summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--39717-0.txt8722
-rw-r--r--39717-h/39717-h.htm8968
-rw-r--r--39717-h/images/thijm001.jpgbin0 -> 241675 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm002.jpgbin0 -> 104586 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm003.jpgbin0 -> 226765 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm004.jpgbin0 -> 75736 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm005.jpgbin0 -> 71269 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm006.jpgbin0 -> 212582 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm007.jpgbin0 -> 198906 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm008.jpgbin0 -> 210711 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm009.jpgbin0 -> 140529 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm010.jpgbin0 -> 218797 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm011.jpgbin0 -> 70283 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm012.jpgbin0 -> 73106 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm013.jpgbin0 -> 209167 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm014.jpgbin0 -> 52625 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm015.jpgbin0 -> 64408 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm016.jpgbin0 -> 210941 bytes
-rw-r--r--39717-h/images/thijm017.jpgbin0 -> 84487 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/39717-8.txt9107
-rw-r--r--old/39717-8.zipbin0 -> 183285 bytes
-rw-r--r--old/39717-h.zipbin0 -> 2654761 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/39717-h.htm9371
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm001.jpgbin0 -> 241675 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm002.jpgbin0 -> 104586 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm003.jpgbin0 -> 226765 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm004.jpgbin0 -> 75736 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm005.jpgbin0 -> 71269 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm006.jpgbin0 -> 212582 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm007.jpgbin0 -> 198906 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm008.jpgbin0 -> 210711 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm009.jpgbin0 -> 140529 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm010.jpgbin0 -> 218797 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm011.jpgbin0 -> 70283 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm012.jpgbin0 -> 73106 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm013.jpgbin0 -> 209167 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm014.jpgbin0 -> 52625 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm015.jpgbin0 -> 64408 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm016.jpgbin0 -> 210941 bytes
-rw-r--r--old/39717-h/images/thijm017.jpgbin0 -> 84487 bytes
43 files changed, 36184 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/39717-0.txt b/39717-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..4df037c
--- /dev/null
+++ b/39717-0.txt
@@ -0,0 +1,8722 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 39717 ***
+
+KAROLINGSCHE VERHALEN
+
+Carel en Elegast--De vier Heemskinderen--Willem van Oranje
+--Floris en Blancefloer
+
+In nieuwer form overgebracht door
+
+JOS A. ALBERDINGK THIJM
+
+VIJFDE UITGAVE
+
+ZUTPHEN--W.J. THIEME & CIE--MCMXLVIII
+
+
+
+[Illustratie: Carel en Elegast]
+
+VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE.
+
+
+Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd.
+Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het
+exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd
+hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed
+te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag,
+door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche
+volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in
+de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak
+en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning,
+dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene
+nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo
+ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik
+wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke
+natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen,
+Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle
+middeneeuwsche zaken op éene leest schoeyen zult; dat gij uw hè-s en
+hà-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult
+wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe
+Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch
+zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was
+en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de
+onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan
+alles wat oud is, en wij gaan slechts van de éene zeeziekte in de
+andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe
+verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe
+en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het
+heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de
+naïeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche
+scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en
+hare onsterfelijke _Grootheid_, noch de enthuziasten, die het axioma
+verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der
+middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het
+naïeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der
+verwen, naar hunne recepten bereid."
+
+Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de _Heemskinderen_ uitgaf.
+
+Ik vlei mij--behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen--nog in
+andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar
+waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,--niet in waardeering van het
+meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche
+heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het
+nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen
+van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan
+Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind
+hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik
+bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en
+rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik:
+kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander
+stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,--u behoor ik: want gij
+neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van
+éenen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de
+_Heemskinderen_ in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die
+groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen
+gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naïeviteit, meer dan een
+objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid,
+verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat
+de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld
+middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der _Renaissance_
+verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de
+vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet
+wijzer?--Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de
+schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de
+heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren.
+
+Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der
+_Heemskinderen,_ gebruik te maken van het fragment van den roman, dat
+het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want
+ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels
+een vertragend _hors-d'oeuvre_, deels een smakeloze beschimping van den
+Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de
+vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6--21 mij geleerd, dat
+ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "schaâ", maar
+_schande_, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in
+den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant,
+nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek
+behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te
+Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl.
+138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met
+sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er
+natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zoû hebben
+(v. 62--66):
+
+ "Die coene entie starke Roelant
+ .... ghemoete saen Ritsaert;
+ Biden togle hine aneprant."
+
+Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt
+had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk,
+het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den _Madelgijs_[1], de Heer
+J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet.
+
+Bij mijn bewerking van _Floris en Blancefloer_ had ik beschrijvingen,
+die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die
+door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen
+(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld.
+
+Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van
+_Carel en Elegast_ en _Floris en Blancefloer_ met mij na te zien, en mij
+menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten
+hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn
+hartelijken dank.
+
+Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik _Karolingische_ in
+_Karolingsche_(met den hoofdklemtoon op _Ka_) veranderen zou: "die i",
+zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze
+meervoudsuitgang _Karolingers, Merovingers, Saksers_, enz. _Karoling_
+staat in vorming met _Jongeling, vreemdeling_ enz. gelijk. 't Is een
+echt Nederlandsche vorm. Den uitgang _-isch_ kennen wij alleen bij
+vreemde woorden en namen, als _Aziatisch, historisch, mythologisch enz_.
+Maar van _zijdeling_ maken wij _zijdelingsch,_ van _Harling(en)_ en
+_Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche._ Dus ook _Karolingsche.
+Kaarlingsche_ zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden,
+omdat wij nu eenmaal aan _Karolingen_ gewend zijn. Mij dunkt, het wordt
+tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen
+ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen."
+
+Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang _koetsier_
+geen _koetser_ wordt, en woorden als _vriendin, martelares_ enz. bestaan
+blijven, zoo lang _aziatiesch_ zich handhaaft,--_karolingische_ mij zoo
+geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van
+sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert.
+
+A.Th.
+
+Amsterdam, 3 Juni 1873.
+
+
+Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij
+meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden.
+
+De Uitgevers.
+
+
+[1] Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam, in
+1861.
+
+
+
+
+CAREL EN ELEGAST.
+
+AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.)
+
+
+
+
+Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen:
+luistert met aandacht!
+
+Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den
+Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom
+toe.
+
+Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te
+Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij
+lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des
+anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap
+kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning
+ontwaakte, op de lieflijke stemme.
+
+"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen
+aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de
+Heere des Hemelrijks, beval mij--u dit, op verbeurte van lijf en eere,
+te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads
+overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof
+nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast
+u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt
+te paard."
+
+De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden
+moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te
+hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God
+gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen!
+God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert
+gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij,
+en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit
+wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt
+en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik
+hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het
+aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet
+mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het
+nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van
+Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en
+mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee
+ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't
+land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de
+Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.[1] Wat
+behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God
+mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't
+mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner
+schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen."
+
+Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en
+derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat
+hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod
+in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven
+staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen--vaart uit
+stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak
+voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij
+gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten.
+Ik zal een dief zijn--al is het schande; al zoude ik bij de keel
+gehangen worden. En toch--ik had oneindig liever, dat God mij alles
+ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land--mijn
+riddersrusting uitgezonderd--dat ik mij met den schilde en met den spere
+den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op
+avontuur:--dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te
+zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig
+uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te
+verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!...
+
+"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was,
+al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven!
+Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het
+slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen,
+zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij
+vreemd en onbekend is?"
+
+Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde
+te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een
+gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede
+zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.
+
+Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot,
+noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze
+waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand
+zag hem--want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die
+in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.
+
+Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig
+naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij
+zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.
+
+Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel
+gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was.
+Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg
+af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder
+gerucht noch geluid naar buiten.
+
+Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als
+gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al
+wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen--zoo waarlijk gij u
+aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden--zoo waarlijk
+zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte,
+u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en
+daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en
+gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt
+opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn--zoo
+zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe
+kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u
+verlaat ik mij geheel!"
+
+Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het
+stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan
+stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel;
+het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik
+placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten,
+die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt
+het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat
+zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun
+het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is
+dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik
+iemant om een weinig geld doe sterven.
+
+'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk,
+dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de
+waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft
+land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan
+meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land
+ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu
+wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal
+Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land
+en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust.
+Die ze huisvesting schonk--ik zoû hem beide burcht en leen doen
+verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in
+bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven
+moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van
+den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in
+vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en
+Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters--waar hij ze
+betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun
+muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde
+storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben:
+zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud,
+waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van
+hun klinkende munt--beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij;
+niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik
+woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God,
+helpt mij daartoe!"'
+
+Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter
+kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde
+zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild,
+dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart
+was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed.
+Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem
+de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig
+vermoeden, dat het de Duivel ware--om dat hij overal zoo zwart was. Hij
+beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij
+kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het
+avontuur wagen. Nochtans--ik weet het van te voren--'t is de Duivel en
+niemant anders. Kwame hij van Gods wege--hij zoû zoo zwart niet zijn. 't
+Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'
+
+"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen
+kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de
+Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant,
+die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel
+aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste,
+die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als
+de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke
+wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'
+
+Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene
+nam den andere op van top tot teen--maar anders deden zij niet. Toen de
+ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield
+hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus
+voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik
+hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij
+iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of
+de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok
+van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het
+bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?
+
+'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal
+zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen:
+licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met
+schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'
+
+Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem
+achterhaald had, riep hij luide:
+
+"Staat, Ridder!--waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier
+ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert!
+Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het
+mij--dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur,
+heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."
+
+--"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik
+omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten--dan dat ik mij
+tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij
+door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen
+zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen--wij
+zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"
+
+Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond,
+voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij
+de Koning was.
+
+Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.
+
+Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een
+open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de
+paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar
+den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men
+een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.
+
+De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning
+vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter
+op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken
+vloog als een lindenblad.
+
+De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.
+
+De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er
+menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide
+uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en
+wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op
+het hoofd, vol schaarden en spleten--zoo scherp was de snede der
+zwaarden.
+
+'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in
+zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou
+ik mijn naam bekend maken--eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer
+verwierve ik eere!'
+
+Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem,
+dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.
+
+Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en
+bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee
+stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.
+
+Op dit gezicht--dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei,
+dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik
+geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen?
+Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!"
+
+Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor
+hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet
+ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan
+verweeren.'
+
+Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens
+weerzijds, wie ze toch wezen mochten.
+
+"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij
+bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder--zoo hebt gij uw
+laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met
+eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht --ik zal u heen
+laten rijden."
+
+De zwarte sprak: "Ik ben bereid--mids gij begint, met mij kond te doen
+van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij
+zoekt."
+
+Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij--dan zal ik u zeggen,
+wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder
+noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van
+verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."
+
+--"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet
+ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij
+ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het
+met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u
+veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"
+
+Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het
+goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder,"
+zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u
+gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en
+bij Hem-zelven het eerst--van mij staat u geen leed te wachten! en ook
+ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't
+mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."--"Welnu dan, Heere,"
+antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer
+verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren
+was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en
+mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en
+ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en
+wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken
+worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn
+arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in
+vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen
+en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters--kunnen hun
+knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is
+geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in
+bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen?
+Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en
+ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik
+héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor--kon ik
+mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij
+meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had
+door te staan.--Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den
+gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de
+nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u
+haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."
+
+En de Koning dacht bij zich-zelven:
+
+'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de
+man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee
+rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om
+der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten
+leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben,
+Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn
+levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo
+veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij
+niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot
+losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."
+
+--"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"
+
+--"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam
+zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te
+stelen--in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van
+alles, ik laat niemant met rust--den rijke noch den arme. Ik let op hun
+kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets
+te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem
+gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om
+een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe--eer
+de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik
+begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen.
+God zoû het ons niet misduiden--hadden we er een deel van. De schat ligt
+in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd
+pond van--'t zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen;
+bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u
+van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn?
+Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen--en
+gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."
+
+Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede.
+Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het
+weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."
+
+Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de
+Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel
+zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol
+geladen."
+
+Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon
+Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is
+niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al
+heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik
+zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik
+vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte
+Heer. Dede ik hem iets anders dan eere--ik zoû het mij voor God moeten
+schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!"
+
+Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat
+Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij
+zich-zelven--'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo
+veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven
+kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'
+
+Na deze overweging vraagde hij aan Elegast--'of deze hem ergends anders
+wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij
+zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn
+kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij
+betreft--gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot
+niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings
+zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te
+bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij
+verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû
+hij aan het leven en de eere staan--ging alles naar zijn wensch: dat kan
+ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding--burcht en
+leen--aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht--het
+zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen --zoo ge
+wilt--zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven,
+dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch
+wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem
+ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar
+gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De
+Koning vergat zijn rol geen oogenblik.
+
+Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij
+een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed
+vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het
+ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons
+werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles
+te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op,
+gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit
+was geraakt.
+
+Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren!
+
+Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den
+Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens,
+Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik
+zal handelen naar uwen raad. Het zoû mij toch leed doen, indien u eenig
+ongeval overkwam en men zeide dan naderhand--'dat is alles te wijten aan
+Elegast!'"
+
+Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus:
+
+"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest--zoo ver ik weet.
+Het zoû mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op
+u aankomen."
+
+Elegast hernam: "'t Is mij ook wel--zoo gij een behendig dief zijt: dat
+zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken,
+om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne
+vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een
+ijzer, waar hij den muur meê zoû stuk slaan. Toen haalde ook de Koning
+het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij
+dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den
+maker," zeide hij--"dan bestelde ik er hem óok zoo éen voor mij. Een
+dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer
+gebruiken."--"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn
+verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die
+gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij
+op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande,
+dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit
+andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een
+ploeg."--"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er meê
+binnenraken. Later bestelt gij u een ander."
+
+Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den
+geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was
+hij groot en sterk--op zulken arbeid verstond hij zich niet.
+
+Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in
+zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen,
+wat ik u brengen zal." Hij woû niet toelaten, dat de Koning ook
+naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield
+hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en
+wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom --Carel bleef buiten, en
+Elegast kroop naar binnen.
+
+Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te
+werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist
+van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had,
+verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij
+hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun
+Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.'
+
+"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!--zoû de Koning daar buiten
+zijn?--Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker,
+verraden--of een elfenspook misleidt mij."
+
+Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en
+verhaalde hem, wat hij--of hij moest zich geweldig bedrogen
+hebben!--gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne
+taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was--alleen
+wisten zij niet hoe dicht.
+
+Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? --Wat zoû
+de Koning hier uitrichten?--Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond
+blaffen mag?--Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij
+voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te
+verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond."
+
+--"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning
+van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij
+hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te
+voren deed, dat de Koning in de nabijheid was--maar dat hij niet wist
+hoe dicht.'
+
+"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet
+in den omtrek is!"
+
+--"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener.
+Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort--al wierden wij beiden
+ook gevangen."--"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar
+laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving,
+ik zoû 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn
+kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en neêr heen en weêr in zijn mond;
+maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden.
+
+"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid
+kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn
+geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij
+iemant, die uit stelen gaat?--Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet
+telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is
+waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik
+heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!"
+
+De Koning dacht: "Dat is een waar woord!"
+
+Daarmeê lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat
+Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd--maar kon geheime
+kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en
+al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met
+sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant
+hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel.
+
+Toen wilde Carel henenrijden--maar Elegast beval hem nog te toeven: hij
+wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn
+vrouw lagen--een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man
+leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zoû kunnen
+beschrijven; alleen aan den voorboog[2] is prijzensstof genoeg. Daar
+hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als
+Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel
+stelen--al zoû ik bij de keel gehangen worden!"
+
+[Illustratie: Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald heb.]
+
+Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel
+ontbeerd, dan dat Elegast weêr naar binnen ging. Toen Elegast bij het
+zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde
+wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat
+Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan
+mijn zadel?" Hij zoû zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't
+niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem
+zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het
+zwaard en de scheê en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn
+gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem
+haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had
+opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen
+gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is
+menigvuldig--ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan,
+dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en
+hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt
+stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze
+waren, die den Koning zouden treffen.
+
+Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij
+zich-zelven, hij zoû de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht
+brengen.
+
+Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't véél liever dat men u ophing
+bij de keel, dan ik gedoogen zoû, dat de Koning aldus zonder dat hij
+gewaarschuwd werd zijn leven zoû verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric
+de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond
+uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten
+de legerstede. Elegast, die dit alles had gaâ-geslagen, kroop er
+zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de
+vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een
+teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zoû voor het gedreigde leed.
+Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed
+inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn
+woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat
+hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof weêr naar zijn paard en
+tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast
+had aangebracht.
+
+Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zoû er niet langer getoefd hebben:
+zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard
+had?"--"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God
+leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal
+het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken--daar ben ik reeds
+te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging
+hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb.
+Neemt het! ik ga--om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk
+te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om
+al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug."
+
+Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke
+reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en
+bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om
+was gegaan."
+
+"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn
+droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik
+uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armoê te boven te komen. Ik
+leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven,
+morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!"
+
+Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem
+voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des
+Hemels.
+
+Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem
+doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zoû heel het hof in
+opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt
+gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen
+hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning--welnu, dan
+is hij dood! Wat zoû men daar méér van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge
+wel genezen."
+
+Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels
+ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange
+vertoeven was hem onaangenaam.
+
+"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn
+makker--het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te
+nà kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij
+God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet
+zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen--eer ik deze burg
+verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan."
+
+De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard
+gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al
+zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u
+beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen --dien Eggheric van
+Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem
+vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad--het verraderlijk
+opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw
+loon zal niet gering wezen:
+
+"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings
+broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden."
+
+--"Neen," zegt Elegast, "wat mij weêrvare--voor den Koning kome ik niet.
+De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware
+paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht
+onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite."
+
+--"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech
+naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen
+buit met u meê, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik
+zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd
+hij doodgeslagen--het zoû mij grieven."
+
+Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar
+hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar
+Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want
+hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem
+verraden!
+
+De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij
+bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't
+iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de
+wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien
+men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over
+wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen
+tot goed geluk voor hem was uitgekomen.
+
+Toen zond Carel, de Koning, éen zijner Kamerlingen om zijn geheimen
+Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten
+volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde,
+die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk
+van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat
+hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen
+Heer!"
+
+Toen zeide de Hertog van Bayvier[3]: "Laat hen komen--hier zullen zij
+ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te
+schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en
+strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys[4], met u herwaarts kwamen:
+zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf,
+Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal
+hem kwalijk vergaan:--tot op zijn sporen zal hem het bloed neêrvloeyen:
+en Eggheric het eerst!"
+
+Deze raad dacht hem goed--en allen, die het met hem eens waren, wapenden
+zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij
+duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de
+Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden.
+
+Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast.
+
+Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog,
+zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen
+zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf
+blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde
+ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gáder
+had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met
+den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal
+wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo
+als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan
+van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning,
+zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem
+véél: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden
+en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend,
+schande--gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij,
+noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen,
+dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had--ik zoû 't hem
+doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu
+vooruittrede, die daar lust in heeft!"
+
+Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om
+Elegast--boden op boden--waar hij zich onthield in het woud; en zeide
+hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven
+was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken."
+De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort,
+tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun
+opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij
+de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij
+Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel
+leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo
+waar hij een Christen was, dat, indien God hem ééne bede kon inwilligen,
+hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn
+rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij
+wech.
+
+Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij
+sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten--den Koning en wie ik
+hier vinde!--maar Eggheric--hém groet ik niet! God, die zich om
+onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de
+zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden
+moet hangen--Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen--zoo heeft
+Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is;
+want--mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit
+noodweer gedwongen was."
+
+Toen Elegast dit gezegd had, zoû Eggheric het gaarne gewroken hebben:
+maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet
+hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in
+mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht
+achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag
+van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van
+wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de
+toedracht der zaak."
+
+--"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er
+vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't
+hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het
+durfde wraken--dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij
+richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en
+had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter
+handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den
+Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen--ik
+doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vóór zonne-ondergang, of ik
+zal mijn leven verliezen."
+
+Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't
+zoû ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zoû wagen tegen een
+verbannen dief. Beter zoû hij met boerenlummels kampen dan met mij."
+Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al
+was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij
+vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb
+den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar
+gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook,
+die de schuld aan u wil tijgen."
+
+Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zoû
+ik naar recht met hem leven, ik deed hem door éen mijner knechten
+wechsleepen en hangen bij de keel."
+
+Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven
+dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan
+gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken
+dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard.
+
+Weinig tijds na de noen[5] deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat
+zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp
+zoû plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God,
+dat hij den kamp beslissen zoû naar recht en rede. (En God verhoorde
+zijn gebed.)
+
+De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af
+en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe
+schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was."
+
+Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e,
+kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat
+hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter
+nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden
+vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb.
+Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt!
+ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf
+wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in
+uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn
+zonden niet zijn, die mij verslaan zullen--dan, voorwaar, meen ik wel
+behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik,
+dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik
+u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en
+wildernissen--mag ik het leven hier afbrengen!"
+
+Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne
+rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende
+zijn paard, dat vóór hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het
+ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.'
+
+Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten
+strijd!)
+
+Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand.
+Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de
+kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte
+geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de
+sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hém, dat
+hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij neêrviel op
+het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het
+zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden,
+U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond--zoo
+mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot--'t ware
+jammer, zoo ik het neervelde: menig zoû 't beklagen! Kunt gij er dan al
+zélf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard."
+
+--"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zoû dezen strijd
+kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen--al
+kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders
+vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij
+prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zoû maken om u te verslaan."
+
+Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand
+spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had
+gesproken, en steeg in den zadel.
+
+Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield.
+Nooit zag iemant ergens op èenen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren
+hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit
+vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want
+zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij
+bleef toch even goed een Hertog.
+
+Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier
+almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde
+brengen, naar recht, en naar rede!"
+
+Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle
+gewicht aan bewerkt rood goud zoû waard zijn geweest: de Koning had 'et
+hem geschonken.
+
+Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de
+bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat
+hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit
+den zadel deed storten.
+
+Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel
+zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs
+zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u
+zoeken."
+
+Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken.
+
+Men sleepte Eggheric voort en hing hem--en alle verraders tevens: daar
+hielp noch losgeld, noch bede.
+
+Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem
+Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen.
+
+Zoo moge God al onze zaken vóór onze dood ten goede brengen!
+
+Nu zegt allen: Amen!
+
+
+[1] De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ...,
+Gallicië en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor
+ingeschoven.
+
+[2] La bâte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses verticaux.
+Viollet-le-Duc, _Dict. du Mob_., II, 372.
+
+[3] Beieren.
+
+[4] Valois.
+
+[5] Het 9e uur na zonsopgang.
+
+
+
+
+DE VIER HEEMSKINDEREN.
+
+
+AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.)
+
+
+
+
+HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN.
+
+
+
+
+HET EERSTE CAPITTEL.
+
+
+In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren,
+hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte
+hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en
+vrolijkheid.
+
+Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle
+jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van
+Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de
+waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar
+ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was
+Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter
+gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo
+dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie
+te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het
+Keizerrijk--Geestelijk en Waereldlijk.
+
+Daar waren: onze aardsche Vader--de Paus van Rome, de Patriarch van
+Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge
+Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000
+Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom[1] ter wapen in
+oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen,
+alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed
+waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal:
+want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en
+geneuchlijkste van den jare.
+
+En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan
+men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde
+strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee
+Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller
+aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig
+Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet
+ontbreken en zoude van spijze en drank.
+
+Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in
+zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en
+in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en
+Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters
+zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer
+wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en
+ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne
+Keizerinne, in groote luister en glorie.
+
+En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en
+groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen
+die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete
+woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale
+zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de
+tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in
+Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en
+hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille
+geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer
+Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven
+hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer
+Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze
+begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden."
+
+Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer
+Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor
+hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geëischt, en ik
+hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij
+doen daartoe dat zij mogen!"
+
+En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd
+zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende:
+"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen
+tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben--men zal groote schande van u
+spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt,
+zal daarin óndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel."
+Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen,
+of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit,
+en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels
+tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar
+wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen
+vernomen.
+
+
+[1] _vroom_--moedig.
+
+
+
+
+HET TWEEDE KAPITTEL.
+
+
+ Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn
+ ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den
+ Rijksban deed.
+
+
+Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de
+blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen
+en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen
+verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat
+de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd
+en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken:
+"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal,
+zoo lang als de waereld staat--al zouden wij alle dood blijven!"
+
+Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders,
+uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen
+en vrienden; hij had spoedig zijn batalië in orde gesteld en had
+ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend
+en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen[1] Koning Carel veel te
+hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van
+volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning
+Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemanniërs en
+Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit
+verscheidene oorden--meer dan ik schrijven kan.
+
+Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn
+en zijne vrienden[2] te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en
+te niet te maken.
+
+En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000
+mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders,
+edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit,
+met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot
+'Nerboen! Nerboen!'
+
+Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in
+orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit,
+zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van
+den paerde ter aarde gedragen wierd.
+
+Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome
+mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en
+vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal."
+Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op
+het spel en in gevaar stellen."
+
+Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun
+zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den
+appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk[3],
+tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en
+velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden
+groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man
+bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag
+daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de
+strijd was hevig en fel.
+
+Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed,
+alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere
+nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel
+verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste
+schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage,
+duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige
+mannen.
+
+Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood
+had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van
+Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom
+geveld en verbrand--om de dood van Heer Huygen.
+
+Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne
+kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden--maar ik duld ze hier niet
+langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun
+vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep
+Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame--zoo Koningen,
+Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner
+waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling
+over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden
+met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land
+moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben.
+
+Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen
+mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij
+bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings
+macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten
+hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk
+verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven
+waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen.
+
+Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts
+ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure
+besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk
+nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren
+en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden--Monniken,
+Priesters, Klerken, Nonnen--ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tót
+onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder,
+Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van
+Nigromantie[4], daar hij groote schade meê dede. En het goud, dat zij
+roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze
+oorlog duurde zestien jaar.[5]
+
+
+
+[1] _Lauiven_--Loan, in Picardië.
+
+[2] _vrienden_--zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten.
+
+[3] _vromelijk_--dapper.
+
+[4] _Nigromantie_--zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit [Greek:
+Nekromanteia])
+
+[5] _Genoten_--het kollegie der XII _Pairs_, die met Karei te recht
+zaten; zijn staf in den oorlog.
+
+
+
+
+
+HET DERDE CAPITTEL
+
+
+ Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van
+ Ardennen, om peis met hem te maken.
+
+
+De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van
+Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde,
+moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen
+over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met
+Haymijn en zijn volk.
+
+Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij
+Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem
+eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de
+oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden
+u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan
+beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten
+van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij
+hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe
+in wat hun goed docht.
+
+Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij
+schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn
+magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan
+had.
+
+Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot
+Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode,
+opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis
+mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien,
+en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den
+Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen
+aanname over mijn neve!"
+
+Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den
+Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot
+Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn
+neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en
+al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij
+hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij,
+noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'
+
+Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had
+gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden;
+hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn
+vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van
+Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning
+Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat
+zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen
+dochte.
+
+Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene
+hij hun aangezegd en geschreven had--zij waren des goedwillig den zoen
+aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door
+Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem
+zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat,
+alzoo hij hem bij brieven gemeld had--dat hij te vrede waar den peis aan
+te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere
+woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert
+kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem
+eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en
+zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis
+en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve,
+gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'
+
+En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge
+Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de
+meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden
+den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het
+andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.
+
+Daar werd ontboden voor den Koning--Adelbert en Madelgijs: en toen zij
+voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden
+en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om
+aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen
+oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief
+bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn
+zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn
+weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen
+zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.
+
+Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze
+blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij
+cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.
+
+En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis
+kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman,
+met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende
+vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met
+300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor
+Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij
+mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde
+onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft;
+ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als
+Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap
+vereenigd.
+
+
+
+
+
+HET VIERDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij
+ haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat
+ hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde.
+
+
+Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid
+ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere
+zijde ging Roelant[1].
+
+Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede
+Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf
+hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning
+ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte
+over zijn neve, hij zoû hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te
+betalen.'
+
+Intusschen kende Koning Carel--Haymijn en zijnen magen toe wat zij
+zouden winnen op de Heidenen[2], dat ze 't vrij houden mochten, zonder
+van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn
+vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den
+zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk
+'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname
+aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en
+dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met
+hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar
+Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot
+Parijs.
+
+En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont,
+toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden
+en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en
+wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener
+waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels
+zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken
+waar ik mag aan lijf en goed!"
+
+Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer
+leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En
+Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.
+
+Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar
+werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en
+geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat--maar Vrouwe Aye niet; zij was
+zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.
+
+Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne
+waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter
+rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne,
+en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij
+dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle
+Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was
+zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en
+ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.
+
+Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij
+ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
+geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij
+het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.
+
+Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een
+klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van
+kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.
+
+Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van
+een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de
+gevaders waren Bisschop Tulpijn[3] en Grave Willem[4]; en het kind werd
+heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk
+gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't
+toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne
+wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't
+vernam.
+
+Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij
+was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den
+zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar
+kerkgang gedaan.
+
+En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't
+verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat
+kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.
+
+Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en
+Adelaert werd hij genaamd.
+
+Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar
+bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen
+dat Haymijn dood was.
+
+Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend
+paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw
+hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte,
+en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem
+wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook,
+blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de
+zale.
+
+En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had
+Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier
+was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den
+sperwer.
+
+Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en
+Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij
+vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.
+
+Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands
+verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning
+Carel.
+
+
+[1] _Roeland_:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.
+
+[2] _Heidenen_: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs.
+
+[3] _Bisschop Tulpijn_: mede een van Carels Pairs of Genoten, die den
+Rijksraad uitmaakten.
+
+[4] _Willem_: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van Gellone.
+
+
+
+
+HET VIJFDE CAPITTEL
+
+
+ Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen
+ Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet
+ wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede
+ ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en
+ hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat
+ hij vier Kinderen hadde--'t welk hem zeer
+ verwonderde--en hoe hij hem bereidde ze Ridder te
+ slaan.
+
+
+Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof
+hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke
+en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen,
+Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem
+in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen
+gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u
+is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde--alzoo dat ik voortaan de
+wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in
+ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom
+wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone
+Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet
+als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."
+
+Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning,
+het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is
+Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd--'t en kan nochtans
+niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."
+
+Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik
+hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk,
+van heel Christenrijk!"
+
+Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier
+ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van
+den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn
+goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes
+weken: 't was daarom, dat hij menige--overmoedige krijgstocht tegen uw
+volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde
+en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud
+daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de
+voeten mede."
+
+En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel:
+"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne
+en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren
+geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij
+de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet
+voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen
+is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden,
+magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze
+doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om
+Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden
+wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."
+
+Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet,
+is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt
+terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem
+zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot
+borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en
+verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."
+
+Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht
+die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden
+zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"
+
+Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant,
+Willem van Orangiën[1], Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning
+stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?'
+'t Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met
+kostelijke tuigen van goud en zijde.
+
+Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne
+paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te
+paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de
+hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte,
+zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land,
+en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden:
+daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.
+
+En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn
+kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de
+uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen
+verraad en oploop.
+
+Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield
+den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders
+komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn
+Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem
+van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder;
+de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die
+mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit
+oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.--Zij moeten
+iets gewichtigs te boodschappen hebben."
+
+Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe,"
+zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer
+Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe
+de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor
+den overmoedigsten man der waereld."
+
+Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op
+zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en
+kostelijken blioud[2] van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij
+hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de
+knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij
+hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke
+Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.
+
+De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het
+binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders,
+Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo
+stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de
+vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet
+verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete
+woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u
+noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent
+niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge;
+hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig
+nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van
+Christenrijk."
+
+Haymijn hoorde wel het gesprokene--maar andwoordde niet. Als hij zijne
+vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn
+verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner
+eere, mogen nêerslaan--ze zouden hem niet ontkomen zijn.
+
+Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij
+u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te
+kroonen.--Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne
+veroordeeling, toch andwoord geven!"
+
+Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan.
+Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam
+eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide:
+"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw
+schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"
+
+Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en
+heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.
+
+Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer,
+wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van
+Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt--is dorperheid...." En eer zij
+het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de
+hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en
+zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen
+spreken--schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was
+uitgebroken.
+
+En hierbij stonden de vier ridders--Grave Roelant en Bertram de
+krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en
+zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend
+binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo
+gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en
+haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche
+Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een
+vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde
+hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen
+antwoord!"
+
+En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te
+zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de
+ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de
+ongelukkigste vrouw ter waereld."--"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.
+
+"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig
+jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een
+kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn
+land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen
+doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen
+zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij
+mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van
+hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van
+hen gegrepen--God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden.
+Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;...
+liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû."
+
+Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij
+kinderen hadt, luttel of vele--zoudt gij ze dooden?"--"Voorwaar," zegt
+hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en
+behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen--zijn lieven kroost, dat
+hij voor al de waereld bemint!"--"Zoo waren het dan verloren eeden, die
+gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden
+zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"--"Woorden, hetzij door
+dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen
+waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik--God
+betere 't!"
+
+--"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw
+kinderen vreedzaam bejegenen zult--wilde 't geval, dat gij er vondt."
+
+Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen;
+maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen--want ik weet
+niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."
+
+Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met
+mij--gij zult ze zien!"
+
+Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging
+met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij
+name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de
+zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen--daar hem zeer naar
+verlangde.'
+
+Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen
+waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.
+
+Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier
+niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer
+stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en
+Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat
+gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels
+geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij
+noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier
+den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van
+opstonden!"
+
+Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die
+tale staakt."--"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout
+trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen
+heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar
+wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet
+zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij
+Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker--hij is zoo wreed en
+hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend
+volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."
+
+Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met
+toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden--Haymijn--die ellendige? des
+zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet
+een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden--en
+dien Haymijn het eerst!"
+
+Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en
+zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik
+zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"
+
+--"En van de anderen twijfelt gij?"
+
+Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van
+herten."
+
+Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht,
+dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer.
+Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem
+over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet
+gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier
+eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."
+
+Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde
+hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met
+een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel
+jonkman, en wil mij niet slaan--ik ben dijn Vader; van dezen avond zal
+ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?----zoo
+ware mij leed, dat ik had geslagen."
+
+Het eerste kuste Haymijn--Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en
+Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard
+aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.
+
+"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u
+euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."
+
+Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere
+waerd zijt Ridder te worden."--"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij
+behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en
+sterk--zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten
+Hove."
+
+[1] _Willem van Orangiën_: deze Paladijn, uit het Huis van Narbonne, en
+Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, dienden dus
+toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
+geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....
+
+[2] _blioud_: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie Viollet le
+Duc, op het woord _Bliaut_ (Dict. du mob., III, I, 38--60).
+
+
+
+
+HET ZESDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en
+ hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat
+ berijden, dat vele Heeren aanzagen.
+
+
+Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij
+spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem
+komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer
+kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem
+'t zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet
+op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken,
+dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele
+ongerechte daden bedreven--dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een
+vroom Ridder, heusch[1] in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch
+land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen
+en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft.
+Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb
+t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij
+daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij
+op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."
+
+Toen liet Haymijn--Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand,
+zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde
+hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien
+men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden
+ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om
+Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch
+kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij
+moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."
+
+Daarna maakte Haymijn--Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den
+anderen Kinderen gezeid had.
+
+Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede
+was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn
+in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide
+Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een
+Espetijn[2]: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt
+hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en
+Valencijn[3], maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te
+vechten."
+
+Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor
+het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden
+ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout
+dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg
+'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij
+zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en
+tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van
+Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u
+voorbracht."
+
+[Illustration: De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is
+dood, ziet daar ligt hij.]
+
+Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat
+Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude
+dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen
+bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij
+sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde,
+dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout
+op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.
+
+Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone,
+bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht
+van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft
+er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een
+dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met
+nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert
+zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen
+kunnen korten, in de vlucht."
+
+Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende:
+"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"
+
+Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u,
+want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft
+een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."
+
+--"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware
+groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak:
+"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als
+Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met
+zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand
+eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.
+
+Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout
+vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en
+Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te
+zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men
+den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het
+Ros, en ik zal het u geven."
+
+Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de
+staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg
+Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter
+aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.
+
+Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende:
+"Och, mijn kind is dood!"
+
+Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter
+dan dy."
+
+De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar
+ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en
+ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."
+
+Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft
+zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch
+Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij
+zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de
+kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op
+de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den
+toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd
+omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus
+wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende,
+dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee
+scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen
+van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.
+
+Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen
+en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En
+Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde
+grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout
+een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was
+sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had.
+Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet.
+Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.
+
+Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn
+goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen
+en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan
+spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en
+breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden
+schutbladen[4], die zeer kostelijk waren.
+
+
+[1] _heusch-, hoofsch-, hoveschheid_ is het tegenovergestelde van
+_dorperheid,_ en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in de
+form.
+
+[2] _Espetijn (erspentijn, serpent?)_: draak.
+
+[3] _Montagu_ en _Valencijn (Valenciennes)_. In sommige bronnen: heet
+dit laatste _Valkensteyn._
+
+[4] _Schutbladen_: zie de noot 2 Carel en Elegast.
+
+
+
+
+HET ZEVENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove
+ kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe
+ Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van
+ Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart[1] en Kok, dat men
+ Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle
+ zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf
+ hij niet.
+
+
+De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen,
+en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al
+wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn
+Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren
+voorzien van eene volledige uitrusting.
+
+Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden
+ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar
+kwamen zij te Parijs[2].
+
+Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur
+sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij
+hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus
+genaakten zij ten Hove.
+
+Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk
+gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning
+Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn
+alzoo gedaan heeft.
+
+Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te
+trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en
+hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u
+haat en die u doodvijand is?"--"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik
+wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij
+moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."
+
+Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat
+ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij
+andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den
+Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en
+zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.
+
+Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning
+blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des
+dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch
+Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste
+in dertig jaren, dat de Koning--Haymijn ongewapend had gezien. Roelant
+bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad
+Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met
+Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'
+
+En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder
+Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste
+jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het
+verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast
+hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner
+van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.
+
+Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men
+ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze
+gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of
+niet."
+
+Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete
+u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij
+malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij
+dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."--"Voorwaar!" zeide Reinout:
+"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen
+met mijn lijf--maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur
+genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander
+Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was
+hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon
+landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde
+hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en
+ik élk begiftigen zal--zoo zal ik u niet geven!"
+
+Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik
+heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"
+
+Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel
+zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot
+uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met
+kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en
+Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk
+onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.
+
+Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men
+Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig
+Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd
+de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner
+waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar
+de honden meest liggen--zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een
+ieder werd gediend van spijs en drank--maar Haymijns kinderen gaf men
+niet.
+
+Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en
+zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep
+met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den
+voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit
+ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels
+name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat
+hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen,
+en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den
+Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout
+liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier
+is genoeg van alles."
+
+Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij
+vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.'
+Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder;
+daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets
+gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar
+sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn
+rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet
+verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok
+niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij--het
+blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den
+Koning, zwegen zij en gingen heen.
+
+Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de
+Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal
+hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het
+stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over
+de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt
+misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap--ik zegge u
+voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout
+zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder
+misdoen; sloegt gij mij--uw doodsuur lag daaraan."
+
+Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij
+nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout
+schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg
+den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode
+lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.
+
+Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij,
+die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik
+beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het
+zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl
+het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning
+weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was
+niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.
+
+Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en
+allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.
+
+Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk
+voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een
+bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.
+
+Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier
+nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten
+alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van
+ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde
+waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij
+vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den
+vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan
+toe--zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn
+broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.
+
+Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen
+bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun
+gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit
+hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt
+over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit
+hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.
+
+Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk
+aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren,
+gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met
+menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.
+
+De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en
+twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden
+zich bij hen.
+
+Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat
+op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een
+richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij
+Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek
+gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer
+over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder
+tijd!"
+
+De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop,
+insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen
+regen hem zijne mouwen vast.
+
+Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of
+zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen,
+opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen
+heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert--Drossaart,
+Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.
+
+Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de
+kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven[3], opdat
+hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet
+langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk
+ter kerke.
+
+Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk
+boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.
+
+Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk
+getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar
+hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.
+
+Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte
+Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men
+mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.
+
+Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en
+vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd
+geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de
+Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.
+
+Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een
+bezant[4] van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten;
+toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en
+offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.
+
+Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij
+geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en
+hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den
+autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met
+vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En
+ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.
+
+Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn
+lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong,
+bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot
+en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.
+
+Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd
+had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte
+beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner
+onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief
+zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten,
+zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot
+zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij
+t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû
+spreken.
+
+Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene
+zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem,
+en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna
+groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met
+zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en
+hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.
+
+Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove
+gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten
+Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte.
+Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in
+de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee
+Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met
+zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle
+ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men
+dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove
+vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk
+er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren
+speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best
+mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant
+de tijd verdroot.
+
+Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en
+Vorsten.
+
+Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of
+leenen ontvangen wilden, hem volgden--hij zoude elk na zijnen staat
+mildelijk beschenken."
+
+Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een
+bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en
+gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na
+dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant
+of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren;
+luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.
+
+Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove,
+zonder zij alleen--en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen
+zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave
+Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en
+ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde
+lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij
+hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft
+gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften;
+en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij
+niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan
+de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders
+hem iets misdaan hebben."
+
+Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met
+hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of
+geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo
+eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne
+Kinderen en bracht ze voor den Koning.
+
+En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en
+groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden:
+"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste
+van uw broederen--het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik
+zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij
+van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in
+Poelgiën[5]; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert,
+derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is
+schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide
+hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van
+Artezië, Angrico[6] en Blois."
+
+Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen
+Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en
+kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.
+
+Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en
+gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns
+kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.
+
+Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn
+tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw
+giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw
+Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet
+toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun
+binnen kort weder nemen!"
+
+Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn
+Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een
+steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu
+ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."
+
+Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog
+eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer
+verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel--'t zal zich-zelf
+openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig
+jaar--wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als
+gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en
+sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik
+'t niet om mijn eigen eer--ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer
+vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den
+steen!"
+
+Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den
+steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig
+Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel
+Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk
+ontwierp hem een voet[7]; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den
+prijs.
+
+Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo
+zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge
+grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij
+zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed--hij zoû u trekken bij
+den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu
+Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u
+beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het
+land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning
+Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt
+slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót
+u."--"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone
+Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst
+met mij werpen."
+
+Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten
+hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne
+kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen
+Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen
+liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide:
+"Vader! wat is u misdaan?--ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed
+verliezen."
+
+Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik
+stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te
+spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht,
+schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male.
+Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er
+nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den
+steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren
+moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij
+mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet
+wreekt, en den steen om het verste werpt met hem---ik zal het besterven.
+Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar
+blijven."
+
+--"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is
+onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige
+daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner
+jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."
+
+"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke
+droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den
+steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."
+
+Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns
+vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem
+in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"
+
+Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk
+was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende
+Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.
+
+En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag.
+Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan
+Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van
+Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn
+worp overdoen--en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan
+hij!
+
+Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk
+wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het
+hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond
+gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen
+had.
+
+Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.
+
+Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.
+
+En Lodewijk nam den steen nog éen maal--en konde hem zoo ver niet werpen
+als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en
+monde uitsprong.
+
+Haymijn zag naar Reinout--dat hij zijn krachten aan den steen zoude
+toonen.
+
+Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen
+langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den
+steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.
+
+En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den
+steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen
+menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep:
+"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"
+
+En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven
+Reinout den prijs.
+
+En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen,
+die ge zijt! dwazen, die een huurling--die om geld gehuurd is (deze hier
+geve hem al uit voor zijn zoon!)--dus lofprijst! Een grove dorper zij
+soms zoo sterk als een Edeling--des is hij nog geen prijzens waerd."
+
+Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot
+Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."--Toen lachte Reinout en
+zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"--"Zegt mij, zone!" sprak
+Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten
+volle getoond--ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér
+ontworpen."
+
+En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde
+zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.
+
+Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat
+waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning
+groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen?
+Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat
+u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u.
+Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal--gaat dan in den
+boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen
+en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne
+Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en
+moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en
+kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan
+hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot
+Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij
+u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het
+niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan
+gij. En wil hij dan daartegen opkomen--zoo zult gij zeggen, dat drie van
+ons het gehoord hebben; en is 't van noode--wij zullen er nog wel meer
+toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene
+over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr,
+zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal
+zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen
+hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen[8]. En
+aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en
+dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal
+durven doen."
+
+Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad,
+en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die
+'t schaakbord beter verstaat dan ik."
+
+Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een
+venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de
+Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde
+drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn,
+en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk,
+zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij
+van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de
+oogen neder en sprak niet.
+
+Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist
+niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan,
+dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den
+Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den
+muur sprong.
+
+Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen
+zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben
+vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar
+mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en
+Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den
+steen--maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester
+van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het
+wonder, dat ik toornig ben?"
+
+Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik
+God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken:
+en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't
+mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"
+
+--"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk--"maar ik eisch,
+dat ge mij volgt in een kamer--daar zullen wij een ander spel beginnen."
+Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in
+de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen
+zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te
+kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede
+oorkondden, en zeiden dat het waar was.
+
+Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet
+ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men
+bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.
+
+Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst
+zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen
+hoofd."
+
+Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo
+kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd
+zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten--dat
+doe ik gaerne!"
+
+Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik
+zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om
+uw hoofd en 'et mijne!"
+
+Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods
+Name--moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe
+ik mijn wil, want ware Lodewijk dood--ik droege nog eenmaal de kroon te
+Parijs." Lodewijk had den eersten zet--om dat hij des daags Koning
+gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder[9];
+zij namen elkander een Oude[10]. Adelaert zei: "God ontferme zich
+mijner! mijn ongeluk is groot."
+
+De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen
+toon: "Had uw broeder den prijs van den steen--hier blijf ik uw meerder:
+in waarheid, ik voorzet 'et u--ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen
+afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning,
+zoo gij mijn hoofd wonnet--en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De
+Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor,
+ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"
+
+Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw
+bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder
+schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et
+hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots[11]," zeide
+Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat
+hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden
+het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"
+
+Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met
+de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En
+Adelaert won vijf spelen achter-een.
+
+Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op,
+zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb
+gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer
+speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem
+verdroot uw leven."
+
+De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in
+'t aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper,
+zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne
+verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield
+ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.
+
+Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij
+Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie
+heeft u geslagen?"
+
+Adelaert andwoordde: "Niemant!"--"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult
+'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag."
+--"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede
+gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."
+
+Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd.
+Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst
+en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal,
+om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg
+'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit
+hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo
+gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp
+mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het
+zwaard op.
+
+Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel
+broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven--maar niet van uwe
+hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk
+beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't
+zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar
+kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning
+drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan;
+als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't
+schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen
+weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande
+houden--ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij
+der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en
+Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren
+zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over
+zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een
+schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding
+spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf
+spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op
+Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet
+meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't
+hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het
+schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."
+
+Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke
+dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."
+
+
+[1] _Drossaart_:(hier) huismeyer, spijsverzorger, scbotelschikker.
+
+[2] Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt gewoonlijk
+voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, dat Dr.
+J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.
+
+[3] _Markgrave_ beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker is; hier
+zoû het zijn--bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het volk.
+
+[4] _bezant: een_ muntstuk.
+
+[5] _Poelgiën_, Apulië.
+
+[6] _Angrico_, Angers.
+
+[7] _ontwierp hem een voet_: wierp een voet verder dan hij.
+
+[8] _te verdingen_: af te kopen.
+
+[9] _Ridder_: paard.
+
+[10] _Oude_: raadsheer.
+
+[11] _Rots_: kasteel.
+
+
+
+
+HET ACHTSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout--Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed
+ in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen
+ werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe
+ Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze
+ Koning Carel gevangen zoû leveren.
+
+
+Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe
+Adelaert met Lodewijk gevaren was--van 't begin tot het einde. Toen
+Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende,
+en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet
+en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.
+
+Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en
+als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil--ik zal 'et
+hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich
+Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen
+een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij
+verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.
+
+Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in
+der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.
+
+Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij
+Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten.
+Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém
+eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep
+Reinout--Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd
+bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning
+Carels aangezicht sprong.
+
+En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne
+oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en
+riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen!
+die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het
+geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich
+haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis
+en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en
+reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van
+wapenen, op een schoone vlakte.
+
+Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"--"Geef mij
+Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het
+vlieden is ons geen schande--want Carel is onze Koning!"--"Dat en zal
+niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te
+vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij
+overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant
+vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"
+
+Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert--vertrouwen en
+blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem
+verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en
+blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en
+hun vijand klein achtten.
+
+Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast
+den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak
+den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den
+paerde viel.
+
+Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den
+zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde
+Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en
+menigen vijand onder den voet reed.
+
+Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in
+het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag
+niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat
+hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op
+hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen
+moest.
+
+Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze
+nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet
+vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus
+doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht
+dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir
+volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet
+waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels
+en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo
+snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't
+hem zeer leed.
+
+Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er
+veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien
+sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn!
+geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het,
+met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop
+tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde:
+"Indien men hem ving--ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de
+Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan
+was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel
+zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen
+verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen
+had'.
+
+Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem
+terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat
+waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit
+geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant:
+"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy
+hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo
+groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning
+Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen;
+'t koste dat 't mag."
+
+Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij
+Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het
+voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"--"Neen ik," zeide
+Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat
+men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle
+om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden
+verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb
+hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat
+ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u
+misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad
+zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en
+moeder wijten?"
+
+--"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem
+kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat
+zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het
+hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen
+den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk
+hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en
+liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den
+Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen
+van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.
+
+
+[1] _vromigheid: prouesse_.
+
+
+
+
+HET NEGENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in
+ Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning
+ Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte,
+ om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's
+ Konings Volk, die hun Koning wreken wilden.
+
+
+Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids
+de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel
+te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar
+gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder
+waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was,
+"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."
+
+Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op
+dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was,
+en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat
+hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des
+Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels
+zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer
+bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen
+blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want
+zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij
+spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.
+
+De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij
+dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood
+wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe,
+de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze
+doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier
+met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van
+noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren
+werwaards zij hunnen weg zouden nemen.
+
+Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning
+Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen
+schreiden om hun wechreizen.
+
+Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij
+den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning
+verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag
+komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem
+waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te
+blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen
+ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel
+dat men de valbrug nederliete.
+
+De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet.
+Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en
+hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn
+broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."--"Wildy
+gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat,
+Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God
+Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn
+kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen
+Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen
+zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en
+zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar
+uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij
+bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik
+hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij
+blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden
+van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat,
+dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't
+kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.
+
+Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar,
+en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden,
+vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht
+noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning,
+dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en
+dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf
+men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en
+zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem
+het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig
+aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en
+wisten wij niet, waar ons te onthouden."--"Wat is ons aan dit verblijf
+gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het
+zoude onder onze handen koper worden."
+
+Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem,
+dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet--het zal
+hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen."
+De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en
+als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning,
+mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven
+hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide:
+"Zeg uw Heeren--inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!--dat ik ze
+noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve
+vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal
+doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte
+de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de
+Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem
+met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem
+daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en
+liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.
+
+Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy
+dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout
+hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet,
+Heer!"--"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze
+have[1] eischtet?"--"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet
+meer een penning."--"Zeide hij dat?" riep Reinout.--"Ja hij, Heere! en
+hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche
+ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart
+dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet
+mij in 'et vuur."
+
+Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide:
+"Ik beveel u en Writsaert--Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal
+en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét
+mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels
+slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij
+ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn
+hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."
+
+--"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat
+beters!"--"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere
+daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en
+Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.
+
+Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert
+vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg.
+"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints
+wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel
+hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een
+spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer
+het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze
+nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die
+slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders
+niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem
+stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet
+kleeden--geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u
+kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen
+daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede,
+dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog
+berouwen!"
+
+De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik
+zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave
+u kleederen noch schat."
+
+Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om
+dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen
+hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!--Maakt u des wech--men geeft u niet
+een mijte!"
+
+--"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die
+woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe
+trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en
+zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....--
+
+"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons
+inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en
+gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het
+binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof
+groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat
+geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar
+Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn
+gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en
+'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote
+felheid.
+
+Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout
+te paerd gezeten--en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met
+machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en
+Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den
+buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij
+Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros
+verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders
+wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot,
+zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat
+zij veel volks versloegen.
+
+Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te
+dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af
+sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij
+Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in
+stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om
+zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen--en
+hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert
+sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd
+was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren
+moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus
+reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij
+stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde
+hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.
+
+"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn
+bedwang--nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te
+sneven."--"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan
+niet zijn!"
+
+Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo
+lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden
+vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de
+goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en
+konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren
+zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van
+overbleef.
+
+"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak
+Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed,"
+zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."
+
+--"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker
+verblijf."--"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.--"Bij Ywein van
+Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand,
+daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste
+van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan,"
+ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en
+er een goed verblijf vinden."
+
+"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.
+
+"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.
+
+Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat
+zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.
+
+In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert
+zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat
+Yweins slot."--"Welk is 'et?" zeide Reinout. --"Naast aan de rotsen; bij
+dat woud: dat hooge kasteel--daarginds --met dien breeden ringmuur en
+die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"
+
+--"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en
+elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders;
+legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij
+elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij
+namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.
+
+Zij spoedden zich onverpoosd voort.
+
+Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de
+wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden
+zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de
+Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide
+hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend
+nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij
+God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"
+
+Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar
+de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden --om hen te zien
+en het Ros met de schoone gestalte.
+
+Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de
+Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem
+te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd
+voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem
+neder.
+
+"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en
+dag, en u uit ál ons vermogen helpen."
+
+Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten
+mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."--"Dat loone u God!"
+sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." --"Zoo 't u
+gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."--"Al-te-gader,"
+zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn,
+de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere
+Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel
+ridder. Nu kent gij onze namen."
+
+
+[1] _have_: goed.
+
+
+
+
+HET TIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan
+ met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe
+ Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich
+ versterkte tegen den grooten Koning Carel van
+ Frankrijk.
+
+
+Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen
+maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde,
+dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter
+genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen
+wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne
+wonden genezen waren.
+
+Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun
+knijven en zwaerden vervegen[1]: hunne harnasplaten waren mede
+vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe,
+prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in
+den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros
+Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de
+goede Ridders zaten moedig op.
+
+Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar
+het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit
+Ywein groote schade gedaan werd.
+
+Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij
+binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.
+
+Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in
+zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan
+drie jaren.
+
+Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en
+heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij
+erfschap gekomen ware.
+
+De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner
+steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem
+dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met
+goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.
+
+Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar
+kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu
+zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem
+aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen
+zone Lodewijk zoû uitleveren."
+
+Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning --en
+spoedig bracht men hem voor Ywein.
+
+"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel,
+de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."
+
+De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond[2] hem en
+las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij
+hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk
+hadden doodgeslagen.'
+
+Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en
+riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden,
+opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.
+
+"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak?
+Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze
+den Koning niet--zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad
+geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik
+toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen
+land."
+
+Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk
+voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in
+zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn
+oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't
+ook niet--u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en
+brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de
+keel."
+
+Hugo van Averne[3] sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer
+Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u
+verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen
+dienst--zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij
+verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw
+vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert--uw huismeyer[4].
+Verriedt gij ze--'t ware een wandaad."
+
+[Illustratie: Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar
+gewapend nader.]
+
+Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop
+sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout:
+"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning!
+En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn
+van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge
+kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren--daar is alom menig
+Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën
+kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije,
+in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk--de hoogsten van het land
+zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden.
+Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen
+gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk
+trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."
+
+Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere
+leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden
+spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem
+ten spijt--ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als
+Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens
+Carel."
+
+Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en
+zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf[5] aan uw eer
+gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen
+prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze
+zoû doen folteren en dooden--dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar
+volgt ge mijn raad, Heere--gij zult ze in Poelgiën of een ander land
+laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."
+
+Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij
+Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien
+vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te
+kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar
+vallen."
+
+Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning--ik had
+'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van
+Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan!
+nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer
+bewaren--zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem
+de rots aan de Gironde[6]: hij zal er aanstonds een vaste burcht op
+bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen
+bij uw dochter te verwekken--dan is hij op het innigst aan u verbonden,
+en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den
+geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."
+
+--"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan,
+dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."
+
+De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.
+
+"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.
+
+"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij
+met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw
+broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er
+aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend
+maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in
+Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee[7]--ik
+zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen
+voorzien.... Nu zegt mij--wilt ge handelen als de wijzen, en mijn
+voorstel aanvaerden?"
+
+--"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons
+een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld
+niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde
+staat een rots--wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang,
+waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel
+en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."
+
+Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er
+mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."
+
+--"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw
+op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in
+dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal
+met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig
+opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn
+broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw
+zone--zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste
+Jonkvrouwe van Christenrijk!"
+
+Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder
+bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij
+mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse
+geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en
+zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."
+
+Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en
+ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein
+geroepen.
+
+"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen
+mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone
+Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft
+van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken,
+opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij
+u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"
+
+--"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone,
+roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er
+bij."
+
+Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.
+
+Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden
+werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met
+éen woord, een groote, goede bruiloft.
+
+Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche
+land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met
+zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als
+goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen
+aanstonds het huis te vesten.
+
+Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had.
+Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen;
+twee paar muren gingen er om rond.
+
+Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij
+zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen,
+vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500
+personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten
+wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen
+koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede
+gesticht.
+
+En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te
+komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij:
+"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk
+kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"
+
+--"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't
+Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."
+
+--"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op
+kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."
+
+
+[1] _vervegen_: op zwaardvegerswijze herstellen.
+
+[2] _ontwond_: ontdeed van het zegelkoord.
+
+[3] _Averne_: Auvergne.
+
+[4] _huismeyer_: hofmeester.
+
+[5] _geen kaf_: zooveel als niets.
+
+[6] _Gironde_: mond van Dordogne en Garonne.
+
+[7] _Zuidzee_: Middellandsche Zee.
+
+
+
+
+HET ELFDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt
+ was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en
+ dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden
+ "Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde.
+
+
+Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob.
+Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel
+het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot
+Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben
+doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo
+schoon."--"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar
+zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk
+is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter
+verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen
+maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich
+over 't water zetten.
+
+Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein--Reinout met zijn dochter gegeven
+had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat
+schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'
+
+Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt
+hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'
+
+De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen
+timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo
+men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk;
+hij is uit zijn land verdreven."
+
+--"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout.
+Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet
+Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van
+den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning
+Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn
+broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der
+burcht, aangelegd een schoone stad."
+
+--"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt
+hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven
+met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht
+stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en
+tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem
+kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en
+verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."
+
+Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als
+hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en
+zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u
+gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw
+onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem
+gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket
+genade: en hij zal ze u doen."
+
+Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot
+Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet
+ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever
+zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."--"Wilt gij u dan tegen Koning
+Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone
+Lodewijk!"--"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten
+manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij
+als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen--ik wil hem
+Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem
+als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit
+zeggen?--Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met
+mij te dreigen."
+
+Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide:
+"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet
+mijn boodschap aan den Koning."
+
+Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid
+Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een
+scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden
+in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer
+gedaan.'
+
+Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en
+keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in
+Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout,
+verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te
+helpen.
+
+Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij
+kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde
+Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang.
+En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et
+hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn
+Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts
+burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.
+
+
+
+
+HET TWAALFDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te
+ zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen
+ de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En
+ hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe
+ Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze
+ wilde doen hangen.
+
+
+Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert,
+zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al
+zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is
+daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van
+rouw."
+
+--"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet
+wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij
+daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik
+niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't
+mag, ik moet mijne moeder zien."
+
+--"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen
+gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en
+bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij
+onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders
+goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in
+het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren,
+kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren
+uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen.
+En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide
+Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen
+voor de onzen."
+
+Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat
+Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover
+geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't,
+dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een
+roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den
+Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben --maar een ander
+Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij
+aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als
+waren onze kleederen nog wat beter--doet 'er meê dat gij wilt."
+
+Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen
+broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns
+Kinderen, die ze aantrokken.
+
+Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze
+stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden
+menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.
+
+Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en
+vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier
+Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land,
+te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu
+hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat
+gij ons inlaat."
+
+Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet
+doen."--"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het
+wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren
+gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar
+toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart
+de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."--"Om Gods
+wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen!
+laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning
+Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood,
+God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat
+ze God van der dood behoeden wil!"
+
+Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij
+antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en
+spijzigen ter liefde der Jonkheeren."--"Dat loon u God!" zeide Reinout.
+Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen
+waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden
+gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"
+
+--"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout,
+"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën,
+en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst
+als thands."
+
+Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en
+drinken geven."
+
+De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen
+spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen
+mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne
+vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.
+
+Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag
+haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij
+ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt
+het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"
+
+De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide:
+"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte--ik
+duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal
+uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat
+zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij,
+Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel
+wijn niet drinken, als gij alleen doet."
+
+Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ...
+reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij
+dat ik u mijn leven lang danken zal!..."
+
+De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze
+hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder
+uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.
+
+Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder
+aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij,
+"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!--want had ik nog een schale, ik
+en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen
+onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout
+met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen
+van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene
+stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig
+werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op
+haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens
+wech van Reinout.
+
+Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide:
+"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt
+'et gezworen; en wilt gij 't niet doen--zoo zal ik tot den Koning rijden
+en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."
+
+Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en
+zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren
+op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn
+Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders
+begeven!"
+
+Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw
+Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze
+vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den
+Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij
+komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw
+Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende,
+werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder.
+"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een
+oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide:
+"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn
+Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere,
+Koning Carel, wien ik het gezworen heb."
+
+Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met
+veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God
+en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen
+over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft
+ons raad! Weet gij ons geen raad te geven--wij zijn verloren; want
+Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide:
+"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas,
+geen anderen raad!"
+
+Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en
+leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden
+voor de kamer staan.
+
+Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want
+hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert:
+"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns
+Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk
+te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef
+dood, of zeer gekwetst.
+
+Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de
+kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste;
+maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op;
+hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest
+waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne
+slagen.--Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en
+zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden
+zwak."
+
+Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den
+toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't
+Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich
+werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem
+vluchtte als den dood.
+
+Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven
+ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te
+zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij
+geraakt--het blijft er ál dood."
+
+Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met
+zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek
+loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter
+na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde
+Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader
+vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben,
+maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen!
+Sloegt gij onzen vader dood--die vreeselijke misdaad mochten wij
+nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij
+verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel
+verworven wij nimmermeer zoen!"
+
+--"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen
+vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem
+handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap
+aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem
+haastelijk tot Koning Carel."
+
+De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan;
+want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede."
+Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan,
+indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat
+Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.
+
+"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat
+ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude
+gedaan hebben."
+
+De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten
+leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de
+portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't
+paerd ligt?"
+
+Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de
+poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den
+knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen
+zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit
+hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat
+hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's
+Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan;
+ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!"
+De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's
+Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den
+Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden.
+Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem:
+"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"--"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u,
+ontferm u mijner!"--"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn
+zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik
+'t vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards
+te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."
+
+--"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.
+
+Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich
+wapenen zouden; zoo Edel als onedel.
+
+En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk
+dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam
+te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot
+heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar
+tenten begonnen te slaan voor het kasteel.
+
+Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge
+is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons
+mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons
+geenen raad?"
+
+Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig:
+"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der
+muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als
+hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer
+mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan;
+hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun
+scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn
+broeders moest laten.
+
+Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden
+God voor hem.
+
+"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart!
+nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen,
+doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets,
+tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen
+bidden."
+
+Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en
+gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam,
+wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den
+Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij
+de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij
+gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en
+lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."
+
+Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan
+werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et
+bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te
+moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met
+heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.
+
+Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo
+lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te
+doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede
+de broeders zorgvuldig bewaken.
+
+
+[1] _Bordeas_: Bordeaux.
+
+[2] _winket_--deurtjen in eene poortdeure.
+
+
+
+
+HET DERTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn
+ broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of
+ men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning
+ dede bieden met den bode.
+
+
+Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te
+Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders
+had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen
+had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om
+de Heeren, al dat te Montalbaen was.
+
+Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op
+het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende
+zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders
+brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'
+
+Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die
+sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer
+beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen
+en bespieden? ik zoû noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros,
+moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!'
+
+Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in
+euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!"
+De man zeide: "Zoû ik u volgen met een inzicht ten kwade?--dat waar niet
+welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf
+mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik
+verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij
+dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide
+Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk:
+maar alvorens dijn boodschap te doen--begeer eenen borg tot zekerheid en
+vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan,
+doe dijne boodschap."
+
+--"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik
+ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in
+mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij
+nimmermeer op en stond."
+
+Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor
+zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg
+hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de
+meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf
+opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner
+ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter
+zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en
+voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen
+de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert,
+mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn
+kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik
+doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner
+broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't
+land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is
+'t, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen
+met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn
+Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven
+noch om dood.
+
+"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod--zeg hem dan, dat
+ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen
+klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en
+betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het
+zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij
+des nachts gaat te mettene[1]: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de
+kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zóo--zóo, zal
+ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en
+peis geven."
+
+Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide
+zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning,
+mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer
+kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap
+eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale,
+zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop
+Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat
+zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve
+bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad
+toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning
+onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen--ik zal het
+oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht
+proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne
+broeders daar niet sterven zullen!--Maar, ik zegge dy," vervolgde
+Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast
+geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren."
+
+De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen:
+het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout
+oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale.
+
+En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon
+de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een
+staf, nochtans en woû hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste
+besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den
+Koning op zijn kniën, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op,
+en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik
+brenge u eene goede boodschap!"
+
+De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt
+ons met wat boodschap gij beladen zijt."
+
+De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult,
+begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel
+ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn
+boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen,
+zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen."
+
+--"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en
+zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er
+Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der
+sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn."
+
+De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name
+liever een borge door wien ik zonder vreeze ware."
+
+De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze
+twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend:
+niemant ter waereld durft u tegengaan."
+
+Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen,
+ik had gaerne andere borgen."
+
+Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: --ik
+zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij
+moogt veilig zonder vreeze zijn."
+
+De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik
+liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden."
+
+Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst
+hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden,
+zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen."
+
+De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne
+eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen."
+
+Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en
+zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt
+te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog
+éénmaal--en ten laatste!"
+
+Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te
+kiezen geleide--zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge
+wezen!"
+
+De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in
+gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden
+mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone.
+
+"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet
+herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer
+Koning, dat God u lange spare! U groet één, de bedroefdste man die in de
+waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de
+Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw
+zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade
+wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt.
+Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te
+nemen--hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben:
+zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen
+die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met
+goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als
+Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter
+eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn
+eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk
+Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen
+ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken
+of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle
+dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal
+hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of
+gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware
+'t dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood
+begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid--wilt hem en zijn
+broeders genadig zijn!"
+
+Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen
+zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet
+en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt--zoo zal hij
+komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters,
+kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de
+kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen."
+
+Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De
+bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en
+zijn broeders niet in genade ontvangen wilt--hij zal u doen 'et zelve
+dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de
+mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij
+zal u éénmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en
+slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."--"Bij God!" riep de
+Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde
+dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare,
+die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij
+goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne
+zale, zonder goed geleide--ik zeg u, in der waarheid! ik had den
+schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan."
+
+"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen
+hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van
+Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op
+zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn
+magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den
+Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders
+oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet
+brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar
+bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et
+leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde
+beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult
+voornemen."
+
+Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht
+mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die
+Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem
+bestaat? Wie het doet--hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie
+dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam
+zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel
+Grave! bestaat hij u--of niet?"
+
+Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants
+wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker
+geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot
+Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u
+vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn
+vriend wil ik altijd wezen."
+
+Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht,
+die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en
+stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide:
+"Heer Koning! nog gisteren."
+
+Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?"
+De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros
+Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had.
+
+--"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning,
+"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u
+beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode
+antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij
+Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer
+vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning
+grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een
+zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout--ware 't niet,
+dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel--want nooit heb
+ik boden zulke tale hooren voeren."
+
+
+[1] _Te mettene gaan_: in de kerk de getijden van middernacht gaan
+bidden.
+
+
+
+
+HET VEERTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat
+ wederkreeg door hulpe van Madelgijs.
+
+
+Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich
+waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde,
+meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote
+rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende
+dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo
+kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij
+reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad
+van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er
+Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild.
+
+Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te
+krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging;
+daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde.
+
+Nu zijn gekomen twaalf knechten om voêr te halen, zoo zij dagelijks
+plachten te doen.
+
+En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en
+zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van
+Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden
+gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat
+zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs.
+
+Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij
+binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen
+en Jonkvrouwen.
+
+Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij
+hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot
+geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot
+Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze."
+Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf
+knechten Beyaert brachten.
+
+Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten
+Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!"
+andwoordde Roelant.
+
+'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de
+knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te
+vangen: ik woû dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den
+raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden
+neder en zeiden:
+
+"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte."
+--De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij
+'t vingen?"
+
+Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden."
+De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' --zij zeiden 'neen,'
+"van hem en weten wij niet."
+
+"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het
+u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij
+Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden,"
+zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik
+hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan
+heeft."
+
+--"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den
+knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen--doet
+ze stokslagen geven."
+
+De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe
+als Roelant gezeid heeft."
+
+En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had.
+
+De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en
+koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik
+u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan
+dat er iets aan het Ros miskwame."
+
+Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en
+zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert
+berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen."
+
+Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik
+het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den
+Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik
+Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten
+zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de
+vrije beschikking over hem."
+
+--"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en
+berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."--"Zoo
+doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen
+moet ons deze komen."
+
+Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het
+berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u--beidt dan tot Zondag;
+hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen
+zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en
+hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen."
+
+Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en
+sliep!
+
+Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en
+terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als
+hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag
+rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft.
+
+En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven:
+hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog
+zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend
+rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart
+ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et
+is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het
+ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn
+broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en
+hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht
+hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft
+den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met
+werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude,
+maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en
+geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat
+doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij
+toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve.
+
+Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het
+dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van
+Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken
+ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij
+hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid
+waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van
+lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de
+oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen
+meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok
+en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette
+hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag
+en had, sints ik geboren ben."
+
+Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste
+leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe
+allernaast."--"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed,
+dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze
+gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En
+bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man
+van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van
+de rouw, daar 'k in sta."--"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak
+Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal
+uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de
+dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik
+ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provenciën en tot
+St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van
+Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man,
+als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!"
+
+[Illustratie: Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste
+leiden.]
+
+Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te
+spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!"
+
+Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij
+geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders,
+opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?"
+
+Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven."
+Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en
+van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende:
+"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan
+uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye,
+mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is
+'t dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout,
+zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te
+wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat
+gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn."
+
+--"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen
+schande ware, een Pelgrim te slaan--ik zoû uw onbeschaamdheid u doen
+rouwen."
+
+--"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij
+geslagen, dien ik aalmoezen vroeg--ik waar voor vijftig jaar reeds dood:
+want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in
+kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave--waarvan zoû ik
+leven?"
+
+--"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden."
+
+--"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende
+uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille--hebdy iet meer,
+dat gij mij geven wilt--zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden
+uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet."
+
+--"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er
+wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder;
+St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden
+van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn
+kunne ontvlieden--want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt
+ben, hij dede mij hangen."
+
+Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn
+reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets
+behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was
+Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij
+valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult
+weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim
+ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!"
+riep Madelgijs, "sloegt ge me nog --het zoû u kwalijk komen; ik zoude
+mij weeren!"--"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u--al waart
+gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zoû mij, zoo ik slaan
+wilde, géén ontgaan."
+
+--"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik
+kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd
+en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag
+weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en
+veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren.
+
+Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij
+bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den
+rug--daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord
+staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik
+verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel
+Beëlzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het
+bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen
+en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek
+hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij
+niet, neve Reinout?"
+
+--"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?"
+
+Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had,
+viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt
+mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij
+te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn
+toeverlaat!"
+
+Madelgijs zeî: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u
+heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn
+harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak.
+Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood,
+en dede hem twee oude hozen aantrekken.
+
+Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde
+Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en
+mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over
+zijne oogen.
+
+Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na,
+om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en
+hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder
+jongelingen en koene Ridderen.
+
+Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij
+neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of
+Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde.
+
+"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te
+gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten."
+
+--"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan."
+
+Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden
+dag!"--"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al
+menigen mensche overleefd," vervolgde éen hunner. --"Ik bid God, dat hij
+mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven,"
+sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u
+Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!"
+
+Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de
+nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven."
+
+De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige
+kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als
+schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen
+gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd
+"Christelijk", en dusdanig éen als die, welke den Heere met zijn
+Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde.
+
+Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met
+eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een
+arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet
+in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den
+wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg--dat gij
+hier wilt nederknielen in gebede--want ik mij kwalijk bevinde en hebbe
+geen halve stonde meer te leven."
+
+En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken
+stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in
+kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met
+een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond,
+en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en
+sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn
+verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar
+dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en
+zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop
+laat kussen, dien gij daar bij u hebt...."
+
+--"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij
+Madelgijs meê nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang
+verloren geweest, om de zonden des volks...."
+
+--"En mag niet weêr verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de
+gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende
+aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop
+ontliep hij den anderen met den schat.
+
+Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij
+best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen éen hem
+tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend neêrstortte;
+en, na elkander, ook de beide laatsten.
+
+Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat,
+uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve!
+ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en
+rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge,
+voor wij aankwamen."--"Ké[1], oom!" zeide Reinout--"ik duchte, dat gij
+iets kwaads gemaakt hebt!"--"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs;
+"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders."
+Reinout deed als hem gezegd werd.
+
+De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in
+den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag
+en den tijd, dat Roelant--Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de
+stad, als vroeger gezegd is.
+
+Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in
+was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de
+stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot
+Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik
+weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre
+geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt."
+
+Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs
+riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen
+wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en
+doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne,
+en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en
+dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den
+penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn
+tasch.
+
+Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar
+buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude.
+
+Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn
+kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en
+zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne
+reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf
+Madelgijs--Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet
+uwe sporen aan uw voeten."--"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk,
+oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik
+Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe
+voeten--'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u
+Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt,
+zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize,
+als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden."
+
+En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van
+poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van
+landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen.
+Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij
+Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk
+zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel.
+
+"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der
+Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er
+eene: "'t Is Roelant, die Ferragute[2] versloeg." Eene andere jonkvrouw
+zeide: "'t Is Olivier!"--"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van
+Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken
+Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed--nam daar éene het woord,
+die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een
+schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen
+vroegen, wie de Ridder was?--"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een
+Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij
+niet gebannen, hij zoû de schoonste man wezen, die van dezen dag over de
+brugge gaan zoude."
+
+Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte.
+Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet--en
+lacht niet!"--"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout:
+
+"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen."
+
+Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over
+de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden
+hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen
+was, hadden 'et elk aan een koord.
+
+Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en
+den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond.
+
+"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims
+staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken
+dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide:
+"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is."
+
+Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert
+tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende
+zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op
+de brug heen ende weder.
+
+En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u
+deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds
+genoeg: ik zegge u voorwaar--hadde ik mijnen kop meenen te verliezen
+door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik
+en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de
+Koning van Vrankrijk, die zoowél der armen luttel goed bewaakt, als dat
+der rijken, die veel hebben."
+
+--"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil
+'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt
+werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en
+kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met
+zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en
+genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede
+gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een
+Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt."
+
+Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de
+Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel
+gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep
+nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong.
+"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs,
+"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid
+ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen
+ontkomen: want wij vreezen 'et zeer."
+
+Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop."
+
+--"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren
+gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome
+heeft er Misse mede gedaan...."
+
+--"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat
+ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er
+hier simonie[3] gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den
+kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?"
+
+--"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den
+Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning
+ben."--"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig
+tot u gesproken heb."--"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel
+moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar
+geeft mij den kop--ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land
+in levenslang gebruik."
+
+--"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen--ten zij ge vergeeft al
+den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem
+den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...."
+
+De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone
+Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem
+niet kwijtschelden. Ook is daar éen, geheeten Madelgijs, een snoode
+toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen
+hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?"
+
+--"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan
+niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet."
+
+Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal
+God bidden, dat Hij uwen gezel geneze."
+
+"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig
+dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde
+t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap
+verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze
+vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert
+berijden kon--hij zoû genezen van al zijne kwalen.'"
+
+-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder
+tijd."
+
+Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet
+wat het uitwerken kan."
+
+--"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden
+prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!"
+
+Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om
+dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!"
+
+De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide
+hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb
+toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle--Beyaert bestijgen laat!"
+
+Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook
+de Pelgrims kwamen daar met groote moeite.
+
+En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel
+Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et
+aan zijn herstel bevorderlijk zij!"
+
+Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem
+niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen
+had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er
+deernis meê, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte
+er weêr af aan dezen.
+
+"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij
+aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er
+weder af--hij zal 'et besterven."
+
+Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast,
+dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op
+Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte.
+
+Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den
+zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels.
+
+Eilaas, daarmeê waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het
+goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd!
+
+"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alléén
+rijden," zeide de Koning.
+
+"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij
+ook zien en hooren?"--"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te
+boven!"
+
+--"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?--Heer Bisschop!
+doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote
+gunst gedaan."
+
+Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En
+Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf
+het goede Ros de sporen.
+
+Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e
+zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten,
+dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die
+ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal
+'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten--voorwaar het zal hem den
+hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren
+uit, en scheen groote rouwe te bedrijven.
+
+Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem,
+riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden
+vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug."
+
+En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren
+Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van
+Borgondiën; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen
+mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een
+boogscheut afstands.
+
+Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten
+laatste zag hij de Genoten.
+
+'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten
+kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware--ik
+zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden
+trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader
+kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout
+hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood
+gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder
+koen!"
+
+--"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij ü hier
+vinden zouden."
+
+--"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde
+de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat
+gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim,
+die bij den Koning stond?"--"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het
+antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet
+niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve
+Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve!
+om uwent-wille!"
+
+--"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap,
+die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide
+nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede,
+dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en
+gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen."
+
+Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u,
+Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw
+broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den
+Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders
+voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader--ik
+zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout
+verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam.
+"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang
+verdienden loon!"
+
+Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge
+u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen
+op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede
+neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van
+de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen.
+
+
+[1] _Ké_--een uitroep.
+
+[2] _Ferragute_: een reus.
+
+[3] _Simonie_: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, waarbij
+voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan verbonden is,
+méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of kunst-waarde; het
+_verkoopen_ van al wat slechts geestelijke waarde heeft, wordt als
+zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. _Hand. der Apost_., Hoofdst.
+VIII, v. 18--20.
+
+
+
+
+HET VIJFTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden,
+ dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning
+ Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop
+ Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere
+ Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot
+ Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning
+ daar hij lag en sliep in zijne kamer.
+
+
+Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den
+Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap
+zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen
+Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal
+'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en
+nemen de schuld op mij."
+
+Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij
+Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen,
+"Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap
+bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de
+Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning.
+
+Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De
+Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" --"Heer," sprak hij,
+"ik neem de schuld op mij."--"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning
+streng.
+
+"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den
+sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent
+Beyaert--gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan
+niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na
+gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de
+schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen
+vangen--alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij
+trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg
+vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij
+verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was
+ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." -- "'t
+Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich
+onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem
+ondoenlijk was."
+
+--"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en
+laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die
+zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschiên."
+
+Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij
+overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen
+en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik
+wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God
+genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep:
+"Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!"
+
+Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt
+mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven
+lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over
+zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon
+'et u Heer Koning!"
+
+En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele
+Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze
+straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen
+langer uitstel."
+
+De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor
+hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen
+binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had
+hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven
+voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch
+en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is."
+
+"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak
+nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten
+nog heden doen hangen."
+
+De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige
+magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u,
+zoo gij ze ter dood laat brengen."
+
+De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"--"Neen ik," zeide de
+Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen--en gij zult
+u niet kanten tegen uwen Koning."
+
+--"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij--maar tegen deze
+wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten
+tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden
+zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en
+zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze
+laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning!
+daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met
+machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal
+men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten."
+Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en
+hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zoû
+laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon.
+
+Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij
+zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen--'t moge
+gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen
+mij--wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de
+Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u
+leven en sterven willen.
+
+Toen trad de Bisschop naar éene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen,
+die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij
+komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings
+kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer
+Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was
+Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondiën, en zeide: "Heer
+Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen,
+die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije;
+daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem
+Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van
+Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hém daartoe
+niemant aangezocht!
+
+Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de
+oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?--Ik zie wel, ik
+heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove
+gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van
+alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in
+de nood!"
+
+--"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar
+ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u
+voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij
+zijn uw vleesch en bloed!"
+
+Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven
+laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke
+zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat
+uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in
+hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat
+verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning
+zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar
+voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn
+hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware
+geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren
+nu over u voldoende gewroken zijn." Met-één ging hij daar de drie Heeren
+zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien
+en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren
+hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!"
+
+--"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen
+zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude
+ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land."
+
+Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is
+er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op
+zijn grijzen baard.
+
+De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie
+Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten,
+zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste:
+laat ze verdingen."
+
+De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde,
+heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en
+doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en
+begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter
+waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze
+drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle
+leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste
+komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest
+waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede
+scheidde de raadsvergadering der Heeren.
+
+En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te
+verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet
+beter van ure tot ure of Koning Carel zoû ze doen hangen.
+
+Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning
+Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat
+zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den
+portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten
+wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen
+trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht
+te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u,"
+zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier
+nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had
+slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de
+vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van
+gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp
+zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten.
+
+Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en
+banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et
+Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die
+de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig.
+
+Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit
+pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze
+zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan --wij moeten
+sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden."
+En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis meê had, en
+zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom
+Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert
+zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!"
+Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse."
+Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker.
+
+Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die
+de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de
+gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten
+den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem
+en gedaante des portiers--"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk
+ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich
+wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik
+misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal
+gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet
+medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal
+u geen verlof geven--dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo
+lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de
+Heeren, en ging tot den Koning.
+
+Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings
+bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele
+geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven
+uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en
+ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren
+leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit
+hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet
+met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om
+zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij
+blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op
+Montalbaen.
+
+Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef
+als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede
+veiligheid.
+
+Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en
+waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist
+hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et
+werkelijk geschied ware.
+
+En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat
+'er àan was--droom of wezenlijkheid.
+
+En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar
+hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie
+zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt
+was.
+
+Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem
+groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg
+opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval.
+
+
+
+
+HET ZESTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd
+ was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel,
+ en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad
+ verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg.
+
+
+Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en
+spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning
+Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe
+mare."--"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een
+kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem
+gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter
+achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem
+hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche
+Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd
+duchte, eer gij daar komt."
+
+Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide
+hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg--nu bidde ik u, dat gij
+derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000
+mannen."
+
+Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier:
+"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met
+8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier,
+de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome
+mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der
+vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen
+over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en
+gingen uit elkander om zich reede te maken.
+
+Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in
+schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.
+
+De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve
+Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij
+ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en
+stond met gestrekte handen.
+
+Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel
+toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.
+
+De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al
+schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"
+
+Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.
+
+De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met
+zijne scharen: God wil ze beschermen!"
+
+Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den
+Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien--zoo
+vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle
+strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij
+liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam
+reden zij naar Keulen.
+
+Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij
+dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij
+in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands
+van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het
+Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.
+
+Als de Heidenen--de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij
+mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de
+twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en
+vele Ridders van den paerde gestooten.
+
+Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de
+Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van
+wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir
+grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door
+Roelant.
+
+Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen
+werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn
+paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo
+krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant
+verstelde noch verschoot er niet af.
+
+De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot
+niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende
+wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe,
+dat hij hem kloofde tot den paerde.
+
+Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen
+Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo
+strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er
+60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden
+bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een
+geharnasten Heiden in tweeën.
+
+Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met
+sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig
+Sarazijn met der dood bekocht.
+
+Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den
+zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden,
+daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.
+
+En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen
+Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden
+daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den
+Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs
+kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren
+vriendelijk wellekom.
+
+De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning
+Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den
+oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant
+heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u,
+Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille,
+hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."
+
+
+
+
+HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie
+ zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone
+ daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe
+ Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende,
+ en het de kroone won.
+
+
+De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve
+Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros
+meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik
+zulk een Ros, ik zoû 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout
+dwingen."
+
+En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle
+landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen
+uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen
+Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of
+behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle
+paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt
+gij er Reinout meê dwingen."
+
+Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze
+liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij
+zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat
+hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een
+staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede,
+de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar
+best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant,
+dat hij u daarmede dwinge."--"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht
+brengst du mij! waar zoû hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zoû
+onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar
+ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik
+zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!"
+
+Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem:
+"Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel
+heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op
+eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne,
+het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den
+gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat
+'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij
+daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te
+krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al
+zijn opzet van geener waerde."
+
+"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt;
+maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt."
+
+Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij
+dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs
+bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn
+paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen.
+
+Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen.
+En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en
+namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die
+hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat
+Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was,
+ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en
+elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap.
+
+Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen
+daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen
+boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam
+Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt
+hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al
+zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur--want
+hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een
+jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde
+gehad.
+
+Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders,
+zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs
+ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert
+veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf
+zoo wit als sneeuw.
+
+Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is
+Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het
+Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe!
+onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen."
+Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die
+zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."--"Nu laat ons
+de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch
+Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen."
+
+Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen;
+hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant
+van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten.
+
+Ondertusschen--het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders
+gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij
+liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den
+Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik
+zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te
+winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen."
+
+"Wat zegt gij, bode?" andwoordde dé Koning; "ik weet, dat Reinout hier
+niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarmeê winnen!" --"Edel Heer
+Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans
+Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs."
+
+Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide:
+"Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult
+trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga;
+en is 't dat gij hem vindt--zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als
+zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u
+met goud opwegen."
+
+Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit,
+en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout
+wierd gevangen[1]: want de wegen zijn nauw bezet!
+
+Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van
+Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en
+Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman
+wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar
+Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde--zoo
+zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw
+volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!"
+
+Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs.
+Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo
+zoetelijk in Brittaansch of gij geen Françoisch en kondet."
+
+Op dat oogenblik zag Fouke--Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij
+sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat
+doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand!
+laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien
+wij ongedeerd gaan kunnen."
+
+--"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw
+woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant
+kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten
+mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op
+Reinout toe en hadde een lancie in de hand.
+
+Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij
+ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde
+vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?--God
+helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar
+gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik
+zoude zeggen dat hij 't was."
+
+Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke:
+"Spreekt Françoisch!--de Booze moog dy verstaan! --Vaar heen en heb
+ramp!"
+
+Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet
+verslagen?"--"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van
+vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem
+verstaan: want hij is gekomen uit Brittaniën." Toen stak Naymes zijn
+zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat
+'t paerd maar loopen mocht.
+
+Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en
+zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete
+woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide:
+"Spreekt Françoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale
+van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels
+naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt
+mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs
+andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind,
+maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij,
+van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn
+geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en
+maaksel."--"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want
+'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling,
+mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot
+zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil
+koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout
+daarmeê te dwingen--'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker
+hopende de kostelijke kroon te winnen."
+
+--"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde:
+"Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's
+Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed
+na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat
+wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te
+Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen
+heel Senlis, Blois en Amiëns." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit
+de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven."
+
+Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t'
+vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'--"Neen wij, Heer Koning!"
+antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een
+onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben
+zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen
+Amiëns en Orleans."--"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt
+wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des,
+en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost--ware 't dat
+mij Reinout ontkwame!"
+
+--"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe
+blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en
+Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of
+men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen
+zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!"
+
+Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort
+30 gewapende mannen.
+
+En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten
+aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn
+hoofd door het klinket[2], en zag daarbinnen een gewapend man staan;
+dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom
+doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat
+alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij
+al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten."
+
+Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!"
+Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik
+heb gehoord dat hij vóór of achter is, en het sterk op 's Konings oneere
+heeft toegelegd."
+
+Bij Reinout stond een rabout[3], en zeide: "Zag ik ooit Reinout--zoo zie
+ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit:
+Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond
+dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor
+zijn borst, dat hij dood viel.--"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs,
+"'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide:
+"Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is
+witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een
+gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien
+jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden.
+
+Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en
+als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden
+werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden.
+
+Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong
+Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij
+Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo
+dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te
+wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en
+Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad
+in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien
+van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten
+had.--Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn
+Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die
+geen goed paerd en had, was verdrietig.
+
+Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en
+Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat
+zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet,
+deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone
+winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en
+geen geld daaraan sparen."
+
+Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God
+mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de
+kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al
+lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u
+kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad
+en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde
+stappen maken."
+
+Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te
+winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en
+brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter
+sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste,
+en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren.
+
+Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met
+zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere
+zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van
+Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te
+winnen, een groot eind voor.
+
+"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone
+winnen?--dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat
+gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers
+doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen
+moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning,
+werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat
+zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij
+dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft
+een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zoû zeggen dat
+'et Beyaert ware."
+
+Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout
+verre vóor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de
+staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de
+kroone wech.
+
+Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever,
+verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal
+ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is,
+wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout
+andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros
+zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld
+niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en
+geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit
+Reinout--zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn
+bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne
+kroone weder!" Reinout zeî: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is
+mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze
+een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat
+Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van
+paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zoû!... Dat
+mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!"
+
+Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast
+aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?"
+--"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!"
+
+--"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zoû ons niet
+baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner
+tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning!
+gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn
+paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat
+hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij
+reden te zamen in Montalbaen.
+
+
+[1] '_'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen_: Reinout
+werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen.
+
+[2] _klinket_, ook _winket_ genaamd: hier een luikjen in een poortdeur.
+
+[3] _rabout_: slechte knaap.
+
+
+
+
+HET ACHTTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Koning Carel--Koning Ywein ontbood, toen hij Hof
+ hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne
+ broeders leveren zoude in Koning Carels geweld.
+
+
+Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de
+prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want
+Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij
+een andere kroone moest doen maken.
+
+Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem
+waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning
+Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten
+Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als
+de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en
+ging met hem in een duistere welf.
+
+Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en
+zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog
+wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was
+niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het
+goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van
+Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud
+beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat
+het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op
+een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning
+Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"--"Maar laat niemant van ons opzet
+vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam
+hij 'et, hij zoû mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel;
+want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."--"Vreest niet," zeide
+Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet
+ontgaan om geen goed."
+
+Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale
+gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En
+Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere
+Heeren, en reed met haaste na zijn land.
+
+En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof
+aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning,
+"ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar
+Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer[1],
+gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder
+harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen,
+ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud."
+Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings
+woorden, want zij hadden het goud lief.
+
+Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel[2] van den heire."
+Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te
+volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na
+Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten.
+
+Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongiën
+gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te
+vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter
+jachte te Bordeas in 'et woud.
+
+God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden
+mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch
+kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen
+op zijnen schilde.
+
+"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus
+bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat
+ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder:
+want wij hebben te lange gejaagd."
+
+Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van
+Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout
+uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse,
+mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede
+achtergelaten!"
+
+En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide:
+"Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te
+zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij
+zijn!"
+
+Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout
+dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein
+zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." --"Waarom hebt gij mij
+niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen,
+met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn."
+
+--"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen
+betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw
+boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt."
+Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van
+vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn
+leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom
+bieden? zal ik voor den Koning op de kniën vallen?" Ywein zeide: "Gij
+zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken,
+wollen en barvoets."
+
+Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des
+ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn
+hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag."
+
+--"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300
+mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze
+mij en mijn broeders te hulp kwamen!"--"Dat en mag niet zijn,"
+andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alléén derwaards trekken;
+gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt,
+dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van
+Arragon, zonder wapens in uwe kleederen."
+
+Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zoû ik zoo in Vaucoloen
+varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein
+zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!"
+
+--"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide
+Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve
+vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt
+is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van
+onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn
+peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!"
+
+--"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en
+komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht
+mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een
+verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft
+in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in
+Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."--"Zoû
+ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te
+Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen."
+
+--"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u
+zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel
+gewapend: zoo mag u geen kwaad geschiên: want, acht! ik ben zoo zeer
+bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil,
+zoo gaat--gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo
+smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de
+vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn."
+
+Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen
+Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met
+uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf
+behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw
+peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen
+moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats
+vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als
+de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht
+bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan
+derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden
+heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!"
+sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik
+hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons
+geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij
+kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware,
+vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den
+voetval doen."
+
+Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen
+halen, en de mantels daar ze in rijden zouden.
+
+De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe;
+zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier
+zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zoû niet
+gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van
+doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en
+verborg ze onder zijne kleederen.
+
+Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de
+Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam!
+
+Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et
+herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in
+dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."--, "Gij zegt
+waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en
+wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"--"Hoe is
+'t u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?"
+Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat
+ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!"
+
+Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft
+Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof
+wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen
+zeiden de broeders: "Reinout laat ons vliên, want Koning Ywein heeft ons
+verraden."--"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad
+niet zoude plegen!" zeide Reinout.
+
+Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien,
+en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de
+Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke
+was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den
+hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als
+hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw
+goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en
+binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen."
+
+Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord
+zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u,
+wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden,
+opdat ik den Koning te voet valle!"--"Ik zegge u, Reinout," antwoordde
+Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om
+20000 kroonen."
+
+Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den
+Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij
+God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever
+dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd
+hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout
+doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den
+muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie
+vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag,
+riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en
+hebbe geen nood."
+
+Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en
+gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn
+vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten
+goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij,
+broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte
+lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u
+schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt
+ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en
+anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn
+paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout
+aan.
+
+Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout
+met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de
+speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo
+vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst.
+"God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen
+voeren den Koning."
+
+Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig
+mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde,
+hebben zijn broeders elk een François van den paerde geveld en de rossen
+bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden
+wij--want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft
+ons verraden."
+
+--"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand;
+wijk ik heden eenen man--God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden
+stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en
+vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn
+broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags.
+
+Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder
+harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan
+de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal
+u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts
+broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de
+harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven
+zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze
+wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie
+broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om
+Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen.
+
+Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met
+veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout
+te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert
+gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond
+zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de
+waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert
+andwoordde niets.
+
+Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat
+Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging.
+
+Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen
+broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen --van
+Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en
+ontzetten hem!"
