diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 39717-0.txt | 8722 | ||||
| -rw-r--r-- | 39717-h/39717-h.htm | 8968 | ||||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm001.jpg | bin | 0 -> 241675 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm002.jpg | bin | 0 -> 104586 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm003.jpg | bin | 0 -> 226765 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm004.jpg | bin | 0 -> 75736 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm005.jpg | bin | 0 -> 71269 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm006.jpg | bin | 0 -> 212582 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm007.jpg | bin | 0 -> 198906 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm008.jpg | bin | 0 -> 210711 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm009.jpg | bin | 0 -> 140529 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm010.jpg | bin | 0 -> 218797 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm011.jpg | bin | 0 -> 70283 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm012.jpg | bin | 0 -> 73106 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm013.jpg | bin | 0 -> 209167 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm014.jpg | bin | 0 -> 52625 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm015.jpg | bin | 0 -> 64408 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm016.jpg | bin | 0 -> 210941 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39717-h/images/thijm017.jpg | bin | 0 -> 84487 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/39717-8.txt | 9107 | ||||
| -rw-r--r-- | old/39717-8.zip | bin | 0 -> 183285 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h.zip | bin | 0 -> 2654761 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/39717-h.htm | 9371 | ||||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm001.jpg | bin | 0 -> 241675 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm002.jpg | bin | 0 -> 104586 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm003.jpg | bin | 0 -> 226765 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm004.jpg | bin | 0 -> 75736 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm005.jpg | bin | 0 -> 71269 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm006.jpg | bin | 0 -> 212582 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm007.jpg | bin | 0 -> 198906 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm008.jpg | bin | 0 -> 210711 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm009.jpg | bin | 0 -> 140529 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm010.jpg | bin | 0 -> 218797 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm011.jpg | bin | 0 -> 70283 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm012.jpg | bin | 0 -> 73106 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm013.jpg | bin | 0 -> 209167 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm014.jpg | bin | 0 -> 52625 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm015.jpg | bin | 0 -> 64408 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm016.jpg | bin | 0 -> 210941 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/39717-h/images/thijm017.jpg | bin | 0 -> 84487 bytes |
43 files changed, 36184 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/39717-0.txt b/39717-0.txt new file mode 100644 index 0000000..4df037c --- /dev/null +++ b/39717-0.txt @@ -0,0 +1,8722 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 39717 *** + +KAROLINGSCHE VERHALEN + +Carel en Elegast--De vier Heemskinderen--Willem van Oranje +--Floris en Blancefloer + +In nieuwer form overgebracht door + +JOS A. ALBERDINGK THIJM + +VIJFDE UITGAVE + +ZUTPHEN--W.J. THIEME & CIE--MCMXLVIII + + + +[Illustratie: Carel en Elegast] + +VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE. + + +Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd. +Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het +exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd +hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed +te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag, +door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche +volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in +de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak +en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning, +dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene +nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo +ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik +wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke +natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen, +Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle +middeneeuwsche zaken op éene leest schoeyen zult; dat gij uw hè-s en +hà-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult +wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe +Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch +zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was +en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de +onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan +alles wat oud is, en wij gaan slechts van de éene zeeziekte in de +andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe +verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe +en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het +heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de +naïeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche +scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en +hare onsterfelijke _Grootheid_, noch de enthuziasten, die het axioma +verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der +middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het +naïeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der +verwen, naar hunne recepten bereid." + +Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de _Heemskinderen_ uitgaf. + +Ik vlei mij--behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen--nog in +andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar +waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,--niet in waardeering van het +meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche +heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het +nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen +van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan +Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind +hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik +bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en +rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik: +kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander +stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,--u behoor ik: want gij +neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van +éenen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de +_Heemskinderen_ in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die +groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen +gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naïeviteit, meer dan een +objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid, +verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat +de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld +middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der _Renaissance_ +verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de +vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet +wijzer?--Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de +schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de +heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren. + +Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der +_Heemskinderen,_ gebruik te maken van het fragment van den roman, dat +het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want +ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels +een vertragend _hors-d'oeuvre_, deels een smakeloze beschimping van den +Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de +vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6--21 mij geleerd, dat +ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "schaâ", maar +_schande_, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in +den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant, +nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek +behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te +Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl. +138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met +sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er +natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zoû hebben +(v. 62--66): + + "Die coene entie starke Roelant + .... ghemoete saen Ritsaert; + Biden togle hine aneprant." + +Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt +had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk, +het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den _Madelgijs_[1], de Heer +J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet. + +Bij mijn bewerking van _Floris en Blancefloer_ had ik beschrijvingen, +die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die +door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen +(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld. + +Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van +_Carel en Elegast_ en _Floris en Blancefloer_ met mij na te zien, en mij +menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten +hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn +hartelijken dank. + +Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik _Karolingische_ in +_Karolingsche_(met den hoofdklemtoon op _Ka_) veranderen zou: "die i", +zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze +meervoudsuitgang _Karolingers, Merovingers, Saksers_, enz. _Karoling_ +staat in vorming met _Jongeling, vreemdeling_ enz. gelijk. 