summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/54227-8.txt4071
-rw-r--r--old/54227-8.zipbin81515 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h.zipbin1977486 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/54227-h.htm7915
-rw-r--r--old/54227-h/images/book.pngbin364 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/card.pngbin249 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/cover.jpgbin49597 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/external.pngbin172 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig01.jpgbin134349 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig02.pngbin7996 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig03.pngbin19433 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig04.pngbin15572 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig05.pngbin34380 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig06.jpgbin92184 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig07.jpgbin60036 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig08.jpgbin68500 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig09.jpgbin69869 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig10.pngbin18627 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig11.pngbin13971 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig12.pngbin38560 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig13.pngbin38934 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig14.jpgbin82499 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig15.jpgbin74588 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig16.pngbin6649 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig17.jpgbin102620 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig18.jpgbin45939 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig19.pngbin30260 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig20.jpgbin77366 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig21.jpgbin83546 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig22.jpgbin56616 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig23.jpgbin81992 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig24.jpgbin54407 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig25.jpgbin64232 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig26.jpgbin64580 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/fig27.pngbin37785 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/frontcover.jpgbin65582 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/initial-g.pngbin4495 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/initial-h.pngbin4048 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/initial-i.pngbin4465 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/initial-s.pngbin4504 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/initial-w.pngbin4372 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/lbrace24.pngbin558 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/lbrace3.pngbin260 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/lbrace4.pngbin282 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/lbrace8.pngbin383 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/ornament.pngbin2224 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/ornament2.pngbin2235 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/series-title.jpgbin122393 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/54227-h/images/titlepage.jpgbin119111 -> 0 bytes
52 files changed, 17 insertions, 11986 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..5c7d52e
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #54227 (https://www.gutenberg.org/ebooks/54227)
diff --git a/old/54227-8.txt b/old/54227-8.txt
deleted file mode 100644
index ce19032..0000000
--- a/old/54227-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4071 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of De afstamming van den mensch, by J. Boeke
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: De afstamming van den mensch
- Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt
-
-Author: J. Boeke
-
-Release Date: February 23, 2017 [EBook #54227]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- PROF. DR. J. BOEKE
-
- DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH
-
- MET 27 TEKSTFIGUREN, REGISTER EN EENIGE VERKLARINGEN
-
- WERELDBIBLIOTHEEK
-
-
-
-
-
-
-
-
- DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH
-
-
- Aan de nagedachtenis van mijn vader zij dit
- boekje in eerbiedige herinnering opgedragen door
-
- DEN SCHRIJVER.
-
-
-
-
-
-
-
-
- Dit werk maakt een onderdeel uit van onze
- serie ENCYCLOPAEDIE in MONOGRAFIEËN
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD
-
-
-Dit boekje vindt zijn oorsprong in een reeks van voordrachten over het
-afstammingsvraagstuk, in den winter 1912-13 in "Ons Huis" in Rotterdam
-gehouden. Op verzoek van den uitgever heb ik ze iets omgewerkt
-en er een aaneengesloten geheel van gemaakt. Men zoeke er geen
-wetenschappelijk betoog in. De vakman zal er wellicht veel in missen,
-wat hem belangrijk voorkwam. Mijn doel bij het schrijven van dit werkje
-was slechts, een voor den ontwikkelden leek begrijpelijk overzicht
-te geven van wat men tegenwoordig onder het afstammingsvraagstuk
-verstaat, van de feiten, die men heeft kunnen verzamelen en de
-theorieën, die men aan die feiten heeft vastgeknoopt. Mijn streven
-was, niet, zooals zoo dikwijls in populaire geschriften juist over
-dit vraagstuk geschiedt, een volledig geconstrueerd beeld te geven
-van de afstamming van den mensch, zooals de schrijver van zulk een
-boekje zich die toevallig denkt, maar te laten zien, hoe weinig men er
-eigenlijk aan positieve feiten over weet, en welke beschouwingen zich
-aan die weinige feiten laten vastknoopen. Het boekje moge daardoor
-aan samenhang en duidelijkheid verloren hebben, aan eerlijkheid heeft
-het er wellicht door gewonnen.
-
-
-Leiden, Augustus 1913. J. BOEKE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I ONTWIKKELINGSGANG DER LEVENDE NATUUR
-
-
- "Jedes sein wird nur durch sein werden erkannt." [1]
-
- Haeckel.
-
-
-Wanneer wij de natuur om ons heen aandachtig beschouwen, en ons
-rekenschap geven van hetgeen hare verschillende elementen, hare
-bergreeksen, ravijnen en bergmeren, hare lage landen, hare wouden,
-zandvlakten, zeeën, koraalriffen, ons te zeggen hebben, dan ontrolt
-zich voor ons een beeld van immer wisselende verandering, van worden
-en vergaan, van ontplooiing, van evolutie, een beeld dat ons met diep
-ontzag vervult voor de geweldige natuurkrachten, die deze veranderingen
-tot stand brengen en beheerschen. Wij zien, hoe bergreeksen zich
-verheffen door rimpeling van het aardoppervlak om de door afkoeling
-kleiner wordende kern, hoe tengevolge van plaatselijke langzame daling
-van den bodem geheele landstreken weder door water worden bedekt,
-hoe geheele bergtoppen door de zwaarte van daaroverheen schuivende
-gletschers worden af geslepen, hoe diepe dalen door de waterstroomen
-allengs worden uitgegraven en de afgeslepen slib elders als langzaam
-verhardende klei- en steenlagen wordt afgezet.
-
-Met die veranderingen van de aarde zelf, die zich over een
-bijna oneindig schijnend geweldig lang tijdsverloop uitstrekken,
-en die men naar aanleiding van bepaalde, sterk op den voorgrond
-tredende veranderingen in bepaalde tijdperken, "perioden," pleegt
-te verdeelen, gaan nu wisselingen van het klimaat en van de dieren-
-en plantenwereld hand in hand. En zoo kan men ook in de wereld der
-levende wezens bepaalde tijdperken of perioden onderscheiden, waarbij
-in elk dergelijk tijdperk van ontwikkeling een eigenaardig karakter
-van de flora en fauna op den voorgrond treedt, het bepaalt.
-
-Zeer in het kort [2] kan men dezen geheelen ontwikkelingsgang als
-volgt schetsen: nadat de aarde door langzame afkoeling een vaste
-harde steenkorst aan hare oppervlakte had gevormd, nadat na verdere
-geleidelijke afkoeling zich op die vaste korst water had gevormd en
-dit eene temperatuur verkregen had, waarbij het leven mogelijk was,
-ontstonden de eerste levende wezens, op de grens van planten- en
-dierenrijk staande. Men moet ten minste wel aannemen, dat het leven
-bij zijn ontstaan aan dergelijke vormen gebonden was, waar men ziet,
-dat de eerste levende wezens, die uit die alleroudste perioden hunne
-sporen in versteeningen hebben achtergelaten, uiterst kleine eencellige
-organismen [3] zijn. Hoe deze eerste levende wezens zijn ontstaan,
-is ons, dit zij hier terloops opgemerkt, nog volkomen een raadsel,
-en het zal dit wel altijd voor ons blijven. Waar het levensbeginsel
-zelf, de ondoorgrondelijke, eeuwige, goddelijke drang in de natuur,
-die tot evolutie, tot ontplooien van alle krachten, tot aanpassen,
-tot strijden, tot instandhouding en volmaken van de soort dwingt,
-voor ons steeds ondoorgrondelijk zal blijven, waar dit buiten het
-bereik der wetenschap ligt, daar zal de vraag, hoe, op welke wijze
-dat leven ontstaan is, eveneens een niet op te lossen raadsel blijven,
-waartegenover wij machteloos staan.
-
-Maar wel zullen wij de overblijfselen van de eenmaal gevormde
-organismen, zoo zij in de aardlagen zijn bewaard, kunnen herkennen,
-en kunnen vaststellen, wanneer en in welken vorm die levende wezens
-zich voor het eerst op aarde hebben vertoond, en hoe zij zich in
-daaropvolgende perioden der aardontwikkeling hebben voorgedaan. En
-zijn zij nu eenmaal opgetreden, dan zien wij hen wel al direct
-in een aantal vormen van uiteenloopende gedaante en groepeering,
-doch tevens, naar mate wij jongere formaties nagaan, in hoe langer
-hoe volkomener vorm, in hoe langer hoe meer wisselende gedaante en
-veelzijdige ontwikkeling, steeds meer doelmatig en beter toegerust
-voor den strijd om het bestaan, zich vertoonen.
-
-En wij zien dan tevens, hoe, al gaat bij de regelmatig voortgaande
-afkoeling van onze planeet ook de ontwikkeling van de aarde steeds
-haren geleidelijken, rustigen, geregelden gang, toch bepaalde
-veranderingen van de aardkorst met zeer bepaalde en over de geheele
-aarde optredende veranderingen van de planten- en dierenwereld
-samengaan, zoodat de straks reeds genoemde tijdperken kunnen worden
-onderscheiden, waarin het karakter van het aardoppervlak, de planten
-die het bedekten, de dieren die er zich op bewogen, scherp omschreven
-eigenaardige kenmerken vertoonden. Dit leeren ons de versteende en in
-dien vorm bewaard gebleven overblijfselen van dieren en planten uit
-die verschillende perioden, en zoo algemeen, zoo overal wederkeerend
-is dit verschijnsel, zoo zeker vinden wij altijd de overblijfselen
-van dezelfde vormen in aardlagen en gesteenten van een bepaalde,
-zelfde periode ingesloten, dat wij aan den anderen kant juist de
-aanwezigheid van bepaalde versteeningen, de zoogenaamde "gidsfossielen"
-in de een of andere aardlaag of in een of ander gesteente gebruiken
-om daaruit den vermoedelijken ouderdom van die aardlaag of gesteenten
-te kunnen berekenen.
-
-In die aardlagen, die tot harden steen saamgeperste massa's,
-zien wij nu de overblijfselen van dieren en planten steeds hooger
-georganiseerd, steeds meer samengesteld van bouw worden, naarmate
-jongere formaties worden onderzocht. Op de oudste steenlagen der
-azoïsche periode, waarin wij nog geen met zekerheid als zoodanig
-herkenbare sporen van levende wezens kunnen aantoonen--al is het
-ook zeker, dat er toen reeds leven op aarde, zoowel in het water als
-in de toen bestaande, uit de sedimentaire afzettingen dier perioden
-herkenbare landformaties bestond [4]--volgen in langzamen overgang de
-oudste lagen der palaeozoïsche periode, zooals in de eerste plaats het
-cambrium met zijne overblijfselen van laag georganiseerde ongewervelde
-dieren, zijn zeewieren, zijn rijkdom aan in groote vormverscheidenheid
-optredende maar over het algemeen nog slechts tot een geringen graad
-van ontwikkeling gekomen waterbewoners en ongewervelde landdieren,
-dan het silurium met de eerste sporen van visschen (van hooger
-georganiseerde gewervelde waterdieren dus) en zijne reeds door tot
-verschillende groepen behoorende ongewervelde landdieren gekenmerkte
-uitgebreide vastelandformaties, en het steenkolentijdperk met zijn
-verdere landvorming, zijn uiterst weelderigen plantengroei, uit welk
-tijdperk de als steenkolen bekende afzettingen getuigenis afleggen
-van de uiterst rijke verscheidenheid van vormen, zoo van dieren als
-planten, die toen ter tijde de aarde bevolkten, en van het warme,
-tropische klimaat, dat gedurende dat tijdperk van ontwikkeling over
-de geheele aarde (ook in de poolstreken zijn steenkoolbeddingen met
-overblijfselen van tropische planten gevonden) heerschte. Met het
-steenkolentijdperk, waarin de varens, de wolfsklauwachtige planten, de
-vaatkryptogamen, hun hoogste ontwikkeling bereikten, en in reusachtige
-vormen en dichte wouden de aarde bedekten, eindigt het palaeozoïcum.
-
-Terwijl de aarde geleidelijk afkoelt, de temperatuur lager, het
-klimaat minder tropisch wordt, terwijl het water meer en meer voor
-groote vastelanden plaats maakt, verandert in aansluiting hieraan ook
-weer het karakter van dieren- en plantenwereld. Na het palaeozoïcum
-onderscheiden wij de tweede periode, het mesozoicum, de "middeleeuwen"
-van de ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur. In verband met
-de vorming der groote vastelanden, zien we de landfauna vooral zich
-sterk ontwikkelen. Landslakken, op het land levende gelede dieren,
-laagstaande viervoetige gewervelde dieren worden in de steenlagen
-dezer periode aangetroffen naast overblijfselen van naaldboomen,
-sagopalmen enz.; in dit tijdperk bereiken de kruipende dieren, de
-reptielen, de hagedisachtigen, hun hoogste ontwikkeling, en worden
-in de reusachtige vormen (brontosaurus bijv.) aangetroffen, die ieder
-wel uit afbeeldingen of uit hun kolossale geraamten in verschillende
-musea kent. Naast deze reusachtige hagedisachtige dieren, die toen
-de aarde bevolkten, zien wij in de tweede aardperiode de eerste
-sporen van zoogdieren optreden en ook de eerste vogels zien wij,
-in nog sterk aan de kruipende dieren herinnerende vormen, verschijnen.
-
-Doch eerst in de afzettingen uit de derde periode, het tertiaire
-tijdperk, het neozoicum, de periode, die het begin van den nieuwen
-tijd in de geschiedenis der natuur inaugureert, zien wij de
-overblijfselen van zoogdieren in een groote verscheidenheid van
-groepen en soorten uit de hen omhullende steen- en zandlagen te
-voorschijn treden, zien wij op de palmen, de varens, de naaldboomen
-en de reusachtige sauriërs der tweede periode volgen de loofplanten
-en de hoogere palmen, de groote zoogdieren in hun hoogste ontwikkeling
-en verscheidenheid,--zien wij ook de vastelanden, de werelddeelen der
-mesozoische periode, door toenemende schrompeling en rimpeling van
-het langzaam afkoelende aardoppervlak gedeeltelijk weder onder den
-zeespiegel verdwijnen, om plaats te maken voor nieuwe werelddeelen,
-voor een nieuwe verdeeling van land en water, totdat langzamerhand de
-aardoppervlakte het uiterlijk verkrijgt, zooals wij dat in den tijd,
-waarin wij nu leven, kennen.
-
-Aan het einde dier derde geologische periode, bij den overgang naar
-de laatste periode, de vierde, die waarin wij nu nog leven, zien
-wij nu een juist voor de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch
-uiterst merkwaardig tijdperk komen, dat der postpliocaene ijstijden,
-of in het kort samengevat, den ijstijd, de glaciale periode.
-
-Over dezen term "postpliocaene ijstijden", even een enkel woord.
-
-Zooals later nog wel ter sprake zal komen, heeft men in den laatsten
-tijd duidelijke sporen kunnen vinden van sterke afkoelingsperioden
-uit een veel vroeger geologisch tijdperk, na het steenkolentijdperk,
-waarbij het in sommige streken ook reeds tot het vormen van ijs moet
-gekomen zijn. Vandaar dat hier niet, zooals men placht te doen, van
-"de ijstijd", maar van den postpliocaenen ijstijd gesproken wordt.
-
-Over de geheele aarde wordt de gemiddelde temperatuur lager, worden
-de winters langer en strenger, de zomers korter, tot zich, van de
-poolstreken uit, de alle leven vernietigende ijskorst verder en
-verder naar het Zuiden, dieper en dieper van de hooge bergen tot in
-de minder koude dalen afdalende, uitbreidt. Zoo wordt het grootste
-gedeelte van Noord- en West-Europa met dikke, soms kilometerdikke
-ijsmassa's bedekt. Slechts de zuidelijke streken, vooral Zuid- en
-West-Frankrijk en België blijven vrij (men vergelijke het kaartje
-van Fig. 1); wij zullen later zien, van hoeveel belang dit voor de
-ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch is geweest.
-
-Men moet volstrekt niet denken, dat deze afkoeling zich tot Europa
-alleen beperkte, evenmin als wij den gang van zaken ons zoo moeten
-voorstellen, dat zich aan het einde der tertiaire periode voor
-het eerst een dergelijke afkoeling van het oppervlak der aarde
-vertoonde. Neen, waarschijnlijk keeren dergelijke afkoelingen van
-de aarde (vermoedelijk tengevolge van astronomische oorzaken) na
-geregelde tusschenpoozen van ongeveer 50.000 jaar weder terug, en
-wij zien alleen den eersten meer algemeenen ijstijd aan het einde
-der tertiaire periode optreden, omdat toen eerst de aarde voldoende
-was afgekoeld, om het mogelijk te maken dat de geringe daling van de
-gemiddelde jaartemperatuur tot het vormen van een ijskorst van groote
-uitgebreidheid leiden kon. Zooals reeds werd opgemerkt, heeft men in
-den laatsten tijd kunnen vaststellen, dat ook reeds bij een vorige
-afkoelingsperiode in sommige streken van de aarde ijsvorming moet
-hebben plaatsgevonden. Het is echter juist deze afkoelingsperiode
-bij het begin van het vierde tijdperk, die voor Europa en hare
-bewoners, voor de ontwikkeling van het menschelijk geslacht in
-het algemeen, van zoo overwegend belang is geweest. Vandaar,
-dat juist deze groote afkoelingsperiode hier ter sprake gebracht
-wordt. Na dien eersten "ijstijd" volgen die afkoelingsperioden,
-waarbij de temperatuur tot beneden het vriespunt daalt, dan ook
-verder regelmatig elkander op. Vermoedelijk zijn reeds drie of
-meer dergelijke "ijstijden" verloopen, en leven wij nu zoo ongeveer
-tusschen twee afkoelingsperioden in. Tot eenheid over deze vraag is
-men echter nog lang niet gekomen. Terwijl de meeste geologen op het
-voetspoor van Penck minstens 3 ijstijden met daartusschen liggende
-"interglaciale perioden" aannemen, en van een glaciaalphase van
-Günz, Mindel, Riss, Würm, spreken, meenen andere geologen van naam,
-dat de eigenaardigheden van den bouw, de ligging en de uitbreiding
-der moraenen en zwerfblokken, waaruit deze gegevens worden geput,
-wel op plaatselijke schommelingen van den sneeuwgrens wijzen, doch
-niet op zulke uitgebreide, algemeene temperatuurschommelingen, die
-zich over het geheele aardoppervlak uitstrekken, behoeven te wijzen,
-dat men daaruit het bestaan van een aantal werkelijke "ijstijden" mag
-afleiden. Hoe dit zij, meer locale (zich bijvoorbeeld slechts over een
-gedeelte van Europa kenbaar makende) schommelingen in de gemiddelde
-temperatuur, en daarmede van de sneeuwgrens, schommelingen zeer zeker
-van zeer langen duur en geleidelijken overgang, kan men toch wel met
-zekerheid aannemen. En dat is voor het ons hier bezighoudende probleem,
-zooals wij later zullen zien, voldoende.
-
-Wat de eerste vraag betreft, men heeft zoowel in Afrika, Amerika,
-Australië en Azië, zoo goed als in Europa zelf, duidelijke sporen
-van vroegere gletschervormingen gevonden, zelfs reeds uit zeer veel
-vroegeren tijd, die er op wijzen dat ook daar de afkoelingsperiode
-een "ijstijd," d. w. z. een sterke daling van de sneeuwgrens, deed
-ontstaan, al bleef deze in de warme streken natuurlijk alleen tot de
-hooger gelegen bergstreken beperkt.
-
-In de tertiaire periode zagen wij reeds de zoogdieren in steeds hooger
-georganiseerde vormen optreden, terwijl onder de planten eveneens de
-hoogst ontwikkelde vormen, de loofboomen, de aarde bedekten. Naarmate
-wij nu de steenlagen uit de latere gedeelten der tertiaire periode
-onderzoeken, blijken de overblijfselen van de planten en dieren,
-die daarin bewaard gebleven zijn, steeds meer te gaan gelijken op de
-dieren en planten, die in den tegenwoordigen tijd leven.
-
-Terwijl talrijke lagere planten en dieren in het laatste gedeelte der
-tertiaire periode in dezelfde soortvormen voorkwamen als die, welke wij
-nog thans op onze aarde levend aantreffen, zien wij, ook wat de hooger
-georganiseerde planten en dieren betreft, een steeds grooter wordende
-overeenkomst met de flora en de fauna van den tegenwoordigen tijd. Bij
-den overgang van de tertiaire in de quartaire periode, het diluvium,
-nemen de hoogst ontwikkelde vormen onder de planten en dieren in aantal
-en in verbreiding over verschillende streken van de aarde toe, zien
-wij steeds hooger gespecialiseerde vormen van zoogdieren optreden,
-krijgt de levende natuur langzamerhand meer en meer het karakter,
-dat zij in den tegenwoordigen tijd vertoont.
-
-Zoo zien wij dus, hoe in het ontzaglijk lange tijdsverloop, dat achter
-ons ligt, sinds het eerste leven zich op onze aarde openbaarde,
-een tijdsverloop, niet met duizenden, doch met millioenen jaren te
-berekenen, de dieren- en plantenwereld zich langzaam en geleidelijk
-ontwikkelt. Hooger georganiseerde, meer samengesteld gebouwde vormen
-treden op, worden eerst in enkele vormen op bepaalde plaatsen gevonden,
-verkrijgen langzamerhand een grootere verspreiding, ontwikkelen
-zich, treden op in talrijke, steeds meer gespecialiseerde soorten,
-bereiken een hoogtepunt hunner ontwikkeling en specialisatie en sterven
-langzamerhand uit. Andere dier- of plantvormen nemen hun plaats in, en
-vertoonen dezelfde verschijnselen. Overal wisseling, sterke aanpassing
-aan bepaalde levensverhoudingen, ook weder achteruitgang, doch alles
-te zamen genomen een onbedwingbaar, rusteloos voortgaand streven naar
-vooruitgang, naar hoogere organisatie, naar beter toegerust zijn voor
-den strijd om het bestaan.
-
-Niet door op elkaar volgende scheppingen van telkens andere dier-
-en plantvormen, doch door geleidelijke ontwikkeling, door evolutie,
-door een geregeld zich aanpassen aan de veranderlijke uitwendige
-omstandigheden, zien wij de zoo groote verscheidenheid van levensvormen
-gedurende den langen ontwikkelingsgang van onze aarde ontstaan.
-
-Dat leert ons de palaeontologie, dat leert ons nu ook de
-ontwikkelingsgeschiedenis der nu levende plant- en diervormen,
-d. w. z. de leer van den gang van het proces van vorming van een of
-ander dier of plant, beginnende bij de bevruchte eicel, en eindigende
-op het tijdstip dat het dier geboren wordt, of de plant zijn vollen
-wasdom heeft bereikt.
-
-Elk dier moet, bij het zich vormen uit de zoo uiterst eenvoudig
-gebouwde bevruchte eicel, een bepaalde ontwikkeling doormaken,
-voor het den vorm van het volwassen dier, den vorm van zijne ouders
-en soortgenooten, heeft bereikt. En het is uiterst merkwaardig,
-dat wij bij dien ontwikkelingsgang van het individu, voortdurend
-verschijnselen zien optreden, die ons herinneren aan bepaalde vormen,
-door een der voorvaderen van dat bepaalde dier in de lange reeks der
-in vroegere perioden door die bepaalde diersoort doorloopen vormen
-gedragen. Elk embryo beklimt, zooals men het wel eens fantastisch
-uitdrukt, bij zijn ontwikkeling zijn eigen stamboom, d. w. z. de
-ontwikkeling van elk individu is een wedergave in gedrongen vorm
-van de gradueele veranderingen, gedurende de ontwikkeling van die
-bepaalde diersoort of dien bepaalden diertypus, waarvan het individu
-de eindvorm is, in den loop der duizenden jaren doorgemaakt, slechts
-min of meer "vervalscht" door directe aanpassing van het embryo aan
-een nieuwe omgeving, zooals bijvoorbeeld van het zoogdier-embryo
-aan het hem beschuttend en voedend orgaan van het moederlichaam,
-in tegenstelling met het embryo van een eierleggend dier, dat bij
-zijn ontwikkeling is aangewezen op het voedsel en de beschutting,
-die bij het leggen aan het ei werden medegegeven.
-
-Reeds hieruit zou men, afgezien van de door de vergelijkende anatomie
-aan het licht gebrachte feiten, tot het begrip der evolutie moeten
-besluiten. Hetzelfde leert ons, zooals ik reeds aangaf, het onderzoek
-der overblijfselen van fossiele dieren en planten uit vroegere
-tijdperken, de palæontologie. Het zou mij veel te ver voeren, hier
-nader op in te gaan. Slechts wil ik bij één verschijnsel nog iets
-langer stilstaan, daar dit van uiterst groot belang is voor het
-probleem, dat ons in de volgende hoofdstukken zal bezighouden.
-
-Dat is een verschijnsel, waarvan een Belgisch geleerde,
-Prof. Dollo, het eerst de algemeenheid en het groote belang
-aantoonde, en dat hem ter eere meestal als de "wet van Dollo" wordt
-aangeduid. Hieronder verstaat men het volgende: heeft zich in den
-loop van het evolutieproces een diergroep sterk in een bepaalde
-richting gespecialiseerd, zooals bijvoorbeeld de groote groep van de
-vleermuizen, bij wie de voorste ledematen zeer sterk zijn uitgegroeid
-en veranderd, zoodat zij als vleugels konden worden gebruikt, dan kan
-bij verandering van levenswijs of van de omstandigheden, waaronder
-de nakomelingen zich bevinden, deze specialisatie niet weer verloren
-gaan in dien zin, dat de oorspronkelijke vorm der voorste ledematen
-weer opnieuw zou optreden. Evenmin keert een in den loop van de
-ontwikkeling van een soort verloren gegaan of rudimentair geworden
-orgaan ooit weer tot denzelfden oorspronkelijken vorm terug, als de
-omstandigheden waaronder de nakomelingen van die bepaalde soort zich
-bij hunne verdere evolutie bevinden, een sterkere ontwikkeling van
-dat orgaan zouden wenschelijk maken. Er wordt dan óf een ander orgaan
-tot ontwikkeling gebracht, dat 't eerste vervangt, óf wel de soort,
-die zich niet kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden, sterft
-uit. Zooals het door Dollo werd uitgedrukt: "de ontwikkeling is een
-niet omkeerbaar proces." Volgens deze wet kunnen dus diersoorten,
-die zich in een bepaalde richting, in aanpassing aan een bepaalde
-levenswijze, sterk hebben gespecialiseerd, nooit de voorvaderen zijn
-van diersoorten, die in datzelfde opzicht minder sterk gespecialiseerd
-zijn. Wel echter kan het omgekeerde het geval zijn.
-
-Hetzelfde verschijnsel, waarvan de algemeenheid door Dollo aan
-een reeks van zeer duidelijke en sprekende voorbeelden werd
-bewezen, wijst ons nu den weg, wanneer wij met een zoogenaamde
-"specialisatie-kruising" (chevauchement des spécialisations van Dollo)
-te doen hebben. Als van twee diergroepen of diersoorten (A en B) de
-eene soort in één opzicht, bijv. in den bouw der ledematen, sterker
-gespecialiseerd is dan de andere, in een ander opzicht, bijv. in den
-bouw van het gebit, evenwel meer primitieve verhoudingen vertoont,
-terwijl verder in het algemeen de twee groepen of soorten zoo zeer
-op elkaar gelijken, dat men geneigd zou zijn, de eene soort als de
-stamvader van den andere te beschouwen, dan kan men op grond van
-de wet van Dollo dit laatste met zekerheid uitsluiten en hoogstens
-zeggen dat beide groepen of soorten een gemeenschappelijken voorvader
-moeten hebben gehad, waaruit zij zich beide in verschillende richtingen
-hebben ontwikkeld.
-
-Wij zullen later zien, van hoe groot belang dit verschijnsel is voor
-het probleem, waarmede wij ons in de volgende hoofdstukken zullen
-bezighouden.
-
-
-TABEL I. OVERZICHT DER GEOLOGISCHE PERIODEN.
-
-I. Archaeische (Azoïsche) periode, over het algemeen geen fossielen
- bekend, doch ongetwijfeld reeds leven op aarde aanwezig.
-
-II. Palaeozoische (primaire) periode { Silurische periode.
- (het zoogenaamde Eerste levenstijdperk) { Devonische periode.
- { Steenkolen periode.
- { Permische periode.
-
-III. Mesozoische (secundaire) periode { Trias periode.
- (Tweede levenstijdperk) { Jura periode.
- { Krijt periode.
-
-IV. Neozoische (tertiaire) periode { Eocaene periode.
- (Derde levenstijdperk) { Oligocaene periode.
- { Miocaene periode.
- { Pliocaene periode.
-
-V. Quaternaire (quartaire) periode { Pleistocaene periode.
- (Vierde levenstijdperk) { (palaeolithicum)
- { oud-steenen tijdperk.
- { Holocaene periode
- { (neolithicum
- { bronstijdperk
- { ijzertijdperk
- { geschiedkundig
- { tijdperk.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-II DE PLAATS VAN DEN MENSCH IN DIT ONTWIKKELINGSPROCES
-
-
- "Man still bears in his bodily frame the indelible
- stamp of his lowly origin." [5]
-
- Darwin.
-
-
-Staat de mensch nu buiten dit evolutieproces? Of moeten wij ook hem een
-plaats in het geheel aanwijzen, waarvoor dezelfde wetten gelden die de
-ontwikkeling van het dieren- en plantenrijk hebben beheerscht? En zoo
-dit laatste als juist wordt aangenomen, welke zal dan die plaats zijn?
-
-Wij naderen hier een gebied, dat tot de meest doorwerkte doch ook tot
-de felst omstreden gebieden behoort, welke de denkende menschelijke
-geest heeft trachten te ontginnen. Immers hier kwam de moderne
-bioloog ten slotte in open conflict met de oude anthropocentrische
-wereldbeschouwingen, met de mozaïsche scheppingsverhalen, met zoo veel
-van wat door alle eeuwen heen voor waar en heilig werd gehouden. Nu
-is langzamerhand in den loop der jaren de strijd wel minder heftig
-geworden en heeft men leeren inzien, dat een vast geloof in de
-geestelijke waarde van den mensch gepaard kan gaan met de overtuiging,
-dat de mensch zich, als een integreerend deel van de dierenwereld,
-uit die dierenwereld heeft ontwikkeld, heeft losgemaakt, en dat een
-diep godsdienstig gevoel samen kan gaan met een geloof in de idee der
-evolutie, ook wat den mensch betreft, doch men houdt toch nog maar
-al te dikwijls aan een afzonderlijk staande plaats van den mensch in
-de schepping vast, ook daar waar de evolutie voor het dierenrijk als
-een juist beginsel wordt erkend.
-
-Voor den denkenden bioloog, die steeds er naar streeft, te trachten de
-dingen om hem heen objectief te beschouwen, ze op hun juiste waarde te
-schatten, en zich streng aan datgene te houden wat binnen de grenzen
-van zijn waarnemingsvermogen, van zijn wetenschap valt, die steeds
-zooveel mogelijk zich rekenschap tracht te geven van den samenhang
-van de verschillende feiten, die hij leert kennen, is mijns inziens
-slechts één antwoord op de bovengestelde vraag mogelijk, n. l. dat
-ook de mensch één is met de levende wereld om hem heen, daarvan een
-integreerend deel uitmaakt, en dat ook aan den mensch een plaats in dit
-voor de dieren- en plantenwereld geschetste evolutie-proces toekomt.
-
-Deze overtuiging wordt ons onafwijsbaar opgedrongen door hetgeen
-drie takken van de morphologische wetenschap ons leeren, de
-palaeontologie, de leer der fossielen, de vergelijkende ontleedkunde
-en de ontwikkelingsgeschiedenis.
-
-Wat ons de palaeontologie omtrent het probleem van de afstamming
-van den mensch leert, zullen wij in de volgende hoofdstukken nader
-uiteenzetten. Wat de beide andere wetenschappen ons leeren, zij hier
-kort vermeld.
-
-Als wij de groote verschillen in aanmerking nemen, die bijv. tusschen
-de verschillende zoogdiersoorten bestaan, dan kan het ons niet
-verwonderen, dat zelfs tusschen de hoogst ontwikkelde zoogdieren en
-den mensch nog een aantal verschillen in bouw bestaan, al zijn ook de
-hoofdlijnen van den bouw bij beide dezelfde. Als wij van dit standpunt
-uit den bouw van het menschelijk lichaam beschouwen, dan treft ons in
-de eerste plaats telkens weer de wondervol harmonische ontwikkeling
-van het menschelijk organisme. Bij geen diersoort vindt men (en
-dit is vermoedelijk juist het geheim van zijn snelle ontwikkeling)
-een anatomischen bouw, die zulke primitieve eigenschappen vertoont,
-en waarvan alle deelen zich zoo in volkomen harmonie met elkaar,
-zoo gelijkmatig hebben ontwikkeld, als juist bij den mensch. Hier
-geen gebit, in een bepaalde richting sterk gedifferentieerd,
-hier geen bovenmatig sterk ontwikkelde spiergroepen voor bepaalde
-bewegingscombinaties, geen bovenmatig verlengde extremiteiten in
-aanpassing aan een bepaalde levenswijze, hier geen darmkanaal ingericht
-en uitsluitend geschikt voor het opnemen en verteren van een bepaald
-soort voedsel; neen, een volkomen harmonische ontwikkeling van alle
-organen, en daardoor een volledig aanpassingsvermogen aan de meest
-verschillende omstandigheden, en, anatomisch gesproken, een vereeniging
-van primitieve, niet sterk gedifferentieerde vormen en kenmerken,
-zooals geen tweede diersoort ons kan aanwijzen.--Wij zullen later zien,
-hoe dit juist het waarschijnlijk maakt, dat de lijn van ontwikkeling
-van het latere menschelijke geslacht zich al zeer spoedig losgemaakt
-moet hebben van de lijn van ontwikkeling der overige zoogdieren.
-
-Maar tevens leert ons de vergelijkende anatomie, dat in de
-hoofdlijnen van den bouw er een volkomen overeenstemming bestaat, een
-overeenstemming, die te grooter blijkt te zijn, naarmate men door het
-nauwkeurig leeren kennen van een steeds grooter aantal verschillende
-diervormen meer en meer onder de voor bepaalde diersoorten kenmerkende
-eigenaardigheden de groote hoofdlijnen, men zou kunnen zeggen de
-compositie van den geheelen bouw, leert onderscheiden.
-
-Het zou nu evenwel nog niet voldoende geacht kunnen worden om op
-grond van deze overeenstemming van een werkelijke verwantschap te
-spreken. Maar wij kunnen feiten, die voor dit laatste pleiten, wel
-degelijk direct zien.
-
-Evenals bij de verschillende diersoorten, komen ook bij den mensch
-zoogenaamde individueele variaties voor, waarbij zich bij enkele
-individuen bepaalde organen vertoonen, die bij normale menschen niet
-voorkomen, of organen die steeds aanwezig zijn, bepaalde, niet bij
-den gewonen mensch voorkomende veranderingen in bouw, grootte of
-samenstelling vertoonen. En nu is het uiterst merkwaardig, dat bij
-dergelijke variaties bijna steeds veranderingen optreden, die een
-toestand verwezenlijken, zooals die bij de hoogere diersoorten als
-regel, als norma, bestaat. Zoo hebben wij bijvoorbeeld een aantal
-spieren aan hand en arm om de verschillende zoo samengestelde
-en talrijke bewegingen van ons grijp- en tastorgaan te kunnen
-uitvoeren. Bij dat samenstel van grootere en kleinere spieren treden
-nu nog al eens variaties op, en als zich dan bij een bepaald individu
-een spier vertoont, die bij normale menschen niet voorkomt, of een
-wel steeds voorkomende spier een anderen vorm dan in normale gevallen
-vertoont, dan is bij eene dergelijke variatie bijna altijd een geval
-verwezenlijkt, dat bij de hoogste zoogdieren (bijv. bij de apen of
-bepaalde aapsoorten) als normaal geval steeds aanwezig is.
-
-Zoo bezit de mensch twee borstklieren, die bij het vrouwelijk
-geslacht sterk ontwikkeld zijn en de voor de voeding van den
-zuigeling noodzakelijke melk afscheiden. Terwijl de hoogstaande
-zoogdieren ook twee dergelijke borstklieren bezitten, zijn bij de
-meeste overige zoogdieren een reeks van dergelijke klieren aanwezig,
-in een lijn (de zoogenaamde melklijn) aan weerszijden langs den buik
-gegroepeerd. Indien nu, wat nog al eens voorkomt, bij den mensch
-zoogenaamde overtollige borstklieren gevonden worden, dan liggen deze
-altijd op die lijn, m. a. w. dan zijn dat altijd organen, die bij de
-lagere zoogdieren als regel, als norma, optreden, die bij den mensch
-echter als slechts zoo nu en dan voorkomende variatie nog weer eens
-zich vertoonen.
-
-Ook in veranderingen, variaties, die bij andere organen van het
-menschelijk lichaam zoo nu en dan gevonden worden, vindt men steeds
-weer hetzelfde verschijnsel terug, ziet men telkens en telkens
-weer eigenaardigheden in bouw en vorm optreden, die herinneren aan
-vormingen, die bij de hoogste zoogdieren als constante, altijd
-voorhanden zijnde kenmerken gevonden worden. In den vorm der
-oorschelpen zien wij zich somtijds de toegespitste oorschelp van
-de hoogste zoogdieren afspiegelen, sterke beharing van het geheele
-lichaam of het gelaat (men denke bijv. aan de eertijds zoo beroemde
-danseres Juliana Pastrana) brengt ons in rangschikking en richting
-van de haren dierlijke vormen in de herinnering, afwijkingen in de
-rangschikking van verschillende deelen, van het bloedvaatstelsel,
-in rangschikking, vorm en aantal van de neusschelpen, in de grootte
-van het zoogenaamde orgaan van Jacobson in den neus, in den bouw van
-het strottenhoofd, van de geslachtsklieren, van verschillende deelen
-van het skelet, geven ons even zoovele aanknoopingspunten te zien
-aan vormingen die in het dierenrijk als normale kenmerken optreden,
-kortom, men kan, zooals o. a. Wiedersheim in zijn beroemd geworden boek
-"der Bau des Menschen als Zeugnis für seine Vergangenheit" [6] deed,
-alle organen van het menschelijk lichaam nagaan, en overal vindt men
-verschijnselen, die ons onweerstaanbaar dwingen, een nauwe verwantschap
-met, een afstamming uit het dierenrijk voor den mensch aan te nemen.
-
-En nog sterker dringt deze overtuiging zich aan ons op, als wij de
-ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch nagaan en haar vergelijken
-met die van de zoogdieren.
-
-Dank zij de groote verbeteringen van de microscopische techniek
-is in de laatste 50 jaren een helder inzicht verkregen in de
-ontwikkelingsgeschiedenis van tal van diervormen, zoodat wij
-dikwijls tot in de fijnste bijzonderheden den verwonderlijk mooien
-ontwikkelingsgang van de verschillende organen, die het dierlijk
-lichaam opbouwen, hebben kunnen nagaan. Voor bepaalde diervormen
-heeft men dien ontwikkelingsgang stap voor stap, bijna van uur tot
-uur, kunnen bestudeeren. Het bleek nu hierbij hoe langer hoe meer,
-dat voor de verschillende diervormen de ontwikkeling, uitgaande van
-hetzelfde uitgangspunt, de ongedifferentieerde eicel, in groote trekken
-geteekend, hetzelfde verloop had, en dat, hoe dichter de dieren,
-wat hunne kenmerken betreft, bij elkander stonden, des te meer de
-ontwikkelingsgang voor die vormen evenwijdig liep. En hierbij bleek
-tevens, hoe juist in de ontwikkelingsgeschiedenis de duidelijkste
-bewijzen opgesloten lagen voor den samenhang en de verwantschap
-der dieren onderling, voor de idee der evolutie, voor het ontstaan
-der soorten uit elkaar, door langzame verandering, aanpassing,
-volmaking. Wij zien organen, lichaamsdeelen, die bij lagere dieren
-gedurende het geheele leven in een primitieven vorm blijven bestaan,
-zich bij de embryonen der hoogere dieren eerst in denzelfden vorm
-aanleggen, waarin zij bij die lagere dieren zijn aangelegd. Doch dan
-zien wij bij den voortgang van het ontwikkelingsproces in die organen
-verdere veranderingen optreden, die langzamerhand den toestand
-inleiden, waarin dat orgaan gedurende het leven van die hoogere
-diersoort zal blijven verkeeren. Wij zien bij het embryo van alle
-zoogdieren zich kieuwspleten aanleggen, al hebben de kieuwen hun reden
-van bestaan eigenlijk verloren, sinds de voorvaderen der zoogdieren
-uit het water op het land overgingen en tot landdieren werden. Wij
-zien het bloedvaatstelsel in aanleg ook bij de zoogdieren bloedvaten
-vormen, die bij hunne nog in het water levende voorvaderen langs de
-kieuwspleten liepen om voor de opname van de zuurstof uit het water,
-de ademhaling dus, te zorgen, al hebben om dezelfde reden ook deze
-bloedvaten bij de zoogdieren hun reden van bestaan verloren. Wij
-zien uit deze kieuwspleten en uit de stevige beschutsels daarvan, de
-kieuwbogen, zich allerlei organen ontwikkelen, zooals de schildklier,
-het strottenhoofd, de gehoorbeentjes etc., die eerst bij de zoogdieren
-tot volle ontwikkeling komen en een belangrijke rol in het leven
-van het dier krijgen te vervullen. Wij kunnen vaststellen, hoe
-in het algemeen die kenmerken, die alleen eigen zijn aan de hoogst
-ontwikkelde diervormen, en die dus bij de evolutie van de soort eerst
-laat moeten zijn opgetreden, ook in de individueele ontwikkeling dier
-hoogst ontwikkelde diersoorten, eerst laat, eerst in het laatste
-tijdperk van het embryonale leven, zich kenbaar maken. Kortom,
-wij zien bij het bestudeeren van de ontwikkelingsgeschiedenis van
-een of ander zoogdier zich een beeld ontrollen van de duizenden en
-duizenden jaren, gedurende welke die bepaalde soort zich bij den
-ontwikkelingsgang van de aarde door langzame evolutie uit laagstaande
-vormen in duizenden op elkaar volgende, uit elkaar voortgekomen,
-individuen trapsgewijze heeft opgewerkt, ontplooid, ontwikkeld,
-volmaakt, totdat de vorm bereikt was, waarvan wij nu aan het levende
-dier de fijne, harmonische organisatie, de volkomen aanpassing aan de
-omstandigheden, waaronder het verkeert, het samengestelde van de zoo
-nauwkeurig aan elkaar aansluitende levensverrichtingen bewonderen. En
-naarmate wij van meerdere diervormen een nauwkeurig beeld van de
-ontwikkelingsgeschiedenis verkrijgen, naarmate wij dus beter en beter
-de waarde van de verschillende détails, de plaatselijke aanpassingen
-der verschillende vormen kunnen beoordeelen en de hoofdlijnen daarvan
-kunnen losmaken, in die zelfde mate wint het beeld van het geheele
-proces der evolutie van het dierenrijk, dat wij zich zien ontrollen uit
-die individueele ontwikkelingsprocessen der verschillende diervormen,
-aan duidelijkheid en volledigheid.
-
-De ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch vertoont ons nu een
-beeld, dat volkomen in dit kader past. In de groote lijnen is het de
-zoogdierontwikkeling, die ons het wordingsproces van het menschelijk
-embryo te zien geeft. Juist als bij het zoogdierembryo zien wij
-zich bij de zich uit de eicel vormende menschenkiem kieuwspleten
-vormen. Dezelfde organen, die bij de zoogdieren uit die kieuwspleten
-en uit de zich tusschen de spleten bevindende kieuwbogen ontstaan,
-zien wij ook bij het menschelijk embryo zich op dezelfde wijze, langs
-denzelfden weg, volgens dezelfde methode, daaruit vormen. Dezelfde
-samengestelde ontwikkelingsgang, die door het zoogdierembryo moet
-worden gevolgd, zien wij ook het menschelijk embryo doormaken. Dat
-er in bijzonderheden verschillen bestaan, spreekt natuurlijk
-vanzelf. Evenals wij bijvoorbeeld reeds op een zeer jong stadium van
-ontwikkeling een varkensembryo met zekerheid kunnen onderscheiden
-van een embryo van een kat of een konijn, zoo kan de geschoolde
-embryoloog op elk stadium van ontwikkeling met volkomen zekerheid
-zeggen, of hij met een menschelijk embryo dan wel met het embryo van
-een of ander zoogdier te doen heeft, maar de gang, het verloop van het
-ontwikkelingsproces, het op elkaar volgen van de verschillende stadiën,
-de wijze van aanleg van de verschillende organen en orgaanstelsels is
-bij beiden zoo volkomen gelijk, dat de overtuiging, dat slechts een
-gemeenzame afstamming, een door den mensch en door de zoogdieren
-doorgemaakte evolutie, een dergelijke overeenstemming kan doen
-ontstaan, zich met onweerstaanbare kracht aan ons opdringt. Het is
-verwonderlijk om te zien, hoe bijvoorbeeld een bepaald gedeelte van
-het nierapparaat, dat wij slechts bij de visschen en de tweeslachtige
-dieren op een bepaalde wijze tijdens het leven zien functioneeren,
-toch bij het menschelijk embryo evenals bij de zoogdieren duidelijk
-wordt aangelegd, om echter bij de verdere ontwikkeling weer spoorloos
-te verdwijnen, als een reminiscentie aan den grijzen voortijd, alleen
-omdat de uitvoergang van dat apparaat nog in de verdere ontwikkeling
-een bepaalde rol speelt, de aanleg van het apparaat zelf dus noodig
-was. Het geslachtsapparaat zien wij in een uiterst samengestelden
-ontwikkelingsgang de verschillende phasen doormaken, waarop wij het
-bij de lagere dieren gedurende het geheele leven zien blijven staan;
-de beharing van het lichaam, bij den volgroeiden mensch grootendeels
-verloren gegaan, zien wij bij het menschelijk embryo op volkomen
-dezelfde wijze tot ontwikkeling komen als bij de zoogdieren, ja men
-heeft zelfs aan de rangschikking van de haren in het begin hunner
-ontwikkeling bij het menschelijk embryo nog de duidelijke sporen
-kunnen terugvinden van de huidbekleeding met schubben, die onze
-voorouders in den grijzen oertijd eenmaal moeten hebben bezeten. De
-mensch is staartloos; dat hij zich echter moet hebben ontwikkeld uit
-voorouders, die wel een dergelijk aanhangsel bezaten, blijkt behalve
-uit het feit, dat zoo nu en dan als variatie, als terugslag, nog een
-staart bij een voldragen kind wordt gevonden, daaruit, dat in een
-vroeg stadium van ontwikkeling bij het menschelijk embryo een zeer
-duidelijke staart wordt aangelegd, die evenwel na eenigen tijd weer
-verdwijnt. Bij de ontwikkeling van de menschelijke borstklier zien
-wij de reeds op een vorige bladzijde genoemde "melklijn" zich als
-een normaal verschijnsel vertoonen, de oorschelp zien wij zich ook
-bij den mensch uit de huidplooien in de omgeving der kieuwspleten,
-de gehoorbeentjes zich ook bij den mensch uit bepaalde gedeelten
-der oorspronkelijke kieuwbogen vormen, kortom, er is geen detail van
-den ontwikkelingsgang van het menschelijk embryo, of wij kunnen het
-alleen dan begrijpen, als wij ons den mensch voorstellen in volkomen
-samenhang met de dierenwereld voortgesproten uit dierlijke voorvaderen.
-
-Staat de mensch, de "kroon der schepping," aan de spits van het
-dierenrijk? Zeer zeker niet. In vele opzichten is in materieelen zin
-de menschenvorm minder bevoorrecht dan vele zijner natuurgenooten. In
-kracht van spieren zijn wij achteruitgegaan, in gezichtsvermogen,
-gehoor en reuk doen wij ver onder bij de hoogere zoogdieren, het
-aannemen der rechtopstaande houding heeft ons menig nadeel bezorgd,
-van specialisatie in deze of gene richting is weinig te merken, en,
-zooals boven reeds werd opgemerkt, juist daarin ligt de kracht van den
-menschenvorm, juist daarin ligt het geheim zijner snelle ontwikkeling
-en vooral van zijn vermogen zich harmonisch in alle richtingen tegelijk
-te kunnen ontwikkelen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III DE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPA
-
-
-In het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe
-wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen
-zoogenaamden "ijstijd" zien optreden, d. w. z. een periode in de
-ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur
-zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de
-geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.
-
-Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare
-sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden
-gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden,
-die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen
-ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste
-menschen optreden, wat nader te beschouwen.
-
-Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende
-ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste
-periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote
-uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs
-en sneeuw in kolossale massa's een groot deel van Europa gaan bedekken.
-
-Geweldige ijsmassa's, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en
-meer, bij de voortgaande daling van de temperatuur, van het noorden
-van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa
-uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de
-gletschers in het alpengebied het zoogenaamde "stroomen" van het
-ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa
-zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den
-ijstijd die geweldig dikke ijsmassa's zich eveneens voortschoven,
-waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde
-bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te
-zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in
-den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om,
-als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd
-en de ijsmassa's smolten, op het daaronder gelegen land te worden
-gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals
-bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden
-liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan,
-uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige
-ijsmassa's ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren
-zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal
-langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende
-gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald,
-op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.
-
-Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden
-water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland
-bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van
-meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs
-het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een
-gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd
-sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggen
-zich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar
-het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden
-redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle
-voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.
-
-Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij
-dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk
-veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit
-den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van
-den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs-
-en sneeuwmassa's naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het
-teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede
-noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de
-door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige
-plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan,
-hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen
-aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde,
-en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige
-dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth,
-de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting
-zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna,
-de holenwolf.
-
-Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de
-bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid
-van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in
-alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij
-als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.
-
-Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en
-ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers
-van het menschelijk geslacht, bij dien steeds feller wordenden
-strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid
-ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en
-niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo
-den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door
-geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?
-
-Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot
-de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht
-gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds
-schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met
-beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken,
-door zich als "sociale" wezens te vereenigen tot grootere groepen
-met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van
-handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is
-het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.
-
-Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner,
-als troglodyte, wiens overblijfselen in holen, in "abris sous
-roche," bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de
-verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den
-oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de
-groote watermassa's, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden,
-bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen
-onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer
-droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren
-later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners,
-zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar
-weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen
-met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen
-dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibden grond boven elkaar,
-met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en
-dieren uit verschillende perioden [7] (Fig. 24). Hierover later meer.
-
-Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke
-overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren
-uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte
-opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd
-en de interglaciale perioden Europa bevolkten.
-
-Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden
-en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden
-aangeven?
-
-Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel
-door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door
-de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer
-uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave
-hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren
-invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig
-resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers
-noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur
-dezer perioden.
-
-Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van
-de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een
-regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de
-aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige
-aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer
-100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige
-waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale periode
-rekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig
-gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote
-gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het
-Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland,
-Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de
-rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, "stroomde,"
-grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden
-langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door
-den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt,
-bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke
-uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van
-Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen
-de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent,
-waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen
-berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de
-groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd,
-tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af
-te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo
-kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000
-jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval
-met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de
-bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de
-morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren
-verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode
-(dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.
-
-De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale
-perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen
-tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien,
-voor een deel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten
-vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:
-
-1°. de mammoet, elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met
-geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der
-ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs
-met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van
-Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier
-in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden,
-door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb
-juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst
-bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken
-werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den
-mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste
-teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van
-den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam,
-en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet,
-toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië
-bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog
-voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk een plaatvormige,
-uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden
-vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor
-was dus met absolute zekerheid de "echtheid" van de teekeningen
-bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf,
-die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste
-afbeelding kunnen maken.
-
-2°. De oerolifant, de elephas antiquus, verreweg de grootste der
-fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen
-reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend
-dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het
-tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot
-in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de
-tegenwoordige olifantensoorten.
-
-3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalis en el. trogontherii),
-vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode,
-doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het
-noorden (tot in Engeland) doordringend.
-
-4°. De Siberische neushoorn (rhinoceros tichorhinus), met twee
-achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige
-dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel
-Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.
-
-5°. De rhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier
-der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden,
-zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.
