raken
-wat haar poezele vingertjes betast hadden, om in dwaas verliefd doen te
-grasduinen in een atmosfeer van haar wezen....
-
-Droomerig nam hij pakje voor pakje uit de laadjes en legde ze weer
-neer, ordelijk, zooals ze gelegen hadden. Enkele losse brieven keek hij
-even in, nauw glimlachend nu en dan bij een woord, dat hij las—„lieve
-zoete Paulepoetje”: dat was van Louise, een brief van huis geschreven
-door Louise, toen ze haar zielsvriendin de eerste roes van ’t komend
-moederschap meedeelde—„doe mijn uitbundige groeten aan je beminde
-zooltreder of huisband”: dit was van Margot, die hem altijd op zoo’n
-vervelende manier „in ’t ootje” wilde nemen, en steeds meende daarin te
-slagen—och, hij gunde haar ’t genoegen: ze moest haar aardigheden met
-alle geweld luchten—en zoo ging het voort. Een enkel halfvoltooid
-briefje van Paula zelf, later afgekeurd: „Och, help me, red me, verlos
-me uit deze zee van verveling, die me overstelpt en verzwelgt! En mijn
-man, die zoo geleerd is en zoo degelijk en zoo ernstig! Kom bij ons
-eten: je moet, versta je? en vandaag nog....” Wat had hij er om
-gelachen indertijd, en juist dit had haar ontwapend en haar van ’t
-zenden van ’t schriftuur doen afzien.
-
-Een dwaas vrouwtje! En toch: hij wenschte haar zich niet anders. Zijn
-Paula was een geheel van dwaasheden en lieve eigenschappen, die hij
-zich niet anders denken kon. Hij had zich geen moeite gegeven haar te
-leiden. Trouwens, had hij ’t gekund? Kon een man als hij een vrouw
-leiden? Hij lachte zelf om ’t idee. Wat schaadden hem haar kleine
-onvolkomenheden! ’t Is waar, in de dertien jaar van hun huwelijk was
-zijn kapitaal tot op de helft geslonken, maar wat zou dat nog? Hij had
-immers nog voldoende, en nu was zijn traktement toch groot genoeg om
-bijna toe te komen. Anderen betaalden hun geluk wel duurder—of wat ze
-voor geluk aanzagen.
-
-Een merkwaardig archiefje, dat van zijn vrouw.... Waarom hield ze die
-brieven alle bij elkaar? ’t Was toch alles, of grootendeels althans,
-nullig... Ja, maar ’t waren trouwe afdrukken van echt-vrouwelijk leven,
-’t was natuur, al deed de weelderigheid aan tropische plantengroei
-denken; en uit alles steeg de bedwelming der elegante vrouw, als de
-geur eener grillige orchidee.
-
-Aanbiddelijk, verrukkelijk, ondanks haar grilligheid, neen òm haar
-grilligheid. Want was ze niet edel en beminnelijk, bij al haar kleine
-tekortkomingen, niet ontoegankelijk voor ontheiliging als de bloem der
-diepe wouden, die slechts geurt en bloeit voor de gelukkige die haar
-vindt. Hij was die gelukkige. Hij was zoo zeker van zijn bezit, dat hij
-nooit jaloezie voelde bij al haar behaagzieke streekjes en
-aanstellerijtjes—hij kende ze, hij vond ze „lief”, o, „ergerlijk lief”,
-zooals hij ’t vaak noemde—hij was zóo overtuigd van de degelijke
-grondslag van haar karakter, dat hij bijna nooit boos werd om haar
-driftbuitjes, die nu en dan voorkwamen; hij lachte er om op goedige,
-lobbesachtige wijze. Dan vond ze hem „stupide”, en ook dit vond hij
-vermakelijk...
-
-Larsen had de beide laadjes doorsnuffeld, en schoof ze nu met kracht
-dicht.
-
-Links van ’t bureautje hing een spiegel. Onwillekeurig viel zijn oog op
-zijn beeld, ’t Gebeurde niet vaak, dat hij in een spiegel keek, en de
-tegenstelling met Paula trof hem als iets grappigs. Hij zag zijn door
-’t vele lezen en schrijven ietwat gekromde gestalte, zijn dun haar aan
-de slapen, het hoog voorhoofd, de borstelige wenkbrauwen—rood! evenals
-zijn baard en snor—zijn eenigszins breede neus, de vrij groote mond,
-als wegschuilend in ’t overvloedige baardhaar met de dunne op elkaar
-geknepen lippen met een trekje van goedige ironie, zijn moede blauwe
-oogen; ’t geheel wel forsch en mannelijk, maar hoekig en onbeholpen!
-Hij had iets van een beer, een „zooltreder”, zooals de would-be
-geestige Margot hem noemde: niet daarom alleen, maar ook omdat hij op
-zijn gemak gesteld was als alle geleerden, en thuis meestal op
-pantoffels liep. Hij zag ook de onberispelijkheid van zijn
-linnengoed—haar zorg, ondanks al zijn protesten!—de strik van zijn
-zwarte das—door haar gelegd! Nee, zeker, hij was niet terugstootend of
-onaangenaam.... maar toch welk een contrast tusschen die beiden! Hij
-glimlachte, kalm voldaan over zijn geluk, en wendde zich om.
-
-Daar viel zijn blik op een wit stuk papier onder ’t bureautje van zijn
-vrouw. O, hij had bij ’t dichtschuiven der lade een briefje er uit
-laten vallen. ’t Had tusschen tafel en lade beklemd gezeten.
-
-Hij raapte ’t op. ’t Was in elkaar gevouwen, en hij opende het, als
-ongedachtig. ’t Was een oude brief, reeds geel geworden.
-
-De inhoud boeide hem onmiddellijk op onweerstaanbare wijze. Hij zette
-zich weer op de stoel vóor ’t bureautje, boog zich voorover, en steunde
-het hoofd op éen arm.
-
-’t Papier ontgleed aan zijn vingers, en viel op de grond.
-
-Wat stond er eigenlijk? ’t Schemerde hem vóor de oogen en hij beefde.
-Zenuwachtig bukte hij zich, en hervatte de lectuur, ontdaan, een ander
-mensch dan te voren.
-
-Dan liet hij ’t vóor zich vallen, boog geheel voorover, de beide handen
-krampachtig aan ’t hoofd gedrukt.
-
-„Mijn God, mijn God!” kermde hij.
-
-Hij was geen man van hevige gemoedsuitingen. Zijn zielsleven was tot
-dusverre zoo kalm, zoo vredig en ongestoord geweest; en al wat daar in
-zijn binnenste omging kwam zoo zelden aan de oppervlakte. In zijn
-oogenblikken van hoogste intimiteit bleef hij schijnbaar onbewogen.
-Toch was zijn gevoeligheid groot, zijn ontvankelijkheid voor indrukken
-fijn ontwikkeld. Wat anderen koud liet deed hem vaak pijnlijk aan, wat
-anderen onverschillig voorbijgingen was hem dikwijls genot. Hij voelde
-diep, al uitte hij weinig. Vereering was daarom bij hem verafgoding,
-liefde aanbidding. Zijn liefde voor Paula was hem heiliger dan het
-heiligste, samenhangend en innig verbonden met de edelste aandoeningen
-zijner ziel, neen, éen daarmee, ’t Geloof in haar was ’t geloof in ’t
-schoone en reine. Al was hij ’t zich niet volkomen bewust, hij had de
-dichter kunnen nazeggen:
-
-
- Ton nom est ma prière de la nuit et du jour!
-
-
-Paula was wat wuft, wat lichtzinnig, wat dol soms, goed, maar.... ze
-was immers rein als een engel, de belichaming van wat aanbiddelijk is
-in een vrouw. En die overtuiging had hem gelukkig gemaakt, nu dertien
-jaren lang, was zijn kracht geweest en zijn trots...
-
-Hij zag ze thans vóor zich, die dertien jaren van slechts kort
-gestoorde levensvreugde, al de herinneringen doorliepen zijn geest als
-een verbijsterende fantasmagorie, scherp omlijnd en voorbij snellend
-als een koortsdroom. Hij doorleefde nog eens al die onvergetelijke
-gebeurtenissen van zijn huwelijksleven, van ’t oogenblik dat hij Paula
-zijn eerste kus gaf, tot nu. En ’t was of thans de reeks afsloot; en ’t
-slottafereel der afgerolde jaren week en week terug in zijn
-voorstellingsvermogen met wondere snelheid.
-
-Tusschen nu en straks—nauw vijf minuten!—lag een eeuwigheid voor hem.
-
-Hij richtte het hoofd op, als verdwaasd. Zijn haren waren verward, hij
-staarde rond, wezenloos, zonder gedachte dan deze éene, die hem
-waanzinnig maakte:
-
-„’t Is uit, mijn God, ’t is uit, voor goed!”
-
-En toch, ’t was ongelooflijk, ’t kon, ’t mocht niet waar zijn. ’t Kon
-er niet staan, ’t was een zinsbegoocheling, hij moest gedroomd hebben.
-
-Wederom greep hij naar de brief, en voor de derde keer las hij de
-woorden, die in zijn gemoed brandden met onduldbare smart:
-
-
- Liefste,
-
- ’t Kan niet langer zoo. Dit leven is mij een hel geworden en ik ga
- heen, zooals ik je gezegd heb. O, Paula, hoe kàn je anders van mij
- verwachten, hoe kan je van me vergen dat we dat komediespel nog éen
- dag langer voortzetten? ’t Is mij onbegrijpelijk, hoe ik het nog
- deze maand heb kunnen uithouden. Ons kind te zien en mij te
- verheugen in ’t bezit van zulk een schat, ’t pand van onze liefde,
- en steeds te huichelen, alsof zijn vadervreugde mij een
- verkwikkelijk schouwspel was; aan te zien dat hij, mijn weldoener,
- degeen aan wie ik alles te danken heb, zich gelukkig waant, en mij
- in zijn hartelijkheid over zijn geluk spreekt in geestdriftige
- woorden, alsof ik erin deelen moest; terwijl hij anders zoo
- gesloten is tegenover anderen.... o, ’t is mij onmogelijk verder.
- Ik kan hem de hand niet meer drukken, en hem in de trouwe oogen
- zien, zonder dat mijn geweten mij voor een verrader, een ondankbare
- huichelaar scheldt.
-
- Ik ga naar Indië. Je weet dat ik er hem over gesproken heb, en dat
- hij mijn plan goedkeurt. Ik heb hem gezegd dat ik haastig weg
- moest, omdat de maatschappij, die mij door zijn tusschenkomst
- uitzendt, mijn diensten eerder noodig had dan ik oorspronkelijk
- dacht—een plotseling telegram uit Indië—en ik zou na de noodige
- besprekingen te Amsterdam, nog eens terugkomen, om afscheid van jou
- en Didi te nemen. Ik doe ’t echter niet, en ik zal wel een
- uitvlucht vinden, en hem uit Amsterdam schrijven, dat ik tot mijn
- grooten spijt niet meer kan terugkomen.
-
- Draag je smart zoo goed je kunt. En, o Paula, wees goed voor hem.
- Tracht hem lief te hebben en mij te vergeten. Ik ben een onwaardige
- en hij is zoo goed! Mijn God, als ik denk dat zijn goedheid zóo
- vergolden is!
-
- ’t Ga je goed in je verdere leven. Vergeet mij en mijn liefde. Ik
- zal als een man strijden tegen het misdadige gevoel en ’t
- overwinnen, om eindelijk na jaren van boete mij waardig te maken,
- om hem terug te zien en om vergiffenis te smeeken.
-
- Rudolf.
-
-
-Weder zonk Larsen’s hoofd neder, en in doffe wanhoop snikte hij ’t uit,
-verplet, vernietigd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Hij wist zelf niet hoe lang hij zoo wezenloos voorover gelegen had,
-toen hij voelde, dat iemand zijn schouder aanraakte.
-
-Verschrikt keek hij op, als plotseling ontwakend.
-
-O, ’t was Paula.
-
-„Wat is er?” vroeg ze verwonderd. Ben je hier in slaap gevallen?....
-Doch spoedig trof haar ’t ontdane zijner gelaatstrekken. Meteen viel
-haar blik op de brief vóor hem op ’t bureautje. Ze herkende hem
-onmiddellijk.
-
-God, hoe kwam dat ongelukkige ding hier?!
-
-Paula begreep in een oogwenk haar toestand, zijn smart; en, hem
-kennend, voorzag zij de gevolgen van ’t gebeurde.
-
-Eén oogenblik stond ze in beraad. Zou ze ontkennen, en er iets op
-verzinnen? Hij was lichtgeloovig genoeg, en wie is dat meer dan de
-verliefde man eener verleidelijke vrouw? Maar hoe kon dat? De brief was
-immers een acte van beschuldiging in optima forma.... Nee, in ’s Hemels
-naam: bekennen dan maar, en op zijn gevoel werken. Hij aanbad haar, kon
-niet buiten haar, en zou vergeven, als hij maar berouw meende te zien.
-In ieder geval moest ze zien hem gunstig te stemmen, alle vijandigheid
-te voorkomen; want zoolang dat document in zijn handen was, kon hij
-echtscheiding aanvragen op grond van overspel van haar! Mocht het haar
-gelukken ’t stuk machtig te worden, wel, dan kon ze immers nog altijd
-elke erkenning van schuld loochenen....
-
-Zij zou ’t eerst spreken, dadelijk elke uitbarsting van zijn kant
-stuiten:
-
-„O, ik zie ’t,” zei ze zacht. „Je hebt die brief gelezen.... Die
-ellendige oude geschiedenis, waar ik zooveel om geleden heb.... waar ik
-zooveel nachten van wroeging om doorgebracht heb.... Ik heb God zoolang
-om vergiffenis gebeden; maar ’t heeft niet mogen zijn.... De straf
-moest eenmaal komen.... O God, o God!”
-
-En snikkend wierp ze zich voorover op een kleine sofa, die bij ’t
-bureautje stond.
-
-„Dat jij ’t weten moest, weten moest....” ging ze, telkens afbrekend,
-voort, „waarom, mijn God, waarom? Jij zoo goed en zoo lief voor mij,
-dat jij deze slag hebben moest! ’t Is vreeselijk, vreeselijk.... O, wat
-heb ik je lief gekregen na die verschrikkelijke dingen, die er zijn
-gebeurd, juist omdat ik voelde hoe onwaardig ik was, dat jij zooveel
-van me hieldt.... En nu hoû je niets meer van me.... Nu veracht je
-me.... Nu wil je niets, niets meer van je Paula weten.... O, mijn God,
-wat ben ik ongelukkig!”
-
-Ze hield even op, en wachtte.
-
-Hij zeide niets, verroerde zich niet. Paula’s woorden drongen helder in
-zijn ooren als in een levendige droom. ’t Tooneel daar vóor hem, zijn
-vroolijke, luchtige Paula, wanhopig schreiend en zichzelf
-beschuldigend, leek hem onwerkelijk. De pijnlijke waarheid moest nog
-tot hem doordringen.
-
-Paula ging voort.
-
-„O, je antwoordt niet.... Je Paula is niets meer in je oogen. Je zult
-haar nu wegsturen als een straatmeid....” En weer snikte ze, en woelde
-wanhopig heen en weer, terwijl ze het kussen, dat er lag, krampachtig
-tegen zich aan drukte.
-
-Larsen stond op, en trad op haar toe.
-
-„Paula!” zei hij dof.
-
-„Willem....” En ze barstte uit, zich neerwerpend vóor zijn voeten:
-
-„O, mijn God, vergeef me! Willem, vergeef me wat ik misdaan heb. Ik ben
-zoo diep, zoo diep rampzalig!”
-
-„Kom, sta op....” zeide hij. „Ik kan dat niet aanzien. Kom, Paula, wees
-kalm. Ga daar zitten.”
-
-Ze deed het, gedwee, en verborg het gelaat tusschen de handen.
-
-„Als je berouw oprecht is,” ging Larsen somber voort, „heeft God je de
-zonde al lang vergeven. En dan.... hoe zou ik dan mijn vergiffenis
-weigeren kunnen?...”
-
-Met blijde verrassing keek ze op.
-
-„Je vergeeft me. Och, Willem, is ’t waar?”
-
-„Mijn kind, wat geeft dat nog? Wat verandert dat aan onze ellende? Ik
-kan je vergeven—o, van ganscher harte—maar kan ik ooit vergeten?”
-
-Hij wendde ’t hoofd af, en zette zich weer op de stoel vóor ’t
-bureautje, tegenover haar.
-
-„O, maar dan vergeef je me ook niet!” riep Paula opnieuw wanhopig uit.
-„Dan vergeef je me ook niet!”
-
-„Dat doe ik wel. Ik voel in mijn hart geen vijandigheid, geen
-wraakzucht tegen jou, maar mijn verstand kan me niet wijsmaken dat ik
-gedroomd heb, dat ’t gebeurde niet gebeurd is....”
-
-„En wat dan?” vroeg ze klagelijk.
-
-„Wat dan? Dat verder samenleven tusschen ons onmogelijk is.”
-
-Ze antwoordde niet, maar wachtte in spanning, ’t hoofd voorover.
-
-„Hoe ik ook mijn best deed om goed en lief tegen je te zijn, ik zou ’t
-spook.... niet weg kunnen jagen. ’t Zou steeds tusschen jou en mij
-staan. En dan de herinnering aan ’t kind.... ik was er zoo gelukkig
-mee....”
-
-Zijn stem stokte. Een dikke traan ontperste zich aan zijn oogen.
-
-„Nee, Paula, dat zou niet gaan.... Dat zou een marteling wezen voor ons
-beiden....”
-
-„Dus hoû je dan niets, niets meer van je Paula?”
-
-Weer wilde ze zich op de grond werpen, maar Larsen weerhield haar.
-
-„Of ik nòg van je houd? Ik weet ’t niet.... Eén ding is zeker: mijn
-heilige heeft haar stralenkrans verloren.... Jij was mijn heilige....”
-Weer werden zijn oogen vochtig, en hij keek strak vóor zich naar de
-grond, zwijgend.
-
-„Och, Willem,” vleide zij zacht na een poos.
-
-„Ja?” Hij keek niet op, maar luisterde.
-
-„Als je wist, als je wist hoe alles gekomen was.... O, ik zal ’t je
-zeggen.”
-
-Hij viel haar in de rede, bruusk:
-
-„Och, waarom? Ik wil niets weten, niet meer dan wat ik weet. Ik zeg je
-immers dat ik je vergeef.... nu al, nu ik het nauwelijks weet. Wat je
-me ook vertellen wil, ’t verandert immers niets aan de zaak. Je bent me
-ontrouw geweest.... en dat niet alleen, groote God, maar mijn kind, ’t
-kind, dat ik voor ’t mijne hield, was van hèm.... van Rudolf!”
-
-„O, maar ik kan niet uitstaan dat je me verkeerd beoordeelt, je mòet
-weten hoe alles gegaan is.... Ik was gek, gek toen ik.... zes jaar
-geleden.... deed wat me later.... zulk een wroeging gaf. En ik alleen
-was de schuldige, toen.... dat eene oogenblik.... O, laat me je alles
-vertellen!”
-
-„Goed dan,” klonk het lusteloos en mat.
-
-„Hij was niet de verleider.... ik was ’t die hem ertoe bracht.”
-
-„Bah, een man!” viel Larsen in. „’t Is een schande voor een man zich te
-laten verleiden door een vrouw!”
-
-„Zeker, zeker, maar ’t is toch een verzachtende omstandigheid.... En
-wat mij aangaat.... ik wist niet wat ik deed.... Ik voelde me eenzaam,
-verlaten. Jij was steeds in je boeken.... Ik dacht dat je niet meer van
-me hieldt....”
-
-Larsen trok de schouders op.
-
-„’t Was verbeelding, zeker, dat zie ik nu wel in.... maar toen.... toen
-geloofde ik ’t.... en hij—Rudolf—was zoo vriendelijk en zoo
-belangstellend, en zoo vol attenties, en zoo altijd om mij heen. Jij
-zat in je studeerkamer. En dan zat hij bij mij.... soms tot ’s avonds
-laat. Of jij was uit, naar de bibliotheek... Eens op een avond....”
-
-Larsen maakte een afwerend gebaar.
-
-„Ik weet heusch niet hoe ’t kwam,” ging Paula hartstochtelijk voort.
-„Maar.... ’t was maar eens, net eens....”
-
-Weer maakte Larsen een gebaar, ditmaal van ongeduld en wrevel, als
-wilde hij zeggen: „Alsof dat er iets toe doet!”
-
-„Ik zeg ’t alleen, omdat ik wil hebben dat je alles begrijpt.... Ik ben
-geen slechte vrouw....” Ze snikte en kon bijna niet voortgaan. „Ik bèn
-niet slecht.... ’t was een „surprise des sens”.... een dolheid.... een
-oogenblik van waanzin.... Niets overdachts.... geen bedrog....”
-
-„Maar ’t bedrog kwam later,” zei Larsen bitter.
-
-„Later? Ja, hoe kon ik anders.... En juist dit was mijn straf. Ik moest
-je bedriegen, omdat.... omdat....”
-
-Larsen keek op, een vraag in de oogen.
-
-„Omdat ik je niet verliezen woû, omdat ik je liefde niet verliezen woû,
-omdat ik zooveel van je hield.”
-
-„O zeker, dat wàs zoo, hoe ongelooflijk ’t je nu ook klinkt. Ik hield
-door mijn berouw.... meer van je dan ooit te voren..... Dat wàs zoo,
-dat wàs zoo!”
-
-Weer schreide ze hartstochtelijk.
-
-„Goed, laat dat zijn,” zei Larsen bedaard, „maak je nu maar niet zoo
-naar. De zaak wordt er niet beter door. ’t Gedane is onherstelbaar. En
-mijn geluk is toch verwoest.”
-
-Hij liet het hoofd weer zinken, in doffe smart.
-
-„Wat bedoel je? Kan ik dan niet meer goed maken wat ik deed toen ik
-buiten mezelve was? God, dat kan je niet meenen.... jij zoo goed en
-vergevensgezind....”
-
-„Maar, mijn hemel, begrijp me dan toch! Zoo iets is niet goed te maken.
-Jij kunt me niet het geloof teruggeven, mijn geloof in jou, dat ik voor
-goed verloren heb.... Dat heeft niets met vergeven of goedheid te
-maken.... Ik heb medelijden met je.... veel medelijden. Maar dat jaagt
-’t spook van mijn schande en mijn verdriet niet weg!”
-
-Paula antwoordde niet. Ze zag haar spel verloren, en dit dreef haar
-schier tot wanhoop.
-
-„Mijn God, mijn God,” bracht zij eindelijk uit. „Eisch van me wat je
-wil. Ik wil je slavin zijn, boete doen als een ellendige zondares. Ik
-zal je je geluk teruggeven. Och, Willem, geloof me, ik zàl ’t je
-teruggeven! Maak me niet ellendig. Ik kan niet zonder jou leven.... Een
-scheiding zou me doen sterven van verdriet....”
-
-Ze wist hoe zijn liefde voor haar geweest was: ze geloofde niet dat
-zulk een liefde plotseling dood kon wezen.
-
-Haar lang geoefende kunst om komedie te spelen kwam haar uitstekend te
-pas. O, ze zou winnen ten slotte. Hij kon niet buiten haar, en niets
-kon hem meer verteederen dan de betuiging van haar liefde voor hem. Ze
-had hem daarmee immers reeds zoo dikwijls bekoord. Thans speelde ze
-hoog spel: ’t gold haar heele toekomst, haar aanzien als vrouw van de
-wereld, ’t voorkómen van een schandaal.
-
-„Ik zie geen andere uitweg,” antwoordde Larsen en stond op. „Kom Paula,
-laat me alleen met mijn ellende. Verder spreken hierover is me nu te
-pijnlijk. Laat me in Godsnaam alleen. Wat geeft ’t alles: we kunnen ’t
-niet eens worden....”
-
-Zij zag ’t nuttelooze van verder tegenspreken voor ’t oogenblik in, en
-achtte het wijs thans maar toe te geven. O, ze zou hem wel verteederen:
-’t moest, ’t moest....
-
-En opstaande richtte ze zich naar de deur, met gebogen hoofd en loome
-tred.
-
-Even hield ze op, en keek om. Dan zei ze op bedeesder toon, als een
-kind dat knorren gehad heeft:
-
-„En je thee? Wil je van avond geen thee? Hier boven?”
-
-„Och, laat maar.”
-
-Toen ze de deur achter zich gesloten had, zuchtte hij diep, hief de
-rechter arm op, liet zijn hand met kracht op zijn dij neervallen, en
-schudde ’t hoofd met verwrongen gelaatstrekken.
-
-Dan verzonk hij in zijn vorig broeden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-Hoe weinig kenden Larsen en Paula elkander! Hadden ze onmiddellijk na
-hun laatste gesprek in elkanders harten kunnen lezen, hoe zouden ze
-geschrokken zijn!
-
-Larsen twijfelde geen oogenblik aan Paula’s oprechtheid, haar innig
-berouw.
-
-Zij dacht het eerst aan haar eigen domheid om die brief te laten
-slingeren, en overlegde vrij kalm haar plan: òf hem weer aan zich
-binden door liefdevolle onderwerping, door berouwvertoon, door de
-bekoring harer lichamelijke aantrekkelijkheid, òf als dat alles niet
-baatte—als!—dan hem de brief op de een of andere wijze zien te
-ontfutselen: dan was alle bewijs verloren. ’t Kwam geen oogenblik bij
-haar op dat Larsen’s edelmoedigheid waarschijnlijk niet gedogen zou van
-het bewijsstuk tegen haar gebruik te maken. O, en àls hij dat deed, dan
-zou haar houding ook plotseling veranderen, dan zou ze eindelijk het
-dwangbuis harer gehuichelde liefde voor hem afwerpen; ’t had haar reeds
-zooveel jaren beklemd! Dan zou ze, alleen met hem, alle veinzen laten
-varen. Dan was hij haar vijand, haar verklaarde tegenstander; en hoe
-dieper hij dàn zijn ellende en machteloosheid voelde, hoe meer
-voldoening haar de overwinning zou geven: vóor de rechter zou ze
-hardnekkig ontkennen....
-
-Haar kind? Och, daarom zou ze ’t niet doen: het te verliezen in
-zooverre dat Larsen het krijgen zou, was haar als moeder niet bepaald
-ondragelijk. Ze hield van ’t kind, op haar manier, zonder diepte. Zij
-behoorde nu eenmaal tot dat soort van vrouwen, bij wie elk gevoel aan
-de oppervlakte blijft. Didi was een soort troetelpopje voor haar
-geweest, vooral toen ze nog klein was: ’t kind zag er altijd keurig
-uit, en in stoffelijke zin ontbrak haar niets. Innige omgang tusschen
-moeder en dochter had nooit bestaan, en de liefste indrukken van Didi’s
-gemoedsleven dankte ze alle aan haar vader. Deze onderhield zich
-ernstig en vriendelijk met haar, stelde belang in al haar kleine
-verdrietjes en genoegentjes, haar gelukjes en tegenspoedjes; vermaande
-en leerde haar, en was haar zelden vermoeide raadsman en inlichter. Bij
-de moeder wist ze al spoedig dat ze voor al wat buiten materieele zorg
-ging niet terecht kon. Gezegden als „Och, kind, zeur niet! Jengel zoo
-niet! Verveel me niet!” waren haar maar al te wel bekend. Neen, zij zou
-Didi weinig missen, en als ze ’t kind maar nu en dan eens zag, zou haar
-moederlijke behoefte voldoende bevredigd wezen. Dat was ’t niet; maar
-’t verlies van haar waardigheid, haar wereldsch aanzien, en haar
-gemakkelijk vrij leven naast een domverliefde, lichtgeloovige,
-doodgoede man, ’t verlies van haar naam.... dat was wat anders: die
-kans te ontloopen was wat strijd en inspanning waard. Ze besefte zoo
-goed dat haar vrijheid van handelen als getrouwde vrouw veel grooter
-was, en van harte stemde zij in met die Fransche wereldkenner, die
-beweerde dat een kokette vrouw, wil ze ’t goed hebben, getrouwd moet
-wezen. En „gescheiden” te zijn! ’t Was een schrikbeeld, waar ze niet
-aan denken woû. Wat was een gescheiden vrouw in ’t oog der wereld, ook
-al geloofde men aan haar onschuld? Ze wist hoe men er de neus voor
-optrok, als droeg zulk een vrouw een schandmerk op ’t voorhoofd. O,
-afschuwelijk, akelig....
-
-Deze gedachten speelden Paula door ’t hoofd, toen ze met gefronste
-wenkbrauwen bezig was beneden in de huiskamer voor de thee te zorgen.
-Didi, een slank opgeschoten meisje met mooi zwart afhangend haar en
-heldere groote kijkers, zat lusteloos bij de tafel, met een boek vóor
-zich. Ze las veel: vaak ook haar eenige troost, waar haar vader zoo
-dikwijls ongestoord werken wilde, en haar moeder òf uithuizig, òf aan
-haar toilet, òf op andere wijze „bezig” was en „geen tijd” had.
-
-Het meisje had spoedig gezien dat er wat haperde: Mama was uit haar
-humeur, en dan zweeg ze maar.
-
-De lamp was aan in de smaakvol ingerichte huiskamer. Paula voorzag een
-lang samenzijn met Didi, en in de gemoedsstemming waarin zij verkeerde,
-hinderde haar het gezelschap. Ze kwam op een inval: Larsen was dol op
-zijn dochtertje, dat wist ze, en was nu zeker niet aan ’t werk: ’t kind
-zou hem afleiden, zijn teedere gevoelens wakker roepen, hem gunstiger
-stemmen ook tegenover de moeder.
-
-„Kom, Didi, ga maar naar boven, naar vader. Neem je boek mee, als je
-wil. Vader werkt nu toch niet.”
-
-„Vader” en „moeder” waren de door Paula ingevoerde benamingen, waarmee
-het kind haar ouders toesprak en over hen sprak: dat was ’t nieuwste.
-Bij alle deftige families was dat zoo; want Papa en Mama begon meer en
-meer „burgerlijk” te klinken: dat zeiden zoo alle kinderen tegenwoordig
-bij bakker en kruidenier.
-
-’t Kind gehoorzaamde zwijgend. Ze ging graag naar haar vader, en het
-bijzijn van haar ontstemde, knorrige moeder had niets om haar te
-weerhouden.
-
-Didi opende zacht de deur der studeerkamer.
-
-Ze vond haar vader op en neer stappend, met zware tred en gebogen
-hoofd.
-
-Hij zag haar eerst niet.
-
-„O, kindje!” riep hij opschrikkend, toen ze hem bij een arm nam en
-lachend tot hem opkeek.
-
-Hartstochtelijk nam hij haar om ’t middel, en kuste haar herhaaldelijk.
-
-Wat had vader toch? Zoo iets deed hij zoo zelden!
-
-„Ik kom wat bij je zitten, mag dat?”
-
-Ook het gebruik van „jij en jou” was op Paula’s wensch tusschen kind en
-ouders ingevoerd.
-
-„Zeker, lieveling.”
-
-Hij trok haar met zich mee naar de sofa, en daar zetten ze zich naast
-elkaar neer.
-
-„Heeft vader ’t niet druk van avond?” vroeg Didi met eigenaardige
-stembuiging, waaruit verwondering sprak.
-
-„Nee, mijn kindje.”
-
-„En komt moeder ook niet boven thee drinken?”
-
-„Nee.”
-
-„Waarom niet? Moeder zei ’t toch van middag aan tafel....”
-
-„Ze heeft hoofdpijn—ze wil liever alleen zitten.”
-
-„O,” en ’t lieve ernstige kopje keek peinzend.
-
-Voor Larsen was de verschijning van zijn innig geliefd kind een ware
-lafenis. Zijn heele ziel hing thans aan haar.
-
-In de verbijstering van zijn plotseling veranderd levenslot had de
-gedachte aan wat er van haar worden zou, wanneer het tot een
-echtscheiding kwam, hem nog niet verontrust. ’t Was alsof het voor hem
-vanzelf sprak dat dan Didi en hij bijeen zouden blijven. Didi was veel
-meer zijn kind dan ’t hare, o, veel, veel meer! Ook thans, nu hij haar
-weer vóor zich zag, scheen het dat een scheiding nooit tusschen hem en
-zijn kind eenige verwijdering zou kunnen brengen: Neen, hij dacht zelfs
-niet aan ’t vraagstuk, dat hem later zou kwellen....
-
-’t Begon donker te worden op die herfstavond. Om zeven uur was anders
-’t licht op in Larsen’s studeerkamer, als hij daar zat, en dat deed hij
-meestal. Eerst tegen tien placht hij beneden te komen voor een
-„boterhammetje” en een praatje met zijn vrouw. Klokke half twaalf was
-bedtijd, waar zelden van afgeweken werd. Paula noemde deze geregelde
-leefwijze, die zich bij Larsen in zijn meeste dagelijksche handelingen
-openbaarde „een domme machinegang”. Haar levendige natuur hield van
-afwisseling en ongestadigheid.
-
-De zware gordijnen in Larsen’s studeerkamer—donkergroen als ’t heele
-meubilair—de stijve rijen donkere boeken langs bijna drie wanden, de
-zware stoelen en zijn massieve, groote schrijftafel, alles gaf aan ’t
-groote vertrek met zijn vrij lage zoldering iets sombers, en ’t was er
-vroeg duister. Slechts Paula’s smaakvol bureautje brak—bij licht—de
-ernst dezer werkplaats des geestes.
-
-Voor Didi had de stilte die er heerschte, bij al die ernst, een groote
-aantrekkingskracht. Zij zat er gaarne, en vóor achten was ze er dan ook
-dikwijls, soms met, maar liever zonder haar moeder. Larsen babbelde
-graag met zijn „kleine meid”, zooals hij haar steeds bleef noemen,
-ondanks haar opgeschoten gestalte, die bijna aan zijn schouder reikte,
-en, als moeder erbij was, zat zij gewoonlijk stil.
-
-Nu was ’t wat laat, en vader week van zijn gewoonte af. Ze vond het
-vreemd, begreep er niets van. En vader was zoo innig, zoo heel anders
-dan gewoonlijk. O ja, ze herinnerde zich goed, dat hij eens, net eens,
-heel lang geleden, ook zoo lief—nee teeder, meende ze, want lief was
-vader altijd—geweest was: dat was toen ze weer voor ’t eerst haar
-ouders mocht omhelzen na de wekenlange afzondering toen ze diphteritis
-had. Toen was vader net zoo geweest, ja net zoo. Moeder was dikwijls
-bizonder druk met kussen en liefkoozen; maar hoe kwam ’t toch dat ze al
-die hartstochtelijke aanhalerij zoo weinig prettig vond, terwijl een
-tikje op de wang van vader, of een zoentje op haar voorhoofd van hem,
-haar altijd opnieuw aangenaam stemde? Moeder was zoo ongelijk. Soms
-beknorde ze haar hevig, zag kort daarna haar overdrijving, soms
-onrecht, in, en dan draaide ze ineens om. „Mijn engel, mijn snoes, mijn
-alles, mijn beestje, mijn hondje” was ’t dan, en Didi stikte haast
-onder een overvloed van kussen en omhelzingen.
-
-Larsen sloeg zijn arm weer om Didi’s middel, en drukte haar tegen zich
-aan. Zij vleide haar donkere kopje tegen zijn schouder, innig gelukkig
-en toch vreemd te moede.
-
-„Wat is er toch, vadertje?” vroeg ze na een oogenblik, niet langer
-weerstand kunnende bieden aan haar nieuwsgierigheid.
-
-Larsen zag niet duidelijk hoe de uitdrukking harer oogen was, toen ze
-dat zeide. Anders had hij bespeurd hoe er iets van ondeugende
-plaagzucht in lag, vermengd met een beetje bezorgdheid tevens.
-
-Haar vraag deed hem aan ’t laatste alleen denken, en al de ellende van
-eenige oogenblikken te voren overstelpte hem opeens weer. Hij besefte
-voor ’t eerst welke schrikkelijke dingen ook zijn vaderhart bedreigden,
-wanneer hij en Paula....
-
-„Hoe bedoel je dat, kindlief?” vroeg hij op zijn beurt, met moeilijk
-bedwongen beving in zijn stem.
-
-„Dat u van avond zóo is....” Verlegen trok ze haar hoofdje terug.
-
-„Zoo? Hoe, mijn lieveling?”
-
-„Zoo.... zoo.... och, hoe zal ik dat zeggen? zoo bizonder lief!”
-
-Larsen deed alsof hij lachte. O, hij moest zijn droefenis vóor zich
-houden.... haar niets laten merken.... Hij was zichzelf zoo weinig
-bewust van zijn onmacht tot veinzen.
-
-„Maar, Didi, is je vader dan niet altijd lief?”
-
-„Nou ja.... maar zooals van avond toch niet....”
-
-Weer vleide ze zich tegen hem aan. Hij drukte haar vast aan zich. Hij
-worstelde nog een oogenblik tegen de stroom van droeve teederheid, die
-zijn gemoed overstelpte met ongekende kracht. Och, hij kòn niet, ’t was
-te machtig....
-
-Hij antwoordde niet. De duisternis verborg voor Didi’s blikken een
-traan, die uit zijn oogen welde.
-
-Ze werd ongerust: Vader had zeker iets, dat hem verdriet deed. Zou hij
-’t voor haar willen weten? Waarom zou ze maar niet ronduit vragen wat
-hij had: tegenover haar vader was ze immers nooit terughoudend!
-
-„Vader,”.... fluisterde ze bijna, met innige vleiing.
-
-„Kind?”
-
-O, nu wist ze ’t zeker: vader schreide bijna.
-
-„Heb je verdriet?”
-
-Weer geen antwoord dan alleen een krampachtig drukken van haar handje
-in zijn hand, achter om haar middel heen.
-
-„Wil je ’t me niet zeggen, vadertje?” vleide ’t meisje voort, haar
-gezicht vlak bij ’t zijne. Ze zag zijn tranen blinken. Haar hartje zwol
-van warm medegevoel, van echt vrouwelijke bezorgdheid, van
-troostbehoefte.
-
-„Hou je veel van je vader, mijn kindje?” vroeg hij, niet lettende op
-wat ze gezegd had.
-
-„Natuurlijk, heel veel.... Maar....?”
-
-„Niets, je moet ’t me alleen oprecht en eerlijk zeggen.”
-
-„Maar, vader....!”
-
-„Zou je ’t vreeselijk vinden als.... ik doodging.... of zoo?”
-
-„Waarom vraagt u toch zulke dingen? Maar ’t spreekt immers van zelf,
-dat ik.... dat ik ’t vreeselijk zou vinden. O, vader, ik wil er niet
-aan denken....”
-
-En weer kroop ze dichter op hem, drukte zijn arm, in angstige
-verbazing.
-
-„En moeder?” vroeg Larsen na een oogenblik zwijgens.
-
-„Of ik van haar hoû? Dat weet u toch ook wel.... Zeker, natuurlijk....
-een kind houdt altijd van zijn moeder....”
-
-Zij was een oogenblik verlegen, zocht naar woorden.
-
-’t Verschil in de beide liefdesbetuigingen viel Larsen vreemd op. Zou
-’t kind werkelijk zooveel minder van haar moeder houden dan van hem? ’t
-Was hem nooit op die wijze klaar geworden, al hadden vage vermoedens
-soms zijn vaderlijke eigenliefde gestreeld.
-
-„Nu?” zeide hij uitvorschend.
-
-„Ik hoû toch meer van jou, vadertje....”
-
-„Och, dat zeg je nu maar zoo, omdat je denkt, dat ik verdriet heb....”
-
-„Och, wel nee.... nee, heusch.... ik hoû meer, veel meer van jou”....
-’t Kwam er vreemd uit, met overtuiging, maar op een toon als ware zij
-zelve verbaasd deze verhouding waar te nemen, ’t verschil duidelijk uit
-te spreken. Ze had er nooit over nagedacht, al had ze ’t vaak, o zoo
-vaak gevoeld....
-
-„Maar,” ging ze aarzelend voort, „waarom vraag je dat alles toch? Je
-gaat toch niet van me weg.... en je bent toch ook niet ziek, wel?”
-
-„Goddank niet, mijn lieveling,” antwoordde hij in gedachten verzonken.
-„Ik vraag het.... zoo maar.... omdat ik ’t weten wilde.”
-
-„Och kom! En waarom ben je dan zoo bedroefd?”
-
-Zijn hart drong tot spreken. Maar hoe kòn hij haar zeggen wat hem die
-vragen had ingegeven? Hij verzon een leugentje, blij dat het vrijwel
-geheel donker in de kamer was, en zij de uitdrukking van zijn gezicht
-niet kon zien.
-
-„Ik denk aan klein broertje....” zeide hij.
-
-Er was een kern van waarheid in de uitvlucht.
-
-„O,” zei Didi, en zweeg even. Ze drukte weer zijn arm, en, bijna
-fluisterend: „Arm vadertje....”
-
-Toch was haar groote onrust eenigermate bedaard. Iets bleef bij haar
-hangen: de opgegeven reden scheen haar niet bevredigend.
-
-En hij, meenend nog iets te moeten zeggen, liet volgen:
-
-„Ja, mijn kindje, als ouders zooveel verdriet hebben om een kind dat
-sterft.... dan denken ze.... verwachten ze, dat een kind nog grooter
-verdriet heeft, als vader of moeder heengaat....”
-
-Hij zuchtte zwaar en rees op. „Wacht, ik zal de lamp aansteken,” zeide
-hij, om iets te zeggen.
-
-Juist klopte de meid, en bracht twee kopjes thee: ’t groote waaruit hij
-placht te drinken en een kleine voor Didi.
-
-„Zit u nog in ’t donker?” zei de binnentredende verbaasd. „Zal ik even
-licht maken?”
-
-„Goed.”
-
-Larsen zette zich weer op de sofa.
-
-„Waar heb je je boek gelegd, Didi?” vroeg hij. „Ik zag je met een boek
-binnenkomen....”
-
-„Hier, vader.” En, verwonderd, trad ze naar het bureautje, waarop ze
-haar boek bij ’t binnenkomen had neergelegd.
-
-„Ga nu wat lezen. Hier heb je je thee.”
-
-„Goed, vader.”
-
-’t Kind gehoorzaamde, en liet haar vader aan zijn gepeins over.
-
-In de stilte, die nu volgde, was ’t of hun gedachten nog gemeenschap
-hadden: zij achteloos bij haar boek zittende, lezende zonder goed te
-verstaan, dacht aan „vadertje, die verdriet had,” hij aan de schipbreuk
-van zijn huiselijk leven.
-
-O, hij moest en zou spoedig zekerheid hebben. Zou hij misschien toch
-afstand moeten doen van ’t samenzijn met zijn kind, en alleen tot die
-prijs van Paula kunnen scheiden? Maar dat zou hij niet willen, niet
-kunnen dragen.... Dan om ’t kind van scheiding afzien? Een hel in huis
-hebben, ook al toonde Paula zich de boetvaardige en berouwvolle.... dat
-was even onduldbaar! O, als er geen keuze was dan die, dan zou hij ’t
-besterven of krankzinnig worden. Hoe zou hij ’t kunnen aanzien, dat
-zijn kind de verwijdering, de onhuichelbare verkoeling zijner liefde
-voor haar moeder, opmerkte en eronder leed? Hij zou ’t immers niet
-verborgen kunnen houden. En was ’t dat nog maar alleen! En in ’t andere
-geval: hoe zou hij in eenzaamheid zijn smart kunnen dragen, zonder zijn
-aangebeden kind, thans ’t eenige schepsel ter wereld dat hem zou kunnen
-troosten en door haar liefde zijn vreeselijk gemis wat vergoeden? Hij
-had niemand buiten haar: zijn ouders waren lang gestorven, hij had geen
-broeders of zusters, terwijl zijn schoonmoeder natuurlijk haar partij
-zou kiezen. Want die zou immers nooit vernemen, wat de reden hunner
-plotselinge scheiding was! Wie wist ervan, wie zou er ooit van weten,
-als hij er niet over sprak? Nee, hij zou zwijgen als ’t graf, dan
-alleen.... tegen zijn kind. Haar zou hij eenmaal, in later jaren, alles
-openbaren. En ook bij haar zou ’t geheim veilig wezen.... En de
-rechter? Ook die niet.... Om die reden, om haar ontrouw, mocht hij geen
-scheiding vragen. Er was immers wel een andere weg. Welke wist hij niet
-recht. O, maar die moest er zijn! Men kon immers echtscheiding krijgen
-waar ’t noodig was....
-
-In zijn onwetendheid omtrent de burgerlijke wetten op dit punt stelde
-hij zich de zaak als vrij gemakkelijk voor. O, ja zeker, er was wel wat
-op te vinden, stellig, zeker.... Alleen ’t kind, dat moest hij zeker
-weten: daaromtrent was hij nog niet gerust.
-
-Er kwamen zooveel echtscheidingen voor. Onder zijn kennissen waren er
-die zoo iets doorgemaakt hadden. Dat was schijnbaar zoo vlot gegaan.
-Zeker niet wegens overspel of iets van dien aard....
-
-Larsen’s onbekendheid met de menschelijke maatschappij in haar ruwe
-naaktheid, was al even groot als zijn onwetendheid in zake menschelijke
-wetten, ondanks zijn veertig jaren en ondanks zijn geleerdheid. Zijn
-liefde en zijn studie waren zijn leven geweest, zijn geluk had hem
-belet de wereld te leeren kennen zooals die is. Hij was een
-zondagskind—in zijn waan, maar dat was voor de gevolgen ’t zelfde—en de
-gelukstralen, die hem als ’t ware omgaven, deden hem veel anders zien
-dan minder bevoorrechten ’t zagen; hij was door en door goedhartig en
-edeldenkend, wars van, vreemd aan alle veinzen, en naar de maatstaf van
-zijn eigen wezen beoordeelde hij anderen. Hij had zich in Paula
-bedrogen, met wie hij dagelijks, haast uur aan uur verkeerde; hoe
-bedroog hij zich in anderen, die hij slechts oppervlakkig kon
-waarnemen!....
-
-De eenige groote moeilijkheid zag hij in ’t vraagstuk van ’t kind.
-Daaromtrent moest hij zoo spoedig mogelijk ingelicht, gerustgesteld
-worden. Zijn vriend Van Thiemen zou hem raad kunnen schaffen: dat was
-een collega en een goed rechtsgeleerde. Maar hij zag er tegen op juist
-een collega voor zoo iets te nemen. Nee, dan liever Cruijt, zijn oude
-academie-vriend, club-genoot in zijn studenten-jaren te Utrecht. Die
-woonde in Den Haag, en was er een bekend advocaat, die zeker tal van
-zulke zaken in handen had gehad. Ja, hem zou hij de zaak toevertrouwen,
-dadelijk, zoo spoedig mogelijk. Hij zou maar dadelijk naar Den Haag
-gaan, en hem zien te spreken te krijgen. Nog vóor den avond moest hij
-gerust wezen, zeker: dat zou hem heel wat ellendige zorg uit het hoofd
-nemen. Om kwart over acht ging er een trein....
-
-Hij stond op.
-
-„Zeg, kindje,” zei hij vriendelijk tot Didi: „Ik moet noodzakelijk
-uit.”
-
-Didi sloeg groote, vragende kijkers op.
-
-„Hè!” antwoordde ze spijtig. „Ga je nu weg?”
-
-„Ik moet wel. Ga maar beneden bij moeder zitten, of wil je hier
-blijven?”
-
-„Hè ja, een uurtje, en wachten tot je terugkomt.”
-
-Ouder gewoonte kwam Larsen zijn dochtertje iederen avond, voordat zij
-slapen ging „nog ’s goeie nacht zeggen”. Dat wil zeggen dat hij eenige
-minuten met het kind babbelde, soms een kwartier lang. ’t Kind was er
-zóo aan gewend, dat ze ’t bedpraatje als een recht beschouwde.
-
-„Over een uur ben ik nog niet terug. Ga maar rustig slapen, als ’t je
-tijd is. Ik zal je nu maar goeie nacht zeggen. Nacht, lieveling.” En
-hij kuste haar hartelijk en innig.
-
-„Kom je van-avond niet aan mijn bed?” vroeg Didi schroomvallig.
-
-„Dat zal niet gaan, vrees ik. ’t Zal wel laat worden....”
-
-„Mag ik dan opblijven?”
-
-De dringend vleiende toon van ’t verzoek klonk hem thans zoo pijnlijk.
-Welk een kinderlijke teederheid sprak er uit, en hoe smartelijk leek
-hem die eene korte scheiding, noodig voor een stap die voor haar lot
-beslissend kon wezen!
-
-„Och, kindje, doe dat maar niet....”
-
-„Ik blijf toch wakker in mijn bed tot je thuis komt....” ’t Kwam er
-pruilend uit.
-
-Larsen kuste haar nog eens.
-
-„Nu goed dan, maar ga dan straks bij moeder zitten....”
-
-Zonder een antwoord af te wachten stapte hij de kamer uit. Een
-zonderlinge beklemming maakte zich van hem meester. ’t Was hem alsof
-hij zijn kind voor goed ging verlaten....
-
-Hij verzette zich daartegen, en sprak zich moed in. ’t Moest nu
-eenmaal. ’t Was dwaasheid zoo sentimenteel te zijn....
-
-In de huiskamer vond hij Paula in haar gewone leuningstoel. Ze zat met
-in elkaar gevouwen handen in gedachten.
-
-Haar opkijken bij zijn binnenkomen had iets verwilderds en schuws.
-
-„Ik moet uit....” zei Larsen zenuwachtig.
-
-Een bang vermoeden sprak haar van onherstelbare stappen, die hij ging
-doen voor hun echtscheiding. Ze had van dat scheiden zeer verwarde
-voorstellingen, maar zooveel wist zij ervan, dat de vrouw in die zaken
-vaak in ’t nadeel was. Zou hij soms nu reeds een advocaat gaan spreken?
-Wie? Van Thiemen misschien. Hij was daar zeer wel mee. God, dat mocht
-niet, voordat ze nog met hem gesproken had. Hij had haar niet laten
-uitspreken in hun eerste stormachtig onderhoud. Ze moest en zou hem van
-avond thuis zien te houden; ’t kostte wat het wilde....
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-Paula stond op, en trad op Larsen toe. Met kinderlijke smeeking in haar
-oogen keek ze hem aan:
-
-„Je gaat Van Thiemen spreken?...,” zei ze aarzelend.
-
-„Wat zou dat?”
-
-„Over onze scheiding? En ga je hem nu alles.... alles zeggen?”
-
-„Nee.... natuurlijk niet, wat noodig is, meer niet.... En niet aan Van
-Thiemen: Ik wou naar Den Haag....”
-
-Ze greep hem bij de hand.
-
-„Och,” smeekte ze, „stel dat uit! Waarom zoo’n haast? Je kunt immers
-morgen gaan....”
-
-Hij antwoordde niet, met gefronste wenkbrauwen. Haar smeekend dringende
-toon deed hem onaangenaam aan. Hij had haar nooit zoo gekend.
-
-„Kom, ga morgen. Je zult er niet bij verliezen, als je éen dag wacht,
-om.... van je slechte vrouw.... af te komen.”
-
-„Och,” mompelde hij onwillig.
-
-Toch ging hij zitten, reeds half overgehaald.
-
-Paula bracht haar zakdoek aan de oogen, en stond te schreien.
-
-„Doe toch niet zoo dwaas!” riep hij. „Je doet je zelf en mij onnoodig
-verdriet aan. De zaak verandert er niet door....”
-
-„Daarom kan je van-avond nog wel thuis blijven....”
-
-„Nu goed, ik blijf thuis....”
-
-„En blijf je dan hier zitten?”
-
-Zij zette zich weer op haar plaats.
-
-„Vanavond alleen nog maar.... Nog eens samen met je Paula.... zooals
-vroeger....” Ze snikte.
-
-„Als je redelijk bent....” antwoordde hij onaangenaam te moede. „Maar
-ik begrijp niet dat je er op gesteld bent.”
-
-Paula herstelde zich, en hem met haar groote betraande oogen vol
-aanziende:
-
-„Erop gesteld.... natuurlijk. De laatste maal misschien.... nee, zeker
-de laatste maal....”
-
-Geen antwoord. Larsen verschuift onwillig op zijn stoel, en neemt de
-courant op, om zich een houding te geven.
-
-„Och, je gelooft ook niet dat ik.... nog van je hoû.... nog altijd....
-en meer dan vroeger.... heel veel....”
-
-Paula’s stem klinkt huilerig, als die van een kind, dat klappen gehad
-heeft en beterschap belooft, en wordt afgebroken door snikken. Ze houdt
-de blik neergeslagen, de handen lusteloos in haar schoot.
-
-„Waarom zou ik dat niet gelooven?” zegt Larsen eindelijk zacht en met
-groote droefheid. „De zaak wordt er niet beter door. Integendeel....”
-
-„Woû je dan dat ik niet meer van je hield?” Schuchter slaat ze even de
-oogen op.
-
-„Och.... ’t verdriet zou dan minder groot zijn....”
-
-„Als we scheiden?”
-
-„Dat bedoel ik.” ’t Antwoord hindert hem zelf: ’t was niet noodig
-geweest. Waarom wilde ze hem dan ook niet begrijpen?
-
-Als Larsen zich dan quasi in zijn courant verdiept, zwijgt ze eenige
-minuten. Dan op eens:
-
-„Willem....” Paula’s stem klinkt gedempt, zwak.
-
-Als hij opziet, kijken haar oogen hem wanhopig smeekend aan, drijvend
-in tranen.
-
-„Willem, is ’t nu alles waar?”
-
-„Wat?”
-
-„Dat we.... voor goed.... voor altijd van elkaar gaan?”
-
-„Och.... Paula....”
-
-„Ja? ’t Kan.... ’t kan immers niet waar wezen. Zeg nu, toe! Je kunt, je
-wilt je Paula nog wel vergeven?”....
-
-Larsen staat op. Die blik vol angstige smeeking doet hem zeer. ’t
-Eeuwig misverstand van vergeven of niet vergeven maakt hem wrevelig,
-ten einde raad.
-
-„Ga je heen?” vraagt ze, en grijpt zijn hand.
-
-„Ik vin’ dit gesprek.... onmogelijk....” antwoordt hij afwerend. „Ik
-kan er verder niets over zeggen....”
-
-„Och, wees nu maar niet boos. Ik zal zwijgen.... Ga nu maar weer
-zitten.”
-
-Ze begrijpt dat ze van taktiek veranderen moet. Woorden zullen niets
-uitrichten voorloopig, hem veeleer minder vatbaar maken voor haar
-invloed. Eén kleine overwinning heeft ze behaald: hij is thuis
-gebleven. Van nu tot morgen is een heele tijd: een heele nacht ligt
-ertusschen, nog uren van gedwongen samenzijn....
-
-Zwijgend schenkt ze een kopje thee in, en zet het vóor Larsen neer.
-Deze heeft de lectuur hervat, of doet ten minste zoo. Zijn gedachten
-dwalen telkens af, verwarren zich. Hij verlangt naar ’t eind van de
-avond, naar zijn bed.
-
-Daar schiet ’t hem te binnen dat hij en Paula in ’t zelfde bed slapen,
-ouder gewoonte, al de jaren van hun huwelijk. Zoo iets was nu niet meer
-doenlijk, dat begreep hij. Hij zou die nacht in de logeerkamer
-doorbrengen. Hoe vreemd tegenover de dienstboden!.... Och, die zouden
-toch spoedig op de hoogte zijn van hun breuk. En Didi evenzeer.
-
-De gedachte aan zijn kind vervult hem met nieuwe droefenis. Ze is boven
-in zijn studeerkamer alleen blijven zitten, de lieveling: uit
-gehechtheid aan hem, aan alles wat haar aan hem herinnerde.
-
-Juist trad ze binnen.
-
-„O,” zei ze met blijde verrassing, haar vader ontwarende.
-
-„Ben je toch thuisgebleven, Paatje?”
-
-Larsen streelt haar over de mooie haren.
-
-„Ja, mijn kindje, ik ben niet gegaan.”
-
-Als Didi zich gereed maakt om aan tafel te gaan zitten, wendt haar
-moeder zich ongeduldig tot haar:
-
-„’t Is al laat, Didi. Je moet naar bed.”
-
-„’t Is pas half negen....” protesteert het kind teleurgesteld, en kijkt
-haar vader aan, als verwachtte ze hulp vandaar.
-
-„Dat doet er niet toe. Ga dan van-avond wat vroeger....”
-
-’t Bijzijn van het kind verveelde haar, dwong haar tot zelfbedwang.
-Voor Larsen bood Didi’s naar bed gaan een welkome afleiding.
-
-„Brengt Paatje me naar bed?” vroeg ’t kind getroost.
-
-„Je bedoelt, of ik je straks goeie nacht kom zeggen? Ja, goed. Ga nu
-maar.”
-
-Didi gaf haar moeder een kus, die deze onverschillig teruggaf.
-
-„Kom je gauw?” riep ’t meisje nog aan de deur tot haar vader.
-
-Larsen knikte, en staarde haar na.
-
-Paula merkte zijn blik op, en besefte al de teederheid voor zijn kind,
-die daaruit sprak. Zij voorzag een bizonder hartelijk samenzijn
-tusschen vader en dochter die avond.... Wie weet of hij dan....
-
-Toen Larsen, na zijn thee gedronken te hebben, naar boven wilde gaan,
-kon ze niet nalaten te zeggen:
-
-„Willem.... je zegt Didi toch.... niets....?”
-
-Hij viel haar driftig in de rede:
-
-„Hoe kan je zoo iets vragen? Geen woord....”
-
-Hoe weerzinwekkend klonk hem dit wantrouwen! En dan dat gebrek aan
-waardigheid, dat zichzelf vernederen tot smeeken en bidden, dat
-geschrei.... Hij had haar nog nooit zóo tegenover hem gezien, zijn
-vroolijke, overmoedige, luidruchtige Paula!
-
-Bij het bed van zijn kind gekomen bleef hij afgetrokken, en op al haar
-vleiende en aanhalige woorden antwoordde hij slechts met kussen en een
-betoon van hartstochtelijke teederheid, zooals ze nooit van hem
-ondervonden had. Verbijsterd en onbevredigd op haar vragen, legde ze
-zich eindelijk neer: na een gebedje vol innigheid, waarin ze bij ’t
-„Onze Vader” slechts aan háar vader dacht. Hij trok de wollen deken
-terecht, en kuste haar voor ’t laatst:
-
-„Lief slapen, lieveling,” zei hij aangedaan. „Denk nu maar alleen aan
-prettige dingen....”
-
-Hij wendde zich af, sloot zacht de deur, en trad de kamer uit. Even
-stond hij besluiteloos: dan niet wetende wat hij beter doen kon,
-richtte hij zich naar ’t ander einde van de overloop, naar de
-logeerkamer. Maar naar bed, dan vermeed hij een pijnlijk tooneel
-beneden, wanneer hij straks Paula goede nacht moest zeggen....
-
-Met een zware zucht opende hij de deur der kamer.
-
-Dit was voor ’t eerst in dertien jaar dat hij zonder „goeie nacht” van
-zijn vrouw naar bed ging! ’t Was hem als beging hij een zonde, zoo
-onbehagelijk deed hem dit onvormelijk afwijken van een dierbare
-gewoonte aan.
-
-Schuw schoof hij in ’t kleine vertrek, kleedde zich haastig uit, en
-legde zich neer. Nauwelijks in bed sprong hij op, sloot de deur. Even
-viel zijn oog op de spiegel, en hij schrok van zijn beeld: wat een
-dwaze uitdrukking van kinderlijke angst las hij op zijn gelaat!
-
-Aan slapen dacht hij niet. Maar wat zou dat? ’t Bed was de eenige
-plaats waar hij zich op dat oogenblik veilig voelde, waar hij
-ongestoord de vrije loop aan zijn gedachten laten kon. Dat was hem een
-behoefte, hoe pijnlijk ook.
-
-Met open oogen lag hij achterover. Tevergeefs trachtte hij orde te
-brengen in zijn denken: ’t was steeds dezelfde verwarde kringloop,
-afmattend, martelend. ’t Was of ’t wezens waren, die zijn eigen wil
-ontliepen, die kwamen aanstormen in zijn hersens, daar dol
-dooreenraasden, hem weer verlieten, om onmiddellijk daarna terug te
-komen in bandelooze wanorde: scheiding—’t hoongelach der wereld—zijn
-kind—eenzaamheid, de schrikkelijke leegte in zijn hart—zijn vermoord
-geloof in haar—zijn afgod in de modder geworpen—zijn eer—haar
-verlatenheid—zijn deernis met haar lot—de onmogelijkheid van herstel,
-onmogelijk, onmogelijk—scheiding—eenzaamheid, eenzaamheid—zijn kind....
-O God, hij wilde niet meer denken. En toch, hij moest, hij wilde wél,
-hij zocht de zelfmarteling der jagende gedachten, als in wezenlooze
-wellust staarde hij zich blind op hun bonte warreling.
-
-Van beneden klonk muziek, teedere vleiende muziek. Een welbekende stem
-zong zacht, zichzelf begeleidend:
-
-
- Lehn deine wang’ an meine wang’,
- Dann fliessen die thränen zusammen!
-
-
-In de bijna wezenlooze toestand waarin hij verkeerde, duurde ’t eenige
-oogenblikken, voordat hij zich bewust werd vanwaar die tonen klonken,
-en zelfs toen het besef tot hem doordrong, dat daar iets ongewoons
-geschiedde, was de bekoring van ’t lied te sterk, om zijn afgebeulde
-hersens tijd te gunnen tot bewondering.
-
-Als bij tooverslag verdwenen de spookgestalten uit zijn brein, en een
-zachte weemoed overstelpte hem geheel. Hij gaf eraan toe, en ’t was hem
-een weelde van droefenis—een heel andere dan de marteling van zooeven.
-Tranen welden op in zijn starre oogen. Er was daar niemand die ze
-zag....
-
-Hij kende dat lied zoo goed. Hoe menigmaal had hij er naar geluisterd
-als Paula het op zijn verzoek zong. Ze had een vrij goede stem,
-buigzaam en streelend, en hij was met weinig tevreden. Och, hij vroeg
-niet naar ’t zuiver artistieke in de zang: voor hem lag in de lieve
-voordracht van ’t lied de uitdrukking van een lief vrouwengemoed, van
-onbedorven oprecht gevoelsleven. Zijn vereering voor haar was zelden
-grooter, nooit inniger dan wanneer hij in stil genieten luisterde naar
-haar zang. Haar natuurlijke gratie kwam hierbij uit als in alles wat
-zij deed, hartveroverend voor een ieder, bij iedere persoonlijke
-aanraking, nijd verwinnend, vermoedens doodend bij de kwaadwilligsten.
-En bij hem! Bij hem, die dagelijks, schier ieder uur haar bekoring
-voelde, was nooit plaats geweest voor éen kwade gedachte waar ’t zijn
-Paula gold!
-
-Op ’t eene lied volgden andere. Ze waren goed gekozen: alle met het
-droefgeestige erin dat op hem altijd zulk een eigenaardig bevredigende
-uitwerking gehad had, als ’t klagelijk zingen eener moeder die haar
-vermoeid kind in slaap sust. Ook hij was vermoeid, en het zingen deed
-zijn reeds vage gedachten allengs vervloeien tot droomen. Hij sliep in,
-of althans zijn toestand was die tusschen waken en slapen geworden,
-waarin de geest nog vatbaar is voor halve waarneming. Hij was zich nog
-bewust dat Paula zong, alleen droomde hij bij haar te zitten in hun
-voorkamer, waar ze zoo vaak samen zaten, de laatste uren van den avond,
-als Larsen beneden kwam van studie of arbeid.
-
-En Paula was lieftalliger dan ooit.... Hoe smaakvol zat haar die
-peignoir—geel met witte kant—hoe teeder was de uitdrukking dier
-fluweelige oogen: ’t was of ze teederheid uitstraalden, over de
-toetsen, die haar fijne vingers liefdevol streelden, over het
-muziekblad, waar ze de melodie lazen als met kinderlijk vrome aandacht;
-over hem nu en dan, als ze even opkeken en een nauw merkbaar lachje hem
-dankte en liefkoosde tevens. Hij zat ditmaal vlak bij haar op een poef;
-gewoonlijk leunde hij achterover op de sofa in de hoek schuin achter
-haar. Nu wilde hij haar niet alleen hóoren, ook haar zien, zich
-bedwelmen aan klank, aan vorm en lijn, aan de subtiele geur die van
-haar uitging. Ze was mooi die avond, mooier dan ooit te voren,
-frisscher, jonger dan op andere avonden. Haar blik had opgewekter
-schittering dan de gewone levenslustige glans, het ravenzwarte haar lag
-in wilder overmoed en met meer ongekunstelde bevalligheid om haar blank
-voorhoofd; de dunne incarnate lippen met de lichte donslijnen hadden
-naïever en toch bewuster, overmoediger verlokking in haar even merkbare
-uitpuiling in rust, meer vleiing en genotsbesef dan anders in ’t
-lachend ontsluiten, om tonen door te laten zóo innig en toch zóo
-eenvoudig als welden ze rechtstreeks uit het hart—’t hart van een rein
-en dartel kind, dat jubelt in levensvreugde. Haar boezem scheen rijker,
-weelderiger, heerlijker van lijn en welving, haar houding in ’t telkens
-even accentueeren van de zang harmonieuzer zich parend aan de luchtige
-darteling der vingers over ’t klavier. Haar gansche wezen was
-bekoorlijker, begeerlijker die avond dan hij haar ooit gekend had—o,
-hoe veel intenser wordt bij naturen als de zijne de liefde na jaren van
-weten en kennen!
-
-Larsen had haar nooit zóo liefgehad.... Hij zat daar in extaze, zijn
-blik dronk haar beeld....
-
-Op eens verstomde de zang. De lieve gestalte wendde zich plotseling tot
-hem in een van die bruuste bewegingen en opwellingen die haar eigen
-waren.
-
-Hij voelde haar hand streelend langs zijn voorhoofd, tegen zijn haar.
-Hij hoorde haar stem, zacht, zielroerender dan ooit:
-
-„Willem, je houdt van me als altijd!”
-
-Larsen zuchtte zwaar, en keek op.
-
-Paula stond naast zijn bed, half erover heen leunend.
-
-Ze was binnengekomen, want Larsen had in zijn zenuwachtigheid het slot
-slechts half omgedraaid, en toen Paula de knop bewogen had, was het
-teruggesprongen.
-
-Ze had hem slapende gevonden, met een glimlach op de lippen en ’t
-oogenblik gunstig geacht om daadwerkelijk zich in zijn droom te mengen,
-waarin ze reeds in de verbeelding de hoofdrol speelde: dat vermoedde ze
-dadelijk met groote voldoening.
-
-Larsen bleef haar eenige oogenblikken aankijken.
-
-Door het eenige venster in ’t kleine vertrek, dat op straat uitkwam,
-drong een schemerachtig licht binnen, voldoende om de voorwerpen te
-onderscheiden; want Larsen had verzuimd het gordijn neer te laten.
-
-„Paula,” lispte hij droomerig, eerst half ontwaakt.
-
-Als eenig antwoord kuste ze hem op ’t voorhoofd, dan op de mond, en
-haar kussen waren kort, maar zinverbijsterend vurig. Dan keek ze hem
-vlak in de oogen, haar hoofd over ’t zijne gebogen, dat de neerhangende
-geurige lokken zijn slapen streelden. Haar blik vroeg niet, maar
-eischte begeeren, zelfvergeten, dolle lust. Haar weelderige boezem
-hijgde warm tegen zijn borst, omwasemde zijn dommelige zinnen....
-
-Hij sloeg zijn armen om haar volle schouders, waar de peignoir
-achteloos afgegleden was.... wilde haar tot zich trekken. Doch
-plotseling kwam ’t besef, nog vaag, maar onmiddellijk winnend in
-kracht.
-
-Zacht stootte hij haar van zich af.
-
-„Wat is er? Wat moet dat?” zei hij verward. „Mijn God, Paula, wat wil
-je? Hoe kom je hier?”
-
-Ze keek hem lachend aan, nu rechtop staande, met het volle schijnsel
-van ’t venster op haar gestalte; geen spoor van verlegenheid of
-verwarring in haar houding, slechts bedroefde verwondering.
-
-Larsen had zich in zijn bed opgericht.
-
-„Mag je Paula je niet meer goeie nacht kussen.... voor ’t laatst?” Weer
-die kinderlijke vleitoon vol klaging.
-
-„Paula, doe me genoegen.... ga hier vandaan.... Laat me met rust, wat
-ik je bidden mag....”
-
-Ze greep zijn hand. Hij trok de zijne onwillig terug, bang voor
-zichzelf, nog trillend van ’t nauw onderdrukte begeeren. Bij God, hij
-mocht niet zwak zijn! Als hij nu zwichtte, zou hij zichzelf minachten.
-Sedert dat hij zijn schande kende, was zij zijn vrouw niet meer: alles
-moest uit zijn, voor goed, voor goed, of hij moest zich beschouwen als
-een eerlooze, die genoegen neemt met zijn vernedering....
-
-„Willem, geef me éen kus.... en ik zal heengaan, heusch. Ben ik zoo
-laag en gemeen in je oog, dat je me.... geen kus waard acht.... Nu, op
-eens.... Je zegt dat je me vergeeft, en nu behandel je me zoo!....
-Dacht je dat ik dat verdragen kon?.... Je gaat heen zonder een woord,
-en.... nu van nacht slaap je hier, in een andere kamer.... Onze
-scheiding moet nu al beginnen, nu dadelijk al, zonder overgang.... zoo
-bruusk mogelijk! Is ’t zoo veel gevergd dat je afscheid van me
-neemt....”
-
-„Onzin,” viel Larsen in. Hij voelde zich hoogst onbehagelijk. De
-positie werd met elke minuut onmogelijker.
-
-„Je weet heel goed dat dat.... zoo niet is”.... ging hij voort, „dat ik
-niet van je weg zal gaan.... zonder afscheid.... zonder je ’t.... beste
-toe te wenschen dat ik je wenschen kan....”
-
-Zijn stem stokte hem in de keel.
-
-„Kom, Paula, wees verstandig, ga nu heen. Hier, ik wensch je een goeie
-nacht, hier is mijn hand.... Maar ga nu....”
-
-Paula greep de haar toegestoken hand met beî de hare, en, weer over ’t
-bed leunend, klampte zij zich aan zijn heele arm en leî haar hoofd er
-tegen aan. Luid snikkend schokte haar lichaam tegen ’t zijne.
-
-Larsen keek verbijsterd naar dit beeld van hartstochtelijke smart. Hij
-kon ’t niet aanzien.
-
-Met zacht geweld drong hij Paula van zich.
-
-„Och, ik kan niet, ik kan zoo niet gaan,” kreet zij.
-
-Haar haren hingen nu verward, de peignoir was aan de eene schouder
-geheel afgegleden, en ontblootte een deel van haar borst. Zijn blik
-viel huiverend over haar wilde schoonheid.
-
-Het geweld dat hij zichzelf aandeed, maakte hem ruwer dan hij had
-willen zijn, gaf zijn stem harder klank dan hij erin had willen leggen.
-Opspringend zeide hij:
-
-„Paula, ik meen ’t.... Je kunt hier niet langer wezen. Ga nu heen, in
-Gods naam, ga, of.... je maakt me boos....”
-
-Wezenloos keek ze hem met haar groote vochtige oogen aan, en toen hij
-haar omvatte, en haar half voortduwende naar de deur bracht, liet ze
-zich leiden als een kind. „Goeie nacht, wees nu bedaard om Gods wil.”
-
-Ze stond reeds buiten op ’t portaal.
-
-Buiten zichzelf van verwarde gevoelens—ergernis, medelijden,
-verlegenheid—sloot Larsen de deur der logeerkamer tusschen haar en hem,
-en wierp zich te bed, dof kreunend.
-
-Paula, op de half verlichte overloop, stond even stil, verbluft,
-vernederd.
-
-„Idioot,” siste ze met opeengeklemde tanden, en langzaam ging ze de
-trap af.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Mr. Johan Van Thiemen was een paar jaar ouder dan zijn vriend Larsen.
-In zijn academie-tijd had deze zich reeds als „groen” bizonder tot hem
-aangetrokken gevoeld, en daar „soort, soort zoekt”, was de aantrekking
-wederkeerig geweest. Beiden muntten uit door verstandsgaven, ook in die
-zin genomen dat ze beiden „verstandig” waren, Larsen zelfs oud voor
-zijn jaren. De jonge Van Thiemen had echter, bij alle ernst en alle
-degelijkheid van karakter, een gave die zijn vriend vrijwel miste, en
-die hem als advocaat later zeer te stade kwam: gemakkelijkheid van
-beweging en zekere losse gratie, waardoor zijn talenten veel meer
-schitterden dan ’t verborgen goud van Larsen’s eigenschappen. Was Van
-Thiemen bemind en bewonderd door wie met hem in aanraking kwam, Larsen
-was slechts bemind bij hen die hem goed kenden, en bewonderd—zelden.
-Niettemin vonden beiden hun weg tot de professors-katheder, schoon
-langs verschillende paden: bij de jurist trok het glansrijke de
-aandacht, bij de literator-historicus wekte het sobere, nuchtere, droge
-zijner wetenschappelijke uitstekendheid de opmerkzaamheid der vorsten
-in ’t rijk van Minerva. En wat eerst genoemde betreft: ook daar buiten.
-Want Mr. Johan Van Thiemen was een man van de wereld in de beste zin
-van ’t woord, en vond ook „buiten ’t vak” veel waardeering en
-bewondering. Wellicht te veel ’t bedorven kindje der toongevende
-kringen, al te zeer gezocht door welbedochterde moeders en gevleid door
-minzaam-bemoederde dochters, had de schitterende advocaat en later
-welbekende hoogleeraar tot nu toe het voorbeeld van zijn vriend Larsen
-niet gevolgd: hij was ondanks alles vrijgezel gebleven; en dit niet
-omdat hij een afkeer van ’t huwelijk had—o neen—maar uit een zekere
-kieskeurigheid en de begrijpelijke vrees voor een algeheele verandering
-van levenswijze, die wellicht minder „vrij” en minder „gezellig” zou
-wezen dan die welke hij thans smaakte.
-
-Ook ’t uiterlijk der beide vrienden stond in duidelijk verband met hun
-uiteenloopende aard. Was Larsen met zijn zware gestalte, grove
-beenderen, rossige baard en blonde haren, met zijn blauwe oogen en
-frissche huidskleur het type van een noordling—die hier zijn afkomst
-uit een voorouderlijk Noorwegen niet verloochende—Van Thiemen had in
-zijn gansche verschijning iets Fransch: zwart glanzend haar, fijn
-gekrulde zwarte snor, geen baard, vurige, levendige, geestige
-oogen—Paula vond dat die van Larsen vaak „suf” keken—een eenigszins
-gebronsde huid en een lenigheid en bewegelijkheid in de slanke, rank en
-bevallig gebouwde gestalte. Larsen sprak weinig, en wat hij zeide klonk
-nuchter, houterig en stijf soms: hij meende het goed en zeide het
-slecht; zijn vriend sprak veel, met een wonderen zwier, met innemende
-stemmodulaties: hij meende het goed, maar zeide het nog beter. Dit was
-zoo in de wetenschap en dit was zoo daarbuiten.
-
-Larsen hield veel van zijn vriend, en bewonderde hem op zijn nuchtere
-kalme wijze, en ondanks het groote aantal vrienden die Van Thiemen
-telde, rekende hij Larsen tot zijn allerbeste. Dit nam niet weg dat hij
-er dikwijls genoegen in schiep zijn vernuft te wetten aan de hoekige
-kanten van de stoere historicus, en dat deze menigmaal een opmerking
-vol tintelende ondeugd moest aanhooren: Larsen’s onhandigheid en zijn
-niet altijd verzorgd uiterlijk—hoe kon zijn vrouw daar altijd op
-letten!—waren een onuitputtelijke bron voor dergelijke geestspatjes.
-
-Hiervoor was die Octobermorgen, dat Larsen op de stoep stond vóor ’t
-huis van zijn vriend, geen vrees bij hem: hij wist dat diens spot
-steeds van onschuldig gehalte was en zeker nimmer in ’t lichtzinnige of
-onkiesche oversloeg. ’t Was dan ook met volkomen gerustheid dat hij
-aanbelde. O, nu zou hij spoedig tot klaarheid komen, de zaak zou
-geregeld worden zoo goed als ’t maar eenigszins kon: Van Thiemen was
-een rechtskundig raadsman uit duizenden en—een welgemeend vriend.
-
-„Zoo zoo, m’n waarde, zien we jou weer’s hier?” riep de laatste
-hartelijk, kwam zijn collega in de studeerkamer tegemoet, en reikte hem
-de hand.
-
-Er heerschte tusschen de beide academie-vrienden nog de oude joviale
-losse toon—iets echt studentikoos, zooals dat op later jaren tusschen
-vrienden maar weinig voorkomt.
-
-Zwijgend nam Larsen de toegestoken hand aan.
-
-Nog voordat hij een woord uitgebracht had, vervolgde de ander:
-
-„Wel kerel, wat is er? Je ziet er lang niet best uit....”
-
-„Och, slecht geslapen.... en dan....” Larsen hield even op en nam een
-stoel.
-
-„En dan.... wat bedoel je? Heb je iets bizonders? Verdriet. Och kom,
-jij verdriet! Zoo’n geluksvogel.... een mooie betrekking, een mooi
-fortuintje, een mooi huis, een mooi vrouwtje....”
-
-Larsen maakte een ongeduldig gebaar.
-
-„Och,....” en hij zuchtte zwaar; ging niet in op de scherts.
-
-’t Gelaat van zijn vriend veranderde op eens van uitdrukking, toonde
-groote belangstelling. Hij schoof een stoel vlak bij die van Larsen, en
-hem op de knie kloppend, zeide hij op geheel andere toon:
-
-„Ik zie ’t: ’t is mis, m’n brave. Biecht ’s op, wat heb je op je hart?
-Je weet, je kunt op mij rekenen.”
-
-De hartelijke woorden troffen Larsen bizonder op dat oogenblik, en zijn
-oogen werden even beneveld.
-
-Hij schoof eenige malen ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer,
-streek over zijn ruige baard, met de oogen naar de grond. Dan
-opkijkende, zeide hij somber:
-
-„Een ellendige zaak. Ik wil van mijn vrouw scheiden!”
-
-„Wat zeg je?”
-
-„Wat je hoort, ’t Is zoo....”
-
-„Hoe is dat zoo in eens? Kom, dat meen je immers niet! Dat kàn immers
-niet. Jij....” Van Thiemen was bruusk opgestaan, en, eenigszins
-wijdbeens, maakte hij een gebaar van verwondering, zijn vriend opnemend
-met een blik alsof hij aan zijn verstand twijfelde.
-
-„Ja, ik,” viel Larsen even somber in. „Ik, die me zoo gelukkig voelde,
-nie’ waar?.... ik, die jou altijd ’t huwelijk aanprees, en mijn....
-geluk als voorbeeld gaf....” Hij lachte even bitter.
-
-„Arme kerel,” zei de ander, en liet zijn arm langs ’t lijf vallen.
-„Kom, vertel me ’s gauw hoe dat gekomen is.”
-
-Larsen aarzelde.
-
-„Dat gaat lastig.... ’t Is moeilijk, onmogelijk ’t zoo in eens te
-zeggen. We kunnen niet overweg....” Hij kleurde.
-
-„Niet overweg....? Incompatibilité d’humeurs? En....” Van Thiemen
-stapte een paar schreden ter zijde, en wendde zich daarna weer om.
-
-„Ja, zoo iets.... Nu pas ontdekt, zal je zeggen.... Nu ja, laat dat
-daar. Een feit is ’t dat we niet langer bij elkaar kunnen blijven....
-Dat is een feit.... Dat kan niet....”
-
-„’t Kan voorkomen, jawel, jawel. Er zijn gevallen van dien aard, zeker.
-Ga voort....”
-
-„Och, de zaak is dat ik ongerust ben over ’t lot van mijn kind. Ik wou
-jouw raad hebben. Hoû ik haar in zoo’n geval?”
-
-„In zoo’n.... in welk geval?”
-
-„Als we scheiden....”
-
-„Hoe bedoel je? Als je niet langer samenleeft. Wel, jij bent de baas
-over je kind.... en als je je vrouw onderhoud geeft, kan je met je kind
-gaan waar je wil....”
-
-„Je vat me niet.... Ik bedoel wettelijke scheiding....”
-
-Weer stapte Van Thiemen een paar schreden de kamer in, en posteerde
-zich daarna vlak bij zijn vriend.
-
-„Wettelijke? Waar denk je aan? Is die noodig?”
-
-„Ik zou zeggen ja.... Of geloof jij.... Denk jij dat ’t anders kan? Wat
-een toestand, gescheiden leven, en wettelijk en tegenover de wereld nog
-getrouwd zijn. Nog Meneer en Mevrouw Larsen! En feitelijk.... Nee,
-scheiding voor goed, definitief, tegenover de wet en tegenover de
-wereld.... Dat is eerlijk, royaal. Dat is zedelijker....”
-
-„Best, best. Maar, mijn waarde, dat gaat maar zóo niet....”
-
-„Wat? Er is toch een reden, en.... ik wensch het..... Ik sta erop.”
-
-„Welke reden?”
-
-„Dat.... dat.... dat we niet overeenstemmen, niet langer
-overeenstemmen.... dat we onmogelijk verder samen leven kunnen....”
-
-„Is dat alles?”
-
-„Ja.... zeker.”
-
-„Phu, man, dat is geen reden!” Van Thiemen stapte weer op, de handen in
-de zak stekend en wippend met de panden van zijn huisjasje.
-
-„Geen reden?”
-
-„Nee, wis en waarachtig niet.... We zijn niet in Frankrijk.”
-
-„Maar je kunt toch van elkaar af, als je wil? Beiden of éen van beiden.
-Ik bedoel als je ernstig, onherroepelijk wil....”
-
-„Nee....”
-
-!?
-
-Van Thiemen stond weer vóor hem.
-
-„Je kent de wet blijkbaar niet.... Heb je je burgerlijk wetboek al
-opgeslagen?”
-
-„.... Nee,” stamelde Larsen.
-
-Van Thiemen ging zitten, sloeg zijn beenen over elkaar, leunde met de
-rechter elleboog op de lessenaar bij hem, en strengelde de vingers in
-elkaar.
-
-„Kom, dat ’s ongelooflijk! Ken je de bepalingen niet? Zal ik ze ’s
-zeggen? Ik ken ze uit mijn hoofd, natuurlijk. ’t Is trouwens eenvoudig
-genoeg.”
-
-„Nu?”
-
-„Om echtscheiding te krijgen zooals jij die wilt.... je bedoelt immers
-geen scheiding tusschen tafel en bed? Dat is iets anders.”
-
-„Voor vijf jaar.... om dan daarna nog eens te beslissen, of je voor
-goed van elkander wenscht te gaan? Nee.... men doet zoo’n stap, of men
-doet hem niet.... Daar heb je geen vijf jaren bedenktijd voor
-noodig.... Ik vind dat groote onzin.”
-
-„Nu, goed, echtscheiding dus. Daarvoor is noodig een van de volgende
-redenen:
-
-
- kwaadwillige verlating,
- grove mishandeling,
- onteerend vonnis,
- of echtbreuk van een der partijen.”
-
-
-„En.... wat verder?” viel Larsen ongeduldig in, toen zijn vriend
-ophield en hem vragend aankeek.
-
-„Verder?.... Niets. Er komt niets meer. Dat is alles.”
-
-„Alles? Maar, mijn God, als nu niets.... van dat alles voorkomt, en je
-hebt toch een reden....”
-
-„Dan kan je niet scheiden.”
-
-„Maar dat is onmogelijk. Dat is onrechtvaardig. Hemeltergend.”
-
-„Que voulez vous? ’t Is de wet.” Er was een meewarig lachglimpje op van
-Thiemen’s gelaat. Hij streek zijn zijdeachtige zwarte snor op, en keek
-naar boven.
-
-„Dat is idioot!” riep Larsen buiten zichzelven, van verbazing en
-verontwaardiging. „Dus.... dus.... moeten twee menschen, die.... niet
-samen kunnen blijven.... gedwongen zijn samen voort te leven?”
-
-„Ze mogen elk afzonderlijk gaan wonen,” zei Van Thiemen kalm.
-
-„Och, dat weet ik, natuurlijk! Maar ze blijven dan toch man en
-vrouw.... zij zijn aan elkaar gekluisterd tegen wil en dank....”
-
-„Ja, dat is zoo. Daar is nu eenmaal niets aan te doen. Wil je zelf de
-wet zien? Hier....” Meteen reikte hij even naar een wetboek boven op
-zijn lessenaar, sloeg ’t open, op de tast, zocht even, en stak het zijn
-vriend over. „Asjeblief, lees zelf hier: artikel 264. Daar staat ’t
-iets uitvoeriger dan ik je gezegd heb.”
-
-Larsen tuurde in ’t boek met gretige belangstelling.
-
-„Ja, goed, ik zie ’t.... ’t Staat er,” mompelde hij in zijn baard, nog
-eens kijkende, als wilde hij beter lezen en begrijpen. „Ik snap het
-niet....”
-
-„Wat? De wet is toch duidelijk genoeg....”
-
-„Ik wil zeggen dat ik niet vat hoe die wet zoo bekrompen kàn wezen....”
-
-„Er is zooveel bekrompens in onze samenleving. De ideeën over ’t
-huwelijk behooren tot de achterlijkste.... Maar er komt wel licht zoo
-langzamerhand. In Duitschland is ’t niet overeenstemmen der
-karakters—incompatibilité d’humeurs—al als reden van echtscheiding
-erkend. Sinds 1 Januari 1901....”
-
-Larsen keek zwijgend vóor zich, voorover geleund, ’t hoofd op de eene
-arm, de andere arm slap neerhangend.
-
-„Overspel staat hier voorop....” mompelde hij als bij zich zelven. „Je
-noemde dat ’t laatst.... ’t schijnt hier als ’t ernstigste.... ’t eerst
-genoemd te zijn.... En toch de laatste reden waarom je....”
-
-„Ja,” viel Van Thiemen in. „Die reden wordt in onze stand zelden
-aangevoerd.... al bestaat ze in verreweg de meeste....”
-
-„Zoo,” zei Larsen.
-
-„Kom, laten we ’s kalm praten,” vervolgde Van Thiemen, en stond weer
-op. En een sigarenkistje opnemende, reikte hij dat over. „Kom, niet zoo
-somber.”
-
-Larsen maakte een afwijzend gebaar.
-
-„Niet? Heusch, mijn waarde, al dat mokken tegen wat nu eenmaal niet
-anders kan, geeft niets. Laten we eens kalm praten, en rook een sigaar.
-Ik zal je ’s volledig inlichten. Als je de wet zoo leest, begrijp je er
-toch niet ’t fijne van.”
-
-„’t Fijne!!” Werktuigelijk nam Larsen het gebodene, stond op, en ging
-tegen de schoorsteenmantel leunen met over elkaar gebogen armen.
-
-„Nu, ik bedoel de eigenlijke zuivere opvatting. Enfin, daarvoor moet je
-jurist zijn. Ofschoon.... jij en anderen mochten er wel wat meer van
-weten! Maar dat leer je nu eenmaal niet op de school. ’t Maken van
-zwavelwaterstofgas en ’t disconteeren van wissels schijnen op de
-middelbare school belangrijker zaken voor ’s menschen geluk. Die moet
-je weten.”
-
-„Nu ja, ter zake. Ga je gang ’s,” viel Larsen in.
-
-„Laten we ’s beginnen met die mishandeling. Die moet zwaar wezen.”
-
-„Wie mishandelt zijn vrouw nu zwaar!”
-
-„Of de vrouw hem.”
-
-„Nog onzinniger, in onze stand.”
-
-„’t Leven moet ermee gemoeid zijn.”
-
-„Krankzinnig! Dus als je je vrouw tart en plaagt, dagelijks scènes
-maakt, dat ze wegkwijnt van verdriet....”
-
-„Of zij jou,” zei Van Thiemen.
-
-„Goed. In dat geval....”
-
-„Geen echtscheiding. Ze moet haar ziel in lijdzaamheid bezitten of....
-haar hulp zoeken bij de huisgenooten, als die er zijn.”
-
-„Fraai! Maar stappen we van die mishandeling af. Die is al te dol. Je
-hoeft er geen woord meer van te zeggen. Blijkbaar kent de wetgever hier
-alleen physieke behandeling, plompe, beestachtige barbaarschheid van
-wilden; moreele mishandeling negeert hij totaal. Bah!”
-
-„Nee, nog mooier,” ging Van Thiemen voort—„want, zie je, ik ben ’t met
-je eens, volkomen, dat die inpikkerij belachelijk is en eigenlijk
-onhoudbaar. Maar dat daargelaten, ik wil dit zeggen: physiek nadeel,
-dat een van de echtgenooten de ander aandoet, kan een heel leven van
-ellende veroorzaken, en toch—geen reden van scheiding zijn! Je snapt
-me: denk maar aan „les Avariés”. Een man die niet alleen los, maar
-onvoorzichtig los geleefd heeft—een ezel, enfin!—en zijn vrouw een
-ziekte bezorgt, waar ze haar heele verdere bestaan door vergald ziet,
-kan om die reden niet van vrouwlief gescheiden worden, al woû hij dat
-ook zelf!”
-
-„Behalve als door die mishandeling—want dat is ze!—de dood volgt,”
-verklaarde Larsen spottend.
-
-„Ja juist. En dan, wat die „mishandeling” betreft, dat ’s nu jouw
-opvatting. Een slim advocaat kan dat nog wel zóo uitleggen dat ’t geen
-„mishandeling” is. Er kan bijvoorbeeld geen „dolus” wezen. De man kan
-’t zelf niet weten, of zeggen dat hij ’t niet wist. En dan heb je ’t
-doktersgeheim....”
-
-„Heerlijk,” gromde Larsen. „Ga voort. De andere redenen.”
-
-„Jawel, die vonnisgeschiedenis. ’t Moet een veroordeeling zijn tot
-minstens vier jaar „vrijheidsberooving”, gevangenis laten we maar
-zeggen. Let wel vier jaar, of langer. Iemand die wegens diefstal van de
-gemeenste soort, straatrooverij of zoo iets drie jaar zitten krijgt,
-valt niet in de termen. ’t Huwelijk blijft dan voortbestaan.”
-
-„En de kinderen, als papa bijvoorbeeld in de gevangenis zit?”
-
-„Wel die blijven dan bij moeder thuis, maar papa mag ze natuurlijk bij
-zich hebben, zooveel als een gevangene bezoek van verwanten hebben
-mag.”
-
-„Een mooi huishouden! Ze mag dus niet in die tusschentijd hertrouwen
-met iemand die haar en haar kinderen onderhouden kan, en mag
-verhongeren als ze er zelf niet voor zorgen kan. En als ze dat wel kan,
-ontvangt ze na die drie jaar haar man weer thuis.”
-
-„Ja, die heeft dan weer meer ondervinding opgedaan, en kan beter als
-opvoeder optreden! Tsh! Dat is nu „de heilige echt”.” Van Thiemen
-maakte een hem eigen geluid met de tong tegen de tanden, iets tusschen
-sissen en smakken.
-
-„Je weet,” ging hij voort, en verwisselde de stand zijner over elkaar
-geslagen beenen, terwijl hij meditatief wolkjes rook naar boven blies,
-„’t Huwelijk is een sacrament.”
-
-„’t Is waar, je bent Roomsch.”
-
-„Nou ja. Daar zeg ik het niet om. De pastoor zou op mijn godsdienstige
-opvattingen wel wat aan te merken hebben.”
-
-Larsen glimlachte.
-
-„Wat ik bedoel is dit: men is oorspronkelijk van dat idee uitgegaan. En
-toen men aan ’t huwelijk als iets heiligs en onverbreekbaars ging
-tornen—dorst men niet te ver te gaan. Nee, dan vìnd ik dat mijn
-geloofsgenooten—hm—gelijk hebben dat ze niets van echtscheiding weten
-willen.”
-
-„Wat?”
-
-„Ja, natuurlijk. Hun opvatting is ten minste verdedigbaar. Zij zeggen:
-’t huwelijk is een goddelijke instelling. Nu, best, dan mag er ook
-absoluut niet aan getornd worden. Niets, geen zier. Geloof je daar niet
-aan, en zeg je dat het huwelijk een menschelijke instelling is, ook
-best, maar regel ’t dan menschelijk. En ga niet modderen, zooals de
-wetgever nu gedaan heeft.”
-
-Larsen knikte nadenkend. Zijn forsche gestalte stond onbewegelijk,
-schijnbaar volkomen kalm.
-
-Wie die twee daar bij elkaar gezien had, zonder te weten wie ze waren,
-zou Larsen zeker voor de doceerende gehouden hebben en de ander met
-zijn luchtige houding en gebaren voor de onderrichte. Trouwens, de
-gansche persoonlijkheid van de jurist verried in ’t minst niet de
-professor, even weinig als zijn omgeving. Dat men hier met een
-geestelijk hoogstaand man te doen had bleek voldoende: men had zijn
-fijne sprekende trekken maar even waar te nemen om dat te bemerken.
-Maar van ’t stroeve, droge, nuchtere der gewone Minerva-priesters: geen
-spoor. ’t Was alles leven, gloed, losheid en bevalligheid.
-
-In ’t vertrek ook heerschte allerminst de strenge ernst der studeercel.
-Geen wanstaltig groote boekenplanken of rekken ontsierden de wanden:
-slechts twee smaakvolle boekenkasten met blauwe gordijnen bevatten ’s
-professors bibliotheek. Deze hielden behalve belletrie niets in dan ’t
-werkelijk noodige, en—ook zonder zijn boeken was en bleef Van Thiemen
-de geniale geleerde, iets dat zoo vaak anders is. Aan ’t effenkleurig
-behang—geheel blauw met grijze rand—hingen hier en daar fraaie
-staalgravures. Op de schoorsteen stonden enkele kunstvoorwerpen, o. a.
-een zeldzaam mooie pendule—een meesterstuk van Fransche kunst. ’t
-Tapijt was mollig en frischgetint, de meubelen waren harmonisch
-gekozen: alles eikenhout met blauw bekleed en een paar aangename
-fauteuils daarbij. Van Thiemen haatte de plompe, met wasdoek
-overtrokken stoelen eener gewone studeerkamer, de ongemakkelijkheid tot
-deugd verheven, want—zoo zegt men—wie studeert mag niet op zijn gemak
-zijn. Hij voelde zich in zijn studeerkamer behagelijk, en om iets te
-kunnen tot stand brengen, een onderwerp te leeren beheerschen, een
-verhandeling op te stellen, een artikel schitterend te schrijven, moest
-hij zich behagelijk voelen: anders vlotte het bij hem niet. Hij moest
-in zijn element wezen—een van smaak en opgewektheid—om zijn geest tot
-voortbrengen in staat te voelen. Hij was als de nachtegaal, die slechts
-in de vrije natuur, de voor hem passende omgeving en omstandigheden,
-zijn heerlijke gaven kan uiten.
-
-Ook de ligging der kamer met het uitzicht op een fraai aangelegde tuin,
-waarvan ’t verkwikkend groen ’s zomers in ’t onmiddellijk bereik van de
-blik des studeerende was, en de opwekkende geuren vrij de geopende
-hooge vensters binnenstroomden, wees erop dat hier de geleerde bewoner
-geen sombere blokker wezen kon.
-
-Larsen was ’t volkomen eens met Van Thiemen’s betoog, en knikte,
-verlangend om meer te hooren.
-
-„Ja ja, ’t is modderen,” hervatte de jurist, en wierp met zekere drift
-de asch van zijn sigaar in ’t sierlijke aschbakje naast hem, met een
-welsprekend gebaar van ergernis, als smeet hij met die asch een hoop
-domheid van zich af. Dan hield hij het hoofd weer achterover, trok
-sterk aan zijn sigaar:
-
-„En zoo is ’t ook met de rest: die anderen—phh!—redenen. Daar heb je de
-kwaadwillige verlating. Die moet vijf jaar geduurd hebben. Vijf jaar aan
-éen stuk! Ook al weet een van de partijen dat er van terugkomen geen
-sprake is—of dat eventueele hereeniging in ’t gezin verre van
-wenschelijk is—kan er geen echtscheiding volgen, als man- of vrouwlief
-maar binnen de fatale termijn thuiskomt. Soms kan ’t zes of zeven jaar
-of nog langer wezen: zie artikel 266 laatste alinea. Nemen we ’s ’t
-geval dat de vrouw vulgo er vandoor gaat. Daarna verwisselt ze in de
-loop van vier jaar tienmaal van minnaar, deponeert in verschillende
-steden van Europa haar onwettige telgjes; dan verkeert ze in nood,
-omdat bijvoorbeeld haar aantrekkelijkheids-kapitaal vrijwel verteerd
-is, en ze geen aanbidder-onderhouder meer vinden kan, en op een goeien
-dag besluit ze tot de huiselijke haard terug te keeren. Haar wettige
-kostwinner moet haar dan weer tot zich nemen, en zal natuurlijk in de
-meeste gevallen geen scheiding kunnen krijgen, omdat de andere
-reden—overspel—onmogelijk te bewijzen is. Daar komt nog bij dat de
-meeste mannen—in beschaafde kringen althans—tegen een vordering wegens
-overspel opzien. Een mooie, middeleeuwsche ridderlijkheid tegenover „de
-zwakke vrouw”, weinig in overeenstemming met de nieuwere opvattingen
-van gelijkheid, die de andere sekse tegenwoordig huldigt! Dit tusschen
-twee haakjes. Tsh!” Hij wierp een vluchtige blik op de gestalte tegen
-de schoorsteen: een ironietje flitste even langs zijn lippen.
-
-„Hm.... middeleeuwsch, middeleeuwsch.... dat weet ik nog niet,” bromde
-Larsen in zijn baard.
-
-„Stellen we ’s een andere mogelijkheid,” ging Van Thiemen onverstoord
-voort. „De man is zeeman. Hij gaat voor drie jaar naar de Oost. Voordat
-hij zoo lang weg is, verneemt zijn vrouw uit goede bron dat er nooit
-kans is op terugkeer. ’t Ventje heeft zich aan wal gevestigd, heeft een
-„wild huishouden” opgezet, is reeds vader over een koffiekleurig
-spruitje, en heeft bijvoorbeeld een winstgevend zaakje op touw gezet.
-In zoo’n geval beginnen de vijf jaren pas te tellen na de drie jaren
-afwezigheid om wettige redenen—zooals hier bijvoorbeeld, omdat de man
-als zeeofficier weg mòest. Goed, als nu de edele fortuinzoeker, na wat
-overgelegd te hebben, zijn vrouw wil laten overkomen—binnen vijf jaar
-na die drie—’t kan wezen dat hij genoeg heeft van zijn linkerhandsche
-wederhelft—wel, dan moet zij komen, en hem weer als haar heer en
-meester erkennen. En de eventueele kindertjes uit Holland mogen braaf
-spelen met hun stiefbroertje, dat dan heel geschikt voor ’n kind van de
-tuinbaas kan doorgaan. Of—anders: stel dat de zaakjes van bewuste
-pionier der beschaving faliekant uitgaan, en hij ’t beter vindt,
-berouwvol en boetvaardig, bij moeder de vrouw terug te komen: als de
-vijf „kwaadwillige” jaren maar nog niet om zijn moet zij hem als haar
-echtgenoot erkennen. Dan denkt hij evenals de Boeren: „alles zal reg
-kom.” Natuurlijk begint dan voor ’t hereende echtpaar een tweede „lune
-de miel” vol dichterlijke liefde. Tsh!”
-
-Van Thiemen blies drie luchtige blauwe rookwolkjes vóor zich uit,
-daarna nog twee, die in hun dartel gekringel een uitdrukking schenen te
-wezen van ’s rookers smakelijke spot.
-
-„Hm,” bromde de leunende Wiking-figuur tegen de schoorsteen.
-
-„’t Aantal „verluchtingen” van dit wetsartikel met levensbeelden kan
-vrijwel in ’t oneindige uitgebreid worden,” beweerde de ander weer.
-„Maar je zult er wel geen lust in hebben ze van me aan te hooren. Nu
-eindelijk de groote reden: echtbreuk. Blijkbaar vindt de wetgever die
-de vreeselijkste. Wat mij betreft: ik vind een man die ’s een amoeretje
-gehad heeft nog niet zoo’n verachtelijk wezen als iemand die drie jaar
-gezeten heeft wegens oneerlijke praktijken of zoo iets. Jij?”
-
-„Ik weet.... ’t niet,” zei Larsen aarzelend. Hij kon zichzelf moeilijk
-voorstellen als betrokken in een „amoeretje.”
-
-„Ik zeker niet. En als meneer in zoo’n opzichzelfstaand geval gesnapt
-wordt, kan zijn wederhelft echtscheiding aanvragen. Tsh!”
-
-De rookwolkjes waren meditatief langzaam ditmaal.
-
-Larsen dacht even na, en bracht in ’t midden:
-
-„Je zegt dat nu zoo, maar vin’ je dat dan niet billijk?”
-
-„’t Kan er naar zijn. Een amoeretje zooals ik bedoel, iets als een
-lapsus moralitatis—fraai Latijn, vin’ je niet?—iets zonder voor- of
-naspel, een gevalletje dat ’s voor mag komen in een onbewaakt
-oogenblik, en waar de overtreder der huisorde wellicht een half uur
-later geduchte spijt van heeft, en dat hij dan niet aan zijn vrouw
-vertelt, om de eenvoudige reden dat hij in de grond van haar houdt,
-haar geen verdriet wil doen, en—haar liefde niet verliezen wil—nee,
-amice, zoo’n gevalletje vind ik nog zoo vreeselijk niet.”
-
-„Maar je keurt het af?”
-
-„Och, natuurlijk, evengoed als ik ’t afkeur dat je je stomdronken
-drinkt.”
-
-„Hm. En als je ’t nu ’s omdraait, en de vrouw zoo’n amoeretje heeft,
-zooals jij ’t noemt?”
-
-De geestige oogen van de jurist keken een wijl scherp naar de vrager.
-Doch begrijpende dat zijn blik de ander wel onaangenaam zou kunnen
-wezen, wierp hij ’t hoofd weer achterover, en deed een paar
-fijn-wellustige kustrekjes aan zijn sigaar.
-
-„Dat ’s een ander geval,” zei hij in dezelfde houding.
-
-„Maar, hier,” liet hij opeens volgen. „Steek je sigaar weer ’s op. Je
-laat ’m uitgaan.”
-
-Larsen nam de lucifers aan, streek er een af, en volgde de gegeven
-raad. Van Thiemen lachte opeens:
-
-„Kerel, je zet ’m in vlam! Hij is al lang aan.”
-
-„Maar je zei....” begon Larsen.
-
-„Dat ’t een heel ander geval is.... een heel ander geval.”
-
-„Ik kan ’t niet zien: man of vrouw, dat blijft gelijk. De schuld is
-even groot.”
-
-„Phu! Dat zal ik je ’s gauw anders laten zien.”
-
-Als Van Thiemen in vuur raakte, kon hij niet blijven zitten, vooral
-niet wanneer hij veel te zeggen had. En hier gold het een onderwerp
-waar hij gaarne op inging. Hij liep even eenige schreden de kamer in,
-in de richting van ’t venster, weer met de handen in de zak, en zich
-dan schrap zettende vlak tegenover zijn vriend, begon hij:
-
-„Komaan, jij kent ’t verschil blijkbaar niet tusschen een man en een
-vrouw.”
-
-Larsen keek vreemd.
-
-„Hè?”
-
-„Ik bedoel dat jij over ’t hoofd ziet—want je weet ’t natuurlijk even
-goed als ik—dat ter zake van sexueele liefde de vrouw een heel ander
-wezen is dan de man.”
-
-„Och!”
-
-„Nee, wis en drie: heel anders, volstrekt verschillend, hemelsbreed
-afwijkend. Voor de vrouw is ’t liefdeleven het leven....”
-
-„Voor veel vrouwen....” viel Larsen in.
-
-„Nu ja, over die vrouwen hebben we ’t hier. Ik laat natuurlijk de
-ouwevrijsters—vrijwillige of onvrijwillige—buiten rekening. We hebben
-’t hier uitsluitend over ’t liefdeleven van gehuwde individuen. Goed,
-voor de man is de liefde bij lange niet zoo’n hoofdfactor. Geef je dat
-toe?”
-
-„Hm.... ja, nu goed, neem aan dat ik ’t met je eens ben.”
-
-„Wel, dat aangenomen, volgt eruit dat iedere liefde-uiting,
-liefdedaad—sit venia verbo—van een vrouw grooter beteekenis heeft dan
-die van een man. Trouwens, dit is niet te verwonderen. Het moederschap
-neemt zoo’n gewìchtige plaats in ’t vrouwelijk bestaan in, dat de
-natuur zelf daar als ’t ware alles op berekend heeft: het heele
-vrouwelijk gestel, haar gansche lichaamsbouw wijst haar op ’t groote
-doel van haar leven: moeder te zijn. Daarom zal ook voor iedere
-hoogstaande vrouw iedere sexueele daad er een zijn in nauw verband met
-haar zieleleven, evenzeer als met haar lichaamsfunctiën en—groot van
-gevolgen zijn. De kus van een kuisch en ontwikkeld meisje is een daad,
-’t symbool van een innige zielsberoering. De kus van een man mist die
-wijding: het is een van die uitingen van pure zelfzucht die al zijn
-liefdedaden kenmerkt, hoe goedbedoeld ze ook wezen mogen. De vrouw die
-zich aan een man geeft, geeft daarmee alles. Ik bedoel hier de
-beschaafde vrouw, natuurlijk. En de man: die geeft niets, die neemt
-zijn genoegen.... Tsh!
-
-„Wat volgt hieruit?” Van Thiemen, die bij dat alles zijn rechterhand
-vooruit had gebracht met uitgespreide vingers, draaide zich na zijn
-plofsis op zijn eene hiel om, deed twee schreden, en kwam weer terug.
-Larsen had gezwegen.
-
-„Daaruit volgt dat een getrouwde vrouw die zich aan een ander dan haar
-man geeft daarmee een daad van verraad pleegt.... oneindig veel grooter
-dan de getrouwde man die zijn genoegen neemt bij een cocotte.
-
-„Nee, nee, laat me uitpraten.... Vertel jij me ’s even: kan jij je
-denken dat een vrouw—een beschaafde, ontwikkelde vrouw natuurlijk—zich
-een oogenblik vergeet met een huisknecht?”
-
-„Nee,” zei Larsen.
-
-„Zeker, ik ook niet. Dat zou in theorie gelijkstaan met zoo’n amoeretje
-van de man, waar ik ’t straks over had. ’t Spreekt van zelf dat ’t nog
-wat anders is, als de man een durende hartstocht voelt voor een vrouw,
-en daaraan toegeeft: dat is ook verraad. En toch.... Nu ja, laat dat
-daar voorloopig....
-
-„’t Is niet denkbaar dat een beschaafde vrouw zich overgeeft aan een
-man, en de volgende dag als ’t ware ’t heele geval vergeten is....
-Trouwens dat vergeten wordt soms vanzelf onmogelijk. Tsh! Bij een
-beschaafd man kan zoo iets zeer goed voorkomen. Zuivere
-dierlijkheid.... De man is meer dier dan de vrouw....”
-
-Larsen’s gelaat was éen vraagteeken.
-
-„Ja, ja, zeker: dit hangt samen met mijn vrouwenvereering. Ik zeg
-daarom niet dat de man lager staat dan de vrouw. Nee, ’t dier heeft ook
-z’n goeie eigenschappen. Maar in de liefde.... is de man een beest....
-een braaf beest soms, goed, een trouw beest soms, maar toch een beest;
-en de vrouw....” hij hield even op.
-
-„Een engel, zeg maar,” viel Larsen even glimlachend in.
-
-„Nee, niet precies, maar toch geeft dat mijn idee wel weer.”
-
-„Maar,” zei Larsen, „je sprak zoo even van daad van verraad. Als dan
-dat liefdeleven voor een vrouw zoo iets gewichtigs en verhevens is,
-pleegt ze dan verraad als ze zich in ’t huwelijk aan een ander man
-geeft, van wie ze werkelijk houdt?”
-
-„Ja, beslist.”
-
-„Maar die liefdedaad is dan toch even heilig in jou oog als die
-tegenover haar man? Ze is dan toch een nieuw leven begonnen?”
-
-„Als de daad alleen kan plaats hebben door bedrog? ’t Is wat moois! Ja,
-als een vrouw volkomen eerlijk blijft, dan is in die tweede liefde,—laat
-me ’t zoo noemen—geen kwaad. Maar dan moet ze haar man dadelijk ronduit
-haar hart blootleggen. Bekennen na eenmaal in bedrog en metterdaad
-toegegeven te hebben aan een nieuwe passie, mag beter zijn dan
-voortgezet bedrog—bedrog blijft het. En bekennen vóor ’t zoover is—wel,
-ik kan me daar eigenlijk niet in denken....”
-
-„Hoe zoo?”
-
-„Ik kan me niet begrijpen hoe een beschaafde vrouw in ’t huwelijk,
-vooral als er kinderen zijn, aan zulk een nieuwe passie voedsel wil
-geven. Mij dunkt, ze moet die uit een gevoel van zelf-respect, van
-fierheid bestrijden....”
-
-„Evenals een man.”
-
-„Evenals een man, als ’t een passie van beteekenis is. Bij een andere
-is geen overleg, geen inbeslagname van alle gedachten.... Nee, amice,
-een vrouw, die zich in ’t huwelijk aan een andere man geeft, is.... een
-hoer.”
-
-Larsen huiverde.
-
-„Dat is sterk,” zei hij.
-
-„Zeker: een vrouw die ’t hoogste wat ze heeft verlaagt, neerhaalt. Die
-van een heilige functie niets dan een genotsbevrediging maakt. Geloof
-me, m’n beste, hiermee staat en valt onze heele samenleving.
-Vrouwenvereering, eerbied voor ’t moederschap: onmogelijk zonder deze
-strenge onderscheiding. Wat hoogvereerd wordt moet streng geoordeeld
-worden. Lucifer was de Engel des Lichts, en na zijn val die der
-Duisternis. Tegenover hooge vereering—verachting.”
-
-„Dat is niet oorspronkelijk,” zei Larsen, die zijn literatuur wonderwel
-kende. „Dat is een van de dolheden van Echegaray’s drama’s. Maar....”
-Hij hield in, en verviel in gepeins.
-
-Van Thiemen lachte even, tikte zijn stompje sigaar in ’t aschbakje, en
-ging weer zitten.
-
-„En nog iets. De vrouw die haar man bedriegt, werpt een smet op ’t
-gezin, brengt de schande in huis.”
-
-„Woorden, mooiklinkende woorden,” mompelde Larsen.
-
-„Nee, amice, de nuchtere waarheid. Niet voor niets noemen de Arabieren
-hun vrouw hormah, d.i. „eer”, en de Hindoe’s grha, d.i. „huis”. De
-vrouw is de eer van ’t gezin, is éen met het gezin, éen met het huis,
-de man in veel mindere mate....”
-
-„Zoo.”
-
-„Zeker, ondanks al de nieuwerigheid van sommige vrouwenopvattingen. In
-’t huwelijk is de hoofdzaak van de vrouw het moederschap, de opvoeding
-van de kinderen. Ware samenwerking—coöperatie—in ’t huwelijk is: dat zij
-deze taak op zich neemt, de man die van ’t onderhoud. In de coöperatie
-is zij ’t voelende, innige, diepe element, hij ’t denkende,
-nuchter-leidende. Een vrouw die zich in ’t huwelijk misdraagt, schendt
-de gemeenschap, en beleedigt de kinderen, als die er zijn, al was ’t
-maar alleen door de kans op ’t binnensmokkelen van een vreemd
-liefdepand. De overspelige vrouw verzaakt haar heiligste plicht, ze kan
-hierin niet falen zonder de liefde voor haar echtgenoot op te geven, en
-als ze de schijn bewaart is ze een gemeene huichelaarster.”
-
-Larsen zette zijn linkervoet over de rechter, en trok hevig aan zijn
-sigaar.
-
-„Van een man,” ging de ander met een vluchtige blik op zijn vriend
-voort, „is ’t mogelijk dat hij zijn vrouw blijft liefhebben ondanks
-momentane aberratie....” Hij glimlachte even. „En bekent hij zijn fout,
-dan is haar vergiffenis een daad van edelmoedigheid. Een man die, na
-bekentenis van haar, vergeeft.... is een lammeling. Zij rijst door zulk
-een vergiffenis, hij daalt onherroepelijk....”
-
-„Vergeven, vergeven,” zei Larsen ongemakkelijk. „Je bedoelt
-vergeten....”
-
-„Nee, vergeven.... ten minste als je daaronder verstaat: doen alsof er
-niets gebeurd is, en verder weer gewoon doorleven....”
-
-„O, zoo.”
-
-„Daarom vind ik de moraal van „la Petite Paroisse” van Daudet ook
-misselijk.”
-
-„Hm, jawel, ik ken dat,” zei de literator-historicus. „De vergevende
-man wordt daar ook voorgesteld als.... als....”
-
-„Als een vrij geborneerd, dom wezen. Maar,” hervatte Van Thiemen, „we
-hebben nog niet gelet op een andere omstandigheid, die ’t verschil in
-schuld bij man en vrouw zoo enorm groot maakt. En die omstandigheid zal
-blijven zoolang we het patriarchaat in ons familieleven erkennen. De
-tijd dat de moeder ’t hoofd van ’t gezin wordt zal wel nooit komen. Dat
-zoo iets niet rijmbaar is met hooge beschaving bewijst wel het feit dat
-nog maar bij zeer enkele volken het matriarchaat voorkomt. Bij de
-dieren is ’t matriarchaat algemeen! Tsh!”
-
-„Hm, ja, natuurlijk.”
-
-„Zeker, daar zeg je ’t: natuurlijk. Wat „natuurlijk” is is vaak
-onbeschaafd. Beschaving is natuur-correctie. Maar ter zake: de
-omstandigheid die ik meen is deze: dat de man als naamgever en
-onderhouder per se vader is over de kinderen van zijn vrouw. ’t Is dan
-toch billijk, zou ik zeggen, dat hij de zekerheid heeft dat het ook
-tevens zijn kinderen zijn; en een hard gelag, dunkt me, om, wanneer hij
-’t weet, gedwongen te zijn een andermans kinderen niet alleen zijn naam
-te geven, en dus voor de wereld als de zijne te erkennen, maar ze op te
-voeden ook. En de wet wil dat.”
-
-„Nu ja, de wet!” bromde Larsen.
-
-„Ja, en dat kan nu eenmaal niet anders, Larsen; of althans zeer lastig.
-Nu goed, bij een vrouw kan van zulk een smadelijk gedwongen zijn
-tegenover haar mans „buitenbezittingen” nooit sprake wezen. Maar,
-amice,” ging hij voort, „ons gesprek wordt wel wat lang, en we zijn nog
-niet waar we wezen moeten.”
-
-Hij keek op zijn horloge: „Half twaalf! Wat dunkt je, blijf je
-koffiedrinken? Dan kunnen we straks op ons gemak verder praten.”
-
-„Goed. Stuur dan even een boodschap aan m’n vrouw.”
-
-„Zeker, zeker.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-„Komaan, voel je je wat opgewekter na die koffie?” vroeg Van Thiemen
-aan de lunch aan de tegenover hem zittende gast.
-
-De tafel was keurig van servies, kristal en spijzen. Ook in dit opzicht
-was de gastheer epicurist en man van smaak. Hij rekende zich niet tot
-hen die eten en drinken onder de bijzaken in ’t leven brengen: hij kwam
-er rond voor uit dat een goede maaltijd zijn waarde heeft, en dat hij
-er gaarne meer tijd aan besteedde dan de meeste andere harde werkers.
-Een hard werker wàs hij er niet minder om. Volgens hem kon geen frisch
-brein boven een verwaarloosde of met onverschilligheid verzorgde maag
-zetelen. „Men leeft ook om te eten” was een van zijn stelregels. Veel
-van ’t ongezonde in denkuitingen, die hij hoorde of las, schreef hij
-toe aan minachting voor maageischen, een hebbelijkheid die vooral bij
-„intellectueelen” nog al eens voorkomt.
-
-„Je koffie is goed,” zei Larsen, „beter dan de mijne.”
-
-„Dat geloof ik graag, deze is met zorg gezet. Koffie- en thee-zetten is
-een kunst. Ik drink liever geen van beide als ze slecht gezet zijn. Er
-zijn menschen die afschuwelijk vocht drinken, eenvoudig omdat ’t
-„koffietijd” of „theetijd” is, en ze te onbenullig zijn om er iets aan
-te veranderen. Ze drinken uit gewoonte op een bepaalde tijd van de dag,
-als koeien of paarden, zonder genot. Zoo doen ook veel lui met hun
-sigaren: pure gewoonte zonder genotsbesef: zes stinkstokken op een dag,
-jaar in jaar uit. Tsh!”
-
-„Maar,” zei Larsen, terwijl hij zijn kopje droomerig neerzette, „we
-moeten even terugkomen op die kwestie van zooeven....”
-
-„Best. Ga je gang.”
-
-„Ja.... de zaak is nu wat me te doen staat. We kunnen niet scheiden om
-een van die redenen. Wat dan?”
-
-„Je wil met alle geweld?”
-
-„O, natuurlijk.... ’t Moet....”
-
-Van Thiemen had willen vragen hoe ’t kwam dat nu op eens die
-onvereenigbaarheid van karakters tusschen Larsen en zijn vrouw ontdekt
-was, na zooveel jaren van „best opschieten”; maar hij hield zich in:
-als Larsen voor den dag woû komen met zijn reden, dan zou hij ’t wel
-uit zichzelf doen....
-
-„Als je vrouw niet wil.... moet je berusten in ’t onvermijdelijke.”
-
-„Berusten? Nooit! Onmogelijk, onmogelijk. Maar ze zal wel willen....”
-
-„In dat geval kan jij je laten beschuldigen van overspel,” zei Van
-Thiemen kalmpjes, en keek zijn vriend leuk aan.
-
-„Zoo, dat ’s ook wat moois! Op de keper beschouwd toch bedrog.... maar
-enfin, als ’t niet anders kan....”
-
-„Nee, dat is ’t eenige. Je vrouw dient een vordering in op grond van
-overspel....” Hij lachte even: „Jij overspel, ’t is wel ondenkbaar
-haast. Maar ’t komt meer voor: je weet dat is in onze kringen de gewone
-komedie bij echtscheiding: ’t is de korte radicale weg.”
-
-„Hm, ja, treurig genoeg. Maar.... de kinderen.... ’t kind?”
-
-„Dat wordt aan de eischeres toegewezen in zoo’n geval.... tenzij....”
-
-„Ja?”
-
-„Tenzij anders bepaald. Bijvoorbeeld zou je vrouw kunnen vragen het
-kind aan jou te laten.”
-
-„Of ze dat zou willen?” Larsen zuchtte zwaar.
-
-„Ja, als zij niet wil, dan moet jij je schikken....”
-
-„Ik zeg je immers dat zoo iets onmogelijk is....” viel Larsen kregelig
-in. „Als die overspel-komedie niet gaat, schiet ik me voor m’n kop....
-Of....”
-
-’t Beeld der kleine Didi kwam hem vóor de geest in al zijn zoete
-bekoring. De vader voelde een schok van zelfverwijt. Hij boog ’t hoofd
-met vochtige oogen.
-
-Van Thiemen zag ’t: zijn mooie trekken namen een bizonder sympathieke
-plooi aan. Hij besefte volkomen hoe daar in dat vaderhart gestreden en
-geleden werd.
-
-„Kom, kom, Larsen, daar meen je niets van....”
-
-Larsen keek op, zwijgend vragend, met iets hulpeloos in zijn blik.
-
-„Er blijft je dan nog éen ding: niet wettelijke, maar feitelijke
-scheiding....”
-
-„Ervandoor gaan.... met m’n kind.” Er was bittere spot in Larsen’s
-toon. „’t Is waardig!”
-
-„Ja, kerel, aux grands maux les grands remèdes. Als jij nu eenmaal
-vindt dat.... ’t andere veel erger voor je wezen zou....”
-
-„O zeker.... Nu goed,” ging Larsen na een wijle zwijgens voort. „Ik
-weet nu waaraan ik me te houden heb. Ofschoon.... ofschoon.... ik
-heusch niet weet wat ik doen moet....”
-
-„Slaap er nog ’s op....” antwoordde de ander, en nam een peer.
-
-„’t Ellendige is dat onze verhouding.... thuis onuitstaanbaar is, een
-onmogelijke positie voor ons allebeî.... voor ons alle drie. Arme
-Didi!”
-
-„Och kom, voor haar is ’t nog ’t minst, al begrijp ik ook je
-medelijden. Voor jou is ’t een nare geschiedenis.”
-
-Beide vrienden praatten nog een poos door, de gastheer kalm, maar toch
-spraakzaam en met warme belangstelling, de gast somber en zenuwachtig,
-met korte zinnen, afgewisseld door bromgeluiden.