't Is een +echt Nederlandsche vorm. Den uitgang _-isch_ kennen wij alleen bij +vreemde woorden en namen, als _Aziatisch, historisch, mythologisch enz_. +Maar van _zijdeling_ maken wij _zijdelingsch,_ van _Harling(en)_ en +_Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche._ Dus ook _Karolingsche. +Kaarlingsche_ zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden, +omdat wij nu eenmaal aan _Karolingen_ gewend zijn. Mij dunkt, het wordt +tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen +ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen." + +Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang _koetsier_ +geen _koetser_ wordt, en woorden als _vriendin, martelares_ enz. bestaan +blijven, zoo lang _aziatiesch_ zich handhaaft,--_karolingische_ mij zoo +geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van +sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert. + +A.Th. + +Amsterdam, 3 Juni 1873. + + +Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij +meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden. + +De Uitgevers. + + +[1] Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam, in +1861. + + + + +CAREL EN ELEGAST. + +AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.) + + + + +Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen: +luistert met aandacht! + +Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den +Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom +toe. + +Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te +Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij +lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des +anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap +kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning +ontwaakte, op de lieflijke stemme. + +"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen +aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de +Heere des Hemelrijks, beval mij--u dit, op verbeurte van lijf en eere, +te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads +overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof +nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast +u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt +te paard." + +De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden +moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te +hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God +gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen! +God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert +gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij, +en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit +wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt +en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik +hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het +aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet +mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het +nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van +Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en +mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee +ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't +land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de +Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.[1] Wat +behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God +mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't +mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner +schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen." + +Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en +derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat +hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod +in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven +staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen--vaart uit +stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak +voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij +gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten. +Ik zal een dief zijn--al is het schande; al zoude ik bij de keel +gehangen worden. En toch--ik had oneindig liever, dat God mij alles +ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land--mijn +riddersrusting uitgezonderd--dat ik mij met den schilde en met den spere +den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op +avontuur:--dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te +zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig +uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te +verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!... + +"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was, +al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven! +Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het +slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen, +zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij +vreemd en onbekend is?" + +Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde +te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een +gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede +zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag. + +Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot, +noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze +waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand +zag hem--want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die +in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning. + +Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig +naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij +zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op. + +Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel +gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was. +Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg +af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder +gerucht noch geluid naar buiten. + +Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als +gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al +wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen--zoo waarlijk gij u +aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden--zoo waarlijk +zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte, +u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en +daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en +gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt +opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn--zoo +zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe +kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u +verlaat ik mij geheel!" + +Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het +stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan +stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel; +het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik +placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten, +die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt +het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat +zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun +het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is +dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik +iemant om een weinig geld doe sterven. + +'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk, +dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de +waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft +land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan +meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land +ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu +wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal +Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land +en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust. +Die ze huisvesting schonk--ik zoû hem beide burcht en leen doen +verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in +bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven +moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van +den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in +vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en +Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters--waar hij ze +betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun +muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde +storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben: +zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud, +waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van +hun klinkende munt--beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij; +niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik +woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God, +helpt mij daartoe!"' + +Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter +kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde +zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild, +dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart +was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed. +Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem +de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig +vermoeden, dat het de Duivel ware--om dat hij overal zoo zwart was. Hij +beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij +kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het +avontuur wagen. Nochtans--ik weet het van te voren--'t is de Duivel en +niemant anders. Kwame hij van Gods wege--hij zoû zoo zwart niet zijn. 't +Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.' + +"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen +kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de +Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant, +die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel +aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste, +die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als +de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke +wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.' + +Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene +nam den andere op van top tot teen--maar anders deden zij niet. Toen de +ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield +hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus +voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik +hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij +iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of +de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok +van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het +bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht? + +'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal +zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen: +licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met +schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.' + +Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem +achterhaald had, riep hij luide: + +"Staat, Ridder!--waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier +ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert! +Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het +mij--dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur, +heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden." + +--"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik +omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten--dan dat ik mij +tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij +door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen +zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen--wij +zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!" + +Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond, +voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij +de Koning was. + +Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om. + +Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een +open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de +paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar +den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men +een mijl in dien tijd had kunnen afleggen. + +De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning +vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter +op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken +vloog als een lindenblad. + +De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning. + +De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er +menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide +uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en +wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op +het hoofd, vol schaarden en spleten--zoo scherp was de snede der +zwaarden. + +'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in +zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou +ik mijn naam bekend maken--eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer +verwierve ik eere!' + +Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem, +dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros. + +Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en +bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee +stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag. + +Op dit gezicht--dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei, +dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik +geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen? +Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!" + +Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor +hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet +ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan +verweeren.' + +Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens +weerzijds, wie ze toch wezen mochten. + +"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij +bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder--zoo hebt gij uw +laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met +eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht --ik zal u heen +laten rijden." + +De zwarte sprak: "Ik ben bereid--mids gij begint, met mij kond te doen +van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij +zoekt." + +Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij--dan zal ik u zeggen, +wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder +noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van +verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op." + +--"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet +ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij +ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het +met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u +veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!" + +Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het +goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder," +zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u +gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en +bij Hem-zelven het eerst--van mij staat u geen leed te wachten! en ook +ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't +mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."--"Welnu dan, Heere," +antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer +verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren +was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en +mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en +ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en +wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken +worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn +arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in +vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen +en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters--kunnen hun +knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is +geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in +bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen? +Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en +ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik +héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor--kon ik +mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij +meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had +door te staan.--Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den +gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de +nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u +haten? Gij zijt zoo goed ten wapene." + +En de Koning dacht bij zich-zelven: + +'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de +man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee +rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om +der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten +leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben, +Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn +levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo +veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij +niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot +losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd." + +--"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?" + +--"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam +zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te +stelen--in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van +alles, ik laat niemant met rust--den rijke noch den arme. Ik let op hun +kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets +te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem +gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om +een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe--eer +de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik +begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen. +God zoû het ons niet misduiden--hadden we er een deel van. De schat ligt +in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd +pond van--'t zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen; +bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u +van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn? +Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen--en +gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas." + +Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede. +Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het +weten, eer ik u een enkelen voetstap volg." + +Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de +Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel +zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol +geladen." + +Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon +Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is +niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al +heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik +zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik +vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte +Heer. Dede ik hem iets anders dan eere--ik zoû het mij voor God moeten +schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!" + +Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat +Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij +zich-zelven--'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo +veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven +kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!' + +Na deze overweging vraagde hij aan Elegast--'of deze hem ergends anders +wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij +zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn +kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij +betreft--gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot +niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings +zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te +bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij +verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû +hij aan het leven en de eere staan--ging alles naar zijn wensch: dat kan +ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding--burcht en +leen--aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht--het +zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen --zoo ge +wilt--zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven, +dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch +wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem +ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar +gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De +Koning vergat zijn rol geen oogenblik. + +Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij +een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed +vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het +ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons +werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles +te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op, +gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit +was geraakt. + +Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren! + +Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den +Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens, +Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik +zal handelen naar uwen raad. Het zoû mij toch leed doen, indien u eenig +ongeval overkwam en men zeide dan naderhand--'dat is alles te wijten aan +Elegast!'" + +Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus: + +"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest--zoo ver ik weet. +Het zoû mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op +u aankomen." + +Elegast hernam: "'t Is mij ook wel--zoo gij een behendig dief zijt: dat +zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken, +om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne +vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een +ijzer, waar hij den muur meê zoû stuk slaan. Toen haalde ook de Koning +het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij +dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den +maker," zeide hij--"dan bestelde ik er hem óok zoo éen voor mij. Een +dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer +gebruiken."--"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn +verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die +gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij +op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande, +dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit +andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een +ploeg."