diff options
52 files changed, 17 insertions, 11986 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..5c7d52e --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #54227 (https://www.gutenberg.org/ebooks/54227) diff --git a/old/54227-8.txt b/old/54227-8.txt deleted file mode 100644 index ce19032..0000000 --- a/old/54227-8.txt +++ /dev/null @@ -1,4071 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De afstamming van den mensch, by J. Boeke - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De afstamming van den mensch - Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt - -Author: J. Boeke - -Release Date: February 23, 2017 [EBook #54227] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - - PROF. DR. J. BOEKE - - DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH - - MET 27 TEKSTFIGUREN, REGISTER EN EENIGE VERKLARINGEN - - WERELDBIBLIOTHEEK - - - - - - - - - DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH - - - Aan de nagedachtenis van mijn vader zij dit - boekje in eerbiedige herinnering opgedragen door - - DEN SCHRIJVER. - - - - - - - - - Dit werk maakt een onderdeel uit van onze - serie ENCYCLOPAEDIE in MONOGRAFIEËN - - - - - - - - -VOORWOORD - - -Dit boekje vindt zijn oorsprong in een reeks van voordrachten over het -afstammingsvraagstuk, in den winter 1912-13 in "Ons Huis" in Rotterdam -gehouden. Op verzoek van den uitgever heb ik ze iets omgewerkt -en er een aaneengesloten geheel van gemaakt. Men zoeke er geen -wetenschappelijk betoog in. De vakman zal er wellicht veel in missen, -wat hem belangrijk voorkwam. Mijn doel bij het schrijven van dit werkje -was slechts, een voor den ontwikkelden leek begrijpelijk overzicht -te geven van wat men tegenwoordig onder het afstammingsvraagstuk -verstaat, van de feiten, die men heeft kunnen verzamelen en de -theorieën, die men aan die feiten heeft vastgeknoopt. Mijn streven -was, niet, zooals zoo dikwijls in populaire geschriften juist over -dit vraagstuk geschiedt, een volledig geconstrueerd beeld te geven -van de afstamming van den mensch, zooals de schrijver van zulk een -boekje zich die toevallig denkt, maar te laten zien, hoe weinig men er -eigenlijk aan positieve feiten over weet, en welke beschouwingen zich -aan die weinige feiten laten vastknoopen. Het boekje moge daardoor -aan samenhang en duidelijkheid verloren hebben, aan eerlijkheid heeft -het er wellicht door gewonnen. - - -Leiden, Augustus 1913. J. BOEKE. - - - - - - - - -I ONTWIKKELINGSGANG DER LEVENDE NATUUR - - - "Jedes sein wird nur durch sein werden erkannt." [1] - - Haeckel. - - -Wanneer wij de natuur om ons heen aandachtig beschouwen, en ons -rekenschap geven van hetgeen hare verschillende elementen, hare -bergreeksen, ravijnen en bergmeren, hare lage landen, hare wouden, -zandvlakten, zeeën, koraalriffen, ons te zeggen hebben, dan ontrolt -zich voor ons een beeld van immer wisselende verandering, van worden -en vergaan, van ontplooiing, van evolutie, een beeld dat ons met diep -ontzag vervult voor de geweldige natuurkrachten, die deze veranderingen -tot stand brengen en beheerschen. Wij zien, hoe bergreeksen zich -verheffen door rimpeling van het aardoppervlak om de door afkoeling -kleiner wordende kern, hoe tengevolge van plaatselijke langzame daling -van den bodem geheele landstreken weder door water worden bedekt, -hoe geheele bergtoppen door de zwaarte van daaroverheen schuivende -gletschers worden af geslepen, hoe diepe dalen door de waterstroomen -allengs worden uitgegraven en de afgeslepen slib elders als langzaam -verhardende klei- en steenlagen wordt afgezet. - -Met die veranderingen van de aarde zelf, die zich over een -bijna oneindig schijnend geweldig lang tijdsverloop uitstrekken, -en die men naar aanleiding van bepaalde, sterk op den voorgrond -tredende veranderingen in bepaalde tijdperken, "perioden," pleegt -te verdeelen, gaan nu wisselingen van het klimaat en van de dieren- -en plantenwereld hand in hand. En zoo kan men ook in de wereld der -levende wezens bepaalde tijdperken of perioden onderscheiden, waarbij -in elk dergelijk tijdperk van ontwikkeling een eigenaardig karakter -van de flora en fauna op den voorgrond treedt, het bepaalt. - -Zeer in het kort [2] kan men dezen geheelen ontwikkelingsgang als -volgt schetsen: nadat de aarde door langzame afkoeling een vaste -harde steenkorst aan hare oppervlakte had gevormd, nadat na verdere -geleidelijke afkoeling zich op die vaste korst water had gevormd en -dit eene temperatuur verkregen had, waarbij het leven mogelijk was, -ontstonden de eerste levende wezens, op de grens van planten- en -dierenrijk staande. Men moet ten minste wel aannemen, dat het leven -bij zijn ontstaan aan dergelijke vormen gebonden was, waar men ziet, -dat de eerste levende wezens, die uit die alleroudste perioden hunne -sporen in versteeningen hebben achtergelaten, uiterst kleine eencellige -organismen [3] zijn. Hoe deze eerste levende wezens zijn ontstaan, -is ons, dit zij hier terloops opgemerkt, nog volkomen een raadsel, -en het zal dit wel altijd voor ons blijven. Waar het levensbeginsel -zelf, de ondoorgrondelijke, eeuwige, goddelijke drang in de natuur, -die tot evolutie, tot ontplooien van alle krachten, tot aanpassen, -tot strijden, tot instandhouding en volmaken van de soort dwingt, -voor ons steeds ondoorgrondelijk zal blijven, waar dit buiten het -bereik der wetenschap ligt, daar zal de vraag, hoe, op welke wijze -dat leven ontstaan is, eveneens een niet op te lossen raadsel blijven, -waartegenover wij machteloos staan. - -Maar wel zullen wij de overblijfselen van de eenmaal gevormde -organismen, zoo zij in de aardlagen zijn bewaard, kunnen herkennen, -en kunnen vaststellen, wanneer en in welken vorm die levende wezens -zich voor het eerst op aarde hebben vertoond, en hoe zij zich in -daaropvolgende perioden der aardontwikkeling hebben voorgedaan. En -zijn zij nu eenmaal opgetreden, dan zien wij hen wel al direct -in een aantal vormen van uiteenloopende gedaante en groepeering, -doch tevens, naar mate wij jongere formaties nagaan, in hoe langer -hoe volkomener vorm, in hoe langer hoe meer wisselende gedaante en -veelzijdige ontwikkeling, steeds meer doelmatig en beter toegerust -voor den strijd om het bestaan, zich vertoonen. - -En wij zien dan tevens, hoe, al gaat bij de regelmatig voortgaande -afkoeling van onze planeet ook de ontwikkeling van de aarde steeds -haren geleidelijken, rustigen, geregelden gang, toch bepaalde -veranderingen van de aardkorst met zeer bepaalde en over de geheele -aarde optredende veranderingen van de planten- en dierenwereld -samengaan, zoodat de straks reeds genoemde tijdperken kunnen worden -onderscheiden, waarin het karakter van het aardoppervlak, de planten -die het bedekten, de dieren die er zich op bewogen, scherp omschreven -eigenaardige kenmerken vertoonden. Dit leeren ons de versteende en in -dien vorm bewaard gebleven overblijfselen van dieren en planten uit -die verschillende perioden, en zoo algemeen, zoo overal wederkeerend -is dit verschijnsel, zoo zeker vinden wij altijd de overblijfselen -van dezelfde vormen in aardlagen en gesteenten van een bepaalde, -zelfde periode ingesloten, dat wij aan den anderen kant juist de -aanwezigheid van bepaalde versteeningen, de zoogenaamde "gidsfossielen" -in de een of andere aardlaag of in een of ander gesteente gebruiken -om daaruit den vermoedelijken ouderdom van die aardlaag of gesteenten -te kunnen berekenen. - -In die aardlagen, die tot harden steen saamgeperste massa's, -zien wij nu de overblijfselen van dieren en planten steeds hooger -georganiseerd, steeds meer samengesteld van bouw worden, naarmate -jongere formaties worden onderzocht. Op de oudste steenlagen der -azoïsche periode, waarin wij nog geen met zekerheid als zoodanig -herkenbare sporen van levende wezens kunnen aantoonen--al is het -ook zeker, dat er toen reeds leven op aarde, zoowel in het water als -in de toen bestaande, uit de sedimentaire afzettingen dier perioden -herkenbare landformaties bestond [4]--volgen in langzamen overgang de -oudste lagen der palaeozoïsche periode, zooals in de eerste plaats het -cambrium met zijne overblijfselen van laag georganiseerde ongewervelde -dieren, zijn zeewieren, zijn rijkdom aan in groote vormverscheidenheid -optredende maar over het algemeen nog slechts tot een geringen graad -van ontwikkeling gekomen waterbewoners en ongewervelde landdieren, -dan het silurium met de eerste sporen van visschen (van hooger -georganiseerde gewervelde waterdieren dus) en zijne reeds door tot -verschillende groepen behoorende ongewervelde landdieren gekenmerkte -uitgebreide vastelandformaties, en het steenkolentijdperk met zijn -verdere landvorming, zijn uiterst weelderigen plantengroei, uit welk -tijdperk de als steenkolen bekende afzettingen getuigenis afleggen -van de uiterst rijke verscheidenheid van vormen, zoo van dieren als -planten, die toen ter tijde de aarde bevolkten, en van het warme, -tropische klimaat, dat gedurende dat tijdperk van ontwikkeling over -de geheele aarde (ook in de poolstreken zijn steenkoolbeddingen met -overblijfselen van tropische planten gevonden) heerschte. Met het -steenkolentijdperk, waarin de varens, de wolfsklauwachtige planten, de -vaatkryptogamen, hun hoogste ontwikkeling bereikten, en in reusachtige -vormen en dichte wouden de aarde bedekten, eindigt het palaeozoïcum. - -Terwijl de aarde geleidelijk afkoelt, de temperatuur lager, het -klimaat minder tropisch wordt, terwijl het water meer en meer voor -groote vastelanden plaats maakt, verandert in aansluiting hieraan ook -weer het karakter van dieren- en plantenwereld. Na het palaeozoïcum -onderscheiden wij de tweede periode, het mesozoicum, de "middeleeuwen" -van de ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur. In verband met -de vorming der groote vastelanden, zien we de landfauna vooral zich -sterk ontwikkelen. Landslakken, op het land levende gelede dieren, -laagstaande viervoetige gewervelde dieren worden in de steenlagen -dezer periode aangetroffen naast overblijfselen van naaldboomen, -sagopalmen enz.; in dit tijdperk bereiken de kruipende dieren, de -reptielen, de hagedisachtigen, hun hoogste ontwikkeling, en worden -in de reusachtige vormen (brontosaurus bijv.) aangetroffen, die ieder -wel uit afbeeldingen of uit hun kolossale geraamten in verschillende -musea kent. Naast deze reusachtige hagedisachtige dieren, die toen -de aarde bevolkten, zien wij in de tweede aardperiode de eerste -sporen van zoogdieren optreden en ook de eerste vogels zien wij, -in nog sterk aan de kruipende dieren herinnerende vormen, verschijnen. - -Doch eerst in de afzettingen uit de derde periode, het tertiaire -tijdperk, het neozoicum, de periode, die het begin van den nieuwen -tijd in de geschiedenis der natuur inaugureert, zien wij de -overblijfselen van zoogdieren in een groote verscheidenheid van -groepen en soorten uit de hen omhullende steen- en zandlagen te -voorschijn treden, zien wij op de palmen, de varens, de naaldboomen -en de reusachtige sauriërs der tweede periode volgen de loofplanten -en de hoogere palmen, de groote zoogdieren in hun hoogste ontwikkeling -en verscheidenheid,--zien wij ook de vastelanden, de werelddeelen der -mesozoische periode, door toenemende schrompeling en rimpeling van -het langzaam afkoelende aardoppervlak gedeeltelijk weder onder den -zeespiegel verdwijnen, om plaats te maken voor nieuwe werelddeelen, -voor een nieuwe verdeeling van land en water, totdat langzamerhand de -aardoppervlakte het uiterlijk verkrijgt, zooals wij dat in den tijd, -waarin wij nu leven, kennen. - -Aan het einde dier derde geologische periode, bij den overgang naar -de laatste periode, de vierde, die waarin wij nu nog leven, zien -wij nu een juist voor de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch -uiterst merkwaardig tijdperk komen, dat der postpliocaene ijstijden, -of in het kort samengevat, den ijstijd, de glaciale periode. - -Over dezen term "postpliocaene ijstijden", even een enkel woord. - -Zooals later nog wel ter sprake zal komen, heeft men in den laatsten -tijd duidelijke sporen kunnen vinden van sterke afkoelingsperioden -uit een veel vroeger geologisch tijdperk, na het steenkolentijdperk, -waarbij het in sommige streken ook reeds tot het vormen van ijs moet -gekomen zijn. Vandaar dat hier niet, zooals men placht te doen, van -"de ijstijd", maar van den postpliocaenen ijstijd gesproken wordt. - -Over de geheele aarde wordt de gemiddelde temperatuur lager, worden -de winters langer en strenger, de zomers korter, tot zich, van de -poolstreken uit, de alle leven vernietigende ijskorst verder en -verder naar het Zuiden, dieper en dieper van de hooge bergen tot in -de minder koude dalen afdalende, uitbreidt. Zoo wordt het grootste -gedeelte van Noord- en West-Europa met dikke, soms kilometerdikke -ijsmassa's bedekt. Slechts de zuidelijke streken, vooral Zuid- en -West-Frankrijk en België blijven vrij (men vergelijke het kaartje -van Fig. 1); wij zullen later zien, van hoeveel belang dit voor de -ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch is geweest. - -Men moet volstrekt niet denken, dat deze afkoeling zich tot Europa -alleen beperkte, evenmin als wij den gang van zaken ons zoo moeten -voorstellen, dat zich aan het einde der tertiaire periode voor -het eerst een dergelijke afkoeling van het oppervlak der aarde -vertoonde. Neen, waarschijnlijk keeren dergelijke afkoelingen van -de aarde (vermoedelijk tengevolge van astronomische oorzaken) na -geregelde tusschenpoozen van ongeveer 50.000 jaar weder terug, en -wij zien alleen den eersten meer algemeenen ijstijd aan het einde -der tertiaire periode optreden, omdat toen eerst de aarde voldoende -was afgekoeld, om het mogelijk te maken dat de geringe daling van de -gemiddelde jaartemperatuur tot het vormen van een ijskorst van groote -uitgebreidheid leiden kon. Zooals reeds werd opgemerkt, heeft men in -den laatsten tijd kunnen vaststellen, dat ook reeds bij een vorige -afkoelingsperiode in sommige streken van de aarde ijsvorming moet -hebben plaatsgevonden. Het is echter juist deze afkoelingsperiode -bij het begin van het vierde tijdperk, die voor Europa en hare -bewoners, voor de ontwikkeling van het menschelijk geslacht in -het algemeen, van zoo overwegend belang is geweest. Vandaar, -dat juist deze groote afkoelingsperiode hier ter sprake gebracht -wordt. Na dien eersten "ijstijd" volgen die afkoelingsperioden, -waarbij de temperatuur tot beneden het vriespunt daalt, dan ook -verder regelmatig elkander op. Vermoedelijk zijn reeds drie of -meer dergelijke "ijstijden" verloopen, en leven wij nu zoo ongeveer -tusschen twee afkoelingsperioden in. Tot eenheid over deze vraag is -men echter nog lang niet gekomen. Terwijl de meeste geologen op het -voetspoor van Penck minstens 3 ijstijden met daartusschen liggende -"interglaciale perioden" aannemen, en van een glaciaalphase van -Günz, Mindel, Riss, Würm, spreken, meenen andere geologen van naam, -dat de eigenaardigheden van den bouw, de ligging en de uitbreiding -der moraenen en zwerfblokken, waaruit deze gegevens worden geput, -wel op plaatselijke schommelingen van den sneeuwgrens wijzen, doch -niet op zulke uitgebreide, algemeene temperatuurschommelingen, die -zich over het geheele aardoppervlak uitstrekken, behoeven te wijzen, -dat men daaruit het bestaan van een aantal werkelijke "ijstijden" mag -afleiden. Hoe dit zij, meer locale (zich bijvoorbeeld slechts over een -gedeelte van Europa kenbaar makende) schommelingen in de gemiddelde -temperatuur, en daarmede van de sneeuwgrens, schommelingen zeer zeker -van zeer langen duur en geleidelijken overgang, kan men toch wel met -zekerheid aannemen. En dat is voor het ons hier bezighoudende probleem, -zooals wij later zullen zien, voldoende. - -Wat de eerste vraag betreft, men heeft zoowel in Afrika, Amerika, -Australië en Azië, zoo goed als in Europa zelf, duidelijke sporen -van vroegere gletschervormingen gevonden, zelfs reeds uit zeer veel -vroegeren tijd, die er op wijzen dat ook daar de afkoelingsperiode -een "ijstijd," d. w. z. een sterke daling van de sneeuwgrens, deed -ontstaan, al bleef deze in de warme streken natuurlijk alleen tot de -hooger gelegen bergstreken beperkt. - -In de tertiaire periode zagen wij reeds de zoogdieren in steeds hooger -georganiseerde vormen optreden, terwijl onder de planten eveneens de -hoogst ontwikkelde vormen, de loofboomen, de aarde bedekten. Naarmate -wij nu de steenlagen uit de latere gedeelten der tertiaire periode -onderzoeken, blijken de overblijfselen van de planten en dieren, -die daarin bewaard gebleven zijn, steeds meer te gaan gelijken op de -dieren en planten, die in den tegenwoordigen tijd leven. - -Terwijl talrijke lagere planten en dieren in het laatste gedeelte der -tertiaire periode in dezelfde soortvormen voorkwamen als die, welke wij -nog thans op onze aarde levend aantreffen, zien wij, ook wat de hooger -georganiseerde planten en dieren betreft, een steeds grooter wordende -overeenkomst met de flora en de fauna van den tegenwoordigen tijd. Bij -den overgang van de tertiaire in de quartaire periode, het diluvium, -nemen de hoogst ontwikkelde vormen onder de planten en dieren in aantal -en in verbreiding over verschillende streken van de aarde toe, zien -wij steeds hooger gespecialiseerde vormen van zoogdieren optreden, -krijgt de levende natuur langzamerhand meer en meer het karakter, -dat zij in den tegenwoordigen tijd vertoont. - -Zoo zien wij dus, hoe in het ontzaglijk lange tijdsverloop, dat achter -ons ligt, sinds het eerste leven zich op onze aarde openbaarde, -een tijdsverloop, niet met duizenden, doch met millioenen jaren te -berekenen, de dieren- en plantenwereld zich langzaam en geleidelijk -ontwikkelt. Hooger georganiseerde, meer samengesteld gebouwde vormen -treden op, worden eerst in enkele vormen op bepaalde plaatsen gevonden, -verkrijgen langzamerhand een grootere verspreiding, ontwikkelen -zich, treden op in talrijke, steeds meer gespecialiseerde soorten, -bereiken een hoogtepunt hunner ontwikkeling en specialisatie en sterven -langzamerhand uit. Andere dier- of plantvormen nemen hun plaats in, en -vertoonen dezelfde verschijnselen. Overal wisseling, sterke aanpassing -aan bepaalde levensverhoudingen, ook weder achteruitgang, doch alles -te zamen genomen een onbedwingbaar, rusteloos voortgaand streven naar -vooruitgang, naar hoogere organisatie, naar beter toegerust zijn voor -den strijd om het bestaan. - -Niet door op elkaar volgende scheppingen van telkens andere dier- -en plantvormen, doch door geleidelijke ontwikkeling, door evolutie, -door een geregeld zich aanpassen aan de veranderlijke uitwendige -omstandigheden, zien wij de zoo groote verscheidenheid van levensvormen -gedurende den langen ontwikkelingsgang van onze aarde ontstaan. - -Dat leert ons de palaeontologie, dat leert ons nu ook de -ontwikkelingsgeschiedenis der nu levende plant- en diervormen, -d. w. z. de leer van den gang van het proces van vorming van een of -ander dier of plant, beginnende bij de bevruchte eicel, en eindigende -op het tijdstip dat het dier geboren wordt, of de plant zijn vollen -wasdom heeft bereikt. - -Elk dier moet, bij het zich vormen uit de zoo uiterst eenvoudig -gebouwde bevruchte eicel, een bepaalde ontwikkeling doormaken, -voor het den vorm van het volwassen dier, den vorm van zijne ouders -en soortgenooten, heeft bereikt. En het is uiterst merkwaardig, -dat wij bij dien ontwikkelingsgang van het individu, voortdurend -verschijnselen zien optreden, die ons herinneren aan bepaalde vormen, -door een der voorvaderen van dat bepaalde dier in de lange reeks der -in vroegere perioden door die bepaalde diersoort doorloopen vormen -gedragen. Elk embryo beklimt, zooals men het wel eens fantastisch -uitdrukt, bij zijn ontwikkeling zijn eigen stamboom, d. w. z. de -ontwikkeling van elk individu is een wedergave in gedrongen vorm -van de gradueele veranderingen, gedurende de ontwikkeling van die -bepaalde diersoort of dien bepaalden diertypus, waarvan het individu -de eindvorm is, in den loop der duizenden jaren doorgemaakt, slechts -min of meer "vervalscht" door directe aanpassing van het embryo aan -een nieuwe omgeving, zooals bijvoorbeeld van het zoogdier-embryo -aan het hem beschuttend en voedend orgaan van het moederlichaam, -in tegenstelling met het embryo van een eierleggend dier, dat bij -zijn ontwikkeling is aangewezen op het voedsel en de beschutting, -die bij het leggen aan het ei werden medegegeven. - -Reeds hieruit zou men, afgezien van de door de vergelijkende anatomie -aan het licht gebrachte feiten, tot het begrip der evolutie moeten -besluiten. Hetzelfde leert ons, zooals ik reeds aangaf, het onderzoek -der overblijfselen van fossiele dieren en planten uit vroegere -tijdperken, de palæontologie. Het zou mij veel te ver voeren, hier -nader op in te gaan. Slechts wil ik bij één verschijnsel nog iets -langer stilstaan, daar dit van uiterst groot belang is voor het -probleem, dat ons in de volgende hoofdstukken zal bezighouden. - -Dat is een verschijnsel, waarvan een Belgisch geleerde, -Prof. Dollo, het eerst de algemeenheid en het groote belang -aantoonde, en dat hem ter eere meestal als de "wet van Dollo" wordt -aangeduid. Hieronder verstaat men het volgende: heeft zich in den -loop van het evolutieproces een diergroep sterk in een bepaalde -richting gespecialiseerd, zooals bijvoorbeeld de groote groep van de -vleermuizen, bij wie de voorste ledematen zeer sterk zijn uitgegroeid -en veranderd, zoodat zij als vleugels konden worden gebruikt, dan kan -bij verandering van levenswijs of van de omstandigheden, waaronder -de nakomelingen zich bevinden, deze specialisatie niet weer verloren -gaan in dien zin, dat de oorspronkelijke vorm der voorste ledematen -weer opnieuw zou optreden. Evenmin keert een in den loop van de -ontwikkeling van een soort verloren gegaan of rudimentair geworden -orgaan ooit weer tot denzelfden oorspronkelijken vorm terug, als de -omstandigheden waaronder de nakomelingen van die bepaalde soort zich -bij hunne verdere evolutie bevinden, een sterkere ontwikkeling van -dat orgaan zouden wenschelijk maken. Er wordt dan óf een ander orgaan -tot ontwikkeling gebracht, dat 't eerste vervangt, óf wel de soort, -die zich niet kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden, sterft -uit. Zooals het door Dollo werd uitgedrukt: "de ontwikkeling is een -niet omkeerbaar proces." Volgens deze wet kunnen dus diersoorten, -die zich in een bepaalde richting, in aanpassing aan een bepaalde -levenswijze, sterk hebben gespecialiseerd, nooit de voorvaderen zijn -van diersoorten, die in datzelfde opzicht minder sterk gespecialiseerd -zijn. Wel echter kan het omgekeerde het geval zijn. - -Hetzelfde verschijnsel, waarvan de algemeenheid door Dollo aan -een reeks van zeer duidelijke en sprekende voorbeelden werd -bewezen, wijst ons nu den weg, wanneer wij met een zoogenaamde -"specialisatie-kruising" (chevauchement des spécialisations van Dollo) -te doen hebben. Als van twee diergroepen of diersoorten (A en B) de -eene soort in één opzicht, bijv. in den bouw der ledematen, sterker -gespecialiseerd is dan de andere, in een ander opzicht, bijv. in den -bouw van het gebit, evenwel meer primitieve verhoudingen vertoont, -terwijl verder in het algemeen de twee groepen of soorten zoo zeer -op elkaar gelijken, dat men geneigd zou zijn, de eene soort als de -stamvader van den andere te beschouwen, dan kan men op grond van -de wet van Dollo dit laatste met zekerheid uitsluiten en hoogstens -zeggen dat beide groepen of soorten een gemeenschappelijken voorvader -moeten hebben gehad, waaruit zij zich beide in verschillende richtingen -hebben ontwikkeld. - -Wij zullen later zien, van hoe groot belang dit verschijnsel is voor -het probleem, waarmede wij ons in de volgende hoofdstukken zullen -bezighouden. - - -TABEL I. OVERZICHT DER GEOLOGISCHE PERIODEN. - -I. Archaeische (Azoïsche) periode, over het algemeen geen fossielen - bekend, doch ongetwijfeld reeds leven op aarde aanwezig. - -II. Palaeozoische (primaire) periode { Silurische periode. - (het zoogenaamde Eerste levenstijdperk) { Devonische periode. - { Steenkolen periode. - { Permische periode. - -III. Mesozoische (secundaire) periode { Trias periode. - (Tweede levenstijdperk) { Jura periode. - { Krijt periode. - -IV. Neozoische (tertiaire) periode { Eocaene periode. - (Derde levenstijdperk) { Oligocaene periode. - { Miocaene periode. - { Pliocaene periode. - -V. Quaternaire (quartaire) periode { Pleistocaene periode. - (Vierde levenstijdperk) { (palaeolithicum) - { oud-steenen tijdperk. - { Holocaene periode - { (neolithicum - { bronstijdperk - { ijzertijdperk - { geschiedkundig - { tijdperk.) - - - - - - - - -II DE PLAATS VAN DEN MENSCH IN DIT ONTWIKKELINGSPROCES - - - "Man still bears in his bodily frame the indelible - stamp of his lowly origin." [5] - - Darwin. - - -Staat de mensch nu buiten dit evolutieproces? Of moeten wij ook hem een -plaats in het geheel aanwijzen, waarvoor dezelfde wetten gelden die de -ontwikkeling van het dieren- en plantenrijk hebben beheerscht? En zoo -dit laatste als juist wordt aangenomen, welke zal dan die plaats zijn? - -Wij naderen hier een gebied, dat tot de meest doorwerkte doch ook tot -de felst omstreden gebieden behoort, welke de denkende menschelijke -geest heeft trachten te ontginnen. Immers hier kwam de moderne -bioloog ten slotte in open conflict met de oude anthropocentrische -wereldbeschouwingen, met de mozaïsche scheppingsverhalen, met zoo veel -van wat door alle eeuwen heen voor waar en heilig werd gehouden. Nu -is langzamerhand in den loop der jaren de strijd wel minder heftig -geworden en heeft men leeren inzien, dat een vast geloof in de -geestelijke waarde van den mensch gepaard kan gaan met de overtuiging, -dat de mensch zich, als een integreerend deel van de dierenwereld, -uit die dierenwereld heeft ontwikkeld, heeft losgemaakt, en dat een -diep godsdienstig gevoel samen kan gaan met een geloof in de idee der -evolutie, ook wat den mensch betreft, doch men houdt toch nog maar -al te dikwijls aan een afzonderlijk staande plaats van den mensch in -de schepping vast, ook daar waar de evolutie voor het dierenrijk als -een juist beginsel wordt erkend. - -Voor den denkenden bioloog, die steeds er naar streeft, te trachten de -dingen om hem heen objectief te beschouwen, ze op hun juiste waarde te -schatten, en zich streng aan datgene te houden wat binnen de grenzen -van zijn waarnemingsvermogen, van zijn wetenschap valt, die steeds -zooveel mogelijk zich rekenschap tracht te geven van den samenhang -van de verschillende feiten, die hij leert kennen, is mijns inziens -slechts één antwoord op de bovengestelde vraag mogelijk, n. l. dat -ook de mensch één is met de levende wereld om hem heen, daarvan een -integreerend deel uitmaakt, en dat ook aan den mensch een plaats in dit -voor de dieren- en plantenwereld geschetste evolutie-proces toekomt. - -Deze overtuiging wordt ons onafwijsbaar opgedrongen door hetgeen -drie takken van de morphologische wetenschap ons leeren, de -palaeontologie, de leer der fossielen, de vergelijkende ontleedkunde -en de ontwikkelingsgeschiedenis. - -Wat ons de palaeontologie omtrent het probleem van de afstamming -van den mensch leert, zullen wij in de volgende hoofdstukken nader -uiteenzetten. Wat de beide andere wetenschappen ons leeren, zij hier -kort vermeld. - -Als wij de groote verschillen in aanmerking nemen, die bijv. tusschen -de verschillende zoogdiersoorten bestaan, dan kan het ons niet -verwonderen, dat zelfs tusschen de hoogst ontwikkelde zoogdieren en -den mensch nog een aantal verschillen in bouw bestaan, al zijn ook de -hoofdlijnen van den bouw bij beide dezelfde. Als wij van dit standpunt -uit den bouw van het menschelijk lichaam beschouwen, dan treft ons in -de eerste plaats telkens weer de wondervol harmonische ontwikkeling -van het menschelijk organisme. Bij geen diersoort vindt men (en -dit is vermoedelijk juist het geheim van zijn snelle ontwikkeling) -een anatomischen bouw, die zulke primitieve eigenschappen vertoont, -en waarvan alle deelen zich zoo in volkomen harmonie met elkaar, -zoo gelijkmatig hebben ontwikkeld, als juist bij den mensch. Hier -geen gebit, in een bepaalde richting sterk gedifferentieerd, -hier geen bovenmatig sterk ontwikkelde spiergroepen voor bepaalde -bewegingscombinaties, geen bovenmatig verlengde extremiteiten in -aanpassing aan een bepaalde levenswijze, hier geen darmkanaal ingericht -en uitsluitend geschikt voor het opnemen en verteren van een bepaald -soort voedsel; neen, een volkomen harmonische ontwikkeling van alle -organen, en daardoor een volledig aanpassingsvermogen aan de meest -verschillende omstandigheden, en, anatomisch gesproken, een vereeniging -van primitieve, niet sterk gedifferentieerde vormen en kenmerken, -zooals geen tweede diersoort ons kan aanwijzen.--Wij zullen later zien, -hoe dit juist het waarschijnlijk maakt, dat de lijn van ontwikkeling -van het latere menschelijke geslacht zich al zeer spoedig losgemaakt -moet hebben van de lijn van ontwikkeling der overige zoogdieren. - -Maar tevens leert ons de vergelijkende anatomie, dat in de -hoofdlijnen van den bouw er een volkomen overeenstemming bestaat, een -overeenstemming, die te grooter blijkt te zijn, naarmate men door het -nauwkeurig leeren kennen van een steeds grooter aantal verschillende -diervormen meer en meer onder de voor bepaalde diersoorten kenmerkende -eigenaardigheden de groote hoofdlijnen, men zou kunnen zeggen de -compositie van den geheelen bouw, leert onderscheiden. - -Het zou nu evenwel nog niet voldoende geacht kunnen worden om op -grond van deze overeenstemming van een werkelijke verwantschap te -spreken. Maar wij kunnen feiten, die voor dit laatste pleiten, wel -degelijk direct zien. - -Evenals bij de verschillende diersoorten, komen ook bij den mensch -zoogenaamde individueele variaties voor, waarbij zich bij enkele -individuen bepaalde organen vertoonen, die bij normale menschen niet -voorkomen, of organen die steeds aanwezig zijn, bepaalde, niet bij -den gewonen mensch voorkomende veranderingen in bouw, grootte of -samenstelling vertoonen. En nu is het uiterst merkwaardig, dat bij -dergelijke variaties bijna steeds veranderingen optreden, die een -toestand verwezenlijken, zooals die bij de hoogere diersoorten als -regel, als norma, bestaat. Zoo hebben wij bijvoorbeeld een aantal -spieren aan hand en arm om de verschillende zoo samengestelde -en talrijke bewegingen van ons grijp- en tastorgaan te kunnen -uitvoeren. Bij dat samenstel van grootere en kleinere spieren treden -nu nog al eens variaties op, en als zich dan bij een bepaald individu -een spier vertoont, die bij normale menschen niet voorkomt, of een -wel steeds voorkomende spier een anderen vorm dan in normale gevallen -vertoont, dan is bij eene dergelijke variatie bijna altijd een geval -verwezenlijkt, dat bij de hoogste zoogdieren (bijv. bij de apen of -bepaalde aapsoorten) als normaal geval steeds aanwezig is. - -Zoo bezit de mensch twee borstklieren, die bij het vrouwelijk -geslacht sterk ontwikkeld zijn en de voor de voeding van den -zuigeling noodzakelijke melk afscheiden. Terwijl de hoogstaande -zoogdieren ook twee dergelijke borstklieren bezitten, zijn bij de -meeste overige zoogdieren een reeks van dergelijke klieren aanwezig, -in een lijn (de zoogenaamde melklijn) aan weerszijden langs den buik -gegroepeerd. Indien nu, wat nog al eens voorkomt, bij den mensch -zoogenaamde overtollige borstklieren gevonden worden, dan liggen deze -altijd op die lijn, m. a. w. dan zijn dat altijd organen, die bij de -lagere zoogdieren als regel, als norma, optreden, die bij den mensch -echter als slechts zoo nu en dan voorkomende variatie nog weer eens -zich vertoonen. - -Ook in veranderingen, variaties, die bij andere organen van het -menschelijk lichaam zoo nu en dan gevonden worden, vindt men steeds -weer hetzelfde verschijnsel terug, ziet men telkens en telkens -weer eigenaardigheden in bouw en vorm optreden, die herinneren aan -vormingen, die bij de hoogste zoogdieren als constante, altijd -voorhanden zijnde kenmerken gevonden worden. In den vorm der -oorschelpen zien wij zich somtijds de toegespitste oorschelp van -de hoogste zoogdieren afspiegelen, sterke beharing van het geheele -lichaam of het gelaat (men denke bijv. aan de eertijds zoo beroemde -danseres Juliana Pastrana) brengt ons in rangschikking en richting -van de haren dierlijke vormen in de herinnering, afwijkingen in de -rangschikking van verschillende deelen, van het bloedvaatstelsel, -in rangschikking, vorm en aantal van de neusschelpen, in de grootte -van het zoogenaamde orgaan van Jacobson in den neus, in den bouw van -het strottenhoofd, van de geslachtsklieren, van verschillende deelen -van het skelet, geven ons even zoovele aanknoopingspunten te zien -aan vormingen die in het dierenrijk als normale kenmerken optreden, -kortom, men kan, zooals o. a. Wiedersheim in zijn beroemd geworden boek -"der Bau des Menschen als Zeugnis für seine Vergangenheit" [6] deed, -alle organen van het menschelijk lichaam nagaan, en overal vindt men -verschijnselen, die ons onweerstaanbaar dwingen, een nauwe verwantschap -met, een afstamming uit het dierenrijk voor den mensch aan te nemen. - -En nog sterker dringt deze overtuiging zich aan ons op, als wij de -ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch nagaan en haar vergelijken -met die van de zoogdieren. - -Dank zij de groote verbeteringen van de microscopische techniek -is in de laatste 50 jaren een helder inzicht verkregen in de -ontwikkelingsgeschiedenis van tal van diervormen, zoodat wij -dikwijls tot in de fijnste bijzonderheden den verwonderlijk mooien -ontwikkelingsgang van de verschillende organen, die het dierlijk -lichaam opbouwen, hebben kunnen nagaan. Voor bepaalde diervormen -heeft men dien ontwikkelingsgang stap voor stap, bijna van uur tot -uur, kunnen bestudeeren. Het bleek nu hierbij hoe langer hoe meer, -dat voor de verschillende diervormen de ontwikkeling, uitgaande van -hetzelfde uitgangspunt, de ongedifferentieerde eicel, in groote trekken -geteekend, hetzelfde verloop had, en dat, hoe dichter de dieren, -wat hunne kenmerken betreft, bij elkander stonden, des te meer de -ontwikkelingsgang voor die vormen evenwijdig liep. En hierbij bleek -tevens, hoe juist in de ontwikkelingsgeschiedenis de duidelijkste -bewijzen opgesloten lagen voor den samenhang en de verwantschap -der dieren onderling, voor de idee der evolutie, voor het ontstaan -der soorten uit elkaar, door langzame verandering, aanpassing, -volmaking. Wij zien organen, lichaamsdeelen, die bij lagere dieren -gedurende het geheele leven in een primitieven vorm blijven bestaan, -zich bij de embryonen der hoogere dieren eerst in denzelfden vorm -aanleggen, waarin zij bij die lagere dieren zijn aangelegd. Doch dan -zien wij bij den voortgang van het ontwikkelingsproces in die organen -verdere veranderingen optreden, die langzamerhand den toestand -inleiden, waarin dat orgaan gedurende het leven van die hoogere -diersoort zal blijven verkeeren. Wij zien bij het embryo van alle -zoogdieren zich kieuwspleten aanleggen, al hebben de kieuwen hun reden -van bestaan eigenlijk verloren, sinds de voorvaderen der zoogdieren -uit het water op het land overgingen en tot landdieren werden. Wij -zien het bloedvaatstelsel in aanleg ook bij de zoogdieren bloedvaten -vormen, die bij hunne nog in het water levende voorvaderen langs de -kieuwspleten liepen om voor de opname van de zuurstof uit het water, -de ademhaling dus, te zorgen, al hebben om dezelfde reden ook deze -bloedvaten bij de zoogdieren hun reden van bestaan verloren. Wij -zien uit deze kieuwspleten en uit de stevige beschutsels daarvan, de -kieuwbogen, zich allerlei organen ontwikkelen, zooals de schildklier, -het strottenhoofd, de gehoorbeentjes etc., die eerst bij de zoogdieren -tot volle ontwikkeling komen en een belangrijke rol in het leven -van het dier krijgen te vervullen. Wij kunnen vaststellen, hoe -in het algemeen die kenmerken, die alleen eigen zijn aan de hoogst -ontwikkelde diervormen, en die dus bij de evolutie van de soort eerst -laat moeten zijn opgetreden, ook in de individueele ontwikkeling dier -hoogst ontwikkelde diersoorten, eerst laat, eerst in het laatste -tijdperk van het embryonale leven, zich kenbaar maken. Kortom, -wij zien bij het bestudeeren van de ontwikkelingsgeschiedenis van -een of ander zoogdier zich een beeld ontrollen van de duizenden en -duizenden jaren, gedurende welke die bepaalde soort zich bij den -ontwikkelingsgang van de aarde door langzame evolutie uit laagstaande -vormen in duizenden op elkaar volgende, uit elkaar voortgekomen, -individuen trapsgewijze heeft opgewerkt, ontplooid, ontwikkeld, -volmaakt, totdat de vorm bereikt was, waarvan wij nu aan het levende -dier de fijne, harmonische organisatie, de volkomen aanpassing aan de -omstandigheden, waaronder het verkeert, het samengestelde van de zoo -nauwkeurig aan elkaar aansluitende levensverrichtingen bewonderen. En -naarmate wij van meerdere diervormen een nauwkeurig beeld van de -ontwikkelingsgeschiedenis verkrijgen, naarmate wij dus beter en beter -de waarde van de verschillende détails, de plaatselijke aanpassingen -der verschillende vormen kunnen beoordeelen en de hoofdlijnen daarvan -kunnen losmaken, in die zelfde mate wint het beeld van het geheele -proces der evolutie van het dierenrijk, dat wij zich zien ontrollen uit -die individueele ontwikkelingsprocessen der verschillende diervormen, -aan duidelijkheid en volledigheid. - -De ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch vertoont ons nu een -beeld, dat volkomen in dit kader past. In de groote lijnen is het de -zoogdierontwikkeling, die ons het wordingsproces van het menschelijk -embryo te zien geeft. Juist als bij het zoogdierembryo zien wij -zich bij de zich uit de eicel vormende menschenkiem kieuwspleten -vormen. Dezelfde organen, die bij de zoogdieren uit die kieuwspleten -en uit de zich tusschen de spleten bevindende kieuwbogen ontstaan, -zien wij ook bij het menschelijk embryo zich op dezelfde wijze, langs -denzelfden weg, volgens dezelfde methode, daaruit vormen. Dezelfde -samengestelde ontwikkelingsgang, die door het zoogdierembryo moet -worden gevolgd, zien wij ook het menschelijk embryo doormaken. Dat -er in bijzonderheden verschillen bestaan, spreekt natuurlijk -vanzelf. Evenals wij bijvoorbeeld reeds op een zeer jong stadium van -ontwikkeling een varkensembryo met zekerheid kunnen onderscheiden -van een embryo van een kat of een konijn, zoo kan de geschoolde -embryoloog op elk stadium van ontwikkeling met volkomen zekerheid -zeggen, of hij met een menschelijk embryo dan wel met het embryo van -een of ander zoogdier te doen heeft, maar de gang, het verloop van het -ontwikkelingsproces, het op elkaar volgen van de verschillende stadiën, -de wijze van aanleg van de verschillende organen en orgaanstelsels is -bij beiden zoo volkomen gelijk, dat de overtuiging, dat slechts een -gemeenzame afstamming, een door den mensch en door de zoogdieren -doorgemaakte evolutie, een dergelijke overeenstemming kan doen -ontstaan, zich met onweerstaanbare kracht aan ons opdringt. Het is -verwonderlijk om te zien, hoe bijvoorbeeld een bepaald gedeelte van -het nierapparaat, dat wij slechts bij de visschen en de tweeslachtige -dieren op een bepaalde wijze tijdens het leven zien functioneeren, -toch bij het menschelijk embryo evenals bij de zoogdieren duidelijk -wordt aangelegd, om echter bij de verdere ontwikkeling weer spoorloos -te verdwijnen, als een reminiscentie aan den grijzen voortijd, alleen -omdat de uitvoergang van dat apparaat nog in de verdere ontwikkeling -een bepaalde rol speelt, de aanleg van het apparaat zelf dus noodig -was. Het geslachtsapparaat zien wij in een uiterst samengestelden -ontwikkelingsgang de verschillende phasen doormaken, waarop wij het -bij de lagere dieren gedurende het geheele leven zien blijven staan; -de beharing van het lichaam, bij den volgroeiden mensch grootendeels -verloren gegaan, zien wij bij het menschelijk embryo op volkomen -dezelfde wijze tot ontwikkeling komen als bij de zoogdieren, ja men -heeft zelfs aan de rangschikking van de haren in het begin hunner -ontwikkeling bij het menschelijk embryo nog de duidelijke sporen -kunnen terugvinden van de huidbekleeding met schubben, die onze -voorouders in den grijzen oertijd eenmaal moeten hebben bezeten. De -mensch is staartloos; dat hij zich echter moet hebben ontwikkeld uit -voorouders, die wel een dergelijk aanhangsel bezaten, blijkt behalve -uit het feit, dat zoo nu en dan als variatie, als terugslag, nog een -staart bij een voldragen kind wordt gevonden, daaruit, dat in een -vroeg stadium van ontwikkeling bij het menschelijk embryo een zeer -duidelijke staart wordt aangelegd, die evenwel na eenigen tijd weer -verdwijnt. Bij de ontwikkeling van de menschelijke borstklier zien -wij de reeds op een vorige bladzijde genoemde "melklijn" zich als -een normaal verschijnsel vertoonen, de oorschelp zien wij zich ook -bij den mensch uit de huidplooien in de omgeving der kieuwspleten, -de gehoorbeentjes zich ook bij den mensch uit bepaalde gedeelten -der oorspronkelijke kieuwbogen vormen, kortom, er is geen detail van -den ontwikkelingsgang van het menschelijk embryo, of wij kunnen het -alleen dan begrijpen, als wij ons den mensch voorstellen in volkomen -samenhang met de dierenwereld voortgesproten uit dierlijke voorvaderen. - -Staat de mensch, de "kroon der schepping," aan de spits van het -dierenrijk? Zeer zeker niet. In vele opzichten is in materieelen zin -de menschenvorm minder bevoorrecht dan vele zijner natuurgenooten. In -kracht van spieren zijn wij achteruitgegaan, in gezichtsvermogen, -gehoor en reuk doen wij ver onder bij de hoogere zoogdieren, het -aannemen der rechtopstaande houding heeft ons menig nadeel bezorgd, -van specialisatie in deze of gene richting is weinig te merken, en, -zooals boven reeds werd opgemerkt, juist daarin ligt de kracht van den -menschenvorm, juist daarin ligt het geheim zijner snelle ontwikkeling -en vooral van zijn vermogen zich harmonisch in alle richtingen tegelijk -te kunnen ontwikkelen. - - - - - - - - -III DE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPA - - -In het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe -wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen -zoogenaamden "ijstijd" zien optreden, d. w. z. een periode in de -ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur -zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de -geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt. - -Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare -sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden -gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden, -die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen -ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste -menschen optreden, wat nader te beschouwen. - -Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende -ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste -periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote -uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs -en sneeuw in kolossale massa's een groot deel van Europa gaan bedekken. - -Geweldige ijsmassa's, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en -meer, bij de voortgaande daling van de temperatuur, van het noorden -van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa -uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de -gletschers in het alpengebied het zoogenaamde "stroomen" van het -ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa -zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den -ijstijd die geweldig dikke ijsmassa's zich eveneens voortschoven, -waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde -bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te -zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in -den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om, -als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd -en de ijsmassa's smolten, op het daaronder gelegen land te worden -gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals -bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden -liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan, -uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige -ijsmassa's ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren -zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal -langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende -gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald, -op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten. - -Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden -water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland -bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van -meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs -het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een -gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd -sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggen -zich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar -het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden -redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle -voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden. - -Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij -dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk -veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit -den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van -den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs- -en sneeuwmassa's naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het -teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede -noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de -door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige -plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan, -hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen -aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde, -en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige -dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth, -de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting -zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna, -de holenwolf. - -Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de -bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid -van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in -alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij -als den postpliocaenen ijstijd samenvatten. - -Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en -ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers -van het menschelijk geslacht, bij dien steeds feller wordenden -strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid -ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en -niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo -den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door -geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden? - -Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot -de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht -gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds -schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met -beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken, -door zich als "sociale" wezens te vereenigen tot grootere groepen -met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van -handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is -het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen. - -Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner, -als troglodyte, wiens overblijfselen in holen, in "abris sous -roche," bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de -verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den -oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de -groote watermassa's, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden, -bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen -onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer -droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren -later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners, -zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar -weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen -met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen -dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibden grond boven elkaar, -met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en -dieren uit verschillende perioden [7] (Fig. 24). Hierover later meer. - -Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke -overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren -uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte -opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd -en de interglaciale perioden Europa bevolkten. - -Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden -en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden -aangeven? - -Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel -door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door -de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer -uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave -hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren -invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig -resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers -noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur -dezer perioden. - -Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van -de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een -regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de -aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige -aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer -100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige -waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale periode -rekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig -gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote -gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het -Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland, -Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de -rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, "stroomde," -grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden -langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door -den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt, -bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke -uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van -Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen -de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent, -waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen -berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de -groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd, -tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af -te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo -kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000 -jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval -met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de -bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de -morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren -verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode -(dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken. - -De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale -perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen -tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien, -voor een deel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten -vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende: - -1°. de mammoet, elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met -geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der -ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs -met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van -Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier -in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden, -door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb -juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst -bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken -werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den -mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste -teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van -den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam, -en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet, -toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië -bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog -voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk een plaatvormige, -uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden -vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor -was dus met absolute zekerheid de "echtheid" van de teekeningen -bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf, -die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste -afbeelding kunnen maken. - -2°. De oerolifant, de elephas antiquus, verreweg de grootste der -fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen -reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend -dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het -tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot -in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de -tegenwoordige olifantensoorten. - -3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalis en el. trogontherii), -vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode, -doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het -noorden (tot in Engeland) doordringend. - -4°. De Siberische neushoorn (rhinoceros tichorhinus), met twee -achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige -dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel -Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet. - -5°. De rhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier -der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden, -zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok. - -6°. Het groote nijlpaard, hippopotamus major, in reusachtige exemplaren -in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden. - -7°. Het elasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één -langen hoorn midden tusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van -de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië -tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen. - -8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den -ijstijd zijn de herten, die in een aantal soorten van dikwijls -reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus -euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de -edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo -groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke -praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men -vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding -in fig. 3). - -9°. De verschillende beersoorten, waarvan vooral de holenbeer (ursus -spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is, -en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met -menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden. - -10°. De tijdgenooten van den holenbeer, de holenkat (felis spelaea), -de holenhyaena, de holenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in -grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel -zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste -koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen -met menschelijke overblijfselen gevonden zijn. - -11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten -in de eerste plaats nog genoemd worden de wisent (bison priscus), -waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in 't eeuwige -ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen -gevonden zijn, verder de aueros (bos primigenius), die vooral in de -warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot in -het noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader -van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt -beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode -kunnen wij nog noemen het wilde zwijn, een soort van schaap, het over -geheel Europa toen ter tijde verspreide stekelvarken, en verwant -daarmede, het trogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst -sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven, -doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later -in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen -moeten worden ter sprake gebracht. - - - - - - - - -IV OUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN. - - - "l'Homme tertiaire n'est encore que - sur le seuil de la science." [8] - - Broca. - - -Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de -mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan, -dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is -dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den -voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond -van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien, -en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van -welke diersoorten stamt de mensch af? - -Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste -vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne -voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren. - -Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk. - -Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist -de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens, -die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast -zich door geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van -de tegelijkertijd met hen levende dieren. - -Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen -uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei -hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk -herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het -bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die -kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En -men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson -Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn -oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den -afdruk van een blooten menschenvoet vond. - -Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder -gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden -ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan -is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne -vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het -dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van -woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte -artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen -overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde -"menschelijke" manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er -uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het -bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen -toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne -praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique, -dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, "Assez -intelligents pour faire le feu," [9] maar dat "ces êtres n'étaient pas -et ne pouvaient pas être encore des hommes," [10] doch dit schijnt mij -een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in -tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven -voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt, -dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens -op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin, -dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen -(de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak -dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de -natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van -de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende -steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met -te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen -van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke -wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren -deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet -anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen, -watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepen en afgesplinterde -kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen -werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt -dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie -wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde -steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit -ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst -merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van -het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als -zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke "vervalschingen" -door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer. - -Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten -ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene -als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men -niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van -menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden, -ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor, -of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel -en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer "ontdekt" en -door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de -echtheid dier teekeningen niet te twijfelen. - -Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere -voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten, -diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst -langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren -het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk -op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder -de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden, -dan kan men zich eenigszins een denkbeeld maken van de vele eeuwen, -die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp -stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met -zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste. - -Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd -opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld -kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij -kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die -menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving -(sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving. - -Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang -in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet -te miskennen. - -Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen -met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten -hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die -ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan -het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar -zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen -of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en -fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm -aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt -gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen, -messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als -zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom, -herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt -dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen -werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar -aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatste -gedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden, -dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden, -regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt -ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en -ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen -werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk) -uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als -de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude -perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit -de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners, -door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte -steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar -in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met -overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier -hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck, -van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de -menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop -zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen -leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren, -in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde -holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de -bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden, -op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen -grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een -dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een -steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen -werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst -in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan -ligt de slotsom voor de hand, dat op de minder koude periode, waarin -de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote -rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige -waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee -voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden -geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de -gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen, -de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den -mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen, -waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de -overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden. - -Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het -laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den -mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds -grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier -naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast -den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot -wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast -spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met -weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast -te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als -versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds -beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van -den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar -Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel -het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, het palaeolithicum, afgeloopen -en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, gekomen, -op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogte -van ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde -bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik -hier dus niet verder in. - -Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene -bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van -den praehistorischen mensch zooveel leert. - -Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen, -maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd, -dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen -zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook -daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten -slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader) -los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde -begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit -fig. 6 en 9, die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt, -in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond -ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig -blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men -vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de -vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte -steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op -een geloof aan een voortbestaan na den dood. In iets later perioden -vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar -derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan -hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is -eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd -vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom, -uit dergelijke gegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend -op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen -omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving -dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit -dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel -een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van -het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op -een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke -wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.