-
-Ondanks al zijn pogingen om Larsen tot meerdere openhartigheid te
-krijgen, wilde dit den ander maar steeds niet lukken. Eindelijk ’t
-opgevende, vond hij ’t toch noodig zijn vriend te wijzen op ’t
-onzinnige van verder verzwijgen der ware toedracht van zaken. Hij moest
-hem dan maar ronduit verklaren alles te begrijpen—zoo redde hij
-Larsen’s gevoeligheid:
-
-„Zeg ’s, amice,” begon Van Thiemen op eens, na over veel anders
-gesproken te hebben, „dat gaat zoo niet. We komen zoo geen stap verder.
-Je komt hier om raad, en ’t lijkt wel of ik je aanraad ervandoor te
-gaan als een roover.... Wil ik je ’s wat zeggen? Maar dan niet boos
-worden, hoor....”
-
-„Nee....”
-
-„Waarom zou je je vrouw sparen?”
-
-„?” Larsen kleurde.
-
-„Kom, wees oprecht! Kom er maar voor uit. Dacht je dan dat ik niet al
-lang begrepen had hoe de vork in de steel zit?”
-
-„Zoo, nee....” stamelde de ander ongemakkelijk.
-
-„Je kunt mij toch niet wijs maken dat zoo’n incompatibilité in eens
-ontdekt wordt? Kom, Larsen, je vrouw is niet waard dat jij je om haar
-zou opofferen....”
-
-„Zeker, opofferen.... Maar laten we opstappen, en wat in de tuin gaan
-wandelen. Nog een sigaar? Dit is wat fijns.”
-
-Rookende liepen beide vrienden eenige minuten later in Van Thiemen’s
-groote tuin. ’t Was een mooie herfstmiddag, vol opwekkende geuren. In
-’t achterdeel, waar hooge struiken stonden, vonden de pratenden een
-zonnig en toch vrij wandelpad.
-
-„Ik vin’ dat je in een geval als ’t joue,” begon Van Thiemen weer,
-„handelend moet optreden.... tegen je vrouw.”
-
-„In een geval als ’t mijne? Je kent ’t niet....”
-
-„O zeker, ik vermoed ’t, en dat is hier even goed. Je vrouw heeft je
-bedrogen, en daar ben je nu achtergekomen.”
-
-Larsen zweeg.
-
-„Ik wil geen kwaadstoken.... ik beoog alleen jou belang, kerel. Je
-vrouw heeft je hoogstwaarschijnlijk meer dan eens bedrogen, met....
-meer dan éen....”
-
-„Nee, dat geloof ik niet....” viel Larsen hevig uit.
-
-„Natuurlijk, beste kerels als jij gelooven zoo iets nooit, als ze veel
-van hun vrouw houen! En er zijn er die nog blinder zijn dan jij. De
-buitenwereld ziet beter en merkt meer op....”
-
-„Je wil toch niet zeggen dat mijn vrouw....”
-
-„In mijn oog nooit erg „zwaar gewogen” heeft, ja, zeker wil ik dat
-zeggen. En dat je nu van haar af kunt moet je als een geluk
-beschouwen....”
-
-„Als een geluk!”
-
-„Vin’ jij in de rol van „koekoek” zooveel aantrekkelijks? Maar ik zeg
-je dat je van haar af kunt, omdat ik veronderstel dat je bewijzen hebt:
-anders zou jij zoo niet optreden.”
-
-„Ja.... die heb ik.... éen ten minste....”
-
-„Welk? Wat is dat?”
-
-„Een brief.... O, je weet niet hoe ellendig ik ’t vin’ hierover te
-spreken....”
-
-„Och, larie! Jou rust en geluk gaan voor. Nog eens: je vrouw is niet
-waard dat je haar zoo ontziet...”
-
-„Och, Van Thiemen, je weet niet wat ’t is! Jij kent dat zoo niet....
-Een vrouw met wie je dertien jaar samen bent geweest is een deel van
-jezelf geworden.... je eigen vleesch en bloed.... je eigen hart....”
-
-„Arme bl....” mompelde Van Thiemen. „En toch.... je moet van haar af.
-Die brief.... heb je die behoorlijk weggesloten?”
-
-„Ja, zeker.... Maar, waarom....”
-
-„Wel, m’n waarde, die vrouw van je is slim, slim genoeg om.... je de
-bewijzen afhandig te maken.... Tsh!”
-
-„Kom.”
-
-„Nou, pas maar op. Maar ter zake. Jij produceert eenvoudig je bewijs,
-en deelt haar mee wat je doen zult. Dan raad je haar in gemoede toe te
-geven, en eenvoudig niet te verschijnen. Dan wordt zij bij verstek
-veroordeeld, en jij blijft vrij man....”
-
-„Maar de schande.... zoo te verschijnen en m’n vrouw te
-beschuldigen.... zoo’n rechtszitting.... en....”
-
-„Och, je stelt je de zaak veel te verschrikkelijk voor! Zoo’n
-rechtszitting is immers niet publiek: en dan die beschuldiging: die
-doet je advocaat in zijn eisch; jij zit er eenvoudig bij en beaamt.
-Verder wordt je echtscheiding in twee bladen bekend gemaakt, maar
-daarvoor kan men, als je vrouw bijvoorbeeld Amsterdam tot domicilie
-kiest, twee bladen nemen die in onze kringen niet gelezen worden;
-bovendien blijkt uit die bekendmaking niet—hoeft er althans niet uit te
-blijken—wie van de partijen eischer is....”
-
-„Zoo, weet je dat zeker?”
-
-„Natuurlijk. Nee, stel je maar gerust: niemand hoeft achter de ware
-toedracht van de zaak te komen. En vermoeden.... wel, laten ze
-vermoeden wat ze willen.... Als jij er van door ging met je kind, zou
-jou vrouw er wel voor zorgen dat de wereld jou afviel, wees daar zeker
-van. En dan je betrekking.... Maar, zeg ’s, die brief, is dat een
-deugdelijk bewijs?....”
-
-„Evengoed alsof zij ’t me met ronde woorden gezegd had....” zei Larsen
-bitter.
-
-„Een brief van....”
-
-„Van.... iemand anders.”
-
-„O, ja.... Al oud?”
-
-„Vijf jaar....”
-
-„Je moet dat document bij mij deponeeren: hier is ’t veiliger. Dan kan
-ik ’t ook ’s inzien....”
-
-Larsen kromp ineen.
-
-„Goed,” mompelde hij.
-
-„Zal ik ook ’s met je vrouw spreken? Je weet, ik heb er nog al slag van
-met vrouwen om te gaan....”
-
-„Zou je denken dat het wat gaf?.... En dat ze zou willen....”
-
-„Och, zeg haar maar dat ik haar goeie raad zal geven.... in haar eigen
-belang....”
-
-„Maar dan ook zeggen dat je alles weet?”
-
-„Nee, nog niet.... Ik zal haar wel verrassen, en in ’t nauw
-brengen....”
-
-„Weinig ridderlijk—neem me niet kwalijk. Maar....”
-
-„Och, wat ridderlijk!.... De vrouw is niet een heilige omdat ze vrouw
-is.... dat is onzin uit de middeleeuwen. Een eerbare vrouw komt heel
-dicht bij een heilige—je kent mijn opvatting—maar ’n.... ’n....” Hij
-hield zich in. „Een die jou bedriegt, zoo’n trouwe goeie kerel als jij,
-nee, hoor, die verdient geen ontzien....” Van Thiemen had zich allengs
-opgewonden.
-
-„Ik begrijp niet hoe jij zoo spreken kunt....” viel Larsen ontwijkend
-in. „Jij behoorde tot onze intiemen, en scheen toch altijd sympathie
-voor mijn vrouw te hebben.”
-
-„Och, wat zal ik je zeggen? Van sympathie was in de laatste jaren geen
-sprake meer....”
-
-„?”
-
-„Nee, ’t was geen sympathie.... Ik heb die wel vroeger voor haar gehad.
-Ze was jou vrouw. Ik wist dat jij haar lief hadt.... en....”
-
-„O, kerel....”
-
-„Ja, dat was voor mij al veel. Later toen ik haar begon te doorzien....
-veranderde dat. Eindelijk had ik vrij wel zekerheid.... en toen....”
-
-„Zekerheid.... en je liet mij in mijn waan!”.... viel Larsen heftig in.
-
-„Ik kòn niet anders! Die zekerheid was mijn zekerheid, niet die van een
-jurist in mij, maar van de mensch, van een vriend ook....”
-
-„Een vriend....! Dus je wist dat ik bedrogen werd?”
-
-„Ja, ik wist het al lang.... En, zooals ik zei: ik geloof meer dan
-eens, en.... met verschillenden....”
-
-Larsen zweeg somber.
-
-„Maar mijn bewijzen waren bewijzen waar jij en de rechter niets aan
-hebben zouden.”
-
-„Hm.”
-
-„Jij, omdat je me toch niet gelooven zoudt. Niemand die een vrouw
-waarlijk liefheeft—en dat deedt jij, dat wist ik—gelooft zoo iets maar
-voetstoots. En.... liefde gaat boven vriendschap. Wij hadden de
-hevigste onaangenaamheden gekregen, en ’t had toch niets gegeven. Je
-hadt mij afgezworen—en wat nog erger is—je hadt je rust en daarmee je
-geluk verloren....”
-
-„Een schijngeluk!”
-
-„Nou ja, alle geluk is schijn, verbeelding. Voelde jij je
-eergisteren—laten we zeggen eergisteren—volkomen gelukkig, of soms
-niet?”
-
-„Volkomen....”
-
-„Nu weet je.... je illuzie is weg, en je bent genezen.... of nee, laat
-me uitspreken, ik meen: nu ben je op de goeie weg om te genezen.”
-
-Larsen stiet een kreunende zucht uit.
-
-„Ik wachtte op ’t oogenblik dat je zelf zoudt zien, zelf en daarmee
-overtuigend helder. Nu màg je niet langer aarzelen.”
-
-Alle tegenstand was gebroken. Hulpeloos boog Larsen ’t hoofd: zijn wil
-onderwierp zich schreiend aan de wreede logica van zijn vriend.
-
-„Adieu!” zei hij, na eenige oogenblikken zwijgend voortstappen naast
-Van Thiemen. „Ik moet weg. Ik zal denken aan wat je me geraden hebt.”
-
-„Afgesproken. Beschik over mij, hoor.”
-
-De vrienden wandelden naar de voordeur, en na een hartelijke handdruk,
-scheidden ze voor die dag.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Larsen spoedde zich huiswaarts langs de stille straten. Hij zag of
-hoorde niets om zich heen. Het bezoek aan zijn vriend had hem niet
-voldaan, en toch, hoe onrustig hij zich ook voelde, er was meer orde in
-zijn denken dan enkele uren te voren, en hij zag duidelijker een uitweg
-uit de doolhof zijner ellende.
-
-Haastig liep hij zijn gang door, de trap op. Hij wilde Paula spreken,
-zoo spoedig mogelijk. Er moest een beslissing komen, hoe dan ook, zoo
-mogelijk vandaag nog. Paula moest weten waar ’t op stond. Ja, Van
-Thiemen’s raad was wel goed: hij zou haar zeggen vandaag nog bij hem
-aan te gaan, om raad en inlichting. Dat was beter zoo dan lange
-uitleggingen van hemzelf—hij deugde er niet voor, trouwens; en ’t was
-hem zoo pijnlijk. Hij zou niet meer dan ’t allernoodigste zeggen; haar
-naar zijn vriend verwijzen—die was te vertrouwen, volkomen, die kende
-beide goed, die meende ’t goed met beiden....
-
-Nu ja, humaan wàs Van Thiemen, al.... had hij geen sympathie meer voor
-haar. De oppervlakkige beleefdheid en aangename manieren waarmee de
-jurist haar steeds bejegend had, zijn bizondere takt om met vrouwen om
-te gaan, zijn innemend uiterlijk en oprechte bewondering voor haar
-uiterlijke verschijning namen immers voldoende de plaats in van die....
-sympathie....
-
-Paula was misschien in de voorkamer. Ze zat daar nogal eens in de
-namiddag, ontving er haar kennissen en vriendinnen, of zat er te lezen.
-
-Hij stiet de deur van ’t vertrek open, en trad binnen. Paula was er
-niet. De piano stond open. Een muziekboek stond opengeslagen op de
-lezenaar. Onwillekeurig wierp hij een blik op de noten: de Washington
-post van de Souza.... Dat had ze gisterenavond niet gespeeld.
-
-Een vreemde gewaarwording trilde door hem heen, deed hem zijn
-wenkbrauwen fronsen.
-
-Hij trad weer naar de deur en ging de trap op, onzeker waar hij heen
-zou gaan. Misschien zou hij Paula boven vinden, in zijn studeerkamer.
-Een naar vermoeden bekroop hem. Och, onzin! Waar dacht hij aan?
-
-Daar trof hem ’t geluid van zingen. Wie was dat? De meid? Nee,
-onmogelijk.... ’t Kwam van boven, van de verdieping waar de slaapkamers
-waren, en ’t was nu geen bedden-opmaken—anders de geliefde zang-periode
-der „kamermeid”. Didi was naar school. Pietje, de eene gedienstige,
-kwam net de trap op, uit de keuken op weg naar boven, een paar
-badhanddoeken over de eene arm geslagen.
-
-„Zeg ’s Pietje.... waar is Mevrouw?” vroeg de huisheer aarzelend.
-
-„O, boven in de badkamer.... Meneer. Mevrouw heeft me juist om een paar
-handdoeken gevraagd.”
-
-In de badkamer! Om twee uur in de namiddag.... Och, ’t is waar, ze deed
-dat meer. Paula baadde op elk uur van de dag en van de nacht, als ze
-daar trek in had, soms twee maal in de vier en twintig uren. Paula was
-meer dan zindelijk: baden was haar een ware wellust. Trouwens, de
-badkamer had er al het weelderige voor: daar te baden wàs een genot....
-En, zeer merkwaardig en onbegrijpelijk voor een natuur als die van
-Larsen, ze baadde vaak niet uit dwang tot reinheid of zucht tot genot:
-neen, uit pure vroolijkheid, als uiting van overvloeiende levenslust.
-Geen wonder dat ze dan zong, kwinkeleerend als een kanarievogel, die
-zijn veertjes gepoedeld heeft.
-
-Larsen moest dus wachten. Toch ging hij de trap op.
-
-Hij stapte voorbij de badkamer. Paula scheen het te merken, want het
-zingen hield even op. Daarna hervatte zij het. Lustiger dan te voren,
-meende Larsen te bespeuren. Onwillekeurig wierp hij een blik naar de
-matglazen deur, als kon hij er door heen kijken. Een flauwe geur drong
-naar buiten in zijn reukorgaan. Hij verhaastte zijn stap, en ging naar
-zijn studeerkamer. Daar wierp hij zich op de sofa, vreemd te moede. Als
-Paula klaar was, kwam ze misschien wel bij hem.... Dat kon niet lang
-meer duren: als ’t zingen begonnen was, duurde ’t gewoonlijk niet
-langer dan een kwartier.
-
-In zijn verbeelding zag hij haar vóor zich, zooals hij haar dien avond
-gezien had, nog kort geleden—nauw een week—frisscher en begeerlijker
-dan ooit, de loshangende weelderige zwarte haren over haar donkerroode
-kimóno, ’t Japansche kleed, dat ze altijd droeg als ze uit de badkamer
-kwam. Hij was haar toen gevolgd naar haar slaapkamer... Een lichte
-huivering voer door zijn leden bij de herinnering aan dat uur. Wat was
-hij verliefd geweest, en zij verleidelijk, dartel, beroezender dan
-ooit!
-
-Hij stond op met een ruk; en ’t was of hij iets van zich af wierp. Zijn
-wenkbrauwen waren gefronst, zijn gelaat vertrokken—oud, wonderoud voor
-zijn jaren—zijn eene vuist balde zich. Hij deed een paar schreden. Daar
-viel zijn oog op Paula’s portret boven zijn schrijftafel—als bruid. Hij
-wendde zich om.
-
-„Mijn God, mijn God,” mompelde hij.
-
-Dan zette hij zich weer op de sofa en verzonk in dof gemijmer.
-
-Hij hoefde niet lang te wachten, veel korter dan hij gedacht had.
-
-„Zoo, ben jij hier?” klonk het opeens aan de deur der studeerkamer.
-
-„Paula!” Daar stond de welbekende verschijning, juist zooals een week
-geleden, die eene avond.
-
-„Ja, ik hoorde je thuiskomen,” zei ze onverschillig, en wierp achteloos
-een hoeveelheid haar naar achteren.
-
-Dadelijk trof hem haar toon. Er was iets kouds, iets gewild brutaals
-in, dat hem, als geheel nieuw in haar, met verwondering vervulde.
-
-Ze keek even rond, op hoogst ongedwongen wijze. Toen snoof ze met een
-vies gezichtje even hoorbaar:
-
-„Heb je hier gerookt? ’t Ruikt hier afschuwelijk!”
-
-Een en al verbazing keek Larsen haar aan. Wat bezielde haar?
-
-„Ik heb niet gerookt.... vandaag ten minste niet... gisteren misschien.
-Als je wil, zullen we naar beneden gaan. Ik woû met je spreken.”
-
-„Je wil me altijd spreken tegenwoordig. Maar goed, deze keer wil ik jou
-ook wel ’s spreken....”
-
-Meteen zette zij zich op een stoel bij zijn schrijfbureau.
-
-Larsen dacht onwillekeurig aan zijn bewijsstuk, tastte even in zijn
-vestzakje, en overtuigde zich dat het sleuteltje van zijn laadje er nog
-zat.
-
-„Je bent zoo bij je boezemvriend geweest,” hervatte de gestalte in
-kimóno, terwijl ze het rechterbeen over ’t linker sloeg. Een mooi
-geborduurd muiltje bengelde aan haar rozenteentjes, en liet zoo de rest
-van den eenen kleinen voet bloot.
-
-„En,” ging ze voort, „je hebt er zeker heel wat afgepraat. Toe, vertel
-’s.”
-
-Larsen zag haar vreemd aan.
-
-„Ik woû dat je niet zoo suf keek, zeg,” zei Paula weer. „Is er iets
-bizonders aan me? Je hebt me zoo wel meer gezien, geloof ik....”
-
-„Dat is ’t niet....” antwoordde Larsen.... „We spreken over ernstige
-zaken, Paula.” Er was iets strengs in zijn woorden, dat zijn vrouw deed
-glimlachen.
-
-„O zeker, best. Ik wil ook heel, heel ernstig zijn. Maar, komaan,
-vertel ’s op. Van Thiemen heeft gezegd dat je van me af moest zien te
-komen, niet?”
-
-„Paula, wat scheel je? Waarom sla je zoo’n onverschillige losse toon
-aan?”
-
-„Ik? Och, verbeelding! Zeur nou maar niet. Antwoord me maar.”
-
-Larsen haalde de schouders op. Waarom zou hij ook dit maar niet
-verdragen—als de zaak maar spoedig tot een eind kwam?
-
-„Ik heb niets beslist....” begon hij.
-
-„Och kom.... die is ook leuk! En gisterenavond was je zoo zeker.”
-
-„O, omtrent dat eene.... nu nòg.... Ik bedoel de manier waarop....”
-
-„Zoo, en die weet je dus nog niet?”
-
-„Nee.” Larsen sprak kalm, schoon inwendig zich ergerend over haar voor
-hem onverklaarbare overmoedige houding. „Ik heb me alleen wat op de
-hoogte gesteld van de wet. Hij heeft me goeie raad gegeven....”
-
-„Dat begrijp ik, ha, ha!”
-
-„Ja, en hij acht het wenschelijk dat jij ook ’s met hem spreekt....
-of.... hij wil ook wel hier komen, bij jou....”
-
-„Zeker, ’t is een charmant mensch....”
-
-„Ik zou het maar doen.... als ik jou was....”
-
-„En,” ging Paula voort, zonder op die laatste woorden te letten, en ze
-zocht iets in de ruime plooien van haar kimóno, op haar borst. „En heb
-je hier niet over gesproken?” Lachend keek ze hem aan. Om haar mond
-danste een ironietje als een satertje.
-
-Hij zag iets in haar hand, dat ze heen en weer bewoog.
-
-Ze zat een vijftal schreden van hem af.
-
-„Wat is dat?” vroeg Larsen geheel de kluts kwijt.
-
-Paula sloeg een in vieren gevouwen papier open, en liet hem de
-beschreven kant zien.
-
-„Wat dit is? Herken je ’t niet? ’t Briefje van Rudolf.”
-
-Larsen sprong op.
-
-„Hoe kom je dáaraan?” Hij deed een schrede naar haar toe.
-
-„Wel, uit je laadje. Zie ’t goed? Daar gaat het.” Meteen, met vlugge
-vingertjes, verscheurde zij ’t document in kleine stukjes—rits, rits,
-rits.
-
-„Daar!” riep ze triomfantelijk. „Veeg nu maar op, en zie dat je ’t weer
-bij elkaar krijgt.”
-
-Een regen van witte stukjes papier viel voor Larsen’s voeten, naast en
-om hem heen.
-
-Bleek van schrik staarde hij naar ’t vlug afgespeelde tooneel vóor hem.
-Dan trad hij op haar toe, vlammen in zijn oogen.
-
-„Dat ’s een lage streek!” riep hij. „Daartoe achtte ik je niet in
-staat....”
-
-„Och kom, heusch niet? Ik jou ook niet tot zooveel hartstocht. Komaan,
-nou raak je ’s los: dat mag ik zien.”
-
-Nog steeds zat Paula schijnbaar kalm. Doch uit de schittering harer
-donkere oogen sprak meer dan louter leedvermaak. Inwendig bruiste en
-kookte het in haar.
-
-„Ga heen!” riep Larsen buiten zichzelven. „Ik wil je niet meer zien!
-Een vrouw die in staat is tot.... tot zulk bedrog.... zooveel valsch
-berouw.... zoo’n huichelaarster.... Ik heb niets geen medelijden meer
-met je.... Ga heen!”
-
-„Medelijden? Heb ik niet van je noodig.... heb ik trouwens nooit van je
-gehad. En dat huichelaarster.... Weet je wel, mijn waarde echtgenoot,
-dat je daaraan jaren van geluk te danken hebt?”
-
-Larsen begreep er niets meer van.
-
-„Geluk van jou soort ten minste....” Ze lachte schril. „Van ’t mijne
-niet versta je? Van ’t mijne niet! Ik heb niet gehuicheld om mijn eigen
-pleizier.”
-
-Paula stond op. Met een sierlijke zwaai wierp ze een loshangend deel
-der kimóno over de linker schouder en kruiste haar armen, uitdagend en
-minachtend. Strak keek ze hem aan.
-
-„Als ik jaren geleden, kort na ons huwelijk, toen ik inzag wat ’n
-sufkop je was, dadelijk me getoond had zooals ik was, mijn afkeer voor
-je getoond had.... was dat misschien beter geweest voor mijn geluk....”
-
-„Voor ’t mijne misschien ook....” zei Larsen somber.
-
-„Voor ’t jouwe? Als jij minder egoïst was geweest, hadden we beiden
-gelukkig kunnen zijn.”
-
-„Ik heb alles voor je gedaan wat ik kon.... al die jaren.”
-
-„Dat lieg je! Of dacht je dat een vrouw—een vrouw zooals ik, versta je,
-een vrouw met een hart, met zenuwen, met gevoel, geen houten automaat
-zooals jij er een zou wezen als je vrouw was—dacht je dat een vrouw als
-ik genoeg had aan een goed leven: goed eten en drinken en mooie
-kleeren?”
-
-„Ik heb je altijd liefgehad....”
-
-„Liefgehad! Ik heb wat gehad aan jou liefde! Een morgenzoen en een
-avondzoen, en een liefkozing die ik dulden moest wanneer mijn heer en
-meester ’t voor zijn gezondheid noodig achtte.... Bah, wat ’n komedie!”
-
-Paula’s bewegelijk gezicht vertoonde walg: ’t Kleine neusje trilde en
-haar vleezige lippen puilden vooruit.
-
-„Ik was voor jou niets dan een objet à plaisir—een maîtresse die je
-betaalt, die je wegschopt als je genoeg van haar hebt.”
-
-„Paula!”
-
-„Nou ja. Wegschoppen deê je niet. Moreel kwam ’t op ’t zelfde neer. Als
-je me niet noodig hadt, keek je niet naar me om.”
-
-„Ik die dagelijks genoot van je gezelschap....”
-
-„Ja, als je geen pleizier meer in je boeken hadt.... En dan nòg! Je zat
-bij me en verveelde me. O, mijn God, die dagen, die jaren van
-verveling! Ik vrat me op!.... En daar merkte jij niets van. Niets,
-niets! Je hadt je boeken, je studie was je alles, je vrouw bijzaak....”
-
-Larsen dacht aan ’t bekende woord: de wetenschap is een jaloersche
-minnares: ze wil de heele mensch. En toch bij hem was zijn liefde voor
-Paula en zijn studie, zijn eerzucht, alles éen geweest. Zijn liefde
-deed hem ’t leven liefhebben, staalde zijn werkkracht, prikkelde zijn
-eerzucht. Haar verwijten sneden hem door de ziel. Maar hij zweeg,
-tevergeefs trachtend die vrouw, die hem een raadsel was, te begrijpen.
-Hij had haar nooit begrepen. Zou hij ’t thans eindelijk beseffen?
-
-„’t Begon al op onze huwelijksreis,” ging Paula hartstochtelijk voort.
-„Ik kan er nauwelijks aan denken. God, wat een tijd! ’t Was een hel. En
-jij dacht dat ’t een hemel vol zaligheid was! Voor mij ook!” Ze lachte
-bitter.
-
-„Toen heb ik gehuicheld. Zeker dat heb ik, en ik heb er voldoening van.
-Ik achtte het mijn plicht. Ik deed mijn hart dat bersten wou, mijn wil
-die in opstand kwam, geweld aan. Ik overwon mezelf. En jij? Wat deê jij
-ooit dan toegeven aan jezelf? Heb jij je ooit moeite gegeven om anders
-te zijn? Anders te zijn om mij, om mij alleen? Geloof jij dat het ideaal
-van liefde tegenover een vrouw maar daarin bestaat dat je je geeft
-zooals je bent? Altijd dezelfde lodderige, vervelende, aangapende
-vereering? Een vrouw is geen godheid zonder hartstochten. Jou
-Newfoundlander’s verliefdheid wàs geen liefde, niet waaraan een vrouw
-behoefte heeft. Wat kan ’t me schelen of je me vereert en heel diep in
-je hart liefhebt? Ik wil die vereering niet! Ik wou warmte, gloed,
-passie, je gaf me vereering!.... En je was zoo degelijk, zoo
-in-degelijk. Ik spuug op jou degelijkheid, jou ellendige zelfzuchtige
-degelijkheid! Wat geeft het mij of ik weet dat je me degelijk, inwendig
-lief hebt? Als ik er niets van zag, niets van voelde? Van een vuur wil
-je vlammen zien, wil je de vonken zien schitteren, je wil er de warmte
-van voelen. Hu, ik heb koû geleden al die tijd! Jou ijsbeerennatuur
-straalde niets dan koû af.... Je hebt je eigen ongeluk bewerkt. Al was
-er ook niets dan koelheid in je aard, had dan wat warmte gehuicheld.
-Een enkel woord van warmte om mij, een liefkozing om mij had me tot je
-gebracht. Je hebt me afgestooten, voortdurend. Liefde is illuzie, je
-deedt niets om die illuzie te doen leven.... En toen ik een man zag die
-me begreep—die wist wat een vrouwenhart wil, toen die altijd om en bij
-me was.... toen heb ik me gegeven.... omdat ik niet anders kon. Ik was
-krankzinnig geworden anders.”
-
-Zij hijgde. Tartend boog ze naar hem over, haar gelaat vlak bij ’t
-zijne. „En ik zou ’t weer doen, tienmaal, honderdmaal over. En ik
-geniet er nu van ’t jou in je gezicht te slingeren. Hoor je ’t?! En ik
-heb meer gedaan, na wat jij en de wereld mijn val zouen noemen. Ik heb
-méer amants gehad....”
-
-Larsen trad achteruit.
-
-„Dat is niet waar!” kreet hij verbijsterd. „Je zegt dat alleen om mij
-te beleedigen.”
-
-„Niet waar! Wil je namen?”
-
-„Hoû je mond....” viel Larsen in. „Ik wil ’t niet weten. Ik kan je
-niet.... niet meer verachten dan ik nu al doe....”
-
-„Je zult me verachten! Je zult je ergeren tot je me verafschuwt!
-Gerards is mijn vriend geweest.... en Van Breehorst, en.... nu kort
-geleden Steeman. Wat kon ’t mij schelen? Toen ik eenmaal ’t met jou
-opgegeven had.... ik moest toch iets hebben aan mijn jonge leven!” Ze
-zweeg even. Haar neusvleugels trilden, haar wangen gloeiden, haar oogen
-vonkten: ’t heele gelaat had iets sculpturaal sprekends.
-
-Larsen, die onbewegelijk met de handen op de rug stond, was onder de
-ban harer wilde schoonheid.
-
-„En nu wil je van me af, nie’ waar? ’t Zal je niet lukken, mijn baasje.
-Ik blijf bij je en je zult me dulden, versta je? En ik zal je
-behandelen of ik je niet kende. Je zult me niet meer aanraken, en je
-zult je cocu-rol die je zelf....”
-
-’t Werd Larsen te machtig. ’t Bloed steeg hem naar ’t hoofd.
-
-„Zwijg, vrouw,” riep hij heesch van woede. „Ga heen, of....” En wat hem
-zelf later onbegrijpelijk voorkwam, hij greep haar bij een arm. Had zij
-meegegeven, dan had ’t hem met zijn stoere kracht weinig moeite gekost
-haar de kamer uit te duwen. Doch nauwelijks had hij zijn hand op haar
-kleed gelegd, of hij wankelde, en ’t dwarrelde een oogenblik vóor zijn
-oogen.
-
-Ze had hem met volle kracht vlak in ’t gezicht geslagen.
-
-Al de verkropte woede van de ondergane vernedering van den vorigen
-avond, aangewakkerd door ’t juist afgespeelde tooneel tusschen hen, was
-op eens opgevlamd in lichte laaie.
-
-Toen hij bijkwam, lag zij voorover op de grond te snikken.
-
-Larsen’s verontwaardiging was als bij tooverslag geweken. En zijn
-gevoelig hart kreeg, ondanks alles, de overhand: hij had deernis met
-die vrouw. Ze moest wel diep rampzalig wezen.... Hij die zelf bijna
-nooit uiting gaf aan opwellingen of hevige aandoeningen, de schijnbaar
-hartstochtelooze kon geen zwakke zien schreien, zonder dat ’t schrijnde
-in zijn ziel: geen kind, geen vrouw, en hier was ’t zijn pas verloren
-afgod, zijn Paula.
-
-’t Snikken duurde voort, stuipachtig, wanhopig snikken, dat haar
-gansche lichaam deed schokken en trillen.
-
-Wat moest hij doen, wat kon hij zeggen?
-
-Troostwoorden, opbeuring—’t leek hem dwaas na wat er juist was
-voorgevallen. En dan, hij voelde zich verbijsterd, verward, oneens met
-zichzelf, verlegen tegenover deze vrouw, die hij nooit zóo gezien had,
-die zich daar aan hem geopenbaard had in zulk een nooit gekende
-gedaante. Dat was zijn Paula niet, de Paula van zijn droomen, van zijn
-vereering. En weer bleek de waarheid van ’t bekende gezegde: dat men
-niet het beminde voorwerp zelf liefheeft, maar een denkbeeldig wezen,
-’t beeld dat de ziel van ’t beminnend individu er zich van vormt.
-
-Zijn onmacht om hier iets ten goede uit te richten inziende, trad
-Larsen naar de deur, ging het vertrek uit, en sloot de deur weer achter
-zich.
-
-Hij voelde zich als een slaapdronkene. ’t Was alles vaag om en in hem.
-Hij moest de straat op, in de frissche lucht. In huis zou hij
-ontmoetingen moeten dulden, met Didi, met de meiden.... Buiten zou hij
-al wandelend wellicht tot kalmte komen; in staat wezen het
-voorgevallene bedaard na te gaan, een besluit kunnen nemen.... Of zou
-hij Van Thiemen....? Neen, nu niet: hij wilde alleen zijn met zijn
-gedachten. Later, vanavond misschien nog zou hij naar hem toe gaan,
-zijn oordeel vragen in de veranderde omstandigheden.
-
-In de gang beneden keek hij op de hangklok: half drie! Hemel, een half
-uur was er verstreken sinds zijn thuiskomst van Van Thiemen, en hoe
-verschillend was zijn toestand nu vergeleken met dertig minuten
-tevoren! Toen scheen er wat licht te gloren in de duisternis van zijn
-ellende, thans was alles weer nacht, troostlooze, ondoordringbaar
-donkere nacht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-„Mevrouw, d’r is visite!” klonk het van den overloop.
-
-„Nu nog?” was ’t wederwoord uit Mevrouw’s toiletkamer. „’t Is half
-vijf!”
-
-„Nog niet, Mevrouw,” riep Pietje buiten. „Mag ik binnenkomen?”
-
-„Ga je gang.” Pietje de blozende kamermeid, koket en keurig gekleed,
-betrad Mevrouw’s heiligdom. Ze was Paula’s lieveling en wist het. Vol
-bewondering voor de bevalligheden harer meesteres, haar mooie japonnen
-en kunstvol kapsel, haar odeurs en waschwatertjes, maakte deze
-wetenschap de dienstbare toch niet al te vrij in haar omgang, en
-botsingen tusschen beide waren zeldzaam. Behalve de functiën van
-kamermeid nam Pietje ook die van kamenier waar.
-
-„Wie is ’t?” vroeg Paula met beide handen bezig haar weelderig haar de
-laatste toetsen te geven. De groote „psyche” weerkaatste haar gansche
-gestalte.
-
-Een paar uren lagen tusschen het woeste tooneel met Larsen en nu, en
-sinds een uur was zij aan haar toilet. De huilbui had een kwartier
-geduurd, en daarna was ze zich weer bewust geworden van de gewichtige
-zorgen die haar wachtten: kleeden met al wat daarbij hoort.
-
-Op haar vraag antwoordde Pietje:
-
-„Mevrouw Ennery. Ik heb maar gezegd dat u gauw zou komen. Ze wacht in
-de voorkamer.”
-
-„O, Margot!” zei Paula verheugd. ’t Bezoek was haar hoogst welkom, gaf
-haar de afleiding die ze verlangde.
-
-Margot Ennery was een oude schoolvriendin, iets jonger dan zij, thans
-weduwe van een rijke koffieplanter in Indië. ’t Was haar intima, voor
-zoover dit bij een vrouw als Paula mogelijk was.
-
-Wat Paula niet gaarne deed—zich haasten—deed ze thans voor haar
-vriendin. Trouwens, ze was bijna klaar, en met de hulp van Pietje had
-ze juist zes minuten noodig, om zoover te komen dat ze met voldoening
-een laatste blik in de „psyche” wierp: van de overgedreven storm nauw
-een spoor, voor haar waarneembaar, voor anderen zeker niet. Ze had
-gedurende de ingewikkelde toilet-werkzaamheden, tusschen de bedrijven
-door, wel gelegenheid gehad tot nadenken. Ze was tot de slotsom gekomen
-dat het hevige tooneel van zooeven zijn goede zijde had: van berouw
-daarom geen vleugje. Integendeel, ze vond de verhouding tot Larsen
-thans veel zuiverder dan te voren. Hè, ze was nu dan eindelijk geheel
-haarzelve geweest. En wat ’t verklapte aanging—och, was dat ook wel zoo
-erg? Ze kòn zich niet voorstellen dat Larsen op den duur zijn standpunt
-zou blijven innemen: hoe zou dat mogelijk zijn, waar zij steeds om hem
-heen zou wezen? Och kom, hij bleef, en hield ’t geen maand vol, en
-dan.... zou ze weten gebruik te maken van de macht die haar
-begeerlijkheid haar tegenover hem zou schenken. Ze zou hem aantrekken
-door haar afstooten, o onfeilbaar zeker! En dan eindelijk, als ze zag
-dat de zege zeker was, dan ten slotte toegeven. Alles wel beschouwd was
-Larsen nog zoo kwaad niet. In haar woede had ze veel te veel gezegd,
-ongetwijfeld. ’t Zou haar weinig moeite kosten weer lief tegen hem te
-zijn, en dan hem te doen gelooven dat al wat ze uitgeflapt had
-verzinsel was, louter uitdenksels om hem te krenken. Een verliefde man
-zooals hij gelooft immers alles! En dan kon alles nog goed worden; want
-per slot van rekening was een leven als kat en hond toch ook verre van
-aangenaam.... Nee, ’t moest weer goed worden.... Als Larsen inzag dat
-hij toch niet goedschiks van haar af kon, zou hij zijn gekrenkte eer
-zelf wel weer bepraten en er vrede mee nemen dat alles bij ’t oude
-bleef. Haar leven was toch niet zoo verwerpelijk, vergeleken bij dat
-van anderen. Haar vrienden kon ze immers houden. „Pour avoir un amant,
-il faut être mariée,” en vooral met zoo’n goeie lobbes.
-
-„Zoo’n zooltreder,” dacht Paula met een glimlach, toen ze de trap
-afging. Margot noemde Larsen zoo, en de gedachte aan haar vriendin
-bracht haar de uitdrukking te binnen. Ze was wel bar tegen hem geweest
-die middag. Waar zou hij zitten? Weer naar Van Thiemen?.... O, daar
-kwam ze op een heerlijk denkbeeld! Van Thiemen was altijd zoo aardig
-tegen haar geweest, en hij had blijkbaar veel vat op Larsen. ’t Was
-zijn boezemvriend. Nu ja.... was ooit vriendschap tusschen mannen een
-beletsel, als een bekoorlijke vrouw ertusschen trad? Ze zou Van Thiemen
-wel weten te bewerken, en dan zou ze hem er wel toe krijgen Larsen weer
-in ’t goede spoor te brengen. Ze lachte wat om die vriendschap!.... Ze
-hoefde maar een vinger uit te steken, en de boezemvriend zou....
-Zelfvoldaan gleed haar blik langs haar beeld beneden in de spiegels
-links en rechts van de trap.
-
-Muziek klonk haar in de gang tegemoet.
-
-„Zoo?” riep ze vroolijk, en trad in de voorkamer. Margot Ennery zat
-vóor de piano en speelde. „Weer met je walsen?”
-
-„O, ik vin’ je España-wals verrukkelijk,” zei de toegesprokene, en
-stond van ’t piano-krukje op. „Ik kon niet nalaten ’m even te spelen.
-Anders had ik me verveeld.”
-
-„Of je gelijk hebt. ’t Spijt me heusch vreeselijk dat ik je heb moeten
-laten wachten.... Kom, laten we hier niet blijven. ’t Is aangenamer in
-mijn boudoirtje hiernaast.”
-
-Paula lichtte de zware portière op, die de voorkamer—de eigenlijke
-salon—van bedoeld vertrekje scheidde—en de vriendinnen gingen arm in
-arm binnen.
-
-Naar ’t uiterlijk waren ’t vrijwel contrasten: Margot was hoog blond en
-slank. Tegen Paula’s kleine, welgevormde gestalte stak haar ietwat
-mager figuur sterk af. Zij miste ook de gratie zoo bizonder aan Paula
-eigen. Wellicht lag dit aan haar inderdaad buitengewone lengte. In
-smaakvolle kleeding deed ze voor haar vriendin niet onder. Innerlijk
-was er dit verschil, dat Paula het intellectueel verre won van Margot,
-al deed de laatste ook graag alsof ze geestig was. Haar levendigheid
-was ook geheel anders dan die van haar vertrouweling, miste het
-bekoorlijk gloedvolle, het bezielde, het echt hartstochtelijke: bij
-haar was ’t luidruchtigheid wat de plaats van Paula’s opgewektheid
-innam. Haar gepraat had iets bizonder druks, vermoeiends, had iets van
-leeg gerammel: bij Paula was muziek in ’t afwisselend hoog en laag
-harer stemmodulaties. De heele uitdrukking van haar gezicht had ook
-iets kouds en levenloos. In haar licht grijsblauwe oogen was geen vuur.
-Op de dunne lippen had de lach iets van een stuiptrekking. Toch was ze
-lang niet leelijk. Ze was bizonder blank, en de kleur van ’t haar had
-iets van licht getint goud. Geen criticus, ja zelfs geen critica, kon,
-zonder zeer streng te wezen, aanmerking maken op eenig deel van haar
-gelaat, althans voor zoover lijn, vorm en kleur aanging. Maar haar
-schoonheid was die van een goed afgewerkt wassen beeld.
-
-Op vrij jeugdige leeftijd was ze met een familie mee naar Java gegaan,
-als een soort gouvernante voor de kinderen, en, nauwelijks een jaar te
-Batavia, had ze ’t aanzoek van een veel oudere koffieplanter uit de
-Preanger aangenomen. Na een vierjarig huwelijksleven zonder eenige
-stoornissen of bizondere wederwaardigheden, ook zonder moederschap, was
-ze op een goeien dag vrij om te gaan waar ’t haar lustte: want manlief
-was ad patres en had haar een fortuintje nagelaten. Haar eerste werk
-was de „gordel van smaragd” te verlaten en ’t land van grauwe luchten
-en motregens weer op te zoeken. Haar moeder woonde in dezelfde stad
-waar Larsen woonde, daar had ze ook nog tal van kennissen uit haar
-meisjesjaren, zoodat ze weerstand bood aan de verleiding van ’t Haagje,
-die magneet voor uit Indië repatriëerende polderlanders, en zich in de
-provincie vestigde. Daar was zij met haar middelmatig fortuin een
-grootheid, die ze in ’t rijke Den Haag zeker niet zou geweest zijn. Ook
-trok haar de omgang met Indische menschen niet aan—ze had genoeg van ’t
-leven daar, om er hier in ’t land nog telkens aan herinnerd te worden.
-Niet dat ze zich op Java erg misplaatst had gevoeld—o neen, haar
-oppervlakkige natuur was te emotieloos om veel te lijden onder de
-eentonigheid van een „plantenleven”—maar ze was te veel kleinsteedsche
-en gehecht aan ’t oude en bekende, ze miste assimilatie-vermogen. Ook
-wilde ze zich gaarne in haar nieuwe omstandigheden—betrekkelijk rijk en
-onafhankelijk—aan haar vroegere kennissen vertoonen, waar ze eertijds
-arm onderwijzeresje geweest was. Ze kocht een aardig huisje, dat er als
-een villaatje uitzag, richtte het vrijwel geheel in naar Paula’s
-inzichten en raadgevingen, en liet haar moeder bij zich inwonen: dit
-laatste meer uit welvoegelijkheidsredenen dan om de oude vrouw zelve.
-’t Stond tegenover de wereld beter dat ze met haar moeder woonde dan
-zoo heel alleen. En de oude Mevrouw Van Asbeek was tegenover haar
-eenige dochter steeds de goedheid en toegevendheid zelve
-geweest—hoeveel te meer nu Margot haar weldoenster was.
-
-„’t Is toch een snoezig nestje dat je hier hebt!” riep ze bij ’t
-binnentreden van ’t boudoir. „Ik kan niet nalaten ’t telkens te
-bewonderen. Zeg’s Paula, weet je dat ik mijn pruilkamertje net zoo heb
-laten inrichten?”
-
-„Verandering aangebracht?” vroeg Paula afgetrokken.
-
-„Ja: alles blauw laten maken, maar overigens precies als hier.” Ze keek
-goedkeurend rond.
-
-„Och, je woû ook niet gelooven dat jij met je blonde haar niet past in
-een omgeving van rozerood! Maar zeg, kindlief, kom hier wat op de sofa
-zitten. Hier heb je een kussen. Zoo, zet dat achter je rug. Ziezoo, nu
-kom ik hier bij je zitten. Ik heb je wat nieuws te vertellen.”
-
-Paula keek gewichtig.
-
-„Zoo? Toe, vertel ’s.”
-
-Paula trok haar eene been op, en sloeg de handen in elkaar om haar
-opgetrokken knie, een geliefde houding van haar wanneer ze recht
-vertrouwelijk ging wezen. Onder het donker granaatkleurig kleed kwam
-haar roze-zijde onderrok te voorschijn.
-
-„Je raadt nooit wat het is,” zei Paula geheimzinnig.
-
-„Een nieuwe adorateur?”
-
-„Och! Dat is nooit nieuw genoeg. Die kan ik krijgen zooveel ik maar
-hebben wil!”
-
-„Nu, wat dan? Ga je op reis?”
-
-„Pas geweest in Augustus. Nee, nee, nee, ’t is iets heel heel
-ernstigs....”
-
-„Kom, maak me niet nieuwsgierig. Ik geef ’t op.”
-
-„Ruzie met m’n man!”
-
-„Met je zooltreder? Maar dat is niet denkbaar!! Wordt-i jaloersch?”
-
-„Iets van dien aard....” zei Paula peinzend.
-
-„Scène gehad?”
-
-„Ja verbeeld je, en heel erg ook!”
-
-„Och, kom!.... En hij had ongelijk natuurlijk?”
-
-„Jawel, in ’t eerst, maar.... ik heb ’t later te bont gemaakt.”
-
-„Zoo, hoe dan?” ’t Kwam er eenigszins aarzelend uit: Paula’s overwicht
-gedoogde geen volledig uithooren.
-
-„Wel.... ik....,” en Paula proestte het opeens uit.... „ik heb ’m in
-zijn gezicht geslagen! Nee, ’t is te erg.... die goeie brave,
-zooltreder!”
-
-„Is ’t heusch? Ha, ha, ha! Hoe kom je nu dáar toe? En is hij erg boos?”
-
-„Ja, geducht.... Hij wil van me af.... Stel je voor!”
-
-„Van je scheiden? Kom, meent hij dat?”
-
-„Ja, dat zegt-i. ’t Is te mal om los te loopen. Och, ’t was ook niet
-uit te houen langer! Ik heb me ’s gelucht, eindelijk. En wat nog ’t
-leelijkst is, ik heb hem allerlei leelijks van mezelf verteld.”
-
-„Van je aanbidder?”
-
-„Och ja, om hem te treiteren,” zei Paula ontwijkend.
-
-„Hij zal je niet geloofd hebben.”
-
-„Dat hoop ik ook. De zaak is nu hem weer te sussen.”
-
-„Dat zal best gaan, zou je niet denken?”
-
-„Jawel, maar dan moet je me helpen. Kom hier veel: dat geeft
-afleiding....”
-
-„Goed, best, ik kan ’t wel met hem vinden. Ik blijf van middag bij je
-eten, is dat goed?”
-
-„Uitstekend. Ik weet anders geen raad: ’t Is zoo’n malle verhouding....
-En met Didi, vin’ je niet?”
-
-„Zeker. Maar komt hij aan tafel?”
-
-„Och, ik denk dat hij ’t wel voor de vorm doen zal. Hij geneert zich
-tegenover de meiden en tegenover Didi.”
-
-„Stuur Didi maar veel bij mij, dan kan ze met Nero spelen.”
-
-Nero was een groote hond, die Margot erop nahield, een bizondere
-gunsteling van Larsen’s dochtertje.
-
-„Ze heeft toch niets gemerkt van jullie ruzie?” ging Margot voort.
-
-„Ik geloof ’t niet,” antwoordde Paula onverschillig. „Maar, zeg, je
-blijft dus, he? We hebben van middag tong—ossetong—daar hoû je immers
-van?”
-
-„O, delicieus! Zooals jij die altijd hebt....”
-
-„Larsen is er dol op. Ik heb er nog gauw een laten halen....”
-
-„Zoo’n slimmert! Wat ze met haar tong verbruid heeft, wil ze weer goed
-maken met een andere tong!” Margot lachte om haar eigen geestigheid.
-
-„Jij doet ’t woord dan maar, hoor,” zei Paula met een glimlach. „Palm
-mijn zooltreder maar goed in. En ratel er maar op los, dan heeft hij
-geen tijd om aan leelijke dingen te denken.”
-
-„Laat dat maar aan mij over.... Maar vertel me ’s, heb je weer een
-andere modiste in Den Haag?”
-
-„Nee, juffrouw Laszalle, dezelfde van altijd. Waarom? Bevalt je dit
-pakje niet?”
-
-„Verbeeld je! Ik vin’ ’t snoezig. Ze schijnt voor jou beter te werken
-dan voor mij.”
-
-„Je hebt moeilijker figuur. Dat zegt ze ook.”
-
-Met een zucht keek Margot neer op haar lange gestalte, en op ’t nieuwe
-kostuum dat ze aan had.
-
-„Ellendig zoo lang te wezen! Je moest ons indertijd gezien hebben, mijn
-man en mij: om te schilderen! Hij meer dan een hoofd kleiner dan ik,
-stevig in zijn vleesch, en ik daarnaast.... Hij moest altijd op z’n
-teenen gaan staan als hij mij een zoen woû geven. Gelukkig was hij niet
-erg zoenerig uitgevallen. ’t Was zoo’n eigenaardig type!”
-
-„Je hield van hem, he?” vroeg Paula.
-
-„Och ja, dat weet je immers. ’t Was een doodgoeie vent....”
-
-„En niet jaloersch, of....?”
-
-„Heelemaal niet! Trouwens, daar in de binnenlanden was niet veel
-aanleiding tot zoo iets. Ik ben ’m altijd trouw geweest, heusch.”
-
-„Ik geloof je,” antwoordde Paula met een eigenaardige optrekking van
-haar onderlip. Ze begreep heel best dat die koude natuur geheel buiten
-passie kon. Margot was een van die vrouwen die noch de innige, noch de
-hartstochtelijke, oppervlakkige soort van liefde kennen: geen man zou
-die ooit bij haar kunnen wekken, evenmin als zij ooit in staat was
-geweest, of zou wezen, een mannehart in gloed te zetten. Het huwelijk
-was voor haar een formaliteit geweest, die nu eenmaal in een
-vrouwenleven dient voor te komen, en had evenmin iets met innige
-gemoedsaandoeningen te maken gehad als bijvoorbeeld inenten of
-„aangenomen” worden bij de „dominé”. Zij had haar man genomen, omdat ze
-getrouwd wou wezen, en hij haar omdat hij genoeg had van ’t leven met
-een inlandsche huishoudster. En beide prozaïsche naturen hadden
-wonderwel bij elkaar gepast.
-
-„Mis je ’m erg?” vroeg Paula met een schuinsche schalksche blik.
-
-„M’n man?.... Och, wat zal ik je zeggen.... ’t was ’n beste kerel,
-maar.... ik ben weer aan mijn verlies gewend.”
-
-„Gelukkig mensch dat zich de wereldsche zaken zoo weinig aantrekt,” zei
-Paula met een zuchtje.
-
-Er was tusschen de vriendinnen anders maar zelden sprake van Margot’s
-vroeger huwelijksleven, en uit zichzelve kwam de weduwe er nooit toe,
-over die haast vergeten periode een woord te zeggen.
-
-Haar aandacht was dan ook dadelijk op Paula’s toestand gericht. Ze leî
-haar hand op haar schouder:
-
-„Kom, die bui drijft over,” zei ze sussend. „Larsen is een goeiert,
-zooals ik er nog nooit een zag.”
-
-„Och, ik ben toch heusch veel, veel te bar tegen hem geweest,” zei
-Paula op komisch berouwvolle toon.
-
-„Nu goed, doe boete, en toon je nu ’s erg lief....”
-
-„Dat gaat niet—en dat is nu nog ’t onpleizierigste.... Nee, ik moet
-minstens veertien dagen koel blijven; vervelend voor mezelf, weet je,
-want ik kàn niet haatdragend zijn—daar ken je me te goed voor, nie’
-waar?—ik kan niet mokken, en ik ben heusch bang dat ik uit mijn rol
-val.”
-
-„En wat zou dat nog?”
-
-„Wel—mijn prestige! Ik heb hem zelf gezegd dat ik hem als een vreemde
-zou behandelen.... en verbeel’ je dat ik dat nog niet eens veertien
-dagen volhield! Nee, ik moet zien wat hij doet. Hij moet de eerste
-zijn!”
-
-„Is dat dan ook niet bar?”
-
-„Och, nou ja, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Als hij maar een
-beetje toenadering toont, dan schiet ik wel los.”
-
-„In z’n armen.”
-
-„Nee, niet zoo in eens. Maar lief wil ik dan wel wezen....” Paula
-verzonk in gepeins. „Hè, ik woû ’t al zoover was! Ik hoû niets van
-kibbelen en zure gezichten. Ik kan niet boos blijven.”
-
-„Hij ook niet.”
-
-„Nee, ik geloof ’t niet.... nee, zeker niet. Hij is veel te goed
-en—houdt te veel van me. Maar je begrijpt: hij moet toch iets toonen
-nadat ik.... hem zoo.... zoo’n klets gegeven heb....”
-
-Bij de herinnering aan haar hardhandigheid schoot Paula in een
-zenuwachtige lach:
-
-„Nee.... maar ’t was te.... te bar.... Hij moet een gezwollen wang
-ervan hebben! Arme vent. Ha, ha! Wil je wel gelooven dat ik hem zóo zou
-willen zoenen, Margot? Zoo’n beste goeie lobbes! Nee, ’t was heusch
-leelijk van me....”
-
-„Dat is zeker de eerste keer dat je zoo iets gedaan hebt?”
-
-„Op m’n woord, hoor! Wat dacht je! Nee, we hebben nog nooit te voren
-zoo’n ruzie gehad. Z’n eigen schuld.... wat doet-i zoo jaloersch te
-wezen!.... En toch.... heb ik er eigenlijk spijt van....”
-
-Margot keek belangstellend en met curieuze blik naar haar vriendin; zij
-kon zich al die hevigheid niet best voorstellen: tusschen haar en haar
-man was alles altijd zoo vlot en kalm gegaan.
-
-„En wat ga je nu al die tijd doen?” vroeg ze. „Ik bedoel zoolang ’t nog
-niet weer goed is? Je kunt toch niet de doofstomme tegen hem spelen zoo
-veertien dagen lang....”
-
-„Wel.... ik ga veel piano-spelen.... en zingen. Daar luistert hij naar,
-of hij wil of niet. En dan—kom jij hier, en ik praat met jou. Of.... ik
-ga lezen.... ’t Is waar ook, heb je wat moois voor me te lezen? Larsen
-heeft niets dan vervelende lectuur, je weet wel....”
-
-„O ja, ik heb wel wat. Fransch, he?”
-
-„Goed, Fransch. Die Hollandsche romans vin’ ik meestal taai. We hebben
-maar éen romanschrijver: Couperus, vin’ je ook niet?”
-
-Margot las om zich de tijd te dooden, en van stijl had ze maar heel
-weinig benul. Ze kende van de boeken die ze las de titels—de namen der
-schrijvers daar lette ze meestal niet op. Ze verwarde Therèse Hoven met
-Frederik van Eeden en Couperus met Melati van Java.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-De vriendinnen praatten nog een poos gezellig door, en na een uurtje
-was Paula weer geheel de oude en vol hoop op herstel van den vrede. In
-den beginne had ze nu en dan wel aanvechtingen van twijfel gevoeld, al
-waren haar woorden tegenover Margot ook nog zoo vol zekerheid.
-
-De meid kwam zeggen dat ’t eten klaar was.
-
-„Is meneer thuis?” vroeg Paula.
-
-„Meneer is zooeven thuisgekomen, met Didi, mevrouw. Ik geloof dat ze
-boven zijn.”
-
-„Ga je even waarschuwen? En zeg dan meteen dat mevrouw Ennery er is,
-wil je? Wij gaan vast in de eetzaal.”
-
-„Goed, mevrouw.” Er was een vleugje van spot om Pietje’s ondeugende
-kleine mond toen ze de kamer verliet.
-
-In de eetzaal wees Paula haar vriendin haar gewone plaats—ze kwam bijna
-iedere week familiaar eten—naast Larsen.
-
-„Lief die bloemen,” zei Margot, en boog een tak rozen naar zich toe,
-die op de etenstafel stonden. „Je hebt goed slag van rangschikken.”
-
-Paula lachte.
-
-„Je vergeet dat ik ’t laatste uur bij jou heb gezeten! Dat heeft Pietje
-gedaan.”
-
-„Nu ja, die inspireer jij. Ik hoû van bloemen op tafel. Ik doe ’t ook
-altijd.”
-
-„Och, Larsen is er op gesteld.... Een Engelsch gebruik. Je weet, zijn
-moeder was een Engelsche. Ik mag ’t ook, en ik heb vandaag wat nieuwe
-rozen besteld. Zeg maar dat jij ze gezonden hebt....”
-
-Larsen trad binnen, en begroette Margot Ennery met vriendelijke
-beleefdheid, zijn vrouw knikte hij gewoon toe. Zij nam hem tersluik
-waar. He, ja, ze kon zien dat zijn eene wang.... of verbeeldde zij ’t
-zich?
-
-„Wel, Larsen, wat zeg je van mijn rozen?”
-
-„Jou rozen? Heb jij ze gezonden? Dat is heel aardig.”
-
-„Ja, uit mijn tuin: najaarsrozen. Snoezig, he? Kijk ’s, Didi.”
-
-Didi was met haar vader binnengekomen, en had haar moeders vriendin
-vriendelijk, maar op zichtbaar gedrukte wijze, gegroet.
-
-„Jij komt vandaag naast mij zitten, nie’waar kind?” zei Margot
-aanhalig. Didi had niet veel sympathie voor de altijd pratende weduwe.
-Ze mocht haar hond veel liever. „Hoe maakt Nero ’t?” vroeg ze zonder op
-de uitnoodiging te letten. „Waarom heeft u ’m niet meegebracht?”
-
-„O nee, hij is zoo lastig. Kom jij hem maar ’s opzoeken, hoor.”
-
-Men zette zich aan tafel, Larsen en Paula stil, de laatste zenuwachtig;
-Margot steelsche blikken werpend, terwijl ze herhaalde malen haar stoel
-verzette en erg druk deed met haar servet; Didi met een wolkje van
-nadenken op haar voorhoofd.
-
-Larsen ondernam blijkbaar met graagte zijn gewone taak: voorsnijden.
-
-„Een mooie kalfsrollade!” riep Margot om iets te zeggen. „En Larsen
-snijdt weer om er jaloersch van te worden. Dat is nu toch een
-huishoudelijke bezigheid die een man beter doet dan een vrouw.”
-
-„Och, kom, ik kan ’t ook,” zei Paula.
-
-„Tegenwoordig willen de vrouwen alles even goed doen als de mannen; wat
-zeg jij, Larsen?”
-
-„Ik weet ’t niet....” antwoordde de gastheer met een lachje zonder van
-zijn rollade op te kijken.
-
-„In ’t vleeschsnijden laat ik graag de mannen de eer.” Margot lachte.
-„In de rest....”
-
-„Ben je voor volkomen gelijkheid?” vroeg Paula.
-
-„Nee, ik ben niet modern.... dat weet je. Ik bedoelde: voor de rest
-moet de man zich niet met huishoudelijke bezigheden inlaten. Verbeel’
-je, mijn man zette zijn eigen koffie. Dat is ’t eenige waarover we ’t
-nooit eens konden worden....”
-
-Larsen onderdrukte een zucht, en sneed eenige te dikke plakken vleesch
-af. „Ja, hij beweerde, dat ’n ander ’t nooit zoo goed kon.”
-
-„Nu, dan zal ik je ’s mijn koffie straks laten proeven,” zei Paula.
-„Trouwens, die ken je.”
-
-„Ik moet bekennen: mijn mans koffie was onberispelijk. Hij wou altijd
-hebben dat ik ervan mee dronk, en dat deed ik dan ook maar. Je moet
-elkaar wat toegeven in ’t huwelijk.”
-
-Onderwijl diende Paula de soep.
-
-Larsen ging zitten en voorzag zijn buurvrouwen van wijn.
-
-„Je bent stil, Larsen,” zei Margot. „’t Erg druk gehad? Zeker weer vol
-van je werk?” Larsen keek op met een leegen blik.
-
-„Och, ja.... Je weet dat ik al maanden bezig ben. ’t Is nogal taai hier
-en daar, maar ik schiet gelukkig goed op.... ’t Eischt nogal veel
-gesnuffel in oude papieren, archiefstukken en zoo....”
-
-„Ik kan me voorstellen dat het interessant is,” zei Margot. „Ik vin’ ’t
-al een heel genoegen oude brieven na te lezen. Je vindt soms
-curieuzen—soms herken je jezelf niet in wat je vroeger geschreven
-hebt.”
-
-Larsen keek weer op zijn bord, en fronste even de wenkbrauwen.
-
-„Jammer dat jou boeken zoo geleerd zijn, Larsen. Ik wou dat je romans
-schreef.”
-
-Hij romans! dacht Paula en onderdrukte een lach.
-
-Het tweede glas wijn deed bij haar alle gedwongenheid verdwijnen. In
-haar oogen blonk weer de oude overmoedigheid. Het gezicht van Larsen,
-die eenigszins krom over zijn bord gebogen zat, met een onmiskenbare
-trek van slecht onderdrukte wrevel om den mond, kreeg voor haar iets
-komisch in verband met de moeite die Margot zich gaf om hem aan de
-praat te krijgen.
-
-Beurtelings nam ze hen beiden waar, en ze voelde lust om zich te zijnen
-koste te amuzeeren, door haar vriendin aan te sporen en hem om zijn
-verlegenheid „in ’t ootje” te nemen.
-
-„Ja, Willem,” zei ze, „waarom schrijf je niet eens een roman? Je zou ’t
-best kunnen, geloof ik. En dan had ik ook nog ’s wat aan je boeken. Je
-kon er mij in te pas brengen bij voorbeeld.”
-
-Haar losse onbevangen toon verbaasde Larsen; maar beseffende dat hij
-hier in gezelschap beter deed te doen alsof er niets gebeurd was,
-antwoordde hij zoo goed hij kon op natuurlijke toon:
-
-„Geleerde en romanschrijver beiden zijn gaat niet. Een romanschrijver
-met zijn speelzieke verbeeldingskracht zou nooit een betrouwbaar
-geleerde—vooral geen historicus—kunnen wezen. En een geleerde zou met
-zijn nuchtere logica nooit een leesbaar verhaal kunnen schrijven.”
-
-„Kom, larie!” riep Paula en sipte haar derde glas wijn leeg. „Dat is ’t
-gewone praatje. Geleerden zijn naar mijn idee veel te saai, te dor, te
-droog. Die mochten wel wat meer fantazie hebben: dan zouden ze
-genietelijker wezen, en de menschen zouden de wetenschap niet meer
-vervelend vinden. Dat is ze tegenwoordig altijd.”
-
-„Leve de fantazie!” riep Margot. „Zeker, Larsen, je moet maar ’s een
-mooie roman beginnen. Ik weet ’n mooie titel: „Wetenschap en liefde”.
-Van de liefde moet erin voorkomen, dat weet je: anders is ’t geen
-roman.”
-
-Paula praatte door:
-
-„Ik zal je dadelijk een voorbeeld noemen van een geleerde die romans
-schreef: Goethe. En zoo zijn er meer geweest en nog. Felix Dahn is een
-historicus als jij en schrijft ook wel romans, en Ebers is ook een
-geschiedenis-man. Deugen die soms minder omdat ze hun licht ook ’s
-buiten ’t kringetje van vakmannen laten schijnen? Kom! En dan: dichter
-of romanschrijver is „koekoek éen zang”. Nu: er zijn hoopjes dichters
-geweest onder de geleerden.”
-
-„Zeker niet onder de leiders, de allergrootsten.”
-
-„Dat mag wezen; maar ’t is de vraag wie per slot van rekening de
-verdienstelijksten zijn geweest tegenover ’t menschdom. En dat is toch
-maar wel beschouwd ’t doel van alle wetenschap.”
-
-„Nee, Larsen, je legt ’t af, hoor,” zei Margot.
-
-Larsen glimlachte gedwongen. „Wil je nog een glas wijn?” vroeg hij en
-bewoog de flesch in Margot’s richting. Zij schoof haar glas een eindje
-vooruit.
-
-„Ze praat goed, dat moet je toegeven,” hervatte ze.
-
-„Zeker, daar twijfel ik niet aan. Vrouwen praten over ’t algemeen beter
-dan wij mannen.”
-
-„Dat bedoel je ironisch,” zei Margot.
-
-„Ik zeg praten,” verklaarde Larsen, „dat doen ze beter. Spreken is wat
-anders. Ze praten beter omdat ze meer fantazie hebben. Voor goed
-spreken is alleen logisch denken noodig.”
-
-„Zoo, complimenteus voor ons!” antwoordde Margot.
-
-„Een vrouw deugt daarom ook minder voor geleerde,” ging Larsen voort.
-„Een geleerde vrouw is ’t onvrouwelijkste wezen dat ik ken!”
-
-„Dat komt alweer om de oude misvatting!” riep Paula, „waarom is zoo’n
-geleerde vrouw als jij bedoelt onvrouwelijk? Omdat ze niet aangenaam is,
-omdat ze dezelfde vervelende eigenschappen heeft als een geleerde man,
-zoo opgevat; en in een vrouw hinderen die nog meer. Als je geleerde
-opvat zooals ik, zou ’t juist ’t omgekeerde wezen. Een geleerde moet
-iemand zijn van algemeene ontwikkeling. Tegenwoordig zijn geleerden
-bijna altijd eenzijdig. ’t Moeten menschen zijn wier smaak ook
-ontwikkeld is, die wat kunstzin hebben; en zoo iets bereiken vrouwen
-gewoonlijk makkelijker dan mannen. Er zijn vrouwen geweest die elegant
-en aantrekkelijk waren en toch geleerd. Dat is je ware. Daar moet het
-heen. Wij vrouwen zullen de wereld moeten toonen hoe je geleerd moet
-wezen.”
-
-„Laten we daar ’s op drinken,” zei Margot, die vond dat het gesprek wat
-„hoog” begon te worden. „Nee, ik vin’ ’t ook: een geleerde moet het
-niet beneden zich achten zijn oordeel te zeggen over.... bij voorbeeld
-een smaakvolle nieuwe hoed. Dat is ook kunst. Daarom betaal je die zoo
-duur. Ik wed dat jij, Larsen, niet eens opgemerkt hebt dat ik vandaag
-een nieuw kostuum draag!”
-
-„O, jawel, ’t is heel aardig!”
-
-„Och, kom, ik geloof er niets van! Heel aardig! Dat ’s altijd zoo jou
-stopwoord. ’t Zegt zoo niets. Paula vindt ’t niet mooi.”
-
-„O, nu....”
-
-„Dan trek jij je „aardig” weer in! Prachtig, dat moet ik zeggen.”
-
-„Och,” zei Paula, „je moet van hem buiten zijn vak nooit iets anders
-verwachten. Als ik hem iets moois voorspeel of zing, zegt hij òf niets,
-òf, als ik hem vraag hoe hij ’t vindt, steeds „heel aardig”.”
-
-„Nu ja, je weet wel beter,” zei Larsen.
-
-„O, ik heb ’m eens op de proef gesteld!” ging Paula voort. „Verbeel’
-je: ik had eens mijn kapsel allerbespottelijkst opgemaakt. Onder andere
-had ik er een van die kleine Japansche waaiertjes ingestoken. Hij lette
-er niet op, en toen ik zijn meening vroeg, jawel, hoor: „heel aardig!”
-kwam er toen weer.”
-
-Larsen voelde zich ongemakkelijk, en verlangde naar ’t einde van de
-maaltijd. Zelfs de ossetong, zijn lievelings-gerecht, kon hem niet de
-noodige afleiding geven.
-
-„En hoe vin’ je die tong?” vroeg Paula, die haar man even gadegeslagen
-had en ’t niet pleizierig vond dat haar „attentie” blijkbaar weinig
-waardeering bij hem inoogstte.
-
-„Heel aardig!” zei Margot, en lachte luid.
-
-Larsen deed ontdekkingen op ’t terrein van Paula’s karakter. Hij had
-daarvan in de laatste vier-en-twintig uren meer waargenomen dan in de
-voorafgaande dertien jaren van zijn huwelijk. Merkwaardigerwijze was
-niets of nagenoeg niets meer overgebleven van de voorstelling die hij
-zich zooveel jaren lang van haar gemaakt had. ’t Was of er een heel
-ander beeld voor in de plaats was getreden. Zooals in ons
-voorstellingsvermogen regel schijnt te wezen, denken wij ons een
-bepaald persoon steeds in een bepaalde gedaante en steeds enkele
-eigenschappen vertoonend, of woorden sprekend die ons het meest in hem
-of haar opgevallen zijn. Er is als ’t ware een signalement in enkele
-trekken in voorraad, ergens in ons magazijn van denkbeelden, dat we,
-zoodra de persoon ter sprake komt, voor den dag halen. Dit doen we
-zelfs—vooral wanneer we menschen van een overwegend impressioneel leven
-zijn—wanneer de persoon aanwezig is, met ons spreekt; en al zien we ook
-tegenstrijdigheden, eigenaardigheden die niet met het „signalement”
-overeenkomen, we storen er ons meestal niet aan, en vaak is iets als
-een electrische schok in de vorm van een treffende gebeurtenis of
-handeling noodig, om ons duidelijk te maken dat het signalement niet
-deugt of zelfs maar wijziging behoeft.
-
-Zoo ging het met Larsen tot zijn innige verbazing.
-
-Hij zag en hoorde Paula praten, sloeg haar ongedwongen houding gade en,
-hoe dikwijls hij haar ook te voren zoo gezien had, thans was ze hem
-nieuw. Voor zijn geestesoog verbond zich nu haar persoonlijkheid steeds
-met de mooie furie in kimóno, en in het timbre van haar stem, waarnaar
-hij zoo vaak met genot geluisterd had, klonk hem thans steeds iets
-onaangenaams, schrijnends, woests. En telkens hoorde hij haar woorden:
-„Wil je namen?!” zooals zij die tegen hem uitgevlijmd had; telkens ook
-hoorde hij opnieuw dat honend-sarrende „cocu”, zag en voelde hij haar
-op zich afvliegen als een dolle. Hij was bleek, en toch voelde hij zijn
-eene wang gloeien; hij was schijnbaar kalm en hij voelde zijn hart
-omdraaien van walg en afkeer. En ’t was of hij valschheid en
-huichelarij zag in ieder woord, in iedere blik, in ieder gebaar dat hij
-van haar waarnam. Hij slikte zijn eten met brokken in, dwong zich om
-niet opvallend weinig te eten. Nu en dan bewoog hij zijn eene hand,
-verschikte zijn servetring naast zijn bord, en werd zich dan opeens
-bewust van zijn afgetrokkenheid: de gast mocht niets merken. Hij deed
-zich geweld aan, om op gewone toon te spreken, te antwoorden althans.
-Hij voelde zich ellendig.
-
-En Paula en Margot merkten niets, vonden hem opvallend gewoon; zooals
-Margot het na tafel noemde. En de laatste luchtte haar geestigheid
-onbevreesd: ze kreeg zelfs een goedkeurende glimlach van Larsen terug,
-ja zelfs een goedig „zeker, zeker,” of een passe-partout als „nu, die
-is goed!” waar zij van hèm al zeer mee in haar schik was.
-
-De koffie werd vóor gebruikt, en Larsen kon zich eindelijk, met een
-onbeschrijfelijk gevoel van opluchting, op zijn gemak neerzetten; in
-een fauteuil en eenigszins „verdekt”. Hij nam zich stellig voor zijn
-marteling niet langer dan nog éen kwartier te laten voortduren, en zich
-dan bij Margot te verontschuldigen.
-
-Hij was dankbaar dat de drukke gast op andere wijze lucht ging geven
-aan haar vroolijkheid en rammelzucht dan door de menschelijke spraak,
-al was de muziek die ze te hooren gaf dan ook van ’t zelfde gehalte.
-Dat het Japansche koffiekopje, half leeggedronken op de piano, alle
-maten tjingelend meedanste scheen háar niet te deeren, en hinderde de
-zwaarbezochte Larsen zeker veel minder dan ’t afdwingen van zijn
-aandacht voor haar gepraat.
-
-Paula stond naast de piano, en wisselde nu en dan een blik met haar
-vriendin.
-
-„’t Gaat goed,” fluisterde Margot tusschen twee harde akkoorden in
-„Zou-i gaan dutten?” Rèngel—dèng—tèng—tjieng—tjieng! klaterde de wals
-van Margot.
-
-Paula keek even om, en knikte tegen haar met een lach.
-
-Larsen zat met half afgewend gelaat, de baard tegen de borst, beenen
-over elkaar en de beide handen op zijn eene knie; zijn gedachten een
-baaierd, zijn hart als een wezenlooze klomp. En hij voelde zich zwaar
-neerzakken in een ongekende diepte—diep, heel diep—deed geen poging om
-boven te blijven—zakte maar steeds, willoos, rampzalig....
-
-De stilte als afknappend tegen Margot’s laatste akkoord, deed hem ’t
-hoofd opheffen. Zij zag ’t en met haar vriendelijkst hoog
-stemintervalletje vroeg ze:
-
-„Mooi, he, die wals, vin’ je niet, Lars?”
-
-De toegesprokene keek haar even aan, voordat hij antwoordde. Hij zag ’t
-hoogblonde, vrij losse, ietwat raagbolachtige kapsel, de lange
-nek—blank en mooi—de poppenoogen, poppeneus, poppemond en
-poppetandjes—regelmatig, scherp en glanzend—en hij vond haar
-antipathieker dan ooit te voren. Hij wist niet waarom.
-
-„Heel aardig!” zei hij niettemin vol overtuiging.
-
-Paula schoot in een stuiplach, die ze tevergeefs trachtte te bedwingen.
-
-„Och, jij ook!” zei ze tusschen twee krampjes tot Margot, om haar lach
-verklaarbaar te maken. „Wat kan nu iemand die pas wakker wordt anders
-zeggen dan.... heel aardig!”
-
-„Ik heb niet geslapen,” zei Larsen kalm en op een helder klinkende
-toon, die hem zelf opviel.
-
-Hij verbaasde zich nogmaals over Paula, en een oogenblik later
-verbaasde hij zich over zijn verbazing. Wist hij dan nog niet dat bij
-die vrouw alles aan de oppervlakte lag, dat ze slechts de opperhuid van
-een ziel had?
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-Pietje de kamermeid zat die avond alleen in de keuken, of, beter
-gezegd, die avond na achten; want haar collega de keukenmeid had haar
-„uitgangsdag” en verdween dan vrijwel onmiddellijk na de maaltijd;
-terwijl ze de „vaten”, zoo juist van tafel afgenomen, in hun onreine
-toestand op haar thuiskomst—klokke half elf—liet wachten. Pietje had
-dus ’t rijk alleen, en daarin verheugde zij zich deze keer. Zeker iets
-ongewoons, want Pietje praatte anders graag, en vond het gewoonlijk
-„zielig” zoo op haar eentje in het spijzen-laboratorium haar avonduren
-te slijten.
-
-Ze had iets bizonders die avond, iets heel bizonders, dat haar volle
-aandacht in beslag nam. En ’t was niet alleen iets buitengewoons, ’t
-was ook een bezigheid die tijd en omzichtigheid eischte. Daarvoor moest
-ze ongestoord minstens een paar uur kalmpjes kunnen neerzitten.
-Niettemin was ’t een aangename bezigheid. Zeker, zeer aangenaam, hoe
-onwaarschijnlijk dit ook moge klinken van een zoo bizonder gezellig,
-praatziek en ongeduldig schepseltje als Paula’s vertrouwelinge, Pietje
-van Groenewoud.
-
-Pietje’s oogen stonden dan ook heel genoegelijk. Er blonk een
-eigenaardig schijnsel in van innige verkneukeling, van ondeugende
-dartelheid. En ze had nòg hoogere kleur dan anders.
-
-Nauwelijks was de „glazen deur” met ’t mousseline gordijntje achter
-Kee’s breede rokken gesloten, of Pietje zette haar stoel, waarop ze
-achteroverleunend tegen de gootsteen had gewiebeld, toen Kee er nog
-was, met de rugleuning naar de deur tegen de tafel, ging er voorzichtig
-op zitten, schoof een paar borden en glazen een heel eind van zich af
-op de withouten tafel, zoodat ze zeker een vrije ruimte van een halve
-meter straal om haar boezem vóor zich had, maakte een drievoudig
-vreugdegeluidje met haar keel, waarbij haar mond eens zoo lang
-opgrijnsde, en—tastte in de zak.
-
-„Ziezoo, dat ’s éen,” mompelde ze, bekeek het kleine voorwerp
-aandachtig, draaide het om, vertrok haar mond even spijtig, en leî het
-vóor zich neer, heel in de hoogte. ’t Was een stukje papier zoo groot
-als een cent, en er stond niets op. Onmiddellijk frommelde ze weer in
-haar zak, en haalde er ditmaal twee stukjes uit, van ongeveer dezelfde
-afmeting.
-
-Weer het aandachtig onderzoek. Een teleurstelling en een vreugde: weer
-een onbeschreven stukje, en een ander met eenige letters erop.
-
-Wat stond er? Pietje kon er niets uit maken, met de beste wil niet!
-Maar, zie, de eerste letter was een groote, een hoofdletter. En Pietje
-had genoeg geleerd op school om te weten dat een zin met een
-hoofdletter begint.
-
-Dat stukje—met de hoofdletter—dus weer bovenaan, links, naast ’t witte
-van zooeven, en ’t andere blanco-stukje rechts, ver van zich af.
-
-Met een zucht kwam er een vierde stukje—tweemaal zoo groot als dat met
-de hoofdletter, en daarop stond—heerlijk!—een drietal woorden: „hand te
-drukken.”
-
-„Best,” zei Pietje bijna hardop. Dat was al iets, al was er geen slot
-of zin aan. Ze leî het na eenig overleg en aarzeling in ’t midden.
-Voorloopig, zie je.
-
-’t Volgende papiertje was een ware vondst: ....udolf.... stond er,
-duidelijk. Wel, dat was een stuk van een naam.... En daar hoorde die
-hoofdletter bij, want dat was een R! Rudolf dus, mooi.
-
-Pietje was verrukt, en in haar extaze vergat ze een oogenblik het
-gevonden woord op de vermoedelijk juiste plaats te zetten.
-
-Wel, wel, Rudolf! Hij heette dus Rudolf.... Een liefje van mevrouw?
-Natuurlijk! Maar wie zou ’t wezen?.... Daar hadden ze dus ruzie over
-gehad, boven in de studeerkamer.... toen ze mevrouw zoo hoorde „te keer
-gaan....”
-
-Pietje kon haar lachen niet bedwingen. Wel, wel, wel, wat was ze dom
-geweest iets anders te denken!
-
-In blij gepeins verzonken lag ze achterover in haar stoel, de oogen
-half dicht. Ze had waaratje gedacht dat.... meneer.... nee, maar
-verbeel’ je, meneer, die goeie, doodgoeie meneer.... Nee, ’t was om te
-proesten! Dat meneer een liefje gehad had en een brief van haar
-gekregen had, en dat mevrouw daarom zoo boos geweest was. Waarom was ze
-dan anders zoo verschrikkelijk nijdig geweest.... en nou ja.... die
-goeie sullen van mannen.... als ’t erop aankwam waren ze al net als de
-rest, hoor! Dat dacht ze zoo.... Maar toch.... nee, dit was
-waarschijnlijker, veel waarschijnlijker. Een liefje van mevrouw! En die
-heette Rudolf.... Zeker die officier....
-
-Nog een minuut lang peinsde Pietje. Toen greep ze energiek in haar zak,
-en haalde er een heele dot papiertjes uit. Ze moest er gauw meer van
-weten, hoor. Ziezoo, nu uitspreiden, uitzoeken.
-
-Hè, ’t was om tureluursch te worden! Er waren zeker wel dertig stukjes.
-’t Passen en schikken, ’t vreugdevol bijschuiven, en verdrietig
-wegvegen duurde zeker een half uur. En Pietje zuchtte en lachte en
-kirde zoo tusschenbeide. Hè, lam zoeken was dat! En toch.... ze zou
-weten wat er in die brief stond.... daar hielp geen lieve vader of
-moeder aan. Nee, mevrouwtje, daar zou ze achter komen, en lekker ook!
-
-De legkaart begon wat vorm te krijgen: ’t voornaamste was ontdekt, lag
-op zijn plaats, behoorlijk, ontwijfelbaar juist....
-
-Telkens las ze.... raadde ze.
-
-Wat stond er nu? Om des te meer voldoening van haar werk te hebben, had
-ze een heele poos de woorden der verschillende stukjes niet in hun
-onderling verband willen lezen.
-
-Nu deed ze ’t.... Jawel.... goed, maar was zij dáarom zoo boos
-geworden?.... En, wat was dat? „Zíjn kind.... óns kind....” Lieve
-deugd, had mevrouw?.... Nee, maar.... En daar was hij dus achter
-gekomen, meneer! Nee, dàt had ze toch niet gedacht.... Dus.... o, nu
-snapte ze alles! Pietje’s voldoening bij de volledige ontdekking van de
-geheimzinnige inhoud van ’t schriftuur had een bijsmaak.
-
-Pietje was geen slechte meid: wat wuft, erg nieuwsgierig.... maar wat
-ze daar las was toch heel erg, hoor.... Ze moest nog aangenomen worden
-bij de dominé, en.... dat zou over een maand al wezen.
-
-Zoo’n onbescheidenheidje.... nou ja.... maar Pietje vond.... dat zij,
-als ze mevrouw was.... ’t nooit zoo ver had laten komen. Een onschuldig
-vrijagetje, dat had er nog door gekund. Maar, heî je nou ooit, zoo’n
-geschiedenis, en dan tegenover die goeie meneer!
-
-Weer verzonk Pietje in gepeins achterover in haar stoel, de eene
-hand—klein, maar met krootroode werkvingertjes—slap op de tafel voor
-zich, de andere in haar schoot.
-
-Die Rudolf was toch niet.... Nee.... meneer Van Breehorst heette....
-och, hoe heette die ook weer?.... O, ja, Frederik.... of eigenlijk
-Frits: zeker, ze had mevrouw wel ’s Frits hooren zeggen. Die kwam een
-poos geleden nogal veel in huis, en mevrouw mocht hem heel graag: o,
-zeker dat had ze wel kunnen zien. Ze was toen pas in dienst.... drie
-jaar geleden.... Maar dan dat kind.... Och, hoe kon ze nou zoo
-ezelachtig wezen....! Ja, maar die groote dames kunnen dat zoo mooi
-stilhouden.... en dan uitbesteden ergens.... dat kind.... en dat was
-toen gestorven.... Och nee, dat was toch „krimmeneel” onmogelijk: daar
-zou ze als kamermeid toch wel iets van gemerkt hebben.... ’t Is waar,
-mevrouw liet haar bij alle vertrouwelijkheid nooit in de badkamer, als
-ze daar bezig was met water te knoeien.... maar nou ja, je kunt zoo
-iets toch wel snappen.... Pietje kon zoo iets wel snappen.... Nee,
-Pietje wist te veel van mevrouw.... meer dan meneer, hoor. Nee, nee,
-nee, die veronderstelling was te gek. ’t Moest van vóor haar tijd
-wezen. Hoe zou ze daar licht in krijgen?.... Ze wou ’t toch zoo graag
-weten.... Niet om ’t een of ’t ander tegen mevrouw.... nou, dat moest
-er nog bijkomen; ze hield immers zooveel van mevrouw! Maar, och, zie
-je, ze.... ze.... nou ja, ze woû, ze moest en zou ’t weten....
-
-Pietje’s gepeins werd dieper, absorbeerender.
-
-Opeens sloeg ze op de tafel met haar kleine roode vuistje. Ze schrok er
-zelf even van.
-
-Die Rudolf.... wel, dat was die vriend.... nee, die neef van meneer,
-die jaren geleden naar „de Oost” gegaan was! Daar had je ’t! O, dat was
-het vast. Zeker, die heette Rudolf. Ze had er meneer wel ’s over hooren
-spreken. Meneer, ja, mevrouw niet. Nee, mevrouw had nooit iets van hem
-gezegd.... Laatst, ’t was voor eenige weken nog, had meneer een brief
-uit Indië gehad, van z’n broer—ja, van z’n broer, ze wist het nog
-goed—en toen had ie nog tegen mevrouw gezegd: „Hoe vreemd, nie waar,
-vrouwtje, dat we maar altijd niets van Rudolf hooren?”.... Ja, en toen
-zei mevrouw nog: „Ja, erg vreemd”—niet meer—en toen zei hij weer: „Ik
-had zoo gehoopt eindelijk ’s wat van ’m te hooren.” Ze herinnerde zich
-nog best dat ze juist wat in de huiskamer ronddribbelde, toen Mevrouw
-haar gebeld had, aan de koffietafel.
-
-Zeer tevreden over haar ontdekking klaarde Pietje’s gezicht weer op. O,
-maar, als ’t dàt was.... wel, recht beschouwd was ’t dàn toch zoo
-vreeselijk niet. De man was immers weg, heel ver weg. Ze wisten nie’
-eens waar-i zat. En ’t kind was ommers dood.
-
-Pietje vond telkens nieuwe bewijsgronden dat haar mevrouw toch nog niet
-zoo slecht was als ze gedacht had.
-
-Ze stond van haar stoel op, richtte zich naar de schoorsteen, reikte
-even naar ’t lijmpotje in de hoek op de richel. Daarna ging ze weer
-zitten, schoof de lâ van de keukentafel open, haalde er een stuk van
-een oude courant uit, en begon te plakken.
-
-Er ontbraken een paar stukjes hier en daar. Dat kwam er niet op aan,
-want de brief was toch goed in zijn geheel te begrijpen. Pietje begreep
-er genoeg van ten minste, en ’t was een kostbaar stuk. Ja, een papier
-van belang, dat besefte ze. Waar zou ze ’t bewaren? Hier in de keuken
-zeker niet.... nee, voor geen geld mocht Kee zoo iets zien: de zaak was
-ommers uit, heelemaal uit, en ’t was beter dat geen haan ernaar
-kraaide.
-
-En toch was mevrouw zoo boos geweest. Nu, dat begreep ze nu wel: meneer
-moest ook niet zulke ouwe koeien uit de sloot halen.... en dat had-i
-zeker erg onpleizierig gedaan. Meneer kon soms onpleizierig wezen,
-hoor. Niks nie vriendelijk, altijd zoo met die basstem, en dan hij
-lachte zoo weinig. Nee, als zij mevrouw was geweest.... zou ze toch ’n
-ander genomen hebben. En òf ze. Mevrouw hield toch ook zeker niet van
-hem. Ik had ’t altijd wel gedacht: hoe kon je nou ook van zoo’n saaie
-knul houden?
-
-Die lieve mevrouw....
-
-Pietje voelde zich een beetje aangedaan. Als ze ’s die’ brief aan
-mevrouw gaf.... O, mevrouw zou misschien even boos zijn, maar dan....
-per slot van rekening zou ze ’t toch wel prettig vinden dat
-ongelukspapier weer in haar handen te hebben. Ze kon ’t dan
-verbranden.... Ja, maar, was dat wel zoo zeker? Zou mevrouw niet
-furieus op haar zijn, omdat ze zoo brutaal geweest was die stukjes op
-te rapen, en de brief te lezen?.... Och, nee, ze woû ’t toch maar
-liever niet doen. Niet direkt ten minste. Eerst maar goed bewaren.
-Boven in haar „lâtafel”, haar heiligdom, daar zou ze ’t wegleggen, dat
-papier. Onder haar baaien rok.... nee, liever in de onderste lâ: daar
-kwam ze nooit in.
-
-Plotseling keek Pietje verschrikt op.... Wat was dat? Krimmeneel, is
-dat schrikken, en ’t was maar die lange sladood van een mevrouw Ennery:
-wat sloeg dat mensch op de piano!
-
-Pietje keek ’s op de klok rechts van haar aan de wand. Kwart over
-tienen al. O, Kee kwam pas over een kwartier of zoo.... Haar gedachten
-gingen een heel andere kant uit: uitgaan, haar vrijer.... of,
-vrijer.... eigenlijk had ze er geen.... of meer! Ja, ze wouen haar
-allemaal wel hebben, maar ze had haar woord....
-
-Weer een schrik.
-
-De deur ging open, en Kee stevende binnen, roodstralend van wangen, met
-glinsterende oogen.
-
-„Zoo, wat voer jij uit? Je zit zoo te koekeloeren....”
-
-Pietje stond doodsangsten uit. Opeens liet ze haar bovenlijf over haar
-legkaart vallen, en steunde haar hoofd met beide handen.
-
-„Och, ik heb slaap....”
-
-„Waarom ga je maar niet na’ bed?” zei Kee medelijdend en moederlijk.
-
-„Ja.... nu jij thuis bent.... Maar die mevrouw Ennery is nog niet
-weg.... Dat vervelende schepsel....”
-
-Kee verdween in de gang. Gelukkig. Ze had haar mantel nog niet
-uitgedaan.
-
-Fluks schoof Pietje het papier vóor haar in de lâ van de tafel. In
-vredesnaam: daar maar voorloopig. Er was niets anders op.
-
-Pietje ging naar bed, angst in ’t hart....
-
-Eerst anderhalf uur later hoorde ze Kee naar boven komen. En toen ze in
-’t kamertje naast haar Kee’s welbekend gesnurk hoorde—die meid sliep
-altijd als een roos, vooral na een uitgangsavond—kroop ze voorzichtig
-uit haar bed, schoot haar muilen aan, en sloop de trap af. Naar de
-keuken.
-
-Ze had ’t papier, hoor. Dat beroerde ding! Wat ’n angsten gaf haar dat
-nu al! Ze woû dat ze ’t nooit gevonden had. Ook toen ’t veilig in de
-onderste lâ van de bruine „lâtafel” lag; want slapen deed ze heel
-slecht die nacht. En droomen, nee’ maar!
-
-Ze was er de volgende ochtend kapot van.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
-Als men een fraaie fresco-schildering van een muur wegbreekt of
-afkrabt, blijft er een leelijke „moet” achter, iets dat het oog
-bizonder onaangenaam aandoet; en hij die weet wat vroeger daar tot
-verlustiging van de blik geschilderd was, voelt dan iets van de
-schrijning eener ontheiliging in zijn hart. Toch was die schildering
-slechts een sieraad, een bijkomend iets, en de muur zou evenzeer aan
-zijn eigenlijk doel beantwoord hebben zonder dat, en zal dat ook wel
-doen nadat het verloren gegaan is.
-
-Voor Larsen was zijn liefde schoon als zulk een fresco, maar ze was
-meer dan een sieraad van zijn bestaan, ze was daarmee vergroeid. En de
-wonde in zijn ziel geslagen na de plotselinge wegrukking dier liefde,
-was daarom vreeselijk.
-
-Larsen’s liefde was zijn gansche zieleleven: zijn godsdienst, zijn
-eerzucht, zijn geestdrift voor wetenschap en kunst.
-
-Zijn liefde was zijn godsdienst, omdat voor hem godsdienst de vereering
-was van al wat goed en schoon is. En in zijn Paula vereerde hij de
-belichaming van beide. Als hij zelf er zoo nuchter over had kunnen
-nadenken, dan zou hij ingezien hebben hoe dit verschijnsel bij hem
-slechts een andere vorm was van dat hetwelk men bij zooveel volken
-vindt: afgoden- en heiligendienst. De menschen, niet tevreden met het
-abstracte, willen verpersoonlijking, concentratie van vereering op een
-tastbaar voorwerp. Zijn aanbidding van die vrouw was te vergelijken met
-die van de stier Apis door de Egyptenaren of van Jan van Leiden door de
-Wederdoopers.
-
-Van ’t zelfde beginsel uitgaande, was echter zijn aanbidding vuriger en
-dus ook meer verblindend. En toen ’t licht plotseling uitdoofde, stond
-hij radeloos in ’t duister.
-
-Zijn liefde was zijn eerzucht, omdat hij zich geen geluk kon denken
-zonder zijn liefde, en alle streven naar geluk in dienst zijner liefde
-was. Zijn liefde maakte hem fier, staalde zijn werkkracht. En toen zij
-verdween, verzwond ook de lust, zweeg het „excelsior!” dat zijn liefde
-hem steeds had toegeroepen. En hij stond doelloos, verbijsterd,
-wezenloos.
-
-Zijn liefde was zijn geestdrift voor wetenschap en kunst; want deze was
-slechts éen uiting der levensvreugde die hem vervulde door zijn liefde.
-Waar zij niet meer zijn ziel doorjuichte, werd ook de geestdrift
-uitgebluscht, en leek hem mat en kleurloos wat hem zoo lang heerlijk
-had toegeschitterd.
-
-Zoo was dan zijn gansche innerlijke mensch geschokt, zijn zieleleven op
-het doode punt gekomen.
-
-Als een tastende in den blinde had hij naar een uitweg gezocht. En toen
-hij zich die afgesloten zag, was het of alles voor hem ophield. Dagen
-achtereen leefde hij voort in dof broeden, en zijn lichaam voldeed aan
-de eischen van zijn stoffelijk bestaan als een nachtwandelaar.
-
-Hij meldde zich ziek, en gaf zijn colleges niet meer. Hoe zou hij
-kunnen, mijn God, met zulk een hel in zijn hart, zulk een chaos in zijn
-hersenen!?
-
-Zijn ijzersterk gestel zwichtte ten slotte, en hij gaf zich geheel en
-al gewonnen, ook tegenover zichzelven.
-
-Op een morgen—een week na ’t vreeselijke tooneel met zijn vrouw—wilde
-hij opstaan; maar de inspanning was hem te groot, en hij zonk weer
-terug in zijn kussens, slap en machteloos. Hij was anders prompt om
-acht uur aan ’t ontbijt, zelfs in die zeven dagen van wanhoop....
-
-Om half negen verscheen Paula aan zijn bed. Hij was blijven slapen in
-de logeerkamer, en Paula had er zich niet tegen durven verzetten.
-
-„Ben je ziek?” vroeg ze toonloos.
-
-Hij antwoordde niet. Zijn oogen staarden haar aan. Hij lag achterover,
-’t hoofd midden op ’t kussen, zonder beweging.
-
-„Wil je niet wat gebruiken.... je ontbijt....? Zal ik ’t boven laten
-brengen?”
-
-Hij schudde het hoofd, even.
-
-Paula drong niet verder aan.
-
-„Wacht,” zei ze, en schoof een nachttafeltje bij ’t bed, „ik zal de
-meid boven sturen met een tafelschel. Als je dan wat noodig heb, schel
-je maar even.”
-
-Larsen knikte nauw zichtbaar, en Paula ging stil heen.
-
-Voor haar was de wending die de zaken genomen hadden niet onwelkom. Ze
-voorzag een ongesteldheid van eenigen duur. Larsen was anders nooit
-ziek, en een afwijking in zijn „automatische” levenswijze—stipt en
-geregeld met alles—scheen haar een zeker teeken van ernstige stoornis.
-Toch dacht ze geen oogenblik aan gevaar, en zou dit haar ook verre van
-gewenscht zijn voorgekomen: neen, waarvoor zou ze hem dood wenschen?
-
-Kon ze niet innig liefhebben, sterk haten was haar al even onmogelijk.
-Ze haatte hem niet. Ze wilde zijn herstel.
-
-En ze wilde daartoe meewerken. Ze wilde hem oppassen. Dat zou hem
-immers gunstig stemmen, en dan was er kans op verzoening. Dat was toch
-maar ’t beste: ze hield niet van zure gezichten en ruzie.
-
-En dan ze had een natuurlijke, men zou geneigd zijn te zeggen een
-dierlijke goedhartigheid, die haar er toe bracht met genoegen
-iemand—een medemensch—en zelfs een beest, kleine diensten te
-bewijzen,—goed te zijn in ’t klein. Trouwens ze deed alles in ’t klein.
-
-En dat ze hier een menschenhart vertrapt had, belette niet dat ze met
-pleizier lekkere schoteltjes voor de zieke wilde klaarmaken, uren bij
-zijn bed zitten, en hem in ’t algemeen behandelen wilde als een
-volmaakte verpleegster.
-
-Zoo deed ze.
-
-Haar eerste zorg was de huisdokter te raadplegen, haar tweede naar haar
-moeder te gaan, en in vredesnaam maar alles te vertellen. Ze kon dan ’s
-„vrij praten”, iets waar ze ten slotte toch naar verlangde. Dit bestond
-daarin dat ze op haar manier al het voorgevallene naar waarheid
-beschreef en besprak. Ze wou dat met niemand anders zoo doen, al was
-dan ook deze hartuitstorting verre van een volledige bekentenis met „de
-waarheid en niets dan de waarheid.” Neen, dat liet haar aard eenvoudig
-niet toe. ’t Was haar een behoefte te „borduren”—onoprechtheid was bij
-haar natuur en viel haar nooit zwaar, hoezeer ze ook in een oogenblik
-van hevige beroering zich en Larsen wijsgemaakt had dat ze uit
-zelfbedwang gehuicheld had in haar verhouding en gevoelens jegens hem;
-doch evengoed was haar een behoefte zich te uiten, hoe dan ook. Ze
-praatte veel, suggereerde zichzelf daarbij, en wist ook anderen
-meesterlijk de indruk te geven die zij wenschte te geven. Ze was een
-volleerde tooneelspeelster, zooals slechts enkele vrouwen, met hun
-fijnbewerkte zenuwen en wonderlijk plooi- en wisselvermogen, dat
-vermogen te wezen.
-
-Van haar moeder zou Paula waarlijk weinig raad te wachten hebben,
-aangenomen dat ze die verlangd had. De oude vrouw was een onbeteekenend
-menschje, vol bewondering voor haar dochter, een-en-al toegevendheid
-voor deze; zonder overtuigingen—behalve die dat Paula een buitengewone
-vrouw was, voor wie alles geoorloofd was, en dit alleen nog maar omdat
-de betoovering telkens en telkens vernieuwd werd—willoos en
-karakterloos; voor wie het leven éen lange dommel was, waaruit ze
-slechts nu en dan even wakker schrikte tot halve bewustheid.
-
-Larsen was altijd te gelukkig geweest om zich over de tekortkomingen
-zijner schoonmoeder te ergeren. Trouwens, ze was altijd „wel” met hem,
-zei nooit een onvertogen woord, en Larsen was in zijn oordeel over
-medemenschen steeds zóo zacht en verdraagzaam, dat hij tegenover
-Paula’s moeder moeilijk anders wezen kon: goedaardige menschen worden
-door ’t geluk edelmoedig, en hier maakte de uitstraling van Paula’s
-bekoring hem bovendien blind voor iemand die haar zoo na stond.
-
-De tijding van Larsen’s ongesteldheid met wat er aan voorafgegaan was
-wekte mevrouw Lindes op tot werkdadige hulp. Ze kwam op Paula’s wensch
-logeeren, en stond haar dochter dagelijks bij in de bereiding van
-bouillon, het verzinnen van nieuwe smakelijke schoteltjes—voor haar en
-voor „Willem”—en het gewone beheer in huis; zoodat Paula zich aan haar
-zieke wijden kon.
-
-„Zou je niet ’s?”.... stelde ze voor, en Paula zei:
-
-„Waar denkt u aan, moeder? Geen kwestie van, hoor,” en dan zij weer:
-
-„O, ik dacht maar zoo, zie je. Maar ’t is goed, kind.... Zeker je hebt
-weer gelijk....”
-
-Dan was haar regelmatig gezicht weer een en al sluimerglimlach, een
-uitdrukking die er vrijwel altijd op lag.
-
-Ze sprak zacht en gedempt, liet bij ’t spreken zelden haar mooie
-valsche tanden zien, en had iets afgemetens en slepends in al haar
-bewegingen en gebaren. In dit opzicht een tegenbeeld van de
-luidruchtige Paula met haar allegro-brioso-natuur. Deed Paula’s stem
-aan Rossini’s oppervlakkige dartelmuziek denken, haar moeders orgaan
-herinnerde in zijn uitingen aan een psalm die gezongen wordt in de
-protestantsche kerk.
-
-Toen de dokter kwam deed Paula ’t woord. Hij scheen Larsen’s toestand
-nogal ernstig te vinden. Na het bezoek aan de zieke bleef hij even
-praten.
-
-„Hevige gemoedsbewegingen, mevrouwtje?” vroeg hij nu.
-
-„Wat bedoelt u—hij? Larsen?”
-
-„Ja.... ik begrijp die plotselinge overgang niet best. Lichamelijk
-letsel is hem toch niet overkomen.”
-
-„Volkomen juist, dokter.... Hij heeft zich wat opgewonden over.... een
-kleinigheid....”
-
-„Erg opgewonden....”
-
-„Ja, eigenlijk wel. Dat is nu een week geleden....”
-
-„En in die tusschentijd?”
-
-„O, stil, ziet u.... in zichzelf gekeerd; veel meer dan anders....”
-
-„Hm. Oppassen, mevrouwtje. Sterk gestel, maar.... als die menschen
-eenmaal gaan sukkelen, kan ’t heel ernstig worden.”
-
-De huisdokter, een man van ongeveer Larsen’s leeftijd, had veel van de
-wereld gezien, en hij kende zijn menschen. Hij schoof dus een aandrang
-van gedachten als niet voor uiting vatbaar op zij, en zeî alleen nog
-maar:
-
-„Hij is in goeie handen bij u. U zal hem wel goed verplegen. En
-voorzichtig, nie’waar?”
-
-„Zeker, dokter, geen zorg,” zei Paula met een allerliefste lach.
-
-„Goed, goed. Ik kom van avond weer kijken. ’t Beste! Dag, mevrouwtje,
-dag mevrouw Lindes, tot ’t genoegen....” Weg was hij.
-
-„’n Vreemde dokter heb ik dat altijd gevonden, Paula,” teemde mevrouw
-Lindes. „Nou schrijft hij ook geen recept....”
-
-„Och, moeder, wat weet ú daar nou van? ’t Is een goeie dokter.”
-
-„O, ja kind—ik spreek je niet tegen.”
-
-En statig ging ze naar de keuken, om Kee over ’t eten te spreken. Paula
-ging weer naar de ziekekamer.
-
-In Larsen geen verandering. Hij sprak niet, en verlangde niets. Haar
-bijzijn scheen hem niet te hinderen, en evenmin te behagen. ’t Ontbijt
-stond onaangeroerd.
-
-Paula had haar boek meegebracht, en zette zich tot lezen. Wat de dokter
-gezegd had vervulde haar niet lang. Marcel Prévost wist haar spoedig
-belang te doen stellen in zijn „Jardin Secret”.
-
-Toen ze twee uur had zitten lezen, zonder een oogenblik gestoord te
-worden, keek ze nog eens naar de gestalte in ’t bed, zag dat Larsen
-eindelijk de oogen gesloten hield, en, tot het besluit komende dat hij
-sliep, stond ze met een zucht op en ging naar beneden.
-
-„M’n hemel, moeder, wat ’n zieke!” riep ze beneden in de huiskamer,
-waar de oude mevrouw druk in de weer was met de „koffietafel”.
-
-„Hoe zoo, kind?” zei deze, ’t hoofd even langzaam omwendend, en met
-haar gewone schaapachtig goedige uitdrukking.
-
-„Ik hoû ’t niet uit: Hij is gek, geloof ik.”
-
-„Wat zeg je?” Dit was geen vraag, maar een gewoon niets-zeggend
-antwoord van de spreekster.
-
-„Ik zeg wat ik zeg. Ik geloof dat-i gek wordt.... Dat zou ’t einde
-wezen van al dat gesuf in z’n boeken.”
-
-„Denk je dat heusch, Paula? ’t Zou misschien wel kunnen wezen.”
-
-„Nee, stellig.... De man doet niets dan staren, zegt niets, eet niet,
-drinkt niet, vertrekt geen spier in z’n gezicht. Ik heb ’t nog nooit
-zoo gezien.”
-
-„Zou hij ook een kop koffie willen hebben? Zou dat ’m niet goed doen?”
-
-Paula antwoordde niet, maar keerde zich driftig om:
-
-„Kom, moeder, laten we maar aan tafel gaan.”
-
-„Och, ik dacht maar zoo....” zeî moeder vergoelijkend, en nog in
-dezelfde gedachtengang.
-
-Paula schoot in een lach.
-
-„U dacht, u dacht, u denkt veel te veel, moeder! Ha! ha!”
-
-Haar overborrelende levenslust had ’t weer gewonnen; ze moest weer
-spotten en lachen.
-
-„Stel je voor!” riep Paula, bezig met haar eerste broodje te smeren.
-
-„Wat, kind?”
-
-„Dat hij ’s gek werd. Een prettig vooruitzicht!”
-
-„Maar je zou ’m toch niet in huis houden.”
-
-„Naar Meerenberg zenden?”
-
-„Vin je niet?”
-
-„Ik denk er niet over. Ik zou ’m hier houden. Natuurlijk! Zou u ’t niet
-gezellig vinden een gekke schoonzoon te hebben?”
-
-Mevrouw Lindes’ gelaat was éen vraagteeken.
-
-„Nou?” drong Paula.
-
-„Och, zie je, niet erg.... Maar, als jij ’m in huis wil houden.”
-
-„Als Willem gek wordt, is hij zeker niet kwaadaardig. Mijn goeie
-zooltreder kan niet anders dan een bizonder mak gekje worden, en zoo
-iemand is een juweel van een man, en een puikje van een schoonzoon:
-nooit klachten, nooit ruzie.... Nou u, moeder?”
-
-„Ik weet niet, kind; maar als jij ’t zegt.... Mijn man die dood is, jou
-goeie vader, was wel lastig—dat is zoo—maar....”
-
-„U had toch liever niet dat hij gek was geweest.... Groot gelijk,
-moeder. U is toch een brave ziel. Gelooft u nu vast dat ik dat alles
-zooeven gemeend heb? Och kom! ’t Komt terecht, hoor. Gek! Geen idee
-van.”
-
-„’t Doet me heusch pleizier, kind.”
-
-Mevrouw Lindes lachte schaapachtig, en sliep weer in.
-
-Ondertusschen was Paula lang niet zoo zeker van het „terechtkomen” in
-kwestie, als ze wel voorgaf te wezen, en onwillekeurig dacht ze verder
-door over de mogelijkheid van verstandsverbijstering bij Larsen. ’t
-Vooruitzicht lachte haar niet toe; want ze had vast geloofd aan een
-volkomen herstel der betrekkingen met hem, en een terugkeer van de oude
-toestand. Dan, ze wenschte hem niets kwaads, ja ’t zou haar in alle
-oprechtheid leed doen als zulk een ramp hem zoo plotseling alle verder
-geluk onmogelijk zou maken. He, nee, ’t was akelig, griezelig, zoo
-iets.... Ze wilde aan wat anders denken.
-
-Met ongeduld wachtte ze die avond op de dokter. Larsen had weer niets
-willen eten, had ook geen woord gesproken, zelfs geen klaaggeluid doen
-hooren. Ze werd er wee van het aan te zien. Had hij geslapen? Ze wist
-het niet.
-
-De arts vond de zieke lang niet bevredigend, wist nog niet wat te
-denken, maar zeide weinig of niets. „Rust.... en nog eens rust.” Hij
-beloofde de volgende dag terug te komen.
-
-Zoo ging het dagen achtereen, alleen met dit verschil, dat de patiënt
-de tweede dag wat at, telkens weinig en machinaal, na herhaald
-aandringen. Hij sliep veel en onrustig, droomde of ijlde—soms moeilijk
-te onderscheiden; want zijn gansche toestand leek éen verdooving.
-
-Wat hij sprak liep steeds over ’t zelfde: Paula, zijn echtscheiding,
-haar ontrouw, zijn kind. En, hoe verward de woorden ook waren, Paula
-bemerkte duidelijk hoe steeds deze éene gedachte hem door ’t hoofd
-gespookt had: de onherstelbaarheid hunner breuk. Zoo, hij had dus ook
-die zeven voorafgaande dagen steeds dat denkbeeld gehad, dacht ze, en
-ze voelde zich teleurgesteld: ze had zich zijn zwijgen gedurende die
-dagen als een gunstig overgangs-tijdperk voorgesteld! Nu was ze
-voorzichtig genoeg te zorgen, dat er geen getuigen waren bij die al te
-openhartige uitingen. De dokter kwam telkens maar even. Hij zeide iets
-van „cerebralis” en van „stupor”, herhaalde zijn rustvoorschrift, en
-liet verder alles op zijn beloop. Haar moeder hield ze zorgvuldig
-buiten de ziekenkamer, en deze vond ’t veel te aangenaam Paula’s
-weelderige huishouding te besturen, om in dit verbod iets hinderlijks
-te vinden, verondersteld al dat ze ooit iets hinderlijk vond wat van
-haar dochter uitging.
-
-Wat Paula trof in Larsen’s ijlen was een verward plan om te vluchten
-samen met Didi, ver weg, als eenige uitredding; en telkens had hij ’t
-over een huisje waar ze samen woonden, vader en dochter elkaar
-vertroostend in de eenzaamheid....
-
-Hij had dus over zóo iets gedacht? Dat moest dan wel: hoe kwam hij er
-anders aan? In zoo’n geval zou zij er al heel leelijk aan toe zijn....
-
-Bij háar was de mogelijkheid van zulk een vlucht nooit opgekomen:
-verbeeld je, hij, die doodgoeie prozaïsche Larsen! ’t Was al te
-romantisch. En hij zou ’t slim moeten aanleggen ook, dat zij ’t niet
-merkte.... Maar toch.... juist omdat ze zoo iets nooit vermoed had, zou
-’t hebben kùnnen gebeuren.... Goed dat ze nu gewaarschuwd was. Ander
-gevaar had ze nooit gevreesd. Haar uitlatingen waren immers zonder
-getuigen gesproken: hij had er toch geen gebruik van kunnen maken....
-
-Zoo had Paula stof te over om na te denken, terwijl ze haar zieke
-oppaste.
-
-Het denkbeeld om Van Thiemen in de arm te nemen, dat door Larsen’s
-schijnbaar onderworpen houding op de achtergrond gedrongen was,
-vertoonde zich weer: ja, van die kant was wel hulp te wachten, als ze
-’t maar handig aanlegde. En handig wàs ze! Ze was een van die vrouwen
-die een aangeboren takt schijnen te bezitten voor alles wat ze
-ondernemen. Iedereen nam ze met de grootste gemakkelijkheid voor zich
-in. Daarbij een aan ’t naïeve grenzende natuurlijkheid—bij háar hoogste
-kunst—die niemand eenige valschheid deed vermoeden, ja menigeen iedere
-verdenking daarvan met verontwaardiging van zich deed werpen.
-
-Ja, ze moest naar Van Thiemen, en zoo spoedig mogelijk. Ze kon nu
-moeilijk hem bij zich aan huis ontvangen. De aanwezigheid van de zieke
-in huis zou onwillekeurig een drukkende invloed op de stemmingen
-uitoefenen—bij Van Thiemen echt, bij haar als gedwongen fraaiigheid.
-
-Lukte haar opzet bij hem niet—’t kon gebeuren, ofschoon ze er al heel
-weinig bang voor was—wel, dan zou ze zelf zien te handelen. In alle
-geval kon Van Thiemen haar wel van raad dienen, al wilde hij niet
-daadwerkelijk helpen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
-Paula liet geen gras groeien over wat ze zich voornam.
-
-Voor ’t bezoek aan de rechtskundige raadsman koos ze de avond. ’s
-Avonds, na het diner, is de beschaafde mensch gewoonlijk het best
-gestemd en ’t meest vatbaar voor indrukken, en hier hing het welslagen
-der onderneming van beide factoren af.
-
-’s Avonds alleen op bezoek te komen bij een vrijgezel vond ze in dit
-geval verre van ongepast: Van Thiemen was de vriend van haar man, en,
-nu deze ziek was, lag daarin voldoende verontschuldiging voor haar om,
-na een dag van trouwe oppassing, ’s avonds van een oogenblik van vrijaf
-gebruik te maken. Bovendien, al zeî de wereld ook iets—ze maalde er wat
-om: zij verkoos zoo te handelen, en daarin voelde ze zich als een
-vorstin: zij gaf aan wat behoorlijk was, en liet het aan anderen over
-slaafs een anders opinie te ontzien.
-
-Ze belde aan, en trof Van Thiemen thuis.
-
-’t Bezoek viel hem op als ongewoon, hij dacht aan kwade tijding van
-zijn vriend. Begeerig de reden van haar komst te vernemen, zette hij
-zich over een gevoel van tegenzin heen. En met zijn gewone
-hoffelijkheid ontving hij Paula in zijn salon.
-
-Zij zat er toen hij binnenkwam. Zij voelde er zich behagelijk: ’t was
-er zoo recht gezellig en smaakvol: geen wansmaak en overvulling zooals
-ze bij zooveel anderen—collega’s van haar man bijvoorbeeld—waargenomen
-had. ’t Was duidelijk dat hier de salon geen pronkkamer was, waar
-alleen Zondags en anders bij buitengewone gelegenheden de huisbewoners
-durven zitten, en waar in de tusschentijd muffigheid en koude
-ongezelligheid heerschen. Evenals in zijn studeerkamer had Van Thiemen
-hier een harmonisch gemeubeld, behangen en versierd vertrek ingericht.
-Hier was alles lila en wit, behalve het mollige tapijt en de gordijnen
-die havana-kleurig waren. De piano stond dwars, en was eveneens
-gedrapeerd in die kleuren. Het daarachter gevormde hoekje had een tegen
-de muur staande hoekbank, lila-en-wit-geverfd hout. Een dergelijke
-bank, maar grooter, liep links en rechts van de andere hoek aan
-dezelfde wand; terwijl tegenover den achterkant der piano een zwarte
-standaard met een fraai wit beeld—een buste—prijkte. Een groote spiegel
-met witte lijst boven de schoorsteen, waarop een bronzen beeld met
-uurwerk. Daarnaast en bij de andere hoek een sierlijke palm. Een enkel
-doek op een ezeltje tusschen de beide vensters, verder een tafeltje met
-weinig stoelen en fauteuils. Eindelijk drie groote aquarellen met witte
-lijsten—alle drie heerlijke bloemstukken van groote meesters—en een
-elektrische lamp met licht-lilakleurige lelievormige pitten.
-
-De suite-deuren waren dicht. In den grooten haard brandde een klein
-vuur van briquetten. Een zachte flauwdoorgeurde temperatuur vervulde
-het vertrek.
-
-Paula had net een blik in de spiegel geslagen, en zich overtuigd dat ze
-er bekoorlijk uitzag, toen de deur openging.
-
-„Mevrouw!” zei Van Thiemen met zijn stem vol mollige buiging. „Waarmee
-kan ik U van dienst zijn? U is wel, hoop ik?”
-
-„O, meneer Van Thiemen, dank u. Hoe maakt u ’t?”
-
-„Een beetje druk, mevrouw, overigens volkomen gezond.”
-
-„Ik kom u niet lang ophouden,”—een lachje—„ik heb uw raad noodig. En, u
-begrijpt”—dit met neergeslagen blik—„overdag geeft mijn man me te veel
-te doen, om aan uitgaan te denken. Daarom kom ik op dit ongewone uur.”
-
-„O,” zei Van Thiemen, die inmiddels plaats genomen had—zij op een
-hoekbank, hij ervóor—„dat maakt niets uit. Hoe is ’t met de zieke?”
-
-„O, dat gaat, dank u. Ik hinder u dus niet?”
-
-„Ik heb zelfs liever dat u ’s avonds komt: dan ben ik meestal thuis.”
-
-„Erg druk tegenwoordig, meneer Van Thiemen?”
-
-„Och, dat schikt. Ik ben veel in Den Haag. Koninklijke Bibliotheek,”
-liet hij volgen, als achtte hij noodig deze verklaring te geven.
-
-„Ook al studies, net als Larsen?”
-
-„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” Van Thiemen draaide zijn knevel op en
-keek in de lucht. „’t Hoort zoo bij ’t baantje—bij ’t „prof” zijn!”
-
-Hij lachte even. En zij vleiend en ondeugend:
-
-„Nu ja, prof en prof is twee. U is geen professor in de eigenlijke
-beteekenis.”
-
-„Och kom, mevrouw!”
-
-„Natuurlijk niet, en dat weet u zelf ook wel. Om te beginnen kleedt u
-zich te goed, en dan is u in ’t algemeen niet aartsvervelend. Dames
-kunnen daarover oordeelen.”
-
-„Ik neem ’t laatste aan, ofschoon ik ’t compliment—hoezeer ook met
-erkentelijkheid aangehoord—niet zoo grif aanvaarden kan.”
-
-„Larsen bij voorbeeld is vervelend.”
-
-„ ! ”
-
-„U kent hem. O, maar ik heb u nog niet goed verteld hoe ’t met hem is.”
-Ze had hem nooit doen weten dat er eenig gevaar bestond, en wilde dat
-ook nu niet doen. „Hij is iets beter, eet ten minste weer.”
-
-„Wel, ik verheug me ’t te vernemen.”
-
-„Hij had zich wat overspannen.”
-
-„Ja? Hij werkt veel....”
-
-„Ja, en.... dan,” weer met neergeslagen blik, „we hebben een verschil
-van gevoelen gehad, voor ’t eerst van eenigszins ... ernstigen
-aard....”
-
-„Zoo.” Van Thiemen vond de wending in ’t gesprek onaangenaam.
-
-„Hij heeft zich bizonder opgewonden, sprak zelfs van scheiden.”
-
-„Jawel, hij heeft er mij iets van gezegd.”
-
-„Nu, ik geloof dat de zaak wel terecht zal komen, o zeker, want ’t sop
-is de kool niet waard. Nee,” en ze hief ’t hoofd op, „ik zou te
-ongelukkig zijn als ’t ooit zoover kwam tusschen ons.”
-
-Van Thiemen zweeg, bewonderde haar komediespel.
-
-„Nee, trouwens zoo iets is immers onmogelijk. Er is niets....”
-
-„Zoo.”
-
-„Nee, volstrekt niets. En waarom zou hij dan scheiden? Gesteld—’t is
-eigenlijk te dwaas ’t te veronderstellen—gesteld ’s dat hij ’t wilde,
-zou hij ’t immers toch niet gedaan kunnen krijgen. Als men een kostbaar
-bezit heeft,”—ze zuchtte—„is men soms overdreven bang het te verliezen.
-Mijn huiselijke vrede—nu zooveel jaren bewaard!”
-
-„Als er geen redenen zijn, ook geen gefingeerde....”
-
-„Gefingeerde, wat wil u zeggen?”
-
-„Als nu hij er eens op stond van u gescheiden te worden, en een
-gefingeerde schuld op zich nam.”
-
-„Ja, àls hij dat deed, en als ìk daarop een eisch instelde. Te dwaas om
-aan te denken! Maar ik laat dat daar. Larsen doet zoo vreemd in de
-laatste tijd, dat ik soms....” Ze aarzelde.
-
-„Aan zijn verstand twijfel?” vroeg Van Thiemen verwonderd.
-
-„Om de waarheid te zeggen, ja. Ik vrees een dwaasheid—een vlucht of zoo
-iets, met mijn kind....” ’t Kwam er zenuwachtig uit, vol angst.
-
-„Och kom, mevrouw: Larsen, zoo’n nuchter bezadigd mensch! Is er dan zoo
-iets vreeselijks gebeurd? U verschoont me dat ik ’t zeg, nie’waar? U
-heeft mijn raad noodig, en dan mag ik wel vrijmoedig spreken.”
-
-„O zeker. Ja, er is wel veel naars tusschen ons voorgevallen, maar,
-ziet u, hij is zoo overgevoelig en ik—zeg zooveel in mijn drift waar ik
-niets van meen.” Ze lachte bekoorlijk.
-
-„U heeft dus dingen gezegd.... ja, ja, waardoor hij aan zoo’n dwaasheid
-zooals u zegt, denkt?”
-
-Paula had zoo graag vernomen of Larsen alles gezegd had, dat wil zeggen
-alles van na haar handtastelijkheid. Dat hij van ’t eerste hevige
-tooneel tusschen hen gesproken had, wist ze vrij zeker. Maar de
-bizonderheden? Van Thiemen doorzag haar, en liet zich niet uithooren.
-
-„Ja, maar hij neemt alles overdreven op. Ver overdreven! Er is niets
-onherstelbaars. En.... zijn vrouw houdt van hem....” ’t Laatste werd op
-droevige toon met neergeslagen blik uitgesproken.
-
-„’t Is voor mij erg moeilijk, mevrouw. Zoo lang ’t op rechtskundig
-gebied blijft kan ik u van raad dienen; maar overigens.... U weet wat
-de Franschen zeggen: „entre l’écorce et le bois il ne faut jamais
-mettre le doigt.””
-
-„Kom, dat zeggen al te voorzichtige menschen, niet u, die een goed
-vriend van Larsen is, en ook voldoende vriendschap voor mij heeft om
-mij geen dienst te weigeren....”
-
-Ze keek hem met fluweelige streeling aan. Ze was bizonder mooi die
-avond, met haar donkerbruin mantelpakje en haar Cleo-de-Mérode-kapsel.
-
-„Ik geloof dat ú nu „overdreven” is, mevrouw. Larsen zal zoo iets niet
-doen.”