+
+--"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen:
+Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er
+af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle."
+
+--"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij
+lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem
+den Koning, die hem hangen zoû, ware 't dat hij hem kon meester worden?
+Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat
+zoû men zeggen?--'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning
+Carel strijden wilden: schande over hen--want de Koning heeft éen
+broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!"
+
+Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd,
+dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht
+Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte[3]: zoo veel was
+Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert
+gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den
+stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen
+slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet
+ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u
+zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O
+genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai,
+Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn
+broeders: mij ziedy nu nimmer weêr."
+
+Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam--niet als een
+mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze
+truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout
+zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn
+is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle
+dood."
+
+Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij
+nabij kwam in tweeën: doodde nog twee andere: de overigen boden geen
+weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en
+zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde
+blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!"
+
+Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter
+slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u
+voor God: gevalt het u weêr--ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide:
+"Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef
+onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen:
+dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn
+weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem
+onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den
+zadel.
+
+"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen,
+den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u
+binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen."
+
+Maar Reinout was reeds weêr bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke
+kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt
+mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep
+Reinout.
+
+En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en
+zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat
+heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om
+niet: hij heeft 'et met de dood bekocht."
+
+Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed
+op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij
+van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee
+rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak
+hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk
+om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en
+vochten als deze broeders deden.
+
+Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren
+konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en
+hij viel in onmacht.
+
+Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder
+Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide
+Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave
+Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde.
+
+Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den
+dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder!
+
+Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert:
+maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur
+niet wederstaan en konden.
+
+Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep
+met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders
+volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de
+rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen.
+
+Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel
+steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe,
+en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo
+snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij
+bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk.
+
+Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig.
+
+Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns
+Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij--lieden moogt u wel klagen
+vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne
+helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u
+niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag."
+
+Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier:
+"O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"---"Calon, gij liegt
+daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader
+wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds
+geboet."
+
+De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet--gij zoudt
+verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet
+langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet,
+ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer
+betichtet met verradenis."
+
+De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige
+stede getrouwelijk gediend--maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg
+u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze
+den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo
+wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog
+langer strijden."
+
+--"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards
+doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis
+pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse
+trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem
+verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave
+heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?"
+
+--"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders
+begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een
+vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier--want, zoo helpe mij God!
+ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen
+zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar
+mij leed."
+
+Ogier zag Reinout met zijn broeders op de kniën liggen, en zeide:
+"Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide:
+"Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide:
+"Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't
+ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons
+nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem
+dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den
+verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu
+zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien
+mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft
+hij aan mij!"
+
+Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt
+deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u
+geleiden!"
+
+Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als
+hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen."
+Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik
+niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben
+hier hooger zake: dunkt het u goed --ik zal vertrekken, en gij zult met
+uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven
+willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg,
+wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik
+zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag."
+
+Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en
+Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken.
+
+Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was
+belegerd--had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer
+lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten
+bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij
+onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en
+vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had.
+
+Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de
+burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot
+den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want
+Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel
+een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger."
+
+De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout
+zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond
+ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een
+berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij
+blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd
+met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de
+dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar
+hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt
+gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet
+verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk
+slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw
+wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht
+Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging
+Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in
+den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert--Madelgijs zag, sloeg hij
+naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert
+te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel,
+dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede,
+greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste
+voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij
+'t niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs,
+op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat
+du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo
+veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven
+verliezen, is 't dat du niet en helpst."
+
+Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs.
+
+Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem
+met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend
+was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke
+speer in de hand, en reed na Vaucoloen.
+
+Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel
+voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs
+konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen
+dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen;
+en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit.
+
+Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls
+aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en
+mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij
+konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden
+alle de dood voor oogen.
+
+Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs
+komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep
+hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft
+groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs
+alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons
+thands wel uit de nood helpen!"
+
+Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout
+hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide:
+"Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar,
+mocht ik Beyaert zien--ik ware gezond."--"Ik zie hem komen, broeder!"
+andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem
+herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht
+slaan."--"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier
+hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste."
+
+Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en
+Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen,
+en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal,
+daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder!
+ik voel mij genezen."
+
+Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem
+wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen
+zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader,
+dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn
+op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet
+helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!"
+
+--"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied,
+ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat
+hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat
+hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn
+zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en
+liep ter rotsewaart.
+
+Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik
+heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan
+hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en
+weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied."
+Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave
+Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij
+dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen
+en voeren ze tot Koning Carel."
+
+[Illustratie: Helpt mij, dat ik sta!]
+
+Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse
+gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn
+dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet
+wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede:
+maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den
+zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout.
+
+Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een
+goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen
+zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend,
+"gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf
+'et de sporen en reed te rotsewaart.
+
+En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees
+wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert
+zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij
+en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen
+op den vijand in.
+
+Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs
+mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen
+komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk
+achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout
+had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk,
+en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider
+stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen
+ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook
+Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen.
+
+Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met
+felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den
+paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen François 'et hoofd van den
+lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de
+Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Françoisen ofte
+Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk
+behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs
+verlost.
+
+Als Ogier zag, dat de Françoisen verwonnen waren en uit den velde
+vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk,
+en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen
+lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water
+ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen
+al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete
+woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de
+genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener
+gifte: laat hem zulke zoudeniers méér zenden; wij zullen hunne zoldij
+wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer
+eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt
+gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en
+Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen.
+
+"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder
+'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder
+erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu
+eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet
+haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout
+brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij
+aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen
+hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs
+gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen.
+
+Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs
+'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld;
+hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na
+dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een
+klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne
+misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij
+Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks
+vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote
+strengheid.
+
+Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen.
+Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer
+komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer!
+zijt wellekom."--"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber;
+"maar zegt mij--waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn
+broeders verraderlijk woû doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend:
+"Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik
+gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij
+bedreven heeft."
+
+Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij
+wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan,
+dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000
+kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn
+oogen; dat ik u niet meer en zie!"
+
+--"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy
+in mij zoo strengelijk te straffen!"--"Voorwaar, broeder!" zeide
+Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet
+voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons
+meê weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp.
+Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen,
+broeder--welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en
+ziet."
+
+Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de
+verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en
+Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van
+Yweins verraad niet meer gesproken werd.
+
+
+[1] _zweer_:(hier) schoonvader.
+
+[2] _Constapel_: opperbevelhebber.
+
+[3] _een mijte_: worm, niets.
+
+
+
+
+HET NEGENTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe
+ de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis
+ opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter,
+ dien hij in 't perk versloeg.
+
+
+Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met
+haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De
+Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop
+vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt
+gij mij Reinout gevangen?"--"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier;
+"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout
+met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft
+verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager;
+hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen
+mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et
+mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht
+Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."
+
+Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb,
+zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."
+
+--"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen,
+zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant
+herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide
+Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude
+den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve
+Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat
+Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een
+verrader is."
+
+Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den
+handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden.
+
+"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige
+zweeren."
+
+--"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger
+ben;" en hij leîde zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij
+Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis
+gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel
+waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere
+geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes:
+"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan."
+
+En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet
+aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel
+vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij
+zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik
+zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en
+dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren.
+Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met
+zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er
+dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met
+hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vliên, door
+'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet
+medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!"
+
+Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier
+opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid.
+
+"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de weêrpartij, "dan
+moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel,
+den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u
+slecht vergaan: ik neem u 'et leven."--"'k En vrees u niet, Wouter!"
+antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den
+slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies[1] vrees ik u.
+Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en
+deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen,
+en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden
+slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf
+Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de
+schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier--Koning Carels
+kampvechter, die hem de verradenis zoû doen bekennen, te Vaucoloen door
+hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en
+wierp 'et uit den krijte.
+
+"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held.
+"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot
+den Koning gaan!
+
+En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel
+sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de
+fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man.
+God en Sint-Jan helpe mij--Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten
+eersten slage sloeg hij hem dood!"
+
+"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis
+bewijzen? Bij den Heere van Nazareth--ik en dede er nimmer! Maar uit
+Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had
+ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen
+ik, Heere--ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed."
+
+Toen zwoer Roelant hij zoû Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem
+vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik
+verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van
+Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800
+Ridders zal ik u volgen--waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de
+koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en
+neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij
+Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!"
+Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van
+groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van
+Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in
+Gascongiën, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en
+maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen.
+
+Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongiën. En als zij in het
+land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein
+zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en
+is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven
+lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer,
+en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de
+Historie.
+
+En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk.
+Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag,
+deed hij zijnen zwageling[2] Reinoude, door een goeden bode, vragen,
+'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die
+Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen,
+dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om
+ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant.
+Gevangene van Reinout wilde hij zijn--ja, want hij hadde zelfs, door
+zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend.
+
+De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de
+zake, die hem opgedragen was--maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat
+het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!"
+
+Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind
+heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het
+kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere,
+waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te
+boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is
+terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als
+men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze
+woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der
+mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne
+vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al
+spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad,
+omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt
+op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met
+zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem
+levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven."
+
+De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem
+oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen.
+
+Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich
+zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun
+Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud
+gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar
+mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden
+mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij
+goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te
+Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed
+bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in
+vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et
+u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk
+nader."
+
+Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen
+de Françoisen te goed: zij zijn boos en fel: alléén zult gij er niet
+heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden."
+
+--"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en
+aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met
+gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster.
+
+Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het
+klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft
+overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem
+zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar
+hij hem op staande voet zoû hangen.
+
+Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve
+neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn
+kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons
+nimmermeer verrade."
+
+--"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk
+God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!"
+
+--"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader.
+Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik
+zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren--waar men
+hem nimmer uit weêrziet!"--"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om
+niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein
+hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"--"Gij en zult niet,
+Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik
+daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus
+liet ombrengen."
+
+--"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem
+aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"--"Bij Sint-Jan,"
+sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal
+ophangen! 't Kwame hem te schande."
+
+--"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van
+'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein
+hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf
+Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord
+aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em
+Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er meê wech. Ook de Grave
+Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot
+leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen
+had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde:
+"Ik ben het niet."
+
+--"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout
+"Ongelijk zoû deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met
+Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zoû ik er 'et leven
+afbrengen! Maar, Sint-Amant[3] helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik
+keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter."
+
+--"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij--ge zult hier
+ter stede mij vinden."--"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e
+hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat
+hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen)
+om daar een kamp jegens hem te vechten.
+
+Roelant keert zóo met eere tot de Genoten.
+
+
+[1] _bloemknop--bies_, zoo veel als niets.
+
+[2] _zwageling_: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon.
+
+[3] _Sint-Amant_: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop van
+Maastricht (VIIe Eeuw)
+
+
+
+
+HET TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout
+ kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen:
+ maar de Genoten belett'en 'et.
+
+
+Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em
+dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"--"Zwijg, God
+schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij
+bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar
+Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw
+over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."--"Zwijg,
+verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner;
+"Roelant is gram."
+
+--"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom
+zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't
+Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zoû hij naar u vragen: wat
+mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?"
+
+--"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik
+Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd
+heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den
+held tot rekening gedaagd."
+
+--"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen
+gezworen--zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen.
+Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen
+kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord:
+wordt Reinout van u verslagen --gij zult 'et geen drie dagen overleven.
+Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven."
+
+Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van
+Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen:
+zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd
+betoonen kan!"
+
+--"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn
+doen geen bloemknop geve."
+
+En Ritsaert van Normandië, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van
+Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood--ware 't dat hij Reinout van
+Montalbaen versloeg.
+
+"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik
+hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik
+tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik
+liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van
+den eed ontslagen ben."
+
+--"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge
+moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van
+Montalbaen--zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et
+krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met
+hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo
+zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet
+wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in
+Vrankrijk voeren."
+
+Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier
+geslagen--zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den
+kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt."
+
+Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar
+Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem
+zijner Vrouwe.
+
+Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen:
+"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en
+leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van
+Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit:
+"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in
+Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen
+verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land
+verwierven."
+
+Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren
+zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op
+staande voet, alleen naar Beurepaer."
+
+--"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy
+doen te Beurepaer?"
+
+--"Adelaert!" zeî Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een
+kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!"
+
+--"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal
+ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan
+worden--wijl hij der besten éen is, die ooit de zonne bestraalde. Bij
+den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem--gij zijt dood, en
+wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde:
+"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter
+waereld--al dacht ik er dood te blijven."
+
+Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends
+Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs;
+"God behoude en bewaar u--maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal
+hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het
+perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood--men zoû er groote schande van
+spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!"
+
+Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en
+de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout meê te varen.
+
+Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil
+niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar
+alleen."
+
+Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij
+Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan.
+Hij ontwapende zich en leî zijn harnas op zijn schild.
+
+Toen viel Reinout op zijne kniën voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en
+zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik
+bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in
+mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn
+Ros Beyaert uit erkentenisse."
+
+--"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik
+u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen,
+omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt
+gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe
+uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet."
+
+Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en
+ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de
+spere in de hand.
+
+Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van
+Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met
+mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en
+staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel
+met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout:
+"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet
+van al mijn leven."
+
+De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die
+hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en
+ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande,
+die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van
+een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd
+Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het
+is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De
+Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun
+dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen
+koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag."
+
+--"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en
+nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te
+gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit
+ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik
+vliên: God geve u hoon!"
+
+De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij
+spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote schaê gedaan, toen
+gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant
+zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk![1] opdat ik de schande op u niet
+verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen,"
+zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was,
+dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen,
+dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig François 'et lijf zoû behouden
+hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en
+Reinout reed naar Montalbaen.
+
+
+[1] _schalk_: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend wat laag,
+vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is.
+
+
+
+
+
+HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning
+ Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs
+ uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden
+ ontvoerde.
+
+
+Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et
+wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen
+dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het
+Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar
+de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs
+nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij,
+"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning
+Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en
+toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar
+Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar
+Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er
+hand vloog.
+
+Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij
+droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige
+handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter
+nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar
+Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer
+ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!"
+
+Zoo voerde Olivier--Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot
+hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de
+Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier,
+mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels
+ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs
+gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer
+Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde
+de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij,
+"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon
+Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid
+onttogen!"--"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal
+geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"--"Gij zegt waar," sprak de
+Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!"
+
+De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat
+men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte
+Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de
+Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning,"
+hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."--"Wie zoû
+zich voor u borge willen stellen," zeî de Koning, "wie mijner Edelen
+voor u!"
+
+Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt
+gij mij borge wezen tot morgen!"--"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et
+willig."--"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en
+mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog!
+wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde
+mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit
+niet tot oneer gedije." --"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet;
+met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage."
+
+Dan loeg de Koning en sprak: "Laat hem, bij zulke borgen!"
+
+Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De
+Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten,
+hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den
+haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs:
+"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene
+spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem
+hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs,
+ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat
+dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij
+aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden:
+"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"--"Geen blijder man dan ik!" zei
+Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval
+zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zoû; men sloot hem
+in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier
+kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer
+de nacht verloopen is."
+
+Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de
+Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar
+Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur
+en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren.
+
+Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem
+af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de
+deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en
+nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en
+nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en--vlood naar Montalbaen.
+
+Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van
+al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep,
+overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan
+eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en
+kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help,
+moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een
+schandigen dood!"
+
+Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot
+Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord
+had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is
+dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave
+Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg
+in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns
+ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat
+niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den
+weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat
+hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt
+mij wie du bist, of zoo helpe mij God!--ik slaag die met den zwaerde dat
+du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert
+reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout,
+hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep
+Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde
+u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan
+spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den
+Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad
+den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij
+toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men
+legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten
+de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in
+des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage
+onder den mantel."
+
+--"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!"
+andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."--"Oom!" zei Reinout, "dat
+is niet wèl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!"
+
+--"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem
+voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!"
+
+Dan dede Reinout--Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot
+Montalbaen.
+
+Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich
+haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn
+Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en
+dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem
+ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de
+Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit
+den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet
+meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun
+zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar,"
+spraken zij, "God geef hem schande!"
+
+De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zoû laten zoo
+lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven
+mocht.'
+
+
+
+
+HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Koning Carel-Montalbaen beleîde, en hoe Reinout in
+ eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide.
+ En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen,
+ Koning Carel haren broeder te voet valt.
+
+
+Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir,
+en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleîden. Roelant zond een bode
+tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd,
+wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij
+Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem
+tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet
+groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als
+Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve,
+dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem
+verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot
+zoen willen helpen bij Carel den Koning."
+
+Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij
+trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen
+hem liet verzoenen.
+
+Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord:
+"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij
+belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat
+zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen
+neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt:
+want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en
+betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer
+wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te
+geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen,
+kunnen strijden."--"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de
+Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe
+met hen wat mijne eere van mij eischt."
+
+--"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap
+Haymijns kinderen en hope te slagen!"
+
+--"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode
+zijt."
+
+--"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," zeî
+Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet
+men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale.
+Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen.
+Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege
+den Koning."--"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij
+eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen
+gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig
+voorbehoud."
+
+--"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en
+goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig
+nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve
+mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen
+ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag
+hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee
+en verre op de heidenen." --"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap
+wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed."
+
+Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en
+deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten.
+Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel
+bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings
+heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag,
+wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000
+mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten
+Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere;
+als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw
+leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning
+komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd
+Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met
+gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven,
+hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de
+Françoisen verdoen wij heden!"--"Schande moog u treffen!" riep de
+Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros
+onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs weêr
+op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo
+dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde.
+
+Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat
+Haymijns kinderen hem ontreden waren.
+
+De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde.
+
+De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zoû een
+parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken,
+en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten
+laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode
+tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden
+zoû, om van den peis te handelen.'
+
+Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog
+ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet:
+"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice,
+mogen u hoeden."--"Reinout," zeî de Koning, "laat staan de groete; hoe
+veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"--"Ik wil 'et boeten, Heer
+Koning!" gaf Reinout ten andwoord.
+
+De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan
+zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot
+zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij
+waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier
+nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten
+parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd
+afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op
+Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op
+'s Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten
+parlemente te komen."--"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn,
+"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem
+raden Reinout met valschheid te vangen.--Heer Koning," sprak hij verder,
+"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders
+tegen u verzoend worden."
+
+Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de
+moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde,
+te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en
+toog naar Montalbaen.
+
+Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam
+uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen
+malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den
+Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant,
+Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te
+paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht
+viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's
+Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert
+weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen
+van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk
+om zich heen, dat hij weêr te paerde kwam. Toen reed Salomon van
+Bretagniën tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander
+zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit
+zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op
+Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde
+Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit
+hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?'
+
+De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag
+Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den
+paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij
+Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan."
+Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op
+zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben,
+maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen
+sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts
+volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten
+onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij
+vliên! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en
+Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in
+'et kasteel gedreven.
+
+En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden
+nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u
+berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve
+medegaan!"--"Hoe? gij truwant[1], zoude ik dan met u gaan?--Beliegt gij
+mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te
+Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel
+Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt
+daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden
+voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."--"Wildy nu
+van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik
+gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult."
+Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal
+goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te
+Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge
+zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te
+waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij
+'et lichtelijk doen kon'.
+
+Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de
+banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's
+Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen
+aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit
+half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte
+dat wij reeds op de vaart derwaards waren."--"Gaan wij dan," zei
+Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den
+Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne
+magen; en leîde den Koning in een schoon bedde.
+
+En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik
+geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is
+dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik
+meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij
+geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar
+te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene
+hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer,
+daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor
+zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit
+heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem
+hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne
+kniën, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit
+hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen
+sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout
+beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij
+den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven."
+
+Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy
+wel."--"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet
+ik des hier sterven, kwade dief--gij zult er vermaledijd om zijn; want
+met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide:
+"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt."
+
+Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik
+u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen.
+
+Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan--ik zal mij beraden met
+Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet,"
+zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning
+van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in
+zijn tente kwam.
+
+Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem
+minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning
+zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert
+wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder
+tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit."
+
+Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout,
+en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings
+gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes
+komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom."
+Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen,
+dat gij tot hem komet--gevangen."
+
+Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken --wij
+zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel."
+
+Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide
+hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven
+schenken'--zij komen gevangen af."--"Hoe!" zeide Carel; "éischen zij iet
+van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want
+zij en hebben geen victualie."
+
+De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te
+bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig.
+Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert
+dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood
+van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert
+niet!"
+
+--"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door
+honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren
+raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met
+ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert
+aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede."
+
+Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de
+Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun
+paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn
+zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen
+laten vergaan van honger?"
+
+Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en
+bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden[2]
+geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad
+gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't
+voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe.
+
+De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap[3] voor Montalbaen.
+
+En die op de muren stond--zag, dat de Genoten hun engienen[4] sterkelijk
+stélden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te
+bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier,
+Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij
+ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon
+Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor
+langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij
+tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven.
+
+Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten
+geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen
+veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om
+geen goed gegeven hebben.
+
+Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen
+ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen:
+daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons
+wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier
+alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het
+beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered."
+
+Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden
+woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe
+Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden
+heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen
+mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en
+zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij
+te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de
+Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden
+Haymijnskinderen te gemoet.
+
+Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat
+hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef
+steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door
+zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken
+was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende:
+"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met
+sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij
+zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed.
+
+Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel
+van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et
+dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter
+poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout
+was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn
+broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te
+eten was.
+
+Hierentusschen is Koning Carel--Reinout met zijn volk onvermoeid
+gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk
+belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en
+zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn
+vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo
+dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan--kan ik dit Ros machtig
+worden--ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner
+kroone.
+
+[Illustratie: Ten leste zonk het Ros]
+
+De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij
+spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen
+hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil
+t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende
+minlijk liet gaan!"
+
+Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des
+Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden
+met hem te hebben, en reed weder naar het heir.
+
+Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare kniën en
+bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij
+Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook
+alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet
+verzoenen.
+
+En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot
+genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die
+hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft--en mij toelaten daarmeê
+naar welgevallen te handelen--zoo mag hij tegen mij verzoenen--en anders
+niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij
+trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven
+wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst;
+zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen
+mogen."
+
+Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met
+groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des
+Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had,
+zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De
+broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan--maar welhaast barstte
+Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige
+dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede,
+droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere
+broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig:
+"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik
+Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is
+onze Koning--en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag--wij
+mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et
+Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken
+hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den
+Koninge Beyaert geven zoude.
+
+Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft
+hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat
+hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen meê handelen
+zoude--maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem
+misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'--"Mij dunkt," zeide de
+Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang
+gewacht."
+
+
+[1] _truwant_: lage knaap, bedelaar.
+
+[2] _blijden_: steenwerptuigen.
+
+[3] _reedschap_: instrumenten.
+
+[4] _engienen_: machines, krijgstuigen.
+
+
+
+
+HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.
+
+
+ Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en
+ hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe
+ Reinout een heremijt werd.
+
+
+Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met
+zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot
+de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed
+hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele
+verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft
+Reinout--Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer
+Koning, doet er mede naar uw welgevallen."
+
+En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee
+molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse,
+en werpen in de rivier.
+
+Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar
+terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout;
+toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden
+braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij
+naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert
+wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning
+dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals
+twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en
+liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn
+muil.
+
+De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel
+zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen
+vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout--geeft gij
+den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om
+een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo
+helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy
+gehad; met slechten loon wordt gij beloond!"
+
+Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende:
+"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd
+hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het
+gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout
+wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen
+verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet
+omzien zoude na Beyaert.
+
+Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote
+molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere;
+toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder
+boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een
+mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid
+hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't
+gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen.
+
+Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als
+sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te
+Montalbaen.
+
+Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en
+waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog
+bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit
+hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze
+van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en
+was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide:
+"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en
+volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, beleîde ons in Ardennen, en
+vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen
+zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene
+zóo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede;
+aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert
+verdrinken."
+
+De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert
+zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en
+mochten hem en zijner machte niet wederstaan."
+
+Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten
+zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als
+hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken
+tot den voeten. Geen Ros, zoû hij na Beyaerts doode meer beschrijden;
+geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden!
+
+Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen,
+door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar
+hem niemant en kende.
+
+Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar
+nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide:
+"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en
+wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste
+man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig
+jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk
+doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar éenen wensch: dat ik mijn
+zonde konde biechten en boeten--want mijne misdrijven benauwen mij
+onlijdelijk."
+
+De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk
+gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de
+zonden laten en niet meer doen--zoo valt dan op uw kniën en bidt God
+oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig
+einde moogt brengen."
+
+Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den
+Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo
+zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite
+tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik
+blijve dood van koude en van honger, want mijne kleêren zijn aan
+stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken."
+
+Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide:
+"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien."
+Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van
+koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God.
+Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide,
+dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na
+den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit
+hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende:
+"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken
+zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't
+Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen
+verloren hebben."--"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want
+wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode
+voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem.
+
+Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met
+weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten
+derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte
+dat hij daar wél op rusten zoû; want de nacht overviel hem. En als 't
+begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat
+hij kwam in Sinte Jores' Braes[1]; daar vond hij schepen en voer in het
+land van den Islamme[2]. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat
+hij kwam in de haven van Tripoly.
+
+
+[1] _Sinte Joris' Braes_: Bras de St George, de Dardanellen.
+
+[2] _Islamme_: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet Stamme, het
+duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda.
+
+
+
+
+HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en
+ hoe Madelgijs bij hem kwam, én hoe Madelgijs dood bleef
+ in het beleg van Jerusalem.
+
+
+Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een
+nieuwmare kwam, dat Tabarië belegerd en Akers in grote zorge was, en dat
+er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee
+waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de
+steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen
+op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim
+had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken
+geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te
+ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te
+voorkomen.
+
+En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen,
+werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knieën
+en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij
+anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de
+Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit
+zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en
+twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom,
+dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde.
+Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van
+Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch
+schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen.
+Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout
+nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild.
+Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig
+Sarazijn mede doodsloeg.
+
+Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder,
+liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht
+zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de
+Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich,
+en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den
+heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de
+Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden.
+
+En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam
+van zijn oom Madelgijs.
+
+Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete
+over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen--de Christenen
+bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen.
+Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem
+kwam eene stemme van Godes wege, die hem opleîde, "dat hij zoude gaan en
+helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar
+komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner
+konste en van zijner Godsvrucht.
+
+Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem
+getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden
+doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij
+den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren
+de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen
+de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd
+heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele
+land.
+
+Uit het land van Syrië, van Tripoly en Antiochië vloeiden de scharen
+bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij
+elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van
+Syrië gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de
+belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten
+leggen, om elken verderen uitval te beletten.
+
+Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten
+manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei
+krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk
+werden gesteld.
+
+De Soudaan van Babylonië daarbinnen deed echter met mangneelen en
+blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen
+in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen.
+Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig
+Christen sneefde daar, die te dier tijd vóór de stad de Turken kwam
+bevechten.
+
+In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en
+vochten al d' andere vóór. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en
+Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel[1]
+zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij
+heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van
+zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den
+Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In
+zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere;
+"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!"
+
+En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God
+t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme
+in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem
+al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs.
+
+Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen
+vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf,
+stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom
+Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de
+stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls
+in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen
+raad: wilt gij de stad winnen --laat ons dan wegen en poorten naauw
+bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van
+spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad--en anders niet." Deze
+raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke
+poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas.
+
+Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren,
+werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te
+helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan
+victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan
+gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den
+strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met
+hulpe van Mahomet en Apolijn."[2] De Soudaan gaf toe, en de Turken reden
+uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag:
+zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere
+afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter
+weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen
+er vele; vele gaven er zich gevangen.
+
+Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun
+heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef
+alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die
+binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende
+zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar
+Reinout vóór lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan
+en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden
+was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en
+hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn
+staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit
+ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!"
+
+Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan
+hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met
+mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet
+vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met
+den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep
+de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten,"
+'t welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij
+mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep
+Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan,
+dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze
+in zekerheid.
+
+Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem.
+
+En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn
+lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen
+gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan
+hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des
+Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'--"Wat mij
+betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout.
+Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden
+den Soudaan gevangen.
+
+Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van
+wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en
+Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van
+Jerusalem, en viel voor hem op zijn kniën, en bad hem, dat hij hem zijn
+zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf
+hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot
+mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden
+van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren.
+Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de
+Edelsten van den lande.
+
+Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor
+wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsiliën. En als
+zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande
+zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen,
+die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout
+aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en
+ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't
+schip.
+
+Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor
+Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde
+hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen
+hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen
+Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis
+voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic
+van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij
+wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning
+lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit
+goeden raad.
+
+Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en
+zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt
+bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam,
+waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging
+en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk
+gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en
+zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is
+gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten
+Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom
+gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze
+verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad.
+Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade
+gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom
+willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den
+Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten
+heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij
+van zijn vader zoû gehad hebben--daarom willen wij den Koning zeggen,
+dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij
+mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en
+Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij
+over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant méér
+gehoord?'--'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf
+lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittanniën,
+Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn[3].' Toen Koning Carel dit
+hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zoû doen vangen.
+Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken.
+Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem
+'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem
+verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit
+der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn
+leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den
+Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide:
+'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook
+alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen
+wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en
+met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving.
+Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'--'Ik stem daarin,'
+zeide Guweloen."
+
+Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij
+was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend.
+
+
+[1] _quareel_: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten.
+
+[2] Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als Sarazijnsche
+afgoden voor.
+
+[3] Dr. Mannes leest _Herclijn_; de vl. uitg. heeft _Hebron._
+
+
+
+
+HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en
+ Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot
+ zwaren arbeid vernederde.
+
+
+Reinout ging tot Koning Carel, en stond vóór hem als een arme pelgrim.
+
+"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van
+over Zee en van de stad Jerusalem?"--"Heer Koning!" andwoordde Reinout,
+"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem
+veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen
+van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg
+"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout
+geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der
+vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch
+Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of
+hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning!
+hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man."
+
+Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en
+ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten:
+maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren
+droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen
+aantrekken, en bewees hem groote gunste.
+
+En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en
+vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder
+waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich
+voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout
+dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader,
+moeder, en zijne broeders niet weêrvond.
+
+Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp,
+dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet:
+God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet
+verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat
+zij kampen zouden.
+
+Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een
+goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad
+van Parijs.
+
+Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner
+spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde
+held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden
+vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden.
+Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar
+kwetste Galeran niet.
+
+Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde.
+"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij
+zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een
+ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de
+handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij
+zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd,
+waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den
+strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert
+stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde
+Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij
+het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere
+zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen
+sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en
+sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en
+het loon kreeg voor zijne valschheid.
+
+En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen
+slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer
+voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran
+aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit
+zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer
+in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil,
+dat men dit wel versta!
+
+Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen,
+en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan
+met den Koning.
+
+Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken
+af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en
+schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van
+daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech
+in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.
+
+Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den
+ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der
+wegen droeg hij hout aan, en mortel[1] en steen, en was de minste onder
+de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om
+geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der
+fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den
+gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.
+
+
+[1] _mortel_: ciment.
+
+
+
+
+HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en
+ diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen,
+ en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden
+ werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam.
+
+
+Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten
+jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint
+Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards
+timmerliên en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen.
+
+Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad
+kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De
+werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden.
+Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde.
+
+De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote,
+mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zoû
+kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen
+wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen
+eenen penning!"
+
+Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij méér verdienen zult: wilt
+gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen
+daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga--'k en wil zoo veel
+niet winnen."
+
+De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal
+ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken."
+
+--"Heere," zeide hij, "dat doe ik!"
+
+En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alléén steenen aan, die ze met
+hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden.
+
+Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar
+éenen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alléén
+meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u
+in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen
+eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te
+dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne
+gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te
+bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar
+éen gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en
+sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds
+was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de
+meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe
+hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem
+zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude
+zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman."
+Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest--hij
+zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking.
+
+Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en
+het werk schier alléén deed. De meesters, hoogst voldaan over hem,
+vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een
+onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van
+kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen:
+"Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal
+hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den
+steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."--"Ik weet
+beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf
+mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen
+gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij
+hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem
+in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan."
+
+En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten
+tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed,
+bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen
+hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water--nochtans en mocht de
+last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden
+waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf.
+
+In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had
+'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde
+lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was,
+en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord
+was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij
+genezen.'
+
+De vrouw ontsprong[1] met dien visioene en dede zich kleeden, en op den
+Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar kniën, en
+zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te
+voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot
+den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten
+waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten
+laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en
+zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken,
+en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te
+luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken
+om de ware oorzaak te vernemen.
+
+Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een
+mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een
+devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is
+genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met
+cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte
+der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles
+gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den
+zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen
+die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het
+lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken
+gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven
+werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van
+Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar
+bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die
+bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door
+uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden
+geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren--wist ik wie u
+verslagen hadde, ik zoû hem den Koning zenden!"
+
+Als die van Dortmunde[2] dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en
+vielen op de kniën voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun woû
+geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner
+gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk:
+"Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor
+hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een
+karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de
+paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de
+kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na
+den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet
+wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde,
+'twelk menig mensch zeer verwonderde.
+
+De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom.
+En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes,
+Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken.
+
+
+[1] _ontsprong_: stond op.
+
+[2] _Dortmunde_: stad in Westfalen.
+
+
+
+
+HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed
+ boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den
+ Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen
+ kwam.
+
+
+De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel
+aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen
+was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij
+uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van
+zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij
+zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.
+
+Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen,
+en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden
+van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den
+Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning!
+wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en
+niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden
+wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar
+ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo
+jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat
+zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk
+terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning
+Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan
+Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in
+den Rijn.
+
+Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig
+waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te
+Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok
+na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de
+Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was.
+Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien
+'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad:
+"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van
+den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder
+menschen hulpe--dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel:
+"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit
+hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et
+lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag
+daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn
+broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als
+de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij
+hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het
+lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote
+rouwe en misbaar.
+
+En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.
+
+Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in
+'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest!
+Amen.
+
+Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout
+Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.
+
+
+
+
+WILLEM VAN ORANJE.
+
+
+A. D. 806.
+
+
+ "Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs!
+ "Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs.
+ "Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten--
+ "Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten.
+ "Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt:
+ "De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;"
+ Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus,
+ Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.
+
+ "Maar wie zal...?"--Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;.
+ "Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man!
+ "Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder,
+ "Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder,
+ "En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen meê.
+ "Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André
+ "Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden....
+ "Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.
+
+ "Geef gij aan den broeder het noodige geld!"
+ Nu dit hem met-een in de hand is geteld,
+ Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden,
+ En was ook al gaauw uit het klooster gereden.
+ Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort.
+ De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord....
+ Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren....
+ Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren.
+ Zoo'n kloostergeleerde--'t staat vréémd op een paard!....
+ Die staljongen--is zonder grónd niet vervaard;
+ Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)
+ Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek.
+ Zoo denkt ge!--maar och, hoe bedriegt soms de schijn!
+ Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!--
+ Al lijken de kappen een haar op elkander,
+ Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.
+
+ Nú rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch;
+ Twee korfjens, een knaap, voert hij meê op zijn ros;
+ Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede
+ Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.
+ Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst--
+ Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht
+ Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden--
+ Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden--
+ En de vuist, die den slappenden toom soms vervat--
+ En de knie, die zich spant en het bergachtig pad
+ Den klepper op éénmaal soms over doet schieten,
+ En springen en waden, waar beektakken vlieten
+ Of heester en kloof hem den weg soms verspart--
+ Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.
+
+ Geen wonder! geen wonder!--de bode, die heden
+ Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden,
+ Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard;
+ Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard
+ Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje:
+ Dat schild--was het wapen van 't Prinsdom Oranje.
+ Oranje! geen held onverwinbaar als hij!
+ Een Roelant-alléen stréeft dees Willem op zij.
+ Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven.
+ Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven.
+ Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp--
+ Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp:
+ Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen,
+ Herroepend zijn helden:----Geen dooden, die hooren!
+ Oranje!--steeds galmden de harpen zijn naam!
+ Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam!
+ De dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen--
+ Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen!
+
+ Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn
+ De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn:
+ Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen.
+ Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.
+
+ 't Is lang geleên!--hij had, na felgevochten strijd,
+ Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.
+ Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne,
+ Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhône.
+ Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr;
+ Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir,
+ Dat op de wallen van de leêggeroofde veste
+ Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte
+ De stoutste plonderaars te levren in zijn hand
+ En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band,
+ Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden
+ Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden
+ Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door
+ Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor,
+ Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have,
+ Naar wellust martlen woû, den jongen Christen Grave
+ Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht--
+ Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht.
+ En de Emir, dol van spijt, doch met betóomde woede
+ De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede
+ 't Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees;
+ 't Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees
+ "Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade
+ "Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade!
+ "Uw woord tot onderpand--en, om mijns Heilands wil,
+ "Ontboeit hem, knechten!"--Maar op eens, wat luide gil!
+ Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen;
+ Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren;
+ De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat,
+ Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat
+ Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen,
+ Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen,
+ Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros.
+ En barst in dank op dank en tranenstroomen los.
+ "Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten!
+ "En wat de vader deed--ik wil daar nóg voor boeten,
+ "Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed
+ "Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet
+ "Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behouën?...
+ "O, vraag een losprijs!--dat mijn harte moog vertrouwen!"
+ --"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert,
+ "Die mij mijn vijand leert beminnen--die begeert
+ "'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden
+ "Der dochter weêrgeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!"
+ Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst:
+ Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst.
+ En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden--
+ Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden
+ Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre stem:
+ "Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?"
+
+ O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven
+ Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven.
+ Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot:
+ De God van Willem werd der teedre maged God:
+ En--knielend voor den troon van Keizer Charlemanje,
+ Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.
+
+ Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel
+ Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel,
+ Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden,
+ Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden
+ In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag!
+ Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:--de volle dag,
+ Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister:
+ Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister
+ Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên--
+ Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen!
+ Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!...
+ Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen;
+ Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast....
+ Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast
+ Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte
+ En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte.
+ Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint,
+ En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt.
+
+ "Heer!--Heer!--hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch?
+ "'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis,
+ En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten
+ De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.
+
+ "Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man,
+ Zóo zijn wij het bosch uit----Ons valt men niet ân:
+ "Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren;
+ "Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren.
+
+ "Gedraafd en gezongen met vrolijken zin!
+ "Dan halen niet eens die kornuiten ons in."
+ --"Heer ... 'k durf niet;... maar--daar gij 'et wilt--zal 't gebeuren."
+ En bevend begon hij een lied jen te neuren.
+
+ Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch
+ Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!'
+ Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen,
+ Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.'
+
+ En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft,
+ Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd.
+ Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden,
+ Die ginds langs het lover de takken ontblaarden:
+ Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach
+ En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag
+ Den een na den ander een zevental ruiters,
+ Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters!
+ "Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht,
+ Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht.
+ En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mâmêt:
+ "Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!"
+
+ "Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak
+ "Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...."
+ En Willem betoomt zich met moeite van binnen;
+ En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen:
+ "Dat pak?--'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij
+ "Voor schatten vermoeden in grauwharen pij!
+ "Ik bid--laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!...
+ "Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen."
+
+[Illustration: Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist.]
+
+ --"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk
+ "Die 't meest ons belemmert!... maar üit heeft uw rijk!--
+ "Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten!
+ "En beiden de plunje van 't lichaam gereten!"
+ Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steê,
+ Ze binden hem handen en voeten, en reê
+ Den monnik, dien zij met hun vijven omringen,
+ Tot afstappen en ontkleeden te dwingen,
+ Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed,
+ "Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet....
+ "Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen....
+ "Zóo varen ze, die zich niet laat gezeggen.
+ "We maakten hun goud, en wat anders nog, buit,
+ "Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit,
+ "Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen,
+ "Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen:
+ "Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest!
+ "Toe! voort uit den tabbert! Het minst is óns meest!
+ "Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen....
+ "Uw pij uit!--Die hoofdkap bij de ándre kaproenen!"
+
+ --"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek
+ Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek
+ "Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen!
+ "En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!"
+
+ Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat
+ Den huifwagen in met het zadelgeraad;
+ "Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...'
+ "Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen....
+ "Een weêrloze monnik--maar geeft me mijn knecht
+ "Voor 't minst dan weder!"--"Dien knaap?--Gij hebt recht
+ "'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren:
+ "Den knaap in de kar!--en de paarden de sporen!--
+ "Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch
+ "Alleen u vervéelt, in uw luchtigen dos,...
+ "Dat kan toch den beste eremiet overkomen,...
+ "Hier hebt gij een koord--en daarginder staan boomen!"
+
+ Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf,
+ Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf
+ Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven
+ Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven:
+ "Fraai, mannen! fraai helden!--Uw prooi lacht u uit;
+ "Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit!
+ "De gordel, die schuilt in mijn onderste klêeren,
+ "Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren!
+ "Een gesp is er aan van het edelste goud,
+ "Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud
+ "En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden
+ "Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden.
+ "Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop;
+ De hoofdman rijdt nader: "Zoû 't waar zijn?--Pas op,
+ "Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen
+ "Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!...
+ "Te voorschijn die gordel!"--"Ik schenk hem u. Heer,"
+ Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer,
+ "Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren....
+ "Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!"
+ --"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard
+ En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard
+ Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen,
+ Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen.
+ Daar heft hij de vuist, en met morslende slag,
+ Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag,
+ Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten,
+ Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten.
+ Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij;
+ Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij!
+ Hij stort zich te midden der wanklende knechten,
+ Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten.
+
+ "Oranje vooruit!--Ha, gij wolvengebroed!
+ "De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed!
+ "Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen
+ "Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..."
+ Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist;
+ Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist.
+ Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde;
+ Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde.
+ Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;
+ Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet;
+ En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen
+ Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen.
+
+ Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God!
+ Zijn knaap niet alléén werd geboeid door het rot....
+ Twee ándre gevangnen, wien doeken en banden
+ Het roepen belett'en en 't roeren der handen!...
+ De schaduw der huive floerst Willem het oog;
+ Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog
+ Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen....
+ Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen
+ Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart.
+ "Hoe dús?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart
+ "In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen
+ "Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...."
+ --"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw,
+ "Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw
+ "Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten
+ "Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten:
+ "De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...."
+ --"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht,
+ "Om u in het klooster te komen verrassen....
+ "We hebben steeds in de Cortezische plassen
+ "Niet ver van 'et burchtslot zoo héérlijken visch!
+ "En hadden dien heden bestemd voor uw disch;...
+ "Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen."
+ --"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen!
+
+ "Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...."
+ En glimlachend leî hij de zweep op het paard;
+ De staljongen moest met den bles het maar stellen,
+ En de Abt kreeg twee gasten en--goede forellen.
+
+
+
+FLORIS EN BLANCEFLOER.
+
+AAN HELENE UKENA. (1851--1873)
+
+
+Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat
+boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand
+hebben--'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw--en wien de
+liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik
+dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan
+alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't
+Is alles van eene standvastige min--van blijdschap beide en droefheid.
+Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een
+vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt.
+
+Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald
+werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld
+kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal
+blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben.
+
+Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit
+Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks
+te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt.
+Fenus--zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen
+oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed
+Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen;
+kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles
+werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig
+dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen
+meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig
+hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van
+alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om
+te brengen, of gevankelijk meê te voeren. Onder de dus overvallenen nu
+bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich
+moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven
+niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar
+met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde.
+Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger
+achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen,
+en nog méér moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden
+ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde,
+dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den
+vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken
+wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden
+groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en
+werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep
+hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo
+doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en
+wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren
+blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met
+grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele
+kinderen liepen om en achter hen.
+
+De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te
+deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van
+pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de
+hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de
+gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te
+nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van
+haar maakte.
+
+Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren
+Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk
+echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat
+zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van
+haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een
+liefdepand van haar beschreiden egaâ onder het harte droeg. De vrouwen
+brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter
+waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten
+hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem
+Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen
+Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen.
+
+Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer --want
+het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en
+dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden.
+
+De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid
+reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren
+beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone
+kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon
+meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den
+geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde
+hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht
+kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader
+hem dit aanzeide:
+
+"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen,
+noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan--tenzij
+Blancefloer met mij ga."
+
+De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter
+schole.
+
+Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en
+beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon
+hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat
+men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ééns
+van meening, ééns van schoonheid, van éenen zin en even standvastig van
+harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen
+in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in
+zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo
+leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten
+druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te
+kort voor hun blijdschap, voor hun genot.
+
+Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij
+den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de
+ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter
+dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en
+op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging
+voor de arme dochter der gevangene Christin.
+
+Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben,
+naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van
+gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn
+gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij
+peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon
+komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind
+verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij
+er op vinden kunnen."--"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren:
+Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer
+gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang.
+Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan--dan zal
+ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is,
+Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal
+vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere
+beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen
+geslachte zal nemen."
+
+Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij
+geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe
+zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des
+Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed:
+maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen.
+Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in
+waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk
+duchten zoû ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos
+verloren zoû gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der
+tijding. Dan zoû onze schade en ons verdriet méér zijn dan te voren.
+Daar is geen lof noch roem meê te behalen, 't zoû niemants nut zijn, zoo
+zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven
+blijve!"--"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als
+middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de
+kinders eene ziekte zoû voorwenden, opdat men Floris naar eene andere
+plaats, naar Montorië, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer
+zoû men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak
+te maken op de voortdurende hulp harer dochter --dan kon Floris niet
+aandringen op het samengaan--en verwijdering, afleiding door den omgang
+met andere speelgenoten, zoû wellicht de liefde verdooven kunnen, of
+vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook
+beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tót hem gezonden zoû worden.
+
+Nu ontbood de Koning--Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet,
+dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet
+verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar
+Montorië ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn
+en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en
+lezen en schrijven leeren."
+
+--"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"--"Lieve jongen,"
+zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over
+zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide
+hij: "dat gebod zoû mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet
+mét mij--ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval
+hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zoû binnen veertien nachten of
+eerder Blancefloer tot hem zenden.
+
+Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den
+Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris,
+ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare
+dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht
+hier en daar woorden zoû ontvangen, die hem in eene andere liefde
+mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten
+doen.
+
+Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel--maar, 't mocht zijn wat
+het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde
+en las--altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij
+boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast
+in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De
+stonden vielen hem lang--des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij
+zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien
+nachten ten einde kwamen.
+
+Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam,
+werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe
+langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol
+te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven.
+In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem
+vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne
+tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De
+kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe
+wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van
+Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus
+geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vóór
+mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand
+van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood
+krijgt."
+
+Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat
+tooverij het zoû gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde
+reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te
+onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare
+wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet,
+geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de
+onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen--dat er
+aldus over haar gesproken werd.
+
+De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood
+ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand,
+Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar
+aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren;
+zóo, dat er de Koning zich niet meer om zoû behoeven te vergrammen, noch
+er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd
+te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in
+handen geleverd.
+
+Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig
+pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde;
+honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden;
+honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels--valken,
+haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog
+een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone
+van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelaüs, hem zeer
+verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken
+Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van
+binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie
+godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen
+schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo
+duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder
+vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk
+moerbeziën, honig- en specerijdrank van wijn zoû hebben kunnen
+onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel
+werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel
+vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het
+uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen
+kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in
+de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de
+markt te Nicle verkocht had.
+
+De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel,
+konden zij haar te Babylonië brengen, dat zij twee maal den koopschat op
+haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone
+kind aan te bieden.
+
+Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun
+tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden
+met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers
+hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare
+blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen
+geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle
+jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene
+verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen
+andere vrouw meer beminnen.
+
+Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig
+jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden.
+Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot
+vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babylonië.
+
+Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen
+kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft.
+Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!"
+roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn
+teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was
+weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij
+eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur,
+dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend!
+Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad,
+dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij
+te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat
+hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg
+ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al
+heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij
+bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht
+ook niet aan mij--hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig
+ben--maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint--en dat ik hem
+bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij
+nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen.
+
+"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen meê.
+Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons
+gescheiden heeft, wel zoete vriend!
+
+"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo
+braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u
+gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet
+ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed,
+dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!"
+
+Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden
+van hare gezellinnen.
+
+Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend
+knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn
+thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De
+Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste
+wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te
+berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe
+bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon
+zoû melden, dat zijn geliefde in leven was.
+
+Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van
+krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de
+goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare
+en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk
+plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en
+velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters
+keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der
+zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen
+oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de
+tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris:
+het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne,
+ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren
+geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne
+vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het
+hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband
+gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het
+andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind
+ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in
+de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen,
+alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zóo dachten
+allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het
+graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen
+en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond,
+hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en
+jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan
+moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de
+zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen
+haastig tot elkander, en kusten elkaâr vriendelijk. De liefde, waarvan
+zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een
+dorper of een dwaas, die daar voorbij zoû gaan, dan werd, hij, zoo haast
+hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij
+zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap
+viel; zoo bezweken hem al de leden.
+
+Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf--dat zoo kostelijk was
+als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende
+steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en
+op den steen werd in gouden letters gehouwen:
+
+ --HIER LEGHET BLANCEFLOER
+ IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER,
+ DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,
+ MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT.
+
+Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug.
+
+Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne
+moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij
+naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden.
+En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk
+beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers
+moeder was.
+
+"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier
+achterliet?"
+
+--"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet."
+
+--"Gij schertst!"
+
+--"Ik doe het niet."
+
+--"Gij doet het!"
+
+De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare
+dochter hoorde spreken.
+
+Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!"
+De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar
+Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij
+doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen
+andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide
+zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat
+mocht hij niet gelooven--tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij
+uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!"
+
+Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als
+die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg
+zwijmende ter aarde.
+
+De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in
+onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt
+hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten
+heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar,
+dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld
+der Hemelen; daar verwacht mij hàre ziele! Wat denkt ge--dat de dood mij
+niet tot vreugde zoû wezen?"
+
+Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar
+de letters geschreven, en las:
+
+ "--HIER LEGHET BLANCEFLOER
+ IN DIT GRAF OP DESEN VLOER,
+ DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,
+ MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT."
+
+Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig
+aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken,
+noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij
+weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten.
+"Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik
+rampzalig. Wist ik op wien--hoe gaarne zoû ik 'et wreken, dat ik u dus
+verloren hebbe! Wij waren op éenen dag gewonnen en geboren, samen
+opgevoed, samen hebben wij geleerd--tot dat we de ure bereikten, waarin
+men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op éenen
+dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik
+ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere
+smart.
+
+"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart
+zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een
+spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo
+schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk
+andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele
+vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en
+prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u
+standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in
+geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan;
+zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet
+verstonden.
+
+"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt
+moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap
+is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen.
+Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt
+hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde
+komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een
+haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en
+varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele weêr samenkomt met de
+mijne, en bloemen leest."
+
+Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vóór zich,
+en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat
+ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan
+u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven
+nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu
+wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het
+hart--maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af.
+
+"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde
+begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener
+vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is
+niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in
+groot ongerief blind, doof en stom zoû zijn en lijden al wat de waereld
+te lijden geeft,--dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de
+stervensangst voor niets?--Meent ge dat het u iets baten zoû, of ge de
+handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in
+'t Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zoû niet gebeuren; daar zult ge
+langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar
+niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert
+gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zoû uwe woning zijn,
+gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido
+lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar
+eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind
+hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij
+zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe
+vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks
+kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken."
+
+Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer,"
+zegt ze, "hoe gaarne zoû ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons
+kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het
+hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats
+doodgebleven."
+
+--"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik
+houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig
+zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."--"Heer," zegt ze, "dat is
+onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood--niet
+eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg
+brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich
+alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn."
+
+--"Vrouw," zeide hij, "ik zoû misdoen, indien ik uwen raadslag in dit
+geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde."
+
+--"Nu spreekt ge wél, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wél aannemen, dat
+wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen."
+
+--"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve,
+maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat
+Blancefloer, zijne vriendin, leeft."
+
+De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg
+gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid.
+
+"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe
+vriendin: Zij leeft; daar is in het graf--niets. Wij hebben leugentaal
+gesproken--uw vader en ik--toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten
+haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt
+weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings
+dochter. Dat zoû ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot
+vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet
+wilde toelaten, dat zij uw vrouw zoû worden, daarom wilde hij ze
+verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter
+markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre
+landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd
+rijk."
+
+[Illustratie: Toen zag hij de lachende kinderbeelden.]
+
+"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"--"Ja ik," andwoordde zij
+onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien."
+
+Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren;
+en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte
+hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zóo,
+dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en
+brengen ze vol vreugde te-rug.
+
+Maar wat moest hij daar niet al voor doen;--wat moeite moest hij niet
+aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit
+het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet
+vele in 't land zoû vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo
+dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zoû kunnen zijn, die om den
+wille van welke liefde ook, de stoute daden zoû verrichten, die Floris
+bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er
+verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer
+ter zijde.
+
+Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij
+aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is
+verblijd, om dat ze leeft.
+
+Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat
+hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen
+verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene
+vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge
+dragen.
+
+"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer.
+Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen
+kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar
+te-rug-kom."
+
+Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon.
+
+Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene,
+wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was
+besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant
+daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en
+heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij
+hem vele goede eigenschappen verhaalde:
+
+"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij
+dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch
+van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof
+vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk
+verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van
+zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te
+zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen
+mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder:
+hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar
+waren, weenden alsof hij dood vóór hen lage. Maar zijn moeder dreef den
+diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zoû het nog méér
+gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie
+maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden
+zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer
+weêr.
+
+ * * * * *
+
+Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met
+vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te
+scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer
+uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babylonië, de
+stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd.
+
+Maar wat nu nog aangevangen zonder éenen vriend, die hem den weg kon
+wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich
+meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar
+hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en
+zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken
+gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie,
+het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had
+gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door
+Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem,
+en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe
+zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren
+man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone
+jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb
+zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard
+deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het
+tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord
+en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u
+des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad
+schaffen."--"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat
+hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt.
+Het zoû mij niets verwonderen; want ik zag haar van éener gedaante, van
+éen manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in
+kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante
+mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is.
+In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om
+zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in
+vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar
+de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem
+gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof
+vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar
+geliefde."
+
+Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam
+werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te
+zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit
+woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij
+hebben éenen vader en éene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo
+begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de
+geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen
+Koning, die kroon draagt, is er, die zoû durven ondernemen haar den Emir
+te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den
+rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren
+waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen
+bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij
+steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij
+rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het
+dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van
+goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan
+is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo
+helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo
+licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of
+fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet
+van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier
+woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle
+van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen
+pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt.
+Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert
+door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste
+verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer
+zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu
+steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit
+de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn
+van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn
+de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat
+verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en
+lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de
+geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald
+zijn.
+
+"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar
+het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den
+doek tot wasschinge moeten brengen.
+
+"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren
+nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der
+woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door
+tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn
+altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te
+slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een
+vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang
+gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het
+jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen,
+de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met
+zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen;
+opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zoû."
+
+Floris, op het hooren dezer berichten, was nog ongeduldiger dan vroeger
+om zijn opzet door te zetten, en bidt den waard er hem den besten raad
+toe te geven. "Sta morgen vroegtijdig op," zegt deze: "begeef u naar den
+toren: beschouw hem ter wederzijde; ga de hoogte en dikte met uwe
+blikken na, en meet den omvang met uwe schreden. Dan zal de portier op u
+toeschieten, en stuurs u aanspreken: andwoord hem bedaard, en zeg hem,
+dat gij gekomen zijt om den toren op te nemen, en voornemens in uw land
+naar dezen een anderen en beteren te maken. Als hij u van zulke zaken
+hoort spreken zal hij begrijpen, dat gij een aanzienlijk man zijt, hij
+zal kennis met u willen maken en u ten zijnent noodigen, of gij met hem
+schaakspelen wilt. Hij bemint dat spel met hartstocht. Zet honderd
+bezanten op het spel; wint gij--geef hem dan zijn inzet met den uwe ten
+geschenke. Keer des volgenden daags te-rug, en verdubbel de som. Geef
+hem het zijne weder, indien gij wint; en vermeerder het met het uwe. Dat
+zal hem vriendelijk stemmen ten uwen opzichte. Vul des derden daags uw
+schoone gouden drinkvat met drie-honderd bezanten; en als gij wint, geef
+hem steeds het gewonnene te-rug, vermeerderd met uw ingezette som. Zoo
+wint gij hoe langer hoe meer zijne genegenheid. Zie echter wel toe, dat
+gij uwen gouden beker niet op het spel zet. De man zal u dan aan zijn
+disch nooden. Hij zal zijne zinnen zoo sterk op uw drinkvat gesteld
+hebben, dat hij er u duizend mark fijn goud voor bieden zal. Sla dit van
+de hand. Maar, ten laatste, bied hem het kostbaar stuk als een
+vriendschapsgifte aan: dan zal hij buiten zich-zelven zijn, en niet
+weten, hoe hij dat groote goed en de eere, die gij hem bewijst, erkennen
+zal. Hij zal u zijne handen toesteken als uw dienstman. Wees daarop
+voorbereid, en ontvang zijne manschap en getrouwheidseed. Dan moet gij
+hem de waarheid stoutelijk bekend maken; hem verhalen, wat zake gij
+volvoeren wilt, en wat leed u getroffen heeft. Dan, ik ben des zeker,
+zal hij uwe liefde bevorderlijk wezen en u helpen. Helpt _hij_ u
+niet--dan is uw zaak verloren."
+
+Floris deed als hem geraden was. Des anderen morgens vroeg reed hij, op
+het prachtigst uitgedost, naar den toren, 1000 gouden schilden had hij
+medegenomen. Alles droeg zich juist zoo toe als de waard het voorspeld
+had. Toen de portier hem manschap gedaan hade vergde Floris van hem, dat
+hij hem Blancefloer zoû doen zien en spreken.
+
+"Heere," zeide de verschrikte portier, "uw goed heeft mij ten verderve
+gebracht. Ik bemerk het te spade. Gij hebt gedaan als de vogelaar, die
+met zijn schoon fluiten en blazen de vogelkens in den strik lokt. Kome
+er schade van of voordeel--daar het er nu eenmaal toe ligt, zal ik u
+trouw bewijzen----Keer nu ter herberge, en kom over drie dagen weder,
+dan is het de Meimaand: dan zal ik u helpen."
+
+Toen Floris, dien het uitstel ontzaglijk lang viel, zich op den
+bepaalden dag bij den portier aanmeldde, beval hij den schoonen,
+veertienjarigen jongeling zich in een rozerood kleed te steken. Hij had
+ook zijn dienaars uitgezonden, om hem uit alle velden, en wouden, en
+hoven, de schoonste bloemen te verzamelen. Een ontzettenden korf deed
+hij daarmee vullen, en zeide aan zijne knechten, dat hij die aan de
+jonkvrouwen ten geschenke wilde geven. Maar toen hij alleen was met
+Floris, deed hij dezen in den korf nederzitten, en bedekte hem met een
+groote hoeveelheid rozen, akoleyen, lelies, en violen. Ook een krans van
+rozen had hij den knaap op het hoofd gezet, en beval hem zich niet te
+verroeren. Toen gaf hij last dat men de bloemen de bovenste torentrap
+zoû opdragen in de kamer van Blancefloer: "Gaat," zeide hij, "brengt uit
+mijn naam deze bloemen aan mijne Jonkvrouwe Blancefloer, en dat zij er
+de bloem uit kieze, die haar het beste gevalt!"
+
+De dienaars gingen. Onder wege vloekten zij op den last, en meenden, dat
+zij nooit zoo zware bloemen hadden gedragen;
+
+ "Dat seiden si ende seiden waer."
+
+Maar o noodlot! Daar dragen zij den korf in eene verkeerde kamer, in die
+eener andere jonkvrouwe, eens Hertogen dochter uit Duitschland, Claris
+geheeten. "Jonkvrouwe Blancefloer!" zeggen de dienaars, "deze bloemen
+zendt u onzen Heer de portier."
+
+Claris zeide niet, dat zij Blancefloer was--maar aanvaardde de bloemen
+al lachende. De dienaars vertrekken. Zij gaat tot den korf en neemt eene
+roos. Floris waant dat het Blancefloer is, en spring uit de bloemen naar
+haar heen. De jonkvrouw werd zeer vervaard, vluchtte van hem, en riep:
+"Help! help! wat bloemen zijn dit!" zoo dat al hare gezellinnen haar ten
+bijstand snellen.
+
+Floris echter verborg zich haastig weêr in den korf onder de bloemen, en
+de jonkvrouw, zich bezinnende dat deze voor Blancefloer bestemd waren,
+en dat hare vriendin steeds treurde om een jonkman, wiens beschrijving
+geheel aan het voorkomen van Floris beandwoordde, herstelde zich
+spoedig, en zeide aan de andere jonkvrouwen, "dat uit de bloemen haar
+een vlinder in het aangezicht gevlogen was, die haar verschrikt had."
+
+Nu verwijderde men zich, en Claris gaat tot Blancefloer, die altoos
+treurde om haren geliefde. "Blancefloer," zegt ze, "zoete lieve, wilt ge
+met mij gaan--ik zal u zulke bloem laten zien, dat gij nooit bloem noch
+roze liever zaagt dan deze."
+
+--"Clarisse," andwoordt zij, "zoete gespele, ik heb zo veel verdriet,
+dat ik geen zin heb in bloemen. Gij doet slecht, dat gij spottende tot
+mij komt. Die in de hope der liefde leven, hun past het wel bloemtjens
+te kweeken, om het leed te vergeten en te verkorten: maar mij naakt
+niets dan droefheid. Zoete vriendinne, gij weet wel, dat ik ver van mijn
+geliefde ben en hij verre van mij. Ginds is de Emir, die mij binnen
+dezer maand nog ter vrouwe denkt te nemen. Maar eer zal ik mij de dood
+geven (kan ik hem anders niet ontgaan), dan, levende, Floris te
+verliezen."--"Blancefloer," is het wederwoord, "nu bid ik u, bij Floris'
+liefde en om zijnentwille, dat gij met mij de bloeme koomt zien--hoe
+schoon zij is."
+
+Zoodra ze haar bij hém bezwoer, stond de schoone Blancefloer op en ging
+de bloem met haar aanschouwen. Floris heeft de jonkvrouwen wel gehoord,
+en is zeker, dat Blancefloer in de kamer is. Hij richtte zich op en
+sprong te voorschijn: hij had het schoonste haar, den blanksten tint,
+die ooit iemant ten deel vielen. Hij had een rooden lijfrok aan. Edel
+was zijn gedaante, lieflijk blonken zijne oogen. Blancefloer herkende
+hem toen zij hem zag; zij kende hem, en hij haar. Beiden stonden zij
+roerloos; zij konden geen woord uitbrengen. Toen zij tot bezinning
+kwamen, liepen zij al zwijgende tot elkander, zij namen zich in de
+armen, drukten elkaâr aan het harte. Het kussen en omhelzen duurde zoo
+lang, dat men ter zelfder wijle een groote mijl had kunnen gaan. En toen
+zij elkander niet meer kusten, lachten zij elkander al zwijgende toe; en
+zagen zich allerminnelijkst aan. Toen zeide Clarisse en begon schalk te
+vragen: "Blancefloer," zegt ze, "zoete gezellinne, kent gij de bloem,
+waarvoor ik u aanzocht, ook eer dat ik ze u toonde? Draagt gij ze aan uw
+boezem? Sints gij ze zaagt, dunkt mij dat ge gants verheugd zijt: daar
+moet groote kracht in uwe bloem liggen, die eene jonkvrouwe zoo spoedig
+van haren rouw verlost heeft. Eerst woudt gij ze niet zien--nu dunkt mij
+zijt ge er zoo meê ingenomen, dat ge voor niemant gunstig genoeg zijn
+zoudt om de bloem met hem te deelen."
+
+--"Deelen?" zegt ze, "is dit dan Floris niet, mijn zoete lief! mijn
+zoete vriend aan wien mijn leven en mijn dood ligt, als ik u dikwerf
+gezegd heb? Hij is mijn troost, mijn toeverlaat." Toen baden zij
+Clarisse beiden, dat zij hunne liefde niet te leed wilde brengen en ze
+geheim wilde houden. "Vreest niets," zeide Claris, "hoe zoû ik u kunnen
+verraden!"
+
+Blancefloer nam haren geliefde bij de hand: en zij zaten naast elkander
+op een rijk bekleede rustbank. "Floris!" zeide zij, "mij wondert zoo
+zeer door wat list gij dezen ontoegankelijken toren hebt weten te
+beklimmen, dat ik soms denke of het ook slechts begoocheling zij. Vrees
+en twijfel benaauwen mij, dat het Floris niet is, die daar neven mij
+zit. Wat zeg ik? ik kenne hem wel; hij is het. Zoete vriend! ei, kom wat
+dichter bij mij--'t is Floris, die mij te-rug-gegeven is!" En toen
+verhaalden zij elkaar van het leven des afzijns; en dit lijden was hun
+thands zoet.
+
+Maar, helaas, hun geluk was kort van duur. Blancefloer en Claris moesten
+den Emir het water en den doek der handwassching reiken --maar reeds was
+Claris de trappen afgevlogen met het wasch-bekken, en had Blancefloer
+aangespoord te komen, toen deze nog, in de vreugde des wederziens
+verloren, aan de borst rustte van haar tederen vriend. De Emir zond zijn
+kamerling heimelijk naar boven, daar hij de verschooningsreden, door
+Claris bijgebracht, wantrouwde. Een oogenblik later stond de Emir-zelf,
+in een gramschap, dat hem het harte dreigde te breken, tegenover de
+kinderen, het ontbloote zwaard in de hand. Eerst wilde hij ze beide
+neerslaan --doch liet zich verbidden om hen voor de rechters te voeren.
+
+Juist viel het jaarfeest in, waarop de Emir gewoon was eene vrouw te
+nemen. Koningen en Hertogen, al de hoogsten van den Rijk waren binnen de
+stad. De hofzaal was prachtig versierd. Thebe noch Troje bezaten ooit
+zoo rijk een paleis. De Emir dan riep er zijn Baronnen en Heeren te
+zamen, om het vonnis over Floris en Blancefloer uit te spreken--en daar
+was er maar éen die het opnam voor de jeugdige gelieven. Zijn voorspraak
+mocht echter niet baten.
+
+Twee krijgsknechten kwamen de kinderen halen, om ze voor den raad te
+brengen. Droevig en smartelijk zagen zij zich aan en hadden diepen
+deernis met elkander. "Zoete lieve," sprak de Jonkheer tot Blancefloer:
+"wij zijn nu zeker van de dood en in het grootst gevaar. En mijne schuld
+is het, dat wij sterven moeten. Ware ik niet hier gekomen, u ware dit
+leed gespaard gebleven. Maar zal de Emir naar recht uitspraak doen--zoo
+zult gij de dood ontkomen. Te onrechte zoudt gij sterven. Lieve, neem
+intusschen dit ringetjen: zoo lang gij 't bij u zult hebben, kunt ge
+niet sterven."
+
+"Floris," zegt ze, "wel zoete vriend: hoe onbillijk dunkt mij uw taal!
+De schuld is mijne. Om mij weervaart u deze schande. Om mij verliet gij
+uw ouderlijk huis en zijt hiertoe gekomen. Ik weet wel, dat ik voor u
+sterven moest, ging het naar recht. Geen angst van de dood, geen
+marteling, zoo hevig; zal mij den ring doen behouden; want ik ben schuld
+van alles."
+
+Floris zeide, hij kon niet dulden, dat zij sterven en hij leven zoude.
+Hij bad haar, dat zij het ringetje name; en zij wilde niet. Hij wierp
+het haar toe, en zij 't hem te-rug, zoo lang tot dat het daar neêrviel
+onder de voeten. Zij gingen voort. Een Hertog raapte 't op, die hunne
+woorden gehoord had.
+
+De kinderen werden in de raadzaal gebracht, en ieder was zoo zeer door
+hunne zeldzame schoonheid en droevig lot getroffen, dat allen de tranen
+in de oogen kwamen en de deernis in het hart. Doch de Emir bleef
+onverbiddelijk. Hij liet ze op een plein leiden buiten zijn paleis, en
+beval, dat men hen daar in een groot vuur wierpe. Toen kwam de Hertog,
+die het ringetjen had opgeraapt, dat Blancefloer liet vallen, hij
+knielde met bittere klachten oodmoedig voor zijnen Heere neder en
+verhaalde hem de woorden, die hij van de kinderen gehoord had, toen zij
+van de trap daalden. De Emir beval, dat zij ze hem nog eens vóór zouden
+brengen--daar hij hooren wilde, wat ze tot elkander zeggen zouden:
+
+"Hoe is uw naam?" vroeg hij barsch aan Floris.
+
+"Heer," zeide de jongeling, "ik heet Floris. Terwijl men mij ter schole
+gezonden had, werd mij mijn lief ontstolen, Blancefloer, die hier neven
+mij staat. Het zoû onrecht zijn, zoo men haar dede lijden. Heer, ik ben
+hier niet met haar meêweten gekomen; dat durf ik voor u en al deze
+Edelen, bij het heiligste bezweren. O doe nu wel! en om uwer eere wille,
+laat Blancefloer leven, edele Heer! Zij is onschuldig! Mij is de schuld!
+Laat den schuldige 't ontgelden."
+
+--"Heer," riep Blancefloer, "houdt u niet aan zijne woorden, die gij
+gehoord hebt. 't Is alles om mij gebeurd--mijn is de schuld. Ware ik
+niet in den toren geweest--mijn lief ware er niet gekomen. Ik durf wel
+met waarheid zeggen, dat hij eens Konings Zone is. Verloor hij zijn
+leven ter mijner liefde--dat ware groot onrecht, groote schade. Lieve
+Heer, laat hem leven--en breng mij ter dood."
+
+--"Neen!" sprak Floris, "Heere, laat gaan mijne vriendinne, en sla mij
+terneder!"
+
+Toen andwoordde de Emir en zeide: "Zeker, gij zult beide sterven! Ik
+zal zelf mij wraak verschaffen van den smaad, die mij is aangedaan."
+
+En een blank zwaard nam hij in zijne hand.
+
+Blancefloer sprong driftig naar voren, en bood haar hoofdjen.... Floris,
+met de tranen op de wangen, vloog haar na, en wilde haar achteruit
+trekken: "Gij zult niet de eerste de dood ontvangen!" riep hij.
+
+Toen rekte hij zijn hals en bad den Emir toe te slaan, en haastiglijk,
+want hij was bereid. Blancefloer verzett'e zich met inspanning! "Heer,
+mijn is de schuld," riep zij, "waarom slaat gij niet?"
+
+De een konde den ander niet voor zijne oogen zien sterven.
+
+Men weende, en jammerde, en wrong de handen over dit harde vonnis.
+
+Ook de Emir was geroerd. Allen vereenigden zich om hem te verbidden. Het
+zwaard viel hem uit de hand. Op voorbede van den Hertog die het ringetje
+gevonden had, en vooral van eenen Bisschop, die den Emir te voet viel,
+betoonde hij zich vergevensgezind. Hij gaf Floris verlof zijne
+geschiedenis te verhalen; de jongeling kweet zich daarvan met
+kinderlijken eenvoud, maar bleef weigeren bekend te maken door wat
+middel hij in den toren was gekomen; toch nam toen de Emir de hand van
+Blancefloer en zeide: "Vriend, neem den schat te-rug, die u toebehoort:
+ik beveel ze uwer trouwe: om Gods en dezer Heeren wilde, schenk ik u
+beide het leven."
+
+Schreiend vielen zij hem te voet; hij hief hen op en kuste ze, en maakte
+Floris ridder, op de wijze als het daar te lande gebruikelijk was.
+
+De Emir nam toen de goede Claris, voor zijn leven, ter vrouwe, en daar
+werd een groote maaltijd gegeven, waar menige gouden beker geledigd, en
+menig vreugdelied gezongen werd.
+
+Korten tijd daarna kwam er een gezantschap uit Spanje, met het bericht,
+dat Floris' ouders overleden waren, en met de bede van zijn volk, dat
+hij ze mocht komen regeeren.
+
+Floris liet de toebereidselen maken tot zijn vertrek, en onder de
+heilwenschen van den Emir en de zijnen, toog hij met Blancefloer en een
+groot gevolg naar zijn vaderland.
+
+Daar ontvingen hem zijne onderdanen met geestdrift, en kroonden hen
+Koning en Koninginne.
+
+Floris omhelsde de Christen Godsdienst, de Godsdienst van Blancefloer;
+en geheel zijn volk deed als hij.
+
+Hongarije en Bulgarië verstierven van eenen oom in later tijd nog op
+hem.
+
+Hij had eene dochter bij zijne gade, die Baerte heette "metten breden
+voeten". Koning Pippyn dam haar ter vrouwe; een machtig Koning, die bij
+haar een kind verwekte, daar veel van te vermelden ware: Dat was de
+Koning Caerle van Frankrijk,[1] die met groote machte menigen burg
+gewonnen heeft.
+
+Hier eindig ik dit verhaal.
+
+Floris kreeg Blancefloer niet dan met moeiten en smart:
+
+ "Hi pijnder hem om; God halper hem toe:"[2]
+
+Zo moge Hij, vroeg en laat, ons desgelijks helpen, dat wij al onze daden
+tot een goeden uitkomst ten jongsten dage brengen mogen! Amen.
+
+
+[1] _Koning Caerle van Frankrijk_: Charlemagne.
+
+[2] _Pijnen_: inspannen.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by
+Josephus Albertus Alberdingk Thijm
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 39717 ***
diff --git a/39717-h/39717-h.htm b/39717-h/39717-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..65b577a
--- /dev/null
+++ b/39717-h/39717-h.htm
@@ -0,0 +1,8968 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<!-- $Id: header.txt 236 2009-12-07 18:57:00Z vlsimpson $ -->
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Karolingsche Verhalen, by J.A. Alberdingk Thijm.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+body {
+ margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+}
+
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+}
+
+p {
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+}
+
+hr {
+ width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+}
+
+.blockquot {
+ margin-left: 5%;
+ margin-right: 10%;
+}
+
+a:link {color: #800000; text-decoration: none; }
+v:link {color: #800000; text-decoration: none; }
+
+.bb {border-bottom: solid 2px;}
+
+.bl {border-left: solid 2px;}
+
+.bt {border-top: solid 2px;}
+
+.br {border-right: solid 2px;}
+
+.bbox {border: solid 2px;}
+
+.center {text-align: center;}
+
+.smcap {font-variant: small-caps;}
+
+.u {text-decoration: underline;}
+
+.caption {font-weight: bold;}
+
+.small {font-size: 0.8em;}
+
+.illus {text-align: center; font-family: arial; font-size: 0.8em; font-weight: bold;}
+
+/* Images */
+.figcenter {
+ margin: auto;
+ text-align: center;
+}
+
+.figleft {
+ float: left;
+ clear: left;
+ margin-left: 0;
+ margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em;
+ margin-right: 1em;
+ padding: 0;
+ text-align: center;
+}
+
+.figright {
+ float: right;
+ clear: right;
+ margin-left: 1em;
+ margin-bottom:
+ 1em;
+ margin-top: 1em;
+ margin-right: 0;
+ padding: 0;
+ text-align: center;
+}
+
+/* Footnotes */
+.footnotes {border: dashed 1px;}
+
+.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+
+.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+
+.fnanchor {
+ vertical-align: super;
+ font-size: .8em;
+ text-decoration:
+ none;
+}
+
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 39717 ***</div>
+
+
+
+
+
+<p><a href="#Contents">Contents</a></p>
+
+
+
+
+<h1 style="color: #000066;">KAROLINGSCHE VERHALEN</h1>
+
+<h3 style="color: #000066;">Carel en Elegast&mdash;De vier Heemskinderen&mdash;Willem van Oranje&mdash;Floris en Blancefloer</h3>
+
+<h4>In nieuwer form overgebracht door</h4>
+
+<h2 style="color: #000066;">JOS A. ALBERDINGK THIJM</h2>
+
+<h5>VIJFDE UITGAVE</h5>
+
+<h5>ZUTPHEN&mdash;W.J. THIEME &amp; CIE&mdash;MCMXLVIII</h5>
+
+<hr style="width: 95%;" />
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm001.jpg" width="400" alt="Carel en Elegast" title="" />
+<p class="illus">Carel en Elegast</p>
+</div>
+
+<h3>VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE.</h3>
+
+
+<p>Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd.
+Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het
+exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd
+hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed
+te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag,
+door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche
+volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in
+de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak
+en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning,
+dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene
+nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo
+ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik
+wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke
+natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen,
+Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle
+middeneeuwsche zaken op éene leest schoeyen zult; dat gij uw hè-s en
+hà-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult
+wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe
+Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch
+zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was
+en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de
+onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan
+alles wat oud is, en wij gaan slechts van de éene zeeziekte in de
+andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe
+verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe
+en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het
+heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de
+naïeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche
+scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en
+hare onsterfelijke <i>Grootheid</i>, noch de enthuziasten, die het axioma
+verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der
+middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het
+naïeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der
+verwen, naar hunne recepten bereid."</p>
+
+<p>Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de <i>Heemskinderen</i> uitgaf.</p>
+
+<p>Ik vlei mij&mdash;behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen&mdash;nog in
+andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar
+waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,&mdash;niet in waardeering van het
+meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche
+heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het
+nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen
+van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan
+Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind
+hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik
+bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en
+rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik:
+kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander
+stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,&mdash;u behoor ik: want gij
+neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van
+éenen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de
+<i>Heemskinderen</i> in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die
+groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen
+gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naïeviteit, meer dan een
+objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid,
+verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat
+de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld
+middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der <i>Renaissance</i>
+verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de
+vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet
+wijzer?&mdash;Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de
+schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de
+heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren.</p>
+
+<p>Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der
+<i>Heemskinderen,</i> gebruik te maken van het fragment van den roman, dat
+het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want
+ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels
+een vertragend <i>hors-d'oeuvre</i>, deels een smakeloze beschimping van den
+Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de
+vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6&mdash;21 mij geleerd, dat
+ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "schaâ", maar
+<i>schande</i>, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in
+den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant,
+nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek
+behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te
+Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl.
+138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met
+sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er
+natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zoû hebben
+(v. 62&mdash;66):</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 3em;">"Die coene entie starke Roelant</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">.... ghemoete saen Ritsaert;</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Biden togle hine aneprant."</span><br />
+</p>
+
+<p>Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt
+had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk,
+het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den <i>Madelgijs</i><a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a>, de Heer
+J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet.</p>
+
+<p>Bij mijn bewerking van <i>Floris en Blancefloer</i> had ik beschrijvingen,
+die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die
+door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen
+(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld.</p>
+
+<p>Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van
+<i>Carel en Elegast</i> en <i>Floris en Blancefloer</i> met mij na te zien, en mij
+menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten
+hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn
+hartelijken dank.</p>
+
+<p>Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik <i>Karolingische</i> in
+<i>Karolingsche</i>(met den hoofdklemtoon op <i>Ka</i>) veranderen zou: "die i",
+zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze
+meervoudsuitgang <i>Karolingers, Merovingers, Saksers</i>, enz. <i>Karoling</i>
+staat in vorming met <i>Jongeling, vreemdeling</i> enz. gelijk. 't Is een
+echt Nederlandsche vorm. Den uitgang <i>-isch</i> kennen wij alleen bij
+vreemde woorden en namen, als <i>Aziatisch, historisch, mythologisch enz</i>.
+Maar van <i>zijdeling</i> maken wij <i>zijdelingsch,</i> van <i>Harling(en)</i> en
+<i>Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche.</i> Dus ook <i>Karolingsche.
+Kaarlingsche</i> zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden,
+omdat wij nu eenmaal aan <i>Karolingen</i> gewend zijn. Mij dunkt, het wordt
+tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen
+ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen."</p>
+
+<p>Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang <i>koetsier</i>
+geen <i>koetser</i> wordt, en woorden als <i>vriendin, martelares</i> enz. bestaan
+blijven, zoo lang <i>aziatiesch</i> zich handhaaft,&mdash;<i>karolingische</i> mij zoo
+geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van
+sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert.</p>
+
+<p>A.Th.</p>
+
+<p>Amsterdam, 3 Juni 1873.</p>
+
+
+<p>Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij
+meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden.</p>
+
+<p>De Uitgevers.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam,
+in 1861.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm002.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+<h3><a name="CAREL_EN_ELEGAST" id="CAREL_EN_ELEGAST"></a>CAREL EN ELEGAST.</h3>
+
+
+<h5>AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.) </h5>
+
+
+<p>Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen:
+luistert met aandacht!</p>
+
+<p>Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den
+Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom
+toe.</p>
+
+<p>Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te
+Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij
+lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des
+anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap
+kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning
+ontwaakte, op de lieflijke stemme.</p>
+
+<p>"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen
+aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de
+Heere des Hemelrijks, beval mij&mdash;u dit, op verbeurte van lijf en eere,
+te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads
+overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof
+nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast
+u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt
+te paard."</p>
+
+<p>De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden
+moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te
+hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God
+gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen!
+God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert
+gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij,
+en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit
+wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt
+en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik
+hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het
+aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet
+mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het
+nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van
+Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en
+mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee
+ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't
+land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de
+Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.<a name="FNanchor_1_2" id="FNanchor_1_2"></a><a href="#Footnote_1_2" class="fnanchor">[1]</a> Wat
+behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God
+mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't
+mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner
+schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen."</p>
+
+<p>Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en
+derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat
+hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod
+in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven
+staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen&mdash;vaart uit
+stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak
+voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij
+gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten.
+Ik zal een dief zijn&mdash;al is het schande; al zoude ik bij de keel
+gehangen worden. En toch&mdash;ik had oneindig liever, dat God mij alles
+ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land&mdash;mijn
+riddersrusting uitgezonderd&mdash;dat ik mij met den schilde en met den spere
+den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op
+avontuur:&mdash;dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te
+zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig
+uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te
+verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!...</p>
+
+<p>"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was,
+al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven!
+Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het
+slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen,
+zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij
+vreemd en onbekend is?"</p>
+
+<p>Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde
+te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een
+gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede
+zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.</p>
+
+<p>Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot,
+noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze
+waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand
+zag hem&mdash;want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die
+in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.</p>
+
+<p>Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig
+naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij
+zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.</p>
+
+<p>Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel
+gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was.
+Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg
+af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder
+gerucht noch geluid naar buiten.</p>
+
+<p>Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als
+gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al
+wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen&mdash;zoo waarlijk gij u
+aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden&mdash;zoo waarlijk
+zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte,
+u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en
+daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en
+gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt
+opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn&mdash;zoo
+zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe
+kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u
+verlaat ik mij geheel!"</p>
+
+<p>Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het
+stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan
+stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel;
+het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik
+placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten,
+die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt
+het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat
+zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun
+het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is
+dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik
+iemant om een weinig geld doe sterven.</p>
+
+<p>'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk,
+dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de
+waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft
+land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan
+meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land
+ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu
+wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal
+Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land
+en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust.
+Die ze huisvesting schonk&mdash;ik zoû hem beide burcht en leen doen
+verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in
+bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven
+moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van
+den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in
+vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en
+Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters&mdash;waar hij ze
+betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun
+muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde
+storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben:
+zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud,
+waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van
+hun klinkende munt&mdash;beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij;
+niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik
+woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God,
+helpt mij daartoe!"'</p>
+
+<p>Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter
+kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde
+zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild,
+dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart
+was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed.
+Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem
+de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig
+vermoeden, dat het de Duivel ware&mdash;om dat hij overal zoo zwart was. Hij
+beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij
+kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het
+avontuur wagen. Nochtans&mdash;ik weet het van te voren&mdash;'t is de Duivel en
+niemant anders. Kwame hij van Gods wege&mdash;hij zoû zoo zwart niet zijn. 't
+Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'</p>
+
+<p>"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen
+kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de
+Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant,
+die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel
+aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste,
+die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als
+de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke
+wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'</p>
+
+<p>Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene
+nam den andere op van top tot teen&mdash;maar anders deden zij niet. Toen de
+ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield
+hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus
+voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik
+hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij
+iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of
+de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok
+van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het
+bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?</p>
+
+<p>'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal
+zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen:
+licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met
+schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'</p>
+
+<p>Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem
+achterhaald had, riep hij luide:</p>
+
+<p>"Staat, Ridder!&mdash;waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier
+ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert!
+Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het
+mij&mdash;dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur,
+heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik
+omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten&mdash;dan dat ik mij
+tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij
+door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen
+zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen&mdash;wij
+zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"</p>
+
+<p>Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond,
+voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij
+de Koning was.</p>
+
+<p>Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.</p>
+
+<p>Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een
+open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de
+paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar
+den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men
+een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.</p>
+
+<p>De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning
+vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter
+op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken
+vloog als een lindenblad.</p>
+
+<p>De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.</p>
+
+<p>De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er
+menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide
+uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en
+wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op
+het hoofd, vol schaarden en spleten&mdash;zoo scherp was de snede der
+zwaarden.</p>
+
+<p>'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in
+zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou
+ik mijn naam bekend maken&mdash;eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer
+verwierve ik eere!'</p>
+
+<p>Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem,
+dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.</p>
+
+<p>Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en
+bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee
+stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.</p>
+
+<p>Op dit gezicht&mdash;dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei,
+dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik
+geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen?
+Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!"</p>
+
+<p>Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor
+hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet
+ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan
+verweeren.'</p>
+
+<p>Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens
+weerzijds, wie ze toch wezen mochten.</p>
+
+<p>"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij
+bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder&mdash;zoo hebt gij uw
+laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met
+eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht &mdash;ik zal u heen
+laten rijden."</p>
+
+<p>De zwarte sprak: "Ik ben bereid&mdash;mids gij begint, met mij kond te doen
+van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij
+zoekt."</p>
+
+<p>Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij&mdash;dan zal ik u zeggen,
+wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder
+noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van
+verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet
+ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij
+ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het
+met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u
+veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"</p>
+
+<p>Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het
+goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder,"
+zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u
+gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en
+bij Hem-zelven het eerst&mdash;van mij staat u geen leed te wachten! en ook
+ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't
+mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."&mdash;"Welnu dan, Heere,"
+antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer
+verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren
+was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en
+mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en
+ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en
+wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken
+worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn
+arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in
+vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen
+en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters&mdash;kunnen hun
+knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is
+geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in
+bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen?
+Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en
+ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik
+héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor&mdash;kon ik
+mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij
+meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had
+door te staan.&mdash;Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den
+gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de
+nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u
+haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."</p>
+
+<p>En de Koning dacht bij zich-zelven:</p>
+
+<p>'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de
+man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee
+rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om
+der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten
+leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben,
+Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn
+levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo
+veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij
+niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot
+losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."</p>
+
+<p>&mdash;"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam
+zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te
+stelen&mdash;in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van
+alles, ik laat niemant met rust&mdash;den rijke noch den arme. Ik let op hun
+kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets
+te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem
+gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om
+een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe&mdash;eer
+de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik
+begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen.
+God zoû het ons niet misduiden&mdash;hadden we er een deel van. De schat ligt
+in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd
+pond van&mdash;'t zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen;
+bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u
+van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn?
+Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen&mdash;en
+gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."</p>
+
+<p>Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede.
+Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het
+weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."</p>
+
+<p>Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de
+Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel
+zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol
+geladen."</p>
+
+<p>Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon
+Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is
+niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al
+heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik
+zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik
+vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte
+Heer. Dede ik hem iets anders dan eere&mdash;ik zoû het mij voor God moeten
+schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!"</p>
+
+<p>Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat
+Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij
+zich-zelven&mdash;'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo
+veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven
+kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'</p>
+
+<p>Na deze overweging vraagde hij aan Elegast&mdash;'of deze hem ergends anders
+wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij
+zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn
+kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij
+betreft&mdash;gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot
+niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings
+zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te
+bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij
+verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû
+hij aan het leven en de eere staan&mdash;ging alles naar zijn wensch: dat kan
+ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding&mdash;burcht en
+leen&mdash;aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht&mdash;het
+zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen &mdash;zoo ge
+wilt&mdash;zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven,
+dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch
+wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem
+ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar
+gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De
+Koning vergat zijn rol geen oogenblik.</p>
+
+<p>Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij
+een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed
+vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het
+ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons
+werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles
+te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op,
+gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit
+was geraakt.</p>
+
+<p>Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren!</p>
+
+<p>Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den
+Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens,
+Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik
+zal handelen naar uwen raad. Het zoû mij toch leed doen, indien u eenig
+ongeval overkwam en men zeide dan naderhand&mdash;'dat is alles te wijten aan
+Elegast'!"</p>
+
+<p>Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus:</p>
+
+<p>"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest&mdash;zoo ver ik weet.
+Het zoû mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op
+u aankomen."</p>
+
+<p>Elegast hernam: "'t Is mij ook wel&mdash;zoo gij een behendig dief zijt: dat
+zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken,
+om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne
+vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een
+ijzer, waar hij den muur meê zoû stuk slaan. Toen haalde ook de Koning
+het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij
+dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den
+maker," zeide hij&mdash;"dan bestelde ik er hem óok zoo éen voor mij. Een
+dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer
+gebruiken."&mdash;"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn
+verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die
+gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij
+op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande,
+dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit
+andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een
+ploeg."&mdash;"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er meê
+binnenraken. Later bestelt gij u een ander."</p>
+
+<p>Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den
+geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was
+hij groot en sterk&mdash;op zulken arbeid verstond hij zich niet.</p>
+
+<p>Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in
+zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen,
+wat ik u brengen zal." Hij woû niet toelaten, dat de Koning ook
+naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield
+hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en
+wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom &mdash;Carel bleef buiten, en
+Elegast kroop naar binnen.</p>
+
+<p>Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te
+werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist
+van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had,
+verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij
+hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun
+Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.'</p>
+
+<p>"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!&mdash;zoû de Koning daar buiten
+zijn?&mdash;Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker,
+verraden&mdash;of een elfenspook misleidt mij."</p>
+
+<p>Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en
+verhaalde hem, wat hij&mdash;of hij moest zich geweldig bedrogen
+hebben!&mdash;gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne
+taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was&mdash;alleen
+wisten zij niet hoe dicht.</p>
+
+<p>Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? &mdash;Wat zoû
+de Koning hier uitrichten?&mdash;Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond
+blaffen mag?&mdash;Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij
+voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te
+verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond."</p>
+
+<p>&mdash;"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning
+van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij
+hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te
+voren deed, dat de Koning in de nabijheid was&mdash;maar dat hij niet wist
+hoe dicht.'</p>
+
+<p>"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet
+in den omtrek is!"</p>
+
+<p>&mdash;"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener.
+Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort&mdash;al wierden wij beiden
+ook gevangen."&mdash;"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar
+laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving,
+ik zoû 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn
+kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en neêr heen en weêr in zijn mond;
+maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden.</p>
+
+<p>"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid
+kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn
+geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij
+iemant, die uit stelen gaat?&mdash;Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet
+telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is
+waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik
+heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!"</p>
+
+<p>De Koning dacht: "Dat is een waar woord!"</p>
+
+<p>Daarmeê lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat
+Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd&mdash;maar kon geheime
+kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en
+al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met
+sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant
+hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel.</p>
+
+<p>Toen wilde Carel henenrijden&mdash;maar Elegast beval hem nog te toeven: hij
+wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn
+vrouw lagen&mdash;een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man
+leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zoû kunnen
+beschrijven; alleen aan den voorboog<a name="FNanchor_2_3" id="FNanchor_2_3"></a><a href="#Footnote_2_3" class="fnanchor">[2]</a> is prijzensstof genoeg. Daar
+hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als
+Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel
+stelen&mdash;al zoû ik bij de keel gehangen worden!"</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm003.jpg" width="400" alt="Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald
+heb." title="" />
+<p class="illus">Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald
+heb.</p>
+</div>
+
+<p>Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel
+ontbeerd, dan dat Elegast weêr naar binnen ging. Toen Elegast bij het
+zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde
+wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat
+Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan
+mijn zadel?" Hij zoû zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't
+niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem
+zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het
+zwaard en de scheê en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn
+gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem
+haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had
+opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen
+gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is
+menigvuldig&mdash;ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan,
+dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en
+hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt
+stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze
+waren, die den Koning zouden treffen.</p>
+
+<p>Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij
+zich-zelven, hij zoû de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht
+brengen.</p>
+
+<p>Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't véél liever dat men u ophing
+bij de keel, dan ik gedoogen zoû, dat de Koning aldus zonder dat hij
+gewaarschuwd werd zijn leven zoû verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric
+de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond
+uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten
+de legerstede. Elegast, die dit alles had gaâ-geslagen, kroop er
+zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de
+vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een
+teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zoû voor het gedreigde leed.
+Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed
+inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn
+woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat
+hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof weêr naar zijn paard en
+tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast
+had aangebracht.</p>
+
+<p>Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zoû er niet langer getoefd hebben:
+zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard
+had?"&mdash;"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God
+leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal
+het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken&mdash;daar ben ik reeds
+te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging
+hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb.
+Neemt het! ik ga&mdash;om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk
+te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om
+al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug."</p>
+
+<p>Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke
+reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en
+bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om
+was gegaan."</p>
+
+<p>"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn
+droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik
+uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armoê te boven te komen. Ik
+leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven,
+morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!"</p>
+
+<p>Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem
+voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des
+Hemels.</p>
+
+<p>Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem
+doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zoû heel het hof in
+opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt
+gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen
+hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning&mdash;welnu, dan
+is hij dood! Wat zoû men daar méér van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge
+wel genezen."</p>
+
+<p>Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels
+ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange
+vertoeven was hem onaangenaam.</p>
+
+<p>"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn
+makker&mdash;het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te
+nà kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij
+God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet
+zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen&mdash;eer ik deze burg
+verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan."</p>
+
+<p>De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard
+gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al
+zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u
+beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen &mdash;dien Eggheric van
+Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem
+vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad&mdash;het verraderlijk
+opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw
+loon zal niet gering wezen:</p>
+
+<p>"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings
+broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden."</p>
+
+<p>&mdash;"Neen," zegt Elegast, "wat mij weêrvare&mdash;voor den Koning kome ik niet.