--Maar -laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied -der speculatie verzeild raken. - -"Revenons à nos moutons." [11]--Keeren wij terug tot onze bespreking -van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het -menschelijk geslacht in 't algemeen en van bepaalde vondsten in het -bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking: -1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen -worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden; -2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke -skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard -der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit -dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door -menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij -gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van -het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen. - -Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht -herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten -samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringeren ouderdom, -wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling -van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht -vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus, -aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door -middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar -wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken -telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave -dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in -'t kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie -behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende -groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal -afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij -hier de gelegenheid ontbreekt. - -Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort, -waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van -bewerking werden vervaardigd, de "vuursteen" geweest. Wel zijn zoo nu -en dan ook andere harde steensoorten daarvoor gebruikt, en vindt men -vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten, -maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men -weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van -grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde "knollen," bij -voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit -het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral -de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn -bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van -den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard -voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan, -(zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid -waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan -scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter en -voorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm, -des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men -vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met -de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante -werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig -ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst -langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den -vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu -juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens -vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door -ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of -krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt -vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden -verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden -zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden -dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken -en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten -(watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar -ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen, -die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu -van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van -andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een -gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt -geacht, [12] ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist -van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het -is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, en -oppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen -den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat -regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten -niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, door -Rutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van -tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg -identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal, -door Ribeiros beschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny van -de Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne -argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire -vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men -bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen. - -Rutot en zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen -dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun -toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten -afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een -beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte -typische "eolithen" zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo -geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere, -hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is -ook in de talrijke geschriften van Rutot zelf een afdoend antwoord -niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden, -als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit -de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke -vuursteenstukken worden gevonden. - -Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen -heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord van Broca -gelden, dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet -heeft overschreden. - -Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende -onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord. - -Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken -op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze -richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school -voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en -meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen -opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook -het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd, -en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de -plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn -opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de "acheulien" -periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen -het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij -St. Acheul. Evenzoo van de "moustérien" periode, naar de beroemde -vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode -typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit -die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo -spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d'Azil in 't -Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij -Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm -aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter -zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum, -het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en -overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen. - -Maar men hoede zich, een al te groote absolute waarde aan een -dergelijke onderverdeeling toe te kennen. - -Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken, -oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der -boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met -groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal -ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen -van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden -dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van -een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste -langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormen -naast elkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier -in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk, -stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen -werden vervaardigd. [13] De verdeeling naar den aard der werktuigen -heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt -zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke -overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste, -mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar -bijvoorbeeld door Gorganovic-Kramberger op grond van het feit, dat -met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie -'t volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden -opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend -wordt, Rutot daarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen -werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou -ik mij met volle overtuiging aan de zijde van Kramberger plaatsen. - -In de volgende tabel zijn de verschillende perioden, onderafdeelingen -van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste -vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen -gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke -men met de tabel in hoofdstuk I. - -De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste -onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de -tabel opgenomen. - - -TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET OUD-STEENEN TIJDPERK - -====================+=======================+========================================= - GEOL. | | - TIJDPERK | NAAM | BESCHRIJVING -====================+=======================+========================================= - { Tertiair | 1. Thenay | Eerste gebruik van vuursteenen als - { ,, | 2. Cantalin | werk-tuigen, nog geen op een bepaalde - { | (Aurillac, Cantal, | wijze gefatsoeneerde werktuigen, doch -Eolithen { | Puy-Courny) | reeds verschillende vormen (volgens - { ,, | 3. Kentum (plateau | Rutot "percuteurs, couteaux, racloirs, - { | van Kent) | grattoirs, perçoirs"). - { Oudste { 4. Reutélien | Uitgezochte en reeds eenigermate - { Quartair { 5. Mafflien | doch zonder bepaalde methode - { 6. Mesvinien | gefatsoeneerde werktuigen van - { 7. Strepyin | verschillenden vorm. Voor het eerst - { | met een bepaald doel gefatsoeneerde - { | werktuigen van bepaalden vorm. - { 8. Chelléen | Grof geslagen, aan beide zijden met - { | grove blussen uitgeslagen werktuigen. - { 9. Acheuléen | Fijner geslagen werktuigen, aan beide - { | zijden met kleine blussen uitgeslagen, - { | verschillend van vorm. - {10. Moustiérien | Steenen werktuigen van bepaalden - { (grotte du | vorm, doorgaans slechts aan ééne - Palaeolithen { Moustier) | zijde toegeslagen, of puntvormig, - { | zoodat zij aan een lans konden - { | worden bevestigd, of meer rond, met - { | scherpe randen (zoogen. schrappers, - { | racloirs, volgens de Mortillet om - { | de huiden van gevangen dieren te - { | bewerken). Nog geen beenen of - { | ivoren werktuigen. - {11. Aurignacien of | Naast fijn toegeslagen regelmatige - { praesolutréen | steenen werktuigen vindt men de - { | eerste sporen van bewerking van been - { | en ivoor, en de eerste kunstuitingen. - { | Begin van het rendiertijdperk. - {12. Solutréen | Zuiver toegeslagen pijlpunten, - { | laurierbladvormig of gesteeld, steenen - { | messen en boren. Paard en rendier - { | in talrijke overblijfselen gevonden. - {13. Magdalénien | Prachtig bewerkte steenen wapenen - { | en werktuigen, nog niet gepolijst. - { | Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn - { | met weerhaken, ivoren naalden, stijlvol - { | geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn - { | of ivoor, steenen messen - { | en zagen, teekeningen op rendierhoorn - { | of op rotswanden (grotten). - {14. Azilien | Vermoedelijke doch slechts zeer locaal - { | bekende overgangsperiode naar het - { | nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, - { | naar het tijdperk van de gepolijste - { | steenen werktuigen, van het - { | aarden huisraad, de paalwoningen, - { | de dolmen en menhirs. -====================+=======================+========================================= - - - - - - - - -V DE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF - - - "L'homme fossile n'existe pas." - - Cuvier (1813). - - -Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van -den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk -geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die -ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen -mensch, den homo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van -den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis -hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van -ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn -als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk -krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit -gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan. - -Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft, -vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter -tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De -leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch -na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde -dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon -aantoonen, dat overblijfselen van een geraamte, als "homo diluvii -testis" aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een -reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk -van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe -vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die -in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen, -steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth -en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen -kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die -beddingen zelf te onderzoeken. - -Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van -overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar, -juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en -onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe -er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan -te voeren. - -In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende -zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten -ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd -bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum, -den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, door -Hauser in 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste -zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van -het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele -stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel -bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En -dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste -der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig -uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in -leemgroeven of grintbeddingen bij het graven worden gevonden. En -de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem, -van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet -niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a. Dr. Holwerda, die bij zijn -zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische -skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd), -dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in -onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts -een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats -aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven. - -In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens -hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner -geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het -begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale -perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet -begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten -prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen, -enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan. - -Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging -beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner, -en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in "abris -sous roche," enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren -blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van -de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar -eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging -begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven -grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden -opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd de kans, -dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist -door die grafheuvels en andere bedekkingen er op opmerkzaam werd -gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond, -en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl -het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de -meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet -niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al -zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op -werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde -Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij -het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een -leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd -door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn, -eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoorde Dr. Fuhlrott van de vondst, -doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave -skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde -brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel -beter gegaan. - -Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde -van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en "abris -sous roche" voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer -ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking -doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen -slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen. - -Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van -gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het -menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan -behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker -beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenis van dat ras -zal kunnen construeeren. De door Boule zoo voortreffelijk bewerkte -vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt -zal kunnen worden. - -Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het -onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft -slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms -zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach, -of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote -scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal -nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten, -die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar -het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het "hersendier" bij -uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk -is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige -bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende -maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken -met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en -apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk -zijn (Fig. 10). - -Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt -de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd -aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van -den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel, -nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp -beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van -den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat -aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien -schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder- -en bovenkaak, van groot belang. Onder alle zoogdieren is de mensch -het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit, -met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden -neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere -volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die -laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch -van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk -steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch -het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit -verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de -onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor -met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband -staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere, -en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. En niet -alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch -ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos -werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch, -men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te -kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na -te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen, -dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog -niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch, -hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere -zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de -beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van -de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm -der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals -wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en -onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken. - -Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen -betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen -verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan -verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende -aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet, -dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een -reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht -worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en -lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek -heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte -heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op -een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde -streken in vroegere tijden in zwang geweest). Deze verandering blijft -dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou, -als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot -geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door -verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan -vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden. - -Kortom, men tast, om eene vergelijking van Schwalbe te gebruiken, bij -dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg -kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand -van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte -onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens -eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elke -nieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan -ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,--maar -ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg -aan zekerheid. - - - - - - - - -VI DE VOORNAAMSTE ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN - - - "We are far from knowing how long ago it was - when man first diverged from the Catarine - (Simian) Stock; but it may have occurred at an - epoch as remote as the eocene period." - - Darwin. [14] - - -Welke zijn nu de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen -tusschen dier en mensch, of bestaat nog steeds de "break in the chain," -waarover Darwin klaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele -menschelijke overblijfselen? - -Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje toegestaan, -verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en beschrijving -wilde geven van al de vondsten van praehistorische menschelijke -overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming zou -daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar -plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen, -en slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving -geven, die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen -nader tot hunne oplossing hebben gebracht. Voor een overzichtelijke -rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde -daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude -vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel -geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden -der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn, -bij de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te -geven van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men -die kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen -beschrijft, die zich het nauwste aan de dierenwereld aansluiten, -dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te -eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van -den homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen. - -Beginnen wij dus met de meest dierlijke overblijfselen. - - -1. Pithecanthropus erectus Dubois. - -Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel -gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen, -vreugde en opgewondenheid--al naarmate het standpunt, dat men tegenover -de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch -innam--veroorzaakt, als toen Eugene Dubois in 1893 van uit Batavia -het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den -mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus -erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele -overblijfselen--een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en -twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en -dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde -aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke -skelet, dat men hier den tusschenvorm, den "missing link" van Darwin, -meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak -en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd, -maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede -van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen, -dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet -tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een -mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel -ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend -veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkap meer op die van -een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten -meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen. Dubois gaf -daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde -steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong -zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader -van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van -latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover -ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in -1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologische gegevens -door Volz, Elbert en anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met -groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten, -waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van -veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen, -waartoe Dubois ze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe, -onafhankelijk van Volz, ook K. Martin op grond van het systematisch -onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te -wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te -zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een -menschenkies in dezelfde steenlaag. - -De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van den -pithecanthropus bevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal -te zijn, en moet volgens Volz zelfs ongeveer in het midden van -de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I) -gesteld worden. [15] Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk -geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden -menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te -bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch -eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus -waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs -naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op -Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden. - -Van den "missing link" is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook -zelfs Schwalbe, die den pithecanthropus zoo uiterst nauwkeurig -en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de -pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch -volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het -menschengeslacht aan te nemen. - -Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aan -Dubois de onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar, -deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct -van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus -volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan -toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot -welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen, -de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en -het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe, -niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde -afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die -zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het -menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit -fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die -van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit -(d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen -van de hersenen dus), volgens Dubois 870 c. M.3, tegen 550 c. M.3 bij -de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3 bij den -neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3 bij de blanke rassen, -verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou -volgens Dubois gelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den -schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien, -nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat -met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen -menschaap. - - -2. Eoanthropus Dawsoni. In het laatst van 't jaar 1912 werd in een -kiezelafzetting (een zoogenaamde "gravel pit") bij Piltdown in Sussex -een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk -wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens -de nog eenigszins onvolledige gegevens [16] het oudste menschelijke -overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van -den ontdekker werd het de eoanthropus Dawson gedoopt. Niettegenstaande -maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen -verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving, -van de overblijfselen door Mr. Smith Woodward gegeven, stammen de -overblijfselen uit de "Chelléen" periode. Steenen werktuigen van het -"Chelléen" type en overblijfselen van een hippopotamus werden in -dezelfde laag aangetroffen. - -De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van -de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit -laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd -worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige -van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op -die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak -bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen, -alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later -wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek -is afgebroken en de verdere tanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige -tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden -tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den -tegenwoordigen mensch. - -Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud -te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3 -te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met -den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus -grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de -werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten -bracht dan ook Dr. Smith Woodward tot de slotsom, dat wij hier met -een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht -bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en -daarom door hem de eoanthropus, "het wezen staande aan den dageraad -der menschwording" gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en -vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu -zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen -als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere -in Europa zijn gevonden. [17] - - -3. De vondst van Taubach. In 1895 werden door Nehring twee menschelijke -kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren, -meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het -allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve -steenen werktuigen uit de "Chelléen" of "Acheuléen" periode en -met overblijfselen van den elephas antiquus en den rhinoceros van -Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was -de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke -oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide -kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende -kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt -vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft, -in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende -eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een -menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te -kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist -de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende -diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het -menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de -soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft -kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden -was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van -de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste -menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral -bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den -voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de -"tanden van Taubach" hier vermeld. - - -4. Homo heidelbergensis. De onderzoekingen van Dubois op Java werden -in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst -belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum, -die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap -verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele -onderkaak van den "heidelberger mensch" werd gevonden. En het is -merkwaardig, dat, evenals Dubois doelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil -was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten -overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak -door Schoetensack jaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het -dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven, -waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit -het laatste gedeelte der tertiaire periode. Dr. O. Schoetensack, -de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren -een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de -groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve -en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en -in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen -konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de -groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun -op 't hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te -graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten, -zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk -van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan -24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was -gevonden. Zoodoende kon Dr. Schoetensack direct na het vinden van de -kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een -notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats -had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er -bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats -een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig -vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze -kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door -geen enkelen geleerde ooit eenigen twijfel omtrent de echtheid en -den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is door Schoetensack de kaak -beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde -monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving door M. Boule -van den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch -van la Chapelle-aux-Saints het werk van Schoetensack als een voorbeeld -van exact anthropologisch onderzoek mag gelden. - -Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de -photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve -de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder -bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak -werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden -gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen -neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat -in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna, -derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de -steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in -dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgens Rutot eolithen uit de -"Mafflien"-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom, -de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen -nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór -het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire -periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al -het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden, -doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men -vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van -een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het -voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in -de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal -massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor -de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen -vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij -het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder -gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe -te schrijven. Het gebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke -kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk -vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen -menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak -als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde -bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de -vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van -de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het -menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort. - -Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien, is natuurlijk -niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel -afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke -kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een "missing link," -van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen -overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons -nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen -lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij -in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij -de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de -door Schoetensack beschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs. - - -5. De Neanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds -in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden -schedel, waarvan alleen 't bovenste gedeelte, het schedeldak, is -bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordig slechts één -van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856 -door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden -in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen, -door Fuhlrott met nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste -helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere -fragmenten) van den ondergang gered, en door hem en Schaaffhausen -het eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak) -jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl -men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten -en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen, -dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag, -wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen, -zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder, -zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet -zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand -minder dan Virchow en Ranke de ban er over uitgesproken. De diluviale -ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige -eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de -schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers, -dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit -den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in -zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen ("neanderthaloiden") vorm -vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van -Blumenbach. Zoo werd aan den Neanderdal-schedel elke waarde ontzegd -voor het probleem van de afstamming van den mensch. Volgens Virchow, -die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den -Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd, -kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen -(de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen. - -Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct -als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog -zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien, -was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was, -vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de -overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren -gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit -dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden -gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk -hadden gemaakt. Toen echter in 1886 door Fraipont en Lohest in -België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een -aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan -de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak van -Fuhlrott en Schaaffhausen vertoonden, werd dit anders, en toen in 1893 -Dubois den hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten -van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef, -toen in de laatste jaren der 19e eeuw Schwalbe zijne klassieke -onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen, -was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres -te Metz moest Virchow het helaas nog beleven, dat hij ook door de -Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooals Klaatsch, zijn -heftigste bestrijder, het uitdrukte, "der so lange verkannte Homo -neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte." [18] - - -6. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij de Grot van Spy in -België door de Puydt en Lohest in 1885 [19] was in twee opzichten -belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en -Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden -van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de -daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden -beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke -overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende -beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van -gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven -te zijn. - -De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth en rhinoceros tichorinus, -en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een -hoogen ouderdom, ongeveer in de "moustérien"-periode. De beenstukken -zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats -vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig -bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken, -het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de -geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de -tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde -onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend -dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter -van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de -zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en -den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die -ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen -geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen -eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke -onderkaak, in 1866 in de grotte de la Naulette bij Dinant in België -gevonden, en die merkwaardig was om het nagenoeg geheel ontbreken -van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het -achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het -skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en -zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren, -groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel -en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen -hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch -zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats -kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen -en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven -bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te -zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee) -het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen -knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst -dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw. - - - -Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van -Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier -verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een -aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de -boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van -het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type -vormt, aantoonen. In de eerste plaats: - - -7. De vondst van Krapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een -Hongaarsch anthropoloog, Gorjanovic-Kramberger korte mededeelingen -gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke -overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapina aan den oever van -de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat -gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het -rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al -met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid -waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens -afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde -beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar -was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje -nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden, -nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol -terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal -van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer -dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten -van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen -wijzen, een zeer groot aantal menschelijke beenstukken gevonden, van -9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren, -bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17 -zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog -met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere -studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken, -vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen -krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze -beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten, -waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor -de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die -oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de -schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in -sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijde geziene schedeldak -(boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk -ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote -holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar. Dat -wijst dus op een sterke verbreiding van 't Neanderdalras over een -groot deel van Europa. Maar daarnaast is 't voor het probleem, hetwelk -ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende -cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn, -twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen -als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen) -onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op -het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds -langhoofdige en rondhoofdige "neandertalers." Later zullen wij -hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, -dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de -beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer -korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken -gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar -aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden, -heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet -wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten -door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen -uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft. - - -8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype -gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa -werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele -schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als de -Gibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze -schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 door Sollas uitvoerig -en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het -Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van -den schedel, dat door de groote holle oogkassen, de zware massieve -wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen "bestialen" -indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige -tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit, -m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa, -1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels, -doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus -(1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen -schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke -formaties herinnert. - - -9. Homo Mousteriensis Hauseri. Dit skelet, in 1908 in Frankrijk -opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap -kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop -het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden -geworpen en de beteekenis er van verkleind. Een Zwitsersch handelaar -in oudheden, O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar -voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het -graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem -der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk -skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis -te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken -toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en -in Augustus van hetzelfde jaar werd door Hauser en Klaatsch in alle -stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist -gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen -was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven. Hauser verkocht toen het skelet -voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was -zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De -schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen -echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid -geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal -stukken uiteen, en de stukken zijn toen later door Klaatsch met behulp -van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar -gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking -was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor -verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is. [20] Daarbij -zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden -van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai -bewerkte steenen werktuigen uit de "moustiérien"-periode en eenige -overblijfselen van den aueros (bos primigenius) in de omgeving van het -skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare -gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen -onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst -veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren, -omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen -ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele -lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer -16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd, -groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak -(type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw -van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot -van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande -houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le -Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën -en voorovergebogen lichaam kon bewaren. - - -10. l'Homme de la Chapelle-aux-Saints. Daar deze vondst, naast die -van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte -anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik -de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de -voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid -en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel -betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische -gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze door M. Boule, -den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt, -[21] kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den -eersten rang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later -praehistorisch-anthropologisch onderzoek. - -In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger -dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie -Roomsch-Katholieke geestelijken--in Frankrijk telt de praehistorische -anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de -R. K. geestelijkheid--de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in -een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in het Corrèzedal, -die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder -deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet -uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde, -rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den -eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een -houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een -aantal steenen werktuigen, in de steenlagen gevonden, waren van het -Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort -van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere -dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof -deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere -doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel -te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat -het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte -lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne -natuurlijke ligging tegen elkaar aan. Behalve de regelmatig gevormde -uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag, -waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene -boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen -werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom -van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden. - -Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer -1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de -ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet -of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch, -daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral -de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine -beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde "pithecoïde" -(bij de apen terug te vinden) kenmerken. - -Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel, -waarvan door Boule een voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van -het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in -de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover -elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar -natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan -moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke -trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer -lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen -verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote, -wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend, -de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de -oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae, -die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter -verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding, -het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft -een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij -geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den -menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook -van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat -de hersenen omsluit, het intellectueele element, boven de kaakstreek, -het onderste gedeelte van het gelaat, als 't ware het materieele -element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de -verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen -zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd. - -Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men -den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een -schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden -menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23 -zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van -terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange -beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en -kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige -beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den -fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een -duidelijken indruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van -dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan -welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men -denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van -dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt, -waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn. - -Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel. Het is aan -de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt, -een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te -vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen -vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was, -dat Boule door vergelijking van dit afgietsel met een reeks van -dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid -kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van -dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is -nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is, -slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen -mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar -was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud -met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen. - -Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant -van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van -Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en -menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan -de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van -den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen, -of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat -als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou -aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een -andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of -zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de -representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied, -en door Schwalbe, Kramberger en een aantal andere anthropologen -wordt de neanderdal-mensch als homo primigenius tot een andere -soort gerekend dan de homo sapiens. Wij komen hierop later bij onze -algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als -behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la -Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen -vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode, -waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw -de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den -voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat -men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere -soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke -eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in -den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen -dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond -van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de -bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen -vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij -dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd, -zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij -lag het skelet in de voor de latere "Höckergräber" zoo typische houding -met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel -verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen -liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den -doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking, -dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele -duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden -begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige -vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een -soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het -graf in de richting oost-west, en een geloof in een voortbestaan -na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode -medegegeven wapenen.--Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit -de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar -het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat -men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver -morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil -toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene -slotbeschouwingen nog nader terug. - - -11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den -laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909-1910), la Pech de -l'Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met -stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota's die er van -gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het -neanderdal-ras opgedolven. - - -12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter -belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst van -Grimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van -Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone, -systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door -eenige Fransche archaeologen, met name Verneau, Boule, Villeneuve -en vroeger door Rivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die -allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de "aurignac"-periode -en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde -"Cro-magnon" type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van -den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abt Villeneuve -in de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de -bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het "Cro-magnon" -type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan -van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder -de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij -gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven -elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden -nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype, -zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd, -zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch -der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch -met vooruitstekende kaken, platten neus, bijna geen kin en een aan -het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat -dit type door Verneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven, -het "negroïde" type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide -skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de -beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7 -meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger -in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het -karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens -de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke -overblijfselen tot het laatste gedeelte van de "aurignac"-periode -behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de -"moustier"-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn -als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel -door latere opgaven van M. Boule gebleken, dat de ouderdom van deze -"negroïde"-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maar er -blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode, -waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken -aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die -een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe -voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van -schedels. Had men van deze negroïde schedels van Verneau slechts het -schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende -wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier -schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de -kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers -bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen -schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in -zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te -zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid. - - -13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen -tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen, -houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere -tijdperken, het Moustierium, de "acheuléen" en "chelléen" periode, -zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de -groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren -schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen, -hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde -oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op, -dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen, -aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen -wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste -perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkelde skeletvormen naast -meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen -de beide typen bestaan. - -Vondst van Cro-magnon in Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent -het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn -naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in -een "abris sous roche" daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in -een steenlaag uit de aurignac-periode. Door Lartet, die de vondst -nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen -spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen, -versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar -oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen -bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk, -stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is -typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens. - -Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde -type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen -tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en -sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf -uit het neolithicum), zooals die van Laugerie-Basse in Dordogne, in -1872 door Massénat uitgegraven, van Chancelade, eveneens in Dordogne, -in 1888 gevonden, uit de grot van Hoteaux, bij Rossillon, allen uit -de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier -met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen -zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de -afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten, -dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus -nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een -schedelvorm bezat, die zich in de hoofdpunten volkomen aansloot aan -die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras -moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk, -in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan -er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen, -die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen -wij niet. - - -14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit -opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het -in 1910 door Hauser en Klaatsch gevonden skelet van Combe Capelle, -den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht -bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm -is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met -hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen -(langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou -evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men -nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen "homo -aurignaciensis Hauseri," zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt -de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk -ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke -gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal -volksstammen vinden, bij de eskimo's, om in Europa te blijven, en -wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden -bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet, -in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien. - - - -Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de -verschillende vondsten afsluiten. Slechts die vondsten hebben -wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden, -belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie -van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te -schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten -mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt: - -Met de rendier- en bisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het -oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der -eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving -ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en -wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been, -zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum, -het magdalenium. - -Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze -cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij -het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het -rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen -het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich -langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven -met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende -vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar -overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote -verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag, -die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum, -de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen- -en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische -overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen, -zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is. - -Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij een andere geworden in -een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van -den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het -grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere -vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook -den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd -met de overblijvende menschen van het cro-magnon-ras ras. Zijne -raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij -komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen -uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van -een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en -meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo -volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor -het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk. - -Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en het cro-magnon-ras -vonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus -nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in -het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen -van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het -niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie -van buiten Europa te denken? - - - -Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den -mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van -belang gevonden? - -Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den -pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen -er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in -Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn, -maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid, die wat die -gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men -daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking -van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de -bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek -hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid -verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen, -die door Noethling in Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig -(1902) door Swinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond, -dat zij niet in het uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen, -zooals door Noethling was gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus -zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn. - -Zoo werden door Alsberg in 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool -in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde -voetsporen van menschelijke wezens gevonden. Klaatsch, die deze -voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van -menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen -den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. Door Branco -werd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en door -Noethling werden dan ook later in afgelegen streken van Australië -in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door -kangoeroe's waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten, -dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als door -Klaatsch in geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk -zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst.... - -Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking -van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië -en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche -onderzoekers (met name Ameghino) voor tertiair worden gehouden, worden -door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor -quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan -zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer -gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure -kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden -dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij -uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de -geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die -mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens -omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen -hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter, -de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo -is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer -hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure -kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel -uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die -door Ameghino beschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van -den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende, -ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus) -te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het -schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den -homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd, -zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage -stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met -laag, wijkend voorhoofd, door Hrdlicka beschreven, zijn ongetwijfeld -van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken -in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep. - -Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van het menschelijk geslacht, -waarvan Ameghino in de oude geologische formaties van Argentinië de -fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo -en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen -houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde -geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten, -die door Ameghino in geologisch oude steenlagen zijn gevonden, -en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus, -anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel; -van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen door -Ameghino gegeven, ligt opgesloten, is geen sprake. - -Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten -bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat -van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf, -dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de -praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika -bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd. - -Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk, -in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige -werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden -geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het -bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg -zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen -inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen -denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben -daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke -voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie -en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid -hieromtrent heeft men evenwel geenszins. - - - - - - - - -VII GEVOLGTREKKINGEN EN ALGEMEENE BESCHOUWINGEN. - - - "We must not fall into the error of supposing - that the early progenitor of man was identical - with, or even closely resembled, any existing - ape or monkey." [22] - - Darwin. - - -Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent -het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij -voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt -dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die -nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het -gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij -zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld -van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen -geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte, -aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap, -door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld -van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten -krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem -verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te -worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet -te brengen? Zeer zeker niet. Het gaat met elken tak van wetenschap -zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter -de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich -opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch -het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van -dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het -de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans -zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand -wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van -het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het -ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een -sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht -wordt voorgezet. En dat is 't, wat ten slotte het wetenschappelijk -onderzoek in discrediet zou brengen. - -In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe -brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen -met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die -dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het -zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de -zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen. - -Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks, -d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger -werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de -gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde -dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder -de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de -spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op -den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de -gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst -waren, ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als "primaten," als -"eerste onder de levende wezens," in een zelfde orde vereenigd. In -den tijd van Linnaeus paste deze voorstelling geheel en al in den -kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd -van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch -viel op te merken. "Simia quam similis, turpissima bestia, nobis" -schreef Ennius [23]. Galenus bestudeerde de anatomische verhoudingen -van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische -daad, toen Vesalius beweren dorst, dat Galenus gefeild had in -dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen -uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde -menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht, -staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand; -"ik moet bekennen," schreef Buffon, "dat als men slechts op den vorm -van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch -kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij -aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden." De la Mettrie -hoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen -het spreken en goede manieren te leeren, Lord Monboddo leerde reeds, -dat de mensch van de apen afstamt, Huxley stelde als resultaat van -een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek, -vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den -gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die, -welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds -in 1824, onder den invloed van de theorieën van De Lamarck, Vizey -de opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een -Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan. - -Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijn niet vrij te -maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen, -maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen, -de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het -meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken. - -Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo -ja, met welke, of wellicht met meerdere? - -Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit -zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral -met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht, -die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen, -ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van -verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgens -Melchers (1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen -te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde -apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea, -de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke -rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband -staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in -Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden -afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea's, de rondhoofdige -alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs -met de gibbons verwantschap zouden bezitten. - -Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden -eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en -dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder -slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette -ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn. - -Iets dergelijks zegt de door Klaatsch in de laatste jaren (na -1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche -herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen, -het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen -en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt. - -Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen. - -Door Darwin is, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het -reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften -doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de -dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch -identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben -geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig -levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen, -zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts -in een verwijderd genetisch verband mede. - -Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende -aapsoorten,--en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het -meest op den mensch gelijkende menschapen--nauwkeurig bestudeeren en -ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch, -dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer -gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd -zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral -bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen -dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond -steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde -apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in -ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het -gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde -voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren), en vooral met zijn zoo -verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit, -speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat -men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie -hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch -en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch -verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband -staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3 -schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat -men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig -levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit -een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft. - -Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde -wet van Dollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde -specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm -weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een -zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen) -als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van -de andere viervoetige dieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen, -dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen -weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als -wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal -gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van -alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders -gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande -houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen, -dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van -den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt, -waar het eerst slechts alleen het achterste gedeelte van den romp -droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke -verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden, -zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en -slanke dijbeenderen. - -Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd. - -Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd -gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig -gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken -vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke -dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste -menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de -richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in -geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld -in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest -primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen, -een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de -kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden, -doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een -grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de -kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde -apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas -gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier -een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral -van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk -gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk -te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak -zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter -van de tanden en kiezen, sluit elke gedachte aan een afstamming van -den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit. - -Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der -oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een -gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het -vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire -aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen, -heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken -stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame -harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze -of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht -verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een -andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en -een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den -loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende -menschapen bracht. - -Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even -doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere -evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde -soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de -ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den -loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties -opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het -individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale -leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds -vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al -vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo -is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en -het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen -een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroeg in de -ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt -de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en -men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste -teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De -specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de -overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst -in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij -de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs -na het einde van het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds -geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen, -die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere -geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan, -zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den -oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van -die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen -dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst -recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen -en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee, -gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de -oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de -schedels van een menschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje -van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van -den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich -bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter -dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch -met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde -blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de -middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van -een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen -orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd -en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in -vergelijking met zijn volwassen soortgenoot. - -Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus -als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der -tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde, -is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische -menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch -door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op, -dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten -hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de -dierenwereld aannemen,--en dat hebben wij juist als punt van uitgang -aangenomen--dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen, -der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen -wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen -zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij -onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen, -die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van -voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord -op deze vraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen, -noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen -wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch -kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting -van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft, -moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een "homo novus," een -"parvenu" (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft, -doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de -vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni -geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden -van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op -dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst -van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte -de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht, -wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van -zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de -stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk -geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog -steeds een homo novus. - -Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van -fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten -betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is -uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele -tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van -andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige -tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom, -de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende -soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken, -dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraan dan een of -andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar -zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld -te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam -dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken, -in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht -in aanmerking kunnen komen. - -In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat, -zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend -waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den -voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten -geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten -van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn -der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen. - -Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa -grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder, -dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft -losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet -worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke -overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol -begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in -Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden, -maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan -zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de -aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het -groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte, -is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het -grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van -de groote landverbinding, die in vroegere tijden tusschen Amerika en -Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen -ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch -klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het -eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan -niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist -die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het -wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder -ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage -ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus -in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in -Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig -Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het -Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de -bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid -heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo's, -ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat -de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen, -is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd. - -Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst. - -Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch -rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling -van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den -ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden -wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit -de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden -der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa -menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen in zeer sterke mate -dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die -kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit -vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten -van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren, -dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven, -en er den naam "eoanthropus," "het wezen, staande aan den dageraad -der menschwording," voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent -den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker -voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst -merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk -in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische -pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk, -Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het -neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints -het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk -van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den -tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor van -Wilser, Schwalbe en zijn volgers hem als een andere menschensoort, -den homo primigenius, den "eerstgeboren" mensch, opvatten. Daarna -de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras, -vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens, -zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm, -bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen, -niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den -weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten, -voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch, -zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele -ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen, -van oudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel! - -Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof -tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en -de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch, -het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen -van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende -rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte, -gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des -Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd -als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type, -met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel, -dat de pithecanthropus niet zoo oud is als Dubois meende, doch -in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke -vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java, -terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is -zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de -inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in -het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd -is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het -neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa, -palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die -welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden? - -Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen -stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen, -in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds -een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten, -die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons -zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstuk -van de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist -werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus--eoanthropus--homo -heidelbergensis--mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch) -kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in -genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan, -waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat -zij zoo geloopen heeft, wordt er niet door bewezen. - -Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende, -den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende -wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen -ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met -het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het -laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam, -dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis -(en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo -ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden, -dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde -der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van -den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de -minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten, -zich niet in het einde, doch reeds in het begin der tertiaire periode -uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der -aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven -aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld. - -Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen -in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een -ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude -blootgestelde Eskimo's, Lappen, enz., zich duizenden en duizenden -jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk -ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste -teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij -steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der -hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er -wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in -een warm klimaat heeft plaats gevonden. - -Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm, -die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus -moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van -elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook -zien gebeuren bij in een zoogenaamde "mutatie-periode" gerakende -plantensoorten. Met "vrij snel" bedoel ik dan hier in den loop van -weinige duizenden jaren, met "rassen" (of ondersoorten of hoe men -dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel -ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig -iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van -"hominiden," (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende, -doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In -den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode -ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en -verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als -wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier -als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van -uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen, -dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van -het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk, -dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt -(vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het -weerstand bieden aan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden -en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is -het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle -verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is -geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor -voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar -verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde -apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van -gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der -eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden -steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het -Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den -Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote -hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo -heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk, -ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten, -zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep -in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of -in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het -zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van -een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel -nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich -sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren -geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode -reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de -eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer -homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en -den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den -neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeelte van -den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies -van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het -Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven -niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen -tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer -werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een -op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het -"negroide" type van Verneau in de Grotte des Enfants bij Grimaldi, -uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs -zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika -langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen -Tunis--Sicilië--Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na -eenigen tijd weder spoorloos verdwenen. - -Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere -invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit -Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk -type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras -heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het -neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder -vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets -later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt; -het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode -maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac- -en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het -palaeolithicum, de "solutréen" periode en het magdalenium met zijn -prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde -voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger -beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel. - -Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het -cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwe cultuur, die van het -neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en -van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van -een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische -cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog -met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en -zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten -een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer -vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen -volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten, -van uit het Zuid-Oosten aan. - -Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de -afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger -gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de -geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver -uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische -perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der -ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt -buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden -gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de -ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep, -door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke -tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus, -de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het -begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend. - -Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming -van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik -niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet -de oplossing van het probleem ons geeft, doch die door de eigenaardige -wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet -inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat. - -Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde "pygmeeën" een groote -waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch -toeschrijft. - -Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing -het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee -feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in -de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote -diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als -voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten -optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van -het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden -opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich -uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgens Kollmann nu ook -voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen -moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig -levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen, -stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel -grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam -"pygmeeën," dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het -alleen maar uit het titelvignet van Stanley's in Darkest Africa) de -dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka's, de wedda's, -de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen -enz., vormen volgens Kollmann's opvatting een sterk verspreid, -op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid -moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins -geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in -oude tijden, zelfs in den voorhistorischen tijd, zijn pygmeeën bekend -geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild, -komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de -gebroeders Sarasin zijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische -pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in -verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast -skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgens -Kollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt, -vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair, -over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam. - -Dit brengt Kollmann nu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel, -dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben -ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de -mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer -dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst -zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras -der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine -anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende -menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan -langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den -oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid -in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere -rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in -Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook -de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden -gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam -bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces -zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soort van atavisme, -van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben. - -Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd -en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote -hersenmassa. Waar juist zij, volgens Kollmann, den oervorm voorstellen, -zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog -tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en -kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de -voorstelling van Kollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie -tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als -den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge -en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die -van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen -oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts -een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak -van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden -dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden -volgens Kollmann ook de verschillende vormen van het Neanderdalras -met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een -divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen, -en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen. - -In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware -zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van -waarheid, doch zij wordt door Kollmann tot het absurde doorgevoerd. Het -is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere -vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein, -de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan -de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaam ten -naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook -gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld -meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit -verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis -duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van -deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit, -dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat -ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken -dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen -oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit -een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit -zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even -hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten -als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden, -dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten -hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen -als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide -vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de -geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan -wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering van Kollmann, -dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen, -uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De -kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een -degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar -dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den -tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten -eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, "aapachtige" -kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch -samengaan en die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de -vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten -tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande -vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van -Piltdown, den eoanthropus. - -Ook is de geheele voorstelling van Kollmann, volgens welke de pygmeeën -de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan, -niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op -geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen, -ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur -omgeven, brengt hun veeleer in verband met de "Kümmerrassen," die -wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren, -zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein, -scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort -zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies, -dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de -eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan -in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste -poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel -meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De -dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van -normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens -normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen -afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één -kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden. - -Zoo heeft dus de voorstelling van Kollmann weinig waarschijnlijkheid -op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor -op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen. - -Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De -taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is -afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de -vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht -geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de -laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld -heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren, -daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe -vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder -twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om -ons heen ons stelt, zullen verschaffen. - -Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier -behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den -onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar -dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke -voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog -voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons -afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk -organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit -een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor -zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen, -die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben -moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een "voorpoot," -langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren -eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand, -zooals wij die nu bezitten. - -Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den -voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig -werd, zich ophief, verloor het hart in dezen nieuwen stand zijn -steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus -een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu -weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk -lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke -eigenschap, met deze verandering in verband gebracht. - -Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het -bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische -afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te -noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en -haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen. - -Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van het menschelijk -lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de tertiaire periode -met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat nu zelfs nog -verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording moet hebben -plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de "voormensch" -zijn boomleven moest opgeven en meer en meer zich aan een leven op -den beganen grond moest aanpassen. Verschillende eigenaardigheden van -den bouw van den menschelijken voet in vergelijking met dien van de -apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. Ja, men hoort zelfs spreken -van een "paradijsachtigen oertoestand," waarin de voormenschen moeten -hebben verkeerd, en het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer -het wonderschoon verhaal van de schepping van den mensch in Genesis -in de gedachten roept. In verband met het leven op den beganen grond -moet den voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van -de jacht leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te -verschaffen en in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest -scherpte, zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging gebruiken, -enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer verschillende -veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder spijsverteringskanaal -gepaard, kortom, het geheele organisme van den mensch zouden wij in -verband met zijne afstamming, zijne wordingsgeschiedenis, kunnen -beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik hier echter onbesproken -laten, en volstaan met er op te wijzen, dat slechts het onderzoek -naar de afstamming van den mensch ons er toe brengt, ook deze vragen -te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt uit, het menschelijk -lichaam te onderzoeken. - - - - - - - - -VERKLARINGEN [25] - - -Pag. 36: Assez intelligents pour faire le feu = begaafd genoeg om -vuur te kunnen maken. - -Pag. 37: Ces êtres n'étaient pas, etc. = (dat) deze geen menschen -waren en dit nog niet konden zijn. - -Pag. 44: "Revenons à nos moutons" = om op ons onderwerp terug te komen. - -Pag. 78: "Der so lange verkannte Homo neanderthalensis" etc. = (dat) -"de zoo lang miskende "neanderthaler mensch" zijn wetenschappelijke -opstanding vierde." - -Pag. 106: Aanhaling van DARWIN: "Wij moeten niet in de dwaling -vervallen van te veronderstellen, dat de oorspronkelijke verwekker -van den mensch identiek was met, of zelfs maar van nabij geleek op -eenige bestaande apensoort." - -Pag. 108: "Simia quam similis, turpissima bestia, nobis" = Hoeveel -de aap ook op ons gelijken mag, blijft hij toch het leelijkste beest. - - - - - - - - -INHOUDSOPGAVE. - - - Hoofdstuk Pag - - Voorwoord V - I Ontwikkelingsgang der levende natuur 1 - II De plaats van den mensch in dit - ontwikkelingsproces 15 - III De postpliocaene ijstijd in Europa 25 - IV Ouderdom der menschelijke overblijfselen 35 - Tabel van de onderverdeelingen van het - oud-steenen tijdperk 52 - V De overblijfselen van den voorhistorischen - mensch zelf 54 - VI De voornaamste anthropologische vondsten 63 - VII Gevolgtrekkingen en algemeene beschouwingen 106 - - Verklaringen 145 - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Alles wat is, kan slechts juist beoordeeld worden, als men weet, -hoe het geworden is. - -[2] In de eerlang in de W.B. verschijnende monographie van Prof. Jonker -over "het ontstaan der Aarde" zal de lezer meer uitvoerige en -gedetailleerde gegevens over dit onderwerp vinden. Hier kan ik slechts -eenige der hoofdpunten aanroeren. - -[3] Zooals de door Cayeux beschreven praecambrische radiolariën. - -[4] In den laatsten tijd zijn er ook reeds overblijfselen van -laagstaande dieren, die evenwel volgens de auteurs al tot verschillende -groepen zouden behooren, in enkele gesteenten van de azoïsche periode -door een aantal onderzoekers beschreven. Dat juist op dit gebied nog -veel onzekerheid heerscht, en het nieuwere onderzoek telkens andere -feiten aan het licht brengt, behoeft ons, de moeilijkheden van dit -gebied in aanmerking genomen, niet te verwonderen. Het is hier niet -de plaats, hierop verder in te gaan. - -[5] De mensch draagt in zijne lichaamsvormen nog steeds den -onuitwischbaren stempel van zijn lagen afkomst. - -[6] Vierde druk 1908. Tübingen. H. Laupp. - -[7] Herkenbaar aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen, -die bij de menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van -eenzelfde hol werden gevonden. - -[8] De tertiaire mensch staat nog slechts op den drempel van het -gebouw der wetenschap. - -[9] Zie achterin. - -[10] Zie achterin. - -[11] Zie achterin. - -[12] Men vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd. - -[13] Zelfs in den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel -steenen pijlpunten gebruikt. - -[14] Wij weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is, -dat de mensch zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan -zelfs zoo lang geleden zijn als de eocaene periode. - -[15] Ook dit wordt echter weer tegengesproken, door Dubois zelf en -door een Engelsch anthropoloog van groote autoriteit, Arthur Keith, -die in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de -pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig -schijnt mij echter de opvatting van Volz en Martin op degelijker -gronden te berusten. - -[16] De inmiddels door Dawson en Smith Woodward gepubliceerde -uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel -omtrent de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat -betreft den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst -primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel -altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben beoordeeld. - -[17] Zooals echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels -verschenen uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen -twijfel bestaan aan de juistheid dezer voorloopige opgaven van -Dr. Smith Woodward. - -[18] Zie achterin. - -[19] Door Fraipont en Lohest in 1886 beschreven. - -[20] Volgens de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten -tijd een beter gipsafgietsel van vervaardigd. - -[21] M. Boule. l'Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de -Palaeontologie 1913. blz. 1-278. 101 afbeeldingen. - -[22] Zie hierachter. - -[23] Zie hierachter. - -[24] De verantwoordelijkheid voor de samenstelling van dit Register -berust bij de Redactie W. B. - -De eigennamen staan cursief. - -[25] Deze verklaringen zijn van de Redactie der W.B. - - - - - - -End of Project Gutenberg's De afstamming van den mensch, by J. Boeke - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH *** - -***** This file should be named 54227-8.txt or 54227-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/4/2/2/54227/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - diff --git a/old/54227-8.zip b/old/54227-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 4bc5907..0000000 --- a/old/54227-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h.zip b/old/54227-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 3eeed06..0000000 --- a/old/54227-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/54227-h.htm b/old/54227-h/54227-h.htm deleted file mode 100644 index 0420409..0000000 --- a/old/54227-h/54227-h.htm +++ /dev/null @@ -1,7915 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" -"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2017-02-23T21:04:37Z. --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta name="generator" content= -"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> -<title>De afstamming van den mensch</title> -<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii"> -<meta name="generator" content= -"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Jan Boeke (1874–1956)"> -<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href= -"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Jan Boeke (1874–1956)"> -<meta name="DC.Title" content="De afstamming van den mensch"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="Darwinism"> -<meta name="DC:Subject" content="Evolution"> -<meta name="DC:Subject" content="Humans"> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument -{ -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.abbr { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -sup { -line-height: 6pt; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0em 0.05em 0 0; -padding: 0px; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.advertisment { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0%; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0%; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indextoc { -text-align: center; -} -.transcribernote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.correctiontable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0% 7em 0%; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em 0% 2em 0%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0% 0em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -tr.bottom, td.bottom, th.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0px solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { -border-top: 1px solid black !important; -} -tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { -border-right: 1px solid black !important; -} -tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { -border-top: 1px solid black !important; -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { -border-right: 1px solid black !important; -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { -border: 1px solid black !important; -} -tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { -border-top: none !important; -} -tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { -border-right: none !important; -} -tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { -border-left: none !important; -} -tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { -border-top: none !important; -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { -border-right: none !important; -border-left: none !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { -border: none !important; -} -.cellDoubleUp { -border: 0px solid black !important; -width: 1em; -} -td.alignDecimalIntegerPart { -text-align: right; -border-right: none !important; -padding-right: 0 !important; -margin-right: 0 !important; -} -td.alignDecimalFractionPart { -text-align: left; -border-left: none !important; -padding-left: 0 !important; -margin-left: 0 !important; -} -td.alignDecimalNotNumber { -text-align: center; -} -span.ditto { -display: inline-block; -vertical-align: middle; -text-align: center; -} -span.ditto span.s { -height: 0; -visibility: hidden; -line-height: 0; -} -span.ditto span.d { -display: block; -text-align: center; -line-height: 8pt; -} -span.ditto span.i { -position: relative; -top: -2px; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover { -background-color: #FFDCDC; -}body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum -{ -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -}.pagenum, .linenum { -speak: none; -} -</style> - -<style type="text/css"> -.rowspan { -vertical-align: middle; -} -#adheyenbrock .divBody, #adploeg .divBody { -border: 1px solid black; -padding: 20pt; -text-align: center; -} -.adTitle { -font-size: large; -} -.adCat { -font-size: medium; -display: inline-block; -} -.adDesc, .adReview { -font-size: small; -padding-left: 2em; -} -.adReviewer { -font-size: small; -text-align: right; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd24e325 -{ -text-align:left; -} -.xd24e326 -{ -text-align:right; -} -.xd24e109width { -width:474px; -} -.xd24e115width { -width:481px; -} -.xd24e135 -{ -font-size:large; -} -.xd24e139 -{ -text-align:center; -} -.xd24e146width { -width:473px; -} -.xd24e162width { -width:478px; -} -.xd24e214 -{ -text-align:right; -} -.xd24e217 { -background: url(images/initial-w.png) no-repeat top left; -} -.xd24e217init { -float: left; -width: 110px; -height: 105px; -background: url(images/initial-w.png) no-repeat; -text-align: right; -color: white; -font-size: 1px; -} -.xd24e321width { -width:720px; -} -.xd24e410width { -width:149px; -} -.xd24e416 -{ -font-size:small; -} -.xd24e530 -{ -padding-left:2em; -} -.xd24e568 { -background: url(images/initial-s.png) no-repeat top left; -} -.xd24e568init { -float: left; -width: 110px; -height: 105px; -background: url(images/initial-s.png) no-repeat; -text-align: right; -color: white; -font-size: 1px; -} -.xd24e631width { -width:149px; -} -.xd24e641 { -background: url(images/initial-i.png) no-repeat top left; -} -.xd24e641init { -float: left; -width: 110px; -height: 105px; -background: url(images/initial-i.png) no-repeat; -text-align: right; -color: white; -font-size: 1px; -} -.xd24e691width { -width:617px; -} -.xd24e816width { -width:462px; -} -.xd24e821width { -width:149px; -} -.xd24e853width { -width:401px; -} -.xd24e913width { -width:563px; -} -.xd24e923width { -width:585px; -} -.xd24e955width { -width:720px; -} -.xd24e964width { -width:630px; -} -.xd24e1035width { -width:376px; -} -.xd24e1177width { -width:149px; -} -.xd24e1194 { -background: url(images/initial-h.png) no-repeat top left; -} -.xd24e1194init { -float: left; -width: 110px; -height: 100px; -background: url(images/initial-h.png) no-repeat; -text-align: right; -color: white; -font-size: 1px; -} -.xd24e1240width { -width:618px; -} -.xd24e1261width { -width:595px; -} -.xd24e1273width { -width:149px; -} -.xd24e1297width { -width:665px; -} -.xd24e1355width { -width:588px; -} -.xd24e1501width { -width:478px; -} -.xd24e1514width { -width:709px; -} -.xd24e1526width { -width:358px; -} -.xd24e1649width { -width:626px; -} -.xd24e1670width { -width:362px; -} -.xd24e1724width { -width:600px; -} -.xd24e1729width { -width:651px; -} -.xd24e1747width { -width:571px; -} -.xd24e1767width { -width:718px; -} -.xd24e1776width { -width:690px; -} -.xd24e1809width { -width:671px; -} -.xd24e1854width { -width:641px; -} -.xd24e2017 { -background: url(images/initial-g.png) no-repeat top left; -} -.xd24e2017init { -float: left; -width: 110px; -height: 107px; -background: url(images/initial-g.png) no-repeat; -text-align: right; -color: white; -font-size: 1px; -} -.xd24e2122width { -width:342px; -} -.xd24e2135width { -width:502px; -} -.xd24e2306width { -width:149px; -} -.xd24e5602width { -width:149px; -} -.xd24e5712width { -width:149px; -} -.xd24e5718 -{ -font-size:xx-large; -} -.xd24e5740 -{ -text-align:left; -} -.xd24e5781 -{ -font-size:x-large; -} -.xd24e5804 -{ -font-weight:bold; -} -.xd24e5813 -{ -font-size:small; -} -.xd24e6158 -{ -border:4px solid black; margin:2em; padding:2em; -} -.xd24e6161 -{ -text-align:center;font-size:large; -} -@media handheld -{ -.xd24e217 { -background-image: none; -padding-top: 0; -} -.xd24e217init { -float: none; -width: auto; -height: auto; -background-image: none; -text-align: right; -color: inherit; -font-size: inherit; -} -.xd24e568 { -background-image: none; -padding-top: 0; -} -.xd24e568init { -float: none; -width: auto; -height: auto; -background-image: none; -text-align: right; -color: inherit; -font-size: inherit; -} -.xd24e641 { -background-image: none; -padding-top: 0; -} -.xd24e641init { -float: none; -width: auto; -height: auto; -background-image: none; -text-align: right; -color: inherit; -font-size: inherit; -} -.xd24e1194 { -background-image: none; -padding-top: 0; -} -.xd24e1194init { -float: none; -width: auto; -height: auto; -background-image: none; -text-align: right; -color: inherit; -font-size: inherit; -} -.xd24e2017 { -background-image: none; -padding-top: 0; -} -.xd24e2017init { -float: none; -width: auto; -height: auto; -background-image: none; -text-align: right; -color: inherit; -font-size: inherit; -} -} -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of De afstamming van den mensch, by J. Boeke - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De afstamming van den mensch - Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt - -Author: J. Boeke - -Release Date: February 23, 2017 [EBook #54227] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ASCII - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e109width"><img src="images/cover.jpg" alt= -"Oorspronkelijke voorkant (omslag)." width="474" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e115width"><img src="images/frontcover.jpg" alt= -"Oorspronkelijke voorkant." width="481" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="byline">PROF. D<sup>R</sup>. J. BOEKE</div> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH</div> -<div class="subTitle">MET 27 TEKSTFIGUREN, REGISTER EN EENIGE -VERKLARINGEN</div> -</div> -<div class="docImprint">WERELDBIBLIOTHEEK</div> -</div> -<div class="div1 dedication"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd24e135">DE AFSTAMMING<br> -VAN DEN MENSCH</p> -<p class="par xd24e139">Aan de nagedachtenis van mijn vader zij dit -boekje in eerbiedige herinnering opgedragen door</p> -<p class="par xd24e139">DEN SCHRIJVER.</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e146width"><img src="images/series-title.jpg" -alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="473" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="seriesTitle">WERELD BIBLIOTHEEK</div> -</div> -<div class="byline"><span class="sc">Onder leiding van L. -Simons</span></div> -<div class="docImprint">UITGEGEVEN DOOR: DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN -GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e162width"><img src="images/titlepage.jpg" alt= -"Oorspronkelijke titelpagina." width="478" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="byline">P<sup>ROF</sup>. D<sup>R</sup>. J. BOEKE</div> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH</div> -<div class="subTitle">NAAR VOORDRACHTEN IN POPULAIR-WETENSCHAPPELIJKEN -VORM BEWERKT</div> -</div> -<div class="docImprint">MET 27 TEKSTFIGUREN, REGISTER EN EENIGE -VERKLARINGEN</div> -</div> -<div class="div1 note"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd24e139">Dit werk maakt een onderdeel uit van onze -serie <b>ENCYCLOPAEDIE</b> in <b>MONOGRAFIEËN</b></p> -</div> -</div> -<div id="voorwoord" class="div1 preface"><span class= -"pagenum">[<a href="#xd24e5618">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORWOORD</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Dit boekje vindt zijn oorsprong in een reeks van -voordrachten over het afstammingsvraagstuk, in den winter 1912–13 -in „Ons Huis” in Rotterdam gehouden. Op verzoek van den -uitgever heb ik ze iets omgewerkt en er een aaneengesloten geheel van -gemaakt. Men zoeke er geen wetenschappelijk betoog in. De vakman zal er -wellicht veel in missen, wat hem belangrijk voorkwam. Mijn doel bij het -schrijven van dit werkje was slechts, een voor den ontwikkelden leek -begrijpelijk overzicht te geven van wat men tegenwoordig onder het -afstammingsvraagstuk verstaat, van de feiten, die men heeft kunnen -verzamelen en de theorieën, die men aan die feiten heeft -vastgeknoopt. Mijn streven was, niet, zooals zoo dikwijls in populaire -geschriften juist over dit vraagstuk geschiedt, een volledig -geconstrueerd beeld te geven van de afstamming van den mensch, zooals -de schrijver van zulk een boekje zich die toevallig denkt, maar te -laten zien, hoe weinig men er eigenlijk aan positieve feiten over weet, -en welke beschouwingen zich aan die weinige feiten laten vastknoopen. -Het boekje moge daardoor aan samenhang en duidelijkheid verloren -hebben, aan eerlijkheid heeft het er wellicht door gewonnen.