-
-6°. Het groote nijlpaard, hippopotamus major, in reusachtige exemplaren
-in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.
-
-7°. Het elasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één
-langen hoorn midden tusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van
-de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië
-tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.
-
-8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den
-ijstijd zijn de herten, die in een aantal soorten van dikwijls
-reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus
-euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de
-edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo
-groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke
-praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men
-vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding
-in fig. 3).
-
-9°. De verschillende beersoorten, waarvan vooral de holenbeer (ursus
-spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is,
-en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met
-menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.
-
-10°. De tijdgenooten van den holenbeer, de holenkat (felis spelaea),
-de holenhyaena, de holenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in
-grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel
-zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste
-koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen
-met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.
-
-11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten
-in de eerste plaats nog genoemd worden de wisent (bison priscus),
-waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in 't eeuwige
-ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen
-gevonden zijn, verder de aueros (bos primigenius), die vooral in de
-warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot in
-het noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader
-van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt
-beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode
-kunnen wij nog noemen het wilde zwijn, een soort van schaap, het over
-geheel Europa toen ter tijde verspreide stekelvarken, en verwant
-daarmede, het trogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst
-sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven,
-doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later
-in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen
-moeten worden ter sprake gebracht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV OUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.
-
-
- "l'Homme tertiaire n'est encore que
- sur le seuil de la science." [8]
-
- Broca.
-
-
-Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de
-mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan,
-dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is
-dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den
-voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond
-van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien,
-en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van
-welke diersoorten stamt de mensch af?
-
-Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste
-vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne
-voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.
-
-Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk.
-
-Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist
-de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens,
-die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast
-zich door geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van
-de tegelijkertijd met hen levende dieren.
-
-Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen
-uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei
-hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk
-herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het
-bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die
-kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En
-men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson
-Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn
-oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den
-afdruk van een blooten menschenvoet vond.
-
-Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder
-gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden
-ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan
-is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne
-vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het
-dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van
-woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte
-artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen
-overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde
-"menschelijke" manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er
-uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het
-bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen
-toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne
-praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique,
-dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, "Assez
-intelligents pour faire le feu," [9] maar dat "ces êtres n'étaient pas
-et ne pouvaient pas être encore des hommes," [10] doch dit schijnt mij
-een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in
-tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven
-voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt,
-dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens
-op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin,
-dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen
-(de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak
-dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de
-natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van
-de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende
-steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met
-te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen
-van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke
-wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren
-deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet
-anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen,
-watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepen en afgesplinterde
-kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen
-werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt
-dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie
-wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde
-steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit
-ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst
-merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van
-het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als
-zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke "vervalschingen"
-door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.
-
-Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten
-ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene
-als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men
-niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van
-menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden,
-ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor,
-of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel
-en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer "ontdekt" en
-door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de
-echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.
-
-Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere
-voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten,
-diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst
-langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren
-het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk
-op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder
-de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden,
-dan kan men zich eenigszins een denkbeeld maken van de vele eeuwen,
-die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp
-stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met
-zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste.
-
-Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd
-opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld
-kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij
-kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die
-menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving
-(sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving.
-
-Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang
-in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet
-te miskennen.
-
-Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen
-met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten
-hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die
-ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan
-het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar
-zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen
-of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en
-fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm
-aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt
-gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen,
-messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als
-zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom,
-herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt
-dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen
-werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar
-aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatste
-gedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden,
-dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden,
-regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt
-ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en
-ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen
-werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk)
-uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als
-de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude
-perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit
-de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners,
-door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte
-steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar
-in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met
-overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier
-hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck,
-van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de
-menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop
-zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen
-leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren,
-in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde
-holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de
-bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden,
-op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen
-grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een
-dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een
-steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen
-werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst
-in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan
-ligt de slotsom voor de hand, dat op de minder koude periode, waarin
-de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote
-rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige
-waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee
-voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden
-geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de
-gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen,
-de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den
-mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen,
-waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de
-overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden.
-
-Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het
-laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den
-mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds
-grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier
-naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast
-den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot
-wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast
-spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met
-weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast
-te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als
-versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds
-beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van
-den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar
-Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel
-het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, het palaeolithicum, afgeloopen
-en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, gekomen,
-op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogte
-van ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde
-bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik
-hier dus niet verder in.
-
-Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene
-bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van
-den praehistorischen mensch zooveel leert.
-
-Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen,
-maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd,
-dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen
-zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook
-daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten
-slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader)
-los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde
-begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit
-fig. 6 en 9, die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt,
-in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond
-ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig
-blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men
-vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de
-vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte
-steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op
-een geloof aan een voortbestaan na den dood. In iets later perioden
-vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar
-derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan
-hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is
-eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd
-vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom,
-uit dergelijke gegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend
-op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen
-omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving
-dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit
-dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel
-een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van
-het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op
-een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke
-wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.--Maar
-laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied
-der speculatie verzeild raken.
-
-"Revenons à nos moutons." [11]--Keeren wij terug tot onze bespreking
-van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het
-menschelijk geslacht in 't algemeen en van bepaalde vondsten in het
-bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking:
-1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen
-worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden;
-2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke
-skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard
-der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit
-dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door
-menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij
-gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van
-het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen.
-
-Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht
-herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten
-samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringeren ouderdom,
-wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling
-van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht
-vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus,
-aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door
-middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar
-wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken
-telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave
-dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in
-'t kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie
-behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende
-groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal
-afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij
-hier de gelegenheid ontbreekt.
-
-Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort,
-waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van
-bewerking werden vervaardigd, de "vuursteen" geweest. Wel zijn zoo nu
-en dan ook andere harde steensoorten daarvoor gebruikt, en vindt men
-vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten,
-maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men
-weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van
-grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde "knollen," bij
-voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit
-het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral
-de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn
-bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van
-den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard
-voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan,
-(zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid
-waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan
-scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter en
-voorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm,
-des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men
-vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met
-de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante
-werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig
-ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst
-langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den
-vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu
-juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens
-vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door
-ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of
-krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt
-vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden
-verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden
-zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden
-dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken
-en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten
-(watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar
-ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen,
-die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu
-van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van
-andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een
-gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt
-geacht, [12] ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist
-van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het
-is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, en
-oppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen
-den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat
-regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten
-niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, door
-Rutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van
-tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg
-identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal,
-door Ribeiros beschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny van
-de Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne
-argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire
-vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men
-bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen.
-
-Rutot en zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen
-dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun
-toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten
-afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een
-beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte
-typische "eolithen" zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo
-geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere,
-hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is
-ook in de talrijke geschriften van Rutot zelf een afdoend antwoord
-niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden,
-als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit
-de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke
-vuursteenstukken worden gevonden.
-
-Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen
-heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord van Broca
-gelden, dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet
-heeft overschreden.
-
-Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende
-onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord.
-
-Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken
-op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze
-richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school
-voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en
-meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen
-opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook
-het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd,
-en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de
-plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn
-opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de "acheulien"
-periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen
-het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij
-St. Acheul. Evenzoo van de "moustérien" periode, naar de beroemde
-vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode
-typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit
-die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo
-spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d'Azil in 't
-Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij
-Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm
-aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter
-zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum,
-het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en
-overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.
-
-Maar men hoede zich, een al te groote absolute waarde aan een
-dergelijke onderverdeeling toe te kennen.
-
-Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken,
-oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der
-boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met
-groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal
-ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen
-van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden
-dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van
-een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste
-langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormen
-naast elkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier
-in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk,
-stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen
-werden vervaardigd. [13] De verdeeling naar den aard der werktuigen
-heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt
-zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke
-overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste,
-mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar
-bijvoorbeeld door Gorganovic-Kramberger op grond van het feit, dat
-met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie
-'t volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden
-opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend
-wordt, Rutot daarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen
-werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou
-ik mij met volle overtuiging aan de zijde van Kramberger plaatsen.
-
-In de volgende tabel zijn de verschillende perioden, onderafdeelingen
-van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste
-vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen
-gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke
-men met de tabel in hoofdstuk I.
-
-De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste
-onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de
-tabel opgenomen.
-
-
-TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET OUD-STEENEN TIJDPERK
-
-====================+=======================+=========================================
- GEOL. | |
- TIJDPERK | NAAM | BESCHRIJVING
-====================+=======================+=========================================
- { Tertiair | 1. Thenay | Eerste gebruik van vuursteenen als
- { ,, | 2. Cantalin | werk-tuigen, nog geen op een bepaalde
- { | (Aurillac, Cantal, | wijze gefatsoeneerde werktuigen, doch
-Eolithen { | Puy-Courny) | reeds verschillende vormen (volgens
- { ,, | 3. Kentum (plateau | Rutot "percuteurs, couteaux, racloirs,
- { | van Kent) | grattoirs, perçoirs").
- { Oudste { 4. Reutélien | Uitgezochte en reeds eenigermate
- { Quartair { 5. Mafflien | doch zonder bepaalde methode
- { 6. Mesvinien | gefatsoeneerde werktuigen van
- { 7. Strepyin | verschillenden vorm. Voor het eerst
- { | met een bepaald doel gefatsoeneerde
- { | werktuigen van bepaalden vorm.
- { 8. Chelléen | Grof geslagen, aan beide zijden met
- { | grove blussen uitgeslagen werktuigen.
- { 9. Acheuléen | Fijner geslagen werktuigen, aan beide
- { | zijden met kleine blussen uitgeslagen,
- { | verschillend van vorm.
- {10. Moustiérien | Steenen werktuigen van bepaalden
- { (grotte du | vorm, doorgaans slechts aan ééne
- Palaeolithen { Moustier) | zijde toegeslagen, of puntvormig,
- { | zoodat zij aan een lans konden
- { | worden bevestigd, of meer rond, met
- { | scherpe randen (zoogen. schrappers,
- { | racloirs, volgens de Mortillet om
- { | de huiden van gevangen dieren te
- { | bewerken). Nog geen beenen of
- { | ivoren werktuigen.
- {11. Aurignacien of | Naast fijn toegeslagen regelmatige
- { praesolutréen | steenen werktuigen vindt men de
- { | eerste sporen van bewerking van been
- { | en ivoor, en de eerste kunstuitingen.
- { | Begin van het rendiertijdperk.
- {12. Solutréen | Zuiver toegeslagen pijlpunten,
- { | laurierbladvormig of gesteeld, steenen
- { | messen en boren. Paard en rendier
- { | in talrijke overblijfselen gevonden.
- {13. Magdalénien | Prachtig bewerkte steenen wapenen
- { | en werktuigen, nog niet gepolijst.
- { | Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn
- { | met weerhaken, ivoren naalden, stijlvol
- { | geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn
- { | of ivoor, steenen messen
- { | en zagen, teekeningen op rendierhoorn
- { | of op rotswanden (grotten).
- {14. Azilien | Vermoedelijke doch slechts zeer locaal
- { | bekende overgangsperiode naar het
- { | nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum,
- { | naar het tijdperk van de gepolijste
- { | steenen werktuigen, van het
- { | aarden huisraad, de paalwoningen,
- { | de dolmen en menhirs.
-====================+=======================+=========================================
-
-
-
-
-
-
-
-
-V DE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF
-
-
- "L'homme fossile n'existe pas."
-
- Cuvier (1813).
-
-
-Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van
-den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk
-geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die
-ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen
-mensch, den homo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van
-den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis
-hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van
-ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn
-als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk
-krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit
-gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.
-
-Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft,
-vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter
-tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De
-leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch
-na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde
-dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon
-aantoonen, dat overblijfselen van een geraamte, als "homo diluvii
-testis" aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een
-reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk
-van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe
-vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die
-in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen,
-steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth
-en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen
-kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die
-beddingen zelf te onderzoeken.
-
-Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van
-overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar,
-juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en
-onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe
-er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan
-te voeren.
-
-In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende
-zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten
-ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd
-bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum,
-den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, door
-Hauser in 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste
-zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van
-het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele
-stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel
-bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En
-dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste
-der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig
-uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in
-leemgroeven of grintbeddingen bij het graven worden gevonden. En
-de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem,
-van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet
-niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a. Dr. Holwerda, die bij zijn
-zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische
-skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd),
-dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in
-onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts
-een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats
-aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.
-
-In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens
-hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner
-geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het
-begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale
-perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet
-begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten
-prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen,
-enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan.
-
-Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging
-beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner,
-en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in "abris
-sous roche," enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren
-blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van
-de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar
-eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging
-begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven
-grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden
-opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd de kans,
-dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist
-door die grafheuvels en andere bedekkingen er op opmerkzaam werd
-gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond,
-en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl
-het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de
-meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet
-niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al
-zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op
-werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde
-Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij
-het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een
-leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd
-door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn,
-eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoorde Dr. Fuhlrott van de vondst,
-doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave
-skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde
-brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel
-beter gegaan.
-
-Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde
-van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en "abris
-sous roche" voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer
-ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking
-doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen
-slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen.
-
-Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van
-gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het
-menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan
-behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker
-beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenis van dat ras
-zal kunnen construeeren. De door Boule zoo voortreffelijk bewerkte
-vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt
-zal kunnen worden.
-
-Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het
-onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft
-slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms
-zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach,
-of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote
-scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal
-nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten,
-die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar
-het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het "hersendier" bij
-uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk
-is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige
-bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende
-maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken
-met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en
-apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk
-zijn (Fig. 10).
-
-Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt
-de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd
-aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van
-den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel,
-nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp
-beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van
-den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat
-aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien
-schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder-
-en bovenkaak, van groot belang. Onder alle zoogdieren is de mensch
-het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit,
-met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden
-neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere
-volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die
-laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch
-van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk
-steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch
-het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit
-verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de
-onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor
-met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband
-staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere,
-en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. En niet
-alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch
-ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos
-werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch,
-men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te
-kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na
-te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen,
-dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog
-niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch,
-hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere
-zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de
-beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van
-de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm
-der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals
-wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en
-onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken.
-
-Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen
-betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen
-verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan
-verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende
-aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet,
-dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een
-reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht
-worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en
-lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek
-heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte
-heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op
-een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde
-streken in vroegere tijden in zwang geweest). Deze verandering blijft
-dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou,
-als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot
-geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door
-verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan
-vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden.
-
-Kortom, men tast, om eene vergelijking van Schwalbe te gebruiken, bij
-dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg
-kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand
-van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte
-onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens
-eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elke
-nieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan
-ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,--maar
-ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg
-aan zekerheid.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI DE VOORNAAMSTE ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN
-
-
- "We are far from knowing how long ago it was
- when man first diverged from the Catarine
- (Simian) Stock; but it may have occurred at an
- epoch as remote as the eocene period."
-
- Darwin. [14]
-
-
-Welke zijn nu de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen
-tusschen dier en mensch, of bestaat nog steeds de "break in the chain,"
-waarover Darwin klaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele
-menschelijke overblijfselen?
-
-Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje toegestaan,
-verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en beschrijving
-wilde geven van al de vondsten van praehistorische menschelijke
-overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming zou
-daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar
-plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen,
-en slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving
-geven, die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen
-nader tot hunne oplossing hebben gebracht. Voor een overzichtelijke
-rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde
-daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude
-vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel
-geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden
-der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn,
-bij de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te
-geven van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men
-die kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen
-beschrijft, die zich het nauwste aan de dierenwereld aansluiten,
-dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te
-eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van
-den homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.
-
-Beginnen wij dus met de meest dierlijke overblijfselen.
-
-
-1. Pithecanthropus erectus Dubois.
-
-Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel
-gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen,
-vreugde en opgewondenheid--al naarmate het standpunt, dat men tegenover
-de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch
-innam--veroorzaakt, als toen Eugene Dubois in 1893 van uit Batavia
-het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den
-mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus
-erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele
-overblijfselen--een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en
-twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en
-dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde
-aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke
-skelet, dat men hier den tusschenvorm, den "missing link" van Darwin,
-meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak
-en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd,
-maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede
-van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen,
-dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet
-tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een
-mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel
-ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend
-veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkap meer op die van
-een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten
-meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen. Dubois gaf
-daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde
-steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong
-zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader
-van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van
-latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover
-ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in
-1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologische gegevens
-door Volz, Elbert en anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met
-groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten,
-waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van
-veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen,
-waartoe Dubois ze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe,
-onafhankelijk van Volz, ook K. Martin op grond van het systematisch
-onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te
-wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te
-zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een
-menschenkies in dezelfde steenlaag.
-
-De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van den
-pithecanthropus bevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal
-te zijn, en moet volgens Volz zelfs ongeveer in het midden van
-de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I)
-gesteld worden. [15] Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk
-geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden
-menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te
-bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch
-eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus
-waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs
-naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op
-Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden.
-
-Van den "missing link" is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook
-zelfs Schwalbe, die den pithecanthropus zoo uiterst nauwkeurig
-en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de
-pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch
-volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het
-menschengeslacht aan te nemen.
-
-Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aan
-Dubois de onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar,
-deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct
-van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus
-volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan
-toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot
-welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen,
-de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en
-het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe,
-niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde
-afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die
-zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het
-menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit
-fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die
-van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit
-(d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen
-van de hersenen dus), volgens Dubois 870 c. M.3, tegen 550 c. M.3 bij
-de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3 bij den
-neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3 bij de blanke rassen,
-verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou
-volgens Dubois gelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den
-schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien,
-nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat
-met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen
-menschaap.
-
-
-2. Eoanthropus Dawsoni. In het laatst van 't jaar 1912 werd in een
-kiezelafzetting (een zoogenaamde "gravel pit") bij Piltdown in Sussex
-een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk
-wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens
-de nog eenigszins onvolledige gegevens [16] het oudste menschelijke
-overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van
-den ontdekker werd het de eoanthropus Dawson gedoopt. Niettegenstaande
-maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen
-verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving,
-van de overblijfselen door Mr. Smith Woodward gegeven, stammen de
-overblijfselen uit de "Chelléen" periode. Steenen werktuigen van het
-"Chelléen" type en overblijfselen van een hippopotamus werden in
-dezelfde laag aangetroffen.
-
-De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van
-de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit
-laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd
-worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige
-van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op
-die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak
-bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen,
-alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later
-wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek
-is afgebroken en de verdere tanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige
-tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden
-tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den
-tegenwoordigen mensch.
-
-Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud
-te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3
-te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met
-den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus
-grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de
-werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten
-bracht dan ook Dr. Smith Woodward tot de slotsom, dat wij hier met
-een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht
-bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en
-daarom door hem de eoanthropus, "het wezen staande aan den dageraad
-der menschwording" gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en
-vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu
-zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen
-als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere
-in Europa zijn gevonden. [17]
-
-
-3. De vondst van Taubach. In 1895 werden door Nehring twee menschelijke
-kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren,
-meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het
-allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve
-steenen werktuigen uit de "Chelléen" of "Acheuléen" periode en
-met overblijfselen van den elephas antiquus en den rhinoceros van
-Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was
-de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke
-oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide
-kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende
-kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt
-vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft,
-in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende
-eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een
-menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te
-kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist
-de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende
-diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het
-menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de
-soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft
-kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden
-was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van
-de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste
-menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral
-bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den
-voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de
-"tanden van Taubach" hier vermeld.
-
-
-4. Homo heidelbergensis. De onderzoekingen van Dubois op Java werden
-in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst
-belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum,
-die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap
-verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele
-onderkaak van den "heidelberger mensch" werd gevonden. En het is
-merkwaardig, dat, evenals Dubois doelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil
-was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten
-overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak
-door Schoetensack jaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het
-dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven,
-waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit
-het laatste gedeelte der tertiaire periode. Dr. O. Schoetensack,
-de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren
-een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de
-groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve
-en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en
-in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen
-konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de
-groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun
-op 't hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te
-graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten,
-zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk
-van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan
-24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was
-gevonden. Zoodoende kon Dr. Schoetensack direct na het vinden van de
-kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een
-notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats
-had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er
-bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats
-een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig
-vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze
-kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door
-geen enkelen geleerde ooit eenigen twijfel omtrent de echtheid en
-den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is door Schoetensack de kaak
-beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde
-monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving door M. Boule
-van den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch
-van la Chapelle-aux-Saints het werk van Schoetensack als een voorbeeld
-van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.
-
-Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de
-photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve
-de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder
-bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak
-werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden
-gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen
-neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat
-in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna,
-derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de
-steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in
-dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgens Rutot eolithen uit de
-"Mafflien"-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom,
-de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen
-nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór
-het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire
-periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al
-het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden,
-doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men
-vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van
-een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het
-voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in
-de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal
-massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor
-de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen
-vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij
-het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder
-gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe
-te schrijven. Het gebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke
-kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk
-vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen
-menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak
-als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde
-bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de
-vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van
-de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het
-menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.
-
-Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien, is natuurlijk
-niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel
-afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke
-kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een "missing link,"
-van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen
-overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons
-nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen
-lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij
-in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij
-de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de
-door Schoetensack beschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs.
-
-
-5. De Neanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds
-in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden
-schedel, waarvan alleen 't bovenste gedeelte, het schedeldak, is
-bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordig slechts één
-van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856
-door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden
-in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen,
-door Fuhlrott met nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste
-helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere
-fragmenten) van den ondergang gered, en door hem en Schaaffhausen
-het eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak)
-jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl
-men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten
-en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen,
-dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag,
-wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen,
-zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder,
-zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet
-zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand
-minder dan Virchow en Ranke de ban er over uitgesproken. De diluviale
-ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige
-eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de
-schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers,
-dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit
-den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in
-zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen ("neanderthaloiden") vorm
-vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van
-Blumenbach. Zoo werd aan den Neanderdal-schedel elke waarde ontzegd
-voor het probleem van de afstamming van den mensch. Volgens Virchow,
-die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den
-Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd,
-kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen
-(de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen.
-
-Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct
-als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog
-zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien,
-was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was,
-vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de
-overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren
-gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit
-dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden
-gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk
-hadden gemaakt. Toen echter in 1886 door Fraipont en Lohest in
-België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een
-aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan
-de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak van
-Fuhlrott en Schaaffhausen vertoonden, werd dit anders, en toen in 1893
-Dubois den hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten
-van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef,
-toen in de laatste jaren der 19e eeuw Schwalbe zijne klassieke
-onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen,
-was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres
-te Metz moest Virchow het helaas nog beleven, dat hij ook door de
-Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooals Klaatsch, zijn
-heftigste bestrijder, het uitdrukte, "der so lange verkannte Homo
-neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte." [18]
-
-
-6. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij de Grot van Spy in
-België door de Puydt en Lohest in 1885 [19] was in twee opzichten
-belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en
-Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden
-van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de
-daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden
-beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke
-overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende
-beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van
-gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven
-te zijn.
-
-De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth en rhinoceros tichorinus,
-en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een
-hoogen ouderdom, ongeveer in de "moustérien"-periode. De beenstukken
-zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats
-vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig
-bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken,
-het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de
-geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de
-tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde
-onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend
-dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter
-van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de
-zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en
-den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die
-ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen
-geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen
-eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke
-onderkaak, in 1866 in de grotte de la Naulette bij Dinant in België
-gevonden, en die merkwaardig was om het nagenoeg geheel ontbreken
-van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het
-achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het
-skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en
-zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren,
-groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel
-en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen
-hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch
-zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats
-kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen
-en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven
-bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te
-zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee)
-het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen
-knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst
-dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.
-
-
-
-Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van
-Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier
-verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een
-aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de
-boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van
-het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type
-vormt, aantoonen. In de eerste plaats:
-
-
-7. De vondst van Krapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een
-Hongaarsch anthropoloog, Gorjanovic-Kramberger korte mededeelingen
-gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke
-overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapina aan den oever van
-de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat
-gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het
-rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al
-met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid
-waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens
-afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde
-beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar
-was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje
-nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden,
-nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol
-terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal
-van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer
-dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten
-van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen
-wijzen, een zeer groot aantal menschelijke beenstukken gevonden, van
-9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren,
-bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17
-zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog
-met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere
-studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken,
-vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen
-krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze
-beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten,
-waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor
-de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die
-oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de
-schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in
-sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijde geziene schedeldak
-(boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk
-ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote
-holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar. Dat
-wijst dus op een sterke verbreiding van 't Neanderdalras over een
-groot deel van Europa. Maar daarnaast is 't voor het probleem, hetwelk
-ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende
-cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn,
-twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen
-als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen)
-onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op
-het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds
-langhoofdige en rondhoofdige "neandertalers." Later zullen wij
-hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen,
-dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de
-beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer
-korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken
-gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar
-aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden,
-heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet
-wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten
-door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen
-uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.
-
-
-8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype
-gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa
-werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele
-schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als de
-Gibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze
-schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 door Sollas uitvoerig
-en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het
-Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van
-den schedel, dat door de groote holle oogkassen, de zware massieve
-wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen "bestialen"
-indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige
-tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit,
-m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa,
-1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels,
-doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus
-(1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen
-schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke
-formaties herinnert.
-
-
-9. Homo Mousteriensis Hauseri. Dit skelet, in 1908 in Frankrijk
-opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap
-kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop
-het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden
-geworpen en de beteekenis er van verkleind. Een Zwitsersch handelaar
-in oudheden, O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar
-voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het
-graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem
-der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk
-skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis
-te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken
-toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en
-in Augustus van hetzelfde jaar werd door Hauser en Klaatsch in alle
-stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist
-gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen
-was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven. Hauser verkocht toen het skelet
-voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was
-zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De
-schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen
-echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid
-geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal
-stukken uiteen, en de stukken zijn toen later door Klaatsch met behulp
-van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar
-gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking
-was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor
-verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is. [20] Daarbij
-zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden
-van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai
-bewerkte steenen werktuigen uit de "moustiérien"-periode en eenige
-overblijfselen van den aueros (bos primigenius) in de omgeving van het
-skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare
-gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen
-onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst
-veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren,
-omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen
-ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele
-lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer
-16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd,
-groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak
-(type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw
-van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot
-van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande
-houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le
-Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën
-en voorovergebogen lichaam kon bewaren.
-
-
-10. l'Homme de la Chapelle-aux-Saints. Daar deze vondst, naast die
-van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte
-anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik
-de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de
-voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid
-en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel
-betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische
-gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze door M. Boule,
-den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,
-[21] kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den
-eersten rang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later
-praehistorisch-anthropologisch onderzoek.
-
-In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger
-dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie
-Roomsch-Katholieke geestelijken--in Frankrijk telt de praehistorische
-anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de
-R. K. geestelijkheid--de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in
-een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in het Corrèzedal,
-die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder
-deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet
-uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde,
-rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den
-eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een
-houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een
-aantal steenen werktuigen, in de steenlagen gevonden, waren van het
-Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort
-van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere
-dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof
-deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere
-doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel
-te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat
-het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte
-lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne
-natuurlijke ligging tegen elkaar aan. Behalve de regelmatig gevormde
-uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag,
-waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene
-boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen
-werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom
-van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden.
-
-Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer
-1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de
-ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet
-of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch,
-daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral
-de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine
-beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde "pithecoïde"
-(bij de apen terug te vinden) kenmerken.
-
-Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel,
-waarvan door Boule een voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van
-het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in
-de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover
-elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar
-natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan
-moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke
-trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer
-lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen
-verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote,
-wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend,
-de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de
-oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae,
-die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter
-verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding,
-het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft
-een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij
-geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den
-menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook
-van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat
-de hersenen omsluit, het intellectueele element, boven de kaakstreek,
-het onderste gedeelte van het gelaat, als 't ware het materieele
-element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de
-verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen
-zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.
-
-Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men
-den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een
-schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden
-menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23
-zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van
-terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange
-beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en
-kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige
-beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den
-fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een
-duidelijken indruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van
-dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan
-welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men
-denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van
-dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt,
-waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.
-
-Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel. Het is aan
-de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt,
-een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te
-vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen
-vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was,
-dat Boule door vergelijking van dit afgietsel met een reeks van
-dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid
-kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van
-dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is
-nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is,
-slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen
-mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar
-was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud
-met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.
-
-Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant
-van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van
-Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en
-menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan
-de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van
-den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen,
-of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat
-als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou
-aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een
-andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of
-zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de
-representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied,
-en door Schwalbe, Kramberger en een aantal andere anthropologen
-wordt de neanderdal-mensch als homo primigenius tot een andere
-soort gerekend dan de homo sapiens. Wij komen hierop later bij onze
-algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als
-behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la
-Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen
-vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode,
-waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw
-de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den
-voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat
-men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere
-soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke
-eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in
-den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen
-dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond
-van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de
-bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen
-vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij
-dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd,
-zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij
-lag het skelet in de voor de latere "Höckergräber" zoo typische houding
-met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel
-verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen
-liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den
-doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking,
-dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele
-duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden
-begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige
-vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een
-soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het
-graf in de richting oost-west, en een geloof in een voortbestaan
-na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode
-medegegeven wapenen.--Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit
-de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar
-het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat
-men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver
-morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil
-toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene
-slotbeschouwingen nog nader terug.
-
-
-11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den
-laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909-1910), la Pech de
-l'Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met
-stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota's die er van
-gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het
-neanderdal-ras opgedolven.
-
-
-12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter
-belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst van
-Grimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van
-Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone,
-systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door
-eenige Fransche archaeologen, met name Verneau, Boule, Villeneuve
-en vroeger door Rivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die
-allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de "aurignac"-periode
-en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde
-"Cro-magnon" type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van
-den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abt Villeneuve
-in de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de
-bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het "Cro-magnon"
-type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan
-van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder
-de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij
-gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven
-elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden
-nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype,
-zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd,
-zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch
-der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch
-met vooruitstekende kaken, platten neus, bijna geen kin en een aan
-het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat
-dit type door Verneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven,
-het "negroïde" type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide
-skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de
-beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7
-meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger
-in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het
-karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens
-de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke
-overblijfselen tot het laatste gedeelte van de "aurignac"-periode
-behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de
-"moustier"-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn
-als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel
-door latere opgaven van M. Boule gebleken, dat de ouderdom van deze
-"negroïde"-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maar er
-blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode,
-waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken
-aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die
-een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe
-voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van
-schedels. Had men van deze negroïde schedels van Verneau slechts het
-schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende
-wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier
-schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de
-kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers
-bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen
-schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in
-zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te
-zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.
-
-
-13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen
-tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen,
-houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere
-tijdperken, het Moustierium, de "acheuléen" en "chelléen" periode,
-zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de
-groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren
-schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen,
-hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde
-oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op,
-dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen,
-aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen
-wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste
-perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkelde skeletvormen naast
-meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen
-de beide typen bestaan.
-
-Vondst van Cro-magnon in Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent
-het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn
-naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in
-een "abris sous roche" daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in
-een steenlaag uit de aurignac-periode. Door Lartet, die de vondst
-nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen
-spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen,
-versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar
-oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen
-bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk,
-stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is
-typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens.
-
-Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde
-type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen
-tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en
-sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf
-uit het neolithicum), zooals die van Laugerie-Basse in Dordogne, in
-1872 door Massénat uitgegraven, van Chancelade, eveneens in Dordogne,
-in 1888 gevonden, uit de grot van Hoteaux, bij Rossillon, allen uit
-de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier
-met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen
-zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de
-afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten,
-dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus
-nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een
-schedelvorm bezat, die zich in de hoofdpunten volkomen aansloot aan
-die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras
-moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk,
-in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan
-er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen,
-die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen
-wij niet.
-
-
-14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit
-opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het
-in 1910 door Hauser en Klaatsch gevonden skelet van Combe Capelle,
-den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht
-bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm
-is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met
-hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen
-(langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou
-evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men
-nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen "homo
-aurignaciensis Hauseri," zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt
-de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk
-ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke
-gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal
-volksstammen vinden, bij de eskimo's, om in Europa te blijven, en
-wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden
-bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet,
-in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien.
-
-
-
-Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de
-verschillende vondsten afsluiten. Slechts die vondsten hebben
-wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden,
-belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie
-van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te
-schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten
-mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:
-
-Met de rendier- en bisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het
-oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der
-eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving
-ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en
-wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been,
-zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum,
-het magdalenium.
-
-Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze
-cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij
-het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het
-rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen
-het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich
-langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven
-met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende
-vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar
-overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote
-verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag,
-die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum,
-de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen-
-en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische
-overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen,
-zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is.
-
-Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij een andere geworden in
-een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van
-den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het
-grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere
-vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook
-den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd
-met de overblijvende menschen van het cro-magnon-ras ras. Zijne
-raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij
-komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen
-uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van
-een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en
-meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo
-volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor
-het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.
-
-Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en het cro-magnon-ras
-vonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus
-nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in
-het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen
-van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het
-niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie
-van buiten Europa te denken?
-
-
-
-Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den
-mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van
-belang gevonden?
-
-Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den
-pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen
-er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in
-Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn,
-maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid, die wat die
-gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men
-daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking
-van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de
-bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek
-hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid
-verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen,
-die door Noethling in Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig
-(1902) door Swinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond,
-dat zij niet in het uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen,
-zooals door Noethling was gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus
-zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn.
-
-Zoo werden door Alsberg in 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool
-in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde
-voetsporen van menschelijke wezens gevonden. Klaatsch, die deze
-voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van
-menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen
-den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. Door Branco
-werd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en door
-Noethling werden dan ook later in afgelegen streken van Australië
-in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door
-kangoeroe's waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten,
-dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als door
-Klaatsch in geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk
-zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst....
-
-Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking
-van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië
-en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche
-onderzoekers (met name Ameghino) voor tertiair worden gehouden, worden
-door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor
-quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan
-zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer
-gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure
-kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden
-dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij
-uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de
-geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die
-mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens
-omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen
-hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter,
-de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo
-is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer
-hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure
-kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel
-uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die
-door Ameghino beschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van
-den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende,
-ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus)
-te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het
-schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den
-homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd,
-zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage
-stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met
-laag, wijkend voorhoofd, door Hrdlicka beschreven, zijn ongetwijfeld
-van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken
-in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.
-
-Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van het menschelijk geslacht,
-waarvan Ameghino in de oude geologische formaties van Argentinië de
-fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo
-en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen
-houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde
-geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten,
-die door Ameghino in geologisch oude steenlagen zijn gevonden,
-en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus,
-anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel;
-van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen door
-Ameghino gegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.
-
-Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten
-bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat
-van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf,
-dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de
-praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika
-bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.
-
-Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk,
-in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige
-werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden
-geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het
-bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg
-zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen
-inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen
-denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben
-daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke
-voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie
-en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid
-hieromtrent heeft men evenwel geenszins.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII GEVOLGTREKKINGEN EN ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.
-
-
- "We must not fall into the error of supposing
- that the early progenitor of man was identical
- with, or even closely resembled, any existing
- ape or monkey." [22]
-
- Darwin.
-
-
-Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent
-het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij
-voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt
-dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die
-nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het
-gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij
-zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld
-van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen
-geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte,
-aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap,
-door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld
-van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten
-krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem
-verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te
-worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet
-te brengen? Zeer zeker niet. Het gaat met elken tak van wetenschap
-zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter
-de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich
-opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch
-het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van
-dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het
-de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans
-zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand
-wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van
-het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het
-ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een
-sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht
-wordt voorgezet. En dat is 't, wat ten slotte het wetenschappelijk
-onderzoek in discrediet zou brengen.
-
-In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe
-brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen
-met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die
-dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het
-zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de
-zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.
-
-Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks,
-d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger
-werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de
-gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde
-dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder
-de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de
-spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op
-den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de
-gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst
-waren, ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als "primaten," als
-"eerste onder de levende wezens," in een zelfde orde vereenigd. In
-den tijd van Linnaeus paste deze voorstelling geheel en al in den
-kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd
-van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch
-viel op te merken. "Simia quam similis, turpissima bestia, nobis"
-schreef Ennius [23]. Galenus bestudeerde de anatomische verhoudingen
-van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische
-daad, toen Vesalius beweren dorst, dat Galenus gefeild had in
-dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen
-uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde
-menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht,
-staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand;
-"ik moet bekennen," schreef Buffon, "dat als men slechts op den vorm
-van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch
-kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij
-aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden." De la Mettrie
-hoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen
-het spreken en goede manieren te leeren, Lord Monboddo leerde reeds,
-dat de mensch van de apen afstamt, Huxley stelde als resultaat van
-een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek,
-vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den
-gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die,
-welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds
-in 1824, onder den invloed van de theorieën van De Lamarck, Vizey
-de opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een
-Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.
-
-Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijn niet vrij te
-maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen,
-maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen,
-de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het
-meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken.
-
-Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo
-ja, met welke, of wellicht met meerdere?
-
-Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit
-zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral
-met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht,
-die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen,
-ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van
-verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgens
-Melchers (1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen
-te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde
-apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea,
-de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke
-rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband
-staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in
-Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden
-afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea's, de rondhoofdige
-alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs
-met de gibbons verwantschap zouden bezitten.
-
-Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden
-eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en
-dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder
-slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette
-ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn.
-
-Iets dergelijks zegt de door Klaatsch in de laatste jaren (na
-1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche
-herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen,
-het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen
-en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt.
-
-Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.
-
-Door Darwin is, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het
-reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften
-doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de
-dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch
-identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben
-geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig
-levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen,
-zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts
-in een verwijderd genetisch verband mede.
-
-Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende
-aapsoorten,--en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het
-meest op den mensch gelijkende menschapen--nauwkeurig bestudeeren en
-ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch,
-dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer
-gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd
-zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral
-bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen
-dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond
-steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde
-apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in
-ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het
-gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde
-voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren), en vooral met zijn zoo
-verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit,
-speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat
-men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie
-hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch
-en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch
-verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband
-staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3
-schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat
-men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig
-levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit
-een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.
-
-Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde
-wet van Dollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde
-specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm
-weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een
-zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen)
-als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van
-de andere viervoetige dieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen,
-dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen
-weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als
-wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal
-gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van
-alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders
-gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande
-houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen,
-dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van
-den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt,
-waar het eerst slechts alleen het achterste gedeelte van den romp
-droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke
-verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden,
-zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en
-slanke dijbeenderen.
-
-Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd.
-
-Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd
-gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig
-gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken
-vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke
-dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste
-menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de
-richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in
-geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld
-in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest
-primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen,
-een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de
-kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden,
-doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een
-grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de
-kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde
-apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas
-gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier
-een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral
-van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk
-gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk
-te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak
-zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter
-van de tanden en kiezen, sluit elke gedachte aan een afstamming van
-den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit.
-
-Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der
-oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een
-gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het
-vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire
-aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen,
-heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken
-stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame
-harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze
-of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht
-verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een
-andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en
-een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den
-loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende
-menschapen bracht.
-
-Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even
-doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere
-evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde
-soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de
-ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den
-loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties
-opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het
-individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale
-leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds
-vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al
-vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo
-is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en
-het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen
-een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroeg in de
-ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt
-de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en
-men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste
-teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De
-specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de
-overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst
-in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij
-de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs
-na het einde van het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds
-geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen,
-die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere
-geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan,
-zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den
-oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van
-die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen
-dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst
-recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen
-en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee,
-gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de
-oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de
-schedels van een menschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje
-van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van
-den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich
-bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter
-dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch
-met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde
-blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de
-middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van
-een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen
-orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd
-en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in
-vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.
-
-Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus
-als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der
-tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde,
-is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische
-menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch
-door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op,
-dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten
-hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de
-dierenwereld aannemen,--en dat hebben wij juist als punt van uitgang
-aangenomen--dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen,
-der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen
-wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen
-zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij
-onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen,
-die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van
-voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord
-op deze vraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen,
-noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen
-wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch
-kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting
-van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft,
-moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een "homo novus," een
-"parvenu" (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft,
-doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de
-vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni
-geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden
-van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op
-dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst
-van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte
-de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht,
-wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van
-zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de
-stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk
-geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog
-steeds een homo novus.
-
-Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van
-fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten
-betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is
-uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele
-tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van
-andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige
-tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom,
-de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende
-soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken,
-dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraan dan een of
-andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar
-zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld
-te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam
-dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken,
-in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht
-in aanmerking kunnen komen.
-
-In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat,
-zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend
-waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den
-voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten
-geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten
-van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn
-der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen.
-
-Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa
-grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder,
-dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft
-losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet
-worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke
-overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol
-begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in
-Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden,
-maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan
-zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de
-aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het
-groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte,
-is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het
-grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van
-de groote landverbinding, die in vroegere tijden tusschen Amerika en
-Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen
-ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch
-klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het
-eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan
-niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist
-die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het
-wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder
-ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage
-ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus
-in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in
-Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig
-Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het
-Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de
-bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid
-heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo's,
-ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat
-de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen,
-is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd.
-
-Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst.
-
-Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch
-rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling
-van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den
-ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden
-wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit
-de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden
-der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa
-menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen in zeer sterke mate
-dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die
-kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit
-vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten
-van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren,
-dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven,
-en er den naam "eoanthropus," "het wezen, staande aan den dageraad
-der menschwording," voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent
-den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker
-voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst
-merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk
-in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische
-pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk,
-Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het
-neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints
-het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk
-van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den
-tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor van
-Wilser, Schwalbe en zijn volgers hem als een andere menschensoort,
-den homo primigenius, den "eerstgeboren" mensch, opvatten. Daarna
-de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras,
-vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens,
-zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm,
-bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen,
-niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den
-weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten,
-voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch,
-zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele
-ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen,
-van oudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel!
-
-Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof
-tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en
-de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch,
-het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen
-van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende
-rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte,
-gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des
-Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd
-als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type,
-met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel,
-dat de pithecanthropus niet zoo oud is als Dubois meende, doch
-in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke
-vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java,
-terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is
-zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de
-inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in
-het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd
-is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het
-neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa,
-palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die
-welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden?
-
-Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen
-stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen,
-in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds
-een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten,
-die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons
-zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstuk
-van de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist
-werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus--eoanthropus--homo
-heidelbergensis--mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch)
-kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in
-genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan,
-waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat
-zij zoo geloopen heeft, wordt er niet door bewezen.
-
-Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende,
-den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende
-wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen
-ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met
-het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het
-laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam,
-dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis
-(en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo
-ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden,
-dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde
-der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van
-den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de
-minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten,
-zich niet in het einde, doch reeds in het begin der tertiaire periode
-uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der
-aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven
-aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld.
-
-Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen
-in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een
-ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude
-blootgestelde Eskimo's, Lappen, enz., zich duizenden en duizenden
-jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk
-ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste
-teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij
-steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der
-hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er
-wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in
-een warm klimaat heeft plaats gevonden.
-
-Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm,
-die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus
-moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van
-elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook
-zien gebeuren bij in een zoogenaamde "mutatie-periode" gerakende
-plantensoorten. Met "vrij snel" bedoel ik dan hier in den loop van
-weinige duizenden jaren, met "rassen" (of ondersoorten of hoe men
-dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel
-ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig
-iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van
-"hominiden," (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende,
-doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In
-den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode
-ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en
-verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als
-wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier
-als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van
-uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen,
-dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van
-het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk,
-dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt
-(vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het
-weerstand bieden aan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden
-en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is
-het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle
-verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is
-geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor
-voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar
-verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde
-apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van
-gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der
-eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden
-steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het
-Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den
-Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote
-hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo
-heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk,
-ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten,
-zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep
-in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of
-in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het
-zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van
-een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel
-nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich
-sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren
-geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode
-reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de
-eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer
-homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en
-den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den
-neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeelte van
-den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies
-van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het
-Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven
-niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen
-tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer
-werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een
-op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het
-"negroide" type van Verneau in de Grotte des Enfants bij Grimaldi,
-uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs
-zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika
-langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen
-Tunis--Sicilië--Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na
-eenigen tijd weder spoorloos verdwenen.
-
-Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere
-invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit
-Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk
-type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras
-heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het
-neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder
-vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets
-later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt;
-het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode
-maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac-
-en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het
-palaeolithicum, de "solutréen" periode en het magdalenium met zijn
-prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde
-voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger
-beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.
-
-Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het
-cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwe cultuur, die van het
-neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en
-van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van
-een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische
-cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog
-met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en
-zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten
-een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer
-vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen
-volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten,
-van uit het Zuid-Oosten aan.
-
-Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de
-afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger
-gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de
-geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver
-uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische
-perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der
-ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt
-buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden
-gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de
-ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep,
-door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke
-tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus,
-de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het
-begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend.
-
-Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming
-van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik
-niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet
-de oplossing van het probleem ons geeft, doch die door de eigenaardige
-wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet
-inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.
-
-Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde "pygmeeën" een groote
-waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch
-toeschrijft.
-
-Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing
-het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee
-feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in
-de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote
-diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als
-voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten
-optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van
-het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden
-opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich
-uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgens Kollmann nu ook
-voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen
-moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig
-levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen,
-stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel
-grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam
-"pygmeeën," dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het
-alleen maar uit het titelvignet van Stanley's in Darkest Africa) de
-dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka's, de wedda's,
-de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen
-enz., vormen volgens Kollmann's opvatting een sterk verspreid,
-op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid
-moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins
-geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in
-oude tijden, zelfs in den voorhistorischen tijd, zijn pygmeeën bekend
-geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild,
-komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de
-gebroeders Sarasin zijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische
-pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in
-verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast
-skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgens
-Kollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt,
-vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair,
-over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam.
-
-Dit brengt Kollmann nu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel,
-dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben
-ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de
-mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer
-dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst
-zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras
-der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine
-anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende
-menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan
-langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den
-oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid
-in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere
-rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in
-Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook
-de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden
-gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam
-bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces
-zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soort van atavisme,
-van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben.
-
-Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd
-en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote
-hersenmassa. Waar juist zij, volgens Kollmann, den oervorm voorstellen,
-zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog
-tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en
-kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de
-voorstelling van Kollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie
-tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als
-den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge
-en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die
-van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen
-oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts
-een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak
-van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden
-dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden
-volgens Kollmann ook de verschillende vormen van het Neanderdalras
-met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een
-divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen,
-en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen.
-
-In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware
-zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van
-waarheid, doch zij wordt door Kollmann tot het absurde doorgevoerd. Het
-is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere
-vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein,
-de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan
-de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaam ten
-naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook
-gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld
-meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit
-verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis
-duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van
-deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit,
-dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat
-ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken
-dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen
-oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit
-een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit
-zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even
-hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten
-als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden,
-dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten
-hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen
-als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide
-vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de
-geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan
-wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering van Kollmann,
-dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen,
-uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De
-kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een
-degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar
-dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den
-tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten
-eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, "aapachtige"
-kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch
-samengaan en die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de
-vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten
-tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande
-vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van
-Piltdown, den eoanthropus.
-
-Ook is de geheele voorstelling van Kollmann, volgens welke de pygmeeën
-de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan,
-niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op
-geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen,
-ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur
-omgeven, brengt hun veeleer in verband met de "Kümmerrassen," die
-wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren,
-zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein,
-scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort
-zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies,
-dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de
-eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan
-in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste
-poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel
-meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De
-dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van
-normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens
-normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen
-afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één
-kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.
-
-Zoo heeft dus de voorstelling van Kollmann weinig waarschijnlijkheid
-op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor
-op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen.
-
-Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De
-taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is
-afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de
-vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht
-geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de
-laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld
-heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren,
-daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe
-vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder
-twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om
-ons heen ons stelt, zullen verschaffen.
-
-Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier
-behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den
-onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar
-dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke
-voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog
-voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons
-afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk
-organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit
-een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor
-zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen,
-die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben
-moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een "voorpoot,"
-langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren
-eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand,
-zooals wij die nu bezitten.
-
-Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den
-voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig
-werd, zich ophief, verloor het hart in dezen nieuwen stand zijn
-steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus
-een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu
-weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk
-lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke
-eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.
-
-Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het
-bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische
-afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te
-noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en
-haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen.
-
-Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van het menschelijk
-lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de tertiaire periode
-met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat nu zelfs nog
-verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording moet hebben
-plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de "voormensch"
-zijn boomleven moest opgeven en meer en meer zich aan een leven op
-den beganen grond moest aanpassen. Verschillende eigenaardigheden van
-den bouw van den menschelijken voet in vergelijking met dien van de
-apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. Ja, men hoort zelfs spreken
-van een "paradijsachtigen oertoestand," waarin de voormenschen moeten
-hebben verkeerd, en het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer
-het wonderschoon verhaal van de schepping van den mensch in Genesis
-in de gedachten roept. In verband met het leven op den beganen grond
-moet den voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van
-de jacht leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te
-verschaffen en in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest
-scherpte, zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging gebruiken,
-enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer verschillende
-veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder spijsverteringskanaal
-gepaard, kortom, het geheele organisme van den mensch zouden wij in
-verband met zijne afstamming, zijne wordingsgeschiedenis, kunnen
-beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik hier echter onbesproken
-laten, en volstaan met er op te wijzen, dat slechts het onderzoek
-naar de afstamming van den mensch ons er toe brengt, ook deze vragen
-te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt uit, het menschelijk
-lichaam te onderzoeken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VERKLARINGEN [25]
-
-
-Pag. 36: Assez intelligents pour faire le feu = begaafd genoeg om
-vuur te kunnen maken.
-
-Pag. 37: Ces êtres n'étaient pas, etc. = (dat) deze geen menschen
-waren en dit nog niet konden zijn.
-
-Pag. 44: "Revenons à nos moutons" = om op ons onderwerp terug te komen.
-
-Pag. 78: "Der so lange verkannte Homo neanderthalensis" etc. = (dat)
-"de zoo lang miskende "neanderthaler mensch" zijn wetenschappelijke
-opstanding vierde."
-
-Pag. 106: Aanhaling van DARWIN: "Wij moeten niet in de dwaling
-vervallen van te veronderstellen, dat de oorspronkelijke verwekker
-van den mensch identiek was met, of zelfs maar van nabij geleek op
-eenige bestaande apensoort."
-
-Pag. 108: "Simia quam similis, turpissima bestia, nobis" = Hoeveel
-de aap ook op ons gelijken mag, blijft hij toch het leelijkste beest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUDSOPGAVE.
-
-
- Hoofdstuk Pag
-
- Voorwoord V
- I Ontwikkelingsgang der levende natuur 1
- II De plaats van den mensch in dit
- ontwikkelingsproces 15
- III De postpliocaene ijstijd in Europa 25
- IV Ouderdom der menschelijke overblijfselen 35
- Tabel van de onderverdeelingen van het
- oud-steenen tijdperk 52
- V De overblijfselen van den voorhistorischen
- mensch zelf 54
- VI De voornaamste anthropologische vondsten 63
- VII Gevolgtrekkingen en algemeene beschouwingen 106
-
- Verklaringen 145
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Alles wat is, kan slechts juist beoordeeld worden, als men weet,
-hoe het geworden is.