-
-„Heeft hij u niets gezegd?” Komaan, ze waagde het ronduit de vraag te
-stellen.
-
-„Van vluchten? Hij is te verstandig om zoo iets zonder goeie redenen te
-ondernemen.”
-
-Paula zette haar eene voetje over ’t andere, als afleider voor een
-hartgrondig stampje, dat ze op de grond had willen doen.
-
-„Goed, maar ìk ben er bang voor. En ìk ben bang voor groote
-verwijdering tusschen ons.... U kan daar ’t uwe aan doen. Larsen houdt
-van u: u heeft vat op hem, meer als iemand anders. Raad u hem ten
-goede....”
-
-„Dat heb ik gedaan, mevrouw. En wat ik tot zijn bestwil nog verder
-raden kan, zal ik niet nalaten te doen. Geloof u me vrij.”
-
-Zoo’n slimmerd! dacht Paula: zoo’n raad kon even goed tegen haar
-gericht wezen. Maar.... zou dat wel? Had hij iets tegen haar? Ze had
-zich altijd verbeeld dat hij tot haar stille aanbidders behoorde, dat
-hij alleen daarom niet méer voor den dag was gekomen, omdat zij hem
-geen voet gegeven had. Had ze maar éen vinger uitgestoken.... Hij was
-immers altijd zoo voorkomend, zoo echt hoffelijk geweest. Misschien had
-Paula geen gelegenheid gehad Van Thiemen’s houding tegenover andere
-dames waar te nemen, anders had ze zeker spoedig gezien, hoe weinig al
-die hoffelijkheid beteekende. Van Thiemen was nu eenmaal hoffelijk
-jegens iedere dame; en eerst dan maakte deze nietszeggende
-uiterlijkheid plaats voor degelijker sympathie-betuiging wanneer hij te
-doen had met een vrouw voor wie hij groote achting gevoelde. En zoo
-iets kwam zelden voor. Hij hield van de vrouwen, maar vreesde al te
-groote toenadering: zijn feminisme hield er zulk een hoogstaand
-vrouwen-ideaal op na, dat de meeste vrouwen hem slechts aantrokken als
-belangwekkend studiemateriaal. Slechts enkelen hadden het vermocht hem
-op andere, inniger wijze te boeien. Hij had eens werkelijk liefgehad,
-jaren geleden; maar sinds de dood van het meisje zijner keuze had geen
-vrouw de leege plaats in zijn hart kunnen innemen. Zijn hoffelijkheid
-diende hem als schild, dat alle intiemere aanrakingen afweerde; dat
-tevens wonderwel zijn eigen gevoelens over deze of gene zijner
-vrouwelijke kennissen verborg. Zoo ook tegenover Paula. Zij had nooit
-kunnen merken hoe een aanvankelijke genegenheid al heel spoedig had
-plaats gemaakt voor onverschilligheid en zelfs voor antipathie.
-
-Toch ging zijn neutrale vriendelijkheid—om ’t zoo eens te noemen—niet
-zoo ver dat hij in echte huichelarij verviel. Zoodra het op daden
-aankwam, zoodra belangen van eenige beteekenis op ’t spel stonden, zou
-hij niet aarzelen zijn ware gezindheid volkomen duidelijk te toonen,
-hoe onaangenaam hij dit zelf ook mocht vinden.
-
-Hij vreesde dat zulk een zeldzaam geval zich thans zou voordoen, en hij
-gedwongen zou wezen kleur te bekennen.
-
-Paula begon te weifelen. Ze bedacht zich even, en zeide toen:
-
-„Ik zou u willen vragen wat meer bij ons te komen. We hebben u in dagen
-niet gezien.... Maar ik ben bang dat u ’t te druk heeft....”
-
-„Ik wou juist dezer dagen eens naar Larsen komen kijken. Ik hoorde
-gisteren pas dat hij ziek was.”
-
-„O, Larsen mag niemand bij zich ontvangen, behalve mij,” zei Paula
-snel. „Maar,” liet ze volgen, „u kan daarom toch wel komen. Moeder ziet
-u ook graag. Die logeert bij ons, om me te helpen.”
-
-„O, als ik kan, zal ik niet nalaten te komen. Zoo, is mevrouw uw moeder
-bij u? Is mevrouw wel?”
-
-„Dank u. Ik mag dus op u rekenen? U weet niet hoe’n groot genoegen u
-ons doet, ook Larsen, al kan hij u ook niet spreken.... Als hij merkt
-dat u mij dezelfde vriendschap toedraagt als te voren, zal hem dat
-zeker gunstig stemmen....”
-
-Van Thiemen bepaalde zich tot een beleefde glimlach.
-
-„Dus,” zei Paula, opstaande, half als ongeduldsuiting, half omdat ze
-inzag dat ze niet verder kwam, „u komt gauw ’s aanloopen? Aan de thee
-vindt u ons altijd.”
-
-„Ik zal ’s zien wat ik doen kan, mevrouw.” Hij stond eveneens op.
-„Intusschen dank voor uw vriendelijkheid. Maar, u weet hoe druk ik ’t
-heb.... Wil u wel mijn eerbiedige groeten aan mevrouw uw moeder doen,
-en ook Larsen beterschap voor me wenschen?”
-
-Hij bracht haar naar de gang, hielp haar met haar mantel, en geleidde
-haar naar de voordeur.
-
-„Tot ziens, meneer Van Thiemen!”
-
-„Mevrouw,” zei Van Thiemen, boog en sloot de voordeur.
-
-Op straat stootte de schoone avondbezoekster een hartgrondig diepe
-zucht uit, en stapte met driftige pasjes, niet in de richting van haar
-huis, dat in de buurt lag, maar verderop de straat in.
-
-Ze keek op haar horloge bij een lantaarn: kwart voor acht.
-
-Gelukkig, ’t was nog vroeg. En Larsen zou nog wel slapen. Hij sliep
-toen ze uitging.
-
-Toen ze aan de schel trok van een groot huis op een der grachten,
-bonsde haar hart zoo hevig, dat ze zich geweld moest aandoen om op
-kalme toon aan de meid te vragen, of mevrouw Boudewijns en de jonge
-meneer thuis waren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
-Mevrouw Boudewijns was een deftige dame. Ze was meer dan dat. Ofschoon
-zelf van een zeer gewone burgerlijke familie—haar vader was indertijd
-(lang geleden) Deensch scheepskapitein, en had zich later, door
-eerlijke en smokkel-handel rijk geworden, te Amsterdam gevestigd—had ze
-van haar vroege jeugd af steeds iets in haar voorkomen en in haar
-manieren gehad dat haar distinctie gaf boven haar omgeving. Haar
-zusters noemden haar „de prinses”. Ze was bovendien mooi. ’t Een en
-ander, gevoegd bij haar niet verwerpelijke bruidschat, bezorgde haar
-toen ze nog zeer jong was een rijk koopman als echtgenoot, en toen deze
-na eenige jaren overleden was, en zij zelf meer besef kreeg van haar
-waarde en aanspraken, een aristokraat met geld en positie. Haar eenig
-overgebleven zoon uit het eerste huwelijk—haar man was aan tering
-gestorven en ook twee van zijn drie kinderen bij haar—volgde spoedig na
-het heengaan van zijn stiefvader, het voorbeeld van zijn levengever.
-Was Boudewijns al een grijsaard, Bertus was juist drie-en-twintig toen
-hij bezweek. Zijn moeder had hem verafgood, en ’t gevolg was geweest
-dat de jonge man een zwakkeling werd zonder ’t minste
-weerstandsvermogen, noch lichamelijk, noch zedelijk of verstandelijk.
-Reeds zeer jong had hij ’t leeren opgegeven, was steeds sukkelend, en
-ging zich in zijn gezonde perioden braaf te buiten aan alles waaraan
-een rijk jongmensch zich maar te buiten kan gaan.
-
-Voor de tweede maal weduwe op vijf-en-veertigjarigen leeftijd zou ze na
-de dood van haar Bertus alleen op de wereld gestaan hebben, als ze niet
-uit haar huwelijk met Boudewijns een zoon gehad had. Aan deze kon ze
-zich thans met hart en ziel wijden. Waarschijnlijk zou ook deze
-jongen—toen dertien jaar oud—geheel verweekelijkt zijn, als zijn
-gezonder gestel en vaster karakter, beide van zijn vader geërfd, hem
-niet te stade waren gekomen. Inplaats van een lammeling, zooals zijn
-stiefbroer geweest was, werd hij eenvoudig een braaf moederskindje. Hij
-leerde goed, leek op zijn moeder, had dus een gedistingeerd voorkomen,
-en gaf zijn moeder alle reden tot tevredenheid. Was de stiefbroer
-knorrig en soms onhandelbaar geweest, hij was gewoonlijk vroolijk en
-gezeggelijk. Trouwens, dit laatste wilde bij een vertroetelende moeder
-als mevrouw Boudewijns maar weinig zeggen: de jongeheer Boudewijns was
-erg vroeg wijs, en ’t duurde niet lang of mama luisterde aandachtig
-naar den ouwelijken praat van zoontjelief. Toen hij zestien was leek
-hij twintig. Mama bewonderde hem, vroeg hem raad, en verdubbelde haar
-zorgen om hem het leven zoo aangenaam mogelijk te maken.
-
-Deze bezorgdheid voor zijn geluk openbaarde zich ook in haar
-angstvallig waarnemen der eerste uitingen zijner ontwakende
-mannelijkheid met betrekking tot de andere sekse: zijn verliefdheden en
-hofmakerijtjes. Ze bleef op de hoogte; wist ook zijn vertrouwen te
-bewaren, en zoo was er niets in Adolf’s gemoedsleven dat haar aandacht
-ontsnapte. Maar zou dit zoo blijven? Zou ze zóo lang zijn schreden op
-’t goede pad kunnen houden—onder haar waakzaam oog hem kunnen behoeden
-voor uitglijden in de modder of verongelukken in een poel—tot hij
-veilig aangekomen was waar ze hem zoo spoedig mogelijk hebben woû: in
-’t heilige huisje van ’t huwelijk?
-
-Tusschen dat doelwit van haar moederlijk streven en de eerste
-jongelingsjaren lag immers een gevaarlijk stuk weg: de studententijd.
-Want de veelbelovende Adolf moest studeeren, en een graad halen evenals
-papa, liefst in de rechten. Dat was deftig, aristokratisch; bovendien:
-met geld en een meesterstitel—dat wist ze—kwam men ver in ’t lieve
-vaderland.
-
-De jonge Boudewijns met zijn fijne gezichtje en schrandere oogen kwam
-met zijn moeder naar de academie-stad, waar de familie Larsen woonde.
-Adolf zou bij zijn moeder blijven wonen, en er bovendien een
-studentenkamer op nahouden: zoo kon hij meedoen aan alle pretjes, en
-hoefde zijn moeder niet te storen wanneer hij laat thuis kwam.
-
-Op een avondpartijtje bij een professor ontmoette de jonge student voor
-’t eerst het echtpaar Larsen. De kennismaking, ook met mevrouw
-Boudewijns, leidde weldra tot een vriendschappelijke omgang.
-
-Met haar gewone scherpziendheid in alles wat het doen en laten van haar
-Dolf betrof had de waakzame moeder onmiddellijk meer dan gewone
-belangstelling bij hem opgemerkt voor de persoon van Larsen’s innemende
-vrouw. De jongen was verliefd, dat zag ze duidelijk.
-
-Hoe moest ze hier, waar ’t inderdaad geen kalverliefde meer was, als
-moeder optreden, zoodat haar Dolf beschermd bleef voor gevaar?
-
-Een zeker teeken voor haar, dat thans eindelijk werkelijke hartstocht
-in ’t spel was, zag de scherpzinnige waakster in Dolf’s
-geheimzinnigheid. Hij sprak niet over wat zijn gemoed beroerde tot de
-leidsvrouw en raadgeefster zijner jeugd, ontweek iedere
-vertrouwelijkheid die tot een bekentenis zou leiden, ging niet in op
-toespelingen, maakte zich zelfs herhaaldelijk boos wanneer zijn moeder
-liet merken dat ze op de hoogte was. Was het misschien zoo omdat de
-jongeling zich eigenlijk schaamde dat hij verliefd was op een getrouwde
-vrouw, en nog wel eene die bijna zijn moeder kon wezen? Och, hij was te
-veel bedorven kindje, had te veel geleerd dat wat hem aangenaam was ook
-goed moest wezen, dat hem te dien opzichte gewetens-aanvechtingen
-zouden kwellen. Dat wist mama ook wel. Zijzelf was in haar opvattingen
-lang niet streng. Neen, hier had ze te doen met het gewone verschijnsel
-bij echte, diepe hartstocht bij een man: die schuwt bemoeienis van
-derden.
-
-Maar mama móest zich hier met de zaak bemoeien. De kwestie was hoe ze
-dit op de meest kiesche, voor hem minst hinderlijke en in de gevolgen
-heilzaamste wijze doen kon.
-
-Zij kende haar wereld te goed om niet spoedig te zien dat de mooie
-mevrouw Larsen wel gediend was van de vurige, schoon ietwat linksche
-hofmakerij des jeugdigen Minerva-dienaars. Ze voorzag dat, als zij de
-zaken op hun beloop liet, de twee minnenden elkaar al heel spoedig
-„gevonden” zouden hebben. Doch hieraan waren gevaren verbonden: Dolf
-was zoo jong en onervaren, zou onvoorzichtig wezen, zich
-compromitteeren, haar compromitteeren, en—nog erger—misschien zijn
-ongeluk bewerken. Die Larsen kon vermoedens krijgen.... Hij zag er wel
-wat sullig uit, maar nu ja.... waar men aan ’t wijfje komt, wordt het
-goedigste beestje wel ’s woest.
-
-Om te beginnen wist mevrouw Boudewijns het daarheen te leiden dat de
-ontmoetingen der twee koerenden zooveel mogelijk bij haar aan huis
-plaats hadden: de fatale samenkomst, waar ’t op uitliep, zou dan ook
-wel in dat veilige oord tot stand komen.
-
-De zorgzame moeder zuchtte vaak in deze tijd: ze had ’t wel anders
-willen hebben, ze had Dolfje zoo gaarne afgehouden van die
-allerintiemste omgang met de vrouw die zij hem slechts in ’t huwelijk
-van ganscher harte gunde. ’t Huwelijk was fatsoenlijk, veilig;
-daarbuiten loerden schande, ziekte en ongeluk. Maar, och, in
-vredesnaam, een jongmensch is een jongmensch, en ’t is zoo moeilijk
-voor een moeder om al zijn gangen te bespieden, hem te beletten te
-nemen wat zoovelen—bijna allen—immers nemen! Neen, ze moest van de nood
-een deugd maken. Dolf was tot nu toe verschoond gebleven van alle
-lichtmisserij—o, dat wist ze zeker, in dat opzicht was hij „zoo
-onschuldig als een pasgeboren kind”—nu ’t onvermijdelijke einde zou
-komen, wel, nu was deze minnarij toch nog de verkieslijkste. Mevrouw
-Boudewijns waakte immers ook over Dolfje’s gezondheid, en dan was
-Paula.... nee, heel wat anders dan „zoo’n slechte meid”. Foei, ze
-huiverde er van: je kon nooit weten, he? En dan toch ook: beter met
-zoo’n beschaafde, lieve dame dan met een dienstmeisje bij voorbeeld;
-immers ook voor de mogelijke gevolgen.
-
-Alles ging naar wensch.
-
-Na drie maanden omgang was mevrouw Boudewijns de moederlijke vriendin
-van Paula, nu als zoodanig bij Larsen erkend. Haar waardig voorkomen en
-innemende, zachte manieren hadden Larsen zeer aangetrokken, ja, weldra
-zag hij in haar wat hij zoo lang voor zijn Paula verlangd had te
-bezitten: een goede vriendin, die door leeftijd en ernst van karakter
-een gunstig overwicht op haar zou kunnen doen gelden.
-
-De omgang met de luidruchtige, leeg-rammelende Margot Ennery, was de
-bedaarde degelijke geleerde maar half welkom. ’t Was goed dat daar een
-andere invloed tegenover stond: wijze raad, moederlijke leiding. Och,
-Paula kreeg die zoo weinig van haar eigen moeder, en de zijne was sinds
-jaren dood....
-
-„’t Is merkwaardig zoo spoedig als Paula uw vertrouwen gewonnen heeft!
-Zij is ook erg met ú ingenomen,” zei Larsen op een dag toen mevrouw
-Boudewijns bij hem op bezoek was, en Paula toevallig niet in ’t vertrek
-was.
-
-„Och, ja, wie zou ook niet met uw vrouwtje ingenomen zijn, meneer
-Larsen!” zei de deftige dame beschermend. „Ik mag haar als mijn eigen
-dochter. Ze moet maar heel veel bij me aan huis komen. Ze is altijd
-welkom, en ’s avonds vindt ze me altijd thuis.”
-
-„O, u is wel goed,” antwoordde Larsen warm, „en ik waardeer ’t zeer,
-dat ze in u een moederlijke vriendin vindt.”
-
-Mevrouw Boudewijns straalde minzaam. In haar zwartzijden japon had ze
-iets van de vorstin die een onderdaan begenadigt.
-
-„Ja,” ging Larsen voort. „Paula heeft dat noodig. Ik verzeker u dat ik
-’t aan haar merken kan; sinds ze u kent is ze bepaald gelukkiger. Een
-omgang als met u was ’t eenige wat haar ontbrak.”
-
-Zoo stonden de zaken dan aan de vooravond van ’t huiselijk drama dat
-zich bij Larsen was begonnen af te spelen.
-
-Onder de namen harer aanbidders, tegenwoordige en vroegere, had Paula
-de jeugdige Boudewijns niet genoemd: waarschijnlijk omdat haar de heele
-verhouding te veel als een onbeteekenend spelletje voorgekomen was. Die
-Dolf was nog zoo’n aapje: die telde nauwelijks mee. ’t Was wel een
-aardig kereltje—frisch en onbedorven. Ze had zich lachend aan hem
-gegeven, zijn zin gedaan zooals men dat doet tegenover een aanvallig
-knaapje wien men niets weigeren kan. ’t Was een tijdverdrijf voor haar,
-meer niet; een aardig spelletje nu en dan om haar verveling te
-verdrijven; maar niets blijvends of rustverstorends; geen bedwelmende
-roes, maar slechts een aangename opwekking.
-
-Op die avond na ’t bezoek aan Van Thiemen was Paula in geen tien dagen
-bij haar vriendin geweest. Mevrouw Boudewijns overlaadde haar met
-vriendelijke verwijten: haar Dolf was wanhopig geweest, hij ook had
-niets van haar uitblijven begrepen; de arme jongen was er bepaald ziek
-van. Paula lachte en verklaarde ’t geval. Zoo’n dwaas kind! Waar was
-hij? O, thuis, natuurlijk, zuchtende, zooals hij al dagen achtereen, in
-angstig wachten, was geweest.
-
-„Je vindt hem boven,” zei mevrouw Boudewijns, „verras hem ’s. Wat zal
-hij blij zijn!” En ze voelde zich tegenover die beiden zoo recht
-moederlijk gestemd op dat oogenblik. Wat zag die Paula er lief uit, en
-wat hield Dolf veel van haar!
-
-Paula wipte de trap op, geruischloos en vlug als een eekhoorntje.
-
-Voorzichtig deed ze de deur van Dolf’s kamer open; de portière die
-erover hing gleed van haar schouders toen ze binnentrad, voetje voor
-voetje.
-
-Het jongmensch zat ineengedoken bij de tafel, met de rug naar de deur.
-Een boek lag opengeslagen vóor hem. Het licht der gaslamp viel op zijn
-fijne, mooiknaapjes-trekken. Hij hield de oogen half gesloten, de
-handen op schoot in elkaar gevouwen, in een houding van misnoegdheid.
-Een grijs flanellen jasje met roode tressen omsloot zijn bovenlijf,
-zijn voeten staken in mooi-gewerkte pantoffels.
-
-Paula naderde hem van achteren, en voordat hij ’t hoofd kon omwenden,
-had ze haar handen vóor zijn oogen gelegd.
-
-„Wie zou daar wezen?” riep ze dartel.
-
-„Och, Paula!” was ’t hoogverraste antwoord. Hij weerde de handen van
-zich af, en sprong op.
-
-„Daar ben ik,” zei Paula, „ben je blij?”
-
-„Ja, blij en boos, hoor! Ga zitten, hier.” Hij trok haar met zich mee
-naar de sofa bij het raam.
-
-„Boos? Och kom, daar meen je niets van!”
-
-„Dat meen ik wel.” Hij trok haar naar zich toe, en kuste haar
-herhaaldelijk op mond en oogen.
-
-„Och laat dat, stoute jongen!” riep Paula. „Je zegt dat je boos bent,
-en dan zoo iets!”
-
-„Ja, waarom laat je me hier zoo alleen? Tien dagen hoor ik taal noch
-teeken van je.”
-
-„Waarom zou dat nu wel wezen? Omdat ik mijn kleine Dolf vergeten ben,
-niets meer van hem weten wil? Daarom kom ik nu zeker weer hier. En jij
-ontvangt me in je huisjasje!”
-
-Dolf keek ’s naar zijn négligé.
-
-„Nee, maar zeg me toch wat er gebeurd is. Maar geef me eerst een zoen.”
-
-„Nee,” zei Paula, en week terug. „Braaf zijn, van avond.”
-
-„Dat zal ik—ik ben niet meer boos. Een zoen.”
-
-„Nee, nee, nee! Ik moet eerst vertellen. Ik heb ’t land.”
-
-„’t Land, jij ’t land?” Dolf schikte zich in ’t onvermijdelijke, met
-teleurgestelde blik.
-
-„Ja, of dacht je dat ’t alles maar rozengeur en maneschijn met mij was?
-Als je zoo oud ben als ik....”
-
-„Oud! Jij wordt nooit oud!”
-
-„Dat heb je zeker pas tegen je grootmoeder gezegd.”
-
-Dolf begreep haar niet. Zij lachte, vond hem naïef.
-
-„Goed, ik zal je vertellen. Larsen is ziek.”
-
-„Zoo, ’t spijt me zeer.”
-
-„Nu ja, dat begrijp ik. Maar ’t is ernstig.”
-
-„Wat, zijn ziekte? Gaat hij dood? Allemachtig jammer! Groot verlies
-voor de wetenschap.”
-
-„Och, hoû je mond. Laat me uitpraten. We hebben ruzie gehad, hevige
-ruzie, en dàt is ernstig.”
-
-Dolf keek een oogenblik verschrikt.
-
-„Suspicie?” vroeg hij. „Op mij?”
-
-„Och nee, jongen! Wees nu maar niet zoo pedant. Hij denkt niet aan jou.
-Hij vindt je een aardig kereltje.”
-
-Dolf haalde humeurig zijn schouders op.
-
-„Nu?”
-
-„Och, dwaze veronderstellingen.”
-
-„Hoe komt hij eraan?” Dolf veroorloofde zich de weelde van jaloersch
-zijn.
-
-„Door een ouwe brief, een ding van niets.”
-
-„Och kom! Die goeie zooltreder? Hoe dat zoo op eens?”
-
-„Je kent ’m niet. Die man is heel anders dan ik gedacht had.”
-
-Paula sprak hier uit wat ze inderdaad tot haar pijnlijke verrassing
-ontdekt had.
-
-„Ja,” ging ze voort, „als zoo’n man eenmaal argwaan krijgt, is ’t veel
-erger dan bij een ander.”
-
-„Nu en wat dan nog? Hij weet toch niets bepaalds tegen je?”
-
-„Nee, maar hij is toch erg boos, denkt aan allerlei
-verschrikkelijkheden.”
-
-„Wat dan toch?”
-
-„Hij wil van me af: scheiden. Maar dat gaat natuurlijk maar niet zoo.”
-
-„Nee. De bepalingen op de echtscheiding erkennen bij ons maar enkele
-gevallen waarin die plaats mag hebben.” Dolf had zijn candidaats-examen
-in de rechten nog niet gedaan, en de geheimen van ons burgerlijk recht
-waren hem nog niet geopenbaard. Niettemin stelde hij graag zijn
-juristenpraat tegenover de meerdere levenservaring van Paula, die hem
-nog zoo vaak imponeerde.
-
-„O, dank je voor ’t rechtskundig advies,” zei Paula quasi-deftig. „Een
-gewone scheiding kan niet. Maar hij wil toch van me af.”
-
-„Maar hoe dan?”
-
-„Hij wil vluchten, met Didi.”
-
-„Hij is gek! Heeft hij ’t je dan gezegd?”
-
-„Nee, niet bepaald met de bedoeling om ’t te zeggen. Hij is erg ziek,
-en nu droomt hij ervan, en ijlt erover.”
-
-„Zoo, zoo. En te voren?”
-
-„Voordat hij ziek werd, bedoel je? We hebben nu een dag of tien geleden
-die ruzie gehad, en hij is eergisteren ziek geworden. Hij heeft al die
-tijd er niet van gesproken, van scheiden meen ik. Hij was erg stil al
-die tijd. Ik dacht dat alles weer bij zou draaien.”
-
-„Maar, vertel me ’s, hoe was die ruzie eigenlijk?”
-
-Dolf voelde de jaloezie in hem werken, en deze prikkelde zijn
-nieuwsgierigheid. Zij keek hem aan, greep zijn hand.
-
-„Ik ben een heel stoute vrouw geweest. ’t Is eigenlijk mijn schuld. Je
-zult me een onverstandig mensch vinden.”
-
-„Nu?”
-
-„Ik heb ’m in zijn gezicht geslagen. Ik kon die onbeschaamde vragen
-niet uitstaan.”
-
-„Heb je ’m geslagen?” Hij sloeg zijn arm om haar heen. „Braaf zoo!”
-riep hij. „Zoo leer je ongelikte beeren hun streken af.” Paula liet
-zich kussen.
-
-„Och nee, ’t spijt me. Nu is ’t zoo naar tusschen ons! Als hij beter
-wordt, vrees ik dat ’t nooit meer ’t oude wordt.”
-
-„Wat kan jou dat schelen? Zoo’n vervelende boekenwurm! Laat hem zijn
-troost zoeken in zijn boeken!”
-
-„Goed, ik woû dat hij ’t deed!” riep Paula mismoedig. Ze speelde met
-het vergulde spilletje van haar das, met peinzende wenkbrauwen. „Maar
-dat doet hij niet. Ik ben zoo bang dat er ’s iets van komt. Dat hij
-wegloopt. Je kunt zoo’n man toch niet opsluiten? En als ’t ’s gebeurt,
-dan zit ik met mijn gebakken peren.”
-
-„Ten eerste doet hij dat nog zoo gauw niet. En dan—als hij ’t doet,
-wel, dan is hij gek.” Dolf sprak met oudmannetjesachtig aplomb.
-
-„’t Helpt mij wat!” pruilde Paula, en trok aan ’t vergulde spilletje op
-haar borst.
-
-„Dan is hij gek. Dan bewijst hij dat hij gek is. En jij laat ’m
-eenvoudig door de politie opsporen, en—in een gekkenhuis zetten.”
-
-„Radicaal,” zei Paula spottend.
-
-„Zeker, en dan ben je van hem af. Dan ben je heelemaal van mij.”
-
-Hij verslond haar met zijn oogen. Zij zag het, en lachte luid.
-
-„Ben ik dan nú niet voor jou?” zei ze streelend. „Trouwen zou je me
-toch niet—en ik zou ook niet willen.”
-
-Hij protesteerde met een hevig gebaar.
-
-„Ik zie niet in waarom niet,” riep hij.
-
-„Nu, ìk wel. Maar ter zake: je leutert erover heen.”
-
-„Ik zeg je, laat ’m zijn gang gaan. Als hij ’t doet laat je ’m
-opsluiten.”
-
-„Nee, maar in alle ernst: ik ben heusch bang dat hij gek wordt.”
-
-„Des te beter!”
-
-„Werkelijk, hij doet zoo vreemd. En hij heeft geen koorts, niets. Die
-dokter laat ook niets los.”
-
-„Och, die doktoren weten er niets van! Maar....” Dolf trok weer zijn
-wijste gezichtje, „je kunt toch nut van ’m hebben.”
-
-„Van wie?”
-
-„Van die huisdokter. ’t Is immers Dr. Brakel. Laat die hem observeeren.
-Wijs jij ’m er ’s op, dat je voor Larsen’s verstand vreest. Als hij nu
-toch van jou af wil, moet je ’m vóor zijn: zie dat jij hèm op een
-fatsoenlijke manier kwijt raakt.”
-
-Paula keek peinzend. In haar hart was ze veel ongeruster dan ze wel
-weten wilde. Ze was bang voor schandaal, en beter zoo’n reden, dan een
-geruchtmakende vlucht. Wat zouden de menschen praten! Dat een geleerde,
-een stil in zichzelf gekeerd mensch krankzinnig wordt was nog niet zoo
-iets onwaarschijnlijks. En toch—die arme Larsen! Ze vond de heele zaak
-toch ellendig. Ze gaf er wat voor als ze alles ongedaan kon maken,
-zelfs haar avontuurtjes met dat aardige kereltje, dat zoo grappig naïef
-deed in zijn verliefdheid. Och, hoe naïef ook, misschien had hij
-gelijk: werkelijk, hoe meer ze erover dacht, des te vaster ging ze ’t
-gelooven: eerst die heele week dat de man nagenoeg geen woord sprak en
-nu die onverklaarbare ziekte, die malle praat en dat staren.... Ze zag
-weer die wezenlooze blik. Wat was die man veranderd in die korte tijd,
-ook zijn uiterlijk! Zeker, ’t kon best wezen dat Dolf gelijk had. ’t
-Kon geen kwaad dat ze er op ging letten: ja, dat zou ze stellig doen.
-Ze was in zoover tevreden dat ze nu de toestand beter inzag dan te
-voren. Toen ze van Van Thiemen kwam was ze ontstemd, besluiteloos. Ze
-had behoefte aan afleiding harer gedachten, ontwarring van ’t geen in
-haar omging. Bij Larsen’s vriend had zij zich ongemakkelijk gevoeld,
-hier ontspande ze zich.
-
-„Waar denk je toch aan? Vin’ je mijn raad niet goed?” vroeg Dolf, nadat
-hij haar in haar gepeins gadegeslagen had.
-
-„Je kon wel ’s gelijk hebben,” zei Paula langzaam. Op eens, met een
-bruuske beweging, stond ze op. „Ik ben blij dat ik bij je geweest ben.
-Je hebt me gerustgesteld, ten minste.... ik heb nu een andere kijk op
-die nare dingen. Adieu!”
-
-„Wil je nu weg?” Dolf sprong van zijn plaats op, en vatte haar om ’t
-middel.
-
-Een glimpje van ondeugende spot blonk in Paula’s oogen.
-
-„Ja, ik moet. Ik kan van avond onmogelijk lang blijven. Nu zoet zijn.”
-
-Ze wendde zich geheel naar hem om, en leî haar handje op zijn
-schouders. Hij was ongeveer even lang: zijn rond gezichtje met de
-donshaartjes op de lip, de fijne neus, het kuiltje in de kin, de
-sprekende blauwe oogen, de nauwzichtbare zijden wenkbrauwen, het
-gladde, vrij hooge voorhoofd en de overvloedige blonde lokken, was vlak
-tegenover Paula’s trekken.
-
-„Je blijft, zeg ik je,” zei Dolf quasi-boos. „Tien dagen niet komen, en
-dan maar zoo kort. Ik laat je niet gaan.”
-
-„Dolfje, vent, frons nu maar die wenkbrauwen zoo niet.” Ze maakte geen
-beweging om los te komen, maar keek hem aandachtig aan. „Je bent een
-mooi kereltje, daar; maar ik blijf toch niet. Ik kan heusch niet. Nee,”
-liet ze op andere toon volgen, „geloof me. Wees nu braaf. Later beter.”
-
-Er was iets in haar stem dat hem deed begrijpen dat ze ’t meende. Ze
-wond hem om haar vinger, dat wist ze. Maar ze wilde hem troosten. Nog
-steeds in dezelfde houding zei ze vleiend:
-
-„Niet boos zijn; maar ik ben heusch niet in een stemming van avond. Je
-hebt niets aan me. Ik kom gauw terug. En dan....”
-
-Hij trok haar tegen zich aan, en kuste haar.
-
-„Vast beloven?”
-
-„Stellig, zoodra ik kan....”
-
-„Van de week....”
-
-„Over ’n dag of drie. Adieu, adieu!” Voordat hij ’t wist, stond ze bij
-de deur, wierp hem nog een kushandje toe en verdween uit de kamer.
-
-Hij staarde nog op de golving der portière achter haar, had even een
-aanvechting om haar achterna te gaan, doch bedacht zich.
-
-„Beroerde Larsen!” mompelde hij tusschen zijn tanden, ging weer op den
-leuningstoel bij de tafel zitten, en sloeg zijn beenen driftig over
-elkaar.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-’t Was een gure nacht in ’t midden van October. Nog enkele uren, en de
-zon zou zich de moeite geven een bleeke dag in te wijden, guur en
-winderig als de nacht geweest was. Zware wolken lagen overal als
-opgestapeld aan de hemel, en slechts een enkele ster keek nu en dan als
-verschrikt achter de reusachtige massa’s door, om kort daarna weer weg
-te schuilen.
-
-Op de modderige straatweg was het donker, al was er weinig geboomte om
-het gezicht te belemmeren, men kon geen tien schreden vóor of
-achteruit, links of rechts van zich af zien.
-
-Twee menschelijke gestalten stapten naast elkaar voort, beiden warm
-ingepakt, met de kragen op, zwijgend en met haastige schreden.
-Blijkbaar viel het de kleinste der beiden lastig de ander bij te
-houden; maar geen woord van klacht werd geuit. Wellicht merkte de
-ander—een zwaar gebouwd man—aan de hijgende ademhaling naast hem, dat
-hij zijn pas wat matigen moest. Hij stond even stil, en vroeg:
-
-„Loop ik te hard, Didi? Och, ik denk er telkens niet aan! Vadertje is
-niets lief, wel?”
-
-„’t Is niets, vader,” zei ’t kind zacht en gelaten. „Zijn we ’r gauw?”
-
-Larsen haalde zijn horloge voor den dag.
-
-„Wacht, laat me even kijken,” zei hij, en streek een lucifer af.
-
-„O, al bij half zes. We zijn er gauw. Aan ’t station kunnen we wat
-gebruiken. Iets warms.” En, even ongerust, liet hij volgen: „Heb je ’t
-heusch niet koud?”
-
-„Heelemaal niet.”
-
-’t Meisje sprak met een kalme onderworpenheid, die hem diep in de ziel
-ging. Arme schat, dacht hij, hoe moedig schikt ze zich in de ellende!
-Was ’t niet zelfzuchtig geweest haar daarin te doen deelen? Hij had
-zich meer dan eens die vraag gedaan, sinds ’t oogenblik dat hij zijn
-huis verliet, om voor altijd heen te gaan. Maar neen, hij kon niet
-anders handelen: de toestand was onhoudbaar geworden voor hem; langer
-uitstel had hem krankzinnig gemaakt. En zijn Didi kòn, mocht hij niet
-achterlaten in dat huis, dat hem een oord der schande geworden was,
-overgeleverd aan de verpestende invloed harer moeder....
-
-O, hij had wat afgedacht in die akelige uren zijner bedlegerigheid! De
-wildste fantazieën hadden afgewisseld met de helderste inzichten, en
-door al het gewarrel zijner gedachten heen had telkens en telkens zijn
-toestand hem duidelijker in zijn onduldbaarheid vóor de geest gestaan.
-Met onweerstaanbare drang was ’t teruggekomen, en had hem eindelijk
-opgejaagd van zijn bed, vastbesloten tot handelen. Hoezeer ook de
-toekomst hem duister leek: in schande voortleven verkoos hij niet—alles
-beter dan dat.
-
-Die avond dat Paula op raad uit was bij Van Thiemen en haar jeugdige
-aanbidder, was Larsen kort na haar vertrek wakker geworden. Didi zat
-naast zijn bed, op de plaats harer moeder. Ze had het niet langer
-kunnen uithouden, en ondanks het strenge verbod was ze stil in zijn
-kamer gekomen: ze moest haar vader zien. Ze dacht aan al wat hij haar
-gezegd had, aan zijn vreemde, stille droefheid in de dagen vóor zijn
-ziekte, en nu moest ze zelf zien hoe ’t hem ging; want haar hartje was
-doodelijk ongerust, hoe ook haar moeder op haar vragen steeds met een
-geruststellend „’t is niets” geantwoord had. Nu was moeder uit, en kon
-ze ’t wagen. Op haar teenen kwam ze binnen, en voorzichtig ging ze aan
-’t hoofdeneind naast het bed zitten. Aandachtig keek ze naar de
-liggende: hij had het gelaat naar haar toe gewend. Er brandde éen
-gaspit, laag gedraaid, met een zachtgroene kap over de ballon. Didi kon
-goed zien hoe afgevallen de zieke was, en haar medelijden nam toe. Wat
-was ’t toch dat hem kwelde? Zou dat lieve leven heengaan zonder dat ze
-wist waarom? En ze voelde zich vernederd in haar kinderlijke rechten.
-Zij was zijn eenig kind. Al was ze nog klein, waarom mocht zij niet
-weten wat hem scheelde? Ze kòn hem troosten: o, dat was vast! Vadertje
-luisterde graag naar haar, en als zij maar wist wat hem deerde, zou zij
-hem zeker kunnen opbeuren. Die nare moeder! Die woû maar niets zeggen.
-’t Is niets, ’t is niets.... ’t was wèl wat: vader was ongelukkig, hij
-was ziek van verdriet, erg ziek zelfs! Alsof ze dat niet had kunnen
-zien....
-
-Gelukkig dat ze zich nu eindelijk eens zelf overtuigen kon.
-
-Jammer dat vader net sliep. Ze had al niet best begrepen, hoe moeder,
-die hem anders zoo trouw oppaste—dat moest ze toegeven—nu opeens
-weggeloopen was. En zij had zoo vriendelijk gevraagd voor dat uurtje
-haar moeders plaats in te nemen, en bij vader te waken; ze had er om
-gebeden en gesmeekt. Waarom toch was moeder daar zoo tegen? Zij zou
-vader toch geen kwaad doen! Integendeel, ’t zou hem goed doen haar eens
-te zien. Hij verlangde toch zeker ook wel naar zijn Didi....
-
-Didi zat peinzend op haar stoel, de kleine voetjes over elkaar
-geslagen; de eene hand op de rand van het ijzeren ledikant. Wat lag
-vader stil en rustig! Zou hij niet eens wakker worden? Ze zat daar al
-zoo lang, zeker wel tien minuten, nee, een kwartier. Ze had een
-onweerstaanbaar verlangen hem even aan te raken. Larsen’s linkerhand
-lag boven het dek. Wat had ze vaak met die hand gespeeld, hem geplaagd
-om de overvloedige gouden haartjes op de buitenvlakte—net van een
-aap!—getracht de vingers uiteen te krijgen, wanneer Larsen haar op zijn
-schoot had en krachtvertooninkjes deed. Dat was al een paar jaar
-geleden. Ze was nu al een groote meid, en deed die spelletjes niet
-meer.... ’t Was toch geen grove hand, nee: de vingers waren niet dik
-zooals die van Kee, en ook niet rood. Ze waren mooi blank en glad, en
-de nagels zoo netjes onderhouden, met witte kringetjes.... Haar
-handje—de helft zoo groot—lag er vlak naast. Even wipte ze een paar
-maal een vingertje op, en raakte de andere aan. Kom, vader zou wel niet
-zoo gauw wakker worden: ze woû hem zoo graag streelen. Even maar, langs
-die glanzende gouden haartjes....
-
-Toen ze opkeek, had Larsen de oogen wijd open. Een flauwe glimlach
-zweefde om zijn lippen.
-
-„Mijn kindje,” zei hij zacht.
-
-„Hè, is vader wakker geworden!” riep het kind half geschrokken, half
-aangenaam verrast.
-
-„’t Is niets, mijn lieveling: ik heb genoeg geslapen. Waar is moeder?”
-
-„Uit, ik weet niet waarheen.”
-
-Larsen slaakte een zucht van verlichting. Het voortdurend bijzijn van
-Paula had hem zoo vaak gedrukt, al had hij er nooit een klaagwoord over
-geuit.
-
-„Al lang?” vroeg hij.
-
-„Zoowat.... een kwartier.... of iets langer, geloof ik.”
-
-„En kom jij nu bij je vadertje waken? Dat ’s braaf, schat.”
-
-„Ja, eigenlijk woû moeder ’t niet hebben. Maar ik heb ’t tòch gedaan.”
-Didi was moedig geworden door haar vaders goedkeuring.
-
-Een pijnlijke trek vertoonde zich om Larsen’s mond. Hij fronste de
-wenkbrauwen. De korte illuzie van geluk, door de tegenwoordigheid van
-zijn kind gewekt, verdween plotseling, om plaats te maken voor de oude
-kwelling. En ’t werd hem te machtig. Daar was zijn kind, zijn eenig
-geluk: met haar moest hij zich redden uit de schipbreuk van zijn
-leven....
-
-Hij voelde zich kalm, beradener dan ooit.... Hij was niet ziek. De
-storm in zijn binnenste had uitgewoed. Nu of nooit....
-
-„Didi, heb je medelijden met je vadertje?” zei hij opeens.
-
-’t Kind haalde de schouders op; mond en oogen drukten verwonderd
-verwijt uit. Didi’s mondje was trouwens bizonder welsprekend. De dunne
-roode lipjes stonden in rusttoestand gewoonlijk iets uitgepuild en bij
-elkaar getrokken, als waren ze steeds gereed zich vlug te ontplooien.
-Haar mooie groote oogen had ze van haar moeder; maar er lag veel
-zachter schijnsel in: wat bij de andere vuur was, was bij haar
-innigheid.
-
-„En wil je altijd bij vadertje blijven, kind?” vroeg hij. Hij sloeg een
-arm om haar heen. Zij neigde het kopje voorover, en de vier oogen keken
-elkaar vol aan.
-
-„Zeker.”
-
-„Ook zonder moeder?”
-
-Didi aarzelde even: „Als ’t moet, ja.”
-
-Hoe kwam dat kind aan de gedachte dàt het wel eens zou moeten? vroeg
-Larsen zich af. Er was dan wel veel door haar hoofdje gegaan, om tot
-zoo iets te komen.
-
-„Geloof je vadertje in alles? In àlles?”
-
-„Natuurlijk....”
-
-De overtuigde, kordate toon van haar stem deed Larsen goed. Hij bedacht
-zich even.
-
-„Nu, mijn eenige lieveling, moeder en ik kunnen niet langer samen
-blijven.”
-
-„Dan ga ik met jou mee.” Er was geen spoor van aarzeling in haar
-antwoord.
-
-„’t Kan niet anders, nie’waar? ’t Doet je vader ook verdriet.... veel
-verdriet.”
-
-’t Meisje kuste hem op de ruige wang, en fluisterde in zijn oor:
-
-„Ben je niet meer ziek? Wil je al heel gauw weg?”
-
-„Van nacht, als ’t mogelijk is. Je moet niet schrikken als ik deze
-nacht bij je bed kom.”
-
-Didi schudde energiek haar kopje.
-
-De volstrekte onverschilligheid voor haar moeder in deze voorgenomen
-daad trof Larsen zeer: ze was niet geheel te verklaren uit de groote
-aantrekkelijkheid van ’t avontuurlijke op ieder kindergemoed. ’t Was
-beter zoo, dacht hij. Ze zou zich zóo makkelijker schikken in ’t leven
-van eenzaamheid dat hen beiden wachtte.
-
-„Maar, vader,” zei Didi na een oogenblik stil peinzens, „waarom zoo in
-de nacht? Mag moeder er dan niets van weten? Je mag toch heengaan waar
-je wil, en mij meenemen?”
-
-De vraag maakte Larsen een oogenblik verlegen. Wat zou hij antwoorden?
-
-Hij had haar nooit voorgelogen: in dit opzicht als in zooveel andere
-onderscheidde hij zich van Paula. Deze speldde het kind wat op de mouw,
-of scheepte haar af met een praatje. Ook dit was een reden waarom Didi
-haar vader meer aanhing dan haar moeder; want hoe is liefde op den duur
-mogelijk zonder vertrouwen? Was ze in Paula’s opvatting een „kind”, dat
-wil zeggen een wezen dat nog niet denken of oordeelen kon, bij haar
-vader gold ze voor een schepseltje met verstand en geest, dat slechts
-om zijn teederheid ontzien, nooit misleid mocht worden.
-
-Larsen greep haar handje en zeide:
-
-„Zeker, dat is wel zoo, kindjelief; maar toch vind ik het beter dat je
-moeder en anderen ’t niet zoo dadelijk merken. Waarom dat is, zal je
-later beter begrijpen.”
-
-’t Kind zweeg. Als vader iets niet wilde zeggen had hij er een goeie
-reden voor, dat wist ze.
-
-Inderdaad schuwde Larsen verdere gesprekken met zijn vrouw. In de dagen
-na hun breuk had Paula’s aanwezigheid hem steeds gehinderd, gedrukt en
-gekweld op onzeggelijke wijze. Vooral de eindelooze uren dat ze aan
-zijn bed zat waren hem ondragelijk geweest. En dan—als hij des daags
-heenging, had ze hem zeker gevraagd, hoe hij zoo opeens weer wel was,
-waarom hij uitging en zoo voort. Hij haatte uitvluchten en bedrog.
-Bovendien wilde hij niemand van zijn kennissen en vrienden in de stad
-zijn vertrek met Didi laten merken. Later mocht men denken wat men
-wilde, en hen die werkelijk belang in hem stelden—de enkele
-vrienden—zou hij wel op de hoogte stellen, als eenmaal een groote
-afstand tusschen hen en hem lag, en verdrietelijke uitleggingen en
-vragen vermeden konden worden. Wat Paula, de meest belanghebbende,
-betrof: wel, hij had ’t haar immers gezegd dat hij niet langer met haar
-samen kon en wilde wezen. Ze bleef niet onverzorgd achter: daartoe zou
-hij de noodige maatregelen wel treffen.
-
-Zwijgend zaten vader en dochter nog een wijle hand in hand. Dan
-streelde Larsen haar hoofdje, en zeide:
-
-„Nu moet je maar heengaan, hoor, kind. Straks komt moeder thuis, en die
-zou ’t zeker niet goed vinden je hier te zien. Ga maar vroeg naar bed,
-en zie rustig te slapen, tot—ik bij je kom.”
-
-„Goed, vader. Wees u maar gerust.”
-
-„Wacht nu maar eerst op moeder, en ga dan naar bed, onuitgekleed maar.
-Voorzichtig, nie’waar?”
-
-Hij kuste haar goede nacht, en ’t kind verwijderde zich stil.
-
-En toen ze weg was overlegde hij zijn plan nog eens. Hij zou tegen een
-uur of vier opstaan, Didi wekken, en samen de trap afgaan. Paula sliep
-vast en zou stellig niets bespeuren. De afgeloopen nacht had ze reeds
-niet meer bij zijn bed gewaakt, en ze zou stellig ook nu de
-noodzakelijkheid daarvan niet inzien. ’t Zou hem niet mogelijk zijn
-zich van een groote som gelds te voorzien. Maar wat zou dat? Hij had
-altijd voldoende bij zich. Hij keek even zijn beurs na—die lag nog met
-zijn sleutels op ’t nachttafeltje, juist zooals hij ze die laatste
-nacht vóor zijn ziek worden had neergelegd—en vond een groote
-vijf-en-twintig gulden. Daarmee zou hij zich desnoods de eerste dagen
-kunnen redden. Dan kon hij zijn bankier immers telegrafisch de noodige
-orders geven. Hij wilde van een der tusschenstations dicht in de buurt
-naar Vlissingen gaan, daar blijven totdat hij ’t noodige geld ontving,
-en dan met de boot naar Londen vertrekken. Hij was dan toch nog
-wellicht binnen vier-en-twintig uren aan zijn bestemming....
-
-Toen Paula thuiskwam, veinsde hij te slapen. Blijkbaar voldaan keek ze
-in de kamer rond, overtuigde zich dat er verder niets noodig was, en
-verwijderde zich.
-
-Geen oogenblik kwam ’t bij haar op dat Larsen die nacht reeds
-ondernemen zou wat ze vreesde.
-
-En zoo gelukte de volvoering van het plan in die nacht volkomen. Hij
-had geen oog toegedaan, het kind sliep rustig toen hij haar voorzichtig
-wekte. Muisstil slopen beiden de trappen af, de gang in, voorzagen zich
-van hoed, jas en mantel, en begaven zich op straat.
-
-Zoo hadden ze meer dan een uur geloopen. ’t Kind was moê, maar vol
-moed. Ze voelde zich fier op het vertrouwen van haar vader, veilig in
-zijn bescherming, en vol illuzies voor het onbekende dat vóor haar lag.
-Het geheimzinnige van al wat er in de laatste weken voorgevallen was
-verontrustte haar niet meer, en ze stelde de beantwoording van tal van
-vragen tot later uit: later zou alles duidelijk worden, hoe vreemd het
-haar nu ook leek. Later.... en haar hartje zwol bij de heerlijke
-gedachte dat vader en zij voortaan steeds bij elkaar zouden wezen, dat
-er meer innigheid in de omgang tusschen hen zou ontstaan, al was die in
-hun wederzijdsche gevoelens ook volkomen. En haar kinderfantazie stelde
-zich die voor als een vermeerdering van leesuurtjes—vader kon zoo
-heerlijk voorlezen, al liet hij een prinses ook met een bromstem
-spreken—van lange wandelingen; en ze dacht ook aan de eindelijke
-verwezenlijking van een oude droom: een fiets te krijgen. Moeder
-fietste zoo vaak, en vader ook wel eens; maar vader vond altijd dat
-moeder gelijk had, dat zij nog te klein was, omdat ’t zoo gevaarlijk
-was.... Nu vader steeds bij haar zou wezen, verviel immers dat bezwaar.
-En zij zou vader altijd gezelschap houden, ze zou hem voorlezen, voor
-hem schrijven ook—ja, ze wilde hem later helpen met zijn werk. Hoe
-heerlijk, hoe „leuk” en gezellig! En misschien ging ze niet meer naar
-school: ze hield van leeren, maar op school was ’t zoo vervelend. Ze
-was zoo levendig en bewegelijk, en kreeg telkens „afkeuringen” voor
-allerlei kleinigheden. He nee, die schooljuffrouwen waren erg
-vervelend. Wat kon vader anders les geven! Zoo’n geschiedenisles op
-school was als droog zand, en bij vader....! ’t Was net een mooi
-verhaal in een boek.
-
-En Didi mijmerde voort over al ’t goede dat haar wachtte in ’t
-tooverland aan de andere kant der zee. Vader had haar gezegd dat ze
-over zee zouden gaan naar de grootste stad in de wereld. Ze woû niet
-moê zijn, waar ze dat alles tegemoet ging....
-
-De dag brak druilig aan, toen het tweetal het kleine dorpsstation
-bereikten. Een blauwe wazige mist lag over de velden, hing als een fijn
-web over de boomen langs de weg. De wind, die afgenomen was, had nog
-voldoende kracht om hier en daar de mist bijeen te vegen en in dichtere
-wittere lagen op te hopen, elders plekken open latend; terwijl dorre
-bladeren, bemodderd en bruinglanzend van vocht, nu en dan opvlogen van
-de weg, als verdwaasde, in hun rust opgeschrikte vogels, of
-neerdwarrelden uit de klamme takken daarboven in vadsige zwijmeling.
-
-Het nieuwe licht, hoe droevig ook, en het besef van welslagen dier
-eerste faze van hun bevrijdingsdaad, de verwachting van verandering bij
-’t zien der ijzeren staven, die zich daar glimmend zwart links en
-rechts uitstrekten, om zich voor ’t oog allengs op te lossen in de
-nevelige verte, gaven aan Larsen’s geest een weldadige afleiding. Die
-rechte, kordaat naar ’t doel voerende lijnen—mocht ook dat doel in
-wazige geheimenis ver voor de blik verscholen liggen—waren hem een
-beeld van zijn vastberadenheid om zijn doel te bereiken, ondanks de mist
-die zijn toekomst verborg.
-
-De heele weg over had hij in somber, nauw afgebroken zwijgen
-teruggedacht aan alles wat hij verliet om der wille van zijn eer en
-zijn rust. Met innige droefheid betreurde hij ’t opgeven van een
-werkkring waarin hij zich thuis gevoelde, waaraan hij zooveel van zijn
-krachten met lust en ijver gewijd had. Hij was niet alleen geleerde.
-Ook als docent had hij liefde gehad voor zijn betrekking. Zijn colleges
-waren hem steeds een genot geweest, en hij wist dat hij bij zijn
-leerlingen waardeering vond. Hij had er vrienden en bewonderaars onder,
-onder die jeugdige mannen, wier gemoed hij liefde wist in te boezemen
-voor zijn heerlijk vak, al was ’t meer door de helderheid van zijn
-betoog en de warmte zijner eigenliefde dan door de welsprekendheid
-zijner voordracht. Hij was erin, steeds, en dit won hem sympathieën.
-Menigeen onder de jongeren zou zijn heengaan voelen als ’t verlies van
-een vriend, van een degelijk leidsman. De studenten die zijn colleges
-volgden, kwamen nu en dan familiaar bij hem, vroegen hem vrijmoedig om
-inlichtingen, sommigen deden lange wandelingen met hem in leerzame
-aangename kout, en geregeld eens in de maand was zijn salon het
-vereenigingspunt van tal van jongelieden, die waarlijk niet het
-„theeslaan” bij „de prof” alleen als een gedwongen fraaiigheid
-beschouwden. Vooral éen onder hen kwam hem telkens vóor de geest. ’t
-Was een veelbelovend jurist, die reeds de meesterstitel verworven had
-en uit liefhebberij zijn college bleef volgen. Er waren er meer met
-hem, die tot andere faculteiten behoorden, en „prof Lars” gaarne
-hoorden, zich daarom alleen bij hem hadden laten inschrijven. Maar die
-eene was een der talentvolsten en zeker de geestdriftigste zijner
-bewonderaars. Israëliet van zeer nederige afkomst was David Zomer een
-dier heldere koppen en stoere werkers die zijn ras, ten spijt van
-vooroordeelen en afgunst, nog steeds tot eer strekken; een dier telgen
-van het oude volk die, als zoovele voorgangers, eenmaal geroepen zouden
-zijn onder de leiders der beschaving gerekend te worden.
-
-Wat was er een gloed in zijn woord, wat sprak er overtuiging en
-wilskracht uit zijn blik! En welk een voorbeeld van liefde tot de
-wetenschap in de gezondste vorm, van soberheid en plichtsbetrachting
-was hij steeds geweest in de bonte verscheidenheid dier spes patriae,
-onder wie zoovelen zoo weinig gaven van ’t geen ze eenmaal deden hopen!
-
-’t Hart van de toegewijde leermeester kromp ineen bij de gedachte aan
-de gedwongen verzaking eener taak die hem zoo dierbaar was. ’t Werd hem
-duidelijker dan ooit, welk een rol zijn liefde in zijn leven gespeeld
-had, en een stem van verwijt klonk telkens weer op in zijn ziel, of hij
-niet zelfzuchtig was geweest dat alles op te offeren, omdat een vrouw
-hem beleedigd had, om een hersenschim misschien.... Want wat was die
-eer, wier eischen zich zoo onweerstaanbaar deden gelden bij ’t heilige
-van plichtsbetrachting? Moest hij niet dulden, in gelatenheid
-aanvaarden, stil verdragen wat hem als bezoeking was opgelegd? Er waren
-zooveel mannen geweest die de schande met moed en zelfverloochening
-hadden getorst om der wille van een schoon ideaal, ja om de eenvoudige
-gewetensdrang tot plichtsvervulling! Dat waren helden, martelaren! En
-’t waren waarlijk niet altijd de slechtste mannen wier vrouwen hun eer
-bezoedelden.... ’t Lot moest maar willen dat de mannen die zich wijdden
-aan wetenschap of kunst, aan een veeleischende levenstaak, zich
-verbonden met wufte vrouwen, die niet in staat waren daarin mee te
-leven, en ontrouw was immers schier onvermijdelijk! Hij was dom
-geweest, kortzichtig en onvoorzichtig.... Maar God, hoe kon een liefde
-als de zijne éen oogenblik argwaan koesteren? En thans, nu ze dood was
-die liefde, nu de groote beweegkracht van zijn werken en streven had
-opgehouden te bestaan, voelde hij zich slap en machteloos, slechts in
-staat zich voort te sleepen tot zelfbehoud, tot de vlucht. Goed, hij
-was geen held, geen martelaar. Mijn God, hij kòn niet, hij kòn niet!...
-Hij was een mensch met menschelijke zwakheden; hij boog ’t hoofd en
-deed de droeve belijdenis reeds door zoo menig menschenkind in zijn
-hart uitgesproken:
-
-Homo sum, humani nil a me alienum mihi puto.
-
-Hij had scheiding van tafel en bed kunnen aanvragen.... Zijn eer was
-dan immers gered geweest en hij had zijn werk kunnen blijven
-behartigen. En als ’t hem dan ondragelijk was geweest in de stad te
-blijven wonen waar hij zooveel geluk gekend had, waar iedereen hem in
-dat geluk gekend had, dan had hij immers moeite kunnen doen voor een
-plaatsing aan een andere hoogeschool.... ’t Was dus niet zijn eer
-alleen die hem tot zijn wanhoopsdaad gedreven had. Er was iets diepers,
-iets machtigers in zijn ziel: de pijn van ’t geen daar uitgerukt was.
-Die pijn joeg hem voort, weg van de plaats waar hem de wond was
-toegebracht, ver weg van ieder oord, van ieder mensch dat hem
-herinneren kon aan dat vreeselijkste oogenblik van zijn leven: Paula’s
-zelfonthulling na de openbaring van haar verraad....
-
-Waren dus de gedachten van ’t kind, dat hij meegenomen had als ’t
-laatste wat hem nog aan ’t leven deed hechten—och, zonder haar had hij
-immers den dood gezocht, zeker!—meest gericht op wat de toekomst geven
-zou als vergoeding voor al ’t verlorene, voor de vader lag daarin
-slechts éen belofte: rust en vergetelheid. Hij zou die zoeken in de
-omgang met zijn lieveling en in zijn studie; al had hij daarvan slechts
-een vaag besef.
-
-Vader en dochter traden de kleine wachtkamer van ’t station binnen. Zij
-waren de eenige reizigers op dat vroege morgenuur. De slaperige
-juffrouw aan ’t buffet reikte op Larsen’s verzoek twee dampende koppen
-koffie en wat brood aan. Op de houten bank langs de wand gezeten
-verorberden de beiden hun eenvoudig ontbijt. Larsen greep gedachteloos
-naar een van de zwaar beduimelde couranten en blaadjes op de tafel vóor
-hem; Didi sipte stil haar koffie, sloeg nu en dan een nieuwsgierige
-blik om zich heen naar de kleurige reclame-platen aan de wand, en
-mummelde haar broodje.
-
-„Echte loerie, vader,” zei ze op haar kopje wijzend, en lachte.
-
-„Maar toch warm, en ’t doet goed, kindjelief.” Hij streelde haar eene
-hand onder de tafel.
-
-„O ja, en tòch wel lekker!” Ze zou alles lekker gevonden hebben op dat
-oogenblik. Ze was immers „op reis”, vervuld van de heerlijke illuzie
-van ’t avontuurlijke....
-
-Tien minuten later reed de trein voor. Larsen begroette hem als een
-vriend. Toen hij in een hoek van een eersteklas-coupé gedoken zat met
-Didi tegenover zich, glimlachte hij tevreden tegen haar: hij voelde
-zich veilig, en ’t was hem alsof nu eerst de beslissende stap gedaan
-was. Ze zaten alleen met hun beidjes.
-
-Nauw onderweg sloot Larsen de oogen, en weldra overmande hem de slaap.
-En het meisje streed eenige minuten tevergeefs met aanvechtingen van
-dezelfde aard. De trein ging niet verder dan Rotterdam: de conducteur
-zou hen daar wel wekken. En beiden waren vermoeid—Larsen ook
-geestelijk. De lange wandeling bezorgde beiden een droomlooze rust.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-
-„Professor Larsen is hier afgestapt?”
-
-„Ja, meneer, met zijn dochter, kamer 36,” antwoordde de portier van ’t
-hotel.
-
-„Is meneer thuis?”
-
-„Ik meen van wel. Ze vertrekken pas van avond.”
-
-„Naar Engeland zeker. Weet je zeker dat hij van avond nog wilde gaan?”
-
-„Ja, meneer; ten minste dat zeî meneer: hij zou niet blijven logeeren.
-En de boot gaat over een paar uur.”
-
-„Zoo. Goed. Wil je meneer dit kaartje brengen?”
-
-De portier liep naar binnen. Een kelner stoof de trap op, klopte aan
-deur no. 36.
-
-„Binnen.”
-
-„Meneer,” en groetend trad de gedienstige het vertrek binnen, „hier is
-een kaartje van iemand, die u spreken wil.”
-
-Verwonderd bekeek Larsen het kaartje.
-
-„Wie is ’t, vader?” vroeg Didi. Ze zat op een sofa, Larsen op een luien
-stoel. Larsen antwoordde niet dadelijk:
-
-„Laat meneer.... of nee, wacht, ik kom beneden.” En tot het meisje
-gewend:
-
-„De dokter wil me spreken.”
-
-„Dokter Brakel?”
-
-„Ja, kindje. Ik kom dadelijk terug.”
-
-Didi zette groote oogen op.
-
-Een kwartier later stond ze van haar plaats op. Ze vatte niet waarom
-vader zoo lang met die dokter sprak. En wat woû die man toch? Was hij
-ongerust, omdat hij dacht dat vader nog ziek was, en was hij daarom
-overgekomen, zoo ver? Ze moest er ’t hare van hebben.
-
-Ze ging naar beneden, en vond weldra haar vader in gesprek met de
-bewuste. Dadelijk trof haar ’t vreemde in de houding en
-gelaats-uitdrukking van de eerste. Hij stond, de ander zat. Zijn gelaat
-vertoonde een hevige gemoedsbeweging. Wat was er nù weer?
-
-Schuchter trad ze binnen in de kleine spreekkamer bij de ingang van ’t
-hotel.
-
-„Och, ga heen, Didi,” riep Larsen ongeduldig en onvriendelijker dan hij
-zelf gewild had. Blijkbaar had hij nog veel te zeggen.
-
-De arts wenkte.
-
-„Kom gerust binnen, hoor.” En tot de ander:
-
-„Waarom zou ze niet? ’t Is immers alles in orde nu.”
-
-Larsen barstte los ondanks de tegenwoordigheid van zijn kind.
-
-„In orde? Geen kwestie van! Ik ga niet met u mee. Dat zeg ik u nog
-eens.” Hij maakte een beweging om heen te gaan.
-
-Didi stond verbluft. Ze had haar vader nog nooit zoo opgewonden en
-driftig gezien. Vrees sloeg haar om ’t hart.
-
-De arts bleef doodkalm.
-
-„’t Spijt me, professor, dat u niet naar rede wil luisteren.” Hij stond
-op, en legde Larsen een hand op de schouder. „U heeft toch alles goed
-begrepen,” zei hij zacht. „Maak u nu maar klaar. Ik hoef u toch niet
-alles te herhalen. ’t Is voor uw eigen bestwil.”
-
-„Och wat! Machinaties.... van mijn vrouw!” Larsen was buiten zich
-zelven. De arts keek naar het kind. In vredesnaam! dacht hij; maar hij
-had medelijden met haar: hij had haar dit tooneel willen besparen.
-
-„Kom, meneer Larsen.... Wat kan u tegen uw vrouw hebben, die u zoo goed
-opgepast heeft? U moet terug, en dat ziet zij in. Ik kom op haar last.
-Ik zie dat u overspannen is.”
-
-„Dat ben ik niet, zeg ik u. Ik wìl van avond vertrekken, verstaat u? En
-daarmee basta. Dag, dokter.”
-
-Hij wilde heengaan. De goede man zag dat het ernst was, of liever kreeg
-de overtuiging dat hij hier met voor hem zeer verklaarbare koppigheid
-te doen had. Hij trad hem in de weg.
-
-„Een enkel woord nog, als ’t u belieft.” Hij sprak steeds kalm en op
-vriendelijke toon.
-
-Larsen weifelde.
-
-„Nu?” vroeg hij nog altijd toornig.
-
-„Wil ik u ’s wat zeggen? ’t Doet me leed, maar u dwingt me ertoe.” Hij
-tastte in de binnenzak van zijn overjas, en haalde een stuk papier uit
-zijn zakportefeuille. „Ik heb hier ’t bevelschrift van de rechter.” De
-arts hield het stuk op. Hij achtte het niet noodig het te laten zien.
-Innerlijk was hij immers overtuigd met een krankzinnige te doen te
-hebben. Hoe ver diens onredelijkheid gaan zou, wist hij wel niet; maar
-hij vond het wijs de man „met een zoet lijntje” mee te krijgen, en
-eerst in ’t ergste geval geweld te gebruiken. Echter had hij voor dit
-laatste de noodige maatregelen getroffen.
-
-„Wat moet ik met dat bevelschrift? Ik ben toch geen misdadiger, en
-bovendien heeft u toch geen bevoegdheid om mij te arresteeren. ’t Is al
-te dol!” In zijn opgewondenheid begreep hij nog niets.
-
-Weer maakte Larsen een beweging naar de deur.
-
-De arts zag het, en zei snel:
-
-„Ik reken op uw meegaandheid en redelijkheid. Maar u is overspannen en
-in uw geestestoestand mag ik niet toelaten dat u op reis gaat—met uw
-dochter.”
-
-„In mijn geestestoestand!” riep Larsen verbleekend.
-
-Opeens werd het hem duidelijk: die man daar hield hem voor krankzinnig,
-en dat niet alleen, maar het feit was geconstateerd, de rechter was er
-in gemoeid. Als hij verder weerstand bood, zou hij wel met geweld
-gedwongen worden mee te gaan. Dat was Paula’s werk! Plotseling zag hij
-alles: hij herinnerde zich hoe zij in de dagen van zijn ziek zijn
-herhaalde malen vreemd, met verschrikte blik, soms met een zonderlinge
-uitdrukking van medelijden, naar hem gekeken had; ook hoe zij telkens
-fluistergesprekken met de dokter gehouden had, vlak bij zijn bed. Het
-woord „cerebralis” kwam hem vóor de geest.... In zijn toestand van
-wezenloosheid en sufheid had dat woord hem bespookt in zijn droomen;
-maar nooit als de uitdrukking van zulk een denkbeeld als thans....
-
-’t Was dan zoover gekomen met hem.... Paula hield hem voor gek, en liet
-hem terughalen.... O maar, dat kon niet.... dat zou opgehelderd
-worden.... hij zou ’t zelf ophelderen, dadelijk!
-
-En hij zag de nutteloosheid van tegenweer in.
-
-„Dokter,” zei hij somber, op heel andere toon dan te voren, „ik begrijp
-volkomen wat u bedoelt. De zaak zal terechtkomen. U heeft er geen
-schuld aan.”
-
-De goede Esculaap haalde de schouders en de wenkbrauwen op, en spreidde
-zijn tien vingers welsprekend uit: hij kon ’t niet helpen....
-
-„Ik vind ’t onaangenaam genoeg, professor,” zei hij meewarig. Hij was
-innig voldaan dat de zaak die wending nam. Hij was een man des vredes,
-hield niet van heftige tooneelen.
-
-„U gaat dus mee, nie’waar,” liet hij volgen. Zijn toon had iets van
-dien van iemand, die vervuld van medelijden tot een kind spreekt.
-Larsen voelde ’t als een beleediging, maar onderwierp zich gelaten. Wat
-gaf het hier en thans die man uit de waan te willen helpen? Iedere
-krankzinnige beweerde immers het niet te wezen?
-
-Intusschen stond Didi met verbaasde oogen naar die beiden te kijken. Ze
-begreep er niets van. Ging vader weer terug, gingen ze niet naar
-Engeland? Wat kwam die nare man hier stoornis brengen in vaders
-plannen? De tranen drongen naar haar oogen; maar ze zweeg. Later zou
-vader alles wel uitleggen. Evenals hij schikte ze zich in ’t
-onvermijdelijke. Ze boog haar kopje, en ’t mondje pruilde even op.
-
-„Kom, kind,” zei haar vader. En tot de dokter: „Ik ben tot uw
-beschikking. Met welke trein gaat u?”
-
-„Iets over vijven, ik zal ’t ’s nazien,” antwoordde Dr. Brakel in
-gedachten. „Vindt u goed dat ik hier even wacht tot u uw zaakjes
-geregeld heeft?”
-
-„Goed.” Larsen was volkomen kalm, en zonder verder een woord verliet
-hij met zijn kind het vertrek.
-
-Toen alle drie tien minuten later bij de voordeur waren, stond Dr.
-Brakel even stil.
-
-„Een oogenblik,” zei hij. „Ik moet nog even iets vragen.”
-
-Een glimlach vloog over Larsen’s gebaard gelaat.
-
-De dokter ging naar binnen, en Didi maakte van de gelegenheid gebruik
-om zenuwachtig en haast fluisterend te zeggen:
-
-„Vadertje.”
-
-„Ja, mijn kind?”
-
-„Gaan we nu niet naar Engeland?”
-
-„Vandaag niet, schattemeid. Over een paar dagen.”
-
-„Hè, gelukkig!”
-
-Ze was voldaan, en zuchtte diep: de voornaamste zorg was uit haar
-gemoed weggenomen.
-
-Toen Dr. Brakel eenige oogenblikken later weer naar voren kwam
-overdacht hij zijn allerlaatste zielkundige waarneming: ’t was toch
-vreemd met die krankzinnigen: ze konden zoo zot doen, en toch ook weer
-zoo heel gewoon verstandig handelen! De hotelhouder had „niks
-niemendal” gemerkt: meneer had behoorlijk afgerekend ook en gewoon
-afscheid genomen, en de kelner ook behoorlijk bedacht! Vreemd,
-vreemd.... Een lastige studie, die psychiatrie, en men leerde telkens
-wat nieuws, merkte telkens wat verrassends op.... Maar de zaak was
-gezond: Larsen ging gewillig mee.
-
-„Stakkert!” mompelde de goede geneesheer nog in de gang, terwijl hij
-zijn versleten gekleede jas toeknoopte, en de kraag van zijn overjas
-opsloeg.
-
-„Komaan, Didi, we gaan, nie’waar, kind?” zeî hij vriendelijk tot Didi,
-die hem zag aankomen, en hem aanstaarde met haar sprekende
-sprookjes-oogen.
-
-Didi greep haar vaders hand, toen ze zag dat de dokter haar bij de hand
-wilde nemen. Hè nee, ze wilde niet aan zijn hand loopen!
-
-En de drie stapten de straat op.
-
-Een eindje verder kwamen twee mannen, forschgebouwde kerels in een
-gelijke donkere kleeding uit een huis. De dokter keek om. Ze gaven hem
-zijn blik terug en volgden op een kleine afstand.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
-Larsen was merkwaardig veranderd. De verandering in hem openbaarde zich
-ook in zijn kijk op menschen en dingen. Hij was geen droomer, geen
-fantast, geen man van oorspronkelijke gedachten of geniale invallen,
-geen Faust, maar een Wagner, al was ’t van de goede soort. Wetenschap
-en boek waren bij hem onafscheidelijk; zoodat hij in zijn denkleven
-steeds daardoor beheerscht werd: zijn geest had jaren en jaren
-achtereen in een denkbeeldige atmosfeer verkeerd, en was daarin
-volkomen bevredigd geweest. Zijn gevoelsleven had als onbewust
-daarnaast bestaan. Nooit had het hem verontrust, geen oogenblik in al
-die jaren had hij ernstig nagedacht over eenige gemoedsvraag. De liefde
-voor Paula, die alles aangrijpende drijfkracht van zijn wezen, was als
-de klop van zijn hart, even natuurlijk, onwillekeurig, buiten alle
-beheer van zijn denkvermogen.
-
-Thans dacht hij aan die hartslag; want er was stoornis in zijn
-ziels-organisme.
-
-En hoe meer hij dacht, hoe ellendiger hij zich voelde, hoe meer hij
-besefloos toegaf aan de verwarring, het verlies van evenwicht in zijn
-denkbeelden. ’t Eerste gevolg der groote stoornis was angst geweest.
-Die angst had hem vervolgd, opgejaagd totdat hij geen ander heil
-verwachtte dan wat de vlucht hem schenken zou. En ’t vooruitzicht op
-rust had hem reeds toegeblonken: ’t had hem gesust, ’t had zijn
-zielebrand voor een wijl gedoofd.
-
-En nu? Nauwelijks was hij thuis of de angst kwam terug! Wat hem
-voorgekomen was als makkelijk te overwinnen, misverstand, bleek thans
-een weldoordacht plan: niet dat hij er ’t ware besef van had—hoe kon
-dat in de geschokte toestand waarin hij verkeerde?—maar juist deed zijn
-overspannen verbeelding hem bedrog en verraad zien waar het niet was.
-Was werkelijk hier zijn vrouw alleen de schuldige; het duurde niet lang
-of hij verdacht de huisdokter van gemeene samenspanning. En van de eene
-verdenking kwam hij op de andere, en telkens werd de strijd, die hij er
-tegen voerde, zwakker.
-
-Op reis naar huis terug had hij nog de kracht gehad angst-aanvechtingen
-terug te dringen: zijn vrouw had hem willen dwingen terug te keeren,
-zeker—waarom anders dat bevelschrift?—maar wat ’n dwaasheid te denken
-dat zulk een komediespel van haar vol te houden was! Och kom, hij zou
-wel heel spoedig ’t zaakje in orde hebben. En hij was begonnen met
-dood-bedaard—hij deed zijn best het te wezen—in gedachten de goede Dr.
-Brakel nog eens al zijn bewijzen vóor te leggen, dat hier een
-betreurenswaardige dwaling in ’t spel was.
-
-De heele weg over, tot aan ’t oogenblik dat Larsen met zijn geleider en
-de kleine Didi in de trein stapten, hadden ze nauwelijks een woord
-gewisseld. Larsen stapte voort met gefronste wenkbrauwen en
-saamgeknepen lippen, Didi naast hem, schuchtere blikken werpend op haar
-vader, terwijl de huisarts in vreedzaam gepeins, voldaan, maar
-schijnbaar onverschillig, met kleine pasjes de stoere schreden van zijn
-patiënt trachtte bij te houden.
-
-In de coupé zette Larsen zich als een zak in een hoek, Didi schoof naar
-hem toe, greep zijn hand en keek hem met groote oogen aan, met de
-bezorgdheid van een klein moedertje dat troosten wil. Larsen, die reeds
-de oogen gesloten hield, sloeg ze op, en voelde al de streeling die van
-Didi’s blik uitging. Een warme opwelling van teederheid deed hem zijn
-arm om haar heen slaan, en zijn ruige baard raakte haar zachte wang.
-
-„Vadertje,” zei ’t kind alleen, maar er was een wereld van
-hartelijkheid en belangstelling in haar toon.
-
-Dr. Brakel keek toe. Er was niets dan medelijden in zijn blik, en toch
-was ’t Larsen of hij er spot in las, of hij met een zweepslag
-opgeschrikt werd. Driftig wendde hij zich half om:
-
-„Doe me genoegen, dokter,” zei hij scherp, „en kijk me niet zoo....
-vreemd aan! Ik weet waaraan u denkt. Bewaar in Godsnaam uw observaties
-voor later....”
-
-De toegesprokene raakte even de klus kwijt—hij was een schuchter,
-weinig imponeerend man—maar herstelde zich dadelijk. De meewarige
-uitdrukking in zijn oogen werd nog sterker en hij antwoordde op gemaakt
-luchtige toon:
-
-„Maar professor, ik denk er niet aan....”
-
-Larsen wilde uitbarsten, maar bedwong zich. Ongemakkelijk verschoof hij
-zich op zijn plaats. Hij vergenoegde zich met een blik vol
-misnoegdheid; thuis, wanneer de tegenwoordigheid van ’t kind hem niet
-langer zou storen, zou hij die onzin wel wegpraten: zóo en zóo en
-zóo.... Als hij nu toegaf aan zijn drift en hevigheid, zou de zaak er
-zeker eer slechter dan beter door worden.
-
-Toen de trein aankwam, stond een rijtuig te wachten, door Paula
-afgezonden. Larsen merkte met verbeten ergernis op dat er een
-voorzorgsmaatregel genomen was: er zat een man naast de koetsier op de
-bok. Zijn verlangen naar huis werd haast onduldbaar, die komedie moest
-zoo gauw mogelijk uit wezen!
-
-Nauwelijks zijn voordeur binnen, vroeg hij naar Paula. Het welbekende
-gezicht van Pietje vertoonde een vreemde, medelijdende verwondering.
-
-„Mevrouw?.... Dat weet ik.... heusch niet, meneer,” zei ze met een
-kleur.
-
-Larsen voelde weer zijn bloed koken: hij, de kalme, zelden kregelige
-man, had nu telkens moeite om zijn drift te bedwingen.
-
-„Is ze uit?” vroeg hij stuursch.
-
-De dokter nam de verlegen Pietje even apart, fluisterde haar een paar
-woorden in, waarop ze, eveneens fluisterend, zenuwachtig antwoordde.
-
-Larsen, die ’t zag, wendde zich kort om, streelde zijn kind, dat zich
-schuchter tegen hem aan drong; en verborg zoo zijn wrevel zoo goed hij
-kon.
-
-Dr. Brakel zeide daarop:
-
-„Mevrouw is niet dadelijk te spreken, professor. Ik moet haar
-voorbereiden. Ik zou u raden voorloopig naar uw kamer te gaan.” Daarna
-gaf hij een teeken aan ’t dienstmeisje en wees op Didi. Zijn heele
-optreden had iets autoritairs, iets korts en afdoends, als gold het
-hier een weloverdacht plan van handelen.
-
-De anders zoo zachtmoedige professor kon zich niet meer inhouden.
-
-„Ik moet mevrouw spreken, versta je dat, Pietje?” riep hij woedend,
-niet lettend op de dokter. „Zeg me onmiddellijk waar mevrouw is.” En
-hij ging eenige schreden de gang in, in de richting van de trap.
-
-„Ik.... weet.... ’t niet,” stamelde de verschrikte Pietje, wie de angst
-om ’t hart sloeg: je kon nooit weten, nu meneer gek was.... En haar
-voorschoot aan de oogen brengend, begon ze te schreien.
-
-Haar vrees dat „meneer” haar aanpakken zou werd niet bewaarheid, tot
-haar groote verlichting; want ze zag hem met ongekende haast de trap
-opgaan, nog voordat de dokter een woord van protest kon uitbrengen. Bij
-wijze van schrik-afleider nam ze Didi bij de hand, en troonde haar met
-zich mee naar achteren: de dokter moest ’t maar verder klaarspelen met
-meneer, zij moest er niks van hebben, hoor!
-
-En de dokter vond het geraden Larsen zijn gang te laten gaan. Zijn
-vrouw zou hem toch wel in geen geval ontvangen. Dr. Brakel dacht aan de
-afspraak, die ze vóor zijn vertrek naar Vlissingen, met hem gemaakt
-had, en rekende op haar voorzichtigheid. ’t Was Paula makkelijk
-gevallen hem te overtuigen dat ze bang voor haar man was, nu hij „zoo
-vreemd” was, en hij had haar dan ook de raad gegeven hem onder geen
-voorwendsel bij zich toe te laten: hij, Dr. Brakel, zou dan alles wel
-kalmpjes afdoen. Paula had het hem vast beloofd, met groote voldoening
-dat ze zóo een lastig tooneel met Larsen vermeed: wie weet wat de man
-anders in zijn razernij tegen haar zeggen zou, afgezien nog van
-lichamelijk letsel dat hij haar zou kunnen doen: hu, zoo’n gek!—want
-dat wàs hij immers nu bepaald—’t was beter alle contact te ontloopen,
-dan was er geen kans op geklets van de meiden ook, en—de zaak zou op
-rolletjes gaan....
-
-Zoo had Paula zich dan reeds uren te voren boven in haar kleedkamer
-opgesloten, en iedere keer was ze naar het venster geloopen, wanneer ze
-meende ’t gedruisch van wielen te hooren. Over de tuinmuur heen kon ze
-een strook van de straat overzien. En toen eindelijk ’s avonds vrij
-laat ’t verwachte rijtuig langs de muur reed, stond ze weer achter ’t
-gordijn, en kon ze bij ’t schijnsel van een straatlantaarn aan de twee
-gestalten op de bok merken dat Larsen wel binnen enkele oogenblikken
-thuis zou wezen. Toen nog even geluisterd aan de deur, die ze met de
-hand aan de knop openhield: jawel, daar hoorde ze zijn stem in de gang!
-En ijlings sloot ze de deur, weer op slot.
-
-Paula voelde zich zenuwachtig: zou Larsen misschien tòch trachten tot
-haar door te dringen? Als de dokter eens.... Ze zette zich op een
-fauteuil bij haar kaptafel, en wachtte af, de ooren gespitst. Het
-gerucht van stemmen beneden kwam flauw tot haar. Pietje of de dokter
-zou wel spoedig boven komen.
-
-Daar werd aan de deur geklopt, met vrij hevige tikken.
-
-Dat moest Larsen zelf zijn! Ze voelde ’t, ofschoon de vlugge schreden
-op de trap en op den overloop evengoed op een ander hadden kunnen
-duiden; want men zou haar immers dadelijk verwittigen, wanneer de
-verwachte er wezen zou.
-
-Een oogenblik bleef ze in beraad.
-
-Nog eens hevig kloppen, vrij onmiddellijk na ’t eerste.
-
-„Paula, mag ik binnen?” klonk het ongeduldig en gejaagd, zonder eenige
-inleiding.
-
-De aangesprokene was ten hoogste ontroerd: ze beefde over haar heele
-lijf. Ze moest een besluit nemen: niet binnenlaten, in geen geval....
-Maar dan.... als hij eens de deur forceerde?
-
-Haastig sprong ze op, liep naar de schel en deed er drie of vier
-zenuwachtige rukken aan.
-
-Larsen hoorde de beweging in de kamer en ’t geluid van de schel. O, hij
-begreep het: Paula was bang voor hem! Deze ontdekking die hij deed was
-weinig geschikt om hem tot bedaren te brengen. ’t Speet hem nu dat hij
-maar niet dadelijk naar binnen was gegaan. Hij had ’t niet gedaan,
-omdat de veranderde omstandigheden hem dwongen tot grootere
-vormelijkheid.... De deur zou wel open zijn.... hij moest onmiddellijk
-aan dien onzin een eind maken.
-
-„Wat is dat?” riep hij buiten zich zelven toen hij merkte dat de deur
-op slot was. „Paula! Ik moet even bij je zijn. Ik moet je spreken. Wat
-is dat nu voor een komedie? Laat me binnen!”
-
-Geen antwoord.
-
-„Paula! Hoor je me niet?”
-
-Hij luisterde even: ’t was muisstil in de kamer. „Paula!”
-
-Daar kwam iemand de trap op. O, de dokter. Wat had die hier te maken?
-
-„Wat moet u hier?” vroeg Larsen.
-
-De dokter trad op hem toe en leî een hand op zijn schouder. Larsen
-weerde hem driftig af:
-
-„Dat is onuitstaanbaar! Ik heb u niet noodig....”
-
-„Ik u wel,” zei Dr. Brakel kalm en met beteekenis. Weer ging de bel in
-Paula’s kamer.
-
-„Wacht u dan beneden op me. Ik kom bij u in de voorkamer, straks. Ik
-moet even mijn vrouw spreken. Dat wil u me toch niet beletten?”
-
-Merkwaardig stak de drift van de eene bij de kalmte van de ander af.
-Dr. Brakel waagde nog een poging tot overreding. Vriendelijk vervolgde
-hij:
-
-„Ik heb u immers gezegd dat uw vrouw u niet dadelijk ontvangen kan. Ze
-komt misschien straks beneden. Ga nu met me mee, of ga naar uw kamer.
-Daar doet u heusch verstandiger aan. U begrijpt toch dat uw vrouw na ’t
-gebeurde.... niet opeens begrijpt.... wat ze aan u heeft.”
-
-Misschien zou Larsen voor die zachte drang gezwicht zijn, als niet
-juist op dat oogenblik iets voorviel dat zijn reeds bedarende drift
-heviger dan ooit deed opvlammen.
-
-De man op de bok, op wie Larsen bij ’t thuiskomen in zijn staat van
-afgetrokkenheid niet meer gelet had, was een kameraad gaan halen en
-beiden bleven buiten wachten nadat het rijtuig weggereden was. Pietje
-had van mevrouw de uitdrukkelijke last gekregen ze in te laten zoodra
-de dokter ’t noodig oordeelde, en als dat gebleken was voorloopig niet
-het geval te wezen, zou ze hun dit aan de deur zeggen. De
-politie-mannen—want dit waren zij, al verraadde niets in hun kleeding
-hun kwaliteit—wandelden op en neer vlak vóor ’t huis. Pietje, die op
-mevrouw’s bellen de oude dokter naar boven had zien „hollen”, vond ’t
-geraden naar hulp uit te kijken: wie weet wat er anders gebeurde! Ze
-was anders juist bezig Didi allerlei vragen te doen, en had zoo graag
-wat meer uit haar gekregen—Didi was uit haar humeur geweest, had
-nauwelijks bij Pietje willen blijven, en toch had deze dit noodig
-gevonden „in de omstandigheden”. En Pietje stoof de gang in, terwijl ze
-Didi in de keuken sloot, keek schuw links en rechts uit de voordeur,
-wenkte met hevig gebaar toen ze de twee gestalten gewaar werd.
-
-„Doet-i vreemd?” vroeg de een, die ’t zaakje niet onaardig vond.
-Mevrouw van de Prefesser was al zoo gul geweest. ’t Was daar ’n goeie
-boel in huis: cognac en sigaren, asjeblief en fijn, hoor!
-
-„Ja, kom gauw,” zei Pietje zenuwachtig, en keek nog eens of er ook
-menschen op straat waren.
-
-En de beide mannen kwamen stil binnen. Pietje sloot de voordeur, met
-bevende vingers, en ze deed zich pijn aan de koperen knop. Ze stak haar
-duim in haar mond—hè, dat lamme ding aan die deur!
-
-„Mevrouw is boven,” stamelde ze.
-
-„Ja, en?” De gebaarde politie-agent met het blozende gezicht, die iets
-Duitsch krijgshaftigs in zijn uiterlijk bewaard had, al was hij ook
-reeds tien jaar „uit dienst”, had zijn minder militair uitziende
-kameraad—een bleek, beenig stadsmensch met kaal gezicht, iets ouder en
-minder stevig—met een wenk duidelijk gemaakt dat hij wachten moest: hij
-had in dienst manieren geleerd, wat blief je....
-
-„Meneer.... is ook boven. En de dokter is ook boven. Ga maar ’s
-kijken.”
-
-De Germaan van de twee glimlachte goedig over Pietje’s zenuwachtigheid.
-
-„Blijf jij maar hier wachten, Van Turnhout,” zeî hij op gedempte toon
-tot de ander. „Ik zal je wel roepen als ’t noodig is. Ik zal wel alleen
-gaan.”
-
-„Gauw dan toch!” jengelde Pietje zoo zacht als haar angst toeliet.
-Mevrouw had haar weer gebeld....
-
-En zoo kwam ’t dat er zich een ruige krijgsmanstronie boven de trap
-vertoonde, juist toen Larsen die kant uitkeek, en er reeds aan dacht
-toe te geven aan de aandrang van Dr. Brakel.
-
-Het kinderlijk, kalm jongensgezicht met de groot-starende, blauwe
-kijkers had op Larsen een wonderlijke uitwerking. Zonder zich
-rekenschap te geven van wat hij deed—de impulsies namen meer en meer de
-overhand in zijn handelen—vloog hij op de verschijning toe.
-
-„Mijn trap af.... Mijn huis uit, zeg ik je!” bulderde hij vlak bij hem.
-
-Weer dat starende blauw, zonder spoor van verbazing; dat massieve
-geheel van bewuste kracht.
-
-Larsen weifelde. Meteen was onze Germaan boven, en stond nu naast de
-woedende. Hij wierp even een blik naar de deur aan ’t einde van de
-overloop, die van Paula’s kamer. Dat was in orde: de dokter stond
-ervoor, en die wenkte: hij kon zijn gang gaan.
-
-Larsen zag en begreep zijn blik. En smartelijker, honender dan ooit
-flikkerde dit angstbeeld vóor zijn geest op: Paula wilde hem
-verwijderen, naar ’t gekkenhuis laten brengen, zonder hem een oogenblik
-gelegenheid te laten het misverstand uit de weg te ruimen, en de dokter
-en zijn heele huis spanden samen in een duivelsch komplot!
-
-Dat zou niet, bij God! Hij was nog meester in zijn huis.... Maar ’t
-bevelschrift dat de oude Brakel hem te Vlissingen had laten zien? ’t
-Mocht wat! ’t Was al mooi dat hij daarom gewillig mee was gegaan, terug
-naar zijn huis! ’t Was immers schreeuwend onrecht iemand zoo maar weg
-te willen halen zonder een woord van explicatie! Dat was Paula’s
-toeleg: een machinatie zonder naam, op touw gezet omdat ze haar kansen
-anders tegenover hem verloren zag. Daar zou hij zich tegen verzetten,
-en hij wou wel ’s zien, of hij zich geen recht zou weten te verschaffen
-tegenover dat wijf!!
-
-En er niets van beseffende hoe hij hier juist bezig was zijn eigen spel
-voor goed te bederven, liet hij zich blindelings voortsleepen door zijn
-toorn.
-
-„Versta je me niet?” riep hij weer tot de agent met gebalde vuisten en
-vlammende oogen. „Onmiddellijk naar beneden!”
-
-De ander zweeg, maar de dreiging in Larsen’s blik en gebaar ziende,
-bracht hij snel een fluitje voor den dag, en blies er even met kracht
-op. Had hij geroepen, dan was er kans geweest dat zijn kameraad beneden
-een minder gunstig denkbeeld van zijn correct militair optreden
-gekregen had.
-
-Bij Larsen deed dit de maat overloopen. Met zijn groote kracht, vroeger
-ondanks al zijn ingespannen studie steeds onderhouden en geoefend door
-dagelijksche huis-gymnastiek, ’s morgens na ’t bad, en thans nog
-wonderlijk vermeerderd door zijn dolle woede, greep hij de agent bij
-zijn schouder, en duwde hem in de richting van de trap, slechts enkele
-schreden daarvandaan. De man was een oogenblik overbluft door de
-vlugheid van Larsen’s optreden. Doch zich dadelijk herstellende, wist
-hij met groote tegenwoordigheid van geest bovenaan de leuning te
-grijpen, en zoo een anders zekere val te stuiten, toen zijn eene voet
-reeds van ’t portaal af op de bovenste trede der trap was gegleden.
-Nauw zijn evenwicht herkregen, zette hij zich schrap. ’t Massieve
-eikenhout der leuning kraakte bedenkelijk door de forsche druk van die
-athleten-arm; doch ’t was maar éen oogenblik; want de onbesuisde
-tegenstander was bedwongen voordat hij nog recht wist wat er gebeurde:
-de ander had hem met de eene vrije arm en zijn eene knie achteruit
-gedrongen, was een ommezien later weer op het portaal, en had Larsen de
-handboeien aangelegd.
-
-„’t Spijt me, meneer,” zei de handige politie-agent met kranig
-geaffecteerde bedaardheid—hij was blij dat ’t zoo goed afgeloopen was,
-nou; want de perfesser was niet meegevallen, om de dood nie!—„maar u
-zal me moeten volgen. Als u zich kalm houdt wil ik u straks die boeien
-wel afdoen, in ’t rijtuig misschien al.”
-
-De gevangene stond wezenloos, verlamd. Met uitpuilende oogen staarde
-hij de agent aan, zijn neusvleugels trilden, uit zijn open mond kwamen
-benauwde ademschokken. Een akelig geluid, half snik, half kreunen
-ontwrong zich aan zijn borst, en hij zakte in elkaar. Een wit gipsen
-beeld achter hem wankelde en viel van zijn voetstuk met een harde slag.
-
-Met goedige verbazing in zijn blik ondersteunde de agent het slappe
-lichaam van Larsen. De dokter schoot toe, gaf orders.
-
-Inmiddels was de tweede agent bovengekomen.
-
-En Pietje schichtig daarachter, op de trap nog, aarzelend,
-nieuwsgierig, bang.
-
-„Zal ik koud water halen?” riep ze.
-
-Larsen werd naar een bank geleid bij een raam op de overloop. De dokter
-liet hem zitten, maakte zijn vest los. De eene agent ontdeed hem van
-zijn boeien, de ander haalde wat water: de duinwaterkraan was vlak bij
-de hand. Hij nam ’t zeepbakje weg en vulde dat.
-
-„Daar neerzetten,” zeî Dr. Brakel, toen de agent terugkwam. En dan tot
-de schichtige Pietje:
-
-„Breng even een spons, Pietje.” En toen Pietje de trap weer af wilde:
-
-„Uit mevrouws kamer maar.”
-
-Paula, die achter haar deur had staan luisteren, een en al beving en
-schrik, vermoedde wat er gaande was. Ze liet Pietje dadelijk binnen,
-toen deze met huilerige stem om toegang vroeg.
-
-De dokter had intusschen zijn patiënt een flacon met „vlugzout” onder
-de neus gehouden—hij had het bij zich genomen voor alle
-gebeurlijkheden; daarna het voorhoofd wat gebet, met zijn zakdoek.
-Larsen opende flauw de oogen.
-
-Toen Pietje terugkwam, stak haar meesteres ’t hoofd uit de deur van
-haar kamer.
-
-„Dokter!” riep ze zacht.
-
-De geroepene belastte Pietje met het toezicht over zijn patiënt.
-
-„Ja?” antwoordde hij bijna fluisterend.
-
-„Hoe is ’t, dokter? Hij komt bij, nie’waar?”
-
-„O ja, dat gaat al. Maak u maar niet ongerust.”
-
-„Moet hij niet naar zijn bed?”
-
-„Ja, dat zal wel ’t beste zijn. Waar zal ik hem laten brengen?”
-
-„Och.... wat dunkt u?.... Heeft hij daar ook niet een goed bed?”
-
-„Daar.... Wat bedoelt u?”
-
-„In.... in ’t gesticht.”
-
-„O, jawel. Maar woû u?....”
-
-Paula hield even op. Toen nog zachter dan te voren:
-
-„Ik ben zoo bang.... voor hem, dokter. Voor hèm, ziet u? Als u toch
-verzekert dat ze hem daar goed behandelen. Zou ’t heusch niet beter
-zijn?”
-
-„Och, eigenlijk wel....”
-
-„Doet u ’t maar. Wacht, ik zal Pietje om een rijtuig laten
-telefoneeren.... U vindt ’t immers goed zoo, nie’waar, dokter?”
-
-„O zeker, zeker, u heeft gelijk. Beter zoo.”
-
-Hij ging naar Larsen terug, loste de bevende Pietje af van haar akelige
-taak: och, meneer zag zoo wit als een doek, en dan die natte haren vóor
-zijn oogen!
-
-Beneden in de gang gekomen, hoorde ze Didi weeklagen in de keuken. ’t
-Kind was buiten zichzelve. „Ik wil naar vader, ik wil naar vader!”
-kreet ze telkens tusschen zenuwachtig snikken in.
-
-Pietje gebood haar gevoelig hart te zwijgen, en hanteerde het
-spreekwerktuig met zenuwachtige haast.
-
-
-
-Een half uur later—’t was half twaalf in de nacht—reed op de weg naar
-Den Haag met eenzame wielrateling een dicht rijtuig in de richting der
-hofstad. Op de bok zat ditmaal alleen de koetsier met nog een man; op
-de achterbank binnen het korte lichaam van Dr. Brakel, met gekruiste
-armen achterover leunend, en tegenover hem Larsen in kussens half
-weggezakt, in doffe onverschilligheid.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
-„Wat nu al weer? Binnen!!” riep Larsen, die op een lederen leuningstoel
-ineengedoken zat, kin op de borst, handen en voeten over elkaar. Hij
-dacht na. ’t Was onaangenaam dat men hem nooit behoorlijk tijd liet om
-na te denken: iedere keer werd hij gestoord!
-
-De deur ging open. Larsen keek niet op. Met gefronste wenkbrauwen bleef
-hij vóor zich kijken.
-
-„Goeie morgen, Willem!” zeide de binnentredende vroolijk en hartelijk.
-„Hoe staat het leven?” Hij ging naar de zittende toe, en klopte hem op
-de schouder.
-
-„O, ben jij ’t....?” Wantrouwig blikten Larsen’s oogen. Dan opeens met
-veranderde toon, maar nòg gemelijk: „Kruyt.... Albert.”
-
-„Zeker, amice, ik kom ’s kijken hoe je ’t maakt, net als de vorige
-keer....” Medelijdend keek de bezoeker de ander aan.
-
-Hij was ongeveer van diens leeftijd, had een gladgeschoren rondblozend
-gelaat, zwartglanzig spaarzaam haar met lichte kroezing boven de kleine
-platte ooren, half dichtgeknepen grijze oogjes, gebogen, maar fraai
-gevormde neus, streepmond met een zelden verdwijnend vleugje van
-ironie, door rooken eenigszins zwartachtig geworden gave kleine tanden,
-waarvan zich alleen de onderste rij bij een kort kramplachje liet zien;
-verder een spoor van onderkin, en in hals en overige lichaamsdeelen
-iets welgedaans, dat evenwel aan ’t geheel zijner verschijning eer
-voor- dan nadeelig was: ’t gaf hem bij de ongedwongenheid en
-evenredigheid zijner bewegingen een waas van priesterlijke waardigheid
-en deftigheid, die hij gaarne aan den dag legde. Een oppervlakkig
-waarnemer zou allicht, hem ziende, tot de diagnose komen: een man met
-een heldere geest, die zich vaak met ernstige zaken bezighoudt, een
-waardig man, en een wie ’t goed gaat in dit leven. En, wat het
-uitsluitend uiterlijk aanging: een man van opvoeding en stand, die zijn
-wereld kent; niet bepaald knap, maar voornaam en vriendelijk van
-trekken.
-
-Kruyt was kort na Larsen’s opname in ’t gesticht er eens heen gegaan,
-om zich op de hoogte te stellen. Hij had in een paar weken niets van
-zijn oude vriend vernomen, en opeens had de tijding van diens vlucht en
-wat er volgde hem zeer onaangenaam verrast. ’t Was Van Thiemen geweest,
-die hem op de hoogte gesteld had. De eerste ontmoeting met zijn
-ongelukkige vriend was voor Kruyt voldoende geweest, om geen oogenblik
-meer te twijfelen aan diens geestestoestand: ’t was mis met Larsen,
-en—misschien voor goed!
-
-„Gisteren is zij er weer geweest,” ging Larsen voort, met somber vóor
-zich uit starende oogen en weer op gemelijke toon.
-
-„Je bedoelt je vrouw? Belangstelling immers,” en hij nam een stoel.
-
-Larsen hief zich hartstochtelijk in zijn stoel op, en beet de ander
-toe:
-
-„Belangstelling! Ze stookt de menschen tegen me op, om me nog langer
-hier te houden! Ik wil haar niet zien! Ik wil haar nooit meer zien,
-versta je, Kruyt? Nooit meer! Zeg ’t haar toch!”
-
-De ander keek zwijgend en met meewarige blik naar deze uitbarsting van
-wrevel, de derde die hij nu bijgewoond had. Larsen had het beide keeren
-steeds over zijn vrouw gehad, en de bitterheid van toon daarbij was hem
-meer dan eens pijnlijk opgevallen. Wat maakte de man zoo achterdochtig
-tegen die vrouw, hem die toch vroeger zoo gelukkig met haar scheen te
-wezen? Ofschoon hij er ’t ware niet van begreep—want Larsen onthield
-zich door eigen natuurlijke afkeer van ’t openbaren der waarheid ter
-zake van zijn huwelijksleven—toch besefte hij vaag dat hier iets
-bizonders gebeurd moest wezen. En hij dacht: wie weet welk huiselijk
-drama hier het vreeselijke gevolg gehad had, dat hij voor oogen zag!
-
-„Kom, kom, Willem,” antwoordde Kruyt sussend, „je vrouw meent ’t zoo
-kwaad niet. Ze wil zich alleen overtuigen, of ze hier wel goed voor je
-zorgen. En ze stuurt je toch ook dikwijls wat lekkers....”
-
-Larsen verbaasde zich niet, dat Kruyt hiervan afwist: hij was in die
-staat van afgetrokkenheid waarin niets meer verbaast: gelijk de droomer
-onbewogen neerliggend soms al ’t vreemde gadeslaat dat er met zijn
-droom-persoonlijkheid geschiedt, zoo zag hij hier de wereld buiten hem
-als geheel los van hemzelve voor zoover ze niet onmiddellijk samenhing
-met zijn innerlijke wereld; die waarin zijn gedachten steeds
-rondwaarden of waarin ze telkens na half ontwaken weer terugkeerden.
-Hij verbeeldde zich dat zijn vriend Paula herhaalde malen gezien en
-gesproken had. ’t Was altijd Paula en nog eens Paula: die stond in
-contact met alles en met iedereen waarmee hij te doen had. In
-werkelijkheid was Larsen’s vrouw, in de veertien dagen gedurende welke
-hij verpleegd werd, driemaal om welvoegelijkheids-redenen—en andere—in
-’t gesticht geweest, „om naar mijn arme man te gaan kijken”, zooals zij
-’t tegen haar vriendin Margot uitdrukte, zonder een enkele keer Kruyt
-te ontmoeten. Telkenmale had Larsen volstrekt geweigerd haar te woord
-te staan, en zich vreeselijk opgewonden. Ofschoon een instinktmatige
-kieschheid hem steeds weerhield zijn argwaan te verklaren—ware ’t
-slechts door een enkele hartstochtelijke uitroep, die geen twijfel meer
-liet—had hij zich dagelijks tegen het verplegend personeel beklaagd
-over Paula’s optreden. Zijn hevige uitingen te dien opzichte waren in
-schril contrast met de zachtmoedigheid, droefenis en teedere
-belangstelling door Paula aan den dag gelegd. Men schudde het hoofd: de
-beklagenswaardige man was wel „ver weg” om zoo’n arme lieve vrouw zóo
-te beschuldigen! Zij uit louter boos opzet, uit haat hem hier houden,
-terwijl hij zoo onzinnig doorsloeg en nooit eenige redelijke grond voor
-zijn beweringen aangaf! ’t Was wel treurig, waar men immers wist hoe
-goed die twee jaren en jaren achtereen geleefd hadden: dat zei immers
-iedereen die de professor en zijn vrouw in hun vroeger samenzijn gekend
-had!
-
-Op de laatste woorden van zijn vriend antwoordde Larsen niet: och, hij
-was ook al op haar hand, als iedereen, als iedereen! Die vrouw palmde
-iedereen in met haar duivelsche aanhalige manieren! Wat hielp het hem
-er tegen te vechten? Zij had die Kruyt ook al weten wijs te maken, hoe
-lief ze haar man had, hoe ze alles voor hem overhad, hoe vreeselijk ze
-’t vond dat hij hier was, en wat voor fraaiigheid meer! Zoo had ze
-iedereen, iedereen behekst, en zou ze hem hier in zijn ellende weten te
-houden, jaar in, jaar uit, tot zijn dood toe. Waarom toch anders wilde
-niemand wat voor hem doen? Waarom kreeg hij geen antwoord op zijn
-brieven aan Van Thiemen, de eenige aan wie hij alles zeggen kon, waarom
-geen taal of teeken van Didi? Waarom mocht hij zijn kind nooit zien?
-Dat was alles om krankzinnig te worden!.... Was hij ’t niet al? O
-stellig: ze zou haar zin krijgen, als deze toestand nog lang moest
-voortduren, die gevangenschap zonder uitzicht op verlossing, zonder
-eenige aanraking met zijn vroeger leven dan alleen Paula’s brieven, en
-een enkel bezoek van Kruyt, die van niets afwist! Paula’s brieven! Hij
-woû ze niet meer lezen, geen enkele meer. Hij had aan de eerste genoeg
-gehad: hij walgde van die volleerde huichelarij. Twee lagen nu al
-onopengemaakt op de tafel in zijn kamer. In de eenige die Larsen
-gelezen had deelde Paula onder andere mede, dat Van Thiemen bij ’t
-haastig inspringen van een trein, die reeds in beweging was, zijn eene
-arm gebroken had, en nu het bed moest houden. Ze onthield zich van te
-verklaren, waarom Van Thiemen’s antwoord op Larsen’s eerste wanhopige
-brief nooit in zijn handen kwam, evenmin als eenige andere
-correspondentie. Ze had anders moeten vertellen, hoe ze reeds bij haar
-eerste bezoek aan ’t gesticht in overleg was getreden met de geneesheer
-en hem op allerliefste en overtuigende wijze had duidelijk gemaakt dat
-het voor haar man niet goed was brieven te ontvangen, behalve van haar.
-„Och, dokter, ik stel hem immers van alles op de hoogte, nietwaar? Van
-zijn huis, van zijn kind, van zijn vrienden.... En dan—hij kan mij
-immers zien zooveel als hij zelf verlangt....” De dokter was ’t
-volmaakt eens met haar: hij was een hoffelijk man en een voorzichtig
-man. Hij was ook getrouwd, en, al was hij arts, niemand beter dan zijn
-vrouw wist wat goed voor hem was en wat niet. Hij begon al oud te
-worden, en was al een paar tientallen van jaren gewend aan de alles
-bedisselende en regelende leiding, aan de vertroeteling, die hij thuis
-ondervond. Hij wist er alles van, hij die zelf een mooie vrouw had, en
-een goeie vrouw ook. „Zeker, zeker, zeker,” zei hij daarom met nauw
-zichtbaar instemmend hoofdgeknik en de vette duimen over elkaar
-draaiend, tot Paula, die tegenover hem zat in ’t spreekkamertje.
-
-Paula keek voldaan op de glimmende schedel schuin onder haar: de dokter
-had de gewoonte meditatief naar de grond te kijken en slechts nu en dan
-zijn hoofd scheef op te heffen, zoodat hij hem of haar met wie hij zat
-te praten niet aanzag. Hij sprak dan met opgestoken onderlip en met
-iets wezenloos droomerigs en eentonigs, als gaf hij antwoord aan
-stemmen, die binnen in hem tot hem argumenteerden. Hij was dan bizonder
-leelijk: het lichte knikkebollen van zijn groot, rond, tanig hoofd met
-de enkele, grauwe, platliggende haren links en rechts aan de slapen, de
-slechtgeschoren, kwabbige wangen met de enkele zwarte sprieten van
-haren, die als bakkebaardjes dienst deden, de op een smalle kier
-staande, gebrilde oogen, terwijl de magere, gele hals bizonder lang
-leek door de lage, al te wijde boord die hij droeg, dat alles deed
-onweerstaanbaar herinneringen leven aan groteske Japansche beeldjes uit
-speksteen met eeuwig wiegelende bolletjes.
-
-Paula had meer tegenkanting gevreesd: die dokter was bizonder
-meegevallen. Hij ging ook geheel met haar mee toen ze hem te kennen gaf
-dat bezoeken van hun kind aan Larsen niet gewenscht waren: „Ja....
-ja.... ja....” droomde en knikkebolde de arts, luisterend naar de
-stemmen in hem. „U weet dat zeker ’t beste.... zonder twijfel, zonder
-twijfel....” En na een pauze: „zeker, zonder twijfel, ja.... ja,
-mevrouw, zonder twijfel.” „Vindt u niet?” zei Paula nog eens, heel
-lief, maar met een ondeugend flikkerlichtje in haar oogen. De dokter
-luisterde weer naar zijn stemmen, kneep de oogen dicht, knikkebolde
-schuin met hevig opgewerkte lip. „Ja.... nee, zeker.... zonder twijfel,
-mevrouw.... zonder twijfel.”
-
-Zoo gebeurde het dat Larsen na de eerste van zijn vrouw geen brieven
-ontving, die hij de moeite van ’t openen waard vond, en dat hij zijn
-Didi niet zag. Toen hij zich na Paula’s vergeefsche poging om hem in
-zijn kamer op te zoeken—wat was ze ten slotte blij dat hij zich
-daartegen zoo verzette!—bij de dokter beklaagde over ’t uitblijven van
-brieven en een bezoek van zijn kind, wierp hij onmiddellijk de schuld
-op Paula: zij stookte, zij woû hem hier houden, nadat zij hem hier
-binnen gekregen had door gemeene toeleg; al die ongerustheid over zijn
-wel of wee was aanstellerij, leugen, bedrog, alleen op touw gezet om de
-menschen zand in de oogen te strooien, om te beletten dat hij hier ooit
-vandaan kwam, en zoo meer. Op al die hevigheid had de goede psychiater
-maar heel weinig geantwoord: de psychiatrie had hem immers geleerd
-krankzinnigen niet te prikkelen door tegenspraak. En toen hij buiten de
-deur van Larsen’s kamer was, schuddebolde hij weer zachtkens, en de
-stemmen in zijn binnenste spraken driemaal achter elkaar: „zoo praat me
-zoowat iedere gek.... allemaal op een gemeene manier in ’t
-krankzinnigengesticht gekomen.... bekende geschiedenis.” En ’s dokter’s
-mond antwoordde omfloerst: „ja, juist, zeker, zeker.... zonder twijfel,
-hm.... zeker.... ja, ja, ja.”
-
-Toch vond de voorzichtige arts na Paula’s derde bezoek de zaak
-ernstiger dan hij eerst gedacht had: de patiënt baarde ongerustheid
-door al de hartstocht, die hij iederen dag, wanneer hij kwam kijken,
-zag terugkeeren, heviger dan ooit na ’t vernemen van de aanwezigheid
-van diens vrouw in ’t gesticht. Niet dat de dokter zelf hem daar ooit
-over sprak, nadat hij eens gezien had, hoe Larsen te keer ging: nee,
-hij zag het nuttelooze daar wel van in, en Larsen vroeg het hèm niet.
-Maar een verpleegster, degene die met de zorg voor zijn kamer belast
-was, vond het telkens noodig hem over zijn vrouw te spreken, hetzij
-wanneer deze kwam of daarna. ’t Goede mensch was nog niet lang in haar
-tegenwoordige betrekking, en scheen iedere keer te vergeten, dat ze
-beter deed met op al Larsen’s uitvallen tegen zijn vrouw ’t zwijgen te
-doen dan hoog op te geven van ’t verdriet „van dat arreme mensch”,
-omdat „meneer haar niet bij zich woû hebben” en toch „heusch wel een
-beetje onbillijk—zal ik maar zeggen—tegen d’r was”.
-
-En omdat de dokter van ’t krankzinnigengesticht hart voor zijn
-patiënten had, wilde hij Larsen ergernis besparen: mevrouw Larsen’s
-bezoeken moesten voortaan streng geheim gehouden worden, en zoo noodig
-ontkend. De praatzieke verpleegster werd door een ander vervangen. Nu
-bleven de brieven nog. De schrijfster verzoeken er geen meer te
-schrijven ging toch waarlijk niet aan: hij zou de lieve vrouw immers
-kwetsen.... Nee, er was wel wat anders op: hij zou die brieven
-eenvoudig, met de andere die er wel eens kwamen, naar zijn kamer laten
-brengen; dan hield hij daar alles tot het belangstellend bezoek weer
-kwam, en schiftte wat de bezoekster ter hand gesteld moest worden en
-wat niet.
-
-Doch, hoezeer onze dokter ook voldaan was over zijn maatregelen, zeer
-veel resultaat zag hij er niet van; want Larsen ging voort met morren
-en klagen. ’t Onwaardige van zijn houding kwam hem nu en dan vaag vóor
-de geest, maar de ontreddering, het evenwichtverlies in zijn zieleleven
-was te groot om hem nog eigenlijke zelfbeheersching te laten. Dat hij
-nooit een onkiesch woord over Paula’s echtbreuk zeide, had met
-zelfbeheersching niets te maken: hij deed dat niet, omdat hij er niet
-de minste lust toe voelde, ja het spreken er over hem onduldbaar
-pijnlijk zou geweest zijn. De eigenliefde, die hem bang maakte voor
-deze pijn, was er een van lagere orde dan die welke ’t allereerst
-zelfachting eischt en dus zelfbedwang gebiedt. Wat gaf hij om zijn
-waardigheid! Zijn afgod lag verbrijzeld. Al wat hem aanzette tot
-krachtsinspanning over zichzelf bestond niet meer. En in baloorigheid
-verlangde hij met hakend, hunkerend, smachtend verlangen; soms droevig
-in diepe neerslachtigheid; dan weer woest, wanneer de vrees voor
-levenslange doem in dit oord der wanhoop hem al te benauwend
-tegengrijnsde en hem deed razen tegen haar, die hij als de eenige
-oorzaak van zijn ellende beschouwde. Verlangen en vrees absorbeerden
-hem meer en meer; want daarbuiten kende hij ten slotte alleen de
-eischen van zijn lichaam. Hij las niet meer, sprak alleen met de dokter
-en de verpleegster en dan steeds in uitbarstingen van ergernis; schuwde
-met sombere afkeer op zijn gelaat zijn mede-patiënten, wanneer hij die
-’s morgens tegenkwam, op de „wandeling” in de open ruimte binnen het
-gesticht, welke voor lichaamsbeweging der verpleegden diende. Zijn
-waken en slapen werden éen: de onrust van verlangen en vrees vervulde
-beide.
-
-Zijn bestaan werd geheel dierlijk. Zelfs het verlangen naar zijn kind
-werd dat, want het verloor de wijding van ’t vaderlijk beschermende.
-Hij zag thans in haar bescherming, als in zijn eenige toeverlaat, ’t
-eenige menschelijk wezen, dat hem geen vrees of achterdocht inboezemde.
-
-Het verschil met vroeger—de dagen van zijn schijngeluk—was, dat hij
-vroeger een zinnelijk mensch was evenals thans, indien men ten minste
-zinnelijk wil noemen het zich geheel laten leiden door ongebreidelde
-neiging, maar toen had die zinnelijkheid niet dat dierlijke van thans:
-de zelfbevrediging die hij toen zocht was van een beter gehalte. Ze was
-er niet minder zelfzuchtig om. Zijn geestes-werkzaamheid gaf hem genot,
-en daarom alleen gaf hij er een groot deel van zijn tijd aan. Het was
-hartstocht evenals wat hij hield voor liefde in zijn verhouding tot
-Paula. Slechts de liefde tot zijn kind had bij alle zelfzucht iets
-diepers en heiligers.
-
-Hij was zooveel jaren achtereen „deugdzaam” geweest in de gewone
-oppervlakkige beteekenis van ’t woord—onbaatzuchtigheid en
-zelfopoffering hoeft het niet te omvatten—en dan alleen nog maar zooals
-het bedorven knaapje dat „zoet” wil wezen zoolang het „lekkers” krijgt.
-
-En hij was twee-en-veertig jaar oud geworden zonder diepe smart te
-kennen. De dood zijner ouders viel in een tijd van zijn leven dat hij
-’t verlies niet kon beseffen: hij herinnerde zich zijn vader flauwtjes,
-zijn moeder in ’t geheel niet. Zijn triomfen in de wetenschap, zijn
-schitterende loopbaan als geleerde, zijn fortuin en zijn vrouwtje, dat
-hij aanbad en van wier wederliefde hij zeker meende te wezen, zijn lief
-kind, dat alles omwalmde hem zóo onafgebroken met een bedwelmende
-dampkring van levensgenot, dat zelfs die éene smart van zijn vorig
-leven—het overlijden van Didi’s broertje—geen blijvende indruk van
-beteekenis had kunnen achterlaten.
-
-Ondanks zijn groote geestesgaven was daarom Larsen een kind in
-levenswijsheid, want ook het kind zoekt het geluk buiten zijn eigen
-wezen, en mist het gevoel van verantwoordelijkheid tegenover de Groote
-Rechter in eigen boezem. Toch had hij zich steeds onder de geloovigen
-gerangschikt. Trouwens: men kan geloovig wezen zonder vroom te zijn. En
-vroom is wijs, want in de grond is slechts dat gevoel van
-verantwoordelijkheid het eenig vereischte daartoe, zoodat uiterlijke
-godsdienst en godsdienstige opvattingen geheel zonder invloed op
-vroomheid kunnen blijven.
-
-Zoo werd de man dus thans even blindelings voortgejaagd door verlangen
-en angst, als hij vroeger werd misleid door genotzucht.
-
-
-
-Op een avond—’t was tegen half tien—trad de stemmige, meestal zwijgende
-verpleegster, die thans met de bediening van Larsen belast was, rustig
-voortzeilend in breede waardigheid zijn kamer binnen. Zij was een
-bezadigde oude vrijster van wellicht veertig jaar, met blozende
-bolleboos-wangen, kleine grijze oogen met witte wenkbrauwen zonder
-wimpers, met kleine mond zonder lippen, een spitse vooruitstekende,
-roodgepunte kin, een volkomen glad en glimmend, smal voorhoofd; verder
-een korten nek, vrij hooge schouders, en een breed kort propfiguurtje.
-Haar blik had iets brutaal onbevangens, iets volkomen zelfbewusts,
-evenals de naar binnen toegeknepen mond. Haar oogen zeiden: „hier ben
-ik, afdoende maatregelen, geen gezeur, asjeblief!” en haar mond zei
-zonder te spreken: „ik ben een kranige vrouw, dat weet ik”.
-
-Ze sprak met een aardig Friesch accent en sterke stemmodulaties, hoog
-en niet onwelluidend.
-
-„Goeien avond, meneer!” zei ze binnenkomend met een blad, waarop wat
-avondeten, en de deur piepte achter haar.
-
-Larsen schrok op. Hij had ’t kloppen niet gehoord—de waardige
-verpleegster klopte altijd, al hoorde Larsen ’t ook zelden. Hij was
-weer in een van zijn sombere neerslachtige buien, wanneer hij nadacht.
-
-Wat op ’t oogenblik dat zijn oog op de binnentredende viel in ’t
-bizonder ’t voorwerp van dat nadenken was, scheen in onmiddellijk
-verband te staan met een gedachte die zij bij hem opwekte, want nauw
-had hij haar gezien, of zij lag spartelend tegen een kleine sofa aan,
-die in ’t vertrek stond, nog voordat ze tijd had om uit te roepen:
-
-„Heerebewaarme! Wat is er nou aan de hand?!”
-
-En het blaadje, de broodjes, ’t brood en wat er verder opgestaan had,
-lag deels op de stoel waar Larsen gezeten had, deels daarvoor en
-daaromheen op de grond uitgespreid.
-
-Larsen zelf was uit de kamer gestoven, de gang in.
-
-Het geluk dient hem die waagt, en zoo ook hier; want juist toen de
-vluchteling zich in de gang vertoonde, ging de voordeur open. De enkele
-schreden van Larsen’s kamerdeur tot de uitgang van ’t gesticht had hij
-in een ommezien afgelegd; zoodat de portier nog de deur vasthield toen
-Larsen hem bereikt had. De vrij sterke jonge man, schoon onmiddellijk
-begrijpende wat er gaande was, werd niettemin te zeer overrompeld, om
-voldoende tegenwoordigheid van geest te hebben: hij trad de ander in de
-weg en wilde de zware deur toeslaan, doch Larsen greep hem bij beide
-armen en smakte hem achterover. Een groote vloermat brak zijn val, en
-de man was vlug. Oogenblikkelijk sprong hij op, doch de voordeur werd
-vlak vóor zijn neus met een geweldige slag dichtgesmeten. Twee van zijn
-vingers waren beklemd geraakt, de punten vermorzeld.
-
-Op ’s portiers gegil kwamen een paar verpleegsters aanloopen, daarna
-anderen....
-
-En zoo duurde het zeker vijf minuten voordat men er aan dacht de
-vluchteling na te zetten.
-
-Toen was het te laat.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
-Paula lag achterover op haar weelderig bed, met open oogen.
-
-Ze was best tevreden. Ze was in de laatste maand nog niet zoo in haar
-humeur geweest. Nee, stellig niet....
-
-Die nare geschiedenis met Larsen had haar heel wat zorg gebaard. Enorm!
-Maar wat was ze wondermooi afgeloopen! Bizonder meegevallen....
-
-Onwillekeurig keek ze rechts. He, vreemd, ze had nog altijd de
-gewaarwording of daar naast haar een ander lag: de grove, bonkige
-gestalte van Larsen’s stoer lichaam.
-
-Ze zuchtte. Daarna glimlachte ze, strekte het eene opgetrokken been
-wellustig uit, trok het andere, dat gestrekt gelegen had, op, streek de
-rechterhand streelend langs haar verspreid liggende haren; en geeuwde
-lang en met een klein geluidje van lustbevrediging. Dan woelde ze
-eenige malen met het achterhoofd in ’t groote zachte kussen, en geeuwde
-nog eens, korter maar even smakelijk als te voren.