</p> -<p class="par signed">Leiden, Augustus 1913. J. BOEKE. <span class= -"pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name="pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5627">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">I</span> ONTWIKKELINGSGANG DER -LEVENDE NATUUR</h2> -<div class="epigraph"> -<p lang="de" class="par first">„Jedes sein wird nur durch sein -werden erkannt.”<a class="noteref" id="xd24e211src" href= -"#xd24e211" name="xd24e211src">1</a></p> -<p class="par xd24e214"><span class="ex">Haeckel.</span></p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par xd24e217"><span class="xd24e217init">W</span>anneer wij -de natuur om ons heen aandachtig beschouwen, en ons rekenschap geven -van hetgeen hare verschillende elementen, hare bergreeksen, ravijnen en -bergmeren, hare lage landen, hare wouden, zandvlakten, zeeën, -koraalriffen, ons te zeggen hebben, dan ontrolt zich voor ons een beeld -van immer wisselende verandering, van worden en vergaan, van -ontplooiing, van <span class="ex">evolutie</span>, een beeld dat ons -met diep ontzag vervult voor de geweldige natuurkrachten, die deze -veranderingen tot stand brengen en beheerschen. Wij zien, hoe -bergreeksen zich verheffen door rimpeling van het aardoppervlak om de -door afkoeling kleiner wordende kern, hoe tengevolge van plaatselijke -langzame daling van den bodem geheele landstreken weder door water -worden bedekt, hoe geheele bergtoppen door de zwaarte van daaroverheen -schuivende gletschers worden af geslepen, hoe diepe dalen door de -waterstroomen allengs worden uitgegraven en de afgeslepen slib elders -als langzaam verhardende klei- en steenlagen wordt afgezet. -<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name= -"pb2">2</a>]</span></p> -<p class="par">Met die veranderingen van de aarde zelf, die zich over -een bijna oneindig schijnend geweldig lang tijdsverloop uitstrekken, en -die men naar aanleiding van bepaalde, sterk op den voorgrond tredende -veranderingen in bepaalde tijdperken, „perioden,” pleegt te -verdeelen, gaan nu wisselingen van het klimaat en van de dieren- en -plantenwereld hand in hand. En zoo kan men ook in de wereld der levende -wezens bepaalde tijdperken of perioden onderscheiden, waarbij in elk -dergelijk tijdperk van ontwikkeling een eigenaardig karakter van de -flora en fauna op den voorgrond treedt, het bepaalt.</p> -<p class="par">Zeer in het kort<a class="noteref" id="xd24e227src" -href="#xd24e227" name="xd24e227src">2</a> kan men dezen geheelen -ontwikkelingsgang als volgt schetsen: nadat de aarde door langzame -afkoeling een vaste harde steenkorst aan hare oppervlakte had gevormd, -nadat na verdere geleidelijke afkoeling zich op die vaste korst water -had gevormd en dit eene temperatuur verkregen had, waarbij het leven -mogelijk was, ontstonden de eerste levende wezens, op de grens van -planten- en dierenrijk staande. Men moet ten minste wel aannemen, dat -het leven bij zijn ontstaan aan dergelijke vormen gebonden was, waar -men ziet, dat de eerste levende wezens, die uit die alleroudste -perioden hunne sporen in versteeningen hebben achtergelaten, uiterst -kleine eencellige organismen<a class="noteref" id="xd24e233src" href= -"#xd24e233" name="xd24e233src">3</a> zijn. <i>Hoe</i> deze eerste -levende wezens zijn ontstaan, is ons, dit zij hier terloops opgemerkt, -nog volkomen een raadsel, en het zal dit wel altijd voor ons blijven. -Waar het levensbeginsel zelf, de ondoorgrondelijke, eeuwige, goddelijke -drang in de natuur, die tot evolutie, tot ontplooien van alle krachten, -<span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name= -"pb3">3</a>]</span>tot aanpassen, tot strijden, tot instandhouding en -volmaken van de soort dwingt, voor ons steeds ondoorgrondelijk zal -blijven, waar dit buiten het bereik der wetenschap ligt, daar zal de -vraag, hoe, op welke wijze dat leven ontstaan is, eveneens een niet op -te lossen raadsel blijven, waartegenover wij machteloos staan.</p> -<p class="par">Maar wel zullen wij de overblijfselen van de eenmaal -gevormde organismen, zoo zij in de aardlagen zijn bewaard, kunnen -herkennen, en kunnen vaststellen, wanneer en in welken vorm die levende -wezens zich voor het eerst op aarde hebben vertoond, en hoe zij zich in -daaropvolgende perioden der aardontwikkeling hebben voorgedaan. En zijn -zij nu eenmaal opgetreden, dan zien wij hen wel al direct in een aantal -vormen van uiteenloopende gedaante en groepeering, doch tevens, naar -mate wij jongere formaties nagaan, in hoe langer hoe volkomener vorm, -in hoe langer hoe meer wisselende gedaante en veelzijdige ontwikkeling, -steeds meer doelmatig en beter toegerust voor den strijd om het -bestaan, zich vertoonen.</p> -<p class="par">En wij zien dan tevens, hoe, al gaat bij de regelmatig -voortgaande afkoeling van onze planeet ook de ontwikkeling van de aarde -steeds haren geleidelijken, rustigen, geregelden gang, toch bepaalde -veranderingen van de aardkorst met zeer bepaalde en over de geheele -aarde optredende veranderingen van de planten- en dierenwereld -samengaan, zoodat de straks reeds genoemde tijdperken kunnen worden -onderscheiden, waarin het karakter van het aardoppervlak, de planten -die het bedekten, de dieren die er zich op bewogen, scherp omschreven -eigenaardige kenmerken vertoonden. Dit leeren ons de versteende en in -dien vorm bewaard gebleven overblijfselen van dieren en planten uit die -verschillende perioden, en zoo algemeen, zoo overal wederkeerend is dit -verschijnsel, zoo zeker vinden wij altijd de overblijfselen van -dezelfde vormen in aardlagen en gesteenten <span class= -"pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>van een -bepaalde, zelfde periode ingesloten, dat wij aan den anderen kant juist -de aanwezigheid van bepaalde versteeningen, de zoogenaamde -„gidsfossielen” in de een of andere aardlaag of in een of -ander gesteente gebruiken om daaruit den vermoedelijken ouderdom van -die aardlaag of gesteenten te kunnen berekenen.</p> -<p class="par">In die aardlagen, die tot harden steen saamgeperste -massa’s, zien wij nu de overblijfselen van dieren en planten -steeds hooger georganiseerd, steeds meer samengesteld van bouw worden, -naarmate jongere formaties worden onderzocht. Op de oudste steenlagen -der <span class="ex">azoïsche periode</span>, waarin wij nog geen -met zekerheid als zoodanig herkenbare sporen van levende wezens kunnen -aantoonen—al is het ook zeker, dat er toen reeds leven op aarde, -zoowel in het water als in de toen bestaande, uit de sedimentaire -afzettingen dier perioden herkenbare landformaties bestond<a class= -"noteref" id="xd24e258src" href="#xd24e258" name= -"xd24e258src">4</a>—volgen in langzamen overgang de oudste lagen -der <span class="ex">palaeozoïsche periode</span>, zooals in de -eerste plaats het <i>cambrium</i> met zijne overblijfselen van laag -georganiseerde ongewervelde dieren, zijn zeewieren, zijn rijkdom aan in -groote vormverscheidenheid optredende maar over het algemeen nog -slechts tot een geringen graad van ontwikkeling gekomen waterbewoners -en ongewervelde landdieren, dan het <span class="ex">silurium</span> -met de eerste sporen van visschen (van hooger georganiseerde gewervelde -waterdieren dus) en zijne reeds door tot verschillende groepen -behoorende <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name= -"pb5">5</a>]</span>ongewervelde landdieren gekenmerkte uitgebreide -vastelandformaties, en het <span class="ex">steenkolentijdperk</span> -met zijn verdere landvorming, zijn uiterst weelderigen plantengroei, -uit welk tijdperk de als steenkolen bekende afzettingen getuigenis -afleggen van de uiterst rijke verscheidenheid van vormen, zoo van -dieren als planten, die toen ter tijde de aarde bevolkten, en van het -warme, tropische klimaat, dat gedurende dat tijdperk van ontwikkeling -over de geheele aarde (ook in de poolstreken zijn steenkoolbeddingen -met overblijfselen van tropische planten gevonden) heerschte. Met het -steenkolentijdperk, waarin de varens, de wolfsklauwachtige planten, de -vaatkryptogamen, hun hoogste ontwikkeling bereikten, en in reusachtige -vormen en dichte wouden de aarde bedekten, eindigt het -palaeozoïcum.</p> -<p class="par">Terwijl de aarde geleidelijk afkoelt, de temperatuur -lager, het klimaat minder tropisch wordt, terwijl het water meer en -meer voor groote vastelanden plaats maakt, verandert in aansluiting -hieraan ook weer het karakter van dieren- en plantenwereld. Na het -<span class="corr" id="xd24e278" title= -"Bron: palaeozoicum">palaeozoïcum</span> onderscheiden wij de -<span class="ex">tweede</span> periode, het <span class= -"ex">mesozoicum</span>, de „middeleeuwen” van de -ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur. In verband met de vorming -der groote vastelanden, zien we de landfauna vooral zich sterk -ontwikkelen. Landslakken, op het land levende gelede dieren, -laagstaande viervoetige gewervelde dieren worden in de steenlagen dezer -periode aangetroffen naast overblijfselen van naaldboomen, sagopalmen -enz.; in dit tijdperk bereiken de kruipende dieren, de reptielen, de -hagedisachtigen, hun hoogste ontwikkeling, en worden in de reusachtige -vormen (brontosaurus bijv.) aangetroffen, die ieder wel uit -afbeeldingen of uit hun kolossale geraamten in verschillende musea -kent. Naast deze reusachtige hagedisachtige dieren, die toen de aarde -bevolkten, zien wij in de tweede aardperiode <span class= -"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span>de eerste -sporen van zoogdieren optreden en ook de eerste vogels zien wij, in nog -sterk aan de kruipende dieren herinnerende vormen, verschijnen.</p> -<p class="par">Doch eerst in de afzettingen uit de derde periode, het -<span class="ex">tertiaire</span> tijdperk, het <span class= -"ex">neozoicum</span>, de periode, die het begin van den nieuwen tijd -in de geschiedenis der natuur inaugureert, zien wij de overblijfselen -van zoogdieren in een groote verscheidenheid van groepen en soorten uit -de hen omhullende steen- en zandlagen te voorschijn treden, zien wij op -de palmen, de varens, de naaldboomen en de reusachtige sauriërs -der tweede periode volgen de loofplanten en de hoogere palmen, de -groote zoogdieren in hun hoogste ontwikkeling en -verscheidenheid,—zien wij ook de vastelanden, de werelddeelen der -mesozoische periode, door toenemende schrompeling en rimpeling van het -langzaam afkoelende aardoppervlak gedeeltelijk weder onder den -zeespiegel verdwijnen, om plaats te maken voor nieuwe werelddeelen, -voor een nieuwe verdeeling van land en water, totdat langzamerhand de -aardoppervlakte het uiterlijk verkrijgt, zooals wij dat in den tijd, -waarin wij nu leven, kennen.</p> -<p class="par">Aan het einde dier derde geologische periode, bij den -overgang naar de laatste periode, de <span class="ex">vierde</span>, -die waarin wij nu nog leven, zien wij nu een juist voor de -ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch uiterst merkwaardig tijdperk -komen, dat der postpliocaene <span class="ex">ijstijden</span>, of in -het kort samengevat, den <i>ijstijd</i>, de <i>glaciale -periode</i>.</p> -<p class="par">Over dezen term „postpliocaene ijstijden”, -even een enkel woord.</p> -<p class="par">Zooals later nog wel ter sprake zal komen, heeft men in -den laatsten tijd duidelijke sporen kunnen vinden van sterke -afkoelingsperioden uit een veel vroeger geologisch tijdperk, na het -steenkolentijdperk, waarbij het in sommige streken ook reeds tot het -vormen van ijs moet gekomen zijn. Vandaar dat hier niet, zooals -<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name= -"pb7">7</a>]</span>men placht te doen, van „de ijstijd”, -maar van den postpliocaenen ijstijd gesproken wordt.</p> -<p class="par">Over de geheele aarde wordt de gemiddelde temperatuur -lager, worden de winters langer en strenger, de zomers korter, tot -zich, van de poolstreken uit, de alle leven vernietigende ijskorst -verder en verder naar het Zuiden, dieper en dieper van de hooge bergen -tot in de minder koude dalen afdalende, uitbreidt. Zoo wordt het -grootste gedeelte van Noord- en West-Europa met dikke, soms -kilometerdikke ijsmassa’s bedekt. Slechts de zuidelijke streken, -vooral Zuid- en West-Frankrijk en België blijven vrij (men -vergelijke het kaartje van Fig. 1); wij zullen later zien, van hoeveel -belang dit voor de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch is -geweest.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e321width" id="fig01"><img src= -"images/fig01.jpg" alt="" width="720" height="607"> -<p class="par first">Fig. 1. De uitbreiding van de groote gletschers in -Europa ten tijde van de glaciale periode.</p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="xd24e325 cellLeft cellTop">I</td> -<td class="xd24e326 cellRight cellTop">Grootste uitbreiding der -gletschers.</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd24e325 cellLeft">II</td> -<td class="xd24e326 cellRight">Groote baltische gletscher.</td> -</tr> -<tr> -<td class="xd24e325 cellLeft cellBottom">III</td> -<td class="xd24e326 cellRight cellBottom">Aral-Kaspisch -waterbekken.</td> -</tr> -</table> -</div> -<p class="par"></p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Men moet volstrekt niet denken, dat deze afkoeling zich -tot Europa alleen beperkte, evenmin als wij den gang van zaken ons zoo -moeten voorstellen, dat zich aan het einde der tertiaire periode voor -het eerst een dergelijke afkoeling van het oppervlak der aarde -vertoonde. Neen, waarschijnlijk keeren dergelijke afkoelingen van de -aarde (vermoedelijk tengevolge van astronomische oorzaken) na geregelde -tusschenpoozen van ongeveer 50.000 jaar weder terug, en wij zien alleen -den eersten meer algemeenen <span class="ex">ijstijd</span> aan het -einde der tertiaire periode optreden, omdat toen eerst de aarde -voldoende was afgekoeld, om het mogelijk te maken dat de geringe daling -van de gemiddelde jaartemperatuur tot het vormen van een ijskorst van -groote uitgebreidheid leiden kon. Zooals reeds werd opgemerkt, heeft -men in den laatsten tijd kunnen vaststellen, dat ook reeds bij een -vorige afkoelingsperiode in sommige streken van de aarde ijsvorming -moet hebben plaatsgevonden. Het is echter juist deze afkoelingsperiode -bij het begin van het vierde tijdperk, die voor Europa en hare -bewoners, voor de ontwikkeling van het menschelijk geslacht in het -algemeen, <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name= -"pb8">8</a>]</span>van zoo overwegend belang is geweest. Vandaar, dat -juist deze groote afkoelingsperiode hier ter sprake gebracht wordt. Na -dien eersten „ijstijd” volgen die afkoelingsperioden, -waarbij de temperatuur tot beneden het vriespunt daalt, dan ook verder -regelmatig elkander op. Vermoedelijk zijn reeds drie of meer dergelijke -„ijstijden” verloopen, en leven wij nu zoo ongeveer -tusschen twee afkoelingsperioden in. Tot eenheid over deze vraag is men -echter nog lang niet gekomen. Terwijl de meeste geologen op -<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name= -"pb9">9</a>]</span>het voetspoor van Penck minstens 3 ijstijden met -daartusschen liggende „interglaciale perioden” aannemen, en -van een glaciaalphase van Günz, Mindel, Riss, Würm, spreken, -meenen andere geologen van naam, dat de eigenaardigheden van den bouw, -de ligging en de uitbreiding der moraenen en zwerfblokken, waaruit deze -gegevens worden geput, wel op plaatselijke schommelingen van den -sneeuwgrens wijzen, doch niet op zulke uitgebreide, algemeene -temperatuurschommelingen, die zich over het geheele aardoppervlak -uitstrekken, behoeven te wijzen, dat men daaruit het bestaan van een -aantal werkelijke „ijstijden” mag afleiden. Hoe dit zij, -meer locale (zich bijvoorbeeld slechts over een gedeelte van Europa -kenbaar makende) schommelingen in de gemiddelde temperatuur, en -daarmede van de sneeuwgrens, schommelingen zeer zeker van zeer langen -duur en geleidelijken overgang, kan men toch wel met zekerheid -aannemen. En dat is voor het ons hier bezighoudende probleem, zooals -wij later zullen zien, voldoende.</p> -<p class="par">Wat de eerste vraag betreft, men heeft zoowel in Afrika, -Amerika, Australië en Azië, zoo goed als in Europa zelf, -duidelijke sporen van vroegere gletschervormingen gevonden, zelfs reeds -uit zeer veel vroegeren tijd, die er op wijzen dat ook daar de -afkoelingsperiode een „ijstijd,” d. w. z. een sterke daling -van de sneeuwgrens, deed ontstaan, al bleef deze in de warme streken -natuurlijk alleen tot de hooger gelegen bergstreken beperkt.</p> -<p class="par">In de tertiaire periode zagen wij reeds de zoogdieren in -steeds hooger georganiseerde vormen optreden, terwijl onder de planten -eveneens de hoogst ontwikkelde vormen, de loofboomen, de aarde -bedekten. Naarmate wij nu de steenlagen uit de latere gedeelten der -tertiaire periode onderzoeken, blijken de overblijfselen van de planten -en dieren, die daarin bewaard <span class="pagenum">[<a id="pb10" href= -"#pb10" name="pb10">10</a>]</span>gebleven zijn, steeds meer te gaan -gelijken op de dieren en planten, die in den tegenwoordigen tijd -leven.</p> -<p class="par">Terwijl talrijke lagere planten en dieren in het laatste -gedeelte der tertiaire periode in dezelfde soortvormen voorkwamen als -die, welke wij nog thans op onze aarde levend aantreffen, zien wij, ook -wat de hooger georganiseerde planten en dieren betreft, een steeds -grooter wordende overeenkomst met de flora en de fauna van den -tegenwoordigen tijd. Bij den overgang van de tertiaire in de quartaire -periode, het <span class="ex">diluvium</span>, nemen de hoogst -ontwikkelde vormen onder de planten en dieren in aantal en in -verbreiding over verschillende streken van de aarde toe, zien wij -steeds hooger gespecialiseerde vormen van zoogdieren optreden, krijgt -de levende natuur langzamerhand meer en meer het karakter, dat zij in -den tegenwoordigen tijd vertoont.</p> -<p class="par">Zoo zien wij dus, hoe in het ontzaglijk lange -tijdsverloop, dat achter ons ligt, sinds het eerste leven zich op onze -aarde openbaarde, een tijdsverloop, niet met duizenden, doch met -millioenen jaren te berekenen, de dieren- en plantenwereld zich -langzaam en geleidelijk ontwikkelt. Hooger georganiseerde, meer -samengesteld gebouwde vormen treden op, worden eerst in enkele vormen -op bepaalde plaatsen gevonden, verkrijgen langzamerhand een grootere -verspreiding, ontwikkelen zich, treden op in talrijke, steeds meer -gespecialiseerde soorten, bereiken een hoogtepunt hunner ontwikkeling -en specialisatie en sterven langzamerhand uit. Andere dier- of -plantvormen nemen hun plaats in, en vertoonen dezelfde verschijnselen. -Overal wisseling, sterke aanpassing aan bepaalde levensverhoudingen, -ook weder achteruitgang, doch alles te zamen genomen een onbedwingbaar, -rusteloos voortgaand streven naar vooruitgang, naar hoogere -organisatie, naar beter toegerust zijn voor den strijd om het bestaan. -<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name= -"pb11">11</a>]</span></p> -<p class="par">Niet door op elkaar volgende scheppingen van telkens -andere dier- en plantvormen, doch door geleidelijke ontwikkeling, door -evolutie, door een geregeld zich aanpassen aan de veranderlijke -uitwendige omstandigheden, zien wij de zoo groote verscheidenheid van -levensvormen gedurende den langen ontwikkelingsgang van onze aarde -ontstaan.</p> -<p class="par">Dat leert ons de palaeontologie, dat leert ons nu ook de -ontwikkelingsgeschiedenis der nu levende plant- en diervormen, d. w. z. -de leer van den gang van het proces van vorming van een of ander dier -of plant, beginnende bij de bevruchte eicel, en eindigende op het -tijdstip dat het dier geboren wordt, of de plant zijn vollen wasdom -heeft bereikt.</p> -<p class="par">Elk dier moet, bij het zich vormen uit de zoo uiterst -eenvoudig gebouwde bevruchte eicel, een bepaalde ontwikkeling -doormaken, voor het den vorm van het volwassen dier, den vorm van zijne -ouders en soortgenooten, heeft bereikt. En het is uiterst merkwaardig, -dat wij bij dien ontwikkelingsgang van het individu, voortdurend -verschijnselen zien optreden, die ons herinneren aan bepaalde vormen, -door een der voorvaderen van dat bepaalde dier in de lange reeks der in -vroegere perioden door die bepaalde dier<span class="ex">soort</span> -doorloopen vormen gedragen. Elk embryo beklimt, zooals men het wel eens -fantastisch uitdrukt, bij zijn ontwikkeling zijn eigen stamboom, d. w. -z. de ontwikkeling van elk individu is een wedergave in gedrongen vorm -van de gradueele veranderingen, gedurende de ontwikkeling van die -bepaalde diersoort of dien bepaalden diertypus, waarvan het individu de -eindvorm is, in den loop der duizenden jaren doorgemaakt, slechts min -of meer „vervalscht” door directe aanpassing van het embryo -aan een nieuwe omgeving, zooals bijvoorbeeld van het zoogdier-embryo -aan het hem beschuttend en voedend orgaan van het moederlichaam, in -tegenstelling met het embryo van een <span class="pagenum">[<a id= -"pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span>eierleggend dier, dat bij -zijn ontwikkeling is aangewezen op het voedsel en de beschutting, die -bij het leggen aan het ei werden medegegeven.</p> -<p class="par">Reeds hieruit zou men, afgezien van de door de -vergelijkende anatomie aan het licht gebrachte feiten, tot het begrip -der evolutie moeten besluiten. Hetzelfde leert ons, zooals ik reeds -aangaf, het onderzoek der overblijfselen van fossiele dieren en planten -uit vroegere tijdperken, de palæontologie. Het zou mij veel te -ver voeren, hier nader op in te gaan. Slechts wil ik bij -één verschijnsel nog iets langer stilstaan, daar dit van -uiterst groot belang is voor het probleem, dat ons in de volgende -hoofdstukken zal bezighouden.</p> -<p class="par">Dat is een verschijnsel, waarvan een Belgisch geleerde, -Prof. <i>Dollo</i>, het eerst de algemeenheid en het groote belang -aantoonde, en dat hem ter eere meestal als de „wet van -<span class="ex">Dollo</span>” wordt aangeduid. Hieronder -verstaat men het volgende: heeft zich in den loop van het -evolutieproces een diergroep sterk in een bepaalde richting -gespecialiseerd, zooals bijvoorbeeld de groote groep van de -vleermuizen, bij wie de voorste ledematen zeer sterk zijn uitgegroeid -en veranderd, zoodat zij als vleugels konden worden gebruikt, dan kan -bij verandering van levenswijs of van de omstandigheden, waaronder de -nakomelingen zich bevinden, deze specialisatie niet weer verloren gaan -in dien zin, dat de oorspronkelijke vorm der voorste ledematen weer -opnieuw zou optreden. Evenmin keert een in den loop van de ontwikkeling -van een soort verloren gegaan of rudimentair geworden orgaan ooit weer -tot denzelfden oorspronkelijken vorm terug, als de omstandigheden -waaronder de nakomelingen van die bepaalde soort zich bij hunne verdere -evolutie bevinden, een sterkere ontwikkeling van dat orgaan zouden -wenschelijk maken. Er wordt dan óf een ander orgaan tot -ontwikkeling gebracht, dat ’t eerste vervangt, óf wel de -soort, die zich niet kan aanpassen <span class="pagenum">[<a id="pb13" -href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>aan de veranderde -omstandigheden, sterft uit. Zooals het door <i>Dollo</i> werd -uitgedrukt: „de ontwikkeling is een niet omkeerbaar -proces.” Volgens deze wet kunnen dus diersoorten, die zich in een -bepaalde richting, in aanpassing aan een bepaalde levenswijze, sterk -hebben gespecialiseerd, nooit de voorvaderen zijn van diersoorten, die -in datzelfde opzicht minder sterk gespecialiseerd zijn. Wel echter kan -het omgekeerde het geval zijn.</p> -<p class="par">Hetzelfde verschijnsel, waarvan de algemeenheid door -<i>Dollo</i> aan een reeks van zeer duidelijke en sprekende voorbeelden -werd bewezen, wijst ons nu den weg, wanneer wij met een zoogenaamde -„specialisatie-kruising” (<span lang="fr">chevauchement des -spécialisations</span> van <i>Dollo</i>) te doen hebben. Als van -twee diergroepen of diersoorten (A en B) de eene soort in -één opzicht, bijv. in den bouw der ledematen, sterker -gespecialiseerd is dan de andere, in een ander opzicht, bijv. in den -bouw van het gebit, evenwel meer primitieve verhoudingen vertoont, -terwijl verder in het algemeen de twee groepen of soorten zoo zeer op -elkaar gelijken, dat men geneigd zou zijn, de eene soort als de -stamvader van den andere te beschouwen, dan kan men op grond van de wet -van <i>Dollo</i> dit laatste met zekerheid uitsluiten en hoogstens -zeggen dat beide groepen of soorten een gemeenschappelijken voorvader -moeten hebben gehad, waaruit zij zich beide in verschillende richtingen -hebben ontwikkeld.</p> -<p class="par">Wij zullen later zien, van hoe groot belang dit -verschijnsel is voor het probleem, waarmede wij ons in de volgende -hoofdstukken zullen bezighouden.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e410width"><img src="images/ornament.png" alt= -"Ornament." width="149" height="80"></div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name= -"pb14">14</a>]</span></p> -<p class="par"></p> -<div class="table"> -<h4 class="tablecaption">TABEL I. OVERZICHT DER GEOLOGISCHE -PERIODEN.</h4> -<table class="xd24e416"> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">I.</td> -<td colspan="4" class="colspan cellRight cellTop">Archaeische -(Azoïsche) periode, over het algemeen geen fossielen bekend, doch -ongetwijfeld reeds leven op aarde aanwezig.</td> -</tr> -<tr> -<td rowspan="4" class="rowspan cellLeft">II.</td> -<td rowspan="4" class="rowspan">Palaeozoische (primaire) periode (het -zoogenaamde <span class="corr" id="xd24e429" title= -"Bron: eerste">Eerste</span> levenstijdperk)</td> -<td rowspan="4" class="rowspan"><img src="images/lbrace4.png" alt="" -width="9" height="78"></td> -<td>Silurische</td> -<td class="cellRight">periode.</td> -</tr> -<tr> -<td>Devonische</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td>Steenkolen</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td>Permische</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td rowspan="3" class="rowspan cellLeft">III.</td> -<td rowspan="3" class="rowspan">Mesozoische (secundaire) periode -(<span class="corr" id="xd24e462" title="Bron: tweede">Tweede</span> -levenstijdperk)</td> -<td rowspan="3" class="rowspan"><img src="images/lbrace3.png" alt="" -width="9" height="53"></td> -<td>Trias</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td>Jura</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td>Krijt</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td rowspan="4" class="rowspan cellLeft">IV.</td> -<td rowspan="4" class="rowspan">Neozoische (tertiaire) periode (Derde -levenstijdperk)</td> -<td rowspan="4" class="rowspan"><img src="images/lbrace4.png" alt="" -width="9" height="78"></td> -<td>Eocaene</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td>Oligocaene</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td>Miocaene</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td>Pliocaene</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td rowspan="8" class="rowspan cellLeft cellBottom">V.</td> -<td rowspan="8" class="rowspan cellBottom">Quaternaire (quartaire) -periode (Vierde levenstijdperk)</td> -<td rowspan="8" class="rowspan cellBottom"><img src= -"images/lbrace8.png" alt="" width="10" height="165"></td> -<td>Pleistocaene</td> -<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class= -"s">periode.</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span></td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight"> -(palaeolithicum)</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">oud-steenen -tijdperk.</td> -</tr> -<tr> -<td>Holocaene</td> -<td class="cellRight">periode</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">(neolithicum</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">bronstijdperk</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">ijzertijdperk</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight cellBottom"> -geschiedkundig tijdperk.)</td> -</tr> -</table> -</div> -<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name= -"pb15">15</a>]</span></div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote" lang="nl"><span class="label"><a class= -"noteref" id="xd24e211" href="#xd24e211src" name= -"xd24e211">1</a></span> Alles wat is, kan slechts juist beoordeeld -worden, als men weet, hoe het geworden is. <a class="fnarrow" -href="#xd24e211src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e227" href="#xd24e227src" name="xd24e227">2</a></span> In de -eerlang in de W.B. verschijnende monographie van Prof. <i>Jonker</i> -over „het ontstaan der Aarde” zal de lezer meer uitvoerige -en gedetailleerde gegevens over dit onderwerp vinden. Hier kan ik -slechts eenige der hoofdpunten aanroeren. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e227src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e233" href="#xd24e233src" name="xd24e233">3</a></span> Zooals de -door <i>Cayeux</i> beschreven praecambrische <span class="corr" id= -"xd24e238" title= -"Bron: radiolarien">radiolariën</span>. <a class="fnarrow" -href="#xd24e233src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e258" href="#xd24e258src" name="xd24e258">4</a></span> In den -laatsten tijd zijn er ook reeds overblijfselen van laagstaande dieren, -die evenwel volgens de auteurs al tot verschillende groepen zouden -behooren, in enkele gesteenten van de azoïsche periode door een -aantal onderzoekers beschreven. Dat juist op dit gebied nog veel -onzekerheid heerscht, en het nieuwere onderzoek telkens andere feiten -aan het licht brengt, behoeft ons, de moeilijkheden van dit gebied in -aanmerking genomen, niet te verwonderen. Het is hier niet de plaats, -hierop verder in te gaan. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e258src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5636">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">II</span> DE PLAATS VAN DEN -MENSCH IN DIT ONTWIKKELINGSPROCES</h2> -<div class="epigraph"> -<p lang="en" class="par first">„Man still bears in his bodily -frame the indelible stamp of his lowly origin.”<a class="noteref" -id="xd24e562src" href="#xd24e562" name="xd24e562src">1</a></p> -<p class="par xd24e214"><span class="ex">Darwin.</span></p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par xd24e568"><span class="xd24e568init">S</span>taat de -mensch nu buiten dit evolutieproces? Of moeten wij ook hem een plaats -in het geheel aanwijzen, waarvoor dezelfde wetten gelden die de -ontwikkeling van het dieren- en plantenrijk hebben beheerscht? En zoo -dit laatste als juist wordt aangenomen, welke zal dan die plaats -zijn?</p> -<p class="par">Wij naderen hier een gebied, dat tot de meest doorwerkte -doch ook tot de felst omstreden gebieden behoort, welke de denkende -menschelijke geest heeft trachten te ontginnen. Immers hier kwam de -moderne bioloog ten slotte in open conflict met de oude -anthropocentrische wereldbeschouwingen, met de mozaïsche -scheppingsverhalen, met zoo veel van wat door alle eeuwen heen voor -waar en heilig werd gehouden. Nu is langzamerhand in den loop der jaren -de strijd wel minder heftig geworden en heeft men leeren inzien, dat -een vast geloof in de geestelijke waarde van den mensch gepaard kan -gaan met de overtuiging, dat de mensch zich, als een integreerend deel -van de dierenwereld, <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" -name="pb16">16</a>]</span>uit die dierenwereld heeft ontwikkeld, heeft -losgemaakt, en dat een diep godsdienstig gevoel samen kan gaan met een -geloof in de idee der evolutie, ook wat den mensch betreft, doch men -houdt toch nog maar al te dikwijls aan een afzonderlijk staande plaats -van den mensch in de schepping vast, ook daar waar de evolutie voor het -dierenrijk als een juist beginsel wordt erkend.</p> -<p class="par">Voor den denkenden bioloog, die steeds er naar streeft, -te trachten de dingen om hem heen objectief te beschouwen, ze op hun -juiste waarde te schatten, en zich streng aan datgene te houden wat -binnen de grenzen van zijn waarnemingsvermogen, van zijn wetenschap -valt, die steeds zooveel mogelijk zich rekenschap tracht te geven van -den samenhang van de verschillende feiten, die hij leert kennen, is -mijns inziens slechts één antwoord op de bovengestelde -vraag mogelijk, n. l. dat ook de mensch één is met de -levende wereld om hem heen, daarvan een integreerend deel uitmaakt, en -dat ook aan den mensch een plaats in dit voor de dieren- en -plantenwereld geschetste evolutie-proces toekomt.</p> -<p class="par">Deze overtuiging wordt ons onafwijsbaar opgedrongen door -hetgeen drie takken van de morphologische wetenschap ons leeren, de -palaeontologie, de leer der fossielen, de vergelijkende ontleedkunde en -de ontwikkelingsgeschiedenis<span class="corr" id="xd24e578" title= -"Bron: ,">.</span></p> -<p class="par">Wat ons de palaeontologie omtrent het probleem van de -afstamming van den mensch leert, zullen wij in de volgende hoofdstukken -nader uiteenzetten. Wat de beide andere wetenschappen ons leeren, zij -hier kort vermeld.</p> -<p class="par">Als wij de groote verschillen in aanmerking nemen, die -bijv. tusschen de verschillende zoogdiersoorten bestaan, dan kan het -ons niet verwonderen, dat zelfs tusschen de hoogst ontwikkelde -zoogdieren en den mensch nog een aantal verschillen in bouw bestaan, -<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name= -"pb17">17</a>]</span>al zijn ook de hoofdlijnen van den bouw bij beide -dezelfde. Als wij van dit standpunt uit den bouw van het menschelijk -lichaam beschouwen, dan treft ons in de eerste plaats telkens weer de -wondervol harmonische ontwikkeling van het menschelijk organisme. Bij -geen diersoort vindt men (en dit is vermoedelijk juist het geheim van -zijn snelle ontwikkeling) een anatomischen bouw, die zulke primitieve -eigenschappen vertoont, en waarvan alle deelen zich zoo in volkomen -harmonie met elkaar, zoo gelijkmatig hebben ontwikkeld, als juist bij -den mensch. Hier geen gebit, in een bepaalde richting sterk -gedifferentieerd, hier geen bovenmatig sterk ontwikkelde spiergroepen -voor bepaalde bewegingscombinaties, geen bovenmatig verlengde -extremiteiten in aanpassing aan een bepaalde levenswijze, hier geen -darmkanaal ingericht en uitsluitend geschikt voor het opnemen en -verteren van een bepaald soort voedsel; neen, een volkomen harmonische -ontwikkeling van alle organen, en daardoor een volledig -aanpassingsvermogen aan de meest verschillende omstandigheden, en, -anatomisch gesproken, een vereeniging van primitieve, niet sterk -gedifferentieerde vormen en kenmerken, zooals geen tweede diersoort ons -kan aanwijzen.—Wij zullen later zien, hoe dit juist het -waarschijnlijk maakt, dat de lijn van ontwikkeling van het latere -menschelijke geslacht zich al zeer spoedig losgemaakt moet hebben van -de lijn van ontwikkeling der overige zoogdieren.</p> -<p class="par">Maar tevens leert ons de vergelijkende anatomie, dat in -de hoofdlijnen van den bouw er een volkomen overeenstemming bestaat, -een overeenstemming, die te grooter blijkt te zijn, naarmate men door -het nauwkeurig leeren kennen van een steeds grooter aantal -verschillende diervormen meer en meer onder de voor bepaalde -diersoorten kenmerkende eigenaardigheden de groote hoofdlijnen, men zou -kunnen zeggen de compositie van den geheelen bouw, leert onderscheiden. -<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name= -"pb18">18</a>]</span></p> -<p class="par">Het zou nu evenwel nog niet voldoende geacht kunnen -worden om op grond van deze overeenstemming van een werkelijke -verwantschap te spreken. Maar wij kunnen feiten, die voor dit laatste -pleiten, wel degelijk direct zien.</p> -<p class="par">Evenals bij de verschillende diersoorten, komen ook bij -den mensch zoogenaamde individueele variaties voor, waarbij zich bij -enkele individuen bepaalde organen vertoonen, die bij normale menschen -niet voorkomen, of organen die steeds aanwezig zijn, bepaalde, niet bij -den gewonen mensch voorkomende veranderingen in bouw, grootte of -samenstelling vertoonen. En nu is het uiterst merkwaardig, dat bij -dergelijke variaties bijna steeds veranderingen optreden, die een -toestand verwezenlijken, zooals die bij de hoogere diersoorten als -regel, als norma, bestaat. Zoo hebben wij bijvoorbeeld een aantal -spieren aan hand en arm om de verschillende zoo samengestelde en -talrijke bewegingen van ons grijp- en tastorgaan te kunnen uitvoeren. -Bij dat samenstel van grootere en kleinere spieren treden nu nog al -eens variaties op, en als zich dan bij een bepaald individu een spier -vertoont, die bij normale menschen niet voorkomt, of een wel steeds -voorkomende spier een anderen vorm dan in normale gevallen vertoont, -dan is bij eene dergelijke variatie bijna altijd een geval -verwezenlijkt, dat bij de hoogste zoogdieren (bijv. bij de apen of -bepaalde aapsoorten) als normaal geval steeds aanwezig is.</p> -<p class="par">Zoo bezit de mensch twee borstklieren, die bij het -vrouwelijk geslacht sterk ontwikkeld zijn en de voor de voeding van den -zuigeling noodzakelijke melk afscheiden. Terwijl de hoogstaande -zoogdieren ook twee dergelijke borstklieren bezitten, zijn bij de -meeste overige zoogdieren een reeks van dergelijke klieren aanwezig, in -een lijn (de zoogenaamde melklijn) aan weerszijden langs den buik -gegroepeerd. Indien nu, wat nog al eens voorkomt, bij den mensch -zoogenaamde <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name= -"pb19">19</a>]</span>overtollige borstklieren gevonden worden, dan -liggen deze altijd op die lijn, m. a. w. dan zijn dat altijd organen, -die bij de lagere zoogdieren als regel, als norma, optreden, die bij -den mensch echter als slechts zoo nu en dan voorkomende variatie nog -weer eens zich vertoonen.</p> -<p class="par">Ook in veranderingen, variaties, die bij andere organen -van het menschelijk lichaam zoo nu en dan gevonden worden, vindt men -steeds weer hetzelfde verschijnsel terug, ziet men telkens en telkens -weer eigenaardigheden in bouw en vorm optreden, die herinneren aan -vormingen, die bij de hoogste zoogdieren als constante, altijd -voorhanden zijnde kenmerken gevonden worden. In den vorm der -oorschelpen zien wij zich somtijds de toegespitste oorschelp van de -hoogste zoogdieren afspiegelen, sterke beharing van het geheele lichaam -of het gelaat (men denke bijv. aan de eertijds zoo beroemde danseres -Juliana Pastrana) brengt ons in rangschikking en richting van de haren -dierlijke vormen in de herinnering, afwijkingen in de rangschikking van -verschillende deelen, van het bloedvaatstelsel, in rangschikking, vorm -en aantal van de neusschelpen, in de grootte van het zoogenaamde orgaan -van Jacobson in den neus, in den bouw van het strottenhoofd, van de -geslachtsklieren, van verschillende deelen van het skelet, geven ons -even zoovele aanknoopingspunten te zien aan vormingen die in het -dierenrijk als normale kenmerken optreden, kortom, men kan, zooals o. -a. <span class="ex">Wiedersheim</span> in zijn beroemd geworden boek -„<span lang="de">der Bau des Menschen als Zeugnis für seine -Vergangenheit</span>”<a class="noteref" id="xd24e607src" href= -"#xd24e607" name="xd24e607src">2</a> deed, alle organen van het -menschelijk lichaam nagaan, en overal vindt men verschijnselen, die ons -onweerstaanbaar dwingen, een nauwe verwantschap met, een afstamming uit -het dierenrijk voor den mensch aan te nemen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span></p> -<p class="par">En nog sterker dringt deze overtuiging zich aan ons op, -als wij de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch nagaan en haar -vergelijken met die van de zoogdieren.</p> -<p class="par">Dank zij de groote verbeteringen van de microscopische -techniek is in de laatste 50 jaren een helder inzicht verkregen in de -ontwikkelingsgeschiedenis van tal van diervormen, zoodat wij dikwijls -tot in de fijnste bijzonderheden den verwonderlijk mooien -ontwikkelingsgang van de verschillende organen, die het dierlijk -lichaam opbouwen, hebben kunnen nagaan. Voor bepaalde diervormen heeft -men dien ontwikkelingsgang stap voor stap, bijna van uur tot uur, -kunnen bestudeeren. Het bleek nu hierbij hoe langer hoe meer, dat voor -de verschillende diervormen de ontwikkeling, uitgaande van hetzelfde -uitgangspunt, de ongedifferentieerde eicel, in groote trekken -geteekend, hetzelfde verloop had, en dat, hoe dichter de dieren, wat -hunne kenmerken betreft, bij elkander stonden, des te meer de -ontwikkelingsgang voor die vormen evenwijdig liep. En hierbij bleek -tevens, hoe juist in de ontwikkelingsgeschiedenis de duidelijkste -bewijzen opgesloten lagen voor den samenhang en de verwantschap der -dieren onderling, voor de idee der evolutie, voor het ontstaan der -soorten uit elkaar, door langzame verandering, aanpassing, volmaking. -Wij zien organen, lichaamsdeelen, die bij lagere dieren gedurende het -geheele leven in een primitieven vorm blijven bestaan, zich bij de -embryonen der hoogere dieren eerst in denzelfden vorm aanleggen, waarin -zij bij die lagere dieren zijn aangelegd. Doch dan zien wij bij den -voortgang van het ontwikkelingsproces in die organen verdere -veranderingen optreden, die langzamerhand den toestand inleiden, waarin -dat orgaan gedurende het leven van die hoogere diersoort zal blijven -verkeeren. Wij zien bij het embryo van alle zoogdieren zich -kieuwspleten aanleggen, al hebben de kieuwen <span class= -"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>hun -reden van bestaan eigenlijk verloren, sinds de voorvaderen der -zoogdieren uit het water op het land overgingen en tot landdieren -werden. Wij zien het bloedvaatstelsel in aanleg ook bij de zoogdieren -bloedvaten vormen, die bij hunne nog in het water levende voorvaderen -langs de kieuwspleten liepen om voor de opname van de zuurstof uit het -water, de ademhaling dus, te zorgen, al hebben om dezelfde reden ook -deze bloedvaten bij de zoogdieren hun reden van bestaan verloren. Wij -zien uit deze kieuwspleten en uit de stevige beschutsels daarvan, de -kieuwbogen, zich allerlei organen ontwikkelen, zooals de schildklier, -het strottenhoofd, de gehoorbeentjes etc., die eerst bij de zoogdieren -tot volle ontwikkeling komen en een belangrijke rol in het leven van -het dier krijgen te vervullen. Wij kunnen vaststellen, hoe in het -algemeen die kenmerken, die alleen eigen zijn aan de hoogst ontwikkelde -diervormen, en die dus bij de evolutie van de soort eerst laat moeten -zijn opgetreden, ook in de individueele ontwikkeling dier hoogst -ontwikkelde diersoorten, eerst laat, eerst in het laatste tijdperk van -het embryonale leven, zich kenbaar maken. Kortom, wij zien bij het -bestudeeren van de ontwikkelingsgeschiedenis van een of ander zoogdier -zich een beeld ontrollen van de duizenden en duizenden jaren, gedurende -welke die bepaalde soort zich bij den ontwikkelingsgang van de aarde -door langzame evolutie uit laagstaande vormen in duizenden op elkaar -volgende, uit elkaar voortgekomen, individuen trapsgewijze heeft -opgewerkt, ontplooid, ontwikkeld, volmaakt, totdat de vorm bereikt was, -waarvan wij nu aan het levende dier de fijne, harmonische organisatie, -de volkomen aanpassing aan de omstandigheden, waaronder het verkeert, -het samengestelde van de zoo nauwkeurig aan elkaar aansluitende -levensverrichtingen bewonderen. En naarmate wij van meerdere diervormen -een nauwkeurig beeld van de <span class="pagenum">[<a id="pb22" href= -"#pb22" name="pb22">22</a>]</span>ontwikkelingsgeschiedenis verkrijgen, -naarmate wij dus beter en beter de waarde van de verschillende -détails, de plaatselijke aanpassingen der verschillende vormen -kunnen beoordeelen en de hoofdlijnen daarvan kunnen losmaken, in die -zelfde mate wint het beeld van het geheele proces der evolutie van het -dierenrijk, dat wij zich zien ontrollen uit die individueele -ontwikkelingsprocessen der verschillende diervormen, aan duidelijkheid -en volledigheid.</p> -<p class="par">De ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch vertoont ons -nu een beeld, dat volkomen in dit kader past. In de groote lijnen is -het de zoogdierontwikkeling, die ons het wordingsproces van het -menschelijk embryo te zien geeft. Juist als bij het zoogdierembryo zien -wij zich bij de zich uit de eicel vormende menschenkiem kieuwspleten -vormen. Dezelfde organen, die bij de zoogdieren uit die kieuwspleten en -uit de zich tusschen de spleten bevindende kieuwbogen ontstaan, zien -wij ook bij het menschelijk embryo zich op dezelfde wijze, langs -denzelfden weg, volgens dezelfde methode, daaruit vormen. Dezelfde -samengestelde ontwikkelingsgang, die door het zoogdierembryo moet -worden gevolgd, zien wij ook het menschelijk embryo doormaken. Dat er -in bijzonderheden verschillen bestaan, spreekt natuurlijk vanzelf. -Evenals wij bijvoorbeeld reeds op een zeer jong stadium van -ontwikkeling een varkensembryo met zekerheid kunnen onderscheiden van -een embryo van een kat of een konijn, zoo kan de geschoolde embryoloog -op elk stadium van ontwikkeling met volkomen zekerheid zeggen, of hij -met een menschelijk embryo dan wel met het embryo van een of ander -zoogdier te doen heeft, maar de gang, het verloop van het -ontwikkelingsproces, het op elkaar volgen van de verschillende -stadiën, de wijze van aanleg van de verschillende organen en -orgaanstelsels is bij beiden zoo volkomen gelijk, dat de overtuiging, -dat slechts een gemeenzame <span class="pagenum">[<a id="pb23" href= -"#pb23" name="pb23">23</a>]</span>afstamming, een door den mensch -<i>en</i> door de zoogdieren doorgemaakte evolutie, een dergelijke -overeenstemming kan doen ontstaan, zich met onweerstaanbare kracht aan -ons opdringt. Het is verwonderlijk om te zien, hoe bijvoorbeeld een -bepaald gedeelte van het nierapparaat, dat wij slechts bij de visschen -en de tweeslachtige dieren op een bepaalde wijze tijdens het leven zien -functioneeren, toch bij het menschelijk embryo evenals bij de -zoogdieren duidelijk wordt aangelegd, om echter bij de verdere -ontwikkeling weer spoorloos te verdwijnen, als een reminiscentie aan -den grijzen voortijd, alleen omdat de uitvoergang van dat apparaat nog -in de verdere ontwikkeling een bepaalde rol speelt, de aanleg van het -apparaat zelf dus noodig was. Het geslachtsapparaat zien wij in een -uiterst samengestelden ontwikkelingsgang de verschillende phasen -doormaken, waarop wij het bij de lagere dieren gedurende het geheele -leven zien blijven staan; de beharing van het lichaam, bij den -volgroeiden mensch grootendeels verloren gegaan, zien wij bij het -menschelijk embryo op volkomen dezelfde wijze tot ontwikkeling komen -als bij de zoogdieren, ja men heeft zelfs aan de rangschikking van de -haren in het begin hunner ontwikkeling bij het menschelijk embryo nog -de duidelijke sporen kunnen terugvinden van de huidbekleeding met -schubben, die onze voorouders in den grijzen oertijd eenmaal moeten -hebben bezeten. De mensch is staartloos; dat hij zich echter moet -hebben ontwikkeld uit voorouders, die wel een dergelijk aanhangsel -bezaten, blijkt behalve uit het feit, dat zoo nu en dan als variatie, -als terugslag, nog een staart bij een voldragen kind wordt gevonden, -daaruit, dat in een vroeg stadium van ontwikkeling bij het menschelijk -embryo een zeer duidelijke staart wordt aangelegd, die evenwel na -eenigen tijd weer verdwijnt. Bij de ontwikkeling van de menschelijke -borstklier zien wij de reeds op een vorige bladzijde genoemde -„melklijn” zich als <span class="pagenum">[<a id="pb24" -href="#pb24" name="pb24">24</a>]</span>een normaal verschijnsel -vertoonen, de oorschelp zien wij zich ook bij den mensch uit de -huidplooien in de omgeving der kieuwspleten, de gehoorbeentjes zich ook -bij den mensch uit bepaalde gedeelten der oorspronkelijke kieuwbogen -vormen, kortom, er is geen detail van den ontwikkelingsgang van het -menschelijk embryo, of wij kunnen het alleen dan begrijpen, als wij ons -den mensch voorstellen in volkomen samenhang met de dierenwereld -voortgesproten uit dierlijke voorvaderen.</p> -<p class="par">Staat de mensch, de „kroon der schepping,” -aan de spits van het dierenrijk? Zeer zeker niet. In vele opzichten is -in materieelen zin de menschenvorm minder bevoorrecht dan vele zijner -natuurgenooten. In kracht van spieren zijn wij achteruitgegaan, in -gezichtsvermogen, gehoor en reuk doen wij ver onder bij de hoogere -zoogdieren, het aannemen der rechtopstaande houding heeft ons menig -nadeel bezorgd, van specialisatie in deze of gene richting is weinig te -merken, en, zooals boven reeds werd opgemerkt, juist daarin ligt de -kracht van den menschenvorm, juist daarin ligt het geheim zijner snelle -ontwikkeling en vooral van zijn vermogen zich harmonisch in alle -richtingen tegelijk te kunnen ontwikkelen.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e631width"><img src="images/ornament.png" alt= -"Ornament." width="149" height="80"></div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name= -"pb25">25</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote" lang="nl"><span class="label"><a class= -"noteref" id="xd24e562" href="#xd24e562src" name= -"xd24e562">1</a></span> De mensch draagt in zijne lichaamsvormen nog -steeds den onuitwischbaren stempel van zijn lagen -afkomst. <a class="fnarrow" href="#xd24e562src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e607" href="#xd24e607src" name="xd24e607">2</a></span> Vierde druk -1908. Tübingen. H. Laupp. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e607src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5645">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">III</span> DE POSTPLIOCAENE -IJSTIJD IN EUROPA</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par xd24e641"><span class="xd24e641init">I</span>n het eerste -hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe wij aan het -einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen zoogenaamden -„ijstijd” zien optreden, d. w. z. een periode in de -ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur -zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de geheele -wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.</p> -<p class="par">Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig -herkenbare sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd -worden gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende -eigenaardigheden, die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de -dieren, die toen ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten -van de eerste menschen optreden, wat nader te beschouwen.</p> -<p class="par">Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire -periode optredende ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch -slechts die eerste periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde -temperatuur over groote uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water -gaat bevriezen en dus ijs en sneeuw in kolossale massa’s een -groot deel van Europa gaan bedekken.</p> -<p class="par">Geweldige ijsmassa’s, dikwijls honderden meters -dik, bedekten meer en meer, bij de voortgaande daling <span class= -"pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span>van de -temperatuur, van het noorden van Scandinavië zich verder en verder -naar het zuiden van Europa uitstrekkende, het vasteland van Europa. -Evenals wij nu nog aan de gletschers in het alpengebied het zoogenaamde -„stroomen” van het ijs, het langzaam naar beneden -voortschuiven der plooibare ijsmassa zien kunnen, zoo moeten wij ons -ook voorstellen dat gedurende den ijstijd die geweldig dikke -ijsmassa’s zich eveneens voortschoven, waarbij geheele bergtoppen -werden afgeslepen (aan de gladde, ronde bergtoppen in den Eifel is dit -bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te zien), en het afgeslepen en -afgebrokkelde materiaal dikwijls in den loop der tijden duizenden -kilometers ver werd medegenomen, om, als in een interglaciale periode -de temperatuur iets hooger werd en de ijsmassa’s smolten, op het -daaronder gelegen land te worden gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde -rotslooze streken zooals bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde -zwerfblokken vinden liggen, die volgens den aard van het gesteente, -waaruit zij bestaan, uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij -het smelten dier geweldige ijsmassa’s ontstonden waterstroomen, -die als reusachtige rivieren zeewaarts stroomden, de diepe dalen als -bijvoorbeeld het Neckardal langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel -van het stroomende gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot -zand vermaald, op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.</p> -<p class="par">Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige -hoeveelheden water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het -vasteland bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, -tientallen van meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten -van het ijs het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, -doch een gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den -ijstijd sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, -landbruggen <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name= -"pb27">27</a>]</span>zich vormden, waarlangs de dieren zich van het -eene werelddeel naar het andere konden begeven, zoodat zij op deze -wijze het leven konden redden, dat bedreigd werd door het alle leven -vernietigende, alle voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche -sneeuwvelden.</p> -<p class="par">Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en -zoo zien wij dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de -dierenwereld sterk veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen -der dieren uit den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het -verloop van den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden -voortdringende ijs- en sneeuwmassa’s naar het zuiden werden -gedrongen, hoe zij, bij het teruggaan van de sneeuwlijn in eene -interglaciale periode weer mede noordwaarts trokken, omdat op het -vruchtbare vochtige gebied van de door het smelten van het ijs -vrijgekomen eindmorainen een weelderige plantengroei, overvloedig -voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan, hoe de dierenwereld zich -trachtte te verdedigen tegen, aan te passen aan de alles vernietigende -ijzige koude, die hun bestaan bedreigde, en zoo zien wij juist -gedurende dien ijstijd die eigenaardige dichtbehaarde vormen optreden -als de langbehaarde mammoeth, de langharige neushoorn, en die vormen -die in holen beschutting zochten tegen de koude, de holenbeer, de -holenleeuw, de holenhyæna, de holenwolf.</p> -<p class="par">Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft -ingegrepen in de bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in -de gesteldheid van onze aarde, die grooter veranderingen heeft -teweeggebracht in alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van -tijdperken die wij als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.</p> -<p class="par">Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten -behandelen en ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de -voorloopers van het menschelijk <span class="pagenum">[<a id="pb28" -href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>geslacht, bij dien steeds feller -wordenden strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne -vindingrijkheid ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen -gebruiken, en niet slechts defensief, doch ook offensief gingen -optreden, en zoo den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die -hen sedert door geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen -werden?</p> -<p class="par">Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot -tot de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht -gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds -schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met -beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken, -door zich als „sociale” wezens te vereenigen tot grootere -groepen met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele -vrijheid van handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden -strijd is het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.</p> -<p class="par">Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als -holenbewoner, als <i>troglodyte</i>, wiens overblijfselen in holen, in -„abris sous roche,” bewaard gebleven zijn, of in de warmere -perioden tusschen de verschillende ijsperioden in als vrij levenden -oeverbewoner aan den oever van de groote rivieren of van de meren. -Werden de holen door de groote watermassa’s, die door het -ontdooien van het ijs gevormd werden, bij overstroomingen dichtgeslibd, -dan werden zijne overblijfselen onder die beschermende sliblaag goed -bewaard. De holen liepen weer droog, bij een volgende afkoelingsperiode -werden, duizenden jaren later, de nazaten der oeverbewoners wellicht -weer tot holbewoners, zij zochten de oude holen weer op, hunne -overblijfselen bleven daar weer liggen, werden bij een warmere periode -weer door overstroomingen met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij -in dergelijke holen dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibden -<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name= -"pb29">29</a>]</span>grond boven elkaar, met daartusschenin bewaard -gebleven overblijfselen van menschen en dieren uit verschillende -perioden<a class="noteref" id="xd24e672src" href="#xd24e672" name= -"xd24e672src">1</a> (Fig. 24). Hierover later meer.</p> -<p class="par">Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek -van dergelijke overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen -van dieren uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een -korte opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den -ijstijd en de interglaciale perioden Europa bevolkten.</p> -<p class="par">Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men -van ijstijden en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur -dezer perioden aangeven?</p> -<p class="par">Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening -houdend, worden wel door verschillende onderzoekers gegeven, maar de -cijfers, die ons door de berekenaars als de eenig ware worden -voorgedragen, loopen zoozeer uiteen, dat men verstandig doet, zich van -elke vaste tijdsopgave hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren -van onberekenbaren invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand -geloofwaardig resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele -cijfers noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen -duur dezer perioden.</p> -<p class="par">Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke -oorzaak van de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen -in een regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot -de aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige -aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer -100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige -waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale periode -<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name= -"pb30">30</a>]</span>rekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker -niet te weinig gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, -dat de groote gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den -ijstijd naar het Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van -Duitschland, Nederland, Engeland en Ierland bedekten. Door die -gletschers werden van de rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven -werd, „stroomde,” grootere en kleinere stukken afgebroken, -en deze rotsstukken werden langzamerhand tot ronde en afgeronde -rolsteenen afgeslepen, door den gletscher verder gevoerd, en als dan -eindelijk het ijs smolt, bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo -vindt men dergelijke uit Skandinavië stammende rolsteenen in het -vlakke gebied van Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men -in vele gevallen de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de -snelheid kent, waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft -men kunnen berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die -door de groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden -gevoerd, tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien -weg af te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd -hebben. Zoo kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer -dan 30.000 jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den -waterval met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. -In de bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen -van de morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 -jaren verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere -periode (dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.</p> -<p class="par">De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere -interglaciale perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de -overblijfselen tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later -zullen zien, voor een <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" -name="pb31">31</a>]</span>deel zelfs afbeeldingen, door hun -menschelijke tijdgenooten vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de -volgende:</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e691width" id="fig02"><img src= -"images/fig02.png" alt="" width="617" height="161"> -<p class="par first">Fig. 2. Afbeeldingen van den mammoet, op stukken -fossiel ivoor door zijn menschelijken tijdgenoot der ijsperiode -ingekrast. Naar <i>De Mortillet</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">1°. <span class="ex">de mammoet</span>, <i lang= -"la">elephas primigenius</i>, de groote, dichtbehaarde, met geweldige -tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der -ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs -met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van -Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de -hier in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van -mammoettanden, door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd -ingekrast. Ik heb juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een -alleraardigst bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze -ivoorstukken werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen -men van den mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide -ingekraste teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding -van den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam, -en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet, toen -men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië -bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog -voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk een <span class= -"pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name= -"pb32">32</a>]</span>plaatvormige, uit vetweefsel bestaande verbreeding -vertoonde van precies denzelfden vorm, als die op de ingekraste -teekeningen aangegeven was. Hierdoor was dus met absolute zekerheid de -„echtheid” van de teekeningen bewezen, want alleen een -ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf, die tegelijk met den -mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste afbeelding kunnen -maken.</p> -<p class="par">2°. <span class="ex">De oerolifant</span>, de -<i>elephas antiquus</i>, verreweg de grootste der fossiele olifanten, -meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen reusachtige stoottanden -(tot 5 meter lang), iets vroeger optredend dan de mammoet, en meer een -dier uit het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk en van de -warmere interglaciale perioden. Tot in Engeland gevonden. Vermoedelijk -zeer weinig behaard, evenals de tegenwoordige olifantensoorten.</p> -<p class="par">3°. Andere olifantensoorten (<i>el. meridionalis</i> -en <i>el. trogontherii</i>), vermoedelijk evenzeer begeleiders van de -menschen der ijsperiode, doch ook alleen in de warmere interglaciale -perioden meer naar het noorden (tot in Engeland) doordringend.</p> -<p class="par">4°. <span class="ex">De Siberische neushoorn</span> -(<i>rhinoceros tichorhinus</i>), met twee achter elkaar staande horens -op den kop, eveneens een der reusachtige dikhuidige dieren, die in het -laatste gedeelte van den ijstijd geheel Europa tot in Siberië toe -bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.</p> -<p class="par">5°. De <i>rhinoceros merckii</i>, evenals de elephas -antiquus meer een dier der interglaciale perioden, die, toen het weder -kouder begon te worden, zich meer naar het Zuiden van Rusland en -Hongarije terugtrok.</p> -<p class="par">6°. Het <span class="ex">groote nijlpaard</span>, -<i>hippopotamus major</i>, in reusachtige exemplaren in lagen uit de -interglaciale periode tot in Engeland gevonden.</p> -<p class="par">7°. Het <span class="ex">elasmotherion</span>, aan -de neushoorns verwant, voorzien van één langen hoorn -midden <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name= -"pb33">33</a>]</span>tusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van -de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit -Zuid-Azië tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.</p> -<p class="par">8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen -gedurende den ijstijd zijn de <span class="ex">herten</span>, die in -een aantal soorten van dikwijls reusachtige afmetingen geheel Europa -bevolkten. De reuzenherten (<i>cervus euryceros</i>) uit Ierland, de -reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de edelherten, de rendieren, -die voor den praehistorischen mensch van zoo groot belang werden, dat -men een geheele periode uit de menschelijke praehistorie naar hen als -de rendierperiode heeft onderscheiden (men vergelijke de uit een -oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding in fig. 3).</p> -<p class="par">9°. De verschillende <span class= -"ex">beer</span>soorten, waarvan vooral de <span class= -"ex">holenbeer</span> (<i>ursus spelaeus</i>) voor de laatste koude -periode van den ijstijd kenmerkend is, en waarvan de overblijfselen in -reusachtige exemplaren te zamen met menschelijke overblijfselen in de -holen der ijsperiode zijn gevonden.</p> -<p class="par">10°. De tijdgenooten van den holenbeer, de -<i>holenkat</i> (<i>felis spelaea</i>), de <i>holenhyaena</i>, de -<i>holenwolf</i>, dieren, die de tegenwoordige tijgers in grootte -overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel zeldzamer -dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste koude periode -van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen met menschelijke -overblijfselen gevonden zijn.</p> -<p class="par">11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit -den ijstijd moeten in de eerste plaats nog genoemd worden de -<span class="ex">wisent</span> (<i>bison priscus</i>), waarvan de -overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in ’t eeuwige ijs van -Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen -gevonden zijn, verder de <span class="ex">aueros</span> (<i>bos -primigenius</i>), die vooral in de warmere interglaciale perioden en na -afloop van den ijstijd tot in <span class="pagenum">[<a id="pb34" href= -"#pb34" name="pb34">34</a>]</span>het noordelijk gedeelte van Europa -doordrong, en die als de voorvader van het rund der Zwitsersche -paalwoningen en van ons huisrund wordt beschouwd. Als typische -gestalten uit de warmere interglaciale periode kunnen wij nog noemen -het <span class="ex">wilde zwijn</span>, een soort van <span class= -"ex">schaap</span>, het over geheel Europa toen ter tijde verspreide -<span class="ex">stekelvarken</span>, en verwant daarmede, het -<span class="ex">trogontherium</span>, doch daarmede kunnen wij onze -lijst sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te -beschrijven, doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de -overblijfselen later in verband met het probleem van de afstamming van -den mensch zullen moeten worden ter sprake gebracht.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e816width" id="fig03"><img src= -"images/fig03.png" alt="" width="462" height="322"> -<p class="par first">Fig. 3. Grazend rendier, ingekrast op een stuk -rendierhoorn. Gevonden in een grot bij Thayngen in Zwitserland. Uit de -magdalenien-periode van het oude steenen tijdperk.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e821width"><img src="images/ornament.png" alt= -"Ornament." width="149" height="80"></div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name= -"pb35">35</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e672" href="#xd24e672src" name="xd24e672">1</a></span> Herkenbaar -aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen, die bij de -menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van eenzelfde hol -werden gevonden. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e672src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5654">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">IV</span> OUDERDOM DER -MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.</h2> -<div class="epigraph"> -<p lang="fr" class="par first">„l’Homme tertiaire -n’est encore que sur le seuil de la science.”<a class= -"noteref" id="xd24e834src" href="#xd24e834" name= -"xd24e834src">1</a></p> -<p class="par xd24e214"><span class="ex">Broca.</span></p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par xd24e641"><span class="xd24e641init">I</span>ndien wij nu -als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de mensch uit de -dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan, dan kan men -onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is dan het -menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den -voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond -van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien, -en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van -welke diersoorten stamt de mensch af?