+De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware
+paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht
+onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite."</p>
+
+<p>&mdash;"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech
+naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen
+buit met u meê, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik
+zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd
+hij doodgeslagen&mdash;het zoû mij grieven."</p>
+
+<p>Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar
+hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar
+Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want
+hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem
+verraden!</p>
+
+<p>De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij
+bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't
+iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de
+wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien
+men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over
+wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen
+tot goed geluk voor hem was uitgekomen.</p>
+
+<p>Toen zond Carel, de Koning, éen zijner Kamerlingen om zijn geheimen
+Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten
+volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde,
+die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk
+van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat
+hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen
+Heer!"</p>
+
+<p>Toen zeide de Hertog van Bayvier<a name="FNanchor_3_4" id="FNanchor_3_4"></a><a href="#Footnote_3_4" class="fnanchor">[3]</a>: "Laat hen komen&mdash;hier zullen zij
+ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te
+schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en
+strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys<a name="FNanchor_4_5" id="FNanchor_4_5"></a><a href="#Footnote_4_5" class="fnanchor">[4]</a>, met u herwaarts kwamen:
+zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf,
+Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal
+hem kwalijk vergaan:&mdash;tot op zijn sporen zal hem het bloed neêrvloeyen:
+en Eggheric het eerst!"</p>
+
+<p>Deze raad dacht hem goed&mdash;en allen, die het met hem eens waren, wapenden
+zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij
+duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de
+Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden.</p>
+
+<p>Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast.</p>
+
+<p>Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog,
+zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen
+zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf
+blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde
+ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gáder
+had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met
+den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal
+wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo
+als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan
+van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning,
+zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem
+véél: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden
+en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend,
+schande&mdash;gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij,
+noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen,
+dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had&mdash;ik zoû 't hem
+doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu
+vooruittrede, die daar lust in heeft!"</p>
+
+<p>Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om
+Elegast&mdash;boden op boden&mdash;waar hij zich onthield in het woud; en zeide
+hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven
+was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken."
+De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort,
+tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun
+opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij
+de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij
+Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel
+leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo
+waar hij een Christen was, dat, indien God hem ééne bede kon inwilligen,
+hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn
+rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij
+wech.</p>
+
+<p>Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij
+sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten&mdash;den Koning en wie ik
+hier vinde!&mdash;maar Eggheric&mdash;hém groet ik niet! God, die zich om
+onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de
+zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden
+moet hangen&mdash;Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen&mdash;zoo heeft
+Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is;
+want&mdash;mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit
+noodweer gedwongen was."</p>
+
+<p>Toen Elegast dit gezegd had, zoû Eggheric het gaarne gewroken hebben:
+maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet
+hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in
+mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht
+achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag
+van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van
+wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de
+toedracht der zaak."</p>
+
+<p>&mdash;"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er
+vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't
+hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het
+durfde wraken&mdash;dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij
+richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en
+had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter
+handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den
+Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen&mdash;ik
+doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vóór zonne-ondergang, of ik
+zal mijn leven verliezen."</p>
+
+<p>Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't
+zoû ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zoû wagen tegen een
+verbannen dief. Beter zoû hij met boerenlummels kampen dan met mij."
+Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al
+was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij
+vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb
+den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar
+gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook,
+die de schuld aan u wil tijgen."</p>
+
+<p>Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zoû
+ik naar recht met hem leven, ik deed hem door éen mijner knechten
+wechsleepen en hangen bij de keel."</p>
+
+<p>Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven
+dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan
+gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken
+dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard.</p>
+
+<p>Weinig tijds na de noen<a name="FNanchor_5_6" id="FNanchor_5_6"></a><a href="#Footnote_5_6" class="fnanchor">[5]</a> deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat
+zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp
+zoû plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God,
+dat hij den kamp beslissen zoû naar recht en rede. (En God verhoorde
+zijn gebed.)</p>
+
+<p>De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af
+en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe
+schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was."</p>
+
+<p>Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e,
+kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat
+hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter
+nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden
+vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb.
+Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt!
+ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf
+wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in
+uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn
+zonden niet zijn, die mij verslaan zullen&mdash;dan, voorwaar, meen ik wel
+behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik,
+dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik
+u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en
+wildernissen&mdash;mag ik het leven hier afbrengen!"</p>
+
+<p>Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne
+rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende
+zijn paard, dat vóór hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het
+ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.'</p>
+
+<p>Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten
+strijd!)</p>
+
+<p>Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand.
+Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de
+kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte
+geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de
+sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hém, dat
+hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij neêrviel op
+het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het
+zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden,
+U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond&mdash;zoo
+mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot&mdash;'t ware
+jammer, zoo ik het neervelde: menig zoû 't beklagen! Kunt gij er dan al
+zélf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard."</p>
+
+<p>&mdash;"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zoû dezen strijd
+kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen&mdash;al
+kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders
+vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij
+prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zoû maken om u te verslaan."</p>
+
+<p>Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand
+spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had
+gesproken, en steeg in den zadel.</p>
+
+<p>Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield.
+Nooit zag iemant ergens op èenen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren
+hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit
+vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want
+zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij
+bleef toch even goed een Hertog.</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier
+almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde
+brengen, naar recht, en naar rede!"</p>
+
+<p>Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle
+gewicht aan bewerkt rood goud zoû waard zijn geweest: de Koning had 'et
+hem geschonken.</p>
+
+<p>Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de
+bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat
+hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit
+den zadel deed storten.</p>
+
+<p>Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel
+zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs
+zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u
+zoeken."</p>
+
+<p>Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken.</p>
+
+<p>Men sleepte Eggheric voort en hing hem&mdash;en alle verraders tevens: daar
+hielp noch losgeld, noch bede.</p>
+
+<p>Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem
+Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen.</p>
+
+<p>Zoo moge God al onze zaken vóór onze dood ten goede brengen!</p>
+
+
+<div class="figcenter" style="width: 420px;">
+<img src="images/thijm004.jpg" width="420" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_2" id="Footnote_1_2"></a><a href="#FNanchor_1_2"><span class="label">[1]</span></a> De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ...,
+Gallicië en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor
+ingeschoven.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_3" id="Footnote_2_3"></a><a href="#FNanchor_2_3"><span class="label">[2]</span></a> <a name="La_bate_de_devant" id="La_bate_de_devant"></a>La bâte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses
+verticaux. Viollet-le-Duc, <i>Dict. du Mob</i>., II, 372.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_4" id="Footnote_3_4"></a><a href="#FNanchor_3_4"><span class="label">[3]</span></a> Beieren.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_5" id="Footnote_4_5"></a><a href="#FNanchor_4_5"><span class="label">[4]</span></a> Valois.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_6" id="Footnote_5_6"></a><a href="#FNanchor_5_6"><span class="label">[5]</span></a> Het 9e uur na zonsopgang.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="DE_VIER_HEEMSKINDEREN" id="DE_VIER_HEEMSKINDEREN"></a>DE VIER HEEMSKINDEREN.</h3>
+
+<h5>AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.)</h5>
+
+
+<div class="figcenter" style="width: 410px;">
+<img src="images/thijm005.jpg" width="410" alt="" title="" />
+</div>
+
+<h4>HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN.</h4>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_EERSTE_CAPITTEL" id="HET_EERSTE_CAPITTEL"></a>HET EERSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<p>In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren,
+hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte
+hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en
+vrolijkheid.</p>
+
+<p>Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle
+jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van
+Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de
+waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar
+ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was
+Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter
+gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo
+dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie
+te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het
+Keizerrijk&mdash;Geestelijk en Waereldlijk.</p>
+
+<p>Daar waren: onze aardsche Vader&mdash;de Paus van Rome, de Patriarch van
+Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge
+Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000
+Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom<a name="FNanchor_1_7" id="FNanchor_1_7"></a><a href="#Footnote_1_7" class="fnanchor">[1]</a> ter wapen in
+oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen,
+alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed
+waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal:
+want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en
+geneuchlijkste van den jare.</p>
+
+<p>En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan
+men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde
+strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee
+Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller
+aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig
+Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet
+ontbreken en zoude van spijze en drank.</p>
+
+<p>Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in
+zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en
+in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en
+Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters
+zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer
+wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en
+ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne
+Keizerinne, in groote luister en glorie.</p>
+
+<p>En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en
+groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen
+die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete
+woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale
+zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de
+tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in
+Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en
+hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille
+geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer
+Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven
+hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer
+Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze
+begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden."</p>
+
+<p>Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer
+Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor
+hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geëischt, en ik
+hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij
+doen daartoe dat zij mogen!"</p>
+
+<p>En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd
+zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende:
+"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen
+tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben&mdash;men zal groote schande van u
+spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt,
+zal daarin óndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel."
+Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen,
+of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit,
+en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels
+tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar
+wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen
+vernomen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_7" id="Footnote_1_7"></a><a href="#FNanchor_1_7"><span class="label">[1]</span></a> <i>vroom</i>&mdash;moedig.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TWEEDE_KAPITTEL" id="HET_TWEEDE_KAPITTEL"></a>HET TWEEDE KAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn
+ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den
+Rijksban deed. </p></blockquote>
+
+
+<p>Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de
+blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen
+en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen
+verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat
+de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd
+en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken:
+"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal,
+zoo lang als de waereld staat&mdash;al zouden wij alle dood blijven!"</p>
+
+<p>Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders,
+uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen
+en vrienden; hij had spoedig zijn batalië in orde gesteld en had
+ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend
+en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen<a name="FNanchor_1_8" id="FNanchor_1_8"></a><a href="#Footnote_1_8" class="fnanchor">[1]</a> Koning Carel veel te
+hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van
+volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning
+Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemanniërs en
+Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit
+verscheidene oorden&mdash;meer dan ik schrijven kan.</p>
+
+<p>Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn
+en zijne vrienden<a name="FNanchor_2_9" id="FNanchor_2_9"></a><a href="#Footnote_2_9" class="fnanchor">[2]</a> te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en
+te niet te maken.</p>
+
+<p>En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000
+mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders,
+edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit,
+met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot
+'Nerboen! Nerboen!'</p>
+
+<p>Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in
+orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit,
+zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van
+den paerde ter aarde gedragen wierd.</p>
+
+<p>Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome
+mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en
+vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal."
+Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op
+het spel en in gevaar stellen."</p>
+
+<p>Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun
+zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den
+appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk<a name="FNanchor_3_10" id="FNanchor_3_10"></a><a href="#Footnote_3_10" class="fnanchor">[3]</a>,
+tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en
+velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden
+groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man
+bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag
+daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de
+strijd was hevig en fel.</p>
+
+<p>Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed,
+alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere
+nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel
+verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste
+schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage,
+duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige
+mannen.</p>
+
+<p>Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood
+had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van
+Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom
+geveld en verbrand&mdash;om de dood van Heer Huygen.</p>
+
+<p>Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne
+kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden&mdash;maar ik duld ze hier niet
+langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun
+vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep
+Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame&mdash;zoo Koningen,
+Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner
+waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling
+over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden
+met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land
+moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben.</p>
+
+<p>Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen
+mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij
+bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings
+macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten
+hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk
+verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven
+waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen.</p>
+
+<p>Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts
+ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure
+besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk
+nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren
+en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden&mdash;Monniken,
+Priesters, Klerken, Nonnen&mdash;ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tót
+onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder,
+Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van
+Nigromantie<a name="FNanchor_4_11" id="FNanchor_4_11"></a><a href="#Footnote_4_11" class="fnanchor">[4]</a>, daar hij groote schade meê dede. En het goud, dat zij
+roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze
+oorlog duurde zestien jaar.<a name="FNanchor_5_12" id="FNanchor_5_12"></a><a href="#Footnote_5_12" class="fnanchor">[5]</a></p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_8" id="Footnote_1_8"></a><a href="#FNanchor_1_8"><span class="label">[1]</span></a> <i>Lauiven</i>&mdash;Loan, in Picardië.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_9" id="Footnote_2_9"></a><a href="#FNanchor_2_9"><span class="label">[2]</span></a> <i>vrienden</i>&mdash;zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_10" id="Footnote_3_10"></a><a href="#FNanchor_3_10"><span class="label">[3]</span></a> <i>vromelijk</i>&mdash;dapper.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_11" id="Footnote_4_11"></a><a href="#FNanchor_4_11"><span class="label">[4]</span></a> <i>Nigromantie</i>&mdash;zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit
+<i>Νεκρωμαντεια</i></p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_12" id="Footnote_5_12"></a><a href="#FNanchor_5_12"><span class="label">[5]</span></a> <i>Genoten</i>&mdash;het kollegie der XII <i>Pairs</i>, die met Karei te
+recht zaten; zijn staf in den oorlog.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_DERDE_CAPITTEL" id="HET_DERDE_CAPITTEL"></a>HET DERDE CAPITTEL</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van
+Ardennen, om peis met hem te maken. </p></blockquote>
+
+
+<p>De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van
+Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde,
+moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen
+over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met
+Haymijn en zijn volk.</p>
+
+<p>Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij
+Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem
+eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de
+oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden
+u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan
+beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten
+van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij
+hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe
+in wat hun goed docht.</p>
+
+<p>Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij
+schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn
+magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan
+had.</p>
+
+<p>Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot
+Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode,
+opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis
+mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien,
+en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den
+Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen
+aanname over mijn neve!"</p>
+
+<p>Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den
+Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot
+Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn
+neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en
+al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij
+hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij,
+noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'</p>
+
+<p>Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had
+gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden;
+hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn
+vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van
+Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning
+Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat
+zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen
+dochte.</p>
+
+<p>Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene
+hij hun aangezegd en geschreven had&mdash;zij waren des goedwillig den zoen
+aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door
+Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem
+zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat,
+alzoo hij hem bij brieven gemeld had&mdash;dat hij te vrede waar den peis aan
+te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere
+woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert
+kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem
+eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en
+zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis
+en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve,
+gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'</p>
+
+<p>En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge
+Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de
+meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden
+den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het
+andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.</p>
+
+<p>Daar werd ontboden voor den Koning&mdash;Adelbert en Madelgijs: en toen zij
+voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden
+en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om
+aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen
+oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief
+bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn
+zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn
+weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen
+zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.</p>
+
+<p>Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze
+blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij
+cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.</p>
+
+<p>En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis
+kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman,
+met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende
+vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met
+300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor
+Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij
+mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde
+onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft;
+ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als
+Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap
+vereenigd.</p>
+
+
+
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIERDE_CAPITTEL" id="HET_VIERDE_CAPITTEL"></a>HET VIERDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij
+haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat
+hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde. </p></blockquote>
+
+
+<p>Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid
+ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere
+zijde ging Roelant<a name="FNanchor_1_13" id="FNanchor_1_13"></a><a href="#Footnote_1_13" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+<p>Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede
+Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf
+hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning
+ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte
+over zijn neve, hij zoû hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te
+betalen.'</p>
+
+<p>Intusschen kende Koning Carel&mdash;Haymijn en zijnen magen toe wat zij
+zouden winnen op de Heidenen<a name="FNanchor_2_14" id="FNanchor_2_14"></a><a href="#Footnote_2_14" class="fnanchor">[2]</a>, dat ze 't vrij houden mochten, zonder
+van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn
+vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den
+zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk
+'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname
+aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en
+dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met
+hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar
+Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot
+Parijs.</p>
+
+<p>En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont,
+toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden
+en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en
+wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener
+waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels
+zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken
+waar ik mag aan lijf en goed!"</p>
+
+<p>Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer
+leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En
+Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.</p>
+
+<p>Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar
+werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en
+geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat&mdash;maar Vrouwe Aye niet; zij was
+zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.</p>
+
+<p>Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne
+waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter
+rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne,
+en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij
+dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle
+Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was
+zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en
+ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.</p>
+
+<p>Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij
+ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
+geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij
+het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.</p>
+
+<p>Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een
+klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van
+kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.</p>
+
+<p>Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van
+een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de
+gevaders waren Bisschop Tulpijn<a name="FNanchor_3_15" id="FNanchor_3_15"></a><a href="#Footnote_3_15" class="fnanchor">[3]</a> en Grave Willem<a name="FNanchor_4_16" id="FNanchor_4_16"></a><a href="#Footnote_4_16" class="fnanchor">[4]</a>; en het kind werd
+heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk
+gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't
+toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne
+wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't
+vernam.</p>
+
+<p>Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij
+was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den
+zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar
+kerkgang gedaan.</p>
+
+<p>En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't
+verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat
+kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.</p>
+
+<p>Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en
+Adelaert werd hij genaamd.</p>
+
+<p>Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar
+bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen
+dat Haymijn dood was.</p>
+
+<p>Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend
+paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw
+hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte,
+en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem
+wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook,
+blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de
+zale.</p>
+
+<p>En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had
+Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier
+was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den
+sperwer.</p>
+
+<p>Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en
+Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij
+vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.</p>
+
+<p>Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands
+verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning
+Carel.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_13" id="Footnote_1_13"></a><a href="#FNanchor_1_13"><span class="label">[1]</span></a> <i>Roeland</i>:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_14" id="Footnote_2_14"></a><a href="#FNanchor_2_14"><span class="label">[2]</span></a> <i>Heidenen</i>: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_15" id="Footnote_3_15"></a><a href="#FNanchor_3_15"><span class="label">[3]</span></a> <i>Bisschop Tulpijn</i>: mede een van Carels Pairs of Genoten,
+die den Rijksraad uitmaakten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_16" id="Footnote_4_16"></a><a href="#FNanchor_4_16"><span class="label">[4]</span></a> <i>Willem</i>: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van
+Gellone.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIJFDE_CAPITTEL" id="HET_VIJFDE_CAPITTEL"></a>HET VIJFDE CAPITTEL</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen
+Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet
+wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede
+ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en
+hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat
+hij vier Kinderen hadde&mdash;'t welk hem zeer
+verwonderde&mdash;en hoe hij hem bereidde ze Ridder te
+slaan. </p></blockquote>
+
+
+<p>Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof
+hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke
+en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen,
+Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem
+in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen
+gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u
+is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde&mdash;alzoo dat ik voortaan de
+wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in
+ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom
+wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone
+Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet
+als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."</p>
+
+<p>Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning,
+het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is
+Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd&mdash;'t en kan nochtans
+niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."</p>
+
+<p>Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik
+hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk,
+van heel Christenrijk!"</p>
+
+<p>Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier
+ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van
+den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn
+goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes
+weken: 't was daarom, dat hij menige&mdash;overmoedige krijgstocht tegen uw
+volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde
+en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud
+daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de
+voeten mede."</p>
+
+<p>En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel:
+"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne
+en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren
+geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij
+de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet
+voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen
+is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden,
+magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze
+doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om
+Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden
+wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."</p>
+
+<p>Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet,
+is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt
+terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem
+zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot
+borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en
+verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."</p>
+
+<p>Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht
+die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden
+zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"</p>
+
+<p>Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant,
+Willem van Orangiën<a name="FNanchor_1_17" id="FNanchor_1_17"></a><a href="#Footnote_1_17" class="fnanchor">[1]</a>, Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning
+stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?'
+'t Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met
+kostelijke tuigen van goud en zijde.</p>
+
+<p>Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne
+paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te
+paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de
+hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte,
+zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land,
+en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden:
+daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.</p>
+
+<p>En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn
+kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de
+uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen
+verraad en oploop.</p>
+
+<p>Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield
+den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders
+komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn
+Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem
+van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder;
+de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die
+mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit
+oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.&mdash;Zij moeten
+iets gewichtigs te boodschappen hebben."</p>
+
+<p>Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe,"
+zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer
+Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe
+de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor
+den overmoedigsten man der waereld."</p>
+
+<p>Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op
+zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en
+kostelijken blioud<a name="FNanchor_2_18" id="FNanchor_2_18"></a><a href="#Footnote_2_18" class="fnanchor">[2]</a> van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij
+hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de
+knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij
+hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke
+Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.</p>
+
+<p>De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het
+binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders,
+Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo
+stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de
+vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet
+verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete
+woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u
+noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent
+niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge;
+hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig
+nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van
+Christenrijk."</p>
+
+<p>Haymijn hoorde wel het gesprokene&mdash;maar andwoordde niet. Als hij zijne
+vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn
+verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner
+eere, mogen nêerslaan&mdash;ze zouden hem niet ontkomen zijn.</p>
+
+<p>Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij
+u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te
+kroonen.&mdash;Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne
+veroordeeling, toch andwoord geven!"</p>
+
+<p>Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan.
+Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam
+eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide:
+"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw
+schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"</p>
+
+<p>Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en
+heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.</p>
+
+<p>Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer,
+wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van
+Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt&mdash;is dorperheid...." En eer zij
+het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de
+hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en
+zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen
+spreken&mdash;schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was
+uitgebroken.</p>
+
+<p>En hierbij stonden de vier ridders&mdash;Grave Roelant en Bertram de
+krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en
+zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend
+binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo
+gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en
+haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche
+Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een
+vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde
+hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen
+antwoord!"</p>
+
+<p>En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te
+zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de
+ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de
+ongelukkigste vrouw ter waereld."&mdash;"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.</p>
+
+<p>"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig
+jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een
+kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn
+land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen
+doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen
+zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij
+mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van
+hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van
+hen gegrepen&mdash;God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden.
+Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;...
+liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû."</p>
+
+<p>Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij
+kinderen hadt, luttel of vele&mdash;zoudt gij ze dooden?"&mdash;"Voorwaar," zegt
+hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en
+behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen&mdash;zijn lieven kroost, dat
+hij voor al de waereld bemint!"&mdash;"Zoo waren het dan verloren eeden, die
+gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden
+zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"&mdash;"Woorden, hetzij door
+dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen
+waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik&mdash;God
+betere 't!"</p>
+
+<p>&mdash;"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw
+kinderen vreedzaam bejegenen zult&mdash;wilde 't geval, dat gij er vondt."</p>
+
+<p>Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen;
+maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen&mdash;want ik weet
+niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."</p>
+
+<p>Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met
+mij&mdash;gij zult ze zien!"</p>
+
+<p>Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging
+met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij
+name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de
+zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen&mdash;daar hem zeer naar
+verlangde.'</p>
+
+<p>Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen
+waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.</p>
+
+<p>Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier
+niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer
+stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en
+Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat
+gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels
+geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij
+noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier
+den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van
+opstonden!"</p>
+
+<p>Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die
+tale staakt."&mdash;"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout
+trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen
+heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar
+wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet
+zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij
+Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker&mdash;hij is zoo wreed en
+hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend
+volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."</p>
+
+<p>Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met
+toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden&mdash;Haymijn&mdash;die ellendige? des
+zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet
+een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden&mdash;en
+dien Haymijn het eerst!"</p>
+
+<p>Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en
+zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik
+zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"</p>
+
+<p>&mdash;"En van de anderen twijfelt gij?"</p>
+
+<p>Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van
+herten."</p>
+
+<p>Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht,
+dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer.
+Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem
+over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet
+gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier
+eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."</p>
+
+<p>Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde
+hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met
+een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel
+jonkman, en wil mij niet slaan&mdash;ik ben dijn Vader; van dezen avond zal
+ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?&mdash;&mdash;zoo
+ware mij leed, dat ik had geslagen."</p>
+
+<p>Het eerste kuste Haymijn&mdash;Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en
+Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard
+aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.</p>
+
+<p>"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u
+euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."</p>
+
+<p>Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere
+waerd zijt Ridder te worden."&mdash;"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij
+behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en
+sterk&mdash;zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten
+Hove."</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_17" id="Footnote_1_17"></a><a href="#FNanchor_1_17"><span class="label">[1]</span></a> <i>Willem van Orangiën</i>: deze Paladijn, uit het Huis van
+Narbonne, en Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden,
+dienden dus toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar
+hield het geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_18" id="Footnote_2_18"></a><a href="#FNanchor_2_18"><span class="label">[2]</span></a> <i>blioud</i>: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie
+Viollet le Duc, op het woord <i>Bliaut</i> (Dict. du mob., III, I, 38&mdash;60).</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZESDE_CAPITTEL" id="HET_ZESDE_CAPITTEL"></a>HET ZESDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en
+hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat
+berijden, dat vele Heeren aanzagen. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij
+spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem
+komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer
+kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem
+'t zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet
+op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken,
+dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele
+ongerechte daden bedreven&mdash;dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een
+vroom Ridder, heusch<a name="FNanchor_1_19" id="FNanchor_1_19"></a><a href="#Footnote_1_19" class="fnanchor">[1]</a> in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch
+land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen
+en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft.
+Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb
+t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij
+daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij
+op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."</p>
+
+<p>Toen liet Haymijn&mdash;Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand,
+zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde
+hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien
+men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden
+ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om
+Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch
+kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij
+moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."</p>
+
+<p>Daarna maakte Haymijn&mdash;Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den
+anderen Kinderen gezeid had.</p>
+
+<p>Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede
+was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn
+in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide
+Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een
+Espetijn<a name="FNanchor_2_20" id="FNanchor_2_20"></a><a href="#Footnote_2_20" class="fnanchor">[2]</a>: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt
+hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en
+Valencijn<a name="FNanchor_3_21" id="FNanchor_3_21"></a><a href="#Footnote_3_21" class="fnanchor">[3]</a>, maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te
+vechten."</p>
+
+<p>Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor
+het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden
+ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout
+dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg
+'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij
+zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en
+tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van
+Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u
+voorbracht."</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm006.jpg" width="400" alt="De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is
+dood, ziet daar ligt hij." title="" />
+<p class="illus">De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is
+dood, ziet daar ligt hij.</p>
+</div>
+
+<p>Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat
+Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude
+dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen
+bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij
+sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde,
+dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout
+op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.</p>
+
+<p>Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone,
+bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht
+van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft
+er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een
+dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met
+nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert
+zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen
+kunnen korten, in de vlucht."</p>
+
+<p>Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende:
+"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"</p>
+
+<p>Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u,
+want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft
+een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."</p>
+
+<p>&mdash;"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware
+groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak:
+"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als
+Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met
+zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand
+eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.</p>
+
+<p>Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout
+vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en
+Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te
+zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men
+den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het
+Ros, en ik zal het u geven."</p>
+
+<p>Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de
+staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg
+Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter
+aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.</p>
+
+<p>Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende:
+"Och, mijn kind is dood!"</p>
+
+<p>Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter
+dan dy."</p>
+
+<p>De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar
+ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en
+ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."</p>
+
+<p>Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft
+zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch
+Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij
+zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de
+kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op
+de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den
+toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd
+omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus
+wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende,
+dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee
+scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen
+van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.</p>
+
+<p>Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen
+en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En
+Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde
+grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout
+een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was
+sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had.
+Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet.
+Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.</p>
+
+<p>Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn
+goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen
+en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan
+spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en
+breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden
+schutbladen<a name="FNanchor_4_22" id="FNanchor_4_22"></a><a href="#Footnote_4_22" class="fnanchor">[4]</a>, die zeer kostelijk waren.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_19" id="Footnote_1_19"></a><a href="#FNanchor_1_19"><span class="label">[1]</span></a> <i>heusch-, hoofsch-, hoveschheid</i> is het tegenovergestelde
+van <i>dorperheid,</i> en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in
+de form.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_20" id="Footnote_2_20"></a><a href="#FNanchor_2_20"><span class="label">[2]</span></a> <i>Espetijn (erspentijn, serpent?)</i>: draak.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_21" id="Footnote_3_21"></a><a href="#FNanchor_3_21"><span class="label">[3]</span></a> <i>Montagu</i> en <i>Valencijn (Valenciennes)</i>. In sommige
+bronnen: heet dit laatste <i>Valkensteyn.</i></p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_22" id="Footnote_4_22"></a><a href="#FNanchor_4_22"><span class="label">[4]</span></a> <i>Schutbladen</i>: zie de <a href="#La_bate_de_devant">noot 2</a> bij Carel en Elegast.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZEVENDE_CAPITTEL" id="HET_ZEVENDE_CAPITTEL"></a>HET ZEVENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove
+kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe
+Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van
+Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart<a name="FNanchor_1_23" id="FNanchor_1_23"></a><a href="#Footnote_1_23" class="fnanchor">[1]</a> en Kok, dat men
+Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle
+zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf
+hij niet. </p></blockquote>
+
+
+<p>De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen,
+en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al
+wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn
+Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren
+voorzien van eene volledige uitrusting.</p>
+
+<p>Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden
+ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar
+kwamen zij te Parijs<a name="FNanchor_2_24" id="FNanchor_2_24"></a><a href="#Footnote_2_24" class="fnanchor">[2]</a>.</p>
+
+<p>Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur
+sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij
+hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus
+genaakten zij ten Hove.</p>
+
+<p>Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk
+gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning
+Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn
+alzoo gedaan heeft.</p>
+
+<p>Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te
+trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en
+hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u
+haat en die u doodvijand is?"&mdash;"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik
+wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij
+moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."</p>
+
+<p>Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat
+ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij
+andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den
+Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en
+zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.</p>
+
+<p>Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning
+blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des
+dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch
+Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste
+in dertig jaren, dat de Koning&mdash;Haymijn ongewapend had gezien. Roelant
+bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad
+Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met
+Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'</p>
+
+<p>En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder
+Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste
+jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het
+verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast
+hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner
+van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.</p>
+
+<p>Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men
+ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze
+gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of
+niet."</p>
+
+<p>Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete
+u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij
+malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij
+dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."&mdash;"Voorwaar!" zeide Reinout:
+"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen
+met mijn lijf&mdash;maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur
+genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander
+Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was
+hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon
+landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde
+hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en
+ik élk begiftigen zal&mdash;zoo zal ik u niet geven!"</p>
+
+<p>Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik
+heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"</p>
+
+<p>Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel
+zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot
+uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met
+kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en
+Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk
+onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.</p>
+
+<p>Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men
+Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig
+Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd
+de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner
+waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar
+de honden meest liggen&mdash;zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een
+ieder werd gediend van spijs en drank&mdash;maar Haymijns kinderen gaf men
+niet.</p>
+
+<p>Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en
+zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep
+met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den
+voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit
+ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels
+name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat
+hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen,
+en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den
+Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout
+liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier
+is genoeg van alles."</p>
+
+<p>Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij
+vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.'
+Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder;
+daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets
+gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar
+sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn
+rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet
+verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok
+niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij&mdash;het
+blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den
+Koning, zwegen zij en gingen heen.</p>
+
+<p>Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de
+Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal
+hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het
+stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over
+de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt
+misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap&mdash;ik zegge u
+voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout
+zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder
+misdoen; sloegt gij mij&mdash;uw doodsuur lag daaraan."</p>
+
+<p>Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij
+nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout
+schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg
+den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode
+lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.</p>
+
+<p>Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij,
+die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik
+beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het
+zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl
+het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning
+weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was
+niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.</p>
+
+<p>Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en
+allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.</p>
+
+<p>Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk
+voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een
+bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.</p>
+
+<p>Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier
+nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten
+alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van
+ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde
+waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij
+vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den
+vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan
+toe&mdash;zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn
+broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.</p>
+
+<p>Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen
+bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun
+gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit
+hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt
+over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit
+hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.</p>
+
+<p>Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk
+aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren,
+gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met
+menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.</p>
+
+<p>De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en
+twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden
+zich bij hen.</p>
+
+<p>Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat
+op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een
+richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij
+Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek
+gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer
+over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder
+tijd!"</p>
+
+<p>De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop,
+insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen
+regen hem zijne mouwen vast.</p>
+
+<p>Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of
+zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen,
+opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen
+heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert&mdash;Drossaart,
+Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.</p>
+
+<p>Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de
+kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven<a name="FNanchor_3_25" id="FNanchor_3_25"></a><a href="#Footnote_3_25" class="fnanchor">[3]</a>, opdat
+hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet
+langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk
+ter kerke.</p>
+
+<p>Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk
+boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.</p>
+
+<p>Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk
+getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar
+hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.</p>
+
+<p>Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte
+Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men
+mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.</p>
+
+<p>Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en
+vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd
+geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de
+Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.</p>
+
+<p>Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een
+bezant<a name="FNanchor_4_26" id="FNanchor_4_26"></a><a href="#Footnote_4_26" class="fnanchor">[4]</a> van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten;
+toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en
+offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.</p>
+
+<p>Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij
+geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en
+hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den
+autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met
+vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En
+ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.</p>
+
+<p>Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn
+lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong,
+bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot
+en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.</p>
+
+<p>Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd
+had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte
+beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner
+onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief
+zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten,
+zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot
+zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij
+t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû
+spreken.</p>
+
+<p>Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene
+zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem,
+en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna
+groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met
+zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en
+hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.</p>
+
+<p>Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove
+gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten
+Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte.
+Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in
+de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee
+Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met
+zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle
+ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men
+dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove
+vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk
+er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren
+speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best
+mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant
+de tijd verdroot.</p>
+
+<p>Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en
+Vorsten.</p>
+
+<p>Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of
+leenen ontvangen wilden, hem volgden&mdash;hij zoude elk na zijnen staat
+mildelijk beschenken."</p>
+
+<p>Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een
+bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en
+gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na
+dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant
+of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren;
+luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.</p>
+
+<p>Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove,
+zonder zij alleen&mdash;en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen
+zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave
+Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en
+ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde
+lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij
+hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft
+gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften;
+en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij
+niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan
+de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders
+hem iets misdaan hebben."</p>
+
+<p>Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met
+hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of
+geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo
+eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne
+Kinderen en bracht ze voor den Koning.</p>
+
+<p>En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en
+groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden:
+"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste
+van uw broederen&mdash;het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik
+zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij
+van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in
+Poelgiën<a name="FNanchor_5_27" id="FNanchor_5_27"></a><a href="#Footnote_5_27" class="fnanchor">[5]</a>; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert,
+derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is
+schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide
+hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van
+Artezië, Angrico<a name="FNanchor_6_28" id="FNanchor_6_28"></a><a href="#Footnote_6_28" class="fnanchor">[6]</a> en Blois."</p>
+
+<p>Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen
+Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en
+kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.</p>
+
+<p>Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en
+gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns
+kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.</p>
+
+<p>Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn
+tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw
+giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw
+Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet
+toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun
+binnen kort weder nemen!"</p>
+
+<p>Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn
+Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een
+steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu
+ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."</p>
+
+<p>Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog
+eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer
+verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel&mdash;'t zal zich-zelf
+openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig
+jaar&mdash;wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als
+gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en
+sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik
+'t niet om mijn eigen eer&mdash;ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer
+vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den
+steen!"</p>
+
+<p>Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den
+steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig
+Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel
+Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk
+ontwierp hem een voet<a name="FNanchor_7_29" id="FNanchor_7_29"></a><a href="#Footnote_7_29" class="fnanchor">[7]</a>; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den
+prijs.</p>
+
+<p>Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo
+zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge
+grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij
+zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed&mdash;hij zoû u trekken bij
+den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu
+Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u
+beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het
+land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning
+Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt
+slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót
+u."&mdash;"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone
+Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst
+met mij werpen."</p>
+
+<p>Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten
+hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne
+kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen
+Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen
+liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide:
+"Vader! wat is u misdaan?&mdash;ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed
+verliezen."</p>
+
+<p>Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik
+stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te
+spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht,
+schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male.
+Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er
+nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den
+steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren
+moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij
+mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet
+wreekt, en den steen om het verste werpt met hem&mdash;-ik zal het besterven.
+Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar
+blijven."</p>
+
+<p>&mdash;"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is
+onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige
+daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner
+jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."</p>
+
+<p>"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke
+droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den
+steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."</p>
+
+<p>Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns
+vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem
+in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"</p>
+
+<p>Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk
+was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende
+Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.</p>
+
+<p>En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag.
+Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan
+Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van
+Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn
+worp overdoen&mdash;en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan
+hij!</p>
+
+<p>Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk
+wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het
+hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond
+gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen
+had.</p>
+
+<p>Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.</p>
+
+<p>Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.</p>
+
+<p>En Lodewijk nam den steen nog éen maal&mdash;en konde hem zoo ver niet werpen
+als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en
+monde uitsprong.</p>
+
+<p>Haymijn zag naar Reinout&mdash;dat hij zijn krachten aan den steen zoude
+toonen.</p>
+
+<p>Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen
+langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den
+steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.</p>
+
+<p>En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den
+steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen
+menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep:
+"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"</p>
+
+<p>En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven
+Reinout den prijs.</p>
+
+<p>En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen,
+die ge zijt! dwazen, die een huurling&mdash;die om geld gehuurd is (deze hier
+geve hem al uit voor zijn zoon!)&mdash;dus lofprijst! Een grove dorper zij
+soms zoo sterk als een Edeling&mdash;des is hij nog geen prijzens waerd."</p>
+
+<p>Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot
+Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."&mdash;Toen lachte Reinout en
+zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"&mdash;"Zegt mij, zone!" sprak
+Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten
+volle getoond&mdash;ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér
+ontworpen."</p>
+
+<p>En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde
+zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.</p>
+
+<p>Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat
+waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning
+groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen?
+Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat
+u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u.
+Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal&mdash;gaat dan in den
+boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen
+en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne
+Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en
+moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en
+kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan
+hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot
+Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij
+u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het
+niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan
+gij. En wil hij dan daartegen opkomen&mdash;zoo zult gij zeggen, dat drie van
+ons het gehoord hebben; en is 't van noode&mdash;wij zullen er nog wel meer
+toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene
+over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr,
+zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal
+zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen
+hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen<a name="FNanchor_8_30" id="FNanchor_8_30"></a><a href="#Footnote_8_30" class="fnanchor">[8]</a>. En
+aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en
+dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal
+durven doen."</p>
+
+<p>Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad,
+en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die
+'t schaakbord beter verstaat dan ik."</p>
+
+<p>Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een
+venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de
+Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde
+drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn,
+en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk,
+zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij
+van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de
+oogen neder en sprak niet.</p>
+
+<p>Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist
+niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan,
+dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den
+Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den
+muur sprong.</p>
+
+<p>Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen
+zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben
+vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar
+mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en
+Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den
+steen&mdash;maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester
+van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het
+wonder, dat ik toornig ben?"</p>
+
+<p>Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik
+God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken:
+en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't
+mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"</p>
+
+<p>&mdash;"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk&mdash;"maar ik eisch,
+dat ge mij volgt in een kamer&mdash;daar zullen wij een ander spel beginnen."
+Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in
+de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen
+zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te
+kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede
+oorkondden, en zeiden dat het waar was.</p>
+
+<p>Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet
+ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men
+bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.</p>
+
+<p>Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst
+zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen
+hoofd."</p>
+
+<p>Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo
+kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd
+zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten&mdash;dat
+doe ik gaerne!"</p>
+
+<p>Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik
+zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om
+uw hoofd en 'et mijne!"</p>
+
+<p>Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods
+Name&mdash;moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe
+ik mijn wil, want ware Lodewijk dood&mdash;ik droege nog eenmaal de kroon te
+Parijs." Lodewijk had den eersten zet&mdash;om dat hij des daags Koning
+gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder<a name="FNanchor_9_31" id="FNanchor_9_31"></a><a href="#Footnote_9_31" class="fnanchor">[9]</a>;
+zij namen elkander een Oude<a name="FNanchor_10_32" id="FNanchor_10_32"></a><a href="#Footnote_10_32" class="fnanchor">[10]</a>. Adelaert zei: "God ontferme zich
+mijner! mijn ongeluk is groot."</p>
+
+<p>De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen
+toon: "Had uw broeder den prijs van den steen&mdash;hier blijf ik uw meerder:
+in waarheid, ik voorzet 'et u&mdash;ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen
+afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning,
+zoo gij mijn hoofd wonnet&mdash;en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De
+Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor,
+ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"</p>
+
+<p>Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw
+bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder
+schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et
+hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots<a name="FNanchor_11_33" id="FNanchor_11_33"></a><a href="#Footnote_11_33" class="fnanchor">[11]</a>," zeide
+Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat
+hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden
+het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"</p>
+
+<p>Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met
+de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En
+Adelaert won vijf spelen achter-een.</p>
+
+<p>Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op,
+zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb
+gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer
+speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem
+verdroot uw leven."</p>
+
+<p>De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in
+'t aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper,
+zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne
+verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield
+ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.</p>
+
+<p>Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij
+Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie
+heeft u geslagen?"</p>
+
+<p>Adelaert andwoordde: "Niemant!"&mdash;"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult
+'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag."
+&mdash;"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede
+gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."</p>
+
+<p>Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd.
+Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst
+en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal,
+om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg
+'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit
+hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo
+gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp
+mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het
+zwaard op.</p>
+
+<p>Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel
+broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven&mdash;maar niet van uwe
+hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk
+beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't
+zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar
+kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning
+drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan;
+als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't
+schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen
+weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande
+houden&mdash;ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij
+der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en
+Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren
+zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over
+zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een
+schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding
+spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf
+spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op
+Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet
+meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't
+hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het
+schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."</p>
+
+<p>Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke
+dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_23" id="Footnote_1_23"></a><a href="#FNanchor_1_23"><span class="label">[1]</span></a> <i>Drossaart</i>:(hier) huismeyer, spijsverzorger,
+scbotelschikker.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_24" id="Footnote_2_24"></a><a href="#FNanchor_2_24"><span class="label">[2]</span></a> Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt
+gewoonlijk voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer,
+dat Dr. J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_25" id="Footnote_3_25"></a><a href="#FNanchor_3_25"><span class="label">[3]</span></a> <i>Markgrave</i> beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker
+is; hier zoû het zijn&mdash;bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het
+volk.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_26" id="Footnote_4_26"></a><a href="#FNanchor_4_26"><span class="label">[4]</span></a> <i>bezant: een</i> muntstuk.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_27" id="Footnote_5_27"></a><a href="#FNanchor_5_27"><span class="label">[5]</span></a> <i>Poelgiën</i>, Apulië.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_28" id="Footnote_6_28"></a><a href="#FNanchor_6_28"><span class="label">[6]</span></a> <i>Angrico</i>, Angers.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_29" id="Footnote_7_29"></a><a href="#FNanchor_7_29"><span class="label">[7]</span></a> <i>ontwierp hem een voet</i>: wierp een voet verder dan hij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_30" id="Footnote_8_30"></a><a href="#FNanchor_8_30"><span class="label">[8]</span></a> <i>te verdingen</i>: af te kopen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_31" id="Footnote_9_31"></a><a href="#FNanchor_9_31"><span class="label">[9]</span></a> <i>Ridder</i>: paard.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_32" id="Footnote_10_32"></a><a href="#FNanchor_10_32"><span class="label">[10]</span></a> <i>Oude</i>: raadsheer.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_33" id="Footnote_11_33"></a><a href="#FNanchor_11_33"><span class="label">[11]</span></a> <i>Rots</i>: kasteel.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ACHTSTE_CAPITTEL" id="HET_ACHTSTE_CAPITTEL"></a>HET ACHTSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout&mdash;Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed
+in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen
+werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe
+Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze
+Koning Carel gevangen zoû leveren. </p></blockquote>
+
+
+<p>Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe
+Adelaert met Lodewijk gevaren was&mdash;van 't begin tot het einde. Toen
+Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende,
+en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet
+en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.</p>
+
+<p>Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en
+als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil&mdash;ik zal 'et
+hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich
+Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen
+een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij
+verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.</p>
+
+<p>Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in
+der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.</p>
+
+<p>Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij
+Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten.
+Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém
+eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep
+Reinout&mdash;Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd
+bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning
+Carels aangezicht sprong.</p>
+
+<p>En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne
+oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en
+riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen!
+die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het
+geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich
+haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis
+en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en
+reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van
+wapenen, op een schoone vlakte.</p>
+
+<p>Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"&mdash;"Geef mij
+Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het
+vlieden is ons geen schande&mdash;want Carel is onze Koning!"&mdash;"Dat en zal
+niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te
+vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij
+overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant
+vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"</p>
+
+<p>Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert&mdash;vertrouwen en
+blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem
+verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en
+blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en
+hun vijand klein achtten.</p>
+
+<p>Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast
+den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak
+den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den
+paerde viel.</p>
+
+<p>Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den
+zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde
+Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en
+menigen vijand onder den voet reed.</p>
+
+<p>Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in
+het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag
+niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat
+hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op
+hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen
+moest.</p>
+
+<p>Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze
+nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet
+vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus
+doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht
+dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir
+volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet
+waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels
+en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo
+snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't
+hem zeer leed.</p>
+
+<p>Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er
+veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien
+sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn!
+geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het,
+met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop
+tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde:
+"Indien men hem ving&mdash;ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de
+Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan
+was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel
+zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen
+verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen
+had'.</p>
+
+<p>Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem
+terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat
+waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit
+geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant:
+"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy
+hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo
+groote vromigheid<a name="FNanchor_1_34" id="FNanchor_1_34"></a><a href="#Footnote_1_34" class="fnanchor">[1]</a> gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning
+Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen;
+'t koste dat 't mag."</p>
+
+<p>Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij
+Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het
+voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"&mdash;"Neen ik," zeide
+Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat
+men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle
+om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden
+verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb
+hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat
+ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u
+misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad
+zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en
+moeder wijten?"</p>
+
+<p>&mdash;"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem
+kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat
+zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het
+hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen
+den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk
+hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en
+liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den
+Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen
+van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_34" id="Footnote_1_34"></a><a href="#FNanchor_1_34"><span class="label">[1]</span></a> <i>vromigheid: prouesse</i>.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_NEGENDE_CAPITTEL" id="HET_NEGENDE_CAPITTEL"></a>HET NEGENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in
+Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning
+Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte,
+om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's
+Konings Volk, die hun Koning wreken wilden. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids
+de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel
+te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar
+gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder
+waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was,
+"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."</p>
+
+<p>Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op
+dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was,
+en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat
+hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des
+Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels
+zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer
+bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen
+blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want
+zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij
+spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.</p>
+
+<p>De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij
+dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood
+wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe,
+de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze
+doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier
+met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van
+noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren
+werwaards zij hunnen weg zouden nemen.</p>
+
+<p>Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning
+Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen
+schreiden om hun wechreizen.</p>
+
+<p>Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij
+den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning
+verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag
+komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem
+waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te
+blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen
+ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel
+dat men de valbrug nederliete.</p>
+
+<p>De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet.
+Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en
+hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn
+broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."&mdash;"Wildy
+gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat,
+Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God
+Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn
+kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen
+Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen
+zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en
+zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar
+uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij
+bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik
+hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij
+blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden
+van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat,
+dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't
+kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.</p>
+
+<p>Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar,
+en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden,
+vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht
+noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning,
+dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en
+dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf
+men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en
+zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem
+het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig
+aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en
+wisten wij niet, waar ons te onthouden."&mdash;"Wat is ons aan dit verblijf
+gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het
+zoude onder onze handen koper worden."</p>
+
+<p>Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem,
+dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet&mdash;het zal
+hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen."
+De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en
+als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning,
+mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven
+hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide:
+"Zeg uw Heeren&mdash;inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!&mdash;dat ik ze
+noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve
+vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal
+doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte
+de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de
+Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem
+met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem
+daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en
+liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.</p>
+
+<p>Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy
+dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout
+hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet,
+Heer!"&mdash;"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze
+have<a name="FNanchor_1_35" id="FNanchor_1_35"></a><a href="#Footnote_1_35" class="fnanchor">[1]</a> eischtet?"&mdash;"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet
+meer een penning."&mdash;"Zeide hij dat?" riep Reinout.&mdash;"Ja hij, Heere! en
+hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche
+ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart
+dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet
+mij in 'et vuur."</p>
+
+<p>Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide:
+"Ik beveel u en Writsaert&mdash;Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal
+en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét
+mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels
+slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij
+ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn
+hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."</p>
+
+<p>&mdash;"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat
+beters!"&mdash;"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere
+daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en
+Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.</p>
+
+<p>Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert
+vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg.
+"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints
+wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel
+hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een
+spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer
+het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze
+nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die
+slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders
+niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem
+stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet
+kleeden&mdash;geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u
+kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen
+daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede,
+dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog
+berouwen!"</p>
+
+<p>De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik
+zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave
+u kleederen noch schat."</p>
+
+<p>Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om
+dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen
+hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!&mdash;Maakt u des wech&mdash;men geeft u niet
+een mijte!"</p>
+
+<p>&mdash;"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die
+woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe
+trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en
+zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....&mdash;</p>
+
+<p>"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons
+inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en
+gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het
+binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof
+groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat
+geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar
+Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn
+gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en
+'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote
+felheid.</p>
+
+<p>Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout
+te paerd gezeten&mdash;en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met
+machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en
+Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den
+buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij
+Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros
+verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders
+wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot,
+zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat
+zij veel volks versloegen.</p>
+
+<p>Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te
+dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af
+sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij
+Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in
+stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om
+zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen&mdash;en
+hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert
+sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd
+was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren
+moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus
+reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij
+stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde
+hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.</p>
+
+<p>"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn
+bedwang&mdash;nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te
+sneven."&mdash;"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan
+niet zijn!"</p>
+
+<p>Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo
+lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden
+vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de
+goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en
+konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren
+zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van
+overbleef.</p>
+
+<p>"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak
+Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed,"
+zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."</p>
+
+<p>&mdash;"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker
+verblijf."&mdash;"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.&mdash;"Bij Ywein van
+Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand,
+daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste
+van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan,"
+ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en
+er een goed verblijf vinden."</p>
+
+<p>"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.</p>
+
+<p>"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.</p>
+
+<p>Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat
+zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.</p>
+
+<p>In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert
+zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat
+Yweins slot."&mdash;"Welk is 'et?" zeide Reinout. &mdash;"Naast aan de rotsen; bij
+dat woud: dat hooge kasteel&mdash;daarginds &mdash;met dien breeden ringmuur en
+die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"</p>
+
+<p>&mdash;"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en
+elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders;
+legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij
+elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij
+namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.</p>
+
+<p>Zij spoedden zich onverpoosd voort.</p>
+
+<p>Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de
+wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden
+zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de
+Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide
+hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend
+nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij
+God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"</p>
+
+<p>Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar
+de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden &mdash;om hen te zien
+en het Ros met de schoone gestalte.</p>
+
+<p>Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de
+Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem
+te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd
+voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem
+neder.</p>
+
+<p>"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en
+dag, en u uit ál ons vermogen helpen."</p>
+
+<p>Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten
+mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."&mdash;"Dat loone u God!"
+sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." &mdash;"Zoo 't u
+gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."&mdash;"Al-te-gader,"
+zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn,
+de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere
+Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel
+ridder. Nu kent gij onze namen."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_35" id="Footnote_1_35"></a><a href="#FNanchor_1_35"><span class="label">[1]</span></a> <i>have</i>: goed.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TIENDE_CAPITTEL" id="HET_TIENDE_CAPITTEL"></a>HET TIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan
+met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe
+Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich
+versterkte tegen den grooten Koning Carel van
+Frankrijk. </p></blockquote>
+
+
+<p>Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen
+maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde,
+dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter
+genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen
+wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne
+wonden genezen waren.</p>
+
+<p>Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun
+knijven en zwaerden vervegen<a name="FNanchor_1_36" id="FNanchor_1_36"></a><a href="#Footnote_1_36" class="fnanchor">[1]</a>: hunne harnasplaten waren mede
+vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe,
+prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in
+den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros
+Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de
+goede Ridders zaten moedig op.</p>
+
+<p>Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar
+het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit
+Ywein groote schade gedaan werd.</p>
+
+<p>Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij
+binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.</p>
+
+<p>Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in
+zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan
+drie jaren.</p>
+
+<p>Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en
+heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij
+erfschap gekomen ware.</p>
+
+<p>De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner
+steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem
+dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met
+goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.</p>
+
+<p>Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar
+kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu
+zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem
+aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen
+zone Lodewijk zoû uitleveren."</p>
+
+<p>Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning &mdash;en
+spoedig bracht men hem voor Ywein.</p>
+
+<p>"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel,
+de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."</p>
+
+<p>De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond<a name="FNanchor_2_37" id="FNanchor_2_37"></a><a href="#Footnote_2_37" class="fnanchor">[2]</a> hem en
+las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij
+hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk
+hadden doodgeslagen.'</p>
+
+<p>Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en
+riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden,
+opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.</p>
+
+<p>"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak?
+Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze
+den Koning niet&mdash;zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad
+geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik
+toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen
+land."</p>
+
+<p>Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk
+voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in
+zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn
+oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't
+ook niet&mdash;u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en
+brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de
+keel."</p>
+
+<p>Hugo van Averne<a name="FNanchor_3_38" id="FNanchor_3_38"></a><a href="#Footnote_3_38" class="fnanchor">[3]</a> sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer
+Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u
+verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen
+dienst&mdash;zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij
+verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw
+vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert&mdash;uw huismeyer<a name="FNanchor_4_39" id="FNanchor_4_39"></a><a href="#Footnote_4_39" class="fnanchor">[4]</a>.
+Verriedt gij ze&mdash;'t ware een wandaad."</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm007.jpg" width="400" alt="Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar
+gewapend nader." title="" />
+<p class="illus">Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar
+gewapend nader.</p>
+</div>
+
+<p>Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop
+sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout:
+"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning!
+En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn
+van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge
+kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren&mdash;daar is alom menig
+Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën
+kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije,
+in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk&mdash;de hoogsten van het land
+zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden.
+Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen
+gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk
+trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."</p>
+
+<p>Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere
+leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden
+spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem
+ten spijt&mdash;ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als
+Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens
+Carel."</p>
+
+<p>Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en
+zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf<a name="FNanchor_5_40" id="FNanchor_5_40"></a><a href="#Footnote_5_40" class="fnanchor">[5]</a> aan uw eer
+gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen
+prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze
+zoû doen folteren en dooden&mdash;dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar
+volgt ge mijn raad, Heere&mdash;gij zult ze in Poelgiën of een ander land
+laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."</p>
+
+<p>Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij
+Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien
+vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te
+kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar
+vallen."</p>
+
+<p>Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning&mdash;ik had
+'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van
+Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan!
+nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer
+bewaren&mdash;zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem
+de rots aan de Gironde<a name="FNanchor_6_41" id="FNanchor_6_41"></a><a href="#Footnote_6_41" class="fnanchor">[6]</a>: hij zal er aanstonds een vaste burcht op
+bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen
+bij uw dochter te verwekken&mdash;dan is hij op het innigst aan u verbonden,
+en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den
+geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."</p>
+
+<p>&mdash;"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan,
+dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."</p>
+
+<p>De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.</p>
+
+<p>"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.</p>
+
+<p>"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij
+met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw
+broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er
+aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend
+maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in
+Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee<a name="FNanchor_7_42" id="FNanchor_7_42"></a><a href="#Footnote_7_42" class="fnanchor">[7]</a>&mdash;ik
+zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen
+voorzien.... Nu zegt mij&mdash;wilt ge handelen als de wijzen, en mijn
+voorstel aanvaerden?"</p>
+
+<p>&mdash;"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons
+een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld
+niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde
+staat een rots&mdash;wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang,
+waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel
+en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."</p>
+
+<p>Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er
+mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw
+op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in
+dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal
+met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig
+opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn
+broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw
+zone&mdash;zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste
+Jonkvrouwe van Christenrijk!"</p>
+
+<p>Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder
+bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij
+mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse
+geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en
+zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."</p>
+
+<p>Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en
+ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein
+geroepen.</p>
+
+<p>"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen
+mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone
+Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft
+van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken,
+opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij
+u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"</p>
+
+<p>&mdash;"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone,
+roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er
+bij."</p>
+
+<p>Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.</p>
+
+<p>Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden
+werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met
+éen woord, een groote, goede bruiloft.</p>
+
+<p>Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche
+land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met
+zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als
+goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen
+aanstonds het huis te vesten.</p>
+
+<p>Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had.
+Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen;
+twee paar muren gingen er om rond.</p>
+
+<p>Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij
+zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen,
+vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500
+personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten
+wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen
+koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede
+gesticht.</p>
+
+<p>En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te
+komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij:
+"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk
+kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"</p>
+
+<p>&mdash;"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't
+Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."</p>
+
+<p>&mdash;"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op
+kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_36" id="Footnote_1_36"></a><a href="#FNanchor_1_36"><span class="label">[1]</span></a> <i>vervegen</i>: op zwaardvegerswijze herstellen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_37" id="Footnote_2_37"></a><a href="#FNanchor_2_37"><span class="label">[2]</span></a> <i>ontwond</i>: ontdeed van het zegelkoord.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_38" id="Footnote_3_38"></a><a href="#FNanchor_3_38"><span class="label">[3]</span></a> <i>Averne</i>: Auvergne.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_39" id="Footnote_4_39"></a><a href="#FNanchor_4_39"><span class="label">[4]</span></a> <i>huismeyer</i>: hofmeester.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_40" id="Footnote_5_40"></a><a href="#FNanchor_5_40"><span class="label">[5]</span></a> <i>geen kaf</i>: zooveel als niets.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_41" id="Footnote_6_41"></a><a href="#FNanchor_6_41"><span class="label">[6]</span></a> <i>Gironde</i>: mond van Dordogne en Garonne.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_42" id="Footnote_7_42"></a><a href="#FNanchor_7_42"><span class="label">[7]</span></a> <i>Zuidzee</i>: Middellandsche Zee.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ELFDE_CAPITTEL" id="HET_ELFDE_CAPITTEL"></a>HET ELFDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt
+was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en
+dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden
+"Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde. </p></blockquote>
+
+
+<p>Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob.
+Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel
+het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot
+Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben
+doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo
+schoon."&mdash;"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar
+zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk
+is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter
+verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen
+maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich
+over 't water zetten.</p>
+
+<p>Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein&mdash;Reinout met zijn dochter gegeven
+had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat
+schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'</p>
+
+<p>Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt
+hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'</p>
+
+<p>De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen
+timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo
+men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk;
+hij is uit zijn land verdreven."</p>
+
+<p>&mdash;"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout.
+Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet
+Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van
+den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning
+Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn
+broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der
+burcht, aangelegd een schoone stad."</p>
+
+<p>&mdash;"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt
+hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven
+met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht
+stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en
+tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem
+kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en
+verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."</p>
+
+<p>Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als
+hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en
+zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u
+gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw
+onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem
+gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket
+genade: en hij zal ze u doen."</p>
+
+<p>Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot
+Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet
+ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever
+zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."&mdash;"Wilt gij u dan tegen Koning
+Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone
+Lodewijk!"&mdash;"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten
+manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij
+als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen&mdash;ik wil hem
+Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem
+als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit
+zeggen?&mdash;Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met
+mij te dreigen."</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide:
+"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet
+mijn boodschap aan den Koning."</p>
+
+<p>Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid
+Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een
+scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden
+in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer
+gedaan.'</p>
+
+<p>Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en
+keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in
+Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout,
+verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te
+helpen.</p>
+
+<p>Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij
+kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde
+Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang.
+En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et
+hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn
+Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts
+burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TWAALFDE_CAPITTEL" id="HET_TWAALFDE_CAPITTEL"></a>HET TWAALFDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te
+zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen
+de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En
+hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe
+Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze
+wilde doen hangen. </p></blockquote>
+
+
+<p>Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert,
+zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al
+zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is
+daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van
+rouw."</p>
+
+<p>&mdash;"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet
+wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij
+daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik
+niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't
+mag, ik moet mijne moeder zien."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen
+gaan in 't bosch van Bordeas<a name="FNanchor_1_43" id="FNanchor_1_43"></a><a href="#Footnote_1_43" class="fnanchor">[1]</a> en verwachten daar de Pelgrims, en
+bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij
+onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders
+goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in
+het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren,
+kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren
+uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen.
+En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide
+Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen
+voor de onzen."</p>
+
+<p>Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat
+Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover
+geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't,
+dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een
+roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den
+Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben &mdash;maar een ander
+Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij
+aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als
+waren onze kleederen nog wat beter&mdash;doet 'er meê dat gij wilt."</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen
+broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns
+Kinderen, die ze aantrokken.</p>
+
+<p>Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze
+stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden
+menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.</p>
+
+<p>Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en
+vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier
+Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land,
+te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu
+hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat
+gij ons inlaat."</p>
+
+<p>Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet
+doen."&mdash;"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het
+wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren
+gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar
+toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart
+de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."&mdash;"Om Gods
+wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen!
+laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning
+Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood,
+God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat
+ze God van der dood behoeden wil!"</p>
+
+<p>Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij
+antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en
+spijzigen ter liefde der Jonkheeren."&mdash;"Dat loon u God!" zeide Reinout.
+Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen
+waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden
+gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"</p>
+
+<p>&mdash;"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout,
+"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën,
+en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst
+als thands."</p>
+
+<p>Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en
+drinken geven."</p>
+
+<p>De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen
+spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen
+mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne
+vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.</p>
+
+<p>Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag
+haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij
+ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt
+het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"</p>
+
+<p>De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide:
+"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte&mdash;ik
+duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal
+uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat
+zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij,
+Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel
+wijn niet drinken, als gij alleen doet."</p>
+
+<p>Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ...
+reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij
+dat ik u mijn leven lang danken zal!..."</p>
+
+<p>De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze
+hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder
+uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.</p>
+
+<p>Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder
+aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij,
+"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!&mdash;want had ik nog een schale, ik
+en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen
+onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout
+met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen
+van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene
+stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig
+werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op
+haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens
+wech van Reinout.</p>
+
+<p>Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide:
+"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt
+'et gezworen; en wilt gij 't niet doen&mdash;zoo zal ik tot den Koning rijden
+en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."</p>
+
+<p>Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en
+zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren
+op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn
+Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders
+begeven!"</p>
+
+<p>Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw
+Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze
+vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den
+Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij
+komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw
+Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende,
+werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder.
+"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een
+oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide:
+"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn
+Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere,
+Koning Carel, wien ik het gezworen heb."</p>
+
+<p>Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met
+veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God
+en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen
+over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft
+ons raad! Weet gij ons geen raad te geven&mdash;wij zijn verloren; want
+Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide:
+"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas,
+geen anderen raad!"</p>
+
+<p>Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en
+leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden
+voor de kamer staan.</p>
+
+<p>Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want
+hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert:
+"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns
+Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk
+te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef
+dood, of zeer gekwetst.</p>
+
+<p>Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de
+kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste;
+maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op;
+hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest
+waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne
+slagen.&mdash;Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en
+zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden
+zwak."</p>
+
+<p>Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den
+toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't
+Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich
+werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem
+vluchtte als den dood.</p>
+
+<p>Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven
+ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te
+zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij
+geraakt&mdash;het blijft er ál dood."</p>
+
+<p>Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met
+zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek
+loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter
+na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde
+Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader
+vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben,
+maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen!
+Sloegt gij onzen vader dood&mdash;die vreeselijke misdaad mochten wij
+nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij
+verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel
+verworven wij nimmermeer zoen!"</p>
+
+<p>&mdash;"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen
+vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem
+handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap
+aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem
+haastelijk tot Koning Carel."</p>
+
+<p>De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan;
+want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede."
+Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan,
+indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat
+Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.</p>
+
+<p>"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat
+ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude
+gedaan hebben."</p>
+
+<p>De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten
+leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de
+portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't
+paerd ligt?"</p>
+
+<p>Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de
+poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket<a name="FNanchor_2_44" id="FNanchor_2_44"></a><a href="#Footnote_2_44" class="fnanchor">[2]</a>, vragende den
+knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen
+zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit
+hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat
+hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's
+Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan;
+ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!"
+De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's
+Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den
+Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden.
+Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem:
+"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"&mdash;"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u,
+ontferm u mijner!"&mdash;"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn
+zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik
+'t vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards
+te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.</p>
+
+<p>Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich
+wapenen zouden; zoo Edel als onedel.</p>
+
+<p>En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk
+dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam
+te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot
+heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar
+tenten begonnen te slaan voor het kasteel.</p>
+
+<p>Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge
+is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons
+mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons
+geenen raad?"</p>
+
+<p>Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig:
+"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der
+muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als
+hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer
+mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan;
+hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun
+scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn
+broeders moest laten.</p>
+
+<p>Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden
+God voor hem.</p>
+
+<p>"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart!
+nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen,
+doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets,
+tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen
+bidden."</p>
+
+<p>Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en
+gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam,
+wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den
+Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij
+de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij
+gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en
+lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."</p>
+
+<p>Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan
+werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et
+bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te
+moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met
+heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.</p>
+
+<p>Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo
+lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te
+doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede
+de broeders zorgvuldig bewaken.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_43" id="Footnote_1_43"></a><a href="#FNanchor_1_43"><span class="label">[1]</span></a> <i>Bordeas</i>: Bordeaux.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_44" id="Footnote_2_44"></a><a href="#FNanchor_2_44"><span class="label">[2]</span></a> <i>winket</i>&mdash;deurtjen in eene poortdeure.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_DERTIENDE_CAPITTEL" id="HET_DERTIENDE_CAPITTEL"></a>HET DERTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn
+broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of
+men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning
+dede bieden met den bode. </p></blockquote>
+
+
+<p>Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te
+Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders
+had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen
+had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om
+de Heeren, al dat te Montalbaen was.</p>
+
+<p>Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op
+het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende
+zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders
+brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'</p>
+
+<p>Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die
+sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer
+beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen
+en bespieden? ik zoû noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros,
+moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!'</p>
+
+<p>Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in
+euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!"
+De man zeide: "Zoû ik u volgen met een inzicht ten kwade?&mdash;dat waar niet
+welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf
+mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik
+verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij
+dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide
+Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk:
+maar alvorens dijn boodschap te doen&mdash;begeer eenen borg tot zekerheid en
+vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan,
+doe dijne boodschap."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik
+ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in
+mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij
+nimmermeer op en stond."</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor
+zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg
+hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de
+meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf
+opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner
+ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter
+zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en
+voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen
+de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert,
+mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn
+kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik
+doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner
+broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't
+land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is
+'t, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen
+met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn
+Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven
+noch om dood.</p>
+
+<p>"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod&mdash;zeg hem dan, dat
+ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen
+klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en
+betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het
+zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij
+des nachts gaat te mettene<a name="FNanchor_1_45" id="FNanchor_1_45"></a><a href="#Footnote_1_45" class="fnanchor">[1]</a>: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de
+kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zóo&mdash;zóo, zal
+ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en
+peis geven."</p>
+
+<p>Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide
+zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning,
+mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer
+kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap
+eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale,
+zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop
+Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat
+zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve
+bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad
+toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning
+onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen&mdash;ik zal het
+oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht
+proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne
+broeders daar niet sterven zullen!&mdash;Maar, ik zegge dy," vervolgde
+Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast
+geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren."</p>
+
+<p>De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen:
+het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout
+oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale.</p>
+
+<p>En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon
+de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een
+staf, nochtans en woû hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste
+besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den
+Koning op zijn kniën, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op,
+en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik
+brenge u eene goede boodschap!"</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt
+ons met wat boodschap gij beladen zijt."</p>
+
+<p>De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult,
+begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel
+ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn
+boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen,
+zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en
+zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er
+Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der
+sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn."</p>
+
+<p>De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name
+liever een borge door wien ik zonder vreeze ware."</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze
+twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend:
+niemant ter waereld durft u tegengaan."</p>
+
+<p>Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen,
+ik had gaerne andere borgen."</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: &mdash;ik
+zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij
+moogt veilig zonder vreeze zijn."</p>
+
+<p>De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik
+liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden."</p>
+
+<p>Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst
+hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden,
+zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen."</p>
+
+<p>De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne
+eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen."</p>
+
+<p>Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en
+zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt
+te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog
+éénmaal&mdash;en ten laatste!"</p>
+
+<p>Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te
+kiezen geleide&mdash;zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge
+wezen!"</p>
+
+<p>De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in
+gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden
+mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone.</p>
+
+<p>"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet
+herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer
+Koning, dat God u lange spare! U groet één, de bedroefdste man die in de
+waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de
+Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw
+zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade
+wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt.
+Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te
+nemen&mdash;hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben:
+zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen
+die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met
+goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als
+Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter
+eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn
+eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk
+Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen
+ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken
+of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle
+dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal
+hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of
+gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware
+'t dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood
+begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid&mdash;wilt hem en zijn
+broeders genadig zijn!"</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen
+zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet
+en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt&mdash;zoo zal hij
+komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters,
+kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de
+kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen."</p>
+
+<p>Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De
+bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en
+zijn broeders niet in genade ontvangen wilt&mdash;hij zal u doen 'et zelve
+dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de
+mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij
+zal u éénmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en
+slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."&mdash;"Bij God!" riep de
+Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde
+dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare,
+die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij
+goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne
+zale, zonder goed geleide&mdash;ik zeg u, in der waarheid! ik had den
+schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan."</p>
+
+<p>"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen
+hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van
+Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op
+zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn
+magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den
+Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders
+oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet
+brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar
+bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et
+leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde
+beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult
+voornemen."</p>
+
+<p>Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht
+mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die
+Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem
+bestaat? Wie het doet&mdash;hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie
+dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam
+zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel
+Grave! bestaat hij u&mdash;of niet?"</p>
+
+<p>Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants
+wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker
+geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot
+Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u
+vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn
+vriend wil ik altijd wezen."</p>
+
+<p>Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht,
+die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en
+stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide:
+"Heer Koning! nog gisteren."</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?"
+De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros
+Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had.</p>
+
+<p>&mdash;"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning,
+"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u
+beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode
+antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij
+Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer
+vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning
+grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een
+zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout&mdash;ware 't niet,
+dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel&mdash;want nooit heb
+ik boden zulke tale hooren voeren."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_45" id="Footnote_1_45"></a><a href="#FNanchor_1_45"><span class="label">[1]</span></a> <i>Te mettene gaan</i>: in de kerk de getijden van middernacht
+gaan bidden.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VEERTIENDE_CAPITTEL" id="HET_VEERTIENDE_CAPITTEL"></a>HET VEERTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat
+wederkreeg door hulpe van Madelgijs. </p></blockquote>
+
+
+<p>Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich
+waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde,
+meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote
+rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende
+dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo
+kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij
+reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad
+van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er
+Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild.</p>
+
+<p>Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te
+krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging;
+daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde.</p>
+
+<p>Nu zijn gekomen twaalf knechten om voêr te halen, zoo zij dagelijks
+plachten te doen.</p>
+
+<p>En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en
+zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van
+Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden
+gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat
+zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs.</p>
+
+<p>Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij
+binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen
+en Jonkvrouwen.</p>
+
+<p>Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij
+hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot
+geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot
+Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze."
+Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf
+knechten Beyaert brachten.</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten
+Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!"
+andwoordde Roelant.</p>
+
+<p>'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de
+knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te
+vangen: ik woû dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den
+raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden
+neder en zeiden:</p>
+
+<p>"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte."
+&mdash;De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij
+'t vingen?"</p>
+
+<p>Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden."
+De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' &mdash;zij zeiden 'neen,'
+"van hem en weten wij niet."</p>
+
+<p>"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het
+u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij
+Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden,"
+zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik
+hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan
+heeft."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den
+knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen&mdash;doet
+ze stokslagen geven."</p>
+
+<p>De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe
+als Roelant gezeid heeft."</p>
+
+<p>En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had.</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en
+koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik
+u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan
+dat er iets aan het Ros miskwame."</p>
+
+<p>Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en
+zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert
+berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen."</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik
+het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den
+Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik
+Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten
+zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de
+vrije beschikking over hem."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en
+berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."&mdash;"Zoo
+doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen
+moet ons deze komen."</p>
+
+<p>Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het
+berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u&mdash;beidt dan tot Zondag;
+hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen
+zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en
+hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen."</p>
+
+<p>Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en
+sliep!</p>
+
+<p>Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en
+terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als
+hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag
+rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft.</p>
+
+<p>En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven:
+hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog
+zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend
+rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart
+ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et
+is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het
+ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn
+broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en
+hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht
+hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft
+den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met
+werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude,
+maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en
+geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat
+doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij
+toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve.</p>
+
+<p>Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het
+dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van
+Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken
+ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij
+hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid
+waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van
+lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de
+oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen
+meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok
+en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette
+hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag
+en had, sints ik geboren ben."</p>
+
+<p>Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste
+leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe
+allernaast."&mdash;"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed,
+dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze
+gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En
+bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man
+van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van
+de rouw, daar 'k in sta."&mdash;"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak
+Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal
+uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de
+dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik
+ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provenciën en tot
+St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van
+Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man,
+als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!"</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm008.jpg" width="400" alt="Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste
+leiden." title="" />
+<p class="illus">Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste
+leiden.</p>
+</div>
+
+<p>Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te
+spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!"</p>
+
+<p>Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij
+geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders,
+opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?"</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven."
+Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en
+van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende:
+"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan
+uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye,
+mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is
+'t dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout,
+zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te
+wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat
+gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn."</p>
+
+<p>&mdash;"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen
+schande ware, een Pelgrim te slaan&mdash;ik zoû uw onbeschaamdheid u doen
+rouwen."</p>
+
+<p>&mdash;"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij
+geslagen, dien ik aalmoezen vroeg&mdash;ik waar voor vijftig jaar reeds dood:
+want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in
+kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave&mdash;waarvan zoû ik
+leven?"</p>
+
+<p>&mdash;"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden."</p>
+
+<p>&mdash;"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende
+uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille&mdash;hebdy iet meer,
+dat gij mij geven wilt&mdash;zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden
+uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet."</p>
+
+<p>&mdash;"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er
+wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder;
+St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden
+van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn
+kunne ontvlieden&mdash;want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt
+ben, hij dede mij hangen."</p>
+
+<p>Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn
+reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets
+behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was
+Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij
+valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult
+weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim
+ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!"
+riep Madelgijs, "sloegt ge me nog &mdash;het zoû u kwalijk komen; ik zoude
+mij weeren!"&mdash;"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u&mdash;al waart
+gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zoû mij, zoo ik slaan
+wilde, géén ontgaan."</p>
+
+<p>&mdash;"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik
+kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd
+en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag
+weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en
+veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren.</p>
+
+<p>Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij
+bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den
+rug&mdash;daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord
+staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik
+verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel
+Beëlzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het
+bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen
+en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek
+hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij
+niet, neve Reinout?"</p>
+
+<p>&mdash;"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?"</p>
+
+<p>Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had,
+viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt
+mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij
+te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn
+toeverlaat!"</p>
+
+<p>Madelgijs zeî: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u
+heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn
+harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak.
+Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood,
+en dede hem twee oude hozen aantrekken.</p>
+
+<p>Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde
+Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en
+mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over
+zijne oogen.</p>
+
+<p>Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na,
+om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en
+hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder
+jongelingen en koene Ridderen.</p>
+
+<p>Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij
+neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of
+Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde.</p>
+
+<p>"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te
+gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten."</p>
+
+<p>&mdash;"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan."</p>
+
+<p>Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden
+dag!"&mdash;"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al
+menigen mensche overleefd," vervolgde éen hunner. &mdash;"Ik bid God, dat hij
+mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven,"
+sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u
+Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!"</p>
+
+<p>Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de
+nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven."</p>
+
+<p>De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige
+kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als
+schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen
+gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd
+"Christelijk", en dusdanig éen als die, welke den Heere met zijn
+Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde.</p>
+
+<p>Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met
+eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een
+arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet
+in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den
+wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg&mdash;dat gij
+hier wilt nederknielen in gebede&mdash;want ik mij kwalijk bevinde en hebbe
+geen halve stonde meer te leven."</p>
+
+<p>En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken
+stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in
+kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met
+een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond,
+en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en
+sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn
+verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar
+dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en
+zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop
+laat kussen, dien gij daar bij u hebt...."</p>
+
+<p>&mdash;"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij
+Madelgijs meê nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang
+verloren geweest, om de zonden des volks...."</p>
+
+<p>&mdash;"En mag niet weêr verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de
+gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende
+aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop
+ontliep hij den anderen met den schat.</p>
+
+<p>Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij
+best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen éen hem
+tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend neêrstortte;
+en, na elkander, ook de beide laatsten.</p>
+
+<p>Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat,
+uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve!
+ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en
+rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge,
+voor wij aankwamen."&mdash;"Ké<a name="FNanchor_1_46" id="FNanchor_1_46"></a><a href="#Footnote_1_46" class="fnanchor">[1]</a>, oom!" zeide Reinout&mdash;"ik duchte, dat gij
+iets kwaads gemaakt hebt!"&mdash;"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs;
+"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders."
+Reinout deed als hem gezegd werd.</p>
+
+<p>De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in
+den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag
+en den tijd, dat Roelant&mdash;Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de
+stad, als vroeger gezegd is.</p>
+
+<p>Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in
+was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de
+stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot
+Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik
+weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre
+geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt."</p>
+
+<p>Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs
+riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen
+wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en
+doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne,
+en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en
+dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den
+penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn
+tasch.</p>
+
+<p>Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar
+buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude.</p>
+
+<p>Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn
+kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en
+zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne
+reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf
+Madelgijs&mdash;Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet
+uwe sporen aan uw voeten."&mdash;"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk,
+oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik
+Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe
+voeten&mdash;'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u
+Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt,
+zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize,
+als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden."</p>
+
+<p>En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van
+poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van
+landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen.
+Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij
+Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk
+zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel.</p>
+
+<p>"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der
+Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er
+eene: "'t Is Roelant, die Ferragute<a name="FNanchor_2_47" id="FNanchor_2_47"></a><a href="#Footnote_2_47" class="fnanchor">[2]</a> versloeg." Eene andere jonkvrouw
+zeide: "'t Is Olivier!"&mdash;"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van
+Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken
+Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed&mdash;nam daar éene het woord,
+die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een
+schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen
+vroegen, wie de Ridder was?&mdash;"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een
+Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij
+niet gebannen, hij zoû de schoonste man wezen, die van dezen dag over de
+brugge gaan zoude."</p>
+
+<p>Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte.
+Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet&mdash;en
+lacht niet!"&mdash;"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout:</p>
+
+<p>"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen."</p>
+
+<p>Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over
+de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden
+hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen
+was, hadden 'et elk aan een koord.</p>
+
+<p>Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en
+den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond.</p>
+
+<p>"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims
+staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken
+dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide:
+"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is."</p>
+
+<p>Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert
+tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende
+zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op
+de brug heen ende weder.</p>
+
+<p>En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u
+deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds
+genoeg: ik zegge u voorwaar&mdash;hadde ik mijnen kop meenen te verliezen
+door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik
+en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de
+Koning van Vrankrijk, die zoowél der armen luttel goed bewaakt, als dat
+der rijken, die veel hebben."</p>
+
+<p>&mdash;"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil
+'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt
+werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en
+kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met
+zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en
+genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede
+gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een
+Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt."</p>
+
+<p>Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de
+Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel
+gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep
+nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong.
+"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs,
+"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid
+ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen
+ontkomen: want wij vreezen 'et zeer."</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop."</p>
+
+<p>&mdash;"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren
+gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome
+heeft er Misse mede gedaan...."</p>
+
+<p>&mdash;"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat
+ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er
+hier simonie<a name="FNanchor_3_48" id="FNanchor_3_48"></a><a href="#Footnote_3_48" class="fnanchor">[3]</a> gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den
+kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?"</p>
+
+<p>&mdash;"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den
+Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning
+ben."&mdash;"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig
+tot u gesproken heb."&mdash;"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel
+moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar
+geeft mij den kop&mdash;ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land
+in levenslang gebruik."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen&mdash;ten zij ge vergeeft al
+den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem
+den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...."</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone
+Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem
+niet kwijtschelden. Ook is daar éen, geheeten Madelgijs, een snoode
+toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen
+hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?"</p>
+
+<p>&mdash;"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan
+niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet."</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal
+God bidden, dat Hij uwen gezel geneze."</p>
+
+<p>"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig
+dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde
+t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap
+verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze
+vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert
+berijden kon&mdash;hij zoû genezen van al zijne kwalen.'"</p>
+
+<p>-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder
+tijd."</p>
+
+<p>Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet
+wat het uitwerken kan."</p>
+
+<p>&mdash;"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden
+prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!"</p>
+
+<p>Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om
+dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!"</p>
+
+<p>De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide
+hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb
+toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle&mdash;Beyaert bestijgen laat!"</p>
+
+<p>Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook
+de Pelgrims kwamen daar met groote moeite.</p>
+
+<p>En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel
+Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et
+aan zijn herstel bevorderlijk zij!"</p>
+
+<p>Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem
+niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen
+had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er
+deernis meê, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte
+er weêr af aan dezen.</p>
+
+<p>"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij
+aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er
+weder af&mdash;hij zal 'et besterven."</p>
+
+<p>Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast,
+dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op
+Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte.</p>
+
+<p>Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den
+zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels.</p>
+
+<p>Eilaas, daarmeê waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het
+goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd!</p>
+
+<p>"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alléén
+rijden," zeide de Koning.</p>
+
+<p>"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij
+ook zien en hooren?"&mdash;"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te
+boven!"</p>
+
+<p>&mdash;"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?&mdash;Heer Bisschop!
+doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote
+gunst gedaan."</p>
+
+<p>Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En
+Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf
+het goede Ros de sporen.</p>
+
+<p>Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e
+zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten,
+dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die
+ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal
+'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten&mdash;voorwaar het zal hem den
+hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren
+uit, en scheen groote rouwe te bedrijven.</p>
+
+<p>Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem,
+riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden
+vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug."</p>
+
+<p>En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren
+Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van
+Borgondiën; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen
+mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een
+boogscheut afstands.</p>
+
+<p>Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten
+laatste zag hij de Genoten.</p>
+
+<p>'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten
+kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware&mdash;ik
+zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden
+trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader
+kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout
+hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood
+gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder
+koen!"</p>
+
+<p>&mdash;"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij ü hier
+vinden zouden."</p>
+
+<p>&mdash;"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde
+de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat
+gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim,
+die bij den Koning stond?"&mdash;"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het
+antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet
+niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve
+Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve!
+om uwent-wille!"</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap,
+die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide
+nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede,
+dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en
+gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen."</p>
+
+<p>Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u,
+Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw
+broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den
+Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders
+voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader&mdash;ik
+zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout
+verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam.
+"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang
+verdienden loon!"</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge
+u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen
+op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede
+neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van
+de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_46" id="Footnote_1_46"></a><a href="#FNanchor_1_46"><span class="label">[1]</span></a> <i>Ké</i>&mdash;een uitroep.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_47" id="Footnote_2_47"></a><a href="#FNanchor_2_47"><span class="label">[2]</span></a> <i>Ferragute</i>: een reus.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_48" id="Footnote_3_48"></a><a href="#FNanchor_3_48"><span class="label">[3]</span></a> <i>Simonie</i>: een handel, door de Kerk ten strengste verboden,
+waarbij voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan
+verbonden is, méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of
+kunst-waarde; het <i>verkoopen</i> van al wat slechts geestelijke waarde
+heeft, wordt als zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. <i>Hand. der
+Apost</i>., Hoofdst. VIII, v. 18&mdash;20.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL" id="HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL"></a>HET VIJFTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden,
+dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning
+Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop
+Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere
+Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot
+Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning
+daar hij lag en sliep in zijne kamer. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den
+Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap
+zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen
+Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal
+'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en
+nemen de schuld op mij."</p>
+
+<p>Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij
+Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen,
+"Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap
+bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de
+Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning.</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De
+Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" &mdash;"Heer," sprak hij,
+"ik neem de schuld op mij."&mdash;"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning
+streng.</p>
+
+<p>"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den
+sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent
+Beyaert&mdash;gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan
+niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na
+gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de
+schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen
+vangen&mdash;alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij
+trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg
+vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij
+verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was
+ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." &mdash; "'t
+Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich
+onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem
+ondoenlijk was."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en
+laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die
+zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschiên."</p>
+
+<p>Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij
+overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen
+en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik
+wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God
+genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep:
+"Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!"</p>
+
+<p>Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt
+mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven
+lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over
+zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon
+'et u Heer Koning!"</p>
+
+<p>En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele
+Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze
+straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen
+langer uitstel."</p>
+
+<p>De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor
+hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen
+binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had
+hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven
+voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch
+en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is."</p>
+
+<p>"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak
+nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten
+nog heden doen hangen."</p>
+
+<p>De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige
+magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u,
+zoo gij ze ter dood laat brengen."</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"&mdash;"Neen ik," zeide de
+Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen&mdash;en gij zult
+u niet kanten tegen uwen Koning."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij&mdash;maar tegen deze
+wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten
+tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden
+zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en
+zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze
+laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning!
+daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met
+machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal
+men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten."
+Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en
+hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zoû
+laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon.</p>
+
+<p>Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij
+zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen&mdash;'t moge
+gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen
+mij&mdash;wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de
+Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u
+leven en sterven willen.</p>
+
+<p>Toen trad de Bisschop naar éene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen,
+die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij
+komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings
+kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer
+Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was
+Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondiën, en zeide: "Heer
+Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen,
+die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije;
+daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem
+Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van
+Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hém daartoe
+niemant aangezocht!</p>
+
+<p>Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de
+oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?&mdash;Ik zie wel, ik
+heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove
+gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van
+alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in
+de nood!"</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar
+ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u
+voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij
+zijn uw vleesch en bloed!"</p>
+
+<p>Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven
+laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke
+zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat
+uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in
+hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat
+verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning
+zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar
+voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn
+hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware
+geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren
+nu over u voldoende gewroken zijn." Met-één ging hij daar de drie Heeren
+zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien
+en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren
+hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!"</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen
+zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude
+ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land."</p>
+
+<p>Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is
+er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op
+zijn grijzen baard.</p>
+
+<p>De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie
+Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten,
+zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste:
+laat ze verdingen."</p>
+
+<p>De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde,
+heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en
+doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en
+begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter
+waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze
+drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle
+leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste
+komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest
+waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede
+scheidde de raadsvergadering der Heeren.</p>
+
+<p>En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te
+verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet
+beter van ure tot ure of Koning Carel zoû ze doen hangen.</p>
+
+<p>Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning
+Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat
+zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den
+portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten
+wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen
+trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht
+te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u,"
+zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier
+nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had
+slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de
+vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van
+gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp
+zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten.</p>
+
+<p>Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en
+banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et
+Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die
+de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig.</p>
+
+<p>Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit
+pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze
+zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan &mdash;wij moeten
+sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden."
+En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis meê had, en
+zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom
+Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert
+zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!"
+Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse."
+Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker.</p>
+
+<p>Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die
+de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de
+gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten
+den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem
+en gedaante des portiers&mdash;"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk
+ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich
+wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik
+misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal
+gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet
+medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal
+u geen verlof geven&mdash;dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo
+lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de
+Heeren, en ging tot den Koning.</p>
+
+<p>Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings
+bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele
+geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven
+uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en
+ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren
+leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit
+hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet
+met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om
+zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij
+blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op
+Montalbaen.</p>
+
+<p>Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef
+als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede
+veiligheid.</p>
+
+<p>Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en
+waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist
+hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et
+werkelijk geschied ware.</p>
+
+<p>En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat
+'er àan was&mdash;droom of wezenlijkheid.</p>
+
+<p>En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar
+hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie
+zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt
+was.</p>
+
+<p>Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem
+groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg
+opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZESTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ZESTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ZESTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd
+was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel,
+en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad
+verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg. </p></blockquote>
+
+
+<p>Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en
+spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning
+Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe
+mare."&mdash;"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een
+kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem
+gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter
+achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem
+hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche
+Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd
+duchte, eer gij daar komt."</p>
+
+<p>Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide
+hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg&mdash;nu bidde ik u, dat gij
+derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000
+mannen."</p>
+
+<p>Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier:
+"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met
+8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier,
+de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome
+mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der
+vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen
+over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en
+gingen uit elkander om zich reede te maken.</p>
+
+<p>Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in
+schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.</p>
+
+<p>De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve
+Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij
+ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en
+stond met gestrekte handen.</p>
+
+<p>Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel
+toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al
+schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"</p>
+
+<p>Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.</p>
+
+<p>De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met
+zijne scharen: God wil ze beschermen!"</p>
+
+<p>Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den
+Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien&mdash;zoo
+vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle
+strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij
+liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam
+reden zij naar Keulen.</p>
+
+<p>Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij
+dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij
+in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands
+van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het
+Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.</p>
+
+<p>Als de Heidenen&mdash;de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij
+mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de
+twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en
+vele Ridders van den paerde gestooten.</p>
+
+<p>Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de
+Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van
+wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir
+grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door
+Roelant.</p>
+
+<p>Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen
+werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn
+paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo
+krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant
+verstelde noch verschoot er niet af.</p>
+
+<p>De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot
+niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende
+wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe,
+dat hij hem kloofde tot den paerde.</p>
+
+<p>Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen
+Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo
+strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er
+60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden
+bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een
+geharnasten Heiden in tweeën.</p>
+
+<p>Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met
+sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig
+Sarazijn met der dood bekocht.</p>
+
+<p>Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den
+zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden,
+daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.</p>
+
+<p>En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen
+Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden
+daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den
+Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs
+kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren
+vriendelijk wellekom.</p>
+
+<p>De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning
+Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den
+oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant
+heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u,
+Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille,
+hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie
+zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone
+daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe
+Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende,
+en het de kroone won. </p></blockquote>
+
+
+<p>De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve
+Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros
+meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik
+zulk een Ros, ik zoû 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout
+dwingen."</p>
+
+<p>En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle
+landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen
+uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen
+Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of
+behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle
+paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt
+gij er Reinout meê dwingen."</p>
+
+<p>Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze
+liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij
+zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat
+hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een
+staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede,
+de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar
+best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant,
+dat hij u daarmede dwinge."&mdash;"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht
+brengst du mij! waar zoû hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zoû
+onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar
+ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik
+zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!"</p>
+
+<p>Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem:
+"Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel
+heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op
+eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne,
+het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den
+gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat
+'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij
+daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te
+krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al
+zijn opzet van geener waerde."</p>
+
+<p>"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt;
+maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt."</p>
+
+<p>Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij
+dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs
+bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn
+paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen.</p>
+
+<p>Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen.
+En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en
+namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die
+hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat
+Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was,
+ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en
+elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap.</p>
+
+<p>Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen
+daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen
+boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam
+Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt
+hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al
+zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur&mdash;want
+hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een
+jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde
+gehad.</p>
+
+<p>Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders,
+zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs
+ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert
+veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf
+zoo wit als sneeuw.</p>
+
+<p>Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is
+Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het
+Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe!
+onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen."
+Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die
+zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."&mdash;"Nu laat ons
+de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch
+Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen."</p>
+
+<p>Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen;
+hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant
+van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten.</p>
+
+<p>Ondertusschen&mdash;het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders
+gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij
+liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den
+Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik
+zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te
+winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen."</p>
+
+<p>"Wat zegt gij, bode?" andwoordde dé Koning; "ik weet, dat Reinout hier
+niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarmeê winnen!" &mdash;"Edel Heer
+Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans
+Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs."</p>
+
+<p>Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide:
+"Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult
+trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga;
+en is 't dat gij hem vindt&mdash;zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als
+zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u
+met goud opwegen."</p>
+
+<p>Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit,
+en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout
+wierd gevangen<a name="FNanchor_1_49" id="FNanchor_1_49"></a><a href="#Footnote_1_49" class="fnanchor">[1]</a>: want de wegen zijn nauw bezet!</p>
+
+<p>Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van
+Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en
+Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman
+wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar
+Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde&mdash;zoo
+zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw
+volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!"</p>
+
+<p>Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs.
+Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo
+zoetelijk in Brittaansch of gij geen Françoisch en kondet."</p>
+
+<p>Op dat oogenblik zag Fouke&mdash;Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij
+sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat
+doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand!
+laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien
+wij ongedeerd gaan kunnen."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw
+woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant
+kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten
+mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op
+Reinout toe en hadde een lancie in de hand.</p>
+
+<p>Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij
+ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde
+vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?&mdash;God
+helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar
+gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik
+zoude zeggen dat hij 't was."</p>
+
+<p>Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke:
+"Spreekt Françoisch!&mdash;de Booze moog dy verstaan! &mdash;Vaar heen en heb
+ramp!"</p>
+
+<p>Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet
+verslagen?"&mdash;"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van
+vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem
+verstaan: want hij is gekomen uit Brittaniën." Toen stak Naymes zijn
+zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat
+'t paerd maar loopen mocht.</p>
+
+<p>Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en
+zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete
+woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide:
+"Spreekt Françoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale
+van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels
+naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt
+mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs
+andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind,
+maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij,
+van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn
+geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en
+maaksel."&mdash;"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want
+'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling,
+mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot
+zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil
+koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout
+daarmeê te dwingen&mdash;'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker
+hopende de kostelijke kroon te winnen."</p>
+
+<p>&mdash;"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde:
+"Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's
+Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed
+na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat
+wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te
+Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen
+heel Senlis, Blois en Amiëns." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit
+de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven."</p>
+
+<p>Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t'
+vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'&mdash;"Neen wij, Heer Koning!"
+antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een
+onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben
+zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen
+Amiëns en Orleans."&mdash;"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt
+wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des,
+en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost&mdash;ware 't dat
+mij Reinout ontkwame!"</p>
+
+<p>&mdash;"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe
+blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en
+Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of
+men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen
+zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!"</p>
+
+<p>Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort
+30 gewapende mannen.</p>
+
+<p>En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten
+aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn
+hoofd door het klinket<a name="FNanchor_2_50" id="FNanchor_2_50"></a><a href="#Footnote_2_50" class="fnanchor">[2]</a>, en zag daarbinnen een gewapend man staan;
+dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom
+doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat
+alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij
+al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten."</p>
+
+<p>Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!"
+Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik
+heb gehoord dat hij vóór of achter is, en het sterk op 's Konings oneere
+heeft toegelegd."</p>
+
+<p>Bij Reinout stond een rabout<a name="FNanchor_3_51" id="FNanchor_3_51"></a><a href="#Footnote_3_51" class="fnanchor">[3]</a>, en zeide: "Zag ik ooit Reinout&mdash;zoo zie
+ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit:
+Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond
+dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor
+zijn borst, dat hij dood viel.&mdash;"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs,
+"'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide:
+"Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is
+witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een
+gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien
+jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden.</p>
+
+<p>Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en
+als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden
+werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden.</p>
+
+<p>Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong
+Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij
+Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo
+dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te
+wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en
+Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad
+in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien
+van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten
+had.&mdash;Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn
+Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die
+geen goed paerd en had, was verdrietig.</p>
+
+<p>Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en
+Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat
+zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet,
+deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone
+winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en
+geen geld daaraan sparen."</p>
+
+<p>Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God
+mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de
+kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al
+lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u
+kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad
+en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde
+stappen maken."</p>
+
+<p>Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te
+winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en
+brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter
+sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste,
+en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren.</p>
+
+<p>Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met
+zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere
+zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van
+Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te
+winnen, een groot eind voor.</p>
+
+<p>"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone
+winnen?&mdash;dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat
+gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers
+doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen
+moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning,
+werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat
+zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij
+dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft
+een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zoû zeggen dat
+'et Beyaert ware."</p>
+
+<p>Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout
+verre vóor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de
+staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de
+kroone wech.</p>
+
+<p>Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever,
+verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal
+ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is,
+wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout
+andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros
+zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld
+niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en
+geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit
+Reinout&mdash;zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn
+bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne
+kroone weder!" Reinout zeî: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is
+mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze
+een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat
+Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van
+paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zoû!... Dat
+mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!"</p>
+
+<p>Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast
+aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?"