-
-Nee, ze had toch geen slaap.... Haar blik dwaalde langs de stijlen van
-’t reusachtige ledikant, langs de fraaie snijwerkjes aan ’t voeteneind,
-langs de sierlijke plooien van ’t gordijn boven haar, dat slechts de
-helft van de heele ligruimte overspande, meer sieraad dan
-licht-afsluiter. Voor dit laatste was het ook te licht van kleur en te
-luchtig van stof.
-
-Er lag een warme gloed over al de voorwerpen in ’t ruime vertrek. De
-glazen hanglamp, aan fijne kettinkjes aan ’t midden der zoldering
-bevestigd, zond haar schijnsel door een rozeroode, eivormige ballon. Er
-was geen ander licht in de kamer, want de twee ramen aan de smalle kant
-hadden ouderwetsche zware luiken en die waren gesloten. Door het
-rozeroode schijnsel kregen de anders gele venstergordijnen een rossige
-goudglans. Het wit en licht-grijze marmer van de monumentale
-schoorsteen—waarbinnen een gashaard met bedriegelijke juistheid een
-gezellig smeulend kolenvuurtje nabootste—de overtrekken der twee kleine
-fauteuils aan weerskanten, het geel en witte behang met de bruine
-hoeklijnen, de overige, gele meubels, het witgepleisterde plafond, het
-Havana-kleurig, effen tapijt met het groote, zacht-ruige voetkleed vóor
-’t ledikant aan Paula’s zijde—rechts—met zijn mollige, melkwit-vlokkige
-oppervlakte, alles was overgoten met den flauw-rozeroode schemerglans
-der lamp. En de zinstreelende kleuren-harmonie der kamer, de fijne
-geursprenkeling die er waarneembaar was—zacht als een liefkozing—de
-lauwe temperatuur, het eigenaardig halfdonker, dat lijnen en omtrekken
-ietwat verdoezelde, alsof de stilte er fluisterde van liefdezwijmeling
-in wereldvergeten, in geheimzinnige afzondering—Paula had er de
-wonderbare werking meer dan eens van ondervonden sinds de tijd dat zij
-deze kamer zoo naar haar eigen smaak liet inrichten.
-
-Ook nu was dat niet anders.
-
-Haar stemming bij ’t binnentreden der slaapkamer—wellicht een half uur
-geleden—was er een geweest van weelderige voldaanheid, een mat,
-algemeen gevoel van welbehagen, naar ziel, geest en lichaam: een
-heelheid door de volmaakte samenklank van al deze drie. Met loome,
-langzame bewegingen had ze zich uitgekleed, ditmaal zonder Pietje’s
-hulp—Pietje was anders in de laatste tijd meer dan ooit haar lieveling,
-en steeds om en bij haar wanneer zij aan haar toilet bezig was, of zich
-verveelde en naar een praatje van gemoedelijken aard verlangde. ’t Was
-wat laat geworden—de kleine koperen pendule wees kwart over
-twaalf—zoodat ze de gunstelinge maar dadelijk na haar thuiskomst naar
-bed gestuurd had.
-
-Een heerlijk avondje was ’t geweest.... Paula dacht er aan terug, toen
-ze vóor de spiegel heur haar voor de nacht in orde maakte. Het kijkglas
-weerkaatste haar volledig beeld, en ’t was haar een vaag genot er naar
-te staren, nu en dan. Dan verwijdden zich haar pupillen meer en meer,
-en verbreedde een vadsige glimlach haar vleezige mond.
-
-En ze dacht er nòg aan, toen ze, in haar wit nachtkleed, eindelijk
-besloot om te bed te gaan liggen, en dit toch maar half deed, met het
-eene been buiten bed.
-
-De groote spiegel stond schuin tegenover haar, tusschen het ledikant en
-de schoorsteen. In ’t dwalen van haar blik viel deze op wat ze in de
-spiegel kon waarnemen. Ze sprong op, verzette de psyche even, en ging
-weer liggen, ditmaal geheel.
-
-Eenige minuten tuurde Paula met welgevallen, met lodderig-halfgeloken
-oogen: ’t was aardig je zoo in je heele lengte te zien liggen....
-
-Maar nee.... Ze moest weer op.... Ze had zoo’n lust om nog wat rond te
-dribbelen, het niets doen met variatie, waarvan alleen sommige vrouwen
-het geheim schijnen te bezitten.
-
-En Paula dribbelde van haar bed naar haar waschtafel, schoof een laadje
-open, haalde er een doosje met geurige zeep uit, sloeg haar eene voet
-over de ander, en rook achtereenvolgens aan de drie ingepakte stukjes,
-die de inhoud van ’t doosje uitmaakten; daarna stond ze even in
-gedachten—: ’t was toch een allergezelligst avondje geweest bij mevrouw
-Boudewijnse.... Wat was die kinderachtige jongen weer dol geweest!....
-Verbeel’ je, tot zelfs bij de deur van haar huis, toen hij haar met
-zijn moeder thuisbracht, had hij zich nog zoo dwaas aangesteld, in ’t
-bijzijn van zijn moeder liefst!.... Wat had die goeie moeder
-Boudewijnse eindelijk leuk haar geduld verloren.... Ha, ha, ze moest
-nog lachen om haar komisch aandringen: „Dolf, jongen, ik wor’ boos als
-je nou niet meegaat.... Dolf!! nee, heusch, hoor, ik wor’ wezenlijk
-boos. Kom nu mee!” en onmiddellijk daarop was ze in een lach
-geschoten.... Als zij, Paula, er niet met een ietwat bruuske handigheid
-een eind aan gemaakt had, stonden ze nu misschien nog afscheid te nemen
-vóor haar huis.... Verbeel’ je.
-
-En van de waschtafel, waar ze de stukjes zeep achteloos liet liggen,
-wolkte de witte gestalte droomerig naar een der fauteuils bij de haard.
-Daar liet ze zich langzaam neerzijgen, leunde achterover en wreef eerst
-met de achterkant van beide handen, daarna met de voorkant der eene
-over oogen en voorhoofd. Toen geeuwde ze. Daarna boog ze voorover, keek
-met aandacht naar de grillige vlammetjes van de haard, en huiverde
-even—zonder werkelijk koude te voelen, want ze zat immers vlak bij ’t
-vuur. Of tochtte ’t?.... hoe kon dat? Ze spreidde de vingers van beide
-handen vóor zich uit, zóo dat ze de roode gloed door haar poezele
-grijpertjes heen zag. Ze vond het een oogenblik aardig hiernaar te
-kijken. Toen dacht ze aan anatomische griezeligheden, en sloeg de armen
-over elkaar, met een klein ongeduldig gebaar.
-
-Een minuut later stond ze weer vóor de psyche, en begon nog eens te
-gapen. Onderwijl lachte ze er tusschen door, steeds de oogen op haar
-beeld gevestigd. Ze was nòg mooi.... o zeker—ze kon zich best
-begrijpen—zoo’n malle jongen! Alleen daar, bij de oogen.... ja.... dat
-was niet te ontkennen.... dat zag je duidelijk.... Hoe noemen ze dat in
-’t Fransch ook weer?.... pattes.... pattes.... de.... nee.... Mijmerend
-ging ze weer zitten.
-
-Opeens hoorde ze een zucht in de kamer naast de hare.
-
-O, dat was Didi....’t Kind draaide zich zeker in haar bedje om. Zou ze
-niet even gaan kijken?.... Niet dat ze ongerust was, maar.... waarom
-zou ze er niet even heengaan? Ze deed het zoo zelden.... Dat is waar,
-dat bedacht ze daar. Och, ’t kind sliep er niet minder rustig om....
-Nonsens, die overdreven ongerustheid van sommige moeders!.... Daar had
-je nou die mevrouw Lanney, de vrouw van die jonge professor, dat was
-gewoon belachelijk....
-
-Paula stond op van de fauteuil, en richtte zich naar de ingang van
-Didi’s kamer, die bij een der vensters aan de smalle zijde der groote
-slaapkamer, in de zijmuur was aangebracht; er hing een voorhang, in de
-plaats van een deur.
-
-Vreemd, zoo’n andere temperatuur! Was ’t raam open gebleven in Didi’s
-kamer?
-
-Nog met de portière in de hand stond ze opeens stil. Wat was dat?
-Zuchtte Didi daar weer, of.... Ellendig, dat van de plaats waar zij
-stond het kamerscherm haar belette het bedje dadelijk te zien! Daar was
-’t weer. God, daar was iemand bij haar.... Ze hoorde duidelijk
-fluisteren, zenuwachtig fluisteren, dat telkens afgebroken werd.
-
-En haar blik naar rechts wendend, bemerkte ze nu eerst dat het venster
-openstond.
-
-Ze stond als vastgenageld, verbijsterd, besluiteloos. Als daar iemand
-was—een man, ze hoorde ’t aan de stem—moest hij spoedig merken dat zij
-hem stoorde.... Hoe kwam ’t dat hij nu niet al wat bespeurd had? Als
-hij ’s op haar afkwam.... als ’t een moordenaar was.... een dief, een
-inbreker, die.... Maar wat moest hij met Didi? Onbegrijpelijk.... Zou
-ze toch maar teruggaan en de meiden roepen....? Maar wat gaf dat
-nog.... als hij ’s in die tusschentijd....? Hè, dat er toch geen man in
-huis was!
-
-Het fluisteren was intusschen voortgegaan.
-
-Stil! Dat was Didi die sprak.... God, ze schreide....
-
-„Ik durf niet.... ik durf niet,” klonk het duidelijk verstaanbaar.
-
-Paula luisterde ademloos.
-
-„St, niet zoo hard.... Ik zeg je dat je moet. Je gaat mee. Versta je?”
-
-Paula werd bleek van schrik. Ze voelde haar knieën knikken. Ze had even
-getwijfeld, toen ze de eerste woorden van de man verstond. Nu geen
-twijfel meer: ’t was Larsen....
-
-’t Koude zweet brak haar uit over ’t gansche lichaam. Ze wankelde, liet
-de portière los, die ze nog steeds krampachtig vastgehouden had, en
-omdat ze de grond onder haar voelde deinen, sloeg ze de rechterarm uit.
-’t Driebladige kamerscherm viel om, schuin tegen ’t ledikant van Didi
-aan.
-
-Een benauwde kreet ontsnapte haar. Een vreeselijke angst hergaf haar
-voor een oogenblik haar tegenwoordigheid van geest. Ze wilde wegloopen,
-om hulp roepen.
-
-Larsen was bij haar, voordat ze twee passen gedaan had.
-
-Woest greep hij haar aan, hijgend, met verwilderde oogen, de
-neusvleugels wijd-uitstaand, het ruige gelaat vlak bij ’t hare.
-
-Hij duwde haar achteruit, een eind haar kamer in.
-
-„Pietje!! Kee!” gilde ze. „Hulp!”
-
-„Stil!” riep Larsen met gesmoorde stem, „of ik knijp je keel dicht!”
-
-Dreigend bracht hij zijn rechterhand aan Paula’s keel. Ze worstelde
-wanhopig om los te komen uit zijn stoere greep.
-
-Haar tegenstand deed het laatste overblijfsel van
-verantwoordelijkheids-besef uit Larsen verdwijnen.
-
-„Laat me los!” kreet Paula. Haar oogen staarden hem aan, in doodsangst,
-heur haren hingen los. Ze struikelde over haar nachtjapon. En terwijl
-hij op haar drong met de volle zwaarte van zijn lichaam, haar zoo
-belettend haar eene arm te bewegen, klampten zich zijn beide armen en
-handen om haar schouder en hals.
-
-„Me nu nòg.... tegenwerken! Woû je dat nòg?! Ik zal ’t je beletten,
-versta je?.... Voor goed.... Ik zal je....” Haar oogen puilden uit. En
-Paula’s kleine lichaam bezweek onder de druk van de massa op haar.
-Beide lichamen vielen op de grond. Een kleine stoel bij de waschtafel
-sloeg om, een fauteuil viel mee omver tegen de haard doordat Paula er
-met het hoofd tegenaan kwam.
-
-Een ondeelbaar oogenblik was ’t of Larsen’s razernij gebroken was. ’t
-Was er echter verre van dat de fizieke schok van zijn val eenig
-zedelijk besef van zijn daad zou meebrengen. Een tijger, plotseling
-losgelaten na een week van gevangenschap en honger, zou door ’t treffen
-van een steen, die hem even bezeerde, niet minder fel zijn eenmaal
-begeerde prooi bespringen. Wat kon hèm stuiten na twee maanden van
-dagelijks opgekropte aandoening—smart, wrevel, ergernis—eindelijk
-uitlaaiend in dierlijke wraak?
-
-Alleen werd zijn waarnemingsvermogen even als opgezweept. Hij zag
-zooals hij nog nooit gezien had: iedere lijn, iedere trek van Paula’s
-gelaat, haar glanzig zwart haar, hoog over haar hoofd puilend door den
-stoot tegen den fauteuil, de omlijsting van flauwgele bloemen op witten
-achtergrond van het cretonne over de voorover liggende stoel. Hij
-hoorde iedere suizing van haar adem, de ritseling van haar nachtkleed
-onder zijn vingers. Hij voelde het aderkloppen van haar hals, rook de
-subtiele geur van Paula’s haren, van haar kleed, van haar weelderig
-heerlijk lichaam....
-
-En terwijl hij met de beenen aan weerskanten van de achterover liggende
-gestalte lag, de knieën tegen de grond gedrukt, sloten Larsen’s vingers
-zich krampachtig om haar keel dicht. Zijn blik boorde in haar oogen,
-nauw een handbreedte onder de zijne.
-
-’t Sloeg half éen: de zilveren toon van ’t klokje op de
-schoorsteenmantel viel als een drop geluid, kil en kalm in de zwoele
-wachtende stilte.
-
-Larsen’s vingers knepen sterker en sterker....
-
-Daar week hij ontzet terug, nog op de knieën. Wat was dat in Paula’s
-oogen? Mijn God, wat had hij gedaan? Waarom stonden die oogen zoo
-strak, zoo volkomen wezenloos, bleven die lippen vaneen?
-
-Larsen boog zich weer voorover. Hij zag nog éen trilling over het
-verwrongen gelaat langs mond en oogen, daarna volslagen rust, zonder
-geluid, zonder beweging, een strak-starende verstuiping. Hij raakte
-haar niet meer aan—toch bleven haar hoofd, haar handen, haar voeten
-roerloos liggen.
-
-Langzaam, steeds de blik gevestigd op het schrikbeeld vóor hem, stond
-Larsen op. Een gewaarwording zooals hij nog nooit in zijn leven gevoeld
-had bekroop hem, overmeesterde hem geheel als kwam er een vloedgolf
-over hem, die een gansche wereld van donkere fantomen òm hem,
-onweerstaanbaar wegsleurde en hem verbijsterd in eenzaamheid
-achterliet.
-
-Machtig baande zich het licht een weg in de nacht van zijn waanzin:
-zijn ziel ontwaakte....
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-
-Wat was ’t alles kalm en stil. Wat gebeurde er toch met hem? Hoe kwam
-hij daar, in zijn eigen slaapkamer?
-
-Daar lag Paula, die witte massa, daar. Ze was dood. Hij had haar
-vermoord, hijzelf, hij. Met eigen handen geworgd als een beest. Hij
-keek naar zijn handen: ze trilden nog van de inspanning.
-
-O zeker, ze was dood: geen schijn van twijfel. Hij had haar geworgd als
-een beest. Hij begreep niet waarom hij zoo zeker wist dat ze dood was.
-Maar ze was ’t. En hij was haar moordenaar.... Hij was laf en
-verachtelijk. Toch had hij geen berouw, geen spoor. Nee, geen spoor.
-
-Daar hoorde hij hartstochtelijk snikken in de aangrenzende kamer. O,
-Didi... Zijn kind.... Ze had niets gezien van wat er gebeurd was. Ze
-schreide zeker van vrees of schrik. Ze zou straks wel opstaan
-misschien, en hier komen.... Hij wilde haar niet terugzien. Zijn kind
-mocht de moordenaar van haar moeder nooit zien. Hij was laf en
-verachtelijk. Hij woû heen, zich aangeven bij de politie.
-Onmiddellijk....
-
-Nee, wacht: even die omgevallen fauteuil rechtzetten, die lag te dicht
-bij ’t vuur—er mocht ’s brand komen. Zoo.
-
-Daar lag Paula—hij had haar hoofd even opgetild: ’t lag nu geheel op de
-grond—ze was dood. Hij had haar geworgd als een beest. Ze mocht daar
-niet zoo blijven liggen. Hij had nog wel even de tijd.
-
-Hij tilde haar op in zijn stoere armen, trapte even op haar afhangend
-nachtkleed. Toen droeg hij haar naar ’t bed, zijn ruige baard tegen de
-borst gedrukt, de blik strak op zijn vracht, in ijzige kalmte. Ze was
-zwaar: ’t viel niet mee.
-
-Hij leî haar op ’t bed. Op haar plaats, vooraan. De handen over elkaar,
-zoo. De handen waren koud, nu al.
-
-Nu moest hij weg. Hij keek naar de deur der andere kamer. Nee, ’t kind
-was er nog, ze snikte ook nog....
-
-Hij deed de deur open. Op ’t portaal alles stil: geen geluid. Er
-brandde ’t gewone licht, dat er ’s nachts altijd brandde. Langzaam ging
-hij de trap af. Op de mollige looper was zijn stap nauw hoorbaar. De
-gang door, links, naar de voordeur.
-
-Hij stond even stil.... Nee: alles rustig boven.
-
-Hu, ’t was koud in de gang. Zijn schreden klonken hol, ondanks de
-bekleeding van ’t marmer onder hem.
-
-Hij deed de ketting van de deur, verschoof de grendel en draaide de
-sleutel om. Ziezoo, daar stond hij op de stoep.
-
-Hij zag dat hij geen overjas aanhad. ’t Was koud. Ver in ’t najaar en
-dan ’s nachts. Hoe laat zou ’t zijn? Hij tastte naar zijn horloge: dat
-had hij bij zich als gewoonlijk. Veertien minuten vóor éen.
-
-Hij sloeg de kraag van zijn jas op, en dook weg in zijn schouders. De
-straten waren leeg, koud en stil. Hij liep aan de linkerzijde van de
-breede straat, waaraan zijn huis lag, in ’t volle maanlicht. De huizen,
-waarlangs hij voortstapte, keken hem in ’t voorbijgaan met starre blik
-aan, in leege, koude, stille onverschilligheid waar ’t licht scheen, in
-sombere dreiging, daartegenover. Larsen ijlde voort met harde klinkende
-schreden over de wit-starende straatkeien, straat in, straat uit; een
-gracht over—de brug dreunde hol onder hem—rechts af eenige hooge huizen
-langs.
-
-Hij was waar hij wezen wilde. Een korte weifeling had hem even na ’t
-uitgangspunt van richting doen veranderen, zoodat hij een kleine omweg
-gemaakt had.
-
-Ja, daar moest hij wezen. Hij woû Van Thiemen spreken. Dat was ’t
-beste. Hem alles zeggen. Hoe laf en verachtelijk hij was. Alles zou hij
-zeggen. Niet omdat hij bang was, en behoefte had aan een vriend, om
-zijn hart uit te storten. Ook niet omdat hij berouw had. Dat had hij
-niet. Toch moest hij alles zeggen. Alles. Hij had haar geworgd als een
-beest, met eigen handen. Hij zou zich zelf gaan aangeven bij de
-politie, straks wanneer hij Van Thiemen gesproken had. Of anders
-morgen....
-
-Hij belde aan. Wachtte een paar minuten. Toen nog eens.
-
-’t Duurde nog eenige minuten voordat de zware deur langzaam geopend
-werd, even op een kier. ’t Was nog een ouderwetsche voordeur, zonder
-kijkluikje.
-
-„Wie is daar?” vroeg een vrouwestem, eenigszins aarzelend.
-
-Larsen herkende ’t geluid van Van Thiemen’s huishoudster.
-
-„Meneer thuis, juffrouw De Vries?”
-
-De deur ging wat verder open, een hoofd vertoonde zich in de opening.
-
-„Meneer.... meneer.... de professor.... professor Larsen?” stamelde ’t
-menschje.
-
-„Ja. Wil u me binnenlaten? Ik moet noodzakelijk meneer spreken.”
-
-De ander aarzelde. Wat zag die professor Larsen bleek! En dan, had ze
-niet gehoord dat de man in een „gesticht” was? Hoe kwam hij zoo opeens
-hier? Woû hij meneer spreken in ’t holle van de nacht? Wat moest ze
-doen? Waarachtig as God, ze wist het niet.
-
-Daar klonk een hooge mannestem in de gang:
-
-„Wat is dat aan de deur, juffrouw? Iemand voor mij soms?”
-
-„Och.... professor, komt u ereis even hier.”
-
-Eenige vlugge schreden in de gang, dan een fluistergesprek.
-
-Larsen ving een enkel woord op, nog steeds op de stoep staande:
-
-„.... Weggeloopen.... gevaarlijk.... Gods mogelijk!.... Och, onzin!....
-Zelf weten.... m’n lieve mensch....”
-
-De voordeur ging wijd open, en Van Thiemen, in bruine kamerjapon, de
-armen over de borst om het anders openhangend kleedingstuk bijeen te
-houden, stond met vriendelijk lachend gelaat tegenover de late
-bezoeker.
-
-„Wel, Larsen, wat kom jij hier zoo laat doen? Moet je mij hebben?”
-
-Er was een eigenaardige uitdrukking in Van Thiemen’s oogen, en een toon
-van onder vroolijkheid verborgen twijfel, die beide onmiddellijk
-Larsen’s aandacht trokken. Hij deed alsof hij niets daarvan merkte.
-
-„Ja, kom ik ongelegen?”
-
-„Nee, nee, zeker niet.” Van Thiemen zweeg even. De volkomen kalmte en
-vastberadenheid in Larsen’s stem en gelaat verrasten hem. „Kom binnen,
-kom binnen,” zei hij vriendelijk.
-
-Onderwijl nam hij zijn oude vriend eens op. Hij zag hoe intens bleek
-hij was, en ’t viel hem voor ’t eerst op dat hij geen overjas aanhad.
-
-Zwijgend ging Larsen de voordeur binnen. Met wantrouwige blik stond de
-huishoudster toe te zien. Larsen zag haar even de schouders optrekken.
-
-Van Thiemen gaf haar een wenk, dat hij haar diensten niet meer noodig
-had.
-
-„Kom maar dadelijk mee naar mijn studeerkamer,” zei hij tot Larsen, die
-in somber afwachtende houding op de groote vloermat stond. Hij was
-bezig naar de grond te kijken. „Salve” las hij onder zijn voeten in
-groote sierlijke letters. Een pijnlijke zenuwtrekking vloog om zijn
-neus en mond.
-
-Opkijkende volgde hij zijn vriend, die met vlugge stap hem voorging
-door de gang.
-
-„Je zult ’t wel koud hebben, kerel,” hervatte Van Thiemen na een
-oogenblik, reeds op de trap. „’t Is boven bij mij warm. Ik zat nog te
-lezen zooeven toen je belde.” Hij keek even om.
-
-Larsen zweeg: met gebogen hoofd scheen hij al zijn aandacht noodig te
-hebben om geen misstap te doen op de breede, dik-belooperde trap.
-
-Van Thiemen praatte door, met iets gewild luchtigs; telkens afbrekend.
-Weinig vermoedde hij hoe duidelijk zijn gedachtengang voor de ander te
-volgen was. Och, wat kon ’t schelen? Straks, straks zou hij immers
-alles zeggen, en dan zou Van Thiemen wel vanzelf inzien.... O, ja,
-zeker, straks, als hij alles vertelde, moest Van Thiemen begrijpen dat
-hij volkomen normaal was.... volkomen bij zijn zinnen. Hij moest
-begrijpen dat hij toen ook.... zeker.... hij was laf en
-verachtelijk.... hij had haar geworgd als een beest, met eigen handen.
-
-„Ziezoo, kom nu maar gauw binnen,” zei Van Thiemen weer, en ontsloot de
-deur van zijn studeerkamer. „Voorzichtig, denk om de treedjes.”
-
-Beiden stapten binnen. Een weelderige behagelijkheid streelde Larsen’s
-gelaat, een vriendelijk welkom lachte hem toe uit de welbekende
-meubelen, de lijnen, vormen en kleuren van het vertrek. En een
-wonderzoete weedom overstelpte zijn gemoed.
-
-Hij vocht ertegen. Hij wilde van geen teederheid weten, geen deernis
-met zichzelf. Hij was immers laf en verachtelijk....
-
-„Ga hier zitten, kerel,” zei Van Thiemen hartelijk, en schoof een
-mollige fauteuil bij de open haard, waarin een vadsig druilig
-houtvuurtje brandde.
-
-Larsen zette zich, sloeg de kraag van zijn jas neer, deed de knoopen
-langzaam los, leunde achterover, daarna voorover. Zoo bleef hij zitten,
-de beide handen op de knieën, het hoofd schuin naar de haard gekeerd,
-onbewegelijk.
-
-Van Thiemen bemerkte dat zijn pantalon en zijn schoenen bemodderd
-waren.
-
-„Wil je niet een paar pantoffels aandoen?” vroeg hij, en ging naar een
-kast. „Hier, trek je schoenen uit, en doe deze aan.”
-
-Larsen deed zwijgend ’t verlangde, steeds zonder op te zien. De ander
-kwam naar hem toe, bekeek hem weer even met vriendelijke
-nieuwsgierigheid.
-
-„Zeg ’s, je zult wel moê zijn, niet?” zei hij. „En misschien dorst of
-honger?”
-
-„Och, dat ’s niets, dat ’s niets,” antwoordde Larsen. Toen sloeg hij
-voor ’t eerst de blik op: „Geef je toch geen moeite om mij. Ik heb
-niets noodig. Ik woû alleen je vertellen wat er gebeurd is.”
-
-Van Thiemen ging tegenover zijn vriend zitten, en sloeg de beenen over
-elkaar.
-
-„Zeker, ik luister,” zei hij.
-
-Larsen meende weer iets bizonders in Van Thiemen’s toon te merken, ’t
-zelfde dat hem reeds een paar maal in die nacht opgevallen was.
-
-„Je zult niet willen gelooven wat ik je nu vertellen ga, Van Thiemen.”
-
-De woorden klonken eigenaardig plechtig en somber.
-
-„Stumpert,” dacht de ander, „de een of andere hallucinatie zeker.”
-
-„Waarom zou ik niet?” zei hij, zacht en vriendelijk sprekend, als gold
-het hier de gril van een ziek kind. Larsen keek strak naar ’t vuur.
-
-„Och, ’t is vreeselijk,”.... ging hij voort, „en toch waar. Volkomen
-waar. Ik heb mijn vrouw vermoord. Dat kom ik je vertellen.”
-
-Er was geen spoor van weifeling in Larsen’s spreken. De bekentenis kwam
-er koud bedaard uit, bijna toonloos, en zijn houding bleef volmaakt
-dezelfde.
-
-Ook Van Thiemen verroerde zich niet. Hij wachtte even voordat hij
-sprak, zoekend naar een verstandige manier waarop hij deze, naar hij
-meende, hersenschimmige zelfbeschuldiging kon beantwoorden. ’t Was
-immers een hersenschim! Hoe zou die in-goedige brave Larsen, die geen
-vlieg kwaad kon doen, tot zoo iets kunnen komen, een moord? Ach, wat
-was die man reddeloos krankzinnig! En wat ’n vervolging van
-schrikgedachten aan al ’t doorleefde met die vrouw moest tot zulk een
-afgrijselijke waan geleid hebben! Stumpert, stumpert!
-
-„Beste kerel, hoe kom je me nu zóo iets vertellen!” zei Van Thiemen, en
-er klonk niets dan medelijden in zijn stem. Hij stond op en leî zijn
-hand op Larsen’s schouder. Deze lachte even schril en pijnlijk.
-
-„Zei ik ’t niet, dat je me niet gelooven zou? En toch is ’t zoo, Van
-Thiemen. Ik heb zooeven, misschien twintig minuten geleden, Paula
-vermoord. Ik heb haar geworgd, als een beest, met mijn eigen handen.”
-Dezelfde kille eentonigheid in zijn stem en geen spoor van aandoening.
-En juist deze afwezigheid van alle emotie hield Van Thiemen in zijn
-dwaling: Larsen sprak als iemand in een droom, als een gehypnotizeerde,
-koud, strak, wezenloos in zijn gansche houding, steeds starend naar ’t
-druilig vlammenspel in de haard.
-
-Van Thiemen vond het raadzaam den ander af te leiden.
-
-„Ben je vandaag hier in de stad gekomen?” vroeg hij, en zette zich weer
-op zijn stoel. „Je schijnt moe, amice; je hebt zeker heel wat
-vermoeienis achter de rug? Ik geloof dat je beter doet nu te gaan
-slapen. Je kunt bij mij logeeren. Dat is wel ’t makkelijkst voor je. En
-morgen—vertel je me verder wat je op je hart hebt. Heusch, dat is
-beter, kerel.” En toen de ander bleef zwijgen: „Kom, ik zal voor je
-logeerkamer laten zorgen. Mijn huishoudster is nog op....” Hij stond
-meteen op, en wilde schellen.
-
-Larsen wierp een vluchtige blik op zijn vriend, met nauw merkbare
-wending van ’t hoofd. Zonder spoor van ergernis of ongeduld antwoordde
-hij:
-
-„Wil je me niet even aanhooren?” Eindelijk veranderde hij van houding,
-leunde achterover, liet beide armen op de leuning van zijn stoel slap
-neerliggen, en staarde naar boven. „Ik voel geen vermoeienis. Ik kan
-niet slapen. Als jij me aangehoord hebt, ga ik naar de politie.
-Dadelijk. Ik ga me aangeven. Ik zeg je: ik heb mijn vrouw vermoord,
-geworgd als een beest, met mijn eigen handen. Als je bewijzen wil
-hebben, kan ik je naar mijn huis brengen. Daar zal de politie nu al
-wezen....”
-
-Van Thiemen vond ’t verstandig maar te luisteren. Toegeven, niet
-onnoodig prikkelen, dacht hij. Waarom zou hij de stumpert zijn zin niet
-geven? De uiting van ’t geen hem zoo vervulde zou hem misschien goed
-doen, opluchten.
-
-Zuchtend nam Van Thiemen zijn plaats weer in, strekte de handen naar ’t
-vuur uit.
-
-„Vertel me dan alles,” zei hij. En op zijn onbeantwoord gebleven vraag
-terugkomend: „Ben je vandaag in de stad gekomen—of.... ik bedoel
-eigenlijk gisteren.... Donderdag: we hebben eigenlijk al Vrijdag op ’t
-oogenblik.” Hij wees op de klok.
-
-„Ja, eenige uren geleden. ’t Was avond toen ik op weg ging. Ik ben
-weggeloopen uit het gesticht.”
-
-„En toen?”
-
-„Ik woû er uit, en ik woû naar mijn kind. Ik had geen geld, en ben dus
-komen loopen—drie uur.”
-
-„Een heele wandeling.”
-
-„Och, ik ben sterk. Nu, ik ben dadelijk na aankomst hier naar mijn huis
-gegaan. Daar ben ik binnengebroken. Ik woû Didi weghalen zonder dat
-iemand ’t merkte, Paula in de eerste plaats niet. Ik ben over de
-veranda in mijn tuin geklommen, en zóo ’t raam in. Ik wist dat ’t van
-buiten makkelijk open te krijgen was. Toen ik ’t kind woû opnemen, werd
-ik gestoord. Als ze dadelijk gewillig was geweest, had Paula zeker
-niets gemerkt, ofschoon ze waarschijnlijk al thuis was. Ze was wat laat
-thuisgekomen anders. Nu, ze stoorde me, en toen heb ik haar geworgd....
-als een beest, met mijn eigen handen....”
-
-Van Thiemen verschoof even op zijn stoel. Tevergeefs trachtte hij zich
-te onttrekken aan een opkomende gewaarwording van onbehagelijkheid.
-
-„En,” vroeg hij, „je kind?”
-
-„Was in haar kamer. Lag te schreien in haar bed. Dorst zeker niet voor
-den dag komen, toen ik met haar moeder bezig was in de andere kamer. In
-Paula’s kamer—onze slaapkamer, bedoel ik—die is vlak naast die van
-Didi. Dat weet je misschien.”
-
-Van Thiemen knikte even.
-
-„Didi heeft dus niet.... gezien wat je deedt?” hervatte hij na een
-oogenblik.
-
-„Gezien niet.... ik geloof ’t niet ten minste. Wel gehoord.”
-
-Van Thiemen worstelde met zijn gevoel van onbehagelijkheid, nu nog
-sterker dan te voren. ’t Late uur, de stilte in de kamer, ’t halve
-licht rondom de helle, scherp afgescheiden lichtkring der studeerlamp
-op de schrijftafel, Larsen’s verwilderd en verwaarloosd uiterlijk, de
-klanklooze droomtoon van zijn zware stem, de aard der mededeelingen
-zelf bij ’t wanhopig baloorige in de passielooze duidelijkheid en
-gelijkmatigheid waarmee de woorden geuit werden, dat alles werkte samen
-om een levendige verbeelding als die van Van Thiemen onweerstaanbaar te
-overmeesteren.
-
-„Gehoord?” vroeg hij met gefronste wenkbrauwen.
-
-„Ja, we zijn gevallen. Paula en ik. En een paar stoelen. Ik heb boven
-op haar gelegen. Toen heb ik haar geworgd—als een beest, met mijn eigen
-handen. Toen ben ik weggegaan. Door de voordeur.”
-
-„Door de voordeur?”
-
-„Ja. Ik heb niemand gezien. Trouwens, alles was misschien in tien
-minuten gebeurd. Je gelooft me nòg niet, wel?”
-
-Larsen keek op. De ander gaf de blik niet terug, maar keek vóor zich,
-’t hoofd op de rechterarm geleund, de elleboog op de knie. En toen hij
-niet antwoordde, ging Larsen voort, terwijl hij zijn starre houding
-hernam:
-
-„Je houdt me voor gek. Natuurlijk. Ik kan ’t je niet kwalijk nemen.
-Maar denk wat je wil. Je kunt je zelf overtuigen. Straks als je lust
-hebt.”
-
-Van Thiemen bleef zwijgen, verzette zich weer in zijn stoel, sloeg de
-beenen over elkaar. Larsen hervatte onverstoorbaar:
-
-„Ik zou je bizonderheden kunnen geven. Maar die zouden je niet beter
-overtuigen. Die zouden.... me maar ophouden. Ik moet naar de politie.
-Ik woû je alleen vooraf mijn bekentenis doen, omdat—jij alles weet. Ik
-haatte die vrouw. Ik heb me gewroken.”
-
-„Gewroken! Maar je had toch geen plan....?”
-
-„Och, nee. Ik dacht niet aan een plan. Maar toen ze me tegenwerkte, nòg
-eens—na al ’t andere—toen was ’t me te machtig. Ik heb toen eenvoudig
-in werkelijkheid gedaàn wat ik al lang in gedachten gedaan had. In
-gedachten had ik Paula al honderdmaal vermoord. Ik haatte haar. Ik weet
-nu wat haat is. Ik had nog nooit gehaat....”
-
-Van Thiemen zuchtte zwaar. Tranen welden naar zijn oogen. Larsen’s stem
-dreunde voort:
-
-„Nu niet meer. Ze is nu dood. Ik heb haar geworgd, als een beest met
-mijn eigen handen. Ik haat haar niet meer. Ik ben bevredigd. Ik ben op.
-’t Is nu alles uit. Ik voel niets meer. ’t Kan me verder niets meer
-schelen.”
-
-Zijn blik bleef omhoog staren, in leege, kille wanhoop.
-
-Met stomme aandoening hoorde Van Thiemen de woorden aan. Hersenschim of
-werkelijkheid: hier werd geleden, en de smart moest wel ontzettend
-groot zijn, als ze tot zulke ijzingwekkende spooktooneelen in zijn
-fantazie geleid had! En hij kende de oorzaak van al dat lijden.
-
-Nog zat Van Thiemen in gedachten verzonken, in tweestrijd met zichzelf
-en reeds ten prooi aan akelige twijfeling, toen hij getroffen werd door
-een vreemd geluid. Hij luisterde aandachtig: daar was ’t weer, en nog
-eens en nog eens. O, de brandklok: ergens brand....
-
-Larsen hoorde blijkbaar niets, steeds in dezelfde houding met het hoofd
-achterover geleund.
-
-Van Thiemen stond op. Hij kòn niet langer blijven zitten, verlangde
-naar beweging, wilde naar buiten, naar de frissche lucht. Hij kon ’s
-naar die brand gaan kijken: wie weet waar ’t was.... Maar dan
-Larsen....
-
-Plotseling keek deze hem aan, met schrik in de oogen.
-
-„Dat is de brandklok!” zei hij eindelijk van toon veranderend.
-
-„Ja, dat hoor ik ook. Zal ik....?”
-
-„Er is brand in mijn huis. Van Thiemen, ik weet ’t zeker, er is brand in
-mijn huis.”
-
-Larsen was opgestaan, zenuwachtig en gejaagd, een ander mensch dan
-eenige oogenblikken te voren.
-
-„In jòu huis?” ’t Angstig makend vermoeden had ook de ander bekropen,
-waarom begreep hij zelf niet.
-
-„Ja, stellig. Ik mòet er heen. Ik weet ’t zeker: ’t is bij mij!”
-
-Larsen was al bij de deur der studeerkamer.
-
-„Goed, laten we samen gaan kijken,” zei Van Thiemen, die—al was ’t dat
-hij ook ditmaal Larsen’s woorden voor de uiting eener overspannen zieke
-verbeelding hield—toch naar afleiding verlangde, om gelegenheid te
-hebben ’t met zichzelf eens te worden. Over Larsen’s gedrag, wanneer ze
-buiten waren, maakte hij zich niet ongerust. Nauwelijks op straat, zou
-hij zich op de hoogte stellen waar de brand was. Was ’t niet wat Larsen
-vreesde, dan nam hij zich voor onmiddellijk naar huis terug te gaan.
-Bleek het tegendeel waar—’t kon wezen, natuurlijk: waarom niet?—dan zou
-hij wel de politie een wenk geven, om op hem te letten dat hij geen
-dolheden beging.
-
-„Wacht even!” hervatte Van Thiemen. „Ik heb nog een overjas voor je in
-de kast van mijn slaapkamer. En ik moet zelf even wat anders
-aanschieten.”
-
-Enkele minuten later stonden beiden op straat. Juffrouw De Vries had
-Van Thiemen reeds ingelicht, dat het „ver weg” was, en minzaam
-verwijtend geprotesteerd tegen de nachtelijke uitgang haars meesters.
-Ze was niks gerust: zoo „bij nacht en ontije naar een brand gaan, en
-dan met die gekke perfesser....”
-
-Ondanks Van Thiemen’s luchtige verzekering dat „alles wel los zou
-loopen”, had het apartje met zijn huishoudster toch indruk op hem
-gemaakt. De straat was vol menschen. Hoe zou hij in die drukte kunnen
-beletten dat Larsen aan zijn aandacht ontsnapte? ’t Berouwde hem reeds,
-dat hij zijn huis verlaten had. Maar onmiddellijk had zijn luchthartige
-natuur een verontschuldiging bij de hand: hoe had hij Larsen in zijn
-huis kunnen houden, in die opgewonden toestand en vast geloovende dat
-de brand bij hem thuis was? Nee, zoo was ’t van twee kwaden nog ’t
-minste: zoo kon hij misschien nog oog op hem houden. „En vogue la
-galère!”
-
-De stroom van haastig voortijlende menschen volgend, en hier en daar
-vragend, zou hij spoedig zekerheid hebben. Doch ze liepen allen in éen
-richting, en niemand wist iets te zeggen.
-
-„Ik zeg je, ’t is bij mij!” riep Larsen ongeduldig.
-
-Van Thiemen had moeite hem bij te houden. Beiden draafden nu.
-
-De gloed aan de hemel boven het brandende huis werd zichtbaar, toen ze
-voorbij de boomen langs de gracht en de hooge huizen aan de overkant
-waren.
-
-„Ik ga met je mee, ik ga met je mee,” antwoordde Van Thiemen, „maar hoû
-je in Godsnaam kalm. Blijf in alle geval bij me. Je kunt me noodig
-hebben, al is ’t ook bij jou.”
-
-Nergens een politie-agent te zien! Van Thiemen ergerde zich, en meer en
-meer won het bange voorgevoel bij hem veld: Larsen heeft gelijk.
-
-Een jongen bonsde tegen Van Thiemen aan.
-
-„Kom je van de brand?” vroeg hij angstig, even stilstaande.
-
-„Ja!!” De jongen liep door.
-
-„Bij wie?” riep Van Thiemen hem achterna.
-
-„Bij Perfester Larse!”
-
-Larsen was een eind vooruitgeloopen, zich niet storend aan ’t
-oponthoud. Hijgend haalde de ander hem in. Larsen had niets gehoord, en
-hij achtte het gevaarlijk hem thans in te lichten. Trouwens, de
-waarheid zou spoedig blijken.
-
-De kleine straat, waar ze door moesten, om in de groote te komen waar
-Larsen’s huis stond, krioelde van de menschen.
-
-Nu geen twijfel meer: overal om hen heen had men ’t erover: „bij
-Professor Larse”.... „bij de vrouw van de perfester die gek geworden
-was”.... „bij de perfester om de hoek”....
-
-Er was een pikzwarte bank van rook over de hemel, links, telkens
-uitstuivend over de hoofden der menschenmassa in ’t straatje. De maan
-was onder en de hemel bewolkt. Een vrij sterke oostewind joeg bij
-iedere rookgolf een regen van fijne vonken in de lucht, hoog boven de
-huizen van ’t straatje wild verwaaiend.
-
-„’t Is hier benauwd!” zei Van Thiemen, en keek naar Larsen, die naast
-hem door de menschen trachtte te dringen. Hij zag dat hij een duw
-kreeg.
-
-„Meneer, je kunt hier niet door,” klonk ’t ruw.
-
-„’t Kan me niet schelen, uit de weg!” riep Larsen.
-
-Een kerel wankelde, viel tegen omstanders aan. Er werd getrapt en
-gestompt.
-
-„Wat moet die meneer?!” riep een vrouw. „Ziet-i dan niet dat we niet
-verder kunnen? De politie heeft de straat afgesloten.”
-
-Larsen stoorde zich aan niets. Links en rechts gestooten en gedrongen,
-werkte hij zich voort, als een dolle.
-
-Een politie-agent kwam de straat op, baan makend om zich heen.
-Zenuwachtig wendde Van Thiemen zich tot hem, wees hem op Larsen:
-
-„Hoû die meneer in Godsnaam in ’t oog! Hoû ’m tegen als je kunt,”
-fluisterde hij de agent toe. „De man is gek. Er is brand in zijn huis.”
-
-De menschenmassa golfde en deinde vóor hem. De agent verdween er onder.
-
-En ook Larsen was niet meer te zien.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-
-Twee mannen stonden boven op het dak der veranda van het brandende
-huis.
-
-„Ziet u ze?”
-
-„Ja, allebeî. Daar.... bij de deur....”
-
-„Durft u er in? God, wat ’n rook! Zouen ze niet al gestikt zijn?”
-
-De ander aarzelde even, een tiende seconde wellicht.
-
-„Hoû je klaar, als ik roep,” riep hij, en sprong naar binnen.
-
-De brandweerman, met wie hij gesproken had, volgde. Hij woû zich door
-die meneer geen vlieg laten afvangen.
-
-„’t Valt mee!” riep een stem van binnen. „Voortmaken is de boodschap.
-Gauw, help me ’n handje.”
-
-„Ze zitten zoo vast aan elkaar, gedome!”
-
-„Hier, ’t is al in orde. Beiden tegelijk maar. We hebben geen tijd. Jij
-aan deze kant. Ziezoo, vooruit! Voorzichtig.”
-
-Nog een brandweerman was naar binnen gesprongen; hij schoot toe.
-
-„Best, pak daar aan! Goed zoo.... Poeh! Wat ’n rook!”
-
-„Pas op, meneer! Even tillen.... Zoo....”
-
-„Op ’t dak maar?”
-
-„Zou ’t houen? Hei, Kees, geef ’s even die leer! Gauw!”
-
-De geroepene begreep de bedoeling dadelijk. Een stevige ladder werd
-over de volle breedte van ’t ijzere en glaze dak der veranda gelegd,
-schuin tegen ’t venster.
-
-Voorzichtig—op de vensterbank staande—tilden de drie mannen de
-ineengestrengelde lichamen op de schuinliggende ladder.
-
-Uit de kleine straat, vanwaar een opgepropte menigte stond toe te
-kijken, klonk uitbundig gejuich. Allerlei opmerkingen werden luide
-geuit.
-
-„Dat ’s Perfester Van Thiemen! Zie je ’m? Nou, die durft, hoor....”
-
-„Hij heeft ze te pakken. Allebeî! Met z’n drieën lappen ze ’t ’m!”
-
-„Arm schaap! Kijk ze daar nou ’s liggen. Wat houdt ze ’m vast.”
-
-„Kijk! Ze hebben ze losgekregen! Zouen ze dood zijn?”
-
-„Hij niet misschien, maar dat arme schaap!”
-
-„Nou maar, hij is anders slap genoeg. Zie je dàt? Hij geeft niks mee,
-hoor!”
-
-Het venster, waarlangs de drie hun dubbele vracht naar buiten hadden
-gedragen, lag dicht bij het uiteinde van de veranda. Het was het
-laatste raam aan de achterzijde van ’t huis, naar de kant van ’t
-straatje, en was aangebracht op het ruime portaal waarop Larsen’s
-slaapkamer en die van zijn dochtertje uitkwamen. Dit heele achterdeel
-der woning was in latere tijd aan ’t oude huis toegevoegd; zoodat het
-ter zijde niet meer grensde aan het huis er naast, dat de eene hoek van
-het straatje uitmaakte, maar aan een deel van de tuin daarvan. Van de
-breede ijzere rand der veranda tot de scheidingsmuur der twee
-aangrenzende tuinen was de afstand niet grooter dan wellicht een meter.
-
-Van de veranda in de tuin der buren te komen leverde dus geen
-moeilijkheid van beteekenis op.
-
-Langs de rand der veranda konden dus twee man met eenige inspanning de
-ladder naar zich toehalen, waarop achtereenvolgens het bezwijmde kind,
-en daarna het slappe lichaam van Larsen waren neergelegd.
-
-Van Thiemen weerde zich als de beste der brandweermannen. Met
-geschroeide haren en baard, zwarte veegen in zijn gezicht, zijn
-kleeren, bedorven door roet, rook en water, zag hij er merkwaardig uit.
-Blootshoofds—hij had zijn hoed verloren—en zonder overjas vertoonde hij
-zich eindelijk weer buiten. Hij had zeker een half uur in ’t buurhuis
-vertoefd, waar Larsen en zijn kind voorloopig binnengebracht waren, in
-afwachting van de komst der brancards uit het ziekenhuis.
-
-Hij werd op de stoep bestormd door nieuwsgierigen, vele bekenden en
-vrienden daaronder. Een jonge man met donker haar, schrandere levendige
-oogen, fijne neus en dun zwart snorretje, trad ’t eerst op hem toe.
-
-„Hoe is ’t, professor?” vroeg hij. „Leven ze?”
-
-„O, Zomer, ben jij daar ook? Ja, Goddank, ze leven beiden.”
-
-„De dokter is er zeker bij. Welke dokter is ’t? Toch niet Dr. Brakel?”
-
-„Nee, een ander: Norman. Je kent hem wel.”
-
-De ander knikte.
-
-„En, wat gebeurt er nu met....?”
-
-„Er moeten brancards van ’t ziekenhuis komen. Zoolang blijven ze hier
-in huis.”
-
-„Alle drie?”
-
-„Alle drie, dat wil zeggen....”
-
-„Mevrouw Larsen.... Was die dan niet in ’t huis?”
-
-„Jawel, jawel!” klonk uit de omstanders, die naar ’t gesprek hadden
-staan luisteren. „Die was er ook in. Die is verbrand. Vraagt u ’t maar
-aan die daar. Dat is de kamermeid van mevrouw.”
-
-De jonge man en Van Thiemen keken beiden in de richting waarheen de
-spreker wees. Daar zat op een steene paaltje van de breede stoep
-Pietje, ’t beeld van doffe wanhoop, snikkend en met beide armen een
-bundel goed omklemmend, dat tegen haar schoot lag.
-
-Van Thiemen, die ’t niet noodig vond de droeve dienstbare nog meer van
-streek te brengen dan ze blijkbaar reeds was, nam zijn jonge vriend ter
-zijde:
-
-„Ga je mee, Zomer?” vroeg hij. „Ik ga naar mijn huis. Ik heb hier
-verder niets te doen. Morgen denk ik ’s naar ’t ziekenhuis te gaan. Ik
-ben wat moe, en moet me wat opfrisschen.”
-
-Met een zure glimlach wees hij op zijn gehavende plunje.
-
-„Best, professor. Ik ga met u mee, als ik u niet lastig val, zoo in de
-nacht....”
-
-Het tweetal ging links van ’t huis de breede straat op, zoo de menigte
-vermijdend.
-
-„O, à la guerre comme à la guerre! Ik ga toch nog niet naar bed. Ik ben
-nog te vol van alles.” Zwijgend stapten ze een eindweegs naast elkander
-voort.
-
-„Maar, professor,” begon Zomer weer, „zeg u me toch ’s—ik woû ’t
-zooeven met al die menschen niet vragen—is mevrouw Larsen werkelijk
-verbrand?”
-
-„Ja, dat moet wel,” antwoordde Van Thiemen, en zijn gelaat vertoonde
-een uitdrukking van pijnlijke gedachten, „of ten minste gestikt....
-want ze had geen enkele brandwond.... niets, nergens. Het haar was
-alleen wat gezengd. De slaapkamer was trouwens vol rook—niet om door te
-komen bijna. Ik ben er geweest. Larsen was als een dolle over de twee
-tuinmuren achter in ’t huis geklommen—verbeel’ je, van het
-Spinhuis-straatje naast de Erlings.—Toen ik even een voet in de
-slaapkamer zette, moest ik terug: ik was anders zelf gestikt, je kon er
-geen hand voor oogen zien. Ik was achter op de veranda geklommen moet
-je weten, en had zoo in mevrouw’s slaapkamer willen komen. We hadden
-Larsen daar het raam in zien springen.”
-
-„Maar hoe kwam Professor Larsen zoo opeens hier in de stad? Was hij
-niet....?”
-
-„Hij was weggeloopen.... juist kort geleden in de stad. Enfin, dat zal
-ik je nog wel ’s vertellen.”
-
-„Ga u voort.”
-
-„Nu, toen we zagen dat het onmogelijk was door dat eene venster in de
-slaapkamer te komen, probeerden we een ander, ’t laatste van de drie
-aan de achterkant van ’t huis, dat op ’t portaal uitkomt. Daar was
-gelukkig minder rook. Daar vonden we Larsen en zijn kind vlak vóor de
-deur van de groote slaapkamer. Ze lagen in elkaars armen op de grond.
-Je kon zien dat Larsen daar neergevallen was, nadat hij ’t kind uit die
-hel van rook en vlammen gehaald had.”
-
-„Uit de slaapkamer dus?! En mevrouw dan?”
-
-„O, daarvan hoorde ik later pas. Ik had toen op dat oogenblik alleen
-aandacht voor Larsen en zijn dochtertje. Maar ik weet, dat er kerels
-van de brandweer van voren ’t huis waren binnengekomen. Niet de trap
-langs, want daar was ook geen doorkomen aan. Ik vond mevrouw
-Larsen—haar lijk, bedoel ik—al bij de Erlings, toen ik Larsen en zijn
-kind daar binnen hielp dragen. Hoe de kerels ’t ’m geleverd hebben,
-begrijp ik nòg niet. Ze hadden haar blijkbaar vóor uit een straatraam
-naar buiten gebracht. Pietje—je weet wel, dat was mevrouw’s kamermeid,
-nogal een lieveling van haar—vertelde bij de Erlings met veel misbaar,
-dat ze mevrouw met Didi bij elkaar gevonden had: mevrouw op bed liggend
-en het kind wanhopig huilend over haar heen gebogen. Ze was toevallig
-wakker geweest—Pietje, meen ik, die hoog boven in ’t huis sliep—ze had
-een sterke brandlucht geroken, en was toen gaan kijken. Toen had ze
-gemerkt dat mevrouw al koud was; ’t kind woû niet mee, en woû maar niet
-gelooven dat haar moeder dood was, bleef als een wanhopige rukken en
-trekken en schudden. Pietje had ’t kind moeten achterlaten, om zelf
-haar leven te redden, zooals zij vertelde. Tsh! ’t Onnoozele menschje
-stelde zich bij de Erlings zoo vreeselijk aan, dat ze maar naar buiten
-gebracht is. Je hebt haar op de stoep zien zitten.”
-
-Van Thiemen kon een glimlach niet bedwingen, ondanks de droevige
-gedachten die bij hem omgingen; en ook zijn jonge metgezel kreeg een
-vroolijke vleug om de mond, toen hij aan ’t erbarmelijke tooneel van
-Pietje’s treurnis dacht.
-
-„Nu,” hervatte Van Thiemen, „dat verhaal van Pietje kwam overeen met
-wat de dokter constateerde....”
-
-„Zoo?”
-
-„Ja, die vond dat mevrouw Larsen al minstens een half uur dood moest
-geweest zijn toen ze bij de buren binnen werd gebracht.”
-
-Van Thiemen versnelde onwillekeurig zijn pas. Hij huiverde.
-
-De ander keek hem even verwonderd aan, doch de oorzaak van hetgeen hij
-in zijn oude vriend waarnam enkel toeschrijvende aan gewoon menschelijk
-medegevoel, dacht hij er niet verder over na.
-
-Beiden zwegen echter een poosje.
-
-Onderwijl bereikten ze de brug in de buurt van Van Thiemen’s woning.
-
-„Egyptische duisternis,” zei Van Thiemen eindelijk. „Zie je wel, dat er
-geen enkele straatlantaarn op is? Dat ’s van wege de maan, die al
-zoowat een uur onder is!”
-
-„Zuinigheid met vlijt,” antwoordde de ander om iets te zeggen.
-Intusschen tuurde hij afgetrokken onder ’t voortwandelen naar de
-inktzwarte oppervlakte van ’t water der gracht, waar het eenzame
-lichtje van een turfschuit doods opstaarde uit de drabbige
-onbewegelijkheid, diep tusschen de donkere boomen en de hooge huizen
-daarachter.
-
-Zonder een woord meer te wisselen ging het tweetal verder tot aan Van
-Thiemen’s woning.
-
-Eenige minuten later zaten beiden op dezelfde stoelen in de
-studeerkamer, waar nog zoo kort geleden Larsen zijn ijzingwekkende
-biecht gedaan had.
-
-Van Thiemen had van kleeren verwisseld en zich gewasschen. Was zijn
-gevoel van onfrischheid en vermoeienis ook geweken, zijn gemoed was er
-niet rustiger door gestemd: de onrust-gedachten, die hem sinds de
-nachtelijke samenkomst met Larsen, en vooral na de berichten omtrent de
-dood van diens vrouw steeds door gekweld hadden, drongen tot uiting.
-Zou hij uitspreken wat hem zoo vreeselijk drukte, raad en steun zoeken
-bij deze jonge man, door hem de akelige vermoedens bloot te leggen die
-in hem spookten? Hij wist welk een warme genegenheid de jonge
-rechtsgeleerde voor zijn vroegere leermeester koesterde, hij wist ook
-in welk een achting de veelbelovende leerling steeds bij Larsen gestaan
-had. En ook hijzelf voelde veel sympathie voor hem, en stelde een
-onbeperkt vertrouwen in zijn rechtschapenheid en in zijn talenten. ’t
-Gold hier een werk van hooge menschlievendheid, een daad van de edelste
-vriendschap. Nee, hij kòn, hij mocht niet zwijgen. Aan niemand beter
-dan aan de vereerende leerling kon hij deze kiesche zaak toevertrouwen:
-hier was toewijding, geestdrift en talent noodig, en op dat alles kon
-hij immers rekenen.... Hij moest spreken.
-
-De jonge rechtsgeleerde was zelf in gedachten verdiept, toen Van
-Thiemen na een oogenblik de stilte verbrak:
-
-„Zomer, ’t deed me bizonder veel genoegen je zooeven te ontmoeten. Je
-kwam als geroepen.”
-
-„Te veel eer, professor. ’t Speet mij alleen dat ik zoo laat kwam,
-zoodat ik niet anders dan toeschouwer ben kunnen wezen. Ik had anders
-zoo graag een handje meegeholpen. U heeft zich kranig geweerd, hoor
-ik.”
-
-„Och, laten we daarover zwijgen. Je weet hoe Professor Larsen en ik
-bevriend waren....” Van Thiemen weifelde even. „En.... ook daarom vin’
-ik het zoo heerlijk dat ik jou getroffen heb....”
-
-„Mij, professor?” Er was een oprechte toon van bescheiden verwondering
-in Zomer’s stem, en ook zijn open, trouw gelaat drukte dit uit.
-
-„Ja.... kerel, ik heb je noodig. Ik zit voor een ellendig geval.... in
-verband met mijn vriend Larsen. Ik woû je over iets raadplegen dat me
-geheel vervult. ’t Zou me een ware verlichting zijn je er over te
-spreken....”
-
-„Ik hoef u wel niet te zeggen, professor, hoe aangenaam ’t me wezen zal
-u van dienst te zijn, ook om der wille van Professor Larsen. Maar ik
-kan me niet voorstellen....”
-
-„O, je kunt me helpen misschien. In alle geval zal ik me minder
-bezwaard voelen, als ik ook éen ander mensch verteld heb wat me nu zoo
-benauwt. ’t Zijn vermoedens, niets dan vermoedens, maar zóo
-waarschijnlijk.... dat ze me kwellen als ware feiten. Niemand weet
-ervan, behalve ik.... dat wil zeggen niemand weet alles in zijn
-verband.... hoe ’t eene uit ’t andere voortgekomen is.... Larsen heeft
-me mededeelingen gedaan.... Ik kan op je stilzwijgen staat maken,
-nie’waar?”
-
-„Natuurlijk, professor, als ’t graf....”
-
-Van Thiemen veranderde van houding, haalde zijn rechterhand door zijn
-golvende zwarte lokken, en stond op.
-
-„Kom, ik laat je op een droogje. Wil je niet wat warms? Ik zal zien dat
-ik wat water warm maak. Een kop waterchocolâ?”
-
-Zomer aanvaardde ’t gebodene.
-
-„Je weet, ik ben geheel-onthouder,” hervatte de ander. „Ik heb hier op
-’t oogenblik niets anders bij de hand.”
-
-De levendige professor had spoedig wat hij noodig had klaargemaakt. Een
-glas van zijn waschtafel en een theekopje, dat in zijn kast stond,
-waren weldra gevuld met het geurige mengsel. Hij nam ’t glas voor zich
-en bood zijn gast het kopje.
-
-„Ziezoo,” hervatte hij, weer zittend. „Ik moet je eerst een vraag doen:
-geloof jij bepaald dat Professor Larsen krankzinnig wàs, ik meen toen
-hij naar ’t krankzinnigengesticht gebracht werd. Je hebt er toen van
-gehoord, nie’waar?”
-
-„Wat zal ik u zeggen?.... Ik hoorde toen wat iedereen hoorde. Later heb
-ik nooit die zaak in twijfel hooren trekken....”
-
-„Nu, ’t mag toèn zoo geweest zijn.... of liever, ik ben overtuigd dat
-hij toèn zoo was—gek, bepaald gek—maar hij was ’t niet meer toen ik hem
-gisteren—ik bedoel vannacht—sprak.”
-
-„Heeft u hem vannacht gesproken? Vóor de brand dan?”
-
-„Ja, onmiddellijk te voren.... òf ten minste toen de brand net begon.
-Hij is toen bij me geweest.”
-
-En Van Thiemen vertelde ’t heele geval, sprak van zijn bijna vaste
-overtuiging, dat wat Larsen hem mededeelde pure waan was, een
-krankzinnige inbeelding, van zijn twijfel, eerst gering, daarna zoo
-versterkt door de feiten bij de brand waargenomen.
-
-De jonge advocaat luisterde met de grootste aandacht, met de
-hartelijkste belangstelling.
-
-„Een psychologische zeldzaamheid, dit geval, vin’je ook niet?” zei Van
-Thiemen aan ’t slot van zijn verhaal.
-
-„U bedoelt dat plotseling ontwaken van ’t bewustzijn, door een groote
-ontroering, en dat overdreven gevoel van verantwoordelijkheid?”
-
-„Nee, dat begrijp ik wel—dat komt meer voor. Zeker. Ik meen die
-uitbarsting van haat in een zachtmoedig man als Larsen. Je kent hem.”
-
-„Ja, zeldzaam. Zonder twijfel, professor.”
-
-„Maar....” vervolgde Zomer na een oogenblik denkens, „ik geloof met u,
-dat hij volkomen bij zijn verstand was toen hij u.... zijn bekentenis
-deed. O, daar twijfel ik nu geen oogenblik meer aan....”
-
-„Maar toen hij de moord deed? Toen ook? Dat is immers niet aan te
-nemen....”
-
-„Wat mij betreft, professor....” De jonge rechtsgeleerde bracht het
-hoofd schuin voorover en wachtte even, om ’t daarna met een kleine ruk
-op te heffen. Hij keek zijn gastheer flink in de oogen. „Ik geloof
-vast, dat hij op ’t oogenblik van de moord volmaakt ontoerekenbaar was.
-Dat is immers duidelijk uit al wat voorafgegaan is. Ik wil alleen
-zeggen, dat ik voor mij de moreele overtuiging heb. En tegenover de
-rechter....” Hij hield even op, om met geestdrift te vervolgen: „O,
-professor, ik woû dat ik ’s voor Professor Larsen pleiten mocht!”
-
-„Niets liever dan dat, kerel,” antwoordde Van Thiemen op hartelijke
-toon, „de moeielijkheid zal alleen wezen, dat hijzelf zijn zaak
-bederven wil. Hij zal van geen verdediging willen weten. Ik heb je
-immers gezegd hoe hij zich overtuigd toonde van zijn schuld. Hij meent
-oprecht zijn vrouw met voorbedachten rade te hebben vermoord, en houdt
-zich zelf daarom voor een misdadiger van ’t minste allooi! Tsh!”
-
-Van Thiemen was opgestaan en liep heen en weer, de eene hand op de rug
-en met de andere zijn snor martelend.
-
-De jongere van ’t tweetal luisterde aandachtig, de kin op de linkerhand
-geleund.
-
-„Zoodra hij morgen wat frisch is, zal hij doen wat hij bij mij gezegd
-heeft. O, ik ben er zeker van. Die flauwte van de rook heeft niets te
-beteekenen gehad. Er was wat vermoeienis bij: daarom heeft het hem
-nogal aangepakt. Ik hoû ’t ervoor dat morgen—vandaag, bedoel ik, van
-middag—de heele zaak bij de politie bekend is, in alle bizonderheden.
-Tsh!”
-
-„Ja—ik begrijp u: als hij even kalm en beredeneerd het heele geval
-vertelt, zooals hij ’t u gedaan heeft....”
-
-„Dan is er alle kans dat hij veroordeeld wordt.... Maar ook als ze hem
-ontoerekenbaar verklaren—hem nu nòg voor gek houden—wel.... dan is ’t
-nog ellendiger met hem gesteld. Gevangenis of krankzinnigengesticht,
-dat is zijn keus, of liever die van de rechter en de advizeerende
-arts.... Dat moet gecaveerd worden, Zomer! ’t Zou een ramp zijn voor
-hem. En ook voor zijn arm kind!.... Dat moet jij zien te doen, kerel.”
-Hij zweeg even. „Weet je wel dat ik je benijd? Ik woû dat ik dat
-pleidooi van je overnemen kon: wat kan er heerlijker wezen dan je beste
-gaven te doen schitteren om daarmee een weldaad te doen!”
-
-Van Thiemen’s oogen blonken van geestdrift, terwijl hij de laatste
-zinsnede uitsprak, en ’t vlugge, groote gebaar met beide armen vooruit
-en half terugbuigend met geopende handen—het hoofd ietwat ter zijde
-tegen de schouder, was als een aanbiddende verrukking voor een schoon
-tafereel.
-
-Bewonderend keek de jonge rechtsgeleerde naar dit beeld van echt
-entoeziasme, en de vlam van ’t heilige vuur in hem, gevoed door de
-nooit falende brandstof zijner overtuigingen, aangewakkerd door elke
-ademtocht van medegevoel, waar maar menschelijk leed verneembaar was,
-laaide thans òp met nooit gekende gloed.
-
-„Zeker, volkomen met u eens, professor!” riep hij. „Maar,” liet hij er
-met bezorgdheid op volgen, „stelt u niet te veel vertrouwen in mij? Ik
-bedoel niet in mijn bekwaamheid als advocaat.... maar in mijn vermogen
-om Professor Larsen te overreden? Daarvoor kan ik ù niet missen. U moet
-me helpen met al uw macht.”
-
-Van Thiemen hief zijn eene arm op, als wilde hij zeggen: dat spreekt
-immers vanzelf! Daarna ging hij weer zitten, leunde achterover, en
-streek langs zijn knevel en mond, de oogen naar boven. De jonge
-advocaat ging voort:
-
-„Zou ’t niet ’t beste zijn, dat u van middag eerst alleen met de
-professor ging spreken? U haalt hem stellig makkelijker over dan ik.
-Toch stel ik er mij veel moeite van voor, ook voor u....” Hij brak een
-oogenblik af; dan in gedachten, half bij zichzelve: „Hij schijnt
-ontzaglijk veel van die vrouw gehouden te hebben!”
-
-Van Thiemen stoof op.
-
-„Van haar gehouden! Een mooie liefde! Nee, kerel, dat was geen liefde.
-Dat was een verblindende illuzie, hartstocht van de zuiverste soort....
-altijd geweest. Maar.... je hebt gelijk: waar zoo’n diep ingrijpend
-gevoel tot zulk een.... ziels-omwenteling geleid heeft.... is
-rechtzetten een heele toer! Hij gelooft even vast aan zijn haat, als
-hij aan zijn liefde geloofd heeft.... Tsh! Stumpert!”
-
-Zomer greep naar zijn water-chocolade, en deed een bizonder lange teug.
-Het kopje bedaard en afgemeten neerzettend, hervatte hij langzaam:
-
-„Dus dan zal de heele kwestie zijn, Professor Larsen te overtuigen,
-dat, zoowel die haat als wat hij zijn liefde noemde, beide niets dan
-verschijnselen van zielsziekte waren.... Zijn ontoerekenbaarheid....”
-
-„Zeker, stellig,” viel Van Thiemen in, „zijn ontoerekenbaarheid is al
-begonnen op ’t oogenblik dat zijn passie voor die vrouw zijn ziel
-binnendrong, om die langzamerhand te vergiftigen. Ik bedoel natuurlijk
-zijn ontoerekenbaarheid voor daden met die passie in verband.”
-
-De jongere der twee knikte een paar maal met opgetrokken wenkbrauwen,
-de oogen wijd geopend. Dan verviel hij even in gepeins. Opeens richtte
-hij ’t hoofd op, en keek Van Thiemen recht aan:
-
-„Gelooft u, professor, dat er volmaakt passielooze liefde bestaat? Ik
-bedoel hier liefde voor een vrouw, behalve moeder of zuster.... Laten
-we zeggen: sexueele liefde....”
-
-„Nee, beslist niet. Die is eenvoudig boven menschelijke krachten.
-Evenmin kunnen we ’t helpen dat bij de hevigste sexueele hartstocht nog
-altijd wel een bijmengsel van echte liefde komt. We slingeren steeds
-tusschen beest en godheid.... ’t Leven van ieder denkend mensch, van ’t
-oogenblik van bewustheid, dat het verantwoordelijkheids-gevoel ontwaakt
-tot zijn laatste snik is een voortdurende aanraking met hartstochten.
-De zaak is maar hoe we die omgang regelen. Volkomen passieloosheid is
-goddelijkheid, en deze ligt zoozeer boven onze bevatting, dat in alle
-godsdiensten wij menschen ons zelfs geen god zonder hartstochten kunnen
-voorstellen. Al is ’t dan ook bij Christenen, Joden en Mohammedanen
-zonder geslachtelijke hartstocht. Tsh! Grieken en Romeinen waren in dàt
-opzicht onpartijdiger. Onder ons: ik zie niet in waarom juist die
-sexueele hartstocht zoo in ’t verdomboekje moet staan. Zou hij zooveel
-kwaadaardiger wezen dan zijn kameraadjes?”
-
-Zomer haalde de schouders op, en glimlachte even.
-
-„Ja, ja, zeker,” vervolgde Van Thiemen levendig, „hij is de
-kwaadaardigste, ’t moeilijkst te bevechten. Daarom juist zou een
-verliefde god nog niet zoo’n bespottelijkheid wezen als een die boos
-wordt op menschen, of jaloersch is! Maar laat dat wezen wat het wil:
-een mensch moet nu eenmaal streven naar die onbegrepen passieloosheid.
-We mogen wel streven naar ’t onbegrepene: es genügt dass wir es ahnen.
-En ieder denkend mensch doet dat: hij heeft de op hem aandringende
-demonen van zich af te houden zooveel hij kan, al kan hij zich van hun
-algeheel verdwijnen ook geen voorstelling vormen. ’t Merkwaardige is,
-dat die demonen—die we hartstochten noemen—zoo partijdig zijn in de
-keuze van hun tegenstanders. Ze plagen iedereen, maar op enkelen hebben
-ze ’t in ’t bizonder gemunt, terwijl ze heele troepen van anderen
-nauwelijks met speldeprikken lastig vallen. Bij dit laatste soortje
-hooren een hoop nullen, onder ’t eerste zijn vaak menschen van
-beteekenis, en dan is er nog de groote kategorie van lui, die zich
-dadelijk gevangen geven en zoo geen last van de indringers hebben: dat
-zijn je lammelingen....
-
-„Wil je een ander beeld? Iedereen krijgt in zijn leven een paard te
-berijen. In de eerste jaren wordt het aan de toom geleid. Daarna rij je
-zelf. Opvallend is ’t dan, hoe verschillend de beestjes zijn. Er zijn
-kanjers van hengsten bij, prachtige, vurige en onstuimige rijdieren, en
-daartegenover ellendige, suffe knollen, met nog allerlei
-tusschen-schakeeringen. Als je dan zoo’n ondeugende woesteling onder je
-hebt, en je wordt er eens afgesmeten, of je laat je toom wel ’s uit de
-hand schieten, dan zijn de knolruiters gewoonlijk ’t eerste klaar, om
-je uit te schelden en uit te jouwen, omdat je niet rijen kunt! Tsh!” En
-beseffende dat hij afdwaalde, brak Van Thiemen af, om, minder levendig,
-en weer met droefenis in zijn stem te hervatten. „Arme Larsen! Zijn
-paard is op hol geslagen, en hij is uit ’t zadel gegooid.... We moeten
-hem helpen.”
-
-Van Thiemen’s jonge vriend keek op, toen zijn stem zweeg. Ofschoon hij
-de heele tirade gevolgd had, was zijn geest er toch maar half bij
-geweest, en ’t was alsof hij ontwaakte uit een eigen droomwereld. In
-groote trekken had hij ’t pleidooi in elkaar gezet dat zijn beminde
-leermeester moest redden van maatschappelijke en zedelijke ondergang.
-
-Thans tot volkomen bewustzijn van ’t actueele gekomen, knikte hij: „Ja,
-professor, dat moeten we, dat zullen we....” En zijn horloge
-raadplegende, stond hij op.
-
-„’t Is ver in de nacht, professor,” zeide hij. „Ik moet heen. Wat
-spreken we nu af? Ik zie u morgenmiddag na uw samenkomst met Professor
-Larsen? Ik blijf morgen de heelen dag thuis tot het eten. En mijn avond
-is ook tot uw beschikking.”
-
-„Best, best. Ik zal dan wel bij jou komen....”
-
-Na nog enkele hartelijke woorden gewisseld te hebben, scheidden de
-beide vrienden. Van Thiemen voelde zich opgelucht en rustig; zijn jonge
-vakgenoot in de beste der stemmingen: een heerlijk gevoel van
-zelfbewustheid en fierheid, vertrouwen op eigen kracht, steunend op
-zijn geestdriftig geloof in ’t goede, doortintelde hem.
-
-En Van Thiemen sliep reeds een half uur later, David Zomer eerst tegen
-de morgen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-
-„Zoo, m’n kindje, nu al op!” riep een nog jonge vrouw opkijkende van ’t
-werk waarmee ze druk in de weer was: ze rangschikte een heerlijke
-overvloed van bloemen op een ontbijttafel. De buitendeuren van de serre
-achter de kamer stonden wijd open, en een frissche lentelucht woei
-binnen uit de tuin. Van de kamer uit zag men ’t lieflijk kleurenspel
-van gaarde, weiland en bosch, en daarboven de hemel: groen, rood, wit,
-geel, bruin, oker, zwart, weer groen in drie schakeeringen en eindelijk
-een zachtblauw van fluweelige molligheid over alles heen, een jubeling
-van tinten, een bont gestoei in zonneroes.
-
-’t Jonge meisje dat binnenkwam trad op de bezige toe, kuste haar op
-beide wangen en fluisterde haar toen in ’t oor:
-
-„Ik ben vandaag zestien!” Ze trok het hoofd terug en keek haar
-stiefmoeder lachend in ’t vriendelijk gelaat.
-
-„Kom je me dat vertellen? Zie je dan niet waaraan ik bezig ben?” Ze
-wees op de bloemen op tafel, terwijl ze haar eene arm om ’t middel van
-’t meisje sloeg.
-
-„Och, maatje, je bent een schat! Je maakt me verlegen.” Ze kuste haar
-stiefmoeder nogmaals, als wilde ze daarmee een indruk van
-onverschilligheid voor de lieve attentie wegnemen. „Maar ik denk aan
-iets anders.... een belofte van je....”
-
-„Kom je me daaraan ’s morgens om half zeven herinneren? En wat is dat
-wel voor een mooie belofte?”
-
-Lachend streek de spreekster door ’t lange afhangende haar van ’t jonge
-meisje, en liet haar blik met ingenomenheid over haar gestalte glijden.
-Ze verlustigde zich voor de zooveelste maal aan dit beeld van frissche
-jeugd, en een warme aandoening van beschermende liefde overstroomde
-haar gemoed. Ze dacht aan haar goede vader, aan Larsen.
-
-’t Meisje antwoordde niet dadelijk, en wilde de ander meetroonen in de
-richting van de tuin.
-
-„Nee, kindjelief: ik ga onmiddellijk met je mee, als dit af is. Kijk
-hier, nog even dit. Ik ben bijna klaar. Een minuut nog.” En, terwijl
-mevrouw Larsen de laatste hand legde aan de versiering der
-ontbijttafel, hier nog iets verleggend, daar een kleuren-paring
-wijzigend, stond de zestienjarige met haar verstandige, peinzende oogen
-toe te kijken.
-
-„Jammer dat je me gestoord hebt, Didi,” zeî haar stiefmoeder. „Je hadt
-een tien minuten later moeten komen, en dan pas moeten kijken—als alles
-klaar was....”
-
-„Niets jammer,” antwoordde ’t jonge meisje. „Als ’t af was geweest, had
-ik je niet bezig gezien....”
-
-„Nu, wat zou dat? Zie je dat dan zoo graag?”
-
-„Ja, omdat ik dan zie dat je bezig bent lief voor me te zijn. Dan betrap
-ik op heeterdaad: dat ’s veel aardiger.”
-
-Mevrouw Larsen lachte even helder met haar kristallenklokjes-lach,
-zonder in haar werk op te houden.
-
-„Hier, doe deze roos in je haar. Een pracht, vin’ je niet? Kijk dat
-heerlijke rood! Wacht, ik zal ’m zelf in je haar doen.—Ziezoo, jarige
-meid! Nu gaan we naar de tuin.” Ze sloeg haar arm weer om het slanke
-middel van ’t jonge meisje, en beiden begaven zich door de serre naar
-de trap, die naar de tuin omlaag leidde.
-
-Een treffend contrast vertoonden die twee, het blonde, weelderige
-kroeshaar, het blanke, roodblozende gelaat, en het eenigszins stevige
-gestaltetje der stiefmoeder, met de helderblauwe oogen, de kleine neus,
-de witte wimpers en wenkbrauwen en ’t witte dons op bovenlip en wangen;
-en daarnaast Larsen’s dochter, met haar donker glanzig, lang haar, de
-eenigszins matte huidstint, de diepe donkere, denkende oogen, met de
-lange wimpers, het fijne spitse neusje en de peinzende plooi van ’t
-kersenroode mondje. Hier waren Zuid en Noord tegenover elkaar: ’t
-Romaansche vrouwentype zag men in ’t jonge meisje, de
-zes-en-dertigjarige stiefmoeder vertegenwoordigde een veel voorkomende
-schakeering van ’t echt Saksische, dat men in Drente en Overijsel
-aantreft.
-
-Paula’s trekken waren in Didi onmiskenbaar, en toch was de indruk van
-Didi’s verschijning zoo opvallend verschillend, afgezien nog van ’t
-slankere dat de dochter van de moeder onderscheidde. Er was in ’t jonge
-meisje een eigenaardige zachte weemoed bij al haar bedaarde,
-onverstoorbare goedgehumeurdheid, die oog en hart weldadig aandeed. Bij
-Paula boeide het schitterend levendige, vol afwisselende bekoring, bij
-haar kind het gelijkmatig lief-ernstige in spraak, gebaar en
-bewegingen. Paula’s lach had iets bedwelmends, die van Didi iets
-droomerig vleiends—een wals van Strauss tegenover een van Chopin.
-
-Didi had gezwegen, wachtende tot haar stiefmoeder spreken zou. Ze
-aarzelde, omdat wat ze te zeggen had haar zoo moeilijk viel om uit te
-drukken.
-
-„Nu, die belofte?” begon eindelijk de oudere. Ze lachte en haar lach
-was steeds een genot om te zien en te hooren. Haar anders eenigszins
-stroef gezichtje kreeg dan opeens een uitdrukking van hartveroverende
-vriendelijkheid.
-
-„Kom, weet je die nu niet?” antwoordde Didi. „Als ik zestien was, zou
-ik iets mogen weten.... zou je wat vertellen.... alles vertellen van
-Vader....”
-
-Een wolk trok over het witblanke voorhoofd der stiefmoeder. Ze had ’t
-begrepen. Dat ’t kind daar nu over sprak! Wat had ze ’t goed onthouden,
-en in twee jaar was er geen woord over gerept! Ja, ze had op een naïeve
-vraag van Didi eens geantwoord, wat ze met haar man afgesproken had te
-zullen antwoorden als Didi ooit vragen deed in verband met het sombere
-drama afgespeeld bij de dood van haar moeder: „Je zult alles weten, m’n
-kindje. Later, als je zestien bent. Dan zal je alles duidelijk en
-verklaarbaar worden. Nu nog niet, je zou nu nog niet alles begrijpen.”
-En ’t kind had gezwegen zonder verder aandringen.... Ze moest er wel
-veel over gedacht hebben, dat ze nu zoo’n haast maakte, wel verlangend
-zijn om eindelijk ’t groote mysterie geopenbaard te zien....
-
-Mevrouw Larsen antwoordde dus niet onmiddellijk. Didi’s woorden hadden
-haar gemoed te diep getroffen.
-
-„Zullen we daar gaan zitten?” zei ze ten slotte, en wees op een bank
-achter in de tuin, waarvan ’t uiteinde alleen zichtbaar was, zoo was ze
-van schier alle kanten van groen omringd.
-
-Beiden zetten zich, hand in hand. Mevrouw Larsen hervatte:
-
-„Woû je dat nu alles weten, kind? Nu, op je verjaardag? Ben je niet
-bang dat.... al die treurige dingen je dag bederven zullen? En dan je
-vader, zou die—als hij jou bedroefd zag ook niet zijn pleizier van deze
-dag erbij inschieten? Hij houdt zooveel van je!”
-
-„Maar, mama, ik vind juist dat ik nu alles weten moet, voordat de
-eigenlijke dag begint.... Anders zou ik er de heele dag aan denken, en
-dat zou me juist ontstemmen.”
-
-Larsen stond gewoonlijk tegen acht uur op. Het late werken maakte dit
-voor hem noodzakelijk. De morgen-wandelaarsters in de tuin hadden dus
-nog ruim een uur vóor zich.
-
-„Je hebt eigenlijk gelijk, kind,” ging de oudere voort. „’t Zal mij ook
-een verlichting zijn, als voor jou alles opgehelderd is.”
-
-Ze zocht naar haar woorden. Hoe kon ze toch de vreeselijke waarheid in
-de zachtste vorm, op de minst kwetsende wijze aan dat teedere gemoed en
-dat jeugdige verstand meedeelen, hoe de groote liefde en hoogachting,
-die zij Larsen toedroeg, en die van zijn kind, voor hem ’t zorgvuldigst
-in overeenstemming houden met Didi’s vertrouwen in haar? Liep ze niet
-de kans dat de schok te hevig zou blijken te zijn? Dat vertrouwen van
-Larsen’s kind was haar zulk een schat, ’t was haar zulk een heerlijke
-voldoening dag aan dag te ondervinden, hoe volkomen zij de plaats eener
-moeder innam voor ’t aanhankelijke, liefde-behoevende jonge meisje! ’t
-Was haar zulk een bron van telkens wederkeerende vreugde te zien, hoe
-de man die zij liefhad en vereerde zich gelukkig voelde in haar
-innig-hartelijke verstandhouding tot zijn oogappel, hoe onder de
-wondere werking harer toewijding aan beiden, allengs de spoken der
-herinnering aan die donkerste dagen zijns levens geweken waren! O, ze
-dacht met ijzing terug aan die eerste jaren van haar huwelijksleven,
-toen, ondanks al haar zorgen, de schrikbeelden uit die tijd hardnekkig
-terugkwamen en hem soms dagen achtereen zijn rust benamen. Dan sprak
-hij nauwelijks een woord, verwaarloosde zijn lievelings-bezigheden,
-sloot zich op in zijn studeerkamer om zich over te geven aan somber
-broeden.... Ze had dat alles vooruit vermoed: haar liefde voor hem en
-zijn kind, haar grenzeloos medelijden hadden de taak blijmoedig
-aanvaard, om beiden het geluk te doen hervinden dat ze zoo wreed
-verloren hadden. Ze had oogenblikken gekend dat ze de wanhoop nabij
-was, dat die taak haar te zwaar scheen, doch haar geloof had haar
-telkens weer opgericht. En ze had overwonnen: in ’t laatste jaar waren
-Larsen’s aanvallen van zwaarmoedigheid niet meer teruggekomen, nadat ze
-zich langzamerhand met grooter tusschenpoozen hadden vertoond....
-
-Nog eenmaal dacht ze terug aan al de bizonderheden van ’t schrikkelijk
-treurspel, welks ontknooping nu vijf jaar geleden het gansche land met
-ontzetting had vervuld, aan ’t geruchtmakende proces, de dreigende
-veroordeeling, op zoo schitterende wijze bezworen door het pleidooi van
-Mr. David Zomer. ’t Was een wonderdaad van welsprekendheid geweest, dat
-pleidooi! O, ze kende ’t van buiten, ieder woord. En dan wat er aan
-voorafging: Larsen’s onverzettelijk, hardnekkig volharden in zijn
-zelf-beschuldiging, de onvermoeide overtuigings-gave, die zijn jonge
-vereerder had aangewend, om eindelijk die muur van tegenstand te
-breken, hoe levendig stond dat alles haar thans weer vóor de geest!
-
-Larsen had haar alles verteld in de tijd dat hij zich tot haar
-aangetrokken begon te voelen, en zijn eerlijke inborst hem gedwongen
-had tot openbaring van al wat haar geluk in de weg had kunnen staan
-wanneer zij ’t later onvoorbereid vernam, en zij niet meer terug kon.
-Veel was haar toen duidelijk geworden wat haar raadselachtig voorkwam
-in al wat ze over de groote zaak gelezen en gehoord had. ’t Pleidooi
-zelf had ze eerst na haar huwelijk gelezen. ’t Was toen ze te Amsterdam
-logeerde, en de jonge advocaat haar bezocht.... Hij had zich
-onmiddellijk na afloop der „cause célèbre” daar gevestigd: ’t plan
-daartoe had reeds lang bij hem bestaan, doch de vrees dat zijn verdere
-ontmoetingen met Larsen dezen telkens te veel aan al ’t doorleefde in
-die bange dagen zouden herinneren, en op die wijze nadeelig op zijn
-zielsrust zouden werken, deed hem de uitvoering van zijn voornemen
-verhaasten. Een overdruk van het pleidooi had de tweede mevrouw Larsen
-in haar kast liggen: ze had er de jonge advocaat om verzocht; want ze
-wilde het bezitten voor haarzelve en wellicht later ook voor het jonge
-meisje dat aan haar zorgen was toevertrouwd.
-
-Allerlei tooneelen, brokstukken uit de loop dier gebeurtenissen kwamen
-haar te binnen, zooals ze haar bij verschillende gelegenheden door
-Larsen zelf en tijdens haar ontmoeting met David Zomer waren verteld:
-diens herhaalde bezoeken aan ’t gesticht in Den Haag, waarheen Larsen
-weer teruggebracht was, de dag na het herstel uit zijn bezwijming bij
-de brand, zijn talentvolle, geduldige gesprekken daar met zijn vriend
-gehouden, het laatste gesprek vooral toen hij eindelijk de zege
-behaalde door zijn welsprekend treffen van dat éene gevoelige punt bij
-Larsen: de liefde voor zijn kind, en hij toestemming kreeg om als
-Larsen’s verdediger te mogen optreden; dan de moeite die Zomer zich
-gaf, om bewijzen bij elkaar te krijgen—Pietje’s „legkaart”, die gered
-was geworden met de bundel goed uit haar lâtafel, waarmee ze zoo
-wanhopig op het stoeppaaltje van het buurhuis gezeten had in de nacht
-van de brand, en Pietje’s wanhoop toen ze ’t stuk „’t lammenaardig
-ongelukspapier” af moest geven, en tegen „haar mevrouw” getuigenis
-moest afleggen vóor de rechter; het eerste wederzien van vader en
-dochter in haar moeder’s huis, na de vrijspraak, en nog zooveel
-meer....
-
-Wat was haar leven innig saamgeweven geweest met al die gebeurtenissen,
-sinds het oogenblik dat de brand der buren angst en ontzetting gebracht
-had in ’t stille gezin van de weduwe Eldring—haar moeder! De in
-zichzelf gekeerde Berta, zich reeds oude vrijster voelend op haar
-dertigste jaar, verzoend met een leven van onthouding, vrome
-overpeinzing en obscure werkzaamheid ten goede—armenverpleging,
-Zondagschool, kostelooze lessen aan arme kinderen—was toen plotseling
-tot een ander leven ontwaakt: de offervaardige, toewijdende vrouw was
-in de plaats getreden van de bekrompen denkende en handelende oude
-juffer. Kort na zijn ontslag uit het gesticht was Larsen een bezoek
-komen brengen bij de Eldrings, en weldra was de omgang vrij gemeenzaam
-geworden. Hun huwelijk was voor haar en voor hem de ontsluiting van een
-nieuw leven.
-
-Alles was zoo goed gegaan, ze had zooveel zegen gehad op haar streven.
-Thans kwam deze laatste betrekkelijk kleine beproeving.
-
-Ze had er nu en dan aan gedacht, als Didi’s ontwikkeling in haar
-voortgang sterker dan anders haar opmerkzaamheid trok. Niettemin zag ze
-er thans tegen op, was ’t haar alsof ze een beslissende stap in haar
-leven ging doen. Toch moèst het er eindelijk toe komen. Didi werd
-„groot” naar lichaam en geest. ’t Argelooze, onnadenkende kind, was een
-verstandig, schrander en scherpzinnig vrouwtje geworden: ’t was beter
-dat ze nu van haar beste vriendin de zuivere waarheid vernam, dan dat
-ze door eigen broeden over vage, vaak onzuivere herinneringen in
-verband met wat ze hier of daar hoorde of las tot een averechtsche
-voorstelling der feiten kwam, welke noodlottige gevolgen voor haar
-hebben kon.
-
-Didi zat vóor zich te kijken, geduldig afwachtende wat „mama” zeggen
-zou, en toch met popelend hart.
-
-„Nu?” vroeg ze na enkele minuten met allerliefste stem-interval, zacht
-en streelend.
-
-Mevrouw Larsen stond van de bank op.
-
-„Blijf hier even zitten,” zei ze, „’t is beter dat ik je iets laat
-lezen, dat ik boven bewaard heb. ’t Is zoo moeilijk je alles duidelijk
-en goed te zeggen.”
-
-En toen Didi eenigszins teleurgesteld keek, liet ze volgen:
-
-„Je mag daarom wel vragen doen. Zooveel als je wil, hoor. Maar dat zal
-misschien niet eens noodig zijn.” En ze stond op om naar ’t huis te
-gaan.
-
-De kleine gestalte der spreekster bewoog zich met eigenaardige,
-schijnbaar driftige pasjes en wendinkjes door de tuin. Haar lichtblauw
-reform-morgenkleed dook op en verdween tusschen de struiken. Didi’s
-na-turende blik omsloot haar beeld met liefde.
-
-Binnen enkele minuten was ze terug. Ze had het stuk, het document dat
-het eenig geheim uitmaakte tusschen haar en haar man: het pleidooi van
-David Zomer.
-
-„Lees dat maar ’s aandachtig, kind.”
-
-Gretig nam het jonge meisje het geschrift aan. Mevrouw Larsen’s hand
-beefde even bij ’t overreiken.
-
-Ze zette zich weer op de bank, hield Didi om ’t middel.
-
-Zeker tien minuten spraken beiden geen woord. De oudere der twee keek
-in gedachten verdiept vóor zich, op ’t witte duinzand van ’t pad.
-
-Toen ze even de blik opsloeg, zag ze dat het jonge meisje tranen in de
-oogen had, en dat haar lippen trilden.
-
-Nog zwegen beiden een poos. Mevrouw Larsen hervatte haar gepeins; Didi
-zuchtte nu en dan, soms zwaar, om op adem te komen, zoo gespannen was
-haar aandacht.
-
-„Mama,” hoorde de eerste opeens. Didi’s stem klonk gesmoord....
-„Mama....”
-
-„Ja, kind, wat is er?” vroeg de ander met innige belangstelling.
-
-„Heeft....” haar stem stokte, „iedereen.... gehoord wat hier staat?”
-
-Mevrouw Larsen begreep dadelijk wat Didi bedoelde, toen ze even naar de
-bladzijde gekeken had: ’t was dat gedeelte van ’t pleidooi waarin de
-advocaat in schrille kleuren schilderde hoe Larsen ’t slachtoffer was
-geweest van jarenlang bedrog van de zijde van Paula.
-
-„Nee, zeker niet, mijn liefje,” antwoordde mevrouw Larsen, en streelde
-Didi’s wang. „Er was geen publiek bij toen ’t pleidooi uitgesproken
-werd: daar was voor gezorgd. Ikzelf wist niet hoe ’t geweest was,
-totdat meneer Zomer mij dat schriftuur gaf, na mijn trouwen met je
-vader.”
-
-Didi droogde de oogen, en hervatte de lezing van ’t stuk.
-
-Toen ze na veel zuchten, en telkens ophouden om zich de zakdoek aan de
-oogen te brengen, eindelijk de laatste woorden gelezen had, legde ze de
-brochure haastig naast zich neer op de bank, stond op, en verwijderde
-zich snel naar ’t achterdeel van de tuin.
-
-Mevrouw Larsen volgde haar onmiddellijk, vol ongerustheid. Ze haalde
-haar weldra in, en zag dat het jonge meisje ten prooi was aan de
-hevigste gemoedsbeweging. Zonder te schreien had haar fijn gezichtje
-zulk een vertrokken uitdrukking dat ze ervan schrok.
-
-Zelfverwijt, dat ze toegegeven had waar ze toch nog wel een dag had
-kunnen wachten, overstelpte haar. Als nu Larsen eens kwam.... Dan was
-’t leed misschien niet te overzien. Ze keek op haar horloge: twintig
-minuten vóor acht. ’t Beste was dat ze Didi mee naar boven nam.
-
-’t Meisje liet zich gewillig meetroonen, zonder een woord.
-
-
-
-Toen Larsen, stipt als altijd, om acht uur in de ontbijtkamer kwam,
-vond hij wel zijn vrouw, maar niet de jubilaris.
-
-„Waar is Didi?” vroeg hij verwonderd nadat hij zijn vrouw gekust had.
-„Moet ze al dat moois niet zien? Vrouwtje, wat heb jij je geweerd!”
-
-Bewonderend en met echte vreugde in de oogen liet Larsen zijn blik over
-de tafelversiering gaan. Er hingen ook bloemen over Didi’s stoel.
-
-„Zal ik ’s gaan kijken?” antwoordde mevrouw Larsen, en ze ging de deur
-uit, om naar Didi’s kamer te gaan.
-
-Toen dochter en stiefmoeder eenige oogenblikken later binnenkwamen, en
-de eerste haar vader tegemoet liep, om zijn liefkozing te ontvangen,
-bemerkte Larsen daarna vochtigheid aan zijn wang.
-
-„Hoe heb ik ’t nou met je? Huil je, kindjelief, en dat op je
-verjaardag?! Malle meid!....”
-
-„Och, vader!” riep Didi eenigszins verlegen met een lachje door haar
-tranen heen. „Dat is een druppeltje water: ik heb me niet goed
-afgedroogd in de badkamer. Ondertusschen feliciteer je me niet eens!
-Dan zal ik ’t maar doen: ik feliciteer je wel met je jarige dochter.”
-
-Ze kuste hem nog eens op zijn ruig gelaat.
-
-Haar kus was nooit zoo hartelijk geweest.
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HEILIGE BANDEN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/68381-0.zip b/old/68381-0.zip
deleted file mode 100644
index a51ab98..0000000
--- a/old/68381-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68381-h.zip b/old/68381-h.zip
deleted file mode 100644
index 1842237..0000000
--- a/old/68381-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68381-h/68381-h.htm b/old/68381-h/68381-h.htm
deleted file mode 100644
index cda7f16..0000000
--- a/old/68381-h/68381-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,9008 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-06-23T19:15:10Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Heilige Banden</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Abraham Anthony Fokker (1862–1927)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Abraham Anthony Fokker (1862–1927)">
-<meta name="DC.Title" content="Heilige Banden">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-span.accent {
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
-line-height: 0.40em;
-}
-span.accent span.top {
-font-weight: bold;
-font-size: 5pt;
-}
-span.accent span.base {
-display: block;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.externalUrl {
-font-size: small;
-font-family: monospace;
-color: gray;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-vertical-align: bottom;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.splitListTable td {
-vertical-align: top;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em;
-padding: 5em 10% 6em;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-.small {
-font-size: small;
-}
-.large {
-font-size: large;
-}
-.center {
-text-align: center;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:466px;
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Heilige Banden</span>, by Abraham Anthony Fokker</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Heilige Banden</span></p>
-<p style='display:block; margin-left:2em; text-indent:0; margin-top:0; margin-bottom:1em;'><span lang='nl' xml:lang='nl'>Roman</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Abraham Anthony Fokker</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: June 23, 2022 [eBook #68381]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (Prepared from scans kindly made available by the Koninklijke Bibliotheek, The Hague)</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>HEILIGE BANDEN</span> ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first center large">HEILIGE BANDEN
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first center small">LEIDEN: STOOMBOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="466" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">HEILIGE BANDEN</div>
-</div>
-<div class="byline">ROMAN<br>
-VAN<br>
-<span class="docAuthor">A. A. FOKKER</span><br>
-(KARAMATI)</div>
-<div class="docImprint">UITGEGEVEN IN 1903 DOOR C. A. J. VAN DISHOECK TE BUSSUM.</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">I.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Paula stond op van haar stoeltje in de studeerkamer van haar man. Ze had er met hem
-koffie gedronken, zooals ze dat gewoon waren sinds jaren, na den eten. Hij had intusschen
-wat zitten bladeren in een oud manuscript, een bijna vergeten stuk werk uit een portefeuille
-met half voltooide of afgekeurde opstellen, die hij toevallig weer in handen gekregen
-had. Nu en dan hadden ze een woord gewisseld. Zij had zich verveeld.
-</p>
-<p>„Kom, ik ga ’s naar Louise. Ik moet haar kindje eens zien,” zeide zij, trad op hem
-toe, en gaf hem een tikje tegen de wang.
-</p>
-<p>„Blijf je lang uit?” vroeg hij, op eens geheel aandacht.
-</p>
-<p>Ze lachte even. Ze wist dat hij haar vooral ’s avonds moeilijk missen kon.
-</p>
-<p>„O, nee, een oogenblik. Ik ben terug vóor de thee; maak je maar niet ongerust. Daag!”
-</p>
-<p>„Goed, goed, tot straks!”
-<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span></p>
-<p>Weg was ze.
-</p>
-<p>Hij keek haar na, en bleef staren naar de deur waardoor ze heen was gegaan.
-</p>
-<p>Ze waren dertien jaar getrouwd, en nòg was hij verliefd. Hij begreep het soms zelf
-niet.… Hij, de ernstige man van studie, reeds de veertig voorbij, nog verliefd als
-in de eerste dagen van hun huwelijk!
-</p>
-<p>’t Was hem nu weer duidelijk op dat oogenblik: die vrouw was een element in zijn leven
-dat hij niet missen kon. Hij kon zich het leven niet buiten haar denken, zij was hem
-dierbaar en onontbeerlijk als het licht zijner oogen. Neen, meer nog; want blind zou
-hij nog aan ’t leven hechten, zonder zijn Paula scheen het hem waardeloos. En zij
-had hem immers lief, het bekoorlijke vrouwtje dat zijn bestaan doorzonde.
-</p>
-<p>Ondanks haar vier-en-dertig jaren was ze altijd even aantrekkelijk voor hem. Hij kende
-geen gebaar van haar, geen houding, geen stemgeluid, dat hem ooit mishaagd had, en
-haar schoonheid was hem telkens en telkens weer een bron van nieuw genot.
-</p>
-<p>Droomerig staarde hij vóor zich uit, half omgedraaid in de bureau-stoel. Haar beeld
-was nog niet weggewischt van zijn geest: hij zag haar nog, zooals ze, bevallig als
-altijd, met een beminnelijk lachje weggewipt was, luchtig als een vogeltje, en toch
-met volkomen zelfbewuste bewegingen.
-</p>
-<p>Hij was toch een zondagskind! Hij.… zoo’n <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>vrouwtje!.… En hij dacht aan al de moeilijkheden die indertijd hun huwelijk in de
-weg hadden gestaan, haar aanvankelijke tegenzin, zijn aanhouden. En thans, ná zooveel
-jaren nog geluk.… Hij was vader, sinds het tweede jaar van hun echt, en het nieuwe
-geluk had zich naast het oude gesteld, had het aangevuld en verhoogd, zonder het in
-’t minst te verdringen. Hun eenigst kind was een meisje van elf jaar, en zijn verlangen
-naar een zoon was na korte vervulling—’t ventje was nu vijf jaar geleden na dertien
-maanden levens gestorven—verder onbevredigd gebleven. Ander verdriet had hij nooit
-gekend, en ’t gemeenschappelijk leed had man en vrouw immers dichter bijeen gebracht,
-als dat mogelijk was.… O, geen twijfel: hij was gelukkig. Hij.… En ’t kwam hem voor
-de zooveelste maal vóor de geest, hoe weinig aantrekkelijk hij als man wel moest wezen.
-Hij was ernstig en in zich zelf gekeerd, een man van studie en huiselijke neigingen,
-en .… waarlijk geen verschijning om een vrouwenhart in gloed te zetten. Men moest
-hem kennen, goed kennen. Ja, dat wàs ’t: zij kènde hem, en daarom had ze hem lief.…
-Dat pleitte voor haar degelijkheid. Ze had best andere, even goede partijen kunnen
-doen. ’t Is waar, hij was „knap”, maar de meeste vrouwen hebben dat woord, op een
-man toegepast, liever in de andere beteekenis. Hij was professor op zijn acht-en-twintigste
-jaar, en had wat geld. Doch wat zou dat? Paula <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>had hem zeker niet daarom genomen, al waren haar ouders vrij onbemiddeld; zij de gevierde,
-mooie, geestige Paula Lindes.
-</p>
-<p>De bureau-stoel kraakte. Larsen’s blik dwaalde naar de andere zijde van ’t ruime studeervertrek.
-Daar stond Paula’s schrijftafeltje. ’t Paste eigenlijk niet in de strenge eenvoud
-der omgeving: ’t stond daar als het beeld van haar losse gratie tegenover de ietwat
-logge ernst van zijn wezen. Zij had het meubeltje boven laten brengen uit haar „pruilkamertje”,
-voor de gezelligheid, om meer bij hem te zijn, zooals ze zeide.
-</p>
-<p>Als onwillekeurig aangetrokken, richtte Larsen zich op, en ging naar het schrijftafeltje
-toe.
-</p>
-<p>O, er was niets bizonders aan te zien. Hij had het honderd malen gezien. Zij had er
-in zijn bijzijn nu reeds tientallen geurige briefjes aan vriendinnen en verwanten
-aan zitten afpennen, haar werk slechts afbrekend om nu en dan guitig op te kijken,
-en hem, quasi ruw, toe te roepen:
-</p>
-<p>„Zeg’s, geleerde, <span class="ex">slepen</span> met twee e’s of met éen? Kom, gauw ’s wat!” of iets dergelijks.
-</p>
-<p>Ze had immers ook geen geheimen voor hem.… Aan ’t tafeltje was niets bizonders, evenmin
-als aan de inhoud der laadjes. Hij kende al haar brieven. Hij keek ze voor haar na,
-steeds. Bij al haar ontwikkeling had de spelling van haar moedertaal haar steeds <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>moeilijkheden in de weg gelegd. Ze vond die „stupide”, en „kon er geen touw aan vastknoopen”.
-Ze was te levendig, ongedurig, zenuwachtig, om ooit de ingewikkelde regels onzer orthografie
-behoorlijk uit een te houden. En op „Kollewijnsche” manier te spellen vond ze te „burgerlijk”
-of „kruidenierachtig”, wat bij haar op ’t zelfde neerkwam.
-</p>
-<p>Wat kon ze ’n brieven schrijven! Zes kleine, geurige, rooskleurige of roomgetinte
-velletjes waren in een ommezien vol gekrabbeld. En wat een hand! Zes regels op een
-bladzijde. O, hij zag haar zitten, met het gitzwarte haar in een sierlijke dikke wrong,
-waarin éen fraaie haarnaald haar fonkelend knopje vertoonde, de „dolle” haartjes in
-de nek, en dan ’t enkele lokje, dat vóor over ’t voorhoofd neerviel, en telkens met
-een driftige beweging werd weggetrokken, tusschen twee vurige adjectieven eener ontboezeming
-in. Dan haar plotseling zich omwenden, om een vraag te doen, of naar „hem” te kijken,
-uit pure ongedurigheid: de pen balanceerend tusschen wijs- en middenvinger der linkerhand,
-de rechterarm languit over de leuning van haar stoeltje geslagen, met groote, kinderlijk
-open blik en iets sterk verwachtends in de oogopslag als van een paardrijdster, die
-zich plotseling voorbereidt tot een sprong door een hoepel.
-</p>
-<p>Hij had dikwijls opgezien van zijn werk, als zij zoo opkeek, de verliefde „lobbes”,
-zooals zij hem noemde. <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>En had hij haar dan in stilte gadegeslagen, wanneer ze half omgewend in gepeins zat
-met de saamgeknepen lipjes, waarboven ’t fijne zwarte dons zoo aardig uitkwam. Soms
-had ze hem betrapt en, bruusk <span class="corr" id="xd31e168" title="Bron: als als">als</span> altijd, had ze hem toegeroepen:
-</p>
-<p>„Hei daar, ouwe jonge, eet me niet op met je oogen! Schaam je wat. Ga aan je werk.”
-En met een ruk zette zij zich dan weer aan haar brief, om voort te kriewelen in ritselende
-vaart.
-</p>
-<p>Larsen zat voor het schrijftafeltje.
-</p>
-<p>Waarom lustte het hem op dat oogenblik de laadjes open te trekken, éen voor éen, en
-er de bundeltjes veelkleurige brieven en briefjes uit te nemen? Om ze te lezen? Och,
-hij kende ze immers alle! Geleuter en gebabbel van vrouwtjes, overdreven uitingen
-van vriendschap, van verveling of ergernis, van vreugdetjes of smartjes van meest
-onbeduidende <span class="corr" id="xd31e176" title="Bron: vrouweleventjes">vrouwenleventjes</span>! Om de geur in te ademen die Paula binnen haar fijne bewegelijke neusvleugeltjes
-liet dringen, om aan te raken wat haar poezele vingertjes betast hadden, om in dwaas
-verliefd doen te grasduinen in een atmosfeer van haar wezen.…
-</p>
-<p>Droomerig nam hij pakje voor pakje uit de laadjes en legde ze weer neer, ordelijk,
-zooals ze gelegen hadden. Enkele losse brieven keek hij even in, nauw glimlachend
-nu en dan bij een woord, dat hij las—„<span class="ex">lieve zoete Paulepoetje</span>”: dat was van <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>Louise, een brief van huis geschreven door Louise, toen ze haar zielsvriendin de eerste
-roes van ’t komend moederschap meedeelde—„<span class="ex">doe mijn uitbundige groeten aan je beminde zooltreder of huisband</span>”: dit was van <span class="ex">Margot</span>, die hem altijd op zoo’n vervelende manier „in ’t ootje” wilde nemen, en steeds meende
-daarin te slagen—och, hij gunde haar ’t genoegen: ze moest haar aardigheden met alle
-geweld luchten—en zoo ging het voort. Een enkel halfvoltooid briefje van Paula zelf,
-later afgekeurd: „Och, help me, red me, verlos me uit deze zee van verveling, die
-me overstelpt en verzwelgt! En mijn man, die zoo geleerd is en zoo degelijk en zoo
-ernstig! Kom bij ons eten: je <span class="ex">moet</span>, versta je? en vandaag nog.…” Wat had hij er om gelachen indertijd, en juist dit
-had haar ontwapend en haar van ’t zenden van ’t schriftuur doen afzien.
-</p>
-<p>Een dwaas vrouwtje! En toch: hij wenschte haar zich niet anders. Zijn Paula was een
-geheel van dwaasheden en lieve eigenschappen, die hij zich niet anders denken kon.
-Hij had zich geen moeite gegeven haar te leiden. Trouwens, had hij ’t gekund? Kon
-een man als hij een vrouw leiden? Hij lachte zelf om ’t idee. Wat schaadden hem haar
-kleine onvolkomenheden! ’t Is waar, in de dertien jaar van hun huwelijk was zijn kapitaal
-tot op de helft geslonken, <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>maar wat zou dat nog? Hij had immers nog voldoende, en nu was zijn traktement toch
-groot genoeg om bijna toe te komen. Anderen betaalden hun geluk wel duurder—of wat
-ze voor geluk aanzagen.
-</p>
-<p>Een merkwaardig archiefje, dat van zijn vrouw.… Waarom hield ze die brieven alle bij
-elkaar? ’t Was toch alles, of grootendeels althans, nullig … Ja, maar ’t waren trouwe
-afdrukken van echt-vrouwelijk leven, ’t was natuur, al deed de weelderigheid aan tropische
-plantengroei denken; en uit alles steeg de bedwelming der <span class="corr" id="xd31e201" title="Bron: egelante">elegante</span> vrouw, als de geur eener grillige orchidee.
-</p>
-<p>Aanbiddelijk, verrukkelijk, ondanks haar grilligheid, neen òm haar grilligheid. Want
-was ze niet edel en beminnelijk, bij al haar kleine tekortkomingen, niet ontoegankelijk
-voor ontheiliging als de bloem der diepe wouden, die slechts geurt en bloeit voor
-de gelukkige die haar vindt. Hij was die gelukkige. Hij was zoo zeker van zijn bezit,
-dat hij nooit jaloezie voelde bij al haar behaagzieke streekjes en aanstellerijtjes—hij
-kende ze, hij vond ze „lief”, o, „ergerlijk lief”, zooals hij ’t vaak noemde—hij was
-zóo overtuigd van de degelijke grondslag van haar karakter, dat hij bijna nooit boos
-werd om haar driftbuitjes, die nu en dan voorkwamen; hij lachte er om op goedige,
-lobbesachtige wijze. Dan vond ze hem „stupide”, en ook dit vond hij vermakelijk …
-<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p>
-<p>Larsen had de beide laadjes doorsnuffeld, en schoof ze nu met kracht dicht.
-</p>
-<p>Links van ’t bureautje hing een spiegel. Onwillekeurig viel zijn oog op zijn beeld,
-’t Gebeurde niet vaak, dat hij in een spiegel keek, en de tegenstelling met Paula
-trof hem als iets grappigs. Hij zag zijn door ’t vele lezen en schrijven ietwat gekromde
-gestalte, zijn dun haar aan de slapen, het hoog voorhoofd, de borstelige wenkbrauwen—rood!
-evenals zijn baard en snor—zijn eenigszins breede neus, de vrij groote mond, als wegschuilend
-in ’t overvloedige baardhaar met de dunne op elkaar geknepen lippen met een trekje
-van goedige ironie, zijn moede blauwe oogen; ’t geheel wel forsch en mannelijk, maar
-hoekig en onbeholpen! Hij had iets van een beer, een „zooltreder”, zooals de would-be
-geestige Margot hem noemde: niet daarom alleen, maar ook omdat hij op zijn gemak gesteld
-was als alle geleerden, en thuis meestal op pantoffels liep. Hij zag ook de onberispelijkheid
-van zijn linnengoed—<span class="ex">haar</span> zorg, ondanks al zijn protesten!—de strik van zijn zwarte das—door haar gelegd! Nee,
-zeker, hij was niet terugstootend of onaangenaam.… maar toch welk een contrast tusschen
-die beiden! Hij glimlachte, kalm voldaan over zijn geluk, en wendde zich om.
-</p>
-<p>Daar viel zijn blik op een wit stuk papier onder ’t bureautje van zijn vrouw. O, hij
-had bij ’t dichtschuiven <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>der lade een briefje er uit laten vallen. ’t Had tusschen tafel en lade beklemd gezeten.
-</p>
-<p>Hij raapte ’t op. ’t Was in elkaar gevouwen, en hij opende het, als ongedachtig. ’t
-Was een oude brief, reeds geel geworden.
-</p>
-<p>De inhoud boeide hem onmiddellijk op onweerstaanbare wijze. Hij zette zich weer op
-de stoel vóor ’t bureautje, boog zich voorover, en steunde het hoofd op éen arm.
-</p>
-<p>’t Papier ontgleed aan zijn vingers, en viel op de grond.
-</p>
-<p>Wat stond er eigenlijk? ’t Schemerde hem vóor de oogen en hij beefde. Zenuwachtig
-bukte hij zich, en hervatte de <span class="corr" id="xd31e223" title="Bron: lektuur">lectuur</span>, ontdaan, een ander mensch dan te voren.
-</p>
-<p>Dan liet hij ’t vóor zich vallen, boog geheel voorover, de beide handen krampachtig
-aan ’t hoofd gedrukt.
-</p>
-<p>„Mijn God, mijn God!” kermde hij.
-</p>
-<p>Hij was geen man van hevige gemoedsuitingen. Zijn zielsleven was tot dusverre zoo
-kalm, zoo vredig en ongestoord geweest; en al wat daar in zijn binnenste omging kwam
-zoo zelden aan de oppervlakte. In zijn oogenblikken van hoogste intimiteit bleef hij
-schijnbaar onbewogen. Toch was zijn gevoeligheid groot, zijn ontvankelijkheid voor
-indrukken fijn ontwikkeld. Wat anderen koud liet deed hem vaak pijnlijk <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>aan, wat anderen onverschillig voorbijgingen was hem dikwijls genot. Hij voelde diep,
-al uitte hij weinig. Vereering was daarom bij hem verafgoding, liefde aanbidding.
-Zijn liefde voor Paula was hem heiliger dan het heiligste, samenhangend en innig verbonden
-met de edelste aandoeningen zijner ziel, neen, éen daarmee, ’t Geloof in haar was
-’t geloof in ’t schoone en reine. Al was hij ’t zich niet volkomen bewust, hij had
-de dichter kunnen nazeggen:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">Ton nom est ma prière de la nuit et du jour!</p>
-</div>
-<p class="first">Paula was wat wuft, wat lichtzinnig, wat dol soms, goed, maar.… ze was immers rein
-als een engel, de belichaming van wat aanbiddelijk is in een vrouw. En die overtuiging
-had hem gelukkig gemaakt, nu dertien jaren lang, was zijn kracht geweest en zijn trots …
-</p>
-<p>Hij zag ze thans vóor zich, die dertien jaren van slechts kort gestoorde levensvreugde,
-al de herinneringen doorliepen zijn geest als een verbijsterende fantasmagorie, scherp
-omlijnd en voorbij snellend als een koortsdroom. Hij doorleefde nog eens al die onvergetelijke
-gebeurtenissen van zijn huwelijksleven, van ’t oogenblik dat hij Paula zijn eerste
-kus gaf, tot nu. En ’t was of thans de reeks afsloot; en ’t slottafereel der afgerolde
-jaren week en week terug in zijn voorstellingsvermogen met wondere snelheid.
-<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
-<p>Tusschen nu en straks—nauw vijf minuten!—lag een eeuwigheid voor hem.
-</p>
-<p>Hij richtte het hoofd op, als verdwaasd. Zijn haren waren verward, hij staarde rond,
-wezenloos, zonder gedachte dan deze éene, die hem waanzinnig maakte:
-</p>
-<p>„’t Is uit, mijn God, ’t is uit, voor goed!”
-</p>
-<p>En toch, ’t was ongelooflijk, ’t kon, ’t mocht niet waar zijn. ’t Kon er niet staan,
-’t was een zinsbegoocheling, hij moest gedroomd hebben.
-</p>
-<p>Wederom greep hij naar de brief, en voor de derde keer las hij de woorden, die in
-zijn gemoed brandden met onduldbare smart:
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute">Liefste,
-</p>
-<p>’t Kan niet langer zoo. Dit leven is mij een hel geworden en ik ga heen, zooals ik
-je gezegd heb. O, Paula, hoe kàn je anders van mij verwachten, hoe kan je van me vergen
-dat we dat komediespel nog éen dag langer voortzetten? ’t Is mij onbegrijpelijk, hoe
-ik het nog deze maand heb kunnen uithouden. Ons kind te zien en mij te verheugen in
-’t bezit van zulk een schat, ’t pand van onze liefde, en steeds te huichelen, alsof
-<span class="ex">zijn</span> vadervreugde mij een verkwikkelijk schouwspel was; aan te zien dat hij, mijn weldoener,
-degeen aan wie ik alles te danken heb, zich gelukkig waant, en mij in zijn hartelijkheid
-over <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>zijn geluk spreekt in geestdriftige woorden, alsof ik erin deelen moest; terwijl hij
-anders zoo gesloten is tegenover anderen.… o, ’t is mij onmogelijk verder. Ik kan
-hem de hand niet meer drukken, en hem in de trouwe oogen zien, zonder dat mijn geweten
-mij voor een verrader, een ondankbare huichelaar scheldt.
-</p>
-<p>Ik ga naar Indië. Je weet dat ik er hem over gesproken heb, en dat hij mijn plan goedkeurt.
-Ik heb hem gezegd dat ik haastig weg moest, omdat de maatschappij, die mij door zijn
-tusschenkomst uitzendt, mijn diensten eerder noodig had dan ik oorspronkelijk dacht—een
-plotseling telegram uit Indië—en ik zou na de noodige besprekingen te Amsterdam, nog
-eens terugkomen, om afscheid van jou en <span class="ex">Didi</span> te nemen. Ik doe ’t echter niet, en ik zal wel een uitvlucht vinden, en hem uit Amsterdam
-schrijven, dat ik tot mijn grooten spijt niet meer kan terugkomen.
-</p>
-<p>Draag je smart zoo goed je kunt. En, o Paula, wees goed voor <span class="ex">hem</span>. Tracht <span class="ex">hem</span> lief te hebben en mij te vergeten. Ik ben een onwaardige en <span class="ex">hij</span> is zoo goed! Mijn God, als ik denk dat zijn goedheid zóo vergolden is!
-</p>
-<p>’t Ga je goed in je verdere leven. Vergeet mij en mijn liefde. Ik zal als een man
-strijden tegen het misdadige gevoel en ’t overwinnen, om eindelijk na <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>jaren van boete mij waardig te maken, om hem terug te zien en om vergiffenis te smeeken.
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">Rudolf.</span></p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Weder zonk Larsen’s hoofd neder, en in doffe wanhoop snikte hij ’t uit, verplet, vernietigd.
-<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">II.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Hij wist zelf niet hoe lang hij zoo wezenloos voorover gelegen had, toen hij voelde,
-dat iemand zijn schouder aanraakte.
-</p>
-<p>Verschrikt keek hij op, als plotseling ontwakend.
-</p>
-<p>O, ’t was Paula.
-</p>
-<p>„Wat is er?” vroeg ze verwonderd. Ben je hier in slaap gevallen?.… Doch spoedig trof
-haar ’t ontdane zijner gelaatstrekken. Meteen viel haar blik op de brief vóor hem
-op ’t bureautje. Ze herkende hem onmiddellijk.
-</p>
-<p>God, hoe kwam dat ongelukkige ding hier?!
-</p>
-<p>Paula begreep in een oogwenk haar toestand, zijn smart; en, hem kennend, voorzag zij
-de gevolgen van ’t gebeurde.
-</p>
-<p>Eén oogenblik stond ze in beraad. Zou ze ontkennen, en er iets op verzinnen? Hij was
-lichtgeloovig genoeg, en wie is dat meer dan de verliefde man eener verleidelijke
-vrouw? Maar hoe kon dat? De brief was immers een acte van beschuldiging <span class="ex" lang="la">in optima <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>forma</span>.… Nee, in ’s Hemels naam: bekennen dan maar, en op zijn gevoel werken. Hij aanbad
-haar, kon niet buiten haar, en zou vergeven, als hij maar berouw meende te zien. In
-ieder geval moest ze zien hem gunstig te stemmen, alle vijandigheid te voorkomen;
-want zoolang dat document in zijn handen was, kon hij echtscheiding aanvragen op grond
-van overspel van <span class="ex">haar</span>! Mocht het haar gelukken ’t stuk machtig te worden, wel, dan kon ze immers nog altijd
-elke erkenning van schuld loochenen.…
-</p>
-<p>Zij zou ’t eerst spreken, dadelijk elke uitbarsting van zijn kant stuiten:
-</p>
-<p>„O, ik zie ’t,” zei ze zacht. „Je hebt die brief gelezen.… Die ellendige oude geschiedenis,
-waar ik zooveel om geleden heb.… waar ik zooveel nachten van wroeging om doorgebracht
-heb.… Ik heb God zoolang om vergiffenis gebeden; maar ’t heeft niet mogen zijn.… De
-straf moest eenmaal komen.… O God, o God!”
-</p>
-<p>En snikkend wierp ze zich voorover op een kleine sofa, die bij ’t bureautje stond.
-</p>
-<p>„Dat jij ’t weten moest, weten moest.…” ging ze, telkens afbrekend, voort, „waarom,
-mijn God, waarom? Jij zoo goed en zoo lief voor mij, dat jij deze slag hebben <span class="ex">moest</span>! ’t Is vreeselijk, vreeselijk.… O, wat heb ik je lief gekregen na die verschrikkelijke
-dingen, die er zijn gebeurd, juist omdat ik voelde <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>hoe onwaardig ik was, dat jij zooveel van me hieldt.… En nu hoû je niets meer van
-me.… Nu veracht je me.… Nu wil je niets, niets meer van je Paula weten.… O, mijn God,
-wat ben ik ongelukkig!”
-</p>
-<p>Ze hield even op, en wachtte.
-</p>
-<p>Hij zeide niets, verroerde zich niet. Paula’s woorden drongen helder in zijn ooren
-als in een levendige droom. ’t Tooneel daar vóor hem, zijn vroolijke, luchtige Paula,
-wanhopig schreiend en zichzelf beschuldigend, leek hem onwerkelijk. De pijnlijke waarheid
-moest nog tot hem doordringen.
-</p>
-<p>Paula ging voort.
-</p>
-<p>„O, je antwoordt niet.… Je Paula is niets meer in je oogen. Je zult haar nu wegsturen
-als een straatmeid.…” En weer snikte ze, en woelde wanhopig heen en weer, terwijl
-ze het kussen, dat er lag, krampachtig tegen zich aan drukte.
-</p>
-<p>Larsen stond op, en trad op haar toe.
-</p>
-<p>„Paula!” zei hij dof.
-</p>
-<p>„Willem.…” En ze barstte uit, zich neerwerpend vóor zijn voeten:
-</p>
-<p>„O, mijn God, vergeef me! Willem, vergeef me wat ik misdaan heb. Ik ben zoo diep,
-zoo diep rampzalig!”