-
-[2] In de eerlang in de W.B. verschijnende monographie van Prof. Jonker
-over "het ontstaan der Aarde" zal de lezer meer uitvoerige en
-gedetailleerde gegevens over dit onderwerp vinden. Hier kan ik slechts
-eenige der hoofdpunten aanroeren.
-
-[3] Zooals de door Cayeux beschreven praecambrische radiolariën.
-
-[4] In den laatsten tijd zijn er ook reeds overblijfselen van
-laagstaande dieren, die evenwel volgens de auteurs al tot verschillende
-groepen zouden behooren, in enkele gesteenten van de azoïsche periode
-door een aantal onderzoekers beschreven. Dat juist op dit gebied nog
-veel onzekerheid heerscht, en het nieuwere onderzoek telkens andere
-feiten aan het licht brengt, behoeft ons, de moeilijkheden van dit
-gebied in aanmerking genomen, niet te verwonderen. Het is hier niet
-de plaats, hierop verder in te gaan.
-
-[5] De mensch draagt in zijne lichaamsvormen nog steeds den
-onuitwischbaren stempel van zijn lagen afkomst.
-
-[6] Vierde druk 1908. Tübingen. H. Laupp.
-
-[7] Herkenbaar aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen,
-die bij de menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van
-eenzelfde hol werden gevonden.
-
-[8] De tertiaire mensch staat nog slechts op den drempel van het
-gebouw der wetenschap.
-
-[9] Zie achterin.
-
-[10] Zie achterin.
-
-[11] Zie achterin.
-
-[12] Men vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd.
-
-[13] Zelfs in den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel
-steenen pijlpunten gebruikt.
-
-[14] Wij weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is,
-dat de mensch zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan
-zelfs zoo lang geleden zijn als de eocaene periode.
-
-[15] Ook dit wordt echter weer tegengesproken, door Dubois zelf en
-door een Engelsch anthropoloog van groote autoriteit, Arthur Keith,
-die in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de
-pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig
-schijnt mij echter de opvatting van Volz en Martin op degelijker
-gronden te berusten.
-
-[16] De inmiddels door Dawson en Smith Woodward gepubliceerde
-uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel
-omtrent de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat
-betreft den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst
-primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel
-altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben beoordeeld.
-
-[17] Zooals echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels
-verschenen uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen
-twijfel bestaan aan de juistheid dezer voorloopige opgaven van
-Dr. Smith Woodward.
-
-[18] Zie achterin.
-
-[19] Door Fraipont en Lohest in 1886 beschreven.
-
-[20] Volgens de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten
-tijd een beter gipsafgietsel van vervaardigd.
-
-[21] M. Boule. l'Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de
-Palaeontologie 1913. blz. 1-278. 101 afbeeldingen.
-
-[22] Zie hierachter.
-
-[23] Zie hierachter.
-
-[24] De verantwoordelijkheid voor de samenstelling van dit Register
-berust bij de Redactie W. B.
-
-De eigennamen staan cursief.
-
-[25] Deze verklaringen zijn van de Redactie der W.B.
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's De afstamming van den mensch, by J. Boeke
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH ***
-
-***** This file should be named 54227-8.txt or 54227-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/4/2/2/54227/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
diff --git a/old/54227-8.zip b/old/54227-8.zip
deleted file mode 100644
index 4bc5907..0000000
--- a/old/54227-8.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h.zip b/old/54227-h.zip
deleted file mode 100644
index 3eeed06..0000000
--- a/old/54227-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/54227-h.htm b/old/54227-h/54227-h.htm
deleted file mode 100644
index 0420409..0000000
--- a/old/54227-h/54227-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,7915 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
-"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2017-02-23T21:04:37Z. -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta name="generator" content=
-"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
-<title>De afstamming van den mensch</title>
-<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii">
-<meta name="generator" content=
-"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Jan Boeke (1874&ndash;1956)">
-<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href=
-"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Jan Boeke (1874&ndash;1956)">
-<meta name="DC.Title" content="De afstamming van den mensch">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="Darwinism">
-<meta name="DC:Subject" content="Evolution">
-<meta name="DC:Subject" content="Humans">
-<style type="text/css">
-body {
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-font-size: 100%;
-line-height: 1.2em;
-text-align: left;
-}
-.div0 {
-padding-top: 5.6em;
-}
-.div1 {
-padding-top: 4.8em;
-}
-.div2 {
-padding-top: 3.6em;
-}
-.div3, .div4, .div5 {
-padding-top: 2.4em;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument
-{
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-padding-top: 2.4em;
-padding-bottom: 1.6em;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.abbr {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-sup {
-line-height: 6pt;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-height: 1px;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-width: 45%;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5em;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-line-height: 1em;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.40em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.71em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0em 0.05em 0 0;
-padding: 0px;
-line-height: 0.8em;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.advertisment {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-a.noteref, a.pseudonoteref {
-font-size: 80%;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .label, .par.footnote .label {
-float: left;
-width: 2em;
-height: 12pt;
-display: block;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0%;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0%;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.indextoc {
-text-align: center;
-}
-.transcribernote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.correctiontable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0% 7em 0%;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 3.5em;
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em 0% 2em 0%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0% 0em 0%;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTop, .figBottom {
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0px solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
-border-top: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
-border-right: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
-border-top: 1px solid black !important;
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
-border-right: 1px solid black !important;
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
-border: 1px solid black !important;
-}
-tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
-border-top: none !important;
-}
-tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
-border-right: none !important;
-}
-tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
-border-left: none !important;
-}
-tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
-border-top: none !important;
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
-border-right: none !important;
-border-left: none !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
-border: none !important;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0px solid black !important;
-width: 1em;
-}
-td.alignDecimalIntegerPart {
-text-align: right;
-border-right: none !important;
-padding-right: 0 !important;
-margin-right: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalFractionPart {
-text-align: left;
-border-left: none !important;
-padding-left: 0 !important;
-margin-left: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalNotNumber {
-text-align: center;
-}
-span.ditto {
-display: inline-block;
-vertical-align: middle;
-text-align: center;
-}
-span.ditto span.s {
-height: 0;
-visibility: hidden;
-line-height: 0;
-}
-span.ditto span.d {
-display: block;
-text-align: center;
-line-height: 8pt;
-}
-span.ditto span.i {
-position: relative;
-top: -2px;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pagenum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-}
-.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink {
-background-repeat: no-repeat;
-background-position: right center;
-}
-.pglink {
-background-image: url(images/book.png);
-padding-right: 18px;
-}
-.catlink {
-background-image: url(images/card.png);
-padding-right: 17px;
-}
-.exlink, .wplink, .biblink, .seclink {
-background-image: url(images/external.png);
-padding-right: 13px;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, .h1 {
-padding-bottom: 5em;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
-{
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteref:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}.pagenum, .linenum {
-speak: none;
-}
-</style>
-
-<style type="text/css">
-.rowspan {
-vertical-align: middle;
-}
-#adheyenbrock .divBody, #adploeg .divBody {
-border: 1px solid black;
-padding: 20pt;
-text-align: center;
-}
-.adTitle {
-font-size: large;
-}
-.adCat {
-font-size: medium;
-display: inline-block;
-}
-.adDesc, .adReview {
-font-size: small;
-padding-left: 2em;
-}
-.adReviewer {
-font-size: small;
-text-align: right;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd24e325
-{
-text-align:left;
-}
-.xd24e326
-{
-text-align:right;
-}
-.xd24e109width {
-width:474px;
-}
-.xd24e115width {
-width:481px;
-}
-.xd24e135
-{
-font-size:large;
-}
-.xd24e139
-{
-text-align:center;
-}
-.xd24e146width {
-width:473px;
-}
-.xd24e162width {
-width:478px;
-}
-.xd24e214
-{
-text-align:right;
-}
-.xd24e217 {
-background: url(images/initial-w.png) no-repeat top left;
-}
-.xd24e217init {
-float: left;
-width: 110px;
-height: 105px;
-background: url(images/initial-w.png) no-repeat;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd24e321width {
-width:720px;
-}
-.xd24e410width {
-width:149px;
-}
-.xd24e416
-{
-font-size:small;
-}
-.xd24e530
-{
-padding-left:2em;
-}
-.xd24e568 {
-background: url(images/initial-s.png) no-repeat top left;
-}
-.xd24e568init {
-float: left;
-width: 110px;
-height: 105px;
-background: url(images/initial-s.png) no-repeat;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd24e631width {
-width:149px;
-}
-.xd24e641 {
-background: url(images/initial-i.png) no-repeat top left;
-}
-.xd24e641init {
-float: left;
-width: 110px;
-height: 105px;
-background: url(images/initial-i.png) no-repeat;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd24e691width {
-width:617px;
-}
-.xd24e816width {
-width:462px;
-}
-.xd24e821width {
-width:149px;
-}
-.xd24e853width {
-width:401px;
-}
-.xd24e913width {
-width:563px;
-}
-.xd24e923width {
-width:585px;
-}
-.xd24e955width {
-width:720px;
-}
-.xd24e964width {
-width:630px;
-}
-.xd24e1035width {
-width:376px;
-}
-.xd24e1177width {
-width:149px;
-}
-.xd24e1194 {
-background: url(images/initial-h.png) no-repeat top left;
-}
-.xd24e1194init {
-float: left;
-width: 110px;
-height: 100px;
-background: url(images/initial-h.png) no-repeat;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd24e1240width {
-width:618px;
-}
-.xd24e1261width {
-width:595px;
-}
-.xd24e1273width {
-width:149px;
-}
-.xd24e1297width {
-width:665px;
-}
-.xd24e1355width {
-width:588px;
-}
-.xd24e1501width {
-width:478px;
-}
-.xd24e1514width {
-width:709px;
-}
-.xd24e1526width {
-width:358px;
-}
-.xd24e1649width {
-width:626px;
-}
-.xd24e1670width {
-width:362px;
-}
-.xd24e1724width {
-width:600px;
-}
-.xd24e1729width {
-width:651px;
-}
-.xd24e1747width {
-width:571px;
-}
-.xd24e1767width {
-width:718px;
-}
-.xd24e1776width {
-width:690px;
-}
-.xd24e1809width {
-width:671px;
-}
-.xd24e1854width {
-width:641px;
-}
-.xd24e2017 {
-background: url(images/initial-g.png) no-repeat top left;
-}
-.xd24e2017init {
-float: left;
-width: 110px;
-height: 107px;
-background: url(images/initial-g.png) no-repeat;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd24e2122width {
-width:342px;
-}
-.xd24e2135width {
-width:502px;
-}
-.xd24e2306width {
-width:149px;
-}
-.xd24e5602width {
-width:149px;
-}
-.xd24e5712width {
-width:149px;
-}
-.xd24e5718
-{
-font-size:xx-large;
-}
-.xd24e5740
-{
-text-align:left;
-}
-.xd24e5781
-{
-font-size:x-large;
-}
-.xd24e5804
-{
-font-weight:bold;
-}
-.xd24e5813
-{
-font-size:small;
-}
-.xd24e6158
-{
-border:4px solid black; margin:2em; padding:2em;
-}
-.xd24e6161
-{
-text-align:center;font-size:large;
-}
-@media handheld
-{
-.xd24e217 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd24e217init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd24e568 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd24e568init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd24e641 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd24e641init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd24e1194 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd24e1194init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd24e2017 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd24e2017init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-}
-</style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-The Project Gutenberg EBook of De afstamming van den mensch, by J. Boeke
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: De afstamming van den mensch
- Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt
-
-Author: J. Boeke
-
-Release Date: February 23, 2017 [EBook #54227]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ASCII
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd24e109width"><img src="images/cover.jpg" alt=
-"Oorspronkelijke voorkant (omslag)." width="474" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd24e115width"><img src="images/frontcover.jpg" alt=
-"Oorspronkelijke voorkant." width="481" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="byline">PROF. D<sup>R</sup>. J. BOEKE</div>
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH</div>
-<div class="subTitle">MET 27 TEKSTFIGUREN, REGISTER EN EENIGE
-VERKLARINGEN</div>
-</div>
-<div class="docImprint">WERELDBIBLIOTHEEK</div>
-</div>
-<div class="div1 dedication"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd24e135">DE AFSTAMMING<br>
-VAN DEN MENSCH</p>
-<p class="par xd24e139">Aan de nagedachtenis van mijn vader zij dit
-boekje in eerbiedige herinnering opgedragen door</p>
-<p class="par xd24e139">DEN SCHRIJVER.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd24e146width"><img src="images/series-title.jpg"
-alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="473" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="seriesTitle">WERELD BIBLIOTHEEK</div>
-</div>
-<div class="byline"><span class="sc">Onder leiding van L.
-Simons</span></div>
-<div class="docImprint">UITGEGEVEN DOOR: DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
-GOEDKOOPE LECTUUR&middot;AMSTERDAM</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"></p>
-<div class="figure xd24e162width"><img src="images/titlepage.jpg" alt=
-"Oorspronkelijke titelpagina." width="478" height="720"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="byline">P<sup>ROF</sup>. D<sup>R</sup>. J. BOEKE</div>
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH</div>
-<div class="subTitle">NAAR VOORDRACHTEN IN POPULAIR-WETENSCHAPPELIJKEN
-VORM BEWERKT</div>
-</div>
-<div class="docImprint">MET 27 TEKSTFIGUREN, REGISTER EN EENIGE
-VERKLARINGEN</div>
-</div>
-<div class="div1 note"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd24e139">Dit werk maakt een onderdeel uit van onze
-serie <b>ENCYCLOPAEDIE</b> in <b>MONOGRAFIE&Euml;N</b></p>
-</div>
-</div>
-<div id="voorwoord" class="div1 preface"><span class=
-"pagenum">[<a href="#xd24e5618">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORWOORD</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Dit boekje vindt zijn oorsprong in een reeks van
-voordrachten over het afstammingsvraagstuk, in den winter 1912&ndash;13
-in &bdquo;Ons Huis&rdquo; in Rotterdam gehouden. Op verzoek van den
-uitgever heb ik ze iets omgewerkt en er een aaneengesloten geheel van
-gemaakt. Men zoeke er geen wetenschappelijk betoog in. De vakman zal er
-wellicht veel in missen, wat hem belangrijk voorkwam. Mijn doel bij het
-schrijven van dit werkje was slechts, een voor den ontwikkelden leek
-begrijpelijk overzicht te geven van wat men tegenwoordig onder het
-afstammingsvraagstuk verstaat, van de feiten, die men heeft kunnen
-verzamelen en de theorie&euml;n, die men aan die feiten heeft
-vastgeknoopt. Mijn streven was, niet, zooals zoo dikwijls in populaire
-geschriften juist over dit vraagstuk geschiedt, een volledig
-geconstrueerd beeld te geven van de afstamming van den mensch, zooals
-de schrijver van zulk een boekje zich die toevallig denkt, maar te
-laten zien, hoe weinig men er eigenlijk aan positieve feiten over weet,
-en welke beschouwingen zich aan die weinige feiten laten vastknoopen.
-Het boekje moge daardoor aan samenhang en duidelijkheid verloren
-hebben, aan eerlijkheid heeft het er wellicht door gewonnen.</p>
-<p class="par signed">Leiden, Augustus 1913. J. BOEKE. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name="pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5627">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">I</span> ONTWIKKELINGSGANG DER
-LEVENDE NATUUR</h2>
-<div class="epigraph">
-<p lang="de" class="par first">&bdquo;Jedes sein wird nur durch sein
-werden erkannt.&rdquo;<a class="noteref" id="xd24e211src" href=
-"#xd24e211" name="xd24e211src">1</a></p>
-<p class="par xd24e214"><span class="ex">Haeckel.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par xd24e217"><span class="xd24e217init">W</span>anneer wij
-de natuur om ons heen aandachtig beschouwen, en ons rekenschap geven
-van hetgeen hare verschillende elementen, hare bergreeksen, ravijnen en
-bergmeren, hare lage landen, hare wouden, zandvlakten, zee&euml;n,
-koraalriffen, ons te zeggen hebben, dan ontrolt zich voor ons een beeld
-van immer wisselende verandering, van worden en vergaan, van
-ontplooiing, van <span class="ex">evolutie</span>, een beeld dat ons
-met diep ontzag vervult voor de geweldige natuurkrachten, die deze
-veranderingen tot stand brengen en beheerschen. Wij zien, hoe
-bergreeksen zich verheffen door rimpeling van het aardoppervlak om de
-door afkoeling kleiner wordende kern, hoe tengevolge van plaatselijke
-langzame daling van den bodem geheele landstreken weder door water
-worden bedekt, hoe geheele bergtoppen door de zwaarte van daaroverheen
-schuivende gletschers worden af geslepen, hoe diepe dalen door de
-waterstroomen allengs worden uitgegraven en de afgeslepen slib elders
-als langzaam verhardende klei- en steenlagen wordt afgezet.
-<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" name=
-"pb2">2</a>]</span></p>
-<p class="par">Met die veranderingen van de aarde zelf, die zich over
-een bijna oneindig schijnend geweldig lang tijdsverloop uitstrekken, en
-die men naar aanleiding van bepaalde, sterk op den voorgrond tredende
-veranderingen in bepaalde tijdperken, &bdquo;perioden,&rdquo; pleegt te
-verdeelen, gaan nu wisselingen van het klimaat en van de dieren- en
-plantenwereld hand in hand. En zoo kan men ook in de wereld der levende
-wezens bepaalde tijdperken of perioden onderscheiden, waarbij in elk
-dergelijk tijdperk van ontwikkeling een eigenaardig karakter van de
-flora en fauna op den voorgrond treedt, het bepaalt.</p>
-<p class="par">Zeer in het kort<a class="noteref" id="xd24e227src"
-href="#xd24e227" name="xd24e227src">2</a> kan men dezen geheelen
-ontwikkelingsgang als volgt schetsen: nadat de aarde door langzame
-afkoeling een vaste harde steenkorst aan hare oppervlakte had gevormd,
-nadat na verdere geleidelijke afkoeling zich op die vaste korst water
-had gevormd en dit eene temperatuur verkregen had, waarbij het leven
-mogelijk was, ontstonden de eerste levende wezens, op de grens van
-planten- en dierenrijk staande. Men moet ten minste wel aannemen, dat
-het leven bij zijn ontstaan aan dergelijke vormen gebonden was, waar
-men ziet, dat de eerste levende wezens, die uit die alleroudste
-perioden hunne sporen in versteeningen hebben achtergelaten, uiterst
-kleine eencellige organismen<a class="noteref" id="xd24e233src" href=
-"#xd24e233" name="xd24e233src">3</a> zijn. <i>Hoe</i> deze eerste
-levende wezens zijn ontstaan, is ons, dit zij hier terloops opgemerkt,
-nog volkomen een raadsel, en het zal dit wel altijd voor ons blijven.
-Waar het levensbeginsel zelf, de ondoorgrondelijke, eeuwige, goddelijke
-drang in de natuur, die tot evolutie, tot ontplooien van alle krachten,
-<span class="pagenum">[<a id="pb3" href="#pb3" name=
-"pb3">3</a>]</span>tot aanpassen, tot strijden, tot instandhouding en
-volmaken van de soort dwingt, voor ons steeds ondoorgrondelijk zal
-blijven, waar dit buiten het bereik der wetenschap ligt, daar zal de
-vraag, hoe, op welke wijze dat leven ontstaan is, eveneens een niet op
-te lossen raadsel blijven, waartegenover wij machteloos staan.</p>
-<p class="par">Maar wel zullen wij de overblijfselen van de eenmaal
-gevormde organismen, zoo zij in de aardlagen zijn bewaard, kunnen
-herkennen, en kunnen vaststellen, wanneer en in welken vorm die levende
-wezens zich voor het eerst op aarde hebben vertoond, en hoe zij zich in
-daaropvolgende perioden der aardontwikkeling hebben voorgedaan. En zijn
-zij nu eenmaal opgetreden, dan zien wij hen wel al direct in een aantal
-vormen van uiteenloopende gedaante en groepeering, doch tevens, naar
-mate wij jongere formaties nagaan, in hoe langer hoe volkomener vorm,
-in hoe langer hoe meer wisselende gedaante en veelzijdige ontwikkeling,
-steeds meer doelmatig en beter toegerust voor den strijd om het
-bestaan, zich vertoonen.</p>
-<p class="par">En wij zien dan tevens, hoe, al gaat bij de regelmatig
-voortgaande afkoeling van onze planeet ook de ontwikkeling van de aarde
-steeds haren geleidelijken, rustigen, geregelden gang, toch bepaalde
-veranderingen van de aardkorst met zeer bepaalde en over de geheele
-aarde optredende veranderingen van de planten- en dierenwereld
-samengaan, zoodat de straks reeds genoemde tijdperken kunnen worden
-onderscheiden, waarin het karakter van het aardoppervlak, de planten
-die het bedekten, de dieren die er zich op bewogen, scherp omschreven
-eigenaardige kenmerken vertoonden. Dit leeren ons de versteende en in
-dien vorm bewaard gebleven overblijfselen van dieren en planten uit die
-verschillende perioden, en zoo algemeen, zoo overal wederkeerend is dit
-verschijnsel, zoo zeker vinden wij altijd de overblijfselen van
-dezelfde vormen in aardlagen en gesteenten <span class=
-"pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>van een
-bepaalde, zelfde periode ingesloten, dat wij aan den anderen kant juist
-de aanwezigheid van bepaalde versteeningen, de zoogenaamde
-&bdquo;gidsfossielen&rdquo; in de een of andere aardlaag of in een of
-ander gesteente gebruiken om daaruit den vermoedelijken ouderdom van
-die aardlaag of gesteenten te kunnen berekenen.</p>
-<p class="par">In die aardlagen, die tot harden steen saamgeperste
-massa&rsquo;s, zien wij nu de overblijfselen van dieren en planten
-steeds hooger georganiseerd, steeds meer samengesteld van bouw worden,
-naarmate jongere formaties worden onderzocht. Op de oudste steenlagen
-der <span class="ex">azo&iuml;sche periode</span>, waarin wij nog geen
-met zekerheid als zoodanig herkenbare sporen van levende wezens kunnen
-aantoonen&mdash;al is het ook zeker, dat er toen reeds leven op aarde,
-zoowel in het water als in de toen bestaande, uit de sedimentaire
-afzettingen dier perioden herkenbare landformaties bestond<a class=
-"noteref" id="xd24e258src" href="#xd24e258" name=
-"xd24e258src">4</a>&mdash;volgen in langzamen overgang de oudste lagen
-der <span class="ex">palaeozo&iuml;sche periode</span>, zooals in de
-eerste plaats het <i>cambrium</i> met zijne overblijfselen van laag
-georganiseerde ongewervelde dieren, zijn zeewieren, zijn rijkdom aan in
-groote vormverscheidenheid optredende maar over het algemeen nog
-slechts tot een geringen graad van ontwikkeling gekomen waterbewoners
-en ongewervelde landdieren, dan het <span class="ex">silurium</span>
-met de eerste sporen van visschen (van hooger georganiseerde gewervelde
-waterdieren dus) en zijne reeds door tot verschillende groepen
-behoorende <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name=
-"pb5">5</a>]</span>ongewervelde landdieren gekenmerkte uitgebreide
-vastelandformaties, en het <span class="ex">steenkolentijdperk</span>
-met zijn verdere landvorming, zijn uiterst weelderigen plantengroei,
-uit welk tijdperk de als steenkolen bekende afzettingen getuigenis
-afleggen van de uiterst rijke verscheidenheid van vormen, zoo van
-dieren als planten, die toen ter tijde de aarde bevolkten, en van het
-warme, tropische klimaat, dat gedurende dat tijdperk van ontwikkeling
-over de geheele aarde (ook in de poolstreken zijn steenkoolbeddingen
-met overblijfselen van tropische planten gevonden) heerschte. Met het
-steenkolentijdperk, waarin de varens, de wolfsklauwachtige planten, de
-vaatkryptogamen, hun hoogste ontwikkeling bereikten, en in reusachtige
-vormen en dichte wouden de aarde bedekten, eindigt het
-palaeozo&iuml;cum.</p>
-<p class="par">Terwijl de aarde geleidelijk afkoelt, de temperatuur
-lager, het klimaat minder tropisch wordt, terwijl het water meer en
-meer voor groote vastelanden plaats maakt, verandert in aansluiting
-hieraan ook weer het karakter van dieren- en plantenwereld. Na het
-<span class="corr" id="xd24e278" title=
-"Bron: palaeozoicum">palaeozo&iuml;cum</span> onderscheiden wij de
-<span class="ex">tweede</span> periode, het <span class=
-"ex">mesozoicum</span>, de &bdquo;middeleeuwen&rdquo; van de
-ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur. In verband met de vorming
-der groote vastelanden, zien we de landfauna vooral zich sterk
-ontwikkelen. Landslakken, op het land levende gelede dieren,
-laagstaande viervoetige gewervelde dieren worden in de steenlagen dezer
-periode aangetroffen naast overblijfselen van naaldboomen, sagopalmen
-enz.; in dit tijdperk bereiken de kruipende dieren, de reptielen, de
-hagedisachtigen, hun hoogste ontwikkeling, en worden in de reusachtige
-vormen (brontosaurus bijv.) aangetroffen, die ieder wel uit
-afbeeldingen of uit hun kolossale geraamten in verschillende musea
-kent. Naast deze reusachtige hagedisachtige dieren, die toen de aarde
-bevolkten, zien wij in de tweede aardperiode <span class=
-"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span>de eerste
-sporen van zoogdieren optreden en ook de eerste vogels zien wij, in nog
-sterk aan de kruipende dieren herinnerende vormen, verschijnen.</p>
-<p class="par">Doch eerst in de afzettingen uit de derde periode, het
-<span class="ex">tertiaire</span> tijdperk, het <span class=
-"ex">neozoicum</span>, de periode, die het begin van den nieuwen tijd
-in de geschiedenis der natuur inaugureert, zien wij de overblijfselen
-van zoogdieren in een groote verscheidenheid van groepen en soorten uit
-de hen omhullende steen- en zandlagen te voorschijn treden, zien wij op
-de palmen, de varens, de naaldboomen en de reusachtige sauri&euml;rs
-der tweede periode volgen de loofplanten en de hoogere palmen, de
-groote zoogdieren in hun hoogste ontwikkeling en
-verscheidenheid,&mdash;zien wij ook de vastelanden, de werelddeelen der
-mesozoische periode, door toenemende schrompeling en rimpeling van het
-langzaam afkoelende aardoppervlak gedeeltelijk weder onder den
-zeespiegel verdwijnen, om plaats te maken voor nieuwe werelddeelen,
-voor een nieuwe verdeeling van land en water, totdat langzamerhand de
-aardoppervlakte het uiterlijk verkrijgt, zooals wij dat in den tijd,
-waarin wij nu leven, kennen.</p>
-<p class="par">Aan het einde dier derde geologische periode, bij den
-overgang naar de laatste periode, de <span class="ex">vierde</span>,
-die waarin wij nu nog leven, zien wij nu een juist voor de
-ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch uiterst merkwaardig tijdperk
-komen, dat der postpliocaene <span class="ex">ijstijden</span>, of in
-het kort samengevat, den <i>ijstijd</i>, de <i>glaciale
-periode</i>.</p>
-<p class="par">Over dezen term &bdquo;postpliocaene ijstijden&rdquo;,
-even een enkel woord.</p>
-<p class="par">Zooals later nog wel ter sprake zal komen, heeft men in
-den laatsten tijd duidelijke sporen kunnen vinden van sterke
-afkoelingsperioden uit een veel vroeger geologisch tijdperk, na het
-steenkolentijdperk, waarbij het in sommige streken ook reeds tot het
-vormen van ijs moet gekomen zijn. Vandaar dat hier niet, zooals
-<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name=
-"pb7">7</a>]</span>men placht te doen, van &bdquo;de ijstijd&rdquo;,
-maar van den postpliocaenen ijstijd gesproken wordt.</p>
-<p class="par">Over de geheele aarde wordt de gemiddelde temperatuur
-lager, worden de winters langer en strenger, de zomers korter, tot
-zich, van de poolstreken uit, de alle leven vernietigende ijskorst
-verder en verder naar het Zuiden, dieper en dieper van de hooge bergen
-tot in de minder koude dalen afdalende, uitbreidt. Zoo wordt het
-grootste gedeelte van Noord- en West-Europa met dikke, soms
-kilometerdikke ijsmassa&rsquo;s bedekt. Slechts de zuidelijke streken,
-vooral Zuid- en West-Frankrijk en Belgi&euml; blijven vrij (men
-vergelijke het kaartje van Fig. 1); wij zullen later zien, van hoeveel
-belang dit voor de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch is
-geweest.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e321width" id="fig01"><img src=
-"images/fig01.jpg" alt="" width="720" height="607">
-<p class="par first">Fig. 1. De uitbreiding van de groote gletschers in
-Europa ten tijde van de glaciale periode.</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="xd24e325 cellLeft cellTop">I</td>
-<td class="xd24e326 cellRight cellTop">Grootste uitbreiding der
-gletschers.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd24e325 cellLeft">II</td>
-<td class="xd24e326 cellRight">Groote baltische gletscher.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="xd24e325 cellLeft cellBottom">III</td>
-<td class="xd24e326 cellRight cellBottom">Aral-Kaspisch
-waterbekken.</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Men moet volstrekt niet denken, dat deze afkoeling zich
-tot Europa alleen beperkte, evenmin als wij den gang van zaken ons zoo
-moeten voorstellen, dat zich aan het einde der tertiaire periode voor
-het eerst een dergelijke afkoeling van het oppervlak der aarde
-vertoonde. Neen, waarschijnlijk keeren dergelijke afkoelingen van de
-aarde (vermoedelijk tengevolge van astronomische oorzaken) na geregelde
-tusschenpoozen van ongeveer 50.000 jaar weder terug, en wij zien alleen
-den eersten meer algemeenen <span class="ex">ijstijd</span> aan het
-einde der tertiaire periode optreden, omdat toen eerst de aarde
-voldoende was afgekoeld, om het mogelijk te maken dat de geringe daling
-van de gemiddelde jaartemperatuur tot het vormen van een ijskorst van
-groote uitgebreidheid leiden kon. Zooals reeds werd opgemerkt, heeft
-men in den laatsten tijd kunnen vaststellen, dat ook reeds bij een
-vorige afkoelingsperiode in sommige streken van de aarde ijsvorming
-moet hebben plaatsgevonden. Het is echter juist deze afkoelingsperiode
-bij het begin van het vierde tijdperk, die voor Europa en hare
-bewoners, voor de ontwikkeling van het menschelijk geslacht in het
-algemeen, <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name=
-"pb8">8</a>]</span>van zoo overwegend belang is geweest. Vandaar, dat
-juist deze groote afkoelingsperiode hier ter sprake gebracht wordt. Na
-dien eersten &bdquo;ijstijd&rdquo; volgen die afkoelingsperioden,
-waarbij de temperatuur tot beneden het vriespunt daalt, dan ook verder
-regelmatig elkander op. Vermoedelijk zijn reeds drie of meer dergelijke
-&bdquo;ijstijden&rdquo; verloopen, en leven wij nu zoo ongeveer
-tusschen twee afkoelingsperioden in. Tot eenheid over deze vraag is men
-echter nog lang niet gekomen. Terwijl de meeste geologen op
-<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name=
-"pb9">9</a>]</span>het voetspoor van Penck minstens 3 ijstijden met
-daartusschen liggende &bdquo;interglaciale perioden&rdquo; aannemen, en
-van een glaciaalphase van G&uuml;nz, Mindel, Riss, W&uuml;rm, spreken,
-meenen andere geologen van naam, dat de eigenaardigheden van den bouw,
-de ligging en de uitbreiding der moraenen en zwerfblokken, waaruit deze
-gegevens worden geput, wel op plaatselijke schommelingen van den
-sneeuwgrens wijzen, doch niet op zulke uitgebreide, algemeene
-temperatuurschommelingen, die zich over het geheele aardoppervlak
-uitstrekken, behoeven te wijzen, dat men daaruit het bestaan van een
-aantal werkelijke &bdquo;ijstijden&rdquo; mag afleiden. Hoe dit zij,
-meer locale (zich bijvoorbeeld slechts over een gedeelte van Europa
-kenbaar makende) schommelingen in de gemiddelde temperatuur, en
-daarmede van de sneeuwgrens, schommelingen zeer zeker van zeer langen
-duur en geleidelijken overgang, kan men toch wel met zekerheid
-aannemen. En dat is voor het ons hier bezighoudende probleem, zooals
-wij later zullen zien, voldoende.</p>
-<p class="par">Wat de eerste vraag betreft, men heeft zoowel in Afrika,
-Amerika, Australi&euml; en Azi&euml;, zoo goed als in Europa zelf,
-duidelijke sporen van vroegere gletschervormingen gevonden, zelfs reeds
-uit zeer veel vroegeren tijd, die er op wijzen dat ook daar de
-afkoelingsperiode een &bdquo;ijstijd,&rdquo; d. w. z. een sterke daling
-van de sneeuwgrens, deed ontstaan, al bleef deze in de warme streken
-natuurlijk alleen tot de hooger gelegen bergstreken beperkt.</p>
-<p class="par">In de tertiaire periode zagen wij reeds de zoogdieren in
-steeds hooger georganiseerde vormen optreden, terwijl onder de planten
-eveneens de hoogst ontwikkelde vormen, de loofboomen, de aarde
-bedekten. Naarmate wij nu de steenlagen uit de latere gedeelten der
-tertiaire periode onderzoeken, blijken de overblijfselen van de planten
-en dieren, die daarin bewaard <span class="pagenum">[<a id="pb10" href=
-"#pb10" name="pb10">10</a>]</span>gebleven zijn, steeds meer te gaan
-gelijken op de dieren en planten, die in den tegenwoordigen tijd
-leven.</p>
-<p class="par">Terwijl talrijke lagere planten en dieren in het laatste
-gedeelte der tertiaire periode in dezelfde soortvormen voorkwamen als
-die, welke wij nog thans op onze aarde levend aantreffen, zien wij, ook
-wat de hooger georganiseerde planten en dieren betreft, een steeds
-grooter wordende overeenkomst met de flora en de fauna van den
-tegenwoordigen tijd. Bij den overgang van de tertiaire in de quartaire
-periode, het <span class="ex">diluvium</span>, nemen de hoogst
-ontwikkelde vormen onder de planten en dieren in aantal en in
-verbreiding over verschillende streken van de aarde toe, zien wij
-steeds hooger gespecialiseerde vormen van zoogdieren optreden, krijgt
-de levende natuur langzamerhand meer en meer het karakter, dat zij in
-den tegenwoordigen tijd vertoont.</p>
-<p class="par">Zoo zien wij dus, hoe in het ontzaglijk lange
-tijdsverloop, dat achter ons ligt, sinds het eerste leven zich op onze
-aarde openbaarde, een tijdsverloop, niet met duizenden, doch met
-millioenen jaren te berekenen, de dieren- en plantenwereld zich
-langzaam en geleidelijk ontwikkelt. Hooger georganiseerde, meer
-samengesteld gebouwde vormen treden op, worden eerst in enkele vormen
-op bepaalde plaatsen gevonden, verkrijgen langzamerhand een grootere
-verspreiding, ontwikkelen zich, treden op in talrijke, steeds meer
-gespecialiseerde soorten, bereiken een hoogtepunt hunner ontwikkeling
-en specialisatie en sterven langzamerhand uit. Andere dier- of
-plantvormen nemen hun plaats in, en vertoonen dezelfde verschijnselen.
-Overal wisseling, sterke aanpassing aan bepaalde levensverhoudingen,
-ook weder achteruitgang, doch alles te zamen genomen een onbedwingbaar,
-rusteloos voortgaand streven naar vooruitgang, naar hoogere
-organisatie, naar beter toegerust zijn voor den strijd om het bestaan.
-<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name=
-"pb11">11</a>]</span></p>
-<p class="par">Niet door op elkaar volgende scheppingen van telkens
-andere dier- en plantvormen, doch door geleidelijke ontwikkeling, door
-evolutie, door een geregeld zich aanpassen aan de veranderlijke
-uitwendige omstandigheden, zien wij de zoo groote verscheidenheid van
-levensvormen gedurende den langen ontwikkelingsgang van onze aarde
-ontstaan.</p>
-<p class="par">Dat leert ons de palaeontologie, dat leert ons nu ook de
-ontwikkelingsgeschiedenis der nu levende plant- en diervormen, d. w. z.
-de leer van den gang van het proces van vorming van een of ander dier
-of plant, beginnende bij de bevruchte eicel, en eindigende op het
-tijdstip dat het dier geboren wordt, of de plant zijn vollen wasdom
-heeft bereikt.</p>
-<p class="par">Elk dier moet, bij het zich vormen uit de zoo uiterst
-eenvoudig gebouwde bevruchte eicel, een bepaalde ontwikkeling
-doormaken, voor het den vorm van het volwassen dier, den vorm van zijne
-ouders en soortgenooten, heeft bereikt. En het is uiterst merkwaardig,
-dat wij bij dien ontwikkelingsgang van het individu, voortdurend
-verschijnselen zien optreden, die ons herinneren aan bepaalde vormen,
-door een der voorvaderen van dat bepaalde dier in de lange reeks der in
-vroegere perioden door die bepaalde dier<span class="ex">soort</span>
-doorloopen vormen gedragen. Elk embryo beklimt, zooals men het wel eens
-fantastisch uitdrukt, bij zijn ontwikkeling zijn eigen stamboom, d. w.
-z. de ontwikkeling van elk individu is een wedergave in gedrongen vorm
-van de gradueele veranderingen, gedurende de ontwikkeling van die
-bepaalde diersoort of dien bepaalden diertypus, waarvan het individu de
-eindvorm is, in den loop der duizenden jaren doorgemaakt, slechts min
-of meer &bdquo;vervalscht&rdquo; door directe aanpassing van het embryo
-aan een nieuwe omgeving, zooals bijvoorbeeld van het zoogdier-embryo
-aan het hem beschuttend en voedend orgaan van het moederlichaam, in
-tegenstelling met het embryo van een <span class="pagenum">[<a id=
-"pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span>eierleggend dier, dat bij
-zijn ontwikkeling is aangewezen op het voedsel en de beschutting, die
-bij het leggen aan het ei werden medegegeven.</p>
-<p class="par">Reeds hieruit zou men, afgezien van de door de
-vergelijkende anatomie aan het licht gebrachte feiten, tot het begrip
-der evolutie moeten besluiten. Hetzelfde leert ons, zooals ik reeds
-aangaf, het onderzoek der overblijfselen van fossiele dieren en planten
-uit vroegere tijdperken, de pal&aelig;ontologie. Het zou mij veel te
-ver voeren, hier nader op in te gaan. Slechts wil ik bij
-&eacute;&eacute;n verschijnsel nog iets langer stilstaan, daar dit van
-uiterst groot belang is voor het probleem, dat ons in de volgende
-hoofdstukken zal bezighouden.</p>
-<p class="par">Dat is een verschijnsel, waarvan een Belgisch geleerde,
-Prof. <i>Dollo</i>, het eerst de algemeenheid en het groote belang
-aantoonde, en dat hem ter eere meestal als de &bdquo;wet van
-<span class="ex">Dollo</span>&rdquo; wordt aangeduid. Hieronder
-verstaat men het volgende: heeft zich in den loop van het
-evolutieproces een diergroep sterk in een bepaalde richting
-gespecialiseerd, zooals bijvoorbeeld de groote groep van de
-vleermuizen, bij wie de voorste ledematen zeer sterk zijn uitgegroeid
-en veranderd, zoodat zij als vleugels konden worden gebruikt, dan kan
-bij verandering van levenswijs of van de omstandigheden, waaronder de
-nakomelingen zich bevinden, deze specialisatie niet weer verloren gaan
-in dien zin, dat de oorspronkelijke vorm der voorste ledematen weer
-opnieuw zou optreden. Evenmin keert een in den loop van de ontwikkeling
-van een soort verloren gegaan of rudimentair geworden orgaan ooit weer
-tot denzelfden oorspronkelijken vorm terug, als de omstandigheden
-waaronder de nakomelingen van die bepaalde soort zich bij hunne verdere
-evolutie bevinden, een sterkere ontwikkeling van dat orgaan zouden
-wenschelijk maken. Er wordt dan &oacute;f een ander orgaan tot
-ontwikkeling gebracht, dat &rsquo;t eerste vervangt, &oacute;f wel de
-soort, die zich niet kan aanpassen <span class="pagenum">[<a id="pb13"
-href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>aan de veranderde
-omstandigheden, sterft uit. Zooals het door <i>Dollo</i> werd
-uitgedrukt: &bdquo;de ontwikkeling is een niet omkeerbaar
-proces.&rdquo; Volgens deze wet kunnen dus diersoorten, die zich in een
-bepaalde richting, in aanpassing aan een bepaalde levenswijze, sterk
-hebben gespecialiseerd, nooit de voorvaderen zijn van diersoorten, die
-in datzelfde opzicht minder sterk gespecialiseerd zijn. Wel echter kan
-het omgekeerde het geval zijn.</p>
-<p class="par">Hetzelfde verschijnsel, waarvan de algemeenheid door
-<i>Dollo</i> aan een reeks van zeer duidelijke en sprekende voorbeelden
-werd bewezen, wijst ons nu den weg, wanneer wij met een zoogenaamde
-&bdquo;specialisatie-kruising&rdquo; (<span lang="fr">chevauchement des
-sp&eacute;cialisations</span> van <i>Dollo</i>) te doen hebben. Als van
-twee diergroepen of diersoorten (A en B) de eene soort in
-&eacute;&eacute;n opzicht, bijv. in den bouw der ledematen, sterker
-gespecialiseerd is dan de andere, in een ander opzicht, bijv. in den
-bouw van het gebit, evenwel meer primitieve verhoudingen vertoont,
-terwijl verder in het algemeen de twee groepen of soorten zoo zeer op
-elkaar gelijken, dat men geneigd zou zijn, de eene soort als de
-stamvader van den andere te beschouwen, dan kan men op grond van de wet
-van <i>Dollo</i> dit laatste met zekerheid uitsluiten en hoogstens
-zeggen dat beide groepen of soorten een gemeenschappelijken voorvader
-moeten hebben gehad, waaruit zij zich beide in verschillende richtingen
-hebben ontwikkeld.</p>
-<p class="par">Wij zullen later zien, van hoe groot belang dit
-verschijnsel is voor het probleem, waarmede wij ons in de volgende
-hoofdstukken zullen bezighouden.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e410width"><img src="images/ornament.png" alt=
-"Ornament." width="149" height="80"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
-"pb14">14</a>]</span></p>
-<p class="par"></p>
-<div class="table">
-<h4 class="tablecaption">TABEL I. OVERZICHT DER GEOLOGISCHE
-PERIODEN.</h4>
-<table class="xd24e416">
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">I.</td>
-<td colspan="4" class="colspan cellRight cellTop">Archaeische
-(Azo&iuml;sche) periode, over het algemeen geen fossielen bekend, doch
-ongetwijfeld reeds leven op aarde aanwezig.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="4" class="rowspan cellLeft">II.</td>
-<td rowspan="4" class="rowspan">Palaeozoische (primaire) periode (het
-zoogenaamde <span class="corr" id="xd24e429" title=
-"Bron: eerste">Eerste</span> levenstijdperk)</td>
-<td rowspan="4" class="rowspan"><img src="images/lbrace4.png" alt=""
-width="9" height="78"></td>
-<td>Silurische</td>
-<td class="cellRight">periode.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Devonische</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Steenkolen</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Permische</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="3" class="rowspan cellLeft">III.</td>
-<td rowspan="3" class="rowspan">Mesozoische (secundaire) periode
-(<span class="corr" id="xd24e462" title="Bron: tweede">Tweede</span>
-levenstijdperk)</td>
-<td rowspan="3" class="rowspan"><img src="images/lbrace3.png" alt=""
-width="9" height="53"></td>
-<td>Trias</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Jura</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Krijt</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="4" class="rowspan cellLeft">IV.</td>
-<td rowspan="4" class="rowspan">Neozoische (tertiaire) periode (Derde
-levenstijdperk)</td>
-<td rowspan="4" class="rowspan"><img src="images/lbrace4.png" alt=""
-width="9" height="78"></td>
-<td>Eocaene</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Oligocaene</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Miocaene</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Pliocaene</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="8" class="rowspan cellLeft cellBottom">V.</td>
-<td rowspan="8" class="rowspan cellBottom">Quaternaire (quartaire)
-periode (Vierde levenstijdperk)</td>
-<td rowspan="8" class="rowspan cellBottom"><img src=
-"images/lbrace8.png" alt="" width="10" height="165"></td>
-<td>Pleistocaene</td>
-<td class="cellRight"><span class="ditto"><span class=
-"s">periode.</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">
-(palaeolithicum)</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">oud-steenen
-tijdperk.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>Holocaene</td>
-<td class="cellRight">periode</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">(neolithicum</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">bronstijdperk</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight">ijzertijdperk</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="2" class="xd24e530 colspan cellRight cellBottom">
-geschiedkundig tijdperk.)</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name=
-"pb15">15</a>]</span></div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
-"noteref" id="xd24e211" href="#xd24e211src" name=
-"xd24e211">1</a></span> Alles wat is, kan slechts juist beoordeeld
-worden, als men weet, hoe het geworden is.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd24e211src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e227" href="#xd24e227src" name="xd24e227">2</a></span> In de
-eerlang in de W.B. verschijnende monographie van Prof. <i>Jonker</i>
-over &bdquo;het ontstaan der Aarde&rdquo; zal de lezer meer uitvoerige
-en gedetailleerde gegevens over dit onderwerp vinden. Hier kan ik
-slechts eenige der hoofdpunten aanroeren.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e227src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e233" href="#xd24e233src" name="xd24e233">3</a></span> Zooals de
-door <i>Cayeux</i> beschreven praecambrische <span class="corr" id=
-"xd24e238" title=
-"Bron: radiolarien">radiolari&euml;n</span>.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd24e233src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e258" href="#xd24e258src" name="xd24e258">4</a></span> In den
-laatsten tijd zijn er ook reeds overblijfselen van laagstaande dieren,
-die evenwel volgens de auteurs al tot verschillende groepen zouden
-behooren, in enkele gesteenten van de azo&iuml;sche periode door een
-aantal onderzoekers beschreven. Dat juist op dit gebied nog veel
-onzekerheid heerscht, en het nieuwere onderzoek telkens andere feiten
-aan het licht brengt, behoeft ons, de moeilijkheden van dit gebied in
-aanmerking genomen, niet te verwonderen. Het is hier niet de plaats,
-hierop verder in te gaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e258src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5636">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">II</span> DE PLAATS VAN DEN
-MENSCH IN DIT ONTWIKKELINGSPROCES</h2>
-<div class="epigraph">
-<p lang="en" class="par first">&bdquo;Man still bears in his bodily
-frame the indelible stamp of his lowly origin.&rdquo;<a class="noteref"
-id="xd24e562src" href="#xd24e562" name="xd24e562src">1</a></p>
-<p class="par xd24e214"><span class="ex">Darwin.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par xd24e568"><span class="xd24e568init">S</span>taat de
-mensch nu buiten dit evolutieproces? Of moeten wij ook hem een plaats
-in het geheel aanwijzen, waarvoor dezelfde wetten gelden die de
-ontwikkeling van het dieren- en plantenrijk hebben beheerscht? En zoo
-dit laatste als juist wordt aangenomen, welke zal dan die plaats
-zijn?</p>
-<p class="par">Wij naderen hier een gebied, dat tot de meest doorwerkte
-doch ook tot de felst omstreden gebieden behoort, welke de denkende
-menschelijke geest heeft trachten te ontginnen. Immers hier kwam de
-moderne bioloog ten slotte in open conflict met de oude
-anthropocentrische wereldbeschouwingen, met de moza&iuml;sche
-scheppingsverhalen, met zoo veel van wat door alle eeuwen heen voor
-waar en heilig werd gehouden. Nu is langzamerhand in den loop der jaren
-de strijd wel minder heftig geworden en heeft men leeren inzien, dat
-een vast geloof in de geestelijke waarde van den mensch gepaard kan
-gaan met de overtuiging, dat de mensch zich, als een integreerend deel
-van de dierenwereld, <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16"
-name="pb16">16</a>]</span>uit die dierenwereld heeft ontwikkeld, heeft
-losgemaakt, en dat een diep godsdienstig gevoel samen kan gaan met een
-geloof in de idee der evolutie, ook wat den mensch betreft, doch men
-houdt toch nog maar al te dikwijls aan een afzonderlijk staande plaats
-van den mensch in de schepping vast, ook daar waar de evolutie voor het
-dierenrijk als een juist beginsel wordt erkend.</p>
-<p class="par">Voor den denkenden bioloog, die steeds er naar streeft,
-te trachten de dingen om hem heen objectief te beschouwen, ze op hun
-juiste waarde te schatten, en zich streng aan datgene te houden wat
-binnen de grenzen van zijn waarnemingsvermogen, van zijn wetenschap
-valt, die steeds zooveel mogelijk zich rekenschap tracht te geven van
-den samenhang van de verschillende feiten, die hij leert kennen, is
-mijns inziens slechts &eacute;&eacute;n antwoord op de bovengestelde
-vraag mogelijk, n. l. dat ook de mensch &eacute;&eacute;n is met de
-levende wereld om hem heen, daarvan een integreerend deel uitmaakt, en
-dat ook aan den mensch een plaats in dit voor de dieren- en
-plantenwereld geschetste evolutie-proces toekomt.</p>
-<p class="par">Deze overtuiging wordt ons onafwijsbaar opgedrongen door
-hetgeen drie takken van de morphologische wetenschap ons leeren, de
-palaeontologie, de leer der fossielen, de vergelijkende ontleedkunde en
-de ontwikkelingsgeschiedenis<span class="corr" id="xd24e578" title=
-"Bron: ,">.</span></p>
-<p class="par">Wat ons de palaeontologie omtrent het probleem van de
-afstamming van den mensch leert, zullen wij in de volgende hoofdstukken
-nader uiteenzetten. Wat de beide andere wetenschappen ons leeren, zij
-hier kort vermeld.</p>
-<p class="par">Als wij de groote verschillen in aanmerking nemen, die
-bijv. tusschen de verschillende zoogdiersoorten bestaan, dan kan het
-ons niet verwonderen, dat zelfs tusschen de hoogst ontwikkelde
-zoogdieren en den mensch nog een aantal verschillen in bouw bestaan,
-<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name=
-"pb17">17</a>]</span>al zijn ook de hoofdlijnen van den bouw bij beide
-dezelfde. Als wij van dit standpunt uit den bouw van het menschelijk
-lichaam beschouwen, dan treft ons in de eerste plaats telkens weer de
-wondervol harmonische ontwikkeling van het menschelijk organisme. Bij
-geen diersoort vindt men (en dit is vermoedelijk juist het geheim van
-zijn snelle ontwikkeling) een anatomischen bouw, die zulke primitieve
-eigenschappen vertoont, en waarvan alle deelen zich zoo in volkomen
-harmonie met elkaar, zoo gelijkmatig hebben ontwikkeld, als juist bij
-den mensch. Hier geen gebit, in een bepaalde richting sterk
-gedifferentieerd, hier geen bovenmatig sterk ontwikkelde spiergroepen
-voor bepaalde bewegingscombinaties, geen bovenmatig verlengde
-extremiteiten in aanpassing aan een bepaalde levenswijze, hier geen
-darmkanaal ingericht en uitsluitend geschikt voor het opnemen en
-verteren van een bepaald soort voedsel; neen, een volkomen harmonische
-ontwikkeling van alle organen, en daardoor een volledig
-aanpassingsvermogen aan de meest verschillende omstandigheden, en,
-anatomisch gesproken, een vereeniging van primitieve, niet sterk
-gedifferentieerde vormen en kenmerken, zooals geen tweede diersoort ons
-kan aanwijzen.&mdash;Wij zullen later zien, hoe dit juist het
-waarschijnlijk maakt, dat de lijn van ontwikkeling van het latere
-menschelijke geslacht zich al zeer spoedig losgemaakt moet hebben van
-de lijn van ontwikkeling der overige zoogdieren.</p>
-<p class="par">Maar tevens leert ons de vergelijkende anatomie, dat in
-de hoofdlijnen van den bouw er een volkomen overeenstemming bestaat,
-een overeenstemming, die te grooter blijkt te zijn, naarmate men door
-het nauwkeurig leeren kennen van een steeds grooter aantal
-verschillende diervormen meer en meer onder de voor bepaalde
-diersoorten kenmerkende eigenaardigheden de groote hoofdlijnen, men zou
-kunnen zeggen de compositie van den geheelen bouw, leert onderscheiden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name=
-"pb18">18</a>]</span></p>
-<p class="par">Het zou nu evenwel nog niet voldoende geacht kunnen
-worden om op grond van deze overeenstemming van een werkelijke
-verwantschap te spreken. Maar wij kunnen feiten, die voor dit laatste
-pleiten, wel degelijk direct zien.</p>
-<p class="par">Evenals bij de verschillende diersoorten, komen ook bij
-den mensch zoogenaamde individueele variaties voor, waarbij zich bij
-enkele individuen bepaalde organen vertoonen, die bij normale menschen
-niet voorkomen, of organen die steeds aanwezig zijn, bepaalde, niet bij
-den gewonen mensch voorkomende veranderingen in bouw, grootte of
-samenstelling vertoonen. En nu is het uiterst merkwaardig, dat bij
-dergelijke variaties bijna steeds veranderingen optreden, die een
-toestand verwezenlijken, zooals die bij de hoogere diersoorten als
-regel, als norma, bestaat. Zoo hebben wij bijvoorbeeld een aantal
-spieren aan hand en arm om de verschillende zoo samengestelde en
-talrijke bewegingen van ons grijp- en tastorgaan te kunnen uitvoeren.