+&mdash;"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!"</p>
+
+<p>&mdash;"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zoû ons niet
+baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner
+tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning!
+gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn
+paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat
+hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij
+reden te zamen in Montalbaen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_49" id="Footnote_1_49"></a><a href="#FNanchor_1_49"><span class="label">[1]</span></a> '<i>'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen</i>:
+Reinout werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_50" id="Footnote_2_50"></a><a href="#FNanchor_2_50"><span class="label">[2]</span></a> <i>klinket</i>, ook <i>winket</i> genaamd: hier een luikjen in een
+poortdeur.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_51" id="Footnote_3_51"></a><a href="#FNanchor_3_51"><span class="label">[3]</span></a> <i>rabout</i>: slechte knaap.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ACHTTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel&mdash;Koning Ywein ontbood, toen hij Hof
+hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne
+broeders leveren zoude in Koning Carels geweld. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de
+prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want
+Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij
+een andere kroone moest doen maken.</p>
+
+<p>Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem
+waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning
+Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten
+Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als
+de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en
+ging met hem in een duistere welf.</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en
+zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog
+wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was
+niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het
+goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van
+Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud
+beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat
+het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op
+een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning
+Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"&mdash;"Maar laat niemant van ons opzet
+vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam
+hij 'et, hij zoû mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel;
+want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."&mdash;"Vreest niet," zeide
+Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet
+ontgaan om geen goed."</p>
+
+<p>Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale
+gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En
+Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere
+Heeren, en reed met haaste na zijn land.</p>
+
+<p>En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof
+aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning,
+"ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar
+Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer<a name="FNanchor_1_52" id="FNanchor_1_52"></a><a href="#Footnote_1_52" class="fnanchor">[1]</a>,
+gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder
+harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen,
+ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud."
+Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings
+woorden, want zij hadden het goud lief.</p>
+
+<p>Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel<a name="FNanchor_2_53" id="FNanchor_2_53"></a><a href="#Footnote_2_53" class="fnanchor">[2]</a> van den heire."
+Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te
+volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na
+Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten.</p>
+
+<p>Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongiën
+gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te
+vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter
+jachte te Bordeas in 'et woud.</p>
+
+<p>God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden
+mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch
+kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen
+op zijnen schilde.</p>
+
+<p>"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus
+bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat
+ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder:
+want wij hebben te lange gejaagd."</p>
+
+<p>Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van
+Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout
+uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse,
+mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede
+achtergelaten!"</p>
+
+<p>En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide:
+"Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te
+zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij
+zijn!"</p>
+
+<p>Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout
+dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein
+zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." &mdash;"Waarom hebt gij mij
+niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen,
+met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn."</p>
+
+<p>&mdash;"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen
+betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw
+boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt."
+Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van
+vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn
+leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom
+bieden? zal ik voor den Koning op de kniën vallen?" Ywein zeide: "Gij
+zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken,
+wollen en barvoets."</p>
+
+<p>Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des
+ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn
+hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300
+mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze
+mij en mijn broeders te hulp kwamen!"&mdash;"Dat en mag niet zijn,"
+andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alléén derwaards trekken;
+gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt,
+dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van
+Arragon, zonder wapens in uwe kleederen."</p>
+
+<p>Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zoû ik zoo in Vaucoloen
+varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein
+zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!"</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide
+Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve
+vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt
+is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van
+onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn
+peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!"</p>
+
+<p>&mdash;"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en
+komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht
+mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een
+verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft
+in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in
+Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."&mdash;"Zoû
+ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te
+Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen."</p>
+
+<p>&mdash;"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u
+zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel
+gewapend: zoo mag u geen kwaad geschiên: want, acht! ik ben zoo zeer
+bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil,
+zoo gaat&mdash;gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo
+smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de
+vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn."</p>
+
+<p>Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen
+Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met
+uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf
+behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw
+peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen
+moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats
+vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als
+de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht
+bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan
+derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden
+heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!"
+sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik
+hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons
+geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij
+kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware,
+vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den
+voetval doen."</p>
+
+<p>Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen
+halen, en de mantels daar ze in rijden zouden.</p>
+
+<p>De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe;
+zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier
+zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zoû niet
+gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van
+doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en
+verborg ze onder zijne kleederen.</p>
+
+<p>Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de
+Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam!</p>
+
+<p>Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et
+herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in
+dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."&mdash;, "Gij zegt
+waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en
+wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"&mdash;"Hoe is
+'t u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?"
+Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat
+ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!"</p>
+
+<p>Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft
+Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof
+wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen
+zeiden de broeders: "Reinout laat ons vliên, want Koning Ywein heeft ons
+verraden."&mdash;"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad
+niet zoude plegen!" zeide Reinout.</p>
+
+<p>Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien,
+en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de
+Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke
+was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den
+hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als
+hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw
+goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en
+binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen."</p>
+
+<p>Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord
+zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u,
+wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden,
+opdat ik den Koning te voet valle!"&mdash;"Ik zegge u, Reinout," antwoordde
+Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om
+20000 kroonen."</p>
+
+<p>Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den
+Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij
+God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever
+dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd
+hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout
+doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den
+muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie
+vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag,
+riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en
+hebbe geen nood."</p>
+
+<p>Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en
+gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn
+vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten
+goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij,
+broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte
+lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u
+schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt
+ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en
+anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn
+paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout
+aan.</p>
+
+<p>Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout
+met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de
+speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo
+vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst.
+"God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen
+voeren den Koning."</p>
+
+<p>Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig
+mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde,
+hebben zijn broeders elk een François van den paerde geveld en de rossen
+bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden
+wij&mdash;want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft
+ons verraden."</p>
+
+<p>&mdash;"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand;
+wijk ik heden eenen man&mdash;God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden
+stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en
+vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn
+broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags.</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder
+harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan
+de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal
+u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts
+broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de
+harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven
+zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze
+wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie
+broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om
+Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen.</p>
+
+<p>Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met
+veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout
+te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert
+gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond
+zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de
+waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert
+andwoordde niets.</p>
+
+<p>Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat
+Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging.</p>
+
+<p>Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen
+broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen &mdash;van
+Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en
+ontzetten hem!"</p>
+
+<p>&mdash;"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen:
+Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er
+af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle."</p>
+
+<p>&mdash;"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij
+lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem
+den Koning, die hem hangen zoû, ware 't dat hij hem kon meester worden?
+Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat
+zoû men zeggen?&mdash;'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning
+Carel strijden wilden: schande over hen&mdash;want de Koning heeft éen
+broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!"</p>
+
+<p>Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd,
+dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht
+Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte<a name="FNanchor_3_54" id="FNanchor_3_54"></a><a href="#Footnote_3_54" class="fnanchor">[3]</a>: zoo veel was
+Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert
+gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den
+stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen
+slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet
+ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u
+zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O
+genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai,
+Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn
+broeders: mij ziedy nu nimmer weêr."</p>
+
+<p>Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam&mdash;niet als een
+mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze
+truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout
+zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn
+is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle
+dood."</p>
+
+<p>Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij
+nabij kwam in tweeën: doodde nog twee andere: de overigen boden geen
+weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en
+zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde
+blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!"</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter
+slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u
+voor God: gevalt het u weêr&mdash;ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide:
+"Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef
+onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen:
+dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn
+weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem
+onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den
+zadel.</p>
+
+<p>"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen,
+den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u
+binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen."</p>
+
+<p>Maar Reinout was reeds weêr bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke
+kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt
+mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep
+Reinout.</p>
+
+<p>En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en
+zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat
+heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om
+niet: hij heeft 'et met de dood bekocht."</p>
+
+<p>Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed
+op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij
+van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee
+rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak
+hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk
+om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en
+vochten als deze broeders deden.</p>
+
+<p>Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren
+konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en
+hij viel in onmacht.</p>
+
+<p>Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder
+Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide
+Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave
+Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde.</p>
+
+<p>Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den
+dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder!</p>
+
+<p>Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert:
+maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur
+niet wederstaan en konden.</p>
+
+<p>Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep
+met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders
+volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de
+rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen.</p>
+
+<p>Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel
+steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe,
+en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo
+snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij
+bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk.</p>
+
+<p>Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig.</p>
+
+<p>Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns
+Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij&mdash;lieden moogt u wel klagen
+vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne
+helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u
+niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag."</p>
+
+<p>Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier:
+"O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"&mdash;-"Calon, gij liegt
+daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader
+wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds
+geboet."</p>
+
+<p>De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet&mdash;gij zoudt
+verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet
+langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet,
+ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer
+betichtet met verradenis."</p>
+
+<p>De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige
+stede getrouwelijk gediend&mdash;maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg
+u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze
+den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo
+wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog
+langer strijden."</p>
+
+<p>&mdash;"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards
+doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis
+pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse
+trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem
+verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave
+heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?"</p>
+
+<p>&mdash;"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders
+begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een
+vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier&mdash;want, zoo helpe mij God!
+ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen
+zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar
+mij leed."</p>
+
+<p>Ogier zag Reinout met zijn broeders op de kniën liggen, en zeide:
+"Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide:
+"Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide:
+"Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't
+ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons
+nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem
+dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den
+verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu
+zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien
+mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft
+hij aan mij!"</p>
+
+<p>Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt
+deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u
+geleiden!"</p>
+
+<p>Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als
+hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen."
+Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik
+niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben
+hier hooger zake: dunkt het u goed &mdash;ik zal vertrekken, en gij zult met
+uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven
+willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg,
+wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik
+zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag."</p>
+
+<p>Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en
+Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken.</p>
+
+<p>Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was
+belegerd&mdash;had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer
+lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten
+bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij
+onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en
+vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had.</p>
+
+<p>Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de
+burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot
+den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want
+Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel
+een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger."</p>
+
+<p>De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout
+zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond
+ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een
+berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij
+blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd
+met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de
+dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar
+hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt
+gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet
+verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk
+slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw
+wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht
+Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging
+Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in
+den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert&mdash;Madelgijs zag, sloeg hij
+naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert
+te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel,
+dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede,
+greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste
+voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij
+'t niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs,
+op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat
+du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo
+veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven
+verliezen, is 't dat du niet en helpst."</p>
+
+<p>Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs.</p>
+
+<p>Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem
+met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend
+was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke
+speer in de hand, en reed na Vaucoloen.</p>
+
+<p>Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel
+voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs
+konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen
+dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen;
+en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit.</p>
+
+<p>Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls
+aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en
+mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij
+konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden
+alle de dood voor oogen.</p>
+
+<p>Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs
+komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep
+hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft
+groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs
+alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons
+thands wel uit de nood helpen!"</p>
+
+<p>Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout
+hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide:
+"Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar,
+mocht ik Beyaert zien&mdash;ik ware gezond."&mdash;"Ik zie hem komen, broeder!"
+andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem
+herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht
+slaan."&mdash;"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier
+hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste."</p>
+
+<p>Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en
+Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen,
+en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal,
+daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder!
+ik voel mij genezen."</p>
+
+<p>Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem
+wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen
+zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader,
+dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn
+op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet
+helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!"</p>
+
+<p>&mdash;"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied,
+ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat
+hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat
+hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn
+zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en
+liep ter rotsewaart.</p>
+
+<p>Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik
+heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan
+hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en
+weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied."
+Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave
+Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij
+dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen
+en voeren ze tot Koning Carel."</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm009.jpg" width="400" alt="Helpt mij, dat ik sta!" title="" />
+<p class="illus">Helpt mij, dat ik sta!</p>
+</div>
+
+<p>Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse
+gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn
+dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet
+wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede:
+maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den
+zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout.</p>
+
+<p>Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een
+goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen
+zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend,
+"gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf
+'et de sporen en reed te rotsewaart.</p>
+
+<p>En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees
+wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert
+zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij
+en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen
+op den vijand in.</p>
+
+<p>Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs
+mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen
+komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk
+achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout
+had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk,
+en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider
+stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen
+ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook
+Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen.</p>
+
+<p>Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met
+felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den
+paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen François 'et hoofd van den
+lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de
+Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Françoisen ofte
+Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk
+behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs
+verlost.</p>
+
+<p>Als Ogier zag, dat de Françoisen verwonnen waren en uit den velde
+vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk,
+en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen
+lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water
+ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen
+al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete
+woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de
+genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener
+gifte: laat hem zulke zoudeniers méér zenden; wij zullen hunne zoldij
+wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer
+eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt
+gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en
+Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen.</p>
+
+<p>"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder
+'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder
+erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu
+eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet
+haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout
+brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij
+aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen
+hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs
+gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen.</p>
+
+<p>Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs
+'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld;
+hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na
+dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een
+klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne
+misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij
+Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks
+vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote
+strengheid.</p>
+
+<p>Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen.
+Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer
+komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer!
+zijt wellekom."&mdash;"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber;
+"maar zegt mij&mdash;waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn
+broeders verraderlijk woû doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend:
+"Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik
+gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij
+bedreven heeft."</p>
+
+<p>Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij
+wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan,
+dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000
+kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn
+oogen; dat ik u niet meer en zie!"</p>
+
+<p>&mdash;"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy
+in mij zoo strengelijk te straffen!"&mdash;"Voorwaar, broeder!" zeide
+Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet
+voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons
+meê weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp.
+Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen,
+broeder&mdash;welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en
+ziet."</p>
+
+<p>Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de
+verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en
+Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van
+Yweins verraad niet meer gesproken werd.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_52" id="Footnote_1_52"></a><a href="#FNanchor_1_52"><span class="label">[1]</span></a> <i>zweer</i>:(hier) schoonvader.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_53" id="Footnote_2_53"></a><a href="#FNanchor_2_53"><span class="label">[2]</span></a> <i>Constapel</i>: opperbevelhebber.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_54" id="Footnote_3_54"></a><a href="#FNanchor_3_54"><span class="label">[3]</span></a> <i>een mijte</i>: worm, niets.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL" id="HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL"></a>HET NEGENTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe
+de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis
+opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter,
+dien hij in 't perk versloeg. </p></blockquote>
+
+
+<p>Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met
+haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De
+Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop
+vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt
+gij mij Reinout gevangen?"&mdash;"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier;
+"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout
+met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft
+verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager;
+hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen
+mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et
+mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht
+Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb,
+zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen,
+zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant
+herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide
+Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude
+den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve
+Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat
+Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een
+verrader is."</p>
+
+<p>Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den
+handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden.</p>
+
+<p>"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige
+zweeren."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger
+ben;" en hij leîde zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij
+Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis
+gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel
+waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere
+geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes:
+"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan."</p>
+
+<p>En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet
+aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel
+vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij
+zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik
+zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en
+dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren.
+Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met
+zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er
+dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met
+hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vliên, door
+'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet
+medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!"</p>
+
+<p>Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier
+opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid.</p>
+
+<p>"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de weêrpartij, "dan
+moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel,
+den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u
+slecht vergaan: ik neem u 'et leven."&mdash;"'k En vrees u niet, Wouter!"
+antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den
+slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies<a name="FNanchor_1_55" id="FNanchor_1_55"></a><a href="#Footnote_1_55" class="fnanchor">[1]</a> vrees ik u.
+Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en
+deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen,
+en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden
+slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf
+Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de
+schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier&mdash;Koning Carels
+kampvechter, die hem de verradenis zoû doen bekennen, te Vaucoloen door
+hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en
+wierp 'et uit den krijte.</p>
+
+<p>"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held.
+"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot
+den Koning gaan!</p>
+
+<p>En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel
+sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de
+fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man.
+God en Sint-Jan helpe mij&mdash;Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten
+eersten slage sloeg hij hem dood!"</p>
+
+<p>"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis
+bewijzen? Bij den Heere van Nazareth&mdash;ik en dede er nimmer! Maar uit
+Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had
+ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen
+ik, Heere&mdash;ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed."</p>
+
+<p>Toen zwoer Roelant hij zoû Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem
+vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik
+verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van
+Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800
+Ridders zal ik u volgen&mdash;waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de
+koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en
+neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij
+Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!"
+Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van
+groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van
+Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in
+Gascongiën, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en
+maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen.</p>
+
+<p>Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongiën. En als zij in het
+land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein
+zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en
+is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven
+lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer,
+en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de
+Historie.</p>
+
+<p>En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk.
+Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag,
+deed hij zijnen zwageling<a name="FNanchor_2_56" id="FNanchor_2_56"></a><a href="#Footnote_2_56" class="fnanchor">[2]</a> Reinoude, door een goeden bode, vragen,
+'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die
+Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen,
+dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om
+ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant.
+Gevangene van Reinout wilde hij zijn&mdash;ja, want hij hadde zelfs, door
+zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend.</p>
+
+<p>De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de
+zake, die hem opgedragen was&mdash;maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat
+het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!"</p>
+
+<p>Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind
+heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het
+kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere,
+waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te
+boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is
+terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als
+men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze
+woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der
+mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne
+vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al
+spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad,
+omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt
+op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met
+zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem
+levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven."</p>
+
+<p>De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem
+oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen.</p>
+
+<p>Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich
+zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun
+Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud
+gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar
+mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden
+mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij
+goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te
+Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed
+bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in
+vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et
+u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk
+nader."</p>
+
+<p>Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen
+de Françoisen te goed: zij zijn boos en fel: alléén zult gij er niet
+heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden."</p>
+
+<p>&mdash;"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en
+aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met
+gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster.</p>
+
+<p>Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het
+klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft
+overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem
+zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar
+hij hem op staande voet zoû hangen.</p>
+
+<p>Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve
+neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn
+kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons
+nimmermeer verrade."</p>
+
+<p>&mdash;"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk
+God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!"</p>
+
+<p>&mdash;"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader.
+Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik
+zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren&mdash;waar men
+hem nimmer uit weêrziet!"&mdash;"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om
+niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein
+hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"&mdash;"Gij en zult niet,
+Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik
+daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus
+liet ombrengen."</p>
+
+<p>&mdash;"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem
+aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"&mdash;"Bij Sint-Jan,"
+sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal
+ophangen! 't Kwame hem te schande."</p>
+
+<p>&mdash;"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van
+'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein
+hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf
+Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord
+aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em
+Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er meê wech. Ook de Grave
+Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot
+leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen
+had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde:
+"Ik ben het niet."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout
+"Ongelijk zoû deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met
+Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zoû ik er 'et leven
+afbrengen! Maar, Sint-Amant<a name="FNanchor_3_57" id="FNanchor_3_57"></a><a href="#Footnote_3_57" class="fnanchor">[3]</a> helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik
+keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter."</p>
+
+<p>&mdash;"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij&mdash;ge zult hier
+ter stede mij vinden."&mdash;"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e
+hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat
+hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen)
+om daar een kamp jegens hem te vechten.</p>
+
+<p>Roelant keert zóo met eere tot de Genoten.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_55" id="Footnote_1_55"></a><a href="#FNanchor_1_55"><span class="label">[1]</span></a> <i>bloemknop&mdash;bies</i>, zoo veel als niets.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_56" id="Footnote_2_56"></a><a href="#FNanchor_2_56"><span class="label">[2]</span></a> <i>zwageling</i>: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_57" id="Footnote_3_57"></a><a href="#FNanchor_3_57"><span class="label">[3]</span></a> <i>Sint-Amant</i>: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop
+van Maastricht (VIIe Eeuw)</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout
+kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen:
+maar de Genoten belett'en 'et. </p></blockquote>
+
+
+<p>Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em
+dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"&mdash;"Zwijg, God
+schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij
+bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar
+Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw
+over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."&mdash;"Zwijg,
+verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner;
+"Roelant is gram."</p>
+
+<p>&mdash;"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom
+zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't
+Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zoû hij naar u vragen: wat
+mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?"</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik
+Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd
+heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den
+held tot rekening gedaagd."</p>
+
+<p>&mdash;"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen
+gezworen&mdash;zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen.
+Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen
+kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord:
+wordt Reinout van u verslagen &mdash;gij zult 'et geen drie dagen overleven.
+Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven."</p>
+
+<p>Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van
+Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen:
+zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd
+betoonen kan!"</p>
+
+<p>&mdash;"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn
+doen geen bloemknop geve."</p>
+
+<p>En Ritsaert van Normandië, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van
+Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood&mdash;ware 't dat hij Reinout van
+Montalbaen versloeg.</p>
+
+<p>"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik
+hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik
+tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik
+liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van
+den eed ontslagen ben."</p>
+
+<p>&mdash;"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge
+moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van
+Montalbaen&mdash;zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et
+krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met
+hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo
+zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet
+wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in
+Vrankrijk voeren."</p>
+
+<p>Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier
+geslagen&mdash;zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den
+kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt."</p>
+
+<p>Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar
+Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem
+zijner Vrouwe.</p>
+
+<p>Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen:
+"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en
+leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van
+Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit:
+"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in
+Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen
+verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land
+verwierven."</p>
+
+<p>Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren
+zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op
+staande voet, alleen naar Beurepaer."</p>
+
+<p>&mdash;"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy
+doen te Beurepaer?"</p>
+
+<p>&mdash;"Adelaert!" zeî Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een
+kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!"</p>
+
+<p>&mdash;"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal
+ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan
+worden&mdash;wijl hij der besten éen is, die ooit de zonne bestraalde. Bij
+den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem&mdash;gij zijt dood, en
+wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde:
+"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter
+waereld&mdash;al dacht ik er dood te blijven."</p>
+
+<p>Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends
+Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs;
+"God behoude en bewaar u&mdash;maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal
+hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het
+perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood&mdash;men zoû er groote schande van
+spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!"</p>
+
+<p>Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en
+de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout meê te varen.</p>
+
+<p>Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil
+niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar
+alleen."</p>
+
+<p>Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij
+Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan.
+Hij ontwapende zich en leî zijn harnas op zijn schild.</p>
+
+<p>Toen viel Reinout op zijne kniën voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en
+zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik
+bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in
+mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn
+Ros Beyaert uit erkentenisse."</p>
+
+<p>&mdash;"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik
+u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen,
+omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt
+gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe
+uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet."</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en
+ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de
+spere in de hand.</p>
+
+<p>Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van
+Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met
+mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en
+staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel
+met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout:
+"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet
+van al mijn leven."</p>
+
+<p>De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die
+hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en
+ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande,
+die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van
+een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd
+Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het
+is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De
+Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun
+dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen
+koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag."</p>
+
+<p>&mdash;"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en
+nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te
+gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit
+ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik
+vliên: God geve u hoon!"</p>
+
+<p>De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij
+spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote schaê gedaan, toen
+gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant
+zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk!<a name="FNanchor_1_58" id="FNanchor_1_58"></a><a href="#Footnote_1_58" class="fnanchor">[1]</a> opdat ik de schande op u niet
+verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen,"
+zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was,
+dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen,
+dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig François 'et lijf zoû behouden
+hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en
+Reinout reed naar Montalbaen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_58" id="Footnote_1_58"></a><a href="#FNanchor_1_58"><span class="label">[1]</span></a> <i>schalk</i>: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend
+wat laag, vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is.</p></div>
+
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning
+Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs
+uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden
+ontvoerde. </p></blockquote>
+
+
+<p>Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et
+wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen
+dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het
+Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar
+de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs
+nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij,
+"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning
+Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en
+toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar
+Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar
+Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er
+hand vloog.</p>
+
+<p>Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij
+droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige
+handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter
+nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar
+Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer
+ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!"</p>
+
+<p>Zoo voerde Olivier&mdash;Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot
+hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de
+Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier,
+mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels
+ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs
+gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer
+Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde
+de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij,
+"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon
+Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid
+onttogen!"&mdash;"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal
+geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"&mdash;"Gij zegt waar," sprak de
+Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!"</p>
+
+<p>De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat
+men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte
+Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de
+Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning,"
+hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."&mdash;"Wie zoû
+zich voor u borge willen stellen," zeî de Koning, "wie mijner Edelen
+voor u!"</p>
+
+<p>Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt
+gij mij borge wezen tot morgen!"&mdash;"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et
+willig."&mdash;"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en
+mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog!
+wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde
+mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit
+niet tot oneer gedije." &mdash;"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet;
+met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage."</p>
+
+<p>Dan loeg de Koning en sprak: "Laat hem, bij zulke borgen!"</p>
+
+<p>Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De
+Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten,
+hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den
+haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs:
+"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene
+spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem
+hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs,
+ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat
+dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij
+aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden:
+"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"&mdash;"Geen blijder man dan ik!" zei
+Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval
+zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zoû; men sloot hem
+in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier
+kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer
+de nacht verloopen is."</p>
+
+<p>Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de
+Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar
+Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur
+en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren.</p>
+
+<p>Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem
+af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de
+deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en
+nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en
+nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en&mdash;vlood naar Montalbaen.</p>
+
+<p>Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van
+al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep,
+overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan
+eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en
+kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help,
+moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een
+schandigen dood!"</p>
+
+<p>Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot
+Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord
+had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is
+dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave
+Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg
+in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns
+ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat
+niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den
+weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat
+hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt
+mij wie du bist, of zoo helpe mij God!&mdash;ik slaag die met den zwaerde dat
+du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert
+reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout,
+hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep
+Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde
+u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan
+spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den
+Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad
+den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij
+toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men
+legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten
+de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in
+des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage
+onder den mantel."</p>
+
+<p>&mdash;"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!"
+andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."&mdash;"Oom!" zei Reinout, "dat
+is niet wèl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!"</p>
+
+<p>&mdash;"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem
+voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!"</p>
+
+<p>Dan dede Reinout&mdash;Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot
+Montalbaen.</p>
+
+<p>Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich
+haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn
+Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en
+dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem
+ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de
+Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit
+den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet
+meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun
+zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar,"
+spraken zij, "God geef hem schande!"</p>
+
+<p>De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zoû laten zoo
+lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven
+mocht.'</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel-Montalbaen beleîde, en hoe Reinout in
+eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide.
+En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen,
+Koning Carel haren broeder te voet valt. </p></blockquote>
+
+
+<p>Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir,
+en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleîden. Roelant zond een bode
+tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd,
+wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij
+Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem
+tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet
+groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als
+Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve,
+dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem
+verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot
+zoen willen helpen bij Carel den Koning."</p>
+
+<p>Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij
+trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen
+hem liet verzoenen.</p>
+
+<p>Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord:
+"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij
+belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat
+zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen
+neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt:
+want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en
+betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer
+wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te
+geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen,
+kunnen strijden."&mdash;"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de
+Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe
+met hen wat mijne eere van mij eischt."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap
+Haymijns kinderen en hope te slagen!"</p>
+
+<p>&mdash;"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode
+zijt."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," zeî
+Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet
+men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale.
+Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen.
+Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege
+den Koning."&mdash;"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij
+eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen
+gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig
+voorbehoud."</p>
+
+<p>&mdash;"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en
+goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig
+nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve
+mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen
+ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag
+hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee
+en verre op de heidenen." &mdash;"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap
+wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed."</p>
+
+<p>Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en
+deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten.
+Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel
+bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings
+heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag,
+wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000
+mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten
+Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere;
+als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw
+leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning
+komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd
+Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met
+gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven,
+hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de
+Françoisen verdoen wij heden!"&mdash;"Schande moog u treffen!" riep de
+Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros
+onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs weêr
+op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo
+dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde.</p>
+
+<p>Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat
+Haymijns kinderen hem ontreden waren.</p>
+
+<p>De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde.</p>
+
+<p>De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zoû een
+parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken,
+en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten
+laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode
+tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden
+zoû, om van den peis te handelen.'</p>
+
+<p>Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog
+ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet:
+"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice,
+mogen u hoeden."&mdash;"Reinout," zeî de Koning, "laat staan de groete; hoe
+veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"&mdash;"Ik wil 'et boeten, Heer
+Koning!" gaf Reinout ten andwoord.</p>
+
+<p>De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan
+zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot
+zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij
+waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier
+nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten
+parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd
+afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op
+Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op
+'s Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten
+parlemente te komen."&mdash;"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn,
+"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem
+raden Reinout met valschheid te vangen.&mdash;Heer Koning," sprak hij verder,
+"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders
+tegen u verzoend worden."</p>
+
+<p>Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de
+moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde,
+te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en
+toog naar Montalbaen.</p>
+
+<p>Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam
+uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen
+malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den
+Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant,
+Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te
+paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht
+viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's
+Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert
+weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen
+van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk
+om zich heen, dat hij weêr te paerde kwam. Toen reed Salomon van
+Bretagniën tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander
+zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit
+zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op
+Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde
+Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit
+hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?'</p>
+
+<p>De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag
+Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den
+paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij
+Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan."
+Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op
+zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben,
+maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen
+sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts
+volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten
+onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij
+vliên! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en
+Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in
+'et kasteel gedreven.</p>
+
+<p>En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden
+nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u
+berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve
+medegaan!"&mdash;"Hoe? gij truwant<a name="FNanchor_1_59" id="FNanchor_1_59"></a><a href="#Footnote_1_59" class="fnanchor">[1]</a>, zoude ik dan met u gaan?&mdash;Beliegt gij
+mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te
+Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel
+Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt
+daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden
+voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."&mdash;"Wildy nu
+van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik
+gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult."
+Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal
+goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te
+Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge
+zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te
+waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij
+'et lichtelijk doen kon'.</p>
+
+<p>Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de
+banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's
+Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen
+aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit
+half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte
+dat wij reeds op de vaart derwaards waren."&mdash;"Gaan wij dan," zei
+Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den
+Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne
+magen; en leîde den Koning in een schoon bedde.</p>
+
+<p>En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik
+geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is
+dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik
+meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij
+geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar
+te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene
+hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer,
+daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor
+zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit
+heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem
+hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne
+kniën, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit
+hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen
+sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout
+beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij
+den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven."</p>
+
+<p>Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy
+wel."&mdash;"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet
+ik des hier sterven, kwade dief&mdash;gij zult er vermaledijd om zijn; want
+met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide:
+"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt."</p>
+
+<p>Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik
+u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen.</p>
+
+<p>Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan&mdash;ik zal mij beraden met
+Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet,"
+zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning
+van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in
+zijn tente kwam.</p>
+
+<p>Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem
+minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning
+zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert
+wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder
+tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit."</p>
+
+<p>Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout,
+en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings
+gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes
+komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom."
+Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen,
+dat gij tot hem komet&mdash;gevangen."</p>
+
+<p>Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken &mdash;wij
+zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel."</p>
+
+<p>Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide
+hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven
+schenken'&mdash;zij komen gevangen af."&mdash;"Hoe!" zeide Carel; "éischen zij iet
+van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want
+zij en hebben geen victualie."</p>
+
+<p>De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te
+bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig.
+Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert
+dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood
+van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert
+niet!"</p>
+
+<p>&mdash;"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door
+honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren
+raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met
+ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert
+aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede."</p>
+
+<p>Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de
+Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun
+paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn
+zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen
+laten vergaan van honger?"</p>
+
+<p>Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en
+bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden<a name="FNanchor_2_60" id="FNanchor_2_60"></a><a href="#Footnote_2_60" class="fnanchor">[2]</a>
+geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad
+gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't
+voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe.</p>
+
+<p>De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap<a name="FNanchor_3_61" id="FNanchor_3_61"></a><a href="#Footnote_3_61" class="fnanchor">[3]</a> voor Montalbaen.</p>
+
+<p>En die op de muren stond&mdash;zag, dat de Genoten hun engienen<a name="FNanchor_4_62" id="FNanchor_4_62"></a><a href="#Footnote_4_62" class="fnanchor">[4]</a> sterkelijk
+stélden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te
+bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier,
+Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij
+ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon
+Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor
+langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij
+tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven.</p>
+
+<p>Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten
+geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen
+veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om
+geen goed gegeven hebben.</p>
+
+<p>Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen
+ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen:
+daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons
+wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier
+alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het
+beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered."</p>
+
+<p>Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden
+woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe
+Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden
+heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen
+mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en
+zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij
+te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de
+Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden
+Haymijnskinderen te gemoet.</p>
+
+<p>Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat
+hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef
+steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door
+zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken
+was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende:
+"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met
+sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij
+zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed.</p>
+
+<p>Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel
+van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et
+dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter
+poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout
+was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn
+broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te
+eten was.</p>
+
+<p>Hierentusschen is Koning Carel&mdash;Reinout met zijn volk onvermoeid
+gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk
+belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en
+zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn
+vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo
+dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan&mdash;kan ik dit Ros machtig
+worden&mdash;ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner
+kroone.</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm010.jpg" width="400" alt="Ten leste zonk het Ros" title="" />
+<p class="illus">Ten leste zonk het Ros...</p>
+</div>
+
+<p>De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij
+spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen
+hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil
+t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende
+minlijk liet gaan!"</p>
+
+<p>Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des
+Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden
+met hem te hebben, en reed weder naar het heir.</p>
+
+<p>Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare kniën en
+bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij
+Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook
+alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet
+verzoenen.</p>
+
+<p>En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot
+genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die
+hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft&mdash;en mij toelaten daarmeê
+naar welgevallen te handelen&mdash;zoo mag hij tegen mij verzoenen&mdash;en anders
+niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij
+trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven
+wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst;
+zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen
+mogen."</p>
+
+<p>Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met
+groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des
+Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had,
+zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De
+broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan&mdash;maar welhaast barstte
+Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige
+dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede,
+droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere
+broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig:
+"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik
+Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is
+onze Koning&mdash;en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag&mdash;wij
+mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et
+Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken
+hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den
+Koninge Beyaert geven zoude.</p>
+
+<p>Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft
+hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat
+hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen meê handelen
+zoude&mdash;maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem
+misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'&mdash;"Mij dunkt," zeide de
+Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang
+gewacht."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_59" id="Footnote_1_59"></a><a href="#FNanchor_1_59"><span class="label">[1]</span></a> <i>truwant</i>: lage knaap, bedelaar.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_60" id="Footnote_2_60"></a><a href="#FNanchor_2_60"><span class="label">[2]</span></a> <i>blijden</i>: steenwerptuigen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_61" id="Footnote_3_61"></a><a href="#FNanchor_3_61"><span class="label">[3]</span></a> <i>reedschap</i>: instrumenten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_62" id="Footnote_4_62"></a><a href="#FNanchor_4_62"><span class="label">[4]</span></a> <i>engienen</i>: machines, krijgstuigen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL" id="HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL"></a>HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en
+hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe
+Reinout een heremijt werd. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met
+zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot
+de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed
+hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele
+verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft
+Reinout&mdash;Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer
+Koning, doet er mede naar uw welgevallen."</p>
+
+<p>En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee
+molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse,
+en werpen in de rivier.</p>
+
+<p>Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar
+terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout;
+toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden
+braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij
+naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert
+wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning
+dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals
+twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en
+liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn
+muil.</p>
+
+<p>De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel
+zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen
+vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout&mdash;geeft gij
+den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om
+een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo
+helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy
+gehad; met slechten loon wordt gij beloond!"</p>
+
+<p>Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende:
+"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd
+hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het
+gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout
+wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen
+verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet
+omzien zoude na Beyaert.</p>
+
+<p>Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote
+molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere;
+toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder
+boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een
+mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid
+hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't
+gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen.</p>
+
+<p>Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als
+sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te
+Montalbaen.</p>
+
+<p>Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en
+waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog
+bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit
+hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze
+van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en
+was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide:
+"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en
+volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, beleîde ons in Ardennen, en
+vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen
+zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene
+zóo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede;
+aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert
+verdrinken."</p>
+
+<p>De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert
+zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en
+mochten hem en zijner machte niet wederstaan."</p>
+
+<p>Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten
+zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als
+hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken
+tot den voeten. Geen Ros, zoû hij na Beyaerts doode meer beschrijden;
+geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden!</p>
+
+<p>Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen,
+door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar
+hem niemant en kende.</p>
+
+<p>Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar
+nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide:
+"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en
+wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste
+man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig
+jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk
+doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar éenen wensch: dat ik mijn
+zonde konde biechten en boeten&mdash;want mijne misdrijven benauwen mij
+onlijdelijk."</p>
+
+<p>De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk
+gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de
+zonden laten en niet meer doen&mdash;zoo valt dan op uw kniën en bidt God
+oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig
+einde moogt brengen."</p>
+
+<p>Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den
+Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo
+zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite
+tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik
+blijve dood van koude en van honger, want mijne kleêren zijn aan
+stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken."</p>
+
+<p>Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide:
+"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien."
+Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van
+koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God.
+Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide,
+dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na
+den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit
+hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende:
+"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken
+zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't
+Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen
+verloren hebben."&mdash;"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want
+wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode
+voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem.</p>
+
+<p>Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met
+weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten
+derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte
+dat hij daar wél op rusten zoû; want de nacht overviel hem. En als 't
+begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat
+hij kwam in Sinte Jores' Braes<a name="FNanchor_1_63" id="FNanchor_1_63"></a><a href="#Footnote_1_63" class="fnanchor">[1]</a>; daar vond hij schepen en voer in het
+land van den Islamme<a name="FNanchor_2_64" id="FNanchor_2_64"></a><a href="#Footnote_2_64" class="fnanchor">[2]</a>. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat
+hij kwam in de haven van Tripoly.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_63" id="Footnote_1_63"></a><a href="#FNanchor_1_63"><span class="label">[1]</span></a> <i>Sinte Joris' Braes</i>: Bras de St George, de Dardanellen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_64" id="Footnote_2_64"></a><a href="#FNanchor_2_64"><span class="label">[2]</span></a> <i>Islamme</i>: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet
+Stamme, het duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en
+hoe Madelgijs bij hem kwam, én hoe Madelgijs dood bleef
+in het beleg van Jerusalem. </p></blockquote>
+
+
+<p>Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een
+nieuwmare kwam, dat Tabarië belegerd en Akers in grote zorge was, en dat
+er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee
+waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de
+steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen
+op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim
+had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken
+geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te
+ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te
+voorkomen.</p>
+
+<p>En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen,
+werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knieën
+en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij
+anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de
+Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit
+zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en
+twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom,
+dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde.
+Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van
+Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch
+schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen.
+Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout
+nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild.
+Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig
+Sarazijn mede doodsloeg.</p>
+
+<p>Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder,
+liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht
+zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de
+Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich,
+en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den
+heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de
+Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden.</p>
+
+<p>En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam
+van zijn oom Madelgijs.</p>
+
+<p>Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete
+over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen&mdash;de Christenen
+bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen.
+Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem
+kwam eene stemme van Godes wege, die hem opleîde, "dat hij zoude gaan en
+helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar
+komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner
+konste en van zijner Godsvrucht.</p>
+
+<p>Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem
+getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden
+doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij
+den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren
+de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen
+de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd
+heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele
+land.</p>
+
+<p>Uit het land van Syrië, van Tripoly en Antiochië vloeiden de scharen
+bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij
+elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van
+Syrië gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de
+belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten
+leggen, om elken verderen uitval te beletten.</p>
+
+<p>Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten
+manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei
+krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk
+werden gesteld.</p>
+
+<p>De Soudaan van Babylonië daarbinnen deed echter met mangneelen en
+blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen
+in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen.
+Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig
+Christen sneefde daar, die te dier tijd vóór de stad de Turken kwam
+bevechten.</p>
+
+<p>In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en
+vochten al d' andere vóór. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en
+Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel<a name="FNanchor_1_65" id="FNanchor_1_65"></a><a href="#Footnote_1_65" class="fnanchor">[1]</a>
+zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij
+heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van
+zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den
+Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In
+zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere;
+"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!"</p>
+
+<p>En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God
+t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme
+in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem
+al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs.</p>
+
+<p>Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen
+vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf,
+stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom
+Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de
+stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls
+in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen
+raad: wilt gij de stad winnen &mdash;laat ons dan wegen en poorten naauw
+bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van
+spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad&mdash;en anders niet." Deze
+raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke
+poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas.</p>
+
+<p>Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren,
+werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te
+helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan
+victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan
+gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den
+strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met
+hulpe van Mahomet en Apolijn."<a name="FNanchor_2_66" id="FNanchor_2_66"></a><a href="#Footnote_2_66" class="fnanchor">[2]</a> De Soudaan gaf toe, en de Turken reden
+uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag:
+zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere
+afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter
+weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen
+er vele; vele gaven er zich gevangen.</p>
+
+<p>Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun
+heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef
+alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die
+binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende
+zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar
+Reinout vóór lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan
+en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden
+was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en
+hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn
+staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit
+ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!"</p>
+
+<p>Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan
+hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met
+mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet
+vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met
+den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep
+de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten,"
+'t welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij
+mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep
+Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan,
+dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze
+in zekerheid.</p>
+
+<p>Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem.</p>
+
+<p>En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn
+lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen
+gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan
+hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des
+Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'&mdash;"Wat mij
+betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout.
+Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden
+den Soudaan gevangen.</p>
+
+<p>Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van
+wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en
+Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van
+Jerusalem, en viel voor hem op zijn kniën, en bad hem, dat hij hem zijn
+zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf
+hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot
+mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden
+van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren.
+Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de
+Edelsten van den lande.</p>
+
+<p>Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor
+wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsiliën. En als
+zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande
+zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen,
+die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout
+aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en
+ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't
+schip.</p>
+
+<p>Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor
+Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde
+hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen
+hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen
+Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis
+voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic
+van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij
+wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning
+lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit
+goeden raad.</p>
+
+<p>Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en
+zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt
+bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam,
+waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging
+en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk
+gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en
+zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is
+gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten
+Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom
+gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze
+verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad.
+Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade
+gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom
+willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den
+Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten
+heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij
+van zijn vader zoû gehad hebben&mdash;daarom willen wij den Koning zeggen,
+dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij
+mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en
+Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij
+over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant méér
+gehoord?'&mdash;'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf
+lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittanniën,
+Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn<a name="FNanchor_3_67" id="FNanchor_3_67"></a><a href="#Footnote_3_67" class="fnanchor">[3]</a>.' Toen Koning Carel dit
+hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zoû doen vangen.
+Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken.
+Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem
+'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem
+verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit
+der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn
+leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den
+Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide:
+'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook
+alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen
+wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en
+met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving.
+Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'&mdash;'Ik stem daarin,'
+zeide Guweloen."</p>
+
+<p>Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij
+was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p>
+<a name="Footnote_1_65" id="Footnote_1_65"></a><a href="#FNanchor_1_65"><span class="label">[1]</span></a> <i>quareel</i>: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_66" id="Footnote_2_66"></a><a href="#FNanchor_2_66"><span class="label">[2]</span></a> Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als
+Sarazijnsche afgoden voor.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_67" id="Footnote_3_67"></a><a href="#FNanchor_3_67"><span class="label">[3]</span></a> Dr. Mannes leest <i>Herclijn</i>; de vl. uitg. heeft <i>Hebron.</i></p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en
+Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot
+zwaren arbeid vernederde. </p></blockquote>
+
+
+<p>Reinout ging tot Koning Carel, en stond vóór hem als een arme pelgrim.</p>
+
+<p>"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van
+over Zee en van de stad Jerusalem?"&mdash;"Heer Koning!" andwoordde Reinout,
+"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem
+veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen
+van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg
+"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout
+geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der
+vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch
+Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of
+hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning!
+hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man."</p>
+
+<p>Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en
+ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten:
+maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren
+droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen
+aantrekken, en bewees hem groote gunste.</p>
+
+<p>En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en
+vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder
+waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich
+voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout
+dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader,
+moeder, en zijne broeders niet weêrvond.</p>
+
+<p>Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp,
+dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet:
+God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet
+verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat
+zij kampen zouden.</p>
+
+<p>Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een
+goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad
+van Parijs.</p>
+
+<p>Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner
+spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde
+held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden
+vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden.
+Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar
+kwetste Galeran niet.</p>
+
+<p>Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde.
+"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij
+zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een
+ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de
+handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij
+zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd,
+waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den
+strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert
+stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde
+Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij
+het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere
+zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen
+sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en
+sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en
+het loon kreeg voor zijne valschheid.</p>
+
+<p>En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen
+slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer
+voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran
+aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit
+zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer
+in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil,
+dat men dit wel versta!</p>
+
+<p>Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen,
+en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan
+met den Koning.</p>
+
+<p>Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken
+af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en
+schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van
+daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech
+in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.</p>
+
+<p>Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den
+ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der
+wegen droeg hij hout aan, en mortel<a name="FNanchor_1_68" id="FNanchor_1_68"></a><a href="#Footnote_1_68" class="fnanchor">[1]</a> en steen, en was de minste onder
+de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om
+geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der
+fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den
+gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_68" id="Footnote_1_68"></a><a href="#FNanchor_1_68"><span class="label">[1]</span></a> <i>mortel</i>: ciment.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en
+diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen,
+en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden
+werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam. </p></blockquote>
+
+
+<p>Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten
+jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint
+Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards
+timmerliên en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen.</p>
+
+<p>Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad
+kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De
+werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden.
+Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde.</p>
+
+<p>De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote,
+mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zoû
+kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen
+wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen
+eenen penning!"</p>
+
+<p>Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij méér verdienen zult: wilt
+gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen
+daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga&mdash;'k en wil zoo veel
+niet winnen."</p>
+
+<p>De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal
+ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken."</p>
+
+<p>&mdash;"Heere," zeide hij, "dat doe ik!"</p>
+
+<p>En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alléén steenen aan, die ze met
+hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden.</p>
+
+<p>Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar
+éenen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alléén
+meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u
+in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen
+eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te
+dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne
+gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te
+bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar
+éen gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en
+sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds
+was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de
+meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe
+hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem
+zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude
+zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman."
+Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest&mdash;hij
+zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking.</p>
+
+<p>Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en
+het werk schier alléén deed. De meesters, hoogst voldaan over hem,
+vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een
+onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van
+kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen:
+"Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal
+hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den
+steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."&mdash;"Ik weet
+beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf
+mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen
+gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij
+hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem
+in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan."</p>
+
+<p>En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten
+tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed,
+bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen
+hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water&mdash;nochtans en mocht de
+last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden
+waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf.</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm011.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+<p>In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had
+'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde
+lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was,
+en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord
+was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij
+genezen.'</p>
+
+<p>De vrouw ontsprong<a name="FNanchor_1_69" id="FNanchor_1_69"></a><a href="#Footnote_1_69" class="fnanchor">[1]</a> met dien visioene en dede zich kleeden, en op den
+Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar kniën, en
+zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te
+voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot
+den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten
+waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten
+laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en
+zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken,
+en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te
+luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken
+om de ware oorzaak te vernemen.</p>
+
+<p>Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een
+mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een
+devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is
+genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met
+cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte
+der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles
+gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den
+zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen
+die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het
+lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken
+gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven
+werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van
+Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar
+bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die
+bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door
+uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden
+geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren&mdash;wist ik wie u
+verslagen hadde, ik zoû hem den Koning zenden!"</p>
+
+<p>Als die van Dortmunde<a name="FNanchor_2_70" id="FNanchor_2_70"></a><a href="#Footnote_2_70" class="fnanchor">[2]</a> dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en
+vielen op de kniën voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun woû
+geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner
+gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk:
+"Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor
+hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een
+karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de
+paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de
+kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na
+den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet
+wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde,
+'twelk menig mensch zeer verwonderde.</p>
+
+<p>De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom.
+En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes,
+Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_69" id="Footnote_1_69"></a><a href="#FNanchor_1_69"><span class="label">[1]</span></a> <i>ontsprong</i>: stond op.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_70" id="Footnote_2_70"></a><a href="#FNanchor_2_70"><span class="label">[2]</span></a> <i>Dortmunde</i>: stad in Westfalen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed
+boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den
+Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen
+kwam. </p></blockquote>
+
+
+<p>De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel
+aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen
+was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij
+uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van
+zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij
+zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.</p>
+
+<p>Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen,
+en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden
+van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den
+Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning!
+wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en
+niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden
+wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar
+ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo
+jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat
+zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk
+terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning
+Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan
+Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in
+den Rijn.</p>
+
+<p>Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig
+waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te
+Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok
+na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de
+Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was.
+Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien
+'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad:
+"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van
+den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder
+menschen hulpe&mdash;dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel:
+"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit
+hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et
+lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag
+daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn
+broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als
+de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij
+hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het
+lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote
+rouwe en misbaar.</p>
+
+<p>En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.</p>
+
+<p>Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in
+'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest!
+Amen.</p>
+
+<p>Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout
+Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm012.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="WILLEM_VAN_ORANJE" id="WILLEM_VAN_ORANJE"></a>WILLEM VAN ORANJE.</h3>
+
+
+<p>A. D. 806.</p>
+
+
+<p>
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;"</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Maar wie zal...?"&mdash;Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen meê.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Geef gij aan den broeder het noodige geld!"</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Nu dit hem met-een in de hand is geteld,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En was ook al gaauw uit het klooster gereden.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo'n kloostergeleerde&mdash;'t staat vréémd op een paard!....</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Die staljongen&mdash;is zonder grónd niet vervaard;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo denkt ge!&mdash;maar och, hoe bedriegt soms de schijn!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Al lijken de kappen een haar op elkander,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Nú rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Twee korfjens, een knaap, voert hij meê op zijn ros;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En de vuist, die den slappenden toom soms vervat&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En de knie, die zich spant en het bergachtig pad</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Den klepper op éénmaal soms over doet schieten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En springen en waden, waar beektakken vlieten</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Of heester en kloof hem den weg soms verspart&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Geen wonder! geen wonder!&mdash;de bode, die heden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat schild&mdash;was het wapen van 't Prinsdom Oranje.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Oranje! geen held onverwinbaar als hij!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Een Roelant-alléen stréeft dees Willem op zij.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Herroepend zijn helden:&mdash;&mdash;Geen dooden, die hooren!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Oranje!&mdash;steeds galmden de harpen zijn naam!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen!</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">'t Is lang geleên!&mdash;hij had, na felgevochten strijd,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhône.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat op de wallen van de leêggeroofde veste</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De stoutste plonderaars te levren in zijn hand</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Naar wellust martlen woû, den jongen Christen Grave</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En de Emir, dol van spijt, doch met betóomde woede</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">'t Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">'t Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Uw woord tot onderpand&mdash;en, om mijns Heilands wil,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Ontboeit hem, knechten!"&mdash;Maar op eens, wat luide gil!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En barst in dank op dank en tranenstroomen los.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En wat de vader deed&mdash;ik wil daar nóg voor boeten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behouën?...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"O, vraag een losprijs!&mdash;dat mijn harte moog vertrouwen!"</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Die mij mijn vijand leert beminnen&mdash;die begeert</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Der dochter weêrgeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!"</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre stem:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De God van Willem werd der teedre maged God:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En&mdash;knielend voor den troon van Keizer Charlemanje,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:&mdash;de volle dag,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Heer!&mdash;Heer!&mdash;hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch?</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zóo zijn wij het bosch uit&mdash;&mdash;Ons valt men niet ân:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Gedraafd en gezongen met vrolijken zin!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Dan halen niet eens die kornuiten ons in."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"Heer ... 'k durf niet;... maar&mdash;daar gij 'et wilt&mdash;zal 't gebeuren."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En bevend begon hij een lied jen te neuren.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!'</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.'</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Die ginds langs het lover de takken ontblaarden:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Den een na den ander een zevental ruiters,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mâmêt:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem betoomt zich met moeite van binnen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Dat pak?&mdash;'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Voor schatten vermoeden in grauwharen pij!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Ik bid&mdash;laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen."</span><br />
+<br /></p>
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm013.jpg" width="400" alt="Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist." title="" />
+<p class="illus">Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist.</p>
+</div>
+<p>
+<span style="margin-left: 3.5em;">&mdash;"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Die 't meest ons belemmert!... maar üit heeft uw rijk!&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En beiden de plunje van 't lichaam gereten!"</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steê,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Ze binden hem handen en voeten, en reê</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Den monnik, dien zij met hun vijven omringen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Tot afstappen en ontkleeden te dwingen,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zóo varen ze, die zich niet laat gezeggen.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"We maakten hun goud, en wat anders nog, buit,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Toe! voort uit den tabbert! Het minst is óns meest!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Uw pij uit!&mdash;Die hoofdkap bij de ándre kaproenen!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">&mdash;"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Den huifwagen in met het zadelgeraad;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...'</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen....</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Een weêrloze monnik&mdash;maar geeft me mijn knecht</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Voor 't minst dan weder!"&mdash;"Dien knaap?&mdash;Gij hebt recht</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Den knaap in de kar!&mdash;en de paarden de sporen!&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Alleen u vervéelt, in uw luchtigen dos,...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat kan toch den beste eremiet overkomen,...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Hier hebt gij een koord&mdash;en daarginder staan boomen!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Fraai, mannen! fraai helden!&mdash;Uw prooi lacht u uit;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"De gordel, die schuilt in mijn onderste klêeren,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Een gesp is er aan van het edelste goud,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">De hoofdman rijdt nader: "Zoû 't waar zijn?&mdash;Pas op,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!...</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Te voorschijn die gordel!"&mdash;"Ik schenk hem u. Heer,"</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!"</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">&mdash;"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Daar heft hij de vuist, en met morslende slag,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hij stort zich te midden der wanklende knechten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Oranje vooruit!&mdash;Ha, gij wolvengebroed!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..."</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn knaap niet alléén werd geboeid door het rot....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Twee ándre gevangnen, wien doeken en banden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Het roepen belett'en en 't roeren der handen!...</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">De schaduw der huive floerst Willem het oog;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Hoe dús?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Om u in het klooster te komen verrassen....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"We hebben steeds in de Cortezische plassen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Niet ver van 'et burchtslot zoo héérlijken visch!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En hadden dien heden bestemd voor uw disch;...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen!</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...."</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En glimlachend leî hij de zweep op het paard;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De staljongen moest met den bles het maar stellen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En de Abt kreeg twee gasten en&mdash;goede forellen.</span><br />
+</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 350px;">
+<img src="images/thijm014.jpg" width="350" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="FLORIS_EN_BLANCEFLOER" id="FLORIS_EN_BLANCEFLOER"></a>FLORIS EN BLANCEFLOER.</h3>
+
+<h5>AAN HELENE UKENA. (1851&mdash;1873)</h5>
+
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm015.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+<p>Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat
+boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand
+hebben&mdash;'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw&mdash;en wien de
+liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik
+dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan
+alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't
+Is alles van eene standvastige min&mdash;van blijdschap beide en droefheid.
+Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een
+vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt.</p>
+
+<p>Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald
+werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld
+kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal
+blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben.</p>
+
+<p>Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit
+Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks
+te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt.
+Fenus&mdash;zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen
+oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed
+Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen;
+kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles
+werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig
+dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen
+meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig
+hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van
+alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om
+te brengen, of gevankelijk meê te voeren. Onder de dus overvallenen nu
+bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich
+moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven
+niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar
+met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde.
+Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger
+achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen,
+en nog méér moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden
+ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde,
+dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den
+vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken
+wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden
+groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en
+werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep
+hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo
+doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en
+wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren
+blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met
+grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele
+kinderen liepen om en achter hen.</p>
+
+<p>De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te
+deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van
+pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de
+hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de
+gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te
+nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van
+haar maakte.</p>
+
+<p>Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren
+Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk
+echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat
+zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van
+haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een
+liefdepand van haar beschreiden egaâ onder het harte droeg. De vrouwen
+brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter
+waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten
+hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem
+Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen
+Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen.</p>
+
+<p>Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer &mdash;want
+het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en
+dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden.</p>
+
+<p>De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid
+reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren
+beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone
+kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon
+meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den
+geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde
+hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht
+kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader
+hem dit aanzeide:</p>
+
+<p>"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen,
+noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan&mdash;tenzij
+Blancefloer met mij ga."</p>
+
+<p>De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter
+schole.</p>
+
+<p>Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en
+beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon
+hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat
+men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ééns
+van meening, ééns van schoonheid, van éenen zin en even standvastig van
+harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen
+in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in
+zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo
+leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten
+druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te
+kort voor hun blijdschap, voor hun genot.</p>
+
+<p>Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij
+den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de
+ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter
+dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en
+op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging
+voor de arme dochter der gevangene Christin.</p>
+
+<p>Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben,
+naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van
+gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn
+gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij
+peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon
+komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind
+verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij
+er op vinden kunnen."&mdash;"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren:
+Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer
+gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang.
+Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan&mdash;dan zal
+ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is,
+Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal
+vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere
+beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen
+geslachte zal nemen."</p>
+
+<p>Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij
+geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe
+zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des
+Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed:
+maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen.
+Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in
+waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk
+duchten zoû ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos
+verloren zoû gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der
+tijding. Dan zoû onze schade en ons verdriet méér zijn dan te voren.
+Daar is geen lof noch roem meê te behalen, 't zoû niemants nut zijn, zoo
+zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven
+blijve!"&mdash;"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als
+middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de
+kinders eene ziekte zoû voorwenden, opdat men Floris naar eene andere
+plaats, naar Montorië, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer
+zoû men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak
+te maken op de voortdurende hulp harer dochter &mdash;dan kon Floris niet
+aandringen op het samengaan&mdash;en verwijdering, afleiding door den omgang
+met andere speelgenoten, zoû wellicht de liefde verdooven kunnen, of
+vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook
+beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tót hem gezonden zoû worden.</p>
+
+<p>Nu ontbood de Koning&mdash;Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet,
+dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet
+verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar
+Montorië ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn
+en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en
+lezen en schrijven leeren."</p>
+
+<p>&mdash;"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"&mdash;"Lieve jongen,"
+zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over
+zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide
+hij: "dat gebod zoû mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet
+mét mij&mdash;ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval
+hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zoû binnen veertien nachten of
+eerder Blancefloer tot hem zenden.</p>
+
+<p>Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den
+Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris,
+ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare
+dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht
+hier en daar woorden zoû ontvangen, die hem in eene andere liefde
+mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten
+doen.</p>
+
+<p>Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel&mdash;maar, 't mocht zijn wat
+het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde
+en las&mdash;altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij
+boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast
+in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De
+stonden vielen hem lang&mdash;des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij
+zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien
+nachten ten einde kwamen.</p>
+
+<p>Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam,
+werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe
+langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol
+te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven.
+In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem
+vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne
+tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De
+kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe
+wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van
+Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus
+geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vóór
+mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand
+van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood
+krijgt."</p>
+
+<p>Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat
+tooverij het zoû gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde
+reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te
+onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare
+wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet,
+geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de
+onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen&mdash;dat er
+aldus over haar gesproken werd.</p>
+
+<p>De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood
+ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand,
+Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar
+aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren;
+zóo, dat er de Koning zich niet meer om zoû behoeven te vergrammen, noch
+er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd
+te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in
+handen geleverd.</p>
+
+<p>Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig
+pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde;
+honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden;
+honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels&mdash;valken,
+haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog
+een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone
+van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelaüs, hem zeer
+verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken
+Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van
+binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie
+godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen
+schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo
+duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder
+vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk
+moerbeziën, honig- en specerijdrank van wijn zoû hebben kunnen
+onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel
+werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel
+vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het
+uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen
+kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in
+de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de
+markt te Nicle verkocht had.</p>
+
+<p>De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel,
+konden zij haar te Babylonië brengen, dat zij twee maal den koopschat op
+haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone
+kind aan te bieden.</p>
+
+<p>Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun
+tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden
+met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers
+hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare
+blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen
+geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle
+jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene
+verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen
+andere vrouw meer beminnen.</p>
+
+<p>Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig
+jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden.
+Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot
+vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babylonië.</p>
+
+<p>Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen
+kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft.
+Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!"
+roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn
+teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was
+weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij
+eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur,
+dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend!
+Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad,
+dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij
+te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat
+hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg
+ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al
+heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij
+bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht
+ook niet aan mij&mdash;hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig
+ben&mdash;maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint&mdash;en dat ik hem
+bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij
+nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen.</p>
+
+<p>"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen meê.
+Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons
+gescheiden heeft, wel zoete vriend!</p>
+
+<p>"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo
+braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u
+gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet
+ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed,
+dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!"</p>
+
+<p>Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden
+van hare gezellinnen.</p>
+
+<p>Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend
+knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn
+thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De
+Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste
+wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te
+berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe
+bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon
+zoû melden, dat zijn geliefde in leven was.</p>
+
+<p>Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van
+krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de
+goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare
+en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk
+plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en
+velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters
+keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der
+zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen
+oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de
+tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris:
+het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne,
+ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren
+geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne
+vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het
+hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband
+gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het
+andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind
+ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in
+de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen,
+alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zóo dachten
+allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het
+graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen
+en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond,
+hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en
+jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan
+moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de
+zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen
+haastig tot elkander, en kusten elkaâr vriendelijk. De liefde, waarvan
+zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een
+dorper of een dwaas, die daar voorbij zoû gaan, dan werd, hij, zoo haast
+hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij
+zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap
+viel; zoo bezweken hem al de leden.</p>
+
+<p>Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf&mdash;dat zoo kostelijk was
+als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende
+steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en
+op den steen werd in gouden letters gehouwen:</p>
+
+<p class="small">
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;HIER LEGHET BLANCEFLOER</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT.</span><br />
+</p>
+
+<p>Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug.</p>
+
+<p>Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne
+moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij
+naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden.
+En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk
+beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers
+moeder was.</p>
+
+<p>"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier
+achterliet?"</p>
+
+<p>&mdash;"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij schertst!"</p>
+
+<p>&mdash;"Ik doe het niet."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij doet het!"</p>
+
+<p>De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare
+dochter hoorde spreken.</p>
+
+<p>Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!"
+De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar
+Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij
+doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen
+andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide
+zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat
+mocht hij niet gelooven&mdash;tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij
+uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!"</p>
+
+<p>Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als
+die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg
+zwijmende ter aarde.</p>
+
+<p>De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in
+onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt
+hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten
+heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar,
+dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld
+der Hemelen; daar verwacht mij hàre ziele! Wat denkt ge&mdash;dat de dood mij
+niet tot vreugde zoû wezen?"</p>
+
+<p>Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar
+de letters geschreven, en las:</p>
+
+<p class="small">
+<span style="margin-left: 2.5em;">"&mdash;HIER LEGHET BLANCEFLOER</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">IN DIT GRAF OP DESEN VLOER,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT."</span><br />
+</p>
+
+<p>Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig
+aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken,
+noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij
+weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten.
+"Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik
+rampzalig. Wist ik op wien&mdash;hoe gaarne zoû ik 'et wreken, dat ik u dus
+verloren hebbe! Wij waren op éenen dag gewonnen en geboren, samen
+opgevoed, samen hebben wij geleerd&mdash;tot dat we de ure bereikten, waarin
+men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op éenen
+dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik
+ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere
+smart.</p>
+
+<p>"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart
+zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een
+spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo
+schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk
+andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele
+vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en
+prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u
+standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in
+geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan;
+zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet
+verstonden.</p>
+
+<p>"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt
+moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap
+is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen.
+Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt
+hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde
+komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een
+haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en
+varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele weêr samenkomt met de
+mijne, en bloemen leest."</p>
+
+<p>Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vóór zich,
+en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat
+ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan
+u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven
+nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu
+wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het
+hart&mdash;maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af.</p>
+
+<p>"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde
+begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener
+vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is
+niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in
+groot ongerief blind, doof en stom zoû zijn en lijden al wat de waereld
+te lijden geeft,&mdash;dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de
+stervensangst voor niets?&mdash;Meent ge dat het u iets baten zoû, of ge de
+handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in
+'t Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zoû niet gebeuren; daar zult ge
+langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar
+niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert
+gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zoû uwe woning zijn,
+gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido
+lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar
+eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind
+hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij
+zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe
+vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks
+kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken."</p>
+
+<p>Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer,"
+zegt ze, "hoe gaarne zoû ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons
+kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het
+hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats
+doodgebleven."</p>
+
+<p>&mdash;"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik
+houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig
+zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."&mdash;"Heer," zegt ze, "dat is
+onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood&mdash;niet
+eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg
+brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich
+alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn."</p>
+
+<p>&mdash;"Vrouw," zeide hij, "ik zoû misdoen, indien ik uwen raadslag in dit
+geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde."</p>
+
+<p>&mdash;"Nu spreekt ge wél, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wél aannemen, dat
+wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen."</p>
+
+<p>&mdash;"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve,
+maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat
+Blancefloer, zijne vriendin, leeft."</p>
+
+<p>De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg
+gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid.</p>
+
+<p>"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe
+vriendin: Zij leeft; daar is in het graf&mdash;niets. Wij hebben leugentaal
+gesproken&mdash;uw vader en ik&mdash;toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten
+haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt
+weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings
+dochter. Dat zoû ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot
+vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet
+wilde toelaten, dat zij uw vrouw zoû worden, daarom wilde hij ze
+verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter
+markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre
+landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd
+rijk."</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm016.jpg" width="400" alt="Toen zag hij de lachende kinderbeelden." title="" />
+<p class="illus">Toen zag hij de lachende kinderbeelden.</p>
+</div>
+
+<p>"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"&mdash;"Ja ik," andwoordde zij
+onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien."</p>
+
+<p>Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren;
+en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte
+hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zóo,
+dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en
+brengen ze vol vreugde te-rug.</p>
+
+<p>Maar wat moest hij daar niet al voor doen;&mdash;wat moeite moest hij niet
+aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit
+het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet
+vele in 't land zoû vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo
+dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zoû kunnen zijn, die om den
+wille van welke liefde ook, de stoute daden zoû verrichten, die Floris
+bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er
+verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer
+ter zijde.</p>
+
+<p>Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij
+aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is
+verblijd, om dat ze leeft.</p>
+
+<p>Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat
+hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen
+verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene
+vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge
+dragen.</p>
+
+<p>"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer.
+Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen
+kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar
+te-rug-kom."</p>
+
+<p>Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon.</p>
+
+<p>Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene,
+wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was
+besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant
+daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en
+heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij
+hem vele goede eigenschappen verhaalde:</p>
+
+<p>"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij
+dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch
+van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof
+vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk
+verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van
+zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te
+zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen
+mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder:
+hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar
+waren, weenden alsof hij dood vóór hen lage. Maar zijn moeder dreef den
+diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zoû het nog méér
+gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie
+maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden
+zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer
+weêr.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met
+vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te
+scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer
+uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babylonië, de
+stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd.</p>
+
+<p>Maar wat nu nog aangevangen zonder éenen vriend, die hem den weg kon
+wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich
+meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar
+hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en
+zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken
+gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie,
+het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had
+gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door
+Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem,
+en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe
+zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren
+man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone
+jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb
+zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard
+deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het
+tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord
+en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u
+des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad
+schaffen."&mdash;"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat
+hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt.
+Het zoû mij niets verwonderen; want ik zag haar van éener gedaante, van
+éen manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in
+kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante
+mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is.
+In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om
+zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in
+vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar
+de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem
+gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof
+vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar
+geliefde."</p>
+
+<p>Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam
+werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te
+zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit
+woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij
+hebben éenen vader en éene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo
+begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de
+geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen
+Koning, die kroon draagt, is er, die zoû durven ondernemen haar den Emir
+te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den
+rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren
+waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen
+bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij
+steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij
+rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het
+dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van
+goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan
+is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo
+helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo
+licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of
+fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet
+van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier
+woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle
+van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen
+pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt.
+Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert
+door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste
+verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer
+zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu
+steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit
+de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn
+van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn
+de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat
+verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en
+lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de
+geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald
+zijn.</p>
+
+<p>"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar
+het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den
+doek tot wasschinge moeten brengen.</p>
+
+<p>"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren
+nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der
+woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door
+tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn
+altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te
+slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een
+vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang
+gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het
+jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen,
+de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met
+zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen;
+opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zoû."</p>
+
+<p>Floris, op het hooren dezer berichten, was nog ongeduldiger dan vroeger
+om zijn opzet door te zetten, en bidt den waard er hem den besten raad
+toe te geven. "Sta morgen vroegtijdig op," zegt deze: "begeef u naar den
+toren: beschouw hem ter wederzijde; ga de hoogte en dikte met uwe
+blikken na, en meet den omvang met uwe schreden. Dan zal de portier op u
+toeschieten, en stuurs u aanspreken: andwoord hem bedaard, en zeg hem,
+dat gij gekomen zijt om den toren op te nemen, en voornemens in uw land
+naar dezen een anderen en beteren te maken. Als hij u van zulke zaken
+hoort spreken zal hij begrijpen, dat gij een aanzienlijk man zijt, hij
+zal kennis met u willen maken en u ten zijnent noodigen, of gij met hem
+schaakspelen wilt. Hij bemint dat spel met hartstocht. Zet honderd
+bezanten op het spel; wint gij&mdash;geef hem dan zijn inzet met den uwe ten
+geschenke. Keer des volgenden daags te-rug, en verdubbel de som. Geef
+hem het zijne weder, indien gij wint; en vermeerder het met het uwe. Dat
+zal hem vriendelijk stemmen ten uwen opzichte. Vul des derden daags uw
+schoone gouden drinkvat met drie-honderd bezanten; en als gij wint, geef
+hem steeds het gewonnene te-rug, vermeerderd met uw ingezette som. Zoo
+wint gij hoe langer hoe meer zijne genegenheid. Zie echter wel toe, dat
+gij uwen gouden beker niet op het spel zet. De man zal u dan aan zijn
+disch nooden. Hij zal zijne zinnen zoo sterk op uw drinkvat gesteld
+hebben, dat hij er u duizend mark fijn goud voor bieden zal. Sla dit van
+de hand. Maar, ten laatste, bied hem het kostbaar stuk als een
+vriendschapsgifte aan: dan zal hij buiten zich-zelven zijn, en niet
+weten, hoe hij dat groote goed en de eere, die gij hem bewijst, erkennen
+zal. Hij zal u zijne handen toesteken als uw dienstman. Wees daarop
+voorbereid, en ontvang zijne manschap en getrouwheidseed. Dan moet gij
+hem de waarheid stoutelijk bekend maken; hem verhalen, wat zake gij
+volvoeren wilt, en wat leed u getroffen heeft. Dan, ik ben des zeker,
+zal hij uwe liefde bevorderlijk wezen en u helpen. Helpt <i>hij</i> u
+niet&mdash;dan is uw zaak verloren."</p>
+
+<p>Floris deed als hem geraden was. Des anderen morgens vroeg reed hij, op
+het prachtigst uitgedost, naar den toren, 1000 gouden schilden had hij
+medegenomen. Alles droeg zich juist zoo toe als de waard het voorspeld
+had. Toen de portier hem manschap gedaan hade vergde Floris van hem, dat
+hij hem Blancefloer zoû doen zien en spreken.</p>
+
+<p>"Heere," zeide de verschrikte portier, "uw goed heeft mij ten verderve
+gebracht. Ik bemerk het te spade. Gij hebt gedaan als de vogelaar, die
+met zijn schoon fluiten en blazen de vogelkens in den strik lokt. Kome
+er schade van of voordeel&mdash;daar het er nu eenmaal toe ligt, zal ik u
+trouw bewijzen&mdash;&mdash;Keer nu ter herberge, en kom over drie dagen weder,
+dan is het de Meimaand: dan zal ik u helpen."</p>
+
+<p>Toen Floris, dien het uitstel ontzaglijk lang viel, zich op den
+bepaalden dag bij den portier aanmeldde, beval hij den schoonen,
+veertienjarigen jongeling zich in een rozerood kleed te steken. Hij had
+ook zijn dienaars uitgezonden, om hem uit alle velden, en wouden, en
+hoven, de schoonste bloemen te verzamelen. Een ontzettenden korf deed
+hij daarmee vullen, en zeide aan zijne knechten, dat hij die aan de
+jonkvrouwen ten geschenke wilde geven. Maar toen hij alleen was met
+Floris, deed hij dezen in den korf nederzitten, en bedekte hem met een
+groote hoeveelheid rozen, akoleyen, lelies, en violen. Ook een krans van
+rozen had hij den knaap op het hoofd gezet, en beval hem zich niet te
+verroeren. Toen gaf hij last dat men de bloemen de bovenste torentrap
+zoû opdragen in de kamer van Blancefloer: "Gaat," zeide hij, "brengt uit
+mijn naam deze bloemen aan mijne Jonkvrouwe Blancefloer, en dat zij er
+de bloem uit kieze, die haar het beste gevalt!"</p>
+
+<p>De dienaars gingen. Onder wege vloekten zij op den last, en meenden, dat
+zij nooit zoo zware bloemen hadden gedragen;</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat seiden si ende seiden waer."</span><br />
+</p>
+
+<p>Maar o noodlot! Daar dragen zij den korf in eene verkeerde kamer, in die
+eener andere jonkvrouwe, eens Hertogen dochter uit Duitschland, Claris
+geheeten. "Jonkvrouwe Blancefloer!" zeggen de dienaars, "deze bloemen
+zendt u onzen Heer de portier."</p>
+
+<p>Claris zeide niet, dat zij Blancefloer was&mdash;maar aanvaardde de bloemen
+al lachende. De dienaars vertrekken. Zij gaat tot den korf en neemt eene
+roos. Floris waant dat het Blancefloer is, en spring uit de bloemen naar
+haar heen. De jonkvrouw werd zeer vervaard, vluchtte van hem, en riep:
+"Help! help! wat bloemen zijn dit!" zoo dat al hare gezellinnen haar ten
+bijstand snellen.</p>
+
+<p>Floris echter verborg zich haastig weêr in den korf onder de bloemen, en
+de jonkvrouw, zich bezinnende dat deze voor Blancefloer bestemd waren,
+en dat hare vriendin steeds treurde om een jonkman, wiens beschrijving
+geheel aan het voorkomen van Floris beandwoordde, herstelde zich
+spoedig, en zeide aan de andere jonkvrouwen, "dat uit de bloemen haar
+een vlinder in het aangezicht gevlogen was, die haar verschrikt had."</p>
+
+<p>Nu verwijderde men zich, en Claris gaat tot Blancefloer, die altoos
+treurde om haren geliefde. "Blancefloer," zegt ze, "zoete lieve, wilt ge
+met mij gaan&mdash;ik zal u zulke bloem laten zien, dat gij nooit bloem noch
+roze liever zaagt dan deze."</p>
+
+<p>&mdash;"Clarisse," andwoordt zij, "zoete gespele, ik heb zo veel verdriet,
+dat ik geen zin heb in bloemen. Gij doet slecht, dat gij spottende tot
+mij komt. Die in de hope der liefde leven, hun past het wel bloemtjens
+te kweeken, om het leed te vergeten en te verkorten: maar mij naakt
+niets dan droefheid. Zoete vriendinne, gij weet wel, dat ik ver van mijn
+geliefde ben en hij verre van mij. Ginds is de Emir, die mij binnen
+dezer maand nog ter vrouwe denkt te nemen. Maar eer zal ik mij de dood
+geven (kan ik hem anders niet ontgaan), dan, levende, Floris te
+verliezen."&mdash;"Blancefloer," is het wederwoord, "nu bid ik u, bij Floris'
+liefde en om zijnentwille, dat gij met mij de bloeme koomt zien&mdash;hoe
+schoon zij is."</p>
+
+<p>Zoodra ze haar bij hém bezwoer, stond de schoone Blancefloer op en ging
+de bloem met haar aanschouwen. Floris heeft de jonkvrouwen wel gehoord,
+en is zeker, dat Blancefloer in de kamer is. Hij richtte zich op en
+sprong te voorschijn: hij had het schoonste haar, den blanksten tint,
+die ooit iemant ten deel vielen. Hij had een rooden lijfrok aan. Edel
+was zijn gedaante, lieflijk blonken zijne oogen. Blancefloer herkende
+hem toen zij hem zag; zij kende hem, en hij haar. Beiden stonden zij
+roerloos; zij konden geen woord uitbrengen. Toen zij tot bezinning
+kwamen, liepen zij al zwijgende tot elkander, zij namen zich in de
+armen, drukten elkaâr aan het harte. Het kussen en omhelzen duurde zoo
+lang, dat men ter zelfder wijle een groote mijl had kunnen gaan. En toen
+zij elkander niet meer kusten, lachten zij elkander al zwijgende toe; en
+zagen zich allerminnelijkst aan. Toen zeide Clarisse en begon schalk te
+vragen: "Blancefloer," zegt ze, "zoete gezellinne, kent gij de bloem,
+waarvoor ik u aanzocht, ook eer dat ik ze u toonde? Draagt gij ze aan uw
+boezem? Sints gij ze zaagt, dunkt mij dat ge gants verheugd zijt: daar
+moet groote kracht in uwe bloem liggen, die eene jonkvrouwe zoo spoedig
+van haren rouw verlost heeft. Eerst woudt gij ze niet zien&mdash;nu dunkt mij
+zijt ge er zoo meê ingenomen, dat ge voor niemant gunstig genoeg zijn
+zoudt om de bloem met hem te deelen."</p>
+
+<p>&mdash;"Deelen?" zegt ze, "is dit dan Floris niet, mijn zoete lief! mijn
+zoete vriend aan wien mijn leven en mijn dood ligt, als ik u dikwerf
+gezegd heb? Hij is mijn troost, mijn toeverlaat." Toen baden zij
+Clarisse beiden, dat zij hunne liefde niet te leed wilde brengen en ze
+geheim wilde houden. "Vreest niets," zeide Claris, "hoe zoû ik u kunnen
+verraden!"</p>
+
+<p>Blancefloer nam haren geliefde bij de hand: en zij zaten naast elkander
+op een rijk bekleede rustbank. "Floris!" zeide zij, "mij wondert zoo
+zeer door wat list gij dezen ontoegankelijken toren hebt weten te
+beklimmen, dat ik soms denke of het ook slechts begoocheling zij. Vrees
+en twijfel benaauwen mij, dat het Floris niet is, die daar neven mij
+zit. Wat zeg ik? ik kenne hem wel; hij is het. Zoete vriend! ei, kom wat
+dichter bij mij&mdash;'t is Floris, die mij te-rug-gegeven is!" En toen
+verhaalden zij elkaar van het leven des afzijns; en dit lijden was hun
+thands zoet.</p>
+
+<p>Maar, helaas, hun geluk was kort van duur. Blancefloer en Claris moesten
+den Emir het water en den doek der handwassching reiken &mdash;maar reeds was
+Claris de trappen afgevlogen met het wasch-bekken, en had Blancefloer
+aangespoord te komen, toen deze nog, in de vreugde des wederziens
+verloren, aan de borst rustte van haar tederen vriend. De Emir zond zijn
+kamerling heimelijk naar boven, daar hij de verschooningsreden, door
+Claris bijgebracht, wantrouwde. Een oogenblik later stond de Emir-zelf,
+in een gramschap, dat hem het harte dreigde te breken, tegenover de
+kinderen, het ontbloote zwaard in de hand. Eerst wilde hij ze beide
+neerslaan &mdash;doch liet zich verbidden om hen voor de rechters te voeren.</p>
+
+<p>Juist viel het jaarfeest in, waarop de Emir gewoon was eene vrouw te
+nemen. Koningen en Hertogen, al de hoogsten van den Rijk waren binnen de
+stad. De hofzaal was prachtig versierd. Thebe noch Troje bezaten ooit
+zoo rijk een paleis. De Emir dan riep er zijn Baronnen en Heeren te
+zamen, om het vonnis over Floris en Blancefloer uit te spreken&mdash;en daar
+was er maar éen die het opnam voor de jeugdige gelieven. Zijn voorspraak
+mocht echter niet baten.</p>
+
+<p>Twee krijgsknechten kwamen de kinderen halen, om ze voor den raad te
+brengen. Droevig en smartelijk zagen zij zich aan en hadden diepen
+deernis met elkander. "Zoete lieve," sprak de Jonkheer tot Blancefloer:
+"wij zijn nu zeker van de dood en in het grootst gevaar. En mijne schuld
+is het, dat wij sterven moeten. Ware ik niet hier gekomen, u ware dit
+leed gespaard gebleven. Maar zal de Emir naar recht uitspraak doen&mdash;zoo
+zult gij de dood ontkomen. Te onrechte zoudt gij sterven. Lieve, neem
+intusschen dit ringetjen: zoo lang gij 't bij u zult hebben, kunt ge
+niet sterven."</p>
+
+<p>"Floris," zegt ze, "wel zoete vriend: hoe onbillijk dunkt mij uw taal!
+De schuld is mijne. Om mij weervaart u deze schande. Om mij verliet gij
+uw ouderlijk huis en zijt hiertoe gekomen. Ik weet wel, dat ik voor u
+sterven moest, ging het naar recht. Geen angst van de dood, geen
+marteling, zoo hevig; zal mij den ring doen behouden; want ik ben schuld
+van alles."</p>
+
+<p>Floris zeide, hij kon niet dulden, dat zij sterven en hij leven zoude.
+Hij bad haar, dat zij het ringetje name; en zij wilde niet. Hij wierp
+het haar toe, en zij 't hem te-rug, zoo lang tot dat het daar neêrviel
+onder de voeten. Zij gingen voort. Een Hertog raapte 't op, die hunne
+woorden gehoord had.</p>
+
+<p>De kinderen werden in de raadzaal gebracht, en ieder was zoo zeer door
+hunne zeldzame schoonheid en droevig lot getroffen, dat allen de tranen
+in de oogen kwamen en de deernis in het hart. Doch de Emir bleef
+onverbiddelijk. Hij liet ze op een plein leiden buiten zijn paleis, en
+beval, dat men hen daar in een groot vuur wierpe. Toen kwam de Hertog,
+die het ringetjen had opgeraapt, dat Blancefloer liet vallen, hij
+knielde met bittere klachten oodmoedig voor zijnen Heere neder en
+verhaalde hem de woorden, die hij van de kinderen gehoord had, toen zij
+van de trap daalden. De Emir beval, dat zij ze hem nog eens vóór zouden
+brengen&mdash;daar hij hooren wilde, wat ze tot elkander zeggen zouden:</p>
+
+<p>"Hoe is uw naam?" vroeg hij barsch aan Floris.</p>
+
+<p>"Heer," zeide de jongeling, "ik heet Floris. Terwijl men mij ter schole
+gezonden had, werd mij mijn lief ontstolen, Blancefloer, die hier neven
+mij staat. Het zoû onrecht zijn, zoo men haar dede lijden. Heer, ik ben
+hier niet met haar meêweten gekomen; dat durf ik voor u en al deze
+Edelen, bij het heiligste bezweren. O doe nu wel! en om uwer eere wille,
+laat Blancefloer leven, edele Heer! Zij is onschuldig! Mij is de schuld!
+Laat den schuldige 't ontgelden."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer," riep Blancefloer, "houdt u niet aan zijne woorden, die gij
+gehoord hebt. 't Is alles om mij gebeurd&mdash;mijn is de schuld. Ware ik
+niet in den toren geweest&mdash;mijn lief ware er niet gekomen. Ik durf wel
+met waarheid zeggen, dat hij eens Konings Zone is. Verloor hij zijn
+leven ter mijner liefde&mdash;dat ware groot onrecht, groote schade. Lieve
+Heer, laat hem leven&mdash;en breng mij ter dood."</p>
+
+<p>&mdash;"Neen!" sprak Floris, "Heere, laat gaan mijne vriendinne, en sla mij
+terneder!"</p>
+
+<p>Toen andwoordde de Emir en zeide: "Zeker, gij zult beide sterven! Ik
+zal zelf mij wraak verschaffen van den smaad, die mij is aangedaan."</p>
+
+<p>En een blank zwaard nam hij in zijne hand.</p>
+
+<p>Blancefloer sprong driftig naar voren, en bood haar hoofdjen.... Floris,
+met de tranen op de wangen, vloog haar na, en wilde haar achteruit
+trekken: "Gij zult niet de eerste de dood ontvangen!" riep hij.</p>
+
+<p>Toen rekte hij zijn hals en bad den Emir toe te slaan, en haastiglijk,
+want hij was bereid. Blancefloer verzett'e zich met inspanning! "Heer,
+mijn is de schuld," riep zij, "waarom slaat gij niet?"</p>
+
+<p>De een konde den ander niet voor zijne oogen zien sterven.</p>
+
+<p>Men weende, en jammerde, en wrong de handen over dit harde vonnis.</p>
+
+<p>Ook de Emir was geroerd. Allen vereenigden zich om hem te verbidden. Het
+zwaard viel hem uit de hand. Op voorbede van den Hertog die het ringetje
+gevonden had, en vooral van eenen Bisschop, die den Emir te voet viel,
+betoonde hij zich vergevensgezind. Hij gaf Floris verlof zijne
+geschiedenis te verhalen; de jongeling kweet zich daarvan met
+kinderlijken eenvoud, maar bleef weigeren bekend te maken door wat
+middel hij in den toren was gekomen; toch nam toen de Emir de hand van
+Blancefloer en zeide: "Vriend, neem den schat te-rug, die u toebehoort:
+ik beveel ze uwer trouwe: om Gods en dezer Heeren wilde, schenk ik u
+beide het leven."</p>
+
+<p>Schreiend vielen zij hem te voet; hij hief hen op en kuste ze, en maakte
+Floris ridder, op de wijze als het daar te lande gebruikelijk was.</p>
+
+<p>De Emir nam toen de goede Claris, voor zijn leven, ter vrouwe, en daar
+werd een groote maaltijd gegeven, waar menige gouden beker geledigd, en
+menig vreugdelied gezongen werd.</p>
+
+<p>Korten tijd daarna kwam er een gezantschap uit Spanje, met het bericht,
+dat Floris' ouders overleden waren, en met de bede van zijn volk, dat
+hij ze mocht komen regeeren.</p>
+
+<p>Floris liet de toebereidselen maken tot zijn vertrek, en onder de
+heilwenschen van den Emir en de zijnen, toog hij met Blancefloer en een
+groot gevolg naar zijn vaderland.</p>
+
+<p>Daar ontvingen hem zijne onderdanen met geestdrift, en kroonden hen
+Koning en Koninginne.</p>
+
+<p>Floris omhelsde de Christen Godsdienst, de Godsdienst van Blancefloer;
+en geheel zijn volk deed als hij.</p>
+
+<p>Hongarije en Bulgarië verstierven van eenen oom in later tijd nog op
+hem.</p>
+
+<p>Hij had eene dochter bij zijne gade, die Baerte heette "metten breden
+voeten". Koning Pippyn dam haar ter vrouwe; een machtig Koning, die bij
+haar een kind verwekte, daar veel van te vermelden ware: Dat was de
+Koning Caerle van Frankrijk,<a name="FNanchor_1_71" id="FNanchor_1_71"></a><a href="#Footnote_1_71" class="fnanchor">[1]</a> die met groote machte menigen burg
+gewonnen heeft.</p>
+
+<p>Hier eindig ik dit verhaal.</p>
+
+<p>Floris kreeg Blancefloer niet dan met moeiten en smart:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Hi pijnder hem om; God halper hem toe:"<a name="FNanchor_2_72" id="FNanchor_2_72"></a><a href="#Footnote_2_72" class="fnanchor">[2]</a></span>
+</p>
+
+<p>Zo moge Hij, vroeg en laat, ons desgelijks helpen, dat wij al onze daden
+tot een goeden uitkomst ten jongsten dage brengen mogen! Amen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_71" id="Footnote_1_71"></a><a href="#FNanchor_1_71"><span class="label">[1]</span></a> <i>Koning Caerle van Frankrijk</i>: Charlemagne.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_72" id="Footnote_2_72"></a><a href="#FNanchor_2_72"><span class="label">[2]</span></a> <i>Pijnen</i>: inspannen.</p></div>
+
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm017.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+<hr style="width: 95%;" />
+
+<p>
+<a name="Contents" id="Contents"></a>Contents</p>
+<p class="small">
+<a href="#CAREL_EN_ELEGAST">CAREL EN ELEGAST</a><br />
+<a href="#DE_VIER_HEEMSKINDEREN">DE VIER HEEMSKINDEREN.</a><br />
+<a href="#HET_EERSTE_CAPITTEL">HET EERSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TWEEDE_KAPITTEL">HET TWEEDE KAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_DERDE_CAPITTEL">HET DERDE CAPITTEL</a><br />
+<a href="#HET_VIERDE_CAPITTEL">HET VIERDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_VIJFDE_CAPITTEL">HET VIJFDE CAPITTEL</a><br />
+<a href="#HET_ZESDE_CAPITTEL">HET ZESDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZEVENDE_CAPITTEL">HET ZEVENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ACHTSTE_CAPITTEL">HET ACHTSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_NEGENDE_CAPITTEL">HET NEGENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TIENDE_CAPITTEL">HET TIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ELFDE_CAPITTEL">HET ELFDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TWAALFDE_CAPITTEL">HET TWAALFDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_DERTIENDE_CAPITTEL">HET DERTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_VEERTIENDE_CAPITTEL">HET VEERTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL">HET VIJFTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZESTIENDE_CAPITTEL">HET ZESTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL">HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL">HET ACHTTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL">HET NEGENTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL">HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.</a><br />
+<a href="#HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#WILLEM_VAN_ORANJE">WILLEM VAN ORANJE.</a><br />
+<a href="#FLORIS_EN_BLANCEFLOER">FLORIS EN BLANCEFLOER.</a><br />
+</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 39717 ***</div>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/39717-h/images/thijm001.jpg b/39717-h/images/thijm001.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7edb18c
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm001.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm002.jpg b/39717-h/images/thijm002.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6d52c8e
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm002.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm003.jpg b/39717-h/images/thijm003.jpg
new file mode 100644
index 0000000..01b6e13
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm003.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm004.jpg b/39717-h/images/thijm004.jpg
new file mode 100644
index 0000000..aea8872
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm004.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm005.jpg b/39717-h/images/thijm005.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3585d26
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm005.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm006.jpg b/39717-h/images/thijm006.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c19dddb
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm006.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm007.jpg b/39717-h/images/thijm007.jpg
new file mode 100644
index 0000000..10a7d0d
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm007.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm008.jpg b/39717-h/images/thijm008.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4759e56
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm008.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm009.jpg b/39717-h/images/thijm009.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9883dd2
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm009.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm010.jpg b/39717-h/images/thijm010.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e6c0574
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm010.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm011.jpg b/39717-h/images/thijm011.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4730431
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm011.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm012.jpg b/39717-h/images/thijm012.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a58c7f0
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm012.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm013.jpg b/39717-h/images/thijm013.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e244982
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm013.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm014.jpg b/39717-h/images/thijm014.jpg
new file mode 100644
index 0000000..bd9b14e
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm014.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm015.jpg b/39717-h/images/thijm015.jpg
new file mode 100644
index 0000000..38cb4d6
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm015.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm016.jpg b/39717-h/images/thijm016.jpg
new file mode 100644
index 0000000..46b0431
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm016.jpg
Binary files differ
diff --git a/39717-h/images/thijm017.jpg b/39717-h/images/thijm017.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6a33536
--- /dev/null
+++ b/39717-h/images/thijm017.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..c133770
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #39717 (https://www.gutenberg.org/ebooks/39717)
diff --git a/old/39717-8.txt b/old/39717-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..f017052
--- /dev/null
+++ b/old/39717-8.txt
@@ -0,0 +1,9107 @@
+The Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by
+Josephus Albertus Alberdingk Thijm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Karolingsche Verhalen
+ Carel en Elegast - De Vier Heemskinderen - Willem van
+ Oranje - Floris en Blancefloer
+
+Author: Josephus Albertus Alberdingk Thijm
+
+Release Date: May 17, 2012 [EBook #39717]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN ***
+
+
+
+
+Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at
+http://www.freeliterature.org
+
+
+
+
+
+KAROLINGSCHE VERHALEN
+
+Carel en Elegast--De vier Heemskinderen--Willem van Oranje
+--Floris en Blancefloer
+
+In nieuwer form overgebracht door
+
+JOS A. ALBERDINGK THIJM
+
+VIJFDE UITGAVE
+
+ZUTPHEN--W.J. THIEME & CIE--MCMXLVIII
+
+
+
+[Illustratie: Carel en Elegast]
+
+VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE.
+
+
+Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd.
+Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het
+exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd
+hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed
+te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag,
+door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche
+volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in
+de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak
+en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning,
+dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene
+nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo
+ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik
+wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke
+natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen,
+Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle
+middeneeuwsche zaken op ene leest schoeyen zult; dat gij uw h-s en
+h-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult
+wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe
+Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch
+zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was
+en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de
+onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan
+alles wat oud is, en wij gaan slechts van de ene zeeziekte in de
+andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe
+verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe
+en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het
+heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de
+naeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche
+scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en
+hare onsterfelijke _Grootheid_, noch de enthuziasten, die het axioma
+verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der
+middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het
+naeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der
+verwen, naar hunne recepten bereid."
+
+Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de _Heemskinderen_ uitgaf.
+
+Ik vlei mij--behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen--nog in
+andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar
+waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,--niet in waardeering van het
+meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche
+heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het
+nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen
+van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan
+Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind
+hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik
+bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en
+rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik:
+kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander
+stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,--u behoor ik: want gij
+neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van
+enen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de
+_Heemskinderen_ in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die
+groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen
+gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naeviteit, meer dan een
+objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid,
+verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat
+de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld
+middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der _Renaissance_
+verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de
+vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet
+wijzer?--Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de
+schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de
+heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren.
+
+Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der
+_Heemskinderen,_ gebruik te maken van het fragment van den roman, dat
+het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want
+ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels
+een vertragend _hors-d'oeuvre_, deels een smakeloze beschimping van den
+Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de
+vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6--21 mij geleerd, dat
+ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "scha", maar
+_schande_, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in
+den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant,
+nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek
+behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te
+Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl.