-</p>
-<p>„Kom, sta op.…” zeide hij. „Ik kan dat niet aanzien. Kom, Paula, wees kalm. Ga daar
-zitten.”
-</p>
-<p>Ze deed het, gedwee, en verborg het gelaat tusschen de handen.
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-<p>„Als je berouw oprecht is,” ging Larsen somber voort, „heeft God je de zonde al lang
-vergeven. En dan.… hoe zou ik dan mijn vergiffenis weigeren kunnen?…”
-</p>
-<p>Met blijde verrassing keek ze op.
-</p>
-<p>„Je vergeeft me. Och, Willem, is ’t waar?”
-</p>
-<p>„Mijn kind, wat geeft dat nog? Wat verandert dat aan onze ellende? Ik kan je vergeven—o,
-van ganscher harte—maar kan ik ooit <span class="ex">vergeten</span>?”
-</p>
-<p>Hij wendde ’t hoofd af, en zette zich weer op de stoel vóor ’t bureautje, tegenover
-haar.
-</p>
-<p>„O, maar dan vergeef je me ook <span class="ex">niet</span>!” riep Paula opnieuw wanhopig uit. „Dan vergeef je me ook niet!”
-</p>
-<p>„Dat doe ik wel. Ik voel in mijn hart geen vijandigheid, geen wraakzucht tegen jou,
-maar mijn verstand kan me niet wijsmaken dat ik gedroomd heb, dat ’t gebeurde niet
-gebeurd is.…”
-</p>
-<p>„En wat dan?” vroeg ze klagelijk.
-</p>
-<p>„Wat dan? Dat verder samenleven tusschen ons onmogelijk is.”
-</p>
-<p>Ze antwoordde niet, maar wachtte in spanning, ’t hoofd voorover.
-</p>
-<p>„Hoe ik ook mijn best deed om goed en lief tegen je te zijn, ik zou ’t spook.… niet
-weg kunnen jagen. ’t Zou steeds tusschen jou en mij staan. En dan de herinnering aan
-’t kind.… ik was er zoo gelukkig mee.…”
-<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span></p>
-<p>Zijn stem stokte. Een dikke traan ontperste zich aan zijn oogen.
-</p>
-<p>„Nee, Paula, dat zou niet gaan.… Dat zou een marteling wezen voor ons beiden.…”
-</p>
-<p>„Dus hoû je dan niets, niets meer van je Paula?”
-</p>
-<p>Weer wilde ze zich op de grond werpen, maar Larsen weerhield haar.
-</p>
-<p>„Of ik nòg van je houd? Ik weet ’t niet.… Eén ding is zeker: mijn heilige heeft haar
-stralenkrans verloren.… Jij was mijn heilige.…” Weer werden zijn oogen vochtig, en
-hij keek strak vóor zich naar de grond, zwijgend.
-</p>
-<p>„Och, Willem,” vleide zij zacht na een poos.
-</p>
-<p>„Ja?” Hij keek niet op, maar luisterde.
-</p>
-<p>„Als je wist, als je wist hoe alles gekomen was.… O, ik zal ’t je zeggen.”
-</p>
-<p>Hij viel haar in de rede, bruusk:
-</p>
-<p>„Och, waarom? Ik <span class="ex">wil</span> niets weten, niet meer dan wat ik weet. Ik zeg je immers dat ik je vergeef.… nu al,
-nu ik het nauwelijks weet. Wat je me ook vertellen wil, ’t verandert immers niets
-aan de zaak. Je bent me ontrouw geweest.… en dat niet alleen, groote God, maar mijn
-kind, ’t kind, dat ik voor ’t mijne hield, was van hèm.… van Rudolf!”
-</p>
-<p>„O, maar ik kan niet uitstaan dat je me verkeerd beoordeelt, je mòet weten hoe alles
-gegaan is.… Ik was gek, gek toen ik.… zes jaar geleden.… <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>deed wat me later.… zulk een wroeging gaf. En ik alleen was de schuldige, toen.… dat
-eene oogenblik.… O, laat me je alles vertellen!”
-</p>
-<p>„Goed dan,” klonk het lusteloos en mat.
-</p>
-<p>„Hij was niet de verleider.… ik was ’t die hem ertoe bracht.”
-</p>
-<p>„Bah, een <span class="ex">man</span>!” viel Larsen in. „’t Is een schande voor een man zich te <span class="ex">laten</span> verleiden door een vrouw!”
-</p>
-<p>„Zeker, zeker, maar ’t is toch een verzachtende omstandigheid.… En wat mij aangaat.…
-ik wist niet wat ik deed.… Ik voelde me eenzaam, verlaten. Jij was steeds in je boeken.…
-Ik dacht dat je niet meer van me hieldt.…”
-</p>
-<p>Larsen trok de schouders op.
-</p>
-<p>„’t Was verbeelding, zeker, dat zie ik nu wel in.… maar toen.… toen geloofde ik ’t.…
-en hij—Rudolf—was zoo vriendelijk en zoo belangstellend, en zoo vol attenties, en
-zoo altijd om mij heen. Jij zat in je studeerkamer. En dan zat hij bij mij.… soms
-tot ’s avonds laat. Of jij was uit, naar de bibliotheek … Eens op een avond.…”
-</p>
-<p>Larsen maakte een afwerend gebaar.
-</p>
-<p>„Ik weet heusch niet hoe ’t kwam,<span class="corr" id="xd31e381" title="Niet in bron">”</span> ging Paula hartstochtelijk voort. „Maar.… ’t was maar eens, net eens.…”
-</p>
-<p>Weer maakte Larsen een gebaar, ditmaal van ongeduld <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>en wrevel, als wilde hij zeggen: „Alsof dat er iets toe doet!”
-</p>
-<p>„Ik zeg ’t alleen, omdat ik wil hebben dat je alles begrijpt.… Ik ben geen slechte
-vrouw.…” Ze snikte en kon bijna niet voortgaan. „Ik bèn niet slecht.… ’t was een „<span lang="fr">surprise des sens</span>”.… een dolheid.… een oogenblik van waanzin.… Niets overdachts.… geen bedrog.…”
-</p>
-<p>„Maar ’t bedrog kwam later,” zei Larsen bitter.
-</p>
-<p>„Later? Ja, hoe kon ik anders.… En juist dit was mijn straf. Ik moest je bedriegen,
-omdat.… omdat.…”
-</p>
-<p>Larsen keek op, een vraag in de oogen.
-</p>
-<p>„Omdat ik je niet verliezen woû, omdat ik je liefde niet verliezen woû, omdat ik zooveel
-van je hield.”
-</p>
-<p>„O zeker, dat wàs zoo, hoe ongelooflijk ’t je nu ook klinkt. Ik hield door mijn berouw.…
-meer van je dan ooit te voren.…. Dat wàs zoo, dat wàs zoo!”
-</p>
-<p>Weer schreide ze <span class="corr" id="xd31e400" title="Bron: harstochtelijk">hartstochtelijk</span>.
-</p>
-<p>„Goed, laat dat zijn,” zei Larsen bedaard, „maak je nu maar niet zoo naar. De zaak
-wordt er niet beter door. ’t Gedane is onherstelbaar. En mijn geluk is toch verwoest.”
-</p>
-<p>Hij liet het hoofd weer zinken, in doffe smart.
-</p>
-<p>„Wat bedoel je<span class="corr" id="xd31e407" title="Bron: .">?</span> Kan ik dan niet meer goed maken wat ik deed toen ik buiten mezelve was? God, dat
-<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>kan je niet meenen.… jij zoo goed en vergevensgezind.…”
-</p>
-<p>„Maar, mijn hemel, begrijp me dan toch! Zoo iets <span class="ex">is</span> niet goed te maken. Jij kunt me niet het geloof teruggeven, mijn geloof in jou, dat
-ik voor goed verloren heb.… Dat heeft niets met vergeven of goedheid te maken.… Ik
-heb medelijden met je.… veel medelijden. Maar dat jaagt ’t spook van mijn schande
-en mijn verdriet niet weg!”
-</p>
-<p>Paula antwoordde niet. Ze zag haar spel verloren, en dit dreef haar schier tot wanhoop.
-</p>
-<p>„Mijn God, mijn God,” bracht zij eindelijk uit. „Eisch van me wat je wil. Ik wil je
-slavin zijn, boete doen als een ellendige zondares. Ik zal je je geluk teruggeven.
-Och, Willem, geloof me, ik zàl ’t je teruggeven! Maak me niet ellendig. Ik kan niet
-zonder jou leven.… Een scheiding zou me doen sterven van verdriet.…”
-</p>
-<p>Ze wist hoe zijn liefde voor haar geweest was: ze geloofde niet dat zulk een liefde
-plotseling dood kon wezen.
-</p>
-<p>Haar lang geoefende kunst om komedie te spelen kwam haar uitstekend te pas. O, ze
-zou winnen ten slotte. Hij <span class="ex">kon</span> niet buiten haar, en niets kon hem meer verteederen dan de betuiging van haar liefde
-voor hem. Ze had hem daarmee immers reeds zoo dikwijls bekoord. Thans speelde ze hoog
-spel: ’t gold <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>haar heele toekomst, haar aanzien als vrouw van de wereld, ’t voorkómen van een schandaal.
-</p>
-<p>„Ik zie geen andere uitweg,” antwoordde Larsen en stond op. „Kom Paula, laat me alleen
-met mijn ellende. Verder spreken hierover is me nu te pijnlijk. Laat me in Godsnaam
-alleen. Wat geeft ’t alles: we kunnen ’t niet eens worden.…”
-</p>
-<p>Zij zag ’t nuttelooze van verder tegenspreken voor ’t oogenblik in, en achtte het
-wijs thans maar toe te geven. O, ze zou hem wel verteederen: ’t moest, ’t moest.…
-</p>
-<p>En opstaande richtte ze zich naar de deur, met gebogen hoofd en loome tred.
-</p>
-<p>Even hield ze op, en keek om. Dan zei ze op bedeesder toon, als een kind dat knorren
-gehad heeft:
-</p>
-<p>„En je thee? Wil je van avond geen thee? Hier boven?”
-</p>
-<p>„Och, laat maar.”
-</p>
-<p>Toen ze de deur achter zich gesloten had, zuchtte hij diep, hief de rechter arm op,
-liet zijn hand met kracht op zijn dij neervallen, en schudde ’t hoofd met verwrongen
-gelaatstrekken.
-</p>
-<p>Dan verzonk hij in zijn vorig broeden.
-<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">III.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Hoe weinig kenden Larsen en Paula elkander! Hadden ze onmiddellijk na hun laatste
-gesprek in elkanders harten kunnen lezen, hoe zouden ze geschrokken zijn!
-</p>
-<p>Larsen twijfelde geen oogenblik aan Paula’s oprechtheid, haar innig berouw.
-</p>
-<p>Zij dacht het eerst aan haar eigen domheid om die brief te laten slingeren, en overlegde
-vrij kalm haar plan: òf hem weer aan zich binden door liefdevolle onderwerping, door
-berouwvertoon, door de bekoring harer lichamelijke aantrekkelijkheid, òf als dat alles
-niet baatte—als!—dan hem de brief op de een of andere wijze zien te ontfutselen: dan
-was alle bewijs verloren. ’t Kwam geen oogenblik bij haar op dat Larsen’s edelmoedigheid
-waarschijnlijk niet gedogen zou van het bewijsstuk tegen haar gebruik te maken. O,
-en àls hij dat deed, dan zou haar houding ook plotseling veranderen, dan zou ze eindelijk
-het dwangbuis harer gehuichelde liefde voor hem afwerpen; <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>’t had haar reeds zooveel jaren beklemd! Dan zou ze, alleen met hem, alle veinzen
-laten varen. Dan was hij haar vijand, haar verklaarde tegenstander; en hoe dieper
-hij dàn zijn ellende en machteloosheid voelde, hoe meer voldoening haar de overwinning
-zou geven: vóor de rechter zou ze hardnekkig ontkennen.…
-</p>
-<p>Haar kind? Och, daarom zou ze ’t niet doen: het te verliezen in zooverre dat Larsen
-het krijgen zou, was haar als moeder niet bepaald ondragelijk. Ze hield van ’t kind,
-op haar manier, zonder diepte. Zij behoorde nu eenmaal tot dat soort van vrouwen,
-bij wie elk gevoel aan de oppervlakte blijft. Didi was een soort troetelpopje voor
-haar geweest, vooral toen ze nog klein was: ’t kind zag er altijd keurig uit, en in
-stoffelijke zin ontbrak haar niets. Innige omgang tusschen moeder en dochter had nooit
-bestaan, en de liefste indrukken van Didi’s gemoedsleven dankte ze alle aan haar vader.
-Deze onderhield zich ernstig en vriendelijk met haar, stelde belang in al haar kleine
-verdrietjes en genoegentjes, haar gelukjes en tegenspoedjes; vermaande en leerde haar,
-en was haar zelden vermoeide raadsman en inlichter. Bij de moeder wist ze al spoedig
-dat ze voor al wat buiten materieele zorg ging niet terecht kon. Gezegden als „Och,
-kind, zeur niet! Jengel zoo niet! Verveel me niet!” waren haar maar al te wel bekend.
-Neen, zij <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>zou Didi weinig missen, en als ze ’t kind maar nu en dan eens zag, zou haar moederlijke
-behoefte voldoende bevredigd wezen. Dat was ’t niet; maar ’t verlies van haar waardigheid,
-haar wereldsch aanzien, en haar gemakkelijk vrij leven naast een domverliefde, lichtgeloovige,
-doodgoede man, ’t verlies van haar naam.… dat was wat anders: die kans te ontloopen
-was wat strijd en inspanning waard. Ze besefte zoo goed dat haar vrijheid van handelen
-als getrouwde vrouw veel grooter was, en van harte stemde zij in met die Fransche
-wereldkenner, die beweerde dat een kokette vrouw, wil ze ’t goed hebben, getrouwd
-moet wezen. En „gescheiden” te zijn! ’t Was een schrikbeeld, waar ze niet aan denken
-woû. Wat was een gescheiden vrouw in ’t oog der wereld, ook al geloofde men aan haar
-onschuld? Ze wist hoe men er de neus voor optrok, als droeg zulk een vrouw een schandmerk
-op ’t voorhoofd. O, afschuwelijk, akelig.…
-</p>
-<p>Deze gedachten speelden Paula door ’t hoofd, toen ze met gefronste wenkbrauwen bezig
-was beneden in de huiskamer voor de thee te zorgen. Didi, een slank opgeschoten meisje
-met mooi zwart afhangend haar en heldere groote kijkers, zat lusteloos bij de tafel,
-met een boek vóor zich. Ze las veel: vaak ook haar eenige troost, waar haar vader
-zoo dikwijls ongestoord werken wilde, en haar moeder òf uithuizig, <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>òf aan haar toilet, òf op andere wijze „bezig” was en „geen tijd” had.
-</p>
-<p>Het meisje had spoedig gezien dat er wat haperde: Mama was uit haar humeur, en dan
-zweeg ze maar.
-</p>
-<p>De lamp was aan in de smaakvol ingerichte huiskamer. Paula voorzag een lang samenzijn
-met Didi, en in de gemoedsstemming waarin zij verkeerde, hinderde haar het gezelschap.
-Ze kwam op een inval: Larsen was dol op zijn dochtertje, dat wist ze, en was nu zeker
-niet aan ’t werk: ’t kind zou hem afleiden, zijn teedere gevoelens wakker roepen,
-hem gunstiger stemmen ook tegenover de moeder.
-</p>
-<p>„Kom, Didi, ga maar naar boven, naar vader. Neem je boek mee, als je wil. Vader werkt
-nu toch niet.”
-</p>
-<p>„Vader” en „moeder” waren de door Paula ingevoerde benamingen, waarmee het kind haar
-ouders toesprak en over hen sprak: dat was ’t nieuwste. Bij alle deftige families
-was dat zoo; want Papa en Mama begon meer en meer „burgerlijk” te klinken: dat zeiden
-zoo alle kinderen tegenwoordig bij bakker en kruidenier.
-</p>
-<p>’t Kind gehoorzaamde zwijgend. Ze ging graag naar haar vader, en het bijzijn van haar
-ontstemde, knorrige moeder had niets om haar te weerhouden.
-</p>
-<p>Didi opende zacht de deur der studeerkamer.
-</p>
-<p>Ze vond haar vader op en neer stappend, met zware tred en gebogen hoofd.
-<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p>
-<p>Hij zag haar eerst niet.
-</p>
-<p>„O, kindje!” riep hij opschrikkend, toen ze hem bij een arm nam en lachend tot hem
-opkeek.
-</p>
-<p>Hartstochtelijk nam hij haar om ’t middel, en kuste haar herhaaldelijk.
-</p>
-<p>Wat had vader toch? Zoo iets deed hij zoo zelden!
-</p>
-<p>„Ik kom wat bij je zitten, mag dat?”
-</p>
-<p>Ook het gebruik van „jij en jou” was op Paula’s wensch tusschen kind en ouders ingevoerd.
-</p>
-<p>„Zeker, lieveling.”
-</p>
-<p>Hij trok haar met zich mee naar de sofa, en daar zetten ze zich naast elkaar neer.
-</p>
-<p>„Heeft vader ’t niet druk van avond?” vroeg Didi met eigenaardige stembuiging, waaruit
-verwondering sprak.
-</p>
-<p>„Nee, mijn kindje.”
-</p>
-<p>„En komt moeder ook niet boven thee drinken?”
-</p>
-<p>„Nee.”
-</p>
-<p>„Waarom niet? Moeder zei ’t toch van middag aan tafel.…”
-</p>
-<p>„Ze heeft hoofdpijn—ze wil liever alleen zitten.”
-</p>
-<p>„O,” en ’t lieve ernstige kopje keek peinzend.
-</p>
-<p>Voor Larsen was de verschijning van zijn innig geliefd kind een ware lafenis. Zijn
-heele ziel hing thans aan haar.
-</p>
-<p>In de verbijstering van zijn plotseling veranderd levenslot had de gedachte aan wat
-er van haar worden <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>zou, wanneer het tot een echtscheiding kwam, hem nog niet verontrust. ’t Was alsof
-het voor hem vanzelf sprak dat dan Didi en hij bijeen zouden blijven. Didi was veel
-meer <span class="ex">zijn</span> kind dan ’t hare, o, veel, veel meer! Ook thans, nu hij haar weer vóor zich zag,
-scheen het dat een scheiding nooit tusschen hem en zijn kind eenige verwijdering zou
-kunnen brengen: Neen, hij dacht zelfs niet aan ’t vraagstuk, dat hem later zou kwellen.…
-</p>
-<p>’t Begon donker te worden op die herfstavond. Om zeven uur was anders ’t licht op
-in Larsen’s studeerkamer, als hij daar zat, en dat deed hij meestal. Eerst tegen tien
-placht hij beneden te komen voor een „boterhammetje” en een praatje met zijn vrouw.
-Klokke half twaalf was bedtijd, waar zelden van afgeweken werd. Paula noemde deze
-geregelde leefwijze, die zich bij Larsen in zijn meeste dagelijksche handelingen openbaarde
-„een domme machinegang”. Haar levendige natuur hield van afwisseling en ongestadigheid.
-</p>
-<p>De zware gordijnen in Larsen’s studeerkamer—donkergroen als ’t heele meubilair—de
-stijve rijen donkere boeken langs bijna drie wanden, de zware stoelen en zijn massieve,
-groote schrijftafel, alles gaf aan ’t groote vertrek met zijn vrij lage zoldering
-iets sombers, en ’t was er vroeg duister. Slechts Paula’s smaakvol bureautje brak—bij
-licht—de ernst dezer werkplaats des geestes.
-<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p>
-<p>Voor Didi had de stilte die er heerschte, bij al die ernst, een groote aantrekkingskracht.
-Zij zat er gaarne, en vóor achten was ze er dan ook dikwijls, soms met, maar liever
-zonder haar moeder. Larsen babbelde graag met zijn „kleine meid”, zooals hij haar
-steeds bleef noemen, ondanks haar opgeschoten gestalte, die bijna aan zijn schouder
-reikte, en, als moeder erbij was, zat zij gewoonlijk stil.
-</p>
-<p>Nu was ’t wat laat, en vader week van zijn gewoonte af. Ze vond het vreemd, begreep
-er niets van. En vader was zoo innig, zoo heel anders dan gewoonlijk. O ja, ze herinnerde
-zich goed, dat hij eens, net eens, heel lang geleden, ook zoo lief—nee teeder, meende
-ze, want lief was vader altijd—geweest was: dat was toen ze weer voor ’t eerst haar
-ouders mocht omhelzen na de wekenlange afzondering toen ze diphteritis had. Toen was
-vader net zoo geweest, ja net zoo. Moeder was dikwijls bizonder druk met kussen en
-liefkoozen; maar hoe kwam ’t toch dat ze al die hartstochtelijke aanhalerij zoo weinig
-prettig vond, terwijl een tikje op de wang van vader, of een zoentje op haar voorhoofd
-van hem, haar altijd opnieuw aangenaam stemde? Moeder was zoo ongelijk. Soms beknorde
-ze haar hevig, zag kort daarna haar overdrijving, soms onrecht, in, en dan draaide
-ze ineens om. „Mijn engel, mijn snoes, mijn alles, mijn beestje, mijn hondje” was
-’t dan, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>en Didi stikte haast onder een overvloed van kussen en omhelzingen.
-</p>
-<p>Larsen sloeg zijn arm weer om Didi’s middel, en drukte haar tegen zich aan. Zij vleide
-haar donkere kopje tegen zijn schouder, innig gelukkig en toch vreemd te moede.
-</p>
-<p>„Wat is er toch, vadertje?” vroeg ze na een oogenblik, niet langer weerstand kunnende
-bieden aan haar nieuwsgierigheid.
-</p>
-<p>Larsen zag niet duidelijk hoe de uitdrukking harer oogen was, toen ze dat zeide. Anders
-had hij bespeurd hoe er iets van ondeugende plaagzucht in lag, vermengd met een beetje
-bezorgdheid tevens.
-</p>
-<p>Haar vraag deed hem aan ’t laatste alleen denken, en al de ellende van eenige oogenblikken
-te voren overstelpte hem opeens weer. Hij besefte voor ’t eerst welke schrikkelijke
-dingen ook zijn vaderhart bedreigden, wanneer hij en Paula.…
-</p>
-<p>„Hoe bedoel je dat, kindlief?” vroeg hij op zijn beurt, met moeilijk bedwongen beving
-in zijn stem.
-</p>
-<p>„Dat u van avond zóo is.…” Verlegen trok ze haar hoofdje terug.
-</p>
-<p>„Zoo? Hoe, mijn lieveling?”
-</p>
-<p>„Zoo.… zoo.… och, hoe zal ik dat zeggen? zoo bizonder lief!”
-</p>
-<p>Larsen deed alsof hij lachte. O, hij moest zijn droefenis vóor zich houden.… haar
-niets laten merken.… <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>Hij was zichzelf zoo weinig bewust van zijn onmacht tot veinzen.
-</p>
-<p>„Maar, Didi, is je vader dan niet altijd lief?”
-</p>
-<p>„Nou ja.… maar zooals van avond toch niet.…”
-</p>
-<p>Weer vleide ze zich tegen hem aan. Hij drukte haar vast aan zich. Hij worstelde nog
-een oogenblik tegen de stroom van droeve teederheid, die zijn gemoed overstelpte met
-ongekende kracht. Och, hij kòn niet, ’t was te machtig.…
-</p>
-<p>Hij antwoordde niet. De duisternis verborg voor Didi’s blikken een traan, die uit
-zijn oogen welde.
-</p>
-<p>Ze werd ongerust: Vader had zeker iets, dat hem verdriet deed. Zou hij ’t voor haar
-willen weten? Waarom zou ze maar niet ronduit vragen wat hij had: tegenover haar vader
-was ze immers nooit terughoudend!
-</p>
-<p>„Vader,”.… fluisterde ze bijna, met innige <span class="corr" id="xd31e518" title="Bron: vleiïng">vleiing</span>.
-</p>
-<p>„Kind?”
-</p>
-<p>O, nu wist ze ’t zeker: vader schreide bijna.
-</p>
-<p>„Heb je verdriet?”
-</p>
-<p>Weer geen antwoord dan alleen een krampachtig drukken van haar handje in zijn hand,
-achter om haar middel heen.
-</p>
-<p>„Wil je ’t me niet zeggen, vadertje?” vleide ’t meisje voort, haar gezicht vlak bij
-’t zijne. Ze zag zijn tranen blinken. Haar hartje zwol van warm <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>medegevoel, van echt vrouwelijke bezorgdheid, van troostbehoefte.
-</p>
-<p>„Hou je veel van je vader, mijn kindje?” vroeg hij, niet lettende op wat ze gezegd
-had.
-</p>
-<p>„Natuurlijk, heel veel.… Maar.…?”
-</p>
-<p>„Niets, je moet ’t me alleen oprecht en eerlijk zeggen.”
-</p>
-<p>„Maar, vader.…!”
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e535" title="Niet in bron">„</span>Zou je ’t vreeselijk vinden als.… ik doodging.… of zoo?”
-</p>
-<p>„Waarom vraagt u toch zulke dingen? Maar ’t spreekt immers van zelf, dat ik.… dat
-ik ’t vreeselijk zou vinden. O, vader, ik wil er niet aan denken.…”
-</p>
-<p>En weer kroop ze dichter op hem, drukte zijn arm, in angstige verbazing.
-</p>
-<p>„En moeder?” vroeg Larsen na een oogenblik zwijgens.
-</p>
-<p>„Of ik van haar hoû? Dat weet u toch ook wel.… Zeker, natuurlijk.… een kind houdt
-altijd van zijn moeder.…”
-</p>
-<p>Zij was een oogenblik verlegen, zocht naar woorden.
-</p>
-<p>’t Verschil in de beide liefdesbetuigingen viel Larsen vreemd op. Zou ’t kind werkelijk
-zooveel minder van haar moeder houden dan van hem? ’t Was hem nooit op die wijze klaar
-geworden, al hadden vage vermoedens soms zijn vaderlijke eigenliefde gestreeld.
-<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
-<p>„Nu?” zeide hij uitvorschend.
-</p>
-<p>„Ik hoû toch meer van jou, vadertje.…”
-</p>
-<p>„Och, dat zeg je nu maar zoo, omdat je denkt, dat ik verdriet heb.…”
-</p>
-<p>„Och, wel nee.… nee, heusch.… ik hoû meer, veel meer van jou”.… ’t Kwam er vreemd
-uit, met overtuiging, maar op een toon als ware zij zelve verbaasd deze verhouding
-waar te nemen, ’t verschil duidelijk uit te spreken. Ze had er nooit over nagedacht,
-al had ze ’t vaak, o zoo vaak gevoeld.…
-</p>
-<p>„Maar,” ging ze aarzelend voort, „waarom vraag je dat alles toch? Je gaat toch niet
-van me weg.… en je bent toch ook niet ziek, wel?”
-</p>
-<p>„Goddank niet, mijn lieveling,” antwoordde hij in gedachten verzonken. „Ik vraag het.…
-zoo maar.… omdat ik ’t weten wilde.”
-</p>
-<p>„Och kom! En waarom ben je dan zoo bedroefd?”
-</p>
-<p>Zijn hart drong tot spreken. Maar hoe kòn hij haar zeggen wat hem die vragen had ingegeven?
-Hij verzon een leugentje, blij dat het vrijwel geheel donker in de kamer was, en zij
-de uitdrukking van zijn gezicht niet kon zien.
-</p>
-<p>„Ik denk aan klein broertje.…” zeide hij.
-</p>
-<p>Er was een kern van waarheid in de uitvlucht.
-</p>
-<p>„O,” zei Didi, en zweeg even. Ze drukte weer zijn arm, en, bijna fluisterend: „Arm
-vadertje.…”
-<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
-<p>Toch was haar groote onrust eenigermate bedaard. Iets bleef bij haar hangen: de opgegeven
-reden scheen haar niet bevredigend.
-</p>
-<p>En hij, meenend nog iets te moeten zeggen, liet volgen:
-</p>
-<p>„Ja, mijn kindje, als ouders zooveel verdriet hebben om een kind dat sterft.… dan
-denken ze.… verwachten ze, dat een kind nog grooter verdriet heeft, als vader of moeder
-heengaat.…”
-</p>
-<p>Hij zuchtte zwaar en rees op. „Wacht, ik zal de lamp aansteken,” zeide hij, om iets
-te zeggen.
-</p>
-<p>Juist klopte de meid, en bracht twee kopjes thee: ’t groote waaruit hij placht te
-drinken en een kleine voor Didi.
-</p>
-<p>„Zit u nog in ’t donker?” zei de binnentredende verbaasd. „Zal ik even licht maken?”
-</p>
-<p>„Goed.”
-</p>
-<p>Larsen zette zich weer op de sofa.
-</p>
-<p>„Waar heb je je boek gelegd, Didi?” vroeg hij. „Ik zag je met een boek binnenkomen.…”
-</p>
-<p>„Hier, vader.” En, verwonderd, trad ze naar het bureautje, waarop ze haar boek bij
-’t binnenkomen had neergelegd.
-</p>
-<p>„Ga nu wat lezen. Hier heb je je thee.”
-</p>
-<p>„Goed, vader.”
-</p>
-<p>’t Kind gehoorzaamde, en liet haar vader aan zijn gepeins over.
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
-<p>In de stilte, die nu volgde, was ’t of hun gedachten nog gemeenschap hadden: zij achteloos
-bij haar boek zittende, lezende zonder goed te verstaan, dacht aan „vadertje, die
-verdriet had,” hij aan de schipbreuk van zijn huiselijk leven.
-</p>
-<p>O, hij moest en zou spoedig zekerheid hebben. Zou hij misschien toch afstand moeten
-doen van ’t samenzijn met zijn kind, en alleen tot die prijs van Paula kunnen scheiden?
-Maar dat zou hij niet willen, niet kunnen dragen.… Dan om ’t kind van scheiding afzien?
-Een hel in huis hebben, ook al toonde Paula zich de boetvaardige en berouwvolle.…
-dat was even onduldbaar! O, als er geen keuze was dan die, dan zou hij ’t besterven
-of krankzinnig worden. Hoe zou hij ’t kunnen aanzien, dat zijn kind de verwijdering,
-de onhuichelbare verkoeling zijner liefde voor haar moeder, opmerkte en eronder leed?
-Hij zou ’t immers niet verborgen kunnen houden. En was ’t dat nog maar alleen! En
-in ’t andere geval: hoe zou hij in eenzaamheid zijn smart kunnen dragen, zonder zijn
-aangebeden kind, thans ’t eenige schepsel ter wereld dat hem zou kunnen troosten en
-door haar liefde zijn vreeselijk gemis wat vergoeden? Hij had niemand buiten haar:
-zijn ouders waren lang gestorven, hij had geen broeders of zusters, terwijl zijn schoonmoeder
-natuurlijk haar partij zou kiezen. Want die zou immers nooit vernemen, <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>wat de reden hunner plotselinge scheiding was! Wie wist ervan, wie zou er ooit van
-weten, als hij er niet over sprak? Nee, hij zou zwijgen als ’t graf, dan alleen.…
-tegen zijn kind. Haar zou hij eenmaal, in later jaren, alles openbaren. En ook bij
-haar zou ’t geheim veilig wezen.… En de rechter? Ook die niet.… Om die reden, om haar
-ontrouw, mocht hij geen scheiding vragen. Er was immers wel een andere weg. Welke
-wist hij niet recht. O, maar die moest er zijn! Men kon immers echtscheiding krijgen
-waar ’t noodig was.…
-</p>
-<p>In zijn onwetendheid omtrent de burgerlijke wetten op dit punt stelde hij zich de
-zaak als vrij gemakkelijk voor. O, ja zeker, er was wel wat op te vinden, stellig,
-zeker.… Alleen ’t kind, dat moest hij zeker weten: daaromtrent was hij nog niet gerust.
-</p>
-<p>Er kwamen zooveel echtscheidingen voor. Onder zijn kennissen waren er die zoo iets
-doorgemaakt hadden. Dat was schijnbaar zoo vlot gegaan. Zeker niet wegens overspel
-of iets van dien aard.…
-</p>
-<p>Larsen’s onbekendheid met de menschelijke maatschappij in haar ruwe naaktheid, was
-al even groot als zijn onwetendheid in zake menschelijke wetten, ondanks zijn veertig
-jaren en ondanks zijn geleerdheid. Zijn liefde en zijn studie waren zijn leven geweest,
-zijn geluk had hem belet de wereld te leeren kennen zooals die is. Hij was een zondagskind—<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>in zijn waan, maar dat was voor de gevolgen ’t zelfde—en de gelukstralen, die hem
-als ’t ware omgaven, deden hem veel anders zien dan minder bevoorrechten ’t zagen;
-hij was door en door goedhartig en edeldenkend, wars van, vreemd aan alle veinzen,
-en naar de maatstaf van zijn eigen wezen beoordeelde hij anderen. Hij had zich in
-Paula bedrogen, met wie hij dagelijks, haast uur aan uur verkeerde; hoe bedroog hij
-zich in anderen, die hij slechts oppervlakkig kon waarnemen!.…
-</p>
-<p>De eenige groote moeilijkheid zag hij in ’t vraagstuk van ’t kind. Daaromtrent moest
-hij zoo spoedig mogelijk ingelicht, gerustgesteld worden. Zijn vriend Van Thiemen
-zou hem raad kunnen schaffen: dat was een collega en een goed rechtsgeleerde. Maar
-hij zag er tegen op juist een collega voor zoo iets te nemen. Nee, dan liever Cruijt,
-zijn oude academie-vriend, club-genoot in zijn studenten-jaren te Utrecht. Die woonde
-in Den Haag, en was er een bekend <span class="corr" id="xd31e589" title="Bron: advokaat">advocaat</span>, die zeker tal van zulke zaken in handen had gehad. Ja, hem zou hij de zaak toevertrouwen,
-dadelijk, zoo spoedig mogelijk. Hij zou maar dadelijk naar Den Haag gaan, en hem zien
-te spreken te krijgen. Nog vóor den avond moest hij gerust wezen, zeker: dat zou hem
-heel wat ellendige zorg uit het hoofd nemen. Om kwart over acht ging er een trein.…
-<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p>
-<p>Hij stond op.
-</p>
-<p>„Zeg, kindje,” zei hij vriendelijk tot Didi: „Ik moet noodzakelijk uit.”
-</p>
-<p>Didi sloeg groote, vragende kijkers op.
-</p>
-<p>„Hè!” antwoordde ze spijtig. „Ga je nu weg?”
-</p>
-<p>„Ik moet wel. Ga maar beneden bij moeder zitten, of wil je hier blijven?”
-</p>
-<p>„Hè ja, een uurtje, en wachten tot je terugkomt.”
-</p>
-<p>Ouder gewoonte kwam Larsen zijn dochtertje iederen avond, voordat zij slapen ging
-„nog ’s goeie nacht zeggen”. Dat wil zeggen dat hij eenige minuten met het kind babbelde,
-soms een kwartier lang. ’t Kind was er zóo aan gewend, dat ze ’t bedpraatje als een
-recht beschouwde.
-</p>
-<p>„Over een uur ben ik nog niet terug. Ga maar rustig slapen, als ’t je tijd is. Ik
-zal je nu maar goeie nacht zeggen. Nacht, lieveling.” En hij kuste haar hartelijk
-en innig.
-</p>
-<p>„Kom je van-avond niet aan mijn bed?” vroeg Didi schroomvallig.
-</p>
-<p>„Dat zal niet gaan, vrees ik. ’t Zal wel laat worden.…”
-</p>
-<p>„Mag ik dan opblijven?”
-</p>
-<p>De dringend vleiende toon van ’t verzoek klonk hem thans zoo pijnlijk. Welk een kinderlijke
-teederheid sprak er uit, en hoe smartelijk leek hem die <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>eene korte scheiding, noodig voor een stap die voor haar lot beslissend kon wezen!
-</p>
-<p>„Och, kindje, doe dat maar niet.…”
-</p>
-<p>„Ik blijf toch wakker in mijn bed tot je thuis komt.…” ’t Kwam er pruilend uit.
-</p>
-<p>Larsen kuste haar nog eens.
-</p>
-<p>„Nu goed dan, maar ga dan straks bij moeder zitten.…”
-</p>
-<p>Zonder een antwoord af te wachten stapte hij de kamer uit. Een zonderlinge beklemming
-maakte zich van hem meester. ’t Was hem alsof hij zijn kind voor goed ging verlaten.…
-</p>
-<p>Hij verzette zich daartegen, en sprak zich moed in. ’t Moest nu eenmaal. ’t Was dwaasheid
-zoo sentimenteel te zijn.…
-</p>
-<p>In de huiskamer vond hij Paula in haar gewone leuningstoel. Ze zat met in elkaar gevouwen
-handen in gedachten.
-</p>
-<p>Haar opkijken bij zijn binnenkomen had iets verwilderds en schuws.
-</p>
-<p>„Ik moet uit.…” zei Larsen zenuwachtig.
-</p>
-<p>Een bang vermoeden sprak haar van onherstelbare stappen, die hij ging doen voor hun
-echtscheiding. Ze had van dat scheiden zeer verwarde voorstellingen, maar zooveel
-wist zij ervan, dat de vrouw in die zaken vaak in ’t nadeel was. Zou hij soms nu reeds
-een <span class="corr" id="xd31e621" title="Bron: advokaat">advocaat</span> gaan spreken? Wie? Van <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>Thiemen misschien. Hij was daar zeer wel mee. God, dat mocht niet, voordat ze nog
-met hem gesproken had. Hij had haar niet laten uitspreken in hun eerste stormachtig
-onderhoud. Ze moest en zou hem van avond thuis zien te houden; ’t kostte wat het wilde.…
-<span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">IV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Paula stond op, en trad op Larsen toe. Met kinderlijke smeeking in haar oogen keek
-ze hem aan:
-</p>
-<p>„Je gaat Van Thiemen spreken?…<span class="corr" id="xd31e632" title="Bron: .">,</span>” zei ze aarzelend.
-</p>
-<p>„Wat zou dat?”
-</p>
-<p>„Over onze scheiding? En ga je hem nu alles.… alles zeggen?”
-</p>
-<p>„Nee.… natuurlijk niet, wat noodig is, meer niet.… En niet aan Van Thiemen: Ik wou
-naar Den Haag.…”
-</p>
-<p>Ze greep hem bij de hand.
-</p>
-<p>„Och,” smeekte ze, „stel dat uit! Waarom zoo’n haast? Je kunt immers morgen gaan.…”
-</p>
-<p>Hij antwoordde niet, met gefronste wenkbrauwen. Haar smeekend dringende toon deed
-hem onaangenaam aan. Hij had haar nooit zoo gekend.
-</p>
-<p>„Kom, ga morgen. Je zult er niet bij verliezen, als je éen dag wacht, om.… van je
-slechte vrouw.… af te komen.”
-<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p>
-<p>„Och,” mompelde hij onwillig.
-</p>
-<p>Toch ging hij zitten, reeds half overgehaald.
-</p>
-<p>Paula bracht haar zakdoek aan de oogen, en stond te schreien.
-</p>
-<p>„Doe toch niet zoo dwaas!” riep hij. „Je doet je zelf en mij onnoodig verdriet aan.
-De zaak verandert er niet door.…”
-</p>
-<p>„Daarom kan je van-avond nog wel thuis blijven.…”
-</p>
-<p>„Nu goed, ik blijf thuis.…”
-</p>
-<p>„En blijf je dan hier zitten?”
-</p>
-<p>Zij zette zich weer op haar plaats.
-</p>
-<p>„Vanavond alleen nog maar.… Nog eens samen met je Paula.… zooals vroeger.…” Ze snikte.
-</p>
-<p>„Als je redelijk bent.…” antwoordde hij onaangenaam te moede. „Maar ik begrijp niet
-dat je er op gesteld bent.”
-</p>
-<p>Paula herstelde zich, en hem met haar groote betraande oogen vol aanziende:
-</p>
-<p>„Erop gesteld.… natuurlijk. De laatste maal misschien.… nee, zeker de laatste maal.…”
-</p>
-<p>Geen antwoord. Larsen verschuift onwillig op zijn stoel, en neemt de courant op, om
-zich een houding te geven.
-</p>
-<p>„Och, je gelooft ook niet dat ik.… nog van je hoû.… nog altijd.… en meer dan vroeger.…
-heel veel.…”
-</p>
-<p>Paula’s stem klinkt huilerig, als die van een kind, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>dat klappen gehad heeft en beterschap belooft, en wordt afgebroken door snikken. Ze
-houdt de blik neergeslagen, de handen lusteloos in haar schoot.
-</p>
-<p>„Waarom zou ik dat niet gelooven?” zegt Larsen eindelijk zacht en met groote droefheid.
-„De zaak wordt er niet beter door. Integendeel.…”
-</p>
-<p>„Woû je dan dat ik niet meer van je hield?” Schuchter slaat ze even de oogen op.
-</p>
-<p>„Och.… ’t verdriet zou dan minder groot zijn.…”
-</p>
-<p>„Als we scheiden?”
-</p>
-<p>„Dat bedoel ik.” ’t Antwoord hindert hem zelf: ’t was niet noodig geweest. Waarom
-<span class="ex">wilde</span> ze hem dan ook niet begrijpen?
-</p>
-<p>Als Larsen zich dan quasi in zijn courant verdiept, zwijgt ze eenige minuten. Dan
-op eens:
-</p>
-<p>„Willem.…” Paula’s stem klinkt gedempt, zwak.
-</p>
-<p>Als hij opziet, kijken haar oogen hem wanhopig smeekend aan, drijvend in tranen.
-</p>
-<p>„Willem, is ’t nu alles waar?”
-</p>
-<p>„Wat?”
-</p>
-<p>„Dat we.… voor goed.… voor altijd van elkaar gaan?”
-</p>
-<p>„Och.… Paula.…”
-</p>
-<p>„Ja? ’t Kan.… ’t kan immers niet waar wezen. Zeg nu, toe! Je kunt, je wilt je Paula
-nog wel vergeven?”.…
-</p>
-<p>Larsen staat op. Die blik vol angstige smeeking <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>doet hem zeer. ’t Eeuwig misverstand van vergeven of niet vergeven maakt hem wrevelig,
-ten einde raad.
-</p>
-<p>„Ga je heen?” vraagt ze, en grijpt zijn hand.
-</p>
-<p>„Ik vin’ dit gesprek.… onmogelijk.…” antwoordt hij afwerend. „Ik kan er verder niets
-over zeggen.…”
-</p>
-<p>„Och, wees nu maar niet boos. Ik zal zwijgen.… Ga nu maar weer zitten.”
-</p>
-<p>Ze begrijpt dat ze van taktiek veranderen moet. Woorden zullen niets uitrichten voorloopig,
-hem veeleer minder vatbaar maken voor haar invloed. Eén kleine overwinning heeft ze
-behaald: hij is thuis gebleven. Van nu tot morgen is een heele tijd: een heele nacht
-ligt ertusschen, nog uren van gedwongen samenzijn.…
-</p>
-<p>Zwijgend schenkt ze een kopje thee in, en zet het vóor Larsen neer. Deze heeft de
-lectuur hervat, of doet ten minste zoo. Zijn gedachten dwalen telkens af, verwarren
-zich. Hij verlangt naar ’t eind van de avond, naar zijn bed.
-</p>
-<p>Daar schiet ’t hem te binnen dat hij en Paula in ’t zelfde bed slapen, ouder gewoonte,
-al de jaren van hun huwelijk. Zoo iets was nu niet meer doenlijk, dat begreep hij.
-Hij zou die nacht in de logeerkamer doorbrengen. Hoe vreemd tegenover de dienstboden!.…
-Och, die zouden toch spoedig op de hoogte zijn van hun breuk. En Didi evenzeer.
-<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p>
-<p>De gedachte aan zijn kind vervult hem met nieuwe droefenis. Ze is boven in zijn studeerkamer
-alleen blijven zitten, de lieveling: uit gehechtheid aan hem, aan alles wat haar aan
-hem herinnerde.
-</p>
-<p>Juist trad ze binnen.
-</p>
-<p>„O,” zei ze met blijde verrassing, haar vader ontwarende.
-</p>
-<p>„Ben je toch thuisgebleven, Paatje?”
-</p>
-<p>Larsen streelt haar over de mooie haren.
-</p>
-<p>„Ja, mijn kindje, ik ben niet gegaan.”
-</p>
-<p>Als Didi zich gereed maakt om aan tafel te gaan zitten, wendt haar moeder zich ongeduldig
-tot haar:
-</p>
-<p>„’t Is al laat, Didi. Je moet naar bed.”
-</p>
-<p>„’t Is pas half negen.…” protesteert het kind teleurgesteld, en kijkt haar vader aan,
-als verwachtte ze hulp vandaar.
-</p>
-<p>„Dat doet er niet toe. Ga dan van-avond wat vroeger.…”
-</p>
-<p>’t Bijzijn van het kind verveelde haar, dwong haar tot zelfbedwang. Voor Larsen bood
-Didi’s naar bed gaan een welkome afleiding.
-</p>
-<p>„Brengt Paatje me naar bed?” vroeg ’t kind getroost.
-</p>
-<p>„Je bedoelt, of ik je straks goeie nacht kom zeggen? Ja, goed. Ga nu maar.”
-</p>
-<p>Didi gaf haar moeder een kus, die deze onverschillig teruggaf.
-<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
-<p>„Kom je gauw?” riep ’t meisje nog aan de deur tot haar vader.
-</p>
-<p>Larsen knikte, en staarde haar na.
-</p>
-<p>Paula merkte zijn blik op, en besefte al de teederheid voor zijn kind, die daaruit
-sprak. Zij voorzag een bizonder hartelijk samenzijn tusschen vader en dochter die
-avond.… Wie weet of hij dan.…
-</p>
-<p>Toen Larsen, na zijn thee gedronken te hebben, naar boven wilde gaan, kon ze niet
-nalaten te zeggen:
-</p>
-<p>„Willem.… je zegt Didi toch.… niets.…?”
-</p>
-<p>Hij viel haar driftig in de rede:
-</p>
-<p>„Hoe kan je zoo iets vragen? Geen woord.…”
-</p>
-<p>Hoe weerzinwekkend klonk hem dit wantrouwen! En dan dat gebrek aan waardigheid, dat
-zichzelf vernederen tot smeeken en bidden, dat geschrei.… Hij had haar nog nooit zóo
-tegenover hem gezien, zijn vroolijke, overmoedige, luidruchtige Paula!
-</p>
-<p>Bij het bed van zijn kind gekomen bleef hij afgetrokken, en op al haar vleiende en
-aanhalige woorden antwoordde hij slechts met kussen en een betoon van hartstochtelijke
-teederheid, zooals ze nooit van hem ondervonden had. Verbijsterd en onbevredigd op
-haar vragen, legde ze zich eindelijk neer: na een gebedje vol innigheid, waarin ze
-bij ’t „Onze Vader” slechts aan háar vader dacht. Hij trok de wollen deken terecht,
-en kuste haar voor ’t laatst:
-<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>„Lief slapen, lieveling,” zei hij aangedaan. „Denk nu maar alleen aan prettige dingen.…”
-</p>
-<p>Hij wendde zich af, sloot zacht de deur, en trad de kamer uit. Even stond hij besluiteloos:
-dan niet wetende wat hij beter doen kon, richtte hij zich naar ’t ander einde van
-de overloop, naar de logeerkamer. Maar naar bed, dan vermeed hij een pijnlijk tooneel
-beneden, wanneer hij straks Paula goede nacht moest zeggen.…
-</p>
-<p>Met een zware zucht opende hij de deur der kamer.
-</p>
-<p>Dit was voor ’t eerst in dertien jaar dat hij zonder „goeie nacht” van zijn vrouw
-naar bed ging! ’t Was hem als beging hij een zonde, zoo onbehagelijk deed hem dit
-onvormelijk afwijken van een dierbare gewoonte aan.
-</p>
-<p>Schuw schoof hij in ’t kleine vertrek, kleedde zich haastig uit, en legde zich neer.
-Nauwelijks in bed sprong hij op, sloot de deur. Even viel zijn oog op de spiegel,
-en hij schrok van zijn beeld: wat een dwaze uitdrukking van kinderlijke angst las
-hij op zijn gelaat!
-</p>
-<p>Aan slapen dacht hij niet. Maar wat zou dat? ’t Bed was de eenige plaats waar hij
-zich op dat oogenblik veilig voelde, waar hij ongestoord de vrije loop aan zijn gedachten
-laten kon. Dat was hem een behoefte, hoe pijnlijk ook.
-</p>
-<p>Met open oogen lag hij achterover. Tevergeefs <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>trachtte hij orde te brengen in zijn denken: ’t was steeds dezelfde verwarde kringloop,
-afmattend, martelend. ’t Was of ’t wezens waren, die zijn eigen wil ontliepen, die
-kwamen aanstormen in zijn hersens, daar dol dooreenraasden, hem weer verlieten, om
-onmiddellijk daarna terug te komen in bandelooze wanorde: scheiding—’t hoongelach
-der wereld—zijn kind—eenzaamheid, de schrikkelijke leegte in zijn hart—zijn vermoord
-geloof in haar—zijn afgod in de modder geworpen—zijn eer—haar verlatenheid—zijn deernis
-met haar lot—de <span class="corr" id="xd31e734" title="Bron: onmo-lijkheid">onmogelijkheid</span> van herstel, onmogelijk, onmogelijk—scheiding—eenzaamheid, eenzaamheid—zijn kind.…
-O God, hij wilde niet meer denken. En toch, hij moest, hij wilde wél, hij zocht de
-zelfmarteling der jagende gedachten, als in wezenlooze wellust staarde hij zich blind
-op hun bonte warreling.
-</p>
-<p>Van beneden klonk muziek, teedere vleiende muziek. Een welbekende stem zong zacht,
-zichzelf begeleidend:
-</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">Lehn deine wang’ an meine wang’,
-</p>
-<p class="line">Dann fliessen die thränen zusammen!</p>
-</div>
-<p class="first">In de bijna wezenlooze toestand waarin hij verkeerde, duurde ’t eenige oogenblikken,
-voordat hij zich bewust werd vanwaar die tonen klonken, en zelfs toen het besef tot
-hem doordrong, dat daar iets <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>ongewoons geschiedde, was de bekoring van ’t lied te sterk, om zijn afgebeulde hersens
-tijd te gunnen tot bewondering.
-</p>
-<p>Als bij tooverslag verdwenen de spookgestalten uit zijn brein, en een zachte weemoed
-overstelpte hem geheel. Hij gaf eraan toe, en ’t was hem een weelde van droefenis—een
-heel andere dan de marteling van zooeven. Tranen welden op in zijn starre oogen. Er
-was daar niemand die ze zag.…
-</p>
-<p>Hij kende dat lied zoo goed. Hoe menigmaal had hij er naar geluisterd als Paula het
-op zijn verzoek zong. Ze had een vrij goede stem, buigzaam en streelend, en hij was
-met weinig tevreden. Och, hij vroeg niet naar ’t zuiver artistieke in de zang: voor
-hem lag in de lieve voordracht van ’t lied de uitdrukking van een lief vrouwengemoed,
-van onbedorven oprecht gevoelsleven. Zijn vereering voor haar was zelden grooter,
-nooit inniger dan wanneer hij in stil genieten luisterde naar haar zang. Haar natuurlijke
-gratie kwam hierbij uit als in alles wat zij deed, hartveroverend voor een ieder,
-bij iedere persoonlijke aanraking, nijd verwinnend, vermoedens doodend bij de kwaadwilligsten.
-En bij hem! Bij hem, die dagelijks, schier ieder uur haar bekoring voelde, was nooit
-plaats geweest voor éen kwade gedachte waar ’t zijn Paula gold!
-</p>
-<p>Op ’t eene lied volgden andere. Ze waren goed <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>gekozen: alle met het droefgeestige erin dat op hem altijd zulk een eigenaardig bevredigende
-uitwerking gehad had, als ’t klagelijk zingen eener moeder die haar vermoeid kind
-in slaap sust. Ook hij was vermoeid, en het zingen deed zijn reeds vage gedachten
-allengs vervloeien tot droomen. Hij sliep in, of althans zijn toestand was die tusschen
-waken en slapen geworden, waarin de geest nog vatbaar is voor halve waarneming. Hij
-was zich nog bewust dat Paula zong, alleen droomde hij bij haar te zitten in hun voorkamer,
-waar ze zoo vaak samen zaten, de laatste uren van den avond, als Larsen beneden kwam
-van studie of arbeid.
-</p>
-<p>En Paula was lieftalliger dan ooit.… Hoe smaakvol zat haar die peignoir—geel met witte
-kant—hoe teeder was de uitdrukking dier fluweelige oogen: ’t was of ze teederheid
-uitstraalden, over de toetsen, die haar fijne vingers liefdevol streelden, over het
-muziekblad, waar ze de melodie lazen als met kinderlijk vrome aandacht; over hem nu
-en dan, als ze even opkeken en een nauw merkbaar lachje hem dankte en liefkoosde tevens.
-Hij zat ditmaal vlak bij haar op een poef; gewoonlijk leunde hij achterover op de
-sofa in de hoek schuin achter haar. Nu wilde hij haar niet alleen hóoren, ook haar
-zien, zich bedwelmen aan klank, aan vorm en lijn, aan de subtiele geur die van haar
-uitging. Ze was mooi <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>die avond, mooier dan ooit te voren, frisscher, jonger dan op andere avonden. Haar
-blik had opgewekter schittering dan de gewone levenslustige glans, het ravenzwarte
-haar lag in wilder overmoed en met meer ongekunstelde bevalligheid om haar blank voorhoofd;
-de dunne incarnate lippen met de lichte donslijnen hadden <span class="corr" id="xd31e756" title="Bron: naiever">naïever</span> en toch bewuster, overmoediger verlokking in haar even merkbare uitpuiling in rust,
-meer vleiing en genotsbesef dan anders in ’t lachend ontsluiten, om tonen door te
-laten zóo innig en toch zóo eenvoudig als welden ze rechtstreeks uit het hart—’t hart
-van een rein en dartel kind, dat jubelt in levensvreugde. Haar boezem scheen rijker,
-weelderiger, heerlijker van lijn en welving, haar houding in ’t telkens even accentueeren
-van de zang harmonieuzer zich parend aan de luchtige darteling der vingers over ’t
-klavier. Haar gansche wezen was bekoorlijker, begeerlijker die avond dan hij haar
-ooit gekend had—o, hoe veel intenser wordt bij naturen als de zijne de liefde na jaren
-van weten en kennen!
-</p>
-<p>Larsen had haar nooit zóo liefgehad.… Hij zat daar in extaze, zijn blik dronk haar
-beeld.…
-</p>
-<p>Op eens verstomde de zang. De lieve gestalte wendde zich plotseling tot hem in een
-van die bruuste bewegingen en opwellingen die haar eigen waren.
-</p>
-<p>Hij voelde haar hand streelend langs zijn voorhoofd, <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>tegen zijn haar. Hij hoorde haar stem, zacht, zielroerender dan ooit:
-</p>
-<p>„Willem, je houdt van me als altijd!”
-</p>
-<p>Larsen zuchtte zwaar, en keek op.
-</p>
-<p>Paula stond naast zijn bed, half erover heen leunend.
-</p>
-<p>Ze was binnengekomen, want Larsen had in zijn zenuwachtigheid het slot slechts half
-omgedraaid, en toen Paula de knop bewogen had, was het teruggesprongen.
-</p>
-<p>Ze had hem slapende gevonden, met een glimlach op de lippen en ’t oogenblik gunstig
-geacht om daadwerkelijk zich in zijn droom te mengen, waarin ze reeds in de verbeelding
-de hoofdrol speelde: dat vermoedde ze dadelijk met groote voldoening.
-</p>
-<p>Larsen bleef haar eenige oogenblikken aankijken.
-</p>
-<p>Door het eenige venster in ’t kleine vertrek, dat op straat uitkwam, drong een schemerachtig
-licht binnen, voldoende om de voorwerpen te onderscheiden; want Larsen had verzuimd
-het gordijn neer te laten.
-</p>
-<p>„Paula,” lispte hij droomerig, eerst half ontwaakt.
-</p>
-<p>Als eenig antwoord kuste ze hem op ’t voorhoofd, dan op de mond, en haar kussen waren
-kort, maar zinverbijsterend vurig. Dan keek ze hem vlak in de oogen, haar hoofd over
-’t zijne gebogen, dat de neerhangende geurige lokken zijn slapen streelden. Haar blik
-vroeg niet, maar eischte begeeren, zelfvergeten, dolle lust. Haar weelderige boezem
-hijgde warm tegen <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>zijn borst, omwasemde zijn dommelige zinnen.…
-</p>
-<p>Hij sloeg zijn armen om haar volle schouders, waar de peignoir achteloos <span class="corr" id="xd31e780" title="Bron: afgegeleden">afgegleden</span> was.… wilde haar tot zich trekken. Doch plotseling kwam ’t besef, nog vaag, maar
-onmiddellijk winnend in kracht.
-</p>
-<p>Zacht stootte hij haar van zich af.
-</p>
-<p>„Wat is er? Wat moet dat?” zei hij verward. „Mijn God, Paula, wat wil je? Hoe kom
-je hier?”
-</p>
-<p>Ze keek hem lachend aan, nu rechtop staande, met het volle schijnsel van ’t venster
-op haar gestalte; geen spoor van verlegenheid of verwarring in haar houding, slechts
-bedroefde verwondering.
-</p>
-<p>Larsen had zich in zijn bed opgericht.
-</p>
-<p>„Mag je Paula je niet meer goeie nacht kussen.… voor ’t laatst?” Weer die kinderlijke
-vleitoon vol klaging.
-</p>
-<p>„Paula, doe me genoegen.… ga hier vandaan.… Laat me met rust, wat ik je bidden mag.…”
-</p>
-<p>Ze greep zijn hand. Hij trok de zijne onwillig terug, bang voor zichzelf, nog trillend
-van ’t nauw onderdrukte begeeren. Bij God, hij mocht niet zwak zijn! Als hij nu zwichtte,
-zou hij zichzelf minachten. Sedert dat hij zijn schande kende, was zij zijn vrouw
-niet meer: alles moest uit zijn, voor goed, voor goed, of hij moest zich beschouwen
-als een eerlooze, die genoegen neemt met zijn vernedering.…
-</p>
-<p>„Willem, geef me éen kus.… en ik zal heengaan, <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>heusch. Ben ik zoo laag en gemeen in je oog, dat je me.… geen kus waard acht.… Nu,
-op eens.… Je zegt dat je me vergeeft, en nu behandel je me zoo!.… Dacht je dat ik
-dat verdragen kon?.… Je gaat heen zonder een woord, en.… nu van nacht slaap je hier,
-in een andere kamer.… Onze scheiding moet nu al beginnen, nu dadelijk al, zonder overgang.…
-zoo bruusk mogelijk! Is ’t zoo veel gevergd dat je afscheid van me neemt.…”
-</p>
-<p>„Onzin,” viel Larsen in. Hij voelde zich hoogst onbehagelijk. De positie werd met
-elke minuut onmogelijker.
-</p>
-<p>„Je weet heel goed dat dat.… zoo niet is”.… ging hij voort, „dat ik niet van je weg
-zal gaan.… zonder afscheid.… zonder je ’t.… beste toe te wenschen dat ik je wenschen
-kan.…”
-</p>
-<p>Zijn stem stokte hem in de keel.
-</p>
-<p>„Kom, Paula, wees verstandig, ga nu heen. Hier, ik wensch je<span id="xd31e800"></span> een goeie nacht, hier is mijn hand.… Maar ga nu.…”
-</p>
-<p>Paula greep de haar toegestoken hand met beî de hare, en, weer over ’t bed leunend,
-klampte zij zich aan zijn heele arm en leî haar hoofd er tegen aan. Luid snikkend
-schokte haar lichaam tegen ’t zijne.
-</p>
-<p>Larsen keek verbijsterd naar dit beeld van hartstochtelijke smart. Hij kon ’t niet
-aanzien.
-</p>
-<p>Met zacht geweld drong hij Paula van zich.
-<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p>„Och, ik kan niet, ik kan zoo niet gaan,” kreet zij.
-</p>
-<p>Haar haren hingen nu verward, de peignoir was aan de eene schouder geheel afgegleden,
-en ontblootte een deel van haar borst. Zijn blik viel huiverend over haar wilde schoonheid.
-</p>
-<p>Het geweld dat hij zichzelf aandeed, maakte hem ruwer dan hij had willen zijn, gaf
-zijn stem harder klank dan hij erin had willen leggen. Opspringend zeide hij:
-</p>
-<p>„Paula, ik meen ’t.… Je kunt hier niet langer wezen. Ga nu heen, in Gods naam, ga,
-of.… je maakt me boos.…”
-</p>
-<p>Wezenloos keek ze hem met haar groote vochtige oogen aan, en toen hij haar omvatte,
-en haar half voortduwende naar de deur bracht, liet ze zich leiden als een kind. „Goeie
-nacht, wees nu bedaard om Gods wil.”
-</p>
-<p>Ze stond reeds buiten op ’t portaal.
-</p>
-<p>Buiten zichzelf van verwarde gevoelens—ergernis, medelijden, verlegenheid—sloot Larsen
-de deur der logeerkamer tusschen haar en hem, en wierp zich te bed, dof kreunend.
-</p>
-<p>Paula, op de half verlichte overloop, stond even stil, verbluft, vernederd.
-</p>
-<p>„Idioot,” siste ze met opeengeklemde tanden, en langzaam ging ze de trap af.
-<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">V.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Mr. Johan Van Thiemen was een paar jaar ouder dan zijn vriend Larsen. In zijn academie-tijd
-had deze zich reeds als „groen” bizonder tot hem aangetrokken gevoeld, en daar „soort,
-soort zoekt”, was de aantrekking wederkeerig geweest. Beiden muntten uit door verstandsgaven,
-ook in die zin genomen dat ze beiden „verstandig” waren, Larsen zelfs oud voor zijn
-jaren. De jonge Van Thiemen had echter, bij alle ernst en alle degelijkheid van karakter,
-een gave die zijn vriend vrijwel miste, en die hem als <span class="corr" id="xd31e823" title="Bron: advokaat">advocaat</span> later zeer te stade kwam: gemakkelijkheid van beweging en zekere losse gratie, waardoor
-zijn talenten veel meer schitterden dan ’t verborgen goud van Larsen’s eigenschappen.
-Was Van Thiemen bemind en bewonderd door wie met hem in aanraking kwam, Larsen was
-slechts bemind bij hen die hem goed kenden, en bewonderd—zelden. Niettemin vonden
-beiden hun weg tot de professors-katheder, schoon langs verschillende paden: bij de
-jurist <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>trok het glansrijke de aandacht, bij de literator-historicus wekte het sobere, nuchtere,
-droge zijner wetenschappelijke uitstekendheid de opmerkzaamheid der vorsten in ’t
-rijk van Minerva. En wat eerst genoemde betreft: ook daar buiten. Want Mr. Johan Van
-Thiemen was een man van de wereld in de beste zin van ’t woord, en vond ook „buiten
-’t vak” veel waardeering en bewondering. Wellicht te veel ’t bedorven kindje der toongevende
-kringen, al te zeer gezocht door welbedochterde moeders en gevleid door minzaam-bemoederde
-dochters, had de schitterende <span class="corr" id="xd31e828" title="Bron: advokaat">advocaat</span> en later welbekende hoogleeraar tot nu toe het voorbeeld van zijn vriend Larsen niet
-gevolgd: hij was ondanks alles vrijgezel gebleven; en dit niet omdat hij een afkeer
-van ’t huwelijk had—o neen—maar uit een zekere kieskeurigheid en de begrijpelijke
-vrees voor een algeheele verandering van levenswijze, die wellicht minder „vrij” en
-minder „gezellig” zou wezen dan die welke hij thans smaakte.
-</p>
-<p>Ook ’t uiterlijk der beide vrienden stond in duidelijk verband met hun uiteenloopende
-aard. Was Larsen met zijn zware gestalte, grove beenderen, rossige baard en blonde
-haren, met zijn blauwe oogen en frissche huidskleur het type van een noordling—die
-hier zijn afkomst uit een voorouderlijk Noorwegen niet verloochende—Van Thiemen had
-in zijn gansche verschijning iets Fransch: zwart glanzend <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>haar, fijn gekrulde zwarte snor, geen baard, vurige, levendige, geestige oogen—Paula
-vond dat die van Larsen vaak „suf” keken—een eenigszins gebronsde huid en een lenigheid
-en bewegelijkheid in de slanke, rank en bevallig gebouwde gestalte. Larsen sprak weinig,
-en wat hij zeide klonk nuchter, houterig en stijf soms: hij meende het goed en zeide
-het slecht; zijn vriend sprak veel, met een wonderen zwier, met innemende <span class="corr" id="xd31e835" title="Bron: stemmodulatiën">stemmodulaties</span>: hij meende het goed, maar zeide het nog beter. Dit was zoo in de wetenschap en dit
-was zoo daarbuiten.
-</p>
-<p>Larsen hield veel van zijn vriend, en bewonderde hem op zijn nuchtere kalme wijze,
-en ondanks het groote aantal vrienden die Van Thiemen telde, rekende hij Larsen tot
-zijn allerbeste. Dit nam niet weg dat hij er dikwijls genoegen in schiep zijn vernuft
-te wetten aan de hoekige kanten van de stoere historicus, en dat deze menigmaal een
-opmerking vol tintelende ondeugd moest aanhooren: Larsen’s onhandigheid en zijn niet
-altijd verzorgd uiterlijk—hoe kon zijn vrouw daar altijd op letten!—waren een onuitputtelijke
-bron voor dergelijke geestspatjes.
-</p>
-<p>Hiervoor was die Octobermorgen, dat Larsen op de stoep stond vóor ’t huis van zijn
-vriend, geen vrees bij hem: hij wist dat diens spot steeds van onschuldig gehalte
-was en zeker nimmer in ’t lichtzinnige of onkiesche oversloeg. ’t Was dan ook met
-<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>volkomen gerustheid dat hij aanbelde. O, nu zou hij spoedig tot klaarheid komen, de
-zaak zou geregeld worden zoo goed als ’t maar eenigszins kon: Van Thiemen was een
-rechtskundig raadsman uit duizenden en—een welgemeend vriend.
-</p>
-<p>„Zoo zoo, m’n waarde, zien we jou weer’s hier?” riep de laatste hartelijk, kwam zijn
-collega in de studeerkamer tegemoet, en reikte hem de hand.
-</p>
-<p>Er heerschte tusschen de beide academie-vrienden nog de oude joviale losse toon—iets
-echt studentikoos, zooals dat op later jaren tusschen vrienden maar weinig voorkomt.
-</p>
-<p>Zwijgend nam Larsen de toegestoken hand aan.
-</p>
-<p>Nog voordat hij een woord uitgebracht had, vervolgde de ander:
-</p>
-<p>„Wel kerel, wat is er? Je ziet er lang niet best uit<span class="corr" id="xd31e849" title="Bron: ”....">.…”</span>
-</p>
-<p>„Och, slecht geslapen.… en dan.…” Larsen hield even op en nam een stoel.
-</p>
-<p>„En dan.… wat bedoel je? Heb je iets bizonders? Verdriet. Och kom, jij verdriet! Zoo’n
-geluksvogel.… een mooie betrekking, een mooi fortuintje, een mooi huis, een mooi vrouwtje.…”
-</p>
-<p>Larsen maakte een ongeduldig gebaar.
-</p>
-<p>„Och,.…” en hij zuchtte zwaar; ging niet in op de scherts.
-</p>
-<p>’t Gelaat van zijn vriend veranderde op eens van uitdrukking, toonde groote belangstelling.
-Hij schoof <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>een stoel vlak bij die van Larsen, en hem op de knie kloppend, zeide hij op geheel
-andere toon:
-</p>
-<p>„Ik zie ’t: ’t is mis, m’n brave. Biecht ’s op, wat heb je op je hart? Je weet, je
-kunt op mij rekenen.”
-</p>
-<p>De hartelijke woorden troffen Larsen bizonder op dat oogenblik, en zijn oogen werden
-even beneveld.
-</p>
-<p>Hij schoof eenige malen ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer, streek over zijn
-ruige baard, met de oogen naar de grond. Dan opkijkende, zeide hij somber:
-</p>
-<p>„Een ellendige zaak. Ik wil van mijn vrouw scheiden!”
-</p>
-<p>„Wat zeg je?”
-</p>
-<p>„Wat je hoort, ’t Is zoo.…”
-</p>
-<p>„Hoe is dat zoo in eens? Kom, dat meen je immers niet! Dat kàn immers niet. Jij.…”
-Van Thiemen was bruusk opgestaan, en, eenigszins wijdbeens, maakte hij een gebaar
-van verwondering, zijn vriend opnemend met een blik alsof hij aan zijn verstand twijfelde.
-</p>
-<p>„Ja, ik,” viel Larsen even somber in. „Ik, die me zoo gelukkig voelde, nie’ waar?.…
-ik, die jou altijd ’t huwelijk aanprees, en mijn.… geluk als voorbeeld gaf.…” Hij
-lachte even bitter.
-</p>
-<p>„Arme kerel,” zei de ander, en liet zijn arm langs ’t lijf vallen. „Kom, vertel me
-’s gauw hoe dat gekomen is.”
-<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p>
-<p>Larsen aarzelde.
-</p>
-<p>„Dat gaat lastig.… ’t Is moeilijk, onmogelijk ’t zoo in eens te zeggen. We kunnen
-niet overweg.…” Hij kleurde.
-</p>
-<p>„Niet overweg.…? <span class="ex" lang="fr">Incompatibilité d’humeurs?</span> En.…” Van Thiemen stapte een paar schreden ter zijde, en wendde zich daarna weer
-om.
-</p>
-<p>„Ja, zoo iets.… Nu pas ontdekt, zal je zeggen.… Nu ja, laat dat daar. Een feit is
-’t dat we niet langer bij elkaar kunnen blijven.… Dat is een feit.… Dat kan niet.…”
-</p>
-<p>„’t Kan voorkomen, jawel, jawel. Er zijn gevallen van dien aard, zeker. Ga voort.…”
-</p>
-<p>„Och, de zaak is dat ik ongerust ben over ’t lot van mijn kind. Ik wou <span class="corr" id="xd31e884" title="Bron: jou">jouw</span> raad hebben. Hoû ik haar in zoo’n geval?”
-</p>
-<p>„In zoo’n.… in welk geval?”
-</p>
-<p>„Als we scheiden.…”
-</p>
-<p>„Hoe bedoel je? Als je niet langer samenleeft. Wel, jij bent de baas over je kind.…
-en als je je vrouw onderhoud geeft, kan je met je kind gaan waar je wil.…”
-</p>
-<p>„Je vat me niet.… Ik bedoel wettelijke scheiding.…”
-</p>
-<p>Weer stapte Van Thiemen een paar schreden de kamer in, en posteerde zich daarna vlak
-bij zijn vriend.
-<span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span></p>
-<p>„Wettelijke? Waar denk je aan? Is die noodig?”
-</p>
-<p>„Ik zou zeggen ja.… Of geloof jij.… Denk jij dat ’t anders kan? Wat een toestand,
-gescheiden leven, en wettelijk en tegenover de wereld nog getrouwd zijn. Nog Meneer
-en Mevrouw Larsen! En feitelijk.… Nee, scheiding voor goed, definitief, tegenover
-de wet en tegenover de wereld.… Dat is eerlijk, royaal. Dat is zedelijker.…”
-</p>
-<p>„Best, best. Maar, mijn waarde, dat gaat maar zóo niet.…”
-</p>
-<p>„Wat? Er is toch een reden, en.… ik wensch het.…. Ik sta erop.”
-</p>
-<p>„Welke reden?”
-</p>
-<p>„Dat.… dat.… dat we niet overeenstemmen, niet langer overeenstemmen.… dat we onmogelijk
-verder samen leven kunnen.…”
-</p>
-<p>„Is dat alles?”
-</p>
-<p>„Ja.… zeker.”
-</p>
-<p>„Phu, man, dat is geen reden!” Van Thiemen stapte weer op, de handen in de zak stekend
-en wippend met de panden van zijn huisjasje.
-</p>
-<p>„Geen reden?”
-</p>
-<p>„Nee, wis en waarachtig niet.… We zijn niet in Frankrijk.”
-</p>
-<p>„Maar je kunt toch van elkaar af, als je wil? Beiden of éen van beiden. Ik bedoel
-als je ernstig, onherroepelijk wil.…”
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
-<p>„Nee.…”
-</p>
-<p>!?
-</p>
-<p>Van Thiemen stond weer vóor hem.
-</p>
-<p>„Je kent de wet blijkbaar niet.… Heb je je burgerlijk wetboek al opgeslagen?”
-</p>
-<p>„.… Nee,” stamelde Larsen.
-</p>
-<p>Van Thiemen ging zitten, sloeg zijn beenen over elkaar, leunde met de rechter elleboog
-op de lessenaar bij hem, en strengelde de vingers in elkaar.
-</p>
-<p>„Kom, dat ’s ongelooflijk! Ken je de bepalingen niet? Zal ik ze ’s zeggen? Ik ken
-ze uit mijn hoofd, natuurlijk. ’t Is trouwens eenvoudig genoeg.”
-</p>
-<p>„Nu?”
-</p>
-<p>„Om echtscheiding te krijgen zooals jij die wilt.… je bedoelt immers geen scheiding
-tusschen tafel en bed? Dat is iets anders.”
-</p>
-<p>„Voor vijf jaar.… om dan daarna nog eens te beslissen, of je voor goed van elkander
-wenscht te gaan? Nee.… men doet zoo’n stap, of men doet hem niet.… Daar heb je geen
-vijf jaren bedenktijd voor noodig.… Ik vind dat groote onzin.”
-</p>
-<p>„Nu, goed, echtscheiding dus. Daarvoor is noodig een van de volgende redenen:
-</p>
-<ul>
-<li>kwaadwillige verlating,
-</li>
-<li>grove mishandeling,
-</li>
-<li>onteerend vonnis,
-</li>
-<li>of echtbreuk van een der partijen.<span class="corr" id="xd31e929" title="Niet in bron">”</span></li>
-</ul><p>
-<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p>
-<p>„En.… wat verder?” viel Larsen ongeduldig in, toen zijn vriend ophield en hem vragend
-aankeek.
-</p>
-<p>„Verder?.… Niets. Er komt niets meer. Dat is alles.”
-</p>
-<p>„Alles? Maar, mijn God, als nu niets.… van dat alles voorkomt, en je hebt toch een
-reden.…”
-</p>
-<p>„Dan kan je niet scheiden.”
-</p>
-<p>„Maar dat is onmogelijk. Dat is onrechtvaardig. Hemeltergend.”
-</p>
-<p>„<span lang="fr">Que voulez vous?</span> ’t Is de wet.” Er was een meewarig lachglimpje op van Thiemen’s gelaat. Hij streek
-zijn zijdeachtige zwarte snor op, en keek naar boven.
-</p>
-<p>„Dat is idioot!” riep Larsen buiten zichzelven, van verbazing en verontwaardiging.
-„Dus.… dus.… moeten twee menschen, die.… niet samen kunnen blijven.… gedwongen zijn
-samen voort te leven?”
-</p>
-<p>„Ze mogen elk afzonderlijk gaan wonen,” zei Van Thiemen kalm.
-</p>
-<p>„Och, dat weet ik, natuurlijk! Maar ze blijven dan toch man en vrouw.… zij zijn aan
-elkaar gekluisterd tegen wil en dank.…”
-</p>
-<p>„Ja, dat is zoo. Daar is nu eenmaal niets aan te doen. Wil je zelf de wet zien? Hier.…”
-Meteen reikte hij even naar een wetboek boven op zijn lessenaar, sloeg ’t open, op
-de tast, zocht even, en stak het zijn vriend over. <span class="corr" id="xd31e948" title="Niet in bron">„</span>Asjeblief, lees zelf hier: artikel 264. Daar staat ’t iets uitvoeriger dan ik je gezegd
-heb.<span class="corr" id="xd31e950" title="Niet in bron">”</span>
-<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p>
-<p>Larsen tuurde in ’t boek met gretige belangstelling.
-</p>
-<p>„Ja, goed, ik zie ’t.… ’t Staat er,” mompelde hij in zijn baard, nog eens kijkende,
-als wilde hij beter lezen en begrijpen. „Ik snap het niet.…”
-</p>
-<p>„Wat? De wet is toch duidelijk genoeg.…”
-</p>
-<p>„Ik wil zeggen dat ik niet vat hoe die wet zoo bekrompen kàn wezen.…”
-</p>
-<p>„Er is zooveel bekrompens in onze samenleving. De ideeën over ’t huwelijk behooren
-tot de achterlijkste.… Maar er komt wel licht zoo langzamerhand. In Duitschland is
-’t niet overeenstemmen der karakters—<span class="ex" lang="fr">incompatibilité d’humeurs</span>—al als reden van echtscheiding erkend. Sinds 1 Januari 1901.…”
-</p>
-<p>Larsen keek zwijgend vóor zich, voorover geleund, ’t hoofd op de eene arm, de andere
-arm slap neerhangend.
-</p>
-<p>„Overspel staat hier voorop.…” mompelde hij als bij zich zelven. „Je noemde dat ’t
-laatst.… ’t schijnt hier als ’t ernstigste.… ’t eerst genoemd te zijn.… En toch de
-laatste reden waarom je.…”
-</p>
-<p>„Ja,” viel Van Thiemen in. „Die reden wordt in onze stand zelden aangevoerd.… al bestaat
-ze in verreweg de meeste.…”
-</p>
-<p>„Zoo,” zei Larsen.
-</p>
-<p>„Kom, laten we ’s kalm praten,” vervolgde Van Thiemen, en stond weer op. En een sigarenkistje
-<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>opnemende, reikte hij dat over. „Kom, niet zoo somber.”
-</p>
-<p>Larsen maakte een afwijzend gebaar.
-</p>
-<p>„Niet? Heusch, mijn waarde, al dat mokken tegen wat nu eenmaal niet anders kan, geeft
-niets. Laten we eens kalm praten, en rook een sigaar. Ik zal je ’s volledig inlichten.
-Als je de wet zoo leest, begrijp je er toch niet ’t fijne van.”
-</p>
-<p>„’t Fijne!!” Werktuigelijk nam Larsen het gebodene, stond op, en ging tegen de schoorsteenmantel
-leunen met over elkaar gebogen armen.
-</p>
-<p>„Nu, ik bedoel de eigenlijke zuivere opvatting. Enfin, daarvoor moet je jurist zijn.
-Ofschoon.… jij en anderen mochten er wel wat meer van weten! Maar dat leer je nu eenmaal
-niet op de school. ’t Maken van zwavelwaterstofgas en ’t disconteeren van wissels
-schijnen op de middelbare school belangrijker zaken voor ’s menschen geluk. Die moet
-je weten.”
-</p>
-<p>„Nu ja, ter zake. Ga je gang ’s,” viel Larsen in.
-</p>
-<p>„Laten we ’s beginnen met die mishandeling. Die moet <span class="ex">zwaar</span> wezen.”
-</p>
-<p>„Wie mishandelt zijn vrouw nu zwaar!”
-</p>
-<p>„Of de vrouw hem.”
-</p>
-<p>„Nog onzinniger, in onze stand.”
-</p>
-<p>„’t Leven moet ermee gemoeid zijn.”
-</p>
-<p>„Krankzinnig! Dus als je je vrouw tart en plaagt, dagelijks scènes maakt, dat ze wegkwijnt
-van verdriet.…”
-<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
-<p>„Of zij jou,” zei Van Thiemen.
-</p>
-<p>„Goed. In dat geval.…”
-</p>
-<p>„Geen echtscheiding. Ze moet haar ziel in lijdzaamheid bezitten of.… haar hulp zoeken
-bij de huisgenooten, als die er zijn.”
-</p>
-<p>„Fraai! Maar stappen we van die mishandeling af. Die is al te dol. Je hoeft er geen
-woord meer van te zeggen. Blijkbaar kent de wetgever hier alleen physieke behandeling,
-plompe, beestachtige barbaarschheid van wilden; moreele mishandeling negeert hij totaal.
-Bah!”
-</p>
-<p>„Nee, nog mooier,” ging Van Thiemen voort—„want, zie je, ik ben ’t met je eens, volkomen,
-dat die inpikkerij belachelijk is en eigenlijk onhoudbaar. Maar dat daargelaten, ik
-wil dit zeggen: physiek nadeel, dat een van de echtgenooten de ander aandoet, kan
-een heel leven van ellende veroorzaken, en toch—geen reden van scheiding zijn! Je
-snapt me: denk maar aan „<span lang="fr">les Avariés</span>”. Een man die niet alleen los, maar onvoorzichtig los geleefd heeft—een ezel, enfin!—en
-zijn vrouw een ziekte bezorgt, waar ze haar heele verdere bestaan door vergald ziet,
-kan om die reden niet van vrouwlief gescheiden worden, al woû hij dat ook zelf!”
-</p>
-<p>„Behalve als door die mishandeling—want dat is ze!—de dood volgt,” verklaarde Larsen
-spottend.
-</p>
-<p>„Ja juist. En dan, wat die „mishandeling” betreft, <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>dat ’s nu <span class="corr" id="xd31e1003" title="Bron: jou">jouw</span> opvatting. Een slim <span class="corr" id="xd31e1006" title="Bron: advokaat">advocaat</span> kan dat nog wel zóo uitleggen dat ’t geen „mishandeling” is. Er kan bijvoorbeeld
-geen „dolus” wezen. De man kan ’t zelf niet weten, of zeggen dat hij ’t niet wist.
-En dan heb je ’t doktersgeheim.…”
-</p>
-<p>„Heerlijk,” gromde Larsen. „Ga voort. De andere redenen.”
-</p>
-<p>„Jawel, die vonnisgeschiedenis. ’t Moet een veroordeeling zijn tot minstens vier jaar
-„vrijheidsberooving”, gevangenis laten we maar zeggen. Let wel <span class="ex">vier jaar</span>, of langer. Iemand die wegens diefstal van de gemeenste soort, straatrooverij of
-zoo iets <span class="ex">drie</span> jaar zitten krijgt, valt niet in de termen. ’t Huwelijk blijft dan voortbestaan.”
-</p>
-<p>„En de kinderen, als papa bijvoorbeeld in de gevangenis zit?”
-</p>
-<p>„Wel die blijven dan bij moeder thuis, maar papa mag ze natuurlijk bij zich hebben,
-zooveel als een gevangene bezoek van verwanten hebben mag.”
-</p>
-<p>„Een mooi huishouden! Ze mag dus niet in die tusschentijd hertrouwen met iemand die
-haar en haar kinderen onderhouden kan, en mag verhongeren als ze er zelf niet voor
-zorgen kan. En als ze dat wel kan, ontvangt ze na die drie jaar haar man weer thuis.”
-</p>
-<p>„Ja, die heeft dan weer meer ondervinding opgedaan, en kan beter als opvoeder optreden!
-Tsh! Dat is nu <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>„<span class="ex">de heilige echt</span>”.” Van Thiemen maakte een hem eigen geluid met de tong tegen de tanden, iets tusschen
-sissen en smakken.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e1030" title="Niet in bron">„</span>Je weet,” ging hij voort, en verwisselde de stand zijner over elkaar geslagen beenen,
-terwijl hij meditatief wolkjes rook naar boven blies, „’t Huwelijk is een <span class="ex">sacrament</span>.”
-</p>
-<p>„’t Is waar, je bent Roomsch.”
-</p>
-<p>„Nou ja. Daar zeg ik het niet om. De pastoor zou op mijn godsdienstige opvattingen
-wel wat aan te merken hebben.”
-</p>
-<p>Larsen glimlachte.
-</p>
-<p>„Wat ik bedoel is dit: men is oorspronkelijk van dat idee uitgegaan. En toen men aan
-’t huwelijk als iets heiligs en onverbreekbaars ging tornen—dorst men niet te ver
-te gaan. Nee, dan vìnd ik dat mijn geloofsgenooten—hm—gelijk hebben dat ze niets van
-echtscheiding weten willen.”
-</p>
-<p>„Wat?”
-</p>
-<p>„Ja, natuurlijk. Hun opvatting is ten minste verdedigbaar. Zij zeggen: ’t huwelijk
-is een goddelijke instelling. Nu, best, dan mag er ook absoluut niet aan getornd worden.
-Niets, geen zier. Geloof je daar niet aan, en zeg je dat het huwelijk een menschelijke
-instelling is, ook best, maar regel ’t dan menschelijk. En ga niet modderen, zooals
-de wetgever nu gedaan heeft.”
-<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p>
-<p>Larsen knikte nadenkend. Zijn forsche gestalte stond onbewegelijk, schijnbaar volkomen
-kalm.
-</p>
-<p>Wie die twee daar bij elkaar gezien had, zonder te weten wie ze waren, zou Larsen
-zeker voor de doceerende gehouden hebben en de ander met zijn luchtige houding en
-gebaren voor de onderrichte. Trouwens, de gansche persoonlijkheid van de jurist verried
-in ’t minst niet de professor, even weinig als zijn omgeving. Dat men hier met een
-geestelijk hoogstaand man te doen had bleek voldoende: men had zijn fijne sprekende
-trekken maar even waar te nemen om dat te bemerken. Maar van ’t stroeve, droge, nuchtere
-der gewone Minerva-priesters: geen spoor. ’t Was alles leven, gloed, losheid en bevalligheid.
-</p>
-<p>In ’t vertrek ook heerschte allerminst de strenge ernst der studeercel. Geen wanstaltig
-groote boekenplanken of rekken ontsierden de wanden: slechts twee smaakvolle boekenkasten
-met blauwe gordijnen bevatten ’s professors bibliotheek. Deze hielden behalve belletrie
-niets in dan ’t werkelijk noodige, en—ook zonder zijn boeken was en bleef Van Thiemen
-de geniale geleerde, iets dat zoo vaak anders is. Aan ’t effenkleurig behang—geheel
-blauw met grijze rand—hingen hier en daar fraaie staalgravures. Op de schoorsteen
-stonden enkele kunstvoorwerpen, o. a. een zeldzaam mooie pendule—een meesterstuk van
-<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>Fransche kunst. ’t Tapijt was mollig en frischgetint, de meubelen waren harmonisch
-gekozen: alles eikenhout met blauw bekleed en een paar aangename fauteuils daarbij.
-Van Thiemen haatte de plompe, met wasdoek overtrokken stoelen eener gewone studeerkamer,
-de ongemakkelijkheid tot deugd verheven, want—zoo zegt men—wie studeert mag niet op
-zijn gemak zijn. Hij voelde zich in zijn studeerkamer behagelijk, en om iets te kunnen
-tot stand brengen, een onderwerp te leeren beheerschen, een verhandeling op te stellen,
-een artikel schitterend te schrijven, moest hij zich behagelijk voelen: anders vlotte
-het bij hem niet. Hij moest in zijn element wezen—een van smaak en opgewektheid—om
-zijn geest tot voortbrengen in staat te voelen. Hij was als de nachtegaal, die slechts
-in de vrije natuur, de voor hem passende omgeving en omstandigheden, zijn heerlijke
-gaven kan uiten.
-</p>
-<p>Ook de ligging der kamer met het uitzicht op een fraai aangelegde tuin, waarvan ’t
-verkwikkend groen ’s zomers in ’t onmiddellijk bereik van de blik des studeerende
-was, en de opwekkende geuren vrij de geopende hooge vensters binnenstroomden, wees
-erop dat hier de geleerde bewoner geen sombere blokker wezen kon.
-</p>
-<p>Larsen was ’t volkomen eens met Van Thiemen’s betoog, en knikte, verlangend om meer
-te hooren.
-<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p>
-<p>„Ja ja, ’t is modderen,” hervatte de jurist, en wierp met zekere drift de asch van
-zijn sigaar in ’t sierlijke aschbakje naast hem, met een welsprekend gebaar van ergernis,
-als smeet hij met die asch een hoop domheid van zich af. Dan hield hij het hoofd weer
-achterover, trok sterk aan zijn sigaar:
-</p>
-<p>„En zoo is ’t ook met de rest: die anderen—phh!—redenen. Daar heb je de kwaadwillige
-verlating. Die moet vijf jaar geduurd hebben. <span class="ex">Vijf jaar</span> aan éen stuk! Ook al weet een van de partijen dat er van terugkomen geen sprake is—of
-dat eventueele hereeniging in ’t gezin verre van wenschelijk is—kan er geen echtscheiding
-volgen, als man- of vrouwlief maar binnen de fatale termijn thuiskomt. Soms kan ’t
-zes of zeven jaar of nog langer wezen: zie artikel 266 laatste alinea. Nemen we ’s
-’t geval dat de vrouw <span class="ex">vulgo</span> er vandoor gaat. Daarna verwisselt ze in de loop van vier jaar tienmaal van minnaar,
-deponeert in verschillende steden van Europa haar onwettige telgjes; dan verkeert
-ze in nood, omdat bijvoorbeeld haar <span class="corr" id="xd31e1063" title="Bron: aantrekkelijksheids-kapitaal">aantrekkelijkheids-kapitaal</span> vrijwel verteerd is, en ze geen aanbidder-onderhouder meer vinden kan, en op een
-goeien dag besluit ze tot de huiselijke haard terug te keeren. Haar wettige kostwinner
-moet haar dan weer tot zich nemen, en zal natuurlijk in de meeste gevallen geen scheiding
-kunnen krijgen, omdat de andere reden—overspel—onmogelijk <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>te bewijzen is. Daar komt nog bij dat de meeste mannen—in beschaafde kringen althans—tegen
-een vordering wegens overspel opzien. Een mooie, middeleeuwsche ridderlijkheid tegenover
-„de zwakke vrouw”, weinig in overeenstemming met de nieuwere opvattingen van gelijkheid,
-die de andere sekse tegenwoordig huldigt! Dit tusschen twee haakjes. Tsh!” Hij wierp
-een vluchtige blik op de gestalte tegen de schoorsteen: een ironietje flitste even
-langs zijn lippen.
-</p>
-<p>„Hm.… middeleeuwsch, middeleeuwsch.… dat weet ik nog niet,” bromde Larsen in zijn
-baard.
-</p>
-<p>„Stellen we ’s een andere mogelijkheid,” ging Van Thiemen onverstoord voort. „De man
-is zeeman. Hij gaat voor drie jaar naar de Oost. Voordat hij zoo lang weg is, verneemt
-zijn vrouw uit goede bron dat er nooit kans is op terugkeer. ’t Ventje heeft zich
-aan wal gevestigd, heeft een „wild huishouden” opgezet, is reeds vader over een koffiekleurig
-spruitje, en heeft bijvoorbeeld een winstgevend zaakje op touw gezet. In zoo’n geval
-beginnen de vijf jaren pas te tellen na de drie jaren afwezigheid om wettige redenen—zooals
-hier bijvoorbeeld, omdat de man als zeeofficier weg mòest. Goed, als nu de edele fortuinzoeker,
-na wat overgelegd te hebben, zijn vrouw wil laten overkomen—binnen vijf jaar na die
-drie—’t kan wezen dat hij genoeg heeft van zijn linkerhandsche <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>wederhelft—wel, dan moet zij komen, en hem weer als haar heer en meester erkennen.
-En de eventueele kindertjes uit Holland mogen braaf spelen met hun stiefbroertje,
-dat dan heel geschikt voor ’n kind van de tuinbaas kan doorgaan. Of—anders: stel dat
-de zaakjes van bewuste pionier der beschaving faliekant uitgaan, en hij ’t beter vindt,
-berouwvol en boetvaardig, bij moeder de vrouw terug te komen: als de vijf „kwaadwillige”
-jaren maar nog niet om zijn moet zij hem als haar echtgenoot erkennen. Dan denkt hij
-evenals de Boeren: „alles zal reg kom.” Natuurlijk begint dan voor ’t hereende echtpaar
-een tweede „<span lang="fr">lune de miel</span>” vol dichterlijke liefde. Tsh!”
-</p>
-<p>Van Thiemen blies drie luchtige blauwe rookwolkjes vóor zich uit, daarna nog twee,
-die in hun dartel gekringel een uitdrukking schenen te wezen van ’s rookers smakelijke
-spot.
-</p>
-<p>„Hm,” bromde de leunende Wiking-figuur tegen de schoorsteen.
-</p>
-<p>„’t Aantal „verluchtingen” van dit wetsartikel met levensbeelden kan vrijwel in ’t
-oneindige uitgebreid worden,” beweerde de ander weer. „Maar je zult er wel geen lust
-in hebben ze van me aan te hooren. Nu eindelijk de <span class="ex">groote</span> reden: echtbreuk. Blijkbaar vindt de wetgever die de vreeselijkste. Wat mij betreft:
-ik vind een man die ’s een amoeretje gehad heeft nog niet zoo’n verachtelijk wezen
-als iemand <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>die drie jaar gezeten heeft wegens oneerlijke praktijken of zoo iets. Jij?”
-</p>
-<p>„Ik weet.… ’t niet,” zei Larsen aarzelend. Hij kon zichzelf moeilijk voorstellen als
-betrokken in een „amoeretje.”
-</p>
-<p>„Ik zeker niet. En als meneer in zoo’n opzichzelfstaand geval gesnapt wordt, kan zijn
-wederhelft echtscheiding aanvragen. Tsh!”
-</p>
-<p>De rookwolkjes waren meditatief langzaam ditmaal.
-</p>
-<p>Larsen dacht even na, en bracht in ’t midden:
-</p>
-<p>„Je zegt dat nu zoo, maar vin’ je dat dan niet billijk?”
-</p>
-<p>„’t Kan er naar zijn. Een amoeretje zooals ik bedoel, iets als een <span class="ex" lang="la">lapsus moralitatis</span>—fraai Latijn, vin’ je niet?—iets zonder voor- of naspel, een gevalletje dat ’s voor
-mag komen in een onbewaakt oogenblik, en waar de overtreder der huisorde wellicht
-een half uur later geduchte spijt van heeft, en dat hij dan niet aan zijn vrouw vertelt,
-om de eenvoudige reden dat hij in de grond van haar houdt, haar geen verdriet wil
-doen, en—haar liefde niet verliezen wil—nee, amice, zoo’n gevalletje vind ik nog zoo
-vreeselijk niet.”
-</p>
-<p>„Maar je keurt het af?”
-</p>
-<p>„Och, natuurlijk, evengoed als ik ’t afkeur dat je je stomdronken drinkt.”
-</p>
-<p>„Hm. En als je ’t nu ’s omdraait, en de vrouw zoo’n amoeretje heeft, zooals jij ’t
-noemt?”
-<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p>
-<p>De geestige oogen van de jurist keken een wijl scherp naar de vrager. Doch begrijpende
-dat zijn blik de ander wel onaangenaam zou kunnen wezen, wierp hij ’t hoofd weer achterover,
-en deed een paar fijn-wellustige kustrekjes aan zijn sigaar.
-</p>
-<p>„Dat ’s een ander geval,” zei hij in dezelfde houding.
-</p>
-<p>„Maar, hier,” liet hij opeens volgen. „Steek je sigaar weer ’s op. Je laat ’m uitgaan.”
-</p>
-<p>Larsen nam de lucifers aan, streek er een af, en volgde de gegeven raad. Van Thiemen
-lachte opeens:
-</p>
-<p>„Kerel, je zet ’m in vlam! Hij is al lang aan.”
-</p>
-<p>„Maar je zei.…” begon Larsen.
-</p>
-<p>„Dat ’t een heel ander geval is.… een heel ander geval.”
-</p>
-<p>„Ik kan ’t niet zien: man of vrouw, dat blijft gelijk. De schuld is even groot.”
-</p>
-<p>„Phu! Dat zal ik je ’s gauw anders laten zien.”
-</p>
-<p>Als Van Thiemen in vuur raakte, kon hij niet blijven zitten, vooral niet wanneer hij
-veel te zeggen had. En hier gold het een onderwerp waar hij gaarne op inging. Hij
-liep even eenige schreden de kamer in, in de richting van ’t venster, weer met de
-handen in de zak, en zich dan schrap zettende vlak tegenover zijn vriend, begon hij:
-</p>
-<p>„Komaan, jij kent ’t verschil blijkbaar niet tusschen een man en een vrouw.”
-</p>
-<p>Larsen keek vreemd.
-<span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span></p>
-<p>„Hè?”
-</p>
-<p>„Ik bedoel dat jij over ’t hoofd ziet—want je weet ’t natuurlijk even goed als ik—dat
-ter zake van sexueele liefde de vrouw een heel ander wezen is dan de man.”
-</p>
-<p>„Och!”
-</p>
-<p>„Nee, wis en drie: heel anders, volstrekt verschillend, hemelsbreed afwijkend. Voor
-de vrouw is ’t liefdeleven <span class="ex">het leven</span>.…”
-</p>
-<p>„Voor veel vrouwen.…” viel Larsen in.
-</p>
-<p>„Nu ja, over die vrouwen hebben we ’t hier. Ik laat natuurlijk de ouwevrijsters—vrijwillige
-of onvrijwillige—buiten rekening. We hebben ’t hier uitsluitend over ’t liefdeleven
-van gehuwde individuen. Goed, voor de man is de liefde bij lange niet zoo’n hoofdfactor.
-Geef je dat toe?”
-</p>
-<p>„Hm.… ja, nu goed, neem aan dat ik ’t met je eens ben.”
-</p>
-<p>„Wel, dat aangenomen, volgt eruit dat iedere liefde-uiting, liefdedaad—<span class="ex" lang="la">sit venia verbo</span>—van een vrouw grooter beteekenis heeft dan die van een man. Trouwens, dit is niet
-te verwonderen. Het moederschap neemt zoo’n gewìchtige plaats in ’t vrouwelijk bestaan
-in, dat de natuur zelf daar als ’t ware alles op berekend heeft: het heele vrouwelijk
-gestel, haar gansche lichaamsbouw wijst haar op ’t groote doel van haar leven: moeder
-te zijn. Daarom zal <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>ook voor iedere hoogstaande vrouw iedere sexueele daad er een zijn in nauw verband
-met haar zieleleven, evenzeer als met haar lichaamsfunctiën en—groot van gevolgen
-zijn. De kus van een kuisch en ontwikkeld meisje is een daad, ’t symbool van een innige
-zielsberoering. De kus van een man mist die wijding: het is een van die uitingen van
-pure zelfzucht die al zijn liefdedaden kenmerkt, hoe goedbedoeld ze ook wezen mogen.
-De vrouw die zich aan een man geeft, geeft daarmee <span class="ex">alles</span>. Ik bedoel hier de beschaafde vrouw, natuurlijk. En de man: die geeft niets, die
-<span class="ex">neemt</span> zijn genoegen.… Tsh!
-</p>
-<p>„Wat volgt hieruit?” Van Thiemen, die bij dat <span class="ex">alles</span> zijn rechterhand vooruit had gebracht met uitgespreide vingers, draaide zich na zijn
-plofsis op zijn eene hiel om, deed twee schreden, en kwam weer terug. Larsen had gezwegen.
-</p>
-<p>„Daaruit volgt dat een getrouwde vrouw die zich aan een ander dan haar man geeft daarmee
-een daad van verraad pleegt.… oneindig veel grooter dan de getrouwde man die zijn
-genoegen neemt bij een cocotte.
-</p>
-<p>„Nee, nee, laat me uitpraten.… Vertel jij me ’s even: kan jij je denken dat een vrouw—een
-beschaafde, ontwikkelde vrouw natuurlijk—zich een oogenblik vergeet met een huisknecht?”
-</p>
-<p>„Nee,” zei Larsen.
-<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
-<p>„Zeker, ik ook niet. Dat zou in theorie gelijkstaan met zoo’n amoeretje van de man,
-waar ik ’t straks over had. ’t Spreekt van zelf dat ’t nog wat anders is, als de man
-een durende hartstocht voelt voor een vrouw, en daaraan toegeeft: dat is ook verraad.
-En toch.… Nu ja, laat dat daar voorloopig.…
-</p>
-<p>„’t Is niet denkbaar dat een beschaafde vrouw zich overgeeft aan een man, en de volgende
-dag als ’t ware ’t heele geval vergeten is.… Trouwens dat vergeten wordt soms vanzelf
-onmogelijk. Tsh! Bij een beschaafd man kan zoo iets zeer goed voorkomen. Zuivere dierlijkheid.…
-De man is meer dier dan de vrouw.…”
-</p>
-<p>Larsen’s gelaat was éen vraagteeken.
-</p>
-<p>„Ja, ja, zeker: dit hangt samen met mijn vrouwenvereering. Ik zeg daarom niet dat
-de man lager staat dan de vrouw. Nee, ’t dier heeft ook z’n goeie eigenschappen. Maar
-in de liefde.… is de man een beest.… een braaf beest soms, goed, een trouw beest soms,
-maar toch een beest; en de vrouw.…” hij hield even op.
-</p>
-<p>„Een engel, zeg maar,” viel Larsen even glimlachend in.
-</p>
-<p>„Nee, niet precies, maar toch geeft dat mijn idee wel weer.”
-</p>
-<p>„Maar,” zei Larsen, „je sprak zoo even van daad van verraad. Als dan dat liefdeleven
-voor een vrouw <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>zoo iets gewichtigs en verhevens is, pleegt ze dan verraad als ze zich in ’t huwelijk
-aan een ander man geeft, van wie ze werkelijk houdt?”
-</p>
-<p>„Ja, beslist.”
-</p>
-<p>„Maar die liefdedaad is dan toch even heilig in jou oog als die tegenover haar man?
-Ze is dan toch een nieuw leven begonnen?”
-</p>
-<p>„Als de daad alleen kan plaats hebben door bedrog? ’t Is wat moois! Ja, als een vrouw
-volkomen <span class="ex">eerlijk</span> blijft, dan is in die tweede liefde,—laat me ’t zoo noemen—geen kwaad. Maar dan moet
-ze haar man dadelijk ronduit haar hart blootleggen. Bekennen na eenmaal in bedrog
-en metterdaad toegegeven te hebben aan een nieuwe passie, mag beter zijn dan voortgezet
-bedrog—bedrog blijft het. En bekennen vóor ’t zoover is—wel, ik kan me daar eigenlijk
-niet in denken.…”
-</p>
-<p>„Hoe zoo?”
-</p>
-<p>„Ik kan me niet begrijpen hoe een beschaafde vrouw in ’t huwelijk, vooral als er kinderen
-zijn, aan zulk een nieuwe passie voedsel <span class="ex">wil</span> geven. Mij dunkt, ze moet die uit een gevoel van zelf-respect, van fierheid bestrijden.…”
-</p>
-<p>„Evenals een man.”
-</p>
-<p>„Evenals een man, als ’t een passie van beteekenis is. Bij een andere is geen overleg,
-geen inbeslagname van alle gedachten.… Nee, amice, een <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>vrouw, die zich in ’t huwelijk aan een andere man geeft, is.… een hoer.”
-</p>
-<p>Larsen huiverde.
-</p>
-<p>„Dat is sterk,” zei hij.
-</p>
-<p>„Zeker: een vrouw die ’t hoogste wat ze heeft verlaagt, neerhaalt. Die van een heilige
-functie niets dan een genotsbevrediging maakt. Geloof me, m’n beste, hiermee staat
-en valt onze heele samenleving. Vrouwenvereering, eerbied voor ’t moederschap: onmogelijk
-zonder deze strenge onderscheiding. Wat hoogvereerd wordt moet streng geoordeeld worden.
-Lucifer was de Engel des Lichts, en na zijn val die der Duisternis. Tegenover hooge
-vereering—verachting.”
-</p>
-<p>„Dat is niet oorspronkelijk,” zei Larsen, die zijn literatuur wonderwel kende. <span class="corr" id="xd31e1186" title="Niet in bron">„</span>Dat is een van de dolheden van Echegaray’s drama’s. Maar.…” Hij hield in, en verviel
-in gepeins.
-</p>
-<p>Van Thiemen lachte even, tikte zijn stompje sigaar in ’t aschbakje, en ging weer zitten.
-</p>
-<p>„En nog iets.<span id="xd31e1191"></span> De vrouw die haar man bedriegt, werpt een smet op ’t gezin, brengt de schande <span class="ex">in huis</span>.”
-</p>
-<p>„Woorden, mooiklinkende woorden,” mompelde Larsen.
-</p>
-<p>„Nee, amice, de nuchtere waarheid. Niet voor <span class="corr" id="xd31e1199" title="Bron: niet">niets</span> noemen de Arabieren hun vrouw <span class="ex">hormah</span>, d.i. „eer”, en de Hindoe’s <span class="ex">grha</span>, d.i. „huis”. De vrouw <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>is de eer van ’t gezin, is éen met het gezin, éen met het huis, de man in veel mindere
-mate.…”
-</p>
-<p>„Zoo.”
-</p>
-<p>„Zeker, ondanks al de nieuwerigheid van sommige vrouwenopvattingen. In ’t huwelijk
-is de hoofdzaak van de vrouw het moederschap, de opvoeding van de kinderen. Ware samenwerking—coöperatie—in
-’t huwelijk is: dat <span class="ex">zij</span> deze taak op zich neemt, de man die van ’t onderhoud. In de coöperatie is <span class="ex">zij</span> ’t voelende, innige, diepe element, <span class="ex">hij</span> ’t denkende, nuchter-leidende. Een vrouw die zich in ’t huwelijk misdraagt, schendt
-de gemeenschap, en beleedigt de kinderen, als die er zijn, al was ’t maar alleen door
-de <span class="ex">kans</span> op ’t binnensmokkelen van een vreemd liefdepand. De overspelige vrouw verzaakt haar
-heiligste plicht, ze <span class="ex">kan</span> hierin niet falen zonder de liefde voor haar echtgenoot op te geven, en als ze de
-schijn bewaart is ze een gemeene huichelaarster.”
-</p>
-<p>Larsen zette zijn linkervoet over de rechter, en trok hevig aan zijn sigaar.
-</p>
-<p>„Van een man,” ging de ander met een vluchtige blik op zijn vriend voort, „is ’t mogelijk
-dat hij zijn vrouw <span class="ex">blijft liefhebben</span> ondanks <span class="ex">momentane aberratie</span>.…” Hij glimlachte even. „En bekent hij zijn fout, dan is haar vergiffenis een daad
-van edelmoedigheid. Een man die, na bekentenis van haar, vergeeft.… is een lammeling.
-<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>Zij rijst door zulk een vergiffenis, hij daalt onherroepelijk.…<span class="corr" id="xd31e1240" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Vergeven, vergeven,” zei Larsen ongemakkelijk. „Je bedoelt vergeten.…”
-</p>
-<p>„Nee, vergeven.… ten minste als je daaronder verstaat: doen alsof er niets gebeurd
-is, en verder weer gewoon doorleven.…”
-</p>
-<p>„O, zoo.”
-</p>
-<p>„Daarom vind ik de moraal van „<span lang="fr">la Petite Paroisse</span>” van Daudet ook misselijk.”
-</p>
-<p>„Hm, jawel, ik ken dat,” zei de literator-historicus. „De vergevende man wordt daar
-ook voorgesteld als.… als.…”
-</p>
-<p>„Als een vrij geborneerd, dom wezen. Maar,” hervatte Van Thiemen, <span class="corr" id="xd31e1253" title="Niet in bron">„</span>we hebben nog niet gelet op een andere omstandigheid, die ’t verschil in schuld bij
-man en vrouw zoo enorm groot maakt. En die omstandigheid zal blijven zoolang we het
-patriarchaat in ons familieleven erkennen. De tijd dat de moeder ’t hoofd van ’t gezin
-wordt zal wel nooit komen. Dat zoo iets niet rijmbaar is met hooge beschaving bewijst
-wel het feit dat nog maar bij zeer enkele volken het matriarchaat voorkomt. Bij de
-<span class="ex">dieren</span> is ’t matriarchaat algemeen! Tsh!”
-</p>
-<p>„Hm, ja, natuurlijk.”
-</p>
-<p>„Zeker, daar zeg je ’t: natuurlijk. Wat „natuurlijk” is is vaak onbeschaafd. Beschaving
-is <span class="ex">natuur-correctie</span>. <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>Maar ter zake: de omstandigheid die ik meen is deze: dat de man als naamgever en onderhouder
-<span class="ex">per se</span> vader is over de kinderen van zijn vrouw. ’t Is dan toch billijk, zou ik zeggen,
-dat hij de zekerheid heeft dat het ook tevens <span class="ex">zijn</span> kinderen zijn; en een hard gelag, dunkt me, om, wanneer hij ’t weet, gedwongen te
-zijn een andermans kinderen niet alleen zijn naam te geven, en dus voor de wereld
-als de zijne te erkennen, maar ze op te voeden ook. En de wet wil dat.”
-</p>
-<p>„Nu ja, de wet!” bromde Larsen.
-</p>
-<p>„Ja, en dat kan nu eenmaal niet anders, Larsen; of althans zeer lastig. Nu goed, bij
-een vrouw kan van zulk een smadelijk gedwongen zijn tegenover haar mans „buitenbezittingen”
-nooit sprake wezen. Maar, amice,” ging hij voort, „ons gesprek wordt wel wat lang,
-en we zijn nog niet waar we wezen moeten.”
-</p>
-<p>Hij keek op zijn horloge: „Half twaalf! Wat dunkt je, blijf je koffiedrinken? Dan
-kunnen we straks op ons gemak verder praten.”
-</p>
-<p>„Goed. Stuur dan even een boodschap aan m’n vrouw.”
-</p>
-<p>„Zeker, zeker.”
-<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Komaan, voel je je wat opgewekter na die koffie?” vroeg Van Thiemen aan de lunch
-aan de tegenover hem zittende gast.
-</p>
-<p>De tafel was keurig van servies, kristal en spijzen. Ook in dit opzicht was de gastheer
-epicurist en man van smaak. Hij rekende zich niet tot hen die eten en drinken onder
-de bijzaken in ’t leven brengen: hij kwam er rond voor uit dat een goede maaltijd
-zijn waarde heeft, en dat hij er gaarne meer tijd aan besteedde dan de meeste andere
-harde werkers. Een hard werker wàs hij er niet minder om. Volgens hem kon geen frisch
-brein boven een verwaarloosde of met onverschilligheid verzorgde maag zetelen. „Men
-leeft ook om te eten” was een van zijn stelregels. Veel van ’t ongezonde in denkuitingen,
-die hij hoorde of las, schreef hij toe aan minachting voor maageischen, een hebbelijkheid
-die vooral bij „intellectueelen” nog al eens voorkomt.
-</p>
-<p>„Je koffie is goed,” zei Larsen, „beter dan de mijne.”
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<p>„Dat geloof ik graag, deze is met zorg gezet. Koffie- en thee-zetten is een kunst.
-Ik drink liever geen van beide als ze slecht gezet zijn. Er zijn menschen die afschuwelijk
-vocht drinken, eenvoudig omdat ’t „koffietijd” of „theetijd” is, en ze te onbenullig
-zijn om er iets aan te veranderen. Ze drinken uit gewoonte op een bepaalde tijd van
-de dag, als koeien of paarden, zonder genot. Zoo doen ook veel lui met hun sigaren:
-pure gewoonte zonder genotsbesef: zes stinkstokken op een dag, jaar in jaar uit. Tsh!”
-</p>
-<p>„Maar,” zei Larsen, terwijl hij zijn kopje droomerig neerzette, „we moeten even terugkomen
-op die kwestie van zooeven.…”
-</p>
-<p>„Best. Ga je gang.”
-</p>
-<p>„Ja.… de zaak is nu wat me te doen staat. We kunnen niet scheiden om een van die redenen.
-Wat dan?”
-</p>
-<p>„Je wil met alle geweld?”
-</p>
-<p>„O, natuurlijk.… ’t Moet.…”
-</p>
-<p>Van Thiemen had willen vragen hoe ’t kwam dat nu op eens die <span class="corr" id="xd31e1295" title="Bron: overeenigbaarheid">onvereenigbaarheid</span> van karakters tusschen Larsen en zijn vrouw ontdekt was, na zooveel jaren van „best
-opschieten”; maar hij hield zich in: als Larsen voor den dag woû komen met zijn reden,
-dan zou hij ’t wel uit zichzelf doen.…
-</p>
-<p>„Als je vrouw niet wil.… moet je berusten in ’t onvermijdelijke.”
-<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p>
-<p>„Berusten? Nooit! Onmogelijk, onmogelijk. Maar ze zal wel willen.…”
-</p>
-<p>„In dat geval kan jij je laten beschuldigen van overspel,” zei Van Thiemen kalmpjes,
-en keek zijn vriend leuk aan.
-</p>
-<p>„Zoo, dat ’s ook wat moois! Op de keper beschouwd toch bedrog.… maar enfin, als ’t
-niet anders kan.…”
-</p>
-<p>„Nee, dat is ’t eenige. Je vrouw dient een vordering in op grond van overspel.…” Hij
-lachte even: „Jij overspel, ’t is wel ondenkbaar haast. Maar ’t komt meer voor: je
-weet dat is in onze kringen de gewone komedie bij echtscheiding: ’t is de korte radicale
-weg.”
-</p>
-<p>„Hm, ja, treurig genoeg. Maar.… de kinderen.… ’t kind?”
-</p>
-<p>„Dat wordt aan de eischeres toegewezen in zoo’n geval.… tenzij.…”
-</p>
-<p>„Ja?”
-</p>
-<p>„Tenzij anders bepaald. Bijvoorbeeld zou je vrouw kunnen vragen het kind aan jou te
-laten.”
-</p>
-<p>„Of ze dat zou willen?” Larsen zuchtte zwaar.
-</p>
-<p>„Ja, als zij niet wil, dan moet jij je schikken.…”
-</p>
-<p>„Ik zeg je immers dat zoo iets onmogelijk is.…” viel Larsen kregelig in. „Als die
-overspel-komedie niet gaat, schiet ik me voor m’n kop.… Of.…”
-</p>
-<p>’t Beeld der kleine Didi kwam hem vóor de geest in al zijn zoete bekoring. De vader
-voelde een schok van zelfverwijt. Hij boog ’t hoofd met vochtige oogen.
-<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p>
-<p>Van Thiemen zag ’t: zijn mooie trekken namen een bizonder sympathieke plooi aan. Hij
-besefte volkomen hoe daar in dat vaderhart gestreden en geleden werd.
-</p>
-<p>„Kom, kom, Larsen, daar meen je niets van.…”
-</p>
-<p>Larsen keek op, zwijgend vragend, met iets hulpeloos in zijn blik.
-</p>
-<p>„Er blijft je dan nog éen ding: niet wettelijke, maar feitelijke scheiding.…”
-</p>
-<p>„Ervandoor gaan.… met m’n kind.” Er was bittere spot in Larsen’s toon. „’t Is waardig!”
-</p>
-<p>„Ja, kerel, <span class="ex" lang="fr">aux grands maux les grands remèdes</span>. Als jij nu eenmaal vindt dat.… ’t andere veel erger voor je wezen zou.…”
-</p>
-<p>„O zeker.… Nu goed,” ging Larsen na een wijle zwijgens voort. „Ik weet nu waaraan
-ik me te houden heb. Ofschoon.… ofschoon.… ik heusch niet weet wat ik doen moet.…”
-</p>
-<p>„Slaap er nog ’s op.…” antwoordde de ander, en nam een peer.
-</p>
-<p>„’t Ellendige is dat onze verhouding.… thuis onuitstaanbaar is, een onmogelijke positie
-voor ons <span class="corr" id="xd31e1331" title="Bron: allebei">allebeî</span>.… voor ons alle drie. Arme Didi!”
-</p>
-<p>„Och kom, voor haar is ’t nog ’t minst, al begrijp ik ook je medelijden. Voor jou
-is ’t een nare geschiedenis.”
-</p>
-<p>Beide vrienden praatten nog een poos door, de <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>gastheer kalm, maar toch spraakzaam en met warme belangstelling, de gast somber en
-zenuwachtig, met korte zinnen, afgewisseld door bromgeluiden.
-</p>
-<p>Ondanks al zijn pogingen om Larsen tot meerdere openhartigheid te krijgen, wilde dit
-den ander maar steeds niet lukken. Eindelijk ’t opgevende, vond <span class="corr" id="xd31e1342" title="Bron: hij hij">hij</span> ’t toch noodig zijn vriend te wijzen op ’t onzinnige van verder verzwijgen der ware
-toedracht van zaken. Hij moest hem dan maar ronduit verklaren alles te begrijpen—zoo
-redde hij Larsen’s gevoeligheid:
-</p>
-<p>„Zeg ’s, amice,” begon Van Thiemen op eens, na over veel anders gesproken te hebben,
-„dat gaat zoo niet. We komen zoo geen stap verder. Je komt hier om raad, en ’t lijkt
-wel of ik je aanraad ervandoor te gaan als een roover.… Wil ik je ’s wat zeggen? Maar
-dan niet boos worden, hoor.…”
-</p>
-<p>„Nee.…”
-</p>
-<p>„Waarom zou je je vrouw sparen?”
-</p>
-<p>„?” Larsen kleurde.
-</p>
-<p>„Kom, wees oprecht! Kom er maar voor uit. Dacht je dan dat ik niet al lang begrepen
-had hoe de vork in de steel zit?”
-</p>
-<p>„Zoo, nee.…” stamelde de ander ongemakkelijk.
-</p>
-<p>„Je kunt mij toch niet wijs maken dat zoo’n <span class="ex" lang="fr">incompatibilité</span> in eens ontdekt wordt? Kom, Larsen, je vrouw is niet waard dat jij je om haar zou
-opofferen.…”
-<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p>
-<p>„Zeker, opofferen.… Maar laten we opstappen, en wat in de tuin gaan wandelen. Nog
-een sigaar? Dit is wat fijns.”
-</p>
-<p>Rookende liepen beide vrienden eenige minuten later in Van Thiemen’s groote tuin.
-’t Was een mooie herfstmiddag, vol opwekkende geuren. In ’t achterdeel, waar hooge
-struiken stonden, vonden de pratenden een zonnig en toch vrij wandelpad.
-</p>
-<p>„Ik vin’ dat je in een geval als ’t joue,” begon Van Thiemen weer, „handelend moet
-optreden.… tegen je vrouw.”
-</p>
-<p>„In een geval als ’t mijne? Je kent ’t niet.…”
-</p>
-<p>„O zeker, ik vermoed ’t, en dat is hier even goed. Je vrouw heeft je bedrogen, en
-daar ben je nu achtergekomen.”
-</p>
-<p>Larsen zweeg.
-</p>
-<p>„Ik wil geen kwaadstoken.… ik beoog alleen jou belang, kerel. Je vrouw heeft je hoogstwaarschijnlijk
-meer dan eens bedrogen, met.… meer dan éen.…”
-</p>
-<p>„Nee, dat geloof ik niet.…” viel Larsen hevig uit.
-</p>
-<p>„Natuurlijk, beste kerels als jij gelooven zoo iets nooit, als ze veel van hun vrouw
-houen! En er zijn er die nog blinder zijn dan jij. De buitenwereld ziet beter en merkt
-meer op.…”
-</p>
-<p>„Je wil toch niet zeggen dat mijn vrouw.…”
-</p>
-<p>„In mijn oog nooit erg „zwaar gewogen” heeft, ja, zeker wil ik dat zeggen. En dat
-je nu van haar <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>af kunt moet je als een geluk beschouwen.…”
-</p>
-<p>„Als een geluk!”
-</p>
-<p>„Vin’ jij in de rol van „koekoek” zooveel aantrekkelijks? Maar ik zeg je dat je van
-haar af kunt, omdat ik veronderstel dat je bewijzen hebt: anders zou jij zoo niet
-optreden.”
-</p>
-<p>„Ja.… die heb ik.… éen ten minste.…”
-</p>
-<p>„Welk? Wat is dat?”
-</p>
-<p>„Een brief.… O, je weet niet hoe ellendig ik ’t vin’ hierover te spreken.…”
-</p>
-<p>„Och, larie! Jou rust en geluk gaan voor. Nog eens: je vrouw is niet waard dat je
-haar zoo ontziet …”
-</p>
-<p>„Och, Van Thiemen, je weet niet wat ’t is! Jij kent dat zoo niet.… Een vrouw met wie
-je dertien jaar samen <span class="corr" id="xd31e1381" title="Bron: ben">bent</span> geweest is een deel van jezelf geworden.… je eigen vleesch en bloed.… je eigen hart.…”
-</p>
-<p>„Arme bl.…” mompelde Van Thiemen. „En toch.… je moet van haar af. Die brief.… heb
-je die behoorlijk weggesloten?”
-</p>
-<p>„Ja, zeker.… Maar, waarom.…”
-</p>
-<p>„Wel, m’n waarde, die vrouw van je is slim, slim genoeg om.… je de bewijzen afhandig
-te maken.… Tsh!”
-</p>
-<p>„Kom.”