-Bij dat samenstel van grootere en kleinere spieren treden nu nog al
-eens variaties op, en als zich dan bij een bepaald individu een spier
-vertoont, die bij normale menschen niet voorkomt, of een wel steeds
-voorkomende spier een anderen vorm dan in normale gevallen vertoont,
-dan is bij eene dergelijke variatie bijna altijd een geval
-verwezenlijkt, dat bij de hoogste zoogdieren (bijv. bij de apen of
-bepaalde aapsoorten) als normaal geval steeds aanwezig is.</p>
-<p class="par">Zoo bezit de mensch twee borstklieren, die bij het
-vrouwelijk geslacht sterk ontwikkeld zijn en de voor de voeding van den
-zuigeling noodzakelijke melk afscheiden. Terwijl de hoogstaande
-zoogdieren ook twee dergelijke borstklieren bezitten, zijn bij de
-meeste overige zoogdieren een reeks van dergelijke klieren aanwezig, in
-een lijn (de zoogenaamde melklijn) aan weerszijden langs den buik
-gegroepeerd. Indien nu, wat nog al eens voorkomt, bij den mensch
-zoogenaamde <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name=
-"pb19">19</a>]</span>overtollige borstklieren gevonden worden, dan
-liggen deze altijd op die lijn, m. a. w. dan zijn dat altijd organen,
-die bij de lagere zoogdieren als regel, als norma, optreden, die bij
-den mensch echter als slechts zoo nu en dan voorkomende variatie nog
-weer eens zich vertoonen.</p>
-<p class="par">Ook in veranderingen, variaties, die bij andere organen
-van het menschelijk lichaam zoo nu en dan gevonden worden, vindt men
-steeds weer hetzelfde verschijnsel terug, ziet men telkens en telkens
-weer eigenaardigheden in bouw en vorm optreden, die herinneren aan
-vormingen, die bij de hoogste zoogdieren als constante, altijd
-voorhanden zijnde kenmerken gevonden worden. In den vorm der
-oorschelpen zien wij zich somtijds de toegespitste oorschelp van de
-hoogste zoogdieren afspiegelen, sterke beharing van het geheele lichaam
-of het gelaat (men denke bijv. aan de eertijds zoo beroemde danseres
-Juliana Pastrana) brengt ons in rangschikking en richting van de haren
-dierlijke vormen in de herinnering, afwijkingen in de rangschikking van
-verschillende deelen, van het bloedvaatstelsel, in rangschikking, vorm
-en aantal van de neusschelpen, in de grootte van het zoogenaamde orgaan
-van Jacobson in den neus, in den bouw van het strottenhoofd, van de
-geslachtsklieren, van verschillende deelen van het skelet, geven ons
-even zoovele aanknoopingspunten te zien aan vormingen die in het
-dierenrijk als normale kenmerken optreden, kortom, men kan, zooals o.
-a. <span class="ex">Wiedersheim</span> in zijn beroemd geworden boek
-&bdquo;<span lang="de">der Bau des Menschen als Zeugnis f&uuml;r seine
-Vergangenheit</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd24e607src" href=
-"#xd24e607" name="xd24e607src">2</a> deed, alle organen van het
-menschelijk lichaam nagaan, en overal vindt men verschijnselen, die ons
-onweerstaanbaar dwingen, een nauwe verwantschap met, een afstamming uit
-het dierenrijk voor den mensch aan te nemen. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span></p>
-<p class="par">En nog sterker dringt deze overtuiging zich aan ons op,
-als wij de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch nagaan en haar
-vergelijken met die van de zoogdieren.</p>
-<p class="par">Dank zij de groote verbeteringen van de microscopische
-techniek is in de laatste 50 jaren een helder inzicht verkregen in de
-ontwikkelingsgeschiedenis van tal van diervormen, zoodat wij dikwijls
-tot in de fijnste bijzonderheden den verwonderlijk mooien
-ontwikkelingsgang van de verschillende organen, die het dierlijk
-lichaam opbouwen, hebben kunnen nagaan. Voor bepaalde diervormen heeft
-men dien ontwikkelingsgang stap voor stap, bijna van uur tot uur,
-kunnen bestudeeren. Het bleek nu hierbij hoe langer hoe meer, dat voor
-de verschillende diervormen de ontwikkeling, uitgaande van hetzelfde
-uitgangspunt, de ongedifferentieerde eicel, in groote trekken
-geteekend, hetzelfde verloop had, en dat, hoe dichter de dieren, wat
-hunne kenmerken betreft, bij elkander stonden, des te meer de
-ontwikkelingsgang voor die vormen evenwijdig liep. En hierbij bleek
-tevens, hoe juist in de ontwikkelingsgeschiedenis de duidelijkste
-bewijzen opgesloten lagen voor den samenhang en de verwantschap der
-dieren onderling, voor de idee der evolutie, voor het ontstaan der
-soorten uit elkaar, door langzame verandering, aanpassing, volmaking.
-Wij zien organen, lichaamsdeelen, die bij lagere dieren gedurende het
-geheele leven in een primitieven vorm blijven bestaan, zich bij de
-embryonen der hoogere dieren eerst in denzelfden vorm aanleggen, waarin
-zij bij die lagere dieren zijn aangelegd. Doch dan zien wij bij den
-voortgang van het ontwikkelingsproces in die organen verdere
-veranderingen optreden, die langzamerhand den toestand inleiden, waarin
-dat orgaan gedurende het leven van die hoogere diersoort zal blijven
-verkeeren. Wij zien bij het embryo van alle zoogdieren zich
-kieuwspleten aanleggen, al hebben de kieuwen <span class=
-"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>hun
-reden van bestaan eigenlijk verloren, sinds de voorvaderen der
-zoogdieren uit het water op het land overgingen en tot landdieren
-werden. Wij zien het bloedvaatstelsel in aanleg ook bij de zoogdieren
-bloedvaten vormen, die bij hunne nog in het water levende voorvaderen
-langs de kieuwspleten liepen om voor de opname van de zuurstof uit het
-water, de ademhaling dus, te zorgen, al hebben om dezelfde reden ook
-deze bloedvaten bij de zoogdieren hun reden van bestaan verloren. Wij
-zien uit deze kieuwspleten en uit de stevige beschutsels daarvan, de
-kieuwbogen, zich allerlei organen ontwikkelen, zooals de schildklier,
-het strottenhoofd, de gehoorbeentjes etc., die eerst bij de zoogdieren
-tot volle ontwikkeling komen en een belangrijke rol in het leven van
-het dier krijgen te vervullen. Wij kunnen vaststellen, hoe in het
-algemeen die kenmerken, die alleen eigen zijn aan de hoogst ontwikkelde
-diervormen, en die dus bij de evolutie van de soort eerst laat moeten
-zijn opgetreden, ook in de individueele ontwikkeling dier hoogst
-ontwikkelde diersoorten, eerst laat, eerst in het laatste tijdperk van
-het embryonale leven, zich kenbaar maken. Kortom, wij zien bij het
-bestudeeren van de ontwikkelingsgeschiedenis van een of ander zoogdier
-zich een beeld ontrollen van de duizenden en duizenden jaren, gedurende
-welke die bepaalde soort zich bij den ontwikkelingsgang van de aarde
-door langzame evolutie uit laagstaande vormen in duizenden op elkaar
-volgende, uit elkaar voortgekomen, individuen trapsgewijze heeft
-opgewerkt, ontplooid, ontwikkeld, volmaakt, totdat de vorm bereikt was,
-waarvan wij nu aan het levende dier de fijne, harmonische organisatie,
-de volkomen aanpassing aan de omstandigheden, waaronder het verkeert,
-het samengestelde van de zoo nauwkeurig aan elkaar aansluitende
-levensverrichtingen bewonderen. En naarmate wij van meerdere diervormen
-een nauwkeurig beeld van de <span class="pagenum">[<a id="pb22" href=
-"#pb22" name="pb22">22</a>]</span>ontwikkelingsgeschiedenis verkrijgen,
-naarmate wij dus beter en beter de waarde van de verschillende
-d&eacute;tails, de plaatselijke aanpassingen der verschillende vormen
-kunnen beoordeelen en de hoofdlijnen daarvan kunnen losmaken, in die
-zelfde mate wint het beeld van het geheele proces der evolutie van het
-dierenrijk, dat wij zich zien ontrollen uit die individueele
-ontwikkelingsprocessen der verschillende diervormen, aan duidelijkheid
-en volledigheid.</p>
-<p class="par">De ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch vertoont ons
-nu een beeld, dat volkomen in dit kader past. In de groote lijnen is
-het de zoogdierontwikkeling, die ons het wordingsproces van het
-menschelijk embryo te zien geeft. Juist als bij het zoogdierembryo zien
-wij zich bij de zich uit de eicel vormende menschenkiem kieuwspleten
-vormen. Dezelfde organen, die bij de zoogdieren uit die kieuwspleten en
-uit de zich tusschen de spleten bevindende kieuwbogen ontstaan, zien
-wij ook bij het menschelijk embryo zich op dezelfde wijze, langs
-denzelfden weg, volgens dezelfde methode, daaruit vormen. Dezelfde
-samengestelde ontwikkelingsgang, die door het zoogdierembryo moet
-worden gevolgd, zien wij ook het menschelijk embryo doormaken. Dat er
-in bijzonderheden verschillen bestaan, spreekt natuurlijk vanzelf.
-Evenals wij bijvoorbeeld reeds op een zeer jong stadium van
-ontwikkeling een varkensembryo met zekerheid kunnen onderscheiden van
-een embryo van een kat of een konijn, zoo kan de geschoolde embryoloog
-op elk stadium van ontwikkeling met volkomen zekerheid zeggen, of hij
-met een menschelijk embryo dan wel met het embryo van een of ander
-zoogdier te doen heeft, maar de gang, het verloop van het
-ontwikkelingsproces, het op elkaar volgen van de verschillende
-stadi&euml;n, de wijze van aanleg van de verschillende organen en
-orgaanstelsels is bij beiden zoo volkomen gelijk, dat de overtuiging,
-dat slechts een gemeenzame <span class="pagenum">[<a id="pb23" href=
-"#pb23" name="pb23">23</a>]</span>afstamming, een door den mensch
-<i>en</i> door de zoogdieren doorgemaakte evolutie, een dergelijke
-overeenstemming kan doen ontstaan, zich met onweerstaanbare kracht aan
-ons opdringt. Het is verwonderlijk om te zien, hoe bijvoorbeeld een
-bepaald gedeelte van het nierapparaat, dat wij slechts bij de visschen
-en de tweeslachtige dieren op een bepaalde wijze tijdens het leven zien
-functioneeren, toch bij het menschelijk embryo evenals bij de
-zoogdieren duidelijk wordt aangelegd, om echter bij de verdere
-ontwikkeling weer spoorloos te verdwijnen, als een reminiscentie aan
-den grijzen voortijd, alleen omdat de uitvoergang van dat apparaat nog
-in de verdere ontwikkeling een bepaalde rol speelt, de aanleg van het
-apparaat zelf dus noodig was. Het geslachtsapparaat zien wij in een
-uiterst samengestelden ontwikkelingsgang de verschillende phasen
-doormaken, waarop wij het bij de lagere dieren gedurende het geheele
-leven zien blijven staan; de beharing van het lichaam, bij den
-volgroeiden mensch grootendeels verloren gegaan, zien wij bij het
-menschelijk embryo op volkomen dezelfde wijze tot ontwikkeling komen
-als bij de zoogdieren, ja men heeft zelfs aan de rangschikking van de
-haren in het begin hunner ontwikkeling bij het menschelijk embryo nog
-de duidelijke sporen kunnen terugvinden van de huidbekleeding met
-schubben, die onze voorouders in den grijzen oertijd eenmaal moeten
-hebben bezeten. De mensch is staartloos; dat hij zich echter moet
-hebben ontwikkeld uit voorouders, die wel een dergelijk aanhangsel
-bezaten, blijkt behalve uit het feit, dat zoo nu en dan als variatie,
-als terugslag, nog een staart bij een voldragen kind wordt gevonden,
-daaruit, dat in een vroeg stadium van ontwikkeling bij het menschelijk
-embryo een zeer duidelijke staart wordt aangelegd, die evenwel na
-eenigen tijd weer verdwijnt. Bij de ontwikkeling van de menschelijke
-borstklier zien wij de reeds op een vorige bladzijde genoemde
-&bdquo;melklijn&rdquo; zich als <span class="pagenum">[<a id="pb24"
-href="#pb24" name="pb24">24</a>]</span>een normaal verschijnsel
-vertoonen, de oorschelp zien wij zich ook bij den mensch uit de
-huidplooien in de omgeving der kieuwspleten, de gehoorbeentjes zich ook
-bij den mensch uit bepaalde gedeelten der oorspronkelijke kieuwbogen
-vormen, kortom, er is geen detail van den ontwikkelingsgang van het
-menschelijk embryo, of wij kunnen het alleen dan begrijpen, als wij ons
-den mensch voorstellen in volkomen samenhang met de dierenwereld
-voortgesproten uit dierlijke voorvaderen.</p>
-<p class="par">Staat de mensch, de &bdquo;kroon der schepping,&rdquo;
-aan de spits van het dierenrijk? Zeer zeker niet. In vele opzichten is
-in materieelen zin de menschenvorm minder bevoorrecht dan vele zijner
-natuurgenooten. In kracht van spieren zijn wij achteruitgegaan, in
-gezichtsvermogen, gehoor en reuk doen wij ver onder bij de hoogere
-zoogdieren, het aannemen der rechtopstaande houding heeft ons menig
-nadeel bezorgd, van specialisatie in deze of gene richting is weinig te
-merken, en, zooals boven reeds werd opgemerkt, juist daarin ligt de
-kracht van den menschenvorm, juist daarin ligt het geheim zijner snelle
-ontwikkeling en vooral van zijn vermogen zich harmonisch in alle
-richtingen tegelijk te kunnen ontwikkelen.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e631width"><img src="images/ornament.png" alt=
-"Ornament." width="149" height="80"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name=
-"pb25">25</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
-"noteref" id="xd24e562" href="#xd24e562src" name=
-"xd24e562">1</a></span> De mensch draagt in zijne lichaamsvormen nog
-steeds den onuitwischbaren stempel van zijn lagen
-afkomst.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd24e562src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e607" href="#xd24e607src" name="xd24e607">2</a></span> Vierde druk
-1908. T&uuml;bingen. H. Laupp.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e607src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5645">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">III</span> DE POSTPLIOCAENE
-IJSTIJD IN EUROPA</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par xd24e641"><span class="xd24e641init">I</span>n het eerste
-hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe wij aan het
-einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen zoogenaamden
-&bdquo;ijstijd&rdquo; zien optreden, d. w. z. een periode in de
-ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur
-zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de geheele
-wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.</p>
-<p class="par">Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig
-herkenbare sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd
-worden gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende
-eigenaardigheden, die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de
-dieren, die toen ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten
-van de eerste menschen optreden, wat nader te beschouwen.</p>
-<p class="par">Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire
-periode optredende ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch
-slechts die eerste periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde
-temperatuur over groote uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water
-gaat bevriezen en dus ijs en sneeuw in kolossale massa&rsquo;s een
-groot deel van Europa gaan bedekken.</p>
-<p class="par">Geweldige ijsmassa&rsquo;s, dikwijls honderden meters
-dik, bedekten meer en meer, bij de voortgaande daling <span class=
-"pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span>van de
-temperatuur, van het noorden van Scandinavi&euml; zich verder en verder
-naar het zuiden van Europa uitstrekkende, het vasteland van Europa.
-Evenals wij nu nog aan de gletschers in het alpengebied het zoogenaamde
-&bdquo;stroomen&rdquo; van het ijs, het langzaam naar beneden
-voortschuiven der plooibare ijsmassa zien kunnen, zoo moeten wij ons
-ook voorstellen dat gedurende den ijstijd die geweldig dikke
-ijsmassa&rsquo;s zich eveneens voortschoven, waarbij geheele bergtoppen
-werden afgeslepen (aan de gladde, ronde bergtoppen in den Eifel is dit
-bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te zien), en het afgeslepen en
-afgebrokkelde materiaal dikwijls in den loop der tijden duizenden
-kilometers ver werd medegenomen, om, als in een interglaciale periode
-de temperatuur iets hooger werd en de ijsmassa&rsquo;s smolten, op het
-daaronder gelegen land te worden gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde
-rotslooze streken zooals bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde
-zwerfblokken vinden liggen, die volgens den aard van het gesteente,
-waaruit zij bestaan, uit Skandinavi&euml; moeten afkomstig zijn. Bij
-het smelten dier geweldige ijsmassa&rsquo;s ontstonden waterstroomen,
-die als reusachtige rivieren zeewaarts stroomden, de diepe dalen als
-bijvoorbeeld het Neckardal langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel
-van het stroomende gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot
-zand vermaald, op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.</p>
-<p class="par">Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige
-hoeveelheden water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het
-vasteland bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk,
-tientallen van meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten
-van het ijs het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld,
-doch een gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den
-ijstijd sterk werd veranderd, dat ondiepe zee&euml;n droog lagen,
-landbruggen <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name=
-"pb27">27</a>]</span>zich vormden, waarlangs de dieren zich van het
-eene werelddeel naar het andere konden begeven, zoodat zij op deze
-wijze het leven konden redden, dat bedreigd werd door het alle leven
-vernietigende, alle voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche
-sneeuwvelden.</p>
-<p class="par">Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en
-zoo zien wij dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de
-dierenwereld sterk veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen
-der dieren uit den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het
-verloop van den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden
-voortdringende ijs- en sneeuwmassa&rsquo;s naar het zuiden werden
-gedrongen, hoe zij, bij het teruggaan van de sneeuwlijn in eene
-interglaciale periode weer mede noordwaarts trokken, omdat op het
-vruchtbare vochtige gebied van de door het smelten van het ijs
-vrijgekomen eindmorainen een weelderige plantengroei, overvloedig
-voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan, hoe de dierenwereld zich
-trachtte te verdedigen tegen, aan te passen aan de alles vernietigende
-ijzige koude, die hun bestaan bedreigde, en zoo zien wij juist
-gedurende dien ijstijd die eigenaardige dichtbehaarde vormen optreden
-als de langbehaarde mammoeth, de langharige neushoorn, en die vormen
-die in holen beschutting zochten tegen de koude, de holenbeer, de
-holenleeuw, de holenhy&aelig;na, de holenwolf.</p>
-<p class="par">Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft
-ingegrepen in de bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in
-de gesteldheid van onze aarde, die grooter veranderingen heeft
-teweeggebracht in alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van
-tijdperken die wij als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.</p>
-<p class="par">Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten
-behandelen en ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de
-voorloopers van het menschelijk <span class="pagenum">[<a id="pb28"
-href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>geslacht, bij dien steeds feller
-wordenden strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne
-vindingrijkheid ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen
-gebruiken, en niet slechts defensief, doch ook offensief gingen
-optreden, en zoo den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die
-hen sedert door geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen
-werden?</p>
-<p class="par">Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot
-tot de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht
-gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds
-schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met
-beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken,
-door zich als &bdquo;sociale&rdquo; wezens te vereenigen tot grootere
-groepen met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele
-vrijheid van handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden
-strijd is het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.</p>
-<p class="par">Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als
-holenbewoner, als <i>troglodyte</i>, wiens overblijfselen in holen, in
-&bdquo;abris sous roche,&rdquo; bewaard gebleven zijn, of in de warmere
-perioden tusschen de verschillende ijsperioden in als vrij levenden
-oeverbewoner aan den oever van de groote rivieren of van de meren.
-Werden de holen door de groote watermassa&rsquo;s, die door het
-ontdooien van het ijs gevormd werden, bij overstroomingen dichtgeslibd,
-dan werden zijne overblijfselen onder die beschermende sliblaag goed
-bewaard. De holen liepen weer droog, bij een volgende afkoelingsperiode
-werden, duizenden jaren later, de nazaten der oeverbewoners wellicht
-weer tot holbewoners, zij zochten de oude holen weer op, hunne
-overblijfselen bleven daar weer liggen, werden bij een warmere periode
-weer door overstroomingen met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij
-in dergelijke holen dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibden
-<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name=
-"pb29">29</a>]</span>grond boven elkaar, met daartusschenin bewaard
-gebleven overblijfselen van menschen en dieren uit verschillende
-perioden<a class="noteref" id="xd24e672src" href="#xd24e672" name=
-"xd24e672src">1</a> (Fig. 24). Hierover later meer.</p>
-<p class="par">Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek
-van dergelijke overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen
-van dieren uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een
-korte opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den
-ijstijd en de interglaciale perioden Europa bevolkten.</p>
-<p class="par">Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men
-van ijstijden en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur
-dezer perioden aangeven?</p>
-<p class="par">Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening
-houdend, worden wel door verschillende onderzoekers gegeven, maar de
-cijfers, die ons door de berekenaars als de eenig ware worden
-voorgedragen, loopen zoozeer uiteen, dat men verstandig doet, zich van
-elke vaste tijdsopgave hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren
-van onberekenbaren invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand
-geloofwaardig resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele
-cijfers noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen
-duur dezer perioden.</p>
-<p class="par">Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke
-oorzaak van de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen
-in een regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot
-de aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige
-aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer
-100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige
-waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale periode
-<span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name=
-"pb30">30</a>]</span>rekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker
-niet te weinig gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds,
-dat de groote gletschers van de hoogvlakten van Skandinavi&euml; in den
-ijstijd naar het Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van
-Duitschland, Nederland, Engeland en Ierland bedekten. Door die
-gletschers werden van de rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven
-werd, &bdquo;stroomde,&rdquo; grootere en kleinere stukken afgebroken,
-en deze rotsstukken werden langzamerhand tot ronde en afgeronde
-rolsteenen afgeslepen, door den gletscher verder gevoerd, en als dan
-eindelijk het ijs smolt, bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo
-vindt men dergelijke uit Skandinavi&euml; stammende rolsteenen in het
-vlakke gebied van Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men
-in vele gevallen de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de
-snelheid kent, waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft
-men kunnen berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die
-door de groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden
-gevoerd, tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien
-weg af te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd
-hebben. Zoo kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer
-dan 30.000 jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den
-waterval met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven.
-In de bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen
-van de morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000
-jaren verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere
-periode (dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.</p>
-<p class="par">De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere
-interglaciale perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de
-overblijfselen tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later
-zullen zien, voor een <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31"
-name="pb31">31</a>]</span>deel zelfs afbeeldingen, door hun
-menschelijke tijdgenooten vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de
-volgende:</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e691width" id="fig02"><img src=
-"images/fig02.png" alt="" width="617" height="161">
-<p class="par first">Fig. 2. Afbeeldingen van den mammoet, op stukken
-fossiel ivoor door zijn menschelijken tijdgenoot der ijsperiode
-ingekrast. Naar <i>De Mortillet</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">1&deg;. <span class="ex">de mammoet</span>, <i lang=
-"la">elephas primigenius</i>, de groote, dichtbehaarde, met geweldige
-tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der
-ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs
-met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van
-Siberi&euml; gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de
-hier in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van
-mammoettanden, door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd
-ingekrast. Ik heb juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een
-alleraardigst bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze
-ivoorstukken werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen
-men van den mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide
-ingekraste teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding
-van den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam,
-en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet, toen
-men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberi&euml;
-bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog
-voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk een <span class=
-"pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name=
-"pb32">32</a>]</span>plaatvormige, uit vetweefsel bestaande verbreeding
-vertoonde van precies denzelfden vorm, als die op de ingekraste
-teekeningen aangegeven was. Hierdoor was dus met absolute zekerheid de
-&bdquo;echtheid&rdquo; van de teekeningen bewezen, want alleen een
-ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf, die tegelijk met den
-mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste afbeelding kunnen
-maken.</p>
-<p class="par">2&deg;. <span class="ex">De oerolifant</span>, de
-<i>elephas antiquus</i>, verreweg de grootste der fossiele olifanten,
-meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen reusachtige stoottanden
-(tot 5 meter lang), iets vroeger optredend dan de mammoet, en meer een
-dier uit het laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk en van de
-warmere interglaciale perioden. Tot in Engeland gevonden. Vermoedelijk
-zeer weinig behaard, evenals de tegenwoordige olifantensoorten.</p>
-<p class="par">3&deg;. Andere olifantensoorten (<i>el. meridionalis</i>
-en <i>el. trogontherii</i>), vermoedelijk evenzeer begeleiders van de
-menschen der ijsperiode, doch ook alleen in de warmere interglaciale
-perioden meer naar het noorden (tot in Engeland) doordringend.</p>
-<p class="par">4&deg;. <span class="ex">De Siberische neushoorn</span>
-(<i>rhinoceros tichorhinus</i>), met twee achter elkaar staande horens
-op den kop, eveneens een der reusachtige dikhuidige dieren, die in het
-laatste gedeelte van den ijstijd geheel Europa tot in Siberi&euml; toe
-bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.</p>
-<p class="par">5&deg;. De <i>rhinoceros merckii</i>, evenals de elephas
-antiquus meer een dier der interglaciale perioden, die, toen het weder
-kouder begon te worden, zich meer naar het Zuiden van Rusland en
-Hongarije terugtrok.</p>
-<p class="par">6&deg;. Het <span class="ex">groote nijlpaard</span>,
-<i>hippopotamus major</i>, in reusachtige exemplaren in lagen uit de
-interglaciale periode tot in Engeland gevonden.</p>
-<p class="par">7&deg;. Het <span class="ex">elasmotherion</span>, aan
-de neushoorns verwant, voorzien van &eacute;&eacute;n langen hoorn
-midden <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name=
-"pb33">33</a>]</span>tusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van
-de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit
-Zuid-Azi&euml; tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.</p>
-<p class="par">8&deg;. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen
-gedurende den ijstijd zijn de <span class="ex">herten</span>, die in
-een aantal soorten van dikwijls reusachtige afmetingen geheel Europa
-bevolkten. De reuzenherten (<i>cervus euryceros</i>) uit Ierland, de
-reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de edelherten, de rendieren,
-die voor den praehistorischen mensch van zoo groot belang werden, dat
-men een geheele periode uit de menschelijke praehistorie naar hen als
-de rendierperiode heeft onderscheiden (men vergelijke de uit een
-oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding in fig. 3).</p>
-<p class="par">9&deg;. De verschillende <span class=
-"ex">beer</span>soorten, waarvan vooral de <span class=
-"ex">holenbeer</span> (<i>ursus spelaeus</i>) voor de laatste koude
-periode van den ijstijd kenmerkend is, en waarvan de overblijfselen in
-reusachtige exemplaren te zamen met menschelijke overblijfselen in de
-holen der ijsperiode zijn gevonden.</p>
-<p class="par">10&deg;. De tijdgenooten van den holenbeer, de
-<i>holenkat</i> (<i>felis spelaea</i>), de <i>holenhyaena</i>, de
-<i>holenwolf</i>, dieren, die de tegenwoordige tijgers in grootte
-overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel zeldzamer
-dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste koude periode
-van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen met menschelijke
-overblijfselen gevonden zijn.</p>
-<p class="par">11&deg;. Onder de overige metgezellen van den mensch uit
-den ijstijd moeten in de eerste plaats nog genoemd worden de
-<span class="ex">wisent</span> (<i>bison priscus</i>), waarvan de
-overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in &rsquo;t eeuwige ijs van
-Noord-Siberi&euml; en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen
-gevonden zijn, verder de <span class="ex">aueros</span> (<i>bos
-primigenius</i>), die vooral in de warmere interglaciale perioden en na
-afloop van den ijstijd tot in <span class="pagenum">[<a id="pb34" href=
-"#pb34" name="pb34">34</a>]</span>het noordelijk gedeelte van Europa
-doordrong, en die als de voorvader van het rund der Zwitsersche
-paalwoningen en van ons huisrund wordt beschouwd. Als typische
-gestalten uit de warmere interglaciale periode kunnen wij nog noemen
-het <span class="ex">wilde zwijn</span>, een soort van <span class=
-"ex">schaap</span>, het over geheel Europa toen ter tijde verspreide
-<span class="ex">stekelvarken</span>, en verwant daarmede, het
-<span class="ex">trogontherium</span>, doch daarmede kunnen wij onze
-lijst sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te
-beschrijven, doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de
-overblijfselen later in verband met het probleem van de afstamming van
-den mensch zullen moeten worden ter sprake gebracht.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e816width" id="fig03"><img src=
-"images/fig03.png" alt="" width="462" height="322">
-<p class="par first">Fig. 3. Grazend rendier, ingekrast op een stuk
-rendierhoorn. Gevonden in een grot bij Thayngen in Zwitserland. Uit de
-magdalenien-periode van het oude steenen tijdperk.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e821width"><img src="images/ornament.png" alt=
-"Ornament." width="149" height="80"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name=
-"pb35">35</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e672" href="#xd24e672src" name="xd24e672">1</a></span> Herkenbaar
-aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen, die bij de
-menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van eenzelfde hol
-werden gevonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e672src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5654">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">IV</span> OUDERDOM DER
-MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.</h2>
-<div class="epigraph">
-<p lang="fr" class="par first">&bdquo;l&rsquo;Homme tertiaire
-n&rsquo;est encore que sur le seuil de la science.&rdquo;<a class=
-"noteref" id="xd24e834src" href="#xd24e834" name=
-"xd24e834src">1</a></p>
-<p class="par xd24e214"><span class="ex">Broca.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par xd24e641"><span class="xd24e641init">I</span>ndien wij nu
-als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de mensch uit de
-dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan, dan kan men
-onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is dan het
-menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den
-voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond
-van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien,
-en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van
-welke diersoorten stamt de mensch af?</p>
-<p class="par">Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der
-beide laatste vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch
-en zijne voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.</p>
-<p class="par">Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet
-noodzakelijk.</p>
-<p class="par">Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat
-wij hier juist de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan,
-d.w.z. van wezens, die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten,
-maar daarnaast zich <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36"
-name="pb36">36</a>]</span>door geestelijke eigenschappen moeten hebben
-onderscheiden van de tegelijkertijd met hen levende dieren.</p>
-<p class="par">Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen
-wij alleen uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de
-weeke klei hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en
-duidelijk herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot
-het bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die
-kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En men
-denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson Crusoe, die
-volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn oogenschijnlijk
-onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den afdruk van een
-blooten menschenvoet vond.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e853width" id="fig04"><img src=
-"images/fig04.png" alt="" width="401" height="272">
-<p class="par first">Fig. 4. Tertiaire eolithen, naar <i>Rutot</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter
-nog verder gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een
-bepaalden ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan
-is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne
-vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het dan
-ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van
-woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte
-artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen
-overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde
-&bdquo;menschelijke&rdquo; manier te zijn behandeld, gespleten (om het
-merg er uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot
-het bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door
-iedereen toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het
-moderne praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le
-Pr&eacute;historique, dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden
-hebben bestaan, &bdquo;<span lang="fr">Assez intelligents pour faire le
-feu</span>,&rdquo;<a class="noteref" id="xd24e865src" href="#xd24e865"
-name="xd24e865src">2</a> <span class="pagenum">[<a id="pb37" href=
-"#pb37" name="pb37">37</a>]</span>maar dat &bdquo;<span lang="fr">ces
-&ecirc;tres n&rsquo;&eacute;taient pas et ne pouvaient pas &ecirc;tre
-encore des hommes</span>,&rdquo;<a class="noteref" id="xd24e876src"
-href="#xd24e876" name="xd24e876src">3</a> doch dit schijnt mij een
-volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in
-tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven
-voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt,
-dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens
-op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin,
-dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen
-(de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak
-dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de
-natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van
-de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende
-steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met te
-doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen van
-grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke wezens
-gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren
-deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet
-anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen,
-watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepen <span class=
-"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span>en
-afgesplinterde kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel
-wat op steenen werktuigen geleken. Door de voorvechters der
-eolithen-theorie wordt dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd
-dat een in deze kwestie wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door
-de natuur geboetseerde steenstukken nimmer zal verwarren met de echte
-eolithen, en hoe dit ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het
-dan toch wel uiterst merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het
-laatste gedeelte van het tertiaire tijdperk, v&oacute;&oacute;r het
-begin van de periode der direct als zoodanig herkenbare steenen
-werktuigen, dergelijke &bdquo;vervalschingen&rdquo; door de
-natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.</p>
-<p class="par">Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den
-wand van grotten ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet.
-Vindt men eene als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier,
-dan kan men niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het
-werk van menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen
-vinden, ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel
-ivoor, of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die,
-geheel en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer
-&bdquo;ontdekt&rdquo; en door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn
-gemaakt, dan is aan de echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.</p>
-<p class="par">Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en
-andere voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van
-druipsteengrotten, diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu
-bedenkt, hoe uiterst langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele
-duizenden jaren het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening,
-oorspronkelijk op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo
-geheel onder de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is
-geworden, dan kan men zich eenigszins <span class="pagenum">[<a id=
-"pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>een denkbeeld maken van
-de vele eeuwen, die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner
-daar met een scherp stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier,
-dat hij wellicht met zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in
-den rotswand kraste.</p>
-<p class="par">Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel
-uit den voortijd opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen
-een denkbeeld kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk
-geslacht. Ja wij kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van
-maken, hoe die menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van
-hunne beschaving (sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne
-omgeving.</p>
-<p class="par">Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een
-duidelijke vooruitgang in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen
-onderzoekt, niet te miskennen.</p>
-<p class="par">Het diepst onder den beganen grond, in de oudste
-steenlagen, te zamen met overblijfselen van dieren die in het begin van
-den ijstijd moeten hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen
-vuursteenstukken, die ternauwernood den naam van werktuigen kunnen
-dragen en slechts aan het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als
-zoodanig herkenbaar zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij
-jongere steenlagen of afzettingen onderzoeken, de techniek der
-bewerking beter en fijner worden, de steenen werktuigen nemen een
-bepaalden vorm aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden
-geschikt gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen,
-messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als zoodanig
-herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom, herkenbaar aan
-de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt dan steeds dezelfde
-voor die periode karakteristieke vorm der steenen werktuigen op.
-Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar aan de daarin
-voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatste <span class=
-"pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span>gedeelte
-van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden, dan zien wij
-den vorm der steenen werktuigen weer anders worden, regelmatiger, beter
-bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt ook in deze werktuigen
-een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en ontwikkeling. Maar er is
-meer. Als wij een bepaald type van steenen werktuigen (men vergelijke
-de lijst aan het einde van dit hoofdstuk) uitsluitend in holen vinden
-te zamen met overblijfselen van dieren als de holenbeer, de holenleeuw,
-de mammoeth, dieren dus, die in de koude perioden van den ijstijd
-hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit de gevolgtrekking maken dat
-die werktuigen door typische holbewoners, door troglodyten, werden
-vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte steenen werktuigen van een
-bepaald type nooit in die holen, maar in kiezelbeddingen aan den oever
-der groote rivieren, te zamen met overblijfselen van dieren, die in de
-warmere tusschenperioden hier hebben geleefd, van het nijlpaard, van
-den rhinoceros van Merck, van den aueros, dan moeten wij wel tot het
-besluit komen, dat de menschen, toen zij den trap van ontwikkeling
-hadden bereikt, waarop zij werktuigen van dat bepaalde type
-vervaardigden, niet in holen leefden, doch in het vrije veld, aan den
-oever der grootere rivieren, in een zachter klimaat derhalve. Vinden
-wij dan verder in dezelfde holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8
-meter) onder den grond de bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte
-steenen werktuigen vonden, op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1
-meter onder den beganen grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24
-geteekende profiel van een dergelijk hol met een aantal verschillende
-grondlagen boven elkaar) een steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte
-en anders gevormde steenen werktuigen vinden, te zamen met
-overblijfselen van dieren, die eerst in het laatste gedeelte van den
-ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan ligt de slotsom voor
-<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name=
-"pb41">41</a>]</span>de hand, dat op de minder koude periode, waarin de
-mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote
-rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige
-waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee
-voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden
-geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de
-gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen,
-de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den mensch
-weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen, waarin
-wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de
-overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren
-bevonden.</p>
-<p class="par">Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt
-zich. In het laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de
-overblijfselen van den mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt
-op, en in steeds grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen
-van dit dier naast de steenen werktuigen bij de menschelijke
-overblijfselen. Naast den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn
-gebruiken, tot wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar
-maken. Naast spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne
-pijlpunten met weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de
-kleederen vast te maken, doorboorde en met figuren bekraste
-hoornstukken om als versiering, wellicht als amulet, aan den hals te
-dragen, in steeds beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van
-de bewerking van den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als
-in fig. 5 naar Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is
-dan evenwel het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, het
-<i>palaeolithicum</i>, afgeloopen en zijn wij in het nieuw-steenen
-tijdperk, het <i>neolithicum</i>, gekomen, op een tijdstip derhalve,
-waarop de mensch al een zekere hoogte <span class="pagenum">[<a id=
-"pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span>van ontwikkeling bereikt
-had, in een aantal rassen de geheele aarde bevolkte, en de
-kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik hier dus niet verder
-in.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e913width" id="fig05"><img src=
-"images/fig05.png" alt="" width="563" height="398">
-<p class="par first">Fig. 5. Steenen werktuigen van het nieuw steenen
-tijdperk uit Skandinavi&euml;. Naar <i>S. Muller</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij
-deze algemeene bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over
-den aard van den praehistorischen mensch zooveel leert.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e923width" id="fig06"><img src=
-"images/fig06.jpg" alt="" width="585" height="440">
-<p class="par first">Fig. 6. Graf uit het steentijdperk, bij
-Chamblandes in Zwitserland. Naar <i>Dechelette</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen
-werktuigen, maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien
-voorhistorischen tijd, dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden
-dier overblijfselen zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming
-helpen oplossen, ook daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de
-oudste skeletten slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende
-hoofdstuk nader) los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig
-dat een bepaalde begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt,
-zooals uit fig. 6 en 9, <span class="pagenum">[<a id="pb43" href=
-"#pb43" name="pb43">43</a>]</span>die trouwens uit lateren tijd
-stammen, duidelijk blijkt, in een bepaalde houding, door steenen
-omgeven, dus in den grond ingegraven. Dit wijst op een doodencultus.
-Eveneens zeer spoedig blijken steenen wapenen aan de dooden te worden
-medegegeven, en men vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen
-bespreken, uit de vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten
-met fraai bewerkte steenen wapenen in de hand of om het hoofd
-gerangschikt. Dit wijst op een geloof aan een voortbestaan na den dood.
-In <span class="corr" id="xd24e934" title="Bron: ets">iets</span> later
-perioden vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde
-(blijkbaar derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of
-beenstukjes aan hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een
-doodencultus, en het is eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten
-zeer rijk versierd vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor
-kinderen. Kortom, uit dergelijke <span class="pagenum">[<a id="pb44"
-href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>gegevens, hoe schaarsch ook en
-hoe weinig beteekenend op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een
-denkbeeld vormen omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van
-beschaving dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft
-men uit dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de
-schedel een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de
-structuur van het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat
-wijst op een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een
-dergelijke wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben
-geleid.&mdash;Maar laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te
-ver in het gebied der speculatie verzeild raken.</p>
-<p class="par">&bdquo;<span lang="fr">Revenons &agrave; nos
-moutons</span>.&rdquo;<a class="noteref" id="xd24e944src" href=
-"#xd24e944" name="xd24e944src">4</a>&mdash;Keeren wij terug tot onze
-bespreking van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom
-van het menschelijk geslacht in &rsquo;t algemeen en van bepaalde
-vondsten in het bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt
-drie&euml;rlei in aanmerking: 1&deg;. de aard van de steenlaag of
-afzetting, waarin de overblijfselen worden gevonden, zoogenaamde
-stratigraphische bijzonderheden; 2&deg;. de dierlijke overblijfselen,
-die te zamen met de menschelijke skeletdeelen in dezelfde laag zijn
-aangetroffen; 3&deg;. de aard der steenen werktuigen, die bij het
-menschelijk skeletdeel uit dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze
-laatsten kunnen, als door menschenhanden vervaardigde artefacten, ook
-op zichzelf, zonder daarbij gevonden menschelijke skeletdeelen,
-getuigenis van den ouderdom van het menschelijk geslacht in het
-algemeen afleggen.</p>
-<p class="par">Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden
-vorm en licht herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende
-groepen laten samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringeren
-<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name=
-"pb45">45</a>]</span>ouderdom, wordt de groepeering der steenen
-werktuigen meestal als onderverdeeling van den geheelen tijd der
-ontwikkeling van het menschelijk geslacht v&oacute;&oacute;r den
-aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus, aangenomen,
-ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door middel van
-daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar wij dus de
-namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken telkens zullen
-moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave dier
-onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in
-&rsquo;t kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie
-behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende groepen
-van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal afbeeldingen
-belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij hier de
-gelegenheid ontbreekt.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e955width" id="fig07"><img src=
-"images/fig07.jpg" alt="" width="720" height="336">
-<p class="par first">Fig. 7. Tertiaire eolithen uit Portugal. Naar
-<i>Ribeiros</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e964width" id="fig08"><img src=
-"images/fig08.jpg" alt="" width="630" height="442">
-<p class="par first">Fig. 8. Vuursteenen werktuigen uit het
-palaeolithicum<span class="corr" id="xd24e967" title=
-"Niet in bron">.</span></p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is
-de steensoort, waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende
-fijnheid van bewerking werden vervaardigd, de &bdquo;vuursteen&rdquo;
-geweest. Wel zijn zoo nu en dan ook andere harde steensoorten
-<span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name=
-"pb46">46</a>]</span>daarvoor gebruikt, en vindt men vooral in het
-nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten, maar de
-vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men weet, is
-de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van grootere of
-kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde &bdquo;knollen,&rdquo; bij
-voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit het
-zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral de
-krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn
-bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van
-den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard
-voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan,
-(zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid
-waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan
-scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter en
-<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name=
-"pb47">47</a>]</span>voorzichtiger men den steen leerde bewerken, des
-te fijner van vorm, des te meer gedetailleerd van gedaante werden de
-werktuigen. Men vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van
-Fig. 7 met de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en
-elegante werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd
-eenvoudig ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en
-eerst langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan
-den vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu
-juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens
-vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door ruw
-tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of
-krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt
-vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden
-verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden zijn
-uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden dat een
-aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken en ze
-eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten
-(watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar
-ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen, die
-het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu van
-groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van andere
-gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een gedeelte
-van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt
-geacht,<a class="noteref" id="xd24e976src" href="#xd24e976" name=
-"xd24e976src">5</a> ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik
-juist van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7
-afgebeeld. Het is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel
-te vormen, en <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name=
-"pb48">48</a>]</span>oppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde
-vuursteenen volkomen den indruk van uit een massa vuursteensplinters
-uitgezochte, ietwat regelmatige stukken, die met door menschenhanden
-bewerkte artefacten niets te maken hebben, maar als men de talrijke
-afbeeldingen, door <span class="ex">Rutot</span>, den uitnemenden
-kenner der palaeolithische werktuigen, van tertiaire eolithen gegeven,
-beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg identische afbeeldingen van
-tertiaire vuursteenstukken uit Portugal, door <span class=
-"ex">Ribeiros</span> beschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny
-van <span class="ex">de Mortillet</span>, dan wordt men wel gedwongen
-te erkennen, dat in hunne argumenten veel waars ligt opgesloten en dat
-de theorie der tertiaire vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse
-schroeven staat als men bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd
-zou zijn aan te nemen.</p>
-<p class="par"><span class="ex">Rutot</span> en zijn volgelingen gaan
-nu echter nog verder, en meenen dat de tertiaire mensch ook geheele
-vuursteenknollen, die door hun toevalligen vorm gemakkelijk te
-hanteeren waren, en door natuurkrachten afgebrokkelde splinters zou
-hebben gebruikt, die dan hoogstens een beetje gefatsoeneerd,
-bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte typische
-&bdquo;eolithen&rdquo; zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo
-geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere,
-hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is
-ook in de talrijke geschriften van <span class="ex">Rutot</span> zelf
-een afdoend antwoord niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt
-kunnen worden, als werkelijk zeker te herkennen menschelijke
-overblijfselen uit de tertiaire periode te zamen met een groot aantal
-van dergelijke vuursteenstukken worden gevonden.</p>
-<p class="par">Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen
-werktuigen heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord
-van <span class="ex">Broca</span> gelden, <span class="pagenum">[<a id=
-"pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>dat de tertiaire mensch
-den drempel der wetenschap nog niet heeft overschreden.</p>
-<p class="par">Over het hier volgende tabellarisch overzicht der
-verschillende onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel
-woord.</p>
-<p class="par">Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is
-opgetrokken op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in
-deze richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school
-voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en meest
-typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen
-opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook het
-systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd, en
-daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de plaatsen
-waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn
-opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de
-&bdquo;acheulien&rdquo; periode, omdat de voor die periode typische
-vorm der steenen werktuigen het eerst en het meest gevonden werden in
-de kiezelafzettingen bij St. Acheul. Evenzoo van de
-&bdquo;moust&eacute;rien&rdquo; periode, naar de beroemde vindplaats
-van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode typischen
-vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit die periode
-bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo spreekt men
-van de Azilien-periode naar de grot le Mas d&rsquo;Azil in &rsquo;t
-Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij
-Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm
-aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter
-zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum, het
-Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en
-overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.</p>
-<p class="par">Maar men hoede zich, een al te groote absolute
-<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name=
-"pb50">50</a>]</span>waarde aan een dergelijke onderverdeeling toe te
-kennen.</p>
-<p class="par">Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in
-bepaalde streken, oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en
-inrichting der boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik,
-enz. met groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo
-zal ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen
-werktuigen van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn
-volgehouden dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de
-bewerking, van een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met
-de uiterste langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende
-vormen <i>naast</i> elkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan
-bijvoorbeeld hier in Holland nog steenen werktuigen uit het oude
-steenen tijdperk, stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds
-bronzen werktuigen werden vervaardigd.<a class="noteref" id=
-"xd24e1018src" href="#xd24e1018" name="xd24e1018src">6</a> De
-verdeeling naar den aard der werktuigen heeft dus slechts een zeer
-betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt zij in conflict met
-stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke overblijfselen ons
-leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste, mits met zekerheid
-vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar bijvoorbeeld door
-<i>Gorganovic-Kramberger</i> op grond van het feit, dat met bepaalde
-menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie &rsquo;t
-volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden
-opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend
-wordt, <i>Rutot</i> daarentegen op grond van de daarbij gevonden
-steenen werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar
-zou ik mij met volle overtuiging aan de zijde van <i>Kramberger</i>
-plaatsen.</p>
-<p class="par">In de volgende tabel zijn de verschillende perioden,
-<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name=
-"pb51">51</a>]</span>onderafdeelingen van het oude steenen tijdperk,
-volgens de namen der voornaamste vindplaatsen der voor die periode
-typische steenen werktuigen gerangschikt. De verdeeling der geologische
-tijdperken vergelijke men met de tabel in hoofdstuk I.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1035width" id="fig09"><img src=
-"images/fig09.jpg" alt="" width="376" height="446">
-<p class="par first">Fig. 9. Graf uit de neolithische periode, uit
-Egypte. Typische houding van het lijk met sterk opgetrokken knie&euml;n
-en op de borst gekruiste armen.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de
-jongste onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot,
-in de tabel opgenomen. <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52"
-name="pb52">52</a>]</span></p>
-<p class="par"></p>
-<div class="table" id="tbtijdperken">
-<h4 class="tablecaption">TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET
-OUD-STEENEN TIJDPERK</h4>
-<table class="xd24e416">
-<thead>
-<tr class="label">
-<td colspan="4" class=
-"colspan cellHeadLeft cellHeadTop cellHeadBottom">GEOL. TIJDPERK</td>
-<td colspan="2" class="colspan cellHeadTop cellHeadBottom">NAAM</td>
-<td class="cellHeadRight cellHeadTop cellHeadBottom">BESCHRIJVING</td>
-</tr>
-</thead>
-<tbody>
-<tr>
-<td rowspan="6" class="rowspan cellLeft">Eolithen</td>
-<td rowspan="6" class="rowspan"><img src="images/lbrace8.png" alt=""
-width="10" height="165"></td>
-<td>Tertiair</td>
-<td></td>
-<td>1.</td>
-<td>Thenay</td>
-<td rowspan="3" class="rowspan cellRight">Eerste gebruik van
-vuursteenen als werk-tuigen, nog geen op een bepaalde wijze
-gefatsoeneerde werktuigen, doch reeds verschillende vormen (volgens
-Rutot &bdquo;<span lang="fr">percuteurs, couteaux, racloirs, grattoirs,
-per&ccedil;oirs</span>&rdquo;).</td>
-</tr>
-<tr>
-<td><span class="ditto"><span class="s">Tertiair</span><span class=
-"d"><span class="i">,,</span></span></span></td>
-<td></td>
-<td>2.</td>
-<td>Cantalin (Aurillac, Cantal, Puy-Courny)</td>
-</tr>
-<tr>
-<td><span class="ditto"><span class="s">Tertiair</span><span class=
-"d"><span class="i">,,</span></span></span></td>
-<td></td>
-<td>3.</td>
-<td>Kentum (plateau van Kent)</td>
-</tr>
-<tr>
-<td rowspan="3" class="rowspan">Oudste Quartair</td>
-<td rowspan="3" class="rowspan"><img src="images/lbrace3.png" alt=""
-width="9" height="53"></td>
-<td>4.</td>
-<td>Reut&eacute;lien</td>
-<td rowspan="3" class="rowspan cellRight">Uitgezochte en reeds
-eenigermate doch zonder bepaalde methode gefatsoeneerde werktuigen van
-verschillenden vorm.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>5.</td>
-<td>Mafflien</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>6.</td>
-<td>Mesvinien</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" rowspan="8" class=
-"rowspan colspan cellLeft cellBottom">Palaeolithen</td>
-<td rowspan="8" class="rowspan cellBottom"><img src=
-"images/lbrace24.png" alt="" width="10" height="495"></td>
-<td>7.</td>
-<td>Strepyin</td>
-<td class="cellRight">Voor het eerst met een bepaald doel
-gefatsoeneerde werktuigen van bepaalden vorm.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>8.</td>
-<td>Chell&eacute;en</td>
-<td class="cellRight">Grof geslagen, aan beide zijden met grove blussen
-uitgeslagen werktuigen.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>9.</td>
-<td>Acheul&eacute;en</td>
-<td class="cellRight">Fijner geslagen werktuigen, aan beide zijden met
-kleine blussen uitgeslagen, verschillend van vorm.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>10.</td>
-<td>Mousti&eacute;rien (grotte du Moustier)</td>
-<td class="cellRight">Steenen werktuigen van bepaalden vorm, doorgaans
-slechts aan &eacute;&eacute;ne zijde toegeslagen, of puntvormig, zoodat
-zij aan een lans konden worden bevestigd, of meer rond, met scherpe
-randen (zoogen. schrappers, racloirs, volgens de Mortillet om de huiden
-van gevangen dieren te bewerken). Nog geen beenen of ivoren
-werktuigen.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>11.</td>
-<td>Aurignacien of praesolutr&eacute;en</td>
-<td class="cellRight">Naast fijn toegeslagen regelmatige steenen
-werktuigen vindt men de eerste sporen van bewerking van been en ivoor,
-en de eerste kunstuitingen. Begin van het rendiertijdperk.<span class=
-"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td>12.</td>
-<td>Solutr&eacute;en</td>
-<td class="cellRight">Zuiver toegeslagen pijlpunten, laurierbladvormig
-of gesteeld, steenen messen en boren. Paard en rendier in talrijke
-overblijfselen gevonden.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td>13.</td>
-<td>Magdal&eacute;nien</td>
-<td class="cellRight">Prachtig bewerkte steenen wapenen en werktuigen,
-nog niet gepolijst. Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn met
-weerhaken, ivoren naalden, stijlvol geboetseerde voorwerpen uit
-rendierhoorn of ivoor, steenen messen en zagen, teekeningen op
-rendierhoorn of op rotswanden (grotten).</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellBottom">14.</td>
-<td class="cellBottom">Azilien</td>
-<td class="cellRight cellBottom">Vermoedelijke doch slechts zeer locaal
-bekende overgangsperiode naar het nieuw-steenen tijdperk, het
-neolithicum, naar het tijdperk van de gepolijste steenen werktuigen,
-van het aarden huisraad, de paalwoningen, de dolmen en menhirs.</td>
-</tr>
-</tbody>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1177width"><img src="images/ornament.png" alt=
-"Ornament." width="149" height="80"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name=
-"pb54">54</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
-"noteref" id="xd24e834" href="#xd24e834src" name=
-"xd24e834">1</a></span> De tertiaire mensch staat nog slechts op den
-drempel van het gebouw der wetenschap.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e834src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e865" href="#xd24e865src" name="xd24e865">2</a></span> Zie
-<a href="#gloss">achterin</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e865src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e876" href="#xd24e876src" name="xd24e876">3</a></span> Zie
-<a href="#gloss">achterin</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e876src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e944" href="#xd24e944src" name="xd24e944">4</a></span> Zie
-<a href="#gloss">achterin</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e944src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e976" href="#xd24e976src" name="xd24e976">5</a></span> Men
-vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd24e976src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1018" href="#xd24e1018src" name="xd24e1018">6</a></span> Zelfs in
-den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel steenen pijlpunten
-gebruikt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd24e1018src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5669">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">V</span> DE OVERBLIJFSELEN VAN
-DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF</h2>
-<div class="epigraph">
-<p lang="fr" class="par first">&bdquo;L&rsquo;homme fossile
-n&rsquo;existe pas.&rdquo;</p>
-<p class="par xd24e214"><span class="ex">Cuvier</span> (1813).</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par xd24e1194"><span class="xd24e1194init">H</span>et behoeft
-geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van den mensch,
-de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk geslacht
-eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die ons van
-dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen mensch, den
-<i>homo sapiens</i>, slechts aan de fossiele overblijfselen van den
-praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis hiervan
-is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van
-ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn
-als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk
-krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit
-gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.</p>
-<p class="par">Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere
-tijden betreft, vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring
-daarin, dat toen ter tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen
-waarde werd gehecht. De leer der catastrophen van Cuvier, die de
-schepping van den mensch na de laatste catastrophe stelde en leidde tot
-het bovengenoemde dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen
-Cuvier kon aantoonen, <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55"
-name="pb55">55</a>]</span>dat overblijfselen van een geraamte, als
-&bdquo;homo diluvii testis&rdquo; aan een voorhistorischen mensch
-toegeschreven, van een reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het
-geheele vraagstuk van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon
-prijsgeven. Hoe vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de
-Perthes, die in 1841 in Picardi&euml; diep onder grintlagen en
-kalksteenafzettingen, steenen werktuigen vond te zamen met de
-overblijfselen van mammoeth en holenbeer, de geologen en anthropologen
-er zelfs maar toe brengen kon, zijne vondsten met eenige belangstelling
-te beschouwen en die beddingen zelf te onderzoeken.</p>
-<p class="par">Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de
-vondsten van overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller
-op elkaar, juist de oudste overblijfselen van menschen uit het
-ijstijdperk en onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst
-schaarsch, hoe er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende
-redenen aan te voeren.</p>
-<p class="par">In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen
-gedurende zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz.