+138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met
+sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er
+natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zo hebben
+(v. 62--66):
+
+ "Die coene entie starke Roelant
+ .... ghemoete saen Ritsaert;
+ Biden togle hine aneprant."
+
+Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt
+had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk,
+het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den _Madelgijs_[1], de Heer
+J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet.
+
+Bij mijn bewerking van _Floris en Blancefloer_ had ik beschrijvingen,
+die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die
+door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen
+(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld.
+
+Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van
+_Carel en Elegast_ en _Floris en Blancefloer_ met mij na te zien, en mij
+menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten
+hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn
+hartelijken dank.
+
+Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik _Karolingische_ in
+_Karolingsche_(met den hoofdklemtoon op _Ka_) veranderen zou: "die i",
+zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze
+meervoudsuitgang _Karolingers, Merovingers, Saksers_, enz. _Karoling_
+staat in vorming met _Jongeling, vreemdeling_ enz. gelijk. 't Is een
+echt Nederlandsche vorm. Den uitgang _-isch_ kennen wij alleen bij
+vreemde woorden en namen, als _Aziatisch, historisch, mythologisch enz_.
+Maar van _zijdeling_ maken wij _zijdelingsch,_ van _Harling(en)_ en
+_Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche._ Dus ook _Karolingsche.
+Kaarlingsche_ zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden,
+omdat wij nu eenmaal aan _Karolingen_ gewend zijn. Mij dunkt, het wordt
+tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen
+ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen."
+
+Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang _koetsier_
+geen _koetser_ wordt, en woorden als _vriendin, martelares_ enz. bestaan
+blijven, zoo lang _aziatiesch_ zich handhaaft,--_karolingische_ mij zoo
+geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van
+sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert.
+
+A.Th.
+
+Amsterdam, 3 Juni 1873.
+
+
+Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij
+meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden.
+
+De Uitgevers.
+
+
+[1] Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam, in
+1861.
+
+
+
+
+CAREL EN ELEGAST.
+
+AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.)
+
+
+
+
+Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen:
+luistert met aandacht!
+
+Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den
+Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom
+toe.
+
+Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te
+Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij
+lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des
+anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap
+kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning
+ontwaakte, op de lieflijke stemme.
+
+"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen
+aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de
+Heere des Hemelrijks, beval mij--u dit, op verbeurte van lijf en eere,
+te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads
+overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof
+nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast
+u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt
+te paard."
+
+De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden
+moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te
+hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God
+gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen!
+God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert
+gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij,
+en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit
+wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt
+en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zo ik
+hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het
+aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet
+mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het
+nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van
+Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en
+mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee
+ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallici en 't
+land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de
+Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.[1] Wat
+behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God
+mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't
+mij oplede: maar-ik zo niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner
+schande, mij zo gunnen, dat ik begon te stelen."
+
+Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en wergevoerd, ginds en
+derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap wer een weinig, zoo dat
+hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod
+in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven
+staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen--vaart uit
+stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak
+voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij
+gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten.
+Ik zal een dief zijn--al is het schande; al zoude ik bij de keel
+gehangen worden. En toch--ik had oneindig liever, dat God mij alles
+ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land--mijn
+riddersrusting uitgezonderd--dat ik mij met den schilde en met den spere
+den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op
+avontuur:--dit, ja, dit zo ik nog eerder willen, dan dus in het net te
+zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig
+uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te
+verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!...
+
+"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was,
+al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven!
+Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het
+slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen,
+zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij
+vreemd en onbekend is?"
+
+Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde
+te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een
+gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede
+zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.
+
+Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot,
+noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze
+waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand
+zag hem--want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die
+in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.
+
+Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig
+naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij
+zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.
+
+Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel
+gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was.
+Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg
+af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder
+gerucht noch geluid naar buiten.
+
+Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als
+gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al
+wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen--zoo waarlijk gij u
+aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden--zoo waarlijk
+zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte,
+u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en
+daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en
+gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt
+opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn--zoo
+zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe
+kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u
+verlaat ik mij geheel!"
+
+Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zo rijden, om het
+stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan
+stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel;
+het wer was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik
+placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten,
+die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt
+het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat
+zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun
+het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is
+dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik
+iemant om een weinig geld doe sterven.
+
+'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk,
+dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de
+waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft
+land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan
+meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land
+ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu
+wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal
+Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land
+en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust.
+Die ze huisvesting schonk--ik zo hem beide burcht en leen doen
+verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in
+bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven
+moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van
+den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in
+vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en
+Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters--waar hij ze
+betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun
+muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde
+storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze megebracht hebben:
+zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud,
+waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van
+hun klinkende munt--beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij;
+niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik
+wo wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God,
+helpt mij daartoe!"'
+
+Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter
+kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde
+zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild,
+dat hem aan den hals hing. Zijn malinkolder verdiende hoogen lof; zwart
+was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed.
+Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem
+de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig
+vermoeden, dat het de Duivel ware--om dat hij overal zoo zwart was. Hij
+beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij
+kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het
+avontuur wagen. Nochtans--ik weet het van te voren--'t is de Duivel en
+niemant anders. Kwame hij van Gods wege--hij zo zoo zwart niet zijn. 't
+Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'
+
+"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen
+kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de
+Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant,
+die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel
+aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste,
+die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als
+de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke
+wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'
+
+Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dr zonder groeten. De eene
+nam den andere op van top tot teen--maar anders deden zij niet. Toen de
+ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen mr gedaan had, hield
+hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus
+voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik
+hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij
+iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of
+de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok
+van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zo hem jagen hier in het
+bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?
+
+'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal
+zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen:
+licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met
+schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'
+
+Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem
+achterhaald had, riep hij luide:
+
+"Staat, Ridder!--waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier
+ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert!
+Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het
+mij--dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur,
+heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."
+
+--"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik
+omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten--dan dat ik mij
+tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij
+door iemant ter waereld zo laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen
+zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen--wij
+zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"
+
+Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond,
+voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij
+de Koning was.
+
+Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.
+
+Beiden waren wl gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een
+open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de
+paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar
+den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zo lang, dat men
+een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.
+
+De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning
+vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter
+op het schild (waar hij zich koen me beschutt'e) dat het in stukken
+vloog als een lindenblad.
+
+De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.
+
+De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de malin, dat er
+menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide
+uit de huid door de malin heen. Groot gedruisch was er van slagen en
+wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op
+het hoofd, vol schaarden en spleten--zoo scherp was de snede der
+zwaarden.
+
+'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in
+zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou
+ik mijn naam bekend maken--eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer
+verwierve ik eere!'
+
+Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem,
+dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.
+
+Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en
+bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee
+stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.
+
+Op dit gezicht--dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei,
+dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik
+geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij me verdedigen?
+Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vr hem!"
+
+Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor
+hem stond op het veld, met zijn zwaard in tween gebroken: 'Hij zo niet
+ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan
+verweeren.'
+
+Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens
+weerzijds, wie ze toch wezen mochten.
+
+"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij
+bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder--zoo hebt gij uw
+laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met
+eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht --ik zal u heen
+laten rijden."
+
+De zwarte sprak: "Ik ben bereid--mids gij begint, met mij kond te doen
+van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij
+zoekt."
+
+Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij--dan zal ik u zeggen,
+wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder
+noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van
+verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."
+
+--"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet
+ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij
+ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het
+met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zo het u
+veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"
+
+Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het
+goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder,"
+zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u
+gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en
+bij Hem-zelven het eerst--van mij staat u geen leed te wachten! en ook
+ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't
+mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."--"Welnu dan, Heere,"
+antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer
+verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren
+was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en
+mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en
+ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en
+wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken
+worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn
+arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in
+vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen
+en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters--kunnen hun
+knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is
+geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in
+bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zo ik er meer van zeggen?
+Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en
+ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slcht gevonden: want ik
+hb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor--kon ik
+mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij
+meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op enen dag van enen man had
+door te staan.--Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den
+gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de
+nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u
+haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."
+
+En de Koning dacht bij zich-zelven:
+
+'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de
+man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee
+rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om
+der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten
+leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben,
+Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn
+levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo
+veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij
+niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot
+losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."
+
+--"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"
+
+--"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam
+zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te
+stelen--in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van
+alles, ik laat niemant met rust--den rijke noch den arme. Ik let op hun
+kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets
+te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem
+gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om
+een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe--eer
+de morgen daagt zo er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik
+begeeren zo en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen.
+God zo het ons niet misduiden--hadden we er een deel van. De schat ligt
+in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd
+pond van--'t zo hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen;
+bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u
+van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn?
+Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen--en
+gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."
+
+Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede.
+Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het
+weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."
+
+Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de
+Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zo veel
+zo kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol
+geladen."
+
+Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon
+Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is
+niemant, die er mij toe bewegen zo, dat ik den Koning schade dede. Al
+heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik
+zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik
+vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte
+Heer. Dede ik hem iets anders dan eere--ik zo het mij voor God moeten
+schamen; men zo mij zoo iets niet moeten raden!"
+
+Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat
+Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij
+zich-zelven--'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zo hem zoo
+veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven
+kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'
+
+Na deze overweging vraagde hij aan Elegast--'of deze hem ergends anders
+wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij
+zo daar van zijn kant, zoo Elegast hem me wo laten gaan, gaarne zijn
+kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij
+betreft--gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot
+niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings
+zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te
+bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij
+verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zo
+hij aan het leven en de eere staan--ging alles naar zijn wensch: dat kan
+ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding--burcht en
+leen--aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht--het
+zo hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen --zoo ge
+wilt--zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven,
+dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch
+wel zeker, dat al zo hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem
+ongaarne zo laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar
+gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De
+Koning vergat zijn rol geen oogenblik.
+
+Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij
+een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed
+vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het
+ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons
+werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles
+te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op,
+gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit
+was geraakt.
+
+Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren!
+
+Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den
+Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens,
+Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik
+zal handelen naar uwen raad. Het zo mij toch leed doen, indien u eenig
+ongeval overkwam en men zeide dan naderhand--'dat is alles te wijten aan
+Elegast!'"
+
+Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus:
+
+"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest--zoo ver ik weet.
+Het zo mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op
+u aankomen."
+
+Elegast hernam: "'t Is mij ook wel--zoo gij een behendig dief zijt: dat
+zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken,
+om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne
+vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een
+ijzer, waar hij den muur me zo stuk slaan. Toen haalde ook de Koning
+het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij
+dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den
+maker," zeide hij--"dan bestelde ik er hem ok zoo en voor mij. Een
+dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer
+gebruiken."--"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn
+verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die
+gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij
+op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande,
+dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit
+andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een
+ploeg."--"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er me
+binnenraken. Later bestelt gij u een ander."
+
+Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den
+geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was
+hij groot en sterk--op zulken arbeid verstond hij zich niet.
+
+Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in
+zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen,
+wat ik u brengen zal." Hij wo niet toelaten, dat de Koning ook
+naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield
+hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en
+wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom --Carel bleef buiten, en
+Elegast kroop naar binnen.
+
+Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te
+werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist
+van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had,
+verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij
+hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun
+Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.'
+
+"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!--zo de Koning daar buiten
+zijn?--Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker,
+verraden--of een elfenspook misleidt mij."
+
+Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en
+verhaalde hem, wat hij--of hij moest zich geweldig bedrogen
+hebben!--gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne
+taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was--alleen
+wisten zij niet hoe dicht.
+
+Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? --Wat zo
+de Koning hier uitrichten?--Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond
+blaffen mag?--Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij
+voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te
+verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond."
+
+--"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning
+van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij
+hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te
+voren deed, dat de Koning in de nabijheid was--maar dat hij niet wist
+hoe dicht.'
+
+"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet
+in den omtrek is!"
+
+--"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener.
+Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort--al wierden wij beiden
+ook gevangen."--"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar
+laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving,
+ik zo 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn
+kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en ner heen en wer in zijn mond;
+maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden.
+
+"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid
+kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn
+geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij
+iemant, die uit stelen gaat?--Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet
+telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is
+waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik
+heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!"
+
+De Koning dacht: "Dat is een waar woord!"
+
+Daarme lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat
+Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd--maar kon geheime
+kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en
+al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met
+sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant
+hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel.
+
+Toen wilde Carel henenrijden--maar Elegast beval hem nog te toeven: hij
+wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn
+vrouw lagen--een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man
+leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zo kunnen
+beschrijven; alleen aan den voorboog[2] is prijzensstof genoeg. Daar
+hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als
+Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel
+stelen--al zo ik bij de keel gehangen worden!"
+
+[Illustratie: Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald heb.]
+
+Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel
+ontbeerd, dan dat Elegast wer naar binnen ging. Toen Elegast bij het
+zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde
+wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat
+Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan
+mijn zadel?" Hij zo zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't
+niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem
+zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het
+zwaard en de sche en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn
+gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem
+haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had
+opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen
+gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is
+menigvuldig--ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan,
+dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en
+hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt
+stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze
+waren, die den Koning zouden treffen.
+
+Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij
+zich-zelven, hij zo de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht
+brengen.
+
+Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't vl liever dat men u ophing
+bij de keel, dan ik gedoogen zo, dat de Koning aldus zonder dat hij
+gewaarschuwd werd zijn leven zo verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric
+de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond
+uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten
+de legerstede. Elegast, die dit alles had ga-geslagen, kroop er
+zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de
+vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een
+teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zo voor het gedreigde leed.
+Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed
+inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn
+woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat
+hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof wer naar zijn paard en
+tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast
+had aangebracht.
+
+Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zo er niet langer getoefd hebben:
+zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard
+had?"--"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God
+leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal
+het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken--daar ben ik reeds
+te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging
+hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb.
+Neemt het! ik ga--om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk
+te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om
+al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug."
+
+Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke
+reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en
+bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om
+was gegaan."
+
+"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn
+droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik
+uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armo te boven te komen. Ik
+leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven,
+morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!"
+
+Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem
+voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des
+Hemels.
+
+Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem
+doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zo heel het hof in
+opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt
+gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen
+hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning--welnu, dan
+is hij dood! Wat zo men daar mr van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge
+wel genezen."
+
+Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels
+ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange
+vertoeven was hem onaangenaam.
+
+"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn
+makker--het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te
+n kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij
+God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet
+zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen--eer ik deze burg
+verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan."
+
+De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard
+gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al
+zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u
+beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen --dien Eggheric van
+Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem
+vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad--het verraderlijk
+opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw
+loon zal niet gering wezen:
+
+"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings
+broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden."
+
+--"Neen," zegt Elegast, "wat mij wervare--voor den Koning kome ik niet.
+De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware
+paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht
+onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite."
+
+--"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech
+naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen
+buit met u me, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik
+zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd
+hij doodgeslagen--het zo mij grieven."
+
+Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar
+hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar
+Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want
+hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem
+verraden!
+
+De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij
+bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't
+iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de
+wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien
+men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over
+wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen
+tot goed geluk voor hem was uitgekomen.
+
+Toen zond Carel, de Koning, en zijner Kamerlingen om zijn geheimen
+Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten
+volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde,
+die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk
+van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat
+hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen
+Heer!"
+
+Toen zeide de Hertog van Bayvier[3]: "Laat hen komen--hier zullen zij
+ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te
+schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en
+strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys[4], met u herwaarts kwamen:
+zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf,
+Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal
+hem kwalijk vergaan:--tot op zijn sporen zal hem het bloed nervloeyen:
+en Eggheric het eerst!"
+
+Deze raad dacht hem goed--en allen, die het met hem eens waren, wapenden
+zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij
+duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de
+Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden.
+
+Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast.
+
+Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog,
+zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen
+zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf
+blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde
+ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gder
+had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met
+den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal
+wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo
+als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan
+van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning,
+zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem
+vl: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden
+en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend,
+schande--gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij,
+noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen,
+dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had--ik zo 't hem
+doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu
+vooruittrede, die daar lust in heeft!"
+
+Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om
+Elegast--boden op boden--waar hij zich onthield in het woud; en zeide
+hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven
+was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken."
+De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort,
+tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun
+opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij
+de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij
+Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel
+leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo
+waar hij een Christen was, dat, indien God hem ne bede kon inwilligen,
+hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn
+rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij
+wech.
+
+Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij
+sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten--den Koning en wie ik
+hier vinde!--maar Eggheric--hm groet ik niet! God, die zich om
+onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de
+zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden
+moet hangen--Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen--zoo heeft
+Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is;
+want--mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit
+noodweer gedwongen was."
+
+Toen Elegast dit gezegd had, zo Eggheric het gaarne gewroken hebben:
+maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet
+hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in
+mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht
+achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag
+van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van
+wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de
+toedracht der zaak."
+
+--"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er
+vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't
+hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het
+durfde wraken--dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij
+richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en
+had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter
+handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den
+Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen--ik
+doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vr zonne-ondergang, of ik
+zal mijn leven verliezen."
+
+Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't
+zo ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zo wagen tegen een
+verbannen dief. Beter zo hij met boerenlummels kampen dan met mij."
+Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al
+was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij
+vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb
+den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar
+gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook,
+die de schuld aan u wil tijgen."
+
+Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zo
+ik naar recht met hem leven, ik deed hem door en mijner knechten
+wechsleepen en hangen bij de keel."
+
+Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven
+dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan
+gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken
+dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard.
+
+Weinig tijds na de noen[5] deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat
+zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp
+zo plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God,
+dat hij den kamp beslissen zo naar recht en rede. (En God verhoorde
+zijn gebed.)
+
+De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af
+en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe
+schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was."
+
+Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e,
+kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat
+hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter
+nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden
+vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb.
+Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt!
+ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf
+wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in
+uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn
+zonden niet zijn, die mij verslaan zullen--dan, voorwaar, meen ik wel
+behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik,
+dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik
+u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en
+wildernissen--mag ik het leven hier afbrengen!"
+
+Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne
+rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende
+zijn paard, dat vr hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het
+ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.'
+
+Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten
+strijd!)
+
+Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand.
+Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de
+kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte
+geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de
+sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hm, dat
+hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij nerviel op
+het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het
+zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden,
+U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond--zoo
+mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot--'t ware
+jammer, zoo ik het neervelde: menig zo 't beklagen! Kunt gij er dan al
+zlf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard."
+
+--"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zo dezen strijd
+kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen--al
+kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders
+vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij
+prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zo maken om u te verslaan."
+
+Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand
+spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had
+gesproken, en steeg in den zadel.
+
+Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield.
+Nooit zag iemant ergens op enen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren
+hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit
+vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want
+zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij
+bleef toch even goed een Hertog.
+
+Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier
+almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde
+brengen, naar recht, en naar rede!"
+
+Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle
+gewicht aan bewerkt rood goud zo waard zijn geweest: de Koning had 'et
+hem geschonken.
+
+Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de
+bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat
+hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit
+den zadel deed storten.
+
+Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel
+zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs
+zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u
+zoeken."
+
+Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken.
+
+Men sleepte Eggheric voort en hing hem--en alle verraders tevens: daar
+hielp noch losgeld, noch bede.
+
+Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem
+Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen.
+
+Zoo moge God al onze zaken vr onze dood ten goede brengen!
+
+Nu zegt allen: Amen!
+
+
+[1] De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ...,
+Gallici en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor
+ingeschoven.
+
+[2] La bte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses verticaux.
+Viollet-le-Duc, _Dict. du Mob_., II, 372.
+
+[3] Beieren.
+
+[4] Valois.
+
+[5] Het 9e uur na zonsopgang.
+
+
+
+
+DE VIER HEEMSKINDEREN.
+
+
+AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.)
+
+
+
+
+HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN.
+
+
+
+
+HET EERSTE CAPITTEL.
+
+
+In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren,
+hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte
+hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en
+vrolijkheid.
+
+Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle
+jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van
+Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de
+waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar
+ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was
+Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter
+gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo
+dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie
+te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het
+Keizerrijk--Geestelijk en Waereldlijk.
+
+Daar waren: onze aardsche Vader--de Paus van Rome, de Patriarch van
+Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge
+Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000
+Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom[1] ter wapen in
+oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen,
+alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed
+waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal:
+want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en
+geneuchlijkste van den jare.
+
+En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan
+men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde
+strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee
+Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller
+aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig
+Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet
+ontbreken en zoude van spijze en drank.
+
+Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in
+zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en
+in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en
+Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters
+zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer
+wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en
+ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne
+Keizerinne, in groote luister en glorie.
+
+En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en
+groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen
+die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete
+woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale
+zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de
+tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in
+Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en
+hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille
+geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer
+Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven
+hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer
+Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze
+begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden."
+
+Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer
+Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor
+hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geischt, en ik
+hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij
+doen daartoe dat zij mogen!"
+
+En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd
+zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende:
+"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen
+tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben--men zal groote schande van u
+spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt,
+zal daarin ndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel."
+Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen,
+of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit,
+en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels
+tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar
+wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen
+vernomen.
+
+
+[1] _vroom_--moedig.
+
+
+
+
+HET TWEEDE KAPITTEL.
+
+
+ Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn
+ ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den
+ Rijksban deed.
+
+
+Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de
+blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen
+en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen
+verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat
+de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd
+en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken:
+"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal,
+zoo lang als de waereld staat--al zouden wij alle dood blijven!"
+
+Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders,
+uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen
+en vrienden; hij had spoedig zijn batali in orde gesteld en had
+ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend
+en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen[1] Koning Carel veel te
+hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van
+volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning
+Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemannirs en
+Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit
+verscheidene oorden--meer dan ik schrijven kan.
+
+Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn
+en zijne vrienden[2] te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en
+te niet te maken.
+
+En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000
+mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders,
+edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit,
+met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot
+'Nerboen! Nerboen!'
+
+Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in
+orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit,
+zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van
+den paerde ter aarde gedragen wierd.
+
+Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome
+mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en
+vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal."
+Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op
+het spel en in gevaar stellen."
+
+Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun
+zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den
+appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk[3],
+tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en
+velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden
+groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man
+bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag
+daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de
+strijd was hevig en fel.
+
+Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed,
+alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere
+nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel
+verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste
+schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage,
+duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige
+mannen.
+
+Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood
+had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van
+Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom
+geveld en verbrand--om de dood van Heer Huygen.
+
+Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne
+kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden--maar ik duld ze hier niet
+langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun
+vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep
+Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame--zoo Koningen,
+Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner
+waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling
+over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden
+met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land
+moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben.
+
+Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen
+mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij
+bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings
+macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten
+hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk
+verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven
+waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen.
+
+Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts
+ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure
+besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk
+nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren
+en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden--Monniken,
+Priesters, Klerken, Nonnen--ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tt
+onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder,
+Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van
+Nigromantie[4], daar hij groote schade me dede. En het goud, dat zij
+roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze
+oorlog duurde zestien jaar.[5]
+
+
+
+[1] _Lauiven_--Loan, in Picardi.
+
+[2] _vrienden_--zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten.
+
+[3] _vromelijk_--dapper.
+
+[4] _Nigromantie_--zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit [Greek:
+Nekromanteia])
+
+[5] _Genoten_--het kollegie der XII _Pairs_, die met Karei te recht
+zaten; zijn staf in den oorlog.
+
+
+
+
+
+HET DERDE CAPITTEL
+
+
+ Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van
+ Ardennen, om peis met hem te maken.
+
+
+De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van
+Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde,
+moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen
+over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met
+Haymijn en zijn volk.
+
+Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij
+Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem
+eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de
+oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden
+u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan
+beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten
+van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij
+hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe
+in wat hun goed docht.
+
+Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij
+schrijven zo een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn
+magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan
+had.
+
+Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot
+Pirlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode,
+opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis
+mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien,
+en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den
+Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen
+aanname over mijn neve!"
+
+Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den
+Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot
+Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn
+neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en
+al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij
+hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij,
+noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'
+
+Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had
+gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden;
+hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn
+vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van
+Orangin, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning
+Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat
+zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen
+dochte.
+
+Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene
+hij hun aangezegd en geschreven had--zij waren des goedwillig den zoen
+aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door
+Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem
+zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat,
+alzoo hij hem bij brieven gemeld had--dat hij te vrede waar den peis aan
+te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere
+woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert
+kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem
+eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en
+zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis
+en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve,
+gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'
+
+En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge
+Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de
+meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden
+den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het
+andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.
+
+Daar werd ontboden voor den Koning--Adelbert en Madelgijs: en toen zij
+voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden
+en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om
+aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen
+oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief
+bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn
+zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Pirlepont, en hebben Haymijn
+weromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen
+zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.
+
+Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze
+blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij
+cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.
+
+En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis
+kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman,
+met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende
+vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met
+300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor
+Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij
+mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde
+onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft;
+ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als
+Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap
+vereenigd.
+
+
+
+
+
+HET VIERDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij
+ haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat
+ hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde.
+
+
+Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid
+ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere
+zijde ging Roelant[1].
+
+Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede
+Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf
+hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning
+ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte
+over zijn neve, hij zo hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te
+betalen.'
+
+Intusschen kende Koning Carel--Haymijn en zijnen magen toe wat zij
+zouden winnen op de Heidenen[2], dat ze 't vrij houden mochten, zonder
+van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn
+vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den
+zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk
+'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname
+aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en
+dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met
+hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar
+Pirlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot
+Parijs.
+
+En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Pirlepont,
+toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden
+en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en
+wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener
+waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels
+zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken
+waar ik mag aan lijf en goed!"
+
+Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer
+leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En
+Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.
+
+Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar
+werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en
+geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat--maar Vrouwe Aye niet; zij was
+zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.
+
+Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne
+waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter
+rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne,
+en lede zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij
+dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle
+Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was
+zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en
+ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.
+
+Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij
+ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
+geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij
+het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.
+
+Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een
+klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van
+kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.
+
+Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van
+een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de
+gevaders waren Bisschop Tulpijn[3] en Grave Willem[4]; en het kind werd
+heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk
+gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't
+toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne
+wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't
+vernam.
+
+Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij
+was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den
+zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar
+kerkgang gedaan.
+
+En later heeft zij ng een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't
+verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat
+kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.
+
+Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en
+Adelaert werd hij genaamd.
+
+Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar
+bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen
+dat Haymijn dood was.
+
+Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend
+paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw
+hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte,
+en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem
+wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook,
+blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de
+zale.
+
+En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had
+Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier
+was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den
+sperwer.
+
+Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en
+Reinout waren van enen ouderdom, en ener grootte; maar toen zij
+vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.
+
+Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands
+verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning
+Carel.
+
+
+[1] _Roeland_:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.
+
+[2] _Heidenen_: Sarrazijnen, Saxers en Lombardirs.
+
+[3] _Bisschop Tulpijn_: mede een van Carels Pairs of Genoten, die den
+Rijksraad uitmaakten.
+
+[4] _Willem_: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van Gellone.
+
+
+
+
+HET VIJFDE CAPITTEL
+
+
+ Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk wo doen kroonen
+ Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet
+ wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede
+ ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en
+ hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat
+ hij vier Kinderen hadde--'t welk hem zeer
+ verwonderde--en hoe hij hem bereidde ze Ridder te
+ slaan.
+
+
+Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof
+hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke
+en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen,
+Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem
+in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen
+gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u
+is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde--alzoo dat ik voortaan de
+wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in
+ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom
+wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone
+Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet
+als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."
+
+Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning,
+het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is
+Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd--'t en kan nochtans
+niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."
+
+Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik
+hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk,
+van heel Christenrijk!"
+
+Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier
+ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van
+den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn
+goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes
+weken: 't was daarom, dat hij menige--overmoedige krijgstocht tegen uw
+volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde
+en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud
+daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de
+voeten mede."
+
+En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geindigd had, sprak Koning Carel:
+"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne
+en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren
+geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij
+de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet
+voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen
+is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden,
+magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zo ze
+doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zo hem zenden om
+Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden
+wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."
+
+Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet,
+is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt
+terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem
+zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot
+borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en
+verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."
+
+Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht
+die hem goed, en ze hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden
+zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"
+
+Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant,
+Willem van Orangin[1], Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning
+stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?'
+'t Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met
+kostelijke tuigen van goud en zijde.
+
+Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne
+paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te
+paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de
+hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte,
+zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land,
+en zagen Pirlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden:
+daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.
+
+En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn
+kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de
+uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen
+verraad en oploop.
+
+Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield
+den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders
+komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn
+Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem
+van Orangin? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder;
+de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die
+mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit
+oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.--Zij moeten
+iets gewichtigs te boodschappen hebben."
+
+Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe,"
+zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer
+Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe
+de paerden wl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor
+den overmoedigsten man der waereld."
+
+Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op
+zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en
+kostelijken blioud[2] van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij
+hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de
+knien, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij
+hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke
+Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.
+
+De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het
+binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders,
+Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo
+stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de
+vier Heeren weder op hunne knien voor Haymijn; die zich niet
+verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete
+woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u
+noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent
+niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge;
+hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig
+nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van
+Christenrijk."
+
+Haymijn hoorde wel het gesprokene--maar andwoordde niet. Als hij zijne
+vijanden, in zijn eigen land, daar vr zich zag, ontging hem al zijn
+verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner
+eere, mogen nerslaan--ze zouden hem niet ontkomen zijn.
+
+Andermaal zeide Roelant: "Sprkt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij
+u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te
+kroonen.--Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne
+veroordeeling, toch andwoord geven!"
+
+Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan.
+Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam
+eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide:
+"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw
+schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"
+
+Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en
+heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.
+
+Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer,
+wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van
+Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt--is dorperheid...." En eer zij
+het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de
+hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en
+zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen
+spreken--schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was
+uitgebroken.
+
+En hierbij stonden de vier ridders--Grave Roelant en Bertram de
+krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en
+zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend
+binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo
+gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en
+haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche
+Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een
+vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde
+hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen
+antwoord!"
+
+En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te
+zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de
+ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de
+ongelukkigste vrouw ter waereld."--"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.
+
+"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig
+jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een
+kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn
+land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen
+doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen
+zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij
+mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van
+hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van
+hen gegrepen--God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden.
+Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;...
+liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zo."
+
+Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij
+kinderen hadt, luttel of vele--zoudt gij ze dooden?"--"Voorwaar," zegt
+hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zo grootbrengen en
+behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen--zijn lieven kroost, dat
+hij voor al de waereld bemint!"--"Zoo waren het dan verloren eeden, die
+gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden
+zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"--"Woorden, hetzij door
+dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen
+waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik--God
+betere 't!"
+
+--"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw
+kinderen vreedzaam bejegenen zult--wilde 't geval, dat gij er vondt."
+
+Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen;
+maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen--want ik weet
+niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."
+
+Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met
+mij--gij zult ze zien!"
+
+Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging
+met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij
+name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zo dra te-rugkomen in de
+zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen--daar hem zeer naar
+verlangde.'
+
+Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen
+waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.
+
+Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier
+niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer
+stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en
+Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat
+gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels
+geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij
+noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier
+den Bottelier en Schenker, ik zo ze slaan dat ze er nimmermeer van
+opstonden!"
+
+Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die
+tale staakt."--"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout
+trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen
+heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar
+wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet
+zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij
+Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker--hij is zoo wreed en
+hoogmoedig van zinnen, hij zo u de hardste dood doen sterven: gewapend
+volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."
+
+Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met
+toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden--Haymijn--die ellendige? des
+zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet
+een kaf;... ik zo ze mijn vuisten doen voelen, dat ze nerduizelden--en
+dien Haymijn het eerst!"
+
+Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en
+zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik
+zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"
+
+--"En van de anderen twijfelt gij?"
+
+Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van
+herten."
+
+Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht,
+dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer.
+Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem
+over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet
+gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier
+eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."
+
+Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde
+hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met
+een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel
+jonkman, en wil mij niet slaan--ik ben dijn Vader; van dezen avond zal
+ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?----zoo
+ware mij leed, dat ik had geslagen."
+
+Het eerste kuste Haymijn--Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en
+Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard
+aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.
+
+"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u
+euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."
+
+Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere
+waerd zijt Ridder te worden."--"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij
+behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en
+sterk--zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten
+Hove."
+
+[1] _Willem van Orangin_: deze Paladijn, uit het Huis van Narbonne, en
+Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, dienden dus
+toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
+geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....
+
+[2] _blioud_: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie Viollet le
+Duc, op het woord _Bliaut_ (Dict. du mob., III, I, 38--60).
+
+
+
+
+HET ZESDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en
+ hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat
+ berijden, dat vele Heeren aanzagen.
+
+
+Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij
+spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vr hem
+komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer
+kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem
+'t zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet
+op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken,
+dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele
+ongerechte daden bedreven--dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een
+vroom Ridder, heusch[1] in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch
+land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen
+en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft.
+Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb
+t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij
+daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij
+op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."
+
+Toen liet Haymijn--Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand,
+zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde
+hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien
+men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden
+ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om
+Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch
+kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij
+moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."
+
+Daarna maakte Haymijn--Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den
+anderen Kinderen gezeid had.
+
+Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede
+was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn
+in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide
+Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een
+Espetijn[2]: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt
+hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Pirlepont, Montagu en
+Valencijn[3], maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te
+vechten."
+
+Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor
+het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden
+ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout
+dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg
+'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vr hem viel. Hij
+zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en
+tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van
+Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u
+voorbracht."
+
+[Illustration: De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is
+dood, ziet daar ligt hij.]
+
+Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat
+Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude
+dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen
+bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij
+sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde,
+dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout
+op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.
+
+Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone,
+bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht
+van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft
+er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een
+dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met
+nieuwe veren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert
+zat, indien hij 't reiken mocht, hij zo den sperwer zijn vleuglen
+kunnen korten, in de vlucht."
+
+Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende:
+"Vader, dat eerst zo mijn paerd zijn!"
+
+Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u,
+want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft
+een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."
+
+--"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware
+groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak:
+"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als
+Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met
+zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand
+eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.
+
+Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout
+vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en
+Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te
+zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men
+den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het
+Ros, en ik zal het u geven."
+
+Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de
+staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg
+Reinout met n der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter
+aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.
+
+Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende:
+"Och, mijn kind is dood!"
+
+Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter
+dan dy."
+
+De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar
+ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en
+ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."
+
+Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft
+zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch
+Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij
+zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de
+kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op
+de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den
+toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd
+omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus
+wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende,
+dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee
+scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen
+van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.
+
+Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen
+en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En
+Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde
+grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout
+een langen tijd wech en weder, tot het paerd mo wierd; Beyaert was
+sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had.
+Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet.
+Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.
+
+Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn
+goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen
+en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan
+spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vr was 't wit, en
+breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden
+schutbladen[4], die zeer kostelijk waren.
+
+
+[1] _heusch-, hoofsch-, hoveschheid_ is het tegenovergestelde van
+_dorperheid,_ en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in de
+form.
+
+[2] _Espetijn (erspentijn, serpent?)_: draak.
+
+[3] _Montagu_ en _Valencijn (Valenciennes)_. In sommige bronnen: heet
+dit laatste _Valkensteyn._
+
+[4] _Schutbladen_: zie de noot 2 Carel en Elegast.
+
+
+
+
+HET ZEVENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove
+ kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe
+ Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van
+ Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart[1] en Kok, dat men
+ Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle
+ zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf
+ hij niet.
+
+
+De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen,
+en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al
+wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn
+Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren
+voorzien van eene volledige uitrusting.
+
+Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden
+ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar
+kwamen zij te Parijs[2].
+
+Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur
+sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij
+hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus
+genaakten zij ten Hove.
+
+Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk
+gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning
+Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn
+alzoo gedaan heeft.
+
+Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te
+trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en
+hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u
+haat en die u doodvijand is?"--"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik
+wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij
+moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."
+
+Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat
+ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij
+andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den
+Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en
+zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.
+
+Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning
+blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des
+dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch
+Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste
+in dertig jaren, dat de Koning--Haymijn ongewapend had gezien. Roelant
+bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad
+Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met
+Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'
+
+En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder
+Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste
+jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het
+verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast
+hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner
+van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.
+
+Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men
+ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze
+gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of
+niet."
+
+Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete
+u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij
+malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij
+dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."--"Voorwaar!" zeide Reinout:
+"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't . Gaerne wil ik u dienen
+met mijn lijf--maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur
+genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander
+Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was
+hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon
+landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde
+hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en
+ik lk begiftigen zal--zoo zal ik u niet geven!"
+
+Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik
+heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"
+
+Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel
+zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot
+uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met
+kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en
+Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk
+onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.
+
+Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men
+Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig
+Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd
+de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner
+waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar
+de honden meest liggen--zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een
+ieder werd gediend van spijs en drank--maar Haymijns kinderen gaf men
+niet.
+
+Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en
+zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep
+met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den
+voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit
+ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels
+name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat
+hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen,
+en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den
+Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout
+liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier
+is genoeg van alles."
+
+Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij
+vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.'
+Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder;
+daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets
+gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar
+sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn
+rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet
+verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok
+niet aan; wil ik er en, mij komen er tien. Wat er me misdaan zij--het
+blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den
+Koning, zwegen zij en gingen heen.
+
+Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de
+Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal
+hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het
+stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over
+de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt
+misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap--ik zegge u
+voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout
+zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder
+misdoen; sloegt gij mij--uw doodsuur lag daaraan."
+
+Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij
+nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout
+schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg
+den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode
+lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.
+
+Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij,
+die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik
+beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het
+zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl
+het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning
+weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was
+niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.
+
+Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en
+allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.
+
+Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk
+voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een
+bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.
+
+Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier
+nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten
+alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van
+ijzeren malin, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde
+waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij
+vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den
+vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan
+toe--zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn
+broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.
+
+Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen
+bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun
+gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit
+hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt
+over dien enen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit
+hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.
+
+Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk
+aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren,
+gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met
+menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.
+
+De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en
+twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden
+zich bij hen.
+
+Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat
+op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een
+richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij
+Heeren al-te-gar." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek
+gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer
+over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder
+tijd!"
+
+De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop,
+insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen
+regen hem zijne mouwen vast.
+
+Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of
+zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen,
+opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen
+heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert--Drossaart,
+Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.
+
+Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de
+kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven[3], opdat
+hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet
+langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk
+ter kerke.
+
+Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk
+boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.
+
+Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk
+getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar
+hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.
+
+Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte
+Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men
+mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.
+
+Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en
+vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd
+geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de
+Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.
+
+Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een
+bezant[4] van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten;
+toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en
+offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.
+
+Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij
+geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en
+hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den
+autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met
+vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En
+ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.
+
+Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn
+lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong,
+bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot
+en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.
+
+Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd
+had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte
+beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner
+onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief
+zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten,
+zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot
+zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij
+t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zo
+spreken.
+
+Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne ene
+zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem,
+en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna
+groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met
+zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en
+hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.
+
+Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove
+gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten
+Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte.
+Haymijn zat me aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in
+de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee
+Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met
+zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle
+ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men
+dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove
+vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk
+er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren
+speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best
+mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant
+de tijd verdroot.
+
+Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en
+Vorsten.
+
+Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of
+leenen ontvangen wilden, hem volgden--hij zoude elk na zijnen staat
+mildelijk beschenken."
+
+Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een
+bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en
+gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na
+dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant
+of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren;
+luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.
+
+Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove,
+zonder zij alleen--en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen
+zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave
+Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en
+ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde
+lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij
+hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft
+gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften;
+en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij
+niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan
+de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders
+hem iets misdaan hebben."
+
+Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met
+hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of
+geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo
+eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne
+Kinderen en bracht ze voor den Koning.
+
+En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun knin en
+groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden:
+"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste
+van uw broederen--het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik
+zal u geven schat en gave: ik make u in Spangin Markgraaf; dat zult gij
+van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in
+Poelgin[5]; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert,
+derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is
+schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk me ophouden." Toen zeide
+hij tot Reinout: "Gij moet mede wl begift zijn; u geve ik het land van
+Artezi, Angrico[6] en Blois."
+
+Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen
+Koning Carel, zoo vielen zij op hun knin voor Konings Carels bedde, en
+kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.
+
+Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en
+gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns
+kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.
+
+Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn
+tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw
+giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw
+Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet
+toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun
+binnen kort weder nemen!"
+
+Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn
+Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een
+steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu
+ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."
+
+Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog
+eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer
+verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel--'t zal zich-zelf
+openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig
+jaar--wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als
+gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en
+sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik
+'t niet om mijn eigen eer--ik zo u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer
+vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den
+steen!"
+
+Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den
+steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig
+Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel
+Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk
+ontwierp hem een voet[7]; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den
+prijs.
+
+Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo
+zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge
+grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij
+zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed--hij zo u trekken bij
+den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu
+Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u
+beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het
+land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning
+Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt
+slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tt
+u."--"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone
+Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst
+met mij werpen."
+
+Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten
+hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne
+kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen
+Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen
+liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide:
+"Vader! wat is u misdaan?--ik zal 't wreken, als zo ik lijf en goed
+verliezen."
+
+Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik
+stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te
+spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht,
+schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male.
+Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er
+ng een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den
+steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren
+moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij
+mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet
+wreekt, en den steen om het verste werpt met hem---ik zal het besterven.
+Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar
+blijven."
+
+--"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is
+onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige
+daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner
+jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."
+
+"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke
+droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den
+steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."
+
+Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns
+vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem
+in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"
+
+Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk
+was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende
+Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.
+
+En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag.
+Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan
+Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van
+Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn
+worp overdoen--en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan
+hij!
+
+Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk
+wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het
+hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond
+gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen
+had.
+
+Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.
+
+Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.
+
+En Lodewijk nam den steen nog en maal--en konde hem zoo ver niet werpen
+als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en
+monde uitsprong.
+
+Haymijn zag naar Reinout--dat hij zijn krachten aan den steen zoude
+toonen.
+
+Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen
+langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den
+steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.
+
+En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den
+steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen
+menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep:
+"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"
+
+En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven
+Reinout den prijs.
+
+En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen,
+die ge zijt! dwazen, die een huurling--die om geld gehuurd is (deze hier
+geve hem al uit voor zijn zoon!)--dus lofprijst! Een grove dorper zij
+soms zoo sterk als een Edeling--des is hij nog geen prijzens waerd."
+
+Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot
+Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."--Toen lachte Reinout en
+zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"--"Zegt mij, zone!" sprak
+Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten
+volle getoond--ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap mr
+ontworpen."
+
+En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde
+zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.
+
+Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat
+waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning
+groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen?
+Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat
+u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u.
+Wilt gij uwe eere herwinnen, zo dat elk u prijzen zal--gaat dan in den
+boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen
+en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne
+Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en
+moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en
+kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan
+hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot
+Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij
+u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het
+niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan
+gij. En wil hij dan daartegen opkomen--zoo zult gij zeggen, dat drie van
+ons het gehoord hebben; en is 't van noode--wij zullen er nog wel meer
+toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene
+over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkar,
+zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal
+zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen
+hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen[8]. En
+aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en
+dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal
+durven doen."
+
+Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad,
+en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die
+'t schaakbord beter verstaat dan ik."
+
+Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een
+venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de
+Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde
+drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn,
+en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk,
+zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij
+van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de
+oogen neder en sprak niet.
+
+Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist
+niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan,
+dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den
+Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den
+muur sprong.
+
+Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen
+zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben
+vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar
+mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en
+Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den
+steen--maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester
+van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het
+wonder, dat ik toornig ben?"
+
+Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik
+God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken:
+en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't
+mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"
+
+--"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk--"maar ik eisch,
+dat ge mij volgt in een kamer--daar zullen wij een ander spel beginnen."
+Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in
+de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen
+zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te
+kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede
+oorkondden, en zeiden dat het waar was.
+
+Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet
+ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men
+bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.
+
+Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzo zullen wij spelen: Wie het eerst
+zijn werpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen
+hoofd."
+
+Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo
+kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd
+zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten--dat
+doe ik gaerne!"
+
+Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik
+zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om
+uw hoofd en 'et mijne!"
+
+Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods
+Name--moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe
+ik mijn wil, want ware Lodewijk dood--ik droege nog eenmaal de kroon te
+Parijs." Lodewijk had den eersten zet--om dat hij des daags Koning
+gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder[9];
+zij namen elkander een Oude[10]. Adelaert zei: "God ontferme zich
+mijner! mijn ongeluk is groot."
+
+De Koning won op Adelaert drie spelen n elkander, en ze op trotschen
+toon: "Had uw broeder den prijs van den steen--hier blijf ik uw meerder:
+in waarheid, ik voorzet 'et u--ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen
+afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen ner en zeide: "O Koning,
+zoo gij mijn hoofd wonnet--en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De
+Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor,
+ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"
+
+Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw
+bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder
+schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et
+hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots[11]," zeide
+Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat
+hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden
+het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vr, Heer Koning!"
+
+Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met
+de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En
+Adelaert won vijf spelen achter-een.
+
+Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op,
+zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb
+gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer
+speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem
+verdroot uw leven."
+
+De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in
+'t aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper,
+zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne
+verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield
+ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.
+
+Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij
+Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie
+heeft u geslagen?"
+
+Adelaert andwoordde: "Niemant!"--"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult
+'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag."
+--"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede
+gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."
+
+Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd.
+Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst
+en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal,
+om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg
+'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit
+hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zo
+gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp
+mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het
+zwaard op.
+
+Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel
+broeder, ik zal 't u zeggen, al zo ik er om sterven--maar niet van uwe
+hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk
+beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't
+zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar
+kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning
+drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan;
+als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't
+schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen
+weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande
+houden--ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij
+der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en
+Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren
+zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over
+zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een
+schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding
+spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf
+spelen achter-een zo afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op
+Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet
+meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't
+hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het
+schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."
+
+Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke
+dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."
+
+
+[1] _Drossaart_:(hier) huismeyer, spijsverzorger, scbotelschikker.
+
+[2] Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt gewoonlijk
+voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, dat Dr.
+J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.
+
+[3] _Markgrave_ beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker is; hier
+zo het zijn--bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het volk.
+
+[4] _bezant: een_ muntstuk.
+
+[5] _Poelgin_, Apuli.
+
+[6] _Angrico_, Angers.
+
+[7] _ontwierp hem een voet_: wierp een voet verder dan hij.
+
+[8] _te verdingen_: af te kopen.
+
+[9] _Ridder_: paard.
+
+[10] _Oude_: raadsheer.
+
+[11] _Rots_: kasteel.
+
+
+
+
+HET ACHTSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout--Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed
+ in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen
+ werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe
+ Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze
+ Koning Carel gevangen zo leveren.
+
+
+Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe
+Adelaert met Lodewijk gevaren was--van 't begin tot het einde. Toen
+Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende,
+en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet
+en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.
+
+Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en
+als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil--ik zal 'et
+hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich
+Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen
+een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij
+verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.
+
+Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in
+der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.
+
+Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij
+Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten.
+Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hm
+eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep
+Reinout--Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd
+bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning
+Carels aangezicht sprong.
+
+En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne
+oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en
+riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen!
+die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het
+geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich
+haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis
+en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en
+reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van
+wapenen, op een schoone vlakte.
+
+Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vlin!"--"Geef mij
+Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het
+vlieden is ons geen schande--want Carel is onze Koning!"--"Dat en zal
+niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te
+vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij
+overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant
+vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"
+
+Daar was elk strijdens re; Reinout zat op Beyaert--vertrouwen en
+blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem
+verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en
+blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en
+hun vijand klein achtten.
+
+Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast
+den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak
+den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den
+paerde viel.
+
+Reinouts broeders reden me in den hoop en deden wonderen met den
+zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde
+Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en
+menigen vijand onder den voet reed.
+
+Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in
+het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag
+niemant vlin! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat
+hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op
+hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen
+moest.
+
+Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze
+nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet
+vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus
+doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht
+dringt hen drmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir
+volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet
+waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels
+en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo
+snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't
+hem zeer leed.
+
+Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er
+veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zo zien
+sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn!
+geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het,
+met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop
+tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde:
+"Indien men hem ving--ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de
+Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan
+was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel
+zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zo doen hangen en Vrouw Aye doen
+verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen
+had'.
+
+Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem
+terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat
+waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit
+geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant:
+"Zoo zo ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy
+hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo
+groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning
+Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen;
+'t koste dat 't mag."
+
+Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij
+Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het
+voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"--"Neen ik," zeide
+Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat
+men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle
+om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden
+verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb
+hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat
+ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u
+misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad
+zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en
+moeder wijten?"
+
+--"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem
+kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat
+zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het
+hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen
+den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk
+hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en
+liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den
+Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen
+van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.
+
+
+[1] _vromigheid: prouesse_.
+
+
+
+
+HET NEGENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Haymijns Kinderen tot Pirlepont en van daar in
+ Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning
+ Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte,
+ om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's
+ Konings Volk, die hun Koning wreken wilden.
+
+
+Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids
+de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel
+te Pirlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar
+gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder
+waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was,
+"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."
+
+Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op
+dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was,
+en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat
+hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des
+Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels
+zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer
+bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen
+blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want
+zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij
+spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.
+
+De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij
+dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood
+wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe,
+de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze
+doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier
+met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van
+noode wezen zo: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren
+werwaards zij hunnen weg zouden nemen.
+
+Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangin tot Koning
+Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen
+schreiden om hun wechreizen.
+
+Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangin kwamen, daar zij
+den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning
+verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag
+komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem
+waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te
+blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen
+ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel
+dat men de valbrug nederliete.
+
+De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet.
+Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en
+hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn
+broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."--"Wildy
+gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat,
+Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God
+Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn
+kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen
+Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen
+zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en
+zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar
+uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij
+bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik
+hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij
+blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden
+van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat,
+dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't
+kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.
+
+Zoo waren zij met den Koning van Spangin, genaamd Saforet, drie jaar,
+en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden,
+vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht
+noch geerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning,
+dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en
+dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf
+men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en
+zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem
+het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig
+aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en
+wisten wij niet, waar ons te onthouden."--"Wat is ons aan dit verblijf
+gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het
+zoude onder onze handen koper worden."
+
+Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem,
+dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet--het zal
+hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen."
+De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en
+als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning,
+mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven
+hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide:
+"Zeg uw Heeren--inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!--dat ik ze
+noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve
+vermoord.... zoo zij mr geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal
+doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte
+de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de
+Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem
+met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem
+daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en
+liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.
+
+Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy
+dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout
+hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet,
+Heer!"--"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze
+have[1] eischtet?"--"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet
+meer een penning."--"Zeide hij dat?" riep Reinout.--"Ja hij, Heere! en
+hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche
+ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart
+dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet
+mij in 'et vuur."
+
+Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide:
+"Ik beveel u en Writsaert--Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal
+en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mt
+mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels
+slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij
+ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn
+hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."
+
+--"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat
+beters!"--"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere
+daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en
+Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.
+
+Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert
+vielen op hun knin, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg.
+"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints
+wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel
+hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een
+spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer
+het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze
+nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die
+slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders
+niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem
+stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet
+kleeden--geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u
+kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen
+daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede,
+dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog
+berouwen!"
+
+De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik
+zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave
+u kleederen noch schat."
+
+Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om
+dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen
+hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!--Maakt u des wech--men geeft u niet
+een mijte!"
+
+--"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die
+woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe
+trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en
+zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....--
+
+"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons
+inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en
+gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het
+binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof
+groot gedruisch. De stad heet Aquitanin: men sloeg de klok; al wat
+geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar
+Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn
+gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en
+'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote
+felheid.
+
+Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout
+te paerd gezeten--en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met
+machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en
+Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den
+buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-en-zakte. Nog liet hij
+Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros
+verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders
+wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot,
+zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat
+zij veel volks versloegen.
+
+Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te
+dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af
+sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij
+Adelaert rijden zo, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in
+stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om
+zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen--en
+hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden geblven zijn: maar Beyaert
+sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd
+was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren
+mo en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus
+reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij
+stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde
+hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.
+
+"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn
+bedwang--nu zo ik liever den nood ontvlieden dan ds te
+sneven."--"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan
+niet zijn!"
+
+Daarop renden zij wer met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo
+lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zo vele dooden
+vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de
+goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en
+konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren
+zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van
+overbleef.
+
+"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak
+Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed,"
+zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."
+
+--"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker
+verblijf."--"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.--"Bij Ywein van
+Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand,
+daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste
+van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan,"
+ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en
+er een goed verblijf vinden."
+
+"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.
+
+"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.
+
+Zij maakten zich op, en leden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat
+zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.
+
+In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert
+zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat
+Yweins slot."--"Welk is 'et?" zeide Reinout. --"Naast aan de rotsen; bij
+dat woud: dat hooge kasteel--daarginds --met dien breeden ringmuur en
+die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"
+
+--"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn mo; en
+elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders;
+legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij
+elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij
+namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.
+
+Zij spoedden zich onverpoosd voort.
+
+Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de
+wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden
+zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de
+Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide
+hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend
+nader, en zitten op en zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij
+God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"
+
+Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar
+de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden --om hen te zien
+en het Ros met de schoone gestalte.
+
+Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de
+Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem
+te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd
+voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem
+neder.
+
+"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en
+dag, en u uit l ons vermogen helpen."
+
+Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten
+mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."--"Dat loone u God!"
+sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." --"Zoo 't u
+gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."--"Al-te-gader,"
+zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn,
+de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere
+Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel
+ridder. Nu kent gij onze namen."
+
+
+[1] _have_: goed.
+
+
+
+
+HET TIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan
+ met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe
+ Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich
+ versterkte tegen den grooten Koning Carel van
+ Frankrijk.
+
+
+Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen
+maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde,
+dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter
+genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen
+wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne
+wonden genezen waren.
+
+Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun
+knijven en zwaerden vervegen[1]: hunne harnasplaten waren mede
+vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van ne stoffe,
+prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in
+den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros
+Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de
+goede Ridders zaten moedig op.
+
+Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar
+het land me in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit
+Ywein groote schade gedaan werd.
+
+Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij
+binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.
+
+Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in
+zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan
+drie jaren.
+
+Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en
+heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij
+erfschap gekomen ware.
+
+De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner
+steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem
+dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met
+goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.
+
+Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar
+kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu
+zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem
+aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen
+zone Lodewijk zo uitleveren."
+
+Toen de bode in Gascongin kwam, vroeg hij naar den Landskoning --en
+spoedig bracht men hem voor Ywein.
+
+"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel,
+de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."
+
+De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond[2] hem en
+las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij
+hem de moordenaren zenden zo, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk
+hadden doodgeslagen.'
+
+Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en
+riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden,
+opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.
+
+"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak?
+Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze
+den Koning niet--zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad
+geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik
+toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen
+land."
+
+Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk
+voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in
+zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn
+oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't
+ook niet--u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en
+brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de
+keel."
+
+Hugo van Averne[3] sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer
+Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u
+verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen
+dienst--zoudt gij ze ds beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij
+verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw
+vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert--uw huismeyer[4].
+Verriedt gij ze--'t ware een wandaad."
+
+[Illustratie: Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar
+gewapend nader.]
+
+Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wl gezegd!" Daarop
+sprak Reinier van Gascongin, een Ridder fier en stout:
+"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning!
+En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn
+van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge
+kwaamt in Poelgin, of in Toscanen, of in Calabren--daar is alom menig
+Ridder, die 't zich aantrekken zo. Gij zoudt den voet niet op Cecilin
+kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije,
+in Engeland of in Normandin, of in Vrankrijk--de hoogsten van het land
+zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden.
+Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen
+gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk
+trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."
+
+Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere
+leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden
+spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem
+ten spijt--ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als
+Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens
+Carel."
+
+Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en
+zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf[5] aan uw eer
+gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen
+prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze
+zo doen folteren en dooden--dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar
+volgt ge mijn raad, Heere--gij zult ze in Poelgin of een ander land
+laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."
+
+Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij
+Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zo moeten zien
+vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te
+kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zo mij te zwaar
+vallen."
+
+Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning--ik had
+'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zo leenen van
+Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan!
+nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer
+bewaren--zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem
+de rots aan de Gironde[6]: hij zal er aanstonds een vaste burcht op
+bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen
+bij uw dochter te verwekken--dan is hij op het innigst aan u verbonden,
+en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den
+geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."
+
+--"Avernees, gij zegt wl," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan,
+dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."
+
+De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.
+
+"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.
+
+"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij
+met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw
+broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er
+aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend
+maken, zijn gramschap zo mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in
+Poelgin of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee[7]--ik
+zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen
+voorzien.... Nu zegt mij--wilt ge handelen als de wijzen, en mijn
+voorstel aanvaerden?"
+
+--"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons
+een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld
+niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde
+staat een rots--wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang,
+waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel
+en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."
+
+Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er
+mijn gantsche land en al de steden van Gascongin me overheerschen."
+
+--"Ik zo 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw
+op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in
+dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal
+met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig
+opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn
+broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw
+zone--zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste
+Jonkvrouwe van Christenrijk!"
+
+Ywein sprak haastig, "hij zo zich beraden," en riep zijne Heeren weder
+bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij
+mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse
+geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en
+zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."
+
+Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en
+ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein
+geroepen.
+
+"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen
+mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone
+Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft
+van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken,
+opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vr met heel zijn heir, hij
+u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"
+
+--"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone,
+roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er
+bij."
+
+Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.
+
+Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden
+werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met
+en woord, een groote, goede bruiloft.
+
+Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche
+land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met
+zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als
+goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen
+aanstonds het huis te vesten.
+
+Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerlin en 700 metselaars bij-een-had.
+Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen;
+twee paar muren gingen er om rond.
+
+Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij
+zo ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen,
+vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500
+personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten
+wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen
+koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede
+gesticht.
+
+En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te
+komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij:
+"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk
+kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"
+
+--"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't
+Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."
+
+--"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op
+kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."
+
+
+[1] _vervegen_: op zwaardvegerswijze herstellen.
+
+[2] _ontwond_: ontdeed van het zegelkoord.
+
+[3] _Averne_: Auvergne.
+
+[4] _huismeyer_: hofmeester.
+
+[5] _geen kaf_: zooveel als niets.
+
+[6] _Gironde_: mond van Dordogne en Garonne.
+
+[7] _Zuidzee_: Middellandsche Zee.
+
+
+
+
+HET ELFDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt
+ was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en
+ dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden
+ "Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde.
+
+
+Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zo na St. Jacob.
+Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel
+het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot
+Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben
+doen timmeren? in al Gascongin en staat geen zoo sterk noch zoo
+schoon."--"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar
+zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zo schier zeggen onwinlijk
+is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter
+verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen
+maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich
+over 't water zetten.
+
+Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein--Reinout met zijn dochter gegeven
+had. Als zij ver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat
+schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'
+
+Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt
+hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'
+
+De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen
+timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo
+men ze heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk;
+hij is uit zijn land verdreven."
+
+--"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout.
+Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet
+Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van
+den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning
+Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn
+broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der
+burcht, aangelegd een schoone stad."
+
+--"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt
+hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven
+met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht
+stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en
+tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem
+kwaad geschin; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en
+verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."
+
+Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als
+hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en
+zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u
+gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw
+onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem
+gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket
+genade: en hij zal ze u doen."
+
+Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot
+Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet
+ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever
+zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."--"Wilt gij u dan tegen Koning
+Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone
+Lodewijk!"--"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten
+manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij
+als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen--ik wil hem
+Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem
+als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit
+zeggen?--Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met
+mij te dreigen."
+
+Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide:
+"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet
+mijn boodschap aan den Koning."
+
+Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid
+Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een
+scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden
+in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer
+gedaan.'
+
+Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en
+keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in
+Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout,
+verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te
+helpen.
+
+Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij
+kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde
+Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang.
+En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et
+hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn
+Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts
+burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.
+
+
+
+
+HET TWAALFDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te
+ zien als Pelgrims, en kwamen te Pirlepont, en hoe hen
+ de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En
+ hoe Pirlepont van den Koning belegerd was, en hoe
+ Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze
+ wilde doen hangen.
+
+
+Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert,
+zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al
+zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is
+daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van
+rouw."
+
+--"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet
+wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij
+daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik
+niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't
+mag, ik moet mijne moeder zien."
+
+--"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen
+gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en
+bidden hen dat zij ons kleren geven voor de onzen; en zoo gaan wij
+onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders
+goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in
+het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren,
+kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren
+uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen.
+En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide
+Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen
+voor de onzen."
+
+Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat
+Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover
+geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't,
+dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een
+roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den
+Pelgrim bij den baard: hij zo hem geslagen hebben --maar een ander
+Pelgrim viel op zijn knien en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij
+aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als
+waren onze kleederen nog wat beter--doet 'er me dat gij wilt."
+
+Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen
+broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns
+Kinderen, die ze aantrokken.
+
+Als zij de Pelgrimskleren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze
+stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden
+menigen moeden voetstap eer zij te Pirlepont kwamen.
+
+Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en
+vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier
+Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land,
+te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provencin: nu
+hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat
+gij ons inlaat."
+
+Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet
+doen."--"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het
+wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren
+gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar
+toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zo zeggen, dat gij waart
+de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."--"Om Gods
+wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen!
+laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning
+Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood,
+God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat
+ze God van der dood behoeden wil!"
+
+Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij
+antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en
+spijzigen ter liefde der Jonkheeren."--"Dat loon u God!" zeide Reinout.
+Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen
+waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden
+gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"
+
+--"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vruwe!" sprak Reinout,
+"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galicin,
+en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst
+als thands."
+
+Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en
+drinken geven."
+
+De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen
+spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen
+mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne
+vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.
+
+Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag
+haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij
+ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt
+het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"
+
+De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide:
+"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte--ik
+duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal
+uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat
+zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij,
+Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel
+wijn niet drinken, als gij alleen doet."
+
+Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ...
+reikt mij die schale nog nmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij
+dat ik u mijn leven lang danken zal!..."
+
+De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze
+hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder
+uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.
+
+Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder
+aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij,
+"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!--want had ik nog een schale, ik
+en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen
+onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout
+met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen
+van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene
+stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig
+werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op
+haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens
+wech van Reinout.
+
+Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide:
+"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt
+'et gezworen; en wilt gij 't niet doen--zoo zal ik tot den Koning rijden
+en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."
+
+Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en
+zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren
+op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn
+Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders
+begeven!"
+
+Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw
+Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze
+vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den
+Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij
+komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw
+Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende,
+werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder.
+"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een
+oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide:
+"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn
+Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere,
+Koning Carel, wien ik het gezworen heb."
+
+Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met
+veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God
+en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen
+over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft
+ons raad! Weet gij ons geen raad te geven--wij zijn verloren; want
+Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide:
+"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas,
+geen anderen raad!"
+
+Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en
+leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden
+voor de kamer staan.
+
+Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want
+hij wo ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert:
+"die ne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns
+Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk
+te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef
+dood, of zeer gekwetst.
+
+Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de
+kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste;
+maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op;
+hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest
+waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne
+slagen.--Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en
+zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden
+zwak."
+
+Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den
+toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't
+Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich
+werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem
+vluchtte als den dood.
+
+Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven
+ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te
+zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij
+geraakt--het blijft er l dood."
+
+Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met
+zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek
+loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter
+na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde
+Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader
+vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben,
+maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen!
+Sloegt gij onzen vader dood--die vreeselijke misdaad mochten wij
+nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij
+verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel
+verworven wij nimmermeer zoen!"
+
+--"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen
+vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem
+handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap
+aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem
+haastelijk tot Koning Carel."
+
+De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan;
+want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede."
+Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zo afslaan,
+indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat
+Koning Carel hier goed recht zo wijzen.
+
+"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat
+ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude
+gedaan hebben."
+
+De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten
+leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de
+portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't
+paerd ligt?"
+
+Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de
+poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den
+knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen
+zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit
+hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat
+hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's
+Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan;
+ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!"
+De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's
+Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den
+Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden.
+Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem:
+"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"--"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u,
+ontferm u mijner!"--"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn
+zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik
+'t vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards
+te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."
+
+--"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.
+
+Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich
+wapenen zouden; zoo Edel als onedel.
+
+En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk
+dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam
+te Pirlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot
+heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar
+tenten begonnen te slaan voor het kasteel.
+
+Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge
+is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons
+mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons
+geenen raad?"
+
+Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig:
+"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der
+muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als
+hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer
+mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan;
+hetgeen de vlucht ook van en enkele had doen mislukken. Dus was hun
+scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn
+broeders moest laten.
+
+Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden
+God voor hem.
+
+"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart!
+nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen,
+doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets,
+tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen
+bidden."
+
+Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en
+gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam,
+wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den
+Koning kwamen, vielen ze op hunne knin en baden hem oodmoedelijk, bij
+de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij
+gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en
+lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."
+
+Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan
+werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et
+bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te
+moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar knin en bad hem, met
+heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.
+
+Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zo zoo
+lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te
+doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede
+de broeders zorgvuldig bewaken.
+
+
+[1] _Bordeas_: Bordeaux.
+
+[2] _winket_--deurtjen in eene poortdeure.
+
+
+
+
+HET DERTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn
+ broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of
+ men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning
+ dede bieden met den bode.
+
+
+Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout wergekomen te
+Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders
+had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen
+had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om
+de Heeren, al dat te Montalbaen was.
+
+Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op
+het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende
+zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'war dat hij mijn broeders
+brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'
+
+Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die
+sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer
+beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen
+en bespieden? ik zo noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros,
+moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!'
+
+Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in
+euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!"
+De man zeide: "Zo ik u volgen met een inzicht ten kwade?--dat waar niet
+welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf
+mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik
+verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij
+dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide
+Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk:
+maar alvorens dijn boodschap te doen--begeer eenen borg tot zekerheid en
+vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan,
+doe dijne boodschap."
+
+--"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik
+ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in
+mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij
+nimmermeer op en stond."
+
+Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor
+zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg
+hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de
+meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf
+opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner
+ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter
+zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en
+voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen
+de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert,
+mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn
+kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik
+doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner
+broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't
+land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is
+'t, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen
+met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn
+Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven
+noch om dood.
+
+"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod--zeg hem dan, dat
+ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen
+klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en
+betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het
+zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij
+des nachts gaat te mettene[1]: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de
+kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zo--zo, zal
+ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en
+peis geven."
+
+Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide
+zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning,
+mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer
+kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap
+eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale,
+zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop
+Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat
+zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve
+bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad
+toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning
+onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen--ik zal het
+oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht
+proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne
+broeders daar niet sterven zullen!--Maar, ik zegge dy," vervolgde
+Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast
+geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren."
+
+De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen:
+het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout
+oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale.
+
+En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon
+de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een
+staf, nochtans en wo hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste
+besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den
+Koning op zijn knin, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op,
+en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik
+brenge u eene goede boodschap!"
+
+De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt
+ons met wat boodschap gij beladen zijt."
+
+De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult,
+begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel
+ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn
+boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen,
+zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen."
+
+--"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en
+zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er
+Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der
+sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn."
+
+De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name
+liever een borge door wien ik zonder vreeze ware."
+
+De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze
+twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend:
+niemant ter waereld durft u tegengaan."
+
+Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen,
+ik had gaerne andere borgen."
+
+Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: --ik
+zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij
+moogt veilig zonder vreeze zijn."
+
+De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik
+liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden."
+
+Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst
+hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden,
+zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen."
+
+De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne
+eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen."
+
+Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en
+zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt
+te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog
+nmaal--en ten laatste!"
+
+Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te
+kiezen geleide--zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge
+wezen!"
+
+De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in
+gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden
+mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone.
+
+"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet
+herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer
+Koning, dat God u lange spare! U groet n, de bedroefdste man die in de
+waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de
+Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw
+zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade
+wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt.
+Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te
+nemen--hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben:
+zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen
+die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met
+goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als
+Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter
+eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn
+eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk
+Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen
+ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken
+of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle
+dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal
+hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of
+gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware
+'t dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood
+begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid--wilt hem en zijn
+broeders genadig zijn!"
+
+Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen
+zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet
+en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt--zoo zal hij
+komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters,
+kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de
+kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen."
+
+Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De
+bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en
+zijn broeders niet in genade ontvangen wilt--hij zal u doen 'et zelve
+dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de
+mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij
+zal u nmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en
+slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."--"Bij God!" riep de
+Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde
+dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare,
+die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij
+goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne
+zale, zonder goed geleide--ik zeg u, in der waarheid! ik had den
+schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan."
+
+"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen
+hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van
+Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op
+zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn
+magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den
+Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders
+oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet
+brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar
+bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et
+leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde
+beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult
+voornemen."
+
+Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht
+mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die
+Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem
+bestaat? Wie het doet--hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie
+dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam
+zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel
+Grave! bestaat hij u--of niet?"
+
+Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants
+wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker
+geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot
+Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u
+vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn
+vriend wil ik altijd wezen."
+
+Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht,
+die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en
+stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide:
+"Heer Koning! nog gisteren."
+
+Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?"
+De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros
+Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had.
+
+--"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning,
+"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u
+beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode
+antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij
+Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer
+vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning
+grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een
+zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout--ware 't niet,
+dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel--want nooit heb
+ik boden zulke tale hooren voeren."
+
+
+[1] _Te mettene gaan_: in de kerk de getijden van middernacht gaan
+bidden.
+
+
+
+
+HET VEERTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat
+ wederkreeg door hulpe van Madelgijs.
+
+
+Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich
+waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde,
+meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote
+rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende
+dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo
+kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij
+reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad
+van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er
+Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild.
+
+Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te
+krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging;
+daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde.
+
+Nu zijn gekomen twaalf knechten om vor te halen, zoo zij dagelijks
+plachten te doen.
+
+En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en
+zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van
+Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden
+gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat
+zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs.
+
+Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij
+binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen
+en Jonkvrouwen.
+
+Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij
+hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot
+geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot
+Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze."
+Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf
+knechten Beyaert brachten.
+
+Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten
+Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!"
+andwoordde Roelant.
+
+'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de
+knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te
+vangen: ik wo dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den
+raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden
+neder en zeiden:
+
+"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte."
+--De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij
+'t vingen?"
+
+Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden."
+De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' --zij zeiden 'neen,'
+"van hem en weten wij niet."
+
+"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het
+u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij
+Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden,"
+zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik
+hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan
+heeft."
+
+--"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den
+knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen--doet
+ze stokslagen geven."
+
+De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe
+als Roelant gezeid heeft."
+
+En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had.
+
+De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en
+koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik
+u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan
+dat er iets aan het Ros miskwame."
+
+Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en
+zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert
+berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen."
+
+Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik
+het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den
+Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik
+Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten
+zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de
+vrije beschikking over hem."
+
+--"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en
+berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."--"Zoo
+doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen
+moet ons deze komen."
+
+Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het
+berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u--beidt dan tot Zondag;
+hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen
+zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en
+hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen."
+
+Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en
+sliep!
+
+Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en
+terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als
+hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag
+rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft.
+
+En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven:
+hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog
+zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend
+rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart
+ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et
+is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het
+ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn
+broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en
+hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht
+hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft
+den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met
+werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude,
+maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en
+geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat
+doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij
+toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve.
+
+Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het
+dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van
+Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken
+ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij
+hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid
+waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van
+lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de
+oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen
+meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok
+en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette
+hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag
+en had, sints ik geboren ben."
+
+Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste
+leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe
+allernaast."--"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed,
+dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze
+gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En
+bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man
+van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van
+de rouw, daar 'k in sta."--"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak
+Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal
+uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de
+dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik
+ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provencin en tot
+St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van
+Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man,
+als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!"
+
+[Illustratie: Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste
+leiden.]
+
+Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te
+spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!"
+
+Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij
+geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders,
+opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?"
+
+Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven."
+Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en
+van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende:
+"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan
+uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye,
+mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is
+'t dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout,
+zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te
+wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat
+gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn."
+
+--"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen
+schande ware, een Pelgrim te slaan--ik zo uw onbeschaamdheid u doen
+rouwen."
+
+--"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij
+geslagen, dien ik aalmoezen vroeg--ik waar voor vijftig jaar reeds dood:
+want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in
+kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave--waarvan zo ik
+leven?"
+
+--"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden."
+
+--"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende
+uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille--hebdy iet meer,
+dat gij mij geven wilt--zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden
+uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet."
+
+--"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er
+wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder;
+St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden
+van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn
+kunne ontvlieden--want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt
+ben, hij dede mij hangen."
+
+Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn
+reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets
+behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was
+Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij
+valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult
+weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim
+ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!"
+riep Madelgijs, "sloegt ge me nog --het zo u kwalijk komen; ik zoude
+mij weeren!"--"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u--al waart
+gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zo mij, zoo ik slaan
+wilde, gn ontgaan."
+
+--"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik
+kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd
+en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag
+weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en
+veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren.
+
+Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij
+bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den
+rug--daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord
+staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik
+verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel
+Belzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het
+bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen
+en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek
+hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij
+niet, neve Reinout?"
+
+--"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?"
+
+Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had,
+viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt
+mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij
+te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn
+toeverlaat!"
+
+Madelgijs ze: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u
+heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn
+harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak.
+Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood,
+en dede hem twee oude hozen aantrekken.
+
+Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde
+Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en
+mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over
+zijne oogen.
+
+Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na,
+om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en
+hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder
+jongelingen en koene Ridderen.
+
+Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij
+neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of
+Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde.
+
+"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te
+gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten."
+
+--"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan."
+
+Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden
+dag!"--"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al
+menigen mensche overleefd," vervolgde en hunner. --"Ik bid God, dat hij
+mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven,"
+sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u
+Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!"
+
+Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de
+nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven."
+
+De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige
+kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als
+schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen
+gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd
+"Christelijk", en dusdanig en als die, welke den Heere met zijn
+Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde.
+
+Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met
+eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een
+arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet
+in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den
+wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg--dat gij
+hier wilt nederknielen in gebede--want ik mij kwalijk bevinde en hebbe
+geen halve stonde meer te leven."
+
+En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken
+stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in
+kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met
+een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond,
+en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en
+sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn
+verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar
+dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en
+zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop
+laat kussen, dien gij daar bij u hebt...."
+
+--"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij
+Madelgijs me nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang
+verloren geweest, om de zonden des volks...."
+
+--"En mag niet wer verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de
+gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende
+aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop
+ontliep hij den anderen met den schat.
+
+Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij
+best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen en hem
+tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend nerstortte;
+en, na elkander, ook de beide laatsten.
+
+Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat,
+uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve!
+ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en
+rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge,
+voor wij aankwamen."--"K[1], oom!" zeide Reinout--"ik duchte, dat gij
+iets kwaads gemaakt hebt!"--"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs;
+"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders."
+Reinout deed als hem gezegd werd.
+
+De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in
+den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag
+en den tijd, dat Roelant--Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de
+stad, als vroeger gezegd is.
+
+Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in
+was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de
+stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot
+Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik
+weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre
+geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt."
+
+Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs
+riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen
+wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en
+doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne,
+en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en
+dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den
+penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn
+tasch.
+
+Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar
+buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude.
+
+Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn
+kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en
+zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne
+reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf
+Madelgijs--Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet
+uwe sporen aan uw voeten."--"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk,
+oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik
+Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe
+voeten--'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u
+Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt,
+zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize,
+als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden."
+
+En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van
+poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van
+landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen.
+Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij
+Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk
+zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel.
+
+"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der
+Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er
+eene: "'t Is Roelant, die Ferragute[2] versloeg." Eene andere jonkvrouw
+zeide: "'t Is Olivier!"--"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van
+Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken
+Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed--nam daar ene het woord,
+die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een
+schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen
+vroegen, wie de Ridder was?--"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een
+Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij
+niet gebannen, hij zo de schoonste man wezen, die van dezen dag over de
+brugge gaan zoude."
+
+Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte.
+Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet--en
+lacht niet!"--"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout:
+
+"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen."
+
+Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over
+de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden
+hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen
+was, hadden 'et elk aan een koord.
+
+Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en
+den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond.
+
+"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims
+staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken
+dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide:
+"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is."
+
+Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert
+tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende
+zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op
+de brug heen ende weder.
+
+En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u
+deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds
+genoeg: ik zegge u voorwaar--hadde ik mijnen kop meenen te verliezen
+door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik
+en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de
+Koning van Vrankrijk, die zoowl der armen luttel goed bewaakt, als dat
+der rijken, die veel hebben."
+
+--"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil
+'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt
+werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en
+kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met
+zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en
+genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede
+gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een
+Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt."
+
+Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de
+Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel
+gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep
+nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong.
+"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs,
+"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid
+ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen
+ontkomen: want wij vreezen 'et zeer."
+
+Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop."
+
+--"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren
+gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome
+heeft er Misse mede gedaan...."
+
+--"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat
+ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er
+hier simonie[3] gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den
+kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?"
+
+--"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den
+Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning
+ben."--"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig
+tot u gesproken heb."--"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel
+moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar
+geeft mij den kop--ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land
+in levenslang gebruik."
+
+--"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen--ten zij ge vergeeft al
+den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem
+den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...."
+
+De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone
+Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem
+niet kwijtschelden. Ook is daar en, geheeten Madelgijs, een snoode
+toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen
+hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?"
+
+--"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan
+niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet."
+
+Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal
+God bidden, dat Hij uwen gezel geneze."
+
+"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig
+dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde
+t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap
+verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze
+vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert
+berijden kon--hij zo genezen van al zijne kwalen.'"
+
+-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder
+tijd."
+
+Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet
+wat het uitwerken kan."
+
+--"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden
+prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!"
+
+Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om
+dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!"
+
+De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide
+hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb
+toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle--Beyaert bestijgen laat!"
+
+Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook
+de Pelgrims kwamen daar met groote moeite.
+
+En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel
+Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et
+aan zijn herstel bevorderlijk zij!"
+
+Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem
+niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen
+had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er
+deernis me, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte
+er wer af aan dezen.
+
+"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij
+aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er
+weder af--hij zal 'et besterven."
+
+Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast,
+dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op
+Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte.
+
+Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den
+zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels.
+
+Eilaas, daarme waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het
+goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd!
+
+"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alln
+rijden," zeide de Koning.
+
+"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij
+ook zien en hooren?"--"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te
+boven!"
+
+--"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?--Heer Bisschop!
+doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote
+gunst gedaan."
+
+Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En
+Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf
+het goede Ros de sporen.
+
+Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e
+zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten,
+dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die
+ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal
+'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten--voorwaar het zal hem den
+hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren
+uit, en scheen groote rouwe te bedrijven.
+
+Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem,
+riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden
+vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug."
+
+En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren
+Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van
+Borgondin; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen
+mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een
+boogscheut afstands.
+
+Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten
+laatste zag hij de Genoten.
+
+'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten
+kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware--ik
+zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden
+trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader
+kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout
+hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood
+gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder
+koen!"
+
+--"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij hier
+vinden zouden."
+
+--"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde
+de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat
+gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim,
+die bij den Koning stond?"--"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het
+antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet
+niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve
+Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve!
+om uwent-wille!"
+
+--"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap,
+die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide
+nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede,
+dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en
+gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen."
+
+Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u,
+Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw
+broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den
+Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders
+voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader--ik
+zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout
+verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam.
+"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang
+verdienden loon!"
+
+Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge
+u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen
+op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede
+neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van
+de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen.
+
+
+[1] _K_--een uitroep.
+
+[2] _Ferragute_: een reus.
+
+[3] _Simonie_: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, waarbij
+voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan verbonden is,
+mr gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of kunst-waarde; het
+_verkoopen_ van al wat slechts geestelijke waarde heeft, wordt als
+zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. _Hand. der Apost_., Hoofdst.
+VIII, v. 18--20.
+
+
+
+
+HET VIJFTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden,
+ dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning
+ Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop
+ Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere
+ Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot
+ Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning
+ daar hij lag en sliep in zijne kamer.
+
+
+Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den
+Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap
+zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen
+Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal
+'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en
+nemen de schuld op mij."
+
+Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij
+Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen,
+"Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap
+bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de
+Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning.
+
+Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De
+Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" --"Heer," sprak hij,
+"ik neem de schuld op mij."--"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning
+streng.
+
+"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den
+sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent
+Beyaert--gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan
+niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na
+gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de
+schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen
+vangen--alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij
+trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg
+vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij
+verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was
+ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." -- "'t
+Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich
+onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem
+ondoenlijk was."
+
+--"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en
+laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die
+zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschin."
+
+Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij
+overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen
+en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik
+wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God
+genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep:
+"Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!"
+
+Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt
+mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven
+lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over
+zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon
+'et u Heer Koning!"
+
+En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele
+Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze
+straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen
+langer uitstel."
+
+De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor
+hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen
+binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had
+hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven
+voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch
+en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is."
+
+"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak
+nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten
+nog heden doen hangen."
+
+De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige
+magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u,
+zoo gij ze ter dood laat brengen."
+
+De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"--"Neen ik," zeide de
+Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen--en gij zult
+u niet kanten tegen uwen Koning."
+
+--"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij--maar tegen deze
+wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten
+tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden
+zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en
+zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze
+laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning!
+daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met
+machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal
+men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten."
+Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en
+hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zo
+laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon.
+
+Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij
+zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen--'t moge
+gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen
+mij--wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de
+Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u
+leven en sterven willen.
+
+Toen trad de Bisschop naar ene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen,
+die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij
+komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings
+kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer
+Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was
+Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondin, en zeide: "Heer
+Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen,
+die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije;
+daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem
+Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van
+Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hm daartoe
+niemant aangezocht!
+
+Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de
+oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?--Ik zie wel, ik
+heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove
+gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van
+alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in
+de nood!"
+
+--"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar
+ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u
+voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij
+zijn uw vleesch en bloed!"
+
+Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven
+laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke
+zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat
+uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in
+hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat
+verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning
+zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar
+voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn
+hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware
+geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren
+nu over u voldoende gewroken zijn." Met-n ging hij daar de drie Heeren
+zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien
+en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren
+hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!"
+
+--"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen
+zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude
+ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land."
+
+Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is
+er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op
+zijn grijzen baard.
+
+De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie
+Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten,
+zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste:
+laat ze verdingen."
+
+De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde,
+heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en
+doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en
+begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter
+waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze
+drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle
+leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste
+komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest
+waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede
+scheidde de raadsvergadering der Heeren.
+
+En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te
+verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet
+beter van ure tot ure of Koning Carel zo ze doen hangen.
+
+Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning
+Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat
+zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den
+portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten
+wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen
+trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht
+te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u,"
+zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier
+nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had
+slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de
+vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van
+gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp
+zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten.
+
+Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en
+banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et
+Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die
+de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig.
+
+Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit
+pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze
+zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan --wij moeten
+sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden."
+En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis me had, en
+zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom
+Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert
+zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!"
+Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse."
+Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker.
+
+Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die
+de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de
+gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten
+den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem
+en gedaante des portiers--"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk
+ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich
+wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik
+misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal
+gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet
+medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal
+u geen verlof geven--dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo
+lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de
+Heeren, en ging tot den Koning.
+
+Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings
+bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele
+geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven
+uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en
+ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren
+leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit
+hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet
+met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om
+zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij
+blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op
+Montalbaen.
+
+Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef
+als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede
+veiligheid.
+
+Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en
+waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist
+hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et
+werkelijk geschied ware.
+
+En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat
+'er an was--droom of wezenlijkheid.
+
+En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar
+hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie
+zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt
+was.
+
+Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem
+groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg
+opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval.
+
+
+
+
+HET ZESTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd
+ was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel,
+ en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad
+ verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg.
+
+
+Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en
+spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning
+Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe
+mare."--"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een
+kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem
+gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter
+achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem
+hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche
+Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd
+duchte, eer gij daar komt."
+
+Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide
+hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg--nu bidde ik u, dat gij
+derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000
+mannen."
+
+Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier:
+"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met
+8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier,
+de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome
+mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der
+vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen
+over-en dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en
+gingen uit elkander om zich reede te maken.
+
+Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in
+schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.
+
+De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve
+Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij
+ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en
+stond met gestrekte handen.
+
+Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel
+toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.
+
+De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al
+schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"
+
+Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.
+
+De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met
+zijne scharen: God wil ze beschermen!"
+
+Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den
+Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien--zoo
+vele schoone en moedige mannen: wl gekleed en gewapend, en alle
+strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij
+liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam
+reden zij naar Keulen.
+
+Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij
+dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij
+in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands
+van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het
+Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.
+
+Als de Heidenen--de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij
+mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de
+twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en
+vele Ridders van den paerde gestooten.
+
+Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de
+Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van
+wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir
+grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door
+Roelant.
+
+Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen
+werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn
+paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo
+krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant
+verstelde noch verschoot er niet af.
+
+De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot
+niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende
+wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe,
+dat hij hem kloofde tot den paerde.
+
+Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen
+Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo
+strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er
+60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden
+bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een
+geharnasten Heiden in tween.
+
+Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met
+sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig
+Sarazijn met der dood bekocht.
+
+Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den
+zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden,
+daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.
+
+En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen
+Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden
+daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den
+Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs
+kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren
+vriendelijk wellekom.
+
+De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning
+Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den
+oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant
+heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u,
+Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille,
+hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."
+
+
+
+
+HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie
+ zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone
+ daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe
+ Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende,
+ en het de kroone won.
+
+
+De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve
+Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros
+meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik
+zulk een Ros, ik zo 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout
+dwingen."
+
+En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle
+landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen
+uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen
+Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of
+behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle
+paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt
+gij er Reinout me dwingen."
+
+Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze
+liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij
+zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat
+hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een
+staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede,
+de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar
+best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant,
+dat hij u daarmede dwinge."--"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht
+brengst du mij! waar zo hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zo
+onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar
+ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik
+zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!"
+
+Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem:
+"Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel
+heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op
+eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne,
+het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den
+gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat
+'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij
+daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te
+krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al
+zijn opzet van geener waerde."
+
+"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt;
+maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt."
+
+Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij
+dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs
+bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn
+paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen.
+
+Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen.
+En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en
+namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die
+hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat
+Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was,
+ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en
+elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap.
+
+Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen
+daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen
+boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam
+Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt
+hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al
+zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur--want
+hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een
+jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde
+gehad.
+
+Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders,
+zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs
+ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert
+veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf
+zoo wit als sneeuw.
+
+Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is
+Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het
+Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe!
+onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen."
+Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die
+zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."--"Nu laat ons
+de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch
+Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen."
+
+Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen;
+hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant
+van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten.
+
+Ondertusschen--het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders
+gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij
+liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den
+Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik
+zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te
+winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen."
+
+"Wat zegt gij, bode?" andwoordde d Koning; "ik weet, dat Reinout hier
+niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarme winnen!" --"Edel Heer
+Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans
+Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs."
+
+Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide:
+"Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult
+trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga;
+en is 't dat gij hem vindt--zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als
+zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u
+met goud opwegen."
+
+Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit,
+en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout
+wierd gevangen[1]: want de wegen zijn nauw bezet!
+
+Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van
+Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en
+Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman
+wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar
+Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde--zoo
+zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw
+volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!"
+
+Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs.
+Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo
+zoetelijk in Brittaansch of gij geen Franoisch en kondet."
+
+Op dat oogenblik zag Fouke--Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij
+sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat
+doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand!
+laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien
+wij ongedeerd gaan kunnen."
+
+--"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw
+woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant
+kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten
+mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op
+Reinout toe en hadde een lancie in de hand.
+
+Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij
+ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde
+vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?--God
+helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar
+gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik
+zoude zeggen dat hij 't was."
+
+Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke:
+"Spreekt Franoisch!--de Booze moog dy verstaan! --Vaar heen en heb
+ramp!"
+
+Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet
+verslagen?"--"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van
+vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem
+verstaan: want hij is gekomen uit Brittanin." Toen stak Naymes zijn
+zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat
+'t paerd maar loopen mocht.
+
+Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en
+zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete
+woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide:
+"Spreekt Franoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale
+van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels
+naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt
+mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs
+andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind,
+maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij,
+van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn
+geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en
+maaksel."--"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want
+'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling,
+mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot
+zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil
+koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout
+daarme te dwingen--'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker
+hopende de kostelijke kroon te winnen."
+
+--"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde:
+"Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's
+Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed
+na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat
+wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te
+Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen
+heel Senlis, Blois en Amins." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit
+de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven."
+
+Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t'
+vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'--"Neen wij, Heer Koning!"
+antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een
+onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben
+zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen
+Amins en Orleans."--"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt
+wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des,
+en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost--ware 't dat
+mij Reinout ontkwame!"
+
+--"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe
+blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en
+Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of
+men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen
+zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!"
+
+Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort
+30 gewapende mannen.
+
+En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten
+aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn
+hoofd door het klinket[2], en zag daarbinnen een gewapend man staan;
+dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom
+doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat
+alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij
+al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten."
+
+Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!"
+Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik
+heb gehoord dat hij vr of achter is, en het sterk op 's Konings oneere
+heeft toegelegd."
+
+Bij Reinout stond een rabout[3], en zeide: "Zag ik ooit Reinout--zoo zie
+ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit:
+Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond
+dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor
+zijn borst, dat hij dood viel.--"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs,
+"'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide:
+"Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is
+witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een
+gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien
+jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden.
+
+Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en
+als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden
+werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden.
+
+Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong
+Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij
+Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo
+dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te
+wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en
+Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad
+in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien
+van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten
+had.--Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn
+Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die
+geen goed paerd en had, was verdrietig.
+
+Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en
+Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat
+zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet,
+deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone
+winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en
+geen geld daaraan sparen."
+
+Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God
+mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de
+kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al
+lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u
+kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad
+en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde
+stappen maken."
+
+Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te
+winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en
+brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter
+sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste,
+en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren.
+
+Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met
+zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere
+zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van
+Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te
+winnen, een groot eind voor.
+
+"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone
+winnen?--dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat
+gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers
+doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen
+moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning,
+werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat
+zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij
+dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft
+een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zo zeggen dat
+'et Beyaert ware."
+
+Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout
+verre vor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de
+staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de
+kroone wech.
+
+Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever,
+verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal
+ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is,
+wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout
+andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros
+zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld
+niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en
+geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit
+Reinout--zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn
+bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne
+kroone weder!" Reinout ze: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is
+mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze
+een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat
+Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van
+paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zo!... Dat
+mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!"
+
+Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast
+aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?"
+--"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!"
+
+--"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zo ons niet
+baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner
+tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning!
+gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn
+paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat
+hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij
+reden te zamen in Montalbaen.
+
+
+[1] '_'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen_: Reinout
+werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen.
+
+[2] _klinket_, ook _winket_ genaamd: hier een luikjen in een poortdeur.
+
+[3] _rabout_: slechte knaap.
+
+
+
+
+HET ACHTTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Koning Carel--Koning Ywein ontbood, toen hij Hof
+ hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne
+ broeders leveren zoude in Koning Carels geweld.
+
+
+Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de
+prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want
+Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij
+een andere kroone moest doen maken.
+
+Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem
+waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning
+Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten
+Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als
+de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en
+ging met hem in een duistere welf.
+
+Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en
+zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog
+wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was
+niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het
+goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van
+Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud
+beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat
+het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op
+een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning
+Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"--"Maar laat niemant van ons opzet
+vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam
+hij 'et, hij zo mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel;
+want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."--"Vreest niet," zeide
+Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet
+ontgaan om geen goed."
+
+Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale
+gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En
+Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere
+Heeren, en reed met haaste na zijn land.
+
+En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof
+aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning,
+"ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar
+Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer[1],
+gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder
+harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen,
+ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud."
+Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings
+woorden, want zij hadden het goud lief.
+
+Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel[2] van den heire."
+Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te
+volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na
+Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten.
+
+Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongin
+gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te
+vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter
+jachte te Bordeas in 'et woud.
+
+God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden
+mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch
+kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen
+op zijnen schilde.
+
+"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus
+bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat
+ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder:
+want wij hebben te lange gejaagd."
+
+Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van
+Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout
+uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse,
+mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede
+achtergelaten!"
+
+En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide:
+"Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te
+zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij
+zijn!"
+
+Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout
+dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein
+zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." --"Waarom hebt gij mij
+niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen,
+met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn."
+
+--"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen
+betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw
+boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt."
+Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van
+vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn
+leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom
+bieden? zal ik voor den Koning op de knin vallen?" Ywein zeide: "Gij
+zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken,
+wollen en barvoets."
+
+Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des
+ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn
+hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag."
+
+--"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300
+mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze
+mij en mijn broeders te hulp kwamen!"--"Dat en mag niet zijn,"
+andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alln derwaards trekken;
+gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt,
+dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van
+Arragon, zonder wapens in uwe kleederen."
+
+Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zo ik zoo in Vaucoloen
+varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein
+zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!"
+
+--"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide
+Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve
+vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt
+is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van
+onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn
+peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!"
+
+--"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en
+komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht
+mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een
+verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft
+in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in
+Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."--"Zo
+ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te
+Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen."
+
+--"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u
+zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel
+gewapend: zoo mag u geen kwaad geschin: want, acht! ik ben zoo zeer
+bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil,
+zoo gaat--gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo
+smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de
+vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn."
+
+Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen
+Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met
+uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf
+behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw
+peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen
+moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats
+vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als
+de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht
+bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan
+derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden
+heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!"
+sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik
+hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons
+geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij
+kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware,
+vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den
+voetval doen."
+
+Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen
+halen, en de mantels daar ze in rijden zouden.
+
+De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe;
+zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier
+zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zo niet
+gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van
+doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en
+verborg ze onder zijne kleederen.
+
+Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de
+Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam!
+
+Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et
+herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in
+dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."--, "Gij zegt
+waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en
+wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"--"Hoe is
+'t u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?"
+Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat
+ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!"
+
+Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft
+Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof
+wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen
+zeiden de broeders: "Reinout laat ons vlin, want Koning Ywein heeft ons
+verraden."--"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad
+niet zoude plegen!" zeide Reinout.
+
+Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien,
+en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de
+Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke
+was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den
+hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als
+hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw
+goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en
+binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen."
+
+Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord
+zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u,
+wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden,
+opdat ik den Koning te voet valle!"--"Ik zegge u, Reinout," antwoordde
+Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om
+20000 kroonen."