-</p>
-<p>„Nou, pas maar op. Maar ter zake. Jij produceert eenvoudig je bewijs, en deelt haar
-mee wat je doen zult. Dan raad je haar in gemoede toe te geven, en <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>eenvoudig niet te verschijnen. Dan wordt zij bij verstek veroordeeld, en jij blijft
-vrij man.…”
-</p>
-<p>„Maar de schande.… zoo te verschijnen en m’n vrouw te beschuldigen.… zoo’n rechtszitting.…
-en<span class="corr" id="xd31e1395" title="Niet in bron">.…</span>”
-</p>
-<p>„Och, je stelt je de zaak veel te verschrikkelijk voor! Zoo’n rechtszitting is immers
-niet publiek: en dan die beschuldiging: die doet je <span class="corr" id="xd31e1399" title="Bron: advokaat">advocaat</span> in zijn eisch; jij zit er eenvoudig bij en beaamt. Verder wordt je echtscheiding
-in twee bladen bekend gemaakt, maar daarvoor kan men, als je vrouw bijvoorbeeld Amsterdam
-tot domicilie kiest, twee bladen nemen die in onze kringen niet gelezen worden; bovendien
-blijkt uit die bekendmaking niet—hoeft er althans niet uit te blijken—wie van de partijen
-eischer is.…”
-</p>
-<p>„Zoo, weet je dat zeker?”
-</p>
-<p>„Natuurlijk. Nee, stel je maar gerust: niemand hoeft achter de ware toedracht van
-de zaak te komen. En vermoeden.… wel, laten ze vermoeden wat ze willen.… Als jij er
-van door ging met je kind, zou jou vrouw er wel voor zorgen dat de wereld jou afviel,
-wees daar zeker van. En dan je betrekking.… Maar, zeg ’s, die brief, is dat een deugdelijk
-bewijs?.…”
-</p>
-<p>„Evengoed alsof zij ’t me met ronde woorden gezegd had.…” zei Larsen bitter.
-</p>
-<p>„Een brief van.…”
-</p>
-<p>„Van.… iemand anders.”
-<span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span></p>
-<p>„O, ja.… Al oud?”
-</p>
-<p>„Vijf jaar.…”
-</p>
-<p>„Je moet dat document bij mij deponeeren: hier is ’t veiliger. Dan kan ik ’t ook ’s
-inzien.…”
-</p>
-<p>Larsen kromp ineen.
-</p>
-<p>„Goed,” mompelde hij.
-</p>
-<p>„Zal ik ook ’s met je vrouw spreken? Je weet, ik heb er nog al slag van met vrouwen
-om te gaan.…”
-</p>
-<p>„Zou je denken dat het wat gaf?.… En dat ze zou willen.…”
-</p>
-<p>„Och, zeg haar maar dat ik haar goeie raad zal geven.… in haar eigen belang.…”
-</p>
-<p>„Maar dan ook zeggen dat je alles weet?”
-</p>
-<p>„Nee, nog niet.… Ik zal haar wel verrassen, en in ’t nauw brengen.…”
-</p>
-<p>„Weinig ridderlijk—neem me niet kwalijk. Maar.…”
-</p>
-<p>„Och, wat ridderlijk!.… De vrouw is niet een heilige omdat ze vrouw is.… dat is onzin
-uit de middeleeuwen. Een eerbare vrouw komt heel dicht bij een heilige—je kent mijn
-opvatting—maar ’n.… ’n.…” Hij hield zich in. „Een die <span class="ex">jou</span> bedriegt, zoo’n trouwe goeie kerel als jij, nee, hoor, die verdient geen ontzien.…”
-Van Thiemen had zich allengs opgewonden.
-</p>
-<p>„Ik begrijp niet hoe jij zoo spreken kunt.…” viel Larsen ontwijkend in. „Jij behoorde
-tot onze <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>intiemen, en scheen toch altijd sympathie voor mijn vrouw te hebben.”
-</p>
-<p>„Och, wat zal ik je zeggen? Van sympathie was in de laatste jaren geen sprake meer.…”
-</p>
-<p>„?”
-</p>
-<p>„Nee, ’t was geen sympathie.… Ik heb die wel vroeger voor haar gehad. Ze was jou vrouw.
-Ik wist dat jij haar lief hadt.… en.…”
-</p>
-<p>„O, kerel.…”
-</p>
-<p>„Ja, dat was voor mij al veel. Later toen ik haar begon te doorzien.… veranderde dat.
-Eindelijk had ik vrij wel zekerheid.… en toen.…”
-</p>
-<p>„Zekerheid.… en je liet mij in mijn waan!”.… viel Larsen heftig in.
-</p>
-<p>„Ik kòn niet anders! Die zekerheid was <span class="ex">mijn</span> zekerheid, niet die van een jurist in mij, maar van de mensch, van een vriend ook.…”
-</p>
-<p>„Een vriend.…! Dus je wist dat ik bedrogen werd?”
-</p>
-<p>„Ja, ik wist het al lang.… En, zooals ik zei: <span class="ex">ik</span> geloof meer dan eens, en.… met verschillenden.…”
-</p>
-<p>Larsen zweeg somber.
-</p>
-<p>„Maar mijn bewijzen waren bewijzen waar <span class="ex">jij</span> en de rechter niets aan hebben zouden.”
-</p>
-<p>„Hm.”
-</p>
-<p>„Jij, omdat je me toch niet gelooven zoudt. Niemand die een vrouw waarlijk liefheeft—en
-dat deedt jij, dat wist ik—gelooft zoo iets maar voetstoots. <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>En.… liefde gaat boven vriendschap. Wij hadden de hevigste onaangenaamheden gekregen,
-en ’t had toch niets gegeven. Je hadt mij afgezworen—en wat nog erger is—je hadt je
-rust en daarmee je geluk verloren.…”
-</p>
-<p>„Een schijngeluk!”
-</p>
-<p>„Nou ja, alle geluk is schijn, verbeelding. Voelde jij je eergisteren—laten we zeggen
-eergisteren—volkomen gelukkig, of soms niet?”
-</p>
-<p>„Volkomen.…”
-</p>
-<p>„Nu weet je.… je illuzie is weg, en je bent genezen.… of nee, laat me uitspreken,
-ik meen: nu ben je op de goeie weg om te genezen.”
-</p>
-<p>Larsen stiet een kreunende zucht uit.
-</p>
-<p>„Ik wachtte op ’t oogenblik dat je <span class="ex">zelf</span> zoudt zien, <span class="ex">zelf</span> en daarmee overtuigend helder. Nu màg je niet langer aarzelen.”
-</p>
-<p>Alle tegenstand was gebroken. Hulpeloos boog Larsen ’t hoofd: zijn wil onderwierp
-zich schreiend aan de wreede logica van zijn vriend.
-</p>
-<p>„Adieu!” zei hij, na eenige oogenblikken zwijgend voortstappen naast Van Thiemen.
-„Ik moet weg. Ik zal denken aan wat je me geraden hebt.”
-</p>
-<p>„Afgesproken. Beschik over mij, hoor.”
-</p>
-<p>De vrienden wandelden naar de voordeur, en na een hartelijke handdruk, scheidden ze
-voor die dag.
-<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Larsen spoedde zich huiswaarts langs de stille straten. Hij zag of hoorde niets om
-zich heen. Het bezoek aan zijn vriend had hem niet voldaan, en toch, hoe onrustig
-hij zich ook voelde, er was meer orde in zijn denken dan enkele uren te voren, en
-hij zag duidelijker een uitweg uit de doolhof zijner ellende.
-</p>
-<p>Haastig liep hij zijn gang door, de trap op. Hij wilde Paula spreken, zoo spoedig
-mogelijk. Er moest een beslissing komen, hoe dan ook, zoo mogelijk vandaag nog. Paula
-moest weten waar ’t op stond. Ja, Van Thiemen’s raad was wel goed: hij zou haar zeggen
-vandaag nog bij hem aan te gaan, om raad en inlichting. Dat was beter zoo dan lange
-uitleggingen van hemzelf—hij deugde er niet voor, trouwens; en ’t was hem zoo pijnlijk.
-Hij zou niet meer dan ’t allernoodigste zeggen; haar naar zijn vriend verwijzen—die
-was te vertrouwen, volkomen, die kende beide goed, die meende ’t goed met beiden.…
-<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p>
-<p>Nu ja, humaan wàs Van Thiemen, al.… had hij geen sympathie meer voor haar. De oppervlakkige
-beleefdheid en aangename manieren waarmee de jurist haar steeds bejegend had, zijn
-bizondere takt om met vrouwen om te gaan, zijn innemend uiterlijk en oprechte bewondering
-voor haar uiterlijke verschijning namen immers voldoende de plaats in van die.… sympathie.…
-</p>
-<p>Paula was misschien in de voorkamer. Ze zat daar nogal eens in de namiddag, ontving
-er haar kennissen en vriendinnen, of zat er te lezen.
-</p>
-<p>Hij stiet de deur van ’t vertrek open, en trad binnen. Paula was er niet. De piano
-stond open. Een muziekboek stond opengeslagen op de lezenaar. Onwillekeurig wierp
-hij een blik op de noten: de Washington post van <span class="ex">de Souza</span>.… Dat had ze gisterenavond niet gespeeld.
-</p>
-<p>Een vreemde gewaarwording trilde door hem heen, deed hem zijn wenkbrauwen fronsen.
-</p>
-<p>Hij trad weer naar de deur en ging de trap op, onzeker waar hij heen zou gaan. Misschien
-zou hij Paula boven vinden, in zijn studeerkamer. Een naar vermoeden bekroop hem.
-Och, onzin! Waar dacht hij aan?
-</p>
-<p>Daar trof hem ’t geluid van zingen. Wie was dat? De meid? Nee, onmogelijk.… ’t Kwam
-van boven, van de verdieping waar de slaapkamers waren, en <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>’t was nu geen bedden-opmaken—anders de geliefde zang-periode der „kamermeid”. Didi
-was naar school. Pietje, de eene gedienstige, kwam net de trap op, uit de keuken op
-weg naar boven, een paar badhanddoeken over de eene arm geslagen.
-</p>
-<p>„Zeg ’s Pietje.… waar is Mevrouw?” vroeg de huisheer aarzelend.
-</p>
-<p>„O, boven in de badkamer.… Meneer. Mevrouw heeft me juist om een paar handdoeken gevraagd.”
-</p>
-<p>In de badkamer! Om twee uur in de namiddag.… Och, ’t is waar, ze deed dat meer. Paula
-baadde op elk uur van de dag en van de nacht, als ze daar trek in had, soms twee maal
-in de vier en twintig uren. Paula was meer dan zindelijk: baden was haar een ware
-wellust. Trouwens, de badkamer had er al het weelderige voor: daar te baden wàs een
-genot.… En, zeer merkwaardig en onbegrijpelijk voor een natuur als die van Larsen,
-ze baadde vaak niet uit dwang tot reinheid of zucht tot genot: neen, uit pure vroolijkheid,
-als uiting van overvloeiende levenslust. Geen wonder dat ze dan zong, kwinkeleerend
-als een kanarievogel, die zijn veertjes gepoedeld heeft.
-</p>
-<p>Larsen moest dus wachten. Toch ging hij de trap op.
-</p>
-<p>Hij stapte voorbij de badkamer. Paula scheen het te merken, want het zingen hield
-even op. Daarna hervatte zij het. Lustiger dan te voren, meende Larsen te bespeuren.
-Onwillekeurig wierp hij een blik <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>naar de matglazen deur, als kon hij er door heen kijken. Een flauwe geur drong naar
-buiten in zijn reukorgaan. Hij verhaastte zijn stap, en ging naar zijn studeerkamer.
-Daar wierp hij zich op de sofa, vreemd te moede. Als Paula klaar was, kwam ze misschien
-wel bij hem.… Dat kon niet lang meer duren: als ’t zingen begonnen was, duurde ’t
-gewoonlijk niet langer dan een kwartier.
-</p>
-<p>In zijn verbeelding zag hij haar vóor zich, zooals hij haar dien avond gezien had,
-nog kort geleden—nauw een week—frisscher en begeerlijker dan ooit, de loshangende
-weelderige zwarte haren over haar donkerroode <span class="ex">kimóno</span>, ’t Japansche kleed, dat ze altijd droeg als ze uit de badkamer kwam. Hij was haar
-toen gevolgd naar haar slaapkamer … Een lichte huivering voer door zijn leden bij
-de herinnering aan dat uur. Wat was hij verliefd geweest, en zij verleidelijk, dartel,
-beroezender dan ooit!
-</p>
-<p>Hij stond op met een ruk; en ’t was of hij iets van zich af wierp. Zijn wenkbrauwen
-waren gefronst, zijn gelaat vertrokken—oud, wonderoud voor zijn jaren—zijn eene vuist
-balde zich. Hij deed een paar schreden. Daar viel zijn oog op Paula’s portret boven
-zijn schrijftafel—als bruid. Hij wendde zich om.
-</p>
-<p>„Mijn God, mijn God,” mompelde hij.
-</p>
-<p>Dan zette hij zich weer op de sofa en verzonk in dof gemijmer.
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
-<p>Hij hoefde niet lang te wachten, veel korter dan hij gedacht had.
-</p>
-<p>„Zoo, ben jij hier?” klonk het opeens aan de deur der studeerkamer.
-</p>
-<p>„Paula!” Daar stond de welbekende verschijning, juist zooals een week geleden, die
-eene avond.
-</p>
-<p>„Ja, ik hoorde je thuiskomen,” zei ze onverschillig, en wierp achteloos een hoeveelheid
-haar naar achteren.
-</p>
-<p>Dadelijk trof hem haar toon. Er was iets kouds, iets gewild brutaals in, dat hem,
-als geheel nieuw in haar, met verwondering vervulde.
-</p>
-<p>Ze keek even rond, op hoogst ongedwongen wijze. Toen snoof ze met een vies gezichtje
-even hoorbaar:
-</p>
-<p>„Heb je hier gerookt? ’t Ruikt hier afschuwelijk!”
-</p>
-<p>Een en al verbazing keek Larsen haar aan. Wat bezielde haar?
-</p>
-<p>„Ik heb niet gerookt.… vandaag ten minste niet … gisteren misschien. Als je wil, zullen
-we naar beneden gaan. Ik woû met je spreken.”
-</p>
-<p>„Je wil me altijd spreken tegenwoordig. Maar goed, deze keer wil <span class="ex">ik jou</span> ook wel ’s spreken.…”
-</p>
-<p>Meteen zette zij zich op een stoel bij zijn schrijfbureau.
-</p>
-<p>Larsen dacht onwillekeurig aan zijn bewijsstuk, tastte even in zijn vestzakje, en
-overtuigde zich dat het sleuteltje van zijn laadje er nog zat.
-</p>
-<p>„Je bent zoo bij je boezemvriend geweest,” hervatte de gestalte in <span class="ex">kimóno</span>, terwijl ze het rechterbeen <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>over ’t linker sloeg. Een mooi geborduurd muiltje bengelde aan haar rozenteentjes,
-en liet zoo de rest van den eenen kleinen voet bloot.
-</p>
-<p>„En,” ging ze voort, „je hebt er zeker heel wat afgepraat. Toe, vertel ’s.”
-</p>
-<p>Larsen zag haar vreemd aan.
-</p>
-<p>„Ik woû dat je niet zoo suf keek, zeg,” zei Paula weer. „Is er iets bizonders aan
-me? Je hebt me zoo wel meer gezien, geloof ik.…”
-</p>
-<p>„Dat is ’t niet.…” antwoordde Larsen.… „We spreken over ernstige zaken, Paula.” Er
-was iets strengs in zijn woorden, dat zijn vrouw deed glimlachen.
-</p>
-<p>„O zeker, best. Ik wil ook heel, heel ernstig zijn. Maar, komaan, vertel ’s op. Van
-Thiemen heeft gezegd dat je van me af moest zien te komen, niet?”
-</p>
-<p>„Paula, wat scheel je? Waarom sla je zoo’n onverschillige losse toon aan?”
-</p>
-<p>„Ik? Och, verbeelding! Zeur nou maar niet. Antwoord me maar.”
-</p>
-<p>Larsen haalde de schouders op. Waarom zou hij ook dit maar niet verdragen—als de zaak
-maar spoedig tot een eind kwam?
-</p>
-<p>„Ik heb niets beslist.…” begon hij.
-</p>
-<p>„Och kom.… die is ook leuk! En gisterenavond was je zoo zeker.”
-<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p>
-<p>„O, omtrent dat eene.… nu nòg.… Ik bedoel de manier waarop.…”
-</p>
-<p>„Zoo, en die weet je dus nog niet?”
-</p>
-<p>„Nee.” Larsen sprak kalm, schoon inwendig zich ergerend over haar voor hem onverklaarbare
-overmoedige houding. „Ik heb me alleen wat op de hoogte gesteld van de wet. Hij heeft
-me goeie raad gegeven.…”
-</p>
-<p>„Dat begrijp ik, ha, ha!”
-</p>
-<p>„Ja, en hij acht het wenschelijk dat jij ook ’s met hem spreekt.… of.… hij wil ook
-wel hier komen, bij jou.…”
-</p>
-<p>„Zeker, ’t is een charmant mensch.…”
-</p>
-<p>„Ik zou het maar doen.… als ik jou was.…”
-</p>
-<p>„En,” ging Paula voort, zonder op die laatste woorden te letten, en ze zocht iets
-in de ruime plooien van haar <span class="ex">kimóno</span>, op haar borst. „En heb je <span class="ex">hier</span> niet over gesproken?” Lachend keek ze hem aan. Om haar mond danste een ironietje
-als een satertje.
-</p>
-<p>Hij zag iets in haar hand, dat ze heen en weer bewoog.
-</p>
-<p>Ze zat een vijftal schreden van hem af.
-</p>
-<p>„Wat is dat?” vroeg Larsen geheel de kluts kwijt.
-</p>
-<p>Paula sloeg een in vieren gevouwen papier open, en liet hem de beschreven kant zien.
-</p>
-<p>„Wat dit is? Herken je ’t niet? ’t Briefje van Rudolf.”
-</p>
-<p>Larsen sprong op.
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>„Hoe kom je dáaraan?” Hij deed een schrede naar haar toe.
-</p>
-<p>„Wel, uit je laadje. Zie ’t goed? Daar gaat het.” Meteen, met vlugge vingertjes, verscheurde
-zij ’t document in kleine stukjes—rits, rits, rits.
-</p>
-<p>„Daar!” riep ze triomfantelijk. „Veeg nu maar op, en zie dat je ’t weer bij elkaar
-krijgt.”
-</p>
-<p>Een regen van witte stukjes papier viel voor Larsen’s voeten, naast en om hem heen.
-</p>
-<p>Bleek van schrik staarde hij naar ’t vlug afgespeelde tooneel vóor hem. Dan trad hij
-op haar toe, vlammen in zijn oogen.
-</p>
-<p>„Dat ’s een lage streek!” riep hij. „Daartoe achtte ik je niet in staat.…”
-</p>
-<p>„Och kom, heusch niet? Ik jou ook niet tot zooveel hartstocht. Komaan, nou raak je
-’s los: dat mag ik zien.”
-</p>
-<p>Nog steeds zat Paula schijnbaar kalm. Doch uit de schittering harer donkere oogen
-sprak meer dan louter leedvermaak. Inwendig bruiste en kookte het in haar.
-</p>
-<p>„Ga heen!” riep Larsen buiten zichzelven. „Ik wil je niet meer zien! Een vrouw die
-in staat is tot.… tot zulk bedrog.… zooveel valsch berouw.… zoo’n huichelaarster.…
-Ik heb niets geen medelijden meer met je.… Ga heen!”
-</p>
-<p>„Medelijden? Heb ik niet van je noodig.… heb ik <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>trouwens nooit van je gehad. En dat huichelaarster.… Weet je wel, mijn waarde echtgenoot,
-dat je daaraan jaren van geluk te danken hebt?”
-</p>
-<p>Larsen begreep er niets meer van.
-</p>
-<p>„Geluk van jou soort ten minste.…” Ze lachte schril. „Van ’t mijne niet versta je?
-Van ’t mijne niet! Ik heb niet gehuicheld om mijn eigen pleizier.”
-</p>
-<p>Paula stond op. Met een sierlijke zwaai wierp ze een loshangend deel der <span class="ex">kimóno</span> over de linker schouder en kruiste haar armen, uitdagend en minachtend. Strak keek
-ze hem aan.
-</p>
-<p>„Als ik jaren geleden, kort na ons huwelijk, toen ik inzag wat ’n sufkop je was, dadelijk
-me getoond had zooals ik was, mijn afkeer voor je getoond had.… was dat misschien
-beter geweest voor <span class="ex">mijn</span> geluk.…”
-</p>
-<p>„Voor ’t mijne misschien ook.…” zei Larsen somber.
-</p>
-<p>„Voor ’t jouwe? Als jij minder egoïst was geweest, hadden we <span class="ex">beiden</span> gelukkig kunnen zijn.”
-</p>
-<p>„Ik heb alles voor je gedaan wat ik kon.… al die jaren.”
-</p>
-<p>„Dat lieg je! Of dacht je dat een vrouw—een vrouw zooals ik, versta je, een vrouw
-met een hart, met zenuwen, met gevoel, geen houten automaat zooals jij er een zou
-wezen als je vrouw was—dacht je dat een vrouw als ik genoeg had <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>aan een goed leven: goed eten en drinken en mooie kleeren?”
-</p>
-<p>„Ik heb je altijd liefgehad.…”
-</p>
-<p>„Liefgehad! Ik heb wat gehad aan jou liefde! Een morgenzoen en een avondzoen, en een
-liefkozing die ik dulden moest wanneer mijn heer en meester ’t voor <span class="ex">zijn</span> gezondheid noodig achtte.… Bah, wat ’n komedie!”
-</p>
-<p>Paula’s bewegelijk gezicht vertoonde walg: ’t Kleine neusje trilde en haar vleezige
-lippen puilden vooruit.
-</p>
-<p>„Ik was voor jou niets dan een <span class="ex" lang="fr">objet à plaisir</span>—een maîtresse die je betaalt, die je wegschopt als je genoeg van haar hebt.”
-</p>
-<p>„Paula!”
-</p>
-<p>„Nou ja. Wegschoppen deê je niet. Moreel kwam ’t op ’t zelfde neer. Als je me niet
-noodig hadt, keek je niet naar me om.”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Ik</span> die dagelijks genoot van je gezelschap.…”
-</p>
-<p>„Ja, als je geen pleizier meer in je boeken hadt.… En dan nòg! Je zat bij me en verveelde
-me. O, mijn God, die dagen, die jaren van verveling! Ik vrat me op!.… En daar merkte
-jij niets van. Niets, niets! Je <span class="corr" id="xd31e1638" title="Bron: had">hadt</span> je boeken, je studie was je alles, je vrouw bijzaak.…”
-</p>
-<p>Larsen dacht aan ’t bekende woord: de wetenschap is een jaloersche minnares: ze wil
-de heele mensch. En toch bij hem was zijn liefde voor Paula en zijn <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>studie, zijn eerzucht, alles éen geweest. Zijn liefde deed hem ’t leven liefhebben,
-staalde zijn werkkracht, prikkelde zijn eerzucht. Haar verwijten sneden hem door de
-ziel. Maar hij zweeg, tevergeefs trachtend die vrouw, die hem een raadsel was, te
-begrijpen. Hij had haar nooit begrepen. Zou hij ’t thans eindelijk beseffen?
-</p>
-<p>„’t Begon al op onze huwelijksreis,” ging Paula hartstochtelijk voort. „Ik kan er
-nauwelijks aan denken. God, wat een tijd! ’t Was een hel. En jij dacht dat ’t een
-hemel vol zaligheid was! Voor mij ook!” Ze lachte bitter.
-</p>
-<p>„Toen heb ik gehuicheld. Zeker dat heb ik, en ik heb er voldoening van. Ik achtte
-het mijn plicht. Ik deed mijn hart dat bersten wou, mijn wil die in opstand kwam,
-geweld aan. Ik overwon mezelf. En jij? Wat deê jij ooit dan toegeven aan jezelf? Heb
-jij je ooit moeite gegeven om anders te zijn? Anders te zijn <span class="ex">om mij</span>, <span class="ex">om</span> mij alleen? Geloof jij dat het ideaal van liefde tegenover een vrouw maar daarin
-bestaat dat je je geeft zooals je bent? Altijd dezelfde lodderige, vervelende, aangapende
-vereering? Een vrouw is geen godheid zonder hartstochten. Jou Newfoundlander’s verliefdheid
-wàs geen liefde, niet waaraan een <span class="ex">vrouw</span> behoefte heeft. Wat kan ’t me schelen of je me vereert en heel diep in je hart liefhebt?
-Ik wil die vereering niet! Ik wou warmte, gloed, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>passie, je gaf me vereering!.… En je was zoo degelijk, zoo in-degelijk. Ik spuug op
-jou degelijkheid, jou ellendige zelfzuchtige degelijkheid! Wat geeft het mij of ik
-weet dat je me degelijk, <span class="ex">inwendig</span> lief hebt? Als ik er niets van zag, niets van voelde? Van een vuur wil je vlammen
-zien, wil je de vonken zien schitteren, je wil er de warmte van voelen. Hu, ik heb
-koû geleden al die tijd! Jou ijsbeerennatuur straalde niets dan koû af.… Je hebt je
-eigen ongeluk bewerkt. Al was er ook niets dan koelheid in je aard, had dan wat warmte
-gehuicheld. Een enkel woord van warmte <span class="ex">om mij</span>, een liefkozing <span class="ex">om mij</span> had me tot je gebracht. Je hebt me afgestooten, voortdurend. Liefde is illuzie, je
-deedt niets om die illuzie te doen leven.… En toen ik een man zag die me begreep—die
-wist wat een vrouwenhart wil, toen die altijd om en bij me was.… toen heb ik me gegeven.…
-omdat ik niet anders kon. Ik was krankzinnig geworden anders.”
-</p>
-<p>Zij hijgde. Tartend boog ze naar hem over, haar gelaat vlak bij ’t zijne. „En ik zou
-’t weer doen, tienmaal, honderdmaal over. En ik geniet er nu van ’t jou in je gezicht
-te slingeren. Hoor je ’t?! En ik heb meer gedaan, na wat jij en de wereld mijn <span class="ex">val</span> zouen noemen. Ik heb méer <span class="ex">amants</span> gehad.…”
-</p>
-<p>Larsen trad achteruit.
-<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p>
-<p>„Dat is niet waar!” kreet hij verbijsterd. „Je zegt dat alleen om mij te beleedigen.”
-</p>
-<p>„Niet waar! Wil je namen?”
-</p>
-<p>„Hoû je mond.…” viel Larsen in. „Ik wil ’t niet weten. Ik kan je niet.… niet meer
-verachten dan ik nu al doe.…”
-</p>
-<p>„Je <span class="ex">zult</span> me verachten! Je zult je ergeren tot je me verafschuwt! Gerards is mijn vriend geweest.…
-en Van Breehorst, en.… nu kort geleden Steeman. Wat kon ’t mij schelen? Toen ik eenmaal
-’t met jou opgegeven had.… ik moest toch iets hebben aan mijn jonge leven!” Ze zweeg
-even. Haar neusvleugels trilden, haar wangen gloeiden, haar oogen vonkten: ’t heele
-gelaat had iets sculpturaal sprekends.
-</p>
-<p>Larsen, die onbewegelijk met de handen op de rug stond, was onder de ban harer wilde
-schoonheid.
-</p>
-<p>„En nu wil je van me af, nie’ waar? ’t Zal je niet lukken, mijn baasje. Ik blijf bij
-je en je <span class="ex">zult</span> me dulden, versta je? En ik zal je behandelen of ik je niet kende. Je zult me niet
-meer aanraken, en je zult je cocu-rol die je zelf.…”
-</p>
-<p>’t Werd Larsen te machtig. ’t Bloed steeg hem naar ’t hoofd.
-</p>
-<p>„Zwijg, vrouw,” riep hij heesch van woede. „Ga heen, of.…” En wat hem zelf later onbegrijpelijk
-voorkwam, hij greep haar bij een arm. Had zij meegegeven, <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>dan had ’t hem met zijn stoere kracht weinig moeite gekost haar de kamer uit te duwen.
-Doch nauwelijks had hij zijn hand op haar kleed gelegd, of hij wankelde, en ’t dwarrelde
-een oogenblik vóor zijn oogen.
-</p>
-<p>Ze had hem met volle kracht vlak in ’t gezicht geslagen.
-</p>
-<p>Al de verkropte woede van de ondergane vernedering van den vorigen avond, aangewakkerd
-door ’t juist afgespeelde tooneel tusschen hen, was op eens opgevlamd in lichte laaie.
-</p>
-<p>Toen hij bijkwam, lag zij voorover op de grond te snikken.
-</p>
-<p>Larsen’s verontwaardiging was als bij tooverslag geweken. En zijn gevoelig hart kreeg,
-ondanks alles, de overhand: hij had deernis met die vrouw. Ze moest wel diep rampzalig
-wezen.… Hij die zelf bijna nooit uiting gaf aan opwellingen of hevige aandoeningen,
-de schijnbaar hartstochtelooze kon geen zwakke zien schreien, zonder dat ’t schrijnde
-in zijn ziel: geen kind, geen vrouw, en hier was ’t zijn pas verloren afgod, zijn
-Paula.
-</p>
-<p>’t Snikken duurde voort, stuipachtig, wanhopig snikken, dat haar gansche lichaam deed
-schokken en trillen.
-</p>
-<p>Wat moest hij doen, wat kon hij zeggen?
-</p>
-<p>Troostwoorden, opbeuring—’t leek hem dwaas na <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>wat er juist was voorgevallen. En dan, hij voelde zich verbijsterd, verward, oneens
-met zichzelf, verlegen tegenover deze vrouw, die hij nooit zóo gezien had, die zich
-daar aan hem geopenbaard had in zulk een nooit gekende gedaante. Dat was zijn Paula
-niet, de Paula van zijn droomen, van zijn vereering. En weer bleek de waarheid van
-’t bekende gezegde: dat men niet het beminde voorwerp zelf liefheeft, maar een denkbeeldig
-wezen, ’t beeld dat de ziel van ’t beminnend individu er zich van vormt.
-</p>
-<p>Zijn onmacht om hier iets ten goede uit te richten inziende, trad Larsen naar de deur,
-ging het vertrek uit, en sloot de deur weer achter zich.
-</p>
-<p>Hij voelde zich als een slaapdronkene. ’t Was alles vaag om en in hem. Hij moest de
-straat op, in de frissche lucht. In huis zou hij ontmoetingen moeten dulden, met Didi,
-met de meiden.… Buiten zou hij al wandelend wellicht tot kalmte komen; in staat wezen
-het voorgevallene bedaard na te gaan, een besluit kunnen nemen.… Of zou hij Van Thiemen.…?
-Neen, nu niet: hij wilde alleen zijn met zijn gedachten. Later, vanavond misschien
-nog zou hij naar hem toe gaan, zijn oordeel vragen in de veranderde omstandigheden.
-</p>
-<p>In de gang beneden keek hij op de hangklok: half drie! Hemel, een half uur was er
-verstreken <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>sinds zijn thuiskomst van Van Thiemen, en hoe verschillend was zijn toestand nu vergeleken
-met dertig minuten tevoren! Toen scheen er wat licht te gloren in de duisternis van
-zijn ellende, thans was alles weer nacht, troostlooze, ondoordringbaar donkere nacht.
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Mevrouw, d’r is visite!” klonk het van den overloop.
-</p>
-<p>„Nu nog?” was ’t wederwoord uit Mevrouw’s toiletkamer. „’t Is half vijf!”
-</p>
-<p>„Nog niet, Mevrouw,” riep Pietje buiten. „Mag ik binnenkomen?”
-</p>
-<p>„Ga je gang.” Pietje de blozende kamermeid, koket en keurig gekleed, betrad Mevrouw’s
-heiligdom. Ze was Paula’s lieveling en wist het. Vol bewondering voor de bevalligheden
-harer meesteres, haar mooie japonnen en kunstvol kapsel, haar odeurs en waschwatertjes,
-maakte deze wetenschap de dienstbare toch niet al te vrij in haar omgang, en botsingen
-tusschen beide waren zeldzaam. Behalve de functiën van kamermeid nam Pietje ook die
-van kamenier waar.
-</p>
-<p>„Wie is ’t?” vroeg Paula met beide handen bezig haar weelderig haar de laatste toetsen
-te geven. De groote „psyche” weerkaatste haar gansche gestalte.
-</p>
-<p>Een paar uren lagen tusschen het woeste tooneel met Larsen en nu, en sinds een uur
-was zij aan haar <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>toilet. De huilbui had een kwartier geduurd, en daarna was ze zich weer bewust geworden
-van de gewichtige zorgen die haar wachtten: kleeden met al wat daarbij hoort.
-</p>
-<p>Op haar vraag antwoordde Pietje:
-</p>
-<p>„Mevrouw Ennery. Ik heb maar gezegd dat u gauw zou komen. Ze wacht in de voorkamer.”
-</p>
-<p>„O, Margot!” zei Paula verheugd. ’t Bezoek was haar hoogst welkom, gaf haar de afleiding
-die ze verlangde.
-</p>
-<p>Margot Ennery was een oude schoolvriendin, iets jonger dan zij, thans weduwe van een
-rijke koffieplanter in Indië. ’t Was haar <span class="ex">intima</span>, voor zoover dit bij een vrouw als Paula mogelijk was.
-</p>
-<p>Wat Paula niet gaarne deed—zich haasten—deed ze thans voor haar vriendin. Trouwens,
-ze was bijna klaar, en met de hulp van Pietje had ze juist zes minuten noodig, om
-zoover te komen dat ze met voldoening een laatste blik in de „psyche” wierp: van de
-overgedreven storm nauw een spoor, voor haar waarneembaar, voor anderen zeker niet.
-Ze had gedurende de ingewikkelde toilet-werkzaamheden, tusschen de bedrijven door,
-wel gelegenheid gehad tot nadenken. Ze was tot de slotsom gekomen dat het hevige tooneel
-van zooeven zijn goede zijde had: van berouw daarom geen vleugje. Integendeel, ze
-vond de verhouding tot Larsen thans veel zuiverder <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>dan te voren. Hè, ze was nu dan eindelijk geheel haarzelve geweest. En wat ’t verklapte
-aanging—och, was dat ook wel zoo erg? Ze kòn zich niet voorstellen dat Larsen op den
-duur zijn standpunt zou blijven innemen: hoe zou dat mogelijk zijn, waar zij steeds
-om hem heen zou wezen? Och kom, hij bleef, en hield ’t geen maand vol, en dan.… zou
-ze weten gebruik te maken van de macht die haar begeerlijkheid haar tegenover hem
-zou schenken. Ze zou hem aantrekken door haar afstooten, o onfeilbaar zeker! En dan
-eindelijk, als ze zag dat de zege zeker was, dan ten slotte toegeven. Alles wel beschouwd
-was Larsen nog zoo kwaad niet. In haar woede had ze veel te veel gezegd, ongetwijfeld.
-’t Zou haar weinig moeite kosten weer lief tegen hem te zijn, en dan hem te doen gelooven
-dat al wat ze uitgeflapt had verzinsel was, louter uitdenksels om hem te krenken.
-Een verliefde man zooals hij gelooft immers alles! En dan kon alles nog goed worden;
-want per slot van rekening was een leven als kat en hond toch ook verre van aangenaam.…
-Nee, ’t moest weer goed worden.… Als Larsen inzag dat hij toch niet goedschiks van
-haar af kon, zou hij zijn gekrenkte eer zelf wel weer bepraten en er vrede mee nemen
-dat alles bij ’t oude bleef. Haar leven was toch niet zoo verwerpelijk, vergeleken
-bij dat van anderen. Haar vrienden kon ze immers <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>houden. „<span lang="fr">Pour avoir un amant, il faut être mariée</span>,” en vooral met zoo’n goeie lobbes.
-</p>
-<p>„Zoo’n zooltreder,” dacht Paula met een glimlach, toen ze de trap afging. Margot noemde
-Larsen zoo, en de gedachte aan haar vriendin bracht haar de uitdrukking te binnen.
-Ze was wel bar tegen hem geweest die middag. Waar zou hij zitten? Weer naar Van Thiemen?.…
-O, daar kwam ze op een heerlijk denkbeeld! Van Thiemen was altijd zoo aardig tegen
-haar geweest, en hij had blijkbaar veel vat op Larsen. ’t Was zijn boezemvriend. Nu
-ja.… was ooit vriendschap tusschen mannen een beletsel, als een bekoorlijke vrouw
-ertusschen trad? Ze zou Van Thiemen wel weten te bewerken, en dan zou ze hem er wel
-toe krijgen Larsen weer in ’t goede spoor te brengen. Ze lachte wat om die vriendschap!.…
-Ze hoefde maar een vinger uit te steken, en de boezemvriend zou.… Zelfvoldaan gleed
-haar blik langs haar beeld beneden in de spiegels links en rechts van de trap.
-</p>
-<p>Muziek klonk haar in de gang tegemoet.
-</p>
-<p>„Zoo?” riep ze vroolijk, en trad in de voorkamer. Margot Ennery<span id="xd31e1751"></span> zat vóor de piano en speelde. „Weer met je walsen?”
-</p>
-<p>„O, ik vin’ je España-wals verrukkelijk,” zei de toegesprokene, en stond van ’t piano-krukje
-op. <span class="corr" id="xd31e1755" title="Niet in bron">„</span>Ik kon niet nalaten ’m even te spelen. Anders had ik me verveeld.”
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
-<p>„Of je gelijk hebt. ’t Spijt me heusch vreeselijk dat ik je heb moeten laten wachten.…
-Kom, laten we hier niet blijven. ’t Is aangenamer in mijn boudoirtje hiernaast.”
-</p>
-<p>Paula lichtte de zware portière op, die de voorkamer—de eigenlijke salon—van bedoeld
-vertrekje scheidde—en de vriendinnen gingen arm in arm binnen.
-</p>
-<p>Naar ’t uiterlijk waren ’t vrijwel contrasten: Margot was hoog blond en slank. Tegen
-Paula’s kleine, welgevormde gestalte stak haar ietwat mager figuur sterk af. Zij miste
-ook de gratie zoo bizonder aan Paula eigen. Wellicht lag dit aan haar inderdaad buitengewone
-lengte. In smaakvolle kleeding deed ze voor haar vriendin niet onder. Innerlijk was
-er dit verschil, dat Paula het intellectueel verre won van Margot, al deed de laatste
-ook graag alsof ze geestig was. Haar levendigheid was ook geheel anders dan die van
-haar vertrouweling, miste het bekoorlijk gloedvolle, het bezielde, het echt hartstochtelijke:
-bij haar was ’t luidruchtigheid wat de plaats van Paula’s opgewektheid innam. Haar
-gepraat had iets bizonder druks, vermoeiends, had iets van leeg gerammel: bij Paula
-was muziek in ’t afwisselend hoog en laag harer stemmodulaties. De heele uitdrukking
-van haar gezicht had ook iets kouds en levenloos. In haar licht grijsblauwe oogen
-was geen vuur. Op de dunne lippen <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>had de lach iets van een stuiptrekking. Toch was ze lang niet leelijk. Ze was bizonder
-blank, en de kleur van ’t haar had iets van licht getint goud. Geen criticus, ja zelfs
-geen critica, kon, zonder zeer streng te wezen, aanmerking maken op eenig deel van
-haar gelaat, althans voor zoover lijn, vorm en kleur aanging. Maar haar schoonheid
-was die van een goed afgewerkt wassen beeld.
-</p>
-<p>Op vrij jeugdige leeftijd was ze met een familie mee naar Java gegaan, als een soort
-gouvernante voor de kinderen, en, nauwelijks een jaar te Batavia, had ze ’t aanzoek
-van een veel oudere koffieplanter uit de Preanger aangenomen. Na een vierjarig huwelijksleven
-zonder eenige stoornissen of bizondere wederwaardigheden, ook zonder moederschap,
-was ze op een goeien dag vrij om te gaan waar ’t haar lustte: want manlief was <span class="ex" lang="la">ad patres</span> en had haar een fortuintje nagelaten. Haar eerste werk was de „gordel van smaragd”
-te verlaten en ’t land van grauwe luchten en motregens weer op te zoeken. Haar moeder
-woonde in dezelfde stad waar Larsen woonde, daar had ze ook nog tal van kennissen
-uit haar meisjesjaren, zoodat ze weerstand bood aan de verleiding van ’t Haagje, die
-magneet voor uit Indië repatriëerende polderlanders, en zich in de provincie vestigde.
-Daar was zij met haar middelmatig fortuin een grootheid, die ze in ’t rijke Den Haag
-zeker <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>niet zou geweest zijn. Ook trok haar de omgang met Indische menschen niet aan—ze had
-genoeg van ’t leven daar, om er hier in ’t land nog telkens aan herinnerd te worden.
-Niet dat ze zich op Java erg misplaatst had gevoeld—o neen, haar oppervlakkige natuur
-was te emotieloos om veel te lijden onder de eentonigheid van een „plantenleven”—maar
-ze was te veel kleinsteedsche en gehecht <span class="corr" id="xd31e1771" title="Bron: aan aan">aan</span> ’t oude en bekende, ze miste assimilatie-vermogen. Ook wilde ze zich gaarne in haar
-nieuwe omstandigheden—betrekkelijk rijk en onafhankelijk—aan haar vroegere kennissen
-vertoonen, waar ze eertijds arm onderwijzeresje geweest was. Ze kocht een aardig huisje,
-dat er als een villaatje uitzag, richtte het vrijwel geheel in naar Paula’s inzichten
-en raadgevingen, en liet haar moeder bij zich inwonen: dit laatste meer uit welvoegelijkheidsredenen
-dan om de oude vrouw zelve. ’t Stond tegenover de wereld beter dat ze met haar moeder
-woonde dan zoo heel alleen. En de oude Mevrouw Van Asbeek was tegenover haar <span class="corr" id="xd31e1774" title="Bron: eeinge">eenige</span> dochter steeds de goedheid en toegevendheid zelve geweest—hoeveel te meer nu Margot
-haar weldoenster was.
-</p>
-<p>„’t Is toch een snoezig nestje dat je hier hebt!” riep ze bij ’t binnentreden van
-’t boudoir. „Ik kan niet nalaten ’t telkens te bewonderen. Zeg’s Paula, weet je dat
-ik mijn pruilkamertje net zoo heb laten inrichten?”
-<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p>
-<p>„Verandering aangebracht?” vroeg Paula afgetrokken.
-</p>
-<p>„Ja: alles blauw laten maken, maar overigens precies als hier.” Ze keek goedkeurend
-rond.
-</p>
-<p>„Och, je woû ook niet gelooven dat jij met je blonde haar niet past in een omgeving
-van rozerood! Maar zeg, kindlief, kom hier wat op de sofa zitten. Hier heb je een
-kussen. Zoo, zet dat achter je rug. Ziezoo, nu kom ik hier bij je zitten. Ik heb je
-wat nieuws te vertellen.”
-</p>
-<p>Paula keek gewichtig.
-</p>
-<p>„Zoo? Toe, vertel ’s.”
-</p>
-<p>Paula trok haar eene been op, en sloeg de handen in elkaar om haar opgetrokken knie,
-een geliefde houding van haar wanneer ze recht vertrouwelijk ging wezen. Onder het
-donker granaatkleurig kleed kwam haar roze-zijde onderrok te voorschijn.
-</p>
-<p>„Je raadt nooit wat het is,” zei Paula geheimzinnig.
-</p>
-<p>„Een nieuwe <span class="ex">adorateur</span>?”
-</p>
-<p>„Och! Dat is nooit nieuw genoeg. Die kan ik krijgen zooveel ik maar hebben wil!”
-</p>
-<p>„Nu, wat dan? Ga je op reis?”
-</p>
-<p>„Pas geweest in Augustus. Nee, nee, nee, ’t is iets heel heel ernstigs.…”
-</p>
-<p>„Kom, maak me niet nieuwsgierig. Ik geef ’t op.”
-</p>
-<p>„Ruzie met m’n man!”
-</p>
-<p>„Met je zooltreder? Maar dat is niet denkbaar!! Wordt-i jaloersch?”
-<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p>
-<p>„Iets van dien aard.…” zei Paula peinzend.
-</p>
-<p>„Scène gehad?”
-</p>
-<p>„Ja verbeeld je, en heel erg ook!”
-</p>
-<p>„Och, kom!.… En hij had ongelijk natuurlijk?”
-</p>
-<p>„Jawel, in ’t eerst, maar.… ik heb ’t later te bont gemaakt.”
-</p>
-<p>„Zoo, hoe dan?” ’t Kwam er eenigszins aarzelend uit: Paula’s overwicht gedoogde geen
-volledig uithooren.
-</p>
-<p>„Wel.… ik.…,” en Paula proestte het opeens uit.… <span class="corr" id="xd31e1810" title="Niet in bron">„</span>ik heb ’m in zijn gezicht geslagen! Nee, ’t is te erg.… die goeie brave, zooltreder!”
-</p>
-<p>„Is ’t heusch? Ha, ha, ha! Hoe kom je nu dáar toe? En is hij erg boos?<span class="corr" id="xd31e1814" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Ja, geducht.… Hij wil van me af.… Stel je voor!”
-</p>
-<p>„Van je scheiden? Kom, meent hij dat?”
-</p>
-<p>„Ja, dat zegt-i. ’t Is te mal om los te loopen. Och, ’t was ook niet uit te houen
-langer! Ik heb me ’s gelucht, eindelijk. En wat nog ’t leelijkst is, ik heb hem allerlei
-leelijks van mezelf verteld.”
-</p>
-<p>„Van je aanbidder?”
-</p>
-<p>„Och ja, om hem te treiteren,” zei Paula ontwijkend.
-</p>
-<p>„Hij zal je niet geloofd hebben.”
-</p>
-<p>„Dat hoop ik ook. De zaak is nu hem weer te sussen.”
-</p>
-<p>„Dat zal best gaan, zou je niet denken?”
-</p>
-<p>„Jawel, maar dan moet je me helpen. Kom hier veel: dat geeft afleiding.…”
-<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p>
-<p>„Goed, best, ik kan ’t wel met hem vinden. Ik blijf van middag bij je eten, is dat
-goed?”
-</p>
-<p>„Uitstekend. Ik weet anders geen raad: ’t Is zoo’n malle verhouding.… En met Didi,
-vin’ je niet?”
-</p>
-<p>„Zeker. Maar komt hij aan tafel?”
-</p>
-<p>„Och, ik denk dat hij ’t wel voor de vorm doen zal. Hij geneert zich tegenover de
-meiden en tegenover Didi.”
-</p>
-<p>„Stuur Didi maar veel bij mij, dan kan ze met Nero spelen.”
-</p>
-<p>Nero was een groote hond, die Margot erop nahield, een bizondere gunsteling van Larsen’s
-dochtertje.
-</p>
-<p>„Ze heeft toch niets gemerkt van jullie ruzie?” ging Margot voort.
-</p>
-<p>„Ik geloof ’t niet,” antwoordde Paula onverschillig. <span class="corr" id="xd31e1838" title="Niet in bron">„</span>Maar, zeg, je blijft dus, he? We hebben van middag tong—ossetong—daar hoû je immers
-van?”
-</p>
-<p>„O, delicieus! Zooals jij die altijd hebt.…”
-</p>
-<p>„Larsen is er dol op. Ik heb er nog gauw een laten halen.…”
-</p>
-<p>„Zoo’n slimmert! Wat ze met haar tong verbruid heeft, wil ze weer goed maken met een
-andere tong!” Margot lachte om haar eigen geestigheid.
-</p>
-<p>„Jij doet ’t woord dan maar, hoor,” zei Paula met een glimlach. <span class="corr" id="xd31e1845" title="Niet in bron">„</span>Palm mijn zooltreder maar goed in. En ratel er maar op los, dan heeft hij geen tijd
-om aan leelijke dingen te denken.”
-<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p>
-<p>„Laat dat maar aan mij over.… Maar vertel me ’s, heb je weer een andere modiste in
-Den Haag?”
-</p>
-<p>„Nee, juffrouw Laszalle, dezelfde van altijd. Waarom? Bevalt je dit pakje niet?”
-</p>
-<p>„Verbeeld je! Ik vin’ ’t snoezig. Ze schijnt voor jou beter te werken dan voor mij.”
-</p>
-<p>„Je hebt moeilijker figuur. Dat zegt ze ook.”
-</p>
-<p>Met een zucht keek Margot neer op haar lange gestalte, en op ’t nieuwe kostuum dat
-ze aan had.
-</p>
-<p>„Ellendig zoo lang te wezen! Je moest ons indertijd gezien hebben, mijn man en mij:
-om te schilderen! Hij meer dan een hoofd kleiner dan ik, stevig in zijn vleesch, en
-ik daarnaast.… Hij moest altijd op z’n teenen gaan staan als hij mij een zoen woû
-geven. Gelukkig was hij niet erg zoenerig uitgevallen. ’t Was zoo’n eigenaardig type!”
-</p>
-<p>„Je hield van hem, he?” vroeg Paula.
-</p>
-<p>„Och ja, dat weet je immers. ’t Was een doodgoeie vent.…”
-</p>
-<p>„En niet jaloersch, of.…?”
-</p>
-<p>„Heelemaal niet! Trouwens, daar in de binnenlanden was niet veel aanleiding tot zoo
-iets. Ik ben ’m altijd trouw geweest, heusch.”
-</p>
-<p>„Ik geloof je,” antwoordde Paula met een eigenaardige optrekking van haar onderlip.
-Ze begreep heel best dat die koude natuur geheel buiten passie kon. Margot was een
-van die vrouwen die noch de <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>innige, noch de hartstochtelijke, oppervlakkige soort van liefde kennen: geen man
-zou die ooit bij haar kunnen wekken, evenmin als zij ooit in staat was geweest, of
-zou wezen, een mannehart in gloed te zetten. Het huwelijk was voor haar een formaliteit
-geweest, die nu eenmaal in een vrouwenleven dient voor te komen, en had evenmin iets
-met innige gemoedsaandoeningen te maken gehad als bijvoorbeeld inenten of „aangenomen”
-worden bij de „<span class="corr" id="xd31e1863" title="Bron: domine">dominé</span>”. Zij had haar man genomen, omdat ze getrouwd wou wezen, en hij haar omdat hij genoeg
-had van ’t leven met een inlandsche huishoudster. En beide prozaïsche naturen hadden
-wonderwel bij elkaar gepast.
-</p>
-<p>„Mis je ’m erg?” vroeg Paula met een schuinsche schalksche blik.
-</p>
-<p>„M’n man?.… Och, wat zal ik je zeggen.… ’t was ’n beste kerel, maar.… ik ben weer
-aan mijn verlies gewend.”
-</p>
-<p>„Gelukkig mensch dat zich de wereldsche zaken zoo weinig aantrekt,” zei Paula met
-een zuchtje.
-</p>
-<p>Er was tusschen de vriendinnen anders maar zelden sprake van Margot’s vroeger huwelijksleven,
-en uit zichzelve kwam de weduwe er nooit toe, over die haast vergeten periode een
-woord te zeggen.
-</p>
-<p>Haar aandacht was dan ook dadelijk op Paula’s toestand gericht. Ze leî haar hand op
-haar schouder:
-</p>
-<p>„Kom, die bui drijft over,” zei ze sussend. „Larsen <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>is een goeiert, zooals ik er nog nooit een zag.”
-</p>
-<p>„Och, ik ben toch heusch veel, veel te bar tegen hem geweest,” zei Paula op komisch
-berouwvolle toon.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e1878" title="Niet in bron">„</span>Nu goed, doe boete, en toon je nu ’s erg lief.…”
-</p>
-<p>„Dat gaat niet—en dat is nu nog ’t onpleizierigste.… Nee, ik moet minstens veertien
-dagen koel blijven; vervelend voor <span class="ex">mezelf</span>, weet je, want <span class="corr" id="xd31e1885" title="Bron: ik ik">ik</span> kàn niet haatdragend zijn—daar ken je me <span class="corr" id="xd31e1888" title="Bron: te te">te</span> goed voor, nie’ waar?—ik kan niet mokken, en ik ben heusch bang dat ik uit mijn rol
-val.”
-</p>
-<p>„En wat zou dat nog?”
-</p>
-<p>„Wel—mijn prestige! Ik heb hem zelf gezegd dat ik hem als een vreemde zou behandelen.…
-en verbeel’ je dat ik dat nog niet eens veertien dagen volhield! Nee, ik moet zien
-wat <span class="ex">hij</span> doet. Hij moet de eerste zijn!”
-</p>
-<p>„Is dat dan ook niet bar?”
-</p>
-<p>„Och, nou ja, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Als hij maar een beetje toenadering
-toont, dan schiet ik wel los.”
-</p>
-<p>„In z’n armen.”
-</p>
-<p>„Nee, niet zoo in eens. Maar lief wil ik dan wel wezen.…” Paula verzonk in gepeins.
-„Hè, ik woû ’t al zoover was! Ik hoû niets van kibbelen en zure gezichten. Ik kan
-niet boos blijven.”
-</p>
-<p>„Hij ook niet.”
-</p>
-<p>„Nee, ik geloof ’t niet.… nee, zeker niet. Hij is <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>veel te goed en—houdt te veel van me. Maar je begrijpt: hij moet toch <span class="ex">iets</span> toonen nadat ik.… hem zoo.… zoo’n klets gegeven heb.…”
-</p>
-<p>Bij de herinnering aan haar hardhandigheid schoot Paula in een zenuwachtige lach:
-</p>
-<p>„Nee.… maar ’t was te.… te bar.… Hij moet een gezwollen wang ervan hebben! Arme vent.
-Ha, ha! Wil je wel gelooven dat ik hem zóo zou willen zoenen, Margot? Zoo’n beste
-goeie lobbes! Nee, ’t was heusch leelijk van me.…”
-</p>
-<p>„Dat is zeker de eerste keer dat je zoo iets gedaan hebt?”
-</p>
-<p>„Op m’n woord, hoor! Wat dacht je! Nee, we hebben nog nooit te voren zoo’n ruzie gehad.
-Z’n eigen schuld.… wat doet-i zoo jaloersch te wezen!.… En toch.… heb ik er eigenlijk
-spijt van.…”
-</p>
-<p>Margot keek belangstellend en met curieuze blik naar haar vriendin; zij kon zich al
-die hevigheid niet best voorstellen: tusschen haar en haar man was alles altijd zoo
-vlot en kalm gegaan.
-</p>
-<p>„En wat ga je nu al die tijd doen?” vroeg ze<span class="corr" id="xd31e1917" title="Niet in bron">.</span> „Ik bedoel zoolang ’t nog niet weer goed is? Je kunt toch niet de doofstomme tegen
-hem spelen zoo veertien dagen lang.…”
-</p>
-<p>„Wel.… ik ga veel piano-spelen.… en zingen. Daar luistert hij naar, of hij wil of
-niet. En dan—kom jij hier, en ik praat met jou. Of.… ik ga <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>lezen.… ’t Is waar ook, heb je wat moois voor me te lezen? Larsen heeft niets dan
-vervelende lectuur, je weet wel.…”
-</p>
-<p>„O ja, ik heb wel wat. Fransch, he?”
-</p>
-<p>„Goed, Fransch. Die Hollandsche romans <span class="corr" id="xd31e1927" title="Bron: vin">vin’</span> ik meestal taai. We hebben maar éen romanschrijver: Couperus, vin’ je ook niet?”
-</p>
-<p>Margot las om zich de tijd te dooden, en van stijl had ze maar heel weinig benul.
-Ze kende van de boeken die ze las de titels—de namen der schrijvers daar lette ze
-meestal niet op. Ze verwarde Therèse Hoven met Frederik van Eeden en Couperus met
-Melati van Java.
-<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">IX.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De vriendinnen praatten nog een poos gezellig door, en na een uurtje was Paula weer
-geheel de oude en vol hoop op herstel van den vrede. In den beginne had ze nu en dan
-wel aanvechtingen van twijfel gevoeld, al waren haar woorden tegenover Margot ook
-nog zoo vol zekerheid.
-</p>
-<p>De meid kwam zeggen dat ’t eten klaar was.
-</p>
-<p>„Is meneer thuis?” vroeg Paula.
-</p>
-<p>„Meneer is zooeven thuisgekomen, met Didi, mevrouw. Ik geloof dat ze boven zijn.”
-</p>
-<p>„Ga je even waarschuwen? En zeg dan meteen dat mevrouw Ennery er is, wil je? Wij gaan
-vast in de eetzaal.”
-</p>
-<p>„Goed, mevrouw.” Er was een vleugje van spot om Pietje’s ondeugende kleine mond toen
-ze de kamer verliet.
-</p>
-<p>In de eetzaal wees Paula haar vriendin haar gewone plaats—ze kwam bijna iedere week
-familiaar eten—naast Larsen.
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>„Lief die bloemen,” zei Margot, en boog een tak rozen naar zich toe, die op de etenstafel
-stonden. „Je hebt goed slag van rangschikken.”
-</p>
-<p>Paula lachte.
-</p>
-<p>„Je vergeet dat ik ’t laatste uur bij jou heb gezeten! Dat heeft Pietje gedaan.”
-</p>
-<p>„Nu ja, die inspireer jij. Ik hoû van bloemen op tafel. Ik doe ’t ook altijd.”
-</p>
-<p>„Och, Larsen is er op gesteld.… Een Engelsch gebruik. Je weet, zijn moeder was een
-Engelsche. Ik mag ’t ook, en ik heb vandaag wat nieuwe rozen besteld. Zeg maar dat
-jij ze gezonden hebt.…”
-</p>
-<p>Larsen trad binnen, en begroette Margot Ennery met vriendelijke beleefdheid, zijn
-vrouw knikte hij gewoon toe. Zij nam hem tersluik waar. He, ja, ze kon zien dat zijn
-eene wang.… of verbeeldde zij ’t zich?
-</p>
-<p>„Wel, Larsen, wat zeg je van mijn rozen?”
-</p>
-<p>„Jou rozen? Heb jij ze gezonden? Dat is heel aardig.”
-</p>
-<p>„Ja, uit mijn tuin: najaarsrozen. Snoezig, he? Kijk ’s, Didi.”
-</p>
-<p>Didi was met haar vader binnengekomen, en had haar moeders vriendin vriendelijk, maar
-op zichtbaar gedrukte wijze, gegroet.
-</p>
-<p>„Jij komt vandaag naast mij zitten, nie’waar kind?” zei Margot aanhalig. Didi had
-niet veel sympathie <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>voor de altijd pratende weduwe. Ze mocht haar hond veel liever. „Hoe maakt Nero ’t?”
-vroeg ze zonder op de uitnoodiging te letten. „Waarom heeft u ’m niet meegebracht?”
-</p>
-<p>„O nee, hij is zoo lastig. Kom jij hem maar ’s opzoeken, hoor.”
-</p>
-<p>Men zette zich aan tafel, Larsen en Paula stil, de laatste zenuwachtig; Margot steelsche
-blikken werpend, terwijl ze herhaalde malen haar stoel verzette en erg druk deed met
-haar servet; Didi met een wolkje van nadenken op haar voorhoofd.
-</p>
-<p>Larsen ondernam blijkbaar met graagte zijn gewone taak: voorsnijden.
-</p>
-<p>„Een mooie kalfsrollade!” riep Margot om iets te zeggen. „En Larsen snijdt weer om
-er jaloersch van te worden. Dat is nu toch een huishoudelijke bezigheid die een man
-beter doet dan een vrouw.”
-</p>
-<p>„Och, kom, ik kan ’t ook,” zei Paula.
-</p>
-<p>„Tegenwoordig willen de vrouwen alles even goed doen als de mannen; wat zeg jij, Larsen?”
-</p>
-<p>„Ik weet ’t niet.…” antwoordde de gastheer met een lachje zonder van zijn rollade
-op te kijken.
-</p>
-<p>„In ’t vleeschsnijden laat ik graag de mannen de eer.” Margot lachte. „In de rest.…”
-</p>
-<p>„Ben je voor volkomen gelijkheid?” vroeg Paula.
-</p>
-<p>„Nee, ik ben niet modern.… dat weet je. Ik bedoelde: voor de rest moet de man zich
-niet met <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>huishoudelijke bezigheden inlaten. Verbeel’ je, mijn man zette zijn eigen koffie.
-Dat is ’t eenige waarover we ’t nooit eens konden worden.…”
-</p>
-<p>Larsen onderdrukte een zucht, en sneed eenige te dikke plakken vleesch af. „Ja, hij
-beweerde, dat ’n ander ’t nooit zoo goed kon.”
-</p>
-<p>„Nu, dan zal ik je ’s <span class="ex">mijn</span> koffie straks laten proeven,” zei Paula. „Trouwens, die ken je.”
-</p>
-<p>„Ik moet bekennen: mijn mans koffie was onberispelijk. Hij wou altijd hebben dat ik
-ervan mee dronk, en dat deed ik dan ook maar. Je moet elkaar wat toegeven in ’t huwelijk.”
-</p>
-<p>Onderwijl diende Paula de soep.
-</p>
-<p>Larsen ging zitten en voorzag zijn buurvrouwen van wijn.
-</p>
-<p>„Je bent stil, Larsen,” zei Margot. „’t Erg druk gehad? Zeker weer vol van je werk?”
-Larsen keek op met een leegen blik.
-</p>
-<p>„Och, ja.… Je weet dat ik al maanden bezig ben. ’t Is nogal taai hier en daar, maar
-ik schiet gelukkig goed op.… ’t Eischt nogal veel gesnuffel in oude papieren, archiefstukken
-en zoo.…”
-</p>
-<p>„Ik kan me voorstellen dat het interessant is,” zei Margot. „Ik <span class="corr" id="xd31e1987" title="Bron: vin">vin’</span> ’t al een heel genoegen oude brieven na te lezen. Je vindt soms curieuzen—soms herken
-je jezelf niet in wat je vroeger geschreven hebt.”
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p>
-<p>Larsen keek weer op zijn bord, en fronste even de wenkbrauwen.
-</p>
-<p>„Jammer dat jou boeken zoo geleerd zijn, Larsen. Ik wou dat je romans schreef.”
-</p>
-<p>Hij romans! dacht Paula en onderdrukte een lach.
-</p>
-<p>Het tweede glas wijn deed bij haar alle gedwongenheid verdwijnen. In haar oogen blonk
-weer de oude overmoedigheid. Het gezicht van Larsen, die eenigszins krom over zijn
-bord gebogen zat, met een onmiskenbare trek van slecht onderdrukte wrevel om den mond,
-kreeg voor haar iets komisch in verband met de moeite die Margot zich gaf om hem aan
-de praat te krijgen.
-</p>
-<p>Beurtelings nam ze hen beiden waar, en ze voelde lust om zich te zijnen koste te amuzeeren,
-door haar vriendin aan te sporen en hem om zijn verlegenheid „in ’t ootje” te nemen.
-</p>
-<p>„Ja, Willem,” zei ze, „waarom schrijf je niet eens een roman? Je zou ’t best kunnen,
-geloof ik. En dan had ik ook nog ’s wat aan je boeken. Je kon er mij in te pas brengen
-bij voorbeeld.”
-</p>
-<p>Haar losse onbevangen toon verbaasde Larsen; maar beseffende dat hij hier in gezelschap
-beter deed te doen alsof er niets gebeurd was, antwoordde hij zoo goed hij kon op
-natuurlijke toon:
-</p>
-<p>„Geleerde en romanschrijver beiden zijn gaat niet. Een romanschrijver met zijn speelzieke
-verbeeldingskracht <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>zou nooit een betrouwbaar geleerde—vooral geen historicus—kunnen wezen. En een geleerde
-zou met zijn nuchtere logica nooit een leesbaar verhaal kunnen schrijven.”
-</p>
-<p>„Kom, larie!” riep Paula en sipte haar derde glas wijn leeg. „Dat is ’t gewone praatje.
-Geleerden zijn naar mijn idee veel te saai, te dor, te droog. Die mochten wel wat
-meer fantazie hebben: dan zouden ze genietelijker wezen, en de menschen zouden de
-wetenschap niet meer vervelend vinden. Dat is ze tegenwoordig altijd.”
-</p>
-<p>„Leve de fantazie!” riep Margot. „Zeker, Larsen, je moet maar ’s een mooie roman beginnen.
-Ik weet ’n mooie titel: „<span class="ex">Wetenschap en liefde</span>”. Van de liefde moet erin voorkomen, dat weet je: anders is ’t geen roman.”
-</p>
-<p>Paula praatte door:
-</p>
-<p>„Ik zal je dadelijk een voorbeeld noemen van een geleerde die romans schreef: Goethe.
-En zoo zijn er meer geweest en nog. Felix Dahn is een historicus als jij en schrijft
-ook wel romans, en Ebers is ook een geschiedenis-man. Deugen die soms minder omdat
-ze hun licht ook ’s buiten ’t kringetje van vakmannen laten schijnen? Kom! En dan:
-dichter of romanschrijver is „koekoek éen zang”. Nu: er zijn hoopjes dichters geweest
-onder de geleerden.”
-</p>
-<p>„Zeker niet onder de leiders, de allergrootsten.”
-<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p>
-<p>„Dat mag wezen; maar ’t is de vraag wie per slot van rekening de verdienstelijksten
-zijn geweest tegenover ’t menschdom. En dat is toch maar wel beschouwd ’t doel van
-alle wetenschap.”
-</p>
-<p>„Nee, Larsen, je legt ’t af, hoor,” zei Margot.
-</p>
-<p>Larsen glimlachte gedwongen. „Wil je nog een glas wijn?” vroeg hij en bewoog de flesch
-in Margot’s richting. Zij schoof haar glas een eindje vooruit.
-</p>
-<p>„Ze praat goed, dat moet je toegeven,” hervatte ze.
-</p>
-<p>„Zeker, daar twijfel ik niet aan. Vrouwen praten over ’t algemeen beter dan wij mannen.”
-</p>
-<p>„Dat bedoel je ironisch,” zei Margot.
-</p>
-<p>„Ik zeg <span class="ex">praten</span>,” verklaarde Larsen, „dat doen ze beter. <span class="ex">Spreken</span> is wat anders. Ze praten beter omdat ze meer fantazie hebben. Voor goed spreken is
-alleen logisch denken noodig.”
-</p>
-<p>„Zoo, complimenteus voor ons!” antwoordde Margot.
-</p>
-<p>„Een vrouw deugt daarom ook minder voor geleerde,” ging Larsen voort. „Een geleerde
-vrouw is ’t onvrouwelijkste wezen dat ik ken!”
-</p>
-<p>„Dat komt alweer om de oude misvatting!” riep Paula, „waarom is zoo’n geleerde vrouw
-als jij bedoelt <span class="ex">onvrouwelijk</span>? Omdat ze niet <span class="ex">aangenaam</span> is, omdat ze dezelfde vervelende eigenschappen heeft als een geleerde man, zoo opgevat;
-en in een vrouw hinderen die nog meer. Als je geleerde opvat zooals ik, zou ’t juist
-’t omgekeerde wezen. Een geleerde <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>moet iemand zijn van algemeene ontwikkeling. Tegenwoordig zijn geleerden bijna altijd
-eenzijdig. ’t Moeten menschen zijn wier <span class="ex">smaak</span> ook ontwikkeld is, die wat <span class="ex">kunstzin</span> hebben; en zoo iets bereiken vrouwen gewoonlijk makkelijker dan mannen. Er zijn vrouwen
-geweest die elegant en aantrekkelijk waren en toch geleerd. Dat is je ware. Daar moet
-het heen. Wij vrouwen zullen de wereld moeten toonen hoe je geleerd moet wezen.”
-</p>
-<p>„Laten we daar ’s op drinken,” zei Margot, die vond dat het gesprek wat „hoog” begon
-te worden. „Nee, ik vin’ ’t ook: een geleerde moet het niet beneden zich achten zijn
-oordeel te zeggen over.… bij voorbeeld een smaakvolle nieuwe hoed. Dat is <span class="ex">ook</span> kunst. Daarom betaal je die zoo duur. Ik wed dat jij, Larsen, niet eens opgemerkt
-hebt dat ik vandaag een nieuw kostuum draag!”
-</p>
-<p>„O, jawel, ’t is heel aardig!”
-</p>
-<p>„Och, kom, ik geloof er niets van! Heel aardig! Dat ’s altijd zoo jou stopwoord. ’t
-Zegt zoo niets. Paula vindt ’t niet mooi.”
-</p>
-<p>„O, nu.…”
-</p>
-<p>„Dan trek jij je „aardig” weer in! Prachtig, dat moet ik zeggen.”
-</p>
-<p>„Och,” zei Paula, „je moet van hem buiten zijn vak nooit iets anders verwachten. Als
-ik hem iets moois voorspeel of zing, zegt hij òf niets, òf, als <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>ik hem vraag hoe hij ’t vindt, steeds „heel aardig”.”
-</p>
-<p>„Nu ja, je weet wel beter,” zei Larsen.
-</p>
-<p>„O, ik heb ’m eens op de proef gesteld!” ging Paula voort. „Verbeel’ je: ik had eens
-mijn kapsel allerbespottelijkst opgemaakt. Onder andere had ik er een van die kleine
-Japansche waaiertjes ingestoken. Hij lette er niet op, en toen ik zijn meening vroeg,
-jawel, hoor: „heel aardig!” kwam er toen weer.”
-</p>
-<p>Larsen voelde zich ongemakkelijk, en verlangde naar ’t einde van de maaltijd. Zelfs
-de ossetong, zijn lievelings-gerecht, kon hem niet de noodige afleiding geven.
-</p>
-<p>„En hoe vin’ je die tong?” vroeg Paula, die haar man even gadegeslagen had en ’t niet
-pleizierig vond dat haar „attentie” blijkbaar weinig waardeering bij hem inoogstte.
-</p>
-<p>„Heel aardig!” zei Margot, en lachte luid.
-</p>
-<p>Larsen deed ontdekkingen op ’t terrein van Paula’s karakter. Hij had daarvan in de
-laatste vier-en-twintig uren meer waargenomen dan in de voorafgaande dertien jaren
-van zijn huwelijk. Merkwaardigerwijze was niets of nagenoeg niets meer overgebleven
-van de voorstelling die hij zich zooveel jaren lang van haar gemaakt had. ’t Was of
-er een heel ander beeld voor in de plaats was getreden. Zooals in ons voorstellingsvermogen
-regel schijnt te wezen, denken wij ons een bepaald persoon steeds in een bepaalde
-<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>gedaante en steeds enkele eigenschappen vertoonend, of woorden sprekend die <span class="ex">ons</span> het meest in hem of haar opgevallen zijn. Er is als ’t ware een signalement in enkele
-trekken in voorraad, ergens in ons magazijn van denkbeelden, dat we, zoodra de persoon
-ter sprake komt, voor den dag halen. Dit doen we zelfs—vooral wanneer we menschen
-van een overwegend impressioneel leven zijn—wanneer de persoon aanwezig is, met ons
-spreekt; en al zien we ook tegenstrijdigheden, eigenaardigheden die niet met het „signalement”
-overeenkomen, we storen er ons meestal niet aan, en vaak is iets als een electrische
-schok in de vorm van een treffende gebeurtenis of handeling noodig, om ons duidelijk
-te maken dat het signalement niet deugt of zelfs maar wijziging behoeft.
-</p>
-<p>Zoo ging het met Larsen tot zijn innige verbazing.
-</p>
-<p>Hij zag en hoorde Paula praten, sloeg haar ongedwongen houding gade en, hoe dikwijls
-hij haar ook te voren zoo gezien had, thans was ze hem nieuw. Voor zijn geestesoog
-verbond zich nu haar persoonlijkheid steeds met de mooie furie in <span class="ex">kimóno</span>, en in het timbre van haar stem, waarnaar hij zoo vaak met genot geluisterd had,
-klonk hem thans steeds iets onaangenaams, schrijnends, woests. En telkens hoorde hij
-haar woorden: „Wil je namen?!” zooals zij die tegen hem uitgevlijmd had; telkens <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>ook hoorde hij opnieuw dat honend-sarrende „cocu”, zag en voelde hij haar op zich
-afvliegen als een dolle. Hij was bleek, en toch voelde hij zijn eene wang gloeien;
-hij was schijnbaar kalm en hij voelde zijn hart omdraaien van walg en afkeer. En ’t
-was of hij valschheid en huichelarij zag in ieder woord, in iedere blik, in ieder
-gebaar dat hij van haar waarnam. Hij slikte zijn eten met brokken in, dwong zich om
-niet opvallend weinig te eten. Nu en dan bewoog hij zijn eene hand, verschikte zijn
-servetring naast zijn bord, en werd zich dan opeens bewust van zijn afgetrokkenheid:
-de gast mocht niets merken. Hij deed zich geweld aan, om op gewone toon te spreken,
-te antwoorden althans. Hij voelde zich ellendig.
-</p>
-<p>En Paula en Margot merkten niets, vonden hem opvallend gewoon; zooals Margot het na
-tafel noemde. En de laatste luchtte haar geestigheid onbevreesd: ze kreeg zelfs een
-goedkeurende glimlach van Larsen terug, ja zelfs een goedig „zeker, zeker,” of een
-passe-partout als „nu, die is goed!” waar zij van hèm al zeer mee in haar schik was.
-</p>
-<p>De koffie werd vóor gebruikt, en Larsen kon zich eindelijk, met een onbeschrijfelijk
-gevoel van opluchting, op zijn gemak neerzetten; in een fauteuil en eenigszins „verdekt”.
-Hij nam zich stellig voor zijn marteling niet langer dan nog éen kwartier te <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>laten voortduren, en zich dan bij Margot te verontschuldigen.
-</p>
-<p>Hij was dankbaar dat de drukke gast op andere wijze lucht ging geven aan haar vroolijkheid
-en rammelzucht dan door de menschelijke spraak, al was de muziek die ze te hooren
-gaf dan ook van ’t zelfde gehalte. Dat het Japansche koffiekopje, half leeggedronken
-op de piano, alle maten tjingelend meedanste scheen háar niet te deeren, en hinderde
-de zwaarbezochte Larsen zeker veel minder dan ’t afdwingen van zijn aandacht voor
-haar gepraat.
-</p>
-<p>Paula stond naast de piano, en wisselde nu en dan een blik met haar vriendin.
-</p>
-<p>„’t Gaat goed,” fluisterde Margot tusschen twee harde akkoorden in „Zou-i gaan dutten?”
-<span class="ex">Rèngel</span>—<span class="ex">dèng</span>—<span class="ex">tèng</span>—<span class="ex">tjieng</span>—<span class="ex">tjieng</span>! klaterde de wals van Margot.
-</p>
-<p>Paula keek even om, en knikte tegen haar met een lach.
-</p>
-<p>Larsen zat met half afgewend gelaat, de baard tegen de borst, beenen over elkaar en
-de beide handen op zijn eene knie; zijn gedachten een baaierd, zijn hart als een wezenlooze
-klomp. En hij voelde zich zwaar neerzakken in een ongekende diepte—diep, heel diep—deed
-geen poging om boven te blijven—zakte maar steeds, willoos, rampzalig.…
-</p>
-<p>De stilte als afknappend tegen Margot’s laatste <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>akkoord, deed hem ’t hoofd opheffen. Zij zag ’t en met haar vriendelijkst hoog stemintervalletje
-vroeg ze:
-</p>
-<p>„Mooi, he, die wals, vin’ je niet, Lars?”
-</p>
-<p>De toegesprokene keek haar even aan, voordat hij antwoordde. Hij zag ’t hoogblonde,
-vrij losse, ietwat raagbolachtige kapsel, de lange nek—blank en mooi—de poppenoogen,
-poppeneus, poppemond en poppetandjes—regelmatig, scherp en glanzend—en hij vond haar
-antipathieker dan ooit te voren. Hij wist niet waarom.
-</p>
-<p>„Heel aardig!” zei hij niettemin vol overtuiging.
-</p>
-<p>Paula schoot in een stuiplach, die ze tevergeefs trachtte te bedwingen.
-</p>
-<p>„Och, jij ook!” zei ze tusschen twee krampjes tot Margot, om haar lach verklaarbaar
-te maken. „Wat kan nu iemand die pas wakker wordt anders zeggen dan.… heel aardig!”
-</p>
-<p>„Ik heb niet geslapen,” zei Larsen kalm en op een helder klinkende toon, die hem zelf
-opviel.
-</p>
-<p>Hij verbaasde zich nogmaals over Paula, en een oogenblik later verbaasde hij zich
-over zijn verbazing. Wist hij dan nog niet dat bij die vrouw alles aan de oppervlakte
-lag, dat ze slechts de opperhuid van een ziel had?
-<span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">X.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Pietje de kamermeid zat die avond alleen in de keuken, of, beter gezegd, die avond
-na achten; want haar collega de keukenmeid had haar „uitgangsdag” en verdween dan
-vrijwel onmiddellijk na de maaltijd; terwijl ze de „vaten”, zoo juist van tafel afgenomen,
-in hun onreine toestand op haar thuiskomst—klokke half elf—liet wachten. Pietje had
-dus ’t rijk alleen, en daarin verheugde zij zich deze keer. Zeker iets ongewoons,
-want Pietje praatte anders graag, en vond het gewoonlijk „zielig” zoo op haar eentje
-in het spijzen-laboratorium haar avonduren te slijten.
-</p>
-<p>Ze had iets bizonders die avond, iets heel bizonders, dat haar volle aandacht in beslag
-nam. En ’t was niet alleen iets buitengewoons, ’t was ook een bezigheid die tijd en
-omzichtigheid eischte. Daarvoor moest ze ongestoord minstens een paar uur kalmpjes
-kunnen neerzitten. Niettemin was ’t een aangename bezigheid. Zeker, zeer aangenaam,
-hoe onwaarschijnlijk <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>dit ook moge klinken van een zoo bizonder gezellig, praatziek en ongeduldig schepseltje
-als Paula’s vertrouwelinge, Pietje van Groenewoud.
-</p>
-<p>Pietje’s oogen stonden dan ook heel genoegelijk. Er blonk een eigenaardig schijnsel
-in van innige verkneukeling, van ondeugende dartelheid. En ze had nòg hoogere kleur
-dan anders.
-</p>
-<p>Nauwelijks was de „glazen deur” met ’t mousseline gordijntje achter Kee’s breede rokken
-gesloten, of Pietje zette haar stoel, waarop ze achteroverleunend tegen de gootsteen
-had gewiebeld, toen Kee er nog was, met de rugleuning naar de deur tegen de tafel,
-ging er voorzichtig op zitten, schoof een paar borden en glazen een heel eind van
-zich af op de withouten tafel, zoodat ze zeker een vrije ruimte van een halve meter
-straal om haar boezem vóor zich had, maakte een drievoudig vreugdegeluidje met haar
-keel, waarbij haar mond eens zoo lang opgrijnsde, en—tastte in de zak.
-</p>
-<p>„Ziezoo, dat ’s éen,” mompelde ze, bekeek het kleine voorwerp aandachtig, draaide
-het om, vertrok haar mond even spijtig, en leî het vóor zich neer, heel in de hoogte.
-’t Was een stukje papier zoo groot als een cent, en er stond niets op. Onmiddellijk
-frommelde ze weer in haar zak, en haalde er ditmaal twee stukjes uit, van ongeveer
-dezelfde afmeting.
-</p>
-<p>Weer het aandachtig onderzoek. Een teleurstelling <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>en een vreugde: weer een onbeschreven stukje, en een ander met eenige letters erop.
-</p>
-<p>Wat stond er? Pietje kon er niets uit maken, met de beste wil niet! Maar, zie, de
-eerste letter was een groote, een hoofdletter. En Pietje had genoeg geleerd op school
-om te weten dat een zin met een hoofdletter begint.
-</p>
-<p>Dat stukje—met de hoofdletter—dus weer bovenaan, links, naast ’t witte van zooeven,
-en ’t andere blanco-stukje rechts, ver van zich af.
-</p>
-<p>Met een zucht kwam er een vierde stukje—tweemaal zoo groot als dat met de hoofdletter,
-en daarop stond—heerlijk!—een drietal woorden: „hand te drukken.”
-</p>
-<p>„Best,” zei Pietje bijna hardop. Dat was al iets, al was er geen slot of zin aan.
-Ze leî het na eenig overleg en aarzeling in ’t midden. Voorloopig, zie je.
-</p>
-<p>’t Volgende papiertje was een ware vondst: .…<span class="ex">udolf</span>.… stond er, duidelijk. Wel, dat was een stuk van een naam.… En daar hoorde die hoofdletter
-bij, want dat was een R! <span class="ex">Rudolf</span> dus, mooi.
-</p>
-<p>Pietje was verrukt, en in haar extaze vergat ze een oogenblik het gevonden woord op
-de vermoedelijk juiste plaats te zetten.
-</p>
-<p>Wel, wel, Rudolf! Hij heette dus Rudolf.… Een liefje van mevrouw? Natuurlijk! Maar
-wie zou <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>’t wezen?.… Daar hadden ze dus ruzie over gehad, boven in de studeerkamer.… toen ze
-mevrouw zoo hoorde „te keer gaan.…”
-</p>
-<p>Pietje kon haar lachen niet bedwingen. Wel, wel, wel, wat was ze dom geweest iets
-<span class="ex">anders</span> te denken!
-</p>
-<p>In blij gepeins verzonken lag ze achterover in haar stoel, de oogen half dicht. Ze
-had waaratje gedacht dat.… meneer.… nee, maar verbeel’ je, meneer, die goeie, doodgoeie
-meneer.… Nee, ’t was om te proesten! Dat <span class="ex">meneer</span> een liefje gehad had en een brief van <span class="ex">haar</span> gekregen had, en dat mevrouw daarom zoo boos geweest was. Waarom was ze dan anders
-zoo verschrikkelijk nijdig geweest.… en nou ja.… die goeie sullen van mannen.… als
-’t erop aankwam waren ze al net als de rest, hoor! Dat dacht ze zoo.… Maar toch.…
-nee, dit was waarschijnlijker, veel waarschijnlijker. Een liefje van mevrouw! En die
-heette Rudolf.… Zeker die officier.…
-</p>
-<p>Nog een minuut lang peinsde Pietje. Toen greep ze energiek in haar zak, en haalde
-er een heele dot papiertjes uit. Ze moest er gauw meer van weten, hoor. Ziezoo, nu
-uitspreiden, uitzoeken.
-</p>
-<p>Hè, ’t was om tureluursch te worden! Er waren zeker wel dertig stukjes. ’t Passen
-en schikken, ’t vreugdevol bijschuiven, en verdrietig wegvegen <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>duurde zeker een half uur. En Pietje zuchtte en lachte en kirde zoo tusschenbeide.
-Hè, lam zoeken was dat! En toch.… ze zou weten wat er in die brief stond.… daar hielp
-geen lieve vader of moeder aan. Nee, mevrouwtje, daar zou ze achter komen, en lekker
-ook!
-</p>
-<p>De legkaart begon wat vorm te krijgen: ’t voornaamste was ontdekt, lag op zijn plaats,
-behoorlijk, ontwijfelbaar juist.…
-</p>
-<p>Telkens las ze.… raadde ze.
-</p>
-<p>Wat stond er nu? Om des te meer voldoening van haar werk te hebben, had ze een heele
-poos de woorden der verschillende stukjes niet in hun onderling verband willen lezen.
-</p>
-<p>Nu deed ze ’t.… Jawel.… goed, maar was zij dáarom zoo boos geworden?.… En, wat was
-dat? „<span class="ex">Zíjn kind.… óns kind.…</span>” Lieve deugd, had mevrouw?.… Nee, maar.… En daar was hij dus achter gekomen, meneer!
-Nee, dàt had ze toch niet gedacht.… Dus.… o, nu snapte ze alles! Pietje’s voldoening
-bij de volledige ontdekking van de geheimzinnige inhoud van ’t schriftuur had een
-bijsmaak.
-</p>
-<p>Pietje was geen slechte meid: wat wuft, erg nieuwsgierig.… maar wat ze daar las was
-toch heel erg, hoor.… Ze moest nog aangenomen worden bij de dominé, en.… dat zou over
-een maand al wezen.
-<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p>
-<p>Zoo’n onbescheidenheidje.… nou ja.… maar Pietje vond.… dat zij, als ze mevrouw was.…
-’t nooit zoo ver had laten komen. Een onschuldig vrijagetje, dat had er nog door gekund.
-Maar, heî je nou ooit, zoo’n geschiedenis, en dan tegenover die goeie meneer!
-</p>
-<p>Weer verzonk Pietje in gepeins achterover in haar stoel, de eene hand—klein, maar
-met krootroode werkvingertjes—slap op de tafel voor zich, de andere in haar schoot.
-</p>
-<p>Die Rudolf was toch niet.… Nee.… meneer Van Breehorst heette.… och, hoe heette die
-ook weer?.… O, ja, Frederik.… of eigenlijk Frits: zeker, ze had mevrouw wel ’s Frits
-hooren zeggen. Die kwam een poos geleden nogal veel in huis, en mevrouw mocht hem
-heel graag: o, zeker dat had ze wel kunnen zien. Ze was toen pas in dienst.… drie
-jaar geleden.… Maar dan dat kind.… Och, hoe kon ze nou zoo ezelachtig wezen.…! Ja,
-maar die groote dames kunnen dat zoo mooi stilhouden.… en dan uitbesteden ergens.…
-dat kind.… en dat was toen gestorven.… Och nee, dat was toch „krimmeneel” onmogelijk:
-daar zou ze als kamermeid toch wel <span class="ex">iets</span> van gemerkt hebben.… ’t Is waar, mevrouw liet haar bij alle vertrouwelijkheid nooit
-in de badkamer, als ze daar bezig was met water te knoeien.… maar nou ja, je kunt
-zoo iets <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>toch wel snappen.… <span class="ex">Pietje</span> kon zoo iets wel snappen.… Nee, Pietje wist te veel van mevrouw.… meer dan meneer,
-hoor. Nee, nee, nee, die veronderstelling was te gek. ’t Moest van vóor haar tijd
-wezen. Hoe zou ze daar licht in krijgen?.… Ze wou ’t toch zoo graag weten.… Niet om
-’t een of ’t ander tegen mevrouw.… nou, dat moest er nog bijkomen; ze hield immers
-zooveel van mevrouw! Maar, och, zie je, ze.… ze.… nou ja, ze woû, ze moest en zou
-’t weten.…
-</p>
-<p>Pietje’s gepeins werd dieper, absorbeerender.
-</p>
-<p>Opeens sloeg ze op de tafel met haar kleine roode vuistje. Ze schrok er zelf even
-van.
-</p>
-<p>Die Rudolf.… wel, dat was die vriend.… nee, die neef van meneer, die jaren geleden
-naar „de Oost” gegaan was! Daar had je ’t! O, dat was <span class="corr" id="xd31e2200" title="Niet in bron">het </span>vast. Zeker, die heette Rudolf. Ze had er meneer wel ’s over hooren spreken. Meneer,
-ja, mevrouw niet. Nee, mevrouw had nooit iets van hem gezegd.… Laatst, ’t was voor
-eenige weken nog, had meneer een brief uit Indië gehad, van z’n broer—ja, van z’n
-broer, ze wist het nog goed—en toen had ie nog tegen mevrouw gezegd: „Hoe vreemd,
-nie waar, vrouwtje, dat we maar altijd niets van Rudolf hooren?”.… Ja, en toen zei
-mevrouw nog: „Ja, erg vreemd”—niet meer—en toen zei hij weer: „Ik had zoo gehoopt
-eindelijk ’s wat van ’m te hooren.” Ze herinnerde <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>zich nog best dat ze juist wat in de huiskamer ronddribbelde, toen Mevrouw haar gebeld
-had, aan de koffietafel.
-</p>
-<p>Zeer tevreden over haar ontdekking klaarde Pietje’s gezicht weer op. O, maar, als
-’t dàt was.… wel, recht beschouwd was ’t dàn toch zoo vreeselijk niet. De man was
-immers weg, heel ver weg. Ze wisten nie’ eens waar-i zat. En ’t kind was ommers dood.
-</p>
-<p>Pietje vond telkens nieuwe bewijsgronden dat haar mevrouw toch nog niet zoo slecht
-was als ze gedacht had.
-</p>
-<p>Ze stond van haar stoel op, richtte zich naar de schoorsteen, reikte even naar ’t
-lijmpotje in de hoek op de richel. Daarna ging ze weer zitten, schoof de lâ van de
-keukentafel open, haalde er een stuk van een oude courant uit, en begon te plakken.
-</p>
-<p>Er ontbraken een paar stukjes hier en daar. Dat kwam er niet op aan, want de brief
-was toch goed in zijn geheel te begrijpen. Pietje begreep er genoeg van ten minste,
-en ’t was een kostbaar stuk. Ja, een papier van belang, dat besefte ze. Waar zou ze
-’t bewaren? Hier in de keuken zeker niet.… nee, voor geen geld mocht Kee zoo iets
-zien: de zaak was ommers uit, heelemaal uit, en ’t was beter dat geen haan ernaar
-kraaide.
-</p>
-<p>En toch was mevrouw zoo boos geweest. Nu, dat begreep ze nu wel: meneer moest ook
-niet zulke <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>ouwe koeien uit de sloot halen.… en dat had-i zeker erg onpleizierig gedaan. Meneer
-kon soms onpleizierig wezen, hoor. Niks nie vriendelijk, altijd zoo met die basstem,
-en dan hij lachte zoo weinig. Nee, als zij mevrouw was geweest.… zou ze toch ’n ander
-genomen hebben. En òf ze. Mevrouw hield toch ook zeker niet van hem. Ik had ’t altijd
-wel gedacht: hoe kon je nou ook van zoo’n saaie knul houden?
-</p>
-<p>Die lieve mevrouw.…
-</p>
-<p>Pietje voelde zich een beetje aangedaan. Als ze ’s die’ brief aan mevrouw gaf.… O,
-mevrouw zou misschien even boos zijn, maar dan.… per slot van rekening zou ze ’t toch
-wel prettig vinden dat ongelukspapier weer in haar handen te hebben. Ze kon ’t dan
-verbranden.… Ja, maar, was dat wel zoo zeker? Zou mevrouw niet furieus op haar zijn,
-omdat ze zoo brutaal geweest was die stukjes op te rapen, en de brief te lezen?.…
-Och, nee, ze woû ’t toch maar liever niet doen. Niet direkt ten minste. Eerst maar
-goed bewaren. Boven in haar „lâtafel”, haar heiligdom, daar zou ze ’t wegleggen, dat
-papier. Onder haar baaien rok.… nee, liever in de onderste lâ: daar kwam ze nooit
-in.
-</p>
-<p>Plotseling keek Pietje verschrikt op.… Wat was dat? Krimmeneel, is dat schrikken,
-en ’t was maar die lange sladood van een mevrouw Ennery: wat sloeg dat mensch op de
-piano!
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p>Pietje keek ’s op de klok rechts van haar aan de wand. Kwart over tienen al. O, Kee
-kwam pas over een kwartier of zoo.… Haar gedachten gingen een heel andere kant uit:
-uitgaan, haar vrijer.… of, vrijer.… eigenlijk had ze er geen.… of meer! Ja, ze wouen
-haar allemaal wel hebben, maar ze had haar woord.…
-</p>
-<p>Weer een schrik.
-</p>
-<p>De deur ging open, en Kee stevende binnen, roodstralend van wangen, met glinsterende
-oogen.
-</p>
-<p>„Zoo, wat voer jij uit? Je zit zoo te koekeloeren.…”
-</p>
-<p>Pietje stond doodsangsten uit. Opeens liet ze haar bovenlijf over haar legkaart vallen,
-en steunde haar hoofd met beide handen.
-</p>
-<p>„Och, ik heb slaap.…”
-</p>
-<p>„Waarom ga je maar niet na’ bed?” zei Kee medelijdend en moederlijk.
-</p>
-<p>„Ja.… nu jij thuis bent.… Maar die mevrouw Ennery is nog niet weg.… Dat vervelende
-schepsel.…”
-</p>
-<p>Kee verdween in de gang. Gelukkig. Ze had haar mantel nog niet uitgedaan.
-</p>
-<p>Fluks schoof Pietje het papier vóor haar in de lâ van de tafel. In vredesnaam: daar
-maar voorloopig. Er was niets anders op.
-</p>
-<p>Pietje ging naar bed, angst in ’t hart.…
-</p>
-<p>Eerst anderhalf uur later hoorde ze Kee naar boven komen. En toen ze in ’t kamertje
-naast haar Kee’s <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>welbekend gesnurk hoorde—die meid sliep altijd als een roos, vooral na een uitgangsavond—kroop
-ze voorzichtig uit haar bed, schoot haar muilen aan, en sloop de trap af. Naar de
-keuken.
-</p>
-<p>Ze had ’t papier, hoor. Dat beroerde ding! Wat ’n angsten gaf haar dat nu al! Ze woû
-dat ze ’t nooit gevonden had. Ook toen ’t veilig in de onderste lâ van de bruine „lâtafel”
-lag; want slapen deed ze heel slecht die nacht. En droomen, nee’ maar!
-</p>
-<p>Ze was er de volgende ochtend kapot van.
-<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Als men een fraaie <span class="ex">fresco</span>-schildering van een muur wegbreekt of afkrabt, blijft er een leelijke „moet” achter,
-iets dat het oog bizonder onaangenaam aandoet; en hij die weet wat vroeger daar tot
-verlustiging van de blik geschilderd was, voelt dan iets van de schrijning eener ontheiliging
-in zijn hart. Toch was die schildering slechts een sieraad, een bijkomend iets, en
-de muur zou evenzeer aan zijn eigenlijk doel beantwoord hebben zonder dat, en zal
-dat ook wel doen nadat het verloren gegaan is.
-</p>
-<p>Voor Larsen was zijn liefde schoon als zulk een <span class="ex">fresco</span>, maar ze was meer dan een sieraad van zijn bestaan, ze was daarmee vergroeid. En
-de wonde in zijn ziel geslagen na de plotselinge wegrukking dier liefde, was daarom
-vreeselijk.
-</p>
-<p>Larsen’s liefde was zijn gansche zieleleven: zijn godsdienst, zijn eerzucht, zijn
-geestdrift voor wetenschap en kunst.
-</p>
-<p>Zijn liefde was zijn godsdienst, omdat voor hem <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>godsdienst de vereering was van al wat goed en schoon is. En in zijn Paula vereerde
-hij de belichaming van beide. Als hij zelf er zoo nuchter over had kunnen nadenken,
-dan zou hij ingezien hebben hoe dit verschijnsel bij hem slechts een andere vorm was
-van dat hetwelk men bij zooveel volken vindt: afgoden- en heiligendienst. De menschen,
-niet tevreden met het abstracte, willen verpersoonlijking, concentratie van vereering
-op een tastbaar voorwerp. Zijn aanbidding van die vrouw was te vergelijken met die
-van de stier <span class="ex">Apis</span> door de Egyptenaren of van <span class="ex">Jan van Leiden</span> door de Wederdoopers.
-</p>
-<p>Van ’t zelfde beginsel uitgaande, was echter zijn aanbidding vuriger en dus ook meer
-verblindend. En toen ’t licht plotseling uitdoofde, stond hij radeloos in ’t duister.
-</p>
-<p>Zijn liefde was zijn eerzucht, omdat hij zich geen geluk kon denken zonder zijn liefde,
-en alle streven naar geluk in dienst zijner liefde was. Zijn liefde maakte hem fier,
-staalde zijn werkkracht. En toen zij verdween, verzwond ook de lust, zweeg het „excelsior!”
-dat zijn liefde hem steeds had toegeroepen. En hij stond doelloos, verbijsterd, wezenloos.
-</p>
-<p>Zijn liefde was zijn geestdrift voor wetenschap en kunst; want deze was slechts éen
-uiting der levensvreugde die hem vervulde door zijn liefde. Waar zij niet meer zijn
-ziel doorjuichte, werd ook de geestdrift <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>uitgebluscht, en leek hem mat en kleurloos wat hem zoo lang heerlijk had toegeschitterd.
-</p>
-<p>Zoo was dan zijn gansche innerlijke mensch geschokt, zijn zieleleven op het doode
-punt gekomen.
-</p>
-<p>Als een tastende in den blinde had hij naar een uitweg gezocht. En toen hij zich die
-afgesloten zag, was het of alles voor hem ophield. Dagen achtereen leefde hij voort
-in dof broeden, en zijn lichaam voldeed aan de eischen van zijn stoffelijk bestaan
-als een nachtwandelaar.
-</p>
-<p>Hij meldde zich ziek, en gaf zijn colleges niet meer. Hoe zou hij kunnen, mijn God,
-met zulk een hel in zijn hart, zulk een chaos in zijn hersenen!?
-</p>
-<p>Zijn ijzersterk gestel zwichtte ten slotte, en hij gaf zich geheel en al gewonnen,
-ook tegenover zichzelven.
-</p>
-<p>Op een morgen—een week na ’t vreeselijke tooneel met zijn vrouw—wilde hij opstaan;
-maar de inspanning was hem te groot, en hij zonk weer terug in zijn kussens, slap
-en machteloos. Hij was anders prompt om acht uur aan ’t ontbijt, zelfs in die zeven
-dagen van wanhoop.…
-</p>
-<p>Om half negen verscheen Paula aan zijn bed. Hij was blijven slapen in de logeerkamer,
-en Paula had er zich niet tegen durven verzetten.
-</p>
-<p>„Ben je ziek?” vroeg ze toonloos.
-</p>
-<p>Hij antwoordde niet. Zijn oogen staarden haar aan. Hij lag achterover, ’t hoofd midden
-op ’t kussen, zonder beweging.
-<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p>
-<p>„Wil je niet wat gebruiken.… je ontbijt.…? Zal ik ’t boven laten brengen?”
-</p>
-<p>Hij schudde het hoofd, even.
-</p>
-<p>Paula drong niet verder aan.
-</p>
-<p>„Wacht,” zei ze, en schoof een nachttafeltje bij ’t bed, „ik zal de meid boven sturen
-met een tafelschel. Als je dan wat noodig heb, schel je maar even.”
-</p>
-<p>Larsen knikte nauw zichtbaar, en Paula ging stil heen.
-</p>
-<p>Voor haar was de wending die de zaken genomen hadden niet onwelkom. Ze voorzag een
-ongesteldheid van eenigen duur. Larsen was anders nooit ziek, en een afwijking in
-zijn „automatische” levenswijze—stipt en geregeld met alles—scheen haar een zeker
-teeken van ernstige stoornis. Toch dacht ze geen oogenblik aan gevaar, en zou dit
-haar ook verre van gewenscht zijn voorgekomen: neen, waarvoor zou ze hem dood wenschen?
-</p>
-<p>Kon ze niet innig liefhebben, sterk haten was haar al even onmogelijk. Ze haatte hem
-niet. Ze wilde zijn herstel.
-</p>
-<p>En ze wilde daartoe meewerken. Ze wilde hem oppassen. Dat zou hem immers gunstig stemmen,
-en dan was er kans op verzoening. Dat was toch maar ’t beste: ze hield niet van zure
-gezichten en ruzie.
-</p>
-<p>En dan ze had een natuurlijke, men zou geneigd zijn te zeggen een dierlijke goedhartigheid,
-die haar er toe bracht met genoegen iemand—een medemensch<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>—en zelfs een beest, kleine diensten te bewijzen,—goed te zijn in ’t klein. Trouwens
-ze deed alles in ’t klein.
-</p>
-<p>En dat ze hier een menschenhart vertrapt had, belette niet dat ze met pleizier lekkere
-schoteltjes voor de zieke wilde klaarmaken, uren bij zijn bed zitten, en hem in ’t
-algemeen behandelen wilde als een volmaakte verpleegster.
-</p>
-<p>Zoo deed ze.
-</p>
-<p>Haar eerste zorg was de huisdokter te raadplegen, haar tweede naar haar moeder te
-gaan, en in vredesnaam maar alles te vertellen. Ze kon dan ’s „vrij praten”, iets
-waar ze ten slotte toch naar verlangde. Dit bestond daarin dat ze op haar manier al
-het voorgevallene naar waarheid beschreef en besprak. Ze wou dat met niemand anders
-zoo doen, al was dan ook deze hartuitstorting verre van een volledige bekentenis met
-„de waarheid en niets dan de waarheid.” Neen, dat liet haar aard eenvoudig niet toe.
-’t Was haar een behoefte te „borduren”—onoprechtheid was bij haar natuur en viel haar
-nooit zwaar, hoezeer ze ook in een oogenblik van hevige beroering zich en Larsen wijsgemaakt
-had dat ze uit zelfbedwang gehuicheld had in haar verhouding en gevoelens jegens hem;
-doch evengoed was haar een behoefte zich te uiten, hoe dan ook. Ze praatte veel, suggereerde
-zichzelf daarbij, en wist ook anderen meesterlijk de indruk <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>te geven die zij wenschte te geven. Ze was een volleerde tooneelspeelster, zooals
-slechts enkele vrouwen, met hun fijnbewerkte zenuwen en wonderlijk plooi- en wisselvermogen,
-dat vermogen te wezen.
-</p>
-<p>Van haar moeder zou Paula waarlijk weinig raad te wachten hebben, aangenomen dat ze
-die verlangd had. De oude vrouw was een onbeteekenend menschje, vol bewondering voor
-haar dochter, een-en-al toegevendheid voor deze; zonder overtuigingen—behalve die
-dat Paula een buitengewone vrouw was, voor wie alles geoorloofd was, en dit alleen
-nog maar omdat de betoovering telkens en telkens vernieuwd werd—willoos en karakterloos;
-voor wie het leven éen lange dommel was, waaruit ze slechts nu en dan even wakker
-schrikte tot halve bewustheid.
-</p>
-<p>Larsen was altijd te gelukkig geweest om zich over de tekortkomingen zijner schoonmoeder
-te ergeren. Trouwens, ze was altijd „wel” met hem, zei nooit een onvertogen woord,
-en Larsen was in zijn oordeel over medemenschen steeds zóo zacht en verdraagzaam,
-dat hij tegenover Paula’s moeder moeilijk anders wezen kon: goedaardige menschen worden
-door ’t geluk edelmoedig, en hier maakte de uitstraling van Paula’s bekoring hem bovendien
-blind voor iemand die haar zoo na stond.
-</p>
-<p>De tijding van Larsen’s ongesteldheid met wat er aan voorafgegaan was wekte mevrouw
-Lindes op tot <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>werkdadige hulp. Ze kwam op Paula’s wensch logeeren, en stond haar dochter dagelijks
-bij in de bereiding van bouillon, het verzinnen van nieuwe smakelijke schoteltjes—voor
-haar en voor „Willem”—en het gewone beheer in huis; zoodat Paula zich aan haar zieke
-wijden kon.
-</p>
-<p>„Zou je niet ’s?”.… stelde ze voor, en Paula zei:
-</p>
-<p>„Waar denkt u aan, moeder? Geen kwestie van, hoor,” en dan zij weer:
-</p>
-<p>„O, ik dacht maar zoo, zie je. Maar ’t is goed, kind.… Zeker je hebt weer gelijk.…”
-</p>
-<p>Dan was haar regelmatig gezicht weer een en al sluimerglimlach, een uitdrukking die
-er vrijwel altijd op lag.
-</p>
-<p>Ze sprak zacht en gedempt, liet bij ’t spreken zelden haar mooie valsche tanden zien,
-en had iets afgemetens en slepends in al haar bewegingen en gebaren. In dit opzicht
-een tegenbeeld van de luidruchtige Paula met haar <span class="ex">allegro-brioso</span>-natuur. Deed Paula’s stem aan Rossini’s oppervlakkige dartelmuziek denken, haar moeders
-orgaan herinnerde in zijn uitingen aan een psalm die gezongen wordt in de protestantsche
-kerk.
-</p>
-<p>Toen de dokter kwam deed Paula ’t woord. Hij scheen Larsen’s toestand nogal ernstig
-te vinden. Na het bezoek aan de zieke bleef hij even praten.
-</p>
-<p>„Hevige gemoedsbewegingen, mevrouwtje?” vroeg hij nu.
-<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p>
-<p>„Wat bedoelt u—hij? Larsen?”
-</p>
-<p>„Ja.… ik begrijp die plotselinge overgang niet best. Lichamelijk letsel is hem toch
-niet overkomen.”
-</p>
-<p>„Volkomen juist, dokter.… Hij heeft zich wat opgewonden over.… een kleinigheid.…”
-</p>
-<p>„Erg opgewonden.…”
-</p>
-<p>„Ja, eigenlijk wel. Dat is nu een week geleden.…”
-</p>
-<p>„En in die tusschentijd?”
-</p>
-<p>„O, stil, ziet u.… in zichzelf gekeerd; veel meer dan anders.…”
-</p>
-<p>„Hm. Oppassen, mevrouwtje. Sterk gestel, maar.… als die menschen eenmaal gaan sukkelen,
-kan ’t heel ernstig worden.”
-</p>
-<p>De huisdokter, een man van ongeveer Larsen’s leeftijd, had veel van de wereld gezien,
-en hij kende zijn menschen. Hij schoof dus een aandrang van gedachten als niet voor
-uiting vatbaar op zij, en zeî alleen nog maar:
-</p>
-<p>„Hij is in goeie handen bij u. U zal hem wel goed verplegen. En voorzichtig, nie’waar?”
-</p>
-<p>„Zeker, dokter, geen zorg,” zei Paula met een allerliefste lach.
-</p>
-<p>„Goed, goed. Ik kom van avond weer kijken. ’t Beste! Dag, mevrouwtje, dag mevrouw
-Lindes, tot ’t genoegen.…” Weg was hij.
-<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p>
-<p>„’n Vreemde dokter heb ik dat altijd gevonden, Paula,” teemde mevrouw Lindes. „Nou
-schrijft hij ook geen recept.…”
-</p>
-<p>„Och, moeder, wat weet ú daar nou van? ’t Is een goeie dokter.”
-</p>
-<p>„O, ja kind—ik spreek je niet tegen.”
-</p>
-<p>En statig ging ze naar de keuken, om Kee over ’t eten te spreken. Paula ging weer
-naar de ziekekamer.
-</p>
-<p>In Larsen geen verandering. Hij sprak niet, en verlangde niets. Haar bijzijn scheen
-hem niet te hinderen, en evenmin te behagen. ’t Ontbijt stond onaangeroerd.
-</p>
-<p>Paula had haar boek meegebracht, en zette zich tot lezen. Wat de dokter gezegd had
-vervulde haar niet lang. <span class="ex">Marcel Prévost</span> wist haar spoedig belang te doen stellen in zijn „<span lang="fr">Jardin Secret</span>”.
-</p>
-<p>Toen ze twee uur had zitten lezen, zonder een oogenblik gestoord te worden, keek ze
-nog eens naar de gestalte in ’t bed, zag dat Larsen eindelijk de oogen gesloten hield,
-en, tot het besluit komende dat hij sliep, stond ze met een zucht op en ging naar
-beneden.
-</p>
-<p>„M’n hemel, moeder, wat ’n zieke!” riep ze beneden in de huiskamer, waar de oude mevrouw
-druk in de weer was met de „koffietafel”.
-</p>
-<p>„Hoe zoo, kind?” zei deze, ’t hoofd even langzaam <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>omwendend, en met haar gewone schaapachtig goedige uitdrukking.
-</p>
-<p>„Ik hoû ’t niet uit: Hij is gek, geloof ik.”
-</p>
-<p>„Wat zeg je?” Dit was geen vraag, maar een gewoon niets-zeggend antwoord van de spreekster.
-</p>
-<p>„Ik zeg wat ik zeg. Ik geloof dat-i gek wordt.… Dat zou ’t einde wezen van al dat
-gesuf in z’n boeken.”
-</p>
-<p>„Denk je dat heusch, Paula? ’t Zou misschien wel kunnen wezen.”
-</p>
-<p>„Nee, stellig.… De man doet niets dan staren, zegt niets, eet niet, drinkt niet, vertrekt
-geen spier in z’n gezicht. Ik heb ’t nog nooit zoo gezien.”
-</p>
-<p>„Zou hij ook een kop koffie willen hebben? Zou dat ’m niet goed doen?”
-</p>
-<p>Paula antwoordde niet, maar keerde zich driftig om:
-</p>
-<p>„Kom, moeder, laten we maar aan tafel gaan.”
-</p>
-<p>„Och, ik dacht maar zoo.…” zeî moeder vergoelijkend, en nog in dezelfde gedachtengang.
-</p>
-<p>Paula schoot in een lach.
-</p>
-<p>„U dacht, u dacht, u denkt veel te veel, moeder! Ha! ha!”
-</p>
-<p>Haar overborrelende levenslust had ’t weer gewonnen; ze moest weer spotten en lachen.
-</p>
-<p>„Stel je voor!” riep Paula, bezig met haar eerste broodje te smeren.
-</p>
-<p>„Wat, kind?”
-</p>
-<p>„Dat hij ’s gek werd. Een prettig vooruitzicht!”
-<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p>
-<p>„Maar je zou ’m toch niet in huis houden.”
-</p>
-<p>„Naar Meerenberg zenden?”
-</p>
-<p>„Vin je niet?”
-</p>
-<p>„Ik denk er niet over. Ik zou ’m hier houden. Natuurlijk! Zou u ’t niet gezellig vinden
-een gekke schoonzoon te hebben?”
-</p>
-<p>Mevrouw Lindes’ gelaat was éen vraagteeken.
-</p>
-<p>„Nou?” drong Paula.
-</p>
-<p>„Och, zie je, niet erg.… Maar, als jij ’m in huis wil houden.”
-</p>
-<p>„Als Willem gek wordt, is hij zeker niet kwaadaardig. Mijn goeie zooltreder kan niet
-anders dan een bizonder mak gekje worden, en zoo iemand is een juweel van een man,
-en een puikje van een schoonzoon: nooit klachten, nooit ruzie.… Nou u, moeder?”
-</p>
-<p>„Ik weet niet, kind; maar als jij ’t zegt.… Mijn man die dood is, jou goeie vader,
-was wel lastig—dat is zoo—maar.…”
-</p>
-<p>„U had toch liever niet dat hij gek was geweest.… Groot gelijk, moeder. U is toch
-een brave ziel. Gelooft u nu vast dat ik dat alles zooeven gemeend heb? Och kom! ’t
-Komt terecht, hoor. Gek! Geen idee van.”
-</p>
-<p>„’t Doet me heusch pleizier, kind.”
-</p>
-<p>Mevrouw Lindes lachte schaapachtig, en sliep weer in.
-</p>
-<p>Ondertusschen was Paula lang niet zoo zeker van <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>het „terechtkomen” in kwestie, als ze wel voorgaf te wezen, en onwillekeurig dacht
-ze verder door over de mogelijkheid van verstandsverbijstering bij Larsen. ’t Vooruitzicht
-lachte haar niet toe; want ze had vast geloofd aan een volkomen herstel der betrekkingen
-met hem, en een terugkeer van de oude toestand. Dan, ze wenschte hem niets kwaads,
-ja ’t zou haar in alle oprechtheid leed doen als zulk een ramp hem zoo plotseling
-alle verder geluk onmogelijk zou maken. He, nee, ’t was akelig, griezelig, zoo iets.…
-Ze wilde aan wat anders denken.
-</p>
-<p>Met ongeduld wachtte ze die avond op de dokter. Larsen had weer niets willen eten,
-had ook geen woord gesproken, zelfs geen klaaggeluid doen hooren. Ze werd er wee van
-het aan te zien. Had hij geslapen? Ze wist het niet.
-</p>
-<p>De arts vond de zieke lang niet bevredigend, wist nog niet wat te denken, maar zeide
-weinig of niets. „Rust.… en nog eens rust.” Hij beloofde de volgende dag terug te
-komen.
-</p>
-<p>Zoo ging het dagen achtereen, alleen met dit verschil, dat de <span class="corr" id="xd31e2392" title="Bron: patient">patiënt</span> de tweede dag wat at, telkens weinig en machinaal, na herhaald aandringen. Hij sliep
-veel en onrustig, droomde of ijlde—soms moeilijk te onderscheiden; want zijn gansche
-toestand leek éen verdooving.
-</p>
-<p>Wat hij sprak liep steeds over ’t zelfde: Paula, <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>zijn echtscheiding, haar ontrouw, zijn kind. En, hoe verward de woorden ook waren,
-Paula bemerkte duidelijk hoe steeds deze éene gedachte hem door ’t hoofd gespookt
-had: de onherstelbaarheid hunner breuk. Zoo, hij had dus ook die zeven voorafgaande
-dagen steeds dat denkbeeld gehad, dacht ze, en ze voelde zich teleurgesteld: ze had
-zich zijn zwijgen gedurende die dagen als een gunstig overgangs-tijdperk voorgesteld!
-Nu was ze voorzichtig genoeg te zorgen, dat er geen getuigen waren bij die al te openhartige
-uitingen. De dokter kwam telkens maar even. Hij zeide iets van „<span class="ex" lang="la">cerebralis</span>” en van „<span class="ex" lang="la">stupor</span>”, herhaalde zijn rustvoorschrift, en liet verder alles op zijn beloop. Haar moeder
-hield ze zorgvuldig buiten de ziekenkamer, en deze vond ’t veel te aangenaam Paula’s
-weelderige huishouding te besturen, om in dit verbod iets hinderlijks te vinden, verondersteld
-al dat ze ooit iets hinderlijk vond wat van haar dochter uitging.
-</p>
-<p>Wat Paula trof in Larsen’s ijlen was een verward plan om te vluchten samen met Didi,
-ver weg, als eenige uitredding; en telkens had hij ’t over een huisje waar ze samen
-woonden, vader en dochter elkaar vertroostend in de eenzaamheid.…
-</p>
-<p>Hij had dus over zóo iets gedacht? Dat moest dan wel: hoe kwam hij er anders aan?
-In zoo’n geval zou zij er al heel leelijk aan toe zijn.…
-<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span></p>
-<p>Bij háar was de mogelijkheid van zulk een vlucht nooit opgekomen: verbeeld je, hij,
-die doodgoeie prozaïsche Larsen! ’t Was al te romantisch. En hij zou ’t slim moeten
-aanleggen ook, dat zij ’t niet merkte.… Maar toch.… juist omdat ze zoo iets nooit
-vermoed had, zou ’t hebben kùnnen gebeuren.… Goed dat ze nu gewaarschuwd was. Ander
-gevaar had ze nooit gevreesd. Haar uitlatingen waren immers zonder getuigen gesproken:
-hij had er toch geen gebruik van kunnen maken.…
-</p>
-<p>Zoo had Paula stof te over om na te denken, terwijl ze haar zieke oppaste.
-</p>
-<p>Het denkbeeld om Van Thiemen in de arm te nemen, dat door Larsen’s schijnbaar onderworpen
-houding op de achtergrond gedrongen was, vertoonde zich weer: ja, van die kant was
-wel hulp te wachten, als ze ’t maar handig aanlegde. En handig wàs ze! Ze was een
-van die vrouwen die een aangeboren takt schijnen te bezitten voor alles wat ze ondernemen.
-Iedereen nam ze met de grootste gemakkelijkheid voor zich in. Daarbij een aan ’t naïeve
-grenzende natuurlijkheid—bij háar hoogste kunst—die niemand eenige valschheid deed
-vermoeden, ja menigeen iedere verdenking daarvan met verontwaardiging van zich deed
-werpen.
-</p>
-<p>Ja, ze moest naar Van Thiemen, en zoo spoedig mogelijk. Ze kon nu moeilijk hem bij
-zich aan huis <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>ontvangen. De aanwezigheid van de zieke in huis zou onwillekeurig een drukkende invloed
-op de stemmingen uitoefenen—bij Van Thiemen echt, bij haar als gedwongen fraaiigheid.
-</p>
-<p>Lukte haar opzet bij hem niet—’t kon gebeuren, ofschoon ze er al heel weinig bang
-voor was—wel, dan zou ze zelf zien te handelen. In alle geval kon Van Thiemen haar
-wel van raad dienen, al wilde hij niet daadwerkelijk helpen.
-<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Paula liet geen gras groeien over wat ze zich voornam.
-</p>
-<p>Voor ’t bezoek aan de rechtskundige raadsman koos ze de avond. ’s Avonds, na het diner,
-is de beschaafde mensch gewoonlijk het best gestemd en ’t meest vatbaar voor indrukken,
-en hier hing het welslagen der onderneming van beide factoren af.
-</p>
-<p>’s Avonds alleen op bezoek te komen bij een vrijgezel vond ze in dit geval verre van
-ongepast: Van Thiemen was <span class="ex">de</span> vriend van haar man, en, nu deze ziek was, lag daarin voldoende verontschuldiging
-voor haar om, na een dag van trouwe oppassing, ’s avonds van een oogenblik van vrijaf
-gebruik te maken. Bovendien, al zeî de wereld ook iets—ze maalde er wat om: <span class="ex">zij</span> verkoos zoo te handelen, en daarin voelde ze zich als een vorstin: zij gaf aan wat
-behoorlijk was, en liet het aan anderen over slaafs een anders opinie te ontzien.
-</p>
-<p>Ze belde aan, en trof Van Thiemen thuis.
-<span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span></p>
-<p>’t Bezoek viel hem op als ongewoon, hij dacht aan kwade tijding van zijn vriend. Begeerig
-de reden van haar komst te vernemen, zette hij zich over een gevoel van tegenzin heen.
-En met zijn gewone hoffelijkheid ontving hij Paula in zijn salon.
-</p>
-<p>Zij zat er toen hij binnenkwam. Zij voelde er zich behagelijk: ’t was er zoo recht
-gezellig en smaakvol: geen wansmaak en overvulling zooals ze bij zooveel anderen—collega’s
-van haar man bijvoorbeeld—waargenomen had. ’t Was duidelijk dat hier de salon geen
-pronkkamer was, waar alleen Zondags en anders bij buitengewone gelegenheden de huisbewoners
-durven zitten, en waar in de tusschentijd muffigheid en koude ongezelligheid heerschen.
-Evenals in zijn studeerkamer had Van Thiemen hier een harmonisch gemeubeld, behangen
-en versierd vertrek ingericht. Hier was alles lila en wit, behalve het mollige tapijt
-en de gordijnen die havana-kleurig waren. De piano stond dwars, en was eveneens gedrapeerd
-in die kleuren. Het daarachter gevormde hoekje had een tegen de muur staande hoekbank,
-lila-en-wit-geverfd hout. Een dergelijke bank, maar grooter, liep links en rechts
-van de andere hoek aan dezelfde wand; terwijl tegenover den achterkant der piano een
-zwarte standaard met een fraai wit beeld—een buste—prijkte. Een groote spiegel met
-witte lijst boven de schoorsteen, waarop een bronzen beeld met uurwerk. <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>Daarnaast en bij de andere hoek een sierlijke palm. Een enkel doek op een ezeltje
-tusschen de beide vensters, verder een tafeltje met weinig stoelen en fauteuils. Eindelijk
-drie groote aquarellen met witte lijsten—alle drie heerlijke bloemstukken van groote
-meesters—en een elektrische lamp met licht-lilakleurige lelievormige pitten.
-</p>
-<p>De suite-deuren waren dicht. In den grooten haard brandde een klein vuur van briquetten.
-Een zachte flauwdoorgeurde temperatuur vervulde het vertrek.
-</p>
-<p>Paula had net een blik in de spiegel geslagen, en zich overtuigd dat ze er bekoorlijk
-uitzag, toen de deur openging.
-</p>
-<p>„Mevrouw!” zei Van Thiemen met zijn stem vol mollige buiging. „Waarmee kan ik U van
-dienst zijn? U is wel, hoop ik?”
-</p>
-<p>„O, meneer Van Thiemen, dank u. Hoe maakt u ’t?”
-</p>
-<p>„Een beetje druk, mevrouw, overigens volkomen gezond.”
-</p>
-<p>„Ik kom u niet lang ophouden,”—een lachje—„ik heb uw raad noodig. En, u begrijpt”—dit
-met neergeslagen blik—„overdag geeft mijn man me te veel te doen, om aan uitgaan te
-denken. Daarom kom ik op dit ongewone uur.”
-</p>
-<p>„O,” zei Van Thiemen, die inmiddels plaats genomen had—zij op een hoekbank, hij ervóor—„dat
-maakt niets uit. Hoe is ’t met de zieke?”
-<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p>
-<p>„O, dat gaat, dank u. Ik hinder u dus niet?”
-</p>
-<p>„Ik heb zelfs liever dat u ’s avonds komt: dan ben ik meestal thuis.”
-</p>
-<p>„Erg druk tegenwoordig, meneer Van Thiemen?”
-</p>
-<p>„Och, dat schikt. Ik ben veel in Den Haag. Koninklijke Bibliotheek,” liet hij volgen,
-als achtte hij noodig deze verklaring te geven.
-</p>
-<p>„Ook al studies, net als Larsen?”
-</p>
-<p>„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” Van Thiemen draaide zijn knevel op en keek in de lucht.
-„’t Hoort zoo bij ’t baantje—bij ’t „prof” zijn!”
-</p>
-<p>Hij lachte even. En zij vleiend en ondeugend:
-</p>
-<p>„Nu ja, prof en prof is twee. U is geen professor in de eigenlijke beteekenis.”
-</p>
-<p>„Och kom, mevrouw!”
-</p>
-<p>„Natuurlijk niet, en dat weet u zelf ook wel. Om te beginnen kleedt u zich te goed,
-en dan is u in ’t algemeen niet aartsvervelend. Dames kunnen daarover oordeelen.”
-</p>
-<p>„Ik neem ’t laatste aan, ofschoon ik ’t compliment—hoezeer ook met erkentelijkheid
-aangehoord—niet zoo grif aanvaarden kan.”