-moeten ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd
-bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum, den
-later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, door <i>Hauser</i>
-in 1908 in het V&eacute;z&egrave;redal in een hol gevonden, met de
-uiterste zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot
-gedeelte van het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts
-enkele stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel
-bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En dan
-bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste der
-voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig
-uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in
-leemgroeven of <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name=
-"pb56">56</a>]</span>grintbeddingen bij het graven worden gevonden. En
-de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem, van de
-vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet niets
-overblijft. Zoo vertelde mij o. a. <i>Dr. Holwerda</i>, die bij zijn
-zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische
-skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (v&oacute;&oacute;r
-den terpentijd), dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische
-skeletten in onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn,
-dat slechts een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte
-de plaats aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.</p>
-<p class="par">In de tweede plaats is de levenswijze der eerste
-menschelijke wezens hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de
-mensch een bewoner geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten
-tijde van het begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme
-interglaciale perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken
-werden niet begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven
-dus ten prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind,
-overstroomingen, enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben
-verloren doen gaan.</p>
-<p class="par">Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer
-en meer ging beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot
-holbewoner, en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in
-&bdquo;abris sous roche,&rdquo; enz., waar zij minder aan schadelijke
-invloeden waren blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de
-overblijfselen van de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij
-bestreden had. Maar eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij
-zijne dooden ging begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden
-boven hunne graven grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen,
-hunnebedden enz. werden opgericht, bleven zijne overblijfselen beter
-bewaard, en werd de <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57"
-name="pb57">57</a>]</span>kans, dat het geraamte heelhuids werd
-opgedolven, grooter, omdat men juist door die <span class="corr" id=
-"xd24e1221" title="Bron: gratheuvels">grafheuvels</span> en andere
-bedekkingen er op opmerkzaam werd gemaakt, dat zich daar ter plaatse
-een voorhistorisch graf bevond, en men dus met de grootste
-zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl het vinden der alleroudste
-skeletten der holbewoners, in verreweg de meeste gevallen een zaak van
-het toeval was, en ook als het skelet niet door verweering bros was
-geworden of uiteengevallen, er vaak al zeer veel verloren gegaan en
-gebroken was, v&oacute;&oacute;r men er opmerkzaam op werd en
-voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde
-Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij het
-uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een
-leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd
-door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn,
-eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoorde <i>Dr. Fuhlrott</i> van de
-vondst, doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk
-gave skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde
-brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel beter
-gegaan.</p>
-<p class="par">Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe
-meer men de waarde van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven
-oude holen en &bdquo;abris sous roche&rdquo; voor het anthropologisch
-onderzoek leert inzien, hoe meer ook belangstelling voor deze zaken in
-alle klassen van de bevolking doordringt, des te meer kans verkrijgt
-men om de overblijfselen slechts weinig beschadigd of volledig in zijn
-bezit te krijgen.</p>
-<p class="par">Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de
-vondsten van gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het
-bestaan van het menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden
-zullen gaan behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een
-duidelijker beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenis
-<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name=
-"pb58">58</a>]</span>van dat ras zal kunnen construeeren. De door
-<i>Boule</i> zoo voortreffelijk bewerkte vondst van la
-Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt zal kunnen
-worden.</p>
-<p class="par">Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste
-gevallen het onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste
-belemmerd. Men heeft slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner
-beschikking, soms zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de
-vondst van Taubach, of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben
-voor de groote scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk
-materiaal nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele
-maten, die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist
-waar het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het
-&bdquo;hersendier&rdquo; bij uitnemendheid geldt, vooral de schedel
-daarvoor het meest belangrijk is, behoeft geen betoog. En zoo kan men
-aan het schedeldak, het eenige bewaard gebleven stuk van den
-Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende maten en hoeken bepalen, die
-men dan elk voor zich weer kan vergelijken met analoge cijfers van
-schedels van verschillende menschenrassen en apensoorten, en die voor
-het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk zijn (Fig. 10).</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1240width" id="fig10"><img src=
-"images/fig10.png" alt="" width="618" height="398">
-<p class="par first">Fig. 10. Schedeldak van den Neanderdal-schedel,
-van terzijde gezien, met de verschillende meetlijnen. Het gezichtskelet
-gereconstrueerd. Volgens <i>Klaatsch</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde
-instrumenten wordt de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus
-en voorhoofd aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het
-midden van den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den
-schedel, nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp
-beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van den
-schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat aangeeft voor
-den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien schedel omsloten.
-(Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder- en bovenkaak, van groot
-belang<span class="corr" id="xd24e1249" title="Niet in bron">.</span>
-<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name=
-"pb59">59</a>]</span>Onder alle zoogdieren is de mensch het eenige
-wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit, met
-vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden neus, is
-uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europe&euml;r met lagere
-volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die
-laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch van
-het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk
-steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch
-het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit
-verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de
-onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor
-met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband
-staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere,
-en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. En
-<span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name=
-"pb60">60</a>]</span>niet alleen dat men aan schedel en onderkaak een
-aantal maten bepaalt, doch ook de overige beenstukken, die vroeger
-altijd voor vrijwel waardeloos werden gehouden, onderzoekt men op
-dezelfde wijze systematisch, men zoekt de kleinste bijzonderheden er
-van op, om die onderling te kunnen vergelijken, het bekken en de
-onderste ledematen om daaraan na te gaan, of men verschijnselen kan
-vinden die er op zouden wijzen, dat de rechtopgaande houding bij de
-eerste menschelijke wezens nog niet zoo volledig bereikt was als bij
-den tegenwoordigen mensch, hand en arm om ook daaraan punten van
-vergelijking met de hoogere zoogdieren op te sporen. Met behulp der
-R&ouml;ntgen-stralen wordt de beenstructuur dier fossiele
-overblijfselen onderzocht, de vorm van de tandkassen, de lengte der
-tandwortels, de samenstelling en vorm der tanden en kiezen zelf
-nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals wij later uitvoeriger zullen
-nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en onvolledige gegevens nog zeer
-veel weten te bereiken.</p>
-<p class="par">Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan
-behoeft geen betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en
-klemmen verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren
-van aan verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op
-liggende aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men
-weet, dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden.
-Een reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd
-verricht worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen
-maten en lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het
-rassen-onderzoek heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen
-de gewoonte heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door
-omsnoering op een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit
-in bepaalde streken in vroegere tijden in zwang geweest). Deze
-<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name=
-"pb61">61</a>]</span>verandering blijft dan gedurende het geheele leven
-tot op zekere hoogte bestaan, en zou, als men fragmenten van een
-dergelijken schedel zou onderzoeken, tot geheel foutieve
-gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door verschillende
-kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan vervormd worden.
-Ook daarmede moet men rekening houden.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1261width" id="fig11"><img src=
-"images/fig11.png" alt="" width="595" height="427">
-<p class="par first">Fig. 11. Mediaanlijnen van een aantal schedels,
-zoo geplaatst, dat de op de horizontale lijn liggende begin- en
-eindpunten samenvallen. Verschillende graad van welving van voorhoofd
-en schedeldak.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Kortom, men tast, om eene vergelijking van <span class=
-"ex">Schwalbe</span> te gebruiken, bij dit onderzoek als het ware rond
-in een doolhof, waarin men geen weg kan vinden, en waarin slechts
-enkele wegwijzers op grooten afstand van elkaar zijn opgesteld. Van die
-wegwijzers is nog een gedeelte onleesbaar, terwijl andere slechts met
-groote moeite en met hoogstens eenigen graad van waarschijnlijkheid
-kunnen worden ontcijferd. En elke <span class="pagenum">[<a id="pb62"
-href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>nieuwe vondst kan ons dwingen,
-die wegwijzers weer te verplaatsen, kan ons doen inzien, dat wij van
-den rechten weg waren afgedwaald,&mdash;maar ook, bij elken nieuwen
-vondst wint het bepalen van den juisten weg aan zekerheid.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1273width"><img src="images/ornament.png" alt=
-"Ornament." width="149" height="80"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name=
-"pb63">63</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5678">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">VI</span> DE VOORNAAMSTE
-ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN</h2>
-<div class="epigraph">
-<p lang="en" class="par first">&bdquo;We are far from knowing how long
-ago it was when man first diverged from the Catarine (Simian) Stock;
-but it may have occurred at an epoch as remote as the eocene
-period.&rdquo;</p>
-<p class="par xd24e214"><span class="ex">Darwin.</span><a class=
-"noteref" id="xd24e1289src" href="#xd24e1289" name=
-"xd24e1289src">1</a></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par xd24e217"><span class="xd24e217init">W</span>elke zijn nu
-de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen tusschen dier
-en mensch, of bestaat nog steeds de &bdquo;break in the chain,&rdquo;
-waarover <i>Darwin</i> klaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele
-menschelijke overblijfselen?</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1297width" id="fig12"><img src=
-"images/fig12.png" alt="" width="665" height="617">
-<p class="par first">Fig. 12. Schedeldak (van boven en van terzijde
-gezien), dijbeen en kiezen van den <span class="corr" id="xd24e1300"
-title="Bron: pithecathropus">pithecanthropus</span> erectus van
-<i>Dubois</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje
-toegestaan, verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en
-beschrijving wilde geven van al de vondsten van praehistorische
-menschelijke overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming
-zou daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar
-plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen, en
-slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving geven,
-die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen nader tot
-hunne oplossing <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name=
-"pb64">64</a>]</span>hebben gebracht. Voor een overzichtelijke
-rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde
-daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude
-vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel
-geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden
-der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn, bij
-de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te geven
-van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men die
-kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen
-beschrijft, die zich het nauwste <span class="pagenum">[<a id="pb65"
-href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span>aan de dierenwereld aansluiten,
-dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te
-eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van den
-homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.</p>
-<p class="par">Beginnen wij dus met de meest dierlijke
-overblijfselen.</p>
-<p class="par">1. <span class="ex">Pithecanthropus erectus</span>
-<i>Dubois</i>.</p>
-<p class="par">Zelden is wel over een vondst van fossiele
-overblijfselen zoo veel gestreden, heeft een ontdekking zooveel
-twijfel, ergernis, wantrouwen, vreugde en opgewondenheid&mdash;al
-naarmate het standpunt, dat men tegenover de descendentieleer en het
-vraagstuk van de afstamming van den mensch innam&mdash;veroorzaakt, als
-toen <i>Eugene Dubois</i> in 1893 van uit Batavia het bericht de wereld
-inzond, dat hij de overblijfselen van een op den mensch gelijkenden
-overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus erectus, den
-rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele
-overblijfselen&mdash;een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en
-twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en
-dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde
-aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke
-skelet, dat men hier den tusschenvorm, den &bdquo;missing link&rdquo;
-van <i>Darwin</i>, meende voor zich te hebben. De verschillende
-beenstukken (schedeldak en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter
-van elkaar verwijderd, maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men
-vergelijke de doorsnede van de lagen in fig. 13), en zonder eenige
-verdere bijmengselen, dat het van verschillende zijde geuite bezwaar,
-dat de stukken niet tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het
-dijbeen van een mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig
-zou zijn, wel ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen
-verrassend veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkap
-<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name=
-"pb66">66</a>]</span>meer op die van een grooten aap, dan op die van
-een mensch, hoewel in vele opzichten meer ontwikkeld dan de
-tegenwoordig levende menschapen. <i>Dubois</i> gaf daarenboven aan, dat
-volgens de bij de overblijfselen in dezelfde steenlaag gevonden
-fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong zou zijn. Men had
-hier dus den langgezochten tertiairen voorvader van het menschelijk
-geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van latere opgravingen op
-dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover ontstaan. De bewerking der
-door de expeditie van Mevrouw Selenka in 1906 op dezelfde plaats
-verzamelde fossielen en geologische <span class="pagenum">[<a id="pb67"
-href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>gegevens door <i>Volz</i>,
-<i>Elbert</i> en anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met groote
-waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten, waarin
-de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van veel
-lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen,
-waartoe <i>Dubois</i> ze meende te kunnen brengen, een resultaat
-waartoe, onafhankelijk van <i>Volz</i>, ook <i>K. Martin</i> op grond
-van het systematisch onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch
-schijnt ook er op te wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus
-met den mensch te zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen
-van vuur en een menschenkies in dezelfde steenlaag.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1355width" id="fig13"><img src=
-"images/fig13.png" alt="" width="588" height="550">
-<p class="par first">Fig. 13. Profiel van de vindplaats van de
-overblijfselen van den <span class="corr" id="xd24e1358" title=
-"Bron: ptihecanthropus">pithecanthropus</span> erectus bij Trinil. a =
-laag, waarin zich de overblijfselen zelf bevinden, diep onder den
-beganen grond.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van
-den <span class="corr" id="xd24e1364" title=
-"Bron: pithecantropus">pithecanthropus</span> bevatte, schijnt niet
-tertiair, doch diluviaal te zijn, en moet volgens <i>Volz</i> zelfs
-ongeveer in het midden van de diluviale periode (men vergelijke de
-tabel in hoofdstuk I) gesteld worden.<a class="noteref" id=
-"xd24e1370src" href="#xd24e1370" name="xd24e1370src">2</a> Zelfs als
-men dus van het eolithen-vraagstuk geheel afziet, en zich uitsluitend
-houdt aan de werkelijk gevonden menschelijke overblijfselen, zelfs dan
-is, zooals uit de hierna te bespreken vondsten blijken zal, de
-pithecanthropus niet ouder, doch eer jonger dan de oudste menschelijke
-overblijfselen, en heeft hij dus waarschijnlijk gelijktijdig met den
-mensch geleefd, wellicht zelfs naast hem, want in Indonesi&euml;, in
-Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op Java zijn sporen van menschen uit
-den palaeolithischen tijd gevonden.</p>
-<p class="par">Van den &bdquo;missing link&rdquo; is dus geen sprake,
-en zoo geeft dan ook zelfs <i>Schwalbe</i>, die den pithecanthropus
-<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name=
-"pb68">68</a>]</span>zoo uiterst nauwkeurig en systematisch heeft
-onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de pithecanthropus bij den mensch
-moet hebben gestaan, het toch volstrekt niet noodzakelijk is, hem als
-directen voorvader van het menschengeslacht aan te nemen.</p>
-<p class="par">Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote
-beteekenis, en aan <i>Dubois</i> de onvergankelijke eer, bij een
-doelbewust onderzoek er naar, deze overblijfselen te hebben gevonden,
-en er de groote waarde direct van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt
-men den pithecanthropus volkomen uit de reeks van voorvaderen van den
-mensch uit, dan toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend
-menschelijk, tot welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de
-menschapen, de primaten, in het begin der quartaire periode zijn
-gekomen, en het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een
-directe, niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets
-gedegenereerde afstammeling is van denzelfden vorm, die in
-nakomelingen, die zich in reeksen van opvolgende generaties wel
-ontwikkelden, het menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook,
-zooals uit fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus
-met die van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de
-schedelcapaciteit (d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen
-ingenomen, het volumen van de hersenen dus), volgens <i>Dubois</i> 870
-c. M.<sup>3</sup>, tegen 550 c. M.<sup>3</sup> bij de grootste
-menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.<sup>3</sup> bij den
-neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.<sup>3</sup> bij de blanke
-rassen, verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde
-zou volgens <i>Dubois</i> gelden voor hetgeen men aan de binnenzijde
-van den schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen
-zien, nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen,
-dat met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen
-menschaap. <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name=
-"pb69">69</a>]</span></p>
-<p class="par">2. <i>Eoanthropus Dawsoni.</i> In het laatst van
-&rsquo;t jaar 1912 werd in een kiezelafzetting (een zoogenaamde
-&bdquo;gravel pit&rdquo;) bij Piltdown in Sussex een gedeelte van de
-onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk wezen uit de eerste
-tijden der pleistocene periode gevonden, volgens de nog eenigszins
-onvolledige gegevens<a class="noteref" id="xd24e1423src" href=
-"#xd24e1423" name="xd24e1423src">3</a> het oudste menschelijke
-overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van
-den ontdekker werd het de <i>eoanthropus Dawson</i> gedoopt.
-Niettegenstaande maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd
-gezocht, werden geen verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens
-de beschrijving, van de overblijfselen door <i>Mr. Smith Woodward</i>
-gegeven, stammen de overblijfselen uit de &bdquo;Chell&eacute;en&rdquo;
-periode. Steenen werktuigen van het &bdquo;Chell&eacute;en&rdquo; type
-en overblijfselen van een hippopotamus werden in dezelfde laag
-aangetroffen.</p>
-<p class="par">De menschelijke overblijfselen bestonden uit de
-rechterhelft van de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het
-schedeldak. Dit laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed
-gereconstrueerd worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het
-merkwaardige van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend
-veel gelijkt op die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de
-in de onderkaak bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke
-kenmerken vertoonen, alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde
-verschijnsel later wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis
-4). De kinstreek is afgebroken en de verdere <span class=
-"pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span>tanden
-zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige tandkassen kan men echter
-duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden tanden en kiezen iets
-grooter moeten geweest zijn dan die van den tegenwoordigen mensch.</p>
-<p class="par">Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den
-schedelinhoud te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer
-1070 c. M.<sup>3</sup> te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de
-hierboven in verband met den pithecanthropus genoemden, dan ziet men,
-dat de eoanthropus grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch
-minder dan de werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide
-fragmenten bracht dan ook <i>Dr. Smith Woodward</i> tot de slotsom, dat
-wij hier met een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel
-reeds dicht bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo
-verdient, en daarom door hem de eoanthropus, &bdquo;het wezen staande
-aan den dageraad der menschwording&rdquo; gedoopt is. Voor het probleem
-der afstamming en vooral van de verbreiding van den mensch over de
-aarde, is het nu zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke
-intermediaire vormen als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een
-in Java, de andere in Europa zijn gevonden.<a class="noteref" id=
-"xd24e1450src" href="#xd24e1450" name="xd24e1450src">4</a></p>
-<p class="par">3. De vondst van <i>Taubach</i>. In 1895 werden door
-<i>Nehring</i> twee menschelijke kiezen beschreven, die bij Taubach in
-Saxen-Weimar gevonden waren, meer dan 5 meter onder den beganen grond
-in steenlagen uit het allereerste gedeelte der quartaire periode, te
-zamen met primitieve steenen werktuigen uit de
-&bdquo;Chell&eacute;en&rdquo; of &bdquo;Acheul&eacute;en&rdquo; periode
-en met overblijfselen <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71"
-name="pb71">71</a>]</span>van den elephas antiquus en den rhinoceros
-van Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was
-de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke
-oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide
-kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende
-kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt
-vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft, in
-het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende
-eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een
-menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te
-kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist de
-tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende
-diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het
-menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de
-soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft kunnen
-vaststellen aan &eacute;&eacute;n tand, die van een dergelijk dier
-gevonden was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone
-grootte van de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later
-gevonden oudste menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden
-eoanthropus en vooral bij den straks nader te beschrijven homo
-heidelbergensis tot de op den voorgrond tredende eigenaardigheden
-behoort. Daarom werden dan ook de &bdquo;tanden van Taubach&rdquo; hier
-vermeld.</p>
-<p class="par">4. <i>Homo heidelbergensis.</i> De onderzoekingen van
-<i>Dubois</i> op Java werden in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar
-later werd de tweede uiterst belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21
-October 1907 is de datum, die met gulden letteren in het boek der
-anthropologische wetenschap verdient te worden opgeteekend, als van den
-dag waarop de fossiele onderkaak van den <span class="pagenum">[<a id=
-"pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>&bdquo;heidelberger
-mensch&rdquo; werd gevonden. En het is merkwaardig, dat, evenals
-<i>Dubois</i> doelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil was gaan
-onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten
-overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak
-door <i>Schoetensack</i> jaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij
-het dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven,
-waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit het
-laatste gedeelte der tertiaire periode. <i>Dr. O. Schoetensack</i>, de
-anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren een
-getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de groote
-overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve en de aan
-fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en in de
-verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen konden
-worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de groeve telkens
-weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun op &rsquo;t hart
-gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te graven, doch
-hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten, zijn geduld
-beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk van verwittigd,
-dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan 24 meter onder den
-beganen grond, een menschelijke onderkaak was gevonden. Zoodoende kon
-<i>Dr. Schoetensack</i> direct na het vinden van de kaak de vindplaats
-inspecteeren, en photographeeren, hij liet een notarieele akte van de
-omstandigheden, waaronder de vondst plaats had gegrepen, opmaken en
-door den opzichter en den arbeider, die er bij aanwezig geweest waren,
-onderteekenen, hij liet op de vindplaats een gedenksteen aanbrengen,
-kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig vastgesteld, dat geen twijfel
-meer mogelijk was. De vondst van deze kaak dan ook vrijwel de eenige
-anthropologische vondst, waarvan door geen enkelen geleerde ooit
-eenigen <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name=
-"pb73">73</a>]</span>twijfel omtrent de echtheid en den hoogen ouderdom
-is geopperd. Daarna is door <i>Schoetensack</i> de kaak beschreven in
-een voortreffelijke, uitvoerige, rijk ge&iuml;llustreerde monographie,
-zoodat naast de meesterlijke beschrijving door <i>M. Boule</i> van den
-een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch van la
-Chapelle-aux-Saints het werk van <i>Schoetensack</i> als een voorbeeld
-van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1501width" id="fig14"><img src=
-"images/fig14.jpg" alt="" width="478" height="633">
-<p class="par first">Fig. 14. Profielbeeld van de zandgroeve van Mauer,
-waarin bij &times; (rechts onderaan, vlak bij den bodem der groeve) de
-kaak van den homo heidelbergensis werd gevonden.</p>
-</div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name=
-"pb74">74</a>]</span></p>
-<p class="par">Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het
-fossiel. In de photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de
-afgegraven zandgroeve de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar
-en rechts onder bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats
-aangeeft, waar de kaak werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In
-dezelfde laag werden gevonden overblijfselen van den elephas antiquus,
-den etruscischen neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort
-van paard, dat in het laatste gedeelte van de tertiaire periode
-voorkomt, een fauna, derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer
-hoogen ouderdom van de steenlaag, in het einde van de tertiaire
-periode. De bij de kaak in dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn
-volgens <i>Rutot</i> eolithen uit de &bdquo;Mafflien&rdquo;-periode,
-einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom, de kaak van Mauer
-is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen nauwkeurig bekende
-menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog v&oacute;&oacute;r het
-begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire
-periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al
-het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden, doch
-daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men
-vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van
-een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het
-voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in
-de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal
-massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor
-de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen
-vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij
-het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder
-gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe te
-schrijven. Het <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name=
-"pb75">75</a>]</span>gebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke
-kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk
-vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen
-menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak als
-een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde bleek
-ook bij het r&ouml;ntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de vorm
-van de tandwortels, door de r&ouml;ntgenstralen in het inwendige van de
-kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het
-menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1514width" id="fig15"><img src=
-"images/fig15.jpg" alt="" width="709" height="545">
-<p class="par first">Fig. 15. De onderkaak van den homo heidelbergensis
-van terzijde gezien.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien,
-<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name=
-"pb76">76</a>]</span>is natuurlijk niet te zeggen, maar wel kan men met
-zekerheid uit het gevonden fossiel afleiden, dat de drager een
-mengeling van dierlijke en menschelijke kenmerken moet hebben vertoond.
-Wil men van een &bdquo;missing link,&rdquo; van een overgangsvorm
-spreken, dan heeft men hier den typischen overgangsvorm voor zich.
-Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons nog eens andere deelen van
-het geraamte, waaruit wij den verderen lichaamsbouw van den homo
-heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij in het laatste gedeelte der
-tertiaire periode bestaan heeft, dat hij de kenmerken van een
-tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de door
-<i>Schoetensack</i> beschreven fossiele onderkaak ons een zeker
-bewijs.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1526width" id="fig16"><img src=
-"images/fig16.png" alt="" width="358" height="493">
-<p class="par first">Fig. 16. Omtrekken van de kaak van Mauer (den homo
-heidelbergensis) (A), en van een moderne menschelijke onderkaak
-(B).</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">5. De <i>Neanderdal-schedel</i>. In een vorig hoofdstuk
-beschreef ik reeds in korte trekken de geschiedenis van den vondst van
-dezen beroemden schedel, waarvan alleen &rsquo;t bovenste gedeelte, het
-schedeldak, is bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum,
-tegenwoordig <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name=
-"pb77">77</a>]</span>slechts &eacute;&eacute;n van een groote groep van
-gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856 door eenige arbeiders bij
-het uitgraven van een leemgroeve gevonden in een kleine grot in het
-Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen, door <i><span class="corr"
-id="xd24e1539" title="Bron: F&uuml;hlrott">Fuhlrott</span></i> met nog
-eenige andere deelen van het skelet (de grootste helft der lange
-beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere fragmenten) van den
-ondergang gered, en door hem en <i><span class="corr" id="xd24e1543"
-title="Bron: Schafhausen">Schaaffhausen</span></i> het eerst
-beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak) jaren lang
-het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl men in
-Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten en van de
-anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen, dat dit
-schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag, wijkend
-voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen, zijn
-langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder, zeer
-laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet zonder
-tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand minder dan
-<i>Virchow</i> en <i>Ranke</i> de ban er over uitgesproken. De
-diluviale ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de
-eigenaardige eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard,
-en de schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der
-Merovingers, dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een
-soldaat uit den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht
-met de in zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen
-(&bdquo;neanderthaloiden&rdquo;) vorm vertoonende Marker- en
-Friezenschedels, met den Batavus genuinus van Blumenbach. Zoo werd aan
-den <span class="corr" id="xd24e1553" title=
-"Bron: Neanderdalschedel">Neanderdal-schedel</span> elke waarde ontzegd
-voor het probleem van de afstamming van den mensch. Volgens
-<i>Virchow</i>, die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst
-tusschen den Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had
-gelegd, kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke
-schedelvormen <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name=
-"pb78">78</a>]</span>(de Marker visschers) in den Haag zien
-rondloopen.</p>
-<p class="par">Dat de eigenaardige vorm van het
-Neanderdal-schedelfragment niet direct als normaal en als kenmerkend
-voor een bepaald menschenras met nog zeer inferieure kenmerken en van
-zeer hoogen ouderdom werd aangezien, was begrijpelijk, zoolang de
-Neanderdal-schedel nog een unicum was, vooral daar de eigenaardige
-omstandigheden van de vondst van de overblijfselen alle
-stratigraphische gegevens hadden doen verloren gaan, en de studie van
-dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit dezelfde steenlaag als
-waarin de menschelijke overblijfselen hadden gelegen, waaruit de
-ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk hadden gemaakt. Toen
-echter in 1886 door <i>Fraipont</i> en <i>Lohest</i> in Belgi&euml; in
-de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een aantal andere
-beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan de beide schedels
-een verrassende overeenkomst met het schedeldak van <i><span class=
-"corr" id="xd24e1570" title="Bron: F&uuml;hlrott">Fuhlrott</span></i>
-en <i><span class="corr" id="xd24e1574" title=
-"Bron: Schafhausen">Schaaffhausen</span></i> vertoonden, werd dit
-anders, en toen in 1893 <i>Dubois</i> den hier boven vermelden
-pithecanthropus, die zoo vele punten van vergelijking met het
-Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef, toen in de laatste jaren der
-19e eeuw <i>Schwalbe</i> zijne klassieke onderzoekingen over deze groep
-van fossiele schedels deed verschijnen, was de ban gebroken, en in 1901
-op het Duitsche anthropologen-congres te Metz moest <i>Virchow</i> het
-helaas nog beleven, dat hij ook door de Duitsche anthropologen verlaten
-werd, en dat, zooals <i>Klaatsch</i>, zijn heftigste bestrijder, het
-uitdrukte, &bdquo;<span lang="de">der so lange verkannte Homo
-neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung
-feierte.</span>&rdquo;<a class="noteref" id="xd24e1593src" href=
-"#xd24e1593" name="xd24e1593src">5</a></p>
-<p class="par">6. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij de
-<i>Grot van Spy</i> in Belgi&euml; door de Puydt en Lohest in
-<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name=
-"pb79">79</a>]</span>1885<a class="noteref" id="xd24e1606src" href=
-"#xd24e1606" name="xd24e1606src">6</a> was in twee opzichten
-belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en
-Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden van
-de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de
-daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden
-beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke
-overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende
-beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van
-gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven te
-zijn.</p>
-<p class="par">De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth en
-<span class="corr" id="xd24e1617" title=
-"Bron: rhinozeros">rhinoceros</span> tichorinus, en de bij de skeletten
-gevonden steenen werktuigen wezen op een hoogen ouderdom, ongeveer in
-de &bdquo;moust&eacute;rien&rdquo;-periode. De beenstukken zelf waren
-in drie&euml;rlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats vertoonde
-vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig bewaard
-gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken, het lage
-wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de geweldige
-wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de tweede plaats
-was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde onderkaak
-voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend dierlijke
-kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter van den
-schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de zooveel
-later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en den later
-nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die ons zooveel
-omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen geleerd
-hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen
-eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke
-onderkaak, in 1866 in de grotte de la <i>Naulette</i> bij Dinant in
-Belgi&euml; gevonden, en die merkwaardig <span class="pagenum">[<a id=
-"pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span>was om het nagenoeg
-geheel ontbreken van de vooruitstekende kin, het breede massieve
-karakter van het achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De
-kaak van het skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn,
-breed en zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de
-kauwspieren, groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak
-hier geheel en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze
-eigenschappen hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de
-geologisch zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de
-derde plaats kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken,
-het dijbeen en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den
-primitieven bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo
-gevormd te zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang,
-chimpansee) het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half
-gebogen knie&euml;n en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook
-dat wijst dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van
-Cannstadt, van Eguisheim, van Br&uuml;nn, van Sipka, Br&uuml;x,
-Predmost enz.) die ik hier verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral
-in de laatste 6 jaren een aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan,
-die zich volkomen aan de boven beschreven fossielen aansluiten, en de
-sterke verbreiding van het laagstaande menschenras, waarvan de
-Neanderdal-schedel het type vormt, aantoonen. In de eerste plaats:</p>
-<p class="par">7. De vondst van <i>Krapina</i>. Reeds in 1899 en 1901
-waren door een Hongaarsch anthropoloog, <i><span class="corr" id=
-"xd24e1635" title=
-"Bron: Georjanovic-Kramberger">Gorjanovi&#263;-Kramberger</span></i>
-korte mededeelingen gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele
-menschelijke overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapina
-<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name=
-"pb81">81</a>]</span>aan den oever van de Krapicina-beek. In 1906
-volgde de uitvoerige beschrijving, nadat gedurende meer dan 6 jaren de
-onderzoekingen waren voortgezet. Het rotshol, waarin de overblijfselen
-werden gevonden, was geheel en al met aarde en steenen opgevuld, en was
-merkwaardig om de regelmatigheid waarmede de afzettingen in lagen boven
-elkaar voorkwamen, telkens afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin
-houtskool en verkoolde beenderen de vroegere aanwezigheid van
-haardvuren aantoonden. Blijkbaar was het hol in overoude tijden, toen
-de bedding van het riviertje nog zooveel hooger lag dan nu, telkens
-overstroomd, en keerden, nadat het weer droog geworden was, telkens
-weer bewoners in het hol terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen
-werden nu naast tal van steenen werktuigen uit de oudste
-palaeolithische periode (meer dan 600 stuks) en dierlijke
-overblijfselen, waarvan vooral de resten van den rhinoceros Merckii op
-een zeer hoogen ouderdom van de lagen wijzen, een zeer groot aantal
-menschelijke <span class="corr" id="xd24e1640" title=
-"Bron: beenstukkn">beenstukken</span> gevonden, van 9 verschillende
-skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren, bleken de
-skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17 zijn de
-grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog met groote
-voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere studie bruikbaar
-te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken, vooral de lange
-pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen krijgen als zij
-met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze beenderen waren in
-de lengte gespleten, zooals dierlijke botten, waar men het beenmerg
-uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat men hier met
-kannibalisme te doen heeft, dat dus die oudste bewoners van
-Kroati&euml; menscheneters waren. Verder vertoonden de schedelbeenderen
-de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in sterke mate. In
-fig. 17 zijn aan het van terzijde <span class="pagenum">[<a id="pb82"
-href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span>geziene schedeldak (boven in de
-figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk ontwikkelde
-wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote holle oogkassen
-(vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span>Dat
-wijst dus op een sterke verbreiding van &rsquo;t Neanderdalras over een
-groot deel van Europa. Maar daarnaast is &rsquo;t voor het probleem,
-hetwelk ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9
-verschillende cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden
-zijn, twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze
-verschillen als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden
-(brachycephalen) onder de latere menschenrassen. Ook bij het
-Neanderdalras (om op het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken)
-bestonden dus reeds langhoofdige en rondhoofdige
-&bdquo;neandertalers.&rdquo; Later zullen wij hierop nog terug moeten
-komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, dat deze zelfde
-eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de beenderen der
-ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer korte,
-stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken gevonden.
-Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar aanleiding
-van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden, heeft zich
-een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet wil
-ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten door
-hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen uit
-de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1649width" id="fig17"><img src=
-"images/fig17.jpg" alt="" width="626" height="720">
-<p class="par first">Fig. 17. Verschillende schedelfragmenten van
-Krapina. Boven: een stuk van het schedeldak met oogkassen van terzijde
-gezien. Links onder: oogkassen en neus van voren gezien. Rechts onder:
-kaakstukken met tanden. Volgens <i>Kramberger</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">8. Werden dus tot in Kroati&euml; vertegenwoordigers van
-het Neanderdaltype gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere
-zijde van Europa werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar
-een fossiele schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend
-als de <i>Gibraltar</i>-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden,
-geraakte deze schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 door
-<i>Sollas</i> uitvoerig en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort
-zeer duidelijk tot het Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1&deg;.
-het gelaatgedeelte van den schedel, dat door de groote holle
-<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name=
-"pb84">84</a>]</span>oogkassen, de zware massieve wenkbrauwbogen en de
-wijde neusopening een eigenaardigen &bdquo;bestialen&rdquo; indruk
-maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige tot nu toe
-beschreven schedels, omdat 2&deg;. de schedelcapaciteit, m. a. w. het
-volume van de door den schedel omsloten hersenmassa, 1100
-c.M<sup>3</sup>., kleiner is dan die van de overige neandertaloide
-schedels, doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden
-eoanthropus (1070), en omdat 3&deg;. de eigenaardige vorm van de ook
-juist bij dezen schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk
-aan dierlijke formaties herinnert.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1670width" id="fig18"><img src=
-"images/fig18.jpg" alt="" width="362" height="435">
-<p class="par first">Fig. 18. De Gibraltar-schedel &bdquo;en
-face&rdquo; gezien. Volgens <i>Sollas</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">9. <i>Homo Mousteriensis Hauseri.</i> Dit skelet, in
-1908 in Frankrijk opgedolven, had een groote aanwinst voor de
-anthropologische wetenschap kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden
-waaronder, en de wijze waarop het werd uitgegraven, een donkere schaduw
-over de geheele vondst hadden geworpen en de beteekenis <span class=
-"pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span>er van
-verkleind. Een Zwitsersch handelaar in oudheden, <i>O. Hauser</i>, die
-reeds meermalen op Franschen bodem naar voorhistorische relicten had
-gezocht, vond in Maart 1908 bij het graven in een hol bij le Moustier
-in Dordogne, den klassieken bodem der belangrijkste voorhistorische
-vondsten, sporen van een menschelijk skelet. Inplaats van nu de
-Fransche archaeologen daarmede in kennis te stellen, werd alles weer
-zorgvuldig met takkebossen en planken toegedekt; eenige Duitsche
-anthropologen werden er bij genoodigd, en in Augustus van hetzelfde
-jaar werd door <i>Hauser</i> en <i>Klaatsch</i> in alle stilte het
-skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist gepakt en
-weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen was, werd er
-ruchtbaarheid aan gegeven. <i>Hauser</i> verkocht toen het skelet voor
-de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was zeer
-broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De
-schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen
-echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid
-geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal
-stukken uiteen, en de stukken zijn toen later door <i>Klaatsch</i> met
-behulp van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in
-elkaar gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze
-bewerking was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht,
-voor verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is.<a class=
-"noteref" id="xd24e1700src" href="#xd24e1700" name="xd24e1700src">7</a>
-Daarbij zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische
-bijzonderheden van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen.
-Wel zijn fraai bewerkte steenen werktuigen uit de
-&bdquo;mousti&eacute;rien&rdquo;-periode en eenige overblijfselen van
-den aueros (bos <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name=
-"pb86">86</a>]</span>primigenius) in de omgeving van het skelet
-gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare gegevens
-omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen onder den
-beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst veel van
-hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren, omdat de
-verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen ouderdom en
-op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele lichaam wijzen.
-Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer 16 jaren oud), met
-een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd, groote holle oogkassen,
-vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak (type Neanderdal), terwijl
-ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw van het kniegewricht blijkt te
-bestaan, die bij het skelet uit de grot van Spy te vermelden viel, en
-die er op wijst, dat de rechtopstaande houding nog niet geheel en al
-bereikt was, en ook de mensch van le Moustier het evenwicht bij het
-loopen slechts bij half gebogen knie&euml;n en voorovergebogen lichaam
-kon bewaren.</p>
-<p class="par">10. <i lang="fr"><span class="corr" id="xd24e1708"
-title="Bron: &rsquo;lHomme">l&rsquo;Homme</span> de la
-Chapelle-aux-Saints.</i> Daar deze vondst, naast die van den homo
-heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte anthropologische
-vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik de bijzonderheden er
-van iets meer uitvoerig behandelen dan de voorgaande. Door ervaren
-deskundigen met de meeste zorgvuldigheid en zaakkennis uitgegraven,
-nagenoeg volledig, vooral wat de schedel betreft, bewaard gebleven, met
-volkomen betrouwbare stratigraphische gegevens, en daarna op
-voortreffelijke wijze door <i>M. Boule</i>, den directeur van het
-Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,<a class="noteref" id=
-"xd24e1715src" href="#xd24e1715" name="xd24e1715src">8</a> kan deze
-vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den eersten
-<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name=
-"pb87">87</a>]</span>rang gelden en zal steeds de basis blijven vormen
-voor later praehistorisch-anthropologisch onderzoek.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1724width" id="fig19"><img src=
-"images/fig19.png" alt="" width="600" height="409">
-<p class="par first">Fig. 19. Plattegrond en doorsneden van de grot,
-waarin het skelet werd gevonden, met het skelet zelf, zooals het werd
-aangetroffen.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1729width" id="fig20"><img src=
-"images/fig20.jpg" alt="" width="651" height="562">
-<p class="par first">Fig. 20. De schedel van La Chapelle-aux-Saints,
-gerestaureerd. Volgens <i>Boule</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger
-dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie
-Roomsch-Katholieke geestelijken&mdash;in Frankrijk telt de
-praehistorische anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame
-beoefenaars onder de R. K. geestelijkheid&mdash;de abten J. en A.
-Bouyssonie en L. Bardon, in een kleine ondiepe grot bij de
-Chapelle-aux-Saints, in het <span class="corr" id="xd24e1738" title=
-"Bron: Corr&eacute;zedal">Corr&egrave;zedal</span>, die bijna geheel
-met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder deze steenlagen, op
-den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet uitgegraven (fig. 19). Het
-skelet lag in een regelmatig gevormde, rechthoekige uitholling van den
-bodem van de grot op den rug, met den eenen arm op de borst gevouwen en
-de knie&euml;n sterk opgetrokken, een houding dus die aan de latere
-hurkgraven (H&ouml;ckergr&auml;ber) herinnert. Een aantal steenen
-werktuigen, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name=
-"pb88">88</a>]</span>in de steenlagen gevonden, waren van het
-Moust&eacute;rien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een
-soort van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige
-andere dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn,
-alsof deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor
-andere doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd,
-veel te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat
-het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte lagen in
-de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne natuurlijke
-ligging tegen elkaar aan. <span class="pagenum">[<a id="pb89" href=
-"#pb89" name="pb89">89</a>]</span>Behalve de regelmatig gevormde
-uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag,
-waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene
-boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen
-werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom van
-het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span></p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1747width" id="fig21"><img src=
-"images/fig21.jpg" alt="" width="571" height="683">
-<p class="par first">Fig. 21. De schedel van La <span class="corr" id=
-"xd24e1750" title=
-"Bron: Chapelle-aux-saints">Chapelle-aux-Saints</span>, van terzijde,
-van voren en van boven gezien.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen
-leeftijd, ongeveer 1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van
-den romp en de ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die
-wij niet of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen
-mensch, daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden.
-Vooral de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de
-kleine beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde
-&bdquo;<span class="corr" id="xd24e1756" title=
-"Bron: pithecoide">pitheco&iuml;de</span>&rdquo; (bij de apen terug te
-vinden) kenmerken.</p>
-<p class="par">Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de
-schedel, waarvan door <i>Boule</i> een voortreffelijk gipsafgietsel is
-vervaardigd. Van het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven-
-en een in de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover
-elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar
-natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan
-moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke
-trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer
-lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen verdikt
-tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote, wijde
-neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend, de
-afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de
-oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae,
-die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter
-verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding,
-het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft
-een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij
-geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den
-menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook
-van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat
-de hersenen omsluit, het intellectueele element, boven <span class=
-"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>de
-kaakstreek, het onderste gedeelte van het gelaat, als &rsquo;t ware het
-materieele element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts
-de verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen
-zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1767width" id="fig22"><img src=
-"images/fig22.jpg" alt="" width="718" height="351">
-<p class="par first">Fig. 22. Een chimpansee-schedel (A) naast den
-fossielen schedel van La Chapelle-aux-Saints (B) en een modernen
-menschelijken schedel (C) geplaatst, van voren gezien.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als
-men den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een
-schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden
-menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23 zijn
-de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van terzijde
-gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange beschrijving.
-Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en kaakstreek, op
-den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige beenige
-vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den fossielen
-mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een duidelijken
-<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name=
-"pb92">92</a>]</span>indruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect
-van dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan
-welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men
-denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van
-dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt,
-waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1776width" id="fig23"><img src=
-"images/fig23.jpg" alt="" width="690" height="666">
-<p class="par first">Fig. 23. Dezelfde drie schedels (A, B en C) van
-terzijde gezien. Volgens <i>Boule</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel.
-<span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name=
-"pb93">93</a>]</span>Het is aan de bekwame preparateurs van het
-Parijsche Museum zelfs gelukt, een volkomen nauwkeurig afgietsel van de
-holte van den schedel te vervaardigen, waaraan nog zoovele
-bijzonderheden van den oppervlakkigen vorm der eertijds door dien
-schedel omsloten hersenen te zien was, dat <i>Boule</i> door
-vergelijking van dit afgietsel met een reeks van dergelijke afgietsels
-van menschen- en van apenschedels met zekerheid kon aantoonen, dat ook
-in den vorm der hersenen eene mengeling van dierlijke en menschelijke
-kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is nu hierbij, dat de
-hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is, slechts iets geringer
-van volume dan de hersenen van den modernen mensch. Ook bij den
-neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar was dit reeds
-opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud met eenige mate
-van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.</p>
-<p class="par">Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een
-representant van een in de oudste praehistorische tijden over een groot
-deel van Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate
-dierlijke en menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw
-aansluit aan de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer
-afwijkt van den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou
-afvragen, of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat
-als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou
-aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een
-andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of zelfs
-den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de
-representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied, en
-door <i>Schwalbe</i>, <i>Kramberger</i> en een aantal andere
-anthropologen wordt de neanderdal-mensch als <span class="ex">homo
-primigenius</span> tot een andere soort gerekend dan de homo
-<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name=
-"pb94">94</a>]</span>sapiens. Wij komen hierop later bij onze algemeene
-beschouwingen nog nader terug, maar &eacute;&eacute;n zaak moet ik als
-behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la
-Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen
-vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode,
-waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw de
-dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den voorgrond
-treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat men zelfs
-gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere soort te
-moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke eigenschappen
-betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in den
-geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen dat
-het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond van
-de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de bodemlaag
-van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen vorm. En als
-wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij dat de lange as
-van den rechthoek juist west-oost is georienteerd, zoodat ook het
-lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij lag het skelet in
-de voor de latere &bdquo;H&ouml;ckergr&auml;ber&rdquo; zoo typische
-houding met sterk opgetrokken knie&euml;n, waardoor, zooals men meende,
-de ziel verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen
-wapenen liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen
-aan den doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de
-gevolgtrekking, dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor
-zoovele duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij
-werden begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de
-regelmatige vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel,
-vermoedelijk een soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige
-orientatie van het graf in de richting oost-west, en een <span class=
-"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>geloof
-in een voortbestaan na den dood, getuige de houding van het skelet en
-de aan den doode medegegeven wapenen.&mdash;Een ervaren archaeoloog zou
-wellicht uit de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies
-trekken, maar het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen
-uitkomen, dat men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men
-op zuiver morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere
-waarde wil toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de
-algemeene slotbeschouwingen nog nader terug.</p>
-<p class="par">11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten
-uit den laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909&ndash;1910), la
-Pech de l&rsquo;Az&eacute; (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade
-(1911), ga ik hier met stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de
-korte nota&rsquo;s die er van gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook
-hier skeletten van het neanderdal-ras opgedolven.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1809width" id="fig24"><img src=
-"images/fig24.jpg" alt="" width="671" height="532">
-<p class="par first">Fig. 24. Doorsneden van de &bdquo;grotte des
-enfants&rdquo; bij Grimaldi met de verschillende steenlagen, de oude er
-vroeger ingegraven put, en de in de steenlagen gevonden skeletten. De
-eene doorsnede in de lengterichting van de grot, de andere dwars op den
-ingang. Buiten de grot de spoorrails.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van
-grooter belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst
-van <i>Grimaldi</i>. Reeds gedurende een aantal jaren werden op
-aansporing van Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi,
-bij Mentone, systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen
-onderzocht door eenige Fransche archaeologen, met name <i>Verneau</i>,
-<i>Boule</i>, <i>Villeneuve</i> en vroeger door <i>Rivi&egrave;re</i>.
-Een aantal skeletten werden opgedolven die allen tot de jongere
-pleistocene periode (vooral de &bdquo;aurignac&rdquo;-periode en later)
-behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde
-&bdquo;Cro-magnon&rdquo; type (zie pag. 99) vertoonden met al de
-kenteekenen van den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den
-abt <i>Villeneuve</i> in de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin
-reeds vroeger in de bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van
-het &bdquo;<span class="corr" id="xd24e1834" title=
-"Bron: cro-magnon">Cro-magnon</span>&rdquo; <span class=
-"pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>type was
-opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan van twee
-skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder de oppervlakte
-gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij gevoegde
-doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven elkaar
-liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden nu een
-ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype, zooals het in
-fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd, zonder de
-vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch der vorige
-vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch met
-vooruitstekende <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name=
-"pb97">97</a>]</span>kaken, platten neus, bijna geen kin en een aan het
-negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat dit
-type door <i>Verneau</i>, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven,
-het &bdquo;negro&iuml;de&rdquo; type genoemd werd. Boven de laag,
-waarin deze beide skeletten begraven waren (er was een duidelijke
-steenbedekking om de beide skeletten aangebracht, een graf derhalve),
-werd op ongeveer 7 meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals
-het reeds vroeger in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden,
-geheel en al het karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste
-skelet zou volgens de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen
-en dierlijke overblijfselen tot het laatste gedeelte van de
-&bdquo;aurignac&rdquo;-periode behooren, de beide skeletten van het
-negro&iuml;de type zouden tot de &bdquo;moustier&rdquo;-periode
-behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn als de zooeven
-beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel door latere
-opgaven van <i>M. Boule</i> gebleken, dat de ouderdom van deze
-&bdquo;negro&iuml;de&rdquo;-skeletten niet zoo groot is als men eerst
-meende, maar <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name=
-"pb98">98</a>]</span>er blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel
-later dan de periode, waarin wij hier in Europa een ras met zeer
-inferieure kenmerken aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen
-werden gevonden die een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het
-toont tevens aan, hoe voorzichtig men zijn moet met conclusies,
-getrokken uit fragmenten van schedels. Had men van deze negro&iuml;de
-schedels van <i>Verneau</i> slechts het schedeldak met het hooge
-gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende wenkbrauwbogen gevonden,
-men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier schedels tot den
-normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de kaken en het
-gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers bij het
-neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen schedel
-inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in zijn geheel
-beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te zijn. Zoo maant
-ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e1854width" id="fig25"><img src=
-"images/fig25.jpg" alt="" width="641" height="359">
-<p class="par first">Fig. 25. Schedel van het &bdquo;<span class="corr"
-id="xd24e1857" title="Bron: negroide">negro&iuml;de</span>&rdquo;type
-uit de &bdquo;Grotte des enfants.&rdquo; Volgens <i>Verneau</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude
-steenen tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen,
-houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere
-tijdperken, het Moustierium, de &bdquo;acheul&eacute;en&rdquo; en
-&bdquo;chell&eacute;en&rdquo; periode, zoo typische neanderdal-ras op.