+
+Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den
+Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij
+God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever
+dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd
+hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout
+doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den
+muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie
+vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag,
+riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en
+hebbe geen nood."
+
+Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en
+gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn
+vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten
+goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij,
+broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte
+lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u
+schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt
+ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en
+anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn
+paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout
+aan.
+
+Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout
+met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de
+speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo
+vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst.
+"God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen
+voeren den Koning."
+
+Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig
+mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde,
+hebben zijn broeders elk een Franois van den paerde geveld en de rossen
+bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden
+wij--want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft
+ons verraden."
+
+--"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand;
+wijk ik heden eenen man--God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden
+stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en
+vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn
+broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags.
+
+Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder
+harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan
+de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal
+u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts
+broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de
+harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven
+zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze
+wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie
+broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om
+Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen.
+
+Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met
+veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout
+te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert
+gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond
+zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de
+waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert
+andwoordde niets.
+
+Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat
+Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging.
+
+Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen
+broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen --van
+Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en
+ontzetten hem!"
+
+--"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen:
+Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er
+af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle."
+
+--"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij
+lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem
+den Koning, die hem hangen zo, ware 't dat hij hem kon meester worden?
+Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat
+zo men zeggen?--'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning
+Carel strijden wilden: schande over hen--want de Koning heeft en
+broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!"
+
+Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd,
+dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht
+Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte[3]: zoo veel was
+Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert
+gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den
+stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen
+slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet
+ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u
+zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O
+genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai,
+Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn
+broeders: mij ziedy nu nimmer wer."
+
+Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam--niet als een
+mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze
+truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout
+zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn
+is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle
+dood."
+
+Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij
+nabij kwam in tween: doodde nog twee andere: de overigen boden geen
+weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en
+zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde
+blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!"
+
+Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter
+slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u
+voor God: gevalt het u wer--ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide:
+"Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef
+onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen:
+dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn
+weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem
+onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den
+zadel.
+
+"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen,
+den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u
+binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen."
+
+Maar Reinout was reeds wer bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke
+kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt
+mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep
+Reinout.
+
+En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en
+zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat
+heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om
+niet: hij heeft 'et met de dood bekocht."
+
+Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed
+op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij
+van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee
+rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak
+hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk
+om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en
+vochten als deze broeders deden.
+
+Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren
+konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en
+hij viel in onmacht.
+
+Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder
+Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide
+Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave
+Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde.
+
+Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den
+dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder!
+
+Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert:
+maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur
+niet wederstaan en konden.
+
+Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep
+met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders
+volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de
+rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen.
+
+Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel
+steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe,
+en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo
+snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij
+bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk.
+
+Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig.
+
+Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns
+Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij--lieden moogt u wel klagen
+vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne
+helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u
+niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag."
+
+Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier:
+"O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"---"Calon, gij liegt
+daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader
+wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds
+geboet."
+
+De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet--gij zoudt
+verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet
+langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet,
+ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer
+betichtet met verradenis."
+
+De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige
+stede getrouwelijk gediend--maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg
+u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze
+den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo
+wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog
+langer strijden."
+
+--"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards
+doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis
+pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse
+trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem
+verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave
+heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?"
+
+--"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders
+begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een
+vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier--want, zoo helpe mij God!
+ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen
+zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar
+mij leed."
+
+Ogier zag Reinout met zijn broeders op de knin liggen, en zeide:
+"Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide:
+"Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide:
+"Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't
+ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons
+nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem
+dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den
+verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu
+zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien
+mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft
+hij aan mij!"
+
+Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt
+deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u
+geleiden!"
+
+Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als
+hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen."
+Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik
+niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben
+hier hooger zake: dunkt het u goed --ik zal vertrekken, en gij zult met
+uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven
+willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg,
+wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik
+zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag."
+
+Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en
+Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken.
+
+Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was
+belegerd--had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer
+lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten
+bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij
+onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en
+vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had.
+
+Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de
+burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot
+den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want
+Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel
+een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger."
+
+De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout
+zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond
+ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een
+berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij
+blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd
+met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de
+dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar
+hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt
+gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet
+verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk
+slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw
+wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht
+Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging
+Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in
+den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert--Madelgijs zag, sloeg hij
+naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert
+te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel,
+dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede,
+greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste
+voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij
+'t niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs,
+op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat
+du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo
+veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven
+verliezen, is 't dat du niet en helpst."
+
+Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs.
+
+Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem
+met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend
+was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke
+speer in de hand, en reed na Vaucoloen.
+
+Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel
+voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs
+konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen
+dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen;
+en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit.
+
+Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls
+aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en
+mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij
+konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden
+alle de dood voor oogen.
+
+Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs
+komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep
+hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft
+groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs
+alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons
+thands wel uit de nood helpen!"
+
+Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout
+hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide:
+"Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar,
+mocht ik Beyaert zien--ik ware gezond."--"Ik zie hem komen, broeder!"
+andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem
+herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht
+slaan."--"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier
+hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste."
+
+Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en
+Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen,
+en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal,
+daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder!
+ik voel mij genezen."
+
+Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem
+wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen
+zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader,
+dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn
+op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet
+helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!"
+
+--"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied,
+ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat
+hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat
+hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn
+zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en
+liep ter rotsewaart.
+
+Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik
+heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan
+hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en
+weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied."
+Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave
+Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij
+dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen
+en voeren ze tot Koning Carel."
+
+[Illustratie: Helpt mij, dat ik sta!]
+
+Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse
+gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn
+dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet
+wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede:
+maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den
+zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout.
+
+Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een
+goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen
+zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend,
+"gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf
+'et de sporen en reed te rotsewaart.
+
+En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees
+wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert
+zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij
+en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen
+op den vijand in.
+
+Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs
+mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen
+komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk
+achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout
+had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk,
+en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider
+stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen
+ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook
+Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen.
+
+Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met
+felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den
+paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen Franois 'et hoofd van den
+lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de
+Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Franoisen ofte
+Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk
+behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs
+verlost.
+
+Als Ogier zag, dat de Franoisen verwonnen waren en uit den velde
+vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk,
+en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen
+lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water
+ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen
+al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete
+woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de
+genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener
+gifte: laat hem zulke zoudeniers mr zenden; wij zullen hunne zoldij
+wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer
+eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt
+gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en
+Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen.
+
+"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder
+'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder
+erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu
+eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet
+haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout
+brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij
+aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen
+hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs
+gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen.
+
+Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs
+'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld;
+hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na
+dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een
+klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne
+misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij
+Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks
+vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote
+strengheid.
+
+Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen.
+Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer
+komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer!
+zijt wellekom."--"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber;
+"maar zegt mij--waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn
+broeders verraderlijk wo doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend:
+"Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik
+gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij
+bedreven heeft."
+
+Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij
+wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan,
+dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000
+kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn
+oogen; dat ik u niet meer en zie!"
+
+--"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy
+in mij zoo strengelijk te straffen!"--"Voorwaar, broeder!" zeide
+Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet
+voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons
+me weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp.
+Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen,
+broeder--welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en
+ziet."
+
+Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de
+verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en
+Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van
+Yweins verraad niet meer gesproken werd.
+
+
+[1] _zweer_:(hier) schoonvader.
+
+[2] _Constapel_: opperbevelhebber.
+
+[3] _een mijte_: worm, niets.
+
+
+
+
+HET NEGENTIENDE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe
+ de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis
+ opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter,
+ dien hij in 't perk versloeg.
+
+
+Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met
+haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De
+Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop
+vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt
+gij mij Reinout gevangen?"--"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier;
+"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout
+met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft
+verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager;
+hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen
+mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et
+mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht
+Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."
+
+Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb,
+zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."
+
+--"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen,
+zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant
+herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide
+Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude
+den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve
+Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat
+Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een
+verrader is."
+
+Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den
+handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden.
+
+"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige
+zweeren."
+
+--"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger
+ben;" en hij lede zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij
+Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis
+gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel
+waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere
+geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes:
+"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan."
+
+En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet
+aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel
+vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij
+zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik
+zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en
+dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren.
+Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met
+zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er
+dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met
+hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vlin, door
+'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet
+medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!"
+
+Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier
+opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid.
+
+"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de werpartij, "dan
+moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel,
+den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u
+slecht vergaan: ik neem u 'et leven."--"'k En vrees u niet, Wouter!"
+antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den
+slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies[1] vrees ik u.
+Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en
+deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen,
+en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden
+slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf
+Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de
+schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier--Koning Carels
+kampvechter, die hem de verradenis zo doen bekennen, te Vaucoloen door
+hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en
+wierp 'et uit den krijte.
+
+"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held.
+"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot
+den Koning gaan!
+
+En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel
+sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de
+fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man.
+God en Sint-Jan helpe mij--Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten
+eersten slage sloeg hij hem dood!"
+
+"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis
+bewijzen? Bij den Heere van Nazareth--ik en dede er nimmer! Maar uit
+Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had
+ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen
+ik, Heere--ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed."
+
+Toen zwoer Roelant hij zo Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem
+vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik
+verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van
+Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800
+Ridders zal ik u volgen--waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de
+koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en
+neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij
+Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!"
+Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van
+groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van
+Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in
+Gascongin, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en
+maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen.
+
+Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongin. En als zij in het
+land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein
+zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en
+is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven
+lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer,
+en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de
+Historie.
+
+En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk.
+Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag,
+deed hij zijnen zwageling[2] Reinoude, door een goeden bode, vragen,
+'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die
+Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen,
+dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om
+ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant.
+Gevangene van Reinout wilde hij zijn--ja, want hij hadde zelfs, door
+zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend.
+
+De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de
+zake, die hem opgedragen was--maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat
+het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!"
+
+Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind
+heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het
+kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere,
+waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te
+boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is
+terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als
+men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze
+woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der
+mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne
+vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al
+spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad,
+omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt
+op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met
+zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem
+levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven."
+
+De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem
+oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen.
+
+Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich
+zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun
+Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud
+gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar
+mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden
+mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij
+goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te
+Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed
+bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in
+vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et
+u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk
+nader."
+
+Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen
+de Franoisen te goed: zij zijn boos en fel: alln zult gij er niet
+heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden."
+
+--"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en
+aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met
+gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster.
+
+Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het
+klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft
+overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem
+zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar
+hij hem op staande voet zo hangen.
+
+Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve
+neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn
+kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons
+nimmermeer verrade."
+
+--"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk
+God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!"
+
+--"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader.
+Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik
+zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren--waar men
+hem nimmer uit werziet!"--"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om
+niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein
+hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"--"Gij en zult niet,
+Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik
+daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus
+liet ombrengen."
+
+--"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem
+aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"--"Bij Sint-Jan,"
+sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal
+ophangen! 't Kwame hem te schande."
+
+--"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van
+'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein
+hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf
+Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord
+aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em
+Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er me wech. Ook de Grave
+Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot
+leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen
+had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde:
+"Ik ben het niet."
+
+--"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout
+"Ongelijk zo deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met
+Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zo ik er 'et leven
+afbrengen! Maar, Sint-Amant[3] helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik
+keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter."
+
+--"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij--ge zult hier
+ter stede mij vinden."--"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e
+hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat
+hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen)
+om daar een kamp jegens hem te vechten.
+
+Roelant keert zo met eere tot de Genoten.
+
+
+[1] _bloemknop--bies_, zoo veel als niets.
+
+[2] _zwageling_: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon.
+
+[3] _Sint-Amant_: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop van
+Maastricht (VIIe Eeuw)
+
+
+
+
+HET TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout
+ kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen:
+ maar de Genoten belett'en 'et.
+
+
+Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em
+dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"--"Zwijg, God
+schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij
+bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar
+Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw
+over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."--"Zwijg,
+verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner;
+"Roelant is gram."
+
+--"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom
+zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't
+Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zo hij naar u vragen: wat
+mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?"
+
+--"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik
+Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd
+heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den
+held tot rekening gedaagd."
+
+--"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen
+gezworen--zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen.
+Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen
+kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord:
+wordt Reinout van u verslagen --gij zult 'et geen drie dagen overleven.
+Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven."
+
+Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van
+Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen:
+zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd
+betoonen kan!"
+
+--"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn
+doen geen bloemknop geve."
+
+En Ritsaert van Normandi, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van
+Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood--ware 't dat hij Reinout van
+Montalbaen versloeg.
+
+"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik
+hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik
+tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik
+liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van
+den eed ontslagen ben."
+
+--"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge
+moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van
+Montalbaen--zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et
+krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met
+hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo
+zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet
+wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in
+Vrankrijk voeren."
+
+Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier
+geslagen--zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den
+kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt."
+
+Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar
+Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem
+zijner Vrouwe.
+
+Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen:
+"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en
+leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van
+Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit:
+"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in
+Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen
+verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land
+verwierven."
+
+Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren
+zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op
+staande voet, alleen naar Beurepaer."
+
+--"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy
+doen te Beurepaer?"
+
+--"Adelaert!" ze Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een
+kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!"
+
+--"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal
+ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan
+worden--wijl hij der besten en is, die ooit de zonne bestraalde. Bij
+den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem--gij zijt dood, en
+wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde:
+"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter
+waereld--al dacht ik er dood te blijven."
+
+Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends
+Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs;
+"God behoude en bewaar u--maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal
+hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het
+perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood--men zo er groote schande van
+spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!"
+
+Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en
+de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout me te varen.
+
+Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil
+niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar
+alleen."
+
+Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij
+Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan.
+Hij ontwapende zich en le zijn harnas op zijn schild.
+
+Toen viel Reinout op zijne knin voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en
+zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik
+bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in
+mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn
+Ros Beyaert uit erkentenisse."
+
+--"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik
+u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen,
+omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt
+gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe
+uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet."
+
+Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en
+ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de
+spere in de hand.
+
+Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van
+Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met
+mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en
+staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel
+met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout:
+"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet
+van al mijn leven."
+
+De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die
+hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en
+ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande,
+die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van
+een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd
+Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het
+is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De
+Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun
+dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen
+koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag."
+
+--"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en
+nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te
+gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit
+ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik
+vlin: God geve u hoon!"
+
+De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij
+spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote scha gedaan, toen
+gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant
+zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk![1] opdat ik de schande op u niet
+verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen,"
+zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was,
+dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen,
+dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig Franois 'et lijf zo behouden
+hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en
+Reinout reed naar Montalbaen.
+
+
+[1] _schalk_: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend wat laag,
+vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is.
+
+
+
+
+
+HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning
+ Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs
+ uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden
+ ontvoerde.
+
+
+Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et
+wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen
+dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het
+Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar
+de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs
+nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij,
+"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning
+Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en
+toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar
+Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar
+Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er
+hand vloog.
+
+Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij
+droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige
+handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter
+nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar
+Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer
+ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!"
+
+Zoo voerde Olivier--Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot
+hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de
+Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier,
+mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels
+ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs
+gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer
+Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde
+de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij,
+"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon
+Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid
+onttogen!"--"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal
+geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"--"Gij zegt waar," sprak de
+Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!"
+
+De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat
+men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte
+Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de
+Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning,"
+hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."--"Wie zo
+zich voor u borge willen stellen," ze de Koning, "wie mijner Edelen
+voor u!"
+
+Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt
+gij mij borge wezen tot morgen!"--"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et
+willig."--"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en
+mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog!
+wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde
+mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit
+niet tot oneer gedije." --"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet;
+met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage."
+
+Dan loeg de Koning en sprak: "Laat hem, bij zulke borgen!"
+
+Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De
+Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten,
+hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den
+haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs:
+"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene
+spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem
+hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs,
+ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat
+dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij
+aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden:
+"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"--"Geen blijder man dan ik!" zei
+Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval
+zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zo; men sloot hem
+in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier
+kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer
+de nacht verloopen is."
+
+Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de
+Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar
+Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur
+en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren.
+
+Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem
+af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de
+deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en
+nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en
+nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en--vlood naar Montalbaen.
+
+Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van
+al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep,
+overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan
+eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en
+kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help,
+moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een
+schandigen dood!"
+
+Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot
+Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord
+had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is
+dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave
+Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg
+in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns
+ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat
+niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den
+weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat
+hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt
+mij wie du bist, of zoo helpe mij God!--ik slaag die met den zwaerde dat
+du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert
+reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout,
+hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep
+Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde
+u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan
+spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den
+Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad
+den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij
+toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men
+legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten
+de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in
+des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage
+onder den mantel."
+
+--"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!"
+andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."--"Oom!" zei Reinout, "dat
+is niet wl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!"
+
+--"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem
+voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!"
+
+Dan dede Reinout--Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot
+Montalbaen.
+
+Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich
+haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn
+Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en
+dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem
+ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de
+Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit
+den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet
+meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun
+zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar,"
+spraken zij, "God geef hem schande!"
+
+De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zo laten zoo
+lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven
+mocht.'
+
+
+
+
+HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Koning Carel-Montalbaen belede, en hoe Reinout in
+ eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide.
+ En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen,
+ Koning Carel haren broeder te voet valt.
+
+
+Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir,
+en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleden. Roelant zond een bode
+tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd,
+wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij
+Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem
+tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet
+groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als
+Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve,
+dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem
+verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot
+zoen willen helpen bij Carel den Koning."
+
+Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij
+trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen
+hem liet verzoenen.
+
+Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord:
+"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij
+belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat
+zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen
+neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt:
+want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en
+betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer
+wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te
+geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen,
+kunnen strijden."--"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de
+Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe
+met hen wat mijne eere van mij eischt."
+
+--"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap
+Haymijns kinderen en hope te slagen!"
+
+--"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode
+zijt."
+
+--"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," ze
+Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet
+men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale.
+Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen.
+Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege
+den Koning."--"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij
+eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen
+gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig
+voorbehoud."
+
+--"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en
+goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig
+nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve
+mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen
+ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag
+hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee
+en verre op de heidenen." --"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap
+wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed."
+
+Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en
+deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten.
+Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel
+bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings
+heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag,
+wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000
+mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten
+Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere;
+als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw
+leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning
+komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd
+Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met
+gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven,
+hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de
+Franoisen verdoen wij heden!"--"Schande moog u treffen!" riep de
+Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros
+onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs wer
+op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo
+dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde.
+
+Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat
+Haymijns kinderen hem ontreden waren.
+
+De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde.
+
+De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zo een
+parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken,
+en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten
+laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode
+tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden
+zo, om van den peis te handelen.'
+
+Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog
+ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet:
+"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice,
+mogen u hoeden."--"Reinout," ze de Koning, "laat staan de groete; hoe
+veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"--"Ik wil 'et boeten, Heer
+Koning!" gaf Reinout ten andwoord.
+
+De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan
+zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot
+zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij
+waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier
+nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten
+parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd
+afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op
+Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op
+'s Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten
+parlemente te komen."--"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn,
+"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem
+raden Reinout met valschheid te vangen.--Heer Koning," sprak hij verder,
+"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders
+tegen u verzoend worden."
+
+Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de
+moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde,
+te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en
+toog naar Montalbaen.
+
+Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam
+uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen
+malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den
+Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant,
+Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te
+paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht
+viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's
+Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert
+weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen
+van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk
+om zich heen, dat hij wer te paerde kwam. Toen reed Salomon van
+Bretagnin tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander
+zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit
+zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op
+Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde
+Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit
+hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?'
+
+De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag
+Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den
+paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij
+Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan."
+Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op
+zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben,
+maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen
+sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts
+volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten
+onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij
+vlin! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en
+Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in
+'et kasteel gedreven.
+
+En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden
+nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u
+berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve
+medegaan!"--"Hoe? gij truwant[1], zoude ik dan met u gaan?--Beliegt gij
+mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te
+Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel
+Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt
+daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden
+voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."--"Wildy nu
+van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik
+gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult."
+Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal
+goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te
+Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge
+zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te
+waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij
+'et lichtelijk doen kon'.
+
+Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de
+banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's
+Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen
+aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit
+half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte
+dat wij reeds op de vaart derwaards waren."--"Gaan wij dan," zei
+Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den
+Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne
+magen; en lede den Koning in een schoon bedde.
+
+En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik
+geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is
+dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik
+meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij
+geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar
+te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene
+hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer,
+daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor
+zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit
+heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem
+hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne
+knin, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit
+hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen
+sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout
+beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij
+den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven."
+
+Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy
+wel."--"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet
+ik des hier sterven, kwade dief--gij zult er vermaledijd om zijn; want
+met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide:
+"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt."
+
+Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik
+u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen.
+
+Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan--ik zal mij beraden met
+Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet,"
+zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning
+van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in
+zijn tente kwam.
+
+Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem
+minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning
+zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert
+wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder
+tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit."
+
+Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout,
+en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings
+gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes
+komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom."
+Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen,
+dat gij tot hem komet--gevangen."
+
+Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken --wij
+zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel."
+
+Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide
+hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven
+schenken'--zij komen gevangen af."--"Hoe!" zeide Carel; "ischen zij iet
+van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want
+zij en hebben geen victualie."
+
+De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te
+bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig.
+Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert
+dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood
+van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert
+niet!"
+
+--"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door
+honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren
+raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met
+ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert
+aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede."
+
+Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de
+Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun
+paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn
+zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen
+laten vergaan van honger?"
+
+Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en
+bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden[2]
+geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad
+gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't
+voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe.
+
+De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap[3] voor Montalbaen.
+
+En die op de muren stond--zag, dat de Genoten hun engienen[4] sterkelijk
+stlden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te
+bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier,
+Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij
+ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon
+Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor
+langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij
+tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven.
+
+Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten
+geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen
+veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om
+geen goed gegeven hebben.
+
+Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen
+ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen:
+daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons
+wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier
+alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het
+beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered."
+
+Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden
+woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe
+Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden
+heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen
+mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en
+zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij
+te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de
+Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden
+Haymijnskinderen te gemoet.
+
+Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat
+hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef
+steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door
+zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken
+was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende:
+"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met
+sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij
+zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed.
+
+Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel
+van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et
+dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter
+poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout
+was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn
+broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te
+eten was.
+
+Hierentusschen is Koning Carel--Reinout met zijn volk onvermoeid
+gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk
+belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en
+zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn
+vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo
+dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan--kan ik dit Ros machtig
+worden--ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner
+kroone.
+
+[Illustratie: Ten leste zonk het Ros]
+
+De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij
+spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen
+hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil
+t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende
+minlijk liet gaan!"
+
+Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des
+Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden
+met hem te hebben, en reed weder naar het heir.
+
+Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare knin en
+bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij
+Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook
+alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet
+verzoenen.
+
+En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot
+genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die
+hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft--en mij toelaten daarme
+naar welgevallen te handelen--zoo mag hij tegen mij verzoenen--en anders
+niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij
+trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven
+wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst;
+zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen
+mogen."
+
+Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met
+groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des
+Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had,
+zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De
+broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan--maar welhaast barstte
+Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige
+dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede,
+droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere
+broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig:
+"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik
+Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is
+onze Koning--en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag--wij
+mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et
+Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken
+hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den
+Koninge Beyaert geven zoude.
+
+Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft
+hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat
+hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen me handelen
+zoude--maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem
+misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'--"Mij dunkt," zeide de
+Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang
+gewacht."
+
+
+[1] _truwant_: lage knaap, bedelaar.
+
+[2] _blijden_: steenwerptuigen.
+
+[3] _reedschap_: instrumenten.
+
+[4] _engienen_: machines, krijgstuigen.
+
+
+
+
+HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.
+
+
+ Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en
+ hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe
+ Reinout een heremijt werd.
+
+
+Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met
+zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot
+de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed
+hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele
+verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft
+Reinout--Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer
+Koning, doet er mede naar uw welgevallen."
+
+En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee
+molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse,
+en werpen in de rivier.
+
+Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar
+terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout;
+toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden
+braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij
+naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert
+wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning
+dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals
+twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en
+liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn
+muil.
+
+De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel
+zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen
+vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout--geeft gij
+den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om
+een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo
+helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy
+gehad; met slechten loon wordt gij beloond!"
+
+Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende:
+"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd
+hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het
+gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout
+wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen
+verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet
+omzien zoude na Beyaert.
+
+Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote
+molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere;
+toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder
+boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een
+mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid
+hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't
+gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen.
+
+Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als
+sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te
+Montalbaen.
+
+Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en
+waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog
+bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit
+hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze
+van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en
+was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide:
+"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en
+volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, belede ons in Ardennen, en
+vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen
+zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene
+zo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede;
+aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert
+verdrinken."
+
+De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert
+zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en
+mochten hem en zijner machte niet wederstaan."
+
+Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten
+zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als
+hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken
+tot den voeten. Geen Ros, zo hij na Beyaerts doode meer beschrijden;
+geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden!
+
+Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen,
+door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar
+hem niemant en kende.
+
+Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar
+nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide:
+"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en
+wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste
+man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig
+jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk
+doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar enen wensch: dat ik mijn
+zonde konde biechten en boeten--want mijne misdrijven benauwen mij
+onlijdelijk."
+
+De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk
+gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de
+zonden laten en niet meer doen--zoo valt dan op uw knin en bidt God
+oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig
+einde moogt brengen."
+
+Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den
+Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo
+zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite
+tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik
+blijve dood van koude en van honger, want mijne kleren zijn aan
+stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken."
+
+Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide:
+"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien."
+Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van
+koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God.
+Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide,
+dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na
+den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit
+hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende:
+"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken
+zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't
+Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen
+verloren hebben."--"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want
+wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode
+voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem.
+
+Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met
+weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten
+derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte
+dat hij daar wl op rusten zo; want de nacht overviel hem. En als 't
+begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat
+hij kwam in Sinte Jores' Braes[1]; daar vond hij schepen en voer in het
+land van den Islamme[2]. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat
+hij kwam in de haven van Tripoly.
+
+
+[1] _Sinte Joris' Braes_: Bras de St George, de Dardanellen.
+
+[2] _Islamme_: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet Stamme, het
+duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda.
+
+
+
+
+HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en
+ hoe Madelgijs bij hem kwam, n hoe Madelgijs dood bleef
+ in het beleg van Jerusalem.
+
+
+Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een
+nieuwmare kwam, dat Tabari belegerd en Akers in grote zorge was, en dat
+er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee
+waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de
+steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen
+op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim
+had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken
+geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te
+ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te
+voorkomen.
+
+En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen,
+werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knien
+en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij
+anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de
+Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit
+zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en
+twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom,
+dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde.
+Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van
+Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch
+schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen.
+Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout
+nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild.
+Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig
+Sarazijn mede doodsloeg.
+
+Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder,
+liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht
+zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de
+Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich,
+en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den
+heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de
+Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden.
+
+En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam
+van zijn oom Madelgijs.
+
+Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete
+over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen--de Christenen
+bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen.
+Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem
+kwam eene stemme van Godes wege, die hem oplede, "dat hij zoude gaan en
+helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar
+komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner
+konste en van zijner Godsvrucht.
+
+Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem
+getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden
+doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij
+den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren
+de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen
+de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd
+heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele
+land.
+
+Uit het land van Syri, van Tripoly en Antiochi vloeiden de scharen
+bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij
+elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van
+Syri gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de
+belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten
+leggen, om elken verderen uitval te beletten.
+
+Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten
+manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei
+krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk
+werden gesteld.
+
+De Soudaan van Babyloni daarbinnen deed echter met mangneelen en
+blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen
+in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen.
+Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig
+Christen sneefde daar, die te dier tijd vr de stad de Turken kwam
+bevechten.
+
+In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en
+vochten al d' andere vr. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en
+Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel[1]
+zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij
+heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van
+zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den
+Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In
+zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere;
+"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!"
+
+En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God
+t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme
+in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem
+al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs.
+
+Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen
+vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf,
+stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom
+Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de
+stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls
+in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen
+raad: wilt gij de stad winnen --laat ons dan wegen en poorten naauw
+bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van
+spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad--en anders niet." Deze
+raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke
+poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas.
+
+Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren,
+werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te
+helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan
+victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan
+gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den
+strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met
+hulpe van Mahomet en Apolijn."[2] De Soudaan gaf toe, en de Turken reden
+uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag:
+zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere
+afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter
+weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen
+er vele; vele gaven er zich gevangen.
+
+Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun
+heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef
+alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die
+binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende
+zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar
+Reinout vr lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan
+en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden
+was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en
+hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn
+staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit
+ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!"
+
+Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan
+hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met
+mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet
+vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met
+den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep
+de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten,"
+'t welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij
+mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep
+Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan,
+dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze
+in zekerheid.
+
+Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem.
+
+En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn
+lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen
+gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan
+hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des
+Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'--"Wat mij
+betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout.
+Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden
+den Soudaan gevangen.
+
+Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van
+wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en
+Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van
+Jerusalem, en viel voor hem op zijn knin, en bad hem, dat hij hem zijn
+zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf
+hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot
+mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden
+van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren.
+Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de
+Edelsten van den lande.
+
+Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor
+wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsilin. En als
+zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande
+zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen,
+die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout
+aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en
+ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't
+schip.
+
+Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor
+Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde
+hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen
+hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen
+Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis
+voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic
+van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij
+wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning
+lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit
+goeden raad.
+
+Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en
+zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt
+bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam,
+waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging
+en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk
+gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en
+zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is
+gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten
+Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom
+gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze
+verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad.
+Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade
+gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom
+willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den
+Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten
+heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij
+van zijn vader zo gehad hebben--daarom willen wij den Koning zeggen,
+dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij
+mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en
+Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij
+over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant mr
+gehoord?'--'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf
+lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittannin,
+Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn[3].' Toen Koning Carel dit
+hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zo doen vangen.
+Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken.
+Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem
+'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem
+verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit
+der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn
+leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den
+Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide:
+'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook
+alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen
+wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en
+met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving.
+Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'--'Ik stem daarin,'
+zeide Guweloen."
+
+Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij
+was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend.
+
+
+[1] _quareel_: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten.
+
+[2] Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als Sarazijnsche
+afgoden voor.
+
+[3] Dr. Mannes leest _Herclijn_; de vl. uitg. heeft _Hebron._
+
+
+
+
+HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en
+ Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot
+ zwaren arbeid vernederde.
+
+
+Reinout ging tot Koning Carel, en stond vr hem als een arme pelgrim.
+
+"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van
+over Zee en van de stad Jerusalem?"--"Heer Koning!" andwoordde Reinout,
+"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem
+veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen
+van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg
+"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout
+geweest; die hebben den Turken zoodanigen werstand geboden, en der
+vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch
+Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of
+hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning!
+hij, naar wien gij vraagt, staat vr u als een arm man."
+
+Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en
+ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten:
+maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren
+droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen
+aantrekken, en bewees hem groote gunste.
+
+En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en
+vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder
+waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich
+voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout
+dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader,
+moeder, en zijne broeders niet wervond.
+
+Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp,
+dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet:
+God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet
+verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat
+zij kampen zouden.
+
+Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een
+goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad
+van Parijs.
+
+Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner
+spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde
+held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden
+vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden.
+Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar
+kwetste Galeran niet.
+
+Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde.
+"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij
+zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een
+ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de
+handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij
+zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd,
+waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den
+strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert
+stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde
+Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Btist niet, Heere!" Met-een heeft hij
+het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere
+zes malin af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen
+sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en
+sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en
+het loon kreeg voor zijne valschheid.
+
+En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen
+slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer
+voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran
+aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit
+zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer
+in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil,
+dat men dit wel versta!
+
+Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen,
+en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan
+met den Koning.
+
+Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij le het scharlaken
+af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en
+schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van
+daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech
+in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.
+
+Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den
+ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der
+wegen droeg hij hout aan, en mortel[1] en steen, en was de minste onder
+de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om
+geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der
+fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den
+gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.
+
+
+[1] _mortel_: ciment.
+
+
+
+
+HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en
+ diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen,
+ en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden
+ werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam.
+
+
+Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten
+jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint
+Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards
+timmerlin en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen.
+
+Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad
+kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De
+werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden.
+Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde.
+
+De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote,
+mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zo
+kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen
+wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen
+eenen penning!"
+
+Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij mr verdienen zult: wilt
+gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen
+daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga--'k en wil zoo veel
+niet winnen."
+
+De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal
+ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken."
+
+--"Heere," zeide hij, "dat doe ik!"
+
+En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alln steenen aan, die ze met
+hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden.
+
+Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar
+enen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alln
+meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u
+in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen
+eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te
+dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne
+gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te
+bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar
+en gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en
+sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds
+was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de
+meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe
+hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem
+zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude
+zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman."
+Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest--hij
+zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking.
+
+Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en
+het werk schier alln deed. De meesters, hoogst voldaan over hem,
+vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een
+onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van
+kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen:
+"Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal
+hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den
+steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."--"Ik weet
+beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf
+mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen
+gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij
+hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem
+in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan."
+
+En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten
+tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed,
+bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen
+hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water--nochtans en mocht de
+last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden
+waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf.
+
+In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had
+'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde
+lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was,
+en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord
+was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij
+genezen.'
+
+De vrouw ontsprong[1] met dien visioene en dede zich kleeden, en op den
+Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar knin, en
+zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te
+voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot
+den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten
+waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten
+laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en
+zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken,
+en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te
+luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken
+om de ware oorzaak te vernemen.
+
+Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een
+mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een
+devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is
+genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met
+cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte
+der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles
+gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den
+zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen
+die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het
+lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken
+gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven
+werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van
+Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar
+bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die
+bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door
+uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden
+geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren--wist ik wie u
+verslagen hadde, ik zo hem den Koning zenden!"
+
+Als die van Dortmunde[2] dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en
+vielen op de knin voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun wo
+geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner
+gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk:
+"Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor
+hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een
+karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de
+paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de
+kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na
+den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet
+wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde,
+'twelk menig mensch zeer verwonderde.
+
+De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom.
+En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes,
+Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken.
+
+
+[1] _ontsprong_: stond op.
+
+[2] _Dortmunde_: stad in Westfalen.
+
+
+
+
+HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.
+
+
+ Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed
+ boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den
+ Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen
+ kwam.
+
+
+De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel
+aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen
+was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij
+uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van
+zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij
+zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.
+
+Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen,
+en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden
+van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den
+Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning!
+wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en
+niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden
+wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar
+ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo
+jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat
+zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk
+terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning
+Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan
+Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in
+den Rijn.
+
+Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig
+waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te
+Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok
+na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de
+Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was.
+Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien
+'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad:
+"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van
+den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder
+menschen hulpe--dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel:
+"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit
+hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et
+lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag
+daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn
+broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als
+de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij
+hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het
+lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote
+rouwe en misbaar.
+
+En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.
+
+Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in
+'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest!
+Amen.
+
+Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout
+Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.
+
+
+
+
+WILLEM VAN ORANJE.
+
+
+A. D. 806.
+
+
+ "Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs!
+ "Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs.
+ "Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten--
+ "Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten.
+ "Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt:
+ "De voortijd maakt ons in zoo vl reeds beschaamd;"
+ Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus,
+ Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.
+
+ "Maar wie zal...?"--Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;.
+ "Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man!
+ "Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder,
+ "Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder,
+ "En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen me.
+ "Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-Andr
+ "Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden....
+ "Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.
+
+ "Geef gij aan den broeder het noodige geld!"
+ Nu dit hem met-een in de hand is geteld,
+ Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden,
+ En was ook al gaauw uit het klooster gereden.
+ Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort.
+ De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord....
+ Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren....
+ Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren.
+ Zoo'n kloostergeleerde--'t staat vrmd op een paard!....
+ Die staljongen--is zonder grnd niet vervaard;
+ Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)
+ Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek.
+ Zoo denkt ge!--maar och, hoe bedriegt soms de schijn!
+ Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!--
+ Al lijken de kappen een haar op elkander,
+ Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.
+
+ N rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch;
+ Twee korfjens, een knaap, voert hij me op zijn ros;
+ Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede
+ Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.
+ Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst--
+ Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht
+ Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden--
+ Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden--
+ En de vuist, die den slappenden toom soms vervat--
+ En de knie, die zich spant en het bergachtig pad
+ Den klepper op nmaal soms over doet schieten,
+ En springen en waden, waar beektakken vlieten
+ Of heester en kloof hem den weg soms verspart--
+ Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.
+
+ Geen wonder! geen wonder!--de bode, die heden
+ Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden,
+ Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard;
+ Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard
+ Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje:
+ Dat schild--was het wapen van 't Prinsdom Oranje.
+ Oranje! geen held onverwinbaar als hij!
+ Een Roelant-allen streft dees Willem op zij.
+ Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven.
+ Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven.
+ Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp--
+ Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp:
+ Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen,
+ Herroepend zijn helden:----Geen dooden, die hooren!
+ Oranje!--steeds galmden de harpen zijn naam!
+ Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam!
+ De dichters, na eeuwen, werhielden hun tongen--
+ Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen!
+
+ Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn
+ De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn:
+ Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen.
+ Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.
+
+ 't Is lang gelen!--hij had, na felgevochten strijd,
+ Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.
+ Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne,
+ Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhne.
+ Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er ner;
+ Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir,
+ Dat op de wallen van de leggeroofde veste
+ Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte
+ De stoutste plonderaars te levren in zijn hand
+ En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band,
+ Om wien de hoofden, prachtige edellin, zich schaarden
+ Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden
+ Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door
+ Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor,
+ Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have,
+ Naar wellust martlen wo, den jongen Christen Grave
+ Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht--
+ Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht.
+ En de Emir, dol van spijt, doch met betomde woede
+ De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede
+ 't Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees;
+ 't Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees
+ "Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade
+ "Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade!
+ "Uw woord tot onderpand--en, om mijns Heilands wil,
+ "Ontboeit hem, knechten!"--Maar op eens, wat luide gil!
+ Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen;
+ Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren;
+ De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat,
+ Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat
+ Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen,
+ Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen,
+ Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros.
+ En barst in dank op dank en tranenstroomen los.
+ "Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten!
+ "En wat de vader deed--ik wil daar ng voor boeten,
+ "Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed
+ "Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet
+ "Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behoun?...
+ "O, vraag een losprijs!--dat mijn harte moog vertrouwen!"
+ --"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert,
+ "Die mij mijn vijand leert beminnen--die begeert
+ "'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden
+ "Der dochter wergeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!"
+ Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst:
+ Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst.
+ En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden--
+ Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden
+ Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met tere stem:
+ "Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?"
+
+ O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven
+ Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven.
+ Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot:
+ De God van Willem werd der teedre maged God:
+ En--knielend voor den troon van Keizer Charlemanje,
+ Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.
+
+ Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel
+ Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel,
+ Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden,
+ Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden
+ In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag!
+ Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:--de volle dag,
+ Zijn glonde heilzon, keert in middernachtlijk duister:
+ Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister
+ Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetren--
+ Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen!
+ Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!...
+ Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen;
+ Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast....
+ Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast
+ Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte
+ En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte.
+ Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint,
+ En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt.
+
+ "Heer!--Heer!--hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch?
+ "'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis,
+ En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten
+ De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.
+
+ "Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man,
+ Zo zijn wij het bosch uit----Ons valt men niet n:
+ "Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren;
+ "Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren.
+
+ "Gedraafd en gezongen met vrolijken zin!
+ "Dan halen niet eens die kornuiten ons in."
+ --"Heer ... 'k durf niet;... maar--daar gij 'et wilt--zal 't gebeuren."
+ En bevend begon hij een lied jen te neuren.
+
+ Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch
+ Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!'
+ Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen,
+ Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.'
+
+ En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft,
+ Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd.
+ Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden,
+ Die ginds langs het lover de takken ontblaarden:
+ Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach
+ En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag
+ Den een na den ander een zevental ruiters,
+ Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters!
+ "Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht,
+ Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht.
+ En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mmt:
+ "Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!"
+
+ "Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak
+ "Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...."
+ En Willem betoomt zich met moeite van binnen;
+ En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen:
+ "Dat pak?--'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij
+ "Voor schatten vermoeden in grauwharen pij!
+ "Ik bid--laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!...
+ "Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen."
+
+[Illustration: Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist.]
+
+ --"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk
+ "Die 't meest ons belemmert!... maar it heeft uw rijk!--
+ "Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten!
+ "En beiden de plunje van 't lichaam gereten!"
+ Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op ste,
+ Ze binden hem handen en voeten, en re
+ Den monnik, dien zij met hun vijven omringen,
+ Tot afstappen en ontkleeden te dwingen,
+ Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed,
+ "Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet....
+ "Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen....
+ "Zo varen ze, die zich niet laat gezeggen.
+ "We maakten hun goud, en wat anders nog, buit,
+ "Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit,
+ "Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen,
+ "Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen:
+ "Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest!
+ "Toe! voort uit den tabbert! Het minst is ns meest!
+ "Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen....
+ "Uw pij uit!--Die hoofdkap bij de ndre kaproenen!"
+
+ --"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek
+ Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek
+ "Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen!
+ "En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!"
+
+ Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat
+ Den huifwagen in met het zadelgeraad;
+ "Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...'
+ "Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen....
+ "Een werloze monnik--maar geeft me mijn knecht
+ "Voor 't minst dan weder!"--"Dien knaap?--Gij hebt recht
+ "'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren:
+ "Den knaap in de kar!--en de paarden de sporen!--
+ "Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch
+ "Alleen u vervelt, in uw luchtigen dos,...
+ "Dat kan toch den beste eremiet overkomen,...
+ "Hier hebt gij een koord--en daarginder staan boomen!"
+
+ Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf,
+ Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf
+ Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven
+ Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven:
+ "Fraai, mannen! fraai helden!--Uw prooi lacht u uit;
+ "Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit!
+ "De gordel, die schuilt in mijn onderste kleren,
+ "Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren!
+ "Een gesp is er aan van het edelste goud,
+ "Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud
+ "En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden
+ "Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden.
+ "Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop;
+ De hoofdman rijdt nader: "Zo 't waar zijn?--Pas op,
+ "Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen
+ "Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!...
+ "Te voorschijn die gordel!"--"Ik schenk hem u. Heer,"
+ Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer,
+ "Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren....
+ "Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!"
+ --"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard
+ En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard
+ Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen,
+ Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen.
+ Daar heft hij de vuist, en met morslende slag,
+ Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag,
+ Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten,
+ Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten.
+ Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij;
+ Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij!
+ Hij stort zich te midden der wanklende knechten,
+ Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten.
+
+ "Oranje vooruit!--Ha, gij wolvengebroed!
+ "De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed!
+ "Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen
+ "Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..."
+ Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist;
+ Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist.
+ Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde;
+ Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde.
+ Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;
+ Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet;
+ En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen
+ Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen.
+
+ Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God!
+ Zijn knaap niet alln werd geboeid door het rot....
+ Twee ndre gevangnen, wien doeken en banden
+ Het roepen belett'en en 't roeren der handen!...
+ De schaduw der huive floerst Willem het oog;
+ Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog
+ Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen....
+ Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen
+ Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart.
+ "Hoe ds?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart
+ "In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen
+ "Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...."
+ --"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw,
+ "Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw
+ "Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten
+ "Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten:
+ "De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...."
+ --"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht,
+ "Om u in het klooster te komen verrassen....
+ "We hebben steeds in de Cortezische plassen
+ "Niet ver van 'et burchtslot zoo hrlijken visch!
+ "En hadden dien heden bestemd voor uw disch;...
+ "Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen."
+ --"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen!
+
+ "Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...."
+ En glimlachend le hij de zweep op het paard;
+ De staljongen moest met den bles het maar stellen,
+ En de Abt kreeg twee gasten en--goede forellen.
+
+
+
+FLORIS EN BLANCEFLOER.
+
+AAN HELENE UKENA. (1851--1873)
+
+
+Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat
+boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand
+hebben--'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw--en wien de
+liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik
+dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan
+alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't
+Is alles van eene standvastige min--van blijdschap beide en droefheid.
+Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een
+vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt.
+
+Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald
+werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld
+kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal
+blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben.
+
+Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit
+Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks
+te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt.
+Fenus--zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen
+oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed
+Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen;
+kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles
+werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig
+dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen
+meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig
+hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van
+alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om
+te brengen, of gevankelijk me te voeren. Onder de dus overvallenen nu
+bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich
+moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven
+niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar
+met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde.
+Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger
+achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen,
+en nog mr moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden
+ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde,
+dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den
+vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken
+wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden
+groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en
+werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep
+hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo
+doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en
+wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren
+blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met
+grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele
+kinderen liepen om en achter hen.
+
+De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te
+deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van
+pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de
+hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de
+gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te
+nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van
+haar maakte.
+
+Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren
+Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk
+echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat
+zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van
+haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een
+liefdepand van haar beschreiden ega onder het harte droeg. De vrouwen
+brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter
+waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten
+hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem
+Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen
+Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen.
+
+Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer --want
+het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en
+dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden.
+
+De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid
+reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren
+beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone
+kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon
+meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den
+geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde
+hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht
+kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader
+hem dit aanzeide:
+
+"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen,
+noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan--tenzij
+Blancefloer met mij ga."
+
+De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter
+schole.
+
+Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en
+beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon
+hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat
+men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ns
+van meening, ns van schoonheid, van enen zin en even standvastig van
+harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen
+in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in
+zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo
+leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten
+druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te
+kort voor hun blijdschap, voor hun genot.
+
+Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij
+den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de
+ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter
+dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en
+op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging
+voor de arme dochter der gevangene Christin.
+
+Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben,
+naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van
+gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn
+gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij
+peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon
+komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind
+verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij
+er op vinden kunnen."--"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren:
+Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer
+gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang.
+Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan--dan zal
+ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is,
+Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal
+vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere
+beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen
+geslachte zal nemen."
+
+Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij
+geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe
+zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des
+Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed:
+maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen.
+Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in
+waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk
+duchten zo ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos
+verloren zo gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der
+tijding. Dan zo onze schade en ons verdriet mr zijn dan te voren.
+Daar is geen lof noch roem me te behalen, 't zo niemants nut zijn, zoo
+zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven
+blijve!"--"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als
+middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de
+kinders eene ziekte zo voorwenden, opdat men Floris naar eene andere
+plaats, naar Montori, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer
+zo men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak
+te maken op de voortdurende hulp harer dochter --dan kon Floris niet
+aandringen op het samengaan--en verwijdering, afleiding door den omgang
+met andere speelgenoten, zo wellicht de liefde verdooven kunnen, of
+vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook
+beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tt hem gezonden zo worden.
+
+Nu ontbood de Koning--Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet,
+dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet
+verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar
+Montori ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn
+en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en
+lezen en schrijven leeren."
+
+--"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"--"Lieve jongen,"
+zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over
+zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide
+hij: "dat gebod zo mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet
+mt mij--ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval
+hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zo binnen veertien nachten of
+eerder Blancefloer tot hem zenden.
+
+Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den
+Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris,
+ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare
+dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht
+hier en daar woorden zo ontvangen, die hem in eene andere liefde
+mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten
+doen.
+
+Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel--maar, 't mocht zijn wat
+het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde
+en las--altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij
+boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast
+in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De
+stonden vielen hem lang--des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij
+zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien
+nachten ten einde kwamen.
+
+Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam,
+werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe
+langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol
+te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven.
+In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem
+vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne
+tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De
+kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe
+wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van
+Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus
+geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vr
+mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand
+van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood
+krijgt."
+
+Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat
+tooverij het zo gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde
+reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te
+onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare
+wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet,
+geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de
+onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen--dat er
+aldus over haar gesproken werd.
+
+De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood
+ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand,
+Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar
+aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren;
+zo, dat er de Koning zich niet meer om zo behoeven te vergrammen, noch
+er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd
+te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in
+handen geleverd.
+
+Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig
+pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde;
+honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden;
+honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels--valken,
+haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog
+een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone
+van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelas, hem zeer
+verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken
+Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van
+binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie
+godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen
+schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo
+duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder
+vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk
+moerbezin, honig- en specerijdrank van wijn zo hebben kunnen
+onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel
+werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel
+vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het
+uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen
+kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in
+de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de
+markt te Nicle verkocht had.
+
+De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel,
+konden zij haar te Babyloni brengen, dat zij twee maal den koopschat op
+haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone
+kind aan te bieden.
+
+Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun
+tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden
+met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers
+hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare
+blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen
+geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle
+jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene
+verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen
+andere vrouw meer beminnen.
+
+Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig
+jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden.
+Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot
+vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babyloni.
+
+Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen
+kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft.
+Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!"
+roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn
+teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was
+weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij
+eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur,
+dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend!
+Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad,
+dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij
+te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat
+hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg
+ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al
+heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij
+bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht
+ook niet aan mij--hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig
+ben--maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint--en dat ik hem
+bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij
+nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen.
+
+"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen me.
+Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons
+gescheiden heeft, wel zoete vriend!
+
+"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo
+braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u
+gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet
+ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed,
+dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!"
+
+Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden
+van hare gezellinnen.
+
+Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend
+knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn
+thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De
+Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste
+wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te
+berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe
+bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon
+zo melden, dat zijn geliefde in leven was.
+
+Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van
+krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de
+goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare
+en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk
+plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en
+velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters
+keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der
+zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen
+oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de
+tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris:
+het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne,
+ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren
+geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne
+vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het
+hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband
+gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het
+andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind
+ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in
+de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen,
+alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zo dachten
+allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het
+graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen
+en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond,
+hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en
+jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan
+moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de
+zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen
+haastig tot elkander, en kusten elkar vriendelijk. De liefde, waarvan
+zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een
+dorper of een dwaas, die daar voorbij zo gaan, dan werd, hij, zoo haast
+hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij
+zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap
+viel; zoo bezweken hem al de leden.
+
+Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf--dat zoo kostelijk was
+als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende
+steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en
+op den steen werd in gouden letters gehouwen:
+
+ --HIER LEGHET BLANCEFLOER
+ IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER,
+ DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,
+ MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT.
+
+Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug.
+
+Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne
+moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij
+naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden.
+En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk
+beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers
+moeder was.
+
+"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier
+achterliet?"
+
+--"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet."
+
+--"Gij schertst!"
+
+--"Ik doe het niet."
+
+--"Gij doet het!"
+
+De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare
+dochter hoorde spreken.
+
+Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!"
+De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar
+Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij
+doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen
+andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide
+zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat
+mocht hij niet gelooven--tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij
+uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!"
+
+Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als
+die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg
+zwijmende ter aarde.
+
+De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in
+onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt
+hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten
+heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar,
+dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld
+der Hemelen; daar verwacht mij hre ziele! Wat denkt ge--dat de dood mij
+niet tot vreugde zo wezen?"
+
+Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar
+de letters geschreven, en las:
+
+ "--HIER LEGHET BLANCEFLOER
+ IN DIT GRAF OP DESEN VLOER,
+ DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,
+ MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT."
+
+Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig
+aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken,
+noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij
+weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten.
+"Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik
+rampzalig. Wist ik op wien--hoe gaarne zo ik 'et wreken, dat ik u dus
+verloren hebbe! Wij waren op enen dag gewonnen en geboren, samen
+opgevoed, samen hebben wij geleerd--tot dat we de ure bereikten, waarin
+men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op enen
+dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik
+ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere
+smart.
+
+"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart
+zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een
+spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo
+schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk
+andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele
+vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en
+prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u
+standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in
+geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan;
+zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet
+verstonden.
+
+"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt
+moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap
+is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen.
+Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt
+hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde
+komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een
+haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en
+varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele wer samenkomt met de
+mijne, en bloemen leest."
+
+Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vr zich,
+en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat
+ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan
+u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven
+nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu
+wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het
+hart--maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af.
+
+"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde
+begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener
+vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is
+niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in
+groot ongerief blind, doof en stom zo zijn en lijden al wat de waereld
+te lijden geeft,--dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de
+stervensangst voor niets?--Meent ge dat het u iets baten zo, of ge de
+handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in
+'t Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zo niet gebeuren; daar zult ge
+langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar
+niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert
+gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zo uwe woning zijn,
+gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido
+lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar
+eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind
+hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij
+zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe
+vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks
+kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken."
+
+Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer,"
+zegt ze, "hoe gaarne zo ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons
+kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het
+hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats
+doodgebleven."
+
+--"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik
+houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig
+zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."--"Heer," zegt ze, "dat is
+onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood--niet
+eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg
+brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich
+alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn."
+
+--"Vrouw," zeide hij, "ik zo misdoen, indien ik uwen raadslag in dit
+geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde."
+
+--"Nu spreekt ge wl, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wl aannemen, dat
+wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen."
+
+--"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve,
+maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat
+Blancefloer, zijne vriendin, leeft."
+
+De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg
+gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid.
+
+"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe
+vriendin: Zij leeft; daar is in het graf--niets. Wij hebben leugentaal
+gesproken--uw vader en ik--toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten
+haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt
+weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings
+dochter. Dat zo ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot
+vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet
+wilde toelaten, dat zij uw vrouw zo worden, daarom wilde hij ze
+verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter
+markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre
+landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd
+rijk."
+
+[Illustratie: Toen zag hij de lachende kinderbeelden.]
+
+"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"--"Ja ik," andwoordde zij
+onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien."
+
+Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren;
+en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte
+hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zo,
+dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en
+brengen ze vol vreugde te-rug.
+
+Maar wat moest hij daar niet al voor doen;--wat moeite moest hij niet
+aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit
+het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet
+vele in 't land zo vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo
+dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zo kunnen zijn, die om den
+wille van welke liefde ook, de stoute daden zo verrichten, die Floris
+bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er
+verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer
+ter zijde.
+
+Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij
+aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is
+verblijd, om dat ze leeft.
+
+Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat
+hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen
+verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene
+vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge
+dragen.
+
+"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer.
+Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen
+kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar
+te-rug-kom."
+
+Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon.
+
+Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene,
+wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was
+besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant
+daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en
+heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij
+hem vele goede eigenschappen verhaalde:
+
+"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij
+dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch
+van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof
+vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk
+verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van
+zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te
+zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen
+mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder:
+hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar
+waren, weenden alsof hij dood vr hen lage. Maar zijn moeder dreef den
+diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zo het nog mr
+gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie
+maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden
+zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer
+wer.
+
+ * * * * *
+
+Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met
+vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te
+scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer
+uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babyloni, de
+stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd.
+
+Maar wat nu nog aangevangen zonder enen vriend, die hem den weg kon
+wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich
+meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar
+hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en
+zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken
+gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie,
+het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had
+gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door
+Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem,
+en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe
+zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren
+man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone
+jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb
+zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard
+deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het
+tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord
+en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u
+des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad
+schaffen."--"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat
+hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt.
+Het zo mij niets verwonderen; want ik zag haar van ener gedaante, van
+en manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in
+kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante
+mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is.
+In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om
+zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in
+vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar
+de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem
+gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof
+vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar
+geliefde."
+
+Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam
+werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te
+zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit
+woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij
+hebben enen vader en ene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo
+begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de
+geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen
+Koning, die kroon draagt, is er, die zo durven ondernemen haar den Emir
+te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den
+rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren
+waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen
+bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij
+steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij
+rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het
+dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van
+goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan
+is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo
+helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo
+licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of
+fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet
+van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier
+woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle
+van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen
+pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt.
+Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert
+door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste
+verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer
+zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu
+steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit
+de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn
+van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn
+de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat
+verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en
+lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de
+geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald
+zijn.
+
+"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar
+het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den
+doek tot wasschinge moeten brengen.
+
+"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren
+nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der
+woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door
+tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn
+altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te
+slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een
+vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang
+gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het
+jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen,
+de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met
+zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen;
+opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zo."
+
+Floris, op het hooren dezer berichten, was nog ongeduldiger dan vroeger
+om zijn opzet door te zetten, en bidt den waard er hem den besten raad
+toe te geven. "Sta morgen vroegtijdig op," zegt deze: "begeef u naar den
+toren: beschouw hem ter wederzijde; ga de hoogte en dikte met uwe
+blikken na, en meet den omvang met uwe schreden. Dan zal de portier op u
+toeschieten, en stuurs u aanspreken: andwoord hem bedaard, en zeg hem,
+dat gij gekomen zijt om den toren op te nemen, en voornemens in uw land
+naar dezen een anderen en beteren te maken. Als hij u van zulke zaken
+hoort spreken zal hij begrijpen, dat gij een aanzienlijk man zijt, hij
+zal kennis met u willen maken en u ten zijnent noodigen, of gij met hem
+schaakspelen wilt. Hij bemint dat spel met hartstocht. Zet honderd
+bezanten op het spel; wint gij--geef hem dan zijn inzet met den uwe ten
+geschenke. Keer des volgenden daags te-rug, en verdubbel de som. Geef
+hem het zijne weder, indien gij wint; en vermeerder het met het uwe. Dat
+zal hem vriendelijk stemmen ten uwen opzichte. Vul des derden daags uw
+schoone gouden drinkvat met drie-honderd bezanten; en als gij wint, geef
+hem steeds het gewonnene te-rug, vermeerderd met uw ingezette som. Zoo
+wint gij hoe langer hoe meer zijne genegenheid. Zie echter wel toe, dat
+gij uwen gouden beker niet op het spel zet. De man zal u dan aan zijn
+disch nooden. Hij zal zijne zinnen zoo sterk op uw drinkvat gesteld
+hebben, dat hij er u duizend mark fijn goud voor bieden zal. Sla dit van
+de hand. Maar, ten laatste, bied hem het kostbaar stuk als een
+vriendschapsgifte aan: dan zal hij buiten zich-zelven zijn, en niet
+weten, hoe hij dat groote goed en de eere, die gij hem bewijst, erkennen
+zal. Hij zal u zijne handen toesteken als uw dienstman. Wees daarop
+voorbereid, en ontvang zijne manschap en getrouwheidseed. Dan moet gij
+hem de waarheid stoutelijk bekend maken; hem verhalen, wat zake gij
+volvoeren wilt, en wat leed u getroffen heeft. Dan, ik ben des zeker,
+zal hij uwe liefde bevorderlijk wezen en u helpen. Helpt _hij_ u
+niet--dan is uw zaak verloren."
+
+Floris deed als hem geraden was. Des anderen morgens vroeg reed hij, op
+het prachtigst uitgedost, naar den toren, 1000 gouden schilden had hij
+medegenomen. Alles droeg zich juist zoo toe als de waard het voorspeld
+had. Toen de portier hem manschap gedaan hade vergde Floris van hem, dat
+hij hem Blancefloer zo doen zien en spreken.
+
+"Heere," zeide de verschrikte portier, "uw goed heeft mij ten verderve
+gebracht. Ik bemerk het te spade. Gij hebt gedaan als de vogelaar, die
+met zijn schoon fluiten en blazen de vogelkens in den strik lokt. Kome
+er schade van of voordeel--daar het er nu eenmaal toe ligt, zal ik u
+trouw bewijzen----Keer nu ter herberge, en kom over drie dagen weder,
+dan is het de Meimaand: dan zal ik u helpen."
+
+Toen Floris, dien het uitstel ontzaglijk lang viel, zich op den
+bepaalden dag bij den portier aanmeldde, beval hij den schoonen,
+veertienjarigen jongeling zich in een rozerood kleed te steken. Hij had
+ook zijn dienaars uitgezonden, om hem uit alle velden, en wouden, en
+hoven, de schoonste bloemen te verzamelen. Een ontzettenden korf deed
+hij daarmee vullen, en zeide aan zijne knechten, dat hij die aan de
+jonkvrouwen ten geschenke wilde geven. Maar toen hij alleen was met
+Floris, deed hij dezen in den korf nederzitten, en bedekte hem met een
+groote hoeveelheid rozen, akoleyen, lelies, en violen. Ook een krans van
+rozen had hij den knaap op het hoofd gezet, en beval hem zich niet te
+verroeren. Toen gaf hij last dat men de bloemen de bovenste torentrap
+zo opdragen in de kamer van Blancefloer: "Gaat," zeide hij, "brengt uit
+mijn naam deze bloemen aan mijne Jonkvrouwe Blancefloer, en dat zij er
+de bloem uit kieze, die haar het beste gevalt!"
+
+De dienaars gingen. Onder wege vloekten zij op den last, en meenden, dat
+zij nooit zoo zware bloemen hadden gedragen;
+
+ "Dat seiden si ende seiden waer."
+
+Maar o noodlot! Daar dragen zij den korf in eene verkeerde kamer, in die
+eener andere jonkvrouwe, eens Hertogen dochter uit Duitschland, Claris
+geheeten. "Jonkvrouwe Blancefloer!" zeggen de dienaars, "deze bloemen
+zendt u onzen Heer de portier."
+
+Claris zeide niet, dat zij Blancefloer was--maar aanvaardde de bloemen
+al lachende. De dienaars vertrekken. Zij gaat tot den korf en neemt eene
+roos. Floris waant dat het Blancefloer is, en spring uit de bloemen naar
+haar heen. De jonkvrouw werd zeer vervaard, vluchtte van hem, en riep:
+"Help! help! wat bloemen zijn dit!" zoo dat al hare gezellinnen haar ten
+bijstand snellen.
+
+Floris echter verborg zich haastig wer in den korf onder de bloemen, en
+de jonkvrouw, zich bezinnende dat deze voor Blancefloer bestemd waren,
+en dat hare vriendin steeds treurde om een jonkman, wiens beschrijving
+geheel aan het voorkomen van Floris beandwoordde, herstelde zich
+spoedig, en zeide aan de andere jonkvrouwen, "dat uit de bloemen haar
+een vlinder in het aangezicht gevlogen was, die haar verschrikt had."
+
+Nu verwijderde men zich, en Claris gaat tot Blancefloer, die altoos
+treurde om haren geliefde. "Blancefloer," zegt ze, "zoete lieve, wilt ge
+met mij gaan--ik zal u zulke bloem laten zien, dat gij nooit bloem noch
+roze liever zaagt dan deze."
+
+--"Clarisse," andwoordt zij, "zoete gespele, ik heb zo veel verdriet,
+dat ik geen zin heb in bloemen. Gij doet slecht, dat gij spottende tot
+mij komt. Die in de hope der liefde leven, hun past het wel bloemtjens
+te kweeken, om het leed te vergeten en te verkorten: maar mij naakt
+niets dan droefheid. Zoete vriendinne, gij weet wel, dat ik ver van mijn
+geliefde ben en hij verre van mij. Ginds is de Emir, die mij binnen
+dezer maand nog ter vrouwe denkt te nemen. Maar eer zal ik mij de dood
+geven (kan ik hem anders niet ontgaan), dan, levende, Floris te
+verliezen."--"Blancefloer," is het wederwoord, "nu bid ik u, bij Floris'
+liefde en om zijnentwille, dat gij met mij de bloeme koomt zien--hoe
+schoon zij is."
+
+Zoodra ze haar bij hm bezwoer, stond de schoone Blancefloer op en ging
+de bloem met haar aanschouwen. Floris heeft de jonkvrouwen wel gehoord,
+en is zeker, dat Blancefloer in de kamer is. Hij richtte zich op en
+sprong te voorschijn: hij had het schoonste haar, den blanksten tint,
+die ooit iemant ten deel vielen. Hij had een rooden lijfrok aan. Edel
+was zijn gedaante, lieflijk blonken zijne oogen. Blancefloer herkende
+hem toen zij hem zag; zij kende hem, en hij haar. Beiden stonden zij
+roerloos; zij konden geen woord uitbrengen. Toen zij tot bezinning
+kwamen, liepen zij al zwijgende tot elkander, zij namen zich in de
+armen, drukten elkar aan het harte. Het kussen en omhelzen duurde zoo
+lang, dat men ter zelfder wijle een groote mijl had kunnen gaan. En toen
+zij elkander niet meer kusten, lachten zij elkander al zwijgende toe; en
+zagen zich allerminnelijkst aan. Toen zeide Clarisse en begon schalk te
+vragen: "Blancefloer," zegt ze, "zoete gezellinne, kent gij de bloem,
+waarvoor ik u aanzocht, ook eer dat ik ze u toonde? Draagt gij ze aan uw
+boezem? Sints gij ze zaagt, dunkt mij dat ge gants verheugd zijt: daar
+moet groote kracht in uwe bloem liggen, die eene jonkvrouwe zoo spoedig
+van haren rouw verlost heeft. Eerst woudt gij ze niet zien--nu dunkt mij
+zijt ge er zoo me ingenomen, dat ge voor niemant gunstig genoeg zijn
+zoudt om de bloem met hem te deelen."
+
+--"Deelen?" zegt ze, "is dit dan Floris niet, mijn zoete lief! mijn
+zoete vriend aan wien mijn leven en mijn dood ligt, als ik u dikwerf
+gezegd heb? Hij is mijn troost, mijn toeverlaat." Toen baden zij
+Clarisse beiden, dat zij hunne liefde niet te leed wilde brengen en ze
+geheim wilde houden. "Vreest niets," zeide Claris, "hoe zo ik u kunnen
+verraden!"
+
+Blancefloer nam haren geliefde bij de hand: en zij zaten naast elkander
+op een rijk bekleede rustbank. "Floris!" zeide zij, "mij wondert zoo
+zeer door wat list gij dezen ontoegankelijken toren hebt weten te
+beklimmen, dat ik soms denke of het ook slechts begoocheling zij. Vrees
+en twijfel benaauwen mij, dat het Floris niet is, die daar neven mij
+zit. Wat zeg ik? ik kenne hem wel; hij is het. Zoete vriend! ei, kom wat
+dichter bij mij--'t is Floris, die mij te-rug-gegeven is!" En toen
+verhaalden zij elkaar van het leven des afzijns; en dit lijden was hun
+thands zoet.
+
+Maar, helaas, hun geluk was kort van duur. Blancefloer en Claris moesten
+den Emir het water en den doek der handwassching reiken --maar reeds was
+Claris de trappen afgevlogen met het wasch-bekken, en had Blancefloer
+aangespoord te komen, toen deze nog, in de vreugde des wederziens
+verloren, aan de borst rustte van haar tederen vriend. De Emir zond zijn
+kamerling heimelijk naar boven, daar hij de verschooningsreden, door
+Claris bijgebracht, wantrouwde. Een oogenblik later stond de Emir-zelf,
+in een gramschap, dat hem het harte dreigde te breken, tegenover de
+kinderen, het ontbloote zwaard in de hand. Eerst wilde hij ze beide
+neerslaan --doch liet zich verbidden om hen voor de rechters te voeren.
+
+Juist viel het jaarfeest in, waarop de Emir gewoon was eene vrouw te
+nemen. Koningen en Hertogen, al de hoogsten van den Rijk waren binnen de
+stad. De hofzaal was prachtig versierd. Thebe noch Troje bezaten ooit
+zoo rijk een paleis. De Emir dan riep er zijn Baronnen en Heeren te
+zamen, om het vonnis over Floris en Blancefloer uit te spreken--en daar
+was er maar en die het opnam voor de jeugdige gelieven. Zijn voorspraak
+mocht echter niet baten.
+
+Twee krijgsknechten kwamen de kinderen halen, om ze voor den raad te
+brengen. Droevig en smartelijk zagen zij zich aan en hadden diepen
+deernis met elkander. "Zoete lieve," sprak de Jonkheer tot Blancefloer:
+"wij zijn nu zeker van de dood en in het grootst gevaar. En mijne schuld
+is het, dat wij sterven moeten. Ware ik niet hier gekomen, u ware dit
+leed gespaard gebleven. Maar zal de Emir naar recht uitspraak doen--zoo
+zult gij de dood ontkomen. Te onrechte zoudt gij sterven. Lieve, neem
+intusschen dit ringetjen: zoo lang gij 't bij u zult hebben, kunt ge
+niet sterven."
+
+"Floris," zegt ze, "wel zoete vriend: hoe onbillijk dunkt mij uw taal!
+De schuld is mijne. Om mij weervaart u deze schande. Om mij verliet gij
+uw ouderlijk huis en zijt hiertoe gekomen. Ik weet wel, dat ik voor u
+sterven moest, ging het naar recht. Geen angst van de dood, geen
+marteling, zoo hevig; zal mij den ring doen behouden; want ik ben schuld
+van alles."
+
+Floris zeide, hij kon niet dulden, dat zij sterven en hij leven zoude.
+Hij bad haar, dat zij het ringetje name; en zij wilde niet. Hij wierp
+het haar toe, en zij 't hem te-rug, zoo lang tot dat het daar nerviel
+onder de voeten. Zij gingen voort. Een Hertog raapte 't op, die hunne
+woorden gehoord had.
+
+De kinderen werden in de raadzaal gebracht, en ieder was zoo zeer door
+hunne zeldzame schoonheid en droevig lot getroffen, dat allen de tranen
+in de oogen kwamen en de deernis in het hart. Doch de Emir bleef
+onverbiddelijk. Hij liet ze op een plein leiden buiten zijn paleis, en
+beval, dat men hen daar in een groot vuur wierpe. Toen kwam de Hertog,
+die het ringetjen had opgeraapt, dat Blancefloer liet vallen, hij
+knielde met bittere klachten oodmoedig voor zijnen Heere neder en
+verhaalde hem de woorden, die hij van de kinderen gehoord had, toen zij
+van de trap daalden. De Emir beval, dat zij ze hem nog eens vr zouden
+brengen--daar hij hooren wilde, wat ze tot elkander zeggen zouden:
+
+"Hoe is uw naam?" vroeg hij barsch aan Floris.
+
+"Heer," zeide de jongeling, "ik heet Floris. Terwijl men mij ter schole
+gezonden had, werd mij mijn lief ontstolen, Blancefloer, die hier neven
+mij staat. Het zo onrecht zijn, zoo men haar dede lijden. Heer, ik ben
+hier niet met haar meweten gekomen; dat durf ik voor u en al deze
+Edelen, bij het heiligste bezweren. O doe nu wel! en om uwer eere wille,
+laat Blancefloer leven, edele Heer! Zij is onschuldig! Mij is de schuld!
+Laat den schuldige 't ontgelden."
+
+--"Heer," riep Blancefloer, "houdt u niet aan zijne woorden, die gij
+gehoord hebt. 't Is alles om mij gebeurd--mijn is de schuld. Ware ik
+niet in den toren geweest--mijn lief ware er niet gekomen. Ik durf wel
+met waarheid zeggen, dat hij eens Konings Zone is. Verloor hij zijn
+leven ter mijner liefde--dat ware groot onrecht, groote schade. Lieve
+Heer, laat hem leven--en breng mij ter dood."
+
+--"Neen!" sprak Floris, "Heere, laat gaan mijne vriendinne, en sla mij
+terneder!"
+
+Toen andwoordde de Emir en zeide: "Zeker, gij zult beide sterven! Ik
+zal zelf mij wraak verschaffen van den smaad, die mij is aangedaan."
+
+En een blank zwaard nam hij in zijne hand.
+
+Blancefloer sprong driftig naar voren, en bood haar hoofdjen.... Floris,
+met de tranen op de wangen, vloog haar na, en wilde haar achteruit
+trekken: "Gij zult niet de eerste de dood ontvangen!" riep hij.
+
+Toen rekte hij zijn hals en bad den Emir toe te slaan, en haastiglijk,
+want hij was bereid. Blancefloer verzett'e zich met inspanning! "Heer,
+mijn is de schuld," riep zij, "waarom slaat gij niet?"
+
+De een konde den ander niet voor zijne oogen zien sterven.
+
+Men weende, en jammerde, en wrong de handen over dit harde vonnis.
+
+Ook de Emir was geroerd. Allen vereenigden zich om hem te verbidden. Het
+zwaard viel hem uit de hand. Op voorbede van den Hertog die het ringetje
+gevonden had, en vooral van eenen Bisschop, die den Emir te voet viel,
+betoonde hij zich vergevensgezind. Hij gaf Floris verlof zijne
+geschiedenis te verhalen; de jongeling kweet zich daarvan met
+kinderlijken eenvoud, maar bleef weigeren bekend te maken door wat
+middel hij in den toren was gekomen; toch nam toen de Emir de hand van
+Blancefloer en zeide: "Vriend, neem den schat te-rug, die u toebehoort:
+ik beveel ze uwer trouwe: om Gods en dezer Heeren wilde, schenk ik u
+beide het leven."
+
+Schreiend vielen zij hem te voet; hij hief hen op en kuste ze, en maakte
+Floris ridder, op de wijze als het daar te lande gebruikelijk was.
+
+De Emir nam toen de goede Claris, voor zijn leven, ter vrouwe, en daar
+werd een groote maaltijd gegeven, waar menige gouden beker geledigd, en
+menig vreugdelied gezongen werd.
+
+Korten tijd daarna kwam er een gezantschap uit Spanje, met het bericht,
+dat Floris' ouders overleden waren, en met de bede van zijn volk, dat
+hij ze mocht komen regeeren.
+
+Floris liet de toebereidselen maken tot zijn vertrek, en onder de
+heilwenschen van den Emir en de zijnen, toog hij met Blancefloer en een
+groot gevolg naar zijn vaderland.
+
+Daar ontvingen hem zijne onderdanen met geestdrift, en kroonden hen
+Koning en Koninginne.
+
+Floris omhelsde de Christen Godsdienst, de Godsdienst van Blancefloer;
+en geheel zijn volk deed als hij.
+
+Hongarije en Bulgari verstierven van eenen oom in later tijd nog op
+hem.
+
+Hij had eene dochter bij zijne gade, die Baerte heette "metten breden
+voeten". Koning Pippyn dam haar ter vrouwe; een machtig Koning, die bij
+haar een kind verwekte, daar veel van te vermelden ware: Dat was de
+Koning Caerle van Frankrijk,[1] die met groote machte menigen burg
+gewonnen heeft.
+
+Hier eindig ik dit verhaal.
+
+Floris kreeg Blancefloer niet dan met moeiten en smart:
+
+ "Hi pijnder hem om; God halper hem toe:"[2]
+
+Zo moge Hij, vroeg en laat, ons desgelijks helpen, dat wij al onze daden
+tot een goeden uitkomst ten jongsten dage brengen mogen! Amen.
+
+
+[1] _Koning Caerle van Frankrijk_: Charlemagne.
+
+[2] _Pijnen_: inspannen.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by
+Josephus Albertus Alberdingk Thijm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN ***
+
+***** This file should be named 39717-8.txt or 39717-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/9/7/1/39717/
+
+Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at
+http://www.freeliterature.org
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/39717-8.zip b/old/39717-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..68e71c1
--- /dev/null
+++ b/old/39717-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h.zip b/old/39717-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..a04cdfe
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/39717-h.htm b/old/39717-h/39717-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..a0b3842
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/39717-h.htm
@@ -0,0 +1,9371 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<!-- $Id: header.txt 236 2009-12-07 18:57:00Z vlsimpson $ -->
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Karolingsche Verhalen, by J.A. Alberdingk Thijm.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+body {
+ margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+}
+
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+}
+
+p {
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+}
+
+hr {
+ width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+}
+
+.blockquot {
+ margin-left: 5%;
+ margin-right: 10%;
+}
+
+a:link {color: #800000; text-decoration: none; }
+v:link {color: #800000; text-decoration: none; }
+
+.bb {border-bottom: solid 2px;}
+
+.bl {border-left: solid 2px;}
+
+.bt {border-top: solid 2px;}
+
+.br {border-right: solid 2px;}
+
+.bbox {border: solid 2px;}
+
+.center {text-align: center;}
+
+.smcap {font-variant: small-caps;}
+
+.u {text-decoration: underline;}
+
+.caption {font-weight: bold;}
+
+.small {font-size: 0.8em;}
+
+.illus {text-align: center; font-family: arial; font-size: 0.8em; font-weight: bold;}
+
+/* Images */
+.figcenter {
+ margin: auto;
+ text-align: center;
+}
+
+.figleft {
+ float: left;
+ clear: left;
+ margin-left: 0;
+ margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em;
+ margin-right: 1em;
+ padding: 0;
+ text-align: center;
+}
+
+.figright {
+ float: right;
+ clear: right;
+ margin-left: 1em;
+ margin-bottom:
+ 1em;
+ margin-top: 1em;
+ margin-right: 0;
+ padding: 0;
+ text-align: center;
+}
+
+/* Footnotes */
+.footnotes {border: dashed 1px;}
+
+.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+
+.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+
+.fnanchor {
+ vertical-align: super;
+ font-size: .8em;
+ text-decoration:
+ none;
+}
+
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by
+Josephus Albertus Alberdingk Thijm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Karolingsche Verhalen
+ Carel en Elegast - De Vier Heemskinderen - Willem van
+ Oranje - Floris en Blancefloer
+
+Author: Josephus Albertus Alberdingk Thijm
+
+Release Date: May 17, 2012 [EBook #39717]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN ***
+
+
+
+
+Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at
+http://www.freeliterature.org
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+
+<p><a href="#Contents">Contents</a></p>
+
+
+
+
+<h1 style="color: #000066;">KAROLINGSCHE VERHALEN</h1>
+
+<h3 style="color: #000066;">Carel en Elegast&mdash;De vier Heemskinderen&mdash;Willem van Oranje&mdash;Floris en Blancefloer</h3>
+
+<h4>In nieuwer form overgebracht door</h4>
+
+<h2 style="color: #000066;">JOS A. ALBERDINGK THIJM</h2>
+
+<h5>VIJFDE UITGAVE</h5>
+
+<h5>ZUTPHEN&mdash;W.J. THIEME &amp; CIE&mdash;MCMXLVIII</h5>
+
+<hr style="width: 95%;" />
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm001.jpg" width="400" alt="Carel en Elegast" title="" />
+<p class="illus">Carel en Elegast</p>
+</div>
+
+<h3>VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE.</h3>
+
+
+<p>Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd.
+Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het
+exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd
+hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed
+te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag,
+door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche
+volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in
+de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak
+en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning,
+dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene
+nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo
+ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik
+wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke
+natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen,
+Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle
+middeneeuwsche zaken op éene leest schoeyen zult; dat gij uw hè-s en
+hà-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult
+wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe
+Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch
+zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was
+en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de
+onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan
+alles wat oud is, en wij gaan slechts van de éene zeeziekte in de
+andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe
+verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe
+en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het
+heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de
+naïeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche
+scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en
+hare onsterfelijke <i>Grootheid</i>, noch de enthuziasten, die het axioma
+verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der
+middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het
+naïeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der
+verwen, naar hunne recepten bereid."</p>
+
+<p>Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de <i>Heemskinderen</i> uitgaf.</p>
+
+<p>Ik vlei mij&mdash;behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen&mdash;nog in
+andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar
+waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,&mdash;niet in waardeering van het
+meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche
+heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het
+nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen
+van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan
+Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind
+hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik
+bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en
+rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik:
+kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander
+stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,&mdash;u behoor ik: want gij
+neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van
+éenen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de
+<i>Heemskinderen</i> in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die
+groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen
+gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naïeviteit, meer dan een
+objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid,
+verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat
+de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld
+middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der <i>Renaissance</i>
+verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de
+vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet
+wijzer?&mdash;Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de
+schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de
+heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren.</p>
+
+<p>Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der
+<i>Heemskinderen,</i> gebruik te maken van het fragment van den roman, dat
+het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want
+ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels
+een vertragend <i>hors-d'oeuvre</i>, deels een smakeloze beschimping van den
+Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de
+vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6&mdash;21 mij geleerd, dat
+ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "schaâ", maar
+<i>schande</i>, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in
+den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant,
+nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek
+behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te
+Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl.
+138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met
+sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er
+natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zoû hebben
+(v. 62&mdash;66):</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 3em;">"Die coene entie starke Roelant</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">.... ghemoete saen Ritsaert;</span><br />
+<span style="margin-left: 3em;">Biden togle hine aneprant."</span><br />
+</p>
+
+<p>Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt
+had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk,
+het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den <i>Madelgijs</i><a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a>, de Heer
+J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet.</p>
+
+<p>Bij mijn bewerking van <i>Floris en Blancefloer</i> had ik beschrijvingen,
+die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die
+door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen
+(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld.</p>
+
+<p>Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van
+<i>Carel en Elegast</i> en <i>Floris en Blancefloer</i> met mij na te zien, en mij
+menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten
+hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn
+hartelijken dank.</p>
+
+<p>Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik <i>Karolingische</i> in
+<i>Karolingsche</i>(met den hoofdklemtoon op <i>Ka</i>) veranderen zou: "die i",
+zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze
+meervoudsuitgang <i>Karolingers, Merovingers, Saksers</i>, enz. <i>Karoling</i>
+staat in vorming met <i>Jongeling, vreemdeling</i> enz. gelijk. 't Is een
+echt Nederlandsche vorm. Den uitgang <i>-isch</i> kennen wij alleen bij
+vreemde woorden en namen, als <i>Aziatisch, historisch, mythologisch enz</i>.
+Maar van <i>zijdeling</i> maken wij <i>zijdelingsch,</i> van <i>Harling(en)</i> en
+<i>Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche.</i> Dus ook <i>Karolingsche.
+Kaarlingsche</i> zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden,
+omdat wij nu eenmaal aan <i>Karolingen</i> gewend zijn. Mij dunkt, het wordt
+tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen
+ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen."</p>
+
+<p>Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang <i>koetsier</i>
+geen <i>koetser</i> wordt, en woorden als <i>vriendin, martelares</i> enz. bestaan
+blijven, zoo lang <i>aziatiesch</i> zich handhaaft,&mdash;<i>karolingische</i> mij zoo
+geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van
+sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert.</p>
+
+<p>A.Th.</p>
+
+<p>Amsterdam, 3 Juni 1873.</p>
+
+
+<p>Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij
+meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden.</p>
+
+<p>De Uitgevers.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam,
+in 1861.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm002.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+<h3><a name="CAREL_EN_ELEGAST" id="CAREL_EN_ELEGAST"></a>CAREL EN ELEGAST.</h3>
+
+
+<h5>AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.) </h5>
+
+
+<p>Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen:
+luistert met aandacht!</p>
+
+<p>Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den
+Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom
+toe.</p>
+
+<p>Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te
+Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij
+lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des
+anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap
+kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning
+ontwaakte, op de lieflijke stemme.</p>
+
+<p>"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen
+aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de
+Heere des Hemelrijks, beval mij&mdash;u dit, op verbeurte van lijf en eere,
+te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads
+overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof
+nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast
+u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt
+te paard."</p>
+
+<p>De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden
+moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te
+hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God
+gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen!
+God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert
+gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij,
+en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit
+wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt
+en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik
+hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het
+aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet
+mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het
+nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van
+Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en
+mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee
+ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't
+land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de
+Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.<a name="FNanchor_1_2" id="FNanchor_1_2"></a><a href="#Footnote_1_2" class="fnanchor">[1]</a> Wat
+behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God
+mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't
+mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner
+schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen."</p>
+
+<p>Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en
+derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat
+hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod
+in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven
+staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen&mdash;vaart uit
+stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak
+voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij
+gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten.
+Ik zal een dief zijn&mdash;al is het schande; al zoude ik bij de keel
+gehangen worden. En toch&mdash;ik had oneindig liever, dat God mij alles
+ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land&mdash;mijn
+riddersrusting uitgezonderd&mdash;dat ik mij met den schilde en met den spere
+den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op
+avontuur:&mdash;dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te
+zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig
+uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te
+verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!...</p>
+
+<p>"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was,
+al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven!
+Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het
+slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen,
+zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij
+vreemd en onbekend is?"</p>
+
+<p>Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde
+te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een
+gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede
+zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.</p>
+
+<p>Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot,
+noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze
+waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand
+zag hem&mdash;want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die
+in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.</p>
+
+<p>Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig
+naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij
+zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.</p>
+
+<p>Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel
+gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was.
+Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg
+af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder
+gerucht noch geluid naar buiten.</p>
+
+<p>Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als
+gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al
+wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen&mdash;zoo waarlijk gij u
+aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden&mdash;zoo waarlijk
+zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte,
+u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en
+daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en
+gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt
+opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn&mdash;zoo
+zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe
+kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u
+verlaat ik mij geheel!"</p>
+
+<p>Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het
+stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan
+stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel;
+het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik
+placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten,
+die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt
+het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat
+zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun
+het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is
+dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik
+iemant om een weinig geld doe sterven.</p>
+
+<p>'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk,
+dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de
+waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft
+land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan
+meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land
+ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu
+wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal
+Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land
+en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust.
+Die ze huisvesting schonk&mdash;ik zoû hem beide burcht en leen doen
+verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in
+bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven
+moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van
+den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in
+vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en
+Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters&mdash;waar hij ze
+betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun
+muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde
+storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben:
+zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud,
+waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van
+hun klinkende munt&mdash;beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij;
+niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik
+woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God,
+helpt mij daartoe!"'</p>
+
+<p>Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter
+kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde
+zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild,
+dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart
+was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed.
+Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem
+de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig
+vermoeden, dat het de Duivel ware&mdash;om dat hij overal zoo zwart was. Hij
+beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij
+kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het
+avontuur wagen. Nochtans&mdash;ik weet het van te voren&mdash;'t is de Duivel en
+niemant anders. Kwame hij van Gods wege&mdash;hij zoû zoo zwart niet zijn. 't
+Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'</p>
+
+<p>"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen
+kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de
+Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant,
+die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel
+aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste,
+die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als
+de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke
+wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'</p>
+
+<p>Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene
+nam den andere op van top tot teen&mdash;maar anders deden zij niet. Toen de
+ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield
+hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus
+voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik
+hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij
+iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of
+de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok
+van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het
+bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?</p>
+
+<p>'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal
+zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen:
+licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met
+schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'</p>
+
+<p>Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem
+achterhaald had, riep hij luide:</p>
+
+<p>"Staat, Ridder!&mdash;waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier
+ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert!
+Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het
+mij&mdash;dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur,
+heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik
+omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten&mdash;dan dat ik mij
+tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij
+door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen
+zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen&mdash;wij
+zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"</p>
+
+<p>Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond,
+voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij
+de Koning was.</p>
+
+<p>Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.</p>
+
+<p>Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een
+open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de
+paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar
+den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men
+een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.</p>
+
+<p>De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning
+vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter
+op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken
+vloog als een lindenblad.</p>
+
+<p>De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.</p>
+
+<p>De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er
+menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide
+uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en
+wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op
+het hoofd, vol schaarden en spleten&mdash;zoo scherp was de snede der
+zwaarden.</p>
+
+<p>'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in
+zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou
+ik mijn naam bekend maken&mdash;eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer
+verwierve ik eere!'</p>
+
+<p>Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem,
+dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.</p>
+
+<p>Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en
+bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee
+stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.</p>
+
+<p>Op dit gezicht&mdash;dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei,
+dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik
+geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen?
+Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!"</p>
+
+<p>Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor
+hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet
+ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan
+verweeren.'</p>
+
+<p>Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens
+weerzijds, wie ze toch wezen mochten.</p>
+
+<p>"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij
+bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder&mdash;zoo hebt gij uw
+laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met
+eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht &mdash;ik zal u heen
+laten rijden."</p>
+
+<p>De zwarte sprak: "Ik ben bereid&mdash;mids gij begint, met mij kond te doen
+van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij
+zoekt."</p>
+
+<p>Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij&mdash;dan zal ik u zeggen,
+wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder
+noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van
+verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet
+ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij
+ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het
+met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u
+veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"</p>
+
+<p>Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het
+goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder,"
+zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u
+gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en
+bij Hem-zelven het eerst&mdash;van mij staat u geen leed te wachten! en ook
+ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't
+mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."&mdash;"Welnu dan, Heere,"
+antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer
+verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren
+was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en
+mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en
+ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en
+wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken
+worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn
+arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in
+vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen
+en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters&mdash;kunnen hun
+knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is
+geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in
+bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen?
+Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en
+ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik
+héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor&mdash;kon ik
+mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij
+meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had
+door te staan.&mdash;Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den
+gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de
+nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u
+haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."</p>
+
+<p>En de Koning dacht bij zich-zelven:</p>
+
+<p>'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de
+man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee
+rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om
+der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten
+leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben,
+Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn
+levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo
+veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij
+niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot
+losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."</p>
+
+<p>&mdash;"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam
+zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te
+stelen&mdash;in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van
+alles, ik laat niemant met rust&mdash;den rijke noch den arme. Ik let op hun
+kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets
+te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem
+gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om
+een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe&mdash;eer
+de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik
+begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen.
+God zoû het ons niet misduiden&mdash;hadden we er een deel van. De schat ligt
+in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd
+pond van&mdash;'t zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen;
+bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u
+van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn?
+Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen&mdash;en
+gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."</p>
+
+<p>Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede.
+Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het
+weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."</p>
+
+<p>Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de
+Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel
+zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol
+geladen."</p>
+
+<p>Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon
+Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is
+niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al
+heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik
+zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik
+vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte
+Heer. Dede ik hem iets anders dan eere&mdash;ik zoû het mij voor God moeten
+schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!"</p>
+
+<p>Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat
+Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij
+zich-zelven&mdash;'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo
+veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven
+kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'</p>
+
+<p>Na deze overweging vraagde hij aan Elegast&mdash;'of deze hem ergends anders
+wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij
+zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn
+kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij
+betreft&mdash;gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot
+niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings
+zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te
+bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij
+verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû
+hij aan het leven en de eere staan&mdash;ging alles naar zijn wensch: dat kan
+ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding&mdash;burcht en
+leen&mdash;aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht&mdash;het
+zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen &mdash;zoo ge
+wilt&mdash;zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven,
+dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch
+wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem
+ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar
+gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De
+Koning vergat zijn rol geen oogenblik.</p>
+
+<p>Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij
+een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed
+vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het
+ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons
+werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles
+te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op,
+gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit
+was geraakt.</p>
+
+<p>Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren!</p>
+
+<p>Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den
+Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens,
+Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik
+zal handelen naar uwen raad. Het zoû mij toch leed doen, indien u eenig
+ongeval overkwam en men zeide dan naderhand&mdash;'dat is alles te wijten aan
+Elegast'!"</p>
+
+<p>Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus:</p>
+
+<p>"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest&mdash;zoo ver ik weet.
+Het zoû mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op
+u aankomen."</p>
+
+<p>Elegast hernam: "'t Is mij ook wel&mdash;zoo gij een behendig dief zijt: dat
+zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken,
+om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne
+vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een
+ijzer, waar hij den muur meê zoû stuk slaan. Toen haalde ook de Koning
+het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij
+dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den
+maker," zeide hij&mdash;"dan bestelde ik er hem óok zoo éen voor mij. Een
+dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer
+gebruiken."&mdash;"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn
+verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die
+gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij
+op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande,
+dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit
+andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een
+ploeg."&mdash;"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er meê
+binnenraken. Later bestelt gij u een ander."</p>
+
+<p>Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den
+geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was
+hij groot en sterk&mdash;op zulken arbeid verstond hij zich niet.</p>
+
+<p>Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in
+zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen,
+wat ik u brengen zal." Hij woû niet toelaten, dat de Koning ook
+naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield
+hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en
+wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom &mdash;Carel bleef buiten, en
+Elegast kroop naar binnen.</p>
+
+<p>Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te
+werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist
+van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had,
+verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij
+hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun
+Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.'</p>
+
+<p>"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!&mdash;zoû de Koning daar buiten
+zijn?&mdash;Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker,
+verraden&mdash;of een elfenspook misleidt mij."</p>
+
+<p>Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en
+verhaalde hem, wat hij&mdash;of hij moest zich geweldig bedrogen
+hebben!&mdash;gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne
+taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was&mdash;alleen
+wisten zij niet hoe dicht.</p>
+
+<p>Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? &mdash;Wat zoû
+de Koning hier uitrichten?&mdash;Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond
+blaffen mag?&mdash;Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij
+voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te
+verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond."</p>
+
+<p>&mdash;"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning
+van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij
+hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te
+voren deed, dat de Koning in de nabijheid was&mdash;maar dat hij niet wist
+hoe dicht.'</p>
+
+<p>"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet
+in den omtrek is!"</p>
+
+<p>&mdash;"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener.
+Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort&mdash;al wierden wij beiden
+ook gevangen."&mdash;"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar
+laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving,
+ik zoû 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn
+kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en neêr heen en weêr in zijn mond;
+maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden.</p>
+
+<p>"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid
+kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn
+geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij
+iemant, die uit stelen gaat?&mdash;Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet
+telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is
+waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik
+heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!"</p>
+
+<p>De Koning dacht: "Dat is een waar woord!"</p>
+
+<p>Daarmeê lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat
+Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd&mdash;maar kon geheime
+kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en
+al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met
+sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant
+hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel.</p>
+
+<p>Toen wilde Carel henenrijden&mdash;maar Elegast beval hem nog te toeven: hij
+wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn
+vrouw lagen&mdash;een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man
+leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zoû kunnen
+beschrijven; alleen aan den voorboog<a name="FNanchor_2_3" id="FNanchor_2_3"></a><a href="#Footnote_2_3" class="fnanchor">[2]</a> is prijzensstof genoeg. Daar
+hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als
+Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel
+stelen&mdash;al zoû ik bij de keel gehangen worden!"</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm003.jpg" width="400" alt="Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald
+heb." title="" />
+<p class="illus">Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald
+heb.</p>
+</div>
+
+<p>Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel
+ontbeerd, dan dat Elegast weêr naar binnen ging. Toen Elegast bij het
+zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde
+wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat
+Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan
+mijn zadel?" Hij zoû zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't
+niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem
+zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het
+zwaard en de scheê en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn
+gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem
+haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had
+opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen
+gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is
+menigvuldig&mdash;ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan,
+dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en
+hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt
+stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze
+waren, die den Koning zouden treffen.</p>
+
+<p>Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij
+zich-zelven, hij zoû de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht
+brengen.</p>
+
+<p>Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't véél liever dat men u ophing
+bij de keel, dan ik gedoogen zoû, dat de Koning aldus zonder dat hij
+gewaarschuwd werd zijn leven zoû verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric
+de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond
+uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten
+de legerstede. Elegast, die dit alles had gaâ-geslagen, kroop er
+zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de
+vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een
+teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zoû voor het gedreigde leed.
+Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed
+inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn
+woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat
+hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof weêr naar zijn paard en
+tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast
+had aangebracht.</p>
+
+<p>Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zoû er niet langer getoefd hebben:
+zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard
+had?"&mdash;"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God
+leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal
+het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken&mdash;daar ben ik reeds
+te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging
+hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb.