-</p>
-<p>„Larsen bij voorbeeld is vervelend.”
-</p>
-<p>„&nbsp;!&nbsp;”
-</p>
-<p>„U kent hem. O, maar ik heb u nog niet goed verteld hoe ’t met hem is.” Ze had hem
-nooit doen weten dat er eenig gevaar bestond, en wilde dat ook <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>nu niet doen. „Hij is iets beter, eet ten minste weer.”
-</p>
-<p>„Wel, ik verheug me ’t te vernemen.”
-</p>
-<p>„Hij had zich wat overspannen.”
-</p>
-<p>„Ja? Hij werkt veel.…”
-</p>
-<p>„Ja, en.… dan,” weer met neergeslagen blik, „we hebben een verschil van gevoelen gehad,
-voor ’t eerst van eenigszins … ernstigen aard.…”
-</p>
-<p>„Zoo.” Van Thiemen vond de wending in ’t gesprek onaangenaam.
-</p>
-<p>„Hij heeft zich bizonder opgewonden, sprak zelfs van scheiden.”
-</p>
-<p>„Jawel, hij heeft er mij iets van gezegd.”
-</p>
-<p>„Nu, ik geloof dat de zaak wel terecht zal komen, o zeker, want ’t sop is de kool
-niet waard. Nee,” en ze hief ’t hoofd op, „ik zou te ongelukkig zijn als ’t ooit zoover
-kwam tusschen ons.”
-</p>
-<p>Van Thiemen zweeg, bewonderde haar <span class="corr" id="xd31e2479" title="Bron: komedie-spel">komediespel</span>.
-</p>
-<p>„Nee, trouwens zoo iets is immers onmogelijk. Er is niets.…”
-</p>
-<p>„Zoo.”
-</p>
-<p>„Nee, volstrekt niets. En waarom zou hij dan scheiden? Gesteld—’t is eigenlijk te
-dwaas ’t te veronderstellen—gesteld ’s dat hij ’t wilde, zou hij ’t immers toch niet
-gedaan kunnen krijgen. Als men een kostbaar bezit heeft,”—ze zuchtte—„is men soms
-overdreven bang het te verliezen. Mijn huiselijke vrede—nu zooveel jaren bewaard!”
-<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p>
-<p>„Als er geen redenen zijn, ook geen gefingeerde.…”
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2489" title="Niet in bron">„</span>Gefingeerde, wat wil u zeggen?”
-</p>
-<p>„Als nu hij er eens op stond van u gescheiden te worden, en een gefingeerde schuld
-op zich nam.”
-</p>
-<p>„Ja, àls hij dat deed, en als ìk daarop een eisch instelde. Te dwaas om aan te denken!
-Maar ik laat dat daar. Larsen doet zoo vreemd in de laatste tijd, dat ik soms.…” Ze
-aarzelde.
-</p>
-<p>„Aan zijn verstand twijfel?” vroeg Van Thiemen verwonderd.
-</p>
-<p>„Om de waarheid te zeggen, ja. Ik vrees een dwaasheid—een vlucht of zoo iets, met
-mijn kind.…” ’t Kwam er zenuwachtig uit, vol angst.
-</p>
-<p>„Och kom, mevrouw: Larsen, zoo’n nuchter bezadigd mensch! Is er dan zoo iets vreeselijks
-gebeurd? U verschoont me dat ik ’t zeg, nie’waar? U heeft mijn raad noodig, en dan
-mag ik wel vrijmoedig spreken.”
-</p>
-<p>„O zeker. Ja, er is wel veel naars tusschen ons voorgevallen, maar, ziet u, hij is
-zoo overgevoelig en ik—zeg zooveel in mijn drift waar ik niets van meen.” Ze lachte
-bekoorlijk.
-</p>
-<p>„U heeft dus dingen gezegd.… ja, ja, waardoor hij aan zoo’n dwaasheid zooals u zegt,
-denkt?”
-</p>
-<p>Paula had zoo graag vernomen of Larsen <span class="ex">alles</span> gezegd had, dat wil zeggen alles van na haar handtastelijkheid. Dat hij van ’t eerste
-hevige tooneel tusschen hen gesproken had, wist ze vrij zeker. Maar <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>de bizonderheden? Van Thiemen doorzag haar, en liet zich niet uithooren.
-</p>
-<p>„Ja, maar hij neemt alles overdreven op. Ver overdreven! Er is niets onherstelbaars.
-En.… zijn vrouw houdt van hem.…” ’t Laatste werd op droevige toon met neergeslagen
-blik uitgesproken.
-</p>
-<p>„’t Is voor mij erg moeilijk, mevrouw. Zoo lang ’t op rechtskundig gebied blijft kan
-ik u van raad dienen; maar overigens.… U weet wat de Franschen zeggen: „<span class="ex" lang="fr">entre l’écorce et le bois il ne faut jamais mettre le doigt.</span>”<span class="corr" id="xd31e2512" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Kom, dat zeggen al te voorzichtige menschen, niet u, die een goed vriend van Larsen
-is, en ook voldoende vriendschap voor mij heeft om mij geen dienst te weigeren.…”
-</p>
-<p>Ze keek hem met fluweelige streeling aan. Ze was bizonder mooi die avond, met haar
-donkerbruin mantelpakje en haar Cleo-de-Mérode-kapsel.
-</p>
-<p>„Ik geloof dat ú nu „overdreven” is, mevrouw. Larsen zal zoo iets niet doen.”
-</p>
-<p>„Heeft hij u niets gezegd?” Komaan, ze waagde het ronduit de vraag te stellen.
-</p>
-<p>„Van vluchten? Hij is te verstandig om zoo iets zonder goeie redenen te ondernemen.”
-</p>
-<p>Paula zette haar eene voetje over ’t andere, als afleider voor een hartgrondig stampje,
-dat ze op de grond had willen doen.
-<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p>
-<p>„Goed, maar ìk ben er bang voor. En ìk ben bang voor groote verwijdering tusschen
-ons.… U kan daar ’t uwe aan doen. Larsen houdt van u: u heeft vat op hem, meer als
-iemand anders. Raad u hem ten goede.…”
-</p>
-<p>„Dat heb ik gedaan, mevrouw. En wat ik tot zijn bestwil nog verder raden kan, zal
-ik niet nalaten te doen. Geloof u me vrij.”
-</p>
-<p>Zoo’n slimmerd! dacht Paula: zoo’n raad kon even goed tegen haar gericht wezen. Maar.…
-zou dat wel? Had hij iets tegen haar? Ze had zich altijd verbeeld dat hij tot haar
-stille aanbidders behoorde, dat hij alleen daarom niet méer voor den dag was gekomen,
-omdat zij hem geen voet gegeven had. Had ze maar éen vinger uitgestoken.… Hij was
-immers altijd zoo voorkomend, zoo echt hoffelijk geweest. Misschien had Paula geen
-gelegenheid gehad Van Thiemen’s houding tegenover andere dames waar te nemen, anders
-had ze zeker spoedig gezien, hoe weinig al die hoffelijkheid beteekende. Van Thiemen
-was nu eenmaal hoffelijk jegens iedere dame; en eerst dan maakte deze nietszeggende
-uiterlijkheid plaats voor degelijker sympathie-betuiging wanneer hij te doen had met
-een vrouw voor wie hij groote achting gevoelde. En zoo iets kwam zelden voor. Hij
-hield van de vrouwen, maar vreesde al te groote toenadering: zijn feminisme hield
-er zulk een hoogstaand <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>vrouwen-ideaal op na, dat de meeste vrouwen hem slechts aantrokken als belangwekkend
-studiemateriaal. Slechts enkelen hadden het vermocht hem op andere, inniger wijze
-te boeien. Hij had eens werkelijk liefgehad, jaren geleden; maar sinds de dood van
-het meisje zijner keuze had geen vrouw de leege plaats in zijn hart kunnen innemen.
-Zijn hoffelijkheid diende hem als schild, dat alle intiemere aanrakingen afweerde;
-dat tevens wonderwel zijn eigen gevoelens over deze of gene zijner vrouwelijke kennissen
-verborg. Zoo ook tegenover Paula. Zij had nooit kunnen merken hoe een aanvankelijke
-genegenheid al heel spoedig had plaats gemaakt voor onverschilligheid en zelfs voor
-antipathie.
-</p>
-<p>Toch ging zijn neutrale vriendelijkheid—om ’t zoo eens te noemen—niet zoo ver dat
-hij in echte huichelarij verviel. Zoodra het op daden aankwam, zoodra belangen van
-eenige beteekenis op ’t spel stonden, zou hij niet aarzelen zijn ware gezindheid volkomen
-duidelijk te toonen, hoe onaangenaam hij dit zelf ook mocht vinden.
-</p>
-<p>Hij vreesde dat zulk een zeldzaam geval zich thans zou voordoen, en hij gedwongen
-zou wezen kleur te bekennen.
-</p>
-<p>Paula begon te weifelen. Ze bedacht zich even, en zeide toen:
-</p>
-<p>„Ik zou u willen vragen wat meer bij ons te komen. <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>We hebben u in dagen niet gezien.… Maar ik ben bang dat u ’t te druk heeft.…”
-</p>
-<p>„Ik wou juist dezer dagen eens naar Larsen komen kijken. Ik hoorde gisteren pas dat
-hij ziek was.”
-</p>
-<p>„O, Larsen mag niemand bij zich ontvangen, behalve mij,” zei Paula snel. „Maar,” liet
-ze volgen, „u kan daarom toch wel komen. Moeder ziet u ook graag. Die logeert bij
-ons, om me te helpen.”
-</p>
-<p>„O, als ik kan, zal ik niet nalaten te komen. Zoo, is mevrouw uw moeder bij u? Is
-mevrouw wel?”
-</p>
-<p>„Dank u. Ik mag dus op u rekenen? U weet niet hoe’n groot genoegen u ons doet, ook
-Larsen, al kan hij u ook niet spreken.… Als hij merkt dat u mij dezelfde vriendschap
-toedraagt als te voren, zal hem dat zeker gunstig stemmen.…”
-</p>
-<p>Van Thiemen bepaalde zich tot een beleefde glimlach.
-</p>
-<p>„Dus,” zei Paula, opstaande, half als ongeduldsuiting, half omdat ze inzag dat ze
-niet verder kwam, „u komt gauw ’s aanloopen? Aan de thee vindt u ons altijd.”
-</p>
-<p>„Ik zal ’s zien wat ik doen kan, mevrouw.” Hij stond eveneens op. „Intusschen dank
-voor uw vriendelijkheid. Maar, u weet hoe druk ik ’t heb.… Wil u wel mijn eerbiedige
-groeten aan mevrouw uw moeder doen, en ook Larsen beterschap voor me wenschen?”
-<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span></p>
-<p>Hij bracht haar naar de gang, hielp haar met haar mantel, en geleidde haar naar de
-voordeur.
-</p>
-<p>„Tot ziens, meneer Van Thiemen!”
-</p>
-<p>„Mevrouw,” zei Van Thiemen, boog en sloot de voordeur.
-</p>
-<p>Op straat stootte de schoone avondbezoekster een hartgrondig diepe zucht uit, en stapte
-met driftige pasjes, niet in de richting van haar huis, dat in de buurt lag, maar
-verderop de straat in.
-</p>
-<p>Ze keek op haar horloge bij een lantaarn: kwart voor acht.
-</p>
-<p>Gelukkig, ’t was nog vroeg. En Larsen zou nog wel slapen. Hij sliep toen ze uitging.
-</p>
-<p>Toen ze aan de schel trok van een groot huis op een der grachten, bonsde haar hart
-zoo hevig, dat ze zich geweld moest aandoen om op kalme toon aan de meid te vragen,
-of mevrouw Boudewijns en de jonge meneer thuis waren.
-<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Mevrouw Boudewijns was een deftige dame. Ze was meer dan dat. Ofschoon zelf van een
-zeer gewone burgerlijke familie—haar vader was indertijd (lang geleden) Deensch scheepskapitein,
-en had zich later, door eerlijke en smokkel-handel rijk geworden, te Amsterdam gevestigd—had
-ze van haar vroege jeugd af steeds iets in haar voorkomen en in haar manieren gehad
-dat haar distinctie gaf boven haar omgeving. Haar zusters noemden haar „de prinses”.
-Ze was bovendien mooi. ’t Een en ander, gevoegd bij haar niet verwerpelijke bruidschat,
-bezorgde haar toen ze nog zeer jong was een rijk koopman als echtgenoot, en toen deze
-na eenige jaren overleden was, en zij zelf meer besef kreeg van haar waarde en aanspraken,
-een aristokraat met geld en positie. Haar eenig overgebleven zoon uit het eerste huwelijk—haar
-man was aan tering gestorven en ook twee van zijn drie kinderen bij haar—volgde spoedig
-na het heengaan van zijn stiefvader, het voorbeeld van zijn levengever. <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>Was Boudewijns al een grijsaard, Bertus was juist drie-en-twintig toen hij bezweek.
-Zijn moeder had hem verafgood, en ’t gevolg was geweest dat de jonge man een zwakkeling
-werd zonder ’t minste weerstandsvermogen, noch lichamelijk, noch zedelijk of verstandelijk.
-Reeds zeer jong had hij ’t leeren opgegeven, was steeds sukkelend, en ging zich in
-zijn gezonde perioden braaf te buiten aan alles waaraan een rijk jongmensch zich maar
-te buiten kan gaan.
-</p>
-<p>Voor de tweede maal weduwe op vijf-en-veertigjarigen leeftijd zou ze na de dood van
-haar Bertus alleen op de wereld gestaan hebben, als ze niet uit haar huwelijk met
-Boudewijns een zoon gehad had. Aan deze kon ze zich thans met hart en ziel wijden.
-Waarschijnlijk zou ook deze jongen—toen dertien jaar oud—geheel verweekelijkt zijn,
-als zijn gezonder gestel en vaster karakter, beide van zijn vader geërfd, hem niet
-te stade waren gekomen. Inplaats van een lammeling, zooals zijn stiefbroer geweest
-was, werd hij eenvoudig een braaf moederskindje. Hij leerde goed, leek op zijn moeder,
-had dus een gedistingeerd voorkomen, en gaf zijn moeder alle reden tot tevredenheid.
-Was de stiefbroer knorrig en soms onhandelbaar geweest, hij was gewoonlijk vroolijk
-en gezeggelijk. Trouwens, dit laatste wilde bij een vertroetelende moeder als mevrouw
-Boudewijns maar weinig zeggen: de jongeheer Boudewijns was erg vroeg wijs, en <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>’t duurde niet lang of mama luisterde aandachtig naar den ouwelijken praat van zoontjelief.
-Toen hij zestien was leek hij twintig. Mama bewonderde hem, vroeg hem raad, en verdubbelde
-haar zorgen om hem het leven zoo aangenaam mogelijk te maken.
-</p>
-<p>Deze bezorgdheid voor zijn geluk openbaarde zich ook in haar angstvallig waarnemen
-der eerste uitingen zijner ontwakende mannelijkheid met betrekking tot de andere sekse:
-zijn verliefdheden en hofmakerijtjes. Ze bleef op de hoogte; wist ook zijn vertrouwen
-te bewaren, en zoo was er niets in Adolf’s gemoedsleven dat haar aandacht ontsnapte.
-Maar zou dit zoo blijven? Zou ze zóo lang zijn schreden op ’t goede pad kunnen houden—onder
-haar waakzaam oog hem kunnen behoeden voor uitglijden in de modder of verongelukken
-in een poel—tot hij veilig aangekomen was waar ze hem zoo spoedig mogelijk hebben
-woû: in ’t heilige huisje van ’t huwelijk?
-</p>
-<p>Tusschen dat doelwit van haar moederlijk streven en de eerste jongelingsjaren lag
-immers een gevaarlijk stuk weg: de studententijd. Want de veelbelovende Adolf moest
-studeeren, en een graad halen evenals papa, liefst in de rechten. Dat was deftig,
-aristokratisch; bovendien: met geld en een meesterstitel—dat wist ze—kwam men ver
-in ’t lieve vaderland.
-</p>
-<p>De jonge Boudewijns met zijn fijne gezichtje en schrandere oogen kwam met zijn moeder
-naar de <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>academie-stad, waar de familie Larsen woonde. Adolf zou bij zijn moeder blijven wonen,
-en er bovendien een studentenkamer op nahouden: zoo kon hij meedoen aan alle pretjes,
-en hoefde zijn moeder niet te storen wanneer hij laat thuis kwam.
-</p>
-<p>Op een avondpartijtje bij een professor ontmoette de jonge student voor ’t eerst het
-echtpaar Larsen. De kennismaking, ook met mevrouw Boudewijns, leidde weldra tot een
-vriendschappelijke omgang.
-</p>
-<p>Met haar gewone scherpziendheid in alles wat het doen en laten van haar Dolf betrof
-had de waakzame moeder onmiddellijk meer dan gewone belangstelling bij hem opgemerkt
-voor de persoon van Larsen’s innemende vrouw. De jongen was verliefd, dat zag ze duidelijk.
-</p>
-<p>Hoe moest ze hier, waar ’t inderdaad geen kalverliefde meer was, als moeder optreden,
-zoodat haar Dolf beschermd bleef voor gevaar?
-</p>
-<p>Een zeker teeken voor haar, dat thans eindelijk werkelijke hartstocht in ’t spel was,
-zag de scherpzinnige waakster in Dolf’s geheimzinnigheid. Hij sprak niet over wat
-zijn gemoed beroerde tot de leidsvrouw en raadgeefster zijner jeugd, ontweek iedere
-vertrouwelijkheid die tot een bekentenis zou leiden, ging niet in op toespelingen,
-maakte zich zelfs herhaaldelijk boos wanneer zijn moeder liet merken dat ze op de
-hoogte was. Was het misschien zoo omdat de jongeling <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>zich eigenlijk schaamde dat hij verliefd was op een getrouwde vrouw, en nog wel eene
-die bijna zijn moeder kon wezen? Och, hij was te veel bedorven kindje, had te veel
-geleerd dat wat hem aangenaam was ook goed moest wezen, dat hem te dien opzichte gewetens-aanvechtingen
-zouden kwellen. Dat wist mama ook wel. Zijzelf was in haar opvattingen lang niet streng.
-Neen, hier had ze te doen met het gewone verschijnsel bij echte, diepe hartstocht
-bij een man: die schuwt bemoeienis van derden.
-</p>
-<p>Maar mama móest zich hier met de zaak bemoeien. De kwestie was hoe ze dit op de meest
-kiesche, voor hem minst hinderlijke en in de gevolgen heilzaamste wijze doen kon.
-</p>
-<p>Zij kende haar wereld te goed om niet spoedig te zien dat de mooie mevrouw Larsen
-wel gediend was van de vurige, schoon ietwat linksche hofmakerij des jeugdigen Minerva-dienaars.
-Ze voorzag dat, als zij de zaken op hun beloop liet, de twee minnenden elkaar al heel
-spoedig „gevonden” zouden hebben. Doch hieraan waren gevaren verbonden: Dolf was zoo
-jong en onervaren, zou onvoorzichtig wezen, zich compromitteeren, haar compromitteeren,
-en—nog erger—misschien zijn ongeluk bewerken. Die Larsen kon vermoedens krijgen.…
-Hij zag er wel wat sullig uit, maar nu ja.… waar men aan ’t wijfje komt, wordt het
-goedigste beestje wel ’s woest.
-<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p>
-<p>Om te beginnen wist mevrouw Boudewijns het daarheen te leiden dat de ontmoetingen
-der twee koerenden zooveel mogelijk bij haar aan huis plaats hadden: de fatale samenkomst,
-waar ’t op uitliep, zou dan ook wel in dat veilige oord tot stand komen.
-</p>
-<p>De zorgzame moeder zuchtte vaak in deze tijd: ze had ’t wel anders willen hebben,
-ze had Dolfje zoo gaarne afgehouden van die allerintiemste omgang met de vrouw die
-zij hem slechts in ’t huwelijk van ganscher harte gunde. ’t Huwelijk was fatsoenlijk,
-veilig; daarbuiten loerden schande, ziekte en ongeluk. Maar, och, in vredesnaam, een
-jongmensch is een jongmensch, en ’t is zoo moeilijk voor een moeder om al zijn gangen
-te bespieden, hem te beletten te nemen wat zoovelen—bijna allen—immers nemen! Neen,
-ze moest van de nood een deugd maken. Dolf was tot nu toe verschoond gebleven van
-alle lichtmisserij—o, dat wist ze zeker, in dat opzicht was hij „zoo onschuldig als
-een pasgeboren kind”—nu ’t onvermijdelijke einde zou komen, wel, nu was deze minnarij
-toch nog de verkieslijkste. Mevrouw Boudewijns waakte immers ook over Dolfje’s gezondheid,
-en dan was Paula.… nee, heel wat anders dan „zoo’n slechte meid”. Foei, ze huiverde
-er van: je kon nooit weten, he? En dan toch ook: beter met zoo’n beschaafde, lieve
-dame dan met een dienstmeisje bij voorbeeld; immers ook voor de mogelijke gevolgen.
-<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p>
-<p>Alles ging naar wensch.
-</p>
-<p>Na drie maanden omgang was mevrouw Boudewijns de moederlijke vriendin van Paula, nu
-als zoodanig bij Larsen erkend. Haar waardig voorkomen en innemende, zachte manieren
-hadden Larsen zeer aangetrokken, ja, weldra zag hij in haar wat hij zoo lang voor
-zijn Paula verlangd had te bezitten: een goede vriendin, die door leeftijd en ernst
-van karakter een gunstig overwicht op haar zou kunnen doen gelden.
-</p>
-<p>De omgang met de luidruchtige, leeg-rammelende Margot Ennery, was de bedaarde degelijke
-geleerde maar half welkom. ’t Was goed dat daar een andere invloed tegenover stond:
-wijze raad, moederlijke leiding. Och, Paula kreeg die zoo weinig van haar eigen moeder,
-en de zijne was sinds jaren dood.…
-</p>
-<p>„’t Is merkwaardig zoo spoedig als Paula uw vertrouwen gewonnen heeft! Zij is ook
-erg met ú ingenomen,” zei Larsen op een dag toen mevrouw Boudewijns bij hem op bezoek
-was, en Paula toevallig niet in ’t vertrek was.
-</p>
-<p>„Och, ja, wie zou ook niet met uw vrouwtje ingenomen zijn, meneer Larsen!” zei de
-deftige dame beschermend. „Ik mag haar als mijn eigen dochter. Ze moet maar heel veel
-bij me aan huis komen. Ze is altijd welkom, en ’s avonds vindt ze me altijd thuis.”
-<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p>
-<p>„O, u is wel goed,” antwoordde Larsen warm, „en ik waardeer ’t zeer, dat ze in u een
-moederlijke vriendin vindt.”
-</p>
-<p>Mevrouw Boudewijns straalde minzaam. In haar zwartzijden japon had ze iets van de
-vorstin die een onderdaan begenadigt.
-</p>
-<p>„Ja,” ging Larsen voort. „Paula heeft dat noodig. Ik verzeker u dat ik ’t aan haar
-merken kan; sinds ze u kent is ze bepaald gelukkiger. Een omgang als met u was ’t
-eenige wat haar ontbrak.”
-</p>
-<p>Zoo stonden de zaken dan aan de vooravond van ’t huiselijk drama dat zich bij Larsen
-was begonnen af te spelen.
-</p>
-<p>Onder de namen harer aanbidders, tegenwoordige en vroegere, had Paula de jeugdige
-Boudewijns niet genoemd: waarschijnlijk omdat haar de heele verhouding te veel als
-een <span class="corr" id="xd31e2602" title="Bron: onbeteekend">onbeteekenend</span> spelletje voorgekomen was. Die Dolf was nog zoo’n aapje: die telde nauwelijks mee.
-’t Was wel een aardig kereltje—frisch en onbedorven. Ze had zich lachend aan hem gegeven,
-zijn zin gedaan zooals men dat doet tegenover een aanvallig knaapje wien men niets
-weigeren kan. ’t Was een tijdverdrijf voor haar, meer niet; een aardig spelletje nu
-en dan om haar verveling te verdrijven; maar niets blijvends of rustverstorends; geen
-bedwelmende roes, maar slechts een aangename opwekking.
-<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p>
-<p>Op die avond na ’t bezoek aan Van Thiemen was Paula in geen tien dagen bij haar vriendin
-geweest. Mevrouw Boudewijns overlaadde haar met vriendelijke verwijten: haar Dolf
-was wanhopig geweest, hij ook had niets van haar uitblijven begrepen; de arme jongen
-was er bepaald ziek van. Paula lachte en verklaarde ’t geval. Zoo’n dwaas kind! Waar
-was hij? O, thuis, natuurlijk, zuchtende, zooals hij al dagen achtereen, in angstig
-wachten, was geweest.
-</p>
-<p>„Je vindt hem boven,” zei mevrouw Boudewijns, „verras hem ’s. Wat zal hij blij zijn!”
-En ze voelde zich tegenover die beiden zoo recht moederlijk gestemd op dat oogenblik.
-Wat zag die Paula er lief uit, en wat hield Dolf veel van haar!
-</p>
-<p>Paula wipte de trap op, geruischloos en vlug als een eekhoorntje.
-</p>
-<p>Voorzichtig deed ze de deur van Dolf’s kamer open; de portière die erover hing gleed
-van haar schouders toen ze binnentrad, voetje voor voetje.
-</p>
-<p>Het jongmensch zat ineengedoken bij de tafel, met de rug naar de deur. Een boek lag
-opengeslagen vóor hem. Het licht der gaslamp viel op zijn fijne, mooiknaapjes-trekken.
-Hij hield de oogen half gesloten, de handen op schoot in elkaar gevouwen, in een houding
-van misnoegdheid. Een grijs flanellen jasje met roode tressen omsloot zijn bovenlijf,
-zijn voeten staken in mooi-gewerkte pantoffels.
-<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p>
-<p>Paula naderde hem van achteren, en voordat hij ’t hoofd kon omwenden, had ze haar
-handen vóor zijn oogen gelegd.
-</p>
-<p>„Wie zou daar wezen?” riep ze dartel.
-</p>
-<p>„Och, Paula!” was ’t hoogverraste antwoord. Hij weerde de handen van zich af, en sprong
-op.
-</p>
-<p>„Daar ben ik,” zei Paula, „ben je blij?”
-</p>
-<p>„Ja, blij en boos, hoor! Ga zitten, hier.” Hij trok haar met zich mee naar de sofa
-bij het raam.
-</p>
-<p>„Boos? Och kom, daar meen je niets van!”
-</p>
-<p>„Dat meen ik wel.” Hij trok haar naar zich toe, en kuste haar herhaaldelijk op mond
-en oogen.
-</p>
-<p>„Och laat dat, stoute jongen!” riep Paula. „Je zegt dat je boos bent, en dan zoo iets!”
-</p>
-<p>„Ja, waarom laat je me hier zoo alleen? Tien dagen hoor ik taal noch teeken van je.”
-</p>
-<p>„Waarom zou dat nu wel wezen? Omdat ik mijn kleine Dolf vergeten ben, niets meer van
-hem weten wil? Daarom kom ik nu zeker weer hier. En jij ontvangt me in je huisjasje!”
-</p>
-<p>Dolf keek ’s naar zijn négligé.
-</p>
-<p>„Nee, maar zeg me toch wat er gebeurd is. Maar geef me eerst een zoen.”
-</p>
-<p>„Nee,” zei Paula, en week terug. „Braaf zijn, van avond.”
-</p>
-<p>„Dat zal ik—ik ben niet meer boos. Een zoen.”
-</p>
-<p>„Nee, nee, nee! Ik moet eerst vertellen. Ik heb ’t land.”
-<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p>
-<p>„’t Land, jij ’t land?” Dolf schikte zich in ’t onvermijdelijke, met teleurgestelde
-blik.
-</p>
-<p>„Ja, of dacht je dat ’t alles maar rozengeur en maneschijn met mij was? Als je zoo
-oud ben als ik.…”
-</p>
-<p>„Oud! Jij wordt nooit oud!”
-</p>
-<p>„Dat heb je zeker pas tegen je grootmoeder gezegd.”
-</p>
-<p>Dolf begreep haar niet. Zij lachte, vond hem naïef.
-</p>
-<p>„Goed, ik zal je vertellen. Larsen is ziek.”
-</p>
-<p>„Zoo, ’t spijt me zeer.”
-</p>
-<p>„Nu ja, dat begrijp ik. Maar ’t is ernstig.”
-</p>
-<p>„Wat, zijn ziekte? Gaat hij dood? Allemachtig jammer! Groot verlies voor de wetenschap.”
-</p>
-<p>„Och, hoû je mond. Laat me uitpraten. We hebben ruzie gehad, hevige ruzie, en dàt
-is ernstig.”
-</p>
-<p>Dolf keek een oogenblik verschrikt.
-</p>
-<p>„Suspicie?” vroeg hij. „Op mij?”
-</p>
-<p>„Och nee, jongen! Wees nu maar niet zoo pedant. Hij denkt niet aan jou. Hij vindt
-je een aardig kereltje.”
-</p>
-<p>Dolf haalde humeurig zijn schouders op.
-</p>
-<p>„Nu?”
-</p>
-<p>„Och, dwaze veronderstellingen.”
-</p>
-<p>„Hoe komt hij eraan?” Dolf veroorloofde zich de weelde van jaloersch zijn.
-</p>
-<p>„Door een ouwe brief, een ding van niets.”
-</p>
-<p>„Och kom! Die goeie zooltreder? Hoe dat zoo op eens?”
-<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p>
-<p>„Je kent ’m niet. Die man is heel anders dan ik gedacht had.”
-</p>
-<p>Paula sprak hier uit wat ze inderdaad tot haar pijnlijke verrassing ontdekt had.
-</p>
-<p>„Ja<span class="corr" id="xd31e2658" title="Bron: ”,">,”</span> ging ze voort, „als zoo’n man eenmaal argwaan krijgt, is ’t veel erger dan bij een
-ander.”
-</p>
-<p>„Nu en wat dan nog? Hij weet toch niets bepaalds tegen je?”
-</p>
-<p>„Nee, maar hij is toch erg boos, denkt aan allerlei verschrikkelijkheden.”
-</p>
-<p>„Wat dan toch?”
-</p>
-<p>„Hij wil van me af: scheiden. Maar dat gaat natuurlijk maar niet zoo.”
-</p>
-<p>„Nee. De bepalingen op de echtscheiding erkennen bij ons maar enkele gevallen waarin
-die plaats mag hebben.” Dolf had zijn candidaats-examen in de rechten nog niet gedaan,
-en de geheimen van ons burgerlijk recht waren hem nog niet geopenbaard. Niettemin
-stelde hij graag zijn juristenpraat tegenover de meerdere levenservaring van Paula,
-die hem nog zoo vaak imponeerde.
-</p>
-<p>„O, dank je voor ’t rechtskundig advies,” zei Paula quasi-deftig. „Een gewone scheiding
-kan niet. Maar hij wil toch van me af.”
-</p>
-<p>„Maar hoe dan?”
-</p>
-<p>„Hij wil vluchten, met Didi.”
-</p>
-<p>„Hij is gek! Heeft hij ’t je dan <span class="ex">gezegd</span>?”
-<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span></p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2677" title="Niet in bron">„</span>Nee, niet bepaald met de bedoeling om ’t te zeggen. Hij is erg ziek, en nu droomt
-hij ervan, en ijlt erover.”
-</p>
-<p>„Zoo, zoo. En te voren?”
-</p>
-<p>„Voordat hij ziek werd, bedoel je? We hebben nu een dag of tien geleden die ruzie
-gehad, en hij is eergisteren ziek geworden. Hij heeft al die tijd er niet van gesproken,
-van scheiden meen ik. Hij was erg stil al die tijd. Ik dacht dat alles weer bij zou
-draaien.”
-</p>
-<p>„Maar, vertel me ’s, hoe was die ruzie eigenlijk?”
-</p>
-<p>Dolf voelde de jaloezie in hem werken, en deze prikkelde zijn nieuwsgierigheid. Zij
-keek hem aan, greep zijn hand.
-</p>
-<p>„Ik ben een heel stoute vrouw geweest. ’t Is eigenlijk mijn schuld. Je zult me een
-onverstandig mensch vinden.”
-</p>
-<p>„Nu?”
-</p>
-<p>„Ik heb ’m in zijn gezicht geslagen. Ik kon die onbeschaamde vragen niet uitstaan.”
-</p>
-<p>„Heb je ’m geslagen?” Hij sloeg zijn arm om haar heen. „Braaf zoo!” riep hij. „Zoo
-leer je ongelikte beeren hun streken af.” Paula liet zich kussen.
-</p>
-<p>„Och nee, ’t spijt me. Nu is ’t zoo naar tusschen ons! Als hij beter wordt, vrees
-ik dat ’t nooit meer ’t oude wordt.”
-</p>
-<p>„Wat kan jou dat schelen? Zoo’n vervelende boekenwurm! <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>Laat hem zijn troost zoeken in zijn boeken!”
-</p>
-<p>„Goed, ik woû dat hij ’t deed!” riep Paula mismoedig. Ze speelde met het vergulde
-spilletje van haar das, met peinzende wenkbrauwen. „Maar dat doet hij niet. Ik ben
-zoo bang dat er ’s iets van komt. Dat hij wegloopt. Je kunt zoo’n man toch niet opsluiten?
-En als ’t ’s gebeurt, dan zit ik met mijn gebakken peren.”
-</p>
-<p>„Ten eerste doet hij dat nog zoo gauw niet. En dan—als hij ’t doet, wel, dan is hij
-gek.” Dolf sprak met oudmannetjesachtig aplomb.
-</p>
-<p>„’t Helpt mij wat!” pruilde Paula, en trok aan ’t vergulde spilletje op haar borst.
-</p>
-<p>„Dan is hij gek. Dan bewijst hij dat hij gek is. En jij laat ’m eenvoudig door de
-politie opsporen, en—in een gekkenhuis zetten.”
-</p>
-<p>„Radicaal,” zei Paula spottend.
-</p>
-<p>„Zeker, en dan ben je van hem af. Dan ben je heelemaal van mij.”
-</p>
-<p>Hij verslond haar met zijn oogen. Zij zag het, en lachte luid.
-</p>
-<p>„Ben ik dan nú niet voor jou?” zei ze streelend. „Trouwen zou je me toch niet—en ik
-zou ook niet willen.”
-</p>
-<p>Hij protesteerde met een hevig gebaar.
-</p>
-<p>„Ik zie niet in waarom niet,” riep hij.
-</p>
-<p>„Nu, ìk wel. Maar ter zake: je leutert erover heen.”
-<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p>
-<p>„Ik zeg je, laat ’m zijn gang gaan. Als hij ’t doet laat je ’m opsluiten.”
-</p>
-<p>„Nee, maar in alle ernst: ik ben heusch bang dat hij gek wordt.”
-</p>
-<p>„Des te beter!”
-</p>
-<p>„Werkelijk, hij doet zoo vreemd. En hij heeft geen koorts, niets. Die dokter laat
-ook niets los.”
-</p>
-<p>„Och, die doktoren weten er niets van! Maar.…” Dolf trok weer zijn wijste gezichtje,
-„je kunt toch nut van ’m hebben.”
-</p>
-<p>„Van wie?”
-</p>
-<p>„Van die huisdokter. ’t Is immers Dr. Brakel. Laat die hem observeeren. Wijs jij ’m
-er ’s op, dat je voor Larsen’s verstand vreest. Als hij nu toch van jou af wil, moet
-je ’m vóor zijn: zie dat jij hèm op een fatsoenlijke manier kwijt raakt.”
-</p>
-<p>Paula keek peinzend. In haar hart was ze veel ongeruster dan ze wel weten wilde. Ze
-was bang voor schandaal, en beter zoo’n reden, dan een geruchtmakende vlucht. Wat
-zouden de menschen praten! Dat een geleerde, een stil in zichzelf gekeerd mensch krankzinnig
-wordt was nog niet zoo iets onwaarschijnlijks. En toch—die arme Larsen! Ze vond de
-heele zaak toch ellendig. Ze gaf er wat voor als ze alles ongedaan kon maken, zelfs
-haar avontuurtjes met dat aardige kereltje, dat zoo grappig naïef deed in zijn verliefdheid.
-Och, hoe naïef ook, misschien <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>had hij gelijk: werkelijk, hoe meer ze erover dacht, des te vaster ging ze ’t gelooven:
-eerst die heele week dat de man nagenoeg geen woord sprak en nu die onverklaarbare
-ziekte, die malle praat en dat staren.… Ze zag weer die wezenlooze blik. Wat was die
-man veranderd in die korte tijd, ook zijn uiterlijk! Zeker, ’t kon best wezen dat
-Dolf gelijk had. ’t Kon geen kwaad dat ze er op ging letten: ja, dat zou ze stellig
-doen. Ze was in zoover tevreden dat ze nu de toestand beter inzag dan te voren. Toen
-ze van Van Thiemen kwam was ze ontstemd, besluiteloos. Ze had behoefte aan afleiding
-harer gedachten, ontwarring van ’t geen in haar omging. Bij Larsen’s vriend had zij
-zich ongemakkelijk gevoeld, hier ontspande ze zich.
-</p>
-<p>„Waar denk je toch aan? Vin’ je mijn raad niet goed?” vroeg Dolf, nadat hij haar in
-haar gepeins <span class="corr" id="xd31e2721" title="Bron: gadeslagen">gadegeslagen</span> had.
-</p>
-<p>„Je kon wel ’s gelijk hebben,” zei Paula langzaam. Op eens, met een bruuske beweging,
-stond ze op. „Ik ben blij dat ik bij je geweest ben. Je hebt me gerustgesteld, ten
-minste.… ik heb nu een andere kijk op die nare dingen. Adieu!”
-</p>
-<p>„Wil je nu weg?” Dolf sprong van zijn plaats op, en vatte haar om ’t middel.
-</p>
-<p>Een glimpje van ondeugende spot blonk in Paula’s oogen.
-<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p>
-<p>„Ja, ik moet. Ik kan van avond onmogelijk lang blijven. Nu zoet zijn.”
-</p>
-<p>Ze wendde zich geheel naar hem om, en leî haar handje op zijn schouders. Hij was ongeveer
-even lang: zijn rond gezichtje met de donshaartjes op de lip, de fijne neus, het kuiltje
-in de kin, de sprekende blauwe oogen, de nauwzichtbare zijden wenkbrauwen, het gladde,
-vrij hooge voorhoofd en de overvloedige blonde lokken, was vlak tegenover Paula’s
-trekken.
-</p>
-<p>„Je blijft, zeg ik je,” zei Dolf quasi-boos. „Tien dagen niet komen, en dan maar zoo
-kort. Ik laat je niet gaan.”
-</p>
-<p>„Dolfje, vent, frons nu maar die wenkbrauwen zoo niet.” Ze maakte geen beweging om
-los te komen, maar keek hem aandachtig aan. „Je bent een mooi kereltje, daar; maar
-ik blijf toch niet. Ik kan heusch niet. Nee,” liet ze op andere toon volgen, „geloof
-me. Wees nu braaf. Later beter.”
-</p>
-<p>Er was iets in haar stem dat hem deed begrijpen dat ze ’t meende. Ze wond hem om haar
-vinger, dat wist ze. Maar ze wilde hem troosten. Nog steeds in dezelfde houding zei
-ze vleiend:
-</p>
-<p>„Niet boos zijn; maar ik ben heusch niet in een stemming van avond. Je hebt niets
-aan me. Ik kom gauw terug. En dan.…”
-</p>
-<p>Hij trok haar tegen zich aan, en kuste haar.
-<span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span></p>
-<p>„Vast beloven?”
-</p>
-<p>„Stellig, zoodra ik kan.…”
-</p>
-<p>„Van de week.…”
-</p>
-<p>„Over ’n dag of drie. Adieu, adieu!” Voordat hij ’t wist, stond ze bij de deur, wierp
-hem nog een kushandje toe en verdween uit de kamer.
-</p>
-<p>Hij staarde nog op de golving der portière achter haar, had even een aanvechting om
-haar achterna te gaan, doch bedacht zich.
-</p>
-<p>„Beroerde Larsen!” mompelde hij tusschen zijn tanden, ging weer op den leuningstoel
-bij de tafel zitten, en sloeg zijn beenen driftig over elkaar.
-<span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch14.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XIV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">’t Was een gure nacht in ’t midden van October. Nog enkele uren, en de zon zou zich
-de moeite geven een bleeke dag in te wijden, guur en winderig als de nacht geweest
-was. Zware wolken lagen overal als opgestapeld aan de hemel, en slechts een enkele
-ster keek nu en dan als verschrikt achter de reusachtige massa’s door, om kort daarna
-weer weg te schuilen.
-</p>
-<p>Op de modderige straatweg was het donker, al was er weinig geboomte om het gezicht
-te belemmeren, men kon geen tien schreden vóor of achteruit, links of rechts van zich
-af zien.
-</p>
-<p>Twee menschelijke gestalten stapten naast elkaar voort, beiden warm ingepakt, met
-de kragen op, zwijgend en met haastige schreden. Blijkbaar viel het de kleinste der
-beiden lastig de ander bij te houden; maar geen woord van klacht werd geuit. Wellicht
-merkte de ander—een zwaar gebouwd man—aan de hijgende ademhaling naast hem, dat hij
-zijn <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>pas wat matigen moest. Hij stond even stil, en vroeg:
-</p>
-<p>„Loop ik te hard, Didi? Och, ik denk er telkens niet aan! Vadertje is niets lief,
-wel?”
-</p>
-<p>„’t Is niets, vader,” zei ’t kind zacht en gelaten. „Zijn we ’r gauw?”
-</p>
-<p>Larsen haalde zijn horloge voor den dag.
-</p>
-<p>„Wacht, laat me even kijken,” zei hij, en streek een lucifer af.
-</p>
-<p>„O, al bij half zes. We zijn er gauw. Aan ’t station kunnen we wat gebruiken. Iets
-warms.” En, even ongerust, liet hij volgen: „Heb je ’t heusch niet koud?”
-</p>
-<p>„Heelemaal niet.”
-</p>
-<p>’t Meisje sprak met een kalme onderworpenheid, die hem diep in de ziel ging. Arme
-schat, dacht hij, hoe moedig schikt ze zich in de ellende! Was ’t niet zelfzuchtig
-geweest haar daarin te doen deelen? Hij had zich meer dan eens die vraag gedaan, sinds
-’t oogenblik dat hij zijn huis verliet, om voor altijd heen te gaan. Maar neen, hij
-kon niet anders handelen: de toestand was onhoudbaar geworden voor hem; langer uitstel
-had hem krankzinnig gemaakt. En zijn Didi kòn, mocht hij niet achterlaten in dat huis,
-dat hem een oord der schande geworden was, overgeleverd aan de verpestende invloed
-harer moeder.…
-</p>
-<p>O, hij had wat afgedacht in die akelige uren zijner bedlegerigheid! De wildste fantazieën
-hadden afgewisseld <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>met de helderste inzichten, en door al het gewarrel zijner gedachten heen had telkens
-en telkens zijn toestand hem duidelijker in zijn onduldbaarheid vóor de geest gestaan.
-Met onweerstaanbare drang was ’t teruggekomen, en had hem eindelijk opgejaagd van
-zijn bed, vastbesloten tot handelen. Hoezeer ook de toekomst hem duister leek: in
-schande voortleven verkoos hij niet—alles beter dan dat.
-</p>
-<p>Die avond dat Paula op raad uit was bij Van Thiemen en haar jeugdige aanbidder, was
-Larsen kort na haar vertrek wakker geworden. Didi zat naast zijn bed, op de plaats
-harer moeder. Ze had het niet langer kunnen uithouden, en ondanks het strenge verbod
-was ze stil in zijn kamer gekomen: ze moest haar vader zien. Ze dacht aan al wat hij
-haar gezegd had, aan zijn vreemde, stille droefheid in de dagen vóor zijn ziekte,
-en nu moest ze zelf zien hoe ’t hem ging; want haar hartje was doodelijk ongerust,
-hoe ook haar moeder op haar vragen steeds met een geruststellend „’t is niets” geantwoord
-had. Nu was moeder uit, en kon ze ’t wagen. Op haar teenen kwam ze binnen, en voorzichtig
-ging ze aan ’t hoofdeneind naast het bed zitten. Aandachtig keek ze naar de liggende:
-hij had het gelaat naar haar toe gewend. Er brandde éen gaspit, laag gedraaid, met
-een zachtgroene kap over de ballon. Didi kon goed zien hoe afgevallen de zieke was,
-en haar medelijden <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>nam toe. Wat was ’t toch dat hem kwelde? Zou dat lieve leven heengaan zonder dat ze
-wist waarom? En ze voelde zich vernederd in haar kinderlijke rechten. Zij was zijn
-eenig kind. Al was ze nog klein, waarom mocht zij niet weten wat hem scheelde? Ze
-kòn hem troosten: o, dat was vast! Vadertje luisterde graag naar haar, en als zij
-maar wist wat hem deerde, zou zij hem zeker kunnen opbeuren. Die nare moeder! Die
-woû maar niets zeggen. ’t Is niets, ’t is niets.… ’t was wèl wat: vader was ongelukkig,
-hij was ziek van verdriet, erg ziek zelfs! Alsof ze dat niet had kunnen zien.…
-</p>
-<p>Gelukkig dat ze zich nu eindelijk eens zelf overtuigen kon.
-</p>
-<p>Jammer dat vader net sliep. Ze had al niet best begrepen, hoe moeder, die hem anders
-zoo trouw oppaste—dat moest ze toegeven—nu opeens weggeloopen was. En zij had zoo
-vriendelijk gevraagd voor dat uurtje haar moeders plaats in te nemen, en bij vader
-te waken; ze had er om gebeden en gesmeekt. Waarom toch was moeder daar zoo tegen?
-Zij zou vader toch geen kwaad doen! Integendeel, ’t zou hem goed doen haar eens te
-zien. Hij verlangde toch zeker ook wel naar zijn Didi.…
-</p>
-<p>Didi zat peinzend op haar stoel, de kleine voetjes over elkaar geslagen; de eene hand
-op de rand van het ijzeren ledikant. Wat lag vader stil en rustig! <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>Zou hij niet eens wakker worden? Ze zat daar al zoo lang, zeker wel tien minuten,
-nee, een kwartier. Ze had een onweerstaanbaar verlangen hem even aan te raken. Larsen’s
-linkerhand lag boven het dek. Wat had ze vaak met die hand gespeeld, hem geplaagd
-om de overvloedige gouden haartjes op de buitenvlakte—net van een aap!—getracht de
-vingers uiteen te krijgen, wanneer Larsen haar op zijn schoot had en krachtvertooninkjes
-deed. Dat was al een paar jaar geleden. Ze was nu al een groote meid, en deed die
-spelletjes niet meer.… ’t Was toch geen grove hand, nee: de vingers waren niet dik
-zooals die van Kee, en ook niet rood. Ze waren mooi blank en glad, en de nagels zoo
-netjes onderhouden, met witte kringetjes.… Haar handje—de helft zoo groot—lag er vlak
-naast. Even wipte ze een paar maal een vingertje op, en raakte de andere aan. Kom,
-vader zou wel niet zoo gauw wakker worden: ze woû hem zoo graag streelen. Even maar,
-langs die glanzende gouden haartjes.…
-</p>
-<p>Toen ze opkeek, had Larsen de oogen wijd open. Een flauwe glimlach zweefde om zijn
-lippen.
-</p>
-<p>„Mijn kindje,” zei hij zacht.
-</p>
-<p>„Hè, is vader wakker geworden!” riep het kind half geschrokken, half aangenaam verrast.
-</p>
-<p>„’t Is niets, mijn lieveling: ik heb genoeg geslapen. Waar is moeder?”
-<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p>
-<p>„Uit, ik weet niet waarheen.”
-</p>
-<p>Larsen slaakte een zucht van verlichting. Het voortdurend bijzijn van Paula had hem
-zoo vaak gedrukt, al had <span class="corr" id="xd31e2787" title="Bron: hij hij">hij</span> er nooit een klaagwoord over geuit.
-</p>
-<p>„Al lang?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Zoowat.… een kwartier.… of iets langer, geloof ik.”
-</p>
-<p>„En kom jij nu bij je vadertje waken? Dat ’s braaf, schat.”
-</p>
-<p>„Ja, eigenlijk woû moeder ’t niet hebben. Maar ik heb ’t tòch gedaan.” Didi was moedig
-geworden door haar vaders goedkeuring.
-</p>
-<p>Een pijnlijke trek vertoonde zich om Larsen’s mond. Hij fronste de wenkbrauwen. De
-korte illuzie van geluk, door de tegenwoordigheid van zijn kind gewekt, verdween plotseling,
-om plaats te maken voor de oude kwelling. En ’t werd hem te machtig. Daar was zijn
-kind, zijn eenig geluk: met haar moest hij zich redden uit de schipbreuk van zijn
-leven.…
-</p>
-<p>Hij voelde zich kalm, beradener dan ooit.… Hij was niet ziek. De storm in zijn binnenste
-had uitgewoed. Nu of nooit.…
-</p>
-<p>„Didi, heb je medelijden met je vadertje?” zei hij opeens.
-</p>
-<p>’t Kind haalde de schouders op; mond en oogen drukten verwonderd verwijt uit. Didi’s
-mondje was <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>trouwens bizonder welsprekend. De dunne roode lipjes stonden in rusttoestand gewoonlijk
-iets uitgepuild en bij elkaar getrokken, als waren ze steeds gereed zich vlug te ontplooien.
-Haar mooie groote oogen had ze van haar moeder; maar er lag veel zachter schijnsel
-in: wat bij de andere vuur was, was bij haar innigheid.
-</p>
-<p>„En wil je altijd bij vadertje blijven, kind?” vroeg hij. Hij sloeg een arm om haar
-heen. Zij neigde het kopje voorover, en de vier oogen keken elkaar vol aan.
-</p>
-<p>„Zeker.”
-</p>
-<p>„Ook zonder moeder?”
-</p>
-<p>Didi aarzelde even: „Als ’t moet, ja.”
-</p>
-<p>Hoe kwam dat kind aan de gedachte dàt het wel eens zou moeten? vroeg Larsen zich af.
-Er was dan wel veel door haar hoofdje gegaan, om tot zoo iets te komen.
-</p>
-<p>„Geloof je vadertje in alles? In àlles?”
-</p>
-<p>„Natuurlijk.…”
-</p>
-<p>De overtuigde, kordate toon van haar stem deed Larsen goed. Hij bedacht zich even.
-</p>
-<p>„Nu, mijn eenige lieveling, moeder en ik kunnen niet langer samen blijven.”
-</p>
-<p>„Dan ga ik met jou mee.” Er was geen spoor van aarzeling in haar antwoord.
-</p>
-<p>„’t Kan niet anders, nie’waar? ’t Doet je vader ook verdriet.… veel verdriet.”
-<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p>
-<p>’t Meisje kuste hem op de ruige wang, en fluisterde in zijn oor:
-</p>
-<p>„Ben je niet meer ziek? Wil je al heel gauw weg?”
-</p>
-<p>„Van nacht, als ’t mogelijk is. Je moet niet schrikken als ik deze nacht bij je bed
-kom.”
-</p>
-<p>Didi schudde energiek haar kopje.
-</p>
-<p>De volstrekte onverschilligheid voor haar moeder in deze voorgenomen daad trof Larsen
-zeer: ze was niet geheel te verklaren uit de groote aantrekkelijkheid van ’t avontuurlijke
-op ieder kindergemoed. ’t Was beter zoo, dacht hij. Ze zou zich zóo makkelijker schikken
-in ’t leven van eenzaamheid dat hen beiden wachtte.
-</p>
-<p>„Maar, vader,” zei Didi na een oogenblik stil peinzens, „waarom zoo in de nacht? Mag
-moeder er dan niets van weten? Je mag toch heengaan waar je wil, en mij meenemen?”
-</p>
-<p>De vraag maakte Larsen een oogenblik verlegen. Wat zou hij antwoorden?
-</p>
-<p>Hij had haar nooit voorgelogen: in dit opzicht als in zooveel andere onderscheidde
-hij zich van Paula. Deze <span class="corr" id="xd31e2826" title="Bron: spelde">speldde</span> het kind wat op de mouw, of scheepte haar af met een praatje. Ook dit was een reden
-waarom Didi haar vader meer aanhing dan haar moeder; want hoe is liefde op den duur
-mogelijk zonder vertrouwen? Was ze in Paula’s opvatting een „kind”, dat wil zeggen
-een wezen dat nog niet denken <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>of oordeelen kon, bij haar vader gold ze voor een schepseltje met verstand en geest,
-dat slechts om zijn teederheid ontzien, nooit misleid mocht worden.
-</p>
-<p>Larsen greep haar handje en zeide:
-</p>
-<p>„Zeker, dat is wel zoo, kindjelief; maar toch vind ik het beter dat je moeder en anderen
-’t niet zoo dadelijk merken. Waarom dat is, zal je later beter begrijpen.”
-</p>
-<p>’t Kind zweeg. Als vader iets niet wilde zeggen had hij er een goeie reden voor, dat
-wist ze.
-</p>
-<p>Inderdaad schuwde Larsen verdere gesprekken met zijn vrouw. In de dagen na hun breuk
-had Paula’s aanwezigheid hem steeds gehinderd, gedrukt en gekweld op onzeggelijke
-wijze. Vooral de eindelooze uren dat ze aan zijn bed zat waren hem ondragelijk geweest.
-En dan—als hij des daags heenging, had ze hem zeker gevraagd, hoe hij zoo opeens weer
-wel was, waarom hij uitging en zoo voort. Hij haatte uitvluchten en bedrog. Bovendien
-wilde hij niemand van zijn kennissen en vrienden in de stad zijn vertrek met Didi
-laten merken. Later mocht men denken wat men wilde, en hen die werkelijk belang in
-hem stelden—de enkele vrienden—zou hij wel op de hoogte stellen, als eenmaal een groote
-afstand tusschen hen en hem lag, en verdrietelijke uitleggingen en vragen vermeden
-konden worden. Wat Paula, de meest belanghebbende, betrof: wel, hij had ’t haar immers
-<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>gezegd dat hij niet langer met haar samen kon en wilde wezen. Ze bleef niet onverzorgd
-achter: daartoe zou hij de noodige maatregelen wel treffen.
-</p>
-<p>Zwijgend zaten vader en dochter nog een wijle hand in hand. Dan streelde Larsen haar
-hoofdje, en zeide:
-</p>
-<p>„Nu moet je maar heengaan, hoor, kind. Straks komt moeder thuis, en die zou ’t zeker
-niet goed vinden je hier te zien. Ga maar vroeg naar bed, en zie rustig te slapen,
-tot—ik bij je kom.”
-</p>
-<p>„Goed, vader. Wees u maar gerust.”
-</p>
-<p>„Wacht nu maar eerst op moeder, en ga dan naar bed, onuitgekleed maar. Voorzichtig,
-nie’waar?”
-</p>
-<p>Hij kuste haar goede nacht, en ’t kind verwijderde zich stil.
-</p>
-<p>En toen ze weg was overlegde hij zijn plan nog eens. Hij zou tegen een uur of vier
-opstaan, Didi wekken, en samen de trap afgaan. Paula sliep vast en zou stellig niets
-bespeuren. De afgeloopen nacht had ze reeds niet meer bij zijn bed gewaakt, en ze
-zou stellig ook nu de noodzakelijkheid daarvan niet inzien. ’t Zou hem niet mogelijk
-zijn zich van een groote som gelds te voorzien. Maar wat zou dat? Hij had altijd voldoende
-bij zich. Hij keek even zijn beurs na—die lag nog met zijn sleutels op ’t nachttafeltje,
-juist zooals hij ze die laatste nacht vóor zijn ziek worden had neergelegd—en vond
-een groote <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>vijf-en-twintig gulden. Daarmee zou hij zich desnoods de eerste dagen kunnen redden.
-Dan kon hij zijn bankier immers telegrafisch de noodige orders geven. Hij wilde van
-een der tusschenstations dicht in de buurt naar Vlissingen gaan, daar blijven totdat
-hij ’t noodige geld ontving, en dan met de boot naar Londen vertrekken. Hij was dan
-toch nog wellicht binnen vier-en-twintig uren aan zijn bestemming.…
-</p>
-<p>Toen Paula thuiskwam, veinsde hij te slapen. Blijkbaar voldaan keek ze in de kamer
-rond, overtuigde zich dat er verder niets noodig was, en verwijderde zich.
-</p>
-<p>Geen oogenblik kwam ’t bij haar op dat Larsen die nacht reeds ondernemen zou wat ze
-vreesde.
-</p>
-<p>En zoo gelukte de volvoering van het plan in die nacht volkomen. Hij had geen oog
-toegedaan, het kind sliep rustig toen hij haar voorzichtig wekte. Muisstil slopen
-beiden de trappen af, de gang in, voorzagen zich van hoed, jas en mantel, en begaven
-zich op straat.
-</p>
-<p>Zoo hadden ze meer dan een uur geloopen. ’t Kind was moê, maar vol moed. Ze voelde
-zich fier op het vertrouwen van haar vader, veilig in zijn bescherming, en vol illuzies
-voor het onbekende dat vóor haar lag. Het geheimzinnige van al wat er in de laatste
-weken voorgevallen was verontrustte haar niet meer, en ze stelde de beantwoording
-van tal van vragen tot later <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>uit: later zou alles duidelijk worden, hoe vreemd het haar nu ook leek. Later.… en
-haar hartje zwol bij de heerlijke gedachte dat vader en zij voortaan steeds bij elkaar
-zouden wezen, dat er meer innigheid in de omgang tusschen hen zou ontstaan, al was
-die in hun wederzijdsche gevoelens ook volkomen. En haar kinderfantazie stelde zich
-die voor als een vermeerdering van leesuurtjes—vader kon zoo heerlijk voorlezen, al
-liet hij een prinses ook met een bromstem spreken—van lange wandelingen; en ze dacht
-ook aan de eindelijke verwezenlijking van een oude droom: een fiets te krijgen. Moeder
-fietste zoo vaak, en vader ook wel eens; maar vader vond altijd dat moeder gelijk
-had, dat zij nog te klein was, omdat ’t zoo gevaarlijk was.… Nu vader steeds bij haar
-zou wezen, verviel immers dat bezwaar. En zij zou vader <span class="ex">altijd</span> gezelschap houden, ze zou hem voorlezen, voor hem schrijven ook—ja, ze wilde hem
-later helpen met zijn werk. Hoe heerlijk, hoe „leuk” en gezellig! En misschien ging
-ze niet meer naar school: ze hield van leeren, maar op school was ’t zoo vervelend.
-Ze was zoo levendig en bewegelijk, en kreeg telkens „afkeuringen” voor allerlei kleinigheden.
-He nee, die schooljuffrouwen waren erg vervelend. Wat kon vader <span class="ex">anders</span> les geven! Zoo’n geschiedenisles op school was als droog zand, en bij vader.…! ’t
-Was net een mooi verhaal in een boek.
-<span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span></p>
-<p>En Didi mijmerde voort over al ’t goede dat haar wachtte in ’t tooverland aan de andere
-kant der zee. Vader had haar gezegd dat ze over zee zouden gaan naar de grootste stad
-in de wereld. Ze woû niet moê zijn, waar ze dat alles tegemoet ging.…
-</p>
-<p>De dag brak druilig aan, toen het tweetal het kleine dorpsstation bereikten. Een blauwe
-wazige mist lag over de velden, hing als een fijn web over de boomen langs de weg.
-De wind, die afgenomen was, had nog voldoende kracht om hier en daar de mist bijeen
-te vegen en in dichtere wittere lagen op te hopen, elders plekken open latend; terwijl
-dorre bladeren, bemodderd en bruinglanzend van vocht, nu en dan opvlogen van de weg,
-als verdwaasde, in hun rust opgeschrikte vogels, of neerdwarrelden uit de klamme takken
-daarboven in vadsige zwijmeling.
-</p>
-<p>Het nieuwe licht, hoe droevig ook, en het besef van welslagen dier eerste faze van
-hun bevrijdingsdaad, de verwachting van verandering bij ’t zien der ijzeren staven,
-die zich daar glimmend zwart links en rechts uitstrekten, om zich voor ’t oog allengs
-op te lossen in de nevelige verte, gaven aan Larsen’s geest een weldadige afleiding.
-Die rechte, kordaat naar ’t doel voerende lijnen—mocht ook dat doel in wazige geheimenis
-ver voor de blik verscholen liggen—waren hem een beeld van zijn vastberadenheid <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>om <span class="ex">zijn</span> doel te bereiken, ondanks de mist die zijn toekomst verborg.
-</p>
-<p>De heele weg over had hij in somber, nauw afgebroken zwijgen teruggedacht aan alles
-wat hij verliet om der wille van zijn eer en zijn rust. Met innige droefheid betreurde
-hij ’t opgeven van een werkkring waarin hij zich thuis gevoelde, waaraan hij zooveel
-van zijn krachten met lust en ijver gewijd had. Hij was niet alleen geleerde. Ook
-als docent had hij liefde gehad voor zijn betrekking. Zijn colleges waren hem steeds
-een genot geweest, en hij wist dat hij bij zijn leerlingen waardeering vond. Hij had
-er vrienden en bewonderaars onder, onder die jeugdige mannen, wier gemoed hij liefde
-wist in te boezemen voor zijn heerlijk vak, al was ’t meer door de helderheid van
-zijn betoog en de warmte zijner eigenliefde dan door de welsprekendheid zijner voordracht.
-Hij was <span class="ex">erin</span>, steeds, en dit won hem sympathieën. Menigeen onder de jongeren zou zijn heengaan
-voelen als ’t verlies van een vriend, van een degelijk leidsman. De studenten die
-zijn colleges volgden, kwamen nu en dan familiaar bij hem, vroegen hem vrijmoedig
-om inlichtingen, sommigen deden lange wandelingen met hem in leerzame aangename kout,
-en geregeld eens in de maand was zijn salon het vereenigingspunt van tal van jongelieden,
-die waarlijk niet het „theeslaan” bij „de prof” alleen als een <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>gedwongen <span class="corr" id="xd31e2879" title="Bron: fraaiïgheid">fraaiigheid</span> beschouwden. Vooral éen onder hen kwam hem telkens vóor de geest. ’t Was een veelbelovend
-jurist, die reeds de meesterstitel verworven had en uit liefhebberij zijn college
-bleef volgen. Er waren er meer met hem, die tot andere faculteiten behoorden, en „prof
-Lars” gaarne hoorden, zich daarom alleen bij hem hadden laten inschrijven. Maar die
-eene was een der talentvolsten en zeker de geestdriftigste zijner bewonderaars. Israëliet
-van zeer nederige afkomst was David Zomer een dier heldere koppen en stoere werkers
-die zijn ras, ten spijt van vooroordeelen en afgunst, nog steeds tot eer strekken;
-een dier telgen van het oude volk die, als zoovele voorgangers, eenmaal geroepen zouden
-zijn onder de leiders der beschaving gerekend te worden.
-</p>
-<p>Wat was er een gloed in zijn woord, wat sprak er overtuiging en wilskracht uit zijn
-blik! En welk een voorbeeld van liefde tot de wetenschap in de gezondste vorm, van
-soberheid en plichtsbetrachting was hij steeds geweest in de bonte verscheidenheid
-dier <span class="ex" lang="la">spes patriae</span>, onder wie zoovelen zoo weinig gaven van ’t geen ze eenmaal deden <span class="ex">hopen</span>!
-</p>
-<p>’t Hart van de toegewijde leermeester kromp ineen bij de gedachte aan de gedwongen
-verzaking eener taak die hem zoo dierbaar was. ’t Werd hem duidelijker dan ooit, welk
-een rol zijn liefde in zijn leven gespeeld had, en een stem van verwijt klonk <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>telkens weer op in zijn ziel, of hij niet zelfzuchtig was geweest dat alles op te
-offeren, omdat een vrouw hem beleedigd had, om een hersenschim misschien.… Want wat
-was die <span class="ex">eer</span>, wier eischen zich zoo onweerstaanbaar deden gelden bij ’t heilige van plichtsbetrachting?
-Moest hij niet dulden, in gelatenheid aanvaarden, stil verdragen wat hem als bezoeking
-was opgelegd? Er waren zooveel mannen geweest die de schande met moed en zelfverloochening
-hadden getorst om der wille van een schoon ideaal, ja om de eenvoudige gewetensdrang
-tot plichtsvervulling! Dat waren helden, martelaren! En ’t waren waarlijk niet altijd
-de slechtste mannen wier vrouwen hun eer bezoedelden.… ’t Lot moest maar willen dat
-de mannen die zich wijdden aan wetenschap of kunst, aan een veeleischende levenstaak,
-zich verbonden met wufte vrouwen, die niet in staat waren daarin mee te leven, en
-ontrouw was immers schier onvermijdelijk! Hij was dom geweest, kortzichtig en onvoorzichtig.…
-Maar God, hoe kon een liefde als de zijne éen oogenblik argwaan koesteren? En thans,
-nu ze dood was die liefde, nu de groote beweegkracht van zijn werken en streven had
-opgehouden te bestaan, voelde hij zich slap en machteloos, slechts in staat zich voort
-te sleepen tot zelfbehoud, tot de vlucht. Goed, hij was geen held, geen martelaar.
-Mijn God, hij kòn niet, hij kòn niet!… Hij was een <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>mensch met menschelijke zwakheden; hij boog ’t hoofd en deed de droeve belijdenis
-reeds door zoo menig menschenkind in zijn hart uitgesproken:
-</p>
-<p class="center"><span class="ex" lang="la">Homo sum, humani nil <span class="corr" id="xd31e2902" title="Niet in bron">a me </span>alienum mihi puto.</span>
-</p>
-<p>Hij had scheiding van tafel en bed kunnen aanvragen.… Zijn eer was dan immers gered
-geweest en hij had zijn werk kunnen blijven behartigen. En als ’t hem dan ondragelijk
-was geweest in de stad te blijven wonen waar hij zooveel geluk gekend had, waar iedereen
-hem in dat geluk gekend had, dan had hij immers moeite kunnen doen voor een plaatsing
-aan een andere hoogeschool.… ’t Was dus niet zijn eer alleen die hem tot zijn wanhoopsdaad
-gedreven had. Er was iets diepers, iets machtigers in zijn ziel: de pijn van ’t geen
-daar uitgerukt was. Die pijn joeg hem voort, weg van de plaats waar hem de wond was
-toegebracht, ver weg van ieder oord, van ieder mensch dat hem herinneren kon aan dat
-vreeselijkste oogenblik van zijn leven: Paula’s zelfonthulling na de openbaring van
-haar verraad.…
-</p>
-<p>Waren dus de gedachten van ’t kind, dat hij meegenomen had als ’t laatste wat hem
-nog aan ’t leven deed hechten—och, zonder haar had hij immers den dood gezocht, zeker!—meest
-gericht op wat de toekomst geven zou als vergoeding voor al ’t verlorene, voor de
-vader lag daarin slechts éen belofte: rust en vergetelheid. Hij zou die zoeken in
-de omgang <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>met zijn lieveling en in zijn studie; al had hij daarvan slechts een vaag besef.
-</p>
-<p>Vader en dochter traden de kleine wachtkamer van ’t station binnen. Zij waren de eenige
-reizigers op dat vroege morgenuur. De slaperige juffrouw aan ’t buffet reikte op Larsen’s
-verzoek twee dampende koppen koffie en wat brood aan. Op de houten bank langs de wand
-gezeten verorberden de beiden hun eenvoudig ontbijt. Larsen greep gedachteloos naar
-een van de zwaar beduimelde couranten en blaadjes op de tafel vóor hem; Didi sipte
-stil haar koffie, sloeg nu en dan een nieuwsgierige blik om zich heen naar de kleurige
-reclame-platen aan de wand, en mummelde haar broodje.
-</p>
-<p>„Echte loerie, vader,” zei ze op haar kopje wijzend, en lachte.
-</p>
-<p>„Maar toch warm, en ’t doet goed, kindjelief.” Hij streelde haar eene hand onder de
-tafel.
-</p>
-<p>„O ja, en tòch wel lekker!” Ze zou alles lekker gevonden hebben op dat oogenblik.
-Ze was immers „op reis”, vervuld van de heerlijke illuzie van ’t avontuurlijke.…
-</p>
-<p>Tien minuten later reed de trein voor. Larsen begroette hem als een vriend. Toen hij
-in een hoek van een eersteklas-coupé gedoken zat met Didi tegenover zich, glimlachte
-hij tevreden tegen haar: hij voelde zich veilig, en ’t was hem alsof nu eerst de <span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>beslissende stap gedaan was. Ze zaten alleen met hun beidjes.
-</p>
-<p>Nauw onderweg sloot Larsen de oogen, en weldra overmande hem de slaap. En het meisje
-streed eenige minuten tevergeefs met aanvechtingen van dezelfde aard. De trein ging
-niet verder dan Rotterdam: de conducteur zou hen daar wel wekken. En beiden waren
-vermoeid—Larsen ook geestelijk. De lange wandeling bezorgde beiden een droomlooze
-rust.
-<span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch15.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Professor Larsen is hier afgestapt?”
-</p>
-<p>„Ja, meneer, met zijn dochter, kamer 36,” antwoordde de portier van ’t hotel.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2927" title="Niet in bron">„</span>Is meneer thuis?”
-</p>
-<p>„Ik meen van wel. Ze vertrekken pas van avond<span class="corr" id="xd31e2931" title="Bron: ?">.</span>”
-</p>
-<p>„Naar Engeland zeker. Weet je zeker dat hij van avond nog wilde gaan?”
-</p>
-<p>„Ja, meneer; ten minste dat zeî meneer: hij zou niet blijven logeeren. En de boot
-gaat over een paar uur.”
-</p>
-<p>„Zoo. Goed. Wil je meneer dit kaartje brengen?”
-</p>
-<p>De portier liep naar binnen. Een kelner stoof de trap op, klopte aan deur n<sup>o</sup>. 36.
-</p>
-<p>„Binnen.”
-</p>
-<p>„Meneer,” en groetend trad de gedienstige het vertrek binnen, „hier is een kaartje
-van iemand, die u spreken wil.”
-</p>
-<p>Verwonderd bekeek Larsen het kaartje.
-</p>
-<p>„Wie is ’t, vader?” vroeg Didi. Ze zat op een sofa, <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>Larsen op een luien stoel. Larsen antwoordde niet dadelijk:
-</p>
-<p>„Laat meneer.… of nee, wacht, ik kom beneden.” En tot het meisje gewend:
-</p>
-<p>„De dokter wil me spreken.”
-</p>
-<p>„Dokter Brakel?”
-</p>
-<p>„Ja, kindje. Ik kom dadelijk terug.”
-</p>
-<p>Didi zette groote oogen op.
-</p>
-<p>Een kwartier later stond ze van haar plaats op. Ze vatte niet waarom vader zoo lang
-met die dokter sprak. En wat woû die man toch? Was hij ongerust, omdat hij dacht dat
-vader nog ziek was, en was hij daarom overgekomen, zoo ver? Ze moest er ’t hare van
-hebben.
-</p>
-<p>Ze ging naar beneden, en vond weldra haar vader in gesprek met de bewuste. Dadelijk
-trof haar ’t vreemde in de houding en gelaats-uitdrukking van de eerste. Hij stond,
-de ander zat. Zijn gelaat vertoonde een hevige gemoedsbeweging. Wat was er nù weer?
-</p>
-<p>Schuchter trad ze binnen in de kleine spreekkamer bij de ingang van ’t hotel.
-</p>
-<p>„Och, ga heen, Didi,” riep Larsen ongeduldig en onvriendelijker dan hij zelf gewild
-had. Blijkbaar had hij nog veel te zeggen.
-</p>
-<p>De arts wenkte.
-</p>
-<p>„Kom gerust binnen, hoor.” En tot de ander:
-<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span></p>
-<p>„Waarom zou ze niet? ’t Is immers alles in orde nu.”
-</p>
-<p>Larsen barstte los ondanks de tegenwoordigheid van zijn kind.
-</p>
-<p>„In orde? Geen kwestie van! Ik ga niet met u mee. Dat zeg ik u nog eens.” Hij maakte
-een beweging om heen te gaan.
-</p>
-<p>Didi stond verbluft. Ze had haar vader nog nooit zoo opgewonden en driftig gezien.
-Vrees sloeg haar om ’t hart.
-</p>
-<p>De arts bleef doodkalm.
-</p>
-<p>„’t Spijt me, professor, dat u niet naar rede wil luisteren.” Hij stond op, en legde
-Larsen een hand op de schouder. „U heeft toch alles goed begrepen,” zei hij zacht.
-„Maak u nu maar klaar. Ik hoef u toch niet alles te herhalen. ’t Is voor uw eigen
-bestwil.”
-</p>
-<p>„Och wat! Machinaties.… van mijn vrouw!” Larsen was buiten zich zelven. De arts keek
-naar het kind. In vredesnaam! dacht hij; maar hij had medelijden met haar: hij had
-haar dit tooneel willen besparen.
-</p>
-<p>„Kom, meneer Larsen.… Wat kan u tegen uw vrouw hebben, die u zoo goed opgepast heeft?
-U moet terug, en dat ziet zij in. Ik kom op haar last. Ik zie dat u overspannen is.”
-</p>
-<p>„Dat ben ik niet, zeg ik u. Ik wìl van avond vertrekken, verstaat u? En daarmee basta.
-Dag, dokter.”
-</p>
-<p>Hij wilde heengaan. De goede man zag dat het <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>ernst was, of liever kreeg de overtuiging dat hij hier met voor hem zeer verklaarbare
-koppigheid te doen had. Hij trad hem in de weg.
-</p>
-<p>„Een enkel woord nog, als ’t u belieft.” Hij sprak steeds kalm en op vriendelijke
-toon.
-</p>
-<p>Larsen weifelde.
-</p>
-<p>„Nu?” vroeg hij nog altijd toornig.
-</p>
-<p>„Wil ik u ’s wat zeggen? ’t Doet me leed, maar u dwingt me ertoe.” Hij tastte in de
-binnenzak van zijn overjas, en haalde een stuk papier uit zijn zakportefeuille. „Ik
-heb hier ’t bevelschrift van de rechter.” De arts hield het stuk op. Hij achtte het
-niet noodig het te laten zien. Innerlijk was hij immers overtuigd met een krankzinnige
-te doen te hebben. Hoe ver diens onredelijkheid gaan zou, wist hij wel niet; maar
-hij vond het wijs de man „met een zoet lijntje” mee te krijgen, en eerst in ’t ergste
-geval geweld te gebruiken. Echter had hij voor dit laatste de noodige maatregelen
-getroffen.
-</p>
-<p>„Wat moet ik met dat bevelschrift? Ik ben toch geen misdadiger, en bovendien heeft
-u toch geen bevoegdheid om mij te arresteeren. ’t Is al te dol!” In zijn opgewondenheid
-begreep hij nog niets.
-</p>
-<p>Weer maakte Larsen een beweging naar de deur.
-</p>
-<p>De arts zag het, en zei snel:
-</p>
-<p>„Ik reken op uw meegaandheid en redelijkheid. Maar u is overspannen en in uw geestestoestand
-<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span><span class="ex">mag</span> ik niet toelaten dat u op reis gaat—met uw dochter.”
-</p>
-<p>„In mijn geestestoestand!” riep Larsen verbleekend.
-</p>
-<p>Opeens werd het hem duidelijk: die man daar hield hem voor krankzinnig, en dat niet
-alleen, maar het feit was geconstateerd, de rechter was er in gemoeid. Als hij verder
-weerstand bood, zou hij wel met geweld gedwongen worden mee te gaan. Dat was Paula’s
-werk! Plotseling zag hij alles: hij herinnerde zich hoe zij in de dagen van zijn ziek
-zijn herhaalde malen vreemd, met verschrikte blik, soms met een zonderlinge uitdrukking
-van medelijden, naar hem gekeken had; ook hoe zij telkens fluistergesprekken met de
-dokter gehouden had, vlak bij zijn bed. Het woord „cerebralis” kwam hem vóor de geest.…
-In zijn toestand van wezenloosheid en sufheid had dat woord hem bespookt in zijn droomen;
-maar nooit als de uitdrukking van zulk een denkbeeld als thans.…
-</p>
-<p>’t Was dan zoover gekomen met hem.… Paula hield hem voor gek, en liet hem terughalen.…
-O maar, dat kon niet.… dat zou opgehelderd worden.… hij zou ’t zelf ophelderen, dadelijk!
-</p>
-<p>En hij zag de nutteloosheid van tegenweer in.
-</p>
-<p>„Dokter,” zei hij somber, op heel andere toon dan te voren, „ik begrijp volkomen wat
-u bedoelt. De zaak zal terechtkomen. U heeft er geen schuld aan.”
-<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p>
-<p>De goede Esculaap haalde de schouders en de wenkbrauwen op, en spreidde zijn tien
-vingers welsprekend uit: <span class="ex">hij</span> kon ’t niet helpen.…
-</p>
-<p>„Ik vind ’t onaangenaam genoeg, professor,” zei hij meewarig. Hij was innig voldaan
-dat de zaak die wending nam. Hij was een man des vredes, hield niet van heftige tooneelen.
-</p>
-<p>„U gaat dus mee, nie’waar,” liet hij volgen. Zijn toon had iets van dien van iemand,
-die vervuld van medelijden tot een kind spreekt. Larsen voelde ’t als een beleediging,
-maar onderwierp zich gelaten. Wat gaf het hier en thans die man uit de waan te willen
-helpen? Iedere krankzinnige beweerde immers het niet te wezen?
-</p>
-<p>Intusschen stond Didi met verbaasde oogen naar die beiden te kijken. Ze begreep er
-niets van. Ging vader weer terug, gingen ze <span class="ex">niet</span> naar Engeland? Wat kwam die nare man hier stoornis brengen in vaders plannen? De
-tranen drongen naar haar oogen; maar ze zweeg. Later zou vader alles wel uitleggen.
-Evenals hij schikte ze zich in ’t onvermijdelijke. Ze boog haar kopje, en ’t mondje
-pruilde even op.
-</p>
-<p>„Kom, kind,” zei haar vader. En tot de dokter: „Ik ben tot uw beschikking. Met welke
-trein gaat u?”
-</p>
-<p>„Iets over vijven, ik zal ’t ’s nazien,” antwoordde Dr. Brakel in gedachten. „Vindt
-u goed dat ik hier even wacht tot u uw zaakjes geregeld heeft?”
-<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p>
-<p>„Goed.” Larsen was volkomen kalm, en zonder verder een woord verliet hij met zijn
-kind het vertrek.
-</p>
-<p>Toen alle drie tien minuten later bij de voordeur waren, stond Dr. Brakel even stil.
-</p>
-<p>„Een oogenblik,” zei hij. „Ik moet nog even iets vragen.”
-</p>
-<p>Een glimlach vloog over Larsen’s gebaard gelaat.
-</p>
-<p>De dokter ging naar binnen, en Didi maakte van de gelegenheid gebruik om zenuwachtig
-en haast fluisterend te zeggen:
-</p>
-<p>„Vadertje.”
-</p>
-<p>„Ja, mijn kind?”
-</p>
-<p>„Gaan we nu <span class="ex">niet</span> naar Engeland?”
-</p>
-<p>„Vandaag niet, schattemeid. Over een paar dagen.”
-</p>
-<p>„Hè, gelukkig!”
-</p>
-<p>Ze was voldaan, en zuchtte diep: de voornaamste zorg was uit haar gemoed weggenomen.
-</p>
-<p>Toen Dr. Brakel eenige oogenblikken later weer naar voren kwam overdacht hij zijn
-allerlaatste zielkundige waarneming: ’t was toch vreemd met die krankzinnigen: ze
-konden zoo zot doen, en toch ook weer zoo heel gewoon verstandig handelen! De hotelhouder
-had „niks niemendal” gemerkt: meneer had behoorlijk afgerekend ook en gewoon afscheid
-genomen, en de kelner ook behoorlijk bedacht! Vreemd, vreemd.… Een lastige studie,
-die <span class="ex">psychiatrie</span>, en men leerde telkens wat nieuws, merkte telkens <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>wat verrassends op.… Maar de zaak was gezond: Larsen ging gewillig mee<span class="corr" id="xd31e3038" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>„Stakkert!” mompelde de goede geneesheer nog in de gang, terwijl hij zijn versleten
-gekleede jas toeknoopte, en de kraag van zijn overjas opsloeg.
-</p>
-<p>„Komaan, Didi, we gaan, nie’waar, kind?” zeî hij vriendelijk tot Didi, die hem zag
-aankomen, en hem aanstaarde met haar sprekende sprookjes-oogen.
-</p>
-<p>Didi greep haar vaders hand, toen ze zag dat de dokter haar bij de hand wilde nemen.
-Hè nee, ze wilde niet aan zijn hand loopen!
-</p>
-<p>En de drie stapten de straat op.
-</p>
-<p>Een eindje verder kwamen twee mannen, forschgebouwde kerels in een gelijke donkere
-kleeding uit een huis. De dokter keek om. Ze gaven hem zijn blik terug en volgden
-op een kleine afstand.
-<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch16.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XVI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Larsen was merkwaardig veranderd. De verandering in hem openbaarde zich ook in zijn
-kijk op menschen en dingen. Hij was geen droomer, geen fantast, geen man van oorspronkelijke
-gedachten of geniale invallen, geen Faust, maar een Wagner, al was ’t van de goede
-soort. Wetenschap en boek waren bij hem onafscheidelijk; zoodat hij in zijn denkleven
-steeds daardoor beheerscht werd: zijn geest had jaren en jaren achtereen in een denkbeeldige
-atmosfeer verkeerd, en was daarin volkomen bevredigd geweest. Zijn gevoelsleven had
-als onbewust daarnaast bestaan. Nooit had het hem verontrust, geen oogenblik in al
-die jaren had hij ernstig nagedacht over eenige gemoedsvraag. De liefde voor Paula,
-die alles aangrijpende drijfkracht van zijn wezen, was als de klop van zijn hart,
-even natuurlijk, onwillekeurig, buiten alle beheer van zijn denkvermogen.
-</p>
-<p>Thans <span class="ex">dacht</span> hij aan die hartslag; want er was stoornis in zijn ziels-organisme.
-<span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span></p>
-<p>En hoe meer hij dacht, hoe ellendiger hij zich voelde, hoe meer hij besefloos toegaf
-aan de verwarring, het verlies van evenwicht in zijn denkbeelden. ’t Eerste gevolg
-der groote stoornis was angst geweest. Die angst had hem vervolgd, opgejaagd totdat
-hij geen ander heil verwachtte dan wat de vlucht hem schenken zou. En ’t vooruitzicht
-op rust had hem reeds toegeblonken: ’t had hem gesust, ’t had zijn zielebrand voor
-een wijl gedoofd.
-</p>
-<p>En nu? Nauwelijks was hij thuis of de <span class="ex">angst</span> kwam terug! Wat hem voorgekomen was als makkelijk te overwinnen, misverstand, bleek
-thans een weldoordacht plan: niet dat hij er ’t ware besef van had—hoe kon dat in
-de geschokte toestand waarin hij verkeerde?—maar juist deed zijn overspannen verbeelding
-hem bedrog en verraad zien waar het niet was. Was werkelijk hier zijn vrouw alleen
-de schuldige; het duurde niet lang of hij verdacht de huisdokter van gemeene samenspanning.
-En van de eene verdenking kwam hij op de andere, en telkens werd de strijd, die hij
-er tegen voerde, zwakker.
-</p>
-<p>Op reis naar huis terug had hij nog de kracht gehad angst-aanvechtingen terug te dringen:
-zijn vrouw had hem willen dwingen terug te keeren, zeker—waarom anders dat bevelschrift?—maar
-wat ’n dwaasheid te denken dat zulk een komediespel van haar vol te houden was! Och
-kom, hij zou <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>wel heel spoedig ’t zaakje in orde hebben. En hij was begonnen met dood-bedaard—hij
-deed zijn best het te wezen—in gedachten de goede Dr. Brakel nog eens al zijn bewijzen
-vóor te leggen, dat hier een betreurenswaardige dwaling in ’t spel was.
-</p>
-<p>De heele weg over, tot aan ’t oogenblik dat Larsen met zijn geleider en de kleine
-Didi in de trein stapten, hadden ze nauwelijks een woord gewisseld. Larsen stapte
-voort met gefronste wenkbrauwen en saamgeknepen lippen, Didi naast hem, schuchtere
-blikken werpend op haar vader, terwijl de huisarts in vreedzaam gepeins, voldaan,
-maar schijnbaar onverschillig, met kleine pasjes de stoere schreden van zijn <span class="corr" id="xd31e3069" title="Bron: patient">patiënt</span> trachtte bij te houden.
-</p>
-<p>In de coupé zette Larsen zich als een zak in een hoek, Didi schoof naar hem toe, greep
-zijn hand en keek hem met groote oogen aan, met de bezorgdheid van een klein moedertje
-dat troosten wil. Larsen, die reeds de oogen gesloten hield, sloeg ze op, en voelde
-al de streeling die van Didi’s blik uitging. Een warme opwelling van teederheid deed
-hem zijn arm om haar heen slaan, en zijn ruige baard raakte haar zachte wang.
-</p>
-<p>„Vadertje,” zei ’t kind alleen, maar er was een wereld van hartelijkheid en belangstelling
-in haar toon.
-</p>
-<p>Dr. Brakel keek toe. Er was niets dan medelijden in zijn blik, en toch was ’t Larsen
-of hij er spot in <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>las, of hij met een zweepslag opgeschrikt werd. Driftig wendde hij zich half om:
-</p>
-<p>„Doe me genoegen, dokter,” zei hij scherp, „en kijk me niet zoo.… vreemd aan! Ik weet
-waaraan u denkt. Bewaar in Godsnaam uw observaties voor later.…”
-</p>
-<p>De toegesprokene raakte even de klus kwijt—hij was een schuchter, weinig imponeerend
-man—maar herstelde zich dadelijk. De meewarige uitdrukking in zijn oogen werd nog
-sterker en hij antwoordde op gemaakt luchtige toon:
-</p>
-<p>„Maar professor, ik denk er niet aan.…”
-</p>
-<p>Larsen wilde uitbarsten, maar bedwong zich. Ongemakkelijk verschoof hij zich op zijn
-plaats. Hij vergenoegde zich met een blik vol misnoegdheid; thuis, wanneer de tegenwoordigheid
-van ’t kind hem niet langer zou storen, zou hij die onzin wel wegpraten: zóo en zóo
-en zóo.… Als hij nu toegaf aan zijn drift en hevigheid, zou de zaak er zeker eer slechter
-dan beter door worden.
-</p>
-<p>Toen de trein aankwam, stond een rijtuig te wachten, door Paula afgezonden. Larsen
-merkte met verbeten ergernis op dat er een voorzorgsmaatregel genomen was: er zat
-een man naast de koetsier op de bok. Zijn verlangen naar huis werd haast onduldbaar,
-die komedie moest zoo gauw mogelijk uit wezen!
-<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p>
-<p>Nauwelijks zijn voordeur binnen, vroeg hij naar Paula. Het welbekende gezicht van
-Pietje vertoonde een vreemde, medelijdende verwondering.
-</p>
-<p>„Mevrouw?.… Dat weet ik.… heusch niet, meneer,” zei ze met een kleur.
-</p>
-<p>Larsen voelde weer zijn bloed koken: hij, de kalme, zelden kregelige man, had nu telkens
-moeite om zijn drift te bedwingen.
-</p>
-<p>„Is ze uit?” vroeg hij stuursch.
-</p>
-<p>De dokter nam de verlegen Pietje even apart, fluisterde haar een paar woorden in,
-waarop ze, eveneens fluisterend, zenuwachtig antwoordde.
-</p>
-<p>Larsen, die ’t zag, wendde zich kort om, streelde zijn kind, dat zich schuchter tegen
-hem aan drong; en verborg zoo zijn wrevel zoo goed hij kon.
-</p>
-<p>Dr. Brakel zeide daarop:
-</p>
-<p>„Mevrouw is niet dadelijk te spreken, professor. Ik moet haar voorbereiden. Ik zou
-u raden voorloopig naar uw kamer te gaan.” Daarna gaf hij een teeken aan ’t dienstmeisje
-en wees op Didi. Zijn heele optreden had iets autoritairs, iets korts en afdoends,
-als gold het hier een weloverdacht plan van handelen.
-</p>
-<p>De anders zoo zachtmoedige professor kon zich niet meer inhouden.
-</p>
-<p>„Ik moet mevrouw spreken, versta je dat, Pietje?” riep hij woedend, niet lettend op
-de dokter. „Zeg me onmiddellijk waar mevrouw is.” En hij ging <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>eenige schreden de gang in, in de richting van de trap.
-</p>
-<p>„Ik.… weet.… ’t niet,” stamelde de verschrikte Pietje, wie de angst om ’t hart sloeg:
-je kon nooit weten, nu meneer gek was.… En haar voorschoot aan de oogen brengend,
-begon ze te schreien.
-</p>
-<p>Haar vrees dat „meneer” haar aanpakken zou werd niet bewaarheid, tot haar groote verlichting;
-want ze zag hem met ongekende haast de trap opgaan, nog voordat de dokter een woord
-van protest kon uitbrengen. Bij wijze van schrik-afleider nam ze Didi bij de hand,
-en troonde haar met zich mee naar achteren: de dokter moest ’t maar verder klaarspelen
-met meneer, zij moest er niks van hebben, hoor!
-</p>
-<p>En de dokter vond het geraden Larsen zijn gang te laten gaan. Zijn vrouw zou hem toch
-wel in geen geval ontvangen. Dr. Brakel dacht aan de afspraak, die ze vóor zijn vertrek
-naar Vlissingen, met hem gemaakt had, en rekende op haar voorzichtigheid. ’t Was Paula
-makkelijk gevallen hem te overtuigen dat ze bang voor haar man was, nu hij „zoo vreemd”
-was, en hij had haar dan ook de raad gegeven hem onder geen voorwendsel bij zich toe
-te laten: hij, Dr. Brakel, zou dan alles wel kalmpjes afdoen. Paula had het hem vast
-beloofd, met groote voldoening dat ze zóo een lastig tooneel met Larsen vermeed: wie
-weet wat de man anders in zijn razernij tegen haar zeggen zou, afgezien nog van lichamelijk
-letsel dat <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>hij haar zou kunnen doen: hu, zoo’n gek!—want dat wàs hij immers nu bepaald—’t was
-beter alle contact te ontloopen, dan was er geen kans op geklets van de meiden ook,
-en—de zaak zou op rolletjes gaan.…
-</p>
-<p>Zoo had Paula zich dan reeds uren te voren boven in haar kleedkamer opgesloten, en
-iedere keer was ze naar het venster geloopen, wanneer ze meende ’t gedruisch van wielen
-te hooren. Over de tuinmuur heen kon ze een strook van de straat overzien. En toen
-eindelijk ’s avonds vrij laat ’t verwachte rijtuig langs de muur reed, stond ze weer
-achter ’t gordijn, en kon ze bij ’t schijnsel van een straatlantaarn aan de twee gestalten
-op de bok merken dat Larsen wel binnen enkele oogenblikken thuis zou wezen. Toen nog
-even geluisterd aan de deur, die ze met de hand aan de knop openhield: jawel, daar
-hoorde ze zijn stem in de gang! En ijlings sloot ze de deur, weer op slot.
-</p>
-<p>Paula voelde zich zenuwachtig: zou Larsen misschien tòch trachten tot haar door te
-dringen? Als de dokter eens.… Ze zette zich op een fauteuil bij haar kaptafel, en
-wachtte af, de ooren gespitst. Het gerucht van stemmen beneden kwam flauw tot haar.
-Pietje of de dokter zou wel spoedig boven komen.
-</p>
-<p>Daar werd aan de deur geklopt, met vrij hevige tikken.
-<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p>
-<p>Dat moest Larsen zelf zijn! Ze voelde ’t, ofschoon de vlugge schreden op de trap en
-op den overloop evengoed op een ander hadden kunnen duiden; want men zou haar immers
-dadelijk verwittigen, wanneer de verwachte er wezen zou.
-</p>
-<p>Een oogenblik bleef ze in beraad.
-</p>
-<p>Nog eens hevig kloppen, vrij onmiddellijk na ’t eerste.
-</p>
-<p>„Paula, mag ik binnen?” klonk het ongeduldig en gejaagd, zonder eenige inleiding.
-</p>
-<p>De aangesprokene was ten hoogste ontroerd: ze beefde over haar heele lijf. Ze moest
-een besluit nemen: niet binnenlaten, in geen geval.… Maar dan.… als hij eens de deur
-forceerde?
-</p>
-<p>Haastig sprong ze op, liep naar de schel en deed er drie of vier zenuwachtige rukken
-aan.
-</p>
-<p>Larsen hoorde de beweging in de kamer en ’t geluid van de schel. O, hij begreep het:
-Paula was <span class="ex">bang</span> voor hem! Deze ontdekking die hij deed was weinig geschikt om hem tot bedaren te
-brengen. ’t Speet hem nu dat hij maar niet dadelijk naar binnen was gegaan. Hij had
-’t niet gedaan, omdat de veranderde omstandigheden hem dwongen tot grootere vormelijkheid.…
-De deur zou wel open zijn.… hij moest onmiddellijk aan dien onzin een eind maken.
-</p>
-<p>„Wat is dat?” riep hij buiten zich zelven toen hij merkte dat de deur op slot was.
-„Paula! Ik moet <span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>even bij je zijn. Ik moet je spreken. Wat is dat nu voor een komedie? Laat me binnen!”
-</p>
-<p>Geen antwoord.
-</p>
-<p>„Paula! Hoor je me niet?”
-</p>
-<p>Hij luisterde even: ’t was muisstil in de kamer. „Paula!”
-</p>
-<p>Daar kwam iemand de trap op. O, de dokter. Wat had die hier te maken?
-</p>
-<p>„Wat moet u hier?” vroeg Larsen.
-</p>
-<p>De dokter trad op hem toe en leî een hand op zijn schouder. Larsen weerde hem driftig
-af:
-</p>
-<p>„Dat is onuitstaanbaar! Ik heb u niet noodig.…”
-</p>
-<p>„Ik u wel,” zei Dr. Brakel kalm en met beteekenis. Weer ging de bel in Paula’s kamer.
-</p>
-<p>„Wacht u dan beneden op me. Ik kom bij u in de voorkamer, straks. Ik moet even mijn
-vrouw spreken. Dat wil u me toch niet beletten?”
-</p>
-<p>Merkwaardig stak de drift van de eene bij de kalmte van de ander af. Dr. Brakel waagde
-nog een poging tot overreding. Vriendelijk vervolgde hij:
-</p>
-<p>„Ik heb u immers gezegd dat uw vrouw u niet dadelijk ontvangen kan. Ze komt misschien
-straks beneden. Ga nu met me mee, of ga naar uw kamer. Daar doet u heusch verstandiger
-aan. U begrijpt toch dat uw vrouw na ’t gebeurde.… niet opeens begrijpt.… wat ze aan
-u heeft.”
-</p>
-<p>Misschien zou Larsen voor die zachte drang <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>gezwicht zijn, als niet juist op dat oogenblik iets voorviel dat zijn reeds bedarende
-drift heviger dan ooit deed opvlammen.
-</p>
-<p>De man op de bok, op wie Larsen bij ’t thuiskomen in zijn staat van afgetrokkenheid
-niet meer gelet had, was een kameraad gaan halen en beiden bleven buiten wachten nadat
-het rijtuig weggereden was. Pietje had van mevrouw de uitdrukkelijke last gekregen
-ze in te laten zoodra de dokter ’t noodig oordeelde, en als dat gebleken was voorloopig
-niet het geval te wezen, zou ze hun dit aan de deur zeggen. De politie-mannen—want
-dit waren zij, al verraadde niets in hun kleeding hun kwaliteit—wandelden op en neer
-vlak vóor ’t huis. Pietje, die op mevrouw’s bellen de oude dokter naar boven had zien
-„hollen”, vond ’t geraden naar hulp uit te kijken: wie weet wat er anders gebeurde!
-Ze was anders juist bezig Didi allerlei vragen te doen, en had zoo graag wat meer
-uit haar gekregen—Didi was uit haar humeur geweest, had nauwelijks bij Pietje willen
-blijven, en toch had deze dit noodig gevonden „in de omstandigheden”. En Pietje stoof
-de gang in, terwijl ze Didi in de keuken sloot, keek schuw links en rechts uit de
-voordeur, wenkte met hevig gebaar toen ze de twee gestalten gewaar werd.
-</p>
-<p>„Doet-i vreemd?” vroeg de een, die ’t zaakje niet onaardig vond. Mevrouw van de Prefesser
-was al <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>zoo gul geweest. ’t Was daar ’n goeie boel in huis: cognac en sigaren, asjeblief en
-fijn, hoor!
-</p>
-<p>„Ja, kom gauw,” zei Pietje zenuwachtig, en keek nog eens of er ook menschen op straat
-waren.
-</p>
-<p>En de beide mannen kwamen stil binnen. Pietje sloot de voordeur, met bevende vingers,
-en ze deed zich pijn aan de <span class="corr" id="xd31e3151" title="Bron: kopere">koperen</span> knop. Ze stak haar duim in haar mond—hè, dat lamme ding aan die deur!
-</p>
-<p>„Mevrouw is boven,” stamelde ze.
-</p>
-<p>„Ja, en?” De gebaarde politie-agent met het blozende gezicht, die iets Duitsch krijgshaftigs
-in zijn uiterlijk bewaard had, al was hij ook reeds tien jaar „uit dienst”, had zijn
-minder militair uitziende kameraad—een bleek, beenig stadsmensch met kaal gezicht,
-iets ouder en minder stevig—met een wenk duidelijk gemaakt dat hij wachten moest:
-<i>hij</i> had in dienst manieren geleerd, wat blief je.…
-</p>
-<p>„Meneer.… is ook boven. En de dokter is ook boven. Ga maar ’s kijken.”
-</p>
-<p>De Germaan van de twee glimlachte goedig over Pietje’s zenuwachtigheid.
-</p>
-<p>„Blijf jij maar hier wachten, Van Turnhout,” zeî hij op gedempte toon tot de ander.
-„Ik zal je wel roepen als ’t noodig is. Ik zal wel alleen gaan.”
-</p>
-<p>„Gauw dan toch!” jengelde Pietje zoo zacht als haar angst toeliet. Mevrouw had haar
-weer gebeld.…
-</p>
-<p>En zoo kwam ’t dat er zich een ruige krijgsmanstronie <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>boven de trap vertoonde, juist toen Larsen die kant uitkeek, en er reeds aan dacht
-toe te geven aan de aandrang van Dr. Brakel.
-</p>
-<p>Het kinderlijk, kalm jongensgezicht met de groot-starende, blauwe kijkers had op Larsen
-een wonderlijke uitwerking. Zonder zich rekenschap te geven van wat hij deed—de impulsies
-namen meer en meer de overhand in zijn handelen—vloog hij op de verschijning toe.
-</p>
-<p>„Mijn trap af.… Mijn huis uit, zeg ik je!” bulderde hij vlak bij hem.
-</p>
-<p>Weer dat starende blauw, zonder spoor van verbazing; dat massieve geheel van bewuste
-kracht.
-</p>
-<p>Larsen weifelde. Meteen was onze Germaan boven, en stond nu naast de woedende. Hij
-wierp even een blik naar de deur aan ’t einde van de overloop, die van Paula’s kamer.
-Dat was in orde: de dokter stond ervoor, en die wenkte: hij kon zijn gang gaan.
-</p>
-<p>Larsen zag en begreep zijn blik. En smartelijker, honender dan ooit flikkerde dit
-angstbeeld vóor zijn geest op: Paula wilde hem verwijderen, naar ’t gekkenhuis laten
-brengen, zonder hem een oogenblik gelegenheid te laten het misverstand uit de weg
-te ruimen, en de dokter en zijn heele huis spanden samen in een duivelsch komplot!
-</p>
-<p>Dat zou niet, bij God! Hij was nog meester in zijn huis.… Maar ’t bevelschrift dat
-de oude <span id="xd31e3176"></span>Brakel <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>hem te Vlissingen had laten zien? ’t Mocht wat! ’t Was al mooi dat hij daarom gewillig
-mee was gegaan, terug naar zijn huis! ’t Was immers schreeuwend onrecht iemand zoo
-maar weg te willen halen zonder een woord van explicatie! Dat was Paula’s toeleg:
-een machinatie zonder naam, op touw gezet omdat ze haar kansen anders tegenover hem
-verloren zag. Daar zou hij zich tegen verzetten, en hij wou wel ’s zien, of hij zich
-geen recht zou weten te verschaffen tegenover dat wijf!!
-</p>
-<p>En er niets van beseffende hoe hij hier juist bezig was zijn eigen spel voor goed
-te bederven, liet hij zich blindelings voortsleepen door zijn toorn.
-</p>
-<p>„Versta je me niet?” riep hij weer tot de agent met gebalde vuisten en vlammende oogen.
-„Onmiddellijk naar beneden!”
-</p>
-<p>De ander zweeg, maar de dreiging in Larsen’s blik en gebaar ziende, bracht hij snel
-een fluitje voor den dag, en blies er even met kracht op. Had hij geroepen, dan was
-er kans geweest dat zijn kameraad beneden een minder gunstig denkbeeld van zijn correct
-militair optreden gekregen had.
-</p>
-<p>Bij Larsen deed dit de maat overloopen. Met zijn groote kracht, vroeger ondanks al
-zijn ingespannen studie steeds onderhouden en geoefend door dagelijksche huis-gymnastiek,
-’s morgens na ’t bad, en thans nog wonderlijk vermeerderd door zijn dolle <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>woede, greep hij de agent bij zijn schouder, en duwde hem in de richting van de trap,
-slechts enkele schreden daarvandaan. De man was een oogenblik overbluft door de vlugheid
-van Larsen’s optreden. Doch zich dadelijk herstellende, wist hij met groote tegenwoordigheid
-van geest bovenaan de leuning te grijpen, en zoo een anders zekere val te stuiten,
-toen zijn eene voet reeds van ’t portaal af op de bovenste trede der trap was gegleden.
-Nauw zijn evenwicht herkregen, zette hij zich schrap. ’t Massieve eikenhout der leuning
-kraakte bedenkelijk door de forsche druk van die athleten-arm; doch ’t was maar éen
-oogenblik; want de onbesuisde tegenstander was bedwongen voordat hij nog recht wist
-wat er gebeurde: de ander had hem met de eene vrije arm en zijn eene knie achteruit
-gedrongen, was een ommezien later weer op het portaal, en had Larsen de handboeien
-aangelegd.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3188" title="Niet in bron">„</span>’t Spijt me, meneer,” zei de handige politie-agent met kranig geaffecteerde bedaardheid—hij
-was blij dat ’t zoo goed afgeloopen was, nou; want de perfesser was niet meegevallen,
-om de dood nie!—„maar u zal me moeten volgen. Als u zich kalm houdt wil ik u straks
-die boeien wel afdoen, in ’t rijtuig misschien al.”
-</p>
-<p>De gevangene stond wezenloos, verlamd. Met uitpuilende oogen staarde hij de agent
-aan, zijn neusvleugels <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>trilden, uit zijn open mond kwamen benauwde ademschokken. Een akelig geluid, half
-snik, half kreunen ontwrong zich aan zijn borst, en hij zakte in elkaar. Een wit gipsen
-beeld achter hem wankelde en viel van zijn voetstuk met een harde slag.
-</p>
-<p>Met goedige verbazing in zijn blik ondersteunde de agent het slappe lichaam van Larsen.
-De dokter schoot toe, gaf orders.
-</p>
-<p>Inmiddels was de tweede agent bovengekomen.
-</p>
-<p>En Pietje schichtig daarachter, op de trap nog, aarzelend, nieuwsgierig, bang.
-</p>
-<p>„Zal ik koud water halen?” riep ze.
-</p>
-<p>Larsen werd naar een bank geleid bij een raam op de overloop. De dokter liet hem zitten,
-maakte zijn vest los. De eene agent ontdeed hem van zijn boeien, de ander haalde wat
-water: de duinwaterkraan was vlak bij de hand. Hij nam ’t zeepbakje weg en vulde dat.
-</p>
-<p>„Daar neerzetten,” zeî Dr. Brakel, toen de agent terugkwam. En dan tot de schichtige
-Pietje:
-</p>
-<p>„Breng even een spons, Pietje.” En toen Pietje de trap weer af wilde:
-</p>
-<p>„Uit mevrouws kamer maar.”
-</p>
-<p>Paula, die achter haar deur had staan luisteren, een en al beving en schrik, vermoedde
-wat er gaande was. Ze liet Pietje dadelijk binnen, toen deze met huilerige stem om
-toegang vroeg.
-<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p>
-<p>De dokter had intusschen zijn <span class="corr" id="xd31e3208" title="Bron: patient">patiënt</span> een flacon met „vlugzout” onder de neus gehouden—hij had het bij zich genomen voor
-alle gebeurlijkheden; daarna het voorhoofd wat gebet, met zijn zakdoek. Larsen opende
-flauw de oogen.
-</p>
-<p>Toen Pietje terugkwam, stak haar meesteres ’t hoofd uit de deur van haar kamer.
-</p>
-<p>„Dokter!” riep ze zacht.
-</p>
-<p>De geroepene belastte Pietje met het toezicht over zijn <span class="corr" id="xd31e3215" title="Bron: patient">patiënt</span>.
-</p>
-<p>„Ja?” antwoordde hij bijna fluisterend.
-</p>
-<p>„Hoe is ’t, dokter? Hij komt bij, nie’waar?”
-</p>
-<p>„O ja, dat gaat al. Maak u maar niet ongerust.”
-</p>
-<p>„Moet hij niet naar zijn bed?”
-</p>
-<p>„Ja, dat zal wel ’t beste zijn. Waar zal ik hem laten brengen?”
-</p>
-<p>„Och.… wat dunkt u?.… Heeft hij daar ook niet een goed bed?”
-</p>
-<p>„Daar.… Wat bedoelt u?”
-</p>
-<p>„In.… in ’t gesticht.”
-</p>
-<p>„O, jawel. Maar woû u?.…”
-</p>
-<p>Paula hield even op. Toen nog zachter dan te voren:
-</p>
-<p>„Ik ben zoo bang.… voor hem, dokter. Voor hèm, ziet u? Als u toch verzekert dat ze
-hem daar goed behandelen. Zou ’t heusch niet beter zijn?”
-</p>
-<p>„Och, eigenlijk wel.…”
-</p>
-<p>„Doet u ’t maar. Wacht, ik zal Pietje om een <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>rijtuig laten telefoneeren.… U vindt ’t immers goed zoo, nie’waar, dokter?”
-</p>
-<p>„O zeker, zeker, u heeft gelijk. Beter zoo.”
-</p>
-<p>Hij ging naar Larsen terug, loste de bevende Pietje af van haar akelige taak: och,
-meneer zag zoo wit als een doek, en dan die natte haren vóor zijn oogen!
-</p>
-<p>Beneden in de gang gekomen, hoorde ze Didi weeklagen in de keuken. ’t Kind was buiten
-zichzelve. „Ik wil naar vader, ik wil naar vader!” kreet ze telkens tusschen zenuwachtig
-snikken in.
-</p>
-<p>Pietje gebood haar gevoelig hart te zwijgen, en hanteerde het spreekwerktuig met zenuwachtige
-haast.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Een half uur later—’t was half twaalf in de nacht—reed op de weg naar Den Haag met
-eenzame wielrateling een dicht rijtuig in de richting der hofstad. Op de bok zat ditmaal
-alleen de koetsier met nog een man; op de achterbank binnen het korte lichaam van
-Dr. Brakel, met gekruiste armen achterover leunend, en tegenover hem Larsen in kussens
-half weggezakt, in doffe onverschilligheid.
-<span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch17.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XVII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Wat nu al weer? Binnen!!” riep Larsen, die op een lederen leuningstoel ineengedoken
-zat, kin op de borst, handen en voeten over elkaar. Hij <span class="ex">dacht na</span>. ’t Was onaangenaam dat men hem nooit behoorlijk tijd liet om <span class="ex">na te denken</span>: iedere keer werd hij gestoord!
-</p>
-<p>De deur ging open. Larsen keek niet op. Met gefronste wenkbrauwen bleef hij vóor zich
-kijken.
-</p>
-<p>„Goeie morgen, Willem!” zeide de binnentredende vroolijk en hartelijk. „Hoe staat
-het leven?” Hij ging naar de zittende toe, en klopte hem op de schouder.
-</p>
-<p>„O, ben jij ’t.…?” Wantrouwig blikten Larsen’s oogen. Dan opeens met veranderde toon,
-maar nòg gemelijk: „Kruyt.… Albert.”
-</p>
-<p>„Zeker, amice, ik kom ’s kijken hoe je ’t maakt, net als de vorige keer.…” Medelijdend
-keek de bezoeker de ander aan.
-</p>
-<p>Hij was ongeveer van diens leeftijd, had een gladgeschoren <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>rondblozend gelaat, zwartglanzig spaarzaam haar met lichte kroezing boven de kleine
-platte ooren, half dichtgeknepen grijze oogjes, gebogen, maar fraai gevormde neus,
-streepmond met een zelden verdwijnend vleugje van ironie, door rooken eenigszins zwartachtig
-geworden gave kleine tanden, waarvan zich alleen de onderste rij bij een kort kramplachje
-liet zien; verder een spoor van onderkin, en in hals en overige lichaamsdeelen iets
-welgedaans, dat evenwel aan ’t geheel zijner verschijning eer voor- dan nadeelig was:
-’t gaf hem bij de ongedwongenheid en evenredigheid zijner bewegingen een waas van
-priesterlijke waardigheid en deftigheid, die hij gaarne aan den dag legde. Een oppervlakkig
-waarnemer zou allicht, hem ziende, tot de diagnose komen: een man met een heldere
-geest, die zich vaak met ernstige zaken bezighoudt, een waardig man, en een wie ’t
-goed gaat in dit leven. En, wat het uitsluitend uiterlijk aanging: een man van opvoeding
-en stand, die zijn wereld kent; niet bepaald knap, maar voornaam en vriendelijk van
-trekken.
-</p>
-<p>Kruyt was kort na Larsen’s opname in ’t gesticht er eens heen gegaan, om zich op de
-hoogte te stellen. Hij had in een paar weken niets van zijn oude vriend vernomen,
-en opeens had de tijding van diens vlucht en wat er volgde hem zeer onaangenaam verrast.
-’t Was Van Thiemen geweest, die hem op <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>de hoogte gesteld had. De eerste ontmoeting met zijn ongelukkige vriend was voor Kruyt
-voldoende geweest, om geen oogenblik meer te twijfelen aan diens geestestoestand:
-’t was mis met Larsen, en—misschien voor goed!
-</p>
-<p>„Gisteren is <span class="ex">zij</span> er weer geweest,” ging Larsen voort, met somber vóor zich uit starende oogen en weer
-op gemelijke toon.
-</p>
-<p>„Je bedoelt je vrouw? Belangstelling immers,” en hij nam een stoel.
-</p>
-<p>Larsen hief zich hartstochtelijk in zijn stoel op, en beet de ander toe:
-</p>
-<p>„Belangstelling! Ze stookt de menschen tegen me op, om me nog langer hier te houden!
-Ik wil haar niet zien! Ik wil haar <span class="ex">nooit</span> meer zien, versta je, Kruyt? Nooit meer! Zeg ’t haar toch!”
-</p>
-<p>De ander keek zwijgend en met meewarige blik naar deze uitbarsting van wrevel, de
-derde die hij nu bijgewoond had. Larsen had het beide keeren steeds over zijn vrouw
-gehad, en de bitterheid van toon daarbij was hem meer dan eens pijnlijk opgevallen.
-Wat maakte de man zoo achterdochtig tegen die vrouw, hem die toch vroeger zoo gelukkig
-met haar scheen te wezen? Ofschoon hij er ’t ware niet van begreep—want Larsen onthield
-zich door eigen natuurlijke afkeer van ’t openbaren der waarheid ter zake van zijn
-huwelijksleven—toch besefte hij <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>vaag dat hier iets bizonders gebeurd moest wezen. En hij dacht: wie weet welk huiselijk
-drama hier het vreeselijke gevolg gehad had, dat hij voor oogen zag!
-</p>
-<p>„Kom, kom, Willem,” antwoordde Kruyt sussend, „je vrouw meent ’t zoo kwaad niet. Ze
-wil zich alleen overtuigen, of ze hier wel goed voor je zorgen. En ze stuurt je toch
-ook dikwijls wat lekkers.…”
-</p>
-<p>Larsen verbaasde zich niet, dat Kruyt hiervan afwist: hij was in die staat van afgetrokkenheid
-waarin niets meer verbaast: gelijk de droomer onbewogen neerliggend soms al ’t vreemde
-gadeslaat dat er met zijn droom-persoonlijkheid geschiedt, zoo zag hij hier de wereld
-buiten hem als geheel los van hemzelve voor zoover ze niet onmiddellijk samenhing
-met zijn innerlijke wereld; die waarin zijn gedachten steeds rondwaarden of waarin
-ze telkens na half ontwaken weer terugkeerden. Hij verbeeldde zich dat zijn vriend
-Paula herhaalde malen gezien en gesproken had. ’t Was altijd Paula en nog eens Paula:
-die stond in contact met alles en met iedereen waarmee hij te doen had. In werkelijkheid
-was Larsen’s vrouw, in de veertien dagen gedurende welke hij verpleegd werd, driemaal
-om welvoegelijkheids-redenen—en andere—in ’t gesticht geweest, „om naar mijn arme
-man te gaan kijken”, zooals zij ’t tegen haar vriendin Margot uitdrukte, zonder een
-enkele keer Kruyt te ontmoeten. Telkenmale had Larsen <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>volstrekt geweigerd haar te woord te staan, en zich vreeselijk opgewonden. Ofschoon
-een instinktmatige kieschheid hem steeds weerhield zijn argwaan te verklaren—ware
-’t slechts door een enkele hartstochtelijke uitroep, die geen twijfel meer liet—had
-hij zich dagelijks tegen het verplegend personeel beklaagd over Paula’s optreden.
-Zijn hevige uitingen te dien opzichte waren in schril contrast met de zachtmoedigheid,
-droefenis en teedere belangstelling door Paula aan den dag gelegd. Men schudde het
-hoofd: de beklagenswaardige man was wel „ver weg” om zoo’n arme lieve vrouw zóo te
-beschuldigen! Zij uit louter boos opzet, uit haat hem hier houden, terwijl hij zoo
-onzinnig doorsloeg en nooit eenige redelijke grond voor zijn beweringen aangaf! ’t
-Was wel treurig, waar men immers wist hoe goed die twee jaren en jaren achtereen geleefd
-hadden: dat zei immers iedereen die de professor en zijn vrouw in hun vroeger samenzijn
-gekend had!
-</p>
-<p>Op de laatste woorden van zijn vriend antwoordde Larsen niet: och, hij was ook al
-op haar hand, als iedereen, als iedereen! Die vrouw palmde iedereen in met haar duivelsche
-aanhalige manieren! Wat hielp het hem er tegen te vechten? Zij had die Kruyt ook al
-weten wijs te maken, hoe lief ze haar man had, hoe ze alles voor hem overhad, hoe
-vreeselijk ze ’t vond dat hij hier was, en wat voor fraaiigheid <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>meer! Zoo had ze iedereen, iedereen behekst, en zou ze hem hier in zijn ellende weten
-te houden, jaar in, jaar uit, tot zijn dood toe. Waarom toch anders wilde niemand
-wat voor hem doen? Waarom kreeg hij geen antwoord op zijn brieven aan Van Thiemen,
-de eenige aan wie hij alles zeggen kon, waarom geen taal of teeken van Didi? Waarom
-mocht hij zijn kind nooit zien? Dat was alles om krankzinnig te worden!.… Was hij
-’t niet al? O stellig: ze zou haar zin krijgen, als deze toestand nog lang moest voortduren,
-die gevangenschap zonder uitzicht op verlossing, zonder eenige aanraking met zijn
-vroeger leven dan alleen Paula’s brieven, en een enkel bezoek van Kruyt, die van niets
-afwist! Paula’s brieven! Hij woû ze niet meer lezen, geen enkele meer. Hij had aan
-de eerste genoeg gehad: hij walgde van die volleerde huichelarij. Twee lagen nu al
-onopengemaakt op de tafel in zijn kamer. In de eenige die Larsen gelezen had deelde
-Paula onder andere mede, dat Van Thiemen bij ’t haastig inspringen van een trein,
-die reeds in beweging was, zijn eene arm gebroken had, en nu het bed moest houden.
-Ze onthield zich van te verklaren, waarom Van Thiemen’s antwoord op Larsen’s eerste
-wanhopige brief nooit in zijn handen kwam, evenmin als eenige andere correspondentie.
-Ze had anders moeten vertellen, hoe ze reeds bij haar eerste bezoek aan ’t gesticht
-in <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>overleg was getreden met de geneesheer en hem op allerliefste en overtuigende wijze
-had duidelijk gemaakt dat het voor haar man niet goed was brieven te ontvangen, behalve
-van haar. „Och, dokter, ik stel hem immers van alles op de hoogte, nietwaar? Van zijn
-huis, van zijn kind, van zijn vrienden.… En dan—hij kan mij immers zien zooveel als
-hij zelf verlangt.…” De dokter was ’t volmaakt eens met haar: hij was een hoffelijk
-man en een voorzichtig man. Hij was ook getrouwd, en, al was hij arts, niemand beter
-dan zijn vrouw wist wat goed voor hem was en wat niet. Hij begon al oud te worden,
-en was al een paar tientallen van jaren gewend aan de alles bedisselende en regelende
-leiding, aan de vertroeteling, die hij thuis ondervond. Hij wist er alles van, hij
-die zelf een mooie vrouw had, en een goeie vrouw ook. „Zeker, zeker, zeker,” zei hij
-daarom met nauw zichtbaar instemmend hoofdgeknik en de vette duimen over elkaar draaiend,
-tot Paula, die tegenover hem zat in ’t spreekkamertje.
-</p>
-<p>Paula keek voldaan op de glimmende schedel schuin onder haar: de dokter had de gewoonte
-meditatief naar de grond te kijken en slechts nu en dan zijn hoofd scheef op te heffen,
-zoodat hij hem of haar met wie hij zat te praten niet aanzag. Hij sprak dan met opgestoken
-onderlip en met iets wezenloos droomerigs en eentonigs, als gaf hij antwoord aan stemmen,
-<span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>die binnen in hem tot hem argumenteerden. Hij was dan bizonder leelijk: het lichte
-knikkebollen van zijn groot, rond, tanig hoofd met de enkele, grauwe, platliggende
-haren links en rechts aan de slapen, de slechtgeschoren, kwabbige wangen met de enkele
-zwarte sprieten van haren, die als bakkebaardjes dienst deden, de op een smalle kier
-staande, gebrilde oogen, terwijl de magere, gele hals bizonder lang leek door de lage,
-al te wijde boord die hij droeg, dat alles deed onweerstaanbaar herinneringen leven
-aan groteske Japansche beeldjes uit speksteen met eeuwig wiegelende bolletjes.
-</p>
-<p>Paula had meer tegenkanting gevreesd: die dokter was bizonder meegevallen. Hij ging
-ook geheel met haar mee toen ze hem te kennen gaf dat bezoeken van hun kind aan Larsen
-niet gewenscht waren: „Ja.… ja.… ja.…” droomde en knikkebolde de arts, luisterend
-naar de stemmen in hem. „U weet dat zeker ’t beste.… zonder twijfel, zonder twijfel.…”
-En na een pauze: „zeker, zonder twijfel, ja.… ja, mevrouw, zonder twijfel.” „Vindt
-u niet?” zei Paula nog eens, heel lief, maar met een ondeugend flikkerlichtje in haar
-oogen. De dokter luisterde weer naar zijn stemmen, kneep de oogen dicht, knikkebolde
-schuin met hevig opgewerkte lip. „Ja.… nee, zeker.… zonder twijfel, mevrouw.… zonder
-twijfel.”
-</p>
-<p>Zoo gebeurde het dat Larsen na de eerste van <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>zijn vrouw geen brieven ontving, die hij de moeite van ’t openen waard vond, en dat
-hij zijn Didi niet zag. Toen hij zich na Paula’s vergeefsche poging om hem in zijn
-kamer op te zoeken—wat was ze ten slotte blij dat hij zich daartegen zoo verzette!—bij
-de dokter beklaagde over ’t uitblijven van brieven en een bezoek van zijn kind, wierp
-hij onmiddellijk de schuld op Paula: zij stookte, zij woû hem hier houden, nadat zij
-hem hier binnen gekregen had door gemeene toeleg; al die ongerustheid over zijn wel
-of wee was aanstellerij, leugen, bedrog, alleen op touw gezet om de menschen zand
-in de oogen te strooien, om te beletten dat hij hier ooit vandaan kwam, en zoo meer.
-Op al die hevigheid had de goede psychiater maar heel weinig geantwoord: de psychiatrie
-had hem immers geleerd krankzinnigen niet te prikkelen door tegenspraak. En toen hij
-buiten de deur van Larsen’s kamer was, schuddebolde hij weer zachtkens, en de stemmen
-in zijn binnenste spraken driemaal achter elkaar: „zoo praat me zoowat iedere gek.…
-allemaal op een gemeene manier in ’t krankzinnigengesticht gekomen.… bekende geschiedenis.”