-Het lage, wijkende voorhoofd met de groote zware wenkbrauwbogen en den
-naar achteren uitgezakten zwaren schedel verdwijnt en een nieuw ras
-treedt op, met smalle slapen, hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel,
-kleinere fijn gevormde oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom
-een ras treedt op, dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig
-levende menschenrassen, aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen
-de beide rassen kennen wij niet. Wel zijn bij de verschillende
-skeletvondsten uit deze laatste perioden (Aurignac, Magdal&eacute;nien)
-minder ontwikkelde <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99"
-name="pb99">99</a>]</span>skeletvormen naast meer ontwikkelde gevonden,
-doch er blijft een diepe klove tusschen de beide typen bestaan.</p>
-<p class="par">Vondst van <i>Cro-magnon</i> in Dordogne, Frankrijk. Aan
-deze vondst ontleent het menschenras uit de latere perioden van het
-palaeolithicum zijn naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een
-spoorweg, in een &bdquo;abris sous roche&rdquo; daar ter plaatse vijf
-skeletten gevonden, in een steenlaag uit de aurignac-periode. Door
-<i>Lartet</i>, die de vondst nauwkeurig onderzocht heeft, werd van
-begraven der skeletten geen spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag
-gevonden steenen werktuigen, versierselen (een groot aantal doorboorde
-schelpjes, blijkbaar oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en
-dierlijke overblijfselen bleek, dat de skeletten uit de
-aurignac-periode, het rendiertijdperk, stamden. De vorm van den schedel
-en van het verdere beenstelsel is typisch gelijkend op dien van den
-tegenwoordig levenden homo sapiens.</p>
-<p class="par">Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van
-hetzelfde type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende
-langen tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen
-armen en sterk opgetrokken knie&euml;n (men vergelijke bijv. fig. 9,
-Egyptisch graf uit het neolithicum), zooals die van
-<i>Laugerie-Basse</i> in Dordogne, in 1872 door Mass&eacute;nat
-uitgegraven, van <i>Chancelade</i>, eveneens in Dordogne, in 1888
-gevonden, uit de grot van <i>Hoteaux</i>, bij Rossillon, allen uit de
-bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier met
-stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen zijn
-voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de
-afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten,
-dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus nog
-in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een
-schedelvorm bezat, die zich in de <span class="pagenum">[<a id="pb100"
-href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span>hoofdpunten volkomen aansloot
-aan die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit
-ras moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In
-Frankrijk, in Itali&euml;, in Spanje, in Belgi&euml;, in Noorwegen en
-Zweden is het bestaan er van door verschillende vondsten aangetoond.
-Directe overgangsvormen, die dit ras verbinden met het boven beschreven
-neanderdal-ras, kennen wij niet.</p>
-<p class="par">14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt
-in dit opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan
-het in 1910 door <i>Hauser</i> en <i>Klaatsch</i> gevonden skelet van
-<i>Combe Capelle</i>, den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van
-dien naam (dicht bij Montferrand-P&eacute;rigord in Frankrijk)
-uitgegraven. De schedelvorm is reeds volkomen als die van een
-hedendaagschen Europaeer, met hoog gewelfd voorhoofd, kleine
-neusopening, sterk dolichocephalen (langen) schedel, geen
-vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou evenwel zijn, dat de
-vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men nu evenwel nauwkeurig de
-verschillende afbeeldingen van dezen &bdquo;homo aurignaciensis
-Hauseri,&rdquo; zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt de kin
-volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk
-ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke
-gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal
-volksstammen vinden, bij de eskimo&rsquo;s, om in Europa te blijven, en
-wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden
-bij Raymondes gevonden, uit de magdal&eacute;nien-periode stammend
-skelet, in het museum van P&eacute;rigueux bewaard, is precies
-hetzelfde te zien.</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving
-van de verschillende vondsten afsluiten. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>Slechts die vondsten
-hebben wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden,
-belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie van
-het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te
-schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten
-mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:</p>
-<p class="par">Met de <span class="corr" id="xd24e1908" title=
-"Bron: rendier-en">rendier- en</span> bisonjagers van het
-Cro-magnon-ras sluit het oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst
-bescheiden begin der eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn
-duur een beschaving ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen
-instrumenten en wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit
-rendierhoorn en been, zooals wij die vinden in de laatste periode van
-het palaeolithicum, het magdalenium.</p>
-<p class="par">Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook
-deze cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk
-bereikt. Bij het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat
-schijnt het rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van
-de menschen het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde,
-of de zich langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een
-nomadenleven met zich brachten, de mensch schijnt de oude
-nederzettingen gedurende vele eeuwen verlaten te hebben. In dat
-gedeelte van West-Europa, waar overal de overblijfselen uit den ijstijd
-zoo talrijk en in zoo groote verscheidenheid te vinden zijn, in
-Zuid-Frankrijk, is de steenlaag, die de overblijfselen van de laatste
-periode van het palaeolithicum, de magdal&eacute;nienperiode, inhield,
-overal bedekt door een dikke steen- en aardlaag, die volkomen steriel,
-volkomen vrij van voorhistorische overblijfselen, zij het steenen of
-hoornen of beenen werktuigen, zij het menschelijke of dierlijke
-skeletdeelen, is.</p>
-<p class="par">Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij een
-<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name=
-"pb102">102</a>]</span>andere geworden in een andere omgeving. De
-uitgestrekte steppen, die na den afloop van den ijstijd waren ontstaan,
-zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het grootste gedeelte van
-Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere vormen bestaande dan de
-ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook den mensch vinden wij in
-anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd met de overblijvende menschen
-van het <span class="corr" id="xd24e1918" title=
-"Bron: cromagnon ras">cro-magnon-ras</span> ras. Zijne raskenmerken
-zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij komen in het
-nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen uit hertshoorn
-inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van een nieuwe
-techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en meer verfijnd,
-tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo volmaakten vorm van
-het latere neolithicum, plaats moest maken voor het tijdperk der
-metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.</p>
-<p class="par">Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en het
-<span class="corr" id="xd24e1923" title=
-"Bron: cro-magnonras">cro-magnon-ras</span> vonden wij niet, zooals wij
-vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus nu een tweede onderbreking.
-Bij deze onderbreking, die reeds meer in het bereik der archaeologische
-studie ligt, nemen wij een indringen van nieuwe elementen uit het
-Zuid-oosten, uit Azi&euml;, aan. Ligt het niet voor de hand, ook bij de
-eerste onderbreking aan een invasie van buiten Europa te denken?</p>
-<hr class="tb">
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming
-van den mensch buiten Europa, in Azi&euml;, in Australi&euml;, in
-Amerika iets van belang gevonden?</p>
-<p class="par">Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis
-van den pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij
-kunnen er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in
-Engelsch-Indi&euml;, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden
-zijn, maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid, <span class=
-"pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>die
-wat die gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht,
-kan men daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een
-vergelijking van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen
-en de bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het
-onderzoek hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige
-nauwkeurigheid verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke
-overblijfselen, die door <i>Noethling</i> in Opper-Birma gevonden
-waren, reeds spoedig (1902) door <i>Swinhoe Redway</i>, een Engelsch
-onderzoeker, aangetoond, dat zij niet <i>in</i> het uit tertiaire
-gesteenten bestaande plateau lagen, zooals door <i>Noethling</i> was
-gemeend, doch er boven<i>op</i>, en dat zij dus zeer zeker niet van
-tertiairen oorsprong kunnen zijn.</p>
-<p class="par">Zoo werden door <i>Alsberg</i> in 1892 in tertiairen
-zandsteen, bij Warnambool in Australi&euml;, in den nog weeken steen
-afgedrukte en daarna verharde voetsporen van menschelijke wezens
-gevonden. <i>Klaatsch</i>, die deze voetsporen ook bestudeeren kon,
-hield ze voor ontwijfelbaar van menschelijke wezens afkomstig en meende
-zelfs bij deze voetsporen den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te
-vinden. Door <i>Branco</i> werd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in
-dezen gemaand, en door <i>Noethling</i> werden dan ook later in
-afgelegen streken van Australi&euml; in de sneeuw(!) dergelijke
-voetsporen gevonden, die evenwel door kangoeroe&rsquo;s waren
-achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten, dan werd een dergelijke
-indruk in de sneeuw achtergelaten als door <i>Klaatsch</i> in geniale
-fantasie voor den afdruk van een menschelijk zitvlak werd gehouden. Wie
-te veel bewijst....</p>
-<p class="par">Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de
-vergelijking van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in
-Oost-Azi&euml; en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door
-Amerikaansche onderzoekers (met name <i>Ameghino</i>) voor tertiair
-<span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name=
-"pb104">104</a>]</span>worden gehouden, worden door Europeesche
-geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor quartair gehouden. Het
-spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan zekerheid, juist voor het
-probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer gevaarlijk is. Zoo men in
-Amerika menschelijke schedels met inferieure kenmerken had gevonden,
-die uit de tertiaire periode stamden, zouden dergelijke schedels
-oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij uit de quartaire
-periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de geologische
-verhoudingen van dat groote continent nog niet in die mate nauwkeurig
-bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens omtrent den
-ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen hebben kunnen
-voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter, de opgaven in
-die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo is bijv. van
-den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer hoogen
-tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure kenmerken
-vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel uit den
-tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die door
-<i>Ameghino</i> beschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van den
-normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende, ze tot
-een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus) te moeten
-rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het schedels waren,
-die van gewone menschen, normale exemplaren van den homo sapiens
-afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd, zooals dat bij een
-aantal Indianen-stammen nog heden ten dage stelselmatig bij jonge
-kinderen wordt gedaan. Andere schedels met laag, wijkend voorhoofd,
-door <i>Hrdlicka</i> beschreven, zijn ongetwijfeld van jong-diluvialen
-ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken in geenen deele zoo
-sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.</p>
-<p class="par">Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van het
-<span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name=
-"pb105">105</a>]</span>menschelijk geslacht, waarvan <i>Ameghino</i> in
-de oude geologische formaties van Argentini&euml; de fossiele
-overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo en de
-diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen houden en
-zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde geldt, ten
-minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten, die door
-<i>Ameghino</i> in geologisch oude steenlagen zijn gevonden, en door
-hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus, anthropops
-bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel; van eenige
-verwantschap met den mensch, die in de namen, hen door <i>Ameghino</i>
-gegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.</p>
-<p class="par">Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen
-feiten bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat
-van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf, dat
-daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de
-praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika
-bestaan heeft. Maar dan is hij van elders ge&iuml;mmigreerd.</p>
-<p class="par">Met Australi&euml; staat het anders gesteld. In dat
-groote eilandenrijk, in vroegere geologische perioden door groote
-landbruggen met de overige werelddeelen verbonden, doch reeds in lang
-achter ons liggende perioden ge&iuml;soleerd, hebben een aantal
-diersoorten zich in den strijd om het bestaan kunnen handhaven, die in
-de andere werelddeelen reeds vroeg zijn uitgestorven. Ook de
-oorspronkelijke inboorlingen vertoonen inferieure kenmerken, die
-eenigszins aan het Neanderdal-ras doen denken en die verschillende
-anthropologen er toe gebracht hebben daar de plaats te zoeken, waar het
-menschelijk ras zich uit dierlijke voorvaderen heeft ontwikkeld, en van
-waar het door langzame emigratie en verspreiding de geheele wereld
-heeft bevolkt. Eenige zekerheid hieromtrent heeft men evenwel
-geenszins. <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name=
-"pb106">106</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1289" href="#xd24e1289src" name="xd24e1289">1</a></span> Wij
-weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch
-zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan zelfs zoo lang
-geleden zijn als de eocaene periode.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e1289src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1370" href="#xd24e1370src" name="xd24e1370">2</a></span> Ook dit
-wordt echter weer tegengesproken, door <i>Dubois</i> zelf en door een
-Engelsch anthropoloog van groote autoriteit, <i>Arthur Keith</i>, die
-in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de
-pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig
-schijnt mij echter de opvatting van <i>Volz</i> en <i>Martin</i> op
-degelijker gronden te berusten.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e1370src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1423" href="#xd24e1423src" name="xd24e1423">3</a></span> De
-inmiddels door <i>Dawson</i> en <i>Smith Woodward</i> gepubliceerde
-uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel omtrent
-de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat betreft
-den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst
-primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel
-altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben
-beoordeeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd24e1423src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1450" href="#xd24e1450src" name="xd24e1450">4</a></span> Zooals
-echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels verschenen
-uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen twijfel bestaan
-aan de juistheid dezer voorloopige opgaven van <i>Dr. Smith
-Woodward</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e1450src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1593" href="#xd24e1593src" name="xd24e1593">5</a></span> Zie
-<a href="#gloss">achterin</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e1593src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1606" href="#xd24e1606src" name="xd24e1606">6</a></span> Door
-<i>Fraipont</i> en <i>Lohest</i> in 1886 beschreven.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd24e1606src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1700" href="#xd24e1700src" name="xd24e1700">7</a></span> Volgens
-de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten tijd een beter
-gipsafgietsel van vervaardigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e1700src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e1715" href="#xd24e1715src" name="xd24e1715">8</a></span> <i>M.
-Boule.</i> l&rsquo;Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de
-Palaeontologie 1913. blz. 1&ndash;278. 101 afbeeldingen.&nbsp;<a class=
-"fnarrow" href="#xd24e1715src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5687">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main"><span class="divNum">VII</span> GEVOLGTREKKINGEN EN
-ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.</h2>
-<div class="epigraph">
-<p lang="en" class="par first">&bdquo;We must not fall into the error
-of supposing<a id="xd24e2006" name="xd24e2006"></a> that the early
-progenitor of man was identical with, or even closely resembled, any
-existing ape or monkey.&rdquo;<a class="noteref" id="xd24e2008src"
-href="#xd24e2008" name="xd24e2008src">1</a></p>
-<p class="par xd24e214"><span class="ex">Darwin.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par xd24e2017"><span class="xd24e2017init">G</span>aan wij
-nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent het
-vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij voor
-gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt dat, als
-wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die nauwkeurig
-gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het gebouw, dat wij
-er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij zijn er nog zeer ver
-van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld van de wordingsgeschiedenis
-van het menschelijk geslacht te kunnen geven. De lacunes zijn op het
-oogenblik nog grooter dan de hechte, aaneengesloten gedeelten, ja het
-schijnt wel, alsof met elken stap, door het wetenschappelijk onderzoek
-in deze richting gedaan, het veld van onderzoek grooter, de horizon
-vager wordt en meer aanrakingspunten krijgt met het onbekende, alsof
-met elke nieuwe vondst het probleem verdiept en verzwaard wordt, de
-oplossing verder verschoven schijnt te worden. Is dit een bezwaar?
-Behoeft het de anthropologie in discrediet te brengen? Zeer zeker
-<span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name=
-"pb107">107</a>]</span>niet. Het gaat met elken tak van wetenschap zoo.
-Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter de
-hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich
-opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch het
-is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van dit
-vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het de
-afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans zoo veel
-voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand wordt
-uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van het beeld,
-dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het
-ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een sausje
-van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht wordt
-voorgezet. En dat is &rsquo;t, wat ten slotte het wetenschappelijk
-onderzoek in discrediet zou brengen.</p>
-<p class="par">In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die
-ons er toe brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te
-brengen met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit
-die dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het
-zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de
-zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.</p>
-<p class="par">Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende
-reeks, d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te
-hooger werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden
-de gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde
-dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder de
-zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de spits.
-Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op den
-mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de gibbon,
-welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst waren,
-<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name=
-"pb108">108</a>]</span>ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als
-&bdquo;primaten,&rdquo; als &bdquo;eerste onder de levende
-wezens,&rdquo; in een zelfde orde vereenigd. In den tijd van
-<i>Linnaeus</i> paste deze voorstelling geheel en al in den kring der
-toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd van de groote
-gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch viel op te merken.
-&bdquo;<span lang="la">Simia quam similis, turpissima bestia,
-nobis</span>&rdquo; schreef <i>Ennius</i><a class="noteref" id=
-"xd24e2035src" href="#xd24e2035" name="xd24e2035src">2</a><span class=
-"corr" id="xd24e2040" title="Niet in bron">.</span> <i>Galenus</i>
-bestudeerde de anatomische verhoudingen van het menschelijke lichaam
-aan apen. Het was een reformatorische daad, toen <i>Vesalius</i>
-beweren dorst, dat <i>Galenus</i> gefeild had in dit volkomen gelijk
-stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen uit de 18e eeuw worden de
-apen (bijv. de chimpansee) als behaarde menschen voorgesteld, met een
-intelligent, menschelijk gezicht, staande op de achterste ledematen,
-een stok of een bloem in de hand; &bdquo;ik moet bekennen,&rdquo;
-schreef <i>Buffon</i>, &bdquo;dat als men slechts op den vorm van den
-orang oetan let, men hem voor een vari&euml;teit van den mensch kan
-houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij aan
-het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden.&rdquo; <i>De la
-Mettrie</i> hoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de
-apen het spreken en goede manieren te leeren, <i>Lord Monboddo</i>
-leerde reeds, dat de mensch van de apen afstamt, <i>Huxley</i> stelde
-als resultaat van een voor den tijd, waarin het ontstond,
-voortreffelijk onderzoek, vast, dat de anatomische verschillen,
-waardoor zich de mensch van den gorilla of den chimpansee onderscheidt,
-niet zoo groot zijn, als die, welke tusschen den gorilla en de lagere
-apen bestaan, terwijl reeds in 1824, onder den invloed van de
-theorie&euml;n van <i>De Lamarck</i>, <i>Vizey</i> de opvatting
-verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een Hottentot
-verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.</p>
-<p class="par">Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijn
-<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name=
-"pb109">109</a>]</span>niet vrij te maken van persoonlijke, niet nader
-te controleeren, waardebepalingen, maar het is ontegenzeggelijk waar,
-dat onder alle dieren de menschapen, de anthropoiden (gorilla,
-chimpansee, orang oetan en gibbon) het meest op den mensch in vorm en
-in anatomische kenmerken gelijken.</p>
-<p class="par">Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4
-menschapen? Zoo ja, met welke, of wellicht met meerdere?</p>
-<p class="par">Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men
-heeft (en dit zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den
-gorilla en vooral met den orang oetan in verband gebracht, en naar
-kenmerken gezocht, die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap
-zouden wijzen, ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende
-menschenrassen van verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is
-bijvoorbeeld volgens <i>Melchers</i> (1910) het menschelijk geslacht in
-vier groepen van rassen te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van
-een der vier anthropo&iuml;de apen af. Zoo zouden de negers van de
-Congo, de bewoners van Guinea, de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de
-blond- en roodharige noordelijke rassen van het gorilla-type zijn. Met
-den chimpansee zouden in verband staan de Boschjesmannen, de Scythen,
-de Berbers, sommige rassen in Spanje, Portugal en de Pyrene&euml;n, de
-Lappen. Van den orang oetan zouden afstammen de Vuurlanders,
-Australi&euml;rs, de Papoea&rsquo;s, de rondhoofdige alpine rassen,
-terwijl Mongolen, Siberi&euml;rs, Maleiers en Polynesi&euml;rs met de
-gibbons verwantschap zouden bezitten.</p>
-<p class="par">Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in
-overoude tijden eerst de vier groepen der anthropomorphe apen
-ontwikkeld hebben en dat dan uit die vier groepen, behalve de
-nakomelingen, die zich verder slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4
-menschapen), door voortgezette ontwikkeling de verschillende
-menschenrassen gevormd zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb110" href=
-"#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p>
-<p class="par">Iets dergelijks zegt de door <i>Klaatsch</i> in de
-laatste jaren (na 1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van
-Afrikaansche herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende
-voorvaderen, het aurignac-ras daarentegen uit Azi&euml; Europa zou zijn
-binnengedrongen en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader
-afstamt.</p>
-<p class="par">Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.</p>
-<p class="par">Door <i>Darwin</i> is, zooals ik als citaat boven dit
-hoofdstuk plaatste, het reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in
-populaire geschriften doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat
-men toch niet in de dwaling moet vervallen, te meenen, dat de
-voorvaderen van den mensch identisch moeten geweest zijn of zelfs ook
-maar sterk moeten hebben geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort.
-Van de tegenwoordig levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde
-anthropo&iuml;de apen, zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij
-staan er zelfs slechts in een verwijderd genetisch verband mede.</p>
-<p class="par">Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de
-verschillende aapsoorten,&mdash;en wij kunnen ons dus daarbij beperken
-tot de 4 het meest op den mensch gelijkende menschapen&mdash;nauwkeurig
-bestudeeren en ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den
-mensch, dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer
-gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd zijn
-dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral bij den
-gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen dier, als
-het rechtop staat, bijna met de handen op den grond steunt, het
-rudimentair worden van den duim, die bij de anthropo&iuml;de apen niet
-alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in ontwikkeling
-achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het gebit met zijn
-groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde voorste kiezen
-(zoogenaamde praemolaren), <span class="pagenum">[<a id="pb111" href=
-"#pb111" name="pb111">111</a>]</span>en vooral met zijn zoo
-verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit,
-speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat men
-volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie hebben
-gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch en de
-tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch verband
-zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband staande sterke
-ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3
-schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat
-men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig
-levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit een
-of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.</p>
-<p class="par">Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk
-behandelde wet van <i>Dollo</i>, dat een in een bepaalde richting
-verder ontwikkelde specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de
-oorspronkelijke vorm weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle
-anthropo&iuml;de apen op een zelfde wijze van den mensch verschillen
-(door de veel langere armen) als bijvoorbeeld de giraffe, de
-vledermuizen, vliegende hond, enz. van de andere <span class="corr" id=
-"xd24e2108" title="Bron: viervoerige">viervoetige</span> dieren, daar
-kunnen wij evenmin ons voorstellen, dat uit voorvaderen met dergelijke
-gespecialiseerde voorste ledematen weer menschen met normaal lange
-ledematen voortgekomen zijn, als wij ons uit giraffe- of
-vleermuisachtige voorvaderen weer normaal gebouwde viervoeters ontstaan
-kunnen denken. Zoo is het dijbeen van alle menschapen, behalve van den
-gibbon, korter en dikker en anders gevormd dan bij den mensch. Was nu
-de mensch met zijn rechtopstaande houding uit een dier menschapen
-voortgekomen, dan zou men eer meenen, dat onder den invloed van de veel
-zwaardere belasting het dijbeen van den mensch, dat nu den last van het
-geheele lichaam te dragen krijgt, waar het eerst slechts alleen het
-achterste <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name=
-"pb112">112</a>]</span>gedeelte van den romp droeg, nog korter en
-dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke verandering van
-belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden, zien wij wel dit
-verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en slanke dijbeenderen.</p>
-<p class="par">Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten
-ge&iuml;llustreerd.</p>
-<p class="par">Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk
-gespecialiseerd gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en
-eigenaardig gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een
-dergelijken vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog
-zoo talrijke dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen
-van de oudste menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou
-vinden, die in de richting van het gebit der menschapen zouden wijzen.
-Toch is dat in geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij
-bijvoorbeeld in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste
-en meest primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren
-kennen, een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van
-de kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden,
-doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een
-grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de
-kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der
-anthropo&iuml;de apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij
-bij de pas gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni.
-Ook hier een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap
-(vooral van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen
-menschelijk gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis
-eigenlijk te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de
-onderkaak zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk
-karakter van de tanden en kiezen, <span class="pagenum">[<a id="pb113"
-href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span>sluit elke gedachte aan een
-afstamming van den mensch van op menschapen gelijkende voorouders
-uit.</p>
-<p class="par">Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf
-der oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een
-gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het
-vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire aapvorm
-zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen, heeft
-doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken stamvorm
-heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame
-harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze of gene
-kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht verheven,
-terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een andere
-richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en een daardoor
-zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den loop dier zelfde
-duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende menschapen bracht.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e2122width" id="fig26"><img src=
-"images/fig26.jpg" alt="" width="342" height="655">
-<p class="par first">Fig. 26. Gehalveerde schedels van een volwassen
-mensch, een jongen orang oetan en een volwassen orang oetan, onder
-elkaar geplaatst.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Dit wordt nu ge&iuml;llustreerd door het tweede feit,
-waarop ik zoo even doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat
-er een zekere evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een
-bepaalde soort door langzame verandering in den loop der duizenden
-jaren, en de ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel.
-Zijn nu in den loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde
-specialisaties opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de
-ontwikkeling van het individu zelf, en wel eerst in de latere periode
-van het embryonale leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is
-ontstaan, doch reeds vroeg, als de specialisatie zelf van een
-ingrijpend karakter is en al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van
-de soort is opgetreden. Zoo is bijv. het uitgroeien van de vingers der
-voorste ledematen en het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de
-vleermuizen een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroeg
-<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name=
-"pb114">114</a>]</span>in de ontwikkelingsgeschiedenis van de groep
-opgetreden (d. w. z. men vindt de eerste sporen van vleermuizen al in
-vroege geologische perioden) en men vindt dan ook al bij heel jonge
-embryonen van vleermuizen de eerste teekenen van het uitgroeien en
-breed worden der voorste ledematen. De specialisatie-kenmerken,
-waardoor de anthropo&iuml;de apen zich van de overige apen en van den
-mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst in latere geologische
-perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij de ontwikkeling van het
-individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs na het einde <span class=
-"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>van
-het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds geboren is, zich
-langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen, die in bepaalde
-kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere geologische
-perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan, zoodat dus die
-afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den oorspronkelijken
-stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van die beide soorten
-of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen dan de volwassen
-dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst recht tot uiting
-zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropo&iuml;de apen en den
-mensch. Een pasgeboren anthropo&iuml;de aap, bijv. een chimpansee,
-gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de
-oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de
-schedels van een <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116"
-name="pb116">116</a>]</span>menschelijken pasgeborene (links) met het
-schedeltje van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat
-afgezien van den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge
-chimpansee zich bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend
-groot is, grooter dan men zou verwachten als men den schedel van een
-volwassen mensch met dien van een volwassen chimpansee heeft
-vergeleken. Hetzelfde blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar
-geplaatst zijn een in de middellijn gehalveerde menschelijke schedel,
-een dito schedel van een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van
-een volwassen orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde
-voorhoofd en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen
-orang-oetan in vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e2135width" id="fig27"><img src=
-"images/fig27.png" alt="" width="502" height="447">
-<p class="par first">Fig. 27. Schedel van een pasgeboren zuigeling
-(links) en van een pas geboren chimpansee (rechts) van voren en van
-terzijde gezien. Volgens <i>Kollmann</i>.</p>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij
-kunnen er dus als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet
-uit een der tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst
-ontwikkelde, is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de
-voorhistorische menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin
-wij den mensch door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen
-aantoonen, er op, dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het
-algemeen moeten hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van
-den mensch met de dierenwereld aannemen,&mdash;en dat hebben wij juist
-als punt van uitgang aangenomen&mdash;dan moet onze stamvader wel uit
-de groote groep der apen, der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan,
-zijn voortgekomen. Kennen wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit
-de mensch zou kunnen zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag
-gesteld: kennen wij onder de fossiele overblijfselen van de hoogste
-zoogdieren vormen, die wij met zekerheid of met groote
-waarschijnlijkheid tot den rang van voorvader van het menschelijk
-geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord op deze <span class=
-"pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name=
-"pb117">117</a>]</span>vraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de
-fossiele apen, noch onder de verdere fossiele overblijfselen van
-zoogdieren kennen wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van
-den mensch kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de
-afstammingsrichting van den mensch aangeven; wat de directe
-tusschenvormen zelf betreft, moeten wij den mensch nog steeds
-beschouwen als een &bdquo;homo novus,&rdquo; een &bdquo;parvenu&rdquo;
-(<i>Branco</i>), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft, doch
-iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de vondsten
-van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni geleerd, hoe
-het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden van zijn
-ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op dierlijke,
-pitheco&iuml;de, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst van den
-pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte de apenstam
-het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht, wel heeft dus
-het geheele overgangsproces een zeer groote mate van zekerheid voor ons
-verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de stations waarlangs de
-lijn van de ontwikkeling van het menschelijk geslacht heeft geloopen,
-kennen wij niet. De mensch is en blijft nog steeds een homo novus.</p>
-<p class="par">Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats
-weten wij van fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de
-hoogste aapsoorten betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk
-wij kennen, is uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts
-door enkele tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven,
-bekend. Van andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak
-met eenige tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een
-dijbeen, kortom, de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de
-verschillende soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen
-uitmaken, dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraan
-<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name=
-"pb118">118</a>]</span>dan een of andere naam is gegeven ter
-onderscheiding van de andere vormen, maar zijn absoluut onvoldoende om
-ons ook maar eenigszins een denkbeeld te verschaffen van de
-eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam dier fossiele apen. En
-dat hebben wij toch noodig, om uit te maken, in hoeverre die dieren als
-voorvaderen van het menschelijk geslacht in aanmerking kunnen
-komen.</p>
-<p class="par">In de tweede plaats is het volstrekt niet
-onwaarschijnlijk, dat, zelfs als al deze fossiele aapsoorten door
-volledige skeletten bekend waren, die men dus direct met de
-verschillende overblijfselen van den voorhistorischen mensch zou kunnen
-vergelijken, men onder die skeletten geen enkel zou vinden, dat met het
-menschelijk skelet voldoende punten van overeenkomst bezat, om voor een
-der tusschenstations in de lijn der ontwikkeling van het menschelijk
-geslacht in aanmerking te komen.</p>
-<p class="par">Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte
-van Europa grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En
-verder, dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld
-heeft losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde
-moet worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de
-eigenlijke overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den
-aardbol begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in
-Achter-Indi&euml;, in Australi&euml;, waar zij dus wellicht nog eenmaal
-gevonden kunnen worden, maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor
-altijd verloren gegaan zijn en nooit gevonden zullen worden. In die
-vroege perioden van de aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders
-uit dan nu. Van het groote vroegere vasteland, dat Patagoni&euml;,
-Australi&euml;, Indi&euml; omvatte, is in den tegenwoordigen tijd nog
-slechts een klein gedeelte over. Het grootste gedeelte is onder den
-zeespiegel weggezonken. Zoo is van de groote landverbinding, die in
-vroegere tijden <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119"
-name="pb119">119</a>]</span>tusschen Amerika en Europa moet hebben
-bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen ter tijde ook aan de
-poolstreken een tropisch, later een subtropisch klimaat. Welk een
-ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het eeuwige ijs der
-poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan niet de stamvader van
-het menschelijk geslacht, kunnen niet juist die overgangsvormen, die
-ons den sleutel tot de geschiedenis van het wordingsproces van het
-menschelijk geslacht zouden geven, daar onder ijs en sneeuw verborgen
-liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage ontoegankelijk?
-Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus in Java is
-gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in Afrika
-gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig
-Australi&euml; nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het
-Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds
-Australi&euml; de bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd,
-doch zekerheid heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de
-Eskimo&rsquo;s, ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve
-kenmerken. Dat de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is
-voortgekomen, is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden
-beweerd.</p>
-<p class="par">Zekerheid heeft men dus in elk geval hier
-allerminst.</p>
-<p class="par">Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den
-mensch rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere
-ontwikkeling van het menschelijk geslacht uit de primitieve
-menschvormen van den ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire
-periode, dan vinden wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige
-hoofdstuk, dat uit de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de
-vroegste tijden der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en
-West-Europa menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen in
-<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name=
-"pb120">120</a>]</span>zeer sterke mate dierlijke, aan de apen
-herinnerende kenmerken vertoonen. En die kenmerken vermeerderden zich,
-naarmate de fossiele overblijfselen uit vroegere perioden afkomstig
-waren. In Engeland de schedelfragmenten van Piltdown (1912), die zoo
-sterk aan dierlijke vormen herinneren, dat men zelfs den geslachtsnaam
-homo er niet aan heeft wagen te geven, en er den naam
-&bdquo;eoanthropus,&rdquo; &bdquo;het wezen, staande aan den dageraad
-der menschwording,&rdquo; voor verzon. En al moge men nu de opgaven
-omtrent den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een
-zeker voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo
-uiterst merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds
-menschelijk in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog
-typische pitheco&iuml;de (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in
-Frankrijk, Duitschland, Belgi&euml;, Spanje, Kroati&euml; de talrijke
-representanten van het neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van
-la Chapelle-aux-Saints het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel
-en al menschelijk van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer
-afwijkende van den tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het
-voetspoor van <i>Wilser</i>, <i>Schwalbe</i> en zijn volgers hem als
-een andere menschensoort, den homo primigenius, den
-&bdquo;eerstgeboren&rdquo; mensch, opvatten. Daarna de vondsten van den
-Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras, vormen die reeds geheel en
-al het karakter van den homo sapiens, zij het dan ook de eerste in nog
-eenigszins onvolmaakten vorm, bezitten. Ziedaar dus een opklimmende
-reeks, die, naar men zou meenen, niets aan duidelijkheid en
-volledigheid overlaat, en die ons langs den weg van verschillende
-soorten, ja zelfs van verschillende geslachten, voert van bijna nog
-geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch, zooals hij in
-historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele ontwikkeling
-zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen, van
-<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name=
-"pb121">121</a>]</span>oudsher meest beschaafde en ontwikkelde
-werelddeel!</p>
-<p class="par">Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een
-onoverbrugde kloof tusschen de verschillende overblijfselen van den
-neanderdalmensch en de menschelijke skeletten uit de latere perioden,
-den aurignac-mensch, het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij
-bij de overblijfselen van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden,
-reeds twee verschillende rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange,
-slanke, en korte, gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in
-de Grotte des Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit
-denzelfden tijd als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel
-ander type, met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En
-stel, dat de pithecanthropus niet zoo oud is als <i>Dubois</i> meende,
-doch in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke
-vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java,
-terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is zich
-hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de
-inboorlingen van Australi&euml;, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds
-in het begin der quartaire periode van de overige vastelanden
-ge&iuml;soleerd is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de
-typen van het neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders
-buiten Europa, palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde
-karakter, als die welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in
-Europa zijn gevonden?</p>
-<p class="par">Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij
-den huidigen stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij
-die vragen, in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen
-stellen, is reeds een groote stap in de richting van de oplossing er
-van. En de feiten, die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te
-stellen, geven ons zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing
-van het vraagstuk <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122"
-name="pb122">122</a>]</span>van de afstamming van den mensch niet zoo
-eenvoudig is als zoo juist werd aangegeven. Dat wij de reeks
-pithecanthropus&mdash;eoanthropus&mdash;homo
-heidelbergensis&mdash;mensch van La Chapelle-aux-Saints
-(neanderdalmensch) kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den
-mensch in genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de
-lijn aan, waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben
-geloopen. Dat zij zoo geloopen <span class="ex">heeft</span>, wordt er
-niet door bewezen.</p>
-<p class="par">Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten
-rekening houdende, den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht
-op de volgende wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst
-langzamen ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden
-met het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het
-laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam, dat
-tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis (en
-wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo ver
-uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden, dan
-moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde der
-tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van den
-heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de minder
-ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten, zich niet
-in het <span class="ex">einde</span>, doch reeds in het <span class=
-"ex">begin</span> der tertiaire periode uit primitief gebouwde, niet
-gespecialiseerde, tot de groote groep der aapachtige dieren behoorende,
-voorvaderen in een nog zeer primitieven aapachtigen overgangsvorm heeft
-ontwikkeld.</p>
-<p class="par">Dit kan plaats hebben gevonden in Azi&euml;, in
-Australi&euml;, in warme landen in elk geval. Het niet behaard zijn van
-den mensch, ook daar waar een ras, zooals de van oudsher in de
-poolstreken aan de strengste koude blootgestelde Eskimo&rsquo;s,
-Lappen, enz., zich duizenden <span class="pagenum">[<a id="pb123" href=
-"#pb123" name="pb123">123</a>]</span>en duizenden jaren tegen die koude
-heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk ook tijdens de
-ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste teekeningen uit
-dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij steeds als niet
-behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der hun vergezellende
-dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er wel op, dat zijne
-eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in een warm klimaat heeft
-plaats gevonden.</p>
-<p class="par">Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke
-stamvorm, die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den
-pithecanthropus moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een
-aantal iets van elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals
-wij dat ook zien gebeuren bij in een zoogenaamde
-&bdquo;mutatie-periode&rdquo; gerakende plantensoorten. Met &bdquo;vrij
-snel&rdquo; bedoel ik dan hier in den loop van weinige duizenden jaren,
-met &bdquo;rassen&rdquo; (of ondersoorten of hoe men dergelijke iets
-van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel ik nog niet de
-tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig iets van elkaar
-verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van
-&bdquo;hominiden,&rdquo; (menschachtige wezens) van sterk op elkaar
-gelijkende, doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende
-vormen. In den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire
-periode ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en
-verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als wij
-bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier als het
-nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van uit het zuiden
-over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen, dan behoeft ons een
-dergelijke verspreiding van de stamvaders van het menschelijk geslacht
-niet te verwonderen. Het is mogelijk, dat juist de harmonische
-ontwikkeling, die den mensch kenmerkt (vergel. Hoofdstuk II) deze
-snelle verspreiding, die natuurlijk het weerstand bieden <span class=
-"pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span>aan
-tal van zeer verschillende uitwendige invloeden en omstandigheden met
-zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is het, dat wij juist alleen
-bij het menschelijk geslacht die snelle verspreiding vinden, dat juist
-het menschelijk geslacht in staat is geweest hinderpalen te overwinnen,
-koude te trotseeren, en daardoor voor andere vormen ontoegankelijke
-gebieden te bezetten en zich daar verder te ontwikkelen, terwijl de
-meer gespecialiseerde anthropo&iuml;de apen slechts een gering
-verspreidingsvermogen toonden en in tal van gebieden weer zijn
-uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der eerste ontwikkeling
-mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden steenen werktuigen,
-gelijkende op de eerste voortbrengselen van het Europeesche
-palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den Oost-Indischen
-archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote hominidengroep
-kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo heidelbergensis en
-den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk, ja met het oog op
-hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten, zelfs zeer
-waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep in den loop
-der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of in langzamer
-ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het zeer goed
-mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van een
-dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel nog
-tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich sneller
-hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren geworden, heeft
-geleefd, doch in het begin der quartaire periode reeds is uitgestorven.
-Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de eerste invasie van een nog
-zeer weinig ontwikkelden tak dezer homonidengroep in Europa, die langs
-den weg van den eoanthropus en den homo heidelbergensis door langzame
-ontwikkeling voerde tot den neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in
-het laatste gedeelte <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125"
-name="pb125">125</a>]</span>van den grooten ijstijd en in de
-postglaciale perioden, andere invasies van reeds verder ontwikkelde
-takken der hominidengroep van uit het Zuiden en Zuid-Oosten zijn
-gevolgd. Deze latere invasies behoeven niet alle even sterk en duurzaam
-geweest te zijn, maar kunnen tot locale nederzettingen geleid hebben,
-die wellicht later weer werden teruggedreven of vernietigd door de
-inboorlingen zelf. Een op zichzelf staande vondst als die van de
-overblijfselen van het &bdquo;negroide&rdquo; type van <i>Verneau</i>
-in de Grotte des Enfants bij Grimaldi, uit de laatste perioden van den
-ijstijd, kan zeer goed het bewijs zijn van een dergelijke invasie van
-een kleine groep, uit Afrika langs den toen ter tijde nog bestaande
-landverbindingen tusschen Tunis&mdash;Sicili&euml;&mdash;Itali&euml;
-tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na eenigen tijd weder spoorloos
-verdwenen.</p>
-<p class="par">Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd
-een grootere invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep
-van uit Azi&euml; in Europa hebben plaats gevonden, die een ander
-menschelijk type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het
-neanderdalras heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras
-optreden, dat het neanderdalras &ograve;f reeds gedeeltelijk
-uitgestorven vindt en verder vernietigt, &ograve;f zich er ten deele
-mede vermengt, en zoo het iets later in zoo groote verbreiding
-optredende cro-magnon-ras vormt; het neanderdalras verdwijnt, de
-cultuur van de moust&eacute;rien-periode maakt plaats voor de op een
-hoogere trap staande, aan het aurignac- en cro-magnon-type gebonden
-cultuur der latere perioden van het palaeolithicum, de
-&bdquo;solutr&eacute;en&rdquo; periode en het magdalenium met zijn
-prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde
-voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger
-beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.</p>
-<p class="par">Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde
-van het cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwe <span class=
-"pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name=
-"pb126">126</a>]</span>cultuur, die van het neolithicum, optreden met
-gepolijste wapenen, met doorboorde en van een houten steel voorziene
-bijlen, met steenen werktuigen van een langzamerhand volmaakt wordende
-techniek. Ook deze neolithische cultuur zien wij eerst weer in
-onvolkomen, technisch laagstaanden, nog met overblijfselen uit het
-palaeolithicum vermengden vorm optreden en zich langzaam hooger
-opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten een ander ras, van
-Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer vermengd met de
-overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen volk. Ook voor
-dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten, van uit het
-Zuid-Oosten aan.</p>
-<p class="par">Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem
-van de afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan
-eenvoudiger gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht
-over de geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen
-betreft, ver uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons
-liggende geologische perioden ge&iuml;soleerd, wordt hierdoor bewaard.
-Het zwaartepunt der ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit
-gedrongen en wordt buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij
-in Europa konden gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een
-tijdperk uit de ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der
-groote menschgroep, door invasies van buiten gestoord en onderbroken.
-De eigenlijke tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de
-pithecanthropus, de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de
-dierenwereld uit het begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn
-nog niet bekend.</p>
-<p class="par">Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk
-van de afstamming van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou
-onvolledig zijn, zoo ik niet van eene andere opvatting gewag maakte,
-die mijns inziens wel niet de oplossing van het probleem ons geeft,
-<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name=
-"pb127">127</a>]</span>doch die door de eigenaardige wijze, waarop het
-geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet inzien, hoezeer alles
-bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.</p>
-<p class="par">Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde
-&bdquo;pygmee&euml;n&rdquo; een groote waarde voor de studie van de
-wordingsgeschiedenis van den mensch toeschrijft.</p>
-<p class="par"><i>Kollmann</i>, een bekend Duitsch embryoloog, die deze
-beschouwing het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt
-twee feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in
-de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote
-diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als
-voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten optreden,
-naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van het paard
-vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden opklimmen.
-Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich uit kleinere
-ontwikkelen. Datzelfde zou volgens <i>Kollmann</i> nu ook voor den
-mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen moeten
-zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig levende
-menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen, stammen
-optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel grooter dan een
-meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam
-&bdquo;pygmee&euml;n,&rdquo; dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al
-was het alleen maar uit het titelvignet van <i>Stanley&rsquo;s</i> in
-<span lang="en">Darkest <span class="corr" id="xd24e2234" title=
-"Bron: Afrika">Africa</span></span>) de dwergstammen van de
-binnenlanden van Afrika. De akka&rsquo;s, de wedda&rsquo;s, de pas
-ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen enz., vormen
-volgens <i>Kollmann&rsquo;s</i> opvatting een sterk verspreid, op
-zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid moet
-hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins
-ge&iuml;soleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in
-oude tijden, zelfs in den voorhistorischen <span class=
-"pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name=
-"pb128">128</a>]</span>tijd, zijn pygmee&euml;n bekend geweest. In
-voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild, komen
-dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de
-gebroeders <i>Sarasin</i> zijn op Ceylon overblijfselen van
-voorhistorische pygmee&euml;n te zamen met palaeolithische steenen
-werktuigen gevonden, in verschillende neolithische en latere graven
-zijn dwergskeletten naast skeletten van gewone menschelijke lengte
-gevonden, kortom, volgens <i>Kollmann</i>, die al deze dwergvormen tot
-de groep der pygmee&euml;n brengt, vormen deze pygmee&euml;n een scherp
-omschreven ras, dat vroeger globair, over den geheelen aardbol
-verspreid, voorkwam.</p>
-<p class="par">Dit brengt <i>Kollmann</i> nu in samenhang met het
-eerstgenoemde verschijnsel, dat groote diersoorten zich zoo dikwijls
-uit kleine voorouders hebben ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo
-geweest zijn. Ook de mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld,
-die niet veel meer dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een
-sterke overeenkomst zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde
-pygmee&euml;n. Het ras der pygmee&euml;n zou reeds in zeer oude tijden
-uit een onbekende kleine anthropo&iuml;denstam zich hebben ontwikkeld
-en moet als de eerst optredende menschvorm worden beschouwd. Uit deze
-pygmee&euml;n ontwikkelden zich dan langzamerhand de groote rassen,
-doch zoo, dat een gedeelte van den oervorm bewaard bleef; dat zijn
-juist de pygmee&euml;n die overal verspreid in de neolithische en
-latere graven zoo nu en dan naast de grootere rassen werden gevonden,
-en ook nu nog onder verschillende namen in Afrika, in Indi&euml;, op de
-Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook de dwergen, die door de
-geheele geschiedenis heen telkens worden gevonden en die ook in onze
-tegenwoordige samenleving genoegzaam bekend zijn, zouden niet
-tengevolge van eenig pathologisch proces zoo klein gebleven zijn, doch
-zouden aan een soort <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129"
-name="pb129">129</a>]</span>van atavisme, van terugslag naar den
-oervorm, hun ontstaan te danken hebben.</p>
-<p class="par">Nu bezitten al die pygmee&euml;n schedels met goed
-gewelfd voorhoofd en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een
-groote hersenmassa. Waar juist zij, volgens <i>Kollmann</i>, den
-oervorm voorstellen, zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l.
-menschvormen, met nog tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd,
-geringe schedelwelving en kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu
-juist het zwakke punt van de voorstelling van <i>Kollmann</i>, dat hij
-dit verschijnsel aan zijne theorie tracht dienstbaar te maken, en juist
-de hoog-gewelfde ruime schedel als den meest primitieven vorm gaat
-beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge en nog embryonale apenschedels
-veel menschelijker vorm bezitten dan die van oudere exemplaren, en
-concludeert daaruit dat de anthropo&iuml;de apen oorspronkelijk
-afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts een
-gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak van den
-grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden dus van
-de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden volgens
-<i>Kollmann</i> ook de verschillende vormen van het Neanderdalras met
-hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een
-divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen,
-en eveneens uit pygmee&euml;n met hoog gewelfd voorhoofd zijn
-voortgekomen.</p>
-<p class="par">In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk,
-anders ware zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een
-kern van waarheid, doch zij wordt door <i>Kollmann</i> tot het absurde
-doorgevoerd. Het is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm
-oorspronkelijk uit kleinere vormen is ontstaan. De eerste menschen
-waren ook nog vrij klein, de verschillende vertegenwoordigers van het
-neanderdalras, waarvan de overblijfselen voldoende waren, om de lengte
-van het lichaam <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130"
-name="pb130">130</a>]</span>ten naastenbij te bepalen, hadden een
-lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook gelijken de jonge apen, wat hun
-schedelvorm betreft, ongetwijfeld meer op jonge menschenschedels dan de
-volwassen vormen. Ik kan in dit verband nog eens wijzen op fig. 26 en
-fig. 27, waarin die gelijkenis duidelijk zichtbaar is. Eenige
-bladzijden vroeger hebben wij van deze afbeeldingen juist als
-illustratie gebruik gemaakt van het feit, dat de
-specialisatie-kenmerken van de anthropo&iuml;de apen zich zoo laat
-ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken
-dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropo&iuml;de apen
-oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit
-een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit
-zou willen besluiten, dat de anthropo&iuml;de apen oorspronkelijk een
-even hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel
-bezaten als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen
-afleiden, dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden
-moeten hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen
-als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide
-vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de
-geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan wordt
-het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering van <i>Kollmann</i>,
-dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen, uit
-pygmee&euml;n-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De kern
-van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een
-degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar
-dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den
-tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten
-eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke,
-&bdquo;aapachtige&rdquo; kenmerken, die met het lage voorhoofd van den
-neanderdalmensch samengaan <span class="pagenum">[<a id="pb131" href=
-"#pb131" name="pb131">131</a>]</span>en die eerst duidelijk aan het
-licht gekomen zijn door de vondst van den fossielen mensch van La
-Chapelle-aux-Saints, en ten tweede door de ook in den laatsten tijd
-gevonden nog lager staande vormen van den homo heidelbergensis en
-wellicht ook de vondst van Piltdown, den eoanthropus.</p>
-<p class="par">Ook is de geheele voorstelling van <i>Kollmann</i>,
-volgens welke de pygmee&euml;n de oervorm zouden zijn, van waaruit het
-menschengeslacht is ontstaan, niet gelukkig gekozen. Juist de wijze,
-waarop zij voorkomen, op ge&iuml;soleerde eilanden, in gebieden door
-andere factoren (bergketenen, ondoordringbare wouden enz.) door de
-natuur met een scheidsmuur omgeven, brengt hun veeleer in verband met
-de &bdquo;K&uuml;mmerrassen,&rdquo; die wij bij zoovele dieren, die in
-dezelfde omstandigheden verkeeren, zich zien vormen. Overal daar, waar
-een groote diersoort op een klein, scherp begrensd gebied is besloten
-geraakt, zien wij uit die diersoort zich een klein dwergras
-ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies, dwergvormen van den
-mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de eilanden in de
-Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan in aanpassing
-aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste poging om het te
-gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel meer voor de hand
-de pygmee&euml;n op dezelfde wijze te beschouwen. De dwergvormen
-daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van normale grootte
-optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens normaal groote
-kinderen, zijn van zoovele pathologische processen afhankelijk, dat zij
-zeer zeker niet maar eenvoudig allen over &eacute;&eacute;n kam
-geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.</p>
-<p class="par">Zoo heeft dus de voorstelling van <i>Kollmann</i> weinig
-waarschijnlijkheid op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier
-vermelden, omdat daardoor op het geheele probleem weer van een andere
-zijde licht wordt geworpen. <span class="pagenum">[<a id="pb132" href=
-"#pb132" name="pb132">132</a>]</span></p>
-<p class="par">Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze
-beschouwingen gekomen. De taak, die ik mij bij het bewerken van dit
-boekje had gesteld, is afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord
-kan de bioloog op de vraag naar de afstamming van den mensch nog in
-geen enkel opzicht geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker
-terrein; maar waar de laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat
-ons in staat gesteld heeft de verschillende vragen juister en scherper
-te formuleeren, daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons
-in nieuwe vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit
-probleem, zonder twijfel het belangrijkste van de problemen, die de
-levende wereld om ons heen ons stelt, zullen verschaffen.</p>
-<p class="par">Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit
-het hier behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den
-onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar dit
-laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke
-voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog voerenden
-weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons afvragen: welke
-zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk organisme heeft
-moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit een reeks van
-problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor zich wel eene
-bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen, die de
-menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben moeten
-ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een
-&bdquo;voorpoot,&rdquo; langzamerhand tot een grijporgaan werd;
-veranderingen, die alle haren eigenaardigen stempel hebben gedrukt op
-de samenstelling van onze hand, zooals wij die nu bezitten.</p>
-<p class="par">Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren
-op den voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig
-werd, zich ophief, verloor <span class="pagenum">[<a id="pb133" href=
-"#pb133" name="pb133">133</a>]</span>het hart in dezen nieuwen stand
-zijn steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus
-een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu weer
-verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk lichaam
-samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke
-eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.</p>
-<p class="par">Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de
-buikholte en het bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal
-pathologische afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts
-enkele zaken te noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van
-breuken en haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen
-brengen.</p>
-<p class="par">Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van
-het menschelijk lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de
-tertiaire periode met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat
-nu zelfs nog verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording
-moet hebben plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de
-&bdquo;voormensch&rdquo; zijn boomleven moest opgeven en meer en meer
-zich aan een leven op den beganen grond moest aanpassen. Verschillende
-eigenaardigheden van den bouw van den menschelijken voet in
-vergelijking met dien van de apen wijzen ongetwijfeld in deze richting.