</p> -<p class="par">Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der -beide laatste vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch -en zijne voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.</p> -<p class="par">Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet -noodzakelijk.</p> -<p class="par">Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat -wij hier juist de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, -d.w.z. van wezens, die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, -maar daarnaast zich <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" -name="pb36">36</a>]</span>door geestelijke eigenschappen moeten hebben -onderscheiden van de tegelijkertijd met hen levende dieren.</p> -<p class="par">Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen -wij alleen uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de -weeke klei hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en -duidelijk herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot -het bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die -kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En men -denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson Crusoe, die -volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn oogenschijnlijk -onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den afdruk van een -blooten menschenvoet vond.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e853width" id="fig04"><img src= -"images/fig04.png" alt="" width="401" height="272"> -<p class="par first">Fig. 4. Tertiaire eolithen, naar <i>Rutot</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter -nog verder gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een -bepaalden ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan -is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne -vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het dan -ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van -woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte -artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen -overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde -„menschelijke” manier te zijn behandeld, gespleten (om het -merg er uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot -het bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door -iedereen toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het -moderne praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le -Préhistorique, dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden -hebben bestaan, „<span lang="fr">Assez intelligents pour faire le -feu</span>,”<a class="noteref" id="xd24e865src" href="#xd24e865" -name="xd24e865src">2</a> <span class="pagenum">[<a id="pb37" href= -"#pb37" name="pb37">37</a>]</span>maar dat „<span lang="fr">ces -êtres n’étaient pas et ne pouvaient pas être -encore des hommes</span>,”<a class="noteref" id="xd24e876src" -href="#xd24e876" name="xd24e876src">3</a> doch dit schijnt mij een -volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in -tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven -voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt, -dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens -op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin, -dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen -(de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak -dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de -natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van -de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende -steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met te -doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen van -grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke wezens -gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren -deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet -anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen, -watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepen <span class= -"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span>en -afgesplinterde kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel -wat op steenen werktuigen geleken. Door de voorvechters der -eolithen-theorie wordt dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd -dat een in deze kwestie wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door -de natuur geboetseerde steenstukken nimmer zal verwarren met de echte -eolithen, en hoe dit ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het -dan toch wel uiterst merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het -laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk, vóór het -begin van de periode der direct als zoodanig herkenbare steenen -werktuigen, dergelijke „vervalschingen” door de -natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.</p> -<p class="par">Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den -wand van grotten ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. -Vindt men eene als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, -dan kan men niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het -werk van menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen -vinden, ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel -ivoor, of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, -geheel en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer -„ontdekt” en door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn -gemaakt, dan is aan de echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.</p> -<p class="par">Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en -andere voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van -druipsteengrotten, diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu -bedenkt, hoe uiterst langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele -duizenden jaren het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, -oorspronkelijk op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo -geheel onder de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is -geworden, dan kan men zich eenigszins <span class="pagenum">[<a id= -"pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>een denkbeeld maken van -de vele eeuwen, die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner -daar met een scherp stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, -dat hij wellicht met zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in -den rotswand kraste.</p> -<p class="par">Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel -uit den voortijd opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen -een denkbeeld kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk -geslacht. Ja wij kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van -maken, hoe die menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van -hunne beschaving (sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne -omgeving.</p> -<p class="par">Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een -duidelijke vooruitgang in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen -onderzoekt, niet te miskennen.</p> -<p class="par">Het diepst onder den beganen grond, in de oudste -steenlagen, te zamen met overblijfselen van dieren die in het begin van -den ijstijd moeten hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen -vuursteenstukken, die ternauwernood den naam van werktuigen kunnen -dragen en slechts aan het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als -zoodanig herkenbaar zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij -jongere steenlagen of afzettingen onderzoeken, de techniek der -bewerking beter en fijner worden, de steenen werktuigen nemen een -bepaalden vorm aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden -geschikt gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen, -messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als zoodanig -herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom, herkenbaar aan -de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt dan steeds dezelfde -voor die periode karakteristieke vorm der steenen werktuigen op. -Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar aan de daarin -voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatste <span class= -"pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span>gedeelte -van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden, dan zien wij -den vorm der steenen werktuigen weer anders worden, regelmatiger, beter -bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt ook in deze werktuigen -een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en ontwikkeling. Maar er is -meer. Als wij een bepaald type van steenen werktuigen (men vergelijke -de lijst aan het einde van dit hoofdstuk) uitsluitend in holen vinden -te zamen met overblijfselen van dieren als de holenbeer, de holenleeuw, -de mammoeth, dieren dus, die in de koude perioden van den ijstijd -hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit de gevolgtrekking maken dat -die werktuigen door typische holbewoners, door troglodyten, werden -vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte steenen werktuigen van een -bepaald type nooit in die holen, maar in kiezelbeddingen aan den oever -der groote rivieren, te zamen met overblijfselen van dieren, die in de -warmere tusschenperioden hier hebben geleefd, van het nijlpaard, van -den rhinoceros van Merck, van den aueros, dan moeten wij wel tot het -besluit komen, dat de menschen, toen zij den trap van ontwikkeling -hadden bereikt, waarop zij werktuigen van dat bepaalde type -vervaardigden, niet in holen leefden, doch in het vrije veld, aan den -oever der grootere rivieren, in een zachter klimaat derhalve. Vinden -wij dan verder in dezelfde holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 -meter) onder den grond de bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte -steenen werktuigen vonden, op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 -meter onder den beganen grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 -geteekende profiel van een dergelijk hol met een aantal verschillende -grondlagen boven elkaar) een steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte -en anders gevormde steenen werktuigen vinden, te zamen met -overblijfselen van dieren, die eerst in het laatste gedeelte van den -ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan ligt de slotsom voor -<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name= -"pb41">41</a>]</span>de hand, dat op de minder koude periode, waarin de -mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote -rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige -waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee -voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden -geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de -gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen, -de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den mensch -weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen, waarin -wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de -overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren -bevonden.</p> -<p class="par">Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt -zich. In het laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de -overblijfselen van den mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt -op, en in steeds grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen -van dit dier naast de steenen werktuigen bij de menschelijke -overblijfselen. Naast den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn -gebruiken, tot wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar -maken. Naast spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne -pijlpunten met weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de -kleederen vast te maken, doorboorde en met figuren bekraste -hoornstukken om als versiering, wellicht als amulet, aan den hals te -dragen, in steeds beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van -de bewerking van den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als -in fig. 5 naar Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is -dan evenwel het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, het -<i>palaeolithicum</i>, afgeloopen en zijn wij in het nieuw-steenen -tijdperk, het <i>neolithicum</i>, gekomen, op een tijdstip derhalve, -waarop de mensch al een zekere hoogte <span class="pagenum">[<a id= -"pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span>van ontwikkeling bereikt -had, in een aantal rassen de geheele aarde bevolkte, en de -kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik hier dus niet verder -in.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e913width" id="fig05"><img src= -"images/fig05.png" alt="" width="563" height="398"> -<p class="par first">Fig. 5. Steenen werktuigen van het nieuw steenen -tijdperk uit Skandinavië. Naar <i>S. Muller</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij -deze algemeene bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over -den aard van den praehistorischen mensch zooveel leert.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e923width" id="fig06"><img src= -"images/fig06.jpg" alt="" width="585" height="440"> -<p class="par first">Fig. 6. Graf uit het steentijdperk, bij -Chamblandes in Zwitserland. Naar <i>Dechelette</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen -werktuigen, maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien -voorhistorischen tijd, dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden -dier overblijfselen zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming -helpen oplossen, ook daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de -oudste skeletten slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende -hoofdstuk nader) los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig -dat een bepaalde begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, -zooals uit fig. 6 en 9, <span class="pagenum">[<a id="pb43" href= -"#pb43" name="pb43">43</a>]</span>die trouwens uit lateren tijd -stammen, duidelijk blijkt, in een bepaalde houding, door steenen -omgeven, dus in den grond ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. -Eveneens zeer spoedig blijken steenen wapenen aan de dooden te worden -medegegeven, en men vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen -bespreken, uit de vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten -met fraai bewerkte steenen wapenen in de hand of om het hoofd -gerangschikt. Dit wijst op een geloof aan een voortbestaan na den dood. -In <span class="corr" id="xd24e934" title="Bron: ets">iets</span> later -perioden vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde -(blijkbaar derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of -beenstukjes aan hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een -doodencultus, en het is eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten -zeer rijk versierd vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor -kinderen. Kortom, uit dergelijke <span class="pagenum">[<a id="pb44" -href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>gegevens, hoe schaarsch ook en -hoe weinig beteekenend op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een -denkbeeld vormen omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van -beschaving dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft -men uit dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de -schedel een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de -structuur van het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat -wijst op een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een -dergelijke wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben -geleid.—Maar laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te -ver in het gebied der speculatie verzeild raken.</p> -<p class="par">„<span lang="fr">Revenons à nos -moutons</span>.”<a class="noteref" id="xd24e944src" href= -"#xd24e944" name="xd24e944src">4</a>—Keeren wij terug tot onze -bespreking van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom -van het menschelijk geslacht in ’t algemeen en van bepaalde -vondsten in het bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt -drieërlei in aanmerking: 1°. de aard van de steenlaag of -afzetting, waarin de overblijfselen worden gevonden, zoogenaamde -stratigraphische bijzonderheden; 2°. de dierlijke overblijfselen, -die te zamen met de menschelijke skeletdeelen in dezelfde laag zijn -aangetroffen; 3°. de aard der steenen werktuigen, die bij het -menschelijk skeletdeel uit dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze -laatsten kunnen, als door menschenhanden vervaardigde artefacten, ook -op zichzelf, zonder daarbij gevonden menschelijke skeletdeelen, -getuigenis van den ouderdom van het menschelijk geslacht in het -algemeen afleggen.</p> -<p class="par">Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden -vorm en licht herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende -groepen laten samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringeren -<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name= -"pb45">45</a>]</span>ouderdom, wordt de groepeering der steenen -werktuigen meestal als onderverdeeling van den geheelen tijd der -ontwikkeling van het menschelijk geslacht vóór den -aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus, aangenomen, -ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door middel van -daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar wij dus de -namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken telkens zullen -moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave dier -onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in -’t kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie -behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende groepen -van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal afbeeldingen -belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij hier de -gelegenheid ontbreekt.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e955width" id="fig07"><img src= -"images/fig07.jpg" alt="" width="720" height="336"> -<p class="par first">Fig. 7. Tertiaire eolithen uit Portugal. Naar -<i>Ribeiros</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e964width" id="fig08"><img src= -"images/fig08.jpg" alt="" width="630" height="442"> -<p class="par first">Fig. 8. Vuursteenen werktuigen uit het -palaeolithicum<span class="corr" id="xd24e967" title= -"Niet in bron">.</span></p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is -de steensoort, waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende -fijnheid van bewerking werden vervaardigd, de „vuursteen” -geweest. Wel zijn zoo nu en dan ook andere harde steensoorten -<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name= -"pb46">46</a>]</span>daarvoor gebruikt, en vindt men vooral in het -nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten, maar de -vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men weet, is -de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van grootere of -kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde „knollen,” bij -voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit het -zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral de -krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn -bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van -den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard -voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan, -(zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid -waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan -scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter en -<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name= -"pb47">47</a>]</span>voorzichtiger men den steen leerde bewerken, des -te fijner van vorm, des te meer gedetailleerd van gedaante werden de -werktuigen. Men vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van -Fig. 7 met de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en -elegante werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd -eenvoudig ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en -eerst langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan -den vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu -juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens -vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door ruw -tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of -krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt -vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden -verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden zijn -uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden dat een -aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken en ze -eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten -(watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar -ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen, die -het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu van -groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van andere -gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een gedeelte -van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt -geacht,<a class="noteref" id="xd24e976src" href="#xd24e976" name= -"xd24e976src">5</a> ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik -juist van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 -afgebeeld. Het is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel -te vormen, en <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= -"pb48">48</a>]</span>oppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde -vuursteenen volkomen den indruk van uit een massa vuursteensplinters -uitgezochte, ietwat regelmatige stukken, die met door menschenhanden -bewerkte artefacten niets te maken hebben, maar als men de talrijke -afbeeldingen, door <span class="ex">Rutot</span>, den uitnemenden -kenner der palaeolithische werktuigen, van tertiaire eolithen gegeven, -beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg identische afbeeldingen van -tertiaire vuursteenstukken uit Portugal, door <span class= -"ex">Ribeiros</span> beschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny -van <span class="ex">de Mortillet</span>, dan wordt men wel gedwongen -te erkennen, dat in hunne argumenten veel waars ligt opgesloten en dat -de theorie der tertiaire vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse -schroeven staat als men bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd -zou zijn aan te nemen.</p> -<p class="par"><span class="ex">Rutot</span> en zijn volgelingen gaan -nu echter nog verder, en meenen dat de tertiaire mensch ook geheele -vuursteenknollen, die door hun toevalligen vorm gemakkelijk te -hanteeren waren, en door natuurkrachten afgebrokkelde splinters zou -hebben gebruikt, die dan hoogstens een beetje gefatsoeneerd, -bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte typische -„eolithen” zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo -geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere, -hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is -ook in de talrijke geschriften van <span class="ex">Rutot</span> zelf -een afdoend antwoord niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt -kunnen worden, als werkelijk zeker te herkennen menschelijke -overblijfselen uit de tertiaire periode te zamen met een groot aantal -van dergelijke vuursteenstukken worden gevonden.</p> -<p class="par">Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen -werktuigen heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord -van <span class="ex">Broca</span> gelden, <span class="pagenum">[<a id= -"pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>dat de tertiaire mensch -den drempel der wetenschap nog niet heeft overschreden.</p> -<p class="par">Over het hier volgende tabellarisch overzicht der -verschillende onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel -woord.</p> -<p class="par">Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is -opgetrokken op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in -deze richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school -voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en meest -typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen -opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook het -systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd, en -daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de plaatsen -waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn -opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de -„acheulien” periode, omdat de voor die periode typische -vorm der steenen werktuigen het eerst en het meest gevonden werden in -de kiezelafzettingen bij St. Acheul. Evenzoo van de -„moustérien” periode, naar de beroemde vindplaats -van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode typischen -vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit die periode -bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo spreekt men -van de Azilien-periode naar de grot le Mas d’Azil in ’t -Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij -Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm -aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter -zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum, het -Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en -overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.</p> -<p class="par">Maar men hoede zich, een al te groote absolute -<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= -"pb50">50</a>]</span>waarde aan een dergelijke onderverdeeling toe te -kennen.</p> -<p class="par">Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in -bepaalde streken, oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en -inrichting der boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, -enz. met groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo -zal ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen -werktuigen van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn -volgehouden dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de -bewerking, van een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met -de uiterste langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende -vormen <i>naast</i> elkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan -bijvoorbeeld hier in Holland nog steenen werktuigen uit het oude -steenen tijdperk, stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds -bronzen werktuigen werden vervaardigd.<a class="noteref" id= -"xd24e1018src" href="#xd24e1018" name="xd24e1018src">6</a> De -verdeeling naar den aard der werktuigen heeft dus slechts een zeer -betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt zij in conflict met -stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke overblijfselen ons -leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste, mits met zekerheid -vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar bijvoorbeeld door -<i>Gorganovic-Kramberger</i> op grond van het feit, dat met bepaalde -menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie ’t -volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden -opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend -wordt, <i>Rutot</i> daarentegen op grond van de daarbij gevonden -steenen werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar -zou ik mij met volle overtuiging aan de zijde van <i>Kramberger</i> -plaatsen.</p> -<p class="par">In de volgende tabel zijn de verschillende perioden, -<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name= -"pb51">51</a>]</span>onderafdeelingen van het oude steenen tijdperk, -volgens de namen der voornaamste vindplaatsen der voor die periode -typische steenen werktuigen gerangschikt. De verdeeling der geologische -tijdperken vergelijke men met de tabel in hoofdstuk I.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1035width" id="fig09"><img src= -"images/fig09.jpg" alt="" width="376" height="446"> -<p class="par first">Fig. 9. Graf uit de neolithische periode, uit -Egypte. Typische houding van het lijk met sterk opgetrokken knieën -en op de borst gekruiste armen.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de -jongste onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, -in de tabel opgenomen. <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" -name="pb52">52</a>]</span></p> -<p class="par"></p> -<div class="table" id="tbtijdperken"> -<h4 class="tablecaption">TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET -OUD-STEENEN TIJDPERK</h4> -<table class="xd24e416"> -<thead> -<tr class="label"> -<td colspan="4" class= -"colspan cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">GEOL. TIJDPERK</td> -<td colspan="2" class="colspan cellHeadTop cellHeadBottom">NAAM</td> -<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">BESCHRIJVING</td> -</tr> -</thead> -<tbody> -<tr> -<td rowspan="6" class="rowspan cellLeft">Eolithen</td> -<td rowspan="6" class="rowspan"><img src="images/lbrace8.png" alt="" -width="10" height="165"></td> -<td>Tertiair</td> -<td></td> -<td>1.</td> -<td>Thenay</td> -<td rowspan="3" class="rowspan cellRight">Eerste gebruik van -vuursteenen als werk-tuigen, nog geen op een bepaalde wijze -gefatsoeneerde werktuigen, doch reeds verschillende vormen (volgens -Rutot „<span lang="fr">percuteurs, couteaux, racloirs, grattoirs, -perçoirs</span>”).</td> -</tr> -<tr> -<td><span class="ditto"><span class="s">Tertiair</span><span class= -"d"><span class="i">,,</span></span></span></td> -<td></td> -<td>2.</td> -<td>Cantalin (Aurillac, Cantal, Puy-Courny)</td> -</tr> -<tr> -<td><span class="ditto"><span class="s">Tertiair</span><span class= -"d"><span class="i">,,</span></span></span></td> -<td></td> -<td>3.</td> -<td>Kentum (plateau van Kent)</td> -</tr> -<tr> -<td rowspan="3" class="rowspan">Oudste Quartair</td> -<td rowspan="3" class="rowspan"><img src="images/lbrace3.png" alt="" -width="9" height="53"></td> -<td>4.</td> -<td>Reutélien</td> -<td rowspan="3" class="rowspan cellRight">Uitgezochte en reeds -eenigermate doch zonder bepaalde methode gefatsoeneerde werktuigen van -verschillenden vorm.</td> -</tr> -<tr> -<td>5.</td> -<td>Mafflien</td> -</tr> -<tr> -<td>6.</td> -<td>Mesvinien</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" rowspan="8" class= -"rowspan colspan cellLeft cellBottom">Palaeolithen</td> -<td rowspan="8" class="rowspan cellBottom"><img src= -"images/lbrace24.png" alt="" width="10" height="495"></td> -<td>7.</td> -<td>Strepyin</td> -<td class="cellRight">Voor het eerst met een bepaald doel -gefatsoeneerde werktuigen van bepaalden vorm.</td> -</tr> -<tr> -<td>8.</td> -<td>Chelléen</td> -<td class="cellRight">Grof geslagen, aan beide zijden met grove blussen -uitgeslagen werktuigen.</td> -</tr> -<tr> -<td>9.</td> -<td>Acheuléen</td> -<td class="cellRight">Fijner geslagen werktuigen, aan beide zijden met -kleine blussen uitgeslagen, verschillend van vorm.</td> -</tr> -<tr> -<td>10.</td> -<td>Moustiérien (grotte du Moustier)</td> -<td class="cellRight">Steenen werktuigen van bepaalden vorm, doorgaans -slechts aan ééne zijde toegeslagen, of puntvormig, zoodat -zij aan een lans konden worden bevestigd, of meer rond, met scherpe -randen (zoogen. schrappers, racloirs, volgens de Mortillet om de huiden -van gevangen dieren te bewerken). Nog geen beenen of ivoren -werktuigen.</td> -</tr> -<tr> -<td>11.</td> -<td>Aurignacien of praesolutréen</td> -<td class="cellRight">Naast fijn toegeslagen regelmatige steenen -werktuigen vindt men de eerste sporen van bewerking van been en ivoor, -en de eerste kunstuitingen. Begin van het rendiertijdperk.<span class= -"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></td> -</tr> -<tr> -<td>12.</td> -<td>Solutréen</td> -<td class="cellRight">Zuiver toegeslagen pijlpunten, laurierbladvormig -of gesteeld, steenen messen en boren. Paard en rendier in talrijke -overblijfselen gevonden.</td> -</tr> -<tr> -<td>13.</td> -<td>Magdalénien</td> -<td class="cellRight">Prachtig bewerkte steenen wapenen en werktuigen, -nog niet gepolijst. Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn met -weerhaken, ivoren naalden, stijlvol geboetseerde voorwerpen uit -rendierhoorn of ivoor, steenen messen en zagen, teekeningen op -rendierhoorn of op rotswanden (grotten).</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellBottom">14.</td> -<td class="cellBottom">Azilien</td> -<td class="cellRight cellBottom">Vermoedelijke doch slechts zeer locaal -bekende overgangsperiode naar het nieuw-steenen tijdperk, het -neolithicum, naar het tijdperk van de gepolijste steenen werktuigen, -van het aarden huisraad, de paalwoningen, de dolmen en menhirs.</td> -</tr> -</tbody> -</table> -</div> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1177width"><img src="images/ornament.png" alt= -"Ornament." width="149" height="80"></div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= -"pb54">54</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote" lang="nl"><span class="label"><a class= -"noteref" id="xd24e834" href="#xd24e834src" name= -"xd24e834">1</a></span> De tertiaire mensch staat nog slechts op den -drempel van het gebouw der wetenschap. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e834src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e865" href="#xd24e865src" name="xd24e865">2</a></span> Zie -<a href="#gloss">achterin</a>. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e865src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e876" href="#xd24e876src" name="xd24e876">3</a></span> Zie -<a href="#gloss">achterin</a>. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e876src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e944" href="#xd24e944src" name="xd24e944">4</a></span> Zie -<a href="#gloss">achterin</a>. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e944src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e976" href="#xd24e976src" name="xd24e976">5</a></span> Men -vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e976src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1018" href="#xd24e1018src" name="xd24e1018">6</a></span> Zelfs in -den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel steenen pijlpunten -gebruikt. <a class="fnarrow" href="#xd24e1018src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5669">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">V</span> DE OVERBLIJFSELEN VAN -DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF</h2> -<div class="epigraph"> -<p lang="fr" class="par first">„L’homme fossile -n’existe pas.”</p> -<p class="par xd24e214"><span class="ex">Cuvier</span> (1813).</p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par xd24e1194"><span class="xd24e1194init">H</span>et behoeft -geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van den mensch, -de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk geslacht -eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die ons van -dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen mensch, den -<i>homo sapiens</i>, slechts aan de fossiele overblijfselen van den -praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis hiervan -is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van -ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn -als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk -krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit -gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.</p> -<p class="par">Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere -tijden betreft, vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring -daarin, dat toen ter tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen -waarde werd gehecht. De leer der catastrophen van Cuvier, die de -schepping van den mensch na de laatste catastrophe stelde en leidde tot -het bovengenoemde dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen -Cuvier kon aantoonen, <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" -name="pb55">55</a>]</span>dat overblijfselen van een geraamte, als -„homo diluvii testis” aan een voorhistorischen mensch -toegeschreven, van een reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het -geheele vraagstuk van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon -prijsgeven. Hoe vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de -Perthes, die in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en -kalksteenafzettingen, steenen werktuigen vond te zamen met de -overblijfselen van mammoeth en holenbeer, de geologen en anthropologen -er zelfs maar toe brengen kon, zijne vondsten met eenige belangstelling -te beschouwen en die beddingen zelf te onderzoeken.</p> -<p class="par">Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de -vondsten van overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller -op elkaar, juist de oudste overblijfselen van menschen uit het -ijstijdperk en onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst -schaarsch, hoe er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende -redenen aan te voeren.</p> -<p class="par">In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen -gedurende zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. -moeten ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd -bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum, den -later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, door <i>Hauser</i> -in 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de -uiterste zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot -gedeelte van het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts -enkele stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel -bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En dan -bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste der -voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig -uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in -leemgroeven of <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name= -"pb56">56</a>]</span>grintbeddingen bij het graven worden gevonden. En -de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem, van de -vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet niets -overblijft. Zoo vertelde mij o. a. <i>Dr. Holwerda</i>, die bij zijn -zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische -skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór -den terpentijd), dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische -skeletten in onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, -dat slechts een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte -de plaats aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.</p> -<p class="par">In de tweede plaats is de levenswijze der eerste -menschelijke wezens hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de -mensch een bewoner geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten -tijde van het begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme -interglaciale perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken -werden niet begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven -dus ten prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, -overstroomingen, enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben -verloren doen gaan.</p> -<p class="par">Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer -en meer ging beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot -holbewoner, en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in -„abris sous roche,” enz., waar zij minder aan schadelijke -invloeden waren blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de -overblijfselen van de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij -bestreden had. Maar eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij -zijne dooden ging begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden -boven hunne graven grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, -hunnebedden enz. werden opgericht, bleven zijne overblijfselen beter -bewaard, en werd de <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" -name="pb57">57</a>]</span>kans, dat het geraamte heelhuids werd -opgedolven, grooter, omdat men juist door die <span class="corr" id= -"xd24e1221" title="Bron: gratheuvels">grafheuvels</span> en andere -bedekkingen er op opmerkzaam werd gemaakt, dat zich daar ter plaatse -een voorhistorisch graf bevond, en men dus met de grootste -zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl het vinden der alleroudste -skeletten der holbewoners, in verreweg de meeste gevallen een zaak van -het toeval was, en ook als het skelet niet door verweering bros was -geworden of uiteengevallen, er vaak al zeer veel verloren gegaan en -gebroken was, vóór men er opmerkzaam op werd en -voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde -Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij het -uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een -leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd -door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn, -eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoorde <i>Dr. Fuhlrott</i> van de -vondst, doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk -gave skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde -brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel beter -gegaan.</p> -<p class="par">Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe -meer men de waarde van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven -oude holen en „abris sous roche” voor het anthropologisch -onderzoek leert inzien, hoe meer ook belangstelling voor deze zaken in -alle klassen van de bevolking doordringt, des te meer kans verkrijgt -men om de overblijfselen slechts weinig beschadigd of volledig in zijn -bezit te krijgen.</p> -<p class="par">Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de -vondsten van gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het -bestaan van het menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden -zullen gaan behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een -duidelijker beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenis -<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name= -"pb58">58</a>]</span>van dat ras zal kunnen construeeren. De door -<i>Boule</i> zoo voortreffelijk bewerkte vondst van la -Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt zal kunnen -worden.</p> -<p class="par">Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste -gevallen het onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste -belemmerd. Men heeft slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner -beschikking, soms zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de -vondst van Taubach, of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben -voor de groote scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk -materiaal nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele -maten, die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist -waar het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het -„hersendier” bij uitnemendheid geldt, vooral de schedel -daarvoor het meest belangrijk is, behoeft geen betoog. En zoo kan men -aan het schedeldak, het eenige bewaard gebleven stuk van den -Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende maten en hoeken bepalen, die -men dan elk voor zich weer kan vergelijken met analoge cijfers van -schedels van verschillende menschenrassen en apensoorten, en die voor -het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk zijn (Fig. 10).</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1240width" id="fig10"><img src= -"images/fig10.png" alt="" width="618" height="398"> -<p class="par first">Fig. 10. Schedeldak van den Neanderdal-schedel, -van terzijde gezien, met de verschillende meetlijnen. Het gezichtskelet -gereconstrueerd. Volgens <i>Klaatsch</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde -instrumenten wordt de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus -en voorhoofd aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het -midden van den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den -schedel, nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp -beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van den -schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat aangeeft voor -den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien schedel omsloten. -(Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder- en bovenkaak, van groot -belang<span class="corr" id="xd24e1249" title="Niet in bron">.</span> -<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name= -"pb59">59</a>]</span>Onder alle zoogdieren is de mensch het eenige -wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit, met -vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden neus, is -uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere -volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die -laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch van -het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk -steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch -het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit -verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de -onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor -met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband -staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere, -en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. En -<span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name= -"pb60">60</a>]</span>niet alleen dat men aan schedel en onderkaak een -aantal maten bepaalt, doch ook de overige beenstukken, die vroeger -altijd voor vrijwel waardeloos werden gehouden, onderzoekt men op -dezelfde wijze systematisch, men zoekt de kleinste bijzonderheden er -van op, om die onderling te kunnen vergelijken, het bekken en de -onderste ledematen om daaraan na te gaan, of men verschijnselen kan -vinden die er op zouden wijzen, dat de rechtopgaande houding bij de -eerste menschelijke wezens nog niet zoo volledig bereikt was als bij -den tegenwoordigen mensch, hand en arm om ook daaraan punten van -vergelijking met de hoogere zoogdieren op te sporen. Met behulp der -Röntgen-stralen wordt de beenstructuur dier fossiele -overblijfselen onderzocht, de vorm van de tandkassen, de lengte der -tandwortels, de samenstelling en vorm der tanden en kiezen zelf -nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals wij later uitvoeriger zullen -nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en onvolledige gegevens nog zeer -veel weten te bereiken.</p> -<p class="par">Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan -behoeft geen betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en -klemmen verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren -van aan verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op -liggende aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men -weet, dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. -Een reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd -verricht worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen -maten en lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het -rassen-onderzoek heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen -de gewoonte heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door -omsnoering op een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit -in bepaalde streken in vroegere tijden in zwang geweest). Deze -<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name= -"pb61">61</a>]</span>verandering blijft dan gedurende het geheele leven -tot op zekere hoogte bestaan, en zou, als men fragmenten van een -dergelijken schedel zou onderzoeken, tot geheel foutieve -gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door verschillende -kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan vervormd worden. -Ook daarmede moet men rekening houden.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1261width" id="fig11"><img src= -"images/fig11.png" alt="" width="595" height="427"> -<p class="par first">Fig. 11. Mediaanlijnen van een aantal schedels, -zoo geplaatst, dat de op de horizontale lijn liggende begin- en -eindpunten samenvallen. Verschillende graad van welving van voorhoofd -en schedeldak.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Kortom, men tast, om eene vergelijking van <span class= -"ex">Schwalbe</span> te gebruiken, bij dit onderzoek als het ware rond -in een doolhof, waarin men geen weg kan vinden, en waarin slechts -enkele wegwijzers op grooten afstand van elkaar zijn opgesteld. Van die -wegwijzers is nog een gedeelte onleesbaar, terwijl andere slechts met -groote moeite en met hoogstens eenigen graad van waarschijnlijkheid -kunnen worden ontcijferd. En elke <span class="pagenum">[<a id="pb62" -href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>nieuwe vondst kan ons dwingen, -die wegwijzers weer te verplaatsen, kan ons doen inzien, dat wij van -den rechten weg waren afgedwaald,—maar ook, bij elken nieuwen -vondst wint het bepalen van den juisten weg aan zekerheid.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1273width"><img src="images/ornament.png" alt= -"Ornament." width="149" height="80"></div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name= -"pb63">63</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5678">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">VI</span> DE VOORNAAMSTE -ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN</h2> -<div class="epigraph"> -<p lang="en" class="par first">„We are far from knowing how long -ago it was when man first diverged from the Catarine (Simian) Stock; -but it may have occurred at an epoch as remote as the eocene -period.”</p> -<p class="par xd24e214"><span class="ex">Darwin.</span><a class= -"noteref" id="xd24e1289src" href="#xd24e1289" name= -"xd24e1289src">1</a></p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par xd24e217"><span class="xd24e217init">W</span>elke zijn nu -de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen tusschen dier -en mensch, of bestaat nog steeds de „break in the chain,” -waarover <i>Darwin</i> klaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele -menschelijke overblijfselen?</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1297width" id="fig12"><img src= -"images/fig12.png" alt="" width="665" height="617"> -<p class="par first">Fig. 12. Schedeldak (van boven en van terzijde -gezien), dijbeen en kiezen van den <span class="corr" id="xd24e1300" -title="Bron: pithecathropus">pithecanthropus</span> erectus van -<i>Dubois</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje -toegestaan, verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en -beschrijving wilde geven van al de vondsten van praehistorische -menschelijke overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming -zou daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar -plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen, en -slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving geven, -die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen nader tot -hunne oplossing <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name= -"pb64">64</a>]</span>hebben gebracht. Voor een overzichtelijke -rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde -daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude -vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel -geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden -der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn, bij -de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te geven -van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men die -kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen -beschrijft, die zich het nauwste <span class="pagenum">[<a id="pb65" -href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>aan de dierenwereld aansluiten, -dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te -eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van den -homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.</p> -<p class="par">Beginnen wij dus met de meest dierlijke -overblijfselen.</p> -<p class="par">1. <span class="ex">Pithecanthropus erectus</span> -<i>Dubois</i>.</p> -<p class="par">Zelden is wel over een vondst van fossiele -overblijfselen zoo veel gestreden, heeft een ontdekking zooveel -twijfel, ergernis, wantrouwen, vreugde en opgewondenheid—al -naarmate het standpunt, dat men tegenover de descendentieleer en het -vraagstuk van de afstamming van den mensch innam—veroorzaakt, als -toen <i>Eugene Dubois</i> in 1893 van uit Batavia het bericht de wereld -inzond, dat hij de overblijfselen van een op den mensch gelijkenden -overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus erectus, den -rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele -overblijfselen—een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en -twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en -dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde -aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke -skelet, dat men hier den tusschenvorm, den „missing link” -van <i>Darwin</i>, meende voor zich te hebben. De verschillende -beenstukken (schedeldak en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter -van elkaar verwijderd, maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men -vergelijke de doorsnede van de lagen in fig. 13), en zonder eenige -verdere bijmengselen, dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, -dat de stukken niet tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het -dijbeen van een mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig -zou zijn, wel ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen -verrassend veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkap -<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= -"pb66">66</a>]</span>meer op die van een grooten aap, dan op die van -een mensch, hoewel in vele opzichten meer ontwikkeld dan de -tegenwoordig levende menschapen. <i>Dubois</i> gaf daarenboven aan, dat -volgens de bij de overblijfselen in dezelfde steenlaag gevonden -fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong zou zijn. Men had -hier dus den langgezochten tertiairen voorvader van het menschelijk -geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van latere opgravingen op -dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover ontstaan. De bewerking der -door de expeditie van Mevrouw Selenka in 1906 op dezelfde plaats -verzamelde fossielen en geologische <span class="pagenum">[<a id="pb67" -href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>gegevens door <i>Volz</i>, -<i>Elbert</i> en anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met groote -waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten, waarin -de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van veel -lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen, -waartoe <i>Dubois</i> ze meende te kunnen brengen, een resultaat -waartoe, onafhankelijk van <i>Volz</i>, ook <i>K. Martin</i> op grond -van het systematisch onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch -schijnt ook er op te wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus -met den mensch te zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen -van vuur en een menschenkies in dezelfde steenlaag.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1355width" id="fig13"><img src= -"images/fig13.png" alt="" width="588" height="550"> -<p class="par first">Fig. 13. Profiel van de vindplaats van de -overblijfselen van den <span class="corr" id="xd24e1358" title= -"Bron: ptihecanthropus">pithecanthropus</span> erectus bij Trinil. a = -laag, waarin zich de overblijfselen zelf bevinden, diep onder den -beganen grond.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van -den <span class="corr" id="xd24e1364" title= -"Bron: pithecantropus">pithecanthropus</span> bevatte, schijnt niet -tertiair, doch diluviaal te zijn, en moet volgens <i>Volz</i> zelfs -ongeveer in het midden van de diluviale periode (men vergelijke de -tabel in hoofdstuk I) gesteld worden.<a class="noteref" id= -"xd24e1370src" href="#xd24e1370" name="xd24e1370src">2</a> Zelfs als -men dus van het eolithen-vraagstuk geheel afziet, en zich uitsluitend -houdt aan de werkelijk gevonden menschelijke overblijfselen, zelfs dan -is, zooals uit de hierna te bespreken vondsten blijken zal, de -pithecanthropus niet ouder, doch eer jonger dan de oudste menschelijke -overblijfselen, en heeft hij dus waarschijnlijk gelijktijdig met den -mensch geleefd, wellicht zelfs naast hem, want in Indonesië, in -Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op Java zijn sporen van menschen uit -den palaeolithischen tijd gevonden.</p> -<p class="par">Van den „missing link” is dus geen sprake, -en zoo geeft dan ook zelfs <i>Schwalbe</i>, die den pithecanthropus -<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name= -"pb68">68</a>]</span>zoo uiterst nauwkeurig en systematisch heeft -onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de pithecanthropus bij den mensch -moet hebben gestaan, het toch volstrekt niet noodzakelijk is, hem als -directen voorvader van het menschengeslacht aan te nemen.</p> -<p class="par">Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote -beteekenis, en aan <i>Dubois</i> de onvergankelijke eer, bij een -doelbewust onderzoek er naar, deze overblijfselen te hebben gevonden, -en er de groote waarde direct van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt -men den pithecanthropus volkomen uit de reeks van voorvaderen van den -mensch uit, dan toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend -menschelijk, tot welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de -menschapen, de primaten, in het begin der quartaire periode zijn -gekomen, en het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een -directe, niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets -gedegenereerde afstammeling is van denzelfden vorm, die in -nakomelingen, die zich in reeksen van opvolgende generaties wel -ontwikkelden, het menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, -zooals uit fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus -met die van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de -schedelcapaciteit (d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen -ingenomen, het volumen van de hersenen dus), volgens <i>Dubois</i> 870 -c. M.<sup>3</sup>, tegen 550 c. M.<sup>3</sup> bij de grootste -menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.<sup>3</sup> bij den -neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.<sup>3</sup> bij de blanke -rassen, verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde -zou volgens <i>Dubois</i> gelden voor hetgeen men aan de binnenzijde -van den schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen -zien, nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, -dat met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen -menschaap. <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name= -"pb69">69</a>]</span></p> -<p class="par">2. <i>Eoanthropus Dawsoni.</i> In het laatst van -’t jaar 1912 werd in een kiezelafzetting (een zoogenaamde -„gravel pit”) bij Piltdown in Sussex een gedeelte van de -onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk wezen uit de eerste -tijden der pleistocene periode gevonden, volgens de nog eenigszins -onvolledige gegevens<a class="noteref" id="xd24e1423src" href= -"#xd24e1423" name="xd24e1423src">3</a> het oudste menschelijke -overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van -den ontdekker werd het de <i>eoanthropus Dawson</i> gedoopt. -Niettegenstaande maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd -gezocht, werden geen verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens -de beschrijving, van de overblijfselen door <i>Mr. Smith Woodward</i> -gegeven, stammen de overblijfselen uit de „Chelléen” -periode. Steenen werktuigen van het „Chelléen” type -en overblijfselen van een hippopotamus werden in dezelfde laag -aangetroffen.</p> -<p class="par">De menschelijke overblijfselen bestonden uit de -rechterhelft van de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het -schedeldak. Dit laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed -gereconstrueerd worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het -merkwaardige van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend -veel gelijkt op die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de -in de onderkaak bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke -kenmerken vertoonen, alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde -verschijnsel later wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis -4). De kinstreek is afgebroken en de verdere <span class= -"pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span>tanden -zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige tandkassen kan men echter -duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden tanden en kiezen iets -grooter moeten geweest zijn dan die van den tegenwoordigen mensch.</p> -<p class="par">Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den -schedelinhoud te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer -1070 c. M.<sup>3</sup> te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de -hierboven in verband met den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, -dat de eoanthropus grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch -minder dan de werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide -fragmenten bracht dan ook <i>Dr. Smith Woodward</i> tot de slotsom, dat -wij hier met een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel -reeds dicht bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo -verdient, en daarom door hem de eoanthropus, „het wezen staande -aan den dageraad der menschwording” gedoopt is. Voor het probleem -der afstamming en vooral van de verbreiding van den mensch over de -aarde, is het nu zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke -intermediaire vormen als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een -in Java, de andere in Europa zijn gevonden.<a class="noteref" id= -"xd24e1450src" href="#xd24e1450" name="xd24e1450src">4</a></p> -<p class="par">3. De vondst van <i>Taubach</i>. In 1895 werden door -<i>Nehring</i> twee menschelijke kiezen beschreven, die bij Taubach in -Saxen-Weimar gevonden waren, meer dan 5 meter onder den beganen grond -in steenlagen uit het allereerste gedeelte der quartaire periode, te -zamen met primitieve steenen werktuigen uit de -„Chelléen” of „Acheuléen” periode -en met overblijfselen <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" -name="pb71">71</a>]</span>van den elephas antiquus en den rhinoceros -van Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was -de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke -oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide -kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende -kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt -vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft, in -het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende -eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een -menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te -kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist de -tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende -diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het -menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de -soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft kunnen -vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier -gevonden was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone -grootte van de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later -gevonden oudste menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden -eoanthropus en vooral bij den straks nader te beschrijven homo -heidelbergensis tot de op den voorgrond tredende eigenaardigheden -behoort. Daarom werden dan ook de „tanden van Taubach” hier -vermeld.</p> -<p class="par">4. <i>Homo heidelbergensis.</i> De onderzoekingen van -<i>Dubois</i> op Java werden in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar -later werd de tweede uiterst belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 -October 1907 is de datum, die met gulden letteren in het boek der -anthropologische wetenschap verdient te worden opgeteekend, als van den -dag waarop de fossiele onderkaak van den <span class="pagenum">[<a id= -"pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>„heidelberger -mensch” werd gevonden. En het is merkwaardig, dat, evenals -<i>Dubois</i> doelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil was gaan -onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten -overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak -door <i>Schoetensack</i> jaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij -het dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven, -waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit het -laatste gedeelte der tertiaire periode. <i>Dr. O. Schoetensack</i>, de -anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren een -getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de groote -overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve en de aan -fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en in de -verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen konden -worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de groeve telkens -weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun op ’t hart -gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te graven, doch -hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten, zijn geduld -beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk van verwittigd, -dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan 24 meter onder den -beganen grond, een menschelijke onderkaak was gevonden. Zoodoende kon -<i>Dr. Schoetensack</i> direct na het vinden van de kaak de vindplaats -inspecteeren, en photographeeren, hij liet een notarieele akte van de -omstandigheden, waaronder de vondst plaats had gegrepen, opmaken en -door den opzichter en den arbeider, die er bij aanwezig geweest waren, -onderteekenen, hij liet op de vindplaats een gedenksteen aanbrengen, -kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig vastgesteld, dat geen twijfel -meer mogelijk was. De vondst van deze kaak dan ook vrijwel de eenige -anthropologische vondst, waarvan door geen enkelen geleerde ooit -eenigen <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name= -"pb73">73</a>]</span>twijfel omtrent de echtheid en den hoogen ouderdom -is geopperd. Daarna is door <i>Schoetensack</i> de kaak beschreven in -een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde monographie, -zoodat naast de meesterlijke beschrijving door <i>M. Boule</i> van den -een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch van la -Chapelle-aux-Saints het werk van <i>Schoetensack</i> als een voorbeeld -van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1501width" id="fig14"><img src= -"images/fig14.jpg" alt="" width="478" height="633"> -<p class="par first">Fig. 14. Profielbeeld van de zandgroeve van Mauer, -waarin bij × (rechts onderaan, vlak bij den bodem der groeve) de -kaak van den homo heidelbergensis werd gevonden.</p> -</div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name= -"pb74">74</a>]</span></p> -<p class="par">Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het -fossiel. In de photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de -afgegraven zandgroeve de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar -en rechts onder bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats -aangeeft, waar de kaak werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In -dezelfde laag werden gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, -den etruscischen neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort -van paard, dat in het laatste gedeelte van de tertiaire periode -voorkomt, een fauna, derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer -hoogen ouderdom van de steenlaag, in het einde van de tertiaire -periode. De bij de kaak in dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn -volgens <i>Rutot</i> eolithen uit de „Mafflien”-periode, -einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom, de kaak van Mauer -is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen nauwkeurig bekende -menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór het -begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire -periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al -het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden, doch -daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men -vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van -een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het -voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in -de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal -massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor -de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen -vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij -het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder -gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe te -schrijven. Het <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name= -"pb75">75</a>]</span>gebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke -kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk -vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen -menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak als -een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde bleek -ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de vorm -van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van de -kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het -menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1514width" id="fig15"><img src= -"images/fig15.jpg" alt="" width="709" height="545"> -<p class="par first">Fig. 15. De onderkaak van den homo heidelbergensis -van terzijde gezien.