-En ’s dokter’s mond antwoordde omfloerst: „ja, juist, zeker, zeker.… zonder twijfel,
-hm.… zeker.… ja, ja, ja.”
-</p>
-<p>Toch vond de voorzichtige arts na Paula’s derde bezoek de zaak ernstiger dan hij eerst
-gedacht had: <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>de <span class="corr" id="xd31e3309" title="Bron: patient">patiënt</span> baarde ongerustheid door al de hartstocht, die hij iederen dag, wanneer hij kwam
-kijken, zag terugkeeren, heviger dan ooit na ’t vernemen van de aanwezigheid van diens
-vrouw in ’t gesticht. Niet dat de dokter zelf hem daar ooit over sprak, nadat hij
-eens gezien had, hoe Larsen te keer ging: nee, hij zag het nuttelooze daar wel van
-in, en Larsen vroeg het hèm niet. Maar een verpleegster, degene die met de zorg voor
-zijn kamer belast was, vond het telkens noodig hem over zijn vrouw te spreken, hetzij
-wanneer deze kwam of daarna. ’t Goede mensch was nog niet lang in haar tegenwoordige
-betrekking, en scheen iedere keer te vergeten, dat ze beter deed met op al Larsen’s
-uitvallen tegen zijn vrouw ’t zwijgen te doen dan hoog op te geven van ’t verdriet
-„van dat arreme mensch”, omdat „meneer haar niet bij zich woû hebben” en toch „heusch
-wel een beetje onbillijk—zal ik maar zeggen—tegen d’r was”.
-</p>
-<p>En omdat de dokter van ’t krankzinnigengesticht hart voor zijn <span class="corr" id="xd31e3314" title="Bron: patienten">patiënten</span> had, wilde hij Larsen ergernis besparen: mevrouw Larsen’s bezoeken moesten voortaan
-streng geheim gehouden worden, en zoo noodig ontkend. De praatzieke verpleegster werd
-door een ander vervangen. Nu bleven de brieven nog. De schrijfster verzoeken er geen
-meer te schrijven ging toch waarlijk niet aan: hij zou de lieve vrouw immers <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>kwetsen.… Nee, er was wel wat anders op: hij zou die brieven eenvoudig, met de andere
-die er wel eens kwamen, naar zijn kamer laten brengen; dan hield hij daar alles tot
-het belangstellend bezoek weer kwam, en <span class="corr" id="xd31e3319" title="Bron: schifte">schiftte</span> wat de bezoekster ter hand gesteld moest worden en wat niet.
-</p>
-<p>Doch, hoezeer onze dokter ook voldaan was over zijn maatregelen, zeer veel resultaat
-zag hij er niet van; want Larsen ging voort met morren en klagen. ’t Onwaardige van
-zijn houding kwam hem nu en dan vaag vóor de geest, maar de ontreddering, het evenwichtverlies
-in zijn zieleleven was te groot om hem nog eigenlijke zelfbeheersching te laten. Dat
-hij nooit een onkiesch woord over Paula’s echtbreuk zeide, had met zelfbeheersching
-niets te maken: hij deed dat niet, omdat hij er niet de minste lust toe voelde, ja
-het spreken er over hem onduldbaar pijnlijk zou geweest zijn. De eigenliefde, die
-hem bang maakte voor deze pijn, was er een van lagere orde dan die welke ’t allereerst
-zelfachting eischt en dus <span class="corr" id="xd31e3324" title="Bron: zelf bedwang">zelfbedwang</span> gebiedt. Wat gaf hij om zijn waardigheid! Zijn afgod lag verbrijzeld. Al wat hem
-aanzette tot <span class="corr" id="xd31e3327" title="Bron: krachts-inspanning">krachtsinspanning</span> over zichzelf bestond niet meer. En in baloorigheid <span class="ex">verlangde</span> hij met hakend, hunkerend, smachtend verlangen; soms droevig in diepe neerslachtigheid;
-dan weer woest, wanneer de vrees voor levenslange doem in dit <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>oord der wanhoop hem al te benauwend tegengrijnsde en hem deed razen tegen haar, die
-hij als de eenige oorzaak van zijn ellende beschouwde. Verlangen en vrees absorbeerden
-hem meer en meer; want daarbuiten kende hij ten slotte alleen de eischen van zijn
-lichaam. Hij las niet meer, sprak alleen met de dokter en de verpleegster en dan steeds
-in uitbarstingen van ergernis; schuwde met sombere afkeer op zijn gelaat zijn <span class="corr" id="xd31e3335" title="Bron: mede-patienten">mede-patiënten</span>, wanneer hij die ’s morgens tegenkwam, op de „wandeling” in de open ruimte binnen
-het gesticht, welke voor lichaamsbeweging der verpleegden diende. Zijn waken en slapen
-werden éen: de onrust van verlangen en vrees vervulde beide.
-</p>
-<p>Zijn bestaan werd geheel dierlijk. Zelfs het verlangen naar zijn kind werd dat, want
-het verloor de wijding van ’t vaderlijk beschermende. Hij zag thans in <span class="ex">haar</span> bescherming, als in zijn eenige toeverlaat, ’t eenige menschelijk wezen, dat hem
-geen vrees of achterdocht inboezemde.
-</p>
-<p>Het verschil met vroeger—de dagen van zijn schijngeluk—was, dat hij vroeger een zinnelijk
-mensch was evenals thans, indien men ten minste zinnelijk wil noemen het zich geheel
-laten leiden door ongebreidelde neiging, maar toen had die zinnelijkheid niet dat
-dierlijke van thans: de zelfbevrediging die hij toen zocht was van een beter gehalte.
-Ze was <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>er niet minder zelfzuchtig om. Zijn geestes-werkzaamheid gaf hem genot, en daarom
-alleen gaf hij er een groot deel van zijn tijd aan. Het was hartstocht evenals wat
-hij hield voor liefde in zijn verhouding tot Paula. Slechts de liefde tot zijn kind
-had bij alle zelfzucht iets diepers en heiligers.
-</p>
-<p>Hij was zooveel jaren achtereen „deugdzaam” geweest in de gewone oppervlakkige beteekenis
-van ’t woord—onbaatzuchtigheid en zelfopoffering hoeft het niet te omvatten—en dan
-alleen nog maar zooals het bedorven knaapje dat „zoet” wil wezen zoolang het „lekkers”
-krijgt.
-</p>
-<p>En hij was twee-en-veertig jaar oud geworden zonder diepe smart te kennen. De dood
-zijner ouders viel in een tijd van zijn leven dat hij ’t verlies niet kon beseffen:
-hij herinnerde zich zijn vader flauwtjes, zijn moeder in ’t geheel niet. Zijn triomfen
-in de wetenschap, zijn schitterende loopbaan als geleerde, zijn fortuin en zijn vrouwtje,
-dat hij aanbad en van wier wederliefde hij zeker meende te wezen, zijn lief kind,
-dat alles omwalmde hem zóo onafgebroken met een bedwelmende dampkring van levensgenot,
-dat zelfs die éene smart van zijn vorig leven—het overlijden van Didi’s broertje—geen
-blijvende indruk van beteekenis had kunnen achterlaten.
-</p>
-<p>Ondanks zijn groote geestesgaven was daarom Larsen een kind in levenswijsheid, want
-ook het <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>kind zoekt het geluk buiten zijn eigen wezen, en mist het gevoel van verantwoordelijkheid
-tegenover de Groote Rechter in eigen boezem. Toch had hij zich steeds onder de geloovigen
-gerangschikt. Trouwens: men kan geloovig wezen zonder vroom te zijn. En vroom is wijs,
-want in de grond is slechts dat gevoel van verantwoordelijkheid het eenig vereischte
-daartoe, zoodat uiterlijke godsdienst en godsdienstige opvattingen geheel zonder invloed
-op vroomheid kunnen blijven.
-</p>
-<p>Zoo werd de man dus thans even blindelings voortgejaagd door verlangen en angst, als
-hij vroeger werd misleid door genotzucht.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Op een avond—’t was tegen half tien—trad de stemmige, meestal zwijgende verpleegster,
-die thans met de bediening van Larsen belast was, rustig voortzeilend in breede waardigheid
-zijn kamer binnen. Zij was een bezadigde oude vrijster van wellicht veertig jaar,
-met blozende bolleboos-wangen, kleine grijze oogen met witte wenkbrauwen zonder wimpers,
-met kleine mond zonder lippen, een spitse vooruitstekende, roodgepunte kin, een volkomen
-glad en glimmend, smal voorhoofd; verder een korten nek, vrij hooge schouders, en
-een breed kort propfiguurtje. Haar blik had iets brutaal onbevangens, iets volkomen
-zelfbewusts, evenals de naar binnen toegeknepen mond. <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>Haar oogen zeiden: „hier ben ik, afdoende maatregelen, geen gezeur, asjeblief!” en
-haar mond zei zonder te spreken: „ik ben een kranige vrouw, dat weet ik”.
-</p>
-<p>Ze sprak met een aardig Friesch accent en sterke <span class="corr" id="xd31e3364" title="Bron: stem-modulaties">stemmodulaties</span>, hoog en niet onwelluidend.
-</p>
-<p>„Goeien avond, meneer!” zei ze binnenkomend met een blad, waarop wat avondeten, en
-de deur piepte achter haar.
-</p>
-<p>Larsen schrok op. Hij had ’t kloppen niet gehoord—de waardige verpleegster klopte
-altijd, al hoorde Larsen ’t ook zelden. Hij was weer in een van zijn sombere neerslachtige
-buien, wanneer hij <span class="ex">nadacht</span>.
-</p>
-<p>Wat op ’t oogenblik dat zijn oog op de binnentredende viel in ’t bizonder ’t voorwerp
-van dat nadenken was, scheen in onmiddellijk verband te staan met een gedachte die
-zij bij hem opwekte, want nauw had hij haar gezien, of zij lag spartelend tegen een
-kleine sofa aan, die in ’t vertrek stond, nog voordat ze tijd had om uit te roepen:
-</p>
-<p>„Heerebewaarme! Wat is er nou aan de hand?!”
-</p>
-<p>En het blaadje, de broodjes, ’t brood en wat er verder opgestaan had, lag deels op
-de stoel waar Larsen gezeten had, deels daarvoor en daaromheen op de grond uitgespreid.
-</p>
-<p>Larsen zelf was uit de kamer gestoven, de gang in.
-</p>
-<p>Het geluk dient hem die waagt, en zoo ook hier; <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>want juist toen de vluchteling zich in de gang vertoonde, ging de voordeur open. De
-enkele schreden van Larsen’s kamerdeur tot de uitgang van ’t gesticht had hij in een
-ommezien afgelegd; zoodat de portier nog de deur vasthield toen Larsen hem bereikt
-had. De vrij sterke jonge man, schoon onmiddellijk begrijpende wat er gaande was,
-werd niettemin te zeer overrompeld, om voldoende tegenwoordigheid van geest te hebben:
-hij trad de ander in de weg en wilde de zware deur toeslaan, doch Larsen greep hem
-bij beide armen en smakte hem achterover. Een groote vloermat brak zijn val, en de
-man was vlug. Oogenblikkelijk sprong hij op, doch de voordeur werd vlak vóor zijn
-neus met een geweldige slag dichtgesmeten. Twee van zijn vingers waren beklemd geraakt,
-de punten vermorzeld.
-</p>
-<p>Op ’s portiers gegil kwamen een paar verpleegsters aanloopen, daarna anderen.…
-</p>
-<p>En zoo duurde het zeker vijf minuten voordat men er aan dacht de vluchteling na te
-zetten.
-</p>
-<p>Toen was het te laat.
-<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch18.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XVIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Paula lag achterover op haar weelderig bed, met open oogen.
-</p>
-<p>Ze was best tevreden. Ze was in de laatste maand nog niet zoo in haar humeur geweest.
-Nee, stellig niet.…
-</p>
-<p>Die nare geschiedenis met Larsen had haar heel wat zorg gebaard. Enorm! Maar wat was
-ze wondermooi afgeloopen! Bizonder meegevallen.…
-</p>
-<p>Onwillekeurig keek ze rechts. He, vreemd, ze had nog altijd de gewaarwording of daar
-naast haar een ander lag: de grove, bonkige gestalte van Larsen’s stoer lichaam.
-</p>
-<p>Ze zuchtte. Daarna glimlachte ze, strekte het eene opgetrokken been wellustig uit,
-trok het andere, dat gestrekt gelegen had, op, streek de rechterhand streelend langs
-haar verspreid liggende haren; en geeuwde lang en met een klein geluidje van lustbevrediging.
-Dan woelde ze eenige malen met het achterhoofd in ’t groote zachte kussen, en geeuwde
-<span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>nog eens, korter maar even smakelijk als te voren.
-</p>
-<p>Nee, ze had toch geen slaap.… Haar blik dwaalde langs de stijlen van ’t reusachtige
-ledikant, langs de fraaie snijwerkjes aan ’t voeteneind, langs de sierlijke plooien
-van ’t gordijn boven haar, dat slechts de helft van de heele ligruimte overspande,
-meer sieraad dan licht-afsluiter. Voor dit laatste was het ook te licht van kleur
-en te luchtig van stof.
-</p>
-<p>Er lag een warme gloed over al de voorwerpen in ’t ruime vertrek. De glazen hanglamp,
-aan fijne kettinkjes aan ’t midden der zoldering bevestigd, zond haar schijnsel door
-een rozeroode, eivormige ballon. Er was geen ander licht in de kamer, want de twee
-ramen aan de smalle kant hadden ouderwetsche zware luiken en die waren gesloten. Door
-het rozeroode schijnsel kregen de anders gele venstergordijnen een rossige goudglans.
-Het wit en licht-grijze marmer van de monumentale schoorsteen—waarbinnen een gashaard
-met bedriegelijke juistheid een gezellig smeulend kolenvuurtje nabootste—de overtrekken
-der twee kleine fauteuils aan weerskanten, het geel en witte behang met de bruine
-hoeklijnen, de overige, gele meubels, het witgepleisterde plafond, het Havana-kleurig,
-effen tapijt met het groote, zacht-ruige voetkleed vóor ’t ledikant aan Paula’s zijde—rechts—met
-zijn mollige, melkwit-vlokkige oppervlakte, alles was overgoten met den <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>flauw-rozeroode schemerglans der lamp. En de zinstreelende kleuren-harmonie der kamer,
-de fijne geursprenkeling die er waarneembaar was—zacht als een liefkozing—de lauwe
-temperatuur, het eigenaardig halfdonker, dat lijnen en omtrekken ietwat verdoezelde,
-alsof de stilte er fluisterde van liefdezwijmeling in wereldvergeten, in geheimzinnige
-afzondering—Paula had er de wonderbare werking meer dan eens van ondervonden sinds
-de tijd dat zij deze kamer zoo naar haar eigen smaak liet inrichten.
-</p>
-<p>Ook nu was dat niet anders.
-</p>
-<p>Haar stemming bij ’t binnentreden der slaapkamer—wellicht een half uur geleden—was
-er een geweest van weelderige voldaanheid, een mat, algemeen gevoel van welbehagen,
-naar ziel, geest en lichaam: een <span class="ex">heel</span>heid door de volmaakte samenklank van al deze drie. Met loome, langzame bewegingen
-had ze zich uitgekleed, ditmaal zonder Pietje’s hulp—Pietje was anders in de laatste
-tijd meer dan ooit haar lieveling, en steeds om en bij haar wanneer zij aan haar toilet
-bezig was, of zich verveelde en naar een praatje van gemoedelijken aard verlangde.
-’t Was wat laat geworden—de kleine koperen pendule wees kwart over twaalf—zoodat ze
-de gunstelinge maar dadelijk na haar thuiskomst naar bed gestuurd had.
-</p>
-<p>Een heerlijk avondje was ’t geweest.… Paula <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>dacht er aan terug, toen ze vóor de spiegel heur haar voor de nacht in orde maakte.
-Het kijkglas weerkaatste haar volledig beeld, en ’t was haar een vaag genot er naar
-te staren, nu en dan. Dan verwijdden zich haar pupillen meer en meer, en verbreedde
-een vadsige glimlach haar vleezige mond.
-</p>
-<p>En ze dacht er nòg aan, toen ze, in haar wit nachtkleed, eindelijk besloot om te bed
-te gaan liggen, en dit toch maar half deed, met het eene been buiten bed.
-</p>
-<p>De groote spiegel stond schuin tegenover haar, tusschen het ledikant en de schoorsteen.
-In ’t dwalen van haar blik viel deze op wat ze in de spiegel kon waarnemen. Ze sprong
-op, verzette de psyche even, en ging weer liggen, ditmaal geheel.
-</p>
-<p>Eenige minuten tuurde Paula met welgevallen, met lodderig-halfgeloken oogen: ’t was
-aardig je zoo in je heele lengte te zien liggen.…
-</p>
-<p>Maar nee.… Ze moest weer op.… Ze had zoo’n lust om nog wat rond te dribbelen, het
-niets doen met variatie, waarvan alleen sommige vrouwen het geheim schijnen te bezitten.
-</p>
-<p>En Paula dribbelde van haar bed naar haar waschtafel, schoof een laadje open, haalde
-er een doosje met geurige zeep uit, sloeg haar eene voet over de ander, en rook achtereenvolgens
-aan de drie ingepakte stukjes, die de inhoud van ’t doosje uitmaakten; <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>daarna stond ze even in gedachten—: ’t was toch een allergezelligst avondje geweest
-bij mevrouw Boudewijnse.… Wat was die kinderachtige jongen weer dol geweest!.… Verbeel’
-je, tot zelfs bij de deur van haar huis, toen hij haar met zijn moeder thuisbracht,
-had hij zich nog zoo dwaas aangesteld, in ’t bijzijn van zijn moeder liefst!.… Wat
-had die goeie moeder Boudewijnse eindelijk leuk haar geduld verloren.… Ha, ha, ze
-moest nog lachen om haar komisch aandringen: „Dolf, jongen, ik wor’ boos als je nou
-niet meegaat.… Dolf!! nee, heusch, hoor, ik wor’ wezenlijk boos. Kom nu mee!” en onmiddellijk
-daarop was ze in een lach geschoten.… Als zij, Paula, er niet met een ietwat bruuske
-handigheid een eind aan gemaakt had, stonden ze nu misschien nog afscheid te nemen
-vóor haar huis.… Verbeel’ je.
-</p>
-<p>En van de waschtafel, waar ze de stukjes zeep achteloos liet liggen, wolkte de witte
-gestalte droomerig naar een der fauteuils bij de haard. Daar liet ze zich langzaam
-neerzijgen, leunde achterover en wreef eerst met de achterkant van beide handen, daarna
-met de voorkant der eene over oogen en voorhoofd. Toen geeuwde ze. Daarna boog ze
-voorover, keek met aandacht naar de grillige vlammetjes van de haard, en huiverde
-even—zonder werkelijk koude te voelen, want ze zat immers vlak bij ’t vuur. Of tochtte
-’t?.… hoe kon dat? Ze spreidde <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>de vingers van beide handen vóor zich uit, zóo dat ze de roode gloed door haar poezele
-grijpertjes heen zag. Ze vond het een oogenblik aardig hiernaar te kijken. Toen dacht
-ze aan anatomische griezeligheden, en sloeg de armen over elkaar, met een klein ongeduldig
-gebaar.
-</p>
-<p>Een minuut later stond ze weer vóor de psyche, en begon nog eens te gapen. Onderwijl
-lachte ze er tusschen door, steeds de oogen op haar beeld gevestigd. Ze was nòg mooi.…
-o zeker—ze kon zich best begrijpen—zoo’n malle jongen! Alleen daar, bij de oogen.…
-ja.… dat was niet te ontkennen.… dat zag je duidelijk.… Hoe noemen ze dat in ’t Fransch
-ook weer?.… <span class="ex" lang="fr">pattes</span>.… <span class="ex" lang="fr">pattes</span>.… de.… nee.… Mijmerend ging ze weer zitten.
-</p>
-<p>Opeens hoorde ze een zucht in de kamer naast de hare.
-</p>
-<p>O, dat was Didi.…’t Kind draaide zich zeker in haar bedje om. Zou ze niet even gaan
-kijken?.… Niet dat ze ongerust was, maar.… waarom zou ze er niet even heengaan? Ze
-deed het zoo zelden.… Dat is waar, dat bedacht ze daar. Och, ’t kind sliep er niet
-minder rustig om.… Nonsens, die overdreven ongerustheid van sommige moeders!.… Daar
-had je nou die mevrouw Lanney, de vrouw van die jonge professor, dat was gewoon belachelijk.…
-</p>
-<p>Paula stond op van de fauteuil, en richtte zich <span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span>naar de ingang van Didi’s kamer, die bij een der vensters aan de smalle zijde der
-groote slaapkamer, in de zijmuur was aangebracht; er hing een voorhang, in de plaats
-van een deur.
-</p>
-<p>Vreemd, zoo’n andere temperatuur! Was ’t raam open gebleven in Didi’s kamer?
-</p>
-<p>Nog met de portière in de hand stond ze opeens stil. Wat was dat? Zuchtte Didi daar
-weer, of.… Ellendig, dat van de plaats waar zij stond het kamerscherm haar belette
-het bedje dadelijk te zien! Daar was ’t weer. God, daar was iemand bij haar.… Ze hoorde
-duidelijk fluisteren, zenuwachtig fluisteren, dat telkens afgebroken werd.
-</p>
-<p>En haar blik naar rechts wendend, bemerkte ze nu eerst dat het venster openstond.
-</p>
-<p>Ze stond als vastgenageld, verbijsterd, besluiteloos. Als daar iemand was—een man,
-ze hoorde ’t aan de stem—moest hij spoedig merken dat zij hem stoorde.… Hoe kwam ’t
-dat hij nu niet al wat bespeurd had? Als hij ’s op haar afkwam.… als ’t een moordenaar
-was.… een dief, een inbreker, die.… Maar wat moest hij met Didi? Onbegrijpelijk.…
-Zou ze toch maar teruggaan en de meiden roepen.…? Maar wat gaf dat nog.… als hij ’s
-in die tusschentijd.…? Hè, dat er toch geen man in huis was!
-</p>
-<p>Het fluisteren was intusschen voortgegaan.
-</p>
-<p>Stil! Dat was Didi die sprak.… God, ze schreide.…
-<span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span></p>
-<p>„Ik durf niet.… ik durf niet,” klonk het duidelijk verstaanbaar.
-</p>
-<p>Paula luisterde ademloos.
-</p>
-<p>„St, niet zoo hard.… Ik zeg je dat je moet. Je gaat mee. Versta je?”
-</p>
-<p>Paula werd bleek van schrik. Ze voelde haar knieën knikken. Ze had even getwijfeld,
-toen ze de eerste woorden van de man verstond. Nu geen twijfel meer: ’t was Larsen.…
-</p>
-<p>’t Koude zweet brak haar uit over ’t gansche lichaam. Ze wankelde, liet de portière
-los, die ze nog steeds krampachtig vastgehouden had, en omdat ze de grond onder haar
-voelde deinen, sloeg ze de rechterarm uit. ’t Driebladige kamerscherm viel om, schuin
-tegen ’t ledikant van Didi aan.
-</p>
-<p>Een benauwde kreet ontsnapte haar. Een vreeselijke angst hergaf haar voor een oogenblik
-haar tegenwoordigheid van geest. Ze wilde wegloopen, om hulp roepen.
-</p>
-<p>Larsen was bij haar, voordat ze twee passen gedaan had.
-</p>
-<p>Woest greep hij haar aan, hijgend, met verwilderde oogen, de neusvleugels wijd-uitstaand,
-het ruige gelaat vlak bij ’t hare.
-</p>
-<p>Hij duwde haar achteruit, een eind haar kamer in.
-</p>
-<p>„Pietje!! Kee!” gilde ze. „Hulp!”
-</p>
-<p>„Stil!” riep Larsen met gesmoorde stem, „of ik knijp je keel dicht!”
-<span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span></p>
-<p>Dreigend bracht hij zijn rechterhand aan Paula’s keel. Ze worstelde wanhopig om los
-te komen uit zijn stoere greep.
-</p>
-<p>Haar tegenstand deed het laatste overblijfsel van verantwoordelijkheids-besef uit
-Larsen verdwijnen.
-</p>
-<p>„Laat me los!” kreet Paula. Haar oogen staarden hem aan, in doodsangst, heur haren
-hingen los. Ze struikelde over haar nachtjapon. En terwijl hij op haar drong met de
-volle zwaarte van zijn lichaam, haar zoo belettend haar eene arm te bewegen, klampten
-zich zijn beide armen en handen om haar schouder en hals.
-</p>
-<p>„Me nu nòg.… tegenwerken! Woû je dat nòg?! Ik zal ’t je beletten, versta je?.… Voor
-goed.… Ik zal je.…” Haar oogen puilden uit. En Paula’s kleine lichaam bezweek onder
-de druk van de massa op haar. Beide lichamen vielen op de grond. Een kleine stoel
-bij de waschtafel sloeg om, een fauteuil viel mee omver tegen de haard doordat Paula
-er met het hoofd tegenaan kwam.
-</p>
-<p>Een ondeelbaar oogenblik was ’t of Larsen’s razernij gebroken was. ’t Was er echter
-verre van dat de fizieke schok van zijn val eenig zedelijk besef van zijn daad zou
-meebrengen. Een tijger, plotseling losgelaten na een week van gevangenschap en honger,
-zou door ’t treffen van een steen, die hem even bezeerde, niet minder fel zijn eenmaal
-begeerde prooi <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>bespringen. Wat kon hèm stuiten na twee maanden van dagelijks opgekropte aandoening—smart,
-wrevel, ergernis—eindelijk uitlaaiend in dierlijke wraak?
-</p>
-<p>Alleen werd zijn <span class="corr" id="xd31e3472" title="Bron: waarnemings-vermogen">waarnemingsvermogen</span> even als opgezweept. Hij <span class="ex">zag</span> zooals hij nog nooit gezien had: iedere lijn, iedere trek van Paula’s gelaat, haar
-glanzig zwart haar, hoog over haar hoofd puilend door den stoot tegen den fauteuil,
-de omlijsting van flauwgele bloemen op witten achtergrond van het <span class="ex">cretonne</span> over de voorover liggende stoel. Hij <span class="ex">hoorde</span> iedere suizing van haar adem, de ritseling van haar nachtkleed onder zijn vingers.
-Hij <span class="ex">voelde</span> het aderkloppen van haar hals, <span class="ex">rook</span> de subtiele geur van Paula’s haren, van haar kleed, van haar weelderig heerlijk lichaam.…
-</p>
-<p>En terwijl hij met de beenen aan weerskanten van de achterover liggende gestalte lag,
-de knieën tegen de grond gedrukt, sloten Larsen’s vingers zich krampachtig om haar
-keel dicht. Zijn blik boorde in haar oogen, nauw een handbreedte onder de zijne.
-</p>
-<p>’t Sloeg half éen: de zilveren toon van ’t klokje op de schoorsteenmantel viel als
-een drop geluid, kil en kalm in de zwoele wachtende stilte.
-</p>
-<p>Larsen’s vingers knepen sterker en sterker.…
-</p>
-<p>Daar week hij ontzet terug, nog op de knieën. Wat was dat in Paula’s oogen? Mijn God,
-wat had hij gedaan? Waarom stonden die oogen zoo strak, <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>zoo volkomen wezenloos, bleven die lippen vaneen?
-</p>
-<p>Larsen boog zich weer voorover. Hij zag nog éen trilling over het verwrongen gelaat
-langs mond en oogen, daarna volslagen rust, zonder geluid, zonder beweging, een strak-starende
-verstuiping. Hij raakte haar niet meer aan—toch bleven haar hoofd, haar handen, haar
-voeten roerloos liggen.
-</p>
-<p>Langzaam, steeds de blik gevestigd op het schrikbeeld vóor hem, stond Larsen op. Een
-gewaarwording zooals hij nog nooit in zijn leven gevoeld had bekroop hem, overmeesterde
-hem geheel als kwam er een vloedgolf over hem, die een gansche wereld van donkere
-fantomen òm hem, onweerstaanbaar wegsleurde en hem verbijsterd in eenzaamheid achterliet.
-</p>
-<p>Machtig baande zich het licht een weg in de nacht van zijn waanzin: zijn ziel ontwaakte.…
-<span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch19.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XIX.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Wat was ’t alles kalm en stil. Wat gebeurde er toch met hem? Hoe kwam hij daar, in
-zijn eigen slaapkamer?
-</p>
-<p>Daar lag Paula, die witte massa, daar. Ze was dood. Hij had haar vermoord, hijzelf,
-hij. Met eigen handen geworgd als een beest. Hij keek naar zijn handen: ze trilden
-nog van de inspanning.
-</p>
-<p>O zeker, ze was dood: geen schijn van twijfel. Hij had haar geworgd als een beest.
-Hij begreep niet waarom hij zoo zeker wist dat ze dood was. Maar ze was ’t. En hij
-was haar moordenaar.… Hij was laf en verachtelijk. Toch had hij geen berouw, geen
-spoor. Nee, geen spoor.
-</p>
-<p>Daar hoorde hij hartstochtelijk snikken in de aangrenzende kamer. O, Didi … Zijn kind.…
-Ze had niets gezien van wat er gebeurd was. Ze schreide zeker van vrees of schrik.
-Ze zou straks wel opstaan misschien, en hier komen.… Hij wilde haar niet terugzien.
-Zijn kind mocht de moordenaar van haar <span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span>moeder nooit zien. Hij was laf en verachtelijk. Hij woû heen, zich aangeven bij de
-politie. Onmiddellijk.…
-</p>
-<p>Nee, wacht: even die omgevallen fauteuil rechtzetten, die lag te dicht bij ’t vuur—er
-mocht ’s brand komen. Zoo.
-</p>
-<p>Daar lag Paula—hij had haar hoofd even opgetild: ’t lag nu geheel op de grond—ze was
-dood. Hij had haar geworgd als een beest. Ze mocht daar niet zoo blijven liggen. Hij
-had nog wel even de tijd.
-</p>
-<p>Hij tilde haar op in zijn stoere armen, trapte even op haar afhangend nachtkleed.
-Toen droeg hij haar naar ’t bed, zijn ruige baard tegen de borst gedrukt, de blik
-strak op zijn vracht, in ijzige kalmte. Ze was zwaar: ’t viel niet mee.
-</p>
-<p>Hij leî haar op ’t bed. Op haar plaats, vooraan. De handen over elkaar, zoo. De handen
-waren koud, nu al.
-</p>
-<p>Nu moest hij weg. Hij keek naar de deur der andere kamer. Nee, ’t kind was er nog,
-ze snikte ook nog.…
-</p>
-<p>Hij deed de deur open. Op ’t portaal alles stil: geen geluid. Er brandde ’t gewone
-licht, dat er ’s nachts altijd brandde. Langzaam ging hij de trap af. Op de mollige
-looper was zijn stap nauw hoorbaar. De gang door, links, naar de voordeur.
-</p>
-<p>Hij stond even stil.… Nee: alles rustig boven.
-<span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span></p>
-<p>Hu, ’t was koud in de gang. Zijn schreden klonken hol, ondanks de bekleeding van ’t
-marmer onder hem.
-</p>
-<p>Hij deed de ketting van de deur, verschoof de grendel en draaide de sleutel om. Ziezoo,
-daar stond hij op de stoep.
-</p>
-<p>Hij zag dat hij geen overjas aanhad. ’t Was koud. Ver in ’t najaar en dan ’s nachts.
-Hoe laat zou ’t zijn? Hij tastte naar zijn horloge: dat had hij bij zich als gewoonlijk.
-Veertien minuten vóor éen.
-</p>
-<p>Hij sloeg de kraag van zijn jas op, en dook weg in zijn schouders. De straten waren
-leeg, koud en stil. Hij liep aan de linkerzijde van de breede straat, waaraan zijn
-huis lag, in ’t volle maanlicht. De huizen, waarlangs hij voortstapte, keken hem in
-’t voorbijgaan met starre blik aan, in leege, koude, stille onverschilligheid waar
-’t licht scheen, in sombere dreiging, daartegenover. Larsen ijlde voort met harde
-klinkende schreden over de wit-starende straatkeien, straat in, straat uit; een gracht
-over—de brug dreunde hol onder hem—rechts af eenige hooge huizen langs.
-</p>
-<p>Hij was waar hij wezen wilde. Een korte weifeling had hem even na ’t uitgangspunt
-van richting doen veranderen, zoodat hij een kleine omweg gemaakt had.
-</p>
-<p>Ja, daar moest hij wezen. Hij woû Van Thiemen spreken. Dat was ’t beste. Hem alles
-zeggen. Hoe laf en verachtelijk hij was. Alles zou hij zeggen. <span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>Niet omdat hij bang was, en behoefte had aan een vriend, om zijn hart uit te storten.
-Ook niet omdat hij berouw had. Dat had hij niet. Toch moest hij alles zeggen. Alles.
-Hij had haar geworgd als een beest, met eigen handen. Hij zou zich zelf gaan aangeven
-bij de politie, straks wanneer hij Van Thiemen gesproken had. Of anders morgen.…
-</p>
-<p>Hij belde aan. Wachtte een paar minuten. Toen nog eens.
-</p>
-<p>’t Duurde nog eenige minuten voordat de zware deur langzaam geopend werd, even op
-een kier. ’t Was nog een ouderwetsche voordeur, zonder kijkluikje.
-</p>
-<p>„Wie is daar?” vroeg een vrouwestem, eenigszins aarzelend.
-</p>
-<p>Larsen herkende ’t geluid van Van Thiemen’s huishoudster.
-</p>
-<p>„Meneer thuis, juffrouw De Vries?”
-</p>
-<p>De deur ging wat verder open, een hoofd vertoonde zich in de opening.
-</p>
-<p>„Meneer.… meneer.… de professor.… professor Larsen?” stamelde ’t menschje.
-</p>
-<p>„Ja. Wil u me binnenlaten? Ik moet noodzakelijk meneer spreken.”
-</p>
-<p>De ander aarzelde. Wat zag die professor Larsen bleek! En dan, had ze niet gehoord
-dat de man in een „gesticht” was? Hoe kwam hij zoo opeens hier? <span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span>Woû hij meneer spreken in ’t holle van de nacht? Wat moest ze doen? Waarachtig as
-God, ze wist het niet.
-</p>
-<p>Daar klonk een hooge mannestem in de gang:
-</p>
-<p>„Wat is dat aan de deur, juffrouw? Iemand voor mij soms?”
-</p>
-<p>„Och.… professor, komt u ereis even hier.”
-</p>
-<p>Eenige vlugge schreden in de gang, dan een fluistergesprek.
-</p>
-<p>Larsen ving een enkel woord op, nog steeds op de stoep staande:
-</p>
-<p>„.… Weggeloopen.… gevaarlijk.… Gods mogelijk!.… Och, onzin!.… Zelf weten.… m’n lieve
-mensch.…”
-</p>
-<p>De voordeur ging wijd open, en Van Thiemen, in bruine kamerjapon, de armen over de
-borst om het anders openhangend kleedingstuk bijeen te houden, stond met vriendelijk
-lachend gelaat tegenover de late bezoeker.
-</p>
-<p>„Wel, Larsen, wat kom jij hier zoo laat doen? Moet je mij hebben?”
-</p>
-<p>Er was een eigenaardige uitdrukking in Van Thiemen’s oogen, en een toon van onder
-vroolijkheid verborgen twijfel, die beide onmiddellijk Larsen’s aandacht trokken.
-Hij deed alsof hij niets daarvan merkte.
-</p>
-<p>„Ja, kom ik ongelegen?”
-<span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span></p>
-<p>„Nee, nee, zeker niet.” Van Thiemen zweeg even. De volkomen kalmte en vastberadenheid
-in Larsen’s stem en gelaat verrasten hem. „Kom binnen, kom binnen,” zei hij vriendelijk.
-</p>
-<p>Onderwijl nam hij zijn oude vriend eens op. Hij zag hoe intens bleek hij was, en ’t
-viel hem voor ’t eerst op dat hij geen overjas aanhad.
-</p>
-<p>Zwijgend ging Larsen de voordeur binnen. Met wantrouwige blik stond de huishoudster
-toe te zien. Larsen zag haar even de schouders optrekken.
-</p>
-<p>Van Thiemen gaf haar een wenk, dat hij haar diensten niet meer noodig had.
-</p>
-<p>„Kom maar dadelijk mee naar mijn studeerkamer,” zei hij tot Larsen, die in somber
-afwachtende houding op de groote vloermat stond. Hij was bezig naar de grond te kijken.
-„Salve” las hij onder zijn voeten in groote sierlijke letters. Een pijnlijke zenuwtrekking
-vloog om zijn neus en mond.
-</p>
-<p>Opkijkende volgde hij zijn vriend, die met vlugge stap hem voorging door de gang.
-</p>
-<p>„Je zult ’t wel koud hebben, kerel,” hervatte Van Thiemen na een oogenblik, reeds
-op de trap. „’t Is boven bij mij warm. Ik zat nog te lezen zooeven toen je belde.”
-Hij keek even om.
-</p>
-<p>Larsen zweeg: met gebogen hoofd scheen hij al zijn aandacht noodig te hebben om geen
-misstap te doen op de breede, dik-belooperde trap.
-<span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span></p>
-<p>Van Thiemen praatte door, met iets gewild luchtigs; telkens afbrekend. Weinig vermoedde
-hij hoe duidelijk zijn gedachtengang voor de ander te volgen was. Och, wat kon ’t
-schelen? Straks, straks zou hij immers alles zeggen, en dan zou Van Thiemen wel vanzelf
-inzien.… O, ja, zeker, straks, als hij alles vertelde, moest Van Thiemen begrijpen
-dat hij volkomen normaal was.… volkomen bij zijn zinnen. Hij moest begrijpen dat hij
-toen ook.… zeker.… hij was laf en verachtelijk.… hij had haar geworgd als een beest,
-met eigen handen.
-</p>
-<p>„Ziezoo, kom nu maar gauw binnen,” zei Van Thiemen weer, en ontsloot de deur van zijn
-studeerkamer. „Voorzichtig, denk om de treedjes.”
-</p>
-<p>Beiden stapten binnen. Een weelderige behagelijkheid streelde Larsen’s gelaat, een
-vriendelijk welkom lachte hem toe uit de welbekende meubelen, de lijnen, vormen en
-kleuren van het vertrek. En een wonderzoete weedom overstelpte zijn gemoed.
-</p>
-<p>Hij vocht ertegen. Hij wilde van geen teederheid weten, geen deernis met zichzelf.
-Hij was immers laf en verachtelijk.…
-</p>
-<p>„Ga hier zitten, kerel,” zei Van Thiemen hartelijk, en schoof een mollige fauteuil
-bij de open haard, waarin een vadsig druilig houtvuurtje brandde.
-</p>
-<p>Larsen zette zich, sloeg de kraag van zijn jas neer, deed de knoopen langzaam los,
-leunde achterover, <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>daarna voorover. Zoo bleef hij zitten, de beide handen op de knieën, het hoofd schuin
-naar de haard gekeerd, onbewegelijk.
-</p>
-<p>Van Thiemen bemerkte dat zijn pantalon en zijn schoenen bemodderd waren.
-</p>
-<p>„Wil je niet een paar pantoffels aandoen?” vroeg hij, en ging naar een kast. „Hier,
-trek je schoenen uit, en doe deze aan.”
-</p>
-<p>Larsen deed zwijgend ’t verlangde, steeds zonder op te zien. De ander kwam naar hem
-toe, bekeek hem weer even met vriendelijke nieuwsgierigheid.
-</p>
-<p>„Zeg ’s, je zult wel moê zijn, niet?” zei hij. „En misschien dorst of honger?”
-</p>
-<p>„Och, dat ’s niets, dat ’s niets,” antwoordde Larsen. Toen sloeg hij voor ’t eerst
-de blik op: „Geef je toch geen moeite om mij. Ik heb niets noodig. Ik woû alleen je
-vertellen wat er gebeurd is.”
-</p>
-<p>Van Thiemen ging tegenover zijn vriend zitten, en sloeg de beenen over elkaar.
-</p>
-<p>„Zeker, ik luister,” zei hij.
-</p>
-<p>Larsen meende weer iets bizonders in Van Thiemen’s toon te merken, ’t zelfde dat hem
-reeds een paar maal in die nacht opgevallen was.
-</p>
-<p>„Je zult niet willen gelooven wat ik je nu vertellen ga, Van Thiemen.”
-</p>
-<p>De woorden klonken eigenaardig plechtig en somber.
-<span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span></p>
-<p>„Stumpert,” dacht de ander, „de een of andere hallucinatie zeker.”
-</p>
-<p>„Waarom zou ik niet?” zei hij, zacht en vriendelijk sprekend, als gold het hier de
-gril van een ziek kind. Larsen keek strak naar ’t vuur.
-</p>
-<p>„Och, ’t is vreeselijk,”.… ging hij voort, „en toch waar. Volkomen waar. Ik heb mijn
-vrouw vermoord. Dat kom ik je vertellen.”
-</p>
-<p>Er was geen spoor van weifeling in Larsen’s spreken. De bekentenis kwam er koud bedaard
-uit, bijna toonloos, en zijn houding bleef volmaakt dezelfde.
-</p>
-<p>Ook Van Thiemen verroerde zich niet. Hij wachtte even voordat hij sprak, zoekend naar
-een verstandige manier waarop hij deze, naar hij meende, hersenschimmige zelfbeschuldiging
-kon beantwoorden. ’t Was immers een hersenschim! Hoe zou die in-goedige brave Larsen,
-die geen vlieg kwaad kon doen, tot zoo iets kunnen komen, een moord? Ach, wat was
-die man reddeloos krankzinnig! En wat ’n vervolging van schrikgedachten aan al ’t
-doorleefde met die vrouw moest tot zulk een afgrijselijke waan geleid hebben! Stumpert,
-stumpert!
-</p>
-<p>„Beste kerel, hoe kom je me nu zóo iets vertellen!” zei Van Thiemen, en er klonk niets
-dan medelijden in zijn stem. Hij stond op en leî zijn hand op Larsen’s schouder. Deze
-lachte even schril en pijnlijk.
-</p>
-<p>„Zei ik ’t niet, dat je me niet gelooven zou? En <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>toch is ’t zoo, Van Thiemen. Ik heb zooeven, misschien twintig minuten geleden, Paula
-vermoord. Ik heb haar geworgd, als een beest, met mijn eigen handen.” Dezelfde kille
-eentonigheid in zijn stem en geen spoor van aandoening. En juist deze afwezigheid
-van alle emotie hield Van Thiemen in zijn dwaling: Larsen sprak als iemand in een
-droom, als een gehypnotizeerde, koud, strak, wezenloos in zijn gansche houding, steeds
-starend naar ’t druilig vlammenspel in de haard.
-</p>
-<p>Van Thiemen vond het raadzaam den ander af te leiden.
-</p>
-<p>„Ben je vandaag hier in de stad gekomen?” vroeg hij, en zette zich weer op zijn stoel.
-„Je schijnt moe, amice; je hebt zeker heel wat vermoeienis achter de rug? Ik geloof
-dat je beter doet nu te gaan slapen. Je kunt bij mij logeeren. Dat is wel ’t makkelijkst
-voor je. En morgen—vertel je me verder wat je op je hart hebt. Heusch, dat is beter,
-kerel.” En toen de ander bleef zwijgen: „Kom, ik zal voor je logeerkamer laten zorgen.
-Mijn huishoudster is nog op.…” Hij stond meteen op, en wilde schellen.
-</p>
-<p>Larsen wierp een vluchtige blik op zijn vriend, met nauw merkbare wending van ’t hoofd.
-Zonder spoor van ergernis of ongeduld antwoordde hij:
-</p>
-<p>„Wil je me niet even aanhooren?” Eindelijk veranderde hij van houding, leunde achterover,
-liet beide <span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>armen op de leuning van zijn stoel slap neerliggen, en staarde naar boven. „Ik voel
-geen vermoeienis. Ik kan niet slapen. Als jij me aangehoord hebt, ga ik naar de politie.
-Dadelijk. Ik ga me aangeven. Ik zeg je: ik heb mijn vrouw vermoord, geworgd als een
-beest, met mijn eigen handen. Als je bewijzen wil hebben, kan ik je naar mijn huis
-brengen. Daar zal de politie nu al wezen.…”
-</p>
-<p>Van Thiemen vond ’t verstandig maar te luisteren. Toegeven, niet onnoodig prikkelen,
-dacht hij. Waarom zou hij de stumpert zijn zin niet geven? De uiting van ’t geen hem
-zoo vervulde zou hem misschien goed doen, opluchten.
-</p>
-<p>Zuchtend nam Van Thiemen zijn plaats weer in, strekte de handen naar ’t vuur uit.
-</p>
-<p>„Vertel me dan alles,” zei hij. En op zijn onbeantwoord gebleven vraag terugkomend:
-„Ben je vandaag in de stad gekomen—of.… ik bedoel eigenlijk gisteren.… Donderdag:
-we hebben eigenlijk al Vrijdag op ’t oogenblik.” Hij wees op de klok.
-</p>
-<p>„Ja, eenige uren geleden. ’t Was avond toen ik op weg ging. Ik ben weggeloopen uit
-het gesticht.”
-</p>
-<p>„En toen?”
-</p>
-<p>„Ik woû er uit, en ik woû naar mijn kind. Ik had geen geld, en ben dus komen loopen—drie
-uur.”
-</p>
-<p>„Een heele wandeling.”
-<span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span></p>
-<p>„Och, ik ben sterk. Nu, ik ben dadelijk na aankomst hier naar mijn huis gegaan. Daar
-ben ik binnengebroken. Ik woû Didi weghalen zonder dat iemand ’t merkte, Paula in
-de eerste plaats niet. Ik ben over de veranda in mijn tuin geklommen, en zóo ’t raam
-in. Ik wist dat ’t van buiten makkelijk open te krijgen was. Toen ik ’t kind woû opnemen,
-werd ik gestoord. Als ze dadelijk gewillig was geweest, had Paula zeker niets gemerkt,
-ofschoon ze waarschijnlijk al thuis was. Ze was wat laat thuisgekomen anders. Nu,
-ze stoorde me, en toen heb ik haar geworgd.… als een beest, met mijn eigen handen.…”
-</p>
-<p>Van Thiemen verschoof even op zijn stoel. Tevergeefs trachtte hij zich te onttrekken
-aan een opkomende gewaarwording van onbehagelijkheid.
-</p>
-<p>„En,” vroeg hij, „je kind?”
-</p>
-<p>„Was in haar kamer. Lag te schreien in haar bed. Dorst zeker niet voor den dag komen,
-toen ik met haar moeder bezig was in de andere kamer. In Paula’s kamer—onze slaapkamer,
-bedoel ik—die is vlak naast die van Didi. Dat weet je misschien.”
-</p>
-<p>Van Thiemen knikte even.
-</p>
-<p>„Didi heeft dus niet.… gezien wat je deedt?” hervatte hij na een oogenblik.
-</p>
-<p>„Gezien niet.… ik geloof ’t niet ten minste. Wel gehoord.”
-</p>
-<p>Van Thiemen worstelde met zijn gevoel van onbehagelijkheid, <span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span>nu nog sterker dan te voren. ’t Late uur, de stilte in de kamer, ’t halve licht rondom
-de helle, scherp afgescheiden lichtkring der studeerlamp op de schrijftafel, Larsen’s
-verwilderd en verwaarloosd uiterlijk, de klanklooze droomtoon van zijn zware stem,
-de aard der mededeelingen zelf bij ’t wanhopig baloorige in de passielooze duidelijkheid
-en gelijkmatigheid waarmee de woorden geuit werden, dat alles werkte samen om een
-levendige verbeelding als die van Van Thiemen onweerstaanbaar te overmeesteren.
-</p>
-<p>„Gehoord?” vroeg hij met gefronste wenkbrauwen.
-</p>
-<p>„Ja, we zijn gevallen. Paula en ik. En een paar stoelen. Ik heb boven op haar gelegen.
-Toen heb ik haar geworgd—als een beest, met mijn eigen handen. Toen ben ik weggegaan.
-Door de voordeur.”
-</p>
-<p>„Door de <span class="ex">voordeur</span>?”
-</p>
-<p>„Ja. Ik heb niemand gezien. Trouwens, alles was misschien in tien minuten gebeurd.
-Je gelooft me nòg niet, wel?”
-</p>
-<p>Larsen keek op. De ander gaf de blik niet terug, maar keek vóor zich, ’t hoofd op
-de rechterarm geleund, de elleboog op de knie. En toen hij niet antwoordde, ging Larsen
-voort, terwijl hij zijn starre houding hernam:
-</p>
-<p>„Je houdt me voor gek. Natuurlijk. Ik kan ’t je niet kwalijk nemen. Maar denk wat
-je wil. Je <span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span>kunt je zelf overtuigen. Straks als je lust hebt.”
-</p>
-<p>Van Thiemen bleef zwijgen, verzette zich weer in zijn stoel, sloeg de beenen over
-elkaar. Larsen hervatte onverstoorbaar:
-</p>
-<p>„Ik zou je bizonderheden kunnen geven. Maar die zouden je niet beter overtuigen. Die
-zouden.… me maar ophouden. Ik moet naar de politie. Ik woû je alleen vooraf mijn bekentenis
-doen, omdat—jij alles weet. Ik haatte die vrouw. Ik heb me gewroken.”
-</p>
-<p>„Gewroken! Maar je had toch geen plan.…?”
-</p>
-<p>„Och, nee. Ik dacht niet aan een plan. Maar toen ze me tegenwerkte, nòg eens—na al
-’t andere—toen was ’t me te machtig. Ik heb toen eenvoudig in werkelijkheid gedaàn
-wat ik al lang in gedachten gedaan had. In gedachten had ik Paula al honderdmaal vermoord.
-Ik haatte haar. Ik weet nu wat haat is. Ik had nog nooit gehaat.…”
-</p>
-<p>Van Thiemen zuchtte zwaar. Tranen welden naar zijn oogen. Larsen’s stem dreunde voort:
-</p>
-<p>„Nu niet meer. Ze is nu dood. Ik heb haar geworgd, als een beest met mijn eigen handen.
-Ik haat haar niet meer. Ik ben bevredigd. Ik ben op. ’t Is nu alles uit. Ik voel niets
-meer. ’t Kan me verder niets meer schelen.”
-</p>
-<p>Zijn blik bleef omhoog staren, in leege, kille wanhoop.
-</p>
-<p>Met stomme aandoening hoorde Van Thiemen de woorden aan. Hersenschim of werkelijkheid:
-hier <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>werd geleden, en de smart moest wel ontzettend groot zijn, als ze tot zulke ijzingwekkende
-spooktooneelen in zijn fantazie geleid had! En hij kende de oorzaak van al dat lijden.
-</p>
-<p>Nog zat Van Thiemen in gedachten verzonken, in tweestrijd met zichzelf en reeds ten
-prooi aan akelige twijfeling, toen hij getroffen werd door een vreemd geluid. Hij
-luisterde aandachtig: daar was ’t weer, en nog eens en nog eens. O, de brandklok:
-ergens brand.…
-</p>
-<p>Larsen hoorde blijkbaar niets, steeds in dezelfde houding met het hoofd achterover
-geleund.
-</p>
-<p>Van Thiemen stond op. Hij kòn niet langer blijven zitten, verlangde naar beweging,
-wilde naar buiten, naar de frissche lucht. Hij kon ’s naar die brand gaan kijken:
-wie weet waar ’t was.… Maar dan Larsen.…
-</p>
-<p>Plotseling keek deze hem aan, met schrik in de oogen.
-</p>
-<p>„Dat is de brandklok!” zei hij eindelijk van toon veranderend.
-</p>
-<p>„Ja, dat hoor ik ook. Zal ik.…?”
-</p>
-<p>„Er is brand in <span class="ex">mijn</span> huis. Van Thiemen, ik weet ’t zeker, er is brand in <span class="ex">mijn</span> huis.”
-</p>
-<p>Larsen was opgestaan, zenuwachtig en gejaagd, een ander mensch dan eenige oogenblikken
-te voren.
-</p>
-<p>„In jòu huis?” ’t Angstig makend vermoeden had ook de ander bekropen, waarom begreep
-hij zelf niet.
-<span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span></p>
-<p>„Ja, stellig. Ik mòet er heen. Ik weet ’t zeker: ’t is bij mij!”
-</p>
-<p>Larsen was al bij de deur der studeerkamer.
-</p>
-<p>„Goed, laten we samen gaan kijken,” zei Van Thiemen, die—al was ’t dat hij ook ditmaal
-Larsen’s woorden voor de uiting eener overspannen zieke verbeelding hield—toch naar
-afleiding verlangde, om gelegenheid te hebben ’t met zichzelf eens te worden. Over
-Larsen’s gedrag, wanneer ze buiten waren, maakte hij zich niet ongerust. Nauwelijks
-op straat, zou hij zich op de hoogte stellen waar de brand was. Was ’t niet wat Larsen
-vreesde, dan nam hij zich voor onmiddellijk naar huis terug te gaan. Bleek het tegendeel
-waar—’t kon wezen, natuurlijk: waarom niet?—dan zou hij wel de politie een wenk geven,
-om op hem te letten dat hij geen dolheden beging.
-</p>
-<p>„Wacht even!” hervatte Van Thiemen. „Ik heb nog een overjas voor je in de kast van
-mijn slaapkamer. En ik moet zelf even wat anders aanschieten.”
-</p>
-<p>Enkele minuten later stonden beiden op straat. Juffrouw De Vries had Van Thiemen reeds
-ingelicht, dat het „ver weg” was, en minzaam verwijtend geprotesteerd tegen de nachtelijke
-uitgang haars meesters. Ze was niks gerust: zoo „bij nacht en ontije naar een brand
-gaan, en dan met die gekke perfesser.…”
-<span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span></p>
-<p>Ondanks Van Thiemen’s luchtige verzekering dat „alles wel los zou loopen”, had het
-apartje met zijn huishoudster toch indruk op hem gemaakt. De straat was vol menschen.
-Hoe zou hij in die drukte kunnen beletten dat Larsen aan zijn aandacht ontsnapte?
-’t Berouwde hem reeds, dat hij zijn huis verlaten had. Maar onmiddellijk had zijn
-luchthartige natuur een verontschuldiging bij de hand: hoe had hij Larsen in zijn
-huis kunnen houden, in die opgewonden toestand en vast geloovende dat de brand bij
-hem thuis was? Nee, zoo was ’t van twee kwaden nog ’t minste: zoo kon hij misschien
-nog oog op hem houden. <span class="corr" id="xd31e3684" title="Niet in bron">„</span><span class="ex" lang="fr">En vogue la galère</span>!”
-</p>
-<p>De stroom van haastig voortijlende menschen volgend, en hier en daar vragend, zou
-hij spoedig zekerheid hebben. Doch ze liepen allen in éen richting, en niemand wist
-iets te zeggen.
-</p>
-<p>„Ik zeg je, ’t is bij mij!” riep Larsen ongeduldig.
-</p>
-<p>Van Thiemen had moeite hem bij te houden. Beiden draafden nu.
-</p>
-<p>De gloed aan de hemel boven het brandende huis werd zichtbaar, toen ze voorbij de
-boomen langs de gracht en de hooge huizen aan de overkant waren.
-</p>
-<p>„Ik ga met je mee, ik ga met je mee,” antwoordde Van Thiemen, „maar hoû je in Godsnaam
-kalm. Blijf in alle geval bij me. Je kunt me noodig hebben, al is ’t ook bij jou.”
-<span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span></p>
-<p>Nergens een politie-agent te zien! Van Thiemen ergerde zich, en meer en meer won het
-bange voorgevoel bij hem veld: Larsen heeft gelijk.
-</p>
-<p>Een jongen bonsde tegen Van Thiemen aan.
-</p>
-<p>„Kom je van de brand?” vroeg hij angstig, even stilstaande.
-</p>
-<p>„Ja!!” De jongen liep door.
-</p>
-<p>„Bij wie?” riep Van Thiemen hem achterna.
-</p>
-<p>„Bij Perfester Larse!”
-</p>
-<p>Larsen was een eind vooruitgeloopen, zich niet storend aan ’t oponthoud. Hijgend haalde
-de ander hem in. Larsen had niets gehoord, en hij achtte het gevaarlijk hem thans
-in te lichten. Trouwens, de waarheid zou spoedig blijken.
-</p>
-<p>De kleine straat, waar ze door moesten, om in de groote te komen waar Larsen’s huis
-stond, krioelde van de menschen.
-</p>
-<p>Nu geen twijfel meer: overal om hen heen had men ’t erover: „bij Professor Larse”.…
-„bij de vrouw van de perfester die gek geworden was”.… „bij de perfester om de hoek”.…
-</p>
-<p>Er was een pikzwarte bank van rook over de hemel, links, telkens uitstuivend over
-de hoofden der menschenmassa in ’t straatje. De maan was onder en de hemel bewolkt.
-Een vrij sterke oostewind joeg bij iedere rookgolf een regen van fijne vonken in de
-lucht, hoog boven de huizen van ’t straatje wild verwaaiend.
-<span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span></p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3709" title="Niet in bron">„</span>’t Is hier benauwd!” zei Van Thiemen, en keek naar Larsen, die naast hem door de menschen
-trachtte te dringen. Hij zag dat hij een duw kreeg.
-</p>
-<p>„Meneer, je kunt hier niet door,” klonk ’t ruw.
-</p>
-<p>„’t Kan me niet schelen, uit de weg!” riep Larsen.
-</p>
-<p>Een kerel wankelde, viel tegen omstanders aan. Er werd getrapt en gestompt.
-</p>
-<p>„Wat moet die meneer?!” riep een vrouw. „Ziet-i dan niet dat we niet verder kunnen?
-De politie heeft de straat afgesloten.”
-</p>
-<p>Larsen stoorde zich aan niets. Links en rechts gestooten en gedrongen, werkte hij
-zich voort, als een dolle.
-</p>
-<p>Een politie-agent kwam de straat op, baan makend om zich heen. Zenuwachtig wendde
-Van Thiemen zich tot hem, wees hem op Larsen:
-</p>
-<p>„Hoû die meneer in Godsnaam in ’t oog! Hoû ’m tegen als je kunt,” fluisterde hij de
-agent toe. „De man is gek. Er is brand in zijn huis.”
-</p>
-<p>De menschenmassa golfde en deinde vóor hem. De agent verdween er onder.
-</p>
-<p>En ook Larsen was niet meer te zien.
-<span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch20.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XX.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Twee mannen stonden boven op het dak der veranda van het brandende huis.
-</p>
-<p>„Ziet u ze?”
-</p>
-<p>„Ja, allebeî. Daar.… bij de deur.…”
-</p>
-<p>„Durft u er in? God, wat ’n rook! Zouen ze niet al gestikt zijn?”
-</p>
-<p>De ander aarzelde even, een tiende seconde wellicht.
-</p>
-<p>„Hoû je klaar, als ik roep,” riep hij, en sprong naar binnen.
-</p>
-<p>De brandweerman, met wie hij gesproken had, volgde. Hij woû zich door die meneer geen
-vlieg laten afvangen.
-</p>
-<p>„’t Valt mee!” riep een stem van binnen. „Voortmaken is de boodschap. Gauw, help me
-’n handje.”
-</p>
-<p>„Ze zitten zoo vast aan elkaar, gedome!”
-</p>
-<p>„Hier, ’t is al in orde. Beiden tegelijk maar. We hebben geen tijd. Jij aan deze kant.
-Ziezoo, vooruit! Voorzichtig.”
-<span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span></p>
-<p>Nog een brandweerman was naar binnen gesprongen; hij schoot toe.
-</p>
-<p>„Best, pak daar aan! Goed zoo.… Poeh! Wat ’n rook!”
-</p>
-<p>„Pas op, meneer! Even tillen.… Zoo.…”
-</p>
-<p>„Op ’t dak maar?”
-</p>
-<p>„Zou ’t houen? Hei, Kees, geef ’s even die leer! Gauw!”
-</p>
-<p>De geroepene begreep de bedoeling dadelijk. Een stevige ladder werd over de volle
-breedte van ’t ijzere en glaze dak der veranda gelegd, schuin tegen ’t venster.
-</p>
-<p>Voorzichtig—op de vensterbank staande—tilden de drie mannen de ineengestrengelde lichamen
-op de schuinliggende ladder.
-</p>
-<p>Uit de kleine straat, vanwaar een opgepropte menigte stond toe te kijken, klonk uitbundig
-gejuich. Allerlei opmerkingen werden luide geuit.
-</p>
-<p>„Dat ’s Perfester Van Thiemen! Zie je ’m? Nou, die durft, hoor.…”
-</p>
-<p>„Hij heeft ze te pakken. Allebeî! Met z’n drieën lappen ze ’t ’m!”
-</p>
-<p>„Arm schaap! Kijk ze daar nou ’s liggen. Wat houdt ze ’m vast.”
-</p>
-<p>„Kijk! Ze hebben ze losgekregen! Zouen ze dood zijn?”
-</p>
-<p>„Hij niet misschien, maar dat arme schaap!”
-<span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span></p>
-<p>„Nou maar, hij is anders slap genoeg. Zie je dàt? Hij geeft niks mee, hoor!”
-</p>
-<p>Het venster, waarlangs de drie hun dubbele vracht naar buiten hadden gedragen, lag
-dicht bij het uiteinde van de veranda. Het was het laatste raam aan de achterzijde
-van ’t huis, naar de kant van ’t straatje, en was aangebracht op het ruime portaal
-waarop Larsen’s slaapkamer en die van zijn dochtertje uitkwamen. Dit heele achterdeel
-der woning was in latere tijd aan ’t oude huis toegevoegd; zoodat het ter zijde niet
-meer grensde aan het huis er naast, dat de eene hoek van het straatje uitmaakte, maar
-aan een deel van de tuin daarvan. Van de breede ijzere rand der veranda tot de scheidingsmuur
-der twee aangrenzende tuinen was de afstand niet grooter dan wellicht een meter.
-</p>
-<p>Van de veranda in de tuin der buren te komen leverde dus geen moeilijkheid van beteekenis
-op.
-</p>
-<p>Langs de rand der veranda konden dus twee man met eenige inspanning de ladder naar
-zich toehalen, waarop achtereenvolgens het bezwijmde kind, en daarna het slappe lichaam
-van Larsen waren neergelegd.
-</p>
-<p>Van Thiemen weerde zich als de beste der brandweermannen. Met geschroeide haren en
-baard, zwarte veegen in zijn gezicht, zijn kleeren, bedorven door roet, rook en water,
-zag hij er merkwaardig uit. <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>Blootshoofds—hij had zijn hoed verloren—en zonder overjas vertoonde hij zich eindelijk
-weer buiten. Hij had zeker een half uur in ’t buurhuis vertoefd, waar Larsen en zijn
-kind voorloopig binnengebracht waren, in afwachting van de komst der brancards uit
-het ziekenhuis.
-</p>
-<p>Hij werd op de stoep bestormd door nieuwsgierigen, vele bekenden en vrienden daaronder.
-Een jonge man met donker haar, schrandere levendige oogen, fijne neus en dun zwart
-snorretje, trad ’t eerst op hem toe.
-</p>
-<p>„Hoe is ’t, professor?” vroeg hij. „Leven ze?”
-</p>
-<p>„O, Zomer, ben jij daar ook? Ja, Goddank, ze leven beiden.”
-</p>
-<p>„De dokter is er zeker bij. Welke dokter is ’t? Toch niet Dr. Brakel?”
-</p>
-<p>„Nee, een ander: Norman. Je kent hem wel.”
-</p>
-<p>De ander knikte.
-</p>
-<p>„En, wat gebeurt er nu met.…?”
-</p>
-<p>„Er moeten brancards van ’t ziekenhuis komen. Zoolang blijven ze hier in huis.”
-</p>
-<p>„Alle drie?”
-</p>
-<p>„Alle drie, dat wil zeggen.…”
-</p>
-<p>„Mevrouw Larsen.… Was die dan niet in ’t huis?”
-</p>
-<p>„Jawel, jawel!” klonk uit de omstanders, die naar ’t gesprek hadden staan luisteren.
-„Die was er ook in. Die is verbrand. Vraagt u ’t maar aan die daar. Dat is de kamermeid
-van mevrouw.”
-<span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span></p>
-<p>De jonge man en Van Thiemen keken beiden in de richting waarheen de spreker wees.
-Daar zat op een steene paaltje van de breede stoep Pietje, ’t beeld van doffe wanhoop,
-snikkend en met beide armen een bundel goed omklemmend, dat tegen haar schoot lag.
-</p>
-<p>Van Thiemen, die ’t niet noodig vond de droeve dienstbare nog meer van streek te brengen
-dan ze blijkbaar reeds was, nam zijn jonge vriend ter zijde:
-</p>
-<p>„Ga je mee, Zomer?” vroeg hij. „Ik ga naar mijn huis. Ik heb hier verder niets te
-doen. Morgen denk ik ’s naar ’t ziekenhuis te gaan. Ik ben wat moe, en moet me wat
-opfrisschen.”
-</p>
-<p>Met een zure glimlach wees hij op zijn gehavende plunje.
-</p>
-<p>„Best, professor. Ik ga met u mee, als ik u niet lastig val, zoo in de nacht.…”
-</p>
-<p>Het tweetal ging links van ’t huis de breede straat op, zoo de menigte vermijdend.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">O, à la guerre comme à la guerre!</span> Ik ga toch nog niet naar bed. Ik ben nog te vol van alles.” Zwijgend stapten ze een
-eindweegs naast elkander voort.
-</p>
-<p>„Maar, professor,” begon Zomer weer, „zeg u me toch ’s—ik woû ’t zooeven met al die
-menschen niet vragen—is mevrouw Larsen werkelijk verbrand?”
-</p>
-<p>„Ja, dat moet wel,” antwoordde Van Thiemen, en <span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span>zijn gelaat vertoonde een uitdrukking van pijnlijke gedachten, „of ten minste gestikt.…
-want ze had geen enkele brandwond.… niets, nergens. Het haar was alleen wat gezengd.
-De slaapkamer was trouwens vol rook—niet om door te komen bijna. Ik ben er geweest.
-Larsen was als een dolle over de twee tuinmuren achter in ’t huis geklommen—verbeel’
-je, van het Spinhuis-straatje naast de Erlings.—Toen ik even een voet in de slaapkamer
-zette, moest ik terug: ik was anders zelf gestikt, je kon er geen hand voor oogen
-zien. Ik was achter op de veranda geklommen moet je weten, en had zoo in mevrouw’s
-slaapkamer willen komen. We hadden Larsen daar het raam in zien springen.”
-</p>
-<p>„Maar hoe kwam Professor Larsen zoo opeens hier in de stad? Was hij niet.…?”
-</p>
-<p>„Hij was weggeloopen.… juist kort geleden in de stad. Enfin, dat zal ik je nog wel
-’s vertellen.”
-</p>
-<p>„Ga u voort.”
-</p>
-<p>„Nu, toen we zagen dat het onmogelijk was door dat eene venster in de slaapkamer te
-komen, probeerden we een ander, ’t laatste van de drie aan de achterkant van ’t huis,
-dat op ’t portaal uitkomt. Daar was gelukkig minder rook. Daar vonden we Larsen en
-zijn kind vlak vóor de deur van de groote slaapkamer. Ze lagen in elkaars armen op
-de grond. Je kon zien dat Larsen daar neergevallen was, <span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span>nadat hij ’t kind uit die hel van rook en vlammen gehaald had.”
-</p>
-<p>„Uit de slaapkamer dus?! En mevrouw dan?”
-</p>
-<p>„O, daarvan hoorde ik later pas. Ik had toen op dat oogenblik alleen aandacht voor
-Larsen en zijn dochtertje. Maar ik weet, dat er kerels van de brandweer van voren
-’t huis waren binnengekomen. Niet de trap langs, want daar was ook geen doorkomen
-aan. Ik vond mevrouw Larsen—haar lijk, bedoel ik—al bij de Erlings, toen ik Larsen
-en zijn kind daar binnen hielp dragen. Hoe de kerels ’t ’m geleverd hebben, begrijp
-ik nòg niet. Ze hadden haar blijkbaar vóor uit een straatraam naar buiten gebracht.
-Pietje—je weet wel, dat was mevrouw’s kamermeid, nogal een lieveling van haar—vertelde
-bij de Erlings met veel misbaar, dat ze mevrouw met Didi bij elkaar gevonden had:
-mevrouw op bed liggend en het kind wanhopig huilend over haar heen gebogen. Ze was
-toevallig wakker geweest—Pietje, meen ik, die hoog boven in ’t huis sliep—ze had een
-sterke brandlucht geroken, en was toen gaan kijken. Toen had ze gemerkt dat mevrouw
-al koud was; ’t kind woû niet mee, en woû maar niet gelooven dat haar moeder dood
-was, bleef als een wanhopige rukken en trekken en schudden. Pietje had ’t kind moeten
-achterlaten, om zelf haar leven te redden, zooals zij vertelde. Tsh! ’t Onnoozele
-menschje stelde zich bij <span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span>de Erlings zoo vreeselijk aan, dat ze maar naar buiten gebracht is. Je hebt haar op
-de stoep zien zitten.”
-</p>
-<p>Van Thiemen kon een glimlach niet bedwingen, ondanks de droevige gedachten die bij
-hem omgingen; en ook zijn jonge metgezel kreeg een vroolijke vleug om de mond, toen
-hij aan ’t erbarmelijke tooneel van Pietje’s treurnis dacht.
-</p>
-<p>„Nu,” hervatte Van Thiemen, „dat verhaal van Pietje kwam overeen met wat de dokter
-constateerde.…”
-</p>
-<p>„Zoo?”
-</p>
-<p>„Ja, die vond dat mevrouw Larsen al minstens een half uur dood moest geweest zijn
-toen ze bij de buren binnen werd gebracht.”
-</p>
-<p>Van Thiemen versnelde onwillekeurig zijn pas. Hij huiverde.
-</p>
-<p>De ander keek hem even verwonderd aan, doch de oorzaak van hetgeen hij in zijn oude
-vriend waarnam enkel toeschrijvende aan gewoon menschelijk medegevoel, dacht hij er
-niet verder over na.
-</p>
-<p>Beiden zwegen echter een poosje.
-</p>
-<p>Onderwijl bereikten ze de brug in de buurt van Van Thiemen’s woning.
-</p>
-<p>„Egyptische duisternis,” zei Van Thiemen eindelijk. „Zie je wel, dat er geen enkele
-straatlantaarn op is? Dat ’s van wege de maan, die al zoowat een uur onder is!”
-<span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span></p>
-<p>„Zuinigheid met vlijt,” antwoordde de ander om iets te zeggen. Intusschen tuurde hij
-afgetrokken onder ’t <span class="corr" id="xd31e3820" title="Bron: voorwandelen">voortwandelen</span> naar de inktzwarte oppervlakte van ’t water der gracht, waar het eenzame lichtje
-van een turfschuit doods opstaarde uit de drabbige onbewegelijkheid, diep tusschen
-de donkere boomen en de hooge huizen daarachter.
-</p>
-<p>Zonder een woord meer te wisselen ging het tweetal verder tot aan Van Thiemen’s woning.
-</p>
-<p>Eenige minuten later zaten beiden op dezelfde stoelen in de studeerkamer, waar nog
-zoo kort geleden Larsen zijn ijzingwekkende biecht gedaan had.
-</p>
-<p>Van Thiemen had van kleeren verwisseld en zich gewasschen. Was zijn gevoel van onfrischheid
-en vermoeienis ook geweken, zijn gemoed was er niet rustiger door gestemd: de onrust-gedachten,
-die hem sinds de nachtelijke samenkomst met Larsen, en vooral na de berichten omtrent
-de dood van diens vrouw steeds door gekweld hadden, drongen tot uiting. Zou hij uitspreken
-wat hem zoo vreeselijk drukte, raad en steun zoeken bij deze jonge man, door hem de
-akelige vermoedens bloot te leggen die in hem spookten? Hij wist welk een warme genegenheid
-de jonge rechtsgeleerde voor zijn vroegere leermeester koesterde, hij wist ook in
-welk een achting de veelbelovende leerling steeds bij Larsen gestaan had. En ook hijzelf
-voelde veel sympathie voor hem, <span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span>en stelde een onbeperkt vertrouwen in zijn rechtschapenheid en in zijn talenten. ’t
-Gold hier een werk van hooge menschlievendheid, een daad van de edelste vriendschap.
-Nee, hij kòn, hij mocht niet zwijgen. Aan niemand beter dan aan de vereerende leerling
-kon hij deze kiesche zaak toevertrouwen: hier was toewijding, geestdrift en talent
-noodig, en op dat alles kon hij immers rekenen.… Hij moest spreken.
-</p>
-<p>De jonge rechtsgeleerde was zelf in gedachten verdiept, toen Van Thiemen na een oogenblik
-de stilte verbrak:
-</p>
-<p>„Zomer, ’t deed me bizonder veel genoegen je zooeven te ontmoeten. Je kwam als geroepen.”
-</p>
-<p>„Te veel eer, professor. ’t Speet mij alleen dat ik zoo laat kwam, zoodat ik niet
-anders dan toeschouwer ben kunnen wezen. Ik had anders zoo graag een handje meegeholpen.
-U heeft zich kranig geweerd, hoor ik.”
-</p>
-<p>„Och, laten we daarover zwijgen. Je weet hoe Professor Larsen en ik bevriend waren.…”
-Van Thiemen weifelde even. „En.… ook daarom <span class="corr" id="xd31e3835" title="Bron: vind’">vin’</span> ik het zoo heerlijk dat ik jou getroffen heb.…”
-</p>
-<p>„Mij, professor?” Er was een oprechte toon van bescheiden verwondering in Zomer’s
-stem, en ook zijn open, trouw gelaat drukte dit uit.
-</p>
-<p>„Ja.… kerel, ik heb je noodig. Ik zit voor een <span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span>ellendig geval.… in verband met mijn vriend Larsen. Ik woû je over iets raadplegen
-dat me geheel vervult. ’t Zou me een ware verlichting zijn je er over te spreken.…”
-</p>
-<p>„Ik hoef u wel niet te zeggen, professor, hoe aangenaam ’t me wezen zal u van dienst
-te zijn, ook om der wille van Professor Larsen. Maar ik kan me niet voorstellen.…”
-</p>
-<p>„O, je kunt me helpen misschien. In alle geval zal ik me minder bezwaard voelen, als
-ik ook éen ander mensch verteld heb wat me nu zoo benauwt. ’t Zijn vermoedens, niets
-dan vermoedens, maar zóo waarschijnlijk.… dat ze me kwellen als ware feiten. Niemand
-weet ervan, behalve ik.… dat wil zeggen niemand weet alles in zijn verband.… hoe ’t
-eene uit ’t andere voortgekomen is.… Larsen heeft me mededeelingen gedaan.… Ik kan
-op je stilzwijgen staat maken, nie’waar?”
-</p>
-<p>„Natuurlijk, professor, als ’t graf.…”
-</p>
-<p>Van Thiemen veranderde van houding, haalde zijn rechterhand door zijn golvende zwarte
-lokken, en stond op.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3849" title="Niet in bron">„</span>Kom, ik laat je op een droogje. Wil je niet wat warms? Ik zal zien dat ik wat water
-warm maak. Een kop waterchocolâ?”
-</p>
-<p>Zomer aanvaardde ’t gebodene.
-</p>
-<p>„Je weet, ik ben geheel-onthouder,” hervatte de <span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span>ander. „Ik heb hier op ’t oogenblik niets anders bij de hand.”
-</p>
-<p>De levendige professor had spoedig wat hij noodig had klaargemaakt. Een glas van zijn
-waschtafel en een theekopje, dat in zijn kast stond, waren weldra gevuld met het geurige
-mengsel. Hij nam ’t glas voor zich en bood zijn gast het kopje.
-</p>
-<p>„Ziezoo,” hervatte hij, weer zittend. „Ik moet je eerst een vraag doen: geloof jij
-bepaald dat Professor Larsen krankzinnig wàs, ik meen toen hij naar ’t <span class="corr" id="xd31e3859" title="Bron: krankzinnigen-gesticht">krankzinnigengesticht</span> gebracht werd. Je hebt er toen van gehoord, nie’waar?”
-</p>
-<p>„Wat zal ik u zeggen?.… Ik hoorde toen wat iedereen hoorde. Later heb ik nooit die
-zaak in twijfel hooren trekken.…”
-</p>
-<p>„Nu, ’t mag toèn zoo geweest zijn.… of liever, ik ben overtuigd dat hij toèn zoo was—gek,
-bepaald gek—maar hij was ’t niet meer toen ik hem gisteren—ik bedoel vannacht—sprak.<span class="corr" id="xd31e3865" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Heeft u hem <span class="ex">vannacht</span> gesproken? Vóor de brand dan?”
-</p>
-<p>„Ja, onmiddellijk te voren.… òf ten minste toen de brand net begon. Hij is toen bij
-me geweest.<span class="corr" id="xd31e3874" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>En Van Thiemen vertelde ’t heele geval, sprak van zijn bijna vaste overtuiging, dat
-wat Larsen hem mededeelde pure waan was, een krankzinnige inbeelding, van zijn twijfel,
-eerst gering, daarna zoo <span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span>versterkt door de feiten bij de brand waargenomen.
-</p>
-<p>De jonge advocaat luisterde met de grootste aandacht, met de hartelijkste belangstelling.
-</p>
-<p>„Een psychologische zeldzaamheid, dit geval, vin’je ook niet?” zei Van Thiemen aan
-’t slot van zijn verhaal.
-</p>
-<p>„U bedoelt dat plotseling ontwaken van ’t bewustzijn, door een groote ontroering,
-en dat overdreven gevoel van verantwoordelijkheid?”
-</p>
-<p>„Nee, dat begrijp ik wel—dat komt meer voor. Zeker. Ik meen die uitbarsting van haat
-in een zachtmoedig man als Larsen. Je kent hem.”
-</p>
-<p>„Ja, zeldzaam. Zonder twijfel, professor.”
-</p>
-<p>„Maar.…” vervolgde Zomer na een oogenblik denkens, „ik geloof met u, dat hij volkomen
-bij zijn verstand was toen hij u.… zijn bekentenis deed. O, daar twijfel ik nu geen
-oogenblik meer aan.…”
-</p>
-<p>„Maar toen hij de moord deed? Toen ook? Dat is immers niet aan te nemen.…”
-</p>
-<p>„Wat mij betreft, professor.…” De jonge rechtsgeleerde bracht het hoofd schuin voorover
-en wachtte even, om ’t daarna met een kleine ruk op te heffen. Hij keek zijn gastheer
-flink in de oogen. „Ik geloof vast, dat hij op ’t oogenblik van de moord volmaakt
-<span class="ex">ontoerekenbaar</span> was. Dat is immers duidelijk uit al wat voorafgegaan is. Ik wil alleen zeggen, dat
-<span class="ex">ik voor mij de moreele overtuiging heb</span>. <span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span>En tegenover de rechter.…” Hij hield even op, om met geestdrift te vervolgen: „O,
-professor, ik woû dat ik ’s voor Professor Larsen pleiten mocht!”
-</p>
-<p>„Niets liever dan dat, kerel,” antwoordde Van Thiemen op hartelijke toon, „de moeielijkheid
-zal alleen wezen, dat hijzelf zijn zaak bederven wil. Hij zal van geen verdediging
-willen weten. Ik heb je immers gezegd hoe hij zich overtuigd toonde van zijn schuld.
-Hij meent oprecht zijn vrouw met voorbedachten rade te hebben vermoord, en houdt zich
-zelf daarom voor een misdadiger van ’t minste allooi! Tsh!”
-</p>
-<p>Van Thiemen was opgestaan en liep heen en weer, de eene hand op de rug en met de andere
-zijn snor martelend.
-</p>
-<p>De jongere van ’t tweetal luisterde aandachtig, de kin op de linkerhand geleund.
-</p>
-<p>„Zoodra hij morgen wat frisch is, zal hij doen wat hij bij mij gezegd heeft. O, ik
-ben er zeker van. Die flauwte van de rook heeft niets te beteekenen gehad. Er was
-wat vermoeienis bij: daarom heeft het hem nogal aangepakt. Ik hoû ’t ervoor dat morgen—vandaag,
-bedoel ik, van middag—de heele zaak bij de politie bekend is, in alle bizonderheden.
-Tsh!”
-</p>
-<p>„Ja—ik begrijp u: als hij even kalm en beredeneerd het heele geval vertelt, zooals
-hij ’t u gedaan heeft.…”
-<span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span></p>
-<p>„Dan is er alle kans dat hij veroordeeld wordt.… Maar ook als ze hem ontoerekenbaar
-verklaren—hem nu nòg voor gek houden—wel.… dan is ’t nog ellendiger met hem gesteld.
-Gevangenis of <span class="corr" id="xd31e3908" title="Bron: krankzinnigen-gesticht">krankzinnigengesticht</span>, dat is zijn keus, of liever die van de rechter en de advizeerende arts.… Dat moet
-gecaveerd worden, Zomer! ’t Zou een ramp zijn voor hem. En ook voor zijn arm kind!.…
-Dat moet jij zien te doen, kerel.” Hij zweeg even. „Weet je wel dat ik je benijd?
-Ik woû dat ik dat pleidooi van je overnemen kon: wat kan er heerlijker wezen dan je
-beste gaven te doen schitteren om daarmee een weldaad te doen!”
-</p>
-<p>Van Thiemen’s oogen blonken van geestdrift, terwijl hij de laatste zinsnede uitsprak,
-en ’t vlugge, groote gebaar met beide armen vooruit en half terugbuigend met geopende
-handen—het hoofd ietwat ter zijde tegen de schouder, was als een aanbiddende verrukking
-voor een schoon tafereel.
-</p>
-<p>Bewonderend keek de jonge rechtsgeleerde naar dit beeld van echt entoeziasme, en de
-vlam van ’t heilige vuur in hem, gevoed door de nooit falende brandstof zijner overtuigingen,
-aangewakkerd door elke ademtocht van medegevoel, waar maar menschelijk leed verneembaar
-was, laaide thans òp met nooit gekende gloed.
-</p>
-<p>„Zeker, volkomen met u eens, professor!” riep hij. <span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span>„Maar,” liet hij er met bezorgdheid op volgen, „stelt u niet te veel vertrouwen in
-mij? Ik bedoel niet in mijn bekwaamheid als advocaat.… maar in mijn vermogen om Professor
-Larsen te overreden? Daarvoor kan ik ù niet missen. U moet me helpen met al uw macht.”
-</p>
-<p>Van Thiemen hief zijn eene arm op, als wilde hij zeggen: dat spreekt immers vanzelf!
-Daarna ging hij weer zitten, leunde achterover, en streek langs zijn knevel en mond,
-de oogen naar boven. De jonge advocaat ging voort:
-</p>
-<p>„Zou ’t niet ’t beste zijn, dat u van middag eerst alleen met de professor ging spreken?
-U haalt hem stellig makkelijker over dan ik. Toch stel ik er mij veel moeite van voor,
-ook voor u.…” Hij brak een oogenblik af; dan in gedachten, half bij zichzelve: „Hij
-schijnt ontzaglijk veel van die vrouw gehouden te hebben!”
-</p>
-<p>Van Thiemen stoof op.
-</p>
-<p>„Van haar gehouden! Een mooie liefde! Nee, kerel, dat was geen liefde. Dat was een
-verblindende illuzie, hartstocht van de zuiverste soort.… altijd geweest. Maar.… je
-hebt gelijk: waar zoo’n diep ingrijpend gevoel tot zulk een.… ziels-omwenteling geleid
-heeft.… is rechtzetten een heele toer! Hij gelooft even vast aan zijn haat, als hij
-aan zijn liefde geloofd heeft.… Tsh! Stumpert!”
-<span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span></p>
-<p>Zomer greep naar zijn water-chocolade, en deed een bizonder lange teug. Het kopje
-bedaard en afgemeten neerzettend, hervatte hij langzaam:
-</p>
-<p>„Dus dan zal de heele kwestie zijn, Professor Larsen te overtuigen, dat, zoowel die
-haat als wat hij zijn liefde noemde, beide niets dan verschijnselen van zielsziekte
-waren.… Zijn ontoerekenbaarheid.…”
-</p>
-<p>„Zeker, stellig,” viel Van Thiemen in, „zijn ontoerekenbaarheid is al begonnen op
-’t oogenblik dat zijn passie voor die vrouw zijn ziel binnendrong, om die langzamerhand
-te vergiftigen. Ik bedoel natuurlijk zijn ontoerekenbaarheid voor daden met die passie
-in verband.”
-</p>
-<p>De jongere der twee knikte een paar maal met opgetrokken wenkbrauwen, de oogen wijd
-geopend. Dan verviel hij even in gepeins. Opeens richtte hij ’t hoofd op, en keek
-Van Thiemen recht aan:
-</p>
-<p>„Gelooft u, professor, dat er volmaakt passielooze liefde bestaat? Ik bedoel hier
-liefde voor een vrouw, behalve moeder of zuster.… Laten we zeggen: sexueele liefde.…”
-</p>
-<p>„Nee, beslist niet. Die is eenvoudig boven menschelijke krachten. Evenmin kunnen we
-’t helpen dat bij de hevigste sexueele hartstocht nog altijd wel een bijmengsel van
-echte liefde komt. We slingeren steeds tusschen beest en godheid.… ’t Leven van ieder
-denkend mensch, van ’t oogenblik van bewustheid, <span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span>dat het verantwoordelijkheids-gevoel ontwaakt tot zijn laatste snik is een voortdurende
-aanraking met hartstochten. De zaak is maar hoe we die omgang regelen. Volkomen passieloosheid
-is goddelijkheid, en deze ligt zoozeer boven onze bevatting, dat in alle godsdiensten
-wij menschen ons zelfs geen <span class="ex">god</span> zonder hartstochten kunnen voorstellen. Al is ’t dan ook bij Christenen, Joden en
-Mohammedanen zonder <span class="ex">geslachtelijke</span> hartstocht. Tsh! Grieken en Romeinen waren in dàt opzicht onpartijdiger. Onder ons:
-ik zie niet in waarom juist die <span class="ex">sexueele</span> hartstocht zoo in ’t verdomboekje moet staan. Zou <span class="ex">hij</span> zooveel kwaadaardiger wezen dan zijn kameraadjes?”
-</p>
-<p>Zomer haalde de schouders op, en glimlachte even.
-</p>
-<p>„Ja, ja, zeker,” vervolgde Van Thiemen levendig, „hij <span class="ex">is</span> de kwaadaardigste, ’t moeilijkst te bevechten. Daarom juist zou een verliefde god
-nog niet zoo’n bespottelijkheid wezen als een die boos wordt op menschen, of <span class="ex">jaloersch</span> is! Maar laat dat wezen wat het wil: een mensch moet nu eenmaal streven naar die
-onbegrepen passieloosheid. We mogen wel streven naar ’t onbegrepene: <span class="ex" lang="de">es genügt dass wir es ahnen</span>. En ieder denkend mensch doet dat: hij heeft de op hem aandringende demonen van zich
-af te houden zooveel hij kan, al kan hij zich van hun algeheel verdwijnen ook geen
-voorstelling vormen. ’t Merkwaardige is, dat die demonen—die <span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span>we hartstochten noemen—zoo partijdig zijn in de keuze van hun tegenstanders. Ze plagen
-iedereen, maar op enkelen hebben ze ’t in ’t bizonder gemunt, terwijl ze heele troepen
-van anderen nauwelijks met speldeprikken lastig vallen. Bij dit laatste soortje hooren
-een hoop nullen, onder ’t eerste zijn vaak menschen van beteekenis, en dan is er nog
-de groote kategorie van lui, die zich dadelijk gevangen geven en zoo geen last van
-de indringers hebben: dat zijn je lammelingen.…
-</p>
-<p>„Wil je een ander beeld? Iedereen krijgt in zijn leven een paard te berijen. In de
-eerste jaren wordt het aan de toom geleid. Daarna rij je zelf. Opvallend is ’t dan,
-hoe verschillend de beestjes zijn. Er zijn kanjers van hengsten bij, prachtige, vurige
-en onstuimige rijdieren, en daartegenover ellendige, suffe knollen, met nog allerlei
-tusschen-schakeeringen. Als je dan zoo’n ondeugende woesteling onder je hebt, en je
-wordt er eens afgesmeten, of je laat je toom wel ’s uit de hand schieten, dan zijn
-de knolruiters gewoonlijk ’t eerste klaar, om je uit te schelden en uit te jouwen,
-omdat je niet rijen kunt! Tsh!” En beseffende dat hij afdwaalde, brak Van Thiemen
-af, om, minder levendig, en weer met droefenis in zijn stem te hervatten. „Arme Larsen!
-Zijn paard is op hol geslagen, en hij is uit ’t zadel gegooid.… We moeten hem helpen.”
-<span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span></p>
-<p>Van Thiemen’s jonge vriend keek op, toen zijn stem zweeg. Ofschoon hij de heele tirade
-gevolgd had, was zijn geest er toch maar half bij geweest, en ’t was alsof hij ontwaakte
-uit een eigen droomwereld. In groote trekken had hij ’t pleidooi in elkaar gezet dat
-zijn beminde leermeester moest redden van maatschappelijke en zedelijke ondergang.
-</p>
-<p>Thans tot volkomen bewustzijn van ’t actueele gekomen, knikte hij: „Ja, professor,
-dat moeten we, dat zullen we.…” En zijn horloge raadplegende, stond hij op.
-</p>
-<p>„’t Is ver in de nacht, professor,” zeide hij. „Ik moet heen. Wat spreken we nu af?
-Ik zie u morgenmiddag na uw samenkomst met Professor Larsen? Ik blijf morgen de heelen
-dag thuis tot het eten. En mijn avond is ook tot uw beschikking.”
-</p>
-<p>„Best, best. Ik zal dan wel bij jou komen.…”
-</p>
-<p>Na nog enkele hartelijke woorden gewisseld te hebben, scheidden de beide vrienden.
-Van Thiemen voelde zich opgelucht en rustig; zijn jonge vakgenoot in de beste der
-stemmingen: een heerlijk gevoel van zelfbewustheid en fierheid, vertrouwen op eigen
-kracht, steunend op zijn geestdriftig geloof in ’t goede, doortintelde hem.
-</p>
-<p>En Van Thiemen sliep reeds een half uur later, David Zomer eerst tegen de morgen.
-<span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch21.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XXI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Zoo, m’n kindje, nu al op!” riep een nog jonge vrouw opkijkende van ’t werk waarmee
-ze druk in de weer was: ze rangschikte een heerlijke overvloed van bloemen op een
-ontbijttafel. De buitendeuren van de serre achter de kamer stonden wijd open, en een
-frissche lentelucht woei binnen uit de tuin. Van de kamer uit zag men ’t lieflijk
-kleurenspel van gaarde, weiland en bosch, en daarboven de hemel: groen, rood, wit,
-geel, bruin, oker, zwart, weer groen in drie schakeeringen en eindelijk een zachtblauw
-van fluweelige molligheid over alles heen, een jubeling van tinten, een bont gestoei
-in zonneroes.
-</p>
-<p>’t Jonge meisje dat binnenkwam trad op de bezige toe, kuste haar op beide wangen en
-fluisterde haar toen in ’t oor:
-</p>
-<p>„Ik ben vandaag <span class="ex">zestien</span>!” Ze trok het hoofd terug en keek haar stiefmoeder lachend in ’t vriendelijk gelaat.
-</p>
-<p>„Kom je me dat vertellen? Zie je dan niet waaraan <span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span>ik bezig ben?” Ze wees op de bloemen op tafel, terwijl ze haar eene arm om ’t middel
-van ’t meisje sloeg.
-</p>
-<p>„Och, maatje, je bent een schat! Je maakt me verlegen.” Ze kuste haar stiefmoeder
-nogmaals, als wilde ze daarmee een indruk van onverschilligheid voor de lieve attentie
-wegnemen. „Maar ik denk aan iets anders.… een belofte van je.…”
-</p>
-<p>„Kom je me daaraan ’s morgens om half zeven herinneren? En wat is dat wel voor een
-mooie belofte?”
-</p>
-<p>Lachend streek de spreekster door ’t lange afhangende haar van ’t jonge meisje, en
-liet haar blik met ingenomenheid over haar gestalte glijden. Ze verlustigde zich voor
-de zooveelste maal aan dit beeld van frissche jeugd, en een warme aandoening van beschermende
-liefde overstroomde haar gemoed. Ze dacht aan haar goede vader, aan Larsen.
-</p>
-<p>’t Meisje antwoordde niet dadelijk, en wilde de ander meetroonen in de richting van
-de tuin.
-</p>
-<p>„Nee, kindjelief: ik ga onmiddellijk met je mee, als dit af is. Kijk hier, nog even
-dit. Ik ben bijna klaar. Een minuut nog.” En, terwijl mevrouw Larsen de laatste hand
-legde aan de versiering der ontbijttafel, hier nog iets verleggend, daar een kleuren-paring
-wijzigend, stond de zestienjarige met haar verstandige, peinzende oogen toe te kijken.
-</p>
-<p>„Jammer dat je me gestoord hebt, Didi,” zeî haar <span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span>stiefmoeder. „Je hadt een tien minuten later moeten komen, en dan pas moeten kijken—als
-alles klaar was.…”
-</p>
-<p>„Niets jammer,” antwoordde ’t jonge meisje. „Als ’t af was geweest, had ik je niet
-<span class="ex">bezig</span> gezien.…”
-</p>
-<p>„Nu, wat zou dat? Zie je dat dan zoo graag?”
-</p>
-<p>„Ja, omdat ik dan <span class="ex">zie</span> dat je <span class="ex">bezig bent lief voor me te zijn</span>. Dan betrap ik op heeterdaad: dat ’s veel aardiger.<span class="corr" id="xd31e4008" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Mevrouw Larsen lachte even helder met haar kristallenklokjes-lach, zonder in haar
-werk op te houden.
-</p>
-<p>„Hier, doe deze roos in je haar. Een pracht, vin’ je niet? Kijk dat heerlijke rood!
-Wacht, ik zal ’m zelf in je haar doen.—Ziezoo, jarige meid! Nu gaan we naar de tuin.”
-Ze sloeg haar arm weer om het slanke middel van ’t jonge meisje, en beiden begaven
-zich door de serre naar de trap, die naar de tuin omlaag leidde.
-</p>
-<p>Een treffend contrast vertoonden die twee, het blonde, weelderige kroeshaar, het blanke,
-roodblozende gelaat, en het eenigszins stevige gestaltetje der stiefmoeder, met de
-helderblauwe oogen, de kleine neus, de witte wimpers en wenkbrauwen en ’t witte dons
-op bovenlip en wangen; en daarnaast Larsen’s dochter, met haar donker glanzig, lang
-haar, de eenigszins matte huidstint, de diepe donkere, denkende oogen, met de lange
-wimpers, het fijne spitse neusje en de <span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span>peinzende plooi van ’t kersenroode mondje. Hier waren Zuid en Noord tegenover elkaar:
-’t Romaansche vrouwentype zag men in ’t jonge meisje, de zes-en-dertigjarige stiefmoeder
-vertegenwoordigde een veel voorkomende schakeering van ’t echt Saksische, dat men
-in Drente en Overijsel aantreft.
-</p>
-<p>Paula’s trekken waren in Didi onmiskenbaar, en toch was de indruk van Didi’s verschijning
-zoo opvallend verschillend, afgezien nog van ’t slankere dat de dochter van de moeder
-onderscheidde. Er was in ’t jonge meisje een eigenaardige zachte weemoed bij al haar
-bedaarde, onverstoorbare goedgehumeurdheid, die oog en hart weldadig aandeed. Bij
-Paula boeide het schitterend levendige, vol afwisselende bekoring, bij haar kind het
-gelijkmatig lief-ernstige in spraak, gebaar en bewegingen. Paula’s lach had iets bedwelmends,
-die van Didi iets droomerig vleiends—een wals van Strauss tegenover een van Chopin.
-</p>
-<p>Didi had gezwegen, wachtende tot haar stiefmoeder spreken zou. Ze aarzelde, omdat
-wat ze te zeggen had haar zoo moeilijk viel om uit te drukken.
-</p>
-<p>„Nu, die belofte?” begon eindelijk de oudere. Ze lachte en haar lach was steeds een
-genot om te zien en te hooren. Haar anders eenigszins stroef gezichtje kreeg dan opeens
-een uitdrukking van hartveroverende vriendelijkheid.
-<span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span></p>
-<p>„Kom, weet je die nu niet?” antwoordde Didi. „Als ik zestien was, zou ik iets mogen
-weten.… zou je wat vertellen.… alles vertellen van Vader.…”
-</p>
-<p>Een wolk trok over het witblanke voorhoofd der stiefmoeder. Ze had ’t begrepen. Dat
-’t kind daar <span class="ex">nu</span> over sprak! Wat had ze ’t goed onthouden, en in twee jaar was er geen woord over
-gerept! Ja, ze had op een naïeve vraag van Didi eens geantwoord, wat ze met haar man
-afgesproken had te zullen antwoorden als Didi ooit vragen deed in verband met het
-sombere drama afgespeeld bij de dood van haar moeder: „Je zult alles weten, m’n kindje.
-Later, als je zestien bent. Dan zal je alles duidelijk en verklaarbaar worden. Nu
-nog niet, je zou nu nog niet alles begrijpen.” En ’t kind had gezwegen zonder verder
-aandringen.… Ze moest er wel veel over gedacht hebben, dat ze nu zoo’n haast maakte,
-wel verlangend zijn om eindelijk ’t groote mysterie geopenbaard te zien.…
-</p>
-<p>Mevrouw Larsen antwoordde dus niet onmiddellijk. Didi’s woorden hadden haar gemoed
-te diep getroffen.
-</p>
-<p>„Zullen we daar gaan zitten?” zei ze ten slotte, en wees op een bank achter in de
-tuin, waarvan ’t uiteinde alleen zichtbaar was, zoo was ze van schier alle kanten
-van groen omringd.
-</p>
-<p>Beiden zetten zich, hand in hand. Mevrouw Larsen hervatte:
-<span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span></p>
-<p>„Woû je dat <span class="ex">nu</span> alles weten, kind? Nu, op je verjaardag? Ben je niet bang dat.… al die treurige dingen
-je dag bederven zullen? En dan je vader, zou die—als hij jou bedroefd zag ook niet
-zijn pleizier van deze dag erbij inschieten? Hij houdt zooveel van je!”
-</p>
-<p>„Maar, mama, ik vind juist dat ik nu alles weten moet, voordat de eigenlijke dag begint.…
-Anders zou ik er de heele dag aan denken, en dat zou me juist ontstemmen.”
-</p>
-<p>Larsen stond gewoonlijk tegen acht uur op. Het late werken maakte dit voor hem noodzakelijk.
-De morgen-wandelaarsters in de tuin hadden dus nog ruim een uur vóor zich.
-</p>
-<p>„Je hebt eigenlijk gelijk, kind,” ging de oudere voort. „’t Zal mij ook een verlichting
-zijn, als voor jou alles opgehelderd is.”
-</p>
-<p>Ze zocht naar haar woorden. Hoe kon ze toch de vreeselijke waarheid in de zachtste
-vorm, op de minst kwetsende wijze aan dat teedere gemoed en dat jeugdige verstand
-meedeelen, hoe de groote liefde en hoogachting, die zij Larsen toedroeg, en die van
-zijn kind, voor hem ’t zorgvuldigst in overeenstemming houden met Didi’s vertrouwen
-in haar? Liep ze niet de kans dat de schok te hevig zou blijken te zijn? Dat vertrouwen
-van Larsen’s kind was haar zulk een schat, ’t was haar zulk een heerlijke voldoening
-<span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span>dag aan dag te ondervinden, hoe volkomen zij de plaats eener moeder innam voor ’t
-aanhankelijke, liefde-behoevende jonge meisje! ’t Was haar zulk een bron van telkens
-wederkeerende vreugde te zien, hoe de man die zij liefhad en vereerde zich gelukkig
-voelde in haar innig-hartelijke verstandhouding tot zijn oogappel, hoe onder de wondere
-werking harer toewijding aan beiden, allengs de spoken der herinnering aan die donkerste
-dagen zijns levens geweken waren! O, ze dacht met ijzing terug aan die eerste jaren
-van haar huwelijksleven, toen, ondanks al haar zorgen, de schrikbeelden uit die tijd
-hardnekkig terugkwamen en hem soms dagen achtereen zijn rust benamen. Dan sprak hij
-nauwelijks een woord, verwaarloosde zijn lievelings-bezigheden, sloot zich op in zijn
-studeerkamer om zich over te geven aan somber broeden.… Ze had dat alles vooruit vermoed:
-haar liefde voor hem en zijn kind, haar grenzeloos medelijden hadden de taak blijmoedig
-aanvaard, om beiden het geluk te doen hervinden dat ze zoo wreed verloren hadden.
-Ze had oogenblikken gekend dat ze de wanhoop nabij was, dat die taak haar te zwaar
-scheen, doch haar geloof had haar telkens weer opgericht. En ze had overwonnen: in
-’t laatste jaar waren Larsen’s aanvallen van zwaarmoedigheid niet meer teruggekomen,
-nadat ze zich langzamerhand met grooter tusschenpoozen hadden vertoond.…
-<span class="pageNum" id="pb313">[<a href="#pb313">313</a>]</span></p>
-<p>Nog eenmaal dacht ze terug aan al de bizonderheden van ’t schrikkelijk treurspel,
-welks ontknooping nu vijf jaar geleden het gansche land met ontzetting had vervuld,
-aan ’t geruchtmakende proces, de dreigende veroordeeling, op zoo schitterende wijze
-bezworen door het pleidooi van Mr. David Zomer. ’t Was een wonderdaad van welsprekendheid
-geweest, dat pleidooi! O, ze kende ’t van buiten, ieder woord. En dan wat er aan voorafging:
-Larsen’s onverzettelijk, hardnekkig volharden in zijn zelf-beschuldiging, de onvermoeide
-overtuigings-gave, die zijn jonge vereerder had aangewend, om eindelijk die muur van
-tegenstand te breken, hoe levendig stond dat alles haar thans weer vóor de geest!
-</p>
-<p>Larsen had haar alles verteld in de tijd dat hij zich tot haar aangetrokken begon
-te voelen, en zijn eerlijke inborst hem gedwongen had tot openbaring van al wat haar
-geluk in de weg had kunnen staan wanneer zij ’t later onvoorbereid vernam, en zij
-niet meer terug kon. Veel was haar toen duidelijk geworden wat haar raadselachtig
-voorkwam in al wat ze over de groote zaak gelezen en gehoord had. ’t Pleidooi zelf
-had ze eerst na haar huwelijk gelezen. ’t Was toen ze te Amsterdam logeerde, en de
-jonge <span class="corr" id="xd31e4049" title="Bron: advokaat">advocaat</span> haar bezocht.… Hij had zich onmiddellijk na afloop der „<span lang="fr">cause célèbre</span>” daar gevestigd: ’t plan daartoe had reeds lang bij hem bestaan, doch de vrees <span class="pageNum" id="pb314">[<a href="#pb314">314</a>]</span>dat zijn verdere ontmoetingen met Larsen dezen telkens te veel aan al ’t doorleefde
-in die bange dagen zouden herinneren, en op die wijze nadeelig op zijn zielsrust zouden
-werken, deed hem de uitvoering van zijn voornemen verhaasten. Een overdruk van het
-pleidooi had de tweede mevrouw Larsen in haar kast liggen: ze had er de jonge <span class="corr" id="xd31e4057" title="Bron: advokaat">advocaat</span> om verzocht; want ze wilde het bezitten voor haarzelve en wellicht later ook voor
-het jonge meisje dat aan haar zorgen was toevertrouwd.
-</p>
-<p>Allerlei tooneelen, brokstukken uit de loop dier gebeurtenissen kwamen haar te binnen,
-zooals ze haar bij verschillende gelegenheden door Larsen zelf en tijdens haar ontmoeting
-met David Zomer waren verteld: diens herhaalde bezoeken aan ’t gesticht in Den Haag,
-waarheen Larsen weer teruggebracht was, de dag na het herstel uit zijn bezwijming
-bij de brand, zijn talentvolle, geduldige gesprekken daar met zijn vriend gehouden,
-het laatste gesprek vooral toen hij eindelijk de zege behaalde door zijn welsprekend
-treffen van dat éene gevoelige punt bij Larsen: de liefde voor zijn kind, en hij toestemming
-kreeg om als Larsen’s verdediger te mogen optreden; dan de moeite die Zomer zich gaf,
-om bewijzen bij elkaar te krijgen—Pietje’s „legkaart”, die gered was geworden met
-de bundel goed uit haar <span class="corr" id="xd31e4062" title="Bron: latafel">lâtafel</span>, waarmee ze zoo wanhopig op het stoeppaaltje van het buurhuis <span class="pageNum" id="pb315">[<a href="#pb315">315</a>]</span>gezeten had in de nacht van de brand, en Pietje’s wanhoop toen ze ’t stuk „’t lammenaardig
-ongelukspapier” af moest geven, en tegen „haar mevrouw” getuigenis moest afleggen
-vóor de rechter; het eerste wederzien van vader en dochter in haar moeder’s huis,
-na de vrijspraak, en nog zooveel meer.…
-</p>
-<p>Wat was haar leven innig saamgeweven geweest met al die gebeurtenissen, sinds het
-oogenblik dat de brand der buren angst en ontzetting gebracht had in ’t stille gezin
-van de weduwe Eldring—haar moeder! De in zichzelf gekeerde Berta, zich reeds oude
-vrijster voelend op haar dertigste jaar, verzoend met een leven van onthouding, vrome
-overpeinzing en obscure werkzaamheid ten goede—armenverpleging, Zondagschool, kostelooze
-lessen aan arme kinderen—was toen plotseling tot een ander leven ontwaakt: de offervaardige,
-toewijdende vrouw was in de plaats getreden van de bekrompen denkende en handelende
-oude juffer. Kort na zijn ontslag uit het gesticht was Larsen een bezoek komen brengen
-bij de Eldrings, en weldra was de omgang vrij gemeenzaam geworden. Hun huwelijk was
-voor haar en voor hem de ontsluiting van een nieuw leven.
-</p>
-<p>Alles was zoo goed gegaan, ze had zooveel zegen gehad op haar streven. Thans kwam
-deze laatste betrekkelijk kleine beproeving.
-</p>
-<p>Ze had er nu en dan aan gedacht, als Didi’s <span class="pageNum" id="pb316">[<a href="#pb316">316</a>]</span>ontwikkeling in haar voortgang sterker dan anders haar opmerkzaamheid trok. Niettemin
-zag ze er thans tegen op, was ’t haar alsof ze een beslissende stap in haar leven
-ging doen. Toch moèst het er eindelijk toe komen. Didi werd „groot” naar lichaam en
-geest. ’t Argelooze, onnadenkende kind, was een verstandig, schrander en scherpzinnig
-vrouwtje geworden: ’t was beter dat ze nu van haar beste vriendin de zuivere waarheid
-vernam, dan dat ze door eigen broeden over vage, vaak onzuivere herinneringen in verband
-met wat ze hier of daar hoorde of las tot een averechtsche voorstelling der feiten
-kwam, welke noodlottige gevolgen voor haar hebben kon.
-</p>
-<p>Didi zat vóor zich te kijken, geduldig afwachtende wat „mama” zeggen zou, en toch
-met popelend hart.
-</p>
-<p>„Nu?” vroeg ze na enkele minuten met allerliefste stem-interval, zacht en streelend.
-</p>
-<p>Mevrouw Larsen stond van de bank op.
-</p>
-<p>„Blijf hier even zitten,” zei ze, „’t is beter dat ik je iets laat lezen, dat ik boven
-bewaard heb. ’t Is zoo moeilijk je alles duidelijk en goed te zeggen.”
-</p>
-<p>En toen Didi eenigszins teleurgesteld keek, liet ze volgen:
-</p>
-<p>„Je mag daarom wel vragen doen. Zooveel als je wil, hoor. Maar dat zal misschien niet
-eens noodig zijn.” En ze stond op om naar ’t huis te gaan.
-</p>
-<p>De kleine gestalte der spreekster bewoog zich met <span class="pageNum" id="pb317">[<a href="#pb317">317</a>]</span>eigenaardige, schijnbaar driftige pasjes en wendinkjes door de tuin. Haar lichtblauw
-reform-morgenkleed dook op en verdween tusschen de struiken. Didi’s na-turende blik
-omsloot haar beeld met liefde.
-</p>
-<p>Binnen enkele minuten was ze terug. Ze had het stuk, het document dat het eenig geheim
-uitmaakte tusschen haar en haar man: het pleidooi van David Zomer.
-</p>
-<p>„Lees dat maar ’s aandachtig, kind.”
-</p>
-<p>Gretig nam het jonge meisje het geschrift aan. Mevrouw Larsen’s hand beefde even bij
-’t overreiken.
-</p>
-<p>Ze zette zich weer op de bank, hield Didi om ’t middel.
-</p>
-<p>Zeker tien minuten spraken beiden geen woord. De oudere der twee keek in gedachten
-verdiept vóor zich, op ’t witte duinzand van ’t pad.
-</p>
-<p>Toen ze even de blik opsloeg, zag ze dat het jonge meisje tranen in de oogen had,
-en dat haar lippen trilden.
-</p>
-<p>Nog zwegen beiden een poos. Mevrouw Larsen hervatte haar gepeins; Didi zuchtte nu
-en dan, soms zwaar, om op adem te komen, zoo gespannen was haar aandacht.
-</p>
-<p>„Mama,” hoorde de eerste opeens. Didi’s stem klonk gesmoord.… „Mama.…”
-</p>
-<p>„Ja, kind, wat is er?” vroeg de ander met innige belangstelling.
-<span class="pageNum" id="pb318">[<a href="#pb318">318</a>]</span></p>
-<p>„Heeft.…” haar stem stokte, „iedereen.… gehoord wat hier staat?”
-</p>
-<p>Mevrouw Larsen begreep dadelijk wat Didi bedoelde, toen ze even naar de bladzijde
-gekeken had: ’t was dat gedeelte van ’t pleidooi waarin de <span class="corr" id="xd31e4099" title="Bron: advokaat">advocaat</span> in schrille kleuren schilderde hoe Larsen ’t slachtoffer was geweest van jarenlang
-bedrog van de zijde van Paula.
-</p>
-<p>„Nee, zeker niet, mijn liefje,” antwoordde mevrouw Larsen, en streelde Didi’s wang.
-„Er was geen publiek bij toen ’t pleidooi uitgesproken werd: daar was voor gezorgd.
-Ikzelf wist niet hoe ’t geweest was, totdat meneer Zomer mij dat schriftuur gaf, na
-mijn trouwen met je vader.”
-</p>
-<p>Didi droogde de oogen, en hervatte de lezing van ’t stuk.
-</p>
-<p>Toen ze na veel zuchten, en telkens ophouden om zich de zakdoek aan de oogen te brengen,
-eindelijk de laatste woorden gelezen had, legde ze de brochure haastig naast zich
-neer op de bank, stond op, en verwijderde zich snel naar ’t achterdeel van de tuin.
-</p>
-<p>Mevrouw Larsen volgde haar onmiddellijk, vol ongerustheid. Ze haalde haar weldra in,
-en zag dat het jonge meisje ten prooi was aan de hevigste gemoedsbeweging. Zonder
-te schreien had haar fijn gezichtje zulk een vertrokken uitdrukking dat ze ervan schrok.
-<span class="pageNum" id="pb319">[<a href="#pb319">319</a>]</span></p>
-<p>Zelfverwijt, dat ze toegegeven had waar ze toch nog wel een dag had kunnen wachten,
-overstelpte haar. Als nu Larsen eens kwam.… Dan was ’t leed misschien niet te overzien.
-Ze keek op haar horloge: twintig minuten vóor acht. ’t Beste was dat ze Didi mee naar
-boven nam.
-</p>
-<p>’t Meisje liet zich gewillig meetroonen, zonder een woord.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Toen Larsen, stipt als altijd, om acht uur in de ontbijtkamer kwam, vond hij wel zijn
-vrouw, maar niet de jubilaris.
-</p>
-<p>„Waar is Didi?” vroeg hij verwonderd nadat hij zijn vrouw gekust had. „Moet ze al
-dat moois niet zien? Vrouwtje, wat heb jij je geweerd!”
-</p>
-<p>Bewonderend en met echte vreugde in de oogen liet Larsen zijn blik over de tafelversiering
-gaan. Er hingen ook bloemen over Didi’s stoel.
-</p>
-<p>„Zal ik ’s gaan kijken?” antwoordde mevrouw Larsen, en ze ging de deur uit, om naar
-Didi’s kamer te gaan.
-</p>
-<p>Toen dochter en stiefmoeder eenige oogenblikken later binnenkwamen, en de eerste haar
-vader tegemoet liep, om zijn liefkozing te ontvangen, bemerkte Larsen daarna vochtigheid
-aan zijn wang.
-</p>
-<p>„Hoe heb ik ’t nou met je? Huil je, <span class="corr" id="xd31e4121" title="Bron: kindje-lief">kindjelief</span>, en dat op je verjaardag?! Malle meid!.…”
-<span class="pageNum" id="pb320">[<a href="#pb320">320</a>]</span></p>
-<p>„Och, vader!” riep Didi eenigszins verlegen met een lachje door haar tranen heen.
-„Dat is een druppeltje water: ik heb me niet goed afgedroogd in de badkamer. Ondertusschen
-feliciteer je me niet eens! Dan zal ik ’t maar doen: ik feliciteer je wel met je jarige
-dochter.”
-</p>
-<p>Ze kuste hem nog eens op zijn ruig gelaat.
-</p>
-<p>Haar kus was nooit zoo hartelijk geweest.
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr id="ch1.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch2.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">15</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch3.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">24</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch4.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">42</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch5.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">57</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch6.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">86</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch7.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">97</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch8.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8">VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">113</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch9.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch9">IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">128</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch10.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch10">X.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">141</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch11.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch11">XI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">152</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch12.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch12">XII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">167</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch13.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch13">XIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">178</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch14.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch14">XIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">196</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch15.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch15">XV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">215</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch16.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch16">XVI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">223</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch17.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch17">XVII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">240</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch18.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch18">XVIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">256</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch19.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch19">XIX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">267</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch20.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch20">XX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">286</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch21.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle"><a href="#ch21">XXI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch21">306</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Heilige Banden</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Abraham Anthony Fokker (1862–1927)</td>
-<td>Info <span class="externalUrl">https://viaf.org/viaf/47819859/</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Aanmaakdatum bestand:</b></td>
-<td>2022-06-23 19:15:10 UTC</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1903</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2022-06-22 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e168">6</a></td>
-<td class="width40 bottom">als als</td>
-<td class="width40 bottom">als</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e176">6</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrouweleventjes</td>
-<td class="width40 bottom">vrouwenleventjes</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e201">8</a></td>
-<td class="width40 bottom">egelante</td>
-<td class="width40 bottom">elegante</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e223">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">lektuur</td>
-<td class="width40 bottom">lectuur</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e381">20</a>, <a class="pageref" href="#xd31e929">64</a>, <a class="pageref" href="#xd31e950">65</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1240">84</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1814">121</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2512">173</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3865">297</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3874">297</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4008">308</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e400">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">harstochtelijk</td>
-<td class="width40 bottom">hartstochtelijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e407">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e518">32</a></td>
-<td class="width40 bottom">vleiïng</td>
-<td class="width40 bottom">vleiing</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e535">33</a>, <a class="pageref" href="#xd31e948">65</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1030">70</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1186">82</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1253">84</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1755">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1810">121</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1838">122</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1845">122</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1878">125</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2489">172</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2677">190</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2927">215</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3188">236</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3684">283</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3709">285</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3849">296</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e589">38</a>, <a class="pageref" href="#xd31e621">40</a>, <a class="pageref" href="#xd31e823">57</a>, <a class="pageref" href="#xd31e828">58</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1006">69</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1399">93</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4049">313</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4057">314</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4099">318</a></td>
-<td class="width40 bottom">advokaat</td>
-<td class="width40 bottom">advocaat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e632">42</a></td>
-<td class="width40 bottom"> .</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e734">49</a></td>
-<td class="width40 bottom">onmo-lijkheid</td>
-<td class="width40 bottom">onmogelijkheid</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e756">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">naiever</td>
-<td class="width40 bottom">naïever</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e780">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">afgegeleden</td>
-<td class="width40 bottom">afgegleden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e800">55</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1751">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e835">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">stemmodulatiën</td>
-<td class="width40 bottom">stemmodulaties</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e849">60</a></td>
-<td class="width40 bottom">”.…</td>
-<td class="width40 bottom">.…”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e884">62</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1003">69</a></td>
-<td class="width40 bottom">jou</td>
-<td class="width40 bottom">jouw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1063">73</a></td>
-<td class="width40 bottom">aantrekkelijksheids-kapitaal</td>
-<td class="width40 bottom">aantrekkelijkheids-kapitaal</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1191">82</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1199">82</a></td>
-<td class="width40 bottom">niet</td>
-<td class="width40 bottom">niets</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1295">87</a></td>
-<td class="width40 bottom">overeenigbaarheid</td>
-<td class="width40 bottom">onvereenigbaarheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1331">89</a></td>
-<td class="width40 bottom">allebei</td>
-<td class="width40 bottom">allebeî</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1342">90</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2787">201</a></td>
-<td class="width40 bottom">hij hij</td>
-<td class="width40 bottom">hij</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1381">92</a></td>
-<td class="width40 bottom">ben</td>
-<td class="width40 bottom">bent</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1395">93</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.…</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1638">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">had</td>
-<td class="width40 bottom">hadt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1771">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">aan aan</td>
-<td class="width40 bottom">aan</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1774">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">eeinge</td>
-<td class="width40 bottom">eenige</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1863">124</a></td>
-<td class="width40 bottom">domine</td>
-<td class="width40 bottom">dominé</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1885">125</a></td>
-<td class="width40 bottom">ik ik</td>
-<td class="width40 bottom">ik</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1888">125</a></td>
-<td class="width40 bottom">te te</td>
-<td class="width40 bottom">te</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1917">126</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3038">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1927">127</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1987">131</a></td>
-<td class="width40 bottom">vin</td>
-<td class="width40 bottom">vin’</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2200">147</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">het </td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2392">163</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3069">225</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3208">238</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3215">238</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3309">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">patient</td>
-<td class="width40 bottom">patiënt</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2479">171</a></td>
-<td class="width40 bottom">komedie-spel</td>
-<td class="width40 bottom">komediespel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2602">185</a></td>
-<td class="width40 bottom">onbeteekend</td>
-<td class="width40 bottom">onbeteekenend</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2658">189</a></td>
-<td class="width40 bottom">”,</td>
-<td class="width40 bottom">,”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2721">193</a></td>
-<td class="width40 bottom">gadeslagen</td>
-<td class="width40 bottom">gadegeslagen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2826">203</a></td>
-<td class="width40 bottom">spelde</td>
-<td class="width40 bottom">speldde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2879">210</a></td>
-<td class="width40 bottom">fraaiïgheid</td>
-<td class="width40 bottom">fraaiigheid</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2902">212</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">a me </td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2931">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3151">233</a></td>
-<td class="width40 bottom">kopere</td>
-<td class="width40 bottom">koperen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3176">234</a></td>
-<td class="width40 bottom">Van </td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3314">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">patienten</td>
-<td class="width40 bottom">patiënten</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3319">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">schifte</td>
-<td class="width40 bottom">schiftte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3324">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">zelf bedwang</td>
-<td class="width40 bottom">zelfbedwang</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3327">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">krachts-inspanning</td>
-<td class="width40 bottom">krachtsinspanning</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3335">251</a></td>
-<td class="width40 bottom">mede-patienten</td>
-<td class="width40 bottom">mede-patiënten</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3364">254</a></td>
-<td class="width40 bottom">stem-modulaties</td>
-<td class="width40 bottom">stemmodulaties</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3472">265</a></td>
-<td class="width40 bottom">waarnemings-vermogen</td>
-<td class="width40 bottom">waarnemingsvermogen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3820">294</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorwandelen</td>
-<td class="width40 bottom">voortwandelen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3835">295</a></td>
-<td class="width40 bottom">vind’</td>
-<td class="width40 bottom">vin’</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3859">297</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3908">300</a></td>
-<td class="width40 bottom">krankzinnigen-gesticht</td>
-<td class="width40 bottom">krankzinnigengesticht</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4062">314</a></td>
-<td class="width40 bottom">latafel</td>
-<td class="width40 bottom">lâtafel</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4121">319</a></td>
-<td class="width40 bottom">kindje-lief</td>
-<td class="width40 bottom">kindjelief</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>HEILIGE BANDEN</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/68381-h/images/new-cover.jpg b/old/68381-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 7632dd0..0000000
--- a/old/68381-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68381-h/images/titlepage.png b/old/68381-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 00fb7a6..0000000
--- a/old/68381-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