-Ja, men hoort zelfs spreken van een &bdquo;paradijsachtigen
-oertoestand,&rdquo; waarin de voormenschen moeten hebben verkeerd, en
-het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer het wonderschoon
-verhaal van de schepping van den mensch in Genesis in de gedachten
-roept. In verband met het leven op den beganen grond moet den
-voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van de jacht
-leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te verschaffen en
-in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest scherpte,
-<span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name=
-"pb134">134</a>]</span>zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging
-gebruiken, enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer
-verschillende veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder
-spijsverteringskanaal gepaard, kortom, het geheele organisme van den
-mensch zouden wij in verband met zijne afstamming, zijne
-wordingsgeschiedenis, kunnen beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik
-hier echter onbesproken laten, en volstaan met er op te wijzen, dat
-slechts het onderzoek naar de afstamming van den mensch ons er toe
-brengt, ook deze vragen te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt
-uit, het menschelijk lichaam te onderzoeken.</p>
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e2306width"><img src="images/ornament.png" alt=
-"Ornament." width="149" height="80"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name=
-"pb135">135</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote" lang="nl"><span class="label"><a class=
-"noteref" id="xd24e2008" href="#xd24e2008src" name=
-"xd24e2008">1</a></span> Zie <a href=
-"#gloss">hierachter</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e2008src">&uarr;</a></p>
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e2035" href="#xd24e2035src" name="xd24e2035">2</a></span> Zie
-<a href="#gloss">hierachter</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e2035src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div id="ix" class="div1 index"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5693">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name=
-"pb137">137</a>]</span></p>
-<h2 class="main">ALGEMEEN REGISTER<a class="noteref" id="xd24e2316src"
-href="#xd24e2316" name="xd24e2316src">1</a></h2>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">A</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Aapmensch&mdash;De rechtopgaande .... <i>v.
-Dubois</i>, <a href="#pb65" class="pageref">65</a>.</p>
-<p class="par">Aarde, De.... in de vroege ontwikkelingsperioden,
-<a href="#pb118" class="pageref">118</a>.</p>
-<p class="par">Aardkorst&mdash;Veranderingen der .... en veranderingen
-der planten- en dierenwereld, <a href="#pb3" class="pageref">3</a>.</p>
-<p class="par">Aardoppervlak&mdash;Het karakter v. h. ..., <a href=
-"#pb3" class="pageref">3</a>.</p>
-<p class="par">Aardoppervlak&mdash;Rimpeling v. h. ..., <a href="#pb1"
-class="pageref">1</a>.</p>
-<p class="par">Acheulien-periode, <a href="#pb49" class=
-"pageref">49</a>, <a href="#pb98" class="pageref">98</a>.</p>
-<p class="par">Afkoeling v. h. aardoppervlak, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Afkoeling</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> v. onze planeet en ontwikkeling der aarde,
-<a href="#pb2" class="pageref">2</a>, <a href="#pb3" class=
-"pageref">3</a>, <a href="#pb7" class="pageref">7</a>.</p>
-<p class="par">Afkoeling&mdash;Door .... der aarde verandert het
-karakter v. h. planten- en dierenrijk, <a href="#pb5" class=
-"pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">Afwijking v. h. bloedvaatstelsel b. d. mensch, <a href=
-"#pb19" class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par">Afwijking v. d. neusschelpen b. d. mensch, <a href=
-"#pb19" class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par">Afwijking v. h. strottenhoofd b. d. mensch, <a href=
-"#pb19" class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par">Afwijking v. d. geslachtsklieren b. d. mensch, <a href=
-"#pb19" class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par">Afwijkingen i. d. bouw v. h. skelet v. d. mensch,
-<a href="#pb19" class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par"><i>Alsberg</i>, <a href="#pb103" class=
-"pageref">103</a>.</p>
-<p class="par"><i>Ameghino</i>, <a href="#pb103" class=
-"pageref">103</a>, <a href="#pb104" class="pageref">104</a>, <a href=
-"#pb105" class="pageref">105</a>.</p>
-<p class="par">Anatomie, Vergelijkende ...., <a href="#pb12" class=
-"pageref">12</a>.</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd24e2441" title=
-"Bron: Anthropoiden">Anthropo&iuml;den</span>, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-<p class="par">Anthropologie,&mdash;De moderne praehistorische ....,
-<a href="#pb49" class="pageref">49</a>.</p>
-<p class="par">Anthropologisch onderzoek&mdash;De vorm v. d. schedel,
-kaakbeenderen enz. bij het......, <a href="#pb59" class=
-"pageref">59</a>, <a href="#pb60" class="pageref">60</a>.</p>
-<p class="par">Anthropologisch onderzoek&mdash;Het gebruik van
-R&ouml;ntgen-stralen bij het....., <a href="#pb60" class=
-"pageref">60</a>.</p>
-<p class="par">Apen&mdash;De...., <a href="#pb107" class=
-"pageref">107</a>, <a href="#pb108" class="pageref">108</a>, <a href=
-"#pb109" class="pageref">109</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Apen</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span>&mdash;Individueele variaties bij de ....,
-<a href="#pb18" class="pageref">18</a>.</p>
-<p class="par">Apen&mdash;Anthropo&iuml;de ...., <a href="#pb124"
-class="pageref">124</a>, <a href="#pb129" class="pageref">129</a>.</p>
-<p class="par">Artefacten, <a href="#pb36" class="pageref">36</a>,
-<a href="#pb37" class="pageref">37</a>, <a href="#pb48" class=
-"pageref">48</a>.</p>
-<p class="par">Aueros&mdash;De .... (bos primigenius), <a href="#pb33"
-class="pageref">33</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>,
-<a href="#pb85" class="pageref">85</a>.</p>
-<p class="par">Aurignac-ras, <a href="#pb110" class="pageref">110</a>,
-<a href="#pb120" class="pageref">120</a>, <a href="#pb121" class=
-"pageref">121</a>.</p>
-<p class="par">Aurignac-periode, <a href="#pb95" class=
-"pageref">95</a>, <a href="#pb97" class="pageref">97</a>.</p>
-<p class="par">Azilien-periode, <a href="#pb49" class=
-"pageref">49</a>.</p>
-<p class="par">Azo&iuml;sche-periode, <a href="#pb4" class=
-"pageref">4</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138"
-name="pb138">138</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">B</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Bardon</i>&mdash;Abt. <i>L.</i>, <a href=
-"#pb87" class="pageref">87</a>.</p>
-<p class="par">Beersoorten, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>.</p>
-<p class="par">beharing&mdash;De .... bij mensch en dier, <a href=
-"#pb23" class="pageref">23</a>.</p>
-<p class="par">beharing&mdash;Sterke... b. d. mensch, <a href="#pb19"
-class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par">Bergstroomen, <a href="#pb37" class=
-"pageref">37</a>.</p>
-<p class="par">Bison, De ...., <a href="#pb88" class=
-"pageref">88</a>.</p>
-<p class="par">bodem&mdash;Daling v. d. ...., <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par">Borstklieren&mdash;De twee .... b. d. mensch, <a href=
-"#pb18" class="pageref">18</a>.</p>
-<p class="par">Bos primigenius, <a href="#pb86" class=
-"pageref">86</a>.</p>
-<p class="par"><i>Boucher de Perthes</i>, <a href="#pb55" class=
-"pageref">55</a>.</p>
-<p class="par"><i>Boule&mdash;M.</i>, <a href="#pb58" class=
-"pageref">58</a>, <a href="#pb73" class="pageref">73</a>, <a href=
-"#pb86" class="pageref">86</a>, <a href="#pb90" class="pageref">90</a>,
-<a href="#pb93" class="pageref">93</a>, <a href="#pb95" class=
-"pageref">95</a>, <a href="#pb97" class="pageref">97</a>.</p>
-<p class="par"><i>Bouyssonie</i>&mdash;Abten <i>J.</i> en <i>A.</i>
-...., <a href="#pb87" class="pageref">87</a>.</p>
-<p class="par">Brachycephalen, <a href="#pb83" class=
-"pageref">83</a>.</p>
-<p class="par"><i>Branco</i>, <a href="#pb103" class="pageref">103</a>,
-<a href="#pb117" class="pageref">117</a>.</p>
-<p class="par"><i>Broca</i>, <a href="#pb48" class=
-"pageref">48</a>.</p>
-<p class="par">brontosaurus, <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">Bronzen tijdperk, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>.</p>
-<p class="par">Bronzen werktuigen, <a href="#pb50" class=
-"pageref">50</a>.</p>
-<p class="par"><i>Buffon</i>, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">C</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Calaveras-schedel, <a href="#pb104" class=
-"pageref">104</a>.</p>
-<p class="par">Cambrium&mdash;Het ...., <a href="#pb4" class=
-"pageref">4</a>.</p>
-<p class="par">Chapelle-aux-Saints&mdash;l&rsquo;Homme ...., <a href=
-"#pb86" class="pageref">86</a>.</p>
-<p class="par">Chapelle-aux-Saints&mdash;De schedel v. h. skelet van
-...., <a href="#pb90" class="pageref">90</a>, <a href="#pb93" class=
-"pageref">93</a>.</p>
-<p class="par">Chellien-periode, <a href="#pb49" class=
-"pageref">49</a>, <a href="#pb69" class="pageref">69</a>, <a href=
-"#pb70" class="pageref">70</a>, <a href="#pb98" class=
-"pageref">98</a>.</p>
-<p class="par">Combe Capelle&mdash;Skelet van ...., <a href="#pb100"
-class="pageref">100</a>.</p>
-<p class="par">Conflict met de moza&iuml;sche scheppingsverhalen,
-<a href="#pb15" class="pageref">15</a>.</p>
-<p class="par">Conflict met de oude anthropocentrische
-wereldbeschouwingen, <a href="#pb15" class="pageref">15</a>.</p>
-<p class="par">Cro-magnonras, <a href="#pb95" class="pageref">95</a>,
-<a href="#pb101" class="pageref">101</a>, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>, <a href="#pb120" class="pageref">120</a>, <a href=
-"#pb121" class="pageref">121</a>.</p>
-<p class="par">Cultuur&mdash;De .... van de Moust&eacute;rien-periode
-tot het magdalenium, <a href="#pb125" class="pageref">125</a>.</p>
-<p class="par">Cultuur v. h. neolithicum, <a href="#pb127" class=
-"pageref">127</a>.</p>
-<p class="par"><i>Cuvier</i>, <a href="#pb54" class=
-"pageref">54</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">D</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">dalen&mdash;Diepe .... door waterstroomen
-uitgegraven, <a href="#pb1" class="pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><i>Darwin</i>, <a href="#pb63" class="pageref">63</a>,
-<a href="#pb65" class="pageref">65</a>, <a href="#pb110" class=
-"pageref">110</a>.</p>
-<p class="par"><i>Dawson</i>, <a href="#pb69" class=
-"pageref">69</a>.</p>
-<p class="par">dierenwereld&mdash;Wisselingen v. d. ...., <a href=
-"#pb2" class="pageref">2</a>.</p>
-<p class="par">Dierenwereld&mdash;De .... i. d. ijstijd, <a href=
-"#pb27" class="pageref">27</a>, <a href="#pb28" class=
-"pageref">28</a>.</p>
-<p class="par">Diluvium&mdash;Het ...., <a href="#pb10" class=
-"pageref">10</a>, <a href="#pb99" class="pageref">99</a>.</p>
-<p class="par">Dolichocephalen, <a href="#pb83" class=
-"pageref">83</a>.</p>
-<p class="par"><i>Dollo</i>&mdash;Prof ...., <a href="#pb12" class=
-"pageref">12</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s"><i>Dollo</i></span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span>&mdash;De wet van ...., <a href="#pb12"
-class="pageref">12</a>, <a href="#pb111" class="pageref">111</a>.</p>
-<p class="par">Doodencultus i. h. praehistorische tijdperk, <a href=
-"#pb42" class="pageref">42</a>&mdash;43.</p>
-<p class="par">Doodencultus bij den voorhistorischen mensch, <a href=
-"#pb56" class="pageref">56</a>, <a href="#pb94" class=
-"pageref">94</a>.</p>
-<p class="par"><i>Dubois</i>&mdash;<i>Eugene</i> ...., <a href="#pb65"
-class="pageref">65</a>, <a href="#pb71" class="pageref">71</a>,
-<a href="#pb72" class="pageref">72</a>, <a href="#pb78" class=
-"pageref">78</a>, <a href="#pb121" class="pageref">121</a>.</p>
-<p class="par">Duur&mdash;De .... der perioden, <a href="#pb29" class=
-"pageref">29</a>, <a href="#pb30" class="pageref">30</a>.</p>
-<p class="par">Dwergen, <a href="#pb127" class="pageref">127</a>.</p>
-<p class="par">Dwergvormen v. d. Europeeschen neushoorn, <a href=
-"#pb131" class="pageref">131</a>.</p>
-<p class="par">Dwergvormen v. d. Mammoeth, <a href="#pb131" class=
-"pageref">131</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">E</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Eicel&mdash;De ongedifferentieele .... als
-uitgangspunt v. d. ontwikkeling der diverse diervormen, <a href="#pb20"
-class="pageref">20</a>, <a href="#pb21" class="pageref">21</a>.</p>
-<p class="par">Eindmorainen, <a href="#pb27" class="pageref">27</a>,
-<a href="#pb30" class="pageref">30</a>.</p>
-<p class="par">Elasmotherion&mdash;Het ...., <a href="#pb32" class=
-"pageref">32</a>.</p>
-<p class="par"><i>Elbert</i>, <a href="#pb67" class=
-"pageref">67</a>.</p>
-<p class="par">Elephas antiquus, <a href="#pb71" class=
-"pageref">71</a>, <a href="#pb74" class="pageref">74</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Elephas</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> Meridionalis, <a href="#pb32" class=
-"pageref">32</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Elephas</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> Trogontherii, <a href="#pb32" class=
-"pageref">32</a>.</p>
-<p class="par">Embryonale leven&mdash;Het begin- en eindtijdperk van
-het ...., <a href="#pb21" class="pageref">21</a>.</p>
-<p class="par">Embryo&mdash;Ontwikkeling van .... tot individu,
-<a href="#pb12" class="pageref">12</a>. <span class="pagenum">[<a id=
-"pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p>
-<p class="par">Eoanthropus Dawson, <a href="#pb69" class=
-"pageref">69</a>, <a href="#pb84" class="pageref">84</a>, <a href=
-"#pb112" class="pageref">112</a>, <a href="#pb117" class=
-"pageref">117</a>, <a href="#pb120" class="pageref">120</a>, <a href=
-"#pb131" class="pageref">131</a>.</p>
-<p class="par">Eolithen, <a href="#pb37" class="pageref">37</a>,
-<a href="#pb38" class="pageref">38</a>, <a href="#pb47" class=
-"pageref">47</a>, <a href="#pb48" class="pageref">48</a>, <a href=
-"#pb51" class="pageref">51</a>, <a href="#pb101" class=
-"pageref">101</a>.</p>
-<p class="par">Eolithen-theorie, <a href="#pb38" class=
-"pageref">38</a>, <a href="#pb47" class="pageref">47</a>.</p>
-<p class="par">Eskimos, <a href="#pb122" class="pageref">122</a>.</p>
-<p class="par">Etruscischen neushoorn, <a href="#pb74" class=
-"pageref">74</a>.</p>
-<p class="par">Evolutie, <a href="#pb1" class="pageref">1</a>, <a href=
-"#pb11" class="pageref">11</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">F</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Fraipont</i>, <a href="#pb78" class=
-"pageref">78</a>, <a href="#pb79" class="pageref">79</a>.</p>
-<p class="par"><i>Fuhlrott, Dr.</i>, <a href="#pb57" class=
-"pageref">57</a>, <a href="#pb77" class="pageref">77</a>, <a href=
-"#pb78" class="pageref">78</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">G</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Galenus-Ennius</i>, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-<p class="par">Gelijkenis tusschen jonge apen en jonge menschen,
-<a href="#pb130" class="pageref">130</a>.</p>
-<p class="par">Gemeenschappelijke voorvader van mensch en menschaap,
-<a href="#pb113" class="pageref">113</a>.</p>
-<p class="par">Geneeskunst b<span class="corr" id="xd24e3091" title=
-"Niet in bron">.</span> d. praehist.-mensch, <a href="#pb44" class=
-"pageref">44</a>.</p>
-<p class="par"><i><span class="corr" id="xd24e3099" title=
-"Bron: Georganovic-Kramberger">Gorjanovi&#263;-Kramberger</span></i>,
-<a href="#pb50" class="pageref">50</a>, <a href="#pb80" class=
-"pageref">80</a>.</p>
-<p class="par">geslachtsapparaat&mdash;Het .... bij mensch en dier,
-<a href="#pb23" class="pageref">23</a>.</p>
-<p class="par">Gibraltar-schedel, <a href="#pb83" class=
-"pageref">83</a>, <a href="#pb93" class="pageref">93</a>.</p>
-<p class="par">Gibraltar-schedel&mdash;Volumen van den ...., <a href=
-"#pb84" class="pageref">84</a>.</p>
-<p class="par">Gidsfossielen, <a href="#pb4" class="pageref">4</a>.</p>
-<p class="par">glaciale periode&mdash;De ...., <a href="#pb6" class=
-"pageref">6</a>.</p>
-<p class="par">Gletschers, <a href="#pb41" class="pageref">41</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Gletschers</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span>&mdash;Bergtoppen door .... afgesleten,
-<a href="#pb1" class="pageref">1</a>.</p>
-<p class="par">Gletschervormingen in alle <a href="#pb5" class=
-"pageref">5</a> Werelddeelen, <a href="#pb9" class="pageref">9</a>.</p>
-<p class="par">goddelijke drang in de Natuur&mdash;Ondoorgrondelijke,
-eeuwige ...., <a href="#pb2" class="pageref">2</a>.</p>
-<p class="par">Grimaldi&mdash;vondst van ...., <a href="#pb95" class=
-"pageref">95</a>.</p>
-<p class="par">Grintlagen, <a href="#pb55" class="pageref">55</a>.</p>
-<p class="par">Grotte des Enfants, <a href="#pb95" class=
-"pageref">95</a>, <a href="#pb121" class="pageref">121</a>.</p>
-<p class="par">G&uuml;nz&mdash;Glaciaalphase van ...., <a href="#pb9"
-class="pageref">9</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">H</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Hauser, O.</i>, <a href="#pb55" class=
-"pageref">55</a>, <a href="#pb85" class="pageref">85</a>, <a href=
-"#pb100" class="pageref">100</a>.</p>
-<p class="par">Heidelberger Mensch&mdash;Vondst v. d<span class="corr"
-id="xd24e3203" title="Niet in bron">.</span> kaak v. d. ...., <a href=
-"#pb72" class="pageref">72</a>.</p>
-<p class="par">Heidelberger Mensch&mdash;Gelijkenis tusschen de kaak v.
-d. .... en die v. d. orang oetan en gorilla, <a href="#pb74" class=
-"pageref">74</a><span class="corr" id="xd24e3213" title=
-"Niet in bron">.</span></p>
-<p class="par">Heidelbergeronderkaak, <a href="#pb74" class=
-"pageref">74</a>, <a href="#pb112" class="pageref">112</a>.</p>
-<p class="par">hersenvolumen&mdash;Het .... bij gorilla en
-oerang-oetan, neanderdal-(schedel), blanke rassen, pithecanthropus,
-<a href="#pb68" class="pageref">68</a>.</p>
-<p class="par">Herten, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>.</p>
-<p class="par">hertshoorn&mdash;Werktuigen uit, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>.</p>
-<p class="par">Hippopotamus, <a href="#pb69" class=
-"pageref">69</a>.</p>
-<p class="par">&bdquo;H&ouml;ckergr&auml;ber&rdquo;, <a href="#pb87"
-class="pageref">87</a>, <a href="#pb94" class="pageref">94</a>.</p>
-<p class="par">holenbeer&mdash;De, <a href="#pb27" class=
-"pageref">27</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, <a href=
-"#pb55" class="pageref">55</a>.</p>
-<p class="par">holenhyaena&mdash;De ...., <a href="#pb27" class=
-"pageref">27</a>, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>.</p>
-<p class="par">holenkat&mdash;De ...., (felis spelaea), <a href="#pb33"
-class="pageref">33</a>.</p>
-<p class="par">holenleeuw&mdash;De ...., <a href="#pb27" class=
-"pageref">27</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>.</p>
-<p class="par">holenwolf&mdash;De ...., <a href="#pb27" class=
-"pageref">27</a>, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>.</p>
-<p class="par"><i>Holwerda</i>, Dr., <a href="#pb56" class=
-"pageref">56</a>.</p>
-<p class="par">Hominiden, <a href="#pb123" class="pageref">123</a>,
-<a href="#pb125" class="pageref">125</a>.</p>
-<p class="par">Homo heidelbergensis, <a href="#pb71" class=
-"pageref">71</a>, <a href="#pb79" class="pageref">79</a>, <a href=
-"#pb80" class="pageref">80</a>, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>,
-<a href="#pb86" class="pageref">86</a>, <a href="#pb112" class=
-"pageref">112</a>, <a href="#pb117" class="pageref">117</a>, <a href=
-"#pb120" class="pageref">120</a>, <a href="#pb124" class=
-"pageref">124</a>, <a href="#pb131" class="pageref">131</a>.</p>
-<p class="par">Homo Mousteriensis Hauseri, <a href="#pb55" class=
-"pageref">55</a>, <a href="#pb84" class="pageref">84</a>.</p>
-<p class="par">Hurkgraven, <a href="#pb87" class="pageref">87</a>.</p>
-<p class="par"><i>Huxley</i>, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-<p class="par"><i>Hydlicka</i>, <a href="#pb104" class=
-"pageref">104</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">I</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Ingekraste teekeningen op ivoor, enz., <a href=
-"#pb38" class="pageref">38</a>.</p>
-<p class="par">Interglaciale perioden, <a href="#pb9" class=
-"pageref">9</a>, <a href="#pb26" class="pageref">26</a>, <a href=
-"#pb33" class="pageref">33</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>,
-<a href="#pb56" class="pageref">56</a>, <a href="#pb123" class=
-"pageref">123</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">K</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Kalklagen, <a href="#pb38" class=
-"pageref">38</a>.</p>
-<p class="par">Kalksteenafzettingen, <a href="#pb55" class=
-"pageref">55</a>.</p>
-<p class="par">Kendeng-lagen bij Trinil, <a href="#pb72" class=
-"pageref">72</a>.</p>
-<p class="par">Kieuwspleten en kieuwbogen, <a href="#pb20" class=
-"pageref">20</a>, <a href="#pb24" class="pageref">24</a>. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span></p>
-<p class="par">Kieuwspleten en kieuwbogen, b. h. menschelijk embryo,
-<a href="#pb22" class="pageref">22</a>.</p>
-<p class="par">Kieuwspleten bij het embryo van alle zoogdieren,
-<a href="#pb20" class="pageref">20</a>.</p>
-<p class="par">Kiezelbeddingen, <a href="#pb40" class=
-"pageref">40</a>.</p>
-<p class="par">kiezelsteenen&mdash;Afgeslepen en afgesplinterde ....,
-<a href="#pb38" class="pageref">38</a>.</p>
-<p class="par"><i>Klaatsch</i>, <a href="#pb78" class="pageref">78</a>,
-<a href="#pb85" class="pageref">85</a>, <a href="#pb100" class=
-"pageref">100</a>, <a href="#pb103" class="pageref">103</a>, <a href=
-"#pb110" class="pageref">110</a>.</p>
-<p class="par">Klei- en steenlagen, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par">klimaat&mdash;Wisselingen v. h. ...., <a href="#pb2"
-class="pageref">2</a>.</p>
-<p class="par">klove&mdash;Diepe .... tusschen &rsquo;t Neanderdal-ras
-en den Homo sapiens, <a href="#pb98" class="pageref">98</a>, <a href=
-"#pb99" class="pageref">99</a>.</p>
-<p class="par">Klove tussen Neanderdalras en het cro-magnonras,
-<a href="#pb102" class="pageref">102</a>.</p>
-<p class="par"><i>Kollmann</i>, <a href="#pb127" class=
-"pageref">127</a>, <a href="#pb129" class="pageref">129</a>, <a href=
-"#pb130" class="pageref">130</a>, <a href="#pb131" class=
-"pageref">131</a>.</p>
-<p class="par"><i>Kramberger</i>, <a href="#pb93" class=
-"pageref">93</a>.</p>
-<p class="par">Krapina&mdash;De vondst van ...., <a href="#pb80" class=
-"pageref">80</a>.</p>
-<p class="par">Krapina-skeletten&mdash;Overeenkomst tusschen de .... en
-het Neanderdalras, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>.</p>
-<p class="par">Krijtlagen&mdash;De, <a href="#pb46" class=
-"pageref">46</a>.</p>
-<p class="par">Kroati&euml;&mdash;De oudste bewoners van ....
-kannibalen, <a href="#pb81" class="pageref">81</a>.</p>
-<p class="par">K&uuml;mmerrassen, <a href="#pb131" class=
-"pageref">131</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">L</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Lamarck&mdash;De</i>, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-<p class="par">Landverbinding tusschen Amerika en Europa, <a href=
-"#pb119" class="pageref">119</a>.</p>
-<p class="par">Langhoofden, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>,
-<a href="#pb121" class="pageref">121</a>.</p>
-<p class="par">Lappen, <a href="#pb122" class="pageref">122</a>.</p>
-<p class="par"><i>Lartet</i>, <a href="#pb99" class=
-"pageref">99</a>.</p>
-<p class="par">levensbeginsel&mdash;Ondoorgrondelijkheid v. h. ....,
-<a href="#pb6" class="pageref">6</a>.</p>
-<p class="par"><i>Linnaeus</i>, <a href="#pb107" class=
-"pageref">107</a>, <a href="#pb108" class="pageref">108</a>.</p>
-<p class="par"><i>Lohert</i>, <a href="#pb78" class="pageref">78</a>,
-<a href="#pb79" class="pageref">79</a>.</p>
-<p class="par">Loofboomen i. d. Tertiaire periode, <a href="#pb9"
-class="pageref">9</a>.</p>
-<p class="par">Loofplanten en hooge palmen, <a href="#pb6" class=
-"pageref">6</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">M</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Mafflien-periode, <a href="#pb74" class=
-"pageref">74</a>.</p>
-<p class="par">Magdalenium, <a href="#pb98" class="pageref">98</a>,
-<a href="#pb101" class="pageref">101</a>.</p>
-<p class="par">Mammoeth (elephas primigenius), <a href="#pb27" class=
-"pageref">27</a>, <a href="#pb31" class="pageref">31</a>, <a href=
-"#pb40" class="pageref">40</a>, <a href="#pb41" class="pageref">41</a>,
-<a href="#pb55" class="pageref">55</a>, <a href="#pb79" class=
-"pageref">79</a>.</p>
-<p class="par">Mammoethtanden, <a href="#pb31" class=
-"pageref">31</a>.</p>
-<p class="par">Martin&mdash;K., <a href="#pb67" class=
-"pageref">67</a>.</p>
-<p class="par"><i>Melchers</i>, <a href="#pb109" class=
-"pageref">109</a>.</p>
-<p class="par">melklijn,&mdash;De ...., <a href="#pb18" class=
-"pageref">18</a>, <a href="#pb23" class="pageref">23</a>.</p>
-<p class="par">Menschapen, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-<p class="par">Mensch en Aap, <a href="#pb107" class=
-"pageref">107</a>/117.</p>
-<p class="par">mensch&mdash;De .... een homo novus, <a href="#pb117"
-class="pageref">117</a>.</p>
-<p class="par">mensch&mdash;De .... een <span class="corr" id=
-"xd24e3686" title="Bron: intergeerend">integreerend</span> deel der
-levende wereld, <a href="#pb16" class="pageref">16</a>.</p>
-<p class="par">mensch&mdash;De .... afstammeling van dierlijke
-voorvaders, <a href="#pb24" class="pageref">24</a>, <a href="#pb35"
-class="pageref">35</a>.</p>
-<p class="par">mensch&mdash;De .... als holenbewoner (troglodyte),
-<a href="#pb28" class="pageref">28</a>.</p>
-<p class="par">mensch&mdash;De .... als oeverbewoner, <a href="#pb28"
-class="pageref">28</a>.</p>
-<p class="par">mensch&mdash;De (on-) behaarde <span class="corr" id=
-"xd24e3712" title="Bron: ..">....</span>, <a href="#pb122" class=
-"pageref">122</a>, <a href="#pb123" class="pageref">123</a>.</p>
-<p class="par">mensch&mdash;Individueele variaties bij den ....,
-<a href="#pb18" class="pageref">18</a>.</p>
-<p class="par">Menschelijk embryo en dierlijk embryo, <a href="#pb22"
-class="pageref">22</a>, <a href="#pb24" class="pageref">24</a>.</p>
-<p class="par">Menschelijk organisme&mdash;Harmonische ontwikkeling v.
-h. ..., <a href="#pb17" class="pageref">17</a>.</p>
-<p class="par">Menschwording,&mdash;De ...., <a href="#pb118" class=
-"pageref">118</a>.</p>
-<p class="par">Mesozoicum-periode&mdash;De ...., <a href="#pb5" class=
-"pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">Meten van schedels, <a href="#pb58" class=
-"pageref">58</a>.</p>
-<p class="par"><i>Mettrie, de la</i> ...., <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-<p class="par">microscopische&mdash;De .... techniek, <a href="#pb20"
-class="pageref">20</a>.</p>
-<p class="par">&bdquo;Middeleeuwen&rdquo; v. d.
-ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur, <a href="#pb5" class=
-"pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">Mindel&mdash;Glaciaalphase van ...., <a href="#pb9"
-class="pageref">9</a>.</p>
-<p class="par"><i>Monboddo</i>&mdash;Lord, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-<p class="par">Moraenen, <a href="#pb9" class="pageref">9</a>.</p>
-<p class="par">Morphologische wetenschap, <a href="#pb16" class=
-"pageref">16</a>.</p>
-<p class="par"><i>Mortillet, Gabriel de</i> ...., <a href="#pb31"
-class="pageref">31</a>, <a href="#pb36" class="pageref">36</a>,
-<a href="#pb48" class="pageref">48</a>.</p>
-<p class="par">Moust&eacute;rien-periode, <a href="#pb49" class=
-"pageref">49</a>, <a href="#pb79" class="pageref">79</a>, <a href=
-"#pb97" class="pageref">97</a>, <a href="#pb98" class=
-"pageref">98</a>.</p>
-<p class="par">Moustier in Dordogne&mdash;Le ...., <a href="#pb85"
-class="pageref">85</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb141" href=
-"#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">N</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Neanderdal-mensch, <a href="#pb93" class=
-"pageref">93</a>, <a href="#pb124" class="pageref">124</a>.</p>
-<p class="par">Neanderdal-ras, <a href="#pb96" class="pageref">96</a>,
-<a href="#pb98" class="pageref">98</a>, <a href="#pb110" class=
-"pageref">110</a>, <a href="#pb119" class="pageref">119</a>, <a href=
-"#pb120" class="pageref">120</a>, <a href="#pb124" class=
-"pageref">124</a>, <a href="#pb125" class="pageref">125</a>, <a href=
-"#pb129" class="pageref">129</a>, <a href="#pb130" class=
-"pageref">130</a>.</p>
-<p class="par">Neanderdal-ras&mdash;sterke verbreiding van het ....
-over Europa, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>.</p>
-<p class="par">Neanderdal-schedel, <a href="#pb57" class=
-"pageref">57</a>, <a href="#pb58" class="pageref">58</a>, <a href=
-"#pb76" class="pageref">76</a>, <a href="#pb80" class="pageref">80</a>,
-<a href="#pb84" class="pageref">84</a>, <a href="#pb93" class=
-"pageref">93</a>.</p>
-<p class="par">Neckardal&mdash;Het ontstaan van het ...., <a href=
-"#pb26" class="pageref">26</a>.</p>
-<p class="par">Negro&iuml;de-schedels van Verneau, <a href="#pb98"
-class="pageref">98</a>.</p>
-<p class="par">Negro&iuml;de-type, <a href="#pb125" class=
-"pageref">125</a>.</p>
-<p class="par"><i>Nehring</i>, <a href="#pb70" class=
-"pageref">70</a>.</p>
-<p class="par">Neolithicum&mdash;Het ...., <a href="#pb41" class=
-"pageref">41</a>, <a href="#pb102" class="pageref">102</a>.</p>
-<p class="par">Neozo&iuml;cum&mdash;Het ...., <a href="#pb6" class=
-"pageref">6</a>.</p>
-<p class="par">neushoorn&mdash;De Siberische .... (rhinoceros
-tichorhinus), <a href="#pb32" class="pageref">32</a>.</p>
-<p class="par">neushoorn&mdash;Langharige ...., <a href="#pb27" class=
-"pageref">27</a>.</p>
-<p class="par">Niagara-waterval&mdash;Het ontstaan v. d. verbinding
-tusschen den .... en het Ontario-meer, <a href="#pb30" class=
-"pageref">30</a>.</p>
-<p class="par">nierapparaat&mdash;Het .... bij dier en mensch, <a href=
-"#pb23" class="pageref">23</a>.</p>
-<p class="par">Nijlpaard, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>,
-<a href="#pb123" class="pageref">123</a>.</p>
-<p class="par">nijlpaard&mdash;Het groote .... (hippopotamus major),
-<a href="#pb32" class="pageref">32</a>.</p>
-<p class="par"><i>Noethling</i>, <a href="#pb103" class=
-"pageref">103</a>.</p>
-<p class="par">O</p>
-<p class="par">Oerolifant (<span class="ex">elephas antiquus</span>),
-<a href="#pb32" class="pageref">32</a>.</p>
-<p class="par">Ongewervelde landdieren, <a href="#pb4" class=
-"pageref">4</a>.</p>
-<p class="par">Ontdekte ingekraste teekeningen, <a href="#pb36" class=
-"pageref">36</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontdekte</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> overblijfselen van dierlijke beenderen,
-<a href="#pb36" class="pageref">36</a>.</p>
-<p class="par">Ontdekte overblijfselen van vuur, <a href="#pb36" class=
-"pageref">36</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontdekte</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> steenen wapenen, <a href="#pb36" class=
-"pageref">36</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontdekte</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> steenen werktuigen, <a href="#pb39" class=
-"pageref">39</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, <a href=
-"#pb45" class="pageref">45</a>.</p>
-<p class="par">ontleedkunde&mdash;De vergelijkende ...., <a href=
-"#pb16" class="pageref">16</a>.</p>
-<p class="par">Ontstaan van bergmeren, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> van bergreeksen, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> van koraalriffen, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> van lage landen, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> v. d. mensch, <a href="#pb133" class=
-"pageref">133</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> van ravijnen, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> van wouden, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> van zee&euml;n, <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par"><span class="ditto"><span class=
-"s">Ontstaan</span><span class="d"><span class=
-"i">,,</span></span></span> van zandvlakten <a href="#pb1" class=
-"pageref">1</a>.</p>
-<p class="par">Ontwikkelingsgeschiedenis, <a href="#pb16" class=
-"pageref">16</a>.</p>
-<p class="par">ontwikkelingsgeschiedenis&mdash;De .... van tal van
-diervormen i. d. laatste <a href="#pb50" class="pageref">50</a> jaar,
-<a href="#pb20" class="pageref">20</a>.</p>
-<p class="par">Ontwikkelingslijn van dier tot mensch, <a href="#pb122"
-class="pageref">122</a>, <a href="#pb124" class="pageref">124</a>,
-<a href="#pb126" class="pageref">126</a>, <a href="#pb132" class=
-"pageref">132</a>, <a href="#pb134" class="pageref">134</a>.</p>
-<p class="par">oorschelp&mdash;voorkomende gelijke vorm v. d. .... bij
-mensch en dier, <a href="#pb19" class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par">Opgravingen, <a href="#pb55" class="pageref">55</a>,
-<a href="#pb57" class="pageref">57</a>.</p>
-<p class="par">organismen&mdash;Eerste levende wezens, kleine
-eencellige ...., <a href="#pb2" class="pageref">2</a>.</p>
-<p class="par">Ouderdom eener aardlaag in verband met ontdekte
-versteeningen, <a href="#pb4" class="pageref">4</a>.</p>
-<p class="par">Ouderdom v. h. menschelijk geslacht, <a href="#pb35"
-class="pageref">35</a> e. v., <a href="#pb45" class="pageref">45</a> e.
-v.</p>
-<p class="par">overblijfselen&mdash;Vaststellen v. d. herkomst der
-gevonden ...., <a href="#pb3" class="pageref">3</a>.</p>
-<p class="par">Overblijfselen v. laagstaande dieren, <a href="#pb4"
-class="pageref">4</a>.</p>
-<p class="par">overblijfselen&mdash;Te herkennen ...., <a href="#pb3"
-class="pageref">3</a>.</p>
-<p class="par">Overeenkomende kenmerken bij mensch en dier, <a href=
-"#pb19" class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par">overeenkomst&mdash;Sterke .... tusschen mensch en
-pithecanthropus, <a href="#pb68" class="pageref">68</a>.</p>
-<p class="par">Overeenkomsten tusschen de skeletten v. Le Moustier en
-Spy, <a href="#pb86" class="pageref">86</a>.</p>
-<p class="par">Overeenkomsten tusschen het skelet van La
-Chapelle-aux-Saints en die van apen, <a href="#pb90" class=
-"pageref">90</a>.</p>
-<p class="par">Overeenstemming tusschen den bouw van het menschelijk en
-het dierlijk lichaam, <a href="#pb17" class="pageref">17</a>.
-<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name=
-"pb142">142</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">P</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Paard&mdash;Een soort .... uit het laatste
-gedeelte der tertiaire periode, <a href="#pb88" class=
-"pageref">88</a>.</p>
-<p class="par">palaeolithicum&mdash;Het ...., <a href="#pb41" class=
-"pageref">41</a>, <a href="#pb49" class="pageref">49</a>, <a href=
-"#pb55" class="pageref">55</a>, <a href="#pb81" class="pageref">81</a>,
-<a href="#pb99" class="pageref">99</a>, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>, <a href="#pb124" class="pageref">124</a>.</p>
-<p class="par">Palaeolithische steenen werktuigen, <a href="#pb128"
-class="pageref">128</a>.</p>
-<p class="par">Palaeolithische werktuigen, <a href="#pb121" class=
-"pageref">121</a>.</p>
-<p class="par">Palaeolithische werktuigen in onze <i>Oost</i>,
-<i>Ceylon</i>, <i>Engelsch-Indi&euml;</i>, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>.</p>
-<p class="par">palaeontologie&mdash;De ...., <a href="#pb11" class=
-"pageref">11</a>, <a href="#pb12" class="pageref">12</a>, <a href=
-"#pb16" class="pageref">16</a>.</p>
-<p class="par">palaeozo&iuml;cum&mdash;Einde van het ...., <a href=
-"#pb5" class="pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">Palaeozo&iuml;sche periode, <a href="#pb4" class=
-"pageref">4</a>.</p>
-<p class="par"><i>Pastrana</i>&mdash;<i>Juliana</i> ...., <a href=
-"#pb19" class="pageref">19</a>.</p>
-<p class="par"><i>Penck</i>, <a href="#pb9" class="pageref">9</a>.</p>
-<p class="par">Pithecanthropus, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>, <a href="#pb117" class="pageref">117</a>, <a href=
-"#pb119" class="pageref">119</a>, <a href="#pb121" class=
-"pageref">121</a>, <a href="#pb124" class="pageref">124</a>.</p>
-<p class="par">pithecanthropus erectus&mdash;De ...., <a href="#pb65"
-class="pageref">65</a>.</p>
-<p class="par">pithecanthropus&mdash;Gelijkenis tusschen den .... en
-het Neanderdaler fossiel, <a href="#pb78" class="pageref">78</a>.</p>
-<p class="par">plantenwereld&mdash;Wisselingen v. d. ...., <a href=
-"#pb2" class="pageref">2</a>.</p>
-<p class="par">Plantenwereld i. d. ijstijd, <a href="#pb27" class=
-"pageref">27</a>.</p>
-<p class="par">planten- en dierenwereld&mdash;Veranderingen der
-aardkorst en veranderingen der ...., <a href="#pb3" class=
-"pageref">3</a>.</p>
-<p class="par">Pleistocene periode, <a href="#pb95" class=
-"pageref">95</a>.</p>
-<p class="par">poolstreken&mdash;Steenkoolbeddingen en tropische
-plaatsen in de ...., <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">Postglaciale periode, <a href="#pb125" class=
-"pageref">125</a>.</p>
-<p class="par">postpliocaene-ijstijd&mdash;De ...., <a href="#pb6"
-class="pageref">6</a>, <a href="#pb7" class="pageref">7</a>, <a href=
-"#pb27" class="pageref">27</a>.</p>
-<p class="par"><i>Puydt, de</i> ..., <a href="#pb78" class=
-"pageref">78</a>.</p>
-<p class="par"><span class="corr" id="xd24e4365" title=
-"Bron: Pygme&euml;n">Pygmee&euml;n</span>, <a href="#pb127" class=
-"pageref">127</a>, <a href="#pb131" class="pageref">131</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Q</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Quartaire periode, <a href="#pb10" class=
-"pageref">10</a>, <a href="#pb70" class="pageref">70</a>, <a href=
-"#pb74" class="pageref">74</a>, <a href="#pb119" class=
-"pageref">119</a>, <a href="#pb121" class="pageref">121</a>, <a href=
-"#pb124" class="pageref">124</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">R</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">raadsel&mdash;Het ontstaan van het leven een
-onoplosbaar ...., <a href="#pb3" class="pageref">3</a>.</p>
-<p class="par"><i>Ranke</i>, <a href="#pb77" class=
-"pageref">77</a>.</p>
-<p class="par">rechtoploopen&mdash;Gevolgen v. h. .... bij den mensch,
-<a href="#pb132" class="pageref">132</a>, <a href="#pb133" class=
-"pageref">133</a>.</p>
-<p class="par">Rendieren, <a href="#pb88" class="pageref">88</a>.</p>
-<p class="par">rendierhoorn&mdash;Werktuigen van ...., <a href="#pb102"
-class="pageref">102</a>.</p>
-<p class="par">Rendierperiode, <a href="#pb33" class="pageref">33</a>,
-<a href="#pb101" class="pageref">101</a>.</p>
-<p class="par">Reptielen, <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">Rhinoceros, <a href="#pb71" class="pageref">71</a>.</p>
-<p class="par">Rhinoceros van Merck, <a href="#pb32" class=
-"pageref">32</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, <a href=
-"#pb81" class="pageref">81</a>.</p>
-<p class="par">Rhinoceros tichorinus, <a href="#pb88" class=
-"pageref">88</a>.</p>
-<p class="par"><i>Ribeiros</i>, <a href="#pb48" class=
-"pageref">48</a>.</p>
-<p class="par">Riss&mdash;Glaciaalphase van ...., <a href="#pb9" class=
-"pageref">9</a>.</p>
-<p class="par"><i>Rivi&egrave;re</i>, <a href="#pb95" class=
-"pageref">95</a>.</p>
-<p class="par">Rondhoofden, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>,
-<a href="#pb121" class="pageref">121</a>.</p>
-<p class="par"><i>Rutot</i>, <a href="#pb48" class="pageref">48</a>,
-<a href="#pb50" class="pageref">50</a>, <a href="#pb51" class=
-"pageref">51</a>, <a href="#pb74" class="pageref">74</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">S</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first"><i>Sarasin</i>, <a href="#pb128" class=
-"pageref">128</a>.</p>
-<p class="par">Scandinavi&euml;&mdash;IJs en zwerfblokken uit ....,
-<a href="#pb26" class="pageref">26</a>.</p>
-<p class="par">Schaap&mdash;Een soort van ...., <a href="#pb34" class=
-"pageref">34</a>.</p>
-<p class="par"><i><span class="corr" id="xd24e4531" title=
-"Bron: Schafhausen">Schaaffhausen</span></i>, <a href="#pb77" class=
-"pageref">77</a>, <a href="#pb78" class="pageref">78</a>.</p>
-<p class="par">Schedel van Piltdown, <a href="#pb120" class=
-"pageref">120</a>.</p>
-<p class="par">Schedelvolumen v. d. pithecanthropus en v. d.
-eoanthropus, <a href="#pb70" class="pageref">70</a>.</p>
-<p class="par"><i>Schoetensack</i>, <a href="#pb72" class=
-"pageref">72</a>, <a href="#pb76" class="pageref">76</a>.</p>
-<p class="par"><i>Schoetensack</i>, Het werk van ...., <a href="#pb73"
-class="pageref">73</a>.</p>
-<p class="par"><i>Schwalbe</i>, <a href="#pb61" class="pageref">61</a>,
-<a href="#pb67" class="pageref">67</a>, <a href="#pb78" class=
-"pageref">78</a>, <a href="#pb93" class="pageref">93</a>, <a href=
-"#pb120" class="pageref">120</a>.</p>
-<p class="par">Sedimentaire afzettingen, <a href="#pb4" class=
-"pageref">4</a>.</p>
-<p class="par"><i>Selenka</i>&mdash;Mevrouw, <a href="#pb66" class=
-"pageref">66</a>.</p>
-<p class="par">Shetland ponies, <a href="#pb131" class=
-"pageref">131</a>.</p>
-<p class="par">Shinozerostieke ronos, <a href="#pb79" class=
-"pageref">79</a>.</p>
-<p class="par">Silurium, <a href="#pb4" class="pageref">4</a>.</p>
-<p class="par">Skelet van La Chapelle-aux-Saints <a href="#pb120"
-class="pageref">120</a>, <a href="#pb131" class="pageref">131</a>.
-<span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name=
-"pb143">143</a>]</span></p>
-<p class="par">Skeletten van Spy, <a href="#pb78" class=
-"pageref">78</a>.</p>
-<p class="par">skeletten&mdash;Vernietigende invloeden op de .... v. d.
-praehistorischen mensch, <a href="#pb56" class="pageref">56</a>.</p>
-<p class="par">skelet van Spy&mdash;Gelijkenis tusschen den schedel van
-&rsquo;t .... en dien van het Neanderdaler fossiel, <a href="#pb79"
-class="pageref">79</a>.</p>
-<p class="par">skelet van Spy&mdash;Gelijkenis tusschen den vorm van
-het kniegewricht v. h. ... en dien van de menschapen, <a href="#pb80"
-class="pageref">80</a>.</p>
-<p class="par"><i>Mr. Smith Woodward</i>, <a href="#pb69" class=
-"pageref">69</a>.</p>
-<p class="par">sneeuwgrens&mdash;Schommelingen v. d., <a href="#pb9"
-class="pageref">9</a>.</p>
-<p class="par"><i>Sollas</i>, <a href="#pb83" class=
-"pageref">83</a>.</p>
-<p class="par">Specialisatie, <a href="#pb12" class=
-"pageref">12</a>.</p>
-<p class="par">Specialisatie-kruising, <a href="#pb13" class=
-"pageref">13</a>.</p>
-<p class="par">spits van het dierenrijk&mdash;Staat de mensch a. d.