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien, -<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name= -"pb76">76</a>]</span>is natuurlijk niet te zeggen, maar wel kan men met -zekerheid uit het gevonden fossiel afleiden, dat de drager een -mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken moet hebben vertoond. -Wil men van een „missing link,” van een overgangsvorm -spreken, dan heeft men hier den typischen overgangsvorm voor zich. -Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons nog eens andere deelen van -het geraamte, waaruit wij den verderen lichaamsbouw van den homo -heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij in het laatste gedeelte der -tertiaire periode bestaan heeft, dat hij de kenmerken van een -tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de door -<i>Schoetensack</i> beschreven fossiele onderkaak ons een zeker -bewijs.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1526width" id="fig16"><img src= -"images/fig16.png" alt="" width="358" height="493"> -<p class="par first">Fig. 16. Omtrekken van de kaak van Mauer (den homo -heidelbergensis) (A), en van een moderne menschelijke onderkaak -(B).</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">5. De <i>Neanderdal-schedel</i>. In een vorig hoofdstuk -beschreef ik reeds in korte trekken de geschiedenis van den vondst van -dezen beroemden schedel, waarvan alleen ’t bovenste gedeelte, het -schedeldak, is bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, -tegenwoordig <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name= -"pb77">77</a>]</span>slechts één van een groote groep van -gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856 door eenige arbeiders bij -het uitgraven van een leemgroeve gevonden in een kleine grot in het -Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen, door <i><span class="corr" -id="xd24e1539" title="Bron: Fühlrott">Fuhlrott</span></i> met nog -eenige andere deelen van het skelet (de grootste helft der lange -beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere fragmenten) van den -ondergang gered, en door hem en <i><span class="corr" id="xd24e1543" -title="Bron: Schafhausen">Schaaffhausen</span></i> het eerst -beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak) jaren lang -het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl men in -Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten en van de -anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen, dat dit -schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag, wijkend -voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen, zijn -langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder, zeer -laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet zonder -tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand minder dan -<i>Virchow</i> en <i>Ranke</i> de ban er over uitgesproken. De -diluviale ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de -eigenaardige eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, -en de schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der -Merovingers, dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een -soldaat uit den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht -met de in zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen -(„neanderthaloiden”) vorm vertoonende Marker- en -Friezenschedels, met den Batavus genuinus van Blumenbach. Zoo werd aan -den <span class="corr" id="xd24e1553" title= -"Bron: Neanderdalschedel">Neanderdal-schedel</span> elke waarde ontzegd -voor het probleem van de afstamming van den mensch. Volgens -<i>Virchow</i>, die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst -tusschen den Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had -gelegd, kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke -schedelvormen <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name= -"pb78">78</a>]</span>(de Marker visschers) in den Haag zien -rondloopen.</p> -<p class="par">Dat de eigenaardige vorm van het -Neanderdal-schedelfragment niet direct als normaal en als kenmerkend -voor een bepaald menschenras met nog zeer inferieure kenmerken en van -zeer hoogen ouderdom werd aangezien, was begrijpelijk, zoolang de -Neanderdal-schedel nog een unicum was, vooral daar de eigenaardige -omstandigheden van de vondst van de overblijfselen alle -stratigraphische gegevens hadden doen verloren gaan, en de studie van -dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit dezelfde steenlaag als -waarin de menschelijke overblijfselen hadden gelegen, waaruit de -ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk hadden gemaakt. Toen -echter in 1886 door <i>Fraipont</i> en <i>Lohest</i> in België in -de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een aantal andere -beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan de beide schedels -een verrassende overeenkomst met het schedeldak van <i><span class= -"corr" id="xd24e1570" title="Bron: Fühlrott">Fuhlrott</span></i> -en <i><span class="corr" id="xd24e1574" title= -"Bron: Schafhausen">Schaaffhausen</span></i> vertoonden, werd dit -anders, en toen in 1893 <i>Dubois</i> den hier boven vermelden -pithecanthropus, die zoo vele punten van vergelijking met het -Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef, toen in de laatste jaren der -19e eeuw <i>Schwalbe</i> zijne klassieke onderzoekingen over deze groep -van fossiele schedels deed verschijnen, was de ban gebroken, en in 1901 -op het Duitsche anthropologen-congres te Metz moest <i>Virchow</i> het -helaas nog beleven, dat hij ook door de Duitsche anthropologen verlaten -werd, en dat, zooals <i>Klaatsch</i>, zijn heftigste bestrijder, het -uitdrukte, „<span lang="de">der so lange verkannte Homo -neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung -feierte.</span>”<a class="noteref" id="xd24e1593src" href= -"#xd24e1593" name="xd24e1593src">5</a></p> -<p class="par">6. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij de -<i>Grot van Spy</i> in België door de Puydt en Lohest in -<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= -"pb79">79</a>]</span>1885<a class="noteref" id="xd24e1606src" href= -"#xd24e1606" name="xd24e1606src">6</a> was in twee opzichten -belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en -Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden van -de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de -daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden -beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke -overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende -beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van -gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven te -zijn.</p> -<p class="par">De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth en -<span class="corr" id="xd24e1617" title= -"Bron: rhinozeros">rhinoceros</span> tichorinus, en de bij de skeletten -gevonden steenen werktuigen wezen op een hoogen ouderdom, ongeveer in -de „moustérien”-periode. De beenstukken zelf waren -in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats vertoonde -vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig bewaard -gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken, het lage -wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de geweldige -wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de tweede plaats -was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde onderkaak -voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend dierlijke -kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter van den -schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de zooveel -later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en den later -nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die ons zooveel -omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen geleerd -hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen -eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke -onderkaak, in 1866 in de grotte de la <i>Naulette</i> bij Dinant in -België gevonden, en die merkwaardig <span class="pagenum">[<a id= -"pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>was om het nagenoeg -geheel ontbreken van de vooruitstekende kin, het breede massieve -karakter van het achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De -kaak van het skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, -breed en zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de -kauwspieren, groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak -hier geheel en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze -eigenschappen hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de -geologisch zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de -derde plaats kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, -het dijbeen en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den -primitieven bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo -gevormd te zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, -chimpansee) het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half -gebogen knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook -dat wijst dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van -Cannstadt, van Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, -Predmost enz.) die ik hier verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral -in de laatste 6 jaren een aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, -die zich volkomen aan de boven beschreven fossielen aansluiten, en de -sterke verbreiding van het laagstaande menschenras, waarvan de -Neanderdal-schedel het type vormt, aantoonen. In de eerste plaats:</p> -<p class="par">7. De vondst van <i>Krapina</i>. Reeds in 1899 en 1901 -waren door een Hongaarsch anthropoloog, <i><span class="corr" id= -"xd24e1635" title= -"Bron: Georjanovic-Kramberger">Gorjanović-Kramberger</span></i> -korte mededeelingen gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele -menschelijke overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapina -<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name= -"pb81">81</a>]</span>aan den oever van de Krapicina-beek. In 1906 -volgde de uitvoerige beschrijving, nadat gedurende meer dan 6 jaren de -onderzoekingen waren voortgezet. Het rotshol, waarin de overblijfselen -werden gevonden, was geheel en al met aarde en steenen opgevuld, en was -merkwaardig om de regelmatigheid waarmede de afzettingen in lagen boven -elkaar voorkwamen, telkens afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin -houtskool en verkoolde beenderen de vroegere aanwezigheid van -haardvuren aantoonden. Blijkbaar was het hol in overoude tijden, toen -de bedding van het riviertje nog zooveel hooger lag dan nu, telkens -overstroomd, en keerden, nadat het weer droog geworden was, telkens -weer bewoners in het hol terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen -werden nu naast tal van steenen werktuigen uit de oudste -palaeolithische periode (meer dan 600 stuks) en dierlijke -overblijfselen, waarvan vooral de resten van den rhinoceros Merckii op -een zeer hoogen ouderdom van de lagen wijzen, een zeer groot aantal -menschelijke <span class="corr" id="xd24e1640" title= -"Bron: beenstukkn">beenstukken</span> gevonden, van 9 verschillende -skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren, bleken de -skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17 zijn de -grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog met groote -voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere studie bruikbaar -te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken, vooral de lange -pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen krijgen als zij -met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze beenderen waren in -de lengte gespleten, zooals dierlijke botten, waar men het beenmerg -uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat men hier met -kannibalisme te doen heeft, dat dus die oudste bewoners van -Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de schedelbeenderen -de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in sterke mate. In -fig. 17 zijn aan het van terzijde <span class="pagenum">[<a id="pb82" -href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span>geziene schedeldak (boven in de -figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk ontwikkelde -wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote holle oogkassen -(vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar. <span class= -"pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span>Dat -wijst dus op een sterke verbreiding van ’t Neanderdalras over een -groot deel van Europa. Maar daarnaast is ’t voor het probleem, -hetwelk ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 -verschillende cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden -zijn, twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze -verschillen als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden -(brachycephalen) onder de latere menschenrassen. Ook bij het -Neanderdalras (om op het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) -bestonden dus reeds langhoofdige en rondhoofdige -„neandertalers.” Later zullen wij hierop nog terug moeten -komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, dat deze zelfde -eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de beenderen der -ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer korte, -stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken gevonden. -Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar aanleiding -van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden, heeft zich -een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet wil -ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten door -hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen uit -de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1649width" id="fig17"><img src= -"images/fig17.jpg" alt="" width="626" height="720"> -<p class="par first">Fig. 17. Verschillende schedelfragmenten van -Krapina. Boven: een stuk van het schedeldak met oogkassen van terzijde -gezien. Links onder: oogkassen en neus van voren gezien. Rechts onder: -kaakstukken met tanden. Volgens <i>Kramberger</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van -het Neanderdaltype gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere -zijde van Europa werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar -een fossiele schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend -als de <i>Gibraltar</i>-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, -geraakte deze schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 door -<i>Sollas</i> uitvoerig en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort -zeer duidelijk tot het Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. -het gelaatgedeelte van den schedel, dat door de groote holle -<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name= -"pb84">84</a>]</span>oogkassen, de zware massieve wenkbrauwbogen en de -wijde neusopening een eigenaardigen „bestialen” indruk -maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige tot nu toe -beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit, m. a. w. het -volume van de door den schedel omsloten hersenmassa, 1100 -c.M<sup>3</sup>., kleiner is dan die van de overige neandertaloide -schedels, doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden -eoanthropus (1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook -juist bij dezen schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk -aan dierlijke formaties herinnert.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1670width" id="fig18"><img src= -"images/fig18.jpg" alt="" width="362" height="435"> -<p class="par first">Fig. 18. De Gibraltar-schedel „en -face” gezien. Volgens <i>Sollas</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">9. <i>Homo Mousteriensis Hauseri.</i> Dit skelet, in -1908 in Frankrijk opgedolven, had een groote aanwinst voor de -anthropologische wetenschap kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden -waaronder, en de wijze waarop het werd uitgegraven, een donkere schaduw -over de geheele vondst hadden geworpen en de beteekenis <span class= -"pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span>er van -verkleind. Een Zwitsersch handelaar in oudheden, <i>O. Hauser</i>, die -reeds meermalen op Franschen bodem naar voorhistorische relicten had -gezocht, vond in Maart 1908 bij het graven in een hol bij le Moustier -in Dordogne, den klassieken bodem der belangrijkste voorhistorische -vondsten, sporen van een menschelijk skelet. Inplaats van nu de -Fransche archaeologen daarmede in kennis te stellen, werd alles weer -zorgvuldig met takkebossen en planken toegedekt; eenige Duitsche -anthropologen werden er bij genoodigd, en in Augustus van hetzelfde -jaar werd door <i>Hauser</i> en <i>Klaatsch</i> in alle stilte het -skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist gepakt en -weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen was, werd er -ruchtbaarheid aan gegeven. <i>Hauser</i> verkocht toen het skelet voor -de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was zeer -broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De -schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen -echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid -geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal -stukken uiteen, en de stukken zijn toen later door <i>Klaatsch</i> met -behulp van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in -elkaar gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze -bewerking was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, -voor verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is.<a class= -"noteref" id="xd24e1700src" href="#xd24e1700" name="xd24e1700src">7</a> -Daarbij zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische -bijzonderheden van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. -Wel zijn fraai bewerkte steenen werktuigen uit de -„moustiérien”-periode en eenige overblijfselen van -den aueros (bos <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name= -"pb86">86</a>]</span>primigenius) in de omgeving van het skelet -gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare gegevens -omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen onder den -beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst veel van -hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren, omdat de -verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen ouderdom en -op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele lichaam wijzen. -Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer 16 jaren oud), met -een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd, groote holle oogkassen, -vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak (type Neanderdal), terwijl -ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw van het kniegewricht blijkt te -bestaan, die bij het skelet uit de grot van Spy te vermelden viel, en -die er op wijst, dat de rechtopstaande houding nog niet geheel en al -bereikt was, en ook de mensch van le Moustier het evenwicht bij het -loopen slechts bij half gebogen knieën en voorovergebogen lichaam -kon bewaren.</p> -<p class="par">10. <i lang="fr"><span class="corr" id="xd24e1708" -title="Bron: ’lHomme">l’Homme</span> de la -Chapelle-aux-Saints.</i> Daar deze vondst, naast die van den homo -heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte anthropologische -vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik de bijzonderheden er -van iets meer uitvoerig behandelen dan de voorgaande. Door ervaren -deskundigen met de meeste zorgvuldigheid en zaakkennis uitgegraven, -nagenoeg volledig, vooral wat de schedel betreft, bewaard gebleven, met -volkomen betrouwbare stratigraphische gegevens, en daarna op -voortreffelijke wijze door <i>M. Boule</i>, den directeur van het -Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,<a class="noteref" id= -"xd24e1715src" href="#xd24e1715" name="xd24e1715src">8</a> kan deze -vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den eersten -<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name= -"pb87">87</a>]</span>rang gelden en zal steeds de basis blijven vormen -voor later praehistorisch-anthropologisch onderzoek.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1724width" id="fig19"><img src= -"images/fig19.png" alt="" width="600" height="409"> -<p class="par first">Fig. 19. Plattegrond en doorsneden van de grot, -waarin het skelet werd gevonden, met het skelet zelf, zooals het werd -aangetroffen.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1729width" id="fig20"><img src= -"images/fig20.jpg" alt="" width="651" height="562"> -<p class="par first">Fig. 20. De schedel van La Chapelle-aux-Saints, -gerestaureerd. Volgens <i>Boule</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger -dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie -Roomsch-Katholieke geestelijken—in Frankrijk telt de -praehistorische anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame -beoefenaars onder de R. K. geestelijkheid—de abten J. en A. -Bouyssonie en L. Bardon, in een kleine ondiepe grot bij de -Chapelle-aux-Saints, in het <span class="corr" id="xd24e1738" title= -"Bron: Corrézedal">Corrèzedal</span>, die bijna geheel -met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder deze steenlagen, op -den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet uitgegraven (fig. 19). Het -skelet lag in een regelmatig gevormde, rechthoekige uitholling van den -bodem van de grot op den rug, met den eenen arm op de borst gevouwen en -de knieën sterk opgetrokken, een houding dus die aan de latere -hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een aantal steenen -werktuigen, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= -"pb88">88</a>]</span>in de steenlagen gevonden, waren van het -Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een -soort van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige -andere dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, -alsof deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor -andere doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, -veel te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat -het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte lagen in -de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne natuurlijke -ligging tegen elkaar aan. <span class="pagenum">[<a id="pb89" href= -"#pb89" name="pb89">89</a>]</span>Behalve de regelmatig gevormde -uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag, -waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene -boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen -werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom van -het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden. <span class= -"pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span></p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1747width" id="fig21"><img src= -"images/fig21.jpg" alt="" width="571" height="683"> -<p class="par first">Fig. 21. De schedel van La <span class="corr" id= -"xd24e1750" title= -"Bron: Chapelle-aux-saints">Chapelle-aux-Saints</span>, van terzijde, -van voren en van boven gezien.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen -leeftijd, ongeveer 1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van -den romp en de ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die -wij niet of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen -mensch, daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. -Vooral de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de -kleine beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde -„<span class="corr" id="xd24e1756" title= -"Bron: pithecoide">pithecoïde</span>” (bij de apen terug te -vinden) kenmerken.</p> -<p class="par">Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de -schedel, waarvan door <i>Boule</i> een voortreffelijk gipsafgietsel is -vervaardigd. Van het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- -en een in de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover -elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar -natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan -moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke -trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer -lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen verdikt -tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote, wijde -neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend, de -afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de -oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae, -die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter -verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding, -het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft -een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij -geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den -menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook -van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat -de hersenen omsluit, het intellectueele element, boven <span class= -"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>de -kaakstreek, het onderste gedeelte van het gelaat, als ’t ware het -materieele element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts -de verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen -zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1767width" id="fig22"><img src= -"images/fig22.jpg" alt="" width="718" height="351"> -<p class="par first">Fig. 22. Een chimpansee-schedel (A) naast den -fossielen schedel van La Chapelle-aux-Saints (B) en een modernen -menschelijken schedel (C) geplaatst, van voren gezien.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als -men den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een -schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden -menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23 zijn -de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van terzijde -gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange beschrijving. -Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en kaakstreek, op -den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige beenige -vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den fossielen -mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een duidelijken -<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name= -"pb92">92</a>]</span>indruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect -van dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan -welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men -denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van -dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt, -waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1776width" id="fig23"><img src= -"images/fig23.jpg" alt="" width="690" height="666"> -<p class="par first">Fig. 23. Dezelfde drie schedels (A, B en C) van -terzijde gezien. Volgens <i>Boule</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel. -<span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name= -"pb93">93</a>]</span>Het is aan de bekwame preparateurs van het -Parijsche Museum zelfs gelukt, een volkomen nauwkeurig afgietsel van de -holte van den schedel te vervaardigen, waaraan nog zoovele -bijzonderheden van den oppervlakkigen vorm der eertijds door dien -schedel omsloten hersenen te zien was, dat <i>Boule</i> door -vergelijking van dit afgietsel met een reeks van dergelijke afgietsels -van menschen- en van apenschedels met zekerheid kon aantoonen, dat ook -in den vorm der hersenen eene mengeling van dierlijke en menschelijke -kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is nu hierbij, dat de -hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is, slechts iets geringer -van volume dan de hersenen van den modernen mensch. Ook bij den -neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar was dit reeds -opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud met eenige mate -van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.</p> -<p class="par">Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een -representant van een in de oudste praehistorische tijden over een groot -deel van Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate -dierlijke en menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw -aansluit aan de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer -afwijkt van den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou -afvragen, of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat -als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou -aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een -andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of zelfs -den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de -representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied, en -door <i>Schwalbe</i>, <i>Kramberger</i> en een aantal andere -anthropologen wordt de neanderdal-mensch als <span class="ex">homo -primigenius</span> tot een andere soort gerekend dan de homo -<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name= -"pb94">94</a>]</span>sapiens. Wij komen hierop later bij onze algemeene -beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als -behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la -Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen -vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode, -waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw de -dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den voorgrond -treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat men zelfs -gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere soort te -moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke eigenschappen -betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in den -geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen dat -het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond van -de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de bodemlaag -van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen vorm. En als -wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij dat de lange as -van den rechthoek juist west-oost is georienteerd, zoodat ook het -lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij lag het skelet in -de voor de latere „Höckergräber” zoo typische -houding met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, -de ziel verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen -wapenen liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen -aan den doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de -gevolgtrekking, dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor -zoovele duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij -werden begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de -regelmatige vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, -vermoedelijk een soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige -orientatie van het graf in de richting oost-west, en een <span class= -"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>geloof -in een voortbestaan na den dood, getuige de houding van het skelet en -de aan den doode medegegeven wapenen.—Een ervaren archaeoloog zou -wellicht uit de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies -trekken, maar het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen -uitkomen, dat men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men -op zuiver morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere -waarde wil toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de -algemeene slotbeschouwingen nog nader terug.</p> -<p class="par">11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten -uit den laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909–1910), la -Pech de l’Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade -(1911), ga ik hier met stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de -korte nota’s die er van gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook -hier skeletten van het neanderdal-ras opgedolven.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1809width" id="fig24"><img src= -"images/fig24.jpg" alt="" width="671" height="532"> -<p class="par first">Fig. 24. Doorsneden van de „grotte des -enfants” bij Grimaldi met de verschillende steenlagen, de oude er -vroeger ingegraven put, en de in de steenlagen gevonden skeletten. De -eene doorsnede in de lengterichting van de grot, de andere dwars op den -ingang. Buiten de grot de spoorrails.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van -grooter belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst -van <i>Grimaldi</i>. Reeds gedurende een aantal jaren werden op -aansporing van Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, -bij Mentone, systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen -onderzocht door eenige Fransche archaeologen, met name <i>Verneau</i>, -<i>Boule</i>, <i>Villeneuve</i> en vroeger door <i>Rivière</i>. -Een aantal skeletten werden opgedolven die allen tot de jongere -pleistocene periode (vooral de „aurignac”-periode en later) -behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde -„Cro-magnon” type (zie pag. 99) vertoonden met al de -kenteekenen van den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den -abt <i>Villeneuve</i> in de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin -reeds vroeger in de bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van -het „<span class="corr" id="xd24e1834" title= -"Bron: cro-magnon">Cro-magnon</span>” <span class= -"pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>type was -opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan van twee -skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder de oppervlakte -gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij gevoegde -doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven elkaar -liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden nu een -ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype, zooals het in -fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd, zonder de -vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch der vorige -vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch met -vooruitstekende <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name= -"pb97">97</a>]</span>kaken, platten neus, bijna geen kin en een aan het -negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat dit -type door <i>Verneau</i>, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven, -het „negroïde” type genoemd werd. Boven de laag, -waarin deze beide skeletten begraven waren (er was een duidelijke -steenbedekking om de beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), -werd op ongeveer 7 meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals -het reeds vroeger in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, -geheel en al het karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste -skelet zou volgens de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen -en dierlijke overblijfselen tot het laatste gedeelte van de -„aurignac”-periode behooren, de beide skeletten van het -negroïde type zouden tot de „moustier”-periode -behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn als de zooeven -beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel door latere -opgaven van <i>M. Boule</i> gebleken, dat de ouderdom van deze -„negroïde”-skeletten niet zoo groot is als men eerst -meende, maar <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name= -"pb98">98</a>]</span>er blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel -later dan de periode, waarin wij hier in Europa een ras met zeer -inferieure kenmerken aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen -werden gevonden die een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het -toont tevens aan, hoe voorzichtig men zijn moet met conclusies, -getrokken uit fragmenten van schedels. Had men van deze negroïde -schedels van <i>Verneau</i> slechts het schedeldak met het hooge -gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende wenkbrauwbogen gevonden, -men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier schedels tot den -normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de kaken en het -gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers bij het -neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen schedel -inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in zijn geheel -beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te zijn. Zoo maant -ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e1854width" id="fig25"><img src= -"images/fig25.jpg" alt="" width="641" height="359"> -<p class="par first">Fig. 25. Schedel van het „<span class="corr" -id="xd24e1857" title="Bron: negroide">negroïde</span>”type -uit de „Grotte des enfants.” Volgens <i>Verneau</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude -steenen tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen, -houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere -tijdperken, het Moustierium, de „acheuléen” en -„chelléen” periode, zoo typische neanderdal-ras op. -Het lage, wijkende voorhoofd met de groote zware wenkbrauwbogen en den -naar achteren uitgezakten zwaren schedel verdwijnt en een nieuw ras -treedt op, met smalle slapen, hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, -kleinere fijn gevormde oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom -een ras treedt op, dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig -levende menschenrassen, aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen -de beide rassen kennen wij niet. Wel zijn bij de verschillende -skeletvondsten uit deze laatste perioden (Aurignac, Magdalénien) -minder ontwikkelde <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" -name="pb99">99</a>]</span>skeletvormen naast meer ontwikkelde gevonden, -doch er blijft een diepe klove tusschen de beide typen bestaan.</p> -<p class="par">Vondst van <i>Cro-magnon</i> in Dordogne, Frankrijk. Aan -deze vondst ontleent het menschenras uit de latere perioden van het -palaeolithicum zijn naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een -spoorweg, in een „abris sous roche” daar ter plaatse vijf -skeletten gevonden, in een steenlaag uit de aurignac-periode. Door -<i>Lartet</i>, die de vondst nauwkeurig onderzocht heeft, werd van -begraven der skeletten geen spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag -gevonden steenen werktuigen, versierselen (een groot aantal doorboorde -schelpjes, blijkbaar oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en -dierlijke overblijfselen bleek, dat de skeletten uit de -aurignac-periode, het rendiertijdperk, stamden. De vorm van den schedel -en van het verdere beenstelsel is typisch gelijkend op dien van den -tegenwoordig levenden homo sapiens.</p> -<p class="par">Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van -hetzelfde type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende -langen tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen -armen en sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, -Egyptisch graf uit het neolithicum), zooals die van -<i>Laugerie-Basse</i> in Dordogne, in 1872 door Massénat -uitgegraven, van <i>Chancelade</i>, eveneens in Dordogne, in 1888 -gevonden, uit de grot van <i>Hoteaux</i>, bij Rossillon, allen uit de -bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier met -stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen zijn -voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de -afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten, -dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus nog -in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een -schedelvorm bezat, die zich in de <span class="pagenum">[<a id="pb100" -href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span>hoofdpunten volkomen aansloot -aan die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit -ras moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In -Frankrijk, in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en -Zweden is het bestaan er van door verschillende vondsten aangetoond. -Directe overgangsvormen, die dit ras verbinden met het boven beschreven -neanderdal-ras, kennen wij niet.</p> -<p class="par">14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt -in dit opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan -het in 1910 door <i>Hauser</i> en <i>Klaatsch</i> gevonden skelet van -<i>Combe Capelle</i>, den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van -dien naam (dicht bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) -uitgegraven. De schedelvorm is reeds volkomen als die van een -hedendaagschen Europaeer, met hoog gewelfd voorhoofd, kleine -neusopening, sterk dolichocephalen (langen) schedel, geen -vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou evenwel zijn, dat de -vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men nu evenwel nauwkeurig de -verschillende afbeeldingen van dezen „homo aurignaciensis -Hauseri,” zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt de kin -volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk -ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke -gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal -volksstammen vinden, bij de eskimo’s, om in Europa te blijven, en -wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden -bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend -skelet, in het museum van Périgueux bewaard, is precies -hetzelfde te zien.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving -van de verschillende vondsten afsluiten. <span class="pagenum">[<a id= -"pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>Slechts die vondsten -hebben wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden, -belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie van -het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te -schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten -mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:</p> -<p class="par">Met de <span class="corr" id="xd24e1908" title= -"Bron: rendier-en">rendier- en</span> bisonjagers van het -Cro-magnon-ras sluit het oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst -bescheiden begin der eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn -duur een beschaving ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen -instrumenten en wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit -rendierhoorn en been, zooals wij die vinden in de laatste periode van -het palaeolithicum, het magdalenium.</p> -<p class="par">Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook -deze cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk -bereikt. Bij het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat -schijnt het rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van -de menschen het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, -of de zich langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een -nomadenleven met zich brachten, de mensch schijnt de oude -nederzettingen gedurende vele eeuwen verlaten te hebben. In dat -gedeelte van West-Europa, waar overal de overblijfselen uit den ijstijd -zoo talrijk en in zoo groote verscheidenheid te vinden zijn, in -Zuid-Frankrijk, is de steenlaag, die de overblijfselen van de laatste -periode van het palaeolithicum, de magdalénienperiode, inhield, -overal bedekt door een dikke steen- en aardlaag, die volkomen steriel, -volkomen vrij van voorhistorische overblijfselen, zij het steenen of -hoornen of beenen werktuigen, zij het menschelijke of dierlijke -skeletdeelen, is.</p> -<p class="par">Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij een -<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name= -"pb102">102</a>]</span>andere geworden in een andere omgeving. De -uitgestrekte steppen, die na den afloop van den ijstijd waren ontstaan, -zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het grootste gedeelte van -Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere vormen bestaande dan de -ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook den mensch vinden wij in -anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd met de overblijvende menschen -van het <span class="corr" id="xd24e1918" title= -"Bron: cromagnon ras">cro-magnon-ras</span> ras. Zijne raskenmerken -zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij komen in het -nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen uit hertshoorn -inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van een nieuwe -techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en meer verfijnd, -tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo volmaakten vorm van -het latere neolithicum, plaats moest maken voor het tijdperk der -metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.</p> -<p class="par">Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en het -<span class="corr" id="xd24e1923" title= -"Bron: cro-magnonras">cro-magnon-ras</span> vonden wij niet, zooals wij -vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus nu een tweede onderbreking. -Bij deze onderbreking, die reeds meer in het bereik der archaeologische -studie ligt, nemen wij een indringen van nieuwe elementen uit het -Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het niet voor de hand, ook bij de -eerste onderbreking aan een invasie van buiten Europa te denken?</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming -van den mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in -Amerika iets van belang gevonden?</p> -<p class="par">Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis -van den pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij -kunnen er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in -Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden -zijn, maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid, <span class= -"pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>die -wat die gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, -kan men daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een -vergelijking van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen -en de bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het -onderzoek hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige -nauwkeurigheid verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke -overblijfselen, die door <i>Noethling</i> in Opper-Birma gevonden -waren, reeds spoedig (1902) door <i>Swinhoe Redway</i>, een Engelsch -onderzoeker, aangetoond, dat zij niet <i>in</i> het uit tertiaire -gesteenten bestaande plateau lagen, zooals door <i>Noethling</i> was -gemeend, doch er boven<i>op</i>, en dat zij dus zeer zeker niet van -tertiairen oorsprong kunnen zijn.</p> -<p class="par">Zoo werden door <i>Alsberg</i> in 1892 in tertiairen -zandsteen, bij Warnambool in Australië, in den nog weeken steen -afgedrukte en daarna verharde voetsporen van menschelijke wezens -gevonden. <i>Klaatsch</i>, die deze voetsporen ook bestudeeren kon, -hield ze voor ontwijfelbaar van menschelijke wezens afkomstig en meende -zelfs bij deze voetsporen den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te -vinden. Door <i>Branco</i> werd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in -dezen gemaand, en door <i>Noethling</i> werden dan ook later in -afgelegen streken van Australië in de sneeuw(!) dergelijke -voetsporen gevonden, die evenwel door kangoeroe’s waren -achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten, dan werd een dergelijke -indruk in de sneeuw achtergelaten als door <i>Klaatsch</i> in geniale -fantasie voor den afdruk van een menschelijk zitvlak werd gehouden. Wie -te veel bewijst....</p> -<p class="par">Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de -vergelijking van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in -Oost-Azië en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door -Amerikaansche onderzoekers (met name <i>Ameghino</i>) voor tertiair -<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name= -"pb104">104</a>]</span>worden gehouden, worden door Europeesche -geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor quartair gehouden. Het -spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan zekerheid, juist voor het -probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer gevaarlijk is. Zoo men in -Amerika menschelijke schedels met inferieure kenmerken had gevonden, -die uit de tertiaire periode stamden, zouden dergelijke schedels -oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij uit de quartaire -periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de geologische -verhoudingen van dat groote continent nog niet in die mate nauwkeurig -bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens omtrent den -ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen hebben kunnen -voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter, de opgaven in -die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo is bijv. van -den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer hoogen -tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure kenmerken -vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel uit den -tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die door -<i>Ameghino</i> beschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van den -normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende, ze tot -een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus) te moeten -rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het schedels waren, -die van gewone menschen, normale exemplaren van den homo sapiens -afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd, zooals dat bij een -aantal Indianen-stammen nog heden ten dage stelselmatig bij jonge -kinderen wordt gedaan. Andere schedels met laag, wijkend voorhoofd, -door <i>Hrdlicka</i> beschreven, zijn ongetwijfeld van jong-diluvialen -ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken in geenen deele zoo -sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.</p> -<p class="par">Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van het -<span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name= -"pb105">105</a>]</span>menschelijk geslacht, waarvan <i>Ameghino</i> in -de oude geologische formaties van Argentinië de fossiele -overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo en de -diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen houden en -zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde geldt, ten -minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten, die door -<i>Ameghino</i> in geologisch oude steenlagen zijn gevonden, en door -hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus, anthropops -bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel; van eenige -verwantschap met den mensch, die in de namen, hen door <i>Ameghino</i> -gegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.</p> -<p class="par">Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen -feiten bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat -van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf, dat -daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de -praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika -bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.</p> -<p class="par">Met Australië staat het anders gesteld. In dat -groote eilandenrijk, in vroegere geologische perioden door groote -landbruggen met de overige werelddeelen verbonden, doch reeds in lang -achter ons liggende perioden geïsoleerd, hebben een aantal -diersoorten zich in den strijd om het bestaan kunnen handhaven, die in -de andere werelddeelen reeds vroeg zijn uitgestorven. Ook de -oorspronkelijke inboorlingen vertoonen inferieure kenmerken, die -eenigszins aan het Neanderdal-ras doen denken en die verschillende -anthropologen er toe gebracht hebben daar de plaats te zoeken, waar het -menschelijk ras zich uit dierlijke voorvaderen heeft ontwikkeld, en van -waar het door langzame emigratie en verspreiding de geheele wereld -heeft bevolkt. Eenige zekerheid hieromtrent heeft men evenwel -geenszins. <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name= -"pb106">106</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1289" href="#xd24e1289src" name="xd24e1289">1</a></span> Wij -weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch -zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan zelfs zoo lang -geleden zijn als de eocaene periode. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1289src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1370" href="#xd24e1370src" name="xd24e1370">2</a></span> Ook dit -wordt echter weer tegengesproken, door <i>Dubois</i> zelf en door een -Engelsch anthropoloog van groote autoriteit, <i>Arthur Keith</i>, die -in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de -pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig -schijnt mij echter de opvatting van <i>Volz</i> en <i>Martin</i> op -degelijker gronden te berusten. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1370src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1423" href="#xd24e1423src" name="xd24e1423">3</a></span> De -inmiddels door <i>Dawson</i> en <i>Smith Woodward</i> gepubliceerde -uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel omtrent -de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat betreft -den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst -primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel -altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben -beoordeeld. <a class="fnarrow" href="#xd24e1423src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1450" href="#xd24e1450src" name="xd24e1450">4</a></span> Zooals -echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels verschenen -uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen twijfel bestaan -aan de juistheid dezer voorloopige opgaven van <i>Dr. Smith -Woodward</i>. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1450src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1593" href="#xd24e1593src" name="xd24e1593">5</a></span> Zie -<a href="#gloss">achterin</a>. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1593src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1606" href="#xd24e1606src" name="xd24e1606">6</a></span> Door -<i>Fraipont</i> en <i>Lohest</i> in 1886 beschreven. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1606src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1700" href="#xd24e1700src" name="xd24e1700">7</a></span> Volgens -de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten tijd een beter -gipsafgietsel van vervaardigd. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1700src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1715" href="#xd24e1715src" name="xd24e1715">8</a></span> <i>M. -Boule.</i> l’Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de -Palaeontologie 1913. blz. 1–278. 101 afbeeldingen. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1715src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5687">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main"><span class="divNum">VII</span> GEVOLGTREKKINGEN EN -ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.</h2> -<div class="epigraph"> -<p lang="en" class="par first">„We must not fall into the error -of supposing<a id="xd24e2006" name="xd24e2006"></a> that the early -progenitor of man was identical with, or even closely resembled, any -existing ape or monkey.”<a class="noteref" id="xd24e2008src" -href="#xd24e2008" name="xd24e2008src">1</a></p> -<p class="par xd24e214"><span class="ex">Darwin.</span></p> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par xd24e2017"><span class="xd24e2017init">G</span>aan wij -nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent het -vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij voor -gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt dat, als -wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die nauwkeurig -gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het gebouw, dat wij -er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij zijn er nog zeer ver -van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld van de wordingsgeschiedenis -van het menschelijk geslacht te kunnen geven. De lacunes zijn op het -oogenblik nog grooter dan de hechte, aaneengesloten gedeelten, ja het -schijnt wel, alsof met elken stap, door het wetenschappelijk onderzoek -in deze richting gedaan, het veld van onderzoek grooter, de horizon -vager wordt en meer aanrakingspunten krijgt met het onbekende, alsof -met elke nieuwe vondst het probleem verdiept en verzwaard wordt, de -oplossing verder verschoven schijnt te worden. Is dit een bezwaar? -Behoeft het de anthropologie in discrediet te brengen? Zeer zeker -<span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name= -"pb107">107</a>]</span>niet. Het gaat met elken tak van wetenschap zoo. -Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter de -hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich -opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch het -is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van dit -vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het de -afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans zoo veel -voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand wordt -uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van het beeld, -dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het -ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een sausje -van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht wordt -voorgezet. En dat is ’t, wat ten slotte het wetenschappelijk -onderzoek in discrediet zou brengen.</p> -<p class="par">In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die -ons er toe brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te -brengen met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit -die dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het -zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de -zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.</p> -<p class="par">Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende -reeks, d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te -hooger werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden -de gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde -dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder de -zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de spits. -Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op den -mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de gibbon, -welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst waren, -<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name= -"pb108">108</a>]</span>ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als -„primaten,” als „eerste onder de levende -wezens,” in een zelfde orde vereenigd. In den tijd van -<i>Linnaeus</i> paste deze voorstelling geheel en al in den kring der -toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd van de groote -gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch viel op te merken. -„<span lang="la">Simia quam similis, turpissima bestia, -nobis</span>” schreef <i>Ennius</i><a class="noteref" id= -"xd24e2035src" href="#xd24e2035" name="xd24e2035src">2</a><span class= -"corr" id="xd24e2040" title="Niet in bron">.</span> <i>Galenus</i> -bestudeerde de anatomische verhoudingen van het menschelijke lichaam -aan apen. Het was een reformatorische daad, toen <i>Vesalius</i> -beweren dorst, dat <i>Galenus</i> gefeild had in dit volkomen gelijk -stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen uit de 18e eeuw worden de -apen (bijv. de chimpansee) als behaarde menschen voorgesteld, met een -intelligent, menschelijk gezicht, staande op de achterste ledematen, -een stok of een bloem in de hand; „ik moet bekennen,” -schreef <i>Buffon</i>, „dat als men slechts op den vorm van den -orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch kan -houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij aan -het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden.” <i>De la -Mettrie</i> hoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de -apen het spreken en goede manieren te leeren, <i>Lord Monboddo</i> -leerde reeds, dat de mensch van de apen afstamt, <i>Huxley</i> stelde -als resultaat van een voor den tijd, waarin het ontstond, -voortreffelijk onderzoek, vast, dat de anatomische verschillen, -waardoor zich de mensch van den gorilla of den chimpansee onderscheidt, -niet zoo groot zijn, als die, welke tusschen den gorilla en de lagere -apen bestaan, terwijl reeds in 1824, onder den invloed van de -theorieën van <i>De Lamarck</i>, <i>Vizey</i> de opvatting -verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een Hottentot -verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.</p> -<p class="par">Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijn -<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name= -"pb109">109</a>]</span>niet vrij te maken van persoonlijke, niet nader -te controleeren, waardebepalingen, maar het is ontegenzeggelijk waar, -dat onder alle dieren de menschapen, de anthropoiden (gorilla, -chimpansee, orang oetan en gibbon) het meest op den mensch in vorm en -in anatomische kenmerken gelijken.</p> -<p class="par">Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 -menschapen? Zoo ja, met welke, of wellicht met meerdere?</p> -<p class="par">Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men -heeft (en dit zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den -gorilla en vooral met den orang oetan in verband gebracht, en naar -kenmerken gezocht, die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap -zouden wijzen, ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende -menschenrassen van verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is -bijvoorbeeld volgens <i>Melchers</i> (1910) het menschelijk geslacht in -vier groepen van rassen te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van -een der vier anthropoïde apen af. Zoo zouden de negers van de -Congo, de bewoners van Guinea, de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de -blond- en roodharige noordelijke rassen van het gorilla-type zijn. Met -den chimpansee zouden in verband staan de Boschjesmannen, de Scythen, -de Berbers, sommige rassen in Spanje, Portugal en de Pyreneën, de -Lappen. Van den orang oetan zouden afstammen de Vuurlanders, -Australiërs, de Papoea’s, de rondhoofdige alpine rassen, -terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs met de -gibbons verwantschap zouden bezitten.</p> -<p class="par">Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in -overoude tijden eerst de vier groepen der anthropomorphe apen -ontwikkeld hebben en dat dan uit die vier groepen, behalve de -nakomelingen, die zich verder slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 -menschapen), door voortgezette ontwikkeling de verschillende -menschenrassen gevormd zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb110" href= -"#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p> -<p class="par">Iets dergelijks zegt de door <i>Klaatsch</i> in de -laatste jaren (na 1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van -Afrikaansche herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende -voorvaderen, het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn -binnengedrongen en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader -afstamt.</p> -<p class="par">Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.</p> -<p class="par">Door <i>Darwin</i> is, zooals ik als citaat boven dit -hoofdstuk plaatste, het reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in -populaire geschriften doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat -men toch niet in de dwaling moet vervallen, te meenen, dat de -voorvaderen van den mensch identisch moeten geweest zijn of zelfs ook -maar sterk moeten hebben geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. -Van de tegenwoordig levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde -anthropoïde apen, zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij -staan er zelfs slechts in een verwijderd genetisch verband mede.</p> -<p class="par">Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de -verschillende aapsoorten,—en wij kunnen ons dus daarbij beperken -tot de 4 het meest op den mensch gelijkende menschapen—nauwkeurig -bestudeeren en ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den -mensch, dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer -gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd zijn -dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral bij den -gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen dier, als -het rechtop staat, bijna met de handen op den grond steunt, het -rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde apen niet -alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in ontwikkeling -achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het gebit met zijn -groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde voorste kiezen -(zoogenaamde praemolaren), <span class="pagenum">[<a id="pb111" href= -"#pb111" name="pb111">111</a>]</span>en vooral met zijn zoo -verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit, -speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat men -volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie hebben -gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch en de -tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch verband -zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband staande sterke -ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3 -schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat -men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig -levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit een -of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.</p> -<p class="par">Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk -behandelde wet van <i>Dollo</i>, dat een in een bepaalde richting -verder ontwikkelde specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de -oorspronkelijke vorm weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle -anthropoïde apen op een zelfde wijze van den mensch verschillen -(door de veel langere armen) als bijvoorbeeld de giraffe, de -vledermuizen, vliegende hond, enz. van de andere <span class="corr" id= -"xd24e2108" title="Bron: viervoerige">viervoetige</span> dieren, daar -kunnen wij evenmin ons voorstellen, dat uit voorvaderen met dergelijke -gespecialiseerde voorste ledematen weer menschen met normaal lange -ledematen voortgekomen zijn, als wij ons uit giraffe- of -vleermuisachtige voorvaderen weer normaal gebouwde viervoeters ontstaan -kunnen denken. Zoo is het dijbeen van alle menschapen, behalve van den -gibbon, korter en dikker en anders gevormd dan bij den mensch. Was nu -de mensch met zijn rechtopstaande houding uit een dier menschapen -voortgekomen, dan zou men eer meenen, dat onder den invloed van de veel -zwaardere belasting het dijbeen van den mensch, dat nu den last van het -geheele lichaam te dragen krijgt, waar het eerst slechts alleen het -achterste <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name= -"pb112">112</a>]</span>gedeelte van den romp droeg, nog korter en -dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke verandering van -belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden, zien wij wel dit -verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en slanke dijbeenderen.</p> -<p class="par">Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten -geïllustreerd.</p> -<p class="par">Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk -gespecialiseerd gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en -eigenaardig gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een -dergelijken vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog -zoo talrijke dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen -van de oudste menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou -vinden, die in de richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. -Toch is dat in geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij -bijvoorbeeld in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste -en meest primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren -kennen, een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van -de kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden, -doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een -grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de -kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der -anthropoïde apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij -bij de pas gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. -Ook hier een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap -(vooral van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen -menschelijk gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis -eigenlijk te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de -onderkaak zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk -karakter van de tanden en kiezen, <span class="pagenum">[<a id="pb113" -href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span>sluit elke gedachte aan een -afstamming van den mensch van op menschapen gelijkende voorouders -uit.