+Neemt het! ik ga&mdash;om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk
+te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om
+al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug."</p>
+
+<p>Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke
+reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en
+bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om
+was gegaan."</p>
+
+<p>"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn
+droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik
+uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armoê te boven te komen. Ik
+leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven,
+morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!"</p>
+
+<p>Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem
+voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des
+Hemels.</p>
+
+<p>Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem
+doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zoû heel het hof in
+opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt
+gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen
+hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning&mdash;welnu, dan
+is hij dood! Wat zoû men daar méér van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge
+wel genezen."</p>
+
+<p>Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels
+ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange
+vertoeven was hem onaangenaam.</p>
+
+<p>"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn
+makker&mdash;het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te
+nà kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij
+God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet
+zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen&mdash;eer ik deze burg
+verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan."</p>
+
+<p>De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard
+gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al
+zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u
+beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen &mdash;dien Eggheric van
+Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem
+vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad&mdash;het verraderlijk
+opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw
+loon zal niet gering wezen:</p>
+
+<p>"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings
+broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden."</p>
+
+<p>&mdash;"Neen," zegt Elegast, "wat mij weêrvare&mdash;voor den Koning kome ik niet.
+De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware
+paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht
+onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite."</p>
+
+<p>&mdash;"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech
+naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen
+buit met u meê, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik
+zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd
+hij doodgeslagen&mdash;het zoû mij grieven."</p>
+
+<p>Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar
+hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar
+Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want
+hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem
+verraden!</p>
+
+<p>De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij
+bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't
+iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de
+wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien
+men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over
+wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen
+tot goed geluk voor hem was uitgekomen.</p>
+
+<p>Toen zond Carel, de Koning, éen zijner Kamerlingen om zijn geheimen
+Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten
+volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde,
+die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk
+van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat
+hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen
+Heer!"</p>
+
+<p>Toen zeide de Hertog van Bayvier<a name="FNanchor_3_4" id="FNanchor_3_4"></a><a href="#Footnote_3_4" class="fnanchor">[3]</a>: "Laat hen komen&mdash;hier zullen zij
+ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te
+schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en
+strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys<a name="FNanchor_4_5" id="FNanchor_4_5"></a><a href="#Footnote_4_5" class="fnanchor">[4]</a>, met u herwaarts kwamen:
+zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf,
+Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal
+hem kwalijk vergaan:&mdash;tot op zijn sporen zal hem het bloed neêrvloeyen:
+en Eggheric het eerst!"</p>
+
+<p>Deze raad dacht hem goed&mdash;en allen, die het met hem eens waren, wapenden
+zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij
+duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de
+Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden.</p>
+
+<p>Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast.</p>
+
+<p>Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog,
+zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen
+zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf
+blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde
+ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gáder
+had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met
+den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal
+wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo
+als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan
+van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning,
+zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem
+véél: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden
+en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend,
+schande&mdash;gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij,
+noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen,
+dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had&mdash;ik zoû 't hem
+doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu
+vooruittrede, die daar lust in heeft!"</p>
+
+<p>Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om
+Elegast&mdash;boden op boden&mdash;waar hij zich onthield in het woud; en zeide
+hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven
+was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken."
+De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort,
+tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun
+opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij
+de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij
+Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel
+leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo
+waar hij een Christen was, dat, indien God hem ééne bede kon inwilligen,
+hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn
+rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij
+wech.</p>
+
+<p>Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij
+sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten&mdash;den Koning en wie ik
+hier vinde!&mdash;maar Eggheric&mdash;hém groet ik niet! God, die zich om
+onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de
+zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden
+moet hangen&mdash;Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen&mdash;zoo heeft
+Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is;
+want&mdash;mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit
+noodweer gedwongen was."</p>
+
+<p>Toen Elegast dit gezegd had, zoû Eggheric het gaarne gewroken hebben:
+maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet
+hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in
+mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht
+achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag
+van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van
+wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de
+toedracht der zaak."</p>
+
+<p>&mdash;"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er
+vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't
+hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het
+durfde wraken&mdash;dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij
+richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en
+had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter
+handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den
+Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen&mdash;ik
+doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vóór zonne-ondergang, of ik
+zal mijn leven verliezen."</p>
+
+<p>Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't
+zoû ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zoû wagen tegen een
+verbannen dief. Beter zoû hij met boerenlummels kampen dan met mij."
+Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al
+was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij
+vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb
+den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar
+gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook,
+die de schuld aan u wil tijgen."</p>
+
+<p>Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zoû
+ik naar recht met hem leven, ik deed hem door éen mijner knechten
+wechsleepen en hangen bij de keel."</p>
+
+<p>Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven
+dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan
+gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken
+dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard.</p>
+
+<p>Weinig tijds na de noen<a name="FNanchor_5_6" id="FNanchor_5_6"></a><a href="#Footnote_5_6" class="fnanchor">[5]</a> deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat
+zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp
+zoû plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God,
+dat hij den kamp beslissen zoû naar recht en rede. (En God verhoorde
+zijn gebed.)</p>
+
+<p>De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af
+en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe
+schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was."</p>
+
+<p>Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e,
+kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat
+hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter
+nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden
+vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb.
+Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt!
+ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf
+wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in
+uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn
+zonden niet zijn, die mij verslaan zullen&mdash;dan, voorwaar, meen ik wel
+behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik,
+dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik
+u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en
+wildernissen&mdash;mag ik het leven hier afbrengen!"</p>
+
+<p>Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne
+rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende
+zijn paard, dat vóór hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het
+ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.'</p>
+
+<p>Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten
+strijd!)</p>
+
+<p>Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand.
+Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de
+kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte
+geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de
+sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hém, dat
+hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij neêrviel op
+het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het
+zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden,
+U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond&mdash;zoo
+mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot&mdash;'t ware
+jammer, zoo ik het neervelde: menig zoû 't beklagen! Kunt gij er dan al
+zélf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard."</p>
+
+<p>&mdash;"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zoû dezen strijd
+kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen&mdash;al
+kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders
+vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij
+prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zoû maken om u te verslaan."</p>
+
+<p>Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand
+spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had
+gesproken, en steeg in den zadel.</p>
+
+<p>Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield.
+Nooit zag iemant ergens op èenen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren
+hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit
+vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want
+zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij
+bleef toch even goed een Hertog.</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier
+almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde
+brengen, naar recht, en naar rede!"</p>
+
+<p>Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle
+gewicht aan bewerkt rood goud zoû waard zijn geweest: de Koning had 'et
+hem geschonken.</p>
+
+<p>Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de
+bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat
+hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit
+den zadel deed storten.</p>
+
+<p>Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel
+zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs
+zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u
+zoeken."</p>
+
+<p>Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken.</p>
+
+<p>Men sleepte Eggheric voort en hing hem&mdash;en alle verraders tevens: daar
+hielp noch losgeld, noch bede.</p>
+
+<p>Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem
+Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen.</p>
+
+<p>Zoo moge God al onze zaken vóór onze dood ten goede brengen!</p>
+
+
+<div class="figcenter" style="width: 420px;">
+<img src="images/thijm004.jpg" width="420" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_2" id="Footnote_1_2"></a><a href="#FNanchor_1_2"><span class="label">[1]</span></a> De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ...,
+Gallicië en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor
+ingeschoven.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_3" id="Footnote_2_3"></a><a href="#FNanchor_2_3"><span class="label">[2]</span></a> <a name="La_bate_de_devant" id="La_bate_de_devant"></a>La bâte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses
+verticaux. Viollet-le-Duc, <i>Dict. du Mob</i>., II, 372.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_4" id="Footnote_3_4"></a><a href="#FNanchor_3_4"><span class="label">[3]</span></a> Beieren.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_5" id="Footnote_4_5"></a><a href="#FNanchor_4_5"><span class="label">[4]</span></a> Valois.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_6" id="Footnote_5_6"></a><a href="#FNanchor_5_6"><span class="label">[5]</span></a> Het 9e uur na zonsopgang.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="DE_VIER_HEEMSKINDEREN" id="DE_VIER_HEEMSKINDEREN"></a>DE VIER HEEMSKINDEREN.</h3>
+
+<h5>AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.)</h5>
+
+
+<div class="figcenter" style="width: 410px;">
+<img src="images/thijm005.jpg" width="410" alt="" title="" />
+</div>
+
+<h4>HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN.</h4>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_EERSTE_CAPITTEL" id="HET_EERSTE_CAPITTEL"></a>HET EERSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<p>In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren,
+hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte
+hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en
+vrolijkheid.</p>
+
+<p>Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle
+jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van
+Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de
+waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar
+ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was
+Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter
+gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo
+dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie
+te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het
+Keizerrijk&mdash;Geestelijk en Waereldlijk.</p>
+
+<p>Daar waren: onze aardsche Vader&mdash;de Paus van Rome, de Patriarch van
+Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge
+Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000
+Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom<a name="FNanchor_1_7" id="FNanchor_1_7"></a><a href="#Footnote_1_7" class="fnanchor">[1]</a> ter wapen in
+oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen,
+alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed
+waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal:
+want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en
+geneuchlijkste van den jare.</p>
+
+<p>En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan
+men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde
+strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee
+Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller
+aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig
+Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet
+ontbreken en zoude van spijze en drank.</p>
+
+<p>Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in
+zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en
+in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en
+Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters
+zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer
+wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en
+ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne
+Keizerinne, in groote luister en glorie.</p>
+
+<p>En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en
+groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen
+die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete
+woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale
+zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de
+tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in
+Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en
+hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille
+geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer
+Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven
+hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer
+Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze
+begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden."</p>
+
+<p>Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer
+Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor
+hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geëischt, en ik
+hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij
+doen daartoe dat zij mogen!"</p>
+
+<p>En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd
+zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende:
+"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen
+tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben&mdash;men zal groote schande van u
+spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt,
+zal daarin óndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel."
+Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen,
+of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit,
+en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels
+tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar
+wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen
+vernomen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_7" id="Footnote_1_7"></a><a href="#FNanchor_1_7"><span class="label">[1]</span></a> <i>vroom</i>&mdash;moedig.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TWEEDE_KAPITTEL" id="HET_TWEEDE_KAPITTEL"></a>HET TWEEDE KAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn
+ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den
+Rijksban deed. </p></blockquote>
+
+
+<p>Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de
+blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen
+en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen
+verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat
+de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd
+en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken:
+"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal,
+zoo lang als de waereld staat&mdash;al zouden wij alle dood blijven!"</p>
+
+<p>Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders,
+uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen
+en vrienden; hij had spoedig zijn batalië in orde gesteld en had
+ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend
+en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen<a name="FNanchor_1_8" id="FNanchor_1_8"></a><a href="#Footnote_1_8" class="fnanchor">[1]</a> Koning Carel veel te
+hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van
+volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning
+Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemanniërs en
+Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit
+verscheidene oorden&mdash;meer dan ik schrijven kan.</p>
+
+<p>Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn
+en zijne vrienden<a name="FNanchor_2_9" id="FNanchor_2_9"></a><a href="#Footnote_2_9" class="fnanchor">[2]</a> te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en
+te niet te maken.</p>
+
+<p>En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000
+mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders,
+edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit,
+met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot
+'Nerboen! Nerboen!'</p>
+
+<p>Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in
+orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit,
+zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van
+den paerde ter aarde gedragen wierd.</p>
+
+<p>Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome
+mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en
+vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal."
+Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op
+het spel en in gevaar stellen."</p>
+
+<p>Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun
+zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den
+appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk<a name="FNanchor_3_10" id="FNanchor_3_10"></a><a href="#Footnote_3_10" class="fnanchor">[3]</a>,
+tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en
+velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden
+groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man
+bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag
+daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de
+strijd was hevig en fel.</p>
+
+<p>Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed,
+alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere
+nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel
+verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste
+schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage,
+duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige
+mannen.</p>
+
+<p>Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood
+had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van
+Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom
+geveld en verbrand&mdash;om de dood van Heer Huygen.</p>
+
+<p>Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne
+kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden&mdash;maar ik duld ze hier niet
+langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun
+vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep
+Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame&mdash;zoo Koningen,
+Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner
+waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling
+over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden
+met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land
+moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben.</p>
+
+<p>Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen
+mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij
+bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings
+macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten
+hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk
+verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven
+waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen.</p>
+
+<p>Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts
+ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure
+besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk
+nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren
+en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden&mdash;Monniken,
+Priesters, Klerken, Nonnen&mdash;ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tót
+onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder,
+Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van
+Nigromantie<a name="FNanchor_4_11" id="FNanchor_4_11"></a><a href="#Footnote_4_11" class="fnanchor">[4]</a>, daar hij groote schade meê dede. En het goud, dat zij
+roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze
+oorlog duurde zestien jaar.<a name="FNanchor_5_12" id="FNanchor_5_12"></a><a href="#Footnote_5_12" class="fnanchor">[5]</a></p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_8" id="Footnote_1_8"></a><a href="#FNanchor_1_8"><span class="label">[1]</span></a> <i>Lauiven</i>&mdash;Loan, in Picardië.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_9" id="Footnote_2_9"></a><a href="#FNanchor_2_9"><span class="label">[2]</span></a> <i>vrienden</i>&mdash;zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_10" id="Footnote_3_10"></a><a href="#FNanchor_3_10"><span class="label">[3]</span></a> <i>vromelijk</i>&mdash;dapper.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_11" id="Footnote_4_11"></a><a href="#FNanchor_4_11"><span class="label">[4]</span></a> <i>Nigromantie</i>&mdash;zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit
+<i>Νεκρωμαντεια</i></p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_12" id="Footnote_5_12"></a><a href="#FNanchor_5_12"><span class="label">[5]</span></a> <i>Genoten</i>&mdash;het kollegie der XII <i>Pairs</i>, die met Karei te
+recht zaten; zijn staf in den oorlog.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_DERDE_CAPITTEL" id="HET_DERDE_CAPITTEL"></a>HET DERDE CAPITTEL</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van
+Ardennen, om peis met hem te maken. </p></blockquote>
+
+
+<p>De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van
+Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde,
+moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen
+over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met
+Haymijn en zijn volk.</p>
+
+<p>Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij
+Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem
+eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de
+oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden
+u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan
+beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten
+van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij
+hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe
+in wat hun goed docht.</p>
+
+<p>Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij
+schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn
+magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan
+had.</p>
+
+<p>Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot
+Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode,
+opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis
+mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien,
+en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den
+Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen
+aanname over mijn neve!"</p>
+
+<p>Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den
+Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot
+Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn
+neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en
+al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij
+hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij,
+noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'</p>
+
+<p>Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had
+gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden;
+hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn
+vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van
+Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning
+Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat
+zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen
+dochte.</p>
+
+<p>Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene
+hij hun aangezegd en geschreven had&mdash;zij waren des goedwillig den zoen
+aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door
+Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem
+zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat,
+alzoo hij hem bij brieven gemeld had&mdash;dat hij te vrede waar den peis aan
+te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere
+woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert
+kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem
+eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en
+zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis
+en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve,
+gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'</p>
+
+<p>En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge
+Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de
+meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden
+den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het
+andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.</p>
+
+<p>Daar werd ontboden voor den Koning&mdash;Adelbert en Madelgijs: en toen zij
+voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden
+en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om
+aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen
+oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief
+bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn
+zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn
+weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen
+zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.</p>
+
+<p>Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze
+blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij
+cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.</p>
+
+<p>En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis
+kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman,
+met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende
+vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met
+300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor
+Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij
+mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde
+onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft;
+ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als
+Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap
+vereenigd.</p>
+
+
+
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIERDE_CAPITTEL" id="HET_VIERDE_CAPITTEL"></a>HET VIERDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij
+haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat
+hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde. </p></blockquote>
+
+
+<p>Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid
+ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere
+zijde ging Roelant<a name="FNanchor_1_13" id="FNanchor_1_13"></a><a href="#Footnote_1_13" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+<p>Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede
+Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf
+hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning
+ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte
+over zijn neve, hij zoû hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te
+betalen.'</p>
+
+<p>Intusschen kende Koning Carel&mdash;Haymijn en zijnen magen toe wat zij
+zouden winnen op de Heidenen<a name="FNanchor_2_14" id="FNanchor_2_14"></a><a href="#Footnote_2_14" class="fnanchor">[2]</a>, dat ze 't vrij houden mochten, zonder
+van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn
+vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den
+zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk
+'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname
+aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en
+dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met
+hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar
+Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot
+Parijs.</p>
+
+<p>En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont,
+toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden
+en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en
+wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener
+waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels
+zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken
+waar ik mag aan lijf en goed!"</p>
+
+<p>Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer
+leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En
+Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.</p>
+
+<p>Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar
+werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en
+geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat&mdash;maar Vrouwe Aye niet; zij was
+zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.</p>
+
+<p>Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne
+waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter
+rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne,
+en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij
+dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle
+Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was
+zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en
+ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.</p>
+
+<p>Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij
+ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
+geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij
+het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.</p>
+
+<p>Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een
+klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van
+kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.</p>
+
+<p>Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van
+een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de
+gevaders waren Bisschop Tulpijn<a name="FNanchor_3_15" id="FNanchor_3_15"></a><a href="#Footnote_3_15" class="fnanchor">[3]</a> en Grave Willem<a name="FNanchor_4_16" id="FNanchor_4_16"></a><a href="#Footnote_4_16" class="fnanchor">[4]</a>; en het kind werd
+heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk
+gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't
+toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne
+wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't
+vernam.</p>
+
+<p>Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij
+was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den
+zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar
+kerkgang gedaan.</p>
+
+<p>En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't
+verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat
+kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.</p>
+
+<p>Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en
+Adelaert werd hij genaamd.</p>
+
+<p>Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar
+bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen
+dat Haymijn dood was.</p>
+
+<p>Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend
+paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw
+hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte,
+en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem
+wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook,
+blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de
+zale.</p>
+
+<p>En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had
+Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier
+was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den
+sperwer.</p>
+
+<p>Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en
+Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij
+vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.</p>
+
+<p>Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands
+verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning
+Carel.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_13" id="Footnote_1_13"></a><a href="#FNanchor_1_13"><span class="label">[1]</span></a> <i>Roeland</i>:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_14" id="Footnote_2_14"></a><a href="#FNanchor_2_14"><span class="label">[2]</span></a> <i>Heidenen</i>: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_15" id="Footnote_3_15"></a><a href="#FNanchor_3_15"><span class="label">[3]</span></a> <i>Bisschop Tulpijn</i>: mede een van Carels Pairs of Genoten,
+die den Rijksraad uitmaakten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_16" id="Footnote_4_16"></a><a href="#FNanchor_4_16"><span class="label">[4]</span></a> <i>Willem</i>: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van
+Gellone.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIJFDE_CAPITTEL" id="HET_VIJFDE_CAPITTEL"></a>HET VIJFDE CAPITTEL</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen
+Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet
+wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede
+ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en
+hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat
+hij vier Kinderen hadde&mdash;'t welk hem zeer
+verwonderde&mdash;en hoe hij hem bereidde ze Ridder te
+slaan. </p></blockquote>
+
+
+<p>Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof
+hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke
+en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen,
+Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem
+in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen
+gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u
+is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde&mdash;alzoo dat ik voortaan de
+wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in
+ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom
+wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone
+Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet
+als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."</p>
+
+<p>Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning,
+het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is
+Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd&mdash;'t en kan nochtans
+niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."</p>
+
+<p>Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik
+hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk,
+van heel Christenrijk!"</p>
+
+<p>Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier
+ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van
+den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn
+goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes
+weken: 't was daarom, dat hij menige&mdash;overmoedige krijgstocht tegen uw
+volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde
+en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud
+daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de
+voeten mede."</p>
+
+<p>En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel:
+"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne
+en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren
+geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij
+de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet
+voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen
+is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden,
+magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze
+doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om
+Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden
+wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."</p>
+
+<p>Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet,
+is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt
+terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem
+zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot
+borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en
+verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."</p>
+
+<p>Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht
+die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden
+zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"</p>
+
+<p>Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant,
+Willem van Orangiën<a name="FNanchor_1_17" id="FNanchor_1_17"></a><a href="#Footnote_1_17" class="fnanchor">[1]</a>, Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning
+stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?'
+'t Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met
+kostelijke tuigen van goud en zijde.</p>
+
+<p>Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne
+paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te
+paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de
+hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte,
+zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land,
+en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden:
+daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.</p>
+
+<p>En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn
+kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de
+uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen
+verraad en oploop.</p>
+
+<p>Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield
+den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders
+komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn
+Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem
+van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder;
+de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die
+mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit
+oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.&mdash;Zij moeten
+iets gewichtigs te boodschappen hebben."</p>
+
+<p>Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe,"
+zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer
+Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe
+de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor
+den overmoedigsten man der waereld."</p>
+
+<p>Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op
+zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en
+kostelijken blioud<a name="FNanchor_2_18" id="FNanchor_2_18"></a><a href="#Footnote_2_18" class="fnanchor">[2]</a> van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij
+hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de
+knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij
+hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke
+Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.</p>
+
+<p>De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het
+binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders,
+Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo
+stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de
+vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet
+verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete
+woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u
+noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent
+niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge;
+hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig
+nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van
+Christenrijk."</p>
+
+<p>Haymijn hoorde wel het gesprokene&mdash;maar andwoordde niet. Als hij zijne
+vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn
+verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner
+eere, mogen nêerslaan&mdash;ze zouden hem niet ontkomen zijn.</p>
+
+<p>Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij
+u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te
+kroonen.&mdash;Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne
+veroordeeling, toch andwoord geven!"</p>
+
+<p>Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan.
+Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam
+eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide:
+"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw
+schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"</p>
+
+<p>Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en
+heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.</p>
+
+<p>Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer,
+wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van
+Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt&mdash;is dorperheid...." En eer zij
+het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de
+hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en
+zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen
+spreken&mdash;schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was
+uitgebroken.</p>
+
+<p>En hierbij stonden de vier ridders&mdash;Grave Roelant en Bertram de
+krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en
+zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend
+binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo
+gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en
+haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche
+Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een
+vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde
+hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen
+antwoord!"</p>
+
+<p>En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te
+zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de
+ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de
+ongelukkigste vrouw ter waereld."&mdash;"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.</p>
+
+<p>"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig
+jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een
+kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn
+land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen
+doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen
+zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij
+mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van
+hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van
+hen gegrepen&mdash;God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden.
+Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;...
+liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû."</p>
+
+<p>Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij
+kinderen hadt, luttel of vele&mdash;zoudt gij ze dooden?"&mdash;"Voorwaar," zegt
+hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en
+behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen&mdash;zijn lieven kroost, dat
+hij voor al de waereld bemint!"&mdash;"Zoo waren het dan verloren eeden, die
+gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden
+zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"&mdash;"Woorden, hetzij door
+dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen
+waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik&mdash;God
+betere 't!"</p>
+
+<p>&mdash;"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw
+kinderen vreedzaam bejegenen zult&mdash;wilde 't geval, dat gij er vondt."</p>
+
+<p>Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen;
+maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen&mdash;want ik weet
+niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."</p>
+
+<p>Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met
+mij&mdash;gij zult ze zien!"</p>
+
+<p>Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging
+met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij
+name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de
+zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen&mdash;daar hem zeer naar
+verlangde.'</p>
+
+<p>Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen
+waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.</p>
+
+<p>Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier
+niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer
+stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en
+Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat
+gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels
+geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij
+noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier
+den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van
+opstonden!"</p>
+
+<p>Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die
+tale staakt."&mdash;"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout
+trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen
+heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar
+wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet
+zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij
+Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker&mdash;hij is zoo wreed en
+hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend
+volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."</p>
+
+<p>Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met
+toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden&mdash;Haymijn&mdash;die ellendige? des
+zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet
+een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden&mdash;en
+dien Haymijn het eerst!"</p>
+
+<p>Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en
+zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik
+zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"</p>
+
+<p>&mdash;"En van de anderen twijfelt gij?"</p>
+
+<p>Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van
+herten."</p>
+
+<p>Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht,
+dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer.
+Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem
+over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet
+gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier
+eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."</p>
+
+<p>Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde
+hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met
+een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel
+jonkman, en wil mij niet slaan&mdash;ik ben dijn Vader; van dezen avond zal
+ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?&mdash;&mdash;zoo
+ware mij leed, dat ik had geslagen."</p>
+
+<p>Het eerste kuste Haymijn&mdash;Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en
+Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard
+aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.</p>
+
+<p>"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u
+euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."</p>
+
+<p>Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere
+waerd zijt Ridder te worden."&mdash;"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij
+behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en
+sterk&mdash;zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten
+Hove."</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_17" id="Footnote_1_17"></a><a href="#FNanchor_1_17"><span class="label">[1]</span></a> <i>Willem van Orangiën</i>: deze Paladijn, uit het Huis van
+Narbonne, en Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden,
+dienden dus toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar
+hield het geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_18" id="Footnote_2_18"></a><a href="#FNanchor_2_18"><span class="label">[2]</span></a> <i>blioud</i>: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie
+Viollet le Duc, op het woord <i>Bliaut</i> (Dict. du mob., III, I, 38&mdash;60).</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZESDE_CAPITTEL" id="HET_ZESDE_CAPITTEL"></a>HET ZESDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en
+hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat
+berijden, dat vele Heeren aanzagen. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij
+spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem
+komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer
+kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem
+'t zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet
+op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken,
+dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele
+ongerechte daden bedreven&mdash;dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een
+vroom Ridder, heusch<a name="FNanchor_1_19" id="FNanchor_1_19"></a><a href="#Footnote_1_19" class="fnanchor">[1]</a> in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch
+land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen
+en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft.
+Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb
+t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij
+daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij
+op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."</p>
+
+<p>Toen liet Haymijn&mdash;Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand,
+zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde
+hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien
+men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden
+ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om
+Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch
+kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij
+moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."</p>
+
+<p>Daarna maakte Haymijn&mdash;Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den
+anderen Kinderen gezeid had.</p>
+
+<p>Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede
+was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn
+in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide
+Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een
+Espetijn<a name="FNanchor_2_20" id="FNanchor_2_20"></a><a href="#Footnote_2_20" class="fnanchor">[2]</a>: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt
+hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en
+Valencijn<a name="FNanchor_3_21" id="FNanchor_3_21"></a><a href="#Footnote_3_21" class="fnanchor">[3]</a>, maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te
+vechten."</p>
+
+<p>Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor
+het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden
+ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout
+dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg
+'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij
+zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en
+tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van
+Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u
+voorbracht."</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm006.jpg" width="400" alt="De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is
+dood, ziet daar ligt hij." title="" />
+<p class="illus">De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is
+dood, ziet daar ligt hij.</p>
+</div>
+
+<p>Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat
+Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude
+dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen
+bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij
+sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde,
+dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout
+op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.</p>
+
+<p>Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone,
+bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht
+van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft
+er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een
+dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met
+nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert
+zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen
+kunnen korten, in de vlucht."</p>
+
+<p>Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende:
+"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"</p>
+
+<p>Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u,
+want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft
+een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."</p>
+
+<p>&mdash;"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware
+groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak:
+"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als
+Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met
+zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand
+eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.</p>
+
+<p>Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout
+vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en
+Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te
+zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men
+den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het
+Ros, en ik zal het u geven."</p>
+
+<p>Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de
+staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg
+Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter
+aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.</p>
+
+<p>Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende:
+"Och, mijn kind is dood!"</p>
+
+<p>Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter
+dan dy."</p>
+
+<p>De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar
+ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en
+ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."</p>
+
+<p>Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft
+zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch
+Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij
+zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de
+kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op
+de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den
+toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd
+omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus
+wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende,
+dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee
+scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen
+van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.</p>
+
+<p>Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen
+en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En
+Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde
+grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout
+een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was
+sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had.
+Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet.
+Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.</p>
+
+<p>Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn
+goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen
+en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan
+spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en
+breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden
+schutbladen<a name="FNanchor_4_22" id="FNanchor_4_22"></a><a href="#Footnote_4_22" class="fnanchor">[4]</a>, die zeer kostelijk waren.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_19" id="Footnote_1_19"></a><a href="#FNanchor_1_19"><span class="label">[1]</span></a> <i>heusch-, hoofsch-, hoveschheid</i> is het tegenovergestelde
+van <i>dorperheid,</i> en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in
+de form.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_20" id="Footnote_2_20"></a><a href="#FNanchor_2_20"><span class="label">[2]</span></a> <i>Espetijn (erspentijn, serpent?)</i>: draak.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_21" id="Footnote_3_21"></a><a href="#FNanchor_3_21"><span class="label">[3]</span></a> <i>Montagu</i> en <i>Valencijn (Valenciennes)</i>. In sommige
+bronnen: heet dit laatste <i>Valkensteyn.</i></p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_22" id="Footnote_4_22"></a><a href="#FNanchor_4_22"><span class="label">[4]</span></a> <i>Schutbladen</i>: zie de <a href="#La_bate_de_devant">noot 2</a> bij Carel en Elegast.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZEVENDE_CAPITTEL" id="HET_ZEVENDE_CAPITTEL"></a>HET ZEVENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove
+kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe
+Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van
+Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart<a name="FNanchor_1_23" id="FNanchor_1_23"></a><a href="#Footnote_1_23" class="fnanchor">[1]</a> en Kok, dat men
+Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle
+zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf
+hij niet. </p></blockquote>
+
+
+<p>De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen,
+en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al
+wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn
+Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren
+voorzien van eene volledige uitrusting.</p>
+
+<p>Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden
+ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar
+kwamen zij te Parijs<a name="FNanchor_2_24" id="FNanchor_2_24"></a><a href="#Footnote_2_24" class="fnanchor">[2]</a>.</p>
+
+<p>Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur
+sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij
+hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus
+genaakten zij ten Hove.</p>
+
+<p>Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk
+gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning
+Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn
+alzoo gedaan heeft.</p>
+
+<p>Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te
+trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en
+hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u
+haat en die u doodvijand is?"&mdash;"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik
+wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij
+moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."</p>
+
+<p>Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat
+ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij
+andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den
+Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en
+zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.</p>
+
+<p>Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning
+blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des
+dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch
+Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste
+in dertig jaren, dat de Koning&mdash;Haymijn ongewapend had gezien. Roelant
+bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad
+Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met
+Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'</p>
+
+<p>En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder
+Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste
+jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het
+verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast
+hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner
+van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.</p>
+
+<p>Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men
+ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze
+gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of
+niet."</p>
+
+<p>Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete
+u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij
+malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij
+dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."&mdash;"Voorwaar!" zeide Reinout:
+"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen
+met mijn lijf&mdash;maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur
+genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander
+Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was
+hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon
+landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde
+hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en
+ik élk begiftigen zal&mdash;zoo zal ik u niet geven!"</p>
+
+<p>Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik
+heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"</p>
+
+<p>Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel
+zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot
+uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met
+kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en
+Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk
+onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.</p>
+
+<p>Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men
+Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig
+Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd
+de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner
+waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar
+de honden meest liggen&mdash;zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een
+ieder werd gediend van spijs en drank&mdash;maar Haymijns kinderen gaf men
+niet.</p>
+
+<p>Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en
+zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep
+met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den
+voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit
+ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels
+name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat
+hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen,
+en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den
+Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout
+liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier
+is genoeg van alles."</p>
+
+<p>Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij
+vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.'
+Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder;
+daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets
+gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar
+sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn
+rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet
+verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok
+niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij&mdash;het
+blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den
+Koning, zwegen zij en gingen heen.</p>
+
+<p>Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de
+Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal
+hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het
+stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over
+de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt
+misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap&mdash;ik zegge u
+voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout
+zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder
+misdoen; sloegt gij mij&mdash;uw doodsuur lag daaraan."</p>
+
+<p>Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij
+nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout
+schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg
+den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode
+lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.</p>
+
+<p>Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij,
+die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik
+beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het
+zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl
+het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning
+weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was
+niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.</p>
+
+<p>Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en
+allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.</p>
+
+<p>Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk
+voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een
+bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.</p>
+
+<p>Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier
+nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten
+alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van
+ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde
+waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij
+vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den
+vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan
+toe&mdash;zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn
+broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.</p>
+
+<p>Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen
+bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun
+gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit
+hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt
+over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit
+hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.</p>
+
+<p>Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk
+aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren,
+gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met
+menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.</p>
+
+<p>De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en
+twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden
+zich bij hen.</p>
+
+<p>Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat
+op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een
+richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij
+Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek
+gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer
+over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder
+tijd!"</p>
+
+<p>De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop,
+insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen
+regen hem zijne mouwen vast.</p>
+
+<p>Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of
+zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen,
+opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen
+heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert&mdash;Drossaart,
+Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.</p>
+
+<p>Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de
+kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven<a name="FNanchor_3_25" id="FNanchor_3_25"></a><a href="#Footnote_3_25" class="fnanchor">[3]</a>, opdat
+hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet
+langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk
+ter kerke.</p>
+
+<p>Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk
+boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.</p>
+
+<p>Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk
+getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar
+hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.</p>
+
+<p>Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte
+Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men
+mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.</p>
+
+<p>Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en
+vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd
+geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de
+Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.</p>
+
+<p>Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een
+bezant<a name="FNanchor_4_26" id="FNanchor_4_26"></a><a href="#Footnote_4_26" class="fnanchor">[4]</a> van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten;
+toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en
+offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.</p>
+
+<p>Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij
+geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en
+hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den
+autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met
+vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En
+ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.</p>
+
+<p>Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn
+lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong,
+bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot
+en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.</p>
+
+<p>Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd
+had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte
+beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner
+onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief
+zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten,
+zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot
+zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij
+t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû
+spreken.</p>
+
+<p>Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene
+zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem,
+en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna
+groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met
+zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en
+hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.</p>
+
+<p>Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove
+gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten
+Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte.
+Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in
+de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee
+Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met
+zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle
+ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men
+dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove
+vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk
+er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren
+speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best
+mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant
+de tijd verdroot.</p>
+
+<p>Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en
+Vorsten.</p>
+
+<p>Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of
+leenen ontvangen wilden, hem volgden&mdash;hij zoude elk na zijnen staat
+mildelijk beschenken."</p>
+
+<p>Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een
+bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en
+gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na
+dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant
+of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren;
+luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.</p>
+
+<p>Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove,
+zonder zij alleen&mdash;en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen
+zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave
+Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en
+ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde
+lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij
+hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft
+gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften;
+en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij
+niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan
+de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders
+hem iets misdaan hebben."</p>
+
+<p>Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met
+hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of
+geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo
+eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne
+Kinderen en bracht ze voor den Koning.</p>
+
+<p>En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en
+groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden:
+"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste
+van uw broederen&mdash;het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik
+zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij
+van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in
+Poelgiën<a name="FNanchor_5_27" id="FNanchor_5_27"></a><a href="#Footnote_5_27" class="fnanchor">[5]</a>; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert,
+derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is
+schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide
+hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van
+Artezië, Angrico<a name="FNanchor_6_28" id="FNanchor_6_28"></a><a href="#Footnote_6_28" class="fnanchor">[6]</a> en Blois."</p>
+
+<p>Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen
+Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en
+kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.</p>
+
+<p>Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en
+gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns
+kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.</p>
+
+<p>Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn
+tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw
+giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw
+Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet
+toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun
+binnen kort weder nemen!"</p>
+
+<p>Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn
+Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een
+steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu
+ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."</p>
+
+<p>Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog
+eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer
+verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel&mdash;'t zal zich-zelf
+openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig
+jaar&mdash;wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als
+gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en
+sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik
+'t niet om mijn eigen eer&mdash;ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer
+vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den
+steen!"</p>
+
+<p>Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den
+steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig
+Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel
+Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk
+ontwierp hem een voet<a name="FNanchor_7_29" id="FNanchor_7_29"></a><a href="#Footnote_7_29" class="fnanchor">[7]</a>; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den
+prijs.</p>
+
+<p>Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo
+zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge
+grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij
+zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed&mdash;hij zoû u trekken bij
+den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu
+Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u
+beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het
+land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning
+Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt
+slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót
+u."&mdash;"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone
+Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst
+met mij werpen."</p>
+
+<p>Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten
+hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne
+kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen
+Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen
+liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide:
+"Vader! wat is u misdaan?&mdash;ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed
+verliezen."</p>
+
+<p>Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik
+stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te
+spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht,
+schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male.
+Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er
+nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den
+steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren
+moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij
+mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet
+wreekt, en den steen om het verste werpt met hem&mdash;-ik zal het besterven.
+Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar
+blijven."</p>
+
+<p>&mdash;"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is
+onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige
+daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner
+jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."</p>
+
+<p>"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke
+droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den
+steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."</p>
+
+<p>Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns
+vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem
+in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"</p>
+
+<p>Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk
+was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende
+Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.</p>
+
+<p>En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag.
+Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan
+Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van
+Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn
+worp overdoen&mdash;en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan
+hij!</p>
+
+<p>Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk
+wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het
+hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond
+gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen
+had.</p>
+
+<p>Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.</p>
+
+<p>Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.</p>
+
+<p>En Lodewijk nam den steen nog éen maal&mdash;en konde hem zoo ver niet werpen
+als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en
+monde uitsprong.</p>
+
+<p>Haymijn zag naar Reinout&mdash;dat hij zijn krachten aan den steen zoude
+toonen.</p>
+
+<p>Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen
+langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den
+steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.</p>
+
+<p>En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den
+steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen
+menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep:
+"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"</p>
+
+<p>En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven
+Reinout den prijs.</p>
+
+<p>En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen,
+die ge zijt! dwazen, die een huurling&mdash;die om geld gehuurd is (deze hier
+geve hem al uit voor zijn zoon!)&mdash;dus lofprijst! Een grove dorper zij
+soms zoo sterk als een Edeling&mdash;des is hij nog geen prijzens waerd."</p>
+
+<p>Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot
+Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."&mdash;Toen lachte Reinout en
+zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"&mdash;"Zegt mij, zone!" sprak
+Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten
+volle getoond&mdash;ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér
+ontworpen."</p>
+
+<p>En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde
+zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.</p>
+
+<p>Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat
+waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning
+groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen?
+Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat
+u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u.
+Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal&mdash;gaat dan in den
+boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen
+en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne
+Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en
+moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en
+kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan
+hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot
+Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij
+u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het
+niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan
+gij. En wil hij dan daartegen opkomen&mdash;zoo zult gij zeggen, dat drie van
+ons het gehoord hebben; en is 't van noode&mdash;wij zullen er nog wel meer
+toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene
+over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr,
+zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal
+zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen
+hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen<a name="FNanchor_8_30" id="FNanchor_8_30"></a><a href="#Footnote_8_30" class="fnanchor">[8]</a>. En
+aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en
+dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal
+durven doen."</p>
+
+<p>Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad,
+en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die
+'t schaakbord beter verstaat dan ik."</p>
+
+<p>Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een
+venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de
+Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde
+drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn,
+en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk,
+zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij
+van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de
+oogen neder en sprak niet.</p>
+
+<p>Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist
+niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan,
+dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den
+Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den
+muur sprong.</p>
+
+<p>Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen
+zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben
+vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar
+mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en
+Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den
+steen&mdash;maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester
+van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het
+wonder, dat ik toornig ben?"</p>
+
+<p>Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik
+God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken:
+en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't
+mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"</p>
+
+<p>&mdash;"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk&mdash;"maar ik eisch,
+dat ge mij volgt in een kamer&mdash;daar zullen wij een ander spel beginnen."
+Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in
+de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen
+zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te
+kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede
+oorkondden, en zeiden dat het waar was.</p>
+
+<p>Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet
+ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men
+bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.</p>
+
+<p>Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst
+zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen
+hoofd."</p>
+
+<p>Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo
+kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd
+zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten&mdash;dat
+doe ik gaerne!"</p>
+
+<p>Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik
+zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om
+uw hoofd en 'et mijne!"</p>
+
+<p>Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods
+Name&mdash;moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe
+ik mijn wil, want ware Lodewijk dood&mdash;ik droege nog eenmaal de kroon te
+Parijs." Lodewijk had den eersten zet&mdash;om dat hij des daags Koning
+gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder<a name="FNanchor_9_31" id="FNanchor_9_31"></a><a href="#Footnote_9_31" class="fnanchor">[9]</a>;
+zij namen elkander een Oude<a name="FNanchor_10_32" id="FNanchor_10_32"></a><a href="#Footnote_10_32" class="fnanchor">[10]</a>. Adelaert zei: "God ontferme zich
+mijner! mijn ongeluk is groot."</p>
+
+<p>De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen
+toon: "Had uw broeder den prijs van den steen&mdash;hier blijf ik uw meerder:
+in waarheid, ik voorzet 'et u&mdash;ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen
+afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning,
+zoo gij mijn hoofd wonnet&mdash;en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De
+Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor,
+ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"</p>
+
+<p>Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw
+bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder
+schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et
+hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots<a name="FNanchor_11_33" id="FNanchor_11_33"></a><a href="#Footnote_11_33" class="fnanchor">[11]</a>," zeide
+Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat
+hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden
+het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"</p>
+
+<p>Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met
+de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En
+Adelaert won vijf spelen achter-een.</p>
+
+<p>Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op,
+zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb
+gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer
+speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem
+verdroot uw leven."</p>
+
+<p>De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in
+'t aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper,
+zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne
+verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield
+ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.</p>
+
+<p>Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij
+Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie
+heeft u geslagen?"</p>
+
+<p>Adelaert andwoordde: "Niemant!"&mdash;"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult
+'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag."
+&mdash;"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede
+gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."</p>
+
+<p>Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd.
+Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst
+en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal,
+om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg
+'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit
+hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo
+gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp
+mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het
+zwaard op.</p>
+
+<p>Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel
+broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven&mdash;maar niet van uwe
+hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk
+beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't
+zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar
+kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning
+drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan;
+als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't
+schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen
+weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande
+houden&mdash;ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij
+der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en
+Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren
+zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over
+zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een
+schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding
+spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf
+spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op
+Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet
+meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't
+hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het
+schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."</p>
+
+<p>Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke
+dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_23" id="Footnote_1_23"></a><a href="#FNanchor_1_23"><span class="label">[1]</span></a> <i>Drossaart</i>:(hier) huismeyer, spijsverzorger,
+scbotelschikker.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_24" id="Footnote_2_24"></a><a href="#FNanchor_2_24"><span class="label">[2]</span></a> Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt
+gewoonlijk voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer,
+dat Dr. J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_25" id="Footnote_3_25"></a><a href="#FNanchor_3_25"><span class="label">[3]</span></a> <i>Markgrave</i> beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker
+is; hier zoû het zijn&mdash;bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het
+volk.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_26" id="Footnote_4_26"></a><a href="#FNanchor_4_26"><span class="label">[4]</span></a> <i>bezant: een</i> muntstuk.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_27" id="Footnote_5_27"></a><a href="#FNanchor_5_27"><span class="label">[5]</span></a> <i>Poelgiën</i>, Apulië.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_28" id="Footnote_6_28"></a><a href="#FNanchor_6_28"><span class="label">[6]</span></a> <i>Angrico</i>, Angers.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_29" id="Footnote_7_29"></a><a href="#FNanchor_7_29"><span class="label">[7]</span></a> <i>ontwierp hem een voet</i>: wierp een voet verder dan hij.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_30" id="Footnote_8_30"></a><a href="#FNanchor_8_30"><span class="label">[8]</span></a> <i>te verdingen</i>: af te kopen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_31" id="Footnote_9_31"></a><a href="#FNanchor_9_31"><span class="label">[9]</span></a> <i>Ridder</i>: paard.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_32" id="Footnote_10_32"></a><a href="#FNanchor_10_32"><span class="label">[10]</span></a> <i>Oude</i>: raadsheer.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_33" id="Footnote_11_33"></a><a href="#FNanchor_11_33"><span class="label">[11]</span></a> <i>Rots</i>: kasteel.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ACHTSTE_CAPITTEL" id="HET_ACHTSTE_CAPITTEL"></a>HET ACHTSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout&mdash;Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed
+in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen
+werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe
+Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze
+Koning Carel gevangen zoû leveren. </p></blockquote>
+
+
+<p>Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe
+Adelaert met Lodewijk gevaren was&mdash;van 't begin tot het einde. Toen
+Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende,
+en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet
+en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.</p>
+
+<p>Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en
+als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil&mdash;ik zal 'et
+hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich
+Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen
+een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij
+verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.</p>
+
+<p>Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in
+der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.</p>
+
+<p>Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij
+Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten.
+Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém
+eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep
+Reinout&mdash;Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd
+bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning
+Carels aangezicht sprong.</p>
+
+<p>En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne
+oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en
+riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen!
+die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het
+geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich
+haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis
+en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en
+reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van
+wapenen, op een schoone vlakte.</p>
+
+<p>Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"&mdash;"Geef mij
+Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het
+vlieden is ons geen schande&mdash;want Carel is onze Koning!"&mdash;"Dat en zal
+niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te
+vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij
+overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant
+vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"</p>
+
+<p>Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert&mdash;vertrouwen en
+blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem
+verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en
+blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en
+hun vijand klein achtten.</p>
+
+<p>Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast
+den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak
+den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den
+paerde viel.</p>
+
+<p>Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den
+zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde
+Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en
+menigen vijand onder den voet reed.</p>
+
+<p>Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in
+het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag
+niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat
+hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op
+hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen
+moest.</p>
+
+<p>Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze
+nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet
+vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus
+doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht
+dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir
+volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet
+waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels
+en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo
+snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't
+hem zeer leed.</p>
+
+<p>Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er
+veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien
+sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn!
+geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het,
+met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop
+tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde:
+"Indien men hem ving&mdash;ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de
+Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan
+was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel
+zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen
+verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen
+had'.</p>
+
+<p>Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem
+terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat
+waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit
+geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant:
+"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy
+hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo
+groote vromigheid<a name="FNanchor_1_34" id="FNanchor_1_34"></a><a href="#Footnote_1_34" class="fnanchor">[1]</a> gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning
+Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen;
+'t koste dat 't mag."</p>
+
+<p>Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij
+Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het
+voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"&mdash;"Neen ik," zeide
+Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat
+men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle
+om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden
+verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb
+hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat
+ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u
+misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad
+zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en
+moeder wijten?"</p>
+
+<p>&mdash;"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem
+kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat
+zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het
+hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen
+den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk
+hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en
+liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den
+Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen
+van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_34" id="Footnote_1_34"></a><a href="#FNanchor_1_34"><span class="label">[1]</span></a> <i>vromigheid: prouesse</i>.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_NEGENDE_CAPITTEL" id="HET_NEGENDE_CAPITTEL"></a>HET NEGENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in
+Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning
+Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte,
+om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's
+Konings Volk, die hun Koning wreken wilden. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids
+de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel
+te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar
+gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder
+waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was,
+"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."</p>
+
+<p>Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op
+dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was,
+en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat
+hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des
+Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels
+zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer
+bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen
+blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want
+zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij
+spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.</p>
+
+<p>De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij
+dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood
+wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe,
+de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze
+doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier
+met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van
+noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren
+werwaards zij hunnen weg zouden nemen.</p>
+
+<p>Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning
+Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen
+schreiden om hun wechreizen.</p>
+
+<p>Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij
+den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning
+verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag
+komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem
+waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te
+blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen
+ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel
+dat men de valbrug nederliete.</p>
+
+<p>De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet.
+Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en
+hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn
+broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."&mdash;"Wildy
+gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat,
+Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God
+Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn
+kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen
+Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen
+zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en
+zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar
+uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij
+bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik
+hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij
+blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden
+van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat,
+dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't
+kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.</p>
+
+<p>Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar,
+en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden,
+vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht
+noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning,
+dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en
+dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf
+men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en
+zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem
+het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig
+aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en
+wisten wij niet, waar ons te onthouden."&mdash;"Wat is ons aan dit verblijf
+gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het
+zoude onder onze handen koper worden."</p>
+
+<p>Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem,
+dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet&mdash;het zal
+hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen."
+De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en
+als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning,
+mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven
+hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide:
+"Zeg uw Heeren&mdash;inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!&mdash;dat ik ze
+noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve
+vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal
+doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte
+de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de
+Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem
+met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem
+daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en
+liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.</p>
+
+<p>Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy
+dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout
+hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet,
+Heer!"&mdash;"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze
+have<a name="FNanchor_1_35" id="FNanchor_1_35"></a><a href="#Footnote_1_35" class="fnanchor">[1]</a> eischtet?"&mdash;"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet
+meer een penning."&mdash;"Zeide hij dat?" riep Reinout.&mdash;"Ja hij, Heere! en
+hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche
+ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart
+dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet
+mij in 'et vuur."</p>
+
+<p>Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide:
+"Ik beveel u en Writsaert&mdash;Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal
+en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét
+mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels
+slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij
+ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn
+hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."</p>
+
+<p>&mdash;"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat
+beters!"&mdash;"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere
+daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en
+Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.</p>
+
+<p>Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert
+vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg.
+"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints
+wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel
+hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een
+spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer
+het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze
+nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die
+slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders
+niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem
+stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet
+kleeden&mdash;geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u
+kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen
+daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede,
+dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog
+berouwen!"</p>
+
+<p>De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik
+zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave
+u kleederen noch schat."</p>
+
+<p>Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om
+dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen
+hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!&mdash;Maakt u des wech&mdash;men geeft u niet
+een mijte!"</p>
+
+<p>&mdash;"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die
+woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe
+trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en
+zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....&mdash;</p>
+
+<p>"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons
+inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en
+gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het
+binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof
+groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat
+geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar
+Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn
+gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en
+'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote
+felheid.</p>
+
+<p>Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout
+te paerd gezeten&mdash;en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met
+machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en
+Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den
+buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij
+Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros
+verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders
+wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot,
+zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat
+zij veel volks versloegen.</p>
+
+<p>Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te
+dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af
+sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij
+Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in
+stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om
+zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen&mdash;en
+hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert
+sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd
+was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren
+moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus
+reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij
+stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde
+hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.</p>
+
+<p>"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn
+bedwang&mdash;nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te
+sneven."&mdash;"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan
+niet zijn!"</p>
+
+<p>Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo
+lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden
+vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de
+goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en
+konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren
+zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van
+overbleef.</p>
+
+<p>"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak
+Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed,"
+zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."</p>
+
+<p>&mdash;"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker
+verblijf."&mdash;"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.&mdash;"Bij Ywein van
+Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand,
+daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste
+van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan,"
+ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en
+er een goed verblijf vinden."</p>
+
+<p>"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.</p>
+
+<p>"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.</p>
+
+<p>Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat
+zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.</p>
+
+<p>In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert
+zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat
+Yweins slot."&mdash;"Welk is 'et?" zeide Reinout. &mdash;"Naast aan de rotsen; bij
+dat woud: dat hooge kasteel&mdash;daarginds &mdash;met dien breeden ringmuur en
+die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"</p>
+
+<p>&mdash;"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en
+elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders;
+legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij
+elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij
+namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.</p>
+
+<p>Zij spoedden zich onverpoosd voort.</p>
+
+<p>Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de
+wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden
+zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de
+Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide
+hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend
+nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij
+God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"</p>
+
+<p>Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar
+de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden &mdash;om hen te zien
+en het Ros met de schoone gestalte.</p>
+
+<p>Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de
+Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem
+te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd
+voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem
+neder.</p>
+
+<p>"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en
+dag, en u uit ál ons vermogen helpen."</p>
+
+<p>Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten
+mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."&mdash;"Dat loone u God!"
+sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." &mdash;"Zoo 't u
+gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."&mdash;"Al-te-gader,"
+zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn,
+de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere
+Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel
+ridder. Nu kent gij onze namen."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_35" id="Footnote_1_35"></a><a href="#FNanchor_1_35"><span class="label">[1]</span></a> <i>have</i>: goed.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TIENDE_CAPITTEL" id="HET_TIENDE_CAPITTEL"></a>HET TIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan
+met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe
+Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich
+versterkte tegen den grooten Koning Carel van
+Frankrijk. </p></blockquote>
+
+
+<p>Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen
+maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde,
+dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter
+genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen
+wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne
+wonden genezen waren.</p>
+
+<p>Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun
+knijven en zwaerden vervegen<a name="FNanchor_1_36" id="FNanchor_1_36"></a><a href="#Footnote_1_36" class="fnanchor">[1]</a>: hunne harnasplaten waren mede
+vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe,
+prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in
+den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros
+Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de
+goede Ridders zaten moedig op.</p>
+
+<p>Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar
+het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit
+Ywein groote schade gedaan werd.</p>
+
+<p>Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij
+binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.</p>
+
+<p>Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in
+zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan
+drie jaren.</p>
+
+<p>Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en
+heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij
+erfschap gekomen ware.</p>
+
+<p>De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner
+steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem
+dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met
+goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.</p>
+
+<p>Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar
+kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu
+zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem
+aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen
+zone Lodewijk zoû uitleveren."</p>
+
+<p>Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning &mdash;en
+spoedig bracht men hem voor Ywein.</p>
+
+<p>"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel,
+de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."</p>
+
+<p>De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond<a name="FNanchor_2_37" id="FNanchor_2_37"></a><a href="#Footnote_2_37" class="fnanchor">[2]</a> hem en
+las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij
+hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk
+hadden doodgeslagen.'</p>
+
+<p>Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en
+riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden,
+opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.</p>
+
+<p>"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak?
+Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze
+den Koning niet&mdash;zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad
+geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik
+toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen
+land."</p>
+
+<p>Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk
+voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in
+zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn
+oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't
+ook niet&mdash;u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en
+brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de
+keel."</p>
+
+<p>Hugo van Averne<a name="FNanchor_3_38" id="FNanchor_3_38"></a><a href="#Footnote_3_38" class="fnanchor">[3]</a> sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer
+Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u
+verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen
+dienst&mdash;zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij
+verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw
+vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert&mdash;uw huismeyer<a name="FNanchor_4_39" id="FNanchor_4_39"></a><a href="#Footnote_4_39" class="fnanchor">[4]</a>.
+Verriedt gij ze&mdash;'t ware een wandaad."</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm007.jpg" width="400" alt="Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar
+gewapend nader." title="" />
+<p class="illus">Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar
+gewapend nader.</p>
+</div>
+
+<p>Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop
+sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout:
+"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning!
+En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn
+van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge
+kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren&mdash;daar is alom menig
+Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën
+kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije,
+in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk&mdash;de hoogsten van het land
+zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden.
+Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen
+gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk
+trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."</p>
+
+<p>Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere
+leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden
+spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem
+ten spijt&mdash;ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als
+Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens
+Carel."</p>
+
+<p>Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en
+zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf<a name="FNanchor_5_40" id="FNanchor_5_40"></a><a href="#Footnote_5_40" class="fnanchor">[5]</a> aan uw eer
+gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen
+prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze
+zoû doen folteren en dooden&mdash;dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar
+volgt ge mijn raad, Heere&mdash;gij zult ze in Poelgiën of een ander land
+laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."</p>
+
+<p>Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij
+Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien
+vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te
+kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar
+vallen."</p>
+
+<p>Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning&mdash;ik had
+'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van
+Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan!
+nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer
+bewaren&mdash;zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem
+de rots aan de Gironde<a name="FNanchor_6_41" id="FNanchor_6_41"></a><a href="#Footnote_6_41" class="fnanchor">[6]</a>: hij zal er aanstonds een vaste burcht op
+bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen
+bij uw dochter te verwekken&mdash;dan is hij op het innigst aan u verbonden,
+en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den
+geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."</p>
+
+<p>&mdash;"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan,
+dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."</p>
+
+<p>De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.</p>
+
+<p>"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.</p>
+
+<p>"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij
+met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw
+broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er
+aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend
+maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in
+Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee<a name="FNanchor_7_42" id="FNanchor_7_42"></a><a href="#Footnote_7_42" class="fnanchor">[7]</a>&mdash;ik
+zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen
+voorzien.... Nu zegt mij&mdash;wilt ge handelen als de wijzen, en mijn
+voorstel aanvaerden?"</p>
+
+<p>&mdash;"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons
+een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld
+niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde
+staat een rots&mdash;wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang,
+waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel
+en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."</p>
+
+<p>Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er
+mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw
+op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in
+dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal
+met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig
+opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn
+broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw
+zone&mdash;zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste
+Jonkvrouwe van Christenrijk!"</p>
+
+<p>Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder
+bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij
+mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse
+geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en
+zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."</p>
+
+<p>Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en
+ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein
+geroepen.</p>
+
+<p>"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen
+mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone
+Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft
+van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken,
+opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij
+u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"</p>
+
+<p>&mdash;"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone,
+roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er
+bij."</p>
+
+<p>Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.</p>
+
+<p>Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden
+werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met
+éen woord, een groote, goede bruiloft.</p>
+
+<p>Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche
+land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met
+zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als
+goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen
+aanstonds het huis te vesten.</p>
+
+<p>Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had.
+Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen;
+twee paar muren gingen er om rond.</p>
+
+<p>Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij
+zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen,
+vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500
+personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten
+wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen
+koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede
+gesticht.</p>
+
+<p>En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te
+komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij:
+"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk
+kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"</p>
+
+<p>&mdash;"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't
+Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."</p>
+
+<p>&mdash;"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op
+kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_36" id="Footnote_1_36"></a><a href="#FNanchor_1_36"><span class="label">[1]</span></a> <i>vervegen</i>: op zwaardvegerswijze herstellen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_37" id="Footnote_2_37"></a><a href="#FNanchor_2_37"><span class="label">[2]</span></a> <i>ontwond</i>: ontdeed van het zegelkoord.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_38" id="Footnote_3_38"></a><a href="#FNanchor_3_38"><span class="label">[3]</span></a> <i>Averne</i>: Auvergne.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_39" id="Footnote_4_39"></a><a href="#FNanchor_4_39"><span class="label">[4]</span></a> <i>huismeyer</i>: hofmeester.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_40" id="Footnote_5_40"></a><a href="#FNanchor_5_40"><span class="label">[5]</span></a> <i>geen kaf</i>: zooveel als niets.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_41" id="Footnote_6_41"></a><a href="#FNanchor_6_41"><span class="label">[6]</span></a> <i>Gironde</i>: mond van Dordogne en Garonne.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_42" id="Footnote_7_42"></a><a href="#FNanchor_7_42"><span class="label">[7]</span></a> <i>Zuidzee</i>: Middellandsche Zee.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ELFDE_CAPITTEL" id="HET_ELFDE_CAPITTEL"></a>HET ELFDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt
+was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en
+dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden
+"Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde. </p></blockquote>
+
+
+<p>Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob.
+Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel
+het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot
+Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben
+doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo
+schoon."&mdash;"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar
+zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk
+is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter
+verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen
+maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich
+over 't water zetten.</p>
+
+<p>Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein&mdash;Reinout met zijn dochter gegeven
+had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat
+schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'</p>
+
+<p>Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt
+hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'</p>
+
+<p>De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen
+timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo
+men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk;
+hij is uit zijn land verdreven."</p>
+
+<p>&mdash;"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout.
+Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet
+Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van
+den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning
+Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn
+broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der
+burcht, aangelegd een schoone stad."</p>
+
+<p>&mdash;"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt
+hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven
+met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht
+stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en
+tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem
+kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en
+verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."</p>
+
+<p>Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als
+hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en
+zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u
+gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw
+onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem
+gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket
+genade: en hij zal ze u doen."</p>
+
+<p>Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot
+Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet
+ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever
+zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."&mdash;"Wilt gij u dan tegen Koning
+Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone
+Lodewijk!"&mdash;"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten
+manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij
+als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen&mdash;ik wil hem
+Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem
+als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit
+zeggen?&mdash;Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met
+mij te dreigen."</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide:
+"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet
+mijn boodschap aan den Koning."</p>
+
+<p>Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid
+Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een
+scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden
+in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer
+gedaan.'</p>
+
+<p>Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en
+keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in
+Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout,
+verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te
+helpen.</p>
+
+<p>Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij
+kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde
+Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang.
+En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et
+hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn
+Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts
+burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TWAALFDE_CAPITTEL" id="HET_TWAALFDE_CAPITTEL"></a>HET TWAALFDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te
+zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen
+de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En
+hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe
+Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze
+wilde doen hangen. </p></blockquote>
+
+
+<p>Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert,
+zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al
+zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is
+daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van
+rouw."</p>
+
+<p>&mdash;"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet
+wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij
+daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik
+niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't
+mag, ik moet mijne moeder zien."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen
+gaan in 't bosch van Bordeas<a name="FNanchor_1_43" id="FNanchor_1_43"></a><a href="#Footnote_1_43" class="fnanchor">[1]</a> en verwachten daar de Pelgrims, en
+bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij
+onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders
+goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in
+het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren,
+kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren
+uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen.
+En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide
+Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen
+voor de onzen."</p>
+
+<p>Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat
+Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover
+geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't,
+dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een
+roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den
+Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben &mdash;maar een ander
+Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij
+aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als
+waren onze kleederen nog wat beter&mdash;doet 'er meê dat gij wilt."</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen
+broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns
+Kinderen, die ze aantrokken.</p>
+
+<p>Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze
+stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden
+menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.</p>
+
+<p>Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en
+vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier
+Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land,
+te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu
+hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat
+gij ons inlaat."</p>
+
+<p>Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet
+doen."&mdash;"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het
+wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren
+gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar
+toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart
+de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."&mdash;"Om Gods
+wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen!
+laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning
+Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood,
+God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat
+ze God van der dood behoeden wil!"</p>
+
+<p>Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij
+antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en
+spijzigen ter liefde der Jonkheeren."&mdash;"Dat loon u God!" zeide Reinout.
+Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen
+waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden
+gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"</p>
+
+<p>&mdash;"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout,
+"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën,
+en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst
+als thands."</p>
+
+<p>Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en
+drinken geven."</p>
+
+<p>De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen
+spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen
+mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne
+vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.</p>
+
+<p>Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag
+haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij
+ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt
+het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"</p>
+
+<p>De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide:
+"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte&mdash;ik
+duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal
+uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat
+zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij,
+Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel
+wijn niet drinken, als gij alleen doet."</p>
+
+<p>Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ...
+reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij
+dat ik u mijn leven lang danken zal!..."</p>
+
+<p>De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze
+hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder
+uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.</p>
+
+<p>Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder
+aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij,
+"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!&mdash;want had ik nog een schale, ik
+en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen
+onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout
+met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen
+van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene
+stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig
+werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op
+haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens
+wech van Reinout.</p>
+
+<p>Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide:
+"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt
+'et gezworen; en wilt gij 't niet doen&mdash;zoo zal ik tot den Koning rijden
+en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."</p>
+
+<p>Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en
+zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren
+op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn
+Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders
+begeven!"</p>
+
+<p>Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw
+Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze
+vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den
+Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij
+komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw
+Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende,
+werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder.
+"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een
+oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide:
+"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn
+Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere,
+Koning Carel, wien ik het gezworen heb."</p>
+
+<p>Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met
+veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God
+en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen
+over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft
+ons raad! Weet gij ons geen raad te geven&mdash;wij zijn verloren; want
+Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide:
+"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas,
+geen anderen raad!"</p>
+
+<p>Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en
+leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden
+voor de kamer staan.</p>
+
+<p>Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want
+hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert:
+"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns
+Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk
+te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef
+dood, of zeer gekwetst.</p>
+
+<p>Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de
+kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste;
+maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op;
+hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest
+waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne
+slagen.&mdash;Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en
+zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden
+zwak."</p>
+
+<p>Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den
+toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't
+Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich
+werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem
+vluchtte als den dood.</p>
+
+<p>Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven
+ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te
+zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij
+geraakt&mdash;het blijft er ál dood."</p>
+
+<p>Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met
+zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek
+loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter
+na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde
+Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader
+vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben,
+maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen!
+Sloegt gij onzen vader dood&mdash;die vreeselijke misdaad mochten wij
+nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij
+verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel
+verworven wij nimmermeer zoen!"</p>
+
+<p>&mdash;"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen
+vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem
+handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap
+aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem
+haastelijk tot Koning Carel."</p>
+
+<p>De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan;
+want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede."
+Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan,
+indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat
+Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.</p>
+
+<p>"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat
+ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude
+gedaan hebben."</p>
+
+<p>De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten
+leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de
+portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't
+paerd ligt?"</p>
+
+<p>Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de
+poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket<a name="FNanchor_2_44" id="FNanchor_2_44"></a><a href="#Footnote_2_44" class="fnanchor">[2]</a>, vragende den
+knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen
+zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit
+hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat
+hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's
+Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan;
+ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!"
+De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's
+Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den
+Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden.
+Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem:
+"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"&mdash;"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u,
+ontferm u mijner!"&mdash;"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn
+zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik
+'t vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards
+te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.</p>
+
+<p>Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich
+wapenen zouden; zoo Edel als onedel.</p>
+
+<p>En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk
+dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam
+te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot
+heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar
+tenten begonnen te slaan voor het kasteel.</p>
+
+<p>Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge
+is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons
+mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons
+geenen raad?"</p>
+
+<p>Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig:
+"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der
+muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als
+hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer
+mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan;
+hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun
+scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn
+broeders moest laten.</p>
+
+<p>Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden
+God voor hem.</p>
+
+<p>"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart!
+nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen,
+doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets,
+tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen
+bidden."</p>
+
+<p>Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en
+gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam,
+wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den
+Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij
+de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij
+gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en
+lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."</p>
+
+<p>Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan
+werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et
+bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te
+moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met
+heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.</p>
+
+<p>Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo
+lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te
+doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede
+de broeders zorgvuldig bewaken.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_43" id="Footnote_1_43"></a><a href="#FNanchor_1_43"><span class="label">[1]</span></a> <i>Bordeas</i>: Bordeaux.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_44" id="Footnote_2_44"></a><a href="#FNanchor_2_44"><span class="label">[2]</span></a> <i>winket</i>&mdash;deurtjen in eene poortdeure.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_DERTIENDE_CAPITTEL" id="HET_DERTIENDE_CAPITTEL"></a>HET DERTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn
+broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of
+men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning
+dede bieden met den bode. </p></blockquote>
+
+
+<p>Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te
+Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders
+had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen
+had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om
+de Heeren, al dat te Montalbaen was.</p>
+
+<p>Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op
+het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende
+zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders
+brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'</p>
+
+<p>Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die
+sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer
+beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen
+en bespieden? ik zoû noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros,
+moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!'</p>
+
+<p>Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in
+euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!"
+De man zeide: "Zoû ik u volgen met een inzicht ten kwade?&mdash;dat waar niet
+welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf
+mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik
+verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij
+dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide
+Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk:
+maar alvorens dijn boodschap te doen&mdash;begeer eenen borg tot zekerheid en
+vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan,
+doe dijne boodschap."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik
+ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in
+mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij
+nimmermeer op en stond."</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor
+zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg
+hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de
+meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf
+opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner
+ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter
+zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en
+voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen
+de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert,
+mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn
+kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik
+doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner
+broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't
+land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is
+'t, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen
+met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn
+Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven
+noch om dood.</p>
+
+<p>"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod&mdash;zeg hem dan, dat
+ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen
+klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en
+betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het
+zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij
+des nachts gaat te mettene<a name="FNanchor_1_45" id="FNanchor_1_45"></a><a href="#Footnote_1_45" class="fnanchor">[1]</a>: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de
+kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zóo&mdash;zóo, zal
+ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en
+peis geven."</p>
+
+<p>Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide
+zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning,
+mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer
+kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap
+eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale,
+zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop
+Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat
+zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve
+bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad
+toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning
+onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen&mdash;ik zal het
+oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht
+proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne
+broeders daar niet sterven zullen!&mdash;Maar, ik zegge dy," vervolgde
+Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast
+geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren."</p>
+
+<p>De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen:
+het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout
+oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale.</p>
+
+<p>En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon
+de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een
+staf, nochtans en woû hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste
+besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den
+Koning op zijn kniën, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op,
+en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik
+brenge u eene goede boodschap!"</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt
+ons met wat boodschap gij beladen zijt."</p>
+
+<p>De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult,
+begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel
+ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn
+boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen,
+zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en
+zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er
+Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der
+sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn."</p>
+
+<p>De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name
+liever een borge door wien ik zonder vreeze ware."</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze
+twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend:
+niemant ter waereld durft u tegengaan."</p>
+
+<p>Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen,
+ik had gaerne andere borgen."</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: &mdash;ik
+zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij
+moogt veilig zonder vreeze zijn."</p>
+
+<p>De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik
+liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden."</p>
+
+<p>Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst
+hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden,
+zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen."</p>
+
+<p>De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne
+eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen."</p>
+
+<p>Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en
+zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt
+te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog
+éénmaal&mdash;en ten laatste!"</p>
+
+<p>Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te
+kiezen geleide&mdash;zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge
+wezen!"</p>
+
+<p>De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in
+gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden
+mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone.</p>
+
+<p>"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet
+herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer
+Koning, dat God u lange spare! U groet één, de bedroefdste man die in de
+waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de
+Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw
+zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade
+wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt.
+Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te
+nemen&mdash;hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben:
+zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen
+die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met
+goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als
+Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter
+eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn
+eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk
+Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen
+ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken
+of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle
+dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal
+hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of
+gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware
+'t dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood
+begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid&mdash;wilt hem en zijn
+broeders genadig zijn!"</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen
+zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet
+en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt&mdash;zoo zal hij
+komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters,
+kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de
+kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen."</p>
+
+<p>Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De
+bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en
+zijn broeders niet in genade ontvangen wilt&mdash;hij zal u doen 'et zelve
+dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de
+mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij
+zal u éénmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en
+slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."&mdash;"Bij God!" riep de
+Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde
+dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare,
+die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij
+goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne
+zale, zonder goed geleide&mdash;ik zeg u, in der waarheid! ik had den
+schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan."</p>
+
+<p>"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen
+hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van
+Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op
+zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn
+magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den
+Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders
+oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet
+brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar
+bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et
+leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde
+beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult
+voornemen."</p>
+
+<p>Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht
+mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die
+Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem
+bestaat? Wie het doet&mdash;hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie
+dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam
+zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel
+Grave! bestaat hij u&mdash;of niet?"</p>
+
+<p>Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants
+wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker
+geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot
+Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u
+vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn
+vriend wil ik altijd wezen."</p>
+
+<p>Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht,
+die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en
+stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide:
+"Heer Koning! nog gisteren."</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?"
+De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros
+Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had.</p>
+
+<p>&mdash;"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning,
+"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u
+beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode
+antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij
+Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer
+vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning
+grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een
+zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout&mdash;ware 't niet,
+dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel&mdash;want nooit heb
+ik boden zulke tale hooren voeren."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_45" id="Footnote_1_45"></a><a href="#FNanchor_1_45"><span class="label">[1]</span></a> <i>Te mettene gaan</i>: in de kerk de getijden van middernacht
+gaan bidden.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VEERTIENDE_CAPITTEL" id="HET_VEERTIENDE_CAPITTEL"></a>HET VEERTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat
+wederkreeg door hulpe van Madelgijs. </p></blockquote>
+
+
+<p>Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich
+waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde,
+meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote
+rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende
+dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo
+kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij
+reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad
+van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er
+Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild.</p>
+
+<p>Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te
+krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging;
+daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde.</p>
+
+<p>Nu zijn gekomen twaalf knechten om voêr te halen, zoo zij dagelijks
+plachten te doen.</p>
+
+<p>En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en
+zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van
+Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden
+gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat
+zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs.</p>
+
+<p>Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij
+binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen
+en Jonkvrouwen.</p>
+
+<p>Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij
+hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot
+geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot
+Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze."
+Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf
+knechten Beyaert brachten.</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten
+Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!"
+andwoordde Roelant.</p>
+
+<p>'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de
+knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te
+vangen: ik woû dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den
+raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden
+neder en zeiden:</p>
+
+<p>"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte."
+&mdash;De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij
+'t vingen?"</p>
+
+<p>Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden."
+De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' &mdash;zij zeiden 'neen,'
+"van hem en weten wij niet."</p>
+
+<p>"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het
+u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij
+Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden,"
+zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik
+hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan
+heeft."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den
+knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen&mdash;doet
+ze stokslagen geven."</p>
+
+<p>De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe
+als Roelant gezeid heeft."</p>
+
+<p>En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had.</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en
+koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik
+u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan
+dat er iets aan het Ros miskwame."</p>
+
+<p>Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en
+zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert
+berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen."</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik
+het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den
+Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik
+Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten
+zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de
+vrije beschikking over hem."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en
+berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."&mdash;"Zoo
+doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen
+moet ons deze komen."</p>
+
+<p>Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het
+berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u&mdash;beidt dan tot Zondag;
+hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen
+zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en
+hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen."</p>
+
+<p>Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en
+sliep!</p>
+
+<p>Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en
+terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als
+hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag
+rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft.</p>
+
+<p>En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven:
+hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog
+zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend
+rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart
+ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et
+is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het
+ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn
+broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en
+hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht
+hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft
+den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met
+werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude,
+maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en
+geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat
+doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij
+toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve.</p>
+
+<p>Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het
+dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van
+Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken
+ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij
+hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid
+waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van
+lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de
+oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen
+meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok
+en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette
+hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag
+en had, sints ik geboren ben."</p>
+
+<p>Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste
+leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe
+allernaast."&mdash;"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed,
+dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze
+gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En
+bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man
+van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van
+de rouw, daar 'k in sta."&mdash;"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak
+Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal
+uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de
+dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik
+ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provenciën en tot
+St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van
+Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man,
+als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!"</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm008.jpg" width="400" alt="Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste
+leiden." title="" />
+<p class="illus">Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste
+leiden.</p>
+</div>
+
+<p>Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te
+spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!"</p>
+
+<p>Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij
+geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders,
+opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?"</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven."
+Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en
+van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende:
+"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan
+uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye,
+mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is
+'t dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout,
+zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te
+wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat
+gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn."</p>
+
+<p>&mdash;"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen
+schande ware, een Pelgrim te slaan&mdash;ik zoû uw onbeschaamdheid u doen
+rouwen."</p>
+
+<p>&mdash;"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij
+geslagen, dien ik aalmoezen vroeg&mdash;ik waar voor vijftig jaar reeds dood:
+want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in
+kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave&mdash;waarvan zoû ik
+leven?"</p>
+
+<p>&mdash;"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden."</p>
+
+<p>&mdash;"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende
+uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille&mdash;hebdy iet meer,
+dat gij mij geven wilt&mdash;zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden
+uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet."</p>
+
+<p>&mdash;"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er
+wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder;
+St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden
+van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn
+kunne ontvlieden&mdash;want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt
+ben, hij dede mij hangen."</p>
+
+<p>Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn
+reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets
+behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was
+Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij
+valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult
+weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim
+ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!"
+riep Madelgijs, "sloegt ge me nog &mdash;het zoû u kwalijk komen; ik zoude
+mij weeren!"&mdash;"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u&mdash;al waart
+gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zoû mij, zoo ik slaan
+wilde, géén ontgaan."</p>
+
+<p>&mdash;"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik
+kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd
+en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag
+weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en
+veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren.</p>
+
+<p>Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij
+bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den
+rug&mdash;daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord
+staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik
+verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel
+Beëlzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het
+bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen
+en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek
+hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij
+niet, neve Reinout?"</p>
+
+<p>&mdash;"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?"</p>
+
+<p>Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had,
+viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt
+mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij
+te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn
+toeverlaat!"</p>
+
+<p>Madelgijs zeî: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u
+heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn
+harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak.
+Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood,
+en dede hem twee oude hozen aantrekken.</p>
+
+<p>Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde
+Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en
+mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over
+zijne oogen.</p>
+
+<p>Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na,
+om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en
+hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder
+jongelingen en koene Ridderen.</p>
+
+<p>Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij
+neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of
+Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde.</p>
+
+<p>"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te
+gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten."</p>
+
+<p>&mdash;"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan."</p>
+
+<p>Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden
+dag!"&mdash;"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al
+menigen mensche overleefd," vervolgde éen hunner. &mdash;"Ik bid God, dat hij
+mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven,"
+sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u
+Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!"</p>
+
+<p>Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de
+nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven."</p>
+
+<p>De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige
+kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als
+schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen
+gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd
+"Christelijk", en dusdanig éen als die, welke den Heere met zijn
+Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde.</p>
+
+<p>Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met
+eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een
+arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet
+in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den
+wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg&mdash;dat gij
+hier wilt nederknielen in gebede&mdash;want ik mij kwalijk bevinde en hebbe
+geen halve stonde meer te leven."</p>
+
+<p>En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken
+stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in
+kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met
+een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond,
+en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en
+sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn
+verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar
+dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en
+zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop
+laat kussen, dien gij daar bij u hebt...."</p>
+
+<p>&mdash;"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij
+Madelgijs meê nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang
+verloren geweest, om de zonden des volks...."</p>
+
+<p>&mdash;"En mag niet weêr verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de
+gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende
+aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop
+ontliep hij den anderen met den schat.</p>
+
+<p>Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij
+best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen éen hem
+tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend neêrstortte;
+en, na elkander, ook de beide laatsten.</p>
+
+<p>Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat,
+uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve!
+ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en
+rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge,
+voor wij aankwamen."&mdash;"Ké<a name="FNanchor_1_46" id="FNanchor_1_46"></a><a href="#Footnote_1_46" class="fnanchor">[1]</a>, oom!" zeide Reinout&mdash;"ik duchte, dat gij
+iets kwaads gemaakt hebt!"&mdash;"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs;
+"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders."
+Reinout deed als hem gezegd werd.</p>
+
+<p>De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in
+den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag
+en den tijd, dat Roelant&mdash;Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de
+stad, als vroeger gezegd is.</p>
+
+<p>Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in
+was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de
+stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot
+Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik
+weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre
+geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt."</p>
+
+<p>Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs
+riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen
+wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en
+doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne,
+en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en
+dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den
+penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn
+tasch.</p>
+
+<p>Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar
+buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude.</p>
+
+<p>Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn
+kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en
+zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne
+reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf
+Madelgijs&mdash;Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet
+uwe sporen aan uw voeten."&mdash;"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk,
+oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik
+Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe
+voeten&mdash;'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u
+Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt,
+zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize,
+als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden."</p>
+
+<p>En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van
+poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van
+landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen.
+Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij
+Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk
+zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel.</p>
+
+<p>"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der
+Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er
+eene: "'t Is Roelant, die Ferragute<a name="FNanchor_2_47" id="FNanchor_2_47"></a><a href="#Footnote_2_47" class="fnanchor">[2]</a> versloeg." Eene andere jonkvrouw
+zeide: "'t Is Olivier!"&mdash;"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van
+Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken
+Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed&mdash;nam daar éene het woord,
+die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een
+schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen
+vroegen, wie de Ridder was?&mdash;"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een
+Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij
+niet gebannen, hij zoû de schoonste man wezen, die van dezen dag over de
+brugge gaan zoude."</p>
+
+<p>Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte.
+Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet&mdash;en
+lacht niet!"&mdash;"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout:</p>
+
+<p>"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen."</p>
+
+<p>Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over
+de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden
+hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen
+was, hadden 'et elk aan een koord.</p>
+
+<p>Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en
+den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond.</p>
+
+<p>"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims
+staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken
+dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide:
+"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is."</p>
+
+<p>Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert
+tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende
+zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op
+de brug heen ende weder.</p>
+
+<p>En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u
+deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds
+genoeg: ik zegge u voorwaar&mdash;hadde ik mijnen kop meenen te verliezen
+door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik
+en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de
+Koning van Vrankrijk, die zoowél der armen luttel goed bewaakt, als dat
+der rijken, die veel hebben."</p>
+
+<p>&mdash;"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil
+'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt
+werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en
+kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met
+zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en
+genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede
+gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een
+Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt."</p>
+
+<p>Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de
+Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel
+gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep
+nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong.
+"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs,
+"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid
+ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen
+ontkomen: want wij vreezen 'et zeer."</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop."</p>
+
+<p>&mdash;"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren
+gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome
+heeft er Misse mede gedaan...."</p>
+
+<p>&mdash;"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat
+ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er
+hier simonie<a name="FNanchor_3_48" id="FNanchor_3_48"></a><a href="#Footnote_3_48" class="fnanchor">[3]</a> gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den
+kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?"</p>
+
+<p>&mdash;"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den
+Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning
+ben."&mdash;"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig
+tot u gesproken heb."&mdash;"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel
+moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar
+geeft mij den kop&mdash;ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land
+in levenslang gebruik."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen&mdash;ten zij ge vergeeft al
+den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem
+den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...."</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone
+Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem
+niet kwijtschelden. Ook is daar éen, geheeten Madelgijs, een snoode
+toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen
+hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?"</p>
+
+<p>&mdash;"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan
+niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet."</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal
+God bidden, dat Hij uwen gezel geneze."</p>
+
+<p>"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig
+dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde
+t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap
+verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze
+vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert
+berijden kon&mdash;hij zoû genezen van al zijne kwalen.'"</p>
+
+<p>-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder
+tijd."</p>
+
+<p>Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet
+wat het uitwerken kan."</p>
+
+<p>&mdash;"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden
+prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!"</p>
+
+<p>Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om
+dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!"</p>
+
+<p>De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide
+hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb
+toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle&mdash;Beyaert bestijgen laat!"</p>
+
+<p>Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook
+de Pelgrims kwamen daar met groote moeite.</p>
+
+<p>En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel
+Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et
+aan zijn herstel bevorderlijk zij!"</p>
+
+<p>Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem
+niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen
+had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er
+deernis meê, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte
+er weêr af aan dezen.</p>
+
+<p>"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij
+aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er
+weder af&mdash;hij zal 'et besterven."</p>
+
+<p>Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast,
+dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op
+Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte.</p>
+
+<p>Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den
+zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels.</p>
+
+<p>Eilaas, daarmeê waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het
+goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd!</p>
+
+<p>"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alléén
+rijden," zeide de Koning.</p>
+
+<p>"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij
+ook zien en hooren?"&mdash;"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te
+boven!"</p>
+
+<p>&mdash;"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?&mdash;Heer Bisschop!
+doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote
+gunst gedaan."</p>
+
+<p>Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En
+Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf
+het goede Ros de sporen.</p>
+
+<p>Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e
+zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten,
+dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die
+ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal
+'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten&mdash;voorwaar het zal hem den
+hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren
+uit, en scheen groote rouwe te bedrijven.</p>
+
+<p>Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem,
+riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden
+vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug."</p>
+
+<p>En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren
+Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van
+Borgondiën; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen
+mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een
+boogscheut afstands.</p>
+
+<p>Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten
+laatste zag hij de Genoten.</p>
+
+<p>'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten
+kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware&mdash;ik
+zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden
+trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader
+kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout
+hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood
+gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder
+koen!"</p>
+
+<p>&mdash;"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij ü hier
+vinden zouden."</p>
+
+<p>&mdash;"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde
+de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat
+gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim,
+die bij den Koning stond?"&mdash;"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het
+antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet
+niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve
+Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve!
+om uwent-wille!"</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap,
+die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide
+nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede,
+dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en
+gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen."</p>
+
+<p>Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u,
+Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw
+broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den
+Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders
+voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader&mdash;ik
+zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout
+verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam.
+"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang
+verdienden loon!"</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge
+u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen
+op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede
+neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van
+de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_46" id="Footnote_1_46"></a><a href="#FNanchor_1_46"><span class="label">[1]</span></a> <i>Ké</i>&mdash;een uitroep.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_47" id="Footnote_2_47"></a><a href="#FNanchor_2_47"><span class="label">[2]</span></a> <i>Ferragute</i>: een reus.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_48" id="Footnote_3_48"></a><a href="#FNanchor_3_48"><span class="label">[3]</span></a> <i>Simonie</i>: een handel, door de Kerk ten strengste verboden,
+waarbij voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan
+verbonden is, méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of
+kunst-waarde; het <i>verkoopen</i> van al wat slechts geestelijke waarde
+heeft, wordt als zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. <i>Hand. der
+Apost</i>., Hoofdst. VIII, v. 18&mdash;20.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL" id="HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL"></a>HET VIJFTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden,
+dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning
+Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop
+Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere
+Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot
+Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning
+daar hij lag en sliep in zijne kamer. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den
+Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap
+zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen
+Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal
+'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en
+nemen de schuld op mij."</p>
+
+<p>Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij
+Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen,
+"Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap
+bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de
+Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning.</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De
+Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" &mdash;"Heer," sprak hij,
+"ik neem de schuld op mij."&mdash;"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning
+streng.</p>
+
+<p>"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den
+sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent
+Beyaert&mdash;gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan
+niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na
+gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de
+schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen
+vangen&mdash;alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij
+trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg
+vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij
+verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was
+ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." &mdash; "'t
+Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich
+onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem
+ondoenlijk was."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en
+laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die
+zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschiên."</p>
+
+<p>Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij
+overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen
+en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik
+wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God
+genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep:
+"Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!"</p>
+
+<p>Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt
+mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven
+lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over
+zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon
+'et u Heer Koning!"</p>
+
+<p>En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele
+Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze
+straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen
+langer uitstel."</p>
+
+<p>De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor
+hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen
+binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had
+hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven
+voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch
+en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is."</p>
+
+<p>"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak
+nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten
+nog heden doen hangen."</p>
+
+<p>De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige
+magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u,
+zoo gij ze ter dood laat brengen."</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"&mdash;"Neen ik," zeide de
+Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen&mdash;en gij zult
+u niet kanten tegen uwen Koning."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij&mdash;maar tegen deze
+wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten
+tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden
+zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en
+zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze
+laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning!
+daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met
+machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal
+men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten."
+Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en
+hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zoû
+laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon.</p>
+
+<p>Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij
+zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen&mdash;'t moge
+gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen
+mij&mdash;wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de
+Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u
+leven en sterven willen.</p>
+
+<p>Toen trad de Bisschop naar éene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen,
+die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij
+komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings
+kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer
+Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was
+Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondiën, en zeide: "Heer
+Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen,
+die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije;
+daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem
+Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van
+Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hém daartoe
+niemant aangezocht!</p>
+
+<p>Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de
+oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?&mdash;Ik zie wel, ik
+heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove
+gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van
+alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in
+de nood!"</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar
+ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u
+voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij
+zijn uw vleesch en bloed!"</p>
+
+<p>Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven
+laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke
+zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat
+uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in
+hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat
+verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning
+zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar
+voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn
+hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware
+geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren
+nu over u voldoende gewroken zijn." Met-één ging hij daar de drie Heeren
+zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien
+en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren
+hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!"</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen
+zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude
+ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land."</p>
+
+<p>Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is
+er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op
+zijn grijzen baard.</p>
+
+<p>De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie
+Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten,
+zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste:
+laat ze verdingen."</p>
+
+<p>De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde,
+heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en
+doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en
+begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter
+waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze
+drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle
+leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste
+komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest
+waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede
+scheidde de raadsvergadering der Heeren.</p>
+
+<p>En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te
+verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet
+beter van ure tot ure of Koning Carel zoû ze doen hangen.</p>
+
+<p>Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning
+Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat
+zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den
+portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten
+wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen
+trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht
+te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u,"
+zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier
+nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had
+slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de
+vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van
+gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp
+zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten.</p>
+
+<p>Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en
+banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et
+Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die
+de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig.</p>
+
+<p>Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit
+pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze
+zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan &mdash;wij moeten
+sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden."
+En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis meê had, en
+zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom
+Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert
+zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!"
+Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse."
+Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker.</p>
+
+<p>Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die
+de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de
+gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten
+den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem
+en gedaante des portiers&mdash;"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk
+ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich
+wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik
+misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal
+gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet
+medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal
+u geen verlof geven&mdash;dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo
+lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de
+Heeren, en ging tot den Koning.</p>
+
+<p>Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings
+bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele
+geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven
+uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en
+ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren
+leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit
+hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet
+met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om
+zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij
+blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op
+Montalbaen.</p>
+
+<p>Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef
+als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede
+veiligheid.</p>
+
+<p>Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en
+waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist
+hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et
+werkelijk geschied ware.</p>
+
+<p>En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat
+'er àan was&mdash;droom of wezenlijkheid.</p>
+
+<p>En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar
+hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie
+zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt
+was.</p>
+
+<p>Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem
+groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg
+opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZESTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ZESTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ZESTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd
+was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel,
+en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad
+verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg. </p></blockquote>
+
+
+<p>Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en
+spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning
+Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe
+mare."&mdash;"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een
+kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem
+gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter
+achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem
+hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche
+Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd
+duchte, eer gij daar komt."</p>
+
+<p>Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide
+hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg&mdash;nu bidde ik u, dat gij
+derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000
+mannen."</p>
+
+<p>Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier:
+"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met
+8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier,
+de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome
+mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der
+vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen
+over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en
+gingen uit elkander om zich reede te maken.</p>
+
+<p>Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in
+schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.</p>
+
+<p>De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve
+Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij
+ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en
+stond met gestrekte handen.</p>
+
+<p>Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel
+toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.</p>
+
+<p>De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al
+schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"</p>
+
+<p>Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.</p>
+
+<p>De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met
+zijne scharen: God wil ze beschermen!"</p>
+
+<p>Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den
+Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien&mdash;zoo
+vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle
+strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij
+liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam
+reden zij naar Keulen.</p>
+
+<p>Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij
+dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij
+in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands
+van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het
+Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.</p>
+
+<p>Als de Heidenen&mdash;de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij
+mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de
+twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en
+vele Ridders van den paerde gestooten.</p>
+
+<p>Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de
+Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van
+wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir
+grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door
+Roelant.</p>
+
+<p>Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen
+werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn
+paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo
+krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant
+verstelde noch verschoot er niet af.</p>
+
+<p>De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot
+niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende
+wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe,
+dat hij hem kloofde tot den paerde.</p>
+
+<p>Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen
+Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo
+strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er
+60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden
+bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een
+geharnasten Heiden in tweeën.</p>
+
+<p>Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met
+sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig
+Sarazijn met der dood bekocht.</p>
+
+<p>Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den
+zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden,
+daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.</p>
+
+<p>En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen
+Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden
+daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den
+Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs
+kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren
+vriendelijk wellekom.</p>
+
+<p>De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning
+Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den
+oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant
+heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u,
+Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille,
+hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie
+zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone
+daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe
+Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende,
+en het de kroone won. </p></blockquote>
+
+
+<p>De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve
+Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros
+meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik
+zulk een Ros, ik zoû 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout
+dwingen."</p>
+
+<p>En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle
+landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen
+uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen
+Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of
+behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle
+paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt
+gij er Reinout meê dwingen."</p>
+
+<p>Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze
+liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij
+zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat
+hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een
+staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede,
+de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar
+best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant,
+dat hij u daarmede dwinge."&mdash;"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht
+brengst du mij! waar zoû hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zoû
+onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar
+ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik
+zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!"</p>
+
+<p>Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem:
+"Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel
+heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op
+eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne,
+het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den
+gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat
+'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij
+daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te
+krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al
+zijn opzet van geener waerde."</p>
+
+<p>"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt;
+maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt."</p>
+
+<p>Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij
+dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs
+bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn
+paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen.</p>
+
+<p>Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen.
+En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en
+namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die
+hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat
+Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was,
+ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en
+elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap.</p>
+
+<p>Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen
+daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen
+boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam
+Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt
+hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al
+zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur&mdash;want
+hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een
+jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde
+gehad.</p>
+
+<p>Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders,
+zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs
+ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert
+veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf
+zoo wit als sneeuw.</p>
+
+<p>Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is
+Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het
+Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe!
+onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen."
+Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die
+zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."&mdash;"Nu laat ons
+de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch
+Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen."</p>
+
+<p>Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen;
+hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant
+van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten.</p>
+
+<p>Ondertusschen&mdash;het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders
+gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij
+liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den
+Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik
+zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te
+winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen."</p>
+
+<p>"Wat zegt gij, bode?" andwoordde dé Koning; "ik weet, dat Reinout hier
+niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarmeê winnen!" &mdash;"Edel Heer
+Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans
+Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs."</p>
+
+<p>Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide:
+"Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult
+trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga;
+en is 't dat gij hem vindt&mdash;zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als
+zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u
+met goud opwegen."</p>
+
+<p>Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit,
+en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout
+wierd gevangen<a name="FNanchor_1_49" id="FNanchor_1_49"></a><a href="#Footnote_1_49" class="fnanchor">[1]</a>: want de wegen zijn nauw bezet!</p>
+
+<p>Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van
+Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en
+Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman
+wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar
+Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde&mdash;zoo
+zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw
+volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!"</p>
+
+<p>Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs.
+Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo
+zoetelijk in Brittaansch of gij geen Françoisch en kondet."</p>
+
+<p>Op dat oogenblik zag Fouke&mdash;Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij
+sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat
+doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand!
+laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien
+wij ongedeerd gaan kunnen."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw
+woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant
+kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten
+mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op
+Reinout toe en hadde een lancie in de hand.</p>
+
+<p>Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij
+ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde
+vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?&mdash;God
+helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar
+gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik
+zoude zeggen dat hij 't was."</p>
+
+<p>Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke:
+"Spreekt Françoisch!&mdash;de Booze moog dy verstaan! &mdash;Vaar heen en heb
+ramp!"</p>
+
+<p>Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet
+verslagen?"&mdash;"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van
+vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem
+verstaan: want hij is gekomen uit Brittaniën." Toen stak Naymes zijn
+zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat
+'t paerd maar loopen mocht.</p>
+
+<p>Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en
+zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete
+woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide:
+"Spreekt Françoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale
+van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels
+naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt
+mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs
+andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind,
+maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij,
+van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn
+geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en
+maaksel."&mdash;"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want
+'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling,
+mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot
+zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil
+koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout
+daarmeê te dwingen&mdash;'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker
+hopende de kostelijke kroon te winnen."</p>
+
+<p>&mdash;"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde:
+"Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's
+Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed
+na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat
+wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te
+Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen
+heel Senlis, Blois en Amiëns." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit
+de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven."</p>
+
+<p>Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t'
+vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'&mdash;"Neen wij, Heer Koning!"
+antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een
+onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben
+zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen
+Amiëns en Orleans."&mdash;"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt
+wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des,
+en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost&mdash;ware 't dat
+mij Reinout ontkwame!"</p>
+
+<p>&mdash;"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe
+blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en
+Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of
+men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen
+zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!"</p>
+
+<p>Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort
+30 gewapende mannen.</p>
+
+<p>En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten
+aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn
+hoofd door het klinket<a name="FNanchor_2_50" id="FNanchor_2_50"></a><a href="#Footnote_2_50" class="fnanchor">[2]</a>, en zag daarbinnen een gewapend man staan;
+dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom
+doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat
+alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij
+al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten."</p>
+
+<p>Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!"
+Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik
+heb gehoord dat hij vóór of achter is, en het sterk op 's Konings oneere
+heeft toegelegd."</p>
+
+<p>Bij Reinout stond een rabout<a name="FNanchor_3_51" id="FNanchor_3_51"></a><a href="#Footnote_3_51" class="fnanchor">[3]</a>, en zeide: "Zag ik ooit Reinout&mdash;zoo zie
+ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit:
+Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond
+dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor
+zijn borst, dat hij dood viel.&mdash;"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs,
+"'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide:
+"Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is
+witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een
+gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien
+jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden.</p>
+
+<p>Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en
+als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden
+werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden.</p>
+
+<p>Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong
+Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij
+Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo
+dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te
+wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en
+Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad
+in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien
+van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten
+had.&mdash;Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn
+Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die
+geen goed paerd en had, was verdrietig.</p>
+
+<p>Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en
+Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat
+zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet,
+deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone
+winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en
+geen geld daaraan sparen."</p>
+
+<p>Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God
+mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de
+kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al
+lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u
+kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad
+en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde
+stappen maken."</p>
+
+<p>Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te
+winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en
+brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter
+sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste,
+en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren.</p>
+
+<p>Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met
+zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere
+zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van
+Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te
+winnen, een groot eind voor.</p>
+
+<p>"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone
+winnen?&mdash;dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat
+gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers
+doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen
+moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning,
+werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat
+zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij
+dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft
+een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zoû zeggen dat
+'et Beyaert ware."</p>
+
+<p>Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout
+verre vóor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de
+staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de
+kroone wech.</p>
+
+<p>Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever,
+verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal
+ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is,
+wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout
+andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros
+zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld
+niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en
+geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit
+Reinout&mdash;zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn
+bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne
+kroone weder!" Reinout zeî: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is
+mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze
+een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat
+Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van
+paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zoû!... Dat
+mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!"</p>
+
+<p>Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast
+aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?"
+&mdash;"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!"</p>
+
+<p>&mdash;"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zoû ons niet
+baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner
+tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning!
+gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn
+paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat
+hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij
+reden te zamen in Montalbaen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_49" id="Footnote_1_49"></a><a href="#FNanchor_1_49"><span class="label">[1]</span></a> '<i>'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen</i>:
+Reinout werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_50" id="Footnote_2_50"></a><a href="#FNanchor_2_50"><span class="label">[2]</span></a> <i>klinket</i>, ook <i>winket</i> genaamd: hier een luikjen in een
+poortdeur.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_51" id="Footnote_3_51"></a><a href="#FNanchor_3_51"><span class="label">[3]</span></a> <i>rabout</i>: slechte knaap.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ACHTTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel&mdash;Koning Ywein ontbood, toen hij Hof
+hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne
+broeders leveren zoude in Koning Carels geweld. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de
+prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want
+Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij
+een andere kroone moest doen maken.</p>
+
+<p>Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem
+waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning
+Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten
+Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als
+de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en
+ging met hem in een duistere welf.</p>
+
+<p>Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en
+zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog
+wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was
+niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het
+goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van
+Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud
+beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat
+het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op
+een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning
+Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"&mdash;"Maar laat niemant van ons opzet
+vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam
+hij 'et, hij zoû mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel;
+want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."&mdash;"Vreest niet," zeide
+Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet
+ontgaan om geen goed."</p>
+
+<p>Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale
+gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En
+Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere
+Heeren, en reed met haaste na zijn land.</p>
+
+<p>En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof
+aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning,
+"ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar
+Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer<a name="FNanchor_1_52" id="FNanchor_1_52"></a><a href="#Footnote_1_52" class="fnanchor">[1]</a>,
+gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder
+harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen,
+ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud."
+Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings
+woorden, want zij hadden het goud lief.</p>
+
+<p>Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel<a name="FNanchor_2_53" id="FNanchor_2_53"></a><a href="#Footnote_2_53" class="fnanchor">[2]</a> van den heire."
+Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te
+volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na
+Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten.</p>
+
+<p>Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongiën
+gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te
+vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter
+jachte te Bordeas in 'et woud.</p>
+
+<p>God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden
+mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch
+kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen
+op zijnen schilde.</p>
+
+<p>"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus
+bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat
+ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder:
+want wij hebben te lange gejaagd."</p>
+
+<p>Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van
+Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout
+uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse,
+mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede
+achtergelaten!"</p>
+
+<p>En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide:
+"Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te
+zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij
+zijn!"</p>
+
+<p>Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout
+dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein
+zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." &mdash;"Waarom hebt gij mij
+niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen,
+met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn."</p>
+
+<p>&mdash;"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen
+betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw
+boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt."
+Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van
+vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn
+leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom
+bieden? zal ik voor den Koning op de kniën vallen?" Ywein zeide: "Gij
+zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken,
+wollen en barvoets."</p>
+
+<p>Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des
+ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn
+hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300
+mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze
+mij en mijn broeders te hulp kwamen!"&mdash;"Dat en mag niet zijn,"
+andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alléén derwaards trekken;
+gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt,
+dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van
+Arragon, zonder wapens in uwe kleederen."</p>
+
+<p>Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zoû ik zoo in Vaucoloen
+varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein
+zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!"</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide
+Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve
+vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt
+is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van
+onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn
+peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!"</p>
+
+<p>&mdash;"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en
+komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht
+mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een
+verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft
+in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in
+Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."&mdash;"Zoû
+ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te
+Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen."</p>
+
+<p>&mdash;"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u
+zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel
+gewapend: zoo mag u geen kwaad geschiên: want, acht! ik ben zoo zeer
+bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil,
+zoo gaat&mdash;gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo
+smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de
+vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn."</p>
+
+<p>Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen
+Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met
+uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf
+behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw
+peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen
+moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats
+vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als
+de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht
+bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan
+derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden
+heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!"
+sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik
+hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons
+geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij
+kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware,
+vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den
+voetval doen."</p>
+
+<p>Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen
+halen, en de mantels daar ze in rijden zouden.</p>
+
+<p>De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe;
+zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier
+zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zoû niet
+gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van
+doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en
+verborg ze onder zijne kleederen.</p>
+
+<p>Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de
+Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam!</p>
+
+<p>Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et
+herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in
+dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."&mdash;, "Gij zegt
+waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en
+wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"&mdash;"Hoe is
+'t u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?"
+Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat
+ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!"</p>
+
+<p>Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft
+Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof
+wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen
+zeiden de broeders: "Reinout laat ons vliên, want Koning Ywein heeft ons
+verraden."&mdash;"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad
+niet zoude plegen!" zeide Reinout.</p>
+
+<p>Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien,
+en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de
+Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke
+was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den
+hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als
+hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw
+goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en
+binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen."</p>
+
+<p>Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord
+zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u,
+wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden,
+opdat ik den Koning te voet valle!"&mdash;"Ik zegge u, Reinout," antwoordde
+Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om
+20000 kroonen."</p>
+
+<p>Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den
+Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij
+God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever
+dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd
+hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout
+doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den
+muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie
+vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag,
+riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en
+hebbe geen nood."</p>
+
+<p>Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en
+gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn
+vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten
+goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij,
+broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte
+lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u
+schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt
+ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en
+anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn
+paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout
+aan.</p>
+
+<p>Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout
+met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de
+speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo
+vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst.
+"God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen
+voeren den Koning."</p>
+
+<p>Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig
+mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde,
+hebben zijn broeders elk een François van den paerde geveld en de rossen
+bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden
+wij&mdash;want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft
+ons verraden."</p>
+
+<p>&mdash;"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand;
+wijk ik heden eenen man&mdash;God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden
+stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en
+vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn
+broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags.</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder
+harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan
+de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal
+u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts
+broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de
+harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven
+zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze
+wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie
+broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om
+Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen.</p>
+
+<p>Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met
+veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout
+te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert
+gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond
+zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de
+waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert
+andwoordde niets.</p>
+
+<p>Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat
+Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging.</p>
+
+<p>Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen
+broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen &mdash;van
+Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en
+ontzetten hem!"</p>
+
+<p>&mdash;"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen:
+Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er
+af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle."</p>
+
+<p>&mdash;"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij
+lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem
+den Koning, die hem hangen zoû, ware 't dat hij hem kon meester worden?
+Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat
+zoû men zeggen?&mdash;'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning
+Carel strijden wilden: schande over hen&mdash;want de Koning heeft éen
+broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!"</p>
+
+<p>Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd,
+dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht
+Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte<a name="FNanchor_3_54" id="FNanchor_3_54"></a><a href="#Footnote_3_54" class="fnanchor">[3]</a>: zoo veel was
+Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert
+gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den
+stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen
+slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet
+ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u
+zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O
+genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai,
+Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn
+broeders: mij ziedy nu nimmer weêr."</p>
+
+<p>Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam&mdash;niet als een
+mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze
+truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout
+zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn
+is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle
+dood."</p>
+
+<p>Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij
+nabij kwam in tweeën: doodde nog twee andere: de overigen boden geen
+weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en
+zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde
+blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!"</p>
+
+<p>Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter
+slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u
+voor God: gevalt het u weêr&mdash;ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide:
+"Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef
+onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen:
+dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn
+weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem
+onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den
+zadel.</p>
+
+<p>"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen,
+den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u
+binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen."</p>
+
+<p>Maar Reinout was reeds weêr bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke
+kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt
+mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep
+Reinout.</p>
+
+<p>En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en
+zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat
+heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om
+niet: hij heeft 'et met de dood bekocht."</p>
+
+<p>Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed
+op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij
+van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee
+rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak
+hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk
+om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en
+vochten als deze broeders deden.</p>
+
+<p>Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren
+konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en
+hij viel in onmacht.</p>
+
+<p>Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder
+Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide
+Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave
+Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde.</p>
+
+<p>Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den
+dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder!</p>
+
+<p>Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert:
+maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur
+niet wederstaan en konden.</p>
+
+<p>Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep
+met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders
+volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de
+rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen.</p>
+
+<p>Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel
+steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe,
+en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo
+snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij
+bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk.</p>
+
+<p>Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig.</p>
+
+<p>Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns
+Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij&mdash;lieden moogt u wel klagen
+vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne
+helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u
+niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag."</p>
+
+<p>Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier:
+"O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"&mdash;-"Calon, gij liegt
+daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader
+wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds
+geboet."</p>
+
+<p>De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet&mdash;gij zoudt
+verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet
+langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet,
+ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer
+betichtet met verradenis."</p>
+
+<p>De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige
+stede getrouwelijk gediend&mdash;maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg
+u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze
+den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo
+wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog
+langer strijden."</p>
+
+<p>&mdash;"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards
+doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis
+pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse
+trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem
+verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave
+heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?"</p>
+
+<p>&mdash;"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders
+begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een
+vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier&mdash;want, zoo helpe mij God!
+ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen
+zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar
+mij leed."</p>
+
+<p>Ogier zag Reinout met zijn broeders op de kniën liggen, en zeide:
+"Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide:
+"Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide:
+"Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't
+ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons
+nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem
+dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den
+verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu
+zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien
+mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft
+hij aan mij!"</p>
+
+<p>Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt
+deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u
+geleiden!"</p>
+
+<p>Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als
+hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen."
+Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik
+niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben
+hier hooger zake: dunkt het u goed &mdash;ik zal vertrekken, en gij zult met
+uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven
+willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg,
+wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik
+zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag."</p>
+
+<p>Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en
+Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken.</p>
+
+<p>Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was
+belegerd&mdash;had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer
+lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten
+bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij
+onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en
+vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had.</p>
+
+<p>Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de
+burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot
+den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want
+Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel
+een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger."</p>
+
+<p>De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout
+zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond
+ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een
+berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij
+blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd
+met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de
+dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar
+hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt
+gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet
+verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk
+slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw
+wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht
+Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging
+Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in
+den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert&mdash;Madelgijs zag, sloeg hij
+naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert
+te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel,
+dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede,
+greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste
+voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij
+'t niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs,
+op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat
+du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo
+veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven
+verliezen, is 't dat du niet en helpst."</p>
+
+<p>Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs.</p>
+
+<p>Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem
+met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend
+was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke
+speer in de hand, en reed na Vaucoloen.</p>
+
+<p>Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel
+voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs
+konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen
+dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen;
+en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit.</p>
+
+<p>Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls
+aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en
+mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij
+konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden
+alle de dood voor oogen.</p>
+
+<p>Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs
+komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep
+hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft
+groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs
+alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons
+thands wel uit de nood helpen!"</p>
+
+<p>Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout
+hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide:
+"Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar,
+mocht ik Beyaert zien&mdash;ik ware gezond."&mdash;"Ik zie hem komen, broeder!"
+andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem
+herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht
+slaan."&mdash;"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier
+hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste."</p>
+
+<p>Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en
+Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen,
+en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal,
+daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder!
+ik voel mij genezen."</p>
+
+<p>Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem
+wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen
+zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader,
+dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn
+op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet
+helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!"</p>
+
+<p>&mdash;"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied,
+ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat
+hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat
+hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn
+zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en
+liep ter rotsewaart.</p>
+
+<p>Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik
+heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan
+hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en
+weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied."
+Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave
+Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij
+dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen
+en voeren ze tot Koning Carel."</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm009.jpg" width="400" alt="Helpt mij, dat ik sta!" title="" />
+<p class="illus">Helpt mij, dat ik sta!</p>
+</div>
+
+<p>Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse
+gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn
+dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet
+wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede:
+maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den
+zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout.</p>
+
+<p>Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een
+goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen
+zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend,
+"gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf
+'et de sporen en reed te rotsewaart.</p>
+
+<p>En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees
+wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert
+zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij
+en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen
+op den vijand in.</p>
+
+<p>Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs
+mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen
+komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk
+achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout
+had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk,
+en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider
+stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen
+ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook
+Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen.</p>
+
+<p>Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met
+felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den
+paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen François 'et hoofd van den
+lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de
+Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Françoisen ofte
+Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk
+behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs
+verlost.</p>
+
+<p>Als Ogier zag, dat de Françoisen verwonnen waren en uit den velde
+vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk,
+en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen
+lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water
+ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen
+al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete
+woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de
+genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener
+gifte: laat hem zulke zoudeniers méér zenden; wij zullen hunne zoldij
+wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer
+eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt
+gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en
+Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen.</p>
+
+<p>"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder
+'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder
+erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu
+eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet
+haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout
+brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij
+aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen
+hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs
+gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen.</p>
+
+<p>Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs
+'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld;
+hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na
+dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een
+klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne
+misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij
+Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks
+vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote
+strengheid.</p>
+
+<p>Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen.
+Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer
+komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer!
+zijt wellekom."&mdash;"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber;
+"maar zegt mij&mdash;waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn
+broeders verraderlijk woû doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend:
+"Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik
+gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij
+bedreven heeft."</p>
+
+<p>Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij
+wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan,
+dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000
+kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn
+oogen; dat ik u niet meer en zie!"</p>
+
+<p>&mdash;"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy
+in mij zoo strengelijk te straffen!"&mdash;"Voorwaar, broeder!" zeide
+Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet
+voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons
+meê weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp.
+Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen,
+broeder&mdash;welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en
+ziet."</p>
+
+<p>Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de
+verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en
+Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van
+Yweins verraad niet meer gesproken werd.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_52" id="Footnote_1_52"></a><a href="#FNanchor_1_52"><span class="label">[1]</span></a> <i>zweer</i>:(hier) schoonvader.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_53" id="Footnote_2_53"></a><a href="#FNanchor_2_53"><span class="label">[2]</span></a> <i>Constapel</i>: opperbevelhebber.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_54" id="Footnote_3_54"></a><a href="#FNanchor_3_54"><span class="label">[3]</span></a> <i>een mijte</i>: worm, niets.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL" id="HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL"></a>HET NEGENTIENDE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe
+de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis
+opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter,
+dien hij in 't perk versloeg. </p></blockquote>
+
+
+<p>Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met
+haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De
+Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop
+vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt
+gij mij Reinout gevangen?"&mdash;"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier;
+"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout
+met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft
+verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager;
+hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen
+mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et
+mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht
+Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb,
+zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen,
+zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant
+herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide
+Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude
+den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve
+Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat
+Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een
+verrader is."</p>
+
+<p>Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den
+handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden.</p>
+
+<p>"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige
+zweeren."</p>
+
+<p>&mdash;"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger
+ben;" en hij leîde zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij
+Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis
+gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel
+waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere
+geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes:
+"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan."</p>
+
+<p>En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet
+aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel
+vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij
+zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik
+zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en
+dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren.
+Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met
+zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er
+dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met
+hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vliên, door
+'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet
+medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!"</p>
+
+<p>Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier
+opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid.</p>
+
+<p>"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de weêrpartij, "dan
+moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel,
+den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u
+slecht vergaan: ik neem u 'et leven."&mdash;"'k En vrees u niet, Wouter!"
+antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den
+slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies<a name="FNanchor_1_55" id="FNanchor_1_55"></a><a href="#Footnote_1_55" class="fnanchor">[1]</a> vrees ik u.
+Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en
+deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen,
+en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden
+slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf
+Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de
+schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier&mdash;Koning Carels
+kampvechter, die hem de verradenis zoû doen bekennen, te Vaucoloen door
+hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en
+wierp 'et uit den krijte.</p>
+
+<p>"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held.
+"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot
+den Koning gaan!</p>
+
+<p>En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel
+sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de
+fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man.
+God en Sint-Jan helpe mij&mdash;Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten
+eersten slage sloeg hij hem dood!"</p>
+
+<p>"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis
+bewijzen? Bij den Heere van Nazareth&mdash;ik en dede er nimmer! Maar uit
+Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had
+ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen
+ik, Heere&mdash;ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed."</p>
+
+<p>Toen zwoer Roelant hij zoû Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem
+vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik
+verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van
+Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800
+Ridders zal ik u volgen&mdash;waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de
+koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en
+neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij
+Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!"
+Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van
+groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van
+Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in
+Gascongiën, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en
+maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen.</p>
+
+<p>Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongiën. En als zij in het
+land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein
+zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en
+is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven
+lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer,
+en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de
+Historie.</p>
+
+<p>En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk.
+Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag,
+deed hij zijnen zwageling<a name="FNanchor_2_56" id="FNanchor_2_56"></a><a href="#Footnote_2_56" class="fnanchor">[2]</a> Reinoude, door een goeden bode, vragen,
+'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die
+Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen,
+dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om
+ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant.
+Gevangene van Reinout wilde hij zijn&mdash;ja, want hij hadde zelfs, door
+zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend.</p>
+
+<p>De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de
+zake, die hem opgedragen was&mdash;maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat
+het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!"</p>
+
+<p>Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind
+heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het
+kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere,
+waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te
+boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is
+terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als
+men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze
+woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der
+mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne
+vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al
+spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad,
+omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt
+op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met
+zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem
+levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven."</p>
+
+<p>De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem
+oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen.</p>
+
+<p>Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich
+zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun
+Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud
+gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar
+mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden
+mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij
+goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te
+Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed
+bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in
+vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et
+u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk
+nader."</p>
+
+<p>Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen
+de Françoisen te goed: zij zijn boos en fel: alléén zult gij er niet
+heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden."</p>
+
+<p>&mdash;"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en
+aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met
+gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster.</p>
+
+<p>Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het
+klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft
+overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem
+zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar
+hij hem op staande voet zoû hangen.</p>
+
+<p>Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve
+neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn
+kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons
+nimmermeer verrade."</p>
+
+<p>&mdash;"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk
+God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!"</p>
+
+<p>&mdash;"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader.
+Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik
+zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren&mdash;waar men
+hem nimmer uit weêrziet!"&mdash;"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om
+niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein
+hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"&mdash;"Gij en zult niet,
+Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik
+daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus
+liet ombrengen."</p>
+
+<p>&mdash;"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem
+aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"&mdash;"Bij Sint-Jan,"
+sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal
+ophangen! 't Kwame hem te schande."</p>
+
+<p>&mdash;"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van
+'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein
+hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf
+Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord
+aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em
+Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er meê wech. Ook de Grave
+Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot
+leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen
+had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde:
+"Ik ben het niet."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout
+"Ongelijk zoû deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met
+Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zoû ik er 'et leven
+afbrengen! Maar, Sint-Amant<a name="FNanchor_3_57" id="FNanchor_3_57"></a><a href="#Footnote_3_57" class="fnanchor">[3]</a> helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik
+keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter."</p>
+
+<p>&mdash;"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij&mdash;ge zult hier
+ter stede mij vinden."&mdash;"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e
+hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat
+hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen)
+om daar een kamp jegens hem te vechten.</p>
+
+<p>Roelant keert zóo met eere tot de Genoten.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_55" id="Footnote_1_55"></a><a href="#FNanchor_1_55"><span class="label">[1]</span></a> <i>bloemknop&mdash;bies</i>, zoo veel als niets.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_56" id="Footnote_2_56"></a><a href="#FNanchor_2_56"><span class="label">[2]</span></a> <i>zwageling</i>: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_57" id="Footnote_3_57"></a><a href="#FNanchor_3_57"><span class="label">[3]</span></a> <i>Sint-Amant</i>: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop
+van Maastricht (VIIe Eeuw)</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout
+kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen:
+maar de Genoten belett'en 'et. </p></blockquote>
+
+
+<p>Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em
+dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"&mdash;"Zwijg, God
+schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij
+bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar
+Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw
+over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."&mdash;"Zwijg,
+verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner;
+"Roelant is gram."</p>
+
+<p>&mdash;"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom
+zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't
+Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zoû hij naar u vragen: wat
+mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?"</p>
+
+<p>&mdash;"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik
+Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd
+heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den
+held tot rekening gedaagd."</p>
+
+<p>&mdash;"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen
+gezworen&mdash;zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen.
+Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen
+kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord:
+wordt Reinout van u verslagen &mdash;gij zult 'et geen drie dagen overleven.
+Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven."</p>
+
+<p>Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van
+Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen:
+zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd
+betoonen kan!"</p>
+
+<p>&mdash;"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn
+doen geen bloemknop geve."</p>
+
+<p>En Ritsaert van Normandië, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van
+Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood&mdash;ware 't dat hij Reinout van
+Montalbaen versloeg.</p>
+
+<p>"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik
+hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik
+tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik
+liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van
+den eed ontslagen ben."</p>
+
+<p>&mdash;"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge
+moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van
+Montalbaen&mdash;zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et
+krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met
+hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo
+zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet
+wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in
+Vrankrijk voeren."</p>
+
+<p>Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier
+geslagen&mdash;zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den
+kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt."</p>
+
+<p>Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar
+Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem
+zijner Vrouwe.</p>
+
+<p>Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen:
+"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en
+leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van
+Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit:
+"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in
+Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen
+verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land
+verwierven."</p>
+
+<p>Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren
+zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op
+staande voet, alleen naar Beurepaer."</p>
+
+<p>&mdash;"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy
+doen te Beurepaer?"</p>
+
+<p>&mdash;"Adelaert!" zeî Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een
+kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!"</p>
+
+<p>&mdash;"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal
+ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan
+worden&mdash;wijl hij der besten éen is, die ooit de zonne bestraalde. Bij
+den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem&mdash;gij zijt dood, en
+wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde:
+"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter
+waereld&mdash;al dacht ik er dood te blijven."</p>
+
+<p>Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends
+Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs;
+"God behoude en bewaar u&mdash;maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal
+hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het
+perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood&mdash;men zoû er groote schande van
+spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!"</p>
+
+<p>Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en
+de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout meê te varen.</p>
+
+<p>Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil
+niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar
+alleen."</p>
+
+<p>Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij
+Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan.
+Hij ontwapende zich en leî zijn harnas op zijn schild.</p>
+
+<p>Toen viel Reinout op zijne kniën voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en
+zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik
+bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in
+mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn
+Ros Beyaert uit erkentenisse."</p>
+
+<p>&mdash;"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik
+u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen,
+omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt
+gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe
+uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet."</p>
+
+<p>Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en
+ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de
+spere in de hand.</p>
+
+<p>Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van
+Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met
+mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en
+staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel
+met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout:
+"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet
+van al mijn leven."</p>
+
+<p>De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die
+hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en
+ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande,
+die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van
+een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd
+Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het
+is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De
+Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun
+dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen
+koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag."</p>
+
+<p>&mdash;"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en
+nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te
+gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit
+ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik
+vliên: God geve u hoon!"</p>
+
+<p>De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij
+spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote schaê gedaan, toen
+gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant
+zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk!<a name="FNanchor_1_58" id="FNanchor_1_58"></a><a href="#Footnote_1_58" class="fnanchor">[1]</a> opdat ik de schande op u niet
+verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen,"
+zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was,
+dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen,
+dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig François 'et lijf zoû behouden
+hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en
+Reinout reed naar Montalbaen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_58" id="Footnote_1_58"></a><a href="#FNanchor_1_58"><span class="label">[1]</span></a> <i>schalk</i>: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend
+wat laag, vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is.</p></div>
+
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning
+Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs
+uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden
+ontvoerde. </p></blockquote>
+
+
+<p>Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et
+wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen
+dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het
+Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar
+de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs
+nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij,
+"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning
+Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en
+toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar
+Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar
+Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er
+hand vloog.</p>
+
+<p>Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij
+droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige
+handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter
+nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar
+Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer
+ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!"</p>
+
+<p>Zoo voerde Olivier&mdash;Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot
+hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de
+Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier,
+mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels
+ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs
+gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer
+Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde
+de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij,
+"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon
+Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid
+onttogen!"&mdash;"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal
+geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"&mdash;"Gij zegt waar," sprak de
+Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!"</p>
+
+<p>De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat
+men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte
+Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de
+Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning,"
+hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."&mdash;"Wie zoû
+zich voor u borge willen stellen," zeî de Koning, "wie mijner Edelen
+voor u!"</p>
+
+<p>Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt
+gij mij borge wezen tot morgen!"&mdash;"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et
+willig."&mdash;"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en
+mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog!
+wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde
+mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit
+niet tot oneer gedije." &mdash;"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet;
+met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage."</p>
+
+<p>Dan loeg de Koning en sprak: "Laat hem, bij zulke borgen!"</p>
+
+<p>Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De
+Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten,
+hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den
+haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs:
+"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene
+spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem
+hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs,
+ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat
+dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij
+aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden:
+"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"&mdash;"Geen blijder man dan ik!" zei
+Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval
+zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zoû; men sloot hem
+in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier
+kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer
+de nacht verloopen is."</p>
+
+<p>Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de
+Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar
+Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur
+en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren.</p>
+
+<p>Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem
+af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de
+deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en
+nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en
+nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en&mdash;vlood naar Montalbaen.</p>
+
+<p>Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van
+al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep,
+overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan
+eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en
+kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help,
+moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een
+schandigen dood!"</p>
+
+<p>Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot
+Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord
+had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is
+dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave
+Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg
+in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns
+ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat
+niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den
+weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat
+hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt
+mij wie du bist, of zoo helpe mij God!&mdash;ik slaag die met den zwaerde dat
+du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert
+reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout,
+hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep
+Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde
+u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan
+spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den
+Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad
+den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij
+toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men
+legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten
+de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in
+des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage
+onder den mantel."</p>
+
+<p>&mdash;"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!"
+andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."&mdash;"Oom!" zei Reinout, "dat
+is niet wèl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!"</p>
+
+<p>&mdash;"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem
+voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!"</p>
+
+<p>Dan dede Reinout&mdash;Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot
+Montalbaen.</p>
+
+<p>Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich
+haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn
+Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en
+dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem
+ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de
+Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit
+den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet
+meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun
+zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar,"
+spraken zij, "God geef hem schande!"</p>
+
+<p>De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zoû laten zoo
+lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven
+mocht.'</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Koning Carel-Montalbaen beleîde, en hoe Reinout in
+eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide.
+En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen,
+Koning Carel haren broeder te voet valt. </p></blockquote>
+
+
+<p>Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir,
+en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleîden. Roelant zond een bode
+tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd,
+wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij
+Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem
+tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet
+groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als
+Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve,
+dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem
+verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot
+zoen willen helpen bij Carel den Koning."</p>
+
+<p>Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij
+trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen
+hem liet verzoenen.</p>
+
+<p>Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord:
+"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij
+belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat
+zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen
+neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt:
+want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en
+betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer
+wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te
+geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen,
+kunnen strijden."&mdash;"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de
+Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe
+met hen wat mijne eere van mij eischt."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap
+Haymijns kinderen en hope te slagen!"</p>
+
+<p>&mdash;"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode
+zijt."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," zeî
+Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet
+men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale.
+Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen.
+Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege
+den Koning."&mdash;"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij
+eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen
+gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig
+voorbehoud."</p>
+
+<p>&mdash;"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en
+goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig
+nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve
+mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen
+ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag
+hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee
+en verre op de heidenen." &mdash;"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap
+wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed."</p>
+
+<p>Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en
+deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten.
+Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel
+bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings
+heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag,
+wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000
+mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten
+Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere;
+als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw
+leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning
+komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd
+Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met
+gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven,
+hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de
+Françoisen verdoen wij heden!"&mdash;"Schande moog u treffen!" riep de
+Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros
+onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs weêr
+op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo
+dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde.</p>
+
+<p>Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat
+Haymijns kinderen hem ontreden waren.</p>
+
+<p>De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde.</p>
+
+<p>De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zoû een
+parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken,
+en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten
+laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode
+tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden
+zoû, om van den peis te handelen.'</p>
+
+<p>Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog
+ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet:
+"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice,
+mogen u hoeden."&mdash;"Reinout," zeî de Koning, "laat staan de groete; hoe
+veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"&mdash;"Ik wil 'et boeten, Heer
+Koning!" gaf Reinout ten andwoord.</p>
+
+<p>De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan
+zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot
+zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij
+waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier
+nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten
+parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd
+afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op
+Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op
+'s Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten
+parlemente te komen."&mdash;"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn,
+"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem
+raden Reinout met valschheid te vangen.&mdash;Heer Koning," sprak hij verder,
+"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders
+tegen u verzoend worden."</p>
+
+<p>Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de
+moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde,
+te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en
+toog naar Montalbaen.</p>
+
+<p>Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam
+uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen
+malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den
+Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant,
+Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te
+paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht
+viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's
+Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert
+weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen
+van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk
+om zich heen, dat hij weêr te paerde kwam. Toen reed Salomon van
+Bretagniën tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander
+zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit
+zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op
+Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde
+Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit
+hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?'</p>
+
+<p>De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag
+Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den
+paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij
+Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan."
+Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op
+zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben,
+maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen
+sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts
+volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten
+onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij
+vliên! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en
+Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in
+'et kasteel gedreven.</p>
+
+<p>En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden
+nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u
+berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve
+medegaan!"&mdash;"Hoe? gij truwant<a name="FNanchor_1_59" id="FNanchor_1_59"></a><a href="#Footnote_1_59" class="fnanchor">[1]</a>, zoude ik dan met u gaan?&mdash;Beliegt gij
+mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te
+Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel
+Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt
+daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden
+voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."&mdash;"Wildy nu
+van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik
+gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult."
+Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal
+goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te
+Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge
+zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te
+waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij
+'et lichtelijk doen kon'.</p>
+
+<p>Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de
+banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's
+Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen
+aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit
+half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte
+dat wij reeds op de vaart derwaards waren."&mdash;"Gaan wij dan," zei
+Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den
+Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne
+magen; en leîde den Koning in een schoon bedde.</p>
+
+<p>En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik
+geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is
+dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik
+meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij
+geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar
+te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene
+hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer,
+daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor
+zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit
+heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem
+hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne
+kniën, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit
+hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen
+sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout
+beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij
+den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven."</p>
+
+<p>Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy
+wel."&mdash;"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet
+ik des hier sterven, kwade dief&mdash;gij zult er vermaledijd om zijn; want
+met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide:
+"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt."</p>
+
+<p>Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik
+u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen.</p>
+
+<p>Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan&mdash;ik zal mij beraden met
+Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet,"
+zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning
+van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in
+zijn tente kwam.</p>
+
+<p>Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem
+minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning
+zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert
+wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder
+tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit."</p>
+
+<p>Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout,
+en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings
+gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes
+komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom."
+Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen,
+dat gij tot hem komet&mdash;gevangen."</p>
+
+<p>Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken &mdash;wij
+zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel."</p>
+
+<p>Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide
+hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven
+schenken'&mdash;zij komen gevangen af."&mdash;"Hoe!" zeide Carel; "éischen zij iet
+van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want
+zij en hebben geen victualie."</p>
+
+<p>De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te
+bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig.
+Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert
+dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood
+van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert
+niet!"</p>
+
+<p>&mdash;"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door
+honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren
+raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met
+ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert
+aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede."</p>
+
+<p>Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de
+Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun
+paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn
+zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen
+laten vergaan van honger?"</p>
+
+<p>Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en
+bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden<a name="FNanchor_2_60" id="FNanchor_2_60"></a><a href="#Footnote_2_60" class="fnanchor">[2]</a>
+geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad
+gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't
+voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe.</p>
+
+<p>De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap<a name="FNanchor_3_61" id="FNanchor_3_61"></a><a href="#Footnote_3_61" class="fnanchor">[3]</a> voor Montalbaen.</p>
+
+<p>En die op de muren stond&mdash;zag, dat de Genoten hun engienen<a name="FNanchor_4_62" id="FNanchor_4_62"></a><a href="#Footnote_4_62" class="fnanchor">[4]</a> sterkelijk
+stélden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te
+bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier,
+Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij
+ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon
+Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor
+langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij
+tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven.</p>
+
+<p>Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten
+geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen
+veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om
+geen goed gegeven hebben.</p>
+
+<p>Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen
+ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen:
+daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons
+wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier
+alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het
+beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered."</p>
+
+<p>Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden
+woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe
+Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden
+heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen
+mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en
+zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij
+te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de
+Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden
+Haymijnskinderen te gemoet.</p>
+
+<p>Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat
+hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef
+steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door
+zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken
+was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende:
+"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met
+sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij
+zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed.</p>
+
+<p>Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel
+van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et
+dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter
+poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout
+was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn
+broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te
+eten was.</p>
+
+<p>Hierentusschen is Koning Carel&mdash;Reinout met zijn volk onvermoeid
+gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk
+belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en
+zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn
+vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo
+dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan&mdash;kan ik dit Ros machtig
+worden&mdash;ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner
+kroone.</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm010.jpg" width="400" alt="Ten leste zonk het Ros" title="" />
+<p class="illus">Ten leste zonk het Ros...</p>
+</div>
+
+<p>De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij
+spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen
+hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil
+t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende
+minlijk liet gaan!"</p>
+
+<p>Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des
+Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden
+met hem te hebben, en reed weder naar het heir.</p>
+
+<p>Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare kniën en
+bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij
+Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook
+alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet
+verzoenen.</p>
+
+<p>En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot
+genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die
+hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft&mdash;en mij toelaten daarmeê
+naar welgevallen te handelen&mdash;zoo mag hij tegen mij verzoenen&mdash;en anders
+niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij
+trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven
+wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst;
+zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen
+mogen."</p>
+
+<p>Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met
+groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des
+Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had,
+zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De
+broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan&mdash;maar welhaast barstte
+Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige
+dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede,
+droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere
+broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig:
+"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik
+Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is
+onze Koning&mdash;en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag&mdash;wij
+mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et
+Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken
+hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den
+Koninge Beyaert geven zoude.</p>
+
+<p>Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft
+hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat
+hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen meê handelen
+zoude&mdash;maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem
+misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'&mdash;"Mij dunkt," zeide de
+Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang
+gewacht."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_59" id="Footnote_1_59"></a><a href="#FNanchor_1_59"><span class="label">[1]</span></a> <i>truwant</i>: lage knaap, bedelaar.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_60" id="Footnote_2_60"></a><a href="#FNanchor_2_60"><span class="label">[2]</span></a> <i>blijden</i>: steenwerptuigen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_61" id="Footnote_3_61"></a><a href="#FNanchor_3_61"><span class="label">[3]</span></a> <i>reedschap</i>: instrumenten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_62" id="Footnote_4_62"></a><a href="#FNanchor_4_62"><span class="label">[4]</span></a> <i>engienen</i>: machines, krijgstuigen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL" id="HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL"></a>HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en
+hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe
+Reinout een heremijt werd. </p></blockquote>
+
+
+<p>Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met
+zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot
+de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed
+hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele
+verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft
+Reinout&mdash;Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer
+Koning, doet er mede naar uw welgevallen."</p>
+
+<p>En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee
+molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse,
+en werpen in de rivier.</p>
+
+<p>Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar
+terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout;
+toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden
+braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij
+naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert
+wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning
+dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals
+twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en
+liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn
+muil.</p>
+
+<p>De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel
+zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen
+vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout&mdash;geeft gij
+den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om
+een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo
+helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy
+gehad; met slechten loon wordt gij beloond!"</p>
+
+<p>Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende:
+"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd
+hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het
+gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout
+wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen
+verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet
+omzien zoude na Beyaert.</p>
+
+<p>Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote
+molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere;
+toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder
+boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een
+mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid
+hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't
+gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen.</p>
+
+<p>Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als
+sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te
+Montalbaen.</p>
+
+<p>Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en
+waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog
+bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit
+hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze
+van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en
+was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide:
+"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en
+volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, beleîde ons in Ardennen, en
+vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen
+zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene
+zóo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede;
+aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert
+verdrinken."</p>
+
+<p>De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert
+zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en
+mochten hem en zijner machte niet wederstaan."</p>
+
+<p>Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten
+zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als
+hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken
+tot den voeten. Geen Ros, zoû hij na Beyaerts doode meer beschrijden;
+geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden!</p>
+
+<p>Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen,
+door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar
+hem niemant en kende.</p>
+
+<p>Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar
+nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide:
+"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en
+wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste
+man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig
+jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk
+doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar éenen wensch: dat ik mijn
+zonde konde biechten en boeten&mdash;want mijne misdrijven benauwen mij
+onlijdelijk."</p>
+
+<p>De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk
+gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de
+zonden laten en niet meer doen&mdash;zoo valt dan op uw kniën en bidt God
+oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig
+einde moogt brengen."</p>
+
+<p>Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den
+Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo
+zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite
+tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik
+blijve dood van koude en van honger, want mijne kleêren zijn aan
+stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken."</p>
+
+<p>Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide:
+"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien."
+Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van
+koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God.
+Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide,
+dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na
+den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit
+hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende:
+"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken
+zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't
+Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen
+verloren hebben."&mdash;"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want
+wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode
+voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem.</p>
+
+<p>Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met
+weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten
+derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte
+dat hij daar wél op rusten zoû; want de nacht overviel hem. En als 't
+begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat
+hij kwam in Sinte Jores' Braes<a name="FNanchor_1_63" id="FNanchor_1_63"></a><a href="#Footnote_1_63" class="fnanchor">[1]</a>; daar vond hij schepen en voer in het
+land van den Islamme<a name="FNanchor_2_64" id="FNanchor_2_64"></a><a href="#Footnote_2_64" class="fnanchor">[2]</a>. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat
+hij kwam in de haven van Tripoly.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_63" id="Footnote_1_63"></a><a href="#FNanchor_1_63"><span class="label">[1]</span></a> <i>Sinte Joris' Braes</i>: Bras de St George, de Dardanellen.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_64" id="Footnote_2_64"></a><a href="#FNanchor_2_64"><span class="label">[2]</span></a> <i>Islamme</i>: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet
+Stamme, het duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en
+hoe Madelgijs bij hem kwam, én hoe Madelgijs dood bleef
+in het beleg van Jerusalem. </p></blockquote>
+
+
+<p>Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een
+nieuwmare kwam, dat Tabarië belegerd en Akers in grote zorge was, en dat
+er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee
+waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de
+steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen
+op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim
+had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken
+geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te
+ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te
+voorkomen.</p>
+
+<p>En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen,
+werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knieën
+en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij
+anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de
+Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit
+zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en
+twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom,
+dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde.
+Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van
+Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch
+schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen.
+Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout
+nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild.
+Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig
+Sarazijn mede doodsloeg.</p>
+
+<p>Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder,
+liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht
+zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de
+Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich,
+en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den
+heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de
+Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden.</p>
+
+<p>En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam
+van zijn oom Madelgijs.</p>
+
+<p>Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete
+over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen&mdash;de Christenen
+bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen.
+Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem
+kwam eene stemme van Godes wege, die hem opleîde, "dat hij zoude gaan en
+helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar
+komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner
+konste en van zijner Godsvrucht.</p>
+
+<p>Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem
+getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden
+doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij
+den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren
+de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen
+de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd
+heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele
+land.</p>
+
+<p>Uit het land van Syrië, van Tripoly en Antiochië vloeiden de scharen
+bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij
+elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van
+Syrië gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de
+belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten
+leggen, om elken verderen uitval te beletten.</p>
+
+<p>Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten
+manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei
+krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk
+werden gesteld.</p>
+
+<p>De Soudaan van Babylonië daarbinnen deed echter met mangneelen en
+blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen
+in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen.
+Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig
+Christen sneefde daar, die te dier tijd vóór de stad de Turken kwam
+bevechten.</p>
+
+<p>In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en
+vochten al d' andere vóór. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en
+Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel<a name="FNanchor_1_65" id="FNanchor_1_65"></a><a href="#Footnote_1_65" class="fnanchor">[1]</a>
+zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij
+heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van
+zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den
+Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In
+zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere;
+"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!"</p>
+
+<p>En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God
+t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme
+in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem
+al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs.</p>
+
+<p>Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen
+vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf,
+stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom
+Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de
+stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls
+in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen
+raad: wilt gij de stad winnen &mdash;laat ons dan wegen en poorten naauw
+bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van
+spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad&mdash;en anders niet." Deze
+raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke
+poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas.</p>
+
+<p>Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren,
+werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te
+helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan
+victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan
+gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den
+strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met
+hulpe van Mahomet en Apolijn."<a name="FNanchor_2_66" id="FNanchor_2_66"></a><a href="#Footnote_2_66" class="fnanchor">[2]</a> De Soudaan gaf toe, en de Turken reden
+uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag:
+zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere
+afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter
+weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen
+er vele; vele gaven er zich gevangen.</p>
+
+<p>Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun
+heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef
+alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die
+binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende
+zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar
+Reinout vóór lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan
+en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden
+was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en
+hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn
+staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit
+ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!"</p>
+
+<p>Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan
+hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met
+mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet
+vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met
+den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep
+de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten,"
+'t welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij
+mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep
+Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan,
+dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze
+in zekerheid.</p>
+
+<p>Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem.</p>
+
+<p>En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn
+lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen
+gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan
+hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des
+Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'&mdash;"Wat mij
+betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout.
+Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden
+den Soudaan gevangen.</p>
+
+<p>Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van
+wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en
+Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van
+Jerusalem, en viel voor hem op zijn kniën, en bad hem, dat hij hem zijn
+zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf
+hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot
+mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden
+van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren.
+Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de
+Edelsten van den lande.</p>
+
+<p>Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor
+wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsiliën. En als
+zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande
+zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen,
+die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout
+aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en
+ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't
+schip.</p>
+
+<p>Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor
+Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde
+hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen
+hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen
+Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis
+voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic
+van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij
+wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning
+lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit
+goeden raad.</p>
+
+<p>Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en
+zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt
+bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam,
+waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging
+en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk
+gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en
+zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is
+gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten
+Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom
+gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze
+verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad.
+Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade
+gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom
+willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den
+Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten
+heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij
+van zijn vader zoû gehad hebben&mdash;daarom willen wij den Koning zeggen,
+dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij
+mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en
+Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij
+over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant méér
+gehoord?'&mdash;'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf
+lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittanniën,
+Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn<a name="FNanchor_3_67" id="FNanchor_3_67"></a><a href="#Footnote_3_67" class="fnanchor">[3]</a>.' Toen Koning Carel dit
+hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zoû doen vangen.
+Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken.
+Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem
+'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem
+verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit
+der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn
+leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den
+Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide:
+'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook
+alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen
+wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en
+met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving.
+Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'&mdash;'Ik stem daarin,'
+zeide Guweloen."</p>
+
+<p>Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij
+was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p>
+<a name="Footnote_1_65" id="Footnote_1_65"></a><a href="#FNanchor_1_65"><span class="label">[1]</span></a> <i>quareel</i>: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_66" id="Footnote_2_66"></a><a href="#FNanchor_2_66"><span class="label">[2]</span></a> Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als
+Sarazijnsche afgoden voor.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_67" id="Footnote_3_67"></a><a href="#FNanchor_3_67"><span class="label">[3]</span></a> Dr. Mannes leest <i>Herclijn</i>; de vl. uitg. heeft <i>Hebron.</i></p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en
+Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot
+zwaren arbeid vernederde. </p></blockquote>
+
+
+<p>Reinout ging tot Koning Carel, en stond vóór hem als een arme pelgrim.</p>
+
+<p>"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van
+over Zee en van de stad Jerusalem?"&mdash;"Heer Koning!" andwoordde Reinout,
+"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem
+veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen
+van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg
+"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout
+geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der
+vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch
+Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of
+hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning!
+hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man."</p>
+
+<p>Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en
+ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten:
+maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren
+droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen
+aantrekken, en bewees hem groote gunste.</p>
+
+<p>En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en
+vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder
+waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich
+voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout
+dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader,
+moeder, en zijne broeders niet weêrvond.</p>
+
+<p>Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp,
+dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet:
+God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet
+verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat
+zij kampen zouden.</p>
+
+<p>Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een
+goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad
+van Parijs.</p>
+
+<p>Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner
+spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde
+held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden
+vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden.
+Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar
+kwetste Galeran niet.</p>
+
+<p>Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde.
+"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij
+zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een
+ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de
+handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij
+zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd,
+waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den
+strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert
+stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde
+Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij
+het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere
+zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen
+sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en
+sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en
+het loon kreeg voor zijne valschheid.</p>
+
+<p>En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen
+slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer
+voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran
+aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit
+zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer
+in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil,
+dat men dit wel versta!</p>
+
+<p>Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen,
+en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan
+met den Koning.</p>
+
+<p>Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken
+af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en
+schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van
+daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech
+in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.</p>
+
+<p>Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den
+ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der
+wegen droeg hij hout aan, en mortel<a name="FNanchor_1_68" id="FNanchor_1_68"></a><a href="#Footnote_1_68" class="fnanchor">[1]</a> en steen, en was de minste onder
+de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om
+geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der
+fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den
+gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_68" id="Footnote_1_68"></a><a href="#FNanchor_1_68"><span class="label">[1]</span></a> <i>mortel</i>: ciment.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en
+diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen,
+en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden
+werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam. </p></blockquote>
+
+
+<p>Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten
+jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint
+Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards
+timmerliên en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen.</p>
+
+<p>Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad
+kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De
+werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden.
+Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde.</p>
+
+<p>De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote,
+mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zoû
+kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen
+wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen
+eenen penning!"</p>
+
+<p>Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij méér verdienen zult: wilt
+gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen
+daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga&mdash;'k en wil zoo veel
+niet winnen."</p>
+
+<p>De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal
+ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken."</p>
+
+<p>&mdash;"Heere," zeide hij, "dat doe ik!"</p>
+
+<p>En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alléén steenen aan, die ze met
+hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden.</p>
+
+<p>Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar
+éenen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alléén
+meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u
+in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen
+eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te
+dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne
+gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te
+bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar
+éen gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en
+sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds
+was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de
+meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe
+hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem
+zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude
+zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman."
+Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest&mdash;hij
+zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking.</p>
+
+<p>Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en
+het werk schier alléén deed. De meesters, hoogst voldaan over hem,
+vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een
+onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van
+kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen:
+"Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal
+hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den
+steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."&mdash;"Ik weet
+beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf
+mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen
+gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij
+hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem
+in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan."</p>
+
+<p>En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten
+tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed,
+bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen
+hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water&mdash;nochtans en mocht de
+last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden
+waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf.</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm011.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+<p>In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had
+'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde
+lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was,
+en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord
+was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij
+genezen.'</p>
+
+<p>De vrouw ontsprong<a name="FNanchor_1_69" id="FNanchor_1_69"></a><a href="#Footnote_1_69" class="fnanchor">[1]</a> met dien visioene en dede zich kleeden, en op den
+Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar kniën, en
+zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te
+voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot
+den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten
+waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten
+laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en
+zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken,
+en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te
+luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken
+om de ware oorzaak te vernemen.</p>
+
+<p>Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een
+mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een
+devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is
+genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met
+cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte
+der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles
+gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den
+zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen
+die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het
+lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken
+gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven
+werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van
+Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar
+bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die
+bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door
+uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden
+geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren&mdash;wist ik wie u
+verslagen hadde, ik zoû hem den Koning zenden!"</p>
+
+<p>Als die van Dortmunde<a name="FNanchor_2_70" id="FNanchor_2_70"></a><a href="#Footnote_2_70" class="fnanchor">[2]</a> dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en
+vielen op de kniën voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun woû
+geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner
+gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk:
+"Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor
+hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een
+karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de
+paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de
+kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na
+den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet
+wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde,
+'twelk menig mensch zeer verwonderde.</p>
+
+<p>De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom.
+En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes,
+Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_69" id="Footnote_1_69"></a><a href="#FNanchor_1_69"><span class="label">[1]</span></a> <i>ontsprong</i>: stond op.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_70" id="Footnote_2_70"></a><a href="#FNanchor_2_70"><span class="label">[2]</span></a> <i>Dortmunde</i>: stad in Westfalen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3>
+
+
+<blockquote><p>Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed
+boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den
+Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen
+kwam. </p></blockquote>
+
+
+<p>De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel
+aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen
+was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij
+uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van
+zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij
+zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.</p>
+
+<p>Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen,
+en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden
+van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den
+Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning!
+wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en
+niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden
+wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar
+ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo
+jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat
+zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk
+terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning
+Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan
+Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in
+den Rijn.</p>
+
+<p>Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig
+waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te
+Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok
+na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de
+Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was.
+Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien
+'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad:
+"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van
+den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder
+menschen hulpe&mdash;dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel:
+"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit
+hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et
+lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag
+daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn
+broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als
+de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij
+hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het
+lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote
+rouwe en misbaar.</p>
+
+<p>En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.</p>
+
+<p>Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in
+'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest!
+Amen.</p>
+
+<p>Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout
+Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm012.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="WILLEM_VAN_ORANJE" id="WILLEM_VAN_ORANJE"></a>WILLEM VAN ORANJE.</h3>
+
+
+<p>A. D. 806.</p>
+
+
+<p>
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;"</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Maar wie zal...?"&mdash;Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen meê.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Geef gij aan den broeder het noodige geld!"</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Nu dit hem met-een in de hand is geteld,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En was ook al gaauw uit het klooster gereden.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo'n kloostergeleerde&mdash;'t staat vréémd op een paard!....</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Die staljongen&mdash;is zonder grónd niet vervaard;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo denkt ge!&mdash;maar och, hoe bedriegt soms de schijn!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Al lijken de kappen een haar op elkander,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Nú rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Twee korfjens, een knaap, voert hij meê op zijn ros;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En de vuist, die den slappenden toom soms vervat&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En de knie, die zich spant en het bergachtig pad</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Den klepper op éénmaal soms over doet schieten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En springen en waden, waar beektakken vlieten</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Of heester en kloof hem den weg soms verspart&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Geen wonder! geen wonder!&mdash;de bode, die heden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat schild&mdash;was het wapen van 't Prinsdom Oranje.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Oranje! geen held onverwinbaar als hij!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Een Roelant-alléen stréeft dees Willem op zij.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Herroepend zijn helden:&mdash;&mdash;Geen dooden, die hooren!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Oranje!&mdash;steeds galmden de harpen zijn naam!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen!</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">'t Is lang geleên!&mdash;hij had, na felgevochten strijd,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhône.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat op de wallen van de leêggeroofde veste</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De stoutste plonderaars te levren in zijn hand</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Naar wellust martlen woû, den jongen Christen Grave</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En de Emir, dol van spijt, doch met betóomde woede</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">'t Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">'t Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Uw woord tot onderpand&mdash;en, om mijns Heilands wil,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Ontboeit hem, knechten!"&mdash;Maar op eens, wat luide gil!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En barst in dank op dank en tranenstroomen los.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En wat de vader deed&mdash;ik wil daar nóg voor boeten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behouën?...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"O, vraag een losprijs!&mdash;dat mijn harte moog vertrouwen!"</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Die mij mijn vijand leert beminnen&mdash;die begeert</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Der dochter weêrgeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!"</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre stem:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De God van Willem werd der teedre maged God:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En&mdash;knielend voor den troon van Keizer Charlemanje,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:&mdash;de volle dag,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Heer!&mdash;Heer!&mdash;hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch?</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zóo zijn wij het bosch uit&mdash;&mdash;Ons valt men niet ân:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Gedraafd en gezongen met vrolijken zin!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Dan halen niet eens die kornuiten ons in."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"Heer ... 'k durf niet;... maar&mdash;daar gij 'et wilt&mdash;zal 't gebeuren."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En bevend begon hij een lied jen te neuren.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!'</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.'</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Die ginds langs het lover de takken ontblaarden:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Den een na den ander een zevental ruiters,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mâmêt:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem betoomt zich met moeite van binnen;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Dat pak?&mdash;'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Voor schatten vermoeden in grauwharen pij!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Ik bid&mdash;laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen."</span><br />
+<br /></p>
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm013.jpg" width="400" alt="Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist." title="" />
+<p class="illus">Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist.</p>
+</div>
+<p>
+<span style="margin-left: 3.5em;">&mdash;"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Die 't meest ons belemmert!... maar üit heeft uw rijk!&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En beiden de plunje van 't lichaam gereten!"</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steê,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Ze binden hem handen en voeten, en reê</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Den monnik, dien zij met hun vijven omringen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Tot afstappen en ontkleeden te dwingen,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zóo varen ze, die zich niet laat gezeggen.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"We maakten hun goud, en wat anders nog, buit,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Toe! voort uit den tabbert! Het minst is óns meest!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Uw pij uit!&mdash;Die hoofdkap bij de ándre kaproenen!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">&mdash;"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Den huifwagen in met het zadelgeraad;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...'</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen....</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Een weêrloze monnik&mdash;maar geeft me mijn knecht</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Voor 't minst dan weder!"&mdash;"Dien knaap?&mdash;Gij hebt recht</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Den knaap in de kar!&mdash;en de paarden de sporen!&mdash;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Alleen u vervéelt, in uw luchtigen dos,...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat kan toch den beste eremiet overkomen,...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Hier hebt gij een koord&mdash;en daarginder staan boomen!"</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven:</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Fraai, mannen! fraai helden!&mdash;Uw prooi lacht u uit;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"De gordel, die schuilt in mijn onderste klêeren,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Een gesp is er aan van het edelste goud,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">De hoofdman rijdt nader: "Zoû 't waar zijn?&mdash;Pas op,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!...</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Te voorschijn die gordel!"&mdash;"Ik schenk hem u. Heer,"</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!"</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">&mdash;"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Daar heft hij de vuist, en met morslende slag,</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Hij stort zich te midden der wanklende knechten,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Oranje vooruit!&mdash;Ha, gij wolvengebroed!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..."</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist.</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen.</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God!</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn knaap niet alléén werd geboeid door het rot....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Twee ándre gevangnen, wien doeken en banden</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Het roepen belett'en en 't roeren der handen!...</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">De schaduw der huive floerst Willem het oog;</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart.</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Hoe dús?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten:</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Om u in het klooster te komen verrassen....</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"We hebben steeds in de Cortezische plassen</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Niet ver van 'et burchtslot zoo héérlijken visch!</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"En hadden dien heden bestemd voor uw disch;...</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen."</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen!</span><br />
+<br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">"Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...."</span><br />
+<span style="margin-left: 3.5em;">En glimlachend leî hij de zweep op het paard;</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">De staljongen moest met den bles het maar stellen,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">En de Abt kreeg twee gasten en&mdash;goede forellen.</span><br />
+</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 350px;">
+<img src="images/thijm014.jpg" width="350" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="FLORIS_EN_BLANCEFLOER" id="FLORIS_EN_BLANCEFLOER"></a>FLORIS EN BLANCEFLOER.</h3>
+
+<h5>AAN HELENE UKENA. (1851&mdash;1873)</h5>
+
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm015.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+<p>Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat
+boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand
+hebben&mdash;'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw&mdash;en wien de
+liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik
+dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan
+alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't
+Is alles van eene standvastige min&mdash;van blijdschap beide en droefheid.
+Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een
+vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt.</p>
+
+<p>Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald
+werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld
+kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal
+blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben.</p>
+
+<p>Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit
+Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks
+te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt.
+Fenus&mdash;zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen
+oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed
+Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen;
+kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles
+werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig
+dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen
+meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig
+hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van
+alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om
+te brengen, of gevankelijk meê te voeren. Onder de dus overvallenen nu
+bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich
+moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven
+niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar
+met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde.
+Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger
+achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen,
+en nog méér moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden
+ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde,
+dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den
+vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken
+wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden
+groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en
+werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep
+hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo
+doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en
+wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren
+blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met
+grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele
+kinderen liepen om en achter hen.</p>
+
+<p>De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te
+deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van
+pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de
+hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de
+gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te
+nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van
+haar maakte.</p>
+
+<p>Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren
+Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk
+echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat
+zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van
+haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een
+liefdepand van haar beschreiden egaâ onder het harte droeg. De vrouwen
+brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter
+waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten
+hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem
+Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen
+Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen.</p>
+
+<p>Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer &mdash;want
+het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en
+dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden.</p>
+
+<p>De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid
+reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren
+beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone
+kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon
+meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den
+geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde
+hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht
+kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader
+hem dit aanzeide:</p>
+
+<p>"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen,
+noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan&mdash;tenzij
+Blancefloer met mij ga."</p>
+
+<p>De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter
+schole.</p>
+
+<p>Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en
+beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon
+hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat
+men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ééns
+van meening, ééns van schoonheid, van éenen zin en even standvastig van
+harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen
+in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in
+zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo
+leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten
+druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te
+kort voor hun blijdschap, voor hun genot.</p>
+
+<p>Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij
+den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de
+ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter
+dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en
+op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging
+voor de arme dochter der gevangene Christin.</p>
+
+<p>Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben,
+naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van
+gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn
+gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij
+peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon
+komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind
+verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij
+er op vinden kunnen."&mdash;"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren:
+Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer
+gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang.
+Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan&mdash;dan zal
+ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is,
+Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal
+vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere
+beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen
+geslachte zal nemen."</p>
+
+<p>Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij
+geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe
+zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des
+Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed:
+maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen.
+Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in
+waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk
+duchten zoû ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos
+verloren zoû gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der
+tijding. Dan zoû onze schade en ons verdriet méér zijn dan te voren.
+Daar is geen lof noch roem meê te behalen, 't zoû niemants nut zijn, zoo
+zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven
+blijve!"&mdash;"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als
+middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de
+kinders eene ziekte zoû voorwenden, opdat men Floris naar eene andere
+plaats, naar Montorië, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer
+zoû men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak
+te maken op de voortdurende hulp harer dochter &mdash;dan kon Floris niet
+aandringen op het samengaan&mdash;en verwijdering, afleiding door den omgang
+met andere speelgenoten, zoû wellicht de liefde verdooven kunnen, of
+vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook
+beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tót hem gezonden zoû worden.</p>
+
+<p>Nu ontbood de Koning&mdash;Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet,
+dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet
+verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar
+Montorië ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn
+en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en
+lezen en schrijven leeren."</p>
+
+<p>&mdash;"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"&mdash;"Lieve jongen,"
+zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over
+zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide
+hij: "dat gebod zoû mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet
+mét mij&mdash;ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval
+hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zoû binnen veertien nachten of
+eerder Blancefloer tot hem zenden.</p>
+
+<p>Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den
+Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris,
+ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare
+dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht
+hier en daar woorden zoû ontvangen, die hem in eene andere liefde
+mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten
+doen.</p>
+
+<p>Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel&mdash;maar, 't mocht zijn wat
+het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde
+en las&mdash;altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij
+boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast
+in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De
+stonden vielen hem lang&mdash;des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij
+zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien
+nachten ten einde kwamen.</p>
+
+<p>Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam,
+werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe
+langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol
+te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven.
+In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem
+vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne
+tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De
+kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe
+wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van
+Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus
+geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vóór
+mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand
+van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood
+krijgt."</p>
+
+<p>Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat
+tooverij het zoû gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde
+reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te
+onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare
+wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet,
+geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de
+onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen&mdash;dat er
+aldus over haar gesproken werd.</p>
+
+<p>De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood
+ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand,
+Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar
+aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren;
+zóo, dat er de Koning zich niet meer om zoû behoeven te vergrammen, noch
+er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd
+te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in
+handen geleverd.</p>
+
+<p>Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig
+pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde;
+honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden;
+honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels&mdash;valken,
+haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog
+een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone
+van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelaüs, hem zeer
+verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken
+Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van
+binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie
+godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen
+schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo
+duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder
+vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk
+moerbeziën, honig- en specerijdrank van wijn zoû hebben kunnen
+onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel
+werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel
+vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het
+uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen
+kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in
+de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de
+markt te Nicle verkocht had.</p>
+
+<p>De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel,
+konden zij haar te Babylonië brengen, dat zij twee maal den koopschat op
+haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone
+kind aan te bieden.</p>
+
+<p>Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun
+tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden
+met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers
+hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare
+blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen
+geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle
+jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene
+verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen
+andere vrouw meer beminnen.</p>
+
+<p>Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig
+jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden.
+Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot
+vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babylonië.</p>
+
+<p>Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen
+kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft.
+Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!"
+roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn
+teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was
+weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij
+eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur,
+dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend!
+Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad,
+dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij
+te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat
+hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg
+ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al
+heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij
+bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht
+ook niet aan mij&mdash;hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig
+ben&mdash;maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint&mdash;en dat ik hem
+bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij
+nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen.</p>
+
+<p>"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen meê.
+Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons
+gescheiden heeft, wel zoete vriend!</p>
+
+<p>"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo
+braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u
+gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet
+ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed,
+dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!"</p>
+
+<p>Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden
+van hare gezellinnen.</p>
+
+<p>Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend
+knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn
+thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De
+Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste
+wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te
+berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe
+bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon
+zoû melden, dat zijn geliefde in leven was.</p>
+
+<p>Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van
+krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de
+goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare
+en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk
+plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en
+velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters
+keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der
+zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen
+oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de
+tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris:
+het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne,
+ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren
+geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne
+vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het
+hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband
+gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het
+andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind
+ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in
+de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen,
+alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zóo dachten
+allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het
+graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen
+en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond,
+hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en
+jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan
+moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de
+zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen
+haastig tot elkander, en kusten elkaâr vriendelijk. De liefde, waarvan
+zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een
+dorper of een dwaas, die daar voorbij zoû gaan, dan werd, hij, zoo haast
+hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij
+zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap
+viel; zoo bezweken hem al de leden.</p>
+
+<p>Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf&mdash;dat zoo kostelijk was
+als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende
+steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en
+op den steen werd in gouden letters gehouwen:</p>
+
+<p class="small">
+<span style="margin-left: 2.5em;">&mdash;HIER LEGHET BLANCEFLOER</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT.</span><br />
+</p>
+
+<p>Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug.</p>
+
+<p>Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne
+moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij
+naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden.
+En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk
+beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers
+moeder was.</p>
+
+<p>"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier
+achterliet?"</p>
+
+<p>&mdash;"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij schertst!"</p>
+
+<p>&mdash;"Ik doe het niet."</p>
+
+<p>&mdash;"Gij doet het!"</p>
+
+<p>De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare
+dochter hoorde spreken.</p>
+
+<p>Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!"
+De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar
+Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij
+doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen
+andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide
+zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat
+mocht hij niet gelooven&mdash;tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij
+uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!"</p>
+
+<p>Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als
+die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg
+zwijmende ter aarde.</p>
+
+<p>De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in
+onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt
+hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten
+heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar,
+dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld
+der Hemelen; daar verwacht mij hàre ziele! Wat denkt ge&mdash;dat de dood mij
+niet tot vreugde zoû wezen?"</p>
+
+<p>Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar
+de letters geschreven, en las:</p>
+
+<p class="small">
+<span style="margin-left: 2.5em;">"&mdash;HIER LEGHET BLANCEFLOER</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">IN DIT GRAF OP DESEN VLOER,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,</span><br />
+<span style="margin-left: 2.5em;">MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT."</span><br />
+</p>
+
+<p>Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig
+aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken,
+noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij
+weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten.
+"Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik
+rampzalig. Wist ik op wien&mdash;hoe gaarne zoû ik 'et wreken, dat ik u dus
+verloren hebbe! Wij waren op éenen dag gewonnen en geboren, samen
+opgevoed, samen hebben wij geleerd&mdash;tot dat we de ure bereikten, waarin
+men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op éenen
+dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik
+ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere
+smart.</p>
+
+<p>"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart
+zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een
+spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo
+schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk
+andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele
+vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en
+prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u
+standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in
+geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan;
+zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet
+verstonden.</p>
+
+<p>"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt
+moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap
+is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen.
+Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt
+hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde
+komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een
+haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en
+varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele weêr samenkomt met de
+mijne, en bloemen leest."</p>
+
+<p>Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vóór zich,
+en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat
+ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan
+u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven
+nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu
+wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het
+hart&mdash;maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af.</p>
+
+<p>"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde
+begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener
+vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is
+niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in
+groot ongerief blind, doof en stom zoû zijn en lijden al wat de waereld
+te lijden geeft,&mdash;dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de
+stervensangst voor niets?&mdash;Meent ge dat het u iets baten zoû, of ge de
+handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in
+'t Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zoû niet gebeuren; daar zult ge
+langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar
+niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert
+gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zoû uwe woning zijn,
+gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido
+lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar
+eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind
+hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij
+zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe
+vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks
+kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken."</p>
+
+<p>Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer,"
+zegt ze, "hoe gaarne zoû ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons
+kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het
+hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats
+doodgebleven."</p>
+
+<p>&mdash;"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik
+houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig
+zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."&mdash;"Heer," zegt ze, "dat is
+onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood&mdash;niet
+eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg
+brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich
+alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn."</p>
+
+<p>&mdash;"Vrouw," zeide hij, "ik zoû misdoen, indien ik uwen raadslag in dit
+geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde."</p>
+
+<p>&mdash;"Nu spreekt ge wél, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wél aannemen, dat
+wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen."</p>
+
+<p>&mdash;"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve,
+maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat
+Blancefloer, zijne vriendin, leeft."</p>
+
+<p>De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg
+gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid.</p>
+
+<p>"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe
+vriendin: Zij leeft; daar is in het graf&mdash;niets. Wij hebben leugentaal
+gesproken&mdash;uw vader en ik&mdash;toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten
+haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt
+weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings
+dochter. Dat zoû ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot
+vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet
+wilde toelaten, dat zij uw vrouw zoû worden, daarom wilde hij ze
+verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter
+markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre
+landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd
+rijk."</p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm016.jpg" width="400" alt="Toen zag hij de lachende kinderbeelden." title="" />
+<p class="illus">Toen zag hij de lachende kinderbeelden.</p>
+</div>
+
+<p>"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"&mdash;"Ja ik," andwoordde zij
+onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien."</p>
+
+<p>Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren;
+en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte
+hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zóo,
+dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en
+brengen ze vol vreugde te-rug.</p>
+
+<p>Maar wat moest hij daar niet al voor doen;&mdash;wat moeite moest hij niet
+aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit
+het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet
+vele in 't land zoû vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo
+dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zoû kunnen zijn, die om den
+wille van welke liefde ook, de stoute daden zoû verrichten, die Floris
+bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er
+verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer
+ter zijde.</p>
+
+<p>Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij
+aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is
+verblijd, om dat ze leeft.</p>
+
+<p>Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat
+hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen
+verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene
+vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge
+dragen.</p>
+
+<p>"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer.
+Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen
+kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar
+te-rug-kom."</p>
+
+<p>Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon.</p>
+
+<p>Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene,
+wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was
+besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant
+daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en
+heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij
+hem vele goede eigenschappen verhaalde:</p>
+
+<p>"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij
+dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch
+van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof
+vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk
+verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van
+zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te
+zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen
+mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder:
+hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar
+waren, weenden alsof hij dood vóór hen lage. Maar zijn moeder dreef den
+diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zoû het nog méér
+gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie
+maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden
+zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer
+weêr.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met
+vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te
+scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer
+uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babylonië, de
+stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd.</p>
+
+<p>Maar wat nu nog aangevangen zonder éenen vriend, die hem den weg kon
+wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich
+meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar
+hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en
+zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken
+gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie,
+het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had
+gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door
+Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem,
+en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe
+zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren
+man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone
+jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb
+zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard
+deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het
+tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord
+en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u
+des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad
+schaffen."&mdash;"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat
+hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt.
+Het zoû mij niets verwonderen; want ik zag haar van éener gedaante, van
+éen manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in
+kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante
+mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is.
+In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om
+zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in
+vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar
+de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem
+gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof
+vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar
+geliefde."</p>
+
+<p>Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam
+werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te
+zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit
+woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij
+hebben éenen vader en éene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo
+begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de
+geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen
+Koning, die kroon draagt, is er, die zoû durven ondernemen haar den Emir
+te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den
+rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren
+waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen
+bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij
+steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij
+rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het
+dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van
+goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan
+is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo
+helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo
+licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of
+fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet
+van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier
+woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle
+van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen
+pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt.
+Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert
+door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste
+verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer
+zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu
+steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit
+de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn
+van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn
+de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat
+verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en
+lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de
+geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald
+zijn.</p>
+
+<p>"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar
+het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den
+doek tot wasschinge moeten brengen.</p>
+
+<p>"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren
+nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der
+woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door
+tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn
+altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te
+slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een
+vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang
+gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het
+jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen,
+de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met
+zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen;
+opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zoû."</p>
+
+<p>Floris, op het hooren dezer berichten, was nog ongeduldiger dan vroeger
+om zijn opzet door te zetten, en bidt den waard er hem den besten raad
+toe te geven. "Sta morgen vroegtijdig op," zegt deze: "begeef u naar den
+toren: beschouw hem ter wederzijde; ga de hoogte en dikte met uwe
+blikken na, en meet den omvang met uwe schreden. Dan zal de portier op u
+toeschieten, en stuurs u aanspreken: andwoord hem bedaard, en zeg hem,
+dat gij gekomen zijt om den toren op te nemen, en voornemens in uw land
+naar dezen een anderen en beteren te maken. Als hij u van zulke zaken
+hoort spreken zal hij begrijpen, dat gij een aanzienlijk man zijt, hij
+zal kennis met u willen maken en u ten zijnent noodigen, of gij met hem
+schaakspelen wilt. Hij bemint dat spel met hartstocht. Zet honderd
+bezanten op het spel; wint gij&mdash;geef hem dan zijn inzet met den uwe ten
+geschenke. Keer des volgenden daags te-rug, en verdubbel de som. Geef
+hem het zijne weder, indien gij wint; en vermeerder het met het uwe. Dat
+zal hem vriendelijk stemmen ten uwen opzichte. Vul des derden daags uw
+schoone gouden drinkvat met drie-honderd bezanten; en als gij wint, geef
+hem steeds het gewonnene te-rug, vermeerderd met uw ingezette som. Zoo
+wint gij hoe langer hoe meer zijne genegenheid. Zie echter wel toe, dat
+gij uwen gouden beker niet op het spel zet. De man zal u dan aan zijn
+disch nooden. Hij zal zijne zinnen zoo sterk op uw drinkvat gesteld
+hebben, dat hij er u duizend mark fijn goud voor bieden zal. Sla dit van
+de hand. Maar, ten laatste, bied hem het kostbaar stuk als een
+vriendschapsgifte aan: dan zal hij buiten zich-zelven zijn, en niet
+weten, hoe hij dat groote goed en de eere, die gij hem bewijst, erkennen
+zal. Hij zal u zijne handen toesteken als uw dienstman. Wees daarop
+voorbereid, en ontvang zijne manschap en getrouwheidseed. Dan moet gij
+hem de waarheid stoutelijk bekend maken; hem verhalen, wat zake gij
+volvoeren wilt, en wat leed u getroffen heeft. Dan, ik ben des zeker,
+zal hij uwe liefde bevorderlijk wezen en u helpen. Helpt <i>hij</i> u
+niet&mdash;dan is uw zaak verloren."</p>
+
+<p>Floris deed als hem geraden was. Des anderen morgens vroeg reed hij, op
+het prachtigst uitgedost, naar den toren, 1000 gouden schilden had hij
+medegenomen. Alles droeg zich juist zoo toe als de waard het voorspeld
+had. Toen de portier hem manschap gedaan hade vergde Floris van hem, dat
+hij hem Blancefloer zoû doen zien en spreken.</p>
+
+<p>"Heere," zeide de verschrikte portier, "uw goed heeft mij ten verderve
+gebracht. Ik bemerk het te spade. Gij hebt gedaan als de vogelaar, die
+met zijn schoon fluiten en blazen de vogelkens in den strik lokt. Kome
+er schade van of voordeel&mdash;daar het er nu eenmaal toe ligt, zal ik u
+trouw bewijzen&mdash;&mdash;Keer nu ter herberge, en kom over drie dagen weder,
+dan is het de Meimaand: dan zal ik u helpen."</p>
+
+<p>Toen Floris, dien het uitstel ontzaglijk lang viel, zich op den
+bepaalden dag bij den portier aanmeldde, beval hij den schoonen,
+veertienjarigen jongeling zich in een rozerood kleed te steken. Hij had
+ook zijn dienaars uitgezonden, om hem uit alle velden, en wouden, en
+hoven, de schoonste bloemen te verzamelen. Een ontzettenden korf deed
+hij daarmee vullen, en zeide aan zijne knechten, dat hij die aan de
+jonkvrouwen ten geschenke wilde geven. Maar toen hij alleen was met
+Floris, deed hij dezen in den korf nederzitten, en bedekte hem met een
+groote hoeveelheid rozen, akoleyen, lelies, en violen. Ook een krans van
+rozen had hij den knaap op het hoofd gezet, en beval hem zich niet te
+verroeren. Toen gaf hij last dat men de bloemen de bovenste torentrap
+zoû opdragen in de kamer van Blancefloer: "Gaat," zeide hij, "brengt uit
+mijn naam deze bloemen aan mijne Jonkvrouwe Blancefloer, en dat zij er
+de bloem uit kieze, die haar het beste gevalt!"</p>
+
+<p>De dienaars gingen. Onder wege vloekten zij op den last, en meenden, dat
+zij nooit zoo zware bloemen hadden gedragen;</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat seiden si ende seiden waer."</span><br />
+</p>
+
+<p>Maar o noodlot! Daar dragen zij den korf in eene verkeerde kamer, in die
+eener andere jonkvrouwe, eens Hertogen dochter uit Duitschland, Claris
+geheeten. "Jonkvrouwe Blancefloer!" zeggen de dienaars, "deze bloemen
+zendt u onzen Heer de portier."</p>
+
+<p>Claris zeide niet, dat zij Blancefloer was&mdash;maar aanvaardde de bloemen
+al lachende. De dienaars vertrekken. Zij gaat tot den korf en neemt eene
+roos. Floris waant dat het Blancefloer is, en spring uit de bloemen naar
+haar heen. De jonkvrouw werd zeer vervaard, vluchtte van hem, en riep:
+"Help! help! wat bloemen zijn dit!" zoo dat al hare gezellinnen haar ten
+bijstand snellen.</p>
+
+<p>Floris echter verborg zich haastig weêr in den korf onder de bloemen, en
+de jonkvrouw, zich bezinnende dat deze voor Blancefloer bestemd waren,
+en dat hare vriendin steeds treurde om een jonkman, wiens beschrijving
+geheel aan het voorkomen van Floris beandwoordde, herstelde zich
+spoedig, en zeide aan de andere jonkvrouwen, "dat uit de bloemen haar
+een vlinder in het aangezicht gevlogen was, die haar verschrikt had."</p>
+
+<p>Nu verwijderde men zich, en Claris gaat tot Blancefloer, die altoos
+treurde om haren geliefde. "Blancefloer," zegt ze, "zoete lieve, wilt ge
+met mij gaan&mdash;ik zal u zulke bloem laten zien, dat gij nooit bloem noch
+roze liever zaagt dan deze."</p>
+
+<p>&mdash;"Clarisse," andwoordt zij, "zoete gespele, ik heb zo veel verdriet,
+dat ik geen zin heb in bloemen. Gij doet slecht, dat gij spottende tot
+mij komt. Die in de hope der liefde leven, hun past het wel bloemtjens
+te kweeken, om het leed te vergeten en te verkorten: maar mij naakt
+niets dan droefheid. Zoete vriendinne, gij weet wel, dat ik ver van mijn
+geliefde ben en hij verre van mij. Ginds is de Emir, die mij binnen
+dezer maand nog ter vrouwe denkt te nemen. Maar eer zal ik mij de dood
+geven (kan ik hem anders niet ontgaan), dan, levende, Floris te
+verliezen."&mdash;"Blancefloer," is het wederwoord, "nu bid ik u, bij Floris'
+liefde en om zijnentwille, dat gij met mij de bloeme koomt zien&mdash;hoe
+schoon zij is."</p>
+
+<p>Zoodra ze haar bij hém bezwoer, stond de schoone Blancefloer op en ging
+de bloem met haar aanschouwen. Floris heeft de jonkvrouwen wel gehoord,
+en is zeker, dat Blancefloer in de kamer is. Hij richtte zich op en
+sprong te voorschijn: hij had het schoonste haar, den blanksten tint,
+die ooit iemant ten deel vielen. Hij had een rooden lijfrok aan. Edel
+was zijn gedaante, lieflijk blonken zijne oogen. Blancefloer herkende
+hem toen zij hem zag; zij kende hem, en hij haar. Beiden stonden zij
+roerloos; zij konden geen woord uitbrengen. Toen zij tot bezinning
+kwamen, liepen zij al zwijgende tot elkander, zij namen zich in de
+armen, drukten elkaâr aan het harte. Het kussen en omhelzen duurde zoo
+lang, dat men ter zelfder wijle een groote mijl had kunnen gaan. En toen
+zij elkander niet meer kusten, lachten zij elkander al zwijgende toe; en
+zagen zich allerminnelijkst aan. Toen zeide Clarisse en begon schalk te
+vragen: "Blancefloer," zegt ze, "zoete gezellinne, kent gij de bloem,
+waarvoor ik u aanzocht, ook eer dat ik ze u toonde? Draagt gij ze aan uw
+boezem? Sints gij ze zaagt, dunkt mij dat ge gants verheugd zijt: daar
+moet groote kracht in uwe bloem liggen, die eene jonkvrouwe zoo spoedig
+van haren rouw verlost heeft. Eerst woudt gij ze niet zien&mdash;nu dunkt mij
+zijt ge er zoo meê ingenomen, dat ge voor niemant gunstig genoeg zijn
+zoudt om de bloem met hem te deelen."</p>
+
+<p>&mdash;"Deelen?" zegt ze, "is dit dan Floris niet, mijn zoete lief! mijn
+zoete vriend aan wien mijn leven en mijn dood ligt, als ik u dikwerf
+gezegd heb? Hij is mijn troost, mijn toeverlaat." Toen baden zij
+Clarisse beiden, dat zij hunne liefde niet te leed wilde brengen en ze
+geheim wilde houden. "Vreest niets," zeide Claris, "hoe zoû ik u kunnen
+verraden!"</p>
+
+<p>Blancefloer nam haren geliefde bij de hand: en zij zaten naast elkander
+op een rijk bekleede rustbank. "Floris!" zeide zij, "mij wondert zoo
+zeer door wat list gij dezen ontoegankelijken toren hebt weten te
+beklimmen, dat ik soms denke of het ook slechts begoocheling zij. Vrees
+en twijfel benaauwen mij, dat het Floris niet is, die daar neven mij
+zit. Wat zeg ik? ik kenne hem wel; hij is het. Zoete vriend! ei, kom wat
+dichter bij mij&mdash;'t is Floris, die mij te-rug-gegeven is!" En toen
+verhaalden zij elkaar van het leven des afzijns; en dit lijden was hun
+thands zoet.</p>
+
+<p>Maar, helaas, hun geluk was kort van duur. Blancefloer en Claris moesten
+den Emir het water en den doek der handwassching reiken &mdash;maar reeds was
+Claris de trappen afgevlogen met het wasch-bekken, en had Blancefloer
+aangespoord te komen, toen deze nog, in de vreugde des wederziens
+verloren, aan de borst rustte van haar tederen vriend. De Emir zond zijn
+kamerling heimelijk naar boven, daar hij de verschooningsreden, door
+Claris bijgebracht, wantrouwde. Een oogenblik later stond de Emir-zelf,
+in een gramschap, dat hem het harte dreigde te breken, tegenover de
+kinderen, het ontbloote zwaard in de hand. Eerst wilde hij ze beide
+neerslaan &mdash;doch liet zich verbidden om hen voor de rechters te voeren.</p>
+
+<p>Juist viel het jaarfeest in, waarop de Emir gewoon was eene vrouw te
+nemen. Koningen en Hertogen, al de hoogsten van den Rijk waren binnen de
+stad. De hofzaal was prachtig versierd. Thebe noch Troje bezaten ooit
+zoo rijk een paleis. De Emir dan riep er zijn Baronnen en Heeren te
+zamen, om het vonnis over Floris en Blancefloer uit te spreken&mdash;en daar
+was er maar éen die het opnam voor de jeugdige gelieven. Zijn voorspraak
+mocht echter niet baten.</p>
+
+<p>Twee krijgsknechten kwamen de kinderen halen, om ze voor den raad te
+brengen. Droevig en smartelijk zagen zij zich aan en hadden diepen
+deernis met elkander. "Zoete lieve," sprak de Jonkheer tot Blancefloer:
+"wij zijn nu zeker van de dood en in het grootst gevaar. En mijne schuld
+is het, dat wij sterven moeten. Ware ik niet hier gekomen, u ware dit
+leed gespaard gebleven. Maar zal de Emir naar recht uitspraak doen&mdash;zoo
+zult gij de dood ontkomen. Te onrechte zoudt gij sterven. Lieve, neem
+intusschen dit ringetjen: zoo lang gij 't bij u zult hebben, kunt ge
+niet sterven."</p>
+
+<p>"Floris," zegt ze, "wel zoete vriend: hoe onbillijk dunkt mij uw taal!
+De schuld is mijne. Om mij weervaart u deze schande. Om mij verliet gij
+uw ouderlijk huis en zijt hiertoe gekomen. Ik weet wel, dat ik voor u
+sterven moest, ging het naar recht. Geen angst van de dood, geen
+marteling, zoo hevig; zal mij den ring doen behouden; want ik ben schuld
+van alles."</p>
+
+<p>Floris zeide, hij kon niet dulden, dat zij sterven en hij leven zoude.
+Hij bad haar, dat zij het ringetje name; en zij wilde niet. Hij wierp
+het haar toe, en zij 't hem te-rug, zoo lang tot dat het daar neêrviel
+onder de voeten. Zij gingen voort. Een Hertog raapte 't op, die hunne
+woorden gehoord had.</p>
+
+<p>De kinderen werden in de raadzaal gebracht, en ieder was zoo zeer door
+hunne zeldzame schoonheid en droevig lot getroffen, dat allen de tranen
+in de oogen kwamen en de deernis in het hart. Doch de Emir bleef
+onverbiddelijk. Hij liet ze op een plein leiden buiten zijn paleis, en
+beval, dat men hen daar in een groot vuur wierpe. Toen kwam de Hertog,
+die het ringetjen had opgeraapt, dat Blancefloer liet vallen, hij
+knielde met bittere klachten oodmoedig voor zijnen Heere neder en
+verhaalde hem de woorden, die hij van de kinderen gehoord had, toen zij
+van de trap daalden. De Emir beval, dat zij ze hem nog eens vóór zouden
+brengen&mdash;daar hij hooren wilde, wat ze tot elkander zeggen zouden:</p>
+
+<p>"Hoe is uw naam?" vroeg hij barsch aan Floris.</p>
+
+<p>"Heer," zeide de jongeling, "ik heet Floris. Terwijl men mij ter schole
+gezonden had, werd mij mijn lief ontstolen, Blancefloer, die hier neven
+mij staat. Het zoû onrecht zijn, zoo men haar dede lijden. Heer, ik ben
+hier niet met haar meêweten gekomen; dat durf ik voor u en al deze
+Edelen, bij het heiligste bezweren. O doe nu wel! en om uwer eere wille,
+laat Blancefloer leven, edele Heer! Zij is onschuldig! Mij is de schuld!
+Laat den schuldige 't ontgelden."</p>
+
+<p>&mdash;"Heer," riep Blancefloer, "houdt u niet aan zijne woorden, die gij
+gehoord hebt. 't Is alles om mij gebeurd&mdash;mijn is de schuld. Ware ik
+niet in den toren geweest&mdash;mijn lief ware er niet gekomen. Ik durf wel
+met waarheid zeggen, dat hij eens Konings Zone is. Verloor hij zijn
+leven ter mijner liefde&mdash;dat ware groot onrecht, groote schade. Lieve
+Heer, laat hem leven&mdash;en breng mij ter dood."</p>
+
+<p>&mdash;"Neen!" sprak Floris, "Heere, laat gaan mijne vriendinne, en sla mij
+terneder!"</p>
+
+<p>Toen andwoordde de Emir en zeide: "Zeker, gij zult beide sterven! Ik
+zal zelf mij wraak verschaffen van den smaad, die mij is aangedaan."</p>
+
+<p>En een blank zwaard nam hij in zijne hand.</p>
+
+<p>Blancefloer sprong driftig naar voren, en bood haar hoofdjen.... Floris,
+met de tranen op de wangen, vloog haar na, en wilde haar achteruit
+trekken: "Gij zult niet de eerste de dood ontvangen!" riep hij.</p>
+
+<p>Toen rekte hij zijn hals en bad den Emir toe te slaan, en haastiglijk,
+want hij was bereid. Blancefloer verzett'e zich met inspanning! "Heer,
+mijn is de schuld," riep zij, "waarom slaat gij niet?"</p>
+
+<p>De een konde den ander niet voor zijne oogen zien sterven.</p>
+
+<p>Men weende, en jammerde, en wrong de handen over dit harde vonnis.</p>
+
+<p>Ook de Emir was geroerd. Allen vereenigden zich om hem te verbidden. Het
+zwaard viel hem uit de hand. Op voorbede van den Hertog die het ringetje
+gevonden had, en vooral van eenen Bisschop, die den Emir te voet viel,
+betoonde hij zich vergevensgezind. Hij gaf Floris verlof zijne
+geschiedenis te verhalen; de jongeling kweet zich daarvan met
+kinderlijken eenvoud, maar bleef weigeren bekend te maken door wat
+middel hij in den toren was gekomen; toch nam toen de Emir de hand van
+Blancefloer en zeide: "Vriend, neem den schat te-rug, die u toebehoort:
+ik beveel ze uwer trouwe: om Gods en dezer Heeren wilde, schenk ik u
+beide het leven."</p>
+
+<p>Schreiend vielen zij hem te voet; hij hief hen op en kuste ze, en maakte
+Floris ridder, op de wijze als het daar te lande gebruikelijk was.</p>
+
+<p>De Emir nam toen de goede Claris, voor zijn leven, ter vrouwe, en daar
+werd een groote maaltijd gegeven, waar menige gouden beker geledigd, en
+menig vreugdelied gezongen werd.</p>
+
+<p>Korten tijd daarna kwam er een gezantschap uit Spanje, met het bericht,
+dat Floris' ouders overleden waren, en met de bede van zijn volk, dat
+hij ze mocht komen regeeren.</p>
+
+<p>Floris liet de toebereidselen maken tot zijn vertrek, en onder de
+heilwenschen van den Emir en de zijnen, toog hij met Blancefloer en een
+groot gevolg naar zijn vaderland.</p>
+
+<p>Daar ontvingen hem zijne onderdanen met geestdrift, en kroonden hen
+Koning en Koninginne.</p>
+
+<p>Floris omhelsde de Christen Godsdienst, de Godsdienst van Blancefloer;
+en geheel zijn volk deed als hij.</p>
+
+<p>Hongarije en Bulgarië verstierven van eenen oom in later tijd nog op
+hem.</p>
+
+<p>Hij had eene dochter bij zijne gade, die Baerte heette "metten breden
+voeten". Koning Pippyn dam haar ter vrouwe; een machtig Koning, die bij
+haar een kind verwekte, daar veel van te vermelden ware: Dat was de
+Koning Caerle van Frankrijk,<a name="FNanchor_1_71" id="FNanchor_1_71"></a><a href="#Footnote_1_71" class="fnanchor">[1]</a> die met groote machte menigen burg
+gewonnen heeft.</p>
+
+<p>Hier eindig ik dit verhaal.</p>
+
+<p>Floris kreeg Blancefloer niet dan met moeiten en smart:</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2.5em;">"Hi pijnder hem om; God halper hem toe:"<a name="FNanchor_2_72" id="FNanchor_2_72"></a><a href="#Footnote_2_72" class="fnanchor">[2]</a></span>
+</p>
+
+<p>Zo moge Hij, vroeg en laat, ons desgelijks helpen, dat wij al onze daden
+tot een goeden uitkomst ten jongsten dage brengen mogen! Amen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_71" id="Footnote_1_71"></a><a href="#FNanchor_1_71"><span class="label">[1]</span></a> <i>Koning Caerle van Frankrijk</i>: Charlemagne.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_72" id="Footnote_2_72"></a><a href="#FNanchor_2_72"><span class="label">[2]</span></a> <i>Pijnen</i>: inspannen.</p></div>
+
+
+<div class="figcenter" style="width: 400px;">
+<img src="images/thijm017.jpg" width="400" alt="" title="" />
+</div>
+
+
+<hr style="width: 95%;" />
+
+<p>
+<a name="Contents" id="Contents"></a>Contents</p>
+<p class="small">
+<a href="#CAREL_EN_ELEGAST">CAREL EN ELEGAST</a><br />
+<a href="#DE_VIER_HEEMSKINDEREN">DE VIER HEEMSKINDEREN.</a><br />
+<a href="#HET_EERSTE_CAPITTEL">HET EERSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TWEEDE_KAPITTEL">HET TWEEDE KAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_DERDE_CAPITTEL">HET DERDE CAPITTEL</a><br />
+<a href="#HET_VIERDE_CAPITTEL">HET VIERDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_VIJFDE_CAPITTEL">HET VIJFDE CAPITTEL</a><br />
+<a href="#HET_ZESDE_CAPITTEL">HET ZESDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZEVENDE_CAPITTEL">HET ZEVENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ACHTSTE_CAPITTEL">HET ACHTSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_NEGENDE_CAPITTEL">HET NEGENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TIENDE_CAPITTEL">HET TIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ELFDE_CAPITTEL">HET ELFDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TWAALFDE_CAPITTEL">HET TWAALFDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_DERTIENDE_CAPITTEL">HET DERTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_VEERTIENDE_CAPITTEL">HET VEERTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL">HET VIJFTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZESTIENDE_CAPITTEL">HET ZESTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL">HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL">HET ACHTTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL">HET NEGENTIENDE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL">HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.</a><br />
+<a href="#HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br />
+<a href="#WILLEM_VAN_ORANJE">WILLEM VAN ORANJE.</a><br />
+<a href="#FLORIS_EN_BLANCEFLOER">FLORIS EN BLANCEFLOER.</a><br />
+</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by
+Josephus Albertus Alberdingk Thijm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN ***
+
+***** This file should be named 39717-h.htm or 39717-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/9/7/1/39717/
+
+Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at
+http://www.freeliterature.org
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/old/39717-h/images/thijm001.jpg b/old/39717-h/images/thijm001.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7edb18c
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm001.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm002.jpg b/old/39717-h/images/thijm002.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6d52c8e
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm002.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm003.jpg b/old/39717-h/images/thijm003.jpg
new file mode 100644
index 0000000..01b6e13
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm003.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm004.jpg b/old/39717-h/images/thijm004.jpg
new file mode 100644
index 0000000..aea8872
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm004.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm005.jpg b/old/39717-h/images/thijm005.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3585d26
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm005.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm006.jpg b/old/39717-h/images/thijm006.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c19dddb
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm006.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm007.jpg b/old/39717-h/images/thijm007.jpg
new file mode 100644
index 0000000..10a7d0d
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm007.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm008.jpg b/old/39717-h/images/thijm008.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4759e56
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm008.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm009.jpg b/old/39717-h/images/thijm009.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9883dd2
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm009.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm010.jpg b/old/39717-h/images/thijm010.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e6c0574
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm010.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm011.jpg b/old/39717-h/images/thijm011.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4730431
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm011.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm012.jpg b/old/39717-h/images/thijm012.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a58c7f0
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm012.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm013.jpg b/old/39717-h/images/thijm013.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e244982
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm013.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm014.jpg b/old/39717-h/images/thijm014.jpg
new file mode 100644
index 0000000..bd9b14e
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm014.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm015.jpg b/old/39717-h/images/thijm015.jpg
new file mode 100644
index 0000000..38cb4d6
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm015.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm016.jpg b/old/39717-h/images/thijm016.jpg
new file mode 100644
index 0000000..46b0431
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm016.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/39717-h/images/thijm017.jpg b/old/39717-h/images/thijm017.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6a33536
--- /dev/null
+++ b/old/39717-h/images/thijm017.jpg
Binary files differ