-...., <a href="#pb24" class="pageref">24</a>.</p>
-<p class="par">Sporen van menschelijke wezens buiten Europa, <a href=
-"#pb103" class="pageref">103</a>, <a href="#pb105" class=
-"pageref">105</a>.</p>
-<p class="par">staart&mdash;Een .... b. h. menschelijk embryo, <a href=
-"#pb23" class="pageref">23</a>.</p>
-<p class="par">staart&mdash;Een.... bij een voldragen kind, <a href=
-"#pb13" class="pageref">13</a>.</p>
-<p class="par">Steenen instrumenten, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>.</p>
-<p class="par">Steenen wapenen, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>.</p>
-<p class="par">Steenen werktuigen, <a href="#pb42" class=
-"pageref">42</a>, <a href="#pb50" class="pageref">50</a>, <a href=
-"#pb55" class="pageref">55</a>, <a href="#pb69" class="pageref">69</a>,
-<a href="#pb79" class="pageref">79</a>, <a href="#pb81" class=
-"pageref">81</a>, <a href="#pb85" class="pageref">85</a>, <a href=
-"#pb87" class="pageref">87</a>, <a href="#pb89" class="pageref">89</a>,
-<a href="#pb99" class="pageref">99</a>, <a href="#pb124" class=
-"pageref">124</a>.</p>
-<p class="par">Steenen werktuigen uit de Chell&eacute;en- en
-Acheul&eacute;en-periode, <a href="#pb70" class="pageref">70</a>.</p>
-<p class="par">Steenkolentijdperk, <a href="#pb5" class=
-"pageref">5</a>, <a href="#pb6" class="pageref">6</a>.</p>
-<p class="par">steenkolentijdperk&mdash;Tropische warmte tijdens het
-...., <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">steenkolentijdperk&mdash;Varens, Wolfsklauwachtige
-planten, de vaatkryptogamen tijdens het ...., <a href="#pb5" class=
-"pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">steenkolentijdperk&mdash;Rijke verscheidenheid van
-dieren en planten in het ...., <a href="#pb5" class=
-"pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">Steenlagen uit de tertiaire periode, <a href="#pb9"
-class="pageref">9</a>.</p>
-<p class="par">Steenlagen uit de moust&eacute;rien-periode, <a href=
-"#pb88" class="pageref">88</a>, <a href="#pb89" class=
-"pageref">89</a>.</p>
-<p class="par">Steenstortingen, <a href="#pb37" class=
-"pageref">37</a>.</p>
-<p class="par">Stekelvarken, <a href="#pb34" class=
-"pageref">34</a>.</p>
-<p class="par"><i>Swinhoe Redway</i>, <a href="#pb103" class=
-"pageref">103</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">T</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Taubach&mdash;Vondst van ...., <a href="#pb58"
-class="pageref">58</a>.</p>
-<p class="par">Tertiaire aardperiode, <a href="#pb25" class=
-"pageref">25</a>.</p>
-<p class="par">Tertiaire lagen, <a href="#pb37" class=
-"pageref">37</a>.</p>
-<p class="par">tertiairen mensch&mdash;Over het bestaan v. d. ....,
-<a href="#pb47" class="pageref">47</a>.</p>
-<p class="par">Tertiaire periode, <a href="#pb6" class="pageref">6</a>,
-<a href="#pb7" class="pageref">7</a>, <a href="#pb9" class=
-"pageref">9</a>, <a href="#pb32" class="pageref">32</a>, <a href=
-"#pb36" class="pageref">36</a>, <a href="#pb38" class="pageref">38</a>,
-<a href="#pb47" class="pageref">47</a>, <a href="#pb72" class=
-"pageref">72</a>, <a href="#pb74" class="pageref">74</a>, <a href=
-"#pb119" class="pageref">119</a>, <a href="#pb122" class=
-"pageref">122</a>.</p>
-<p class="par">tertiaire periode&mdash;Lagere planten en dieren in het
-laatste gedeelte der ...., <a href="#pb10" class="pageref">10</a>.</p>
-<p class="par">tertiaire vuursteenwerktuigen, <a href="#pb48" class=
-"pageref">48</a>.</p>
-<p class="par">tijdperken&mdash;Verdeeling in ...., <a href="#pb2"
-class="pageref">2</a>.</p>
-<p class="par">tijdsbepaling&mdash;Dierlijke overblijfselen of
-werktuigen bij de ...., <a href="#pb50" class="pageref">50</a>.</p>
-<p class="par">Troglodyten, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>.</p>
-<p class="par">trogontherium&mdash;Het ...., <a href="#pb34" class=
-"pageref">34</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">U</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">uitgroeven&mdash;Het .... door &rsquo;t
-gletscherijs, <a href="#pb26" class="pageref">26</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">V</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Varens, naaldboomen, sauri&euml;n, <a href="#pb6"
-class="pageref">6</a>.</p>
-<p class="par">Vasteland-formaties, <a href="#pb5" class=
-"pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">vasteland&mdash;Het .... i. d. ijstijd, <a href="#pb26"
-class="pageref">26</a>, <a href="#pb27" class="pageref">27</a>.</p>
-<p class="par"><i>Verneau</i>, <a href="#pb95" class="pageref">95</a>,
-<a href="#pb97" class="pageref">97</a>, <a href="#pb98" class=
-"pageref">98</a>, <a href="#pb125" class="pageref">125</a>.</p>
-<p class="par">verschillen&mdash;<span class="corr" id="xd24e4938"
-title="Bron: Bizondere">Bijzondere</span> .... tusschen menschelijk en
-dierlijk embryo, <a href="#pb22" class="pageref">22</a>.</p>
-<p class="par">versierselen&mdash;Vondst van .... in een steenlaag te
-Dordogne, <a href="#pb99" class="pageref">99</a>.</p>
-<p class="par">verwantschap&mdash;De .... der dieren onderling,
-<a href="#pb20" class="pageref">20</a>.</p>
-<p class="par"><i>Vesalius</i>, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144"
-name="pb144">144</a>]</span></p>
-<p class="par"><i>Villeneuve</i>, <a href="#pb95" class=
-"pageref">95</a>.</p>
-<p class="par"><i>Virchow</i>, <a href="#pb77" class="pageref">77</a>,
-<a href="#pb78" class="pageref">78</a>.</p>
-<p class="par">visschen&mdash;Eerste sporen van..., <a href="#pb4"
-class="pageref">4</a>.</p>
-<p class="par"><i>Vizey</i>, <a href="#pb108" class=
-"pageref">108</a>.</p>
-<p class="par">vleermuizen&mdash;De specialisatie bij ...., <a href=
-"#pb113" class="pageref">113</a>, <a href="#pb114" class=
-"pageref">114</a>.</p>
-<p class="par">vogels&mdash;Eerste sporen van ...., <a href="#pb6"
-class="pageref">6</a>.</p>
-<p class="par"><i>Volz</i>, <a href="#pb67" class="pageref">67</a>.</p>
-<p class="par">vondst van Taubach&mdash;De ...., <a href="#pb70" class=
-"pageref">70</a>.</p>
-<p class="par">Vondst van Cro-magnon, <a href="#pb99" class=
-"pageref">99</a>.</p>
-<p class="par">voorwereldlijke dieren&mdash;Afdrukken van pooten van
-.... in kleilagen, <a href="#pb36" class="pageref">36</a>.</p>
-<p class="par">Vorming der groote vastelanden en de ontwikkeling der
-landfauna, <a href="#pb5" class="pageref">5</a>.</p>
-<p class="par">vuursteen&mdash;De, <a href="#pb45" class=
-"pageref">45</a> e. v.</p>
-<p class="par">vuursteen&mdash;De bewerking v. h. <span class="corr"
-id="xd24e5039" title="Bron: ..">....</span>, <a href="#pb47" class=
-"pageref">47</a>.</p>
-<p class="par">Vuursteenknollen, <a href="#pb47" class=
-"pageref">47</a>.</p>
-<p class="par">Vuursteenstukken, <a href="#pb39" class=
-"pageref">39</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">W</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wapens van den praehistorischen mensch, <a href=
-"#pb41" class="pageref">41</a>.</p>
-<p class="par">water&mdash;Landstreken overdekt door ...., <a href=
-"#pb1" class="pageref">1</a>.</p>
-<p class="par">water&mdash;Temperatuur van het ..., <a href="#pb2"
-class="pageref">2</a>.</p>
-<p class="par">Waterbewoners&mdash;Laag-ontwikkelde ...., <a href=
-"#pb6" class="pageref">6</a>.</p>
-<p class="par">Waterdieren&mdash;Hooger georganiseerde gewervelde....,
-<a href="#pb4" class="pageref">4</a>.</p>
-<p class="par">Watervallen, <a href="#pb37" class="pageref">37</a>.</p>
-<p class="par">werelddeelen&mdash;Verandering van de .... der
-mesozoische periode in het tertiaire tijdperk, <a href="#pb6" class=
-"pageref">6</a>.</p>
-<p class="par">wezens&mdash;Ontstaan van eerste levende...., <a href=
-"#pb2" class="pageref">2</a>.</p>
-<p class="par"><i>Wiedersheim</i>, <a href="#pb19" class=
-"pageref">19</a>.</p>
-<p class="par">wilde zwijn&mdash;Het ...., <a href="#pb34" class=
-"pageref">34</a>.</p>
-<p class="par"><i>Wilser</i>, <a href="#pb120" class=
-"pageref">120</a>.</p>
-<p class="par">wisent&mdash;De .... (bison priscus), <a href="#pb33"
-class="pageref">33</a>.</p>
-<p class="par">W&uuml;rm&mdash;Glaciaalphase van ...., <a href="#pb9"
-class="pageref">9</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Y</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">ijskorst&mdash;Vorming v. d...., <a href="#pb7"
-class="pageref">7</a>.</p>
-<p class="par">ijsmassa&rsquo;s&mdash;Groot gedeelte van Noord- en
-West-Europa bedekt met ...., <a href="#pb7" class="pageref">7</a>,
-<a href="#pb26" class="pageref">26</a>, <a href="#pb30" class=
-"pageref">30</a>.</p>
-<p class="par">ijstijd&mdash;De ...., <a href="#pb6" class=
-"pageref">6</a>, <a href="#pb25" class="pageref">25</a>, <a href=
-"#pb29" class="pageref">29</a>, <a href="#pb30" class="pageref">30</a>,
-<a href="#pb32" class="pageref">32</a>, <a href="#pb33" class=
-"pageref">33</a>, <a href="#pb40" class="pageref">40</a>, <a href=
-"#pb56" class="pageref">56</a>, <a href="#pb83" class="pageref">83</a>,
-<a href="#pb101" class="pageref">101</a>, <a href="#pb119" class=
-"pageref">119</a>, <a href="#pb125" class="pageref">125</a>.</p>
-<p class="par">ijstijd&mdash;Belgi&euml; tijdens den ...., <a href=
-"#pb7" class="pageref">7</a>.</p>
-<p class="par">ijstijd&mdash;Frankrijk tijdens den ...., <a href="#pb7"
-class="pageref">7</a>.</p>
-<p class="par">ijstijden&mdash;Over verschillende ...., <a href="#pb8"
-class="pageref">8</a>.</p>
-<p class="par">IJzeren tijdperk, <a href="#pb102" class=
-"pageref">102</a>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div2 letter"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h3 class="main">Z</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Zeewieren, <a href="#pb4" class=
-"pageref">4</a>.</p>
-<p class="par">Zonaanbidding, <a href="#pb94" class=
-"pageref">94</a>.</p>
-<p class="par">Zoogdieren&mdash;Eerste sporen van ...., <a href="#pb6"
-class="pageref">6</a>.</p>
-<p class="par">zoogdieren&mdash;Groote .... in hoogste ontwikkeling en
-verscheidenheid, <a href="#pb6" class="pageref">6</a>.</p>
-<p class="par">zoogdieren i. d. tertiaire periode, <a href="#pb9"
-class="pageref">9</a>.</p>
-<p class="par">Zwerfblokken, <a href="#pb9" class="pageref">9</a>,
-<a href="#pb30" class="pageref">30</a>.</p>
-<p class="par">Zwerfblokken (in Holland), <a href="#pb26" class=
-"pageref">26</a>, <a href="#pb30" class="pageref">30</a><span class=
-"corr" id="xd24e5252" title="Niet in bron">.</span> <span class=
-"pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e2316" href="#xd24e2316src" name="xd24e2316">1</a></span> De
-verantwoordelijkheid voor de samenstelling van dit Register berust bij
-de Redactie W. B.</p>
-<p class="par footnote cont">De <i>eigennamen</i> staan
-<i>cursief</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href=
-"#xd24e2316src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="gloss" class="div1 glossary"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5700">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">VERKLARINGEN<a class="noteref" id="xd24e5259src" href=
-"#xd24e5259" name="xd24e5259src">1</a></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Pag. 36: <span lang="fr">Assez intelligents pour
-faire le feu</span> = begaafd genoeg om vuur te kunnen maken.</p>
-<p class="par">Pag. 37: <span lang="fr">Ces &ecirc;tres
-n&rsquo;&eacute;taient pas, etc.</span> = (dat) deze geen menschen
-waren en dit nog niet konden zijn.</p>
-<p class="par">Pag. 44: <span lang="fr">&bdquo;Revenons &agrave; nos
-moutons&rdquo;</span> = om op ons onderwerp terug te komen.</p>
-<p class="par">Pag. 78: <span lang="de">&bdquo;Der so lange verkannte
-Homo neanderthalensis<span class="corr" id="xd24e5280" title=
-"Niet in bron">&rdquo;</span> etc.</span> = (dat) &bdquo;de zoo lang
-miskende &bdquo;neanderthaler mensch&rdquo; zijn wetenschappelijke
-opstanding vierde.&rdquo;</p>
-<p class="par">Pag. 106: Aanhaling van DARWIN: &bdquo;Wij moeten niet
-in de dwaling vervallen van te veronderstellen, dat de oorspronkelijke
-verwekker van den mensch <span class="corr" id="xd24e5286" title=
-"Bron: indentiek">identiek</span> was met, of zelfs maar van nabij
-geleek op eenige bestaande apensoort.&rdquo;</p>
-<p class="par">Pag. 108: <span lang="la">&bdquo;Simia quam similis,
-turpissima bestia, nobis&rdquo;</span> = Hoeveel de aap ook op ons
-gelijken mag, blijft hij toch het leelijkste beest. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
-"xd24e5259" href="#xd24e5259src" name="xd24e5259">1</a></span> Deze
-verklaringen zijn van de Redactie der W.B.&nbsp;<a class="fnarrow"
-href="#xd24e5259src">&uarr;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="loi" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href=
-"#xd24e5706">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">ILLUSTRATIES</h2>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"></td>
-<td class="tocPageNum">Pag.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">Fig. 1</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig01">De uitbreiding
-v.d. groote gletschers in Europa tijdens de glaciale periode</a></td>
-<td class="tocPageNum">8</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-2</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig02">Afbeeldingen van
-den mammoet</a></td>
-<td class="tocPageNum">31</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-3</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig03">Grazend
-rendier</a></td>
-<td class="tocPageNum">34</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-4</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig04">Tertiaire
-eolithen</a></td>
-<td class="tocPageNum">37</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-5</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig05">Steenen werktuigen
-van het nieuw steenen tijdperk uit Skandinavi&euml;</a></td>
-<td class="tocPageNum">42</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-6</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig06">Graf uit het
-steentijdperk</a></td>
-<td class="tocPageNum">43</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-7</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig07">Tertiaire eolithen
-uit Portugal</a></td>
-<td class="tocPageNum">45</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-8</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig08">Vuursteenen
-werktuigen uit het paleolithicum</a></td>
-<td class="tocPageNum">46</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-9</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig09">Graf uit de
-neolithische periode</a></td>
-<td class="tocPageNum">51</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-10</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig10">Schedeldak van den
-Neanderdalschedel</a></td>
-<td class="tocPageNum">59</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-11</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig11">Mediaanlijnen van
-een aantal schedels.</a></td>
-<td class="tocPageNum">61</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-12</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig12">Schedeldak,
-dijbeen en kiezen van den pithecanthropus erectus</a></td>
-<td class="tocPageNum">64</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-13</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig13">Profiel van de
-vindplaats van den pithecanthropus erectus</a></td>
-<td class="tocPageNum">66</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-14</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig14"><span class="corr"
-id="xd24e5452" title="Bron: Provielbeeld">Profielbeeld</span> van de
-zandgroeve van Mauer</a></td>
-<td class="tocPageNum">73</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-15</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig15">De onderkaak van
-den homo heidelbergensis</a></td>
-<td class="tocPageNum">75</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-16</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig16">Omtrekken van de
-kaak van Mauer en van een moderne menschelijke onderkaak</a>
-<span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name=
-"pb147">147</a>]</span></td>
-<td class="tocPageNum">76</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">Fig. 17</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig17">Verschillende
-schedelfragmenten van Krapina</a></td>
-<td class="tocPageNum">82</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-18</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig18">De
-Gibraltarschedel</a></td>
-<td class="tocPageNum">84</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-19</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig19">Plattegrond en
-doorsneden van de grot, waarin het skelet werd gevonden</a></td>
-<td class="tocPageNum">87</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-20</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig20">De schedel van La
-Chapelle-aux-Saints</a></td>
-<td class="tocPageNum">88</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-21</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig21">Dezelfde schedel
-van terzijde, van voren en van boven gezien</a></td>
-<td class="tocPageNum">89</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-22</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig22">Een
-chimpansee-schedel naast den fossielen schedel van La
-Chapelle-aux-Saints en een modernen menschelijken schedel geplaatst,
-van voren gezien</a></td>
-<td class="tocPageNum">91</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-23</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig23">Dezelfde drie
-schedels van terzijde gezien</a></td>
-<td class="tocPageNum">92</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-24</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig24">Doorsneden van de
-&bdquo;grotte des enfants&rdquo; bij Grimaldi</a></td>
-<td class="tocPageNum">96</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-25</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig25">Schedel van het
-&bdquo;negroide&rdquo; type</a></td>
-<td class="tocPageNum">97</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-26</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig26">Gehalveerde
-schedels van een volwassen mensch, een jongen orang-oetan en een
-volwassen oerang-oetan</a></td>
-<td class="tocPageNum">114</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"><span class="ditto"><span class=
-"s">Fig.</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span>
-27</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#fig27">Schedel van een
-pasgeboren zuigeling en van een pasgeboren chimpansee</a></td>
-<td class="tocPageNum">115</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e5602width"><img src="images/ornament.png" alt=
-"Ornament." width="149" height="80"></div>
-<p class="par"><span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name=
-"pb148">148</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUDSOPGAVE.</h2>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum">Hoofdstuk</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"></td>
-<td class="tocPageNum">Pag.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord" id="xd24e5618"
-name="xd24e5618">Voorwoord</a></td>
-<td class="tocPageNum">V</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch1" id="xd24e5627" name=
-"xd24e5627">Ontwikkelingsgang der levende natuur</a></td>
-<td class="tocPageNum">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch2" id="xd24e5636" name=
-"xd24e5636">De plaats van den mensch in dit
-ontwikkelingsproces</a></td>
-<td class="tocPageNum">15</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch3" id="xd24e5645" name=
-"xd24e5645">De postpliocaene ijstijd in Europa</a></td>
-<td class="tocPageNum">25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch4" id="xd24e5654" name=
-"xd24e5654">Ouderdom der menschelijke overblijfselen</a></td>
-<td class="tocPageNum">35</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#tbtijdperken">Tabel van
-de onderverdeelingen van het oud-steenen tijdperk</a></td>
-<td class="tocPageNum">52</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch5" id="xd24e5669" name=
-"xd24e5669">De overblijfselen van den voorhistorischen mensch
-zelf</a></td>
-<td class="tocPageNum">54</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch6" id="xd24e5678" name=
-"xd24e5678">De voornaamste anthropologische vondsten</a></td>
-<td class="tocPageNum">63</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ch7" id="xd24e5687" name=
-"xd24e5687">Gevolgtrekkingen en algemeene beschouwingen</a></td>
-<td class="tocPageNum">106</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#ix" id="xd24e5693" name=
-"xd24e5693">Register</a></td>
-<td class="tocPageNum">135</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#gloss" id="xd24e5700"
-name="xd24e5700">Verklaringen</a></td>
-<td class="tocPageNum">145</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#loi" id="xd24e5706" name=
-"xd24e5706">Lijst van Illustraties</a></td>
-<td class="tocPageNum">146</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par"></p>
-<div class="figure xd24e5712width"><img src="images/ornament.png" alt=
-"Ornament." width="149" height="80"></div>
-<p class="par"></p>
-</div>
-</div>
-<div id="adploeg" class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd24e5718">DE PLOEG</p>
-<p class="par">MAANDBLAD ONDER LEIDING VAN</p>
-<p class="par">L. SIMONS</p>
-<p class="par">HET GOEDKOOPSTE EN HOOGST INTERESSANTE MAANDBLAD.</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">Prijs per jaar</td>
-<td class="cellRight cellTop">f 2.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">Abonn&eacute;&rsquo;s W.B. of N.B.</td>
-<td class="cellRight cellBottom">f 1.25</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Vaste Rubrieken:</p>
-<div class="table">
-<table class="xd24e5740">
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">R. CASIMIR:</td>
-<td class="cellRight cellTop"><i>Geestelijke Stroomingen</i>.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">FRANS COENEN:</td>
-<td class="cellRight"><i>Letterkundige Kronieken</i><span class="corr"
-id="xd24e5754" title="Niet in bron">.</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">W.N.F. SIBMACHER ZIJNEN:</td>
-<td class="cellRight"><i>Muziek</i><span class="corr" id="xd24e5762"
-title="Bron: ,">.</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">W.J. STEENHOFF:</td>
-<td class="cellRight"><i>Beeldende Kunst</i>.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">L. SIMONS:</td>
-<td class="cellRight cellBottom"><i>Tooneelbespiegelingen</i>.</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<p class="par"></p>
-<p class="par">Voorts medewerking van AUG. DE WIT, TOP VAN RHIJN-NAEFF,
-Prof. LOGEMAN, Mevr. LOGEMAN-v.d. WILLIGEN, SAM. GOUDSMIT, S. J.
-BOUBERG WILSON, Dr. P. VAN OLST, Dr. H. J. BOEKEN, CONs. VETH, Prof.
-AUG. VERMEYLEN, IS. QUERIDO, KAREL v. d. WOESTIJNE, ANNA v.
-GOGH-KAULBACH, enz.&mdash;Ook Illustraties.</p>
-<p class="par xd24e5781">DE LOOPMARE</p>
-<p class="par">zenden wij maandelijks met bericht van onze uitgaven en
-uittreksel uit onze nieuwe boeken, <i>gratis</i> op aanvrage.</p>
-<p class="par xd24e5781">HET NIEUWSJE</p>
-<p class="par xd24e135">VAN DE WERELD-BIBLIOTHEEK</p>
-<p class="par">loopt tweemaal &rsquo;s jaars rond bij ieder die het
-verlangt.</p>
-</div>
-</div>
-<div id="adheyenbrock" class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd24e5781">HEYENBROCK HASELAGER &amp; Co.</p>
-<p class="par">GEVESTIGD 1892.</p>
-<p class="par xd24e135">Singel 288, AMSTERDAM Telefoon Interc.
-2292.</p>
-<p class="par xd24e5781">Hoofd-Agenten der <span class=
-"boxed xd24e5804">MONARCH</span> Schrijfmachine.</p>
-<p class="par">BREDA&mdash;ROTTERDAM&mdash;ARNHEM</p>
-<p class="par">Copieer-Inrichting Vertaalkantoor
-Reparatie-Inrichting</p>
-<p class="par xd24e135">Ruilen en Verhuren van Schrijfmachines
-Onderricht in Machineschrijven.</p>
-<p class="par xd24e5813">Abonnement Schoonhouden van alle systemen
-Schrijfmachines.</p>
-<p class="par xd24e5813">Cursussen voor Stenografie. Opnemen van
-Stenografische Dict&ecirc;s.</p>
-<p class="par xd24e5813">Filiaal: &rsquo;s GRAVENHAGE, RIVIERVISCHMARKT
-4. Telefoon Interc. 74.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">Wat is het doel van de Wereld-Bibliotheek?</p>
-<p class="par">Is het: &agrave;l de boeken uit heel de wereld
-bijeenbrengen om ze uit te leenen?&mdash;<i>Neen!</i></p>
-<p class="par">Is het: een aantal boeken heel de wereld rond te
-sturen?&mdash;<i>Neen!</i></p>
-<p class="par">Het doel van de MAATSCHAPPIJ TOT BEVORDERING VAN GOEDE
-EN GOEDKOOPE LECTUUR met haar</p>
-<p class="par">Wereldbibliotheek, Nederl. Bibliotheek, Blauwe
-Bibliotheek enz.</p>
-<p class="par">is: iedereen in staat te stellen zich geleidelijk een
-<i>eigen boekerij te vormen</i>; de beste werken der wereldliteratuur
-uit te geven, zoo goedkoop en smaakvol, dat men ze voor weinig geld kan
-maken tot een lief bezit. Voor een betaling van 10 tot 25 cents per
-week kan men abonn&eacute; zijn, en krijgt dan <i>12 tot 24 werken per
-jaargang thuis</i>.</p>
-<p class="par">Abonnement <b>W.B.</b>: Carton f 10,&mdash;, Linnen f
-12.50 (onderafdeeling) <b>N.B.</b>: Carton f 5.20, Linnen f 7.50</p>
-<p class="par xd24e135">MULTATULI&rsquo;s BRIEVEN</p>
-<p class="par">Volksuitgaaf in tien deelen &mdash;Met tien
-illustraties.&mdash;</p>
-<p class="par">Ingenaaid f 5.00 ... Gebonden f 7.50 <span class=
-"pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 ads"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">WERKEN OVER NATUURKUNDE, LAND- EN VOLKENKUNDE</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="par first">VERSCHENEN BIJ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
-GOEDKOOPE LECTUUR</p>
-<p class="par adTitle">Mr. W. H. VAN BALEN, <span class="ex">Door
-Amerika</span>.</p>
-<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p>
-<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Momentopnamen van
-New-York&mdash;Van New England door den Empire State naar het
-Mid-Westen&mdash;Van Chicago dwars door Canada&mdash;Langs de Pacific
-Coast, van Vancouver naar San Francisco&mdash;Rondom San
-Francisco&mdash;Het Paradijs van Zuid-Californi&euml;&mdash;De wonderen
-van het woestijnplateau&mdash;Terug in het Oosten&mdash;Enkele
-Amerikaansche toestanden.</p>
-<p class="par adTitle">E. J. BANFIELD, <span class="ex"><a class=
-"pglink xd24e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
-"https://www.gutenberg.org/ebooks/47064">Bekentenissen van een
-Strandvonder</a></span>.</p>
-<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p>
-<p class="par adDesc"><i>Inhoud van het eerste deel</i>: <i>Mijn
-tropisch Eiland</i>: Het domein van den strandvonder&mdash;De
-aankomst&mdash;Ons eiland&mdash;Onze satellieten en buren&mdash;De
-nederzetting&mdash;Strandvonderij&mdash;Tropische bedrijven&mdash;De
-fauna van het eiland&mdash;Vogels en hun rechten&mdash;Een fuga aan den
-dageraad&mdash;Het loophoen&mdash;Een branie&mdash;Vlammende
-oogen&mdash;Fier en grootmoedig&mdash;De witte muskaatduif&mdash;De
-Australische kolibri&mdash;Vogels als seizoenkonders&mdash;De
-Koraaltuin&mdash;Wonderlijke visschen&mdash;De
-zeeschorpioen&mdash;Burra-ree&mdash;Vierduizend tegelijk&mdash;Een
-mededinger van de oester&mdash;Haaien&mdash;Schildpadden&mdash;De
-hedendaagsche meermin&mdash;B&ecirc;che-de-mer&mdash;Een
-vlinderdroom&mdash;De bedrogen slang&mdash;Avontuur met een
-krokodil&mdash;Een veroveraar&mdash;Een
-grootmoordenaar&mdash;Sluipmoordenaars&mdash;De vliegenvorst&mdash;Een
-tragedie in geel&mdash;Goed in hun rol&mdash;Mieren&mdash;De
-bruidsvlucht&mdash;Enz. enz.</p>
-<p class="par adTitle">J. v. d. BILT, <span class=
-"ex">Sterrenkunde</span>. Een Inleiding tot de Studie van het Heelal,
-ongev. 400 pag. met 133 illustraties.</p>
-<p class="par adCat">Ingen. f 1.20, Carton f 1.35, Linnen f 1.50</p>
-<p class="par adDesc">W.B. 213&ndash;218. Een uiterst belangrijk werk,
-onderdeel van onze serie: <span class="ex">Encyclopaedie in
-monografie&euml;n</span>, dat thans gereed is gekomen. <span class=
-"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span></p>
-<p class="par adReview">&bdquo;Ziehier een prettig leesbaar
-populair-wetenschappelijk werk, waarin op bevattelijke wijze veel
-wetenswaardigs wordt verteld.&rdquo; (<i>Buiten.</i>) &bdquo;Zijn
-streven, in een zoo kort mogelijk bestek mede te deelen, tot welke
-vraagstukken een bestudeering van den hemel leidt en door welke
-methoden men deze tegenwoordig tracht op te lossen, schijnt ons toe
-gelukkig geslaagd te zijn.&rdquo; (<i>Kerkelijke
-Courant.</i>)&mdash;&bdquo;De keuze uit het omvangrijke materiaal mag
-voortreffelijk heeten.&rdquo; (<i>Ned. Zeewezen.</i>) &bdquo;Het boekje
-van den heer v. d. Bilt, zeer degelijk en toch gemakkelijk leesbaar,
-getuigt van een bijzonder talent om een ingewikkelde stof duidelijk
-uiteen te zetten.&rdquo; (<i>Nieuws van den Dag.</i>)&mdash;&bdquo;Het
-verschijnen er van is van groote beteekenis voor de populaire
-sterrenkunde in ons land&mdash;ook hij, die als liefhebber reeds aan
-sterrenkunde gedaan heeft, kan dit werkje niet missen.&rdquo;
-(<i>Handelsblad.</i>)</p>
-<p class="par adTitle">Dr. H. J. CALKOEN, <span class="ex">Bloemen en
-Insecten</span>.</p>
-<p class="par adCat">Volksbibliotheek. f 0.10</p>
-<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Inleiding&mdash;Wat is een
-bloem?&mdash;Van de Insekten&mdash;Van de
-bloemen&mdash;Kruisbevruchting&mdash;Insektenbloemen&mdash;Bloem en
-mensch&mdash;Bestaansvoorwaarden der planten&mdash;Wegwijzers naar den
-honing&mdash;Tegen invloeden van weer en wind&mdash;Geslachtloooze
-bloemen&mdash;Tijd van openen en sluiten&mdash;Het zoeken naar den
-honing&mdash;De inrichting van eenige bloemen&mdash;De kleur der
-bloemen&mdash;Naschrift&mdash;Register.</p>
-<p class="par adTitle">CHARLES DARWIN, <span class="ex"><a class=
-"pglink xd24e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
-"https://www.gutenberg.org/ebooks/33764">De Reis om de
-Wereld</a></span>, vertaald door J. Brandt (met afbeeldingen). 2e met
-register voorziene druk. (5e-8e duizend.)</p>
-<p class="par adCat">De 2 deelen Ing. f 1.&mdash; Cart. f 1.15 Linn. f
-1.30</p>
-<p class="par adDesc">W.B. No. 63&ndash;66**. Darwin&rsquo;s beroemd
-verhaal dat den grondslag legde tot zijn lateren arbeid, nu
-herdrukt.</p>
-<p class="par adTitle">PROF. R. C. DUNCAN, <span class="ex">Techniek en
-Wetenschap</span>, naar het Engelsche &bdquo;The Chemistry of
-Commerce,&rdquo; bewerkt door W. C. de Leeuw.</p>
-<p class="par adCat">Linnen f 2.50</p>
-<p class="par adDesc">W.W. <i>Inhoud</i>: Catalyse: Hoe een
-wonderverschijnsel, dat opnieuw onderzocht wordt, op verscheidene
-takken van nijverheid invloed kan uitoefenen&mdash;Enzymen&mdash;Het
-vastleggen der stikstof: wat de mensch vermag, als de nood
-dwingt&mdash;De zeldzame aarden en enkele harer toepassingen: hoe
-stoffen van louter wetenschappelijke beteekenis plotseling practisch
-belang kunnen krijgen&mdash;Hooge temperaturen en moderne Industrie:
-het type van een slordig en achterlijk bedrijf&mdash;Onderzoek van
-kunstmatige en natuurlijke reuk-* <span class="pagenum">[<a id="pb151"
-href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>stoffen&mdash;De bereiding
-der geneesmiddelen&mdash;Over immuniteit&mdash;Cellulose (I en
-II)&mdash;Industrial Fellowships.</p>
-<p class="par adReview">&bdquo;Een buitengewoon interessant boek voor
-leek en ingewijde.&rdquo;</p>
-<p class="par adReview">&bdquo;Wij bevelen het boek met nadruk aan,
-vooral aan nijveren, die er uit leeren zullen, van hoe onschatbaar
-groot belang het is in hun bedrijf wetenschap en practijk hand aan hand
-te doen gaan.&rdquo;</p>
-<p class="par adReviewer">(<i>Vragen van den Dag</i>).</p>
-<p class="par adTitle">&mdash;&mdash;, <span class="ex">Moderne
-Wetenschap</span>. 2e geheel herziene bewerking door dr. F. H.
-B&uuml;chner, privaat-docent ter Amsterdamsche Universiteit.</p>
-<p class="par adCat">Linnen f 2.50</p>
-<p class="par adDesc">W.W. <i>Moderne Wetenschap</i> is, bij zijn
-eerste verschijning door niemand minder dan Prof. Hubrecht warm begroet
-en daardoor zeer bekend geworden.</p>
-<p class="par adDesc">Voor dezen tweeden goedkoopen druk is het door
-Dr. B&uuml;chner geheel bijgewerkt, zoodat het nu volkomen &bdquo;up to
-date&rdquo; is.</p>
-<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Gangbare begrippen&mdash;De Wet
-der perioden&mdash;Gasionen&mdash;Radioactiviteit&mdash;Een nieuwe
-eigenschap der stof&mdash;De uitvinding van het atoom&mdash;Moderne
-wetenschappen en oude vraagstukken enz.</p>
-<p class="par adTitle">J. KLEEFSTRA, <span class="ex">Een Vacantie op
-de Friesche Wateren</span>.</p>
-<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75 Linnen f
-1.&mdash;</p>
-<p class="par adTitle">E. E. KRONENBURG, <span class="ex">Verzorging
-van Kamerplanten</span>.</p>
-<p class="par adCat">Volksbibliotheek. f 0.10</p>
-<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Inleiding&mdash;De kamer&mdash;De
-potten&mdash;Bijzondere verzorging der planten&mdash;Schadelijke dieren
-en hun bestrijding&mdash;Plantenziekten&mdash;Over de verschillende
-kamerplanten&mdash;Bladplanten&mdash;Bolgewassen in de kamer.</p>
-<p class="par adTitle">S. LEEFMANS, <span class="ex">Kijkjes in het
-Natuurleven</span>. Ge&iuml;ll.</p>
-<p class="par adCat">Ingen. f 0.40 Carton f 0.55 Linnen f 0.70</p>
-<p class="par adDesc">W.B. 153&ndash;154. &bdquo;Allen moesten ook
-medewerken om het ingesluimerde gevoel voor de natuur weer bij ons volk
-op te wekken,&rdquo; schrijft Bisschop von Keppler in <i>Meer
-Vreugde</i>. De heer Leefmans heeft het zijne bijgebracht om dien
-wensch te helpen verwezenlijken. Zijn mooi boekje weze dan ook
-welkom.</p>
-<p class="par adReview">&bdquo;Wat dit boekje boven de meesten van dien
-aard v&oacute;&oacute;r heeft is, dat de illustraties genomen zijn door
-den auteur zelven, dus volkomen &eacute;&eacute;n met hetgeen hij
-vertelt.&rdquo;</p>
-<p class="par adReviewer">(<i>De Tijdspiegel.</i>) <span class=
-"pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span></p>
-<p class="par adTitle">ALBERT B. LLOYD, <span class="ex">Van Oeganda
-naar Khartoem</span>.</p>
-<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p>
-<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Van Oeganda naar
-Boenyoro&mdash;Hoima, de hoofdstad van Boenyoro&mdash;Boenyoro en zijn
-groote mannen&mdash;Folklore en zeden van Boenyoro&mdash;Zendingsarbeid
-in Boenyoro&mdash;Jachtavonturen&mdash;Een uitstapje naar
-Toro&mdash;Een bezoek aan noordelijk Boenyoro&mdash;Spannende
-oogenblikken bij het Albertmeer&mdash;Acholi&mdash;Naar
-Gondokoro&mdash;De laatste dagen van een langen tocht&mdash;Zes dagen
-in het Sudd&mdash;Omdoerman en Karthoem.</p>
-<p class="par adTitle">ALEXANDER MACDONALD, <span class="ex">Op zoek
-naar Eldorado</span>.</p>
-<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p>
-<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: <i>Het ijzige Noorden</i>: Onder
-de schaduw van den Witten Pas&mdash;Over de White-Horse
-Waterval&mdash;In het land der Thron-Diuk&rsquo;s&mdash;De ontdekking
-der Goudgrond-kreek&mdash;Een gevaarlijke terugtocht&mdash;De tent bij
-het Caribou-wed&mdash;Over den Chilcoot-pas.</p>
-<p class="par adDesc"><i>Onder het Zuiderkruis</i>: Een wedloop om het
-goud&mdash;De eerste schacht&mdash;Goud
-getroffen&mdash;Kampvuur-herinneringen.&mdash;De Heilige
-Klomp&mdash;Het Land der Eindeloosheid&mdash;El Dorado&mdash;Waar de
-pelikaan zijn nest bouwt&mdash;In de Australische Binnenlanden.</p>
-<p class="par adTitle">H. v. d. MANDERE, <span class=
-"ex">Montenegro</span>.</p>
-<p class="par adCat">Reizen en Trekken. Carton f 0.75</p>
-<p class="par adDesc"><i>Inhoud</i>: Aan de boorden van de Adriatische
-Zee&mdash;Montenegro, het land der zwarte bergen&mdash;Uit de
-geschiedenis van Montenegro&mdash;Het land, waarover Koning Nikita
-regeert&mdash;Van Cattaro naar Cettinje&mdash;Het Staatsbestuur van
-Montenegro&mdash;De Vendetta in Montenegro&mdash;Zeden en gewoonten van
-het Montenegrijnsche volksleven&mdash;Koning Nikita van Montenegro en
-zijn familie&mdash;Twee Vorsten-dichters&mdash;De ontwikkeling van
-Montenegro in de laatste decennia&mdash;De hoofdstad van Montenegro:
-Cettinje&mdash;Van Cettinje naar het Oosten en Noorden des lands en
-naar Antivari.</p>
-<p class="par adTitle">MICHELET, <span class="ex">De Vogel</span>.
-Vertaald door Mevr. M. v. Vloten, <i>met de oorspronkelijke 135
-houtsneden</i>.</p>
-<p class="par adCat">Ingen. f 0.60 Carton f 0.75 Linnen f 0.90</p>
-<p class="par adDesc">W.B. 99&ndash;101. Een door onzen natuurkenner
-Jac. P. Thijsse warm aanbevolen werk van den grooten Franschen
-schrijver, welks opneming in onze Bibliotheek ons van verschillende
-abonn&eacute;&rsquo;s <span class="corr" id="xd24e6077" title=
-"Bron: bizondere">bijzondere</span> dankbrieven heeft doen geworden.
-<i>Ons Land</i> schrijft: &bdquo;Moest in elk huisgezin worden
-<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name=
-"pb153">153</a>]</span>gevonden.... Een boek om telkens weer ter hand
-te nemen, om er de kinderen uit te vertellen. Getuigt van een oneindige
-liefde tot den vogel, weet die liefde in ons te wekken en aan te
-wakkeren.&rdquo;</p>
-<p class="par adReview">&bdquo;Tot het vele goede, door de Maatschappij
-uitgegeven, behoort zeker wel het werk van den beroemden Franschen
-geschiedschrijver.&rdquo;</p>
-<p class="par adReviewer">(<i>De Vriend des Huizes.</i>)</p>
-<p class="par adTitle">Dr. H. NABER, <span class="ex">De Ster van
-1572</span>. (Drebbel.) Met vele natuurkundige illustraties.</p>
-<p class="par adCat">Ingen. f 0.20 Carton f 0.30 Linnen f 0.40</p>
-<p class="par adDesc">W.B. 54. Voor de meesten onzer is Drebbel een
-groote onbekende. Dr. Naber doet hem in dit werkje kennen als den
-grooten voorganger der in de geschiedenis van de natuurkundige
-ontdekkingen wereldberoemde grootheden; een echt genie, waard om in ons
-land naast Huygens gewaardeerd te worden. Een lezenswaardig boekje voor
-den leek; maar ook, door de reproducties uit het nog onuitgegeven
-Journaal van Beckman, hoogst belangwekkend voor hen, die zelf de
-natuurkunde beoefenen.</p>
-<p class="par adTitle">Prof. OKAKURA-YOSHISABURO, <span class="ex">De
-Geest van Japan</span>, met een Inleiding van George Meredith.</p>
-<p class="par adDesc">W. B. 14. Uitverkocht.</p>
-<p class="par adTitle">TICKNER EDWARDES, <span class="ex"><a class=
-"pglink xd24e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
-"https://www.gutenberg.org/ebooks/28963">Het Verhaal van de
-Honingbij</a></span>. Uit het Engelsch door Mevr. M. van Vloten. Met 20
-illustraties en een aanhangsel over <i>De Bij en haar Wapens</i> door
-dr. Percy E. Spielmann.</p>
-<p class="par adCat">Ingen. f 0.70 Carton f 0.85 Linnen f 1.&mdash;</p>
-<p class="par adDesc">W.B. 177&ndash;179*</p>
-<p class="par adReview">&bdquo;Een boek vol wetenswaardigheden, dat op
-291 pagina&rsquo;s, verduidelijkt door 21 illustraties, op aangename ja
-zelfs boeiende wijze handelt over de honingbij en wat er mede annex
-is&rdquo;. .... &bdquo;Wie wenscht te weten, hoe de mensch zich vroeger
-het bijenleven dacht en hoe hij dat thans heeft leeren waarnemen, die
-zal in dit boek een even nuttige, als bekoorlijke lectuur
-vinden.&rdquo;</p>
-<p class="par adReviewer">(<i>Red. Practische Imker.</i>)</p>
-<p class="par adReview">&bdquo;Wie genieten wil van bijenleven en
-bijenpo&euml;zie, neme dit sympathieke boek.&rdquo;</p>
-<p class="par adReviewer">(<i>Dordtsche Courant.</i>)</p>
-<p class="par adReview">&bdquo;Van heeler harte aanbevolen aan hen die
-hart hebben voor het schoone, het wonderdadig grootsche, ook in het
-kleinste, het wijze, de po&euml;zie, die overal in de natuur zijn op te
-merken.<span class="corr" id="xd24e6139" title=
-"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
-<p class="par adReviewer">(<i>Avicultuur.</i>) <span class=
-"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p>
-<p class="par adTitle">Prof. HUGO DE VRIES, <span class="ex"><a class=
-"pglink xd24e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
-"https://www.gutenberg.org/ebooks/53476">Het Yellowstone Park;
-Experimenteele Evolutie</a></span>. Met 4 autotypie&euml;n. 3e druk
-(9e&ndash;12e duizend).</p>
-<p class="par adCat">Ingen. f 0.20 Carton f 0.30 Linnen f 0.40</p>
-<p class="par adDesc">W.B. 13. Als Prof. Hugo de Vries over
-Amerikaansche natuurverschijnselen schrijft, en een voordracht in
-Amerika houdt over den stand van het vraagstuk van het ontstaan der
-soorten, is de belangstelling natuurlijk groot. En vooral als die voor
-zulk een prijsje bevredigd kan worden, is het geen wonder, dat twee
-oplagen, tot 9000 exemplaren in eenige jaren tijds uitverkocht zijn.
-Ook deze derde druk vindt zijn weg.</p>
-<div class="div2 ads xd24e6158"><span class="pagenum">[<a href=
-"#toc">Inhoud</a>]</span>
-<div class="divBody">
-<p class="par first xd24e139">Voor de UITGAVEN onzer Maatschappij</p>
-<p class="par xd24e6161">Wereld-Bibliotheek,<br>
-Nederl. Bibliotheek,<br>
-Tooneel-Bibliotheek,</p>
-<p class="par xd24e139">ENZ. ENZ., raadplege men geregeld onze
-maandelijksche LOOPMARE en ons halfjaarlijksch NIEUWSJE.</p>
-<p class="par xd24e139">Beide op aanvraag FRANCO en GRATIS.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="transcribernote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
-overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
-kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
-<a class="seclink xd24e43" title="Externe link" href=
-"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
-Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd24e43"
-title="Externe link" href=
-"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
-<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line
-gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd24e43" title=
-"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>De afstamming van den mensch</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Jan Boeke (1874&ndash;1956)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/263048925/" class=
-"seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Oude Spelling)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1913</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Trefwoorden:</b></td>
-<td>Darwinism</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td>Evolution</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td></td>
-<td>Humans</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3>Catalogusvermeldingen</h3>
-<table class="catalogEntries">
-<tr>
-<td>Gerelateerde WorldCat catalogus pagina:</td>
-<td><a href="https://www.worldcat.org/oclc/80621150" class=
-"seclink">80621150</a></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke
-schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
-stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
-verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
-einde van dit boek.</p>
-<p class="par">De advertenties in het voorwerk zijn achterin het boek
-geplaatst.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2017-02-05 Begonnen.</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
-dat deze links voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctiontable" summary=
-"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e238">2</a></td>
-<td class="width40 bottom">radiolarien</td>
-<td class="width40 bottom">radiolari&euml;n</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e278">5</a></td>
-<td class="width40 bottom">palaeozoicum</td>
-<td class="width40 bottom">palaeozo&iuml;cum</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e429">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">eerste</td>
-<td class="width40 bottom">Eerste</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e462">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">tweede</td>
-<td class="width40 bottom">Tweede</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e578">16</a>,
-<a class="pageref" href="#xd24e5762">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e934">43</a></td>
-<td class="width40 bottom">ets</td>
-<td class="width40 bottom">iets</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e967">45</a>,
-<a class="pageref" href="#xd24e1249">58</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd24e2040">108</a>, <a class="pageref" href="#xd24e3091">139</a>,
-<a class="pageref" href="#xd24e3203">139</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd24e3213">139</a>, <a class="pageref" href="#xd24e5252">144</a>,
-<a class="pageref" href="#xd24e5754">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1221">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">gratheuvels</td>
-<td class="width40 bottom">grafheuvels</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1300">63</a></td>
-<td class="width40 bottom">pithecathropus</td>
-<td class="width40 bottom">pithecanthropus</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1358">67</a></td>
-<td class="width40 bottom">ptihecanthropus</td>
-<td class="width40 bottom">pithecanthropus</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1364">67</a></td>
-<td class="width40 bottom">pithecantropus</td>
-<td class="width40 bottom">pithecanthropus</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1539">77</a>,
-<a class="pageref" href="#xd24e1570">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">F&uuml;hlrott</td>
-<td class="width40 bottom">Fuhlrott</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1543">77</a>,
-<a class="pageref" href="#xd24e1574">78</a>, <a class="pageref" href=
-"#xd24e4531">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">Schafhausen</td>
-<td class="width40 bottom">Schaaffhausen</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1553">77</a></td>
-<td class="width40 bottom">Neanderdalschedel</td>
-<td class="width40 bottom">Neanderdal-schedel</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1617">79</a></td>
-<td class="width40 bottom">rhinozeros</td>
-<td class="width40 bottom">rhinoceros</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1635">80</a></td>
-<td class="width40 bottom">Georjanovic-Kramberger</td>
-<td class="width40 bottom">Gorjanovi&#263;-Kramberger</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1640">81</a></td>
-<td class="width40 bottom">beenstukkn</td>
-<td class="width40 bottom">beenstukken</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1708">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">&rsquo;lHomme</td>
-<td class="width40 bottom">l&rsquo;Homme</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1738">87</a></td>
-<td class="width40 bottom">Corr&eacute;zedal</td>
-<td class="width40 bottom">Corr&egrave;zedal</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1750">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">Chapelle-aux-saints</td>
-<td class="width40 bottom">Chapelle-aux-Saints</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1756">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">pithecoide</td>
-<td class="width40 bottom">pitheco&iuml;de</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1834">95</a></td>
-<td class="width40 bottom">cro-magnon</td>
-<td class="width40 bottom">Cro-magnon</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1857">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">negroide</td>
-<td class="width40 bottom">negro&iuml;de</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1908">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">rendier-en</td>
-<td class="width40 bottom">rendier- en</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1918">102</a></td>
-<td class="width40 bottom">cromagnon ras</td>
-<td class="width40 bottom">cro-magnon-ras</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1923">102</a></td>
-<td class="width40 bottom">cro-magnonras</td>
-<td class="width40 bottom">cro-magnon-ras</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2006">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2108">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">viervoerige</td>
-<td class="width40 bottom">viervoetige</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2234">127</a></td>
-<td class="width40 bottom">Afrika</td>
-<td class="width40 bottom">Africa</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2441">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">Anthropoiden</td>
-<td class="width40 bottom">Anthropo&iuml;den</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e3099">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">Georganovic-Kramberger</td>
-<td class="width40 bottom">Gorjanovi&#263;-Kramberger</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e3686">140</a></td>
-<td class="width40 bottom">intergeerend</td>
-<td class="width40 bottom">integreerend</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e3712">140</a>,
-<a class="pageref" href="#xd24e5039">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">....</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4365">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">Pygme&euml;n</td>
-<td class="width40 bottom">Pygmee&euml;n</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4938">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bizondere</td>
-<td class="width40 bottom">Bijzondere</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5280">145</a>,
-<a class="pageref" href="#xd24e6139">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
-<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5286">145</a></td>
-<td class="width40 bottom">indentiek</td>
-<td class="width40 bottom">identiek</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5452">146</a></td>
-<td class="width40 bottom">Provielbeeld</td>
-<td class="width40 bottom">Profielbeeld</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e6077">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">bizondere</td>
-<td class="width40 bottom">bijzondere</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's De afstamming van den mensch, by J. Boeke
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH ***
-
-***** This file should be named 54227-h.htm or 54227-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/4/2/2/54227/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/54227-h/images/book.png b/old/54227-h/images/book.png
deleted file mode 100644
index 963d165..0000000
--- a/old/54227-h/images/book.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/card.png b/old/54227-h/images/card.png
deleted file mode 100644
index 1ffbe1a..0000000
--- a/old/54227-h/images/card.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/cover.jpg b/old/54227-h/images/cover.jpg
deleted file mode 100644
index e3bc525..0000000
--- a/old/54227-h/images/cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/external.png b/old/54227-h/images/external.png
deleted file mode 100644
index ba4f205..0000000
--- a/old/54227-h/images/external.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig01.jpg b/old/54227-h/images/fig01.jpg
deleted file mode 100644
index 62982a5..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig01.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig02.png b/old/54227-h/images/fig02.png
deleted file mode 100644
index 64d6c07..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig02.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig03.png b/old/54227-h/images/fig03.png
deleted file mode 100644
index df8edad..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig03.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig04.png b/old/54227-h/images/fig04.png
deleted file mode 100644
index 511c017..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig04.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig05.png b/old/54227-h/images/fig05.png
deleted file mode 100644
index 8f4557c..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig05.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig06.jpg b/old/54227-h/images/fig06.jpg
deleted file mode 100644
index 3bf3664..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig06.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig07.jpg b/old/54227-h/images/fig07.jpg
deleted file mode 100644
index 4d89da4..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig07.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig08.jpg b/old/54227-h/images/fig08.jpg
deleted file mode 100644
index a31c59b..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig08.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig09.jpg b/old/54227-h/images/fig09.jpg
deleted file mode 100644
index 2ec4f34..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig09.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig10.png b/old/54227-h/images/fig10.png
deleted file mode 100644
index 758c452..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig10.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig11.png b/old/54227-h/images/fig11.png
deleted file mode 100644
index 13e6e7b..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig11.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig12.png b/old/54227-h/images/fig12.png
deleted file mode 100644
index b550a73..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig12.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig13.png b/old/54227-h/images/fig13.png
deleted file mode 100644
index 2fe67c6..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig13.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig14.jpg b/old/54227-h/images/fig14.jpg
deleted file mode 100644
index cadbc95..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig14.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig15.jpg b/old/54227-h/images/fig15.jpg
deleted file mode 100644
index 788d1ea..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig15.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig16.png b/old/54227-h/images/fig16.png
deleted file mode 100644
index d90faf1..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig16.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig17.jpg b/old/54227-h/images/fig17.jpg
deleted file mode 100644
index d3e65dd..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig17.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig18.jpg b/old/54227-h/images/fig18.jpg
deleted file mode 100644
index 289ffdb..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig18.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig19.png b/old/54227-h/images/fig19.png
deleted file mode 100644
index 7cf7b51..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig19.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig20.jpg b/old/54227-h/images/fig20.jpg
deleted file mode 100644
index b3bb57d..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig20.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig21.jpg b/old/54227-h/images/fig21.jpg
deleted file mode 100644
index 959d5ab..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig21.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig22.jpg b/old/54227-h/images/fig22.jpg
deleted file mode 100644
index c151f1c..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig22.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig23.jpg b/old/54227-h/images/fig23.jpg
deleted file mode 100644
index eb319b4..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig23.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig24.jpg b/old/54227-h/images/fig24.jpg
deleted file mode 100644
index ad3c977..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig24.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig25.jpg b/old/54227-h/images/fig25.jpg
deleted file mode 100644
index 2d1ca8e..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig25.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig26.jpg b/old/54227-h/images/fig26.jpg
deleted file mode 100644
index d394884..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig26.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/fig27.png b/old/54227-h/images/fig27.png
deleted file mode 100644
index f34afc5..0000000
--- a/old/54227-h/images/fig27.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/frontcover.jpg b/old/54227-h/images/frontcover.jpg
deleted file mode 100644
index 86a4146..0000000
--- a/old/54227-h/images/frontcover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/initial-g.png b/old/54227-h/images/initial-g.png
deleted file mode 100644
index be4bac6..0000000
--- a/old/54227-h/images/initial-g.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/initial-h.png b/old/54227-h/images/initial-h.png
deleted file mode 100644
index 2eaa0f7..0000000
--- a/old/54227-h/images/initial-h.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/initial-i.png b/old/54227-h/images/initial-i.png
deleted file mode 100644
index f4db9ff..0000000
--- a/old/54227-h/images/initial-i.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/initial-s.png b/old/54227-h/images/initial-s.png
deleted file mode 100644
index 5c98710..0000000
--- a/old/54227-h/images/initial-s.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/initial-w.png b/old/54227-h/images/initial-w.png
deleted file mode 100644
index 90f812b..0000000
--- a/old/54227-h/images/initial-w.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/lbrace24.png b/old/54227-h/images/lbrace24.png
deleted file mode 100644
index c7e5e4a..0000000
--- a/old/54227-h/images/lbrace24.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/lbrace3.png b/old/54227-h/images/lbrace3.png
deleted file mode 100644
index 1bd7ae5..0000000
--- a/old/54227-h/images/lbrace3.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/lbrace4.png b/old/54227-h/images/lbrace4.png
deleted file mode 100644
index 54ef4b1..0000000
--- a/old/54227-h/images/lbrace4.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/lbrace8.png b/old/54227-h/images/lbrace8.png
deleted file mode 100644
index 319ac54..0000000
--- a/old/54227-h/images/lbrace8.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/ornament.png b/old/54227-h/images/ornament.png
deleted file mode 100644
index 4adc47a..0000000
--- a/old/54227-h/images/ornament.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/ornament2.png b/old/54227-h/images/ornament2.png
deleted file mode 100644
index 0107c75..0000000
--- a/old/54227-h/images/ornament2.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/series-title.jpg b/old/54227-h/images/series-title.jpg
deleted file mode 100644
index 4a6e726..0000000
--- a/old/54227-h/images/series-title.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/54227-h/images/titlepage.jpg b/old/54227-h/images/titlepage.jpg
deleted file mode 100644
index e6a44b3..0000000
--- a/old/54227-h/images/titlepage.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