</p> -<p class="par">Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf -der oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een -gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het -vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire aapvorm -zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen, heeft -doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken stamvorm -heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame -harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze of gene -kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht verheven, -terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een andere -richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en een daardoor -zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den loop dier zelfde -duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende menschapen bracht.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e2122width" id="fig26"><img src= -"images/fig26.jpg" alt="" width="342" height="655"> -<p class="par first">Fig. 26. Gehalveerde schedels van een volwassen -mensch, een jongen orang oetan en een volwassen orang oetan, onder -elkaar geplaatst.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, -waarop ik zoo even doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat -er een zekere evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een -bepaalde soort door langzame verandering in den loop der duizenden -jaren, en de ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. -Zijn nu in den loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde -specialisaties opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de -ontwikkeling van het individu zelf, en wel eerst in de latere periode -van het embryonale leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is -ontstaan, doch reeds vroeg, als de specialisatie zelf van een -ingrijpend karakter is en al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van -de soort is opgetreden. Zoo is bijv. het uitgroeien van de vingers der -voorste ledematen en het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de -vleermuizen een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroeg -<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= -"pb114">114</a>]</span>in de ontwikkelingsgeschiedenis van de groep -opgetreden (d. w. z. men vindt de eerste sporen van vleermuizen al in -vroege geologische perioden) en men vindt dan ook al bij heel jonge -embryonen van vleermuizen de eerste teekenen van het uitgroeien en -breed worden der voorste ledematen. De specialisatie-kenmerken, -waardoor de anthropoïde apen zich van de overige apen en van den -mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst in latere geologische -perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij de ontwikkeling van het -individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs na het einde <span class= -"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>van -het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds geboren is, zich -langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen, die in bepaalde -kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere geologische -perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan, zoodat dus die -afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den oorspronkelijken -stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van die beide soorten -of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen dan de volwassen -dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst recht tot uiting -zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen en den -mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee, -gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de -oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de -schedels van een <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" -name="pb116">116</a>]</span>menschelijken pasgeborene (links) met het -schedeltje van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat -afgezien van den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge -chimpansee zich bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend -groot is, grooter dan men zou verwachten als men den schedel van een -volwassen mensch met dien van een volwassen chimpansee heeft -vergeleken. Hetzelfde blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar -geplaatst zijn een in de middellijn gehalveerde menschelijke schedel, -een dito schedel van een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van -een volwassen orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde -voorhoofd en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen -orang-oetan in vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e2135width" id="fig27"><img src= -"images/fig27.png" alt="" width="502" height="447"> -<p class="par first">Fig. 27. Schedel van een pasgeboren zuigeling -(links) en van een pas geboren chimpansee (rechts) van voren en van -terzijde gezien. Volgens <i>Kollmann</i>.</p> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij -kunnen er dus als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet -uit een der tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst -ontwikkelde, is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de -voorhistorische menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin -wij den mensch door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen -aantoonen, er op, dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het -algemeen moeten hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van -den mensch met de dierenwereld aannemen,—en dat hebben wij juist -als punt van uitgang aangenomen—dan moet onze stamvader wel uit -de groote groep der apen, der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, -zijn voortgekomen. Kennen wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit -de mensch zou kunnen zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag -gesteld: kennen wij onder de fossiele overblijfselen van de hoogste -zoogdieren vormen, die wij met zekerheid of met groote -waarschijnlijkheid tot den rang van voorvader van het menschelijk -geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord op deze <span class= -"pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name= -"pb117">117</a>]</span>vraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de -fossiele apen, noch onder de verdere fossiele overblijfselen van -zoogdieren kennen wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van -den mensch kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de -afstammingsrichting van den mensch aangeven; wat de directe -tusschenvormen zelf betreft, moeten wij den mensch nog steeds -beschouwen als een „homo novus,” een „parvenu” -(<i>Branco</i>), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft, doch -iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de vondsten -van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni geleerd, hoe -het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden van zijn -ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op dierlijke, -pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst van den -pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte de apenstam -het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht, wel heeft dus -het geheele overgangsproces een zeer groote mate van zekerheid voor ons -verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de stations waarlangs de -lijn van de ontwikkeling van het menschelijk geslacht heeft geloopen, -kennen wij niet. De mensch is en blijft nog steeds een homo novus.</p> -<p class="par">Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats -weten wij van fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de -hoogste aapsoorten betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk -wij kennen, is uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts -door enkele tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, -bekend. Van andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak -met eenige tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een -dijbeen, kortom, de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de -verschillende soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen -uitmaken, dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraan -<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name= -"pb118">118</a>]</span>dan een of andere naam is gegeven ter -onderscheiding van de andere vormen, maar zijn absoluut onvoldoende om -ons ook maar eenigszins een denkbeeld te verschaffen van de -eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam dier fossiele apen. En -dat hebben wij toch noodig, om uit te maken, in hoeverre die dieren als -voorvaderen van het menschelijk geslacht in aanmerking kunnen -komen.</p> -<p class="par">In de tweede plaats is het volstrekt niet -onwaarschijnlijk, dat, zelfs als al deze fossiele aapsoorten door -volledige skeletten bekend waren, die men dus direct met de -verschillende overblijfselen van den voorhistorischen mensch zou kunnen -vergelijken, men onder die skeletten geen enkel zou vinden, dat met het -menschelijk skelet voldoende punten van overeenkomst bezat, om voor een -der tusschenstations in de lijn der ontwikkeling van het menschelijk -geslacht in aanmerking te komen.</p> -<p class="par">Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte -van Europa grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En -verder, dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld -heeft losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde -moet worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de -eigenlijke overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den -aardbol begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in -Achter-Indië, in Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal -gevonden kunnen worden, maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor -altijd verloren gegaan zijn en nooit gevonden zullen worden. In die -vroege perioden van de aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders -uit dan nu. Van het groote vroegere vasteland, dat Patagonië, -Australië, Indië omvatte, is in den tegenwoordigen tijd nog -slechts een klein gedeelte over. Het grootste gedeelte is onder den -zeespiegel weggezonken. Zoo is van de groote landverbinding, die in -vroegere tijden <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" -name="pb119">119</a>]</span>tusschen Amerika en Europa moet hebben -bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen ter tijde ook aan de -poolstreken een tropisch, later een subtropisch klimaat. Welk een -ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het eeuwige ijs der -poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan niet de stamvader van -het menschelijk geslacht, kunnen niet juist die overgangsvormen, die -ons den sleutel tot de geschiedenis van het wordingsproces van het -menschelijk geslacht zouden geven, daar onder ijs en sneeuw verborgen -liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage ontoegankelijk? -Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus in Java is -gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in Afrika -gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig -Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het -Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds -Australië de bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, -doch zekerheid heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de -Eskimo’s, ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve -kenmerken. Dat de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is -voortgekomen, is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden -beweerd.</p> -<p class="par">Zekerheid heeft men dus in elk geval hier -allerminst.</p> -<p class="par">Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den -mensch rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere -ontwikkeling van het menschelijk geslacht uit de primitieve -menschvormen van den ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire -periode, dan vinden wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige -hoofdstuk, dat uit de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de -vroegste tijden der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en -West-Europa menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen in -<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name= -"pb120">120</a>]</span>zeer sterke mate dierlijke, aan de apen -herinnerende kenmerken vertoonen. En die kenmerken vermeerderden zich, -naarmate de fossiele overblijfselen uit vroegere perioden afkomstig -waren. In Engeland de schedelfragmenten van Piltdown (1912), die zoo -sterk aan dierlijke vormen herinneren, dat men zelfs den geslachtsnaam -homo er niet aan heeft wagen te geven, en er den naam -„eoanthropus,” „het wezen, staande aan den dageraad -der menschwording,” voor verzon. En al moge men nu de opgaven -omtrent den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een -zeker voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo -uiterst merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds -menschelijk in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog -typische pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in -Frankrijk, Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke -representanten van het neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van -la Chapelle-aux-Saints het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel -en al menschelijk van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer -afwijkende van den tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het -voetspoor van <i>Wilser</i>, <i>Schwalbe</i> en zijn volgers hem als -een andere menschensoort, den homo primigenius, den -„eerstgeboren” mensch, opvatten. Daarna de vondsten van den -Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras, vormen die reeds geheel en -al het karakter van den homo sapiens, zij het dan ook de eerste in nog -eenigszins onvolmaakten vorm, bezitten. Ziedaar dus een opklimmende -reeks, die, naar men zou meenen, niets aan duidelijkheid en -volledigheid overlaat, en die ons langs den weg van verschillende -soorten, ja zelfs van verschillende geslachten, voert van bijna nog -geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch, zooals hij in -historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele ontwikkeling -zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen, van -<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name= -"pb121">121</a>]</span>oudsher meest beschaafde en ontwikkelde -werelddeel!</p> -<p class="par">Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een -onoverbrugde kloof tusschen de verschillende overblijfselen van den -neanderdalmensch en de menschelijke skeletten uit de latere perioden, -den aurignac-mensch, het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij -bij de overblijfselen van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, -reeds twee verschillende rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, -slanke, en korte, gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in -de Grotte des Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit -denzelfden tijd als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel -ander type, met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En -stel, dat de pithecanthropus niet zoo oud is als <i>Dubois</i> meende, -doch in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke -vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java, -terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is zich -hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de -inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds -in het begin der quartaire periode van de overige vastelanden -geïsoleerd is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de -typen van het neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders -buiten Europa, palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde -karakter, als die welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in -Europa zijn gevonden?</p> -<p class="par">Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij -den huidigen stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij -die vragen, in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen -stellen, is reeds een groote stap in de richting van de oplossing er -van. En de feiten, die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te -stellen, geven ons zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing -van het vraagstuk <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" -name="pb122">122</a>]</span>van de afstamming van den mensch niet zoo -eenvoudig is als zoo juist werd aangegeven. Dat wij de reeks -pithecanthropus—eoanthropus—homo -heidelbergensis—mensch van La Chapelle-aux-Saints -(neanderdalmensch) kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den -mensch in genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de -lijn aan, waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben -geloopen. Dat zij zoo geloopen <span class="ex">heeft</span>, wordt er -niet door bewezen.</p> -<p class="par">Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten -rekening houdende, den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht -op de volgende wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst -langzamen ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden -met het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het -laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam, dat -tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis (en -wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo ver -uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden, dan -moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde der -tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van den -heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de minder -ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten, zich niet -in het <span class="ex">einde</span>, doch reeds in het <span class= -"ex">begin</span> der tertiaire periode uit primitief gebouwde, niet -gespecialiseerde, tot de groote groep der aapachtige dieren behoorende, -voorvaderen in een nog zeer primitieven aapachtigen overgangsvorm heeft -ontwikkeld.</p> -<p class="par">Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in -Australië, in warme landen in elk geval. Het niet behaard zijn van -den mensch, ook daar waar een ras, zooals de van oudsher in de -poolstreken aan de strengste koude blootgestelde Eskimo’s, -Lappen, enz., zich duizenden <span class="pagenum">[<a id="pb123" href= -"#pb123" name="pb123">123</a>]</span>en duizenden jaren tegen die koude -heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk ook tijdens de -ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste teekeningen uit -dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij steeds als niet -behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der hun vergezellende -dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er wel op, dat zijne -eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in een warm klimaat heeft -plaats gevonden.</p> -<p class="par">Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke -stamvorm, die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den -pithecanthropus moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een -aantal iets van elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals -wij dat ook zien gebeuren bij in een zoogenaamde -„mutatie-periode” gerakende plantensoorten. Met „vrij -snel” bedoel ik dan hier in den loop van weinige duizenden jaren, -met „rassen” (of ondersoorten of hoe men dergelijke iets -van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel ik nog niet de -tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig iets van elkaar -verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van -„hominiden,” (menschachtige wezens) van sterk op elkaar -gelijkende, doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende -vormen. In den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire -periode ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en -verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als wij -bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier als het -nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van uit het zuiden -over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen, dan behoeft ons een -dergelijke verspreiding van de stamvaders van het menschelijk geslacht -niet te verwonderen. Het is mogelijk, dat juist de harmonische -ontwikkeling, die den mensch kenmerkt (vergel. Hoofdstuk II) deze -snelle verspreiding, die natuurlijk het weerstand bieden <span class= -"pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span>aan -tal van zeer verschillende uitwendige invloeden en omstandigheden met -zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is het, dat wij juist alleen -bij het menschelijk geslacht die snelle verspreiding vinden, dat juist -het menschelijk geslacht in staat is geweest hinderpalen te overwinnen, -koude te trotseeren, en daardoor voor andere vormen ontoegankelijke -gebieden te bezetten en zich daar verder te ontwikkelen, terwijl de -meer gespecialiseerde anthropoïde apen slechts een gering -verspreidingsvermogen toonden en in tal van gebieden weer zijn -uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der eerste ontwikkeling -mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden steenen werktuigen, -gelijkende op de eerste voortbrengselen van het Europeesche -palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den Oost-Indischen -archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote hominidengroep -kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo heidelbergensis en -den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk, ja met het oog op -hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten, zelfs zeer -waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep in den loop -der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of in langzamer -ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het zeer goed -mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van een -dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel nog -tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich sneller -hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren geworden, heeft -geleefd, doch in het begin der quartaire periode reeds is uitgestorven. -Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de eerste invasie van een nog -zeer weinig ontwikkelden tak dezer homonidengroep in Europa, die langs -den weg van den eoanthropus en den homo heidelbergensis door langzame -ontwikkeling voerde tot den neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in -het laatste gedeelte <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" -name="pb125">125</a>]</span>van den grooten ijstijd en in de -postglaciale perioden, andere invasies van reeds verder ontwikkelde -takken der hominidengroep van uit het Zuiden en Zuid-Oosten zijn -gevolgd. Deze latere invasies behoeven niet alle even sterk en duurzaam -geweest te zijn, maar kunnen tot locale nederzettingen geleid hebben, -die wellicht later weer werden teruggedreven of vernietigd door de -inboorlingen zelf. Een op zichzelf staande vondst als die van de -overblijfselen van het „negroide” type van <i>Verneau</i> -in de Grotte des Enfants bij Grimaldi, uit de laatste perioden van den -ijstijd, kan zeer goed het bewijs zijn van een dergelijke invasie van -een kleine groep, uit Afrika langs den toen ter tijde nog bestaande -landverbindingen tusschen Tunis—Sicilië—Italië -tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na eenigen tijd weder spoorloos -verdwenen.</p> -<p class="par">Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd -een grootere invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep -van uit Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander -menschelijk type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het -neanderdalras heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras -optreden, dat het neanderdalras òf reeds gedeeltelijk -uitgestorven vindt en verder vernietigt, òf zich er ten deele -mede vermengt, en zoo het iets later in zoo groote verbreiding -optredende cro-magnon-ras vormt; het neanderdalras verdwijnt, de -cultuur van de moustérien-periode maakt plaats voor de op een -hoogere trap staande, aan het aurignac- en cro-magnon-type gebonden -cultuur der latere perioden van het palaeolithicum, de -„solutréen” periode en het magdalenium met zijn -prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde -voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger -beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.</p> -<p class="par">Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde -van het cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwe <span class= -"pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= -"pb126">126</a>]</span>cultuur, die van het neolithicum, optreden met -gepolijste wapenen, met doorboorde en van een houten steel voorziene -bijlen, met steenen werktuigen van een langzamerhand volmaakt wordende -techniek. Ook deze neolithische cultuur zien wij eerst weer in -onvolkomen, technisch laagstaanden, nog met overblijfselen uit het -palaeolithicum vermengden vorm optreden en zich langzaam hooger -opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten een ander ras, van -Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer vermengd met de -overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen volk. Ook voor -dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten, van uit het -Zuid-Oosten aan.</p> -<p class="par">Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem -van de afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan -eenvoudiger gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht -over de geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen -betreft, ver uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons -liggende geologische perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. -Het zwaartepunt der ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit -gedrongen en wordt buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij -in Europa konden gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een -tijdperk uit de ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der -groote menschgroep, door invasies van buiten gestoord en onderbroken. -De eigenlijke tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de -pithecanthropus, de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de -dierenwereld uit het begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn -nog niet bekend.</p> -<p class="par">Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk -van de afstamming van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou -onvolledig zijn, zoo ik niet van eene andere opvatting gewag maakte, -die mijns inziens wel niet de oplossing van het probleem ons geeft, -<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name= -"pb127">127</a>]</span>doch die door de eigenaardige wijze, waarop het -geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet inzien, hoezeer alles -bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.</p> -<p class="par">Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde -„pygmeeën” een groote waarde voor de studie van de -wordingsgeschiedenis van den mensch toeschrijft.</p> -<p class="par"><i>Kollmann</i>, een bekend Duitsch embryoloog, die deze -beschouwing het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt -twee feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in -de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote -diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als -voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten optreden, -naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van het paard -vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden opklimmen. -Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich uit kleinere -ontwikkelen. Datzelfde zou volgens <i>Kollmann</i> nu ook voor den -mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen moeten -zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig levende -menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen, stammen -optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel grooter dan een -meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam -„pygmeeën,” dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al -was het alleen maar uit het titelvignet van <i>Stanley’s</i> in -<span lang="en">Darkest <span class="corr" id="xd24e2234" title= -"Bron: Afrika">Africa</span></span>) de dwergstammen van de -binnenlanden van Afrika. De akka’s, de wedda’s, de pas -ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen enz., vormen -volgens <i>Kollmann’s</i> opvatting een sterk verspreid, op -zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid moet -hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins -geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in -oude tijden, zelfs in den voorhistorischen <span class= -"pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name= -"pb128">128</a>]</span>tijd, zijn pygmeeën bekend geweest. In -voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild, komen -dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de -gebroeders <i>Sarasin</i> zijn op Ceylon overblijfselen van -voorhistorische pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen -werktuigen gevonden, in verschillende neolithische en latere graven -zijn dwergskeletten naast skeletten van gewone menschelijke lengte -gevonden, kortom, volgens <i>Kollmann</i>, die al deze dwergvormen tot -de groep der pygmeeën brengt, vormen deze pygmeeën een scherp -omschreven ras, dat vroeger globair, over den geheelen aardbol -verspreid, voorkwam.</p> -<p class="par">Dit brengt <i>Kollmann</i> nu in samenhang met het -eerstgenoemde verschijnsel, dat groote diersoorten zich zoo dikwijls -uit kleine voorouders hebben ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo -geweest zijn. Ook de mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, -die niet veel meer dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een -sterke overeenkomst zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde -pygmeeën. Het ras der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden -uit een onbekende kleine anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld -en moet als de eerst optredende menschvorm worden beschouwd. Uit deze -pygmeeën ontwikkelden zich dan langzamerhand de groote rassen, -doch zoo, dat een gedeelte van den oervorm bewaard bleef; dat zijn -juist de pygmeeën die overal verspreid in de neolithische en -latere graven zoo nu en dan naast de grootere rassen werden gevonden, -en ook nu nog onder verschillende namen in Afrika, in Indië, op de -Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook de dwergen, die door de -geheele geschiedenis heen telkens worden gevonden en die ook in onze -tegenwoordige samenleving genoegzaam bekend zijn, zouden niet -tengevolge van eenig pathologisch proces zoo klein gebleven zijn, doch -zouden aan een soort <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" -name="pb129">129</a>]</span>van atavisme, van terugslag naar den -oervorm, hun ontstaan te danken hebben.</p> -<p class="par">Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed -gewelfd voorhoofd en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een -groote hersenmassa. Waar juist zij, volgens <i>Kollmann</i>, den -oervorm voorstellen, zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. -menschvormen, met nog tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, -geringe schedelwelving en kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu -juist het zwakke punt van de voorstelling van <i>Kollmann</i>, dat hij -dit verschijnsel aan zijne theorie tracht dienstbaar te maken, en juist -de hoog-gewelfde ruime schedel als den meest primitieven vorm gaat -beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge en nog embryonale apenschedels -veel menschelijker vorm bezitten dan die van oudere exemplaren, en -concludeert daaruit dat de anthropoïde apen oorspronkelijk -afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts een -gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak van den -grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden dus van -de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden volgens -<i>Kollmann</i> ook de verschillende vormen van het Neanderdalras met -hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een -divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen, -en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn -voortgekomen.</p> -<p class="par">In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, -anders ware zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een -kern van waarheid, doch zij wordt door <i>Kollmann</i> tot het absurde -doorgevoerd. Het is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm -oorspronkelijk uit kleinere vormen is ontstaan. De eerste menschen -waren ook nog vrij klein, de verschillende vertegenwoordigers van het -neanderdalras, waarvan de overblijfselen voldoende waren, om de lengte -van het lichaam <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" -name="pb130">130</a>]</span>ten naastenbij te bepalen, hadden een -lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook gelijken de jonge apen, wat hun -schedelvorm betreft, ongetwijfeld meer op jonge menschenschedels dan de -volwassen vormen. Ik kan in dit verband nog eens wijzen op fig. 26 en -fig. 27, waarin die gelijkenis duidelijk zichtbaar is. Eenige -bladzijden vroeger hebben wij van deze afbeeldingen juist als -illustratie gebruik gemaakt van het feit, dat de -specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat -ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken -dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen -oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit -een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit -zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een -even hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel -bezaten als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen -afleiden, dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden -moeten hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen -als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide -vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de -geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan wordt -het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering van <i>Kollmann</i>, -dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen, uit -pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De kern -van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een -degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar -dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den -tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten -eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, -„aapachtige” kenmerken, die met het lage voorhoofd van den -neanderdalmensch samengaan <span class="pagenum">[<a id="pb131" href= -"#pb131" name="pb131">131</a>]</span>en die eerst duidelijk aan het -licht gekomen zijn door de vondst van den fossielen mensch van La -Chapelle-aux-Saints, en ten tweede door de ook in den laatsten tijd -gevonden nog lager staande vormen van den homo heidelbergensis en -wellicht ook de vondst van Piltdown, den eoanthropus.</p> -<p class="par">Ook is de geheele voorstelling van <i>Kollmann</i>, -volgens welke de pygmeeën de oervorm zouden zijn, van waaruit het -menschengeslacht is ontstaan, niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, -waarop zij voorkomen, op geïsoleerde eilanden, in gebieden door -andere factoren (bergketenen, ondoordringbare wouden enz.) door de -natuur met een scheidsmuur omgeven, brengt hun veeleer in verband met -de „Kümmerrassen,” die wij bij zoovele dieren, die in -dezelfde omstandigheden verkeeren, zich zien vormen. Overal daar, waar -een groote diersoort op een klein, scherp begrensd gebied is besloten -geraakt, zien wij uit die diersoort zich een klein dwergras -ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies, dwergvormen van den -mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de eilanden in de -Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan in aanpassing -aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste poging om het te -gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel meer voor de hand -de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De dwergvormen -daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van normale grootte -optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens normaal groote -kinderen, zijn van zoovele pathologische processen afhankelijk, dat zij -zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één kam -geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.</p> -<p class="par">Zoo heeft dus de voorstelling van <i>Kollmann</i> weinig -waarschijnlijkheid op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier -vermelden, omdat daardoor op het geheele probleem weer van een andere -zijde licht wordt geworpen. <span class="pagenum">[<a id="pb132" href= -"#pb132" name="pb132">132</a>]</span></p> -<p class="par">Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze -beschouwingen gekomen. De taak, die ik mij bij het bewerken van dit -boekje had gesteld, is afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord -kan de bioloog op de vraag naar de afstamming van den mensch nog in -geen enkel opzicht geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker -terrein; maar waar de laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat -ons in staat gesteld heeft de verschillende vragen juister en scherper -te formuleeren, daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons -in nieuwe vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit -probleem, zonder twijfel het belangrijkste van de problemen, die de -levende wereld om ons heen ons stelt, zullen verschaffen.</p> -<p class="par">Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit -het hier behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den -onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar dit -laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke -voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog voerenden -weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons afvragen: welke -zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk organisme heeft -moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit een reeks van -problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor zich wel eene -bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen, die de -menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben moeten -ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een -„voorpoot,” langzamerhand tot een grijporgaan werd; -veranderingen, die alle haren eigenaardigen stempel hebben gedrukt op -de samenstelling van onze hand, zooals wij die nu bezitten.</p> -<p class="par">Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren -op den voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig -werd, zich ophief, verloor <span class="pagenum">[<a id="pb133" href= -"#pb133" name="pb133">133</a>]</span>het hart in dezen nieuwen stand -zijn steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus -een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu weer -verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk lichaam -samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke -eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.</p> -<p class="par">Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de -buikholte en het bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal -pathologische afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts -enkele zaken te noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van -breuken en haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen -brengen.</p> -<p class="par">Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van -het menschelijk lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de -tertiaire periode met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat -nu zelfs nog verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording -moet hebben plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de -„voormensch” zijn boomleven moest opgeven en meer en meer -zich aan een leven op den beganen grond moest aanpassen. Verschillende -eigenaardigheden van den bouw van den menschelijken voet in -vergelijking met dien van de apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. -Ja, men hoort zelfs spreken van een „paradijsachtigen -oertoestand,” waarin de voormenschen moeten hebben verkeerd, en -het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer het wonderschoon -verhaal van de schepping van den mensch in Genesis in de gedachten -roept. In verband met het leven op den beganen grond moet den -voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van de jacht -leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te verschaffen en -in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest scherpte, -<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name= -"pb134">134</a>]</span>zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging -gebruiken, enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer -verschillende veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder -spijsverteringskanaal gepaard, kortom, het geheele organisme van den -mensch zouden wij in verband met zijne afstamming, zijne -wordingsgeschiedenis, kunnen beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik -hier echter onbesproken laten, en volstaan met er op te wijzen, dat -slechts het onderzoek naar de afstamming van den mensch ons er toe -brengt, ook deze vragen te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt -uit, het menschelijk lichaam te onderzoeken.</p> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e2306width"><img src="images/ornament.png" alt= -"Ornament." width="149" height="80"></div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name= -"pb135">135</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote" lang="nl"><span class="label"><a class= -"noteref" id="xd24e2008" href="#xd24e2008src" name= -"xd24e2008">1</a></span> Zie <a href= -"#gloss">hierachter</a>. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2008src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2035" href="#xd24e2035src" name="xd24e2035">2</a></span> Zie -<a href="#gloss">hierachter</a>. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2035src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="ix" class="div1 index"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5693">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name= -"pb137">137</a>]</span></p> -<h2 class="main">ALGEMEEN REGISTER<a class="noteref" id="xd24e2316src" -href="#xd24e2316" name="xd24e2316src">1</a></h2> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">A</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Aapmensch—De rechtopgaande .... <i>v. -Dubois</i>, <a href="#pb65" class="pageref">65</a>.</p> -<p class="par">Aarde, De.... in de vroege ontwikkelingsperioden, -<a href="#pb118" class="pageref">118</a>.</p> -<p class="par">Aardkorst—Veranderingen der .... en veranderingen -der planten- en dierenwereld, <a href="#pb3" class="pageref">3</a>.</p> -<p class="par">Aardoppervlak—Het karakter v. h. ..., <a href= -"#pb3" class="pageref">3</a>.</p> -<p class="par">Aardoppervlak—Rimpeling v. h. ..., <a href="#pb1" -class="pageref">1</a>.</p> -<p class="par">Acheulien-periode, <a href="#pb49" class= -"pageref">49</a>, <a href="#pb98" class="pageref">98</a>.</p> -<p class="par">Afkoeling v. h. aardoppervlak, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Afkoeling</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> v. onze planeet en ontwikkeling der aarde, -<a href="#pb2" class="pageref">2</a>, <a href="#pb3" class= -"pageref">3</a>, <a href="#pb7" class="pageref">7</a>.</p> -<p class="par">Afkoeling—Door .... der aarde verandert het -karakter v. h. planten- en dierenrijk, <a href="#pb5" class= -"pageref">5</a>.</p> -<p class="par">Afwijking v. h. bloedvaatstelsel b. d. mensch, <a href= -"#pb19" class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par">Afwijking v. d. neusschelpen b. d. mensch, <a href= -"#pb19" class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par">Afwijking v. h. strottenhoofd b. d. mensch, <a href= -"#pb19" class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par">Afwijking v. d. geslachtsklieren b. d. mensch, <a href= -"#pb19" class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par">Afwijkingen i. d. bouw v. h. skelet v. d. mensch, -<a href="#pb19" class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par"><i>Alsberg</i>, <a href="#pb103" class= -"pageref">103</a>.</p> -<p class="par"><i>Ameghino</i>, <a href="#pb103" class= -"pageref">103</a>, <a href="#pb104" class="pageref">104</a>, <a href= -"#pb105" class="pageref">105</a>.</p> -<p class="par">Anatomie, Vergelijkende ...., <a href="#pb12" class= -"pageref">12</a>.</p> -<p class="par"><span class="corr" id="xd24e2441" title= -"Bron: Anthropoiden">Anthropoïden</span>, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -<p class="par">Anthropologie,—De moderne praehistorische ...., -<a href="#pb49" class="pageref">49</a>.</p> -<p class="par">Anthropologisch onderzoek—De vorm v. d. schedel, -kaakbeenderen enz. bij het......, <a href="#pb59" class= -"pageref">59</a>, <a href="#pb60" class="pageref">60</a>.</p> -<p class="par">Anthropologisch onderzoek—Het gebruik van -Röntgen-stralen bij het....., <a href="#pb60" class= -"pageref">60</a>.</p> -<p class="par">Apen—De...., <a href="#pb107" class= -"pageref">107</a>, <a href="#pb108" class="pageref">108</a>, <a href= -"#pb109" class="pageref">109</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Apen</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span>—Individueele variaties bij de ...., -<a href="#pb18" class="pageref">18</a>.</p> -<p class="par">Apen—Anthropoïde ...., <a href="#pb124" -class="pageref">124</a>, <a href="#pb129" class="pageref">129</a>.</p> -<p class="par">Artefacten, <a href="#pb36" class="pageref">36</a>, -<a href="#pb37" class="pageref">37</a>, <a href="#pb48" class= -"pageref">48</a>.</p> -<p class="par">Aueros—De .... (bos primigenius), <a href="#pb33" -class="pageref">33</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, -<a href="#pb85" class="pageref">85</a>.</p> -<p class="par">Aurignac-ras, <a href="#pb110" class="pageref">110</a>, -<a href="#pb120" class="pageref">120</a>, <a href="#pb121" class= -"pageref">121</a>.</p> -<p class="par">Aurignac-periode, <a href="#pb95" class= -"pageref">95</a>, <a href="#pb97" class="pageref">97</a>.</p> -<p class="par">Azilien-periode, <a href="#pb49" class= -"pageref">49</a>.</p> -<p class="par">Azoïsche-periode, <a href="#pb4" class= -"pageref">4</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" -name="pb138">138</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">B</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>Bardon</i>—Abt. <i>L.</i>, <a href= -"#pb87" class="pageref">87</a>.</p> -<p class="par">Beersoorten, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>.</p> -<p class="par">beharing—De .... bij mensch en dier, <a href= -"#pb23" class="pageref">23</a>.</p> -<p class="par">beharing—Sterke... b. d. mensch, <a href="#pb19" -class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par">Bergstroomen, <a href="#pb37" class= -"pageref">37</a>.</p> -<p class="par">Bison, De ...., <a href="#pb88" class= -"pageref">88</a>.</p> -<p class="par">bodem—Daling v. d. ...., <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par">Borstklieren—De twee .... b. d. mensch, <a href= -"#pb18" class="pageref">18</a>.</p> -<p class="par">Bos primigenius, <a href="#pb86" class= -"pageref">86</a>.</p> -<p class="par"><i>Boucher de Perthes</i>, <a href="#pb55" class= -"pageref">55</a>.</p> -<p class="par"><i>Boule—M.</i>, <a href="#pb58" class= -"pageref">58</a>, <a href="#pb73" class="pageref">73</a>, <a href= -"#pb86" class="pageref">86</a>, <a href="#pb90" class="pageref">90</a>, -<a href="#pb93" class="pageref">93</a>, <a href="#pb95" class= -"pageref">95</a>, <a href="#pb97" class="pageref">97</a>.</p> -<p class="par"><i>Bouyssonie</i>—Abten <i>J.</i> en <i>A.</i> -...., <a href="#pb87" class="pageref">87</a>.</p> -<p class="par">Brachycephalen, <a href="#pb83" class= -"pageref">83</a>.</p> -<p class="par"><i>Branco</i>, <a href="#pb103" class="pageref">103</a>, -<a href="#pb117" class="pageref">117</a>.</p> -<p class="par"><i>Broca</i>, <a href="#pb48" class= -"pageref">48</a>.</p> -<p class="par">brontosaurus, <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p> -<p class="par">Bronzen tijdperk, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>.</p> -<p class="par">Bronzen werktuigen, <a href="#pb50" class= -"pageref">50</a>.</p> -<p class="par"><i>Buffon</i>, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">C</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Calaveras-schedel, <a href="#pb104" class= -"pageref">104</a>.</p> -<p class="par">Cambrium—Het ...., <a href="#pb4" class= -"pageref">4</a>.</p> -<p class="par">Chapelle-aux-Saints—l’Homme ...., <a href= -"#pb86" class="pageref">86</a>.</p> -<p class="par">Chapelle-aux-Saints—De schedel v. h. skelet van -...., <a href="#pb90" class="pageref">90</a>, <a href="#pb93" class= -"pageref">93</a>.</p> -<p class="par">Chellien-periode, <a href="#pb49" class= -"pageref">49</a>, <a href="#pb69" class="pageref">69</a>, <a href= -"#pb70" class="pageref">70</a>, <a href="#pb98" class= -"pageref">98</a>.</p> -<p class="par">Combe Capelle—Skelet van ...., <a href="#pb100" -class="pageref">100</a>.</p> -<p class="par">Conflict met de mozaïsche scheppingsverhalen, -<a href="#pb15" class="pageref">15</a>.</p> -<p class="par">Conflict met de oude anthropocentrische -wereldbeschouwingen, <a href="#pb15" class="pageref">15</a>.</p> -<p class="par">Cro-magnonras, <a href="#pb95" class="pageref">95</a>, -<a href="#pb101" class="pageref">101</a>, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>, <a href="#pb120" class="pageref">120</a>, <a href= -"#pb121" class="pageref">121</a>.</p> -<p class="par">Cultuur—De .... van de Moustérien-periode -tot het magdalenium, <a href="#pb125" class="pageref">125</a>.</p> -<p class="par">Cultuur v. h. neolithicum, <a href="#pb127" class= -"pageref">127</a>.</p> -<p class="par"><i>Cuvier</i>, <a href="#pb54" class= -"pageref">54</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">D</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">dalen—Diepe .... door waterstroomen -uitgegraven, <a href="#pb1" class="pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><i>Darwin</i>, <a href="#pb63" class="pageref">63</a>, -<a href="#pb65" class="pageref">65</a>, <a href="#pb110" class= -"pageref">110</a>.</p> -<p class="par"><i>Dawson</i>, <a href="#pb69" class= -"pageref">69</a>.</p> -<p class="par">dierenwereld—Wisselingen v. d. ...., <a href= -"#pb2" class="pageref">2</a>.</p> -<p class="par">Dierenwereld—De .... i. d. ijstijd, <a href= -"#pb27" class="pageref">27</a>, <a href="#pb28" class= -"pageref">28</a>.</p> -<p class="par">Diluvium—Het ...., <a href="#pb10" class= -"pageref">10</a>, <a href="#pb99" class="pageref">99</a>.</p> -<p class="par">Dolichocephalen, <a href="#pb83" class= -"pageref">83</a>.</p> -<p class="par"><i>Dollo</i>—Prof ...., <a href="#pb12" class= -"pageref">12</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s"><i>Dollo</i></span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span>—De wet van ...., <a href="#pb12" -class="pageref">12</a>, <a href="#pb111" class="pageref">111</a>.</p> -<p class="par">Doodencultus i. h. praehistorische tijdperk, <a href= -"#pb42" class="pageref">42</a>—43.</p> -<p class="par">Doodencultus bij den voorhistorischen mensch, <a href= -"#pb56" class="pageref">56</a>, <a href="#pb94" class= -"pageref">94</a>.</p> -<p class="par"><i>Dubois</i>—<i>Eugene</i> ...., <a href="#pb65" -class="pageref">65</a>, <a href="#pb71" class="pageref">71</a>, -<a href="#pb72" class="pageref">72</a>, <a href="#pb78" class= -"pageref">78</a>, <a href="#pb121" class="pageref">121</a>.</p> -<p class="par">Duur—De .... der perioden, <a href="#pb29" class= -"pageref">29</a>, <a href="#pb30" class="pageref">30</a>.</p> -<p class="par">Dwergen, <a href="#pb127" class="pageref">127</a>.</p> -<p class="par">Dwergvormen v. d. Europeeschen neushoorn, <a href= -"#pb131" class="pageref">131</a>.</p> -<p class="par">Dwergvormen v. d. Mammoeth, <a href="#pb131" class= -"pageref">131</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">E</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Eicel—De ongedifferentieele .... als -uitgangspunt v. d. ontwikkeling der diverse diervormen, <a href="#pb20" -class="pageref">20</a>, <a href="#pb21" class="pageref">21</a>.</p> -<p class="par">Eindmorainen, <a href="#pb27" class="pageref">27</a>, -<a href="#pb30" class="pageref">30</a>.</p> -<p class="par">Elasmotherion—Het ...., <a href="#pb32" class= -"pageref">32</a>.</p> -<p class="par"><i>Elbert</i>, <a href="#pb67" class= -"pageref">67</a>.</p> -<p class="par">Elephas antiquus, <a href="#pb71" class= -"pageref">71</a>, <a href="#pb74" class="pageref">74</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Elephas</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> Meridionalis, <a href="#pb32" class= -"pageref">32</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Elephas</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> Trogontherii, <a href="#pb32" class= -"pageref">32</a>.</p> -<p class="par">Embryonale leven—Het begin- en eindtijdperk van -het ...., <a href="#pb21" class="pageref">21</a>.</p> -<p class="par">Embryo—Ontwikkeling van .... tot individu, -<a href="#pb12" class="pageref">12</a>. <span class="pagenum">[<a id= -"pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p> -<p class="par">Eoanthropus Dawson, <a href="#pb69" class= -"pageref">69</a>, <a href="#pb84" class="pageref">84</a>, <a href= -"#pb112" class="pageref">112</a>, <a href="#pb117" class= -"pageref">117</a>, <a href="#pb120" class="pageref">120</a>, <a href= -"#pb131" class="pageref">131</a>.</p> -<p class="par">Eolithen, <a href="#pb37" class="pageref">37</a>, -<a href="#pb38" class="pageref">38</a>, <a href="#pb47" class= -"pageref">47</a>, <a href="#pb48" class="pageref">48</a>, <a href= -"#pb51" class="pageref">51</a>, <a href="#pb101" class= -"pageref">101</a>.</p> -<p class="par">Eolithen-theorie, <a href="#pb38" class= -"pageref">38</a>, <a href="#pb47" class="pageref">47</a>.</p> -<p class="par">Eskimos, <a href="#pb122" class="pageref">122</a>.</p> -<p class="par">Etruscischen neushoorn, <a href="#pb74" class= -"pageref">74</a>.</p> -<p class="par">Evolutie, <a href="#pb1" class="pageref">1</a>, <a href= -"#pb11" class="pageref">11</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">F</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>Fraipont</i>, <a href="#pb78" class= -"pageref">78</a>, <a href="#pb79" class="pageref">79</a>.</p> -<p class="par"><i>Fuhlrott, Dr.</i>, <a href="#pb57" class= -"pageref">57</a>, <a href="#pb77" class="pageref">77</a>, <a href= -"#pb78" class="pageref">78</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">G</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>Galenus-Ennius</i>, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -<p class="par">Gelijkenis tusschen jonge apen en jonge menschen, -<a href="#pb130" class="pageref">130</a>.</p> -<p class="par">Gemeenschappelijke voorvader van mensch en menschaap, -<a href="#pb113" class="pageref">113</a>.</p> -<p class="par">Geneeskunst b<span class="corr" id="xd24e3091" title= -"Niet in bron">.</span> d. praehist.-mensch, <a href="#pb44" class= -"pageref">44</a>.</p> -<p class="par"><i><span class="corr" id="xd24e3099" title= -"Bron: Georganovic-Kramberger">Gorjanović-Kramberger</span></i>, -<a href="#pb50" class="pageref">50</a>, <a href="#pb80" class= -"pageref">80</a>.</p> -<p class="par">geslachtsapparaat—Het .... bij mensch en dier, -<a href="#pb23" class="pageref">23</a>.</p> -<p class="par">Gibraltar-schedel, <a href="#pb83" class= -"pageref">83</a>, <a href="#pb93" class="pageref">93</a>.</p> -<p class="par">Gibraltar-schedel—Volumen van den ...., <a href= -"#pb84" class="pageref">84</a>.</p> -<p class="par">Gidsfossielen, <a href="#pb4" class="pageref">4</a>.</p> -<p class="par">glaciale periode—De ...., <a href="#pb6" class= -"pageref">6</a>.</p> -<p class="par">Gletschers, <a href="#pb41" class="pageref">41</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Gletschers</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span>—Bergtoppen door .... afgesleten, -<a href="#pb1" class="pageref">1</a>.</p> -<p class="par">Gletschervormingen in alle <a href="#pb5" class= -"pageref">5</a> Werelddeelen, <a href="#pb9" class="pageref">9</a>.</p> -<p class="par">goddelijke drang in de Natuur—Ondoorgrondelijke, -eeuwige ...., <a href="#pb2" class="pageref">2</a>.</p> -<p class="par">Grimaldi—vondst van ...., <a href="#pb95" class= -"pageref">95</a>.</p> -<p class="par">Grintlagen, <a href="#pb55" class="pageref">55</a>.</p> -<p class="par">Grotte des Enfants, <a href="#pb95" class= -"pageref">95</a>, <a href="#pb121" class="pageref">121</a>.</p> -<p class="par">Günz—Glaciaalphase van ...., <a href="#pb9" -class="pageref">9</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">H</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>Hauser, O.</i>, <a href="#pb55" class= -"pageref">55</a>, <a href="#pb85" class="pageref">85</a>, <a href= -"#pb100" class="pageref">100</a>.</p> -<p class="par">Heidelberger Mensch—Vondst v. d<span class="corr" -id="xd24e3203" title="Niet in bron">.</span> kaak v. d. ...., <a href= -"#pb72" class="pageref">72</a>.</p> -<p class="par">Heidelberger Mensch—Gelijkenis tusschen de kaak v. -d. .... en die v. d. orang oetan en gorilla, <a href="#pb74" class= -"pageref">74</a><span class="corr" id="xd24e3213" title= -"Niet in bron">.</span></p> -<p class="par">Heidelbergeronderkaak, <a href="#pb74" class= -"pageref">74</a>, <a href="#pb112" class="pageref">112</a>.</p> -<p class="par">hersenvolumen—Het .... bij gorilla en -oerang-oetan, neanderdal-(schedel), blanke rassen, pithecanthropus, -<a href="#pb68" class="pageref">68</a>.</p> -<p class="par">Herten, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>.</p> -<p class="par">hertshoorn—Werktuigen uit, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>.</p> -<p class="par">Hippopotamus, <a href="#pb69" class= -"pageref">69</a>.</p> -<p class="par">„Höckergräber”, <a href="#pb87" -class="pageref">87</a>, <a href="#pb94" class="pageref">94</a>.</p> -<p class="par">holenbeer—De, <a href="#pb27" class= -"pageref">27</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, <a href= -"#pb55" class="pageref">55</a>.</p> -<p class="par">holenhyaena—De ...., <a href="#pb27" class= -"pageref">27</a>, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>.</p> -<p class="par">holenkat—De ...., (felis spelaea), <a href="#pb33" -class="pageref">33</a>.</p> -<p class="par">holenleeuw—De ...., <a href="#pb27" class= -"pageref">27</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>.</p> -<p class="par">holenwolf—De ...., <a href="#pb27" class= -"pageref">27</a>, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>.</p> -<p class="par"><i>Holwerda</i>, Dr., <a href="#pb56" class= -"pageref">56</a>.</p> -<p class="par">Hominiden, <a href="#pb123" class="pageref">123</a>, -<a href="#pb125" class="pageref">125</a>.</p> -<p class="par">Homo heidelbergensis, <a href="#pb71" class= -"pageref">71</a>, <a href="#pb79" class="pageref">79</a>, <a href= -"#pb80" class="pageref">80</a>, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>, -<a href="#pb86" class="pageref">86</a>, <a href="#pb112" class= -"pageref">112</a>, <a href="#pb117" class="pageref">117</a>, <a href= -"#pb120" class="pageref">120</a>, <a href="#pb124" class= -"pageref">124</a>, <a href="#pb131" class="pageref">131</a>.</p> -<p class="par">Homo Mousteriensis Hauseri, <a href="#pb55" class= -"pageref">55</a>, <a href="#pb84" class="pageref">84</a>.</p> -<p class="par">Hurkgraven, <a href="#pb87" class="pageref">87</a>.</p> -<p class="par"><i>Huxley</i>, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -<p class="par"><i>Hydlicka</i>, <a href="#pb104" class= -"pageref">104</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">I</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Ingekraste teekeningen op ivoor, enz., <a href= -"#pb38" class="pageref">38</a>.</p> -<p class="par">Interglaciale perioden, <a href="#pb9" class= -"pageref">9</a>, <a href="#pb26" class="pageref">26</a>, <a href= -"#pb33" class="pageref">33</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, -<a href="#pb56" class="pageref">56</a>, <a href="#pb123" class= -"pageref">123</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">K</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Kalklagen, <a href="#pb38" class= -"pageref">38</a>.</p> -<p class="par">Kalksteenafzettingen, <a href="#pb55" class= -"pageref">55</a>.</p> -<p class="par">Kendeng-lagen bij Trinil, <a href="#pb72" class= -"pageref">72</a>.</p> -<p class="par">Kieuwspleten en kieuwbogen, <a href="#pb20" class= -"pageref">20</a>, <a href="#pb24" class="pageref">24</a>. <span class= -"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span></p> -<p class="par">Kieuwspleten en kieuwbogen, b. h. menschelijk embryo, -<a href="#pb22" class="pageref">22</a>.</p> -<p class="par">Kieuwspleten bij het embryo van alle zoogdieren, -<a href="#pb20" class="pageref">20</a>.</p> -<p class="par">Kiezelbeddingen, <a href="#pb40" class= -"pageref">40</a>.</p> -<p class="par">kiezelsteenen—Afgeslepen en afgesplinterde ...., -<a href="#pb38" class="pageref">38</a>.</p> -<p class="par"><i>Klaatsch</i>, <a href="#pb78" class="pageref">78</a>, -<a href="#pb85" class="pageref">85</a>, <a href="#pb100" class= -"pageref">100</a>, <a href="#pb103" class="pageref">103</a>, <a href= -"#pb110" class="pageref">110</a>.</p> -<p class="par">Klei- en steenlagen, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par">klimaat—Wisselingen v. h. ...., <a href="#pb2" -class="pageref">2</a>.</p> -<p class="par">klove—Diepe .... tusschen ’t Neanderdal-ras -en den Homo sapiens, <a href="#pb98" class="pageref">98</a>, <a href= -"#pb99" class="pageref">99</a>.</p> -<p class="par">Klove tussen Neanderdalras en het cro-magnonras, -<a href="#pb102" class="pageref">102</a>.</p> -<p class="par"><i>Kollmann</i>, <a href="#pb127" class= -"pageref">127</a>, <a href="#pb129" class="pageref">129</a>, <a href= -"#pb130" class="pageref">130</a>, <a href="#pb131" class= -"pageref">131</a>.</p> -<p class="par"><i>Kramberger</i>, <a href="#pb93" class= -"pageref">93</a>.</p> -<p class="par">Krapina—De vondst van ...., <a href="#pb80" class= -"pageref">80</a>.</p> -<p class="par">Krapina-skeletten—Overeenkomst tusschen de .... en -het Neanderdalras, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>.</p> -<p class="par">Krijtlagen—De, <a href="#pb46" class= -"pageref">46</a>.</p> -<p class="par">Kroatië—De oudste bewoners van .... -kannibalen, <a href="#pb81" class="pageref">81</a>.</p> -<p class="par">Kümmerrassen, <a href="#pb131" class= -"pageref">131</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">L</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>Lamarck—De</i>, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -<p class="par">Landverbinding tusschen Amerika en Europa, <a href= -"#pb119" class="pageref">119</a>.</p> -<p class="par">Langhoofden, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>, -<a href="#pb121" class="pageref">121</a>.</p> -<p class="par">Lappen, <a href="#pb122" class="pageref">122</a>.</p> -<p class="par"><i>Lartet</i>, <a href="#pb99" class= -"pageref">99</a>.</p> -<p class="par">levensbeginsel—Ondoorgrondelijkheid v. h. ...., -<a href="#pb6" class="pageref">6</a>.</p> -<p class="par"><i>Linnaeus</i>, <a href="#pb107" class= -"pageref">107</a>, <a href="#pb108" class="pageref">108</a>.</p> -<p class="par"><i>Lohert</i>, <a href="#pb78" class="pageref">78</a>, -<a href="#pb79" class="pageref">79</a>.</p> -<p class="par">Loofboomen i. d. Tertiaire periode, <a href="#pb9" -class="pageref">9</a>.</p> -<p class="par">Loofplanten en hooge palmen, <a href="#pb6" class= -"pageref">6</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">M</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Mafflien-periode, <a href="#pb74" class= -"pageref">74</a>.</p> -<p class="par">Magdalenium, <a href="#pb98" class="pageref">98</a>, -<a href="#pb101" class="pageref">101</a>.</p> -<p class="par">Mammoeth (elephas primigenius), <a href="#pb27" class= -"pageref">27</a>, <a href="#pb31" class="pageref">31</a>, <a href= -"#pb40" class="pageref">40</a>, <a href="#pb41" class="pageref">41</a>, -<a href="#pb55" class="pageref">55</a>, <a href="#pb79" class= -"pageref">79</a>.</p> -<p class="par">Mammoethtanden, <a href="#pb31" class= -"pageref">31</a>.</p> -<p class="par">Martin—K., <a href="#pb67" class= -"pageref">67</a>.</p> -<p class="par"><i>Melchers</i>, <a href="#pb109" class= -"pageref">109</a>.</p> -<p class="par">melklijn,—De ...., <a href="#pb18" class= -"pageref">18</a>, <a href="#pb23" class="pageref">23</a>.</p> -<p class="par">Menschapen, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -<p class="par">Mensch en Aap, <a href="#pb107" class= -"pageref">107</a>/117.</p> -<p class="par">mensch—De .... een homo novus, <a href="#pb117" -class="pageref">117</a>.</p> -<p class="par">mensch—De .... een <span class="corr" id= -"xd24e3686" title="Bron: intergeerend">integreerend</span> deel der -levende wereld, <a href="#pb16" class="pageref">16</a>.</p> -<p class="par">mensch—De .... afstammeling van dierlijke -voorvaders, <a href="#pb24" class="pageref">24</a>, <a href="#pb35" -class="pageref">35</a>.</p> -<p class="par">mensch—De .... als holenbewoner (troglodyte), -<a href="#pb28" class="pageref">28</a>.</p> -<p class="par">mensch—De .... als oeverbewoner, <a href="#pb28" -class="pageref">28</a>.</p> -<p class="par">mensch—De (on-) behaarde <span class="corr" id= -"xd24e3712" title="Bron: ..">....</span>, <a href="#pb122" class= -"pageref">122</a>, <a href="#pb123" class="pageref">123</a>.</p> -<p class="par">mensch—Individueele variaties bij den ...., -<a href="#pb18" class="pageref">18</a>.</p> -<p class="par">Menschelijk embryo en dierlijk embryo, <a href="#pb22" -class="pageref">22</a>, <a href="#pb24" class="pageref">24</a>.</p> -<p class="par">Menschelijk organisme—Harmonische ontwikkeling v. -h. ..., <a href="#pb17" class="pageref">17</a>.</p> -<p class="par">Menschwording,—De ...., <a href="#pb118" class= -"pageref">118</a>.</p> -<p class="par">Mesozoicum-periode—De ...., <a href="#pb5" class= -"pageref">5</a>.</p> -<p class="par">Meten van schedels, <a href="#pb58" class= -"pageref">58</a>.</p> -<p class="par"><i>Mettrie, de la</i> ...., <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -<p class="par">microscopische—De .... techniek, <a href="#pb20" -class="pageref">20</a>.</p> -<p class="par">„Middeleeuwen” v. d. -ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur, <a href="#pb5" class= -"pageref">5</a>.</p> -<p class="par">Mindel—Glaciaalphase van ...., <a href="#pb9" -class="pageref">9</a>.</p> -<p class="par"><i>Monboddo</i>—Lord, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -<p class="par">Moraenen, <a href="#pb9" class="pageref">9</a>.</p> -<p class="par">Morphologische wetenschap, <a href="#pb16" class= -"pageref">16</a>.</p> -<p class="par"><i>Mortillet, Gabriel de</i> ...., <a href="#pb31" -class="pageref">31</a>, <a href="#pb36" class="pageref">36</a>, -<a href="#pb48" class="pageref">48</a>.</p> -<p class="par">Moustérien-periode, <a href="#pb49" class= -"pageref">49</a>, <a href="#pb79" class="pageref">79</a>, <a href= -"#pb97" class="pageref">97</a>, <a href="#pb98" class= -"pageref">98</a>.</p> -<p class="par">Moustier in Dordogne—Le ...., <a href="#pb85" -class="pageref">85</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb141" href= -"#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">N</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Neanderdal-mensch, <a href="#pb93" class= -"pageref">93</a>, <a href="#pb124" class="pageref">124</a>.</p> -<p class="par">Neanderdal-ras, <a href="#pb96" class="pageref">96</a>, -<a href="#pb98" class="pageref">98</a>, <a href="#pb110" class= -"pageref">110</a>, <a href="#pb119" class="pageref">119</a>, <a href= -"#pb120" class="pageref">120</a>, <a href="#pb124" class= -"pageref">124</a>, <a href="#pb125" class="pageref">125</a>, <a href= -"#pb129" class="pageref">129</a>, <a href="#pb130" class= -"pageref">130</a>.</p> -<p class="par">Neanderdal-ras—sterke verbreiding van het .... -over Europa, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>.</p> -<p class="par">Neanderdal-schedel, <a href="#pb57" class= -"pageref">57</a>, <a href="#pb58" class="pageref">58</a>, <a href= -"#pb76" class="pageref">76</a>, <a href="#pb80" class="pageref">80</a>, -<a href="#pb84" class="pageref">84</a>, <a href="#pb93" class= -"pageref">93</a>.</p> -<p class="par">Neckardal—Het ontstaan van het ...., <a href= -"#pb26" class="pageref">26</a>.</p> -<p class="par">Negroïde-schedels van Verneau, <a href="#pb98" -class="pageref">98</a>.</p> -<p class="par">Negroïde-type, <a href="#pb125" class= -"pageref">125</a>.</p> -<p class="par"><i>Nehring</i>, <a href="#pb70" class= -"pageref">70</a>.</p> -<p class="par">Neolithicum—Het ...., <a href="#pb41" class= -"pageref">41</a>, <a href="#pb102" class="pageref">102</a>.</p> -<p class="par">Neozoïcum—Het ...., <a href="#pb6" class= -"pageref">6</a>.</p> -<p class="par">neushoorn—De Siberische .... (rhinoceros -tichorhinus), <a href="#pb32" class="pageref">32</a>.</p> -<p class="par">neushoorn—Langharige ...., <a href="#pb27" class= -"pageref">27</a>.</p> -<p class="par">Niagara-waterval—Het ontstaan v. d. verbinding -tusschen den .... en het Ontario-meer, <a href="#pb30" class= -"pageref">30</a>.</p> -<p class="par">nierapparaat—Het .... bij dier en mensch, <a href= -"#pb23" class="pageref">23</a>.</p> -<p class="par">Nijlpaard, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, -<a href="#pb123" class="pageref">123</a>.</p> -<p class="par">nijlpaard—Het groote .... (hippopotamus major), -<a href="#pb32" class="pageref">32</a>.</p> -<p class="par"><i>Noethling</i>, <a href="#pb103" class= -"pageref">103</a>.</p> -<p class="par">O</p> -<p class="par">Oerolifant (<span class="ex">elephas antiquus</span>), -<a href="#pb32" class="pageref">32</a>.</p> -<p class="par">Ongewervelde landdieren, <a href="#pb4" class= -"pageref">4</a>.</p> -<p class="par">Ontdekte ingekraste teekeningen, <a href="#pb36" class= -"pageref">36</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontdekte</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> overblijfselen van dierlijke beenderen, -<a href="#pb36" class="pageref">36</a>.</p> -<p class="par">Ontdekte overblijfselen van vuur, <a href="#pb36" class= -"pageref">36</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontdekte</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> steenen wapenen, <a href="#pb36" class= -"pageref">36</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontdekte</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> steenen werktuigen, <a href="#pb39" class= -"pageref">39</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, <a href= -"#pb45" class="pageref">45</a>.</p> -<p class="par">ontleedkunde—De vergelijkende ...., <a href= -"#pb16" class="pageref">16</a>.</p> -<p class="par">Ontstaan van bergmeren, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> van bergreeksen, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> van koraalriffen, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> van lage landen, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> v. d. mensch, <a href="#pb133" class= -"pageref">133</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> van ravijnen, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> van wouden, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> van zeeën, <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par"><span class="ditto"><span class= -"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class= -"i">,,</span></span></span> van zandvlakten <a href="#pb1" class= -"pageref">1</a>.</p> -<p class="par">Ontwikkelingsgeschiedenis, <a href="#pb16" class= -"pageref">16</a>.</p> -<p class="par">ontwikkelingsgeschiedenis—De .... van tal van -diervormen i. d. laatste <a href="#pb50" class="pageref">50</a> jaar, -<a href="#pb20" class="pageref">20</a>.</p> -<p class="par">Ontwikkelingslijn van dier tot mensch, <a href="#pb122" -class="pageref">122</a>, <a href="#pb124" class="pageref">124</a>, -<a href="#pb126" class="pageref">126</a>, <a href="#pb132" class= -"pageref">132</a>, <a href="#pb134" class="pageref">134</a>.</p> -<p class="par">oorschelp—voorkomende gelijke vorm v. d. .... bij -mensch en dier, <a href="#pb19" class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par">Opgravingen, <a href="#pb55" class="pageref">55</a>, -<a href="#pb57" class="pageref">57</a>.</p> -<p class="par">organismen—Eerste levende wezens, kleine -eencellige ...., <a href="#pb2" class="pageref">2</a>.</p> -<p class="par">Ouderdom eener aardlaag in verband met ontdekte -versteeningen, <a href="#pb4" class="pageref">4</a>.</p> -<p class="par">Ouderdom v. h. menschelijk geslacht, <a href="#pb35" -class="pageref">35</a> e. v., <a href="#pb45" class="pageref">45</a> e. -v.</p> -<p class="par">overblijfselen—Vaststellen v. d. herkomst der -gevonden ...., <a href="#pb3" class="pageref">3</a>.</p> -<p class="par">Overblijfselen v. laagstaande dieren, <a href="#pb4" -class="pageref">4</a>.</p> -<p class="par">overblijfselen—Te herkennen ...., <a href="#pb3" -class="pageref">3</a>.</p> -<p class="par">Overeenkomende kenmerken bij mensch en dier, <a href= -"#pb19" class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par">overeenkomst—Sterke .... tusschen mensch en -pithecanthropus, <a href="#pb68" class="pageref">68</a>.</p> -<p class="par">Overeenkomsten tusschen de skeletten v. Le Moustier en -Spy, <a href="#pb86" class="pageref">86</a>.</p> -<p class="par">Overeenkomsten tusschen het skelet van La -Chapelle-aux-Saints en die van apen, <a href="#pb90" class= -"pageref">90</a>.</p> -<p class="par">Overeenstemming tusschen den bouw van het menschelijk en -het dierlijk lichaam, <a href="#pb17" class="pageref">17</a>. -<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name= -"pb142">142</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">P</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Paard—Een soort .... uit het laatste -gedeelte der tertiaire periode, <a href="#pb88" class= -"pageref">88</a>.</p> -<p class="par">palaeolithicum—Het ...., <a href="#pb41" class= -"pageref">41</a>, <a href="#pb49" class="pageref">49</a>, <a href= -"#pb55" class="pageref">55</a>, <a href="#pb81" class="pageref">81</a>, -<a href="#pb99" class="pageref">99</a>, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>, <a href="#pb124" class="pageref">124</a>.</p> -<p class="par">Palaeolithische steenen werktuigen, <a href="#pb128" -class="pageref">128</a>.</p> -<p class="par">Palaeolithische werktuigen, <a href="#pb121" class= -"pageref">121</a>.</p> -<p class="par">Palaeolithische werktuigen in onze <i>Oost</i>, -<i>Ceylon</i>, <i>Engelsch-Indië</i>, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>.</p> -<p class="par">palaeontologie—De ...., <a href="#pb11" class= -"pageref">11</a>, <a href="#pb12" class="pageref">12</a>, <a href= -"#pb16" class="pageref">16</a>.</p> -<p class="par">palaeozoïcum—Einde van het ...., <a href= -"#pb5" class="pageref">5</a>.</p> -<p class="par">Palaeozoïsche periode, <a href="#pb4" class= -"pageref">4</a>.</p> -<p class="par"><i>Pastrana</i>—<i>Juliana</i> ...., <a href= -"#pb19" class="pageref">19</a>.</p> -<p class="par"><i>Penck</i>, <a href="#pb9" class="pageref">9</a>.</p> -<p class="par">Pithecanthropus, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>, <a href="#pb117" class="pageref">117</a>, <a href= -"#pb119" class="pageref">119</a>, <a href="#pb121" class= -"pageref">121</a>, <a href="#pb124" class="pageref">124</a>.</p> -<p class="par">pithecanthropus erectus—De ...., <a href="#pb65" -class="pageref">65</a>.</p> -<p class="par">pithecanthropus—Gelijkenis tusschen den .... en -het Neanderdaler fossiel, <a href="#pb78" class="pageref">78</a>.</p> -<p class="par">plantenwereld—Wisselingen v. d. ...., <a href= -"#pb2" class="pageref">2</a>.</p> -<p class="par">Plantenwereld i. d. ijstijd, <a href="#pb27" class= -"pageref">27</a>.</p> -<p class="par">planten- en dierenwereld—Veranderingen der -aardkorst en veranderingen der ...., <a href="#pb3" class= -"pageref">3</a>.</p> -<p class="par">Pleistocene periode, <a href="#pb95" class= -"pageref">95</a>.</p> -<p class="par">poolstreken—Steenkoolbeddingen en tropische -plaatsen in de ...., <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p> -<p class="par">Postglaciale periode, <a href="#pb125" class= -"pageref">125</a>.</p> -<p class="par">postpliocaene-ijstijd—De ...., <a href="#pb6" -class="pageref">6</a>, <a href="#pb7" class="pageref">7</a>, <a href= -"#pb27" class="pageref">27</a>.</p> -<p class="par"><i>Puydt, de</i> ..., <a href="#pb78" class= -"pageref">78</a>.</p> -<p class="par"><span class="corr" id="xd24e4365" title= -"Bron: Pygmeën">Pygmeeën</span>, <a href="#pb127" class= -"pageref">127</a>, <a href="#pb131" class="pageref">131</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">Q</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Quartaire periode, <a href="#pb10" class= -"pageref">10</a>, <a href="#pb70" class="pageref">70</a>, <a href= -"#pb74" class="pageref">74</a>, <a href="#pb119" class= -"pageref">119</a>, <a href="#pb121" class="pageref">121</a>, <a href= -"#pb124" class="pageref">124</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">R</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">raadsel—Het ontstaan van het leven een -onoplosbaar ...., <a href="#pb3" class="pageref">3</a>.</p> -<p class="par"><i>Ranke</i>, <a href="#pb77" class= -"pageref">77</a>.</p> -<p class="par">rechtoploopen—Gevolgen v. h. .... bij den mensch, -<a href="#pb132" class="pageref">132</a>, <a href="#pb133" class= -"pageref">133</a>.</p> -<p class="par">Rendieren, <a href="#pb88" class="pageref">88</a>.</p> -<p class="par">rendierhoorn—Werktuigen van ...., <a href="#pb102" -class="pageref">102</a>.</p> -<p class="par">Rendierperiode, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>, -<a href="#pb101" class="pageref">101</a>.</p> -<p class="par">Reptielen, <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p> -<p class="par">Rhinoceros, <a href="#pb71" class="pageref">71</a>.</p> -<p class="par">Rhinoceros van Merck, <a href="#pb32" class= -"pageref">32</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, <a href= -"#pb81" class="pageref">81</a>.</p> -<p class="par">Rhinoceros tichorinus, <a href="#pb88" class= -"pageref">88</a>.</p> -<p class="par"><i>Ribeiros</i>, <a href="#pb48" class= -"pageref">48</a>.</p> -<p class="par">Riss—Glaciaalphase van ...., <a href="#pb9" class= -"pageref">9</a>.</p> -<p class="par"><i>Rivière</i>, <a href="#pb95" class= -"pageref">95</a>.</p> -<p class="par">Rondhoofden, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>, -<a href="#pb121" class="pageref">121</a>.</p> -<p class="par"><i>Rutot</i>, <a href="#pb48" class="pageref">48</a>, -<a href="#pb50" class="pageref">50</a>, <a href="#pb51" class= -"pageref">51</a>, <a href="#pb74" class="pageref">74</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">S</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first"><i>Sarasin</i>, <a href="#pb128" class= -"pageref">128</a>.</p> -<p class="par">Scandinavië—IJs en zwerfblokken uit ...., -<a href="#pb26" class="pageref">26</a>.</p> -<p class="par">Schaap—Een soort van ...., <a href="#pb34" class= -"pageref">34</a>.</p> -<p class="par"><i><span class="corr" id="xd24e4531" title= -"Bron: Schafhausen">Schaaffhausen</span></i>, <a href="#pb77" class= -"pageref">77</a>, <a href="#pb78" class="pageref">78</a>.</p> -<p class="par">Schedel van Piltdown, <a href="#pb120" class= -"pageref">120</a>.</p> -<p class="par">Schedelvolumen v. d. pithecanthropus en v. d. -eoanthropus, <a href="#pb70" class="pageref">70</a>.</p> -<p class="par"><i>Schoetensack</i>, <a href="#pb72" class= -"pageref">72</a>, <a href="#pb76" class="pageref">76</a>.</p> -<p class="par"><i>Schoetensack</i>, Het werk van ...., <a href="#pb73" -class="pageref">73</a>.</p> -<p class="par"><i>Schwalbe</i>, <a href="#pb61" class="pageref">61</a>, -<a href="#pb67" class="pageref">67</a>, <a href="#pb78" class= -"pageref">78</a>, <a href="#pb93" class="pageref">93</a>, <a href= -"#pb120" class="pageref">120</a>.</p> -<p class="par">Sedimentaire afzettingen, <a href="#pb4" class= -"pageref">4</a>.</p> -<p class="par"><i>Selenka</i>—Mevrouw, <a href="#pb66" class= -"pageref">66</a>.</p> -<p class="par">Shetland ponies, <a href="#pb131" class= -"pageref">131</a>.</p> -<p class="par">Shinozerostieke ronos, <a href="#pb79" class= -"pageref">79</a>.</p> -<p class="par">Silurium, <a href="#pb4" class="pageref">4</a>.</p> -<p class="par">Skelet van La Chapelle-aux-Saints <a href="#pb120" -class="pageref">120</a>, <a href="#pb131" class="pageref">131</a>. -<span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name= -"pb143">143</a>]</span></p> -<p class="par">Skeletten van Spy, <a href="#pb78" class= -"pageref">78</a>.</p> -<p class="par">skeletten—Vernietigende invloeden op de .... v. d. -praehistorischen mensch, <a href="#pb56" class="pageref">56</a>.</p> -<p class="par">skelet van Spy—Gelijkenis tusschen den schedel van -’t .... en dien van het Neanderdaler fossiel, <a href="#pb79" -class="pageref">79</a>.</p> -<p class="par">skelet van Spy—Gelijkenis tusschen den vorm van -het kniegewricht v. h. ... en dien van de menschapen, <a href="#pb80" -class="pageref">80</a>.</p> -<p class="par"><i>Mr. Smith Woodward</i>, <a href="#pb69" class= -"pageref">69</a>.</p> -<p class="par">sneeuwgrens—Schommelingen v. d., <a href="#pb9" -class="pageref">9</a>.</p> -<p class="par"><i>Sollas</i>, <a href="#pb83" class= -"pageref">83</a>.</p> -<p class="par">Specialisatie, <a href="#pb12" class= -"pageref">12</a>.</p> -<p class="par">Specialisatie-kruising, <a href="#pb13" class= -"pageref">13</a>.</p> -<p class="par">spits van het dierenrijk—Staat de mensch a. d. -...., <a href="#pb24" class="pageref">24</a>.</p> -<p class="par">Sporen van menschelijke wezens buiten Europa, <a href= -"#pb103" class="pageref">103</a>, <a href="#pb105" class= -"pageref">105</a>.</p> -<p class="par">staart—Een .... b. h. menschelijk embryo, <a href= -"#pb23" class="pageref">23</a>.</p> -<p class="par">staart—Een.... bij een voldragen kind, <a href= -"#pb13" class="pageref">13</a>.</p> -<p class="par">Steenen instrumenten, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>.</p> -<p class="par">Steenen wapenen, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>.</p> -<p class="par">Steenen werktuigen, <a href="#pb42" class= -"pageref">42</a>, <a href="#pb50" class="pageref">50</a>, <a href= -"#pb55" class="pageref">55</a>, <a href="#pb69" class="pageref">69</a>, -<a href="#pb79" class="pageref">79</a>, <a href="#pb81" class= -"pageref">81</a>, <a href="#pb85" class="pageref">85</a>, <a href= -"#pb87" class="pageref">87</a>, <a href="#pb89" class="pageref">89</a>, -<a href="#pb99" class="pageref">99</a>, <a href="#pb124" class= -"pageref">124</a>.</p> -<p class="par">Steenen werktuigen uit de Chelléen- en -Acheuléen-periode, <a href="#pb70" class="pageref">70</a>.</p> -<p class="par">Steenkolentijdperk, <a href="#pb5" class= -"pageref">5</a>, <a href="#pb6" class="pageref">6</a>.</p> -<p class="par">steenkolentijdperk—Tropische warmte tijdens het -...., <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p> -<p class="par">steenkolentijdperk—Varens, Wolfsklauwachtige -planten, de vaatkryptogamen tijdens het ...., <a href="#pb5" class= -"pageref">5</a>.</p> -<p class="par">steenkolentijdperk—Rijke verscheidenheid van -dieren en planten in het ...., <a href="#pb5" class= -"pageref">5</a>.</p> -<p class="par">Steenlagen uit de tertiaire periode, <a href="#pb9" -class="pageref">9</a>.</p> -<p class="par">Steenlagen uit de moustérien-periode, <a href= -"#pb88" class="pageref">88</a>, <a href="#pb89" class= -"pageref">89</a>.</p> -<p class="par">Steenstortingen, <a href="#pb37" class= -"pageref">37</a>.</p> -<p class="par">Stekelvarken, <a href="#pb34" class= -"pageref">34</a>.</p> -<p class="par"><i>Swinhoe Redway</i>, <a href="#pb103" class= -"pageref">103</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">T</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Taubach—Vondst van ...., <a href="#pb58" -class="pageref">58</a>.</p> -<p class="par">Tertiaire aardperiode, <a href="#pb25" class= -"pageref">25</a>.</p> -<p class="par">Tertiaire lagen, <a href="#pb37" class= -"pageref">37</a>.</p> -<p class="par">tertiairen mensch—Over het bestaan v. d. ...., -<a href="#pb47" class="pageref">47</a>.</p> -<p class="par">Tertiaire periode, <a href="#pb6" class="pageref">6</a>, -<a href="#pb7" class="pageref">7</a>, <a href="#pb9" class= -"pageref">9</a>, <a href="#pb32" class="pageref">32</a>, <a href= -"#pb36" class="pageref">36</a>, <a href="#pb38" class="pageref">38</a>, -<a href="#pb47" class="pageref">47</a>, <a href="#pb72" class= -"pageref">72</a>, <a href="#pb74" class="pageref">74</a>, <a href= -"#pb119" class="pageref">119</a>, <a href="#pb122" class= -"pageref">122</a>.</p> -<p class="par">tertiaire periode—Lagere planten en dieren in het -laatste gedeelte der ...., <a href="#pb10" class="pageref">10</a>.</p> -<p class="par">tertiaire vuursteenwerktuigen, <a href="#pb48" class= -"pageref">48</a>.</p> -<p class="par">tijdperken—Verdeeling in ...., <a href="#pb2" -class="pageref">2</a>.</p> -<p class="par">tijdsbepaling—Dierlijke overblijfselen of -werktuigen bij de ...., <a href="#pb50" class="pageref">50</a>.</p> -<p class="par">Troglodyten, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>.</p> -<p class="par">trogontherium—Het ...., <a href="#pb34" class= -"pageref">34</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">U</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">uitgroeven—Het .... door ’t -gletscherijs, <a href="#pb26" class="pageref">26</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">V</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Varens, naaldboomen, sauriën, <a href="#pb6" -class="pageref">6</a>.</p> -<p class="par">Vasteland-formaties, <a href="#pb5" class= -"pageref">5</a>.</p> -<p class="par">vasteland—Het .... i. d. ijstijd, <a href="#pb26" -class="pageref">26</a>, <a href="#pb27" class="pageref">27</a>.</p> -<p class="par"><i>Verneau</i>, <a href="#pb95" class="pageref">95</a>, -<a href="#pb97" class="pageref">97</a>, <a href="#pb98" class= -"pageref">98</a>, <a href="#pb125" class="pageref">125</a>.</p> -<p class="par">verschillen—<span class="corr" id="xd24e4938" -title="Bron: Bizondere">Bijzondere</span> .... tusschen menschelijk en -dierlijk embryo, <a href="#pb22" class="pageref">22</a>.</p> -<p class="par">versierselen—Vondst van .... in een steenlaag te -Dordogne, <a href="#pb99" class="pageref">99</a>.</p> -<p class="par">verwantschap—De .... der dieren onderling, -<a href="#pb20" class="pageref">20</a>.</p> -<p class="par"><i>Vesalius</i>, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" -name="pb144">144</a>]</span></p> -<p class="par"><i>Villeneuve</i>, <a href="#pb95" class= -"pageref">95</a>.</p> -<p class="par"><i>Virchow</i>, <a href="#pb77" class="pageref">77</a>, -<a href="#pb78" class="pageref">78</a>.</p> -<p class="par">visschen—Eerste sporen van..., <a href="#pb4" -class="pageref">4</a>.</p> -<p class="par"><i>Vizey</i>, <a href="#pb108" class= -"pageref">108</a>.</p> -<p class="par">vleermuizen—De specialisatie bij ...., <a href= -"#pb113" class="pageref">113</a>, <a href="#pb114" class= -"pageref">114</a>.</p> -<p class="par">vogels—Eerste sporen van ...., <a href="#pb6" -class="pageref">6</a>.</p> -<p class="par"><i>Volz</i>, <a href="#pb67" class="pageref">67</a>.</p> -<p class="par">vondst van Taubach—De ...., <a href="#pb70" class= -"pageref">70</a>.</p> -<p class="par">Vondst van Cro-magnon, <a href="#pb99" class= -"pageref">99</a>.</p> -<p class="par">voorwereldlijke dieren—Afdrukken van pooten van -.... in kleilagen, <a href="#pb36" class="pageref">36</a>.</p> -<p class="par">Vorming der groote vastelanden en de ontwikkeling der -landfauna, <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p> -<p class="par">vuursteen—De, <a href="#pb45" class= -"pageref">45</a> e. v.</p> -<p class="par">vuursteen—De bewerking v. h. <span class="corr" -id="xd24e5039" title="Bron: ..">....</span>, <a href="#pb47" class= -"pageref">47</a>.</p> -<p class="par">Vuursteenknollen, <a href="#pb47" class= -"pageref">47</a>.</p> -<p class="par">Vuursteenstukken, <a href="#pb39" class= -"pageref">39</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">W</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wapens van den praehistorischen mensch, <a href= -"#pb41" class="pageref">41</a>.</p> -<p class="par">water—Landstreken overdekt door ...., <a href= -"#pb1" class="pageref">1</a>.</p> -<p class="par">water—Temperatuur van het ..., <a href="#pb2" -class="pageref">2</a>.</p> -<p class="par">Waterbewoners—Laag-ontwikkelde ...., <a href= -"#pb6" class="pageref">6</a>.</p> -<p class="par">Waterdieren—Hooger georganiseerde gewervelde...., -<a href="#pb4" class="pageref">4</a>.</p> -<p class="par">Watervallen, <a href="#pb37" class="pageref">37</a>.</p> -<p class="par">werelddeelen—Verandering van de .... der -mesozoische periode in het tertiaire tijdperk, <a href="#pb6" class= -"pageref">6</a>.</p> -<p class="par">wezens—Ontstaan van eerste levende...., <a href= -"#pb2" class="pageref">2</a>.</p> -<p class="par"><i>Wiedersheim</i>, <a href="#pb19" class= -"pageref">19</a>.</p> -<p class="par">wilde zwijn—Het ...., <a href="#pb34" class= -"pageref">34</a>.</p> -<p class="par"><i>Wilser</i>, <a href="#pb120" class= -"pageref">120</a>.</p> -<p class="par">wisent—De .... (bison priscus), <a href="#pb33" -class="pageref">33</a>.</p> -<p class="par">Würm—Glaciaalphase van ...., <a href="#pb9" -class="pageref">9</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">Y</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">ijskorst—Vorming v. d...., <a href="#pb7" -class="pageref">7</a>.</p> -<p class="par">ijsmassa’s—Groot gedeelte van Noord- en -West-Europa bedekt met ...., <a href="#pb7" class="pageref">7</a>, -<a href="#pb26" class="pageref">26</a>, <a href="#pb30" class= -"pageref">30</a>.</p> -<p class="par">ijstijd—De ...., <a href="#pb6" class= -"pageref">6</a>, <a href="#pb25" class="pageref">25</a>, <a href= -"#pb29" class="pageref">29</a>, <a href="#pb30" class="pageref">30</a>, -<a href="#pb32" class="pageref">32</a>, <a href="#pb33" class= -"pageref">33</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, <a href= -"#pb56" class="pageref">56</a>, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>, -<a href="#pb101" class="pageref">101</a>, <a href="#pb119" class= -"pageref">119</a>, <a href="#pb125" class="pageref">125</a>.</p> -<p class="par">ijstijd—België tijdens den ...., <a href= -"#pb7" class="pageref">7</a>.</p> -<p class="par">ijstijd—Frankrijk tijdens den ...., <a href="#pb7" -class="pageref">7</a>.</p> -<p class="par">ijstijden—Over verschillende ...., <a href="#pb8" -class="pageref">8</a>.</p> -<p class="par">IJzeren tijdperk, <a href="#pb102" class= -"pageref">102</a>.</p> -</div> -</div> -<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h3 class="main">Z</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Zeewieren, <a href="#pb4" class= -"pageref">4</a>.</p> -<p class="par">Zonaanbidding, <a href="#pb94" class= -"pageref">94</a>.</p> -<p class="par">Zoogdieren—Eerste sporen van ...., <a href="#pb6" -class="pageref">6</a>.</p> -<p class="par">zoogdieren—Groote .... in hoogste ontwikkeling en -verscheidenheid, <a href="#pb6" class="pageref">6</a>.</p> -<p class="par">zoogdieren i. d. tertiaire periode, <a href="#pb9" -class="pageref">9</a>.</p> -<p class="par">Zwerfblokken, <a href="#pb9" class="pageref">9</a>, -<a href="#pb30" class="pageref">30</a>.</p> -<p class="par">Zwerfblokken (in Holland), <a href="#pb26" class= -"pageref">26</a>, <a href="#pb30" class="pageref">30</a><span class= -"corr" id="xd24e5252" title="Niet in bron">.</span> <span class= -"pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e2316" href="#xd24e2316src" name="xd24e2316">1</a></span> De -verantwoordelijkheid voor de samenstelling van dit Register berust bij -de Redactie W. B.</p> -<p class="par footnote cont">De <i>eigennamen</i> staan -<i>cursief</i>. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e2316src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="gloss" class="div1 glossary"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5700">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VERKLARINGEN<a class="noteref" id="xd24e5259src" href= -"#xd24e5259" name="xd24e5259src">1</a></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Pag. 36: <span lang="fr">Assez intelligents pour -faire le feu</span> = begaafd genoeg om vuur te kunnen maken.</p> -<p class="par">Pag. 37: <span lang="fr">Ces êtres -n’étaient pas, etc.</span> = (dat) deze geen menschen -waren en dit nog niet konden zijn.</p> -<p class="par">Pag. 44: <span lang="fr">„Revenons à nos -moutons”</span> = om op ons onderwerp terug te komen.</p> -<p class="par">Pag. 78: <span lang="de">„Der so lange verkannte -Homo neanderthalensis<span class="corr" id="xd24e5280" title= -"Niet in bron">”</span> etc.</span> = (dat) „de zoo lang -miskende „neanderthaler mensch” zijn wetenschappelijke -opstanding vierde.”</p> -<p class="par">Pag. 106: Aanhaling van DARWIN: „Wij moeten niet -in de dwaling vervallen van te veronderstellen, dat de oorspronkelijke -verwekker van den mensch <span class="corr" id="xd24e5286" title= -"Bron: indentiek">identiek</span> was met, of zelfs maar van nabij -geleek op eenige bestaande apensoort.”</p> -<p class="par">Pag. 108: <span lang="la">„Simia quam similis, -turpissima bestia, nobis”</span> = Hoeveel de aap ook op ons -gelijken mag, blijft hij toch het leelijkste beest. <span class= -"pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e5259" href="#xd24e5259src" name="xd24e5259">1</a></span> Deze -verklaringen zijn van de Redactie der W.B. <a class="fnarrow" -href="#xd24e5259src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="loi" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href= -"#xd24e5706">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">ILLUSTRATIES</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"></td> -<td class="tocPageNum">Pag.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">Fig. 1</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig01">De uitbreiding -v.d. groote gletschers in Europa tijdens de glaciale periode</a></td> -<td class="tocPageNum">8</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -2</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig02">Afbeeldingen van -den mammoet</a></td> -<td class="tocPageNum">31</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -3</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig03">Grazend -rendier</a></td> -<td class="tocPageNum">34</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -4</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig04">Tertiaire -eolithen</a></td> -<td class="tocPageNum">37</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -5</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig05">Steenen werktuigen -van het nieuw steenen tijdperk uit Skandinavië</a></td> -<td class="tocPageNum">42</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -6</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig06">Graf uit het -steentijdperk</a></td> -<td class="tocPageNum">43</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -7</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig07">Tertiaire eolithen -uit Portugal</a></td> -<td class="tocPageNum">45</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -8</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig08">Vuursteenen -werktuigen uit het paleolithicum</a></td> -<td class="tocPageNum">46</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -9</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig09">Graf uit de -neolithische periode</a></td> -<td class="tocPageNum">51</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -10</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig10">Schedeldak van den -Neanderdalschedel</a></td> -<td class="tocPageNum">59</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -11</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig11">Mediaanlijnen van -een aantal schedels.</a></td> -<td class="tocPageNum">61</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -12</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig12">Schedeldak, -dijbeen en kiezen van den pithecanthropus erectus</a></td> -<td class="tocPageNum">64</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -13</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig13">Profiel van de -vindplaats van den pithecanthropus erectus</a></td> -<td class="tocPageNum">66</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -14</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig14"><span class="corr" -id="xd24e5452" title="Bron: Provielbeeld">Profielbeeld</span> van de -zandgroeve van Mauer</a></td> -<td class="tocPageNum">73</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -15</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig15">De onderkaak van -den homo heidelbergensis</a></td> -<td class="tocPageNum">75</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -16</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig16">Omtrekken van de -kaak van Mauer en van een moderne menschelijke onderkaak</a> -<span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= -"pb147">147</a>]</span></td> -<td class="tocPageNum">76</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">Fig. 17</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig17">Verschillende -schedelfragmenten van Krapina</a></td> -<td class="tocPageNum">82</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -18</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig18">De -Gibraltarschedel</a></td> -<td class="tocPageNum">84</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -19</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig19">Plattegrond en -doorsneden van de grot, waarin het skelet werd gevonden</a></td> -<td class="tocPageNum">87</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -20</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig20">De schedel van La -Chapelle-aux-Saints</a></td> -<td class="tocPageNum">88</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -21</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig21">Dezelfde schedel -van terzijde, van voren en van boven gezien</a></td> -<td class="tocPageNum">89</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -22</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig22">Een -chimpansee-schedel naast den fossielen schedel van La -Chapelle-aux-Saints en een modernen menschelijken schedel geplaatst, -van voren gezien</a></td> -<td class="tocPageNum">91</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -23</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig23">Dezelfde drie -schedels van terzijde gezien</a></td> -<td class="tocPageNum">92</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -24</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig24">Doorsneden van de -„grotte des enfants” bij Grimaldi</a></td> -<td class="tocPageNum">96</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -25</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig25">Schedel van het -„negroide” type</a></td> -<td class="tocPageNum">97</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -26</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig26">Gehalveerde -schedels van een volwassen mensch, een jongen orang-oetan en een -volwassen oerang-oetan</a></td> -<td class="tocPageNum">114</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class= -"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> -27</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig27">Schedel van een -pasgeboren zuigeling en van een pasgeboren chimpansee</a></td> -<td class="tocPageNum">115</td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e5602width"><img src="images/ornament.png" alt= -"Ornament." width="149" height="80"></div> -<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name= -"pb148">148</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUDSOPGAVE.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum">Hoofdstuk</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"></td> -<td class="tocPageNum">Pag.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord" id="xd24e5618" -name="xd24e5618">Voorwoord</a></td> -<td class="tocPageNum">V</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">I</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1" id="xd24e5627" name= -"xd24e5627">Ontwikkelingsgang der levende natuur</a></td> -<td class="tocPageNum">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2" id="xd24e5636" name= -"xd24e5636">De plaats van den mensch in dit -ontwikkelingsproces</a></td> -<td class="tocPageNum">15</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">III</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3" id="xd24e5645" name= -"xd24e5645">De postpliocaene ijstijd in Europa</a></td> -<td class="tocPageNum">25</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IV</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4" id="xd24e5654" name= -"xd24e5654">Ouderdom der menschelijke overblijfselen</a></td> -<td class="tocPageNum">35</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#tbtijdperken">Tabel van -de onderverdeelingen van het oud-steenen tijdperk</a></td> -<td class="tocPageNum">52</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">V</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5" id="xd24e5669" name= -"xd24e5669">De overblijfselen van den voorhistorischen mensch -zelf</a></td> -<td class="tocPageNum">54</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VI</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch6" id="xd24e5678" name= -"xd24e5678">De voornaamste anthropologische vondsten</a></td> -<td class="tocPageNum">63</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VII</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch7" id="xd24e5687" name= -"xd24e5687">Gevolgtrekkingen en algemeene beschouwingen</a></td> -<td class="tocPageNum">106</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ix" id="xd24e5693" name= -"xd24e5693">Register</a></td> -<td class="tocPageNum">135</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#gloss" id="xd24e5700" -name="xd24e5700">Verklaringen</a></td> -<td class="tocPageNum">145</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#loi" id="xd24e5706" name= -"xd24e5706">Lijst van Illustraties</a></td> -<td class="tocPageNum">146</td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par"></p> -<div class="figure xd24e5712width"><img src="images/ornament.png" alt= -"Ornament." width="149" height="80"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div id="adploeg" class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd24e5718">DE PLOEG</p> -<p class="par">MAANDBLAD ONDER LEIDING VAN</p> -<p class="par">L. SIMONS</p> -<p class="par">HET GOEDKOOPSTE EN HOOGST INTERESSANTE MAANDBLAD.</p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">Prijs per jaar</td> -<td class="cellRight cellTop">f 2.50</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">Abonné’s W.B. of N.B.</td> -<td class="cellRight cellBottom">f 1.25</td> -</tr> -</table> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Vaste Rubrieken:</p> -<div class="table"> -<table class="xd24e5740"> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">R. CASIMIR:</td> -<td class="cellRight cellTop"><i>Geestelijke Stroomingen</i>.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">FRANS COENEN:</td> -<td class="cellRight"><i>Letterkundige Kronieken</i><span class="corr" -id="xd24e5754" title="Niet in bron">.</span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">W.N.F. SIBMACHER ZIJNEN:</td> -<td class="cellRight"><i>Muziek</i><span class="corr" id="xd24e5762" -title="Bron: ,">.</span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">W.J. STEENHOFF:</td> -<td class="cellRight"><i>Beeldende Kunst</i>.</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">L. SIMONS:</td> -<td class="cellRight cellBottom"><i>Tooneelbespiegelingen</i>.</td> -</tr> -</table> -</div> -<p class="par"></p> -<p class="par">Voorts medewerking van AUG. DE WIT, TOP VAN RHIJN-NAEFF, -Prof. LOGEMAN, Mevr. LOGEMAN-v.d. WILLIGEN, SAM. GOUDSMIT, S. J. -BOUBERG WILSON, Dr. P. VAN OLST, Dr. H. J. BOEKEN, CONs. VETH, Prof. -AUG. VERMEYLEN, IS. QUERIDO, KAREL v. d. WOESTIJNE, ANNA v. -GOGH-KAULBACH, enz.—Ook Illustraties.</p> -<p class="par xd24e5781">DE LOOPMARE</p> -<p class="par">zenden wij maandelijks met bericht van onze uitgaven en -uittreksel uit onze nieuwe boeken, <i>gratis</i> op aanvrage.</p> -<p class="par xd24e5781">HET NIEUWSJE</p> -<p class="par xd24e135">VAN DE WERELD-BIBLIOTHEEK</p> -<p class="par">loopt tweemaal ’s jaars rond bij ieder die het -verlangt.</p> -</div> -</div> -<div id="adheyenbrock" class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd24e5781">HEYENBROCK HASELAGER & Co.</p> -<p class="par">GEVESTIGD 1892.</p> -<p class="par xd24e135">Singel 288, AMSTERDAM Telefoon Interc. -2292.</p> -<p class="par xd24e5781">Hoofd-Agenten der <span class= -"boxed xd24e5804">MONARCH</span> Schrijfmachine.</p> -<p class="par">BREDA—ROTTERDAM—ARNHEM</p> -<p class="par">Copieer-Inrichting Vertaalkantoor -Reparatie-Inrichting</p> -<p class="par xd24e135">Ruilen en Verhuren van Schrijfmachines -Onderricht in Machineschrijven.</p> -<p class="par xd24e5813">Abonnement Schoonhouden van alle systemen -Schrijfmachines.</p> -<p class="par xd24e5813">Cursussen voor Stenografie. Opnemen van -Stenografische Dictês.</p> -<p class="par xd24e5813">Filiaal: ’s GRAVENHAGE, RIVIERVISCHMARKT -4. Telefoon Interc. 74.</p> -</div> -</div> -<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Wat is het doel van de Wereld-Bibliotheek?</p> -<p class="par">Is het: àl de boeken uit heel de wereld -bijeenbrengen om ze uit te leenen?—<i>Neen!</i></p> -<p class="par">Is het: een aantal boeken heel de wereld rond te -sturen?—<i>Neen!</i></p> -<p class="par">Het doel van de MAATSCHAPPIJ TOT BEVORDERING VAN GOEDE -EN GOEDKOOPE LECTUUR met haar</p> -<p class="par">Wereldbibliotheek, Nederl. Bibliotheek, Blauwe -Bibliotheek enz.</p> -<p class="par">is: iedereen in staat te stellen zich geleidelijk een -<i>eigen boekerij te vormen</i>; de beste werken der wereldliteratuur -uit te geven, zoo goedkoop en smaakvol, dat men ze voor weinig geld kan -maken tot een lief bezit. Voor een betaling van 10 tot 25 cents per -week kan men abonné zijn, en krijgt dan <i>12 tot 24 werken per -jaargang thuis</i>.</p> -<p class="par">Abonnement <b>W.B.</b>: Carton f 10,—, Linnen f -12.50 (onderafdeeling) <b>N.B.</b>: Carton f 5.20, Linnen f 7.50</p> -<p class="par xd24e135">MULTATULI’s BRIEVEN</p> -<p class="par">Volksuitgaaf in tien deelen —Met tien -illustraties.—</p> -<p class="par">Ingenaaid f 5.00 ... Gebonden f 7.50 <span class= -"pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">WERKEN OVER NATUURKUNDE, LAND- EN VOLKENKUNDE</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">VERSCHENEN BIJ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN -GOEDKOOPE LECTUUR</p> -<p class="par adTitle">Mr. W. H. VAN BALEN, <span class="ex">Door -Amerika</span>.</p> -<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p> -<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Momentopnamen van -New-York—Van New England door den Empire State naar het -Mid-Westen—Van Chicago dwars door Canada—Langs de Pacific -Coast, van Vancouver naar San Francisco—Rondom San -Francisco—Het Paradijs van Zuid-Californië—De wonderen -van het woestijnplateau—Terug in het Oosten—Enkele -Amerikaansche toestanden.</p> -<p class="par adTitle">E. J. BANFIELD, <span class="ex"><a class= -"pglink xd24e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= -"https://www.gutenberg.org/ebooks/47064">Bekentenissen van een -Strandvonder</a></span>.</p> -<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p> -<p class="par adDesc"><i>Inhoud van het eerste deel</i>: <i>Mijn -tropisch Eiland</i>: Het domein van den strandvonder—De -aankomst—Ons eiland—Onze satellieten en buren—De -nederzetting—Strandvonderij—Tropische bedrijven—De -fauna van het eiland—Vogels en hun rechten—Een fuga aan den -dageraad—Het loophoen—Een branie—Vlammende -oogen—Fier en grootmoedig—De witte muskaatduif—De -Australische kolibri—Vogels als seizoenkonders—De -Koraaltuin—Wonderlijke visschen—De -zeeschorpioen—Burra-ree—Vierduizend tegelijk—Een -mededinger van de oester—Haaien—Schildpadden—De -hedendaagsche meermin—Bêche-de-mer—Een -vlinderdroom—De bedrogen slang—Avontuur met een -krokodil—Een veroveraar—Een -grootmoordenaar—Sluipmoordenaars—De vliegenvorst—Een -tragedie in geel—Goed in hun rol—Mieren—De -bruidsvlucht—Enz. enz.</p> -<p class="par adTitle">J. v. d. BILT, <span class= -"ex">Sterrenkunde</span>. Een Inleiding tot de Studie van het Heelal, -ongev. 400 pag. met 133 illustraties.</p> -<p class="par adCat">Ingen. f 1.20, Carton f 1.35, Linnen f 1.50</p> -<p class="par adDesc">W.B. 213–218. Een uiterst belangrijk werk, -onderdeel van onze serie: <span class="ex">Encyclopaedie in -monografieën</span>, dat thans gereed is gekomen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span></p> -<p class="par adReview">„Ziehier een prettig leesbaar -populair-wetenschappelijk werk, waarin op bevattelijke wijze veel -wetenswaardigs wordt verteld.” (<i>Buiten.</i>) „Zijn -streven, in een zoo kort mogelijk bestek mede te deelen, tot welke -vraagstukken een bestudeering van den hemel leidt en door welke -methoden men deze tegenwoordig tracht op te lossen, schijnt ons toe -gelukkig geslaagd te zijn.” (<i>Kerkelijke -Courant.</i>)—„De keuze uit het omvangrijke materiaal mag -voortreffelijk heeten.” (<i>Ned. Zeewezen.</i>) „Het boekje -van den heer v. d. Bilt, zeer degelijk en toch gemakkelijk leesbaar, -getuigt van een bijzonder talent om een ingewikkelde stof duidelijk -uiteen te zetten.” (<i>Nieuws van den Dag.</i>)—„Het -verschijnen er van is van groote beteekenis voor de populaire -sterrenkunde in ons land—ook hij, die als liefhebber reeds aan -sterrenkunde gedaan heeft, kan dit werkje niet missen.” -(<i>Handelsblad.</i>)</p> -<p class="par adTitle">Dr. H. J. CALKOEN, <span class="ex">Bloemen en -Insecten</span>.</p> -<p class="par adCat">Volksbibliotheek. f 0.10</p> -<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Inleiding—Wat is een -bloem?—Van de Insekten—Van de -bloemen—Kruisbevruchting—Insektenbloemen—Bloem en -mensch—Bestaansvoorwaarden der planten—Wegwijzers naar den -honing—Tegen invloeden van weer en wind—Geslachtloooze -bloemen—Tijd van openen en sluiten—Het zoeken naar den -honing—De inrichting van eenige bloemen—De kleur der -bloemen—Naschrift—Register.</p> -<p class="par adTitle">CHARLES DARWIN, <span class="ex"><a class= -"pglink xd24e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= -"https://www.gutenberg.org/ebooks/33764">De Reis om de -Wereld</a></span>, vertaald door J. Brandt (met afbeeldingen). 2e met -register voorziene druk. (5e-8e duizend.)</p> -<p class="par adCat">De 2 deelen Ing. f 1.— Cart. f 1.15 Linn. f -1.30</p> -<p class="par adDesc">W.B. No. 63–66**. Darwin’s beroemd -verhaal dat den grondslag legde tot zijn lateren arbeid, nu -herdrukt.</p> -<p class="par adTitle">PROF. R. C. DUNCAN, <span class="ex">Techniek en -Wetenschap</span>, naar het Engelsche „The Chemistry of -Commerce,” bewerkt door W. C. de Leeuw.</p> -<p class="par adCat">Linnen f 2.50</p> -<p class="par adDesc">W.W. <i>Inhoud</i>: Catalyse: Hoe een -wonderverschijnsel, dat opnieuw onderzocht wordt, op verscheidene -takken van nijverheid invloed kan uitoefenen—Enzymen—Het -vastleggen der stikstof: wat de mensch vermag, als de nood -dwingt—De zeldzame aarden en enkele harer toepassingen: hoe -stoffen van louter wetenschappelijke beteekenis plotseling practisch -belang kunnen krijgen—Hooge temperaturen en moderne Industrie: -het type van een slordig en achterlijk bedrijf—Onderzoek van -kunstmatige en natuurlijke reuk-* <span class="pagenum">[<a id="pb151" -href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>stoffen—De bereiding -der geneesmiddelen—Over immuniteit—Cellulose (I en -II)—Industrial Fellowships.</p> -<p class="par adReview">„Een buitengewoon interessant boek voor -leek en ingewijde.”</p> -<p class="par adReview">„Wij bevelen het boek met nadruk aan, -vooral aan nijveren, die er uit leeren zullen, van hoe onschatbaar -groot belang het is in hun bedrijf wetenschap en practijk hand aan hand -te doen gaan.”</p> -<p class="par adReviewer">(<i>Vragen van den Dag</i>).</p> -<p class="par adTitle">——, <span class="ex">Moderne -Wetenschap</span>. 2e geheel herziene bewerking door dr. F. H. -Büchner, privaat-docent ter Amsterdamsche Universiteit.</p> -<p class="par adCat">Linnen f 2.50</p> -<p class="par adDesc">W.W. <i>Moderne Wetenschap</i> is, bij zijn -eerste verschijning door niemand minder dan Prof. Hubrecht warm begroet -en daardoor zeer bekend geworden.</p> -<p class="par adDesc">Voor dezen tweeden goedkoopen druk is het door -Dr. Büchner geheel bijgewerkt, zoodat het nu volkomen „up to -date” is.</p> -<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Gangbare begrippen—De Wet -der perioden—Gasionen—Radioactiviteit—Een nieuwe -eigenschap der stof—De uitvinding van het atoom—Moderne -wetenschappen en oude vraagstukken enz.</p> -<p class="par adTitle">J. KLEEFSTRA, <span class="ex">Een Vacantie op -de Friesche Wateren</span>.</p> -<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75 Linnen f -1.—</p> -<p class="par adTitle">E. E. KRONENBURG, <span class="ex">Verzorging -van Kamerplanten</span>.</p> -<p class="par adCat">Volksbibliotheek. f 0.10</p> -<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Inleiding—De kamer—De -potten—Bijzondere verzorging der planten—Schadelijke dieren -en hun bestrijding—Plantenziekten—Over de verschillende -kamerplanten—Bladplanten—Bolgewassen in de kamer.</p> -<p class="par adTitle">S. LEEFMANS, <span class="ex">Kijkjes in het -Natuurleven</span>. Geïll.</p> -<p class="par adCat">Ingen. f 0.40 Carton f 0.55 Linnen f 0.70</p> -<p class="par adDesc">W.B. 153–154. „Allen moesten ook -medewerken om het ingesluimerde gevoel voor de natuur weer bij ons volk -op te wekken,” schrijft Bisschop von Keppler in <i>Meer -Vreugde</i>. De heer Leefmans heeft het zijne bijgebracht om dien -wensch te helpen verwezenlijken. Zijn mooi boekje weze dan ook -welkom.</p> -<p class="par adReview">„Wat dit boekje boven de meesten van dien -aard vóór heeft is, dat de illustraties genomen zijn door -den auteur zelven, dus volkomen één met hetgeen hij -vertelt.”</p> -<p class="par adReviewer">(<i>De Tijdspiegel.</i>) <span class= -"pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span></p> -<p class="par adTitle">ALBERT B. LLOYD, <span class="ex">Van Oeganda -naar Khartoem</span>.</p> -<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p> -<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Van Oeganda naar -Boenyoro—Hoima, de hoofdstad van Boenyoro—Boenyoro en zijn -groote mannen—Folklore en zeden van Boenyoro—Zendingsarbeid -in Boenyoro—Jachtavonturen—Een uitstapje naar -Toro—Een bezoek aan noordelijk Boenyoro—Spannende -oogenblikken bij het Albertmeer—Acholi—Naar -Gondokoro—De laatste dagen van een langen tocht—Zes dagen -in het Sudd—Omdoerman en Karthoem.</p> -<p class="par adTitle">ALEXANDER MACDONALD, <span class="ex">Op zoek -naar Eldorado</span>.</p> -<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p> -<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: <i>Het ijzige Noorden</i>: Onder -de schaduw van den Witten Pas—Over de White-Horse -Waterval—In het land der Thron-Diuk’s—De ontdekking -der Goudgrond-kreek—Een gevaarlijke terugtocht—De tent bij -het Caribou-wed—Over den Chilcoot-pas.</p> -<p class="par adDesc"><i>Onder het Zuiderkruis</i>: Een wedloop om het -goud—De eerste schacht—Goud -getroffen—Kampvuur-herinneringen.—De Heilige -Klomp—Het Land der Eindeloosheid—El Dorado—Waar de -pelikaan zijn nest bouwt—In de Australische Binnenlanden.</p> -<p class="par adTitle">H. v. d. MANDERE, <span class= -"ex">Montenegro</span>.</p> -<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p> -<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Aan de boorden van de Adriatische -Zee—Montenegro, het land der zwarte bergen—Uit de -geschiedenis van Montenegro—Het land, waarover Koning Nikita -regeert—Van Cattaro naar Cettinje—Het Staatsbestuur van -Montenegro—De Vendetta in Montenegro—Zeden en gewoonten van -het Montenegrijnsche volksleven—Koning Nikita van Montenegro en -zijn familie—Twee Vorsten-dichters—De ontwikkeling van -Montenegro in de laatste decennia—De hoofdstad van Montenegro: -Cettinje—Van Cettinje naar het Oosten en Noorden des lands en -naar Antivari.</p> -<p class="par adTitle">MICHELET, <span class="ex">De Vogel</span>. -Vertaald door Mevr. M. v. Vloten, <i>met de oorspronkelijke 135 -houtsneden</i>.</p> -<p class="par adCat">Ingen. f 0.60 Carton f 0.75 Linnen f 0.90</p> -<p class="par adDesc">W.B. 99–101. Een door onzen natuurkenner -Jac. P. Thijsse warm aanbevolen werk van den grooten Franschen -schrijver, welks opneming in onze Bibliotheek ons van verschillende -abonné’s <span class="corr" id="xd24e6077" title= -"Bron: bizondere">bijzondere</span> dankbrieven heeft doen geworden. -<i>Ons Land</i> schrijft: „Moest in elk huisgezin worden -<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name= -"pb153">153</a>]</span>gevonden.... Een boek om telkens weer ter hand -te nemen, om er de kinderen uit te vertellen. Getuigt van een oneindige -liefde tot den vogel, weet die liefde in ons te wekken en aan te -wakkeren.”</p> -<p class="par adReview">„Tot het vele goede, door de Maatschappij -uitgegeven, behoort zeker wel het werk van den beroemden Franschen -geschiedschrijver.”</p> -<p class="par adReviewer">(<i>De Vriend des Huizes.</i>)</p> -<p class="par adTitle">Dr. H. NABER, <span class="ex">De Ster van -1572</span>. (Drebbel.) Met vele natuurkundige illustraties.</p> -<p class="par adCat">Ingen. f 0.20 Carton f 0.30 Linnen f 0.40</p> -<p class="par adDesc">W.B. 54. Voor de meesten onzer is Drebbel een -groote onbekende. Dr. Naber doet hem in dit werkje kennen als den -grooten voorganger der in de geschiedenis van de natuurkundige -ontdekkingen wereldberoemde grootheden; een echt genie, waard om in ons -land naast Huygens gewaardeerd te worden. Een lezenswaardig boekje voor -den leek; maar ook, door de reproducties uit het nog onuitgegeven -Journaal van Beckman, hoogst belangwekkend voor hen, die zelf de -natuurkunde beoefenen.</p> -<p class="par adTitle">Prof. OKAKURA-YOSHISABURO, <span class="ex">De -Geest van Japan</span>, met een Inleiding van George Meredith.</p> -<p class="par adDesc">W. B. 14. Uitverkocht.</p> -<p class="par adTitle">TICKNER EDWARDES, <span class="ex"><a class= -"pglink xd24e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= -"https://www.gutenberg.org/ebooks/28963">Het Verhaal van de -Honingbij</a></span>. Uit het Engelsch door Mevr. M. van Vloten. Met 20 -illustraties en een aanhangsel over <i>De Bij en haar Wapens</i> door -dr. Percy E. Spielmann.</p> -<p class="par adCat">Ingen. f 0.70 Carton f 0.85 Linnen f 1.—</p> -<p class="par adDesc">W.B. 177–179*</p> -<p class="par adReview">„Een boek vol wetenswaardigheden, dat op -291 pagina’s, verduidelijkt door 21 illustraties, op aangename ja -zelfs boeiende wijze handelt over de honingbij en wat er mede annex -is”. .... „Wie wenscht te weten, hoe de mensch zich vroeger -het bijenleven dacht en hoe hij dat thans heeft leeren waarnemen, die -zal in dit boek een even nuttige, als bekoorlijke lectuur -vinden.”</p> -<p class="par adReviewer">(<i>Red. Practische Imker.</i>)</p> -<p class="par adReview">„Wie genieten wil van bijenleven en -bijenpoëzie, neme dit sympathieke boek.”</p> -<p class="par adReviewer">(<i>Dordtsche Courant.</i>)</p> -<p class="par adReview">„Van heeler harte aanbevolen aan hen die -hart hebben voor het schoone, het wonderdadig grootsche, ook in het -kleinste, het wijze, de poëzie, die overal in de natuur zijn op te -merken.<span class="corr" id="xd24e6139" title= -"Niet in bron">”</span></p> -<p class="par adReviewer">(<i>Avicultuur.</i>) <span class= -"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p> -<p class="par adTitle">Prof. HUGO DE VRIES, <span class="ex"><a class= -"pglink xd24e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= -"https://www.gutenberg.org/ebooks/53476">Het Yellowstone Park; -Experimenteele Evolutie</a></span>. Met 4 autotypieën. 3e druk -(9e–12e duizend).</p> -<p class="par adCat">Ingen. f 0.20 Carton f 0.30 Linnen f 0.40</p> -<p class="par adDesc">W.B. 13. Als Prof. Hugo de Vries over -Amerikaansche natuurverschijnselen schrijft, en een voordracht in -Amerika houdt over den stand van het vraagstuk van het ontstaan der -soorten, is de belangstelling natuurlijk groot. En vooral als die voor -zulk een prijsje bevredigd kan worden, is het geen wonder, dat twee -oplagen, tot 9000 exemplaren in eenige jaren tijds uitverkocht zijn. -Ook deze derde druk vindt zijn weg.</p> -<div class="div2 ads xd24e6158"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd24e139">Voor de UITGAVEN onzer Maatschappij</p> -<p class="par xd24e6161">Wereld-Bibliotheek,<br> -Nederl. Bibliotheek,<br> -Tooneel-Bibliotheek,</p> -<p class="par xd24e139">ENZ. ENZ., raadplege men geregeld onze -maandelijksche LOOPMARE en ons halfjaarlijksch NIEUWSJE.</p> -<p class="par xd24e139">Beide op aanvraag FRANCO en GRATIS.</p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="transcribernote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen -overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het -kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de -<a class="seclink xd24e43" title="Externe link" href= -"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg -Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd24e43" -title="Externe link" href= -"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> -<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line -gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd24e43" title= -"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>De afstamming van den mensch</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Jan Boeke (1874–1956)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/263048925/" class= -"seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Oude Spelling)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1913</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Trefwoorden:</b></td> -<td>Darwinism</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td>Evolution</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td>Humans</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3>Catalogusvermeldingen</h3> -<table class="catalogEntries"> -<tr> -<td>Gerelateerde WorldCat catalogus pagina:</td> -<td><a href="https://www.worldcat.org/oclc/80621150" class= -"seclink">80621150</a></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke -schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn -stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn -verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het -einde van dit boek.</p> -<p class="par">De advertenties in het voorwerk zijn achterin het boek -geplaatst.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2017-02-05 Begonnen.</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn -dat deze links voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctiontable" summary= -"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e238">2</a></td> -<td class="width40 bottom">radiolarien</td> -<td class="width40 bottom">radiolariën</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e278">5</a></td> -<td class="width40 bottom">palaeozoicum</td> -<td class="width40 bottom">palaeozoïcum</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e429">14</a></td> -<td class="width40 bottom">eerste</td> -<td class="width40 bottom">Eerste</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e462">14</a></td> -<td class="width40 bottom">tweede</td> -<td class="width40 bottom">Tweede</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e578">16</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e5762">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e934">43</a></td> -<td class="width40 bottom">ets</td> -<td class="width40 bottom">iets</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e967">45</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e1249">58</a>, <a class="pageref" href= -"#xd24e2040">108</a>, <a class="pageref" href="#xd24e3091">139</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e3203">139</a>, <a class="pageref" href= -"#xd24e3213">139</a>, <a class="pageref" href="#xd24e5252">144</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e5754">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1221">57</a></td> -<td class="width40 bottom">gratheuvels</td> -<td class="width40 bottom">grafheuvels</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1300">63</a></td> -<td class="width40 bottom">pithecathropus</td> -<td class="width40 bottom">pithecanthropus</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1358">67</a></td> -<td class="width40 bottom">ptihecanthropus</td> -<td class="width40 bottom">pithecanthropus</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1364">67</a></td> -<td class="width40 bottom">pithecantropus</td> -<td class="width40 bottom">pithecanthropus</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1539">77</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e1570">78</a></td> -<td class="width40 bottom">Fühlrott</td> -<td class="width40 bottom">Fuhlrott</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1543">77</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e1574">78</a>, <a class="pageref" href= -"#xd24e4531">142</a></td> -<td class="width40 bottom">Schafhausen</td> -<td class="width40 bottom">Schaaffhausen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1553">77</a></td> -<td class="width40 bottom">Neanderdalschedel</td> -<td class="width40 bottom">Neanderdal-schedel</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1617">79</a></td> -<td class="width40 bottom">rhinozeros</td> -<td class="width40 bottom">rhinoceros</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1635">80</a></td> -<td class="width40 bottom">Georjanovic-Kramberger</td> -<td class="width40 bottom">Gorjanović-Kramberger</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1640">81</a></td> -<td class="width40 bottom">beenstukkn</td> -<td class="width40 bottom">beenstukken</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1708">86</a></td> -<td class="width40 bottom">’lHomme</td> -<td class="width40 bottom">l’Homme</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1738">87</a></td> -<td class="width40 bottom">Corrézedal</td> -<td class="width40 bottom">Corrèzedal</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1750">90</a></td> -<td class="width40 bottom">Chapelle-aux-saints</td> -<td class="width40 bottom">Chapelle-aux-Saints</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1756">90</a></td> -<td class="width40 bottom">pithecoide</td> -<td class="width40 bottom">pithecoïde</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1834">95</a></td> -<td class="width40 bottom">cro-magnon</td> -<td class="width40 bottom">Cro-magnon</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1857">98</a></td> -<td class="width40 bottom">negroide</td> -<td class="width40 bottom">negroïde</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1908">101</a></td> -<td class="width40 bottom">rendier-en</td> -<td class="width40 bottom">rendier- en</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1918">102</a></td> -<td class="width40 bottom">cromagnon ras</td> -<td class="width40 bottom">cro-magnon-ras</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1923">102</a></td> -<td class="width40 bottom">cro-magnonras</td> -<td class="width40 bottom">cro-magnon-ras</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2006">106</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2108">111</a></td> -<td class="width40 bottom">viervoerige</td> -<td class="width40 bottom">viervoetige</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2234">127</a></td> -<td class="width40 bottom">Afrika</td> -<td class="width40 bottom">Africa</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2441">137</a></td> -<td class="width40 bottom">Anthropoiden</td> -<td class="width40 bottom">Anthropoïden</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e3099">139</a></td> -<td class="width40 bottom">Georganovic-Kramberger</td> -<td class="width40 bottom">Gorjanović-Kramberger</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e3686">140</a></td> -<td class="width40 bottom">intergeerend</td> -<td class="width40 bottom">integreerend</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e3712">140</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e5039">144</a></td> -<td class="width40 bottom">..</td> -<td class="width40 bottom">....</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4365">142</a></td> -<td class="width40 bottom">Pygmeën</td> -<td class="width40 bottom">Pygmeeën</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4938">143</a></td> -<td class="width40 bottom">Bizondere</td> -<td class="width40 bottom">Bijzondere</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5280">145</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e6139">153</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5286">145</a></td> -<td class="width40 bottom">indentiek</td> -<td class="width40 bottom">identiek</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5452">146</a></td> -<td class="width40 bottom">Provielbeeld</td> -<td class="width40 bottom">Profielbeeld</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e6077">152</a></td> -<td class="width40 bottom">bizondere</td> -<td class="width40 bottom">bijzondere</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of Project Gutenberg's De afstamming van den mensch, by J. Boeke - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH *** - -***** This file should be named 54227-h.htm or 54227-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/4/2/2/54227/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/54227-h/images/book.png b/old/54227-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 963d165..0000000 --- a/old/54227-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/card.png b/old/54227-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1ffbe1a..0000000 --- a/old/54227-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/cover.jpg b/old/54227-h/images/cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e3bc525..0000000 --- a/old/54227-h/images/cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/external.png b/old/54227-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ba4f205..0000000 --- a/old/54227-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig01.jpg b/old/54227-h/images/fig01.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 62982a5..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig01.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig02.png b/old/54227-h/images/fig02.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 64d6c07..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig02.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig03.png b/old/54227-h/images/fig03.png Binary files differdeleted file mode 100644 index df8edad..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig03.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig04.png b/old/54227-h/images/fig04.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 511c017..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig04.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig05.png b/old/54227-h/images/fig05.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 8f4557c..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig05.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig06.jpg b/old/54227-h/images/fig06.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 3bf3664..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig06.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig07.jpg b/old/54227-h/images/fig07.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4d89da4..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig07.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig08.jpg b/old/54227-h/images/fig08.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a31c59b..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig08.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig09.jpg b/old/54227-h/images/fig09.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2ec4f34..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig09.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig10.png b/old/54227-h/images/fig10.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 758c452..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig10.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig11.png b/old/54227-h/images/fig11.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 13e6e7b..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig11.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig12.png b/old/54227-h/images/fig12.png Binary files differdeleted file mode 100644 index b550a73..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig12.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig13.png b/old/54227-h/images/fig13.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 2fe67c6..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig13.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig14.jpg b/old/54227-h/images/fig14.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index cadbc95..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig14.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig15.jpg b/old/54227-h/images/fig15.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 788d1ea..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig15.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig16.png b/old/54227-h/images/fig16.png Binary files differdeleted file mode 100644 index d90faf1..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig16.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig17.jpg b/old/54227-h/images/fig17.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d3e65dd..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig17.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig18.jpg b/old/54227-h/images/fig18.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 289ffdb..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig18.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig19.png b/old/54227-h/images/fig19.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 7cf7b51..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig19.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig20.jpg b/old/54227-h/images/fig20.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b3bb57d..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig20.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig21.jpg b/old/54227-h/images/fig21.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 959d5ab..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig21.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig22.jpg b/old/54227-h/images/fig22.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c151f1c..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig22.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig23.jpg b/old/54227-h/images/fig23.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index eb319b4..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig23.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig24.jpg b/old/54227-h/images/fig24.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index ad3c977..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig24.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig25.jpg b/old/54227-h/images/fig25.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 2d1ca8e..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig25.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig26.jpg b/old/54227-h/images/fig26.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d394884..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig26.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/fig27.png b/old/54227-h/images/fig27.png Binary files differdeleted file mode 100644 index f34afc5..0000000 --- a/old/54227-h/images/fig27.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/frontcover.jpg b/old/54227-h/images/frontcover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 86a4146..0000000 --- a/old/54227-h/images/frontcover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/initial-g.png b/old/54227-h/images/initial-g.png Binary files differdeleted file mode 100644 index be4bac6..0000000 --- a/old/54227-h/images/initial-g.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/initial-h.png b/old/54227-h/images/initial-h.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 2eaa0f7..0000000 --- a/old/54227-h/images/initial-h.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/initial-i.png b/old/54227-h/images/initial-i.png Binary files differdeleted file mode 100644 index f4db9ff..0000000 --- a/old/54227-h/images/initial-i.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/initial-s.png b/old/54227-h/images/initial-s.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 5c98710..0000000 --- a/old/54227-h/images/initial-s.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/initial-w.png b/old/54227-h/images/initial-w.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 90f812b..0000000 --- a/old/54227-h/images/initial-w.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/lbrace24.png b/old/54227-h/images/lbrace24.png Binary files differdeleted file mode 100644 index c7e5e4a..0000000 --- a/old/54227-h/images/lbrace24.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/lbrace3.png b/old/54227-h/images/lbrace3.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1bd7ae5..0000000 --- a/old/54227-h/images/lbrace3.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/lbrace4.png b/old/54227-h/images/lbrace4.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 54ef4b1..0000000 --- a/old/54227-h/images/lbrace4.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/lbrace8.png b/old/54227-h/images/lbrace8.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 319ac54..0000000 --- a/old/54227-h/images/lbrace8.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/ornament.png b/old/54227-h/images/ornament.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 4adc47a..0000000 --- a/old/54227-h/images/ornament.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/ornament2.png b/old/54227-h/images/ornament2.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 0107c75..0000000 --- a/old/54227-h/images/ornament2.png +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/series-title.jpg b/old/54227-h/images/series-title.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 4a6e726..0000000 --- a/old/54227-h/images/series-title.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/54227-h/images/titlepage.jpg b/old/54227-h/images/titlepage.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index e6a44b3..0000000 --- a/old/54227-h/images/titlepage.jpg +++ /dev/null |