--"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er meê +binnenraken. Later bestelt gij u een ander." + +Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den +geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was +hij groot en sterk--op zulken arbeid verstond hij zich niet. + +Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in +zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen, +wat ik u brengen zal." Hij woû niet toelaten, dat de Koning ook +naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield +hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en +wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom --Carel bleef buiten, en +Elegast kroop naar binnen. + +Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te +werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist +van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had, +verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij +hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun +Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.' + +"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!--zoû de Koning daar buiten +zijn?--Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker, +verraden--of een elfenspook misleidt mij." + +Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en +verhaalde hem, wat hij--of hij moest zich geweldig bedrogen +hebben!--gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne +taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was--alleen +wisten zij niet hoe dicht. + +Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? --Wat zoû +de Koning hier uitrichten?--Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond +blaffen mag?--Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij +voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te +verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond." + +--"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning +van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij +hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te +voren deed, dat de Koning in de nabijheid was--maar dat hij niet wist +hoe dicht.' + +"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet +in den omtrek is!" + +--"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener. +Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort--al wierden wij beiden +ook gevangen."--"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar +laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving, +ik zoû 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn +kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en neêr heen en weêr in zijn mond; +maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden. + +"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid +kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn +geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij +iemant, die uit stelen gaat?--Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet +telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is +waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik +heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!" + +De Koning dacht: "Dat is een waar woord!" + +Daarmeê lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat +Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd--maar kon geheime +kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en +al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met +sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant +hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel. + +Toen wilde Carel henenrijden--maar Elegast beval hem nog te toeven: hij +wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn +vrouw lagen--een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man +leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zoû kunnen +beschrijven; alleen aan den voorboog[2] is prijzensstof genoeg. Daar +hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als +Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel +stelen--al zoû ik bij de keel gehangen worden!" + +[Illustratie: Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald heb.] + +Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel +ontbeerd, dan dat Elegast weêr naar binnen ging. Toen Elegast bij het +zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde +wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat +Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan +mijn zadel?" Hij zoû zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't +niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem +zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het +zwaard en de scheê en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn +gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem +haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had +opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen +gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is +menigvuldig--ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan, +dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en +hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt +stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze +waren, die den Koning zouden treffen. + +Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij +zich-zelven, hij zoû de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht +brengen. + +Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't véél liever dat men u ophing +bij de keel, dan ik gedoogen zoû, dat de Koning aldus zonder dat hij +gewaarschuwd werd zijn leven zoû verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric +de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond +uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten +de legerstede. Elegast, die dit alles had gaâ-geslagen, kroop er +zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de +vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een +teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zoû voor het gedreigde leed. +Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed +inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn +woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat +hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof weêr naar zijn paard en +tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast +had aangebracht. + +Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zoû er niet langer getoefd hebben: +zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard +had?"--"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God +leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal +het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken--daar ben ik reeds +te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging +hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb. +Neemt het! ik ga--om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk +te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om +al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug." + +Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke +reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en +bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om +was gegaan." + +"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn +droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik +uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armoê te boven te komen. Ik +leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven, +morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!" + +Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem +voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des +Hemels. + +Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem +doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zoû heel het hof in +opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt +gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen +hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning--welnu, dan +is hij dood! Wat zoû men daar méér van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge +wel genezen." + +Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels +ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange +vertoeven was hem onaangenaam. + +"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn +makker--het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te +nà kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij +God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet +zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen--eer ik deze burg +verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan." + +De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard +gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al +zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u +beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen --dien Eggheric van +Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem +vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad--het verraderlijk +opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw +loon zal niet gering wezen: + +"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings +broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden." + +--"Neen," zegt Elegast, "wat mij weêrvare--voor den Koning kome ik niet. +De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware +paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht +onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite." + +--"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech +naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen +buit met u meê, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik +zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd +hij doodgeslagen--het zoû mij grieven." + +Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar +hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar +Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want +hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem +verraden! + +De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij +bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't +iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de +wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien +men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over +wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen +tot goed geluk voor hem was uitgekomen. + +Toen zond Carel, de Koning, éen zijner Kamerlingen om zijn geheimen +Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten +volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde, +die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk +van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat +hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen +Heer!" + +Toen zeide de Hertog van Bayvier[3]: "Laat hen komen--hier zullen zij +ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te +schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en +strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys[4], met u herwaarts kwamen: +zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf, +Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal +hem kwalijk vergaan:--tot op zijn sporen zal hem het bloed neêrvloeyen: +en Eggheric het eerst!" + +Deze raad dacht hem goed--en allen, die het met hem eens waren, wapenden +zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij +duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de +Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden. + +Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast. + +Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog, +zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen +zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf +blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde +ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gáder +had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met +den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal +wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo +als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan +van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning, +zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem +véél: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden +en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend, +schande--gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij, +noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen, +dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had--ik zoû 't hem +doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu +vooruittrede, die daar lust in heeft!" + +Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om +Elegast--boden op boden--waar hij zich onthield in het woud; en zeide +hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven +was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken." +De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort, +tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun +opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij +de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij +Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel +leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo +waar hij een Christen was, dat, indien God hem ééne bede kon inwilligen, +hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn +rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij +wech. + +Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij +sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten--den Koning en wie ik +hier vinde!--maar Eggheric--hém groet ik niet! God, die zich om +onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de +zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden +moet hangen--Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen--zoo heeft +Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is; +want--mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit +noodweer gedwongen was." + +Toen Elegast dit gezegd had, zoû Eggheric het gaarne gewroken hebben: +maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet +hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in +mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht +achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag +van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van +wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de +toedracht der zaak." + +--"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er +vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't +hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het +durfde wraken--dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij +richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en +had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter +handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den +Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen--ik +doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vóór zonne-ondergang, of ik +zal mijn leven verliezen." + +Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't +zoû ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zoû wagen tegen een +verbannen dief. Beter zoû hij met boerenlummels kampen dan met mij." +Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al +was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij +vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb +den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar +gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook, +die de schuld aan u wil tijgen." + +Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zoû +ik naar recht met hem leven, ik deed hem door éen mijner knechten +wechsleepen en hangen bij de keel." + +Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven +dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan +gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken +dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard. + +Weinig tijds na de noen[5] deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat +zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp +zoû plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God, +dat hij den kamp beslissen zoû naar recht en rede. (En God verhoorde +zijn gebed.) + +De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af +en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe +schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was." + +Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e, +kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat +hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter +nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden +vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb. +Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt! +ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf +wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in +uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn +zonden niet zijn, die mij verslaan zullen--dan, voorwaar, meen ik wel +behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik, +dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik +u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en +wildernissen--mag ik het leven hier afbrengen!" + +Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne +rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende +zijn paard, dat vóór hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het +ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.' + +Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten +strijd!) + +Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand. +Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de +kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte +geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de +sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hém, dat +hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij neêrviel op +het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het +zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden, +U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond--zoo +mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot--'t ware +jammer, zoo ik het neervelde: menig zoû 't beklagen! Kunt gij er dan al +zélf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard." + +--"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zoû dezen strijd +kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen--al +kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders +vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij +prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zoû maken om u te verslaan." + +Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand +spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had +gesproken, en steeg in den zadel. + +Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield. +Nooit zag iemant ergens op èenen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren +hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit +vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want +zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij +bleef toch even goed een Hertog. + +Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier +almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde +brengen, naar recht, en naar rede!" + +Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle +gewicht aan bewerkt rood goud zoû waard zijn geweest: de Koning had 'et +hem geschonken. + +Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de +bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat +hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit +den zadel deed storten. + +Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel +zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs +zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u +zoeken." + +Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken. + +Men sleepte Eggheric voort en hing hem--en alle verraders tevens: daar +hielp noch losgeld, noch bede. + +Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem +Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen. + +Zoo moge God al onze zaken vóór onze dood ten goede brengen! + +Nu zegt allen: Amen! + + +[1] De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ..., +Gallicië en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor +ingeschoven. + +[2] La bâte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses verticaux. +Viollet-le-Duc, _Dict. du Mob_., II, 372. + +[3] Beieren. + +[4] Valois. + +[5] Het 9e uur na zonsopgang. + + + + +DE VIER HEEMSKINDEREN. + + +AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.) + + + + +HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN. + + + + +HET EERSTE CAPITTEL. + + +In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren, +hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte +hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en +vrolijkheid. + +Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle +jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van +Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de +waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar +ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was +Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter +gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo +dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie +te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het +Keizerrijk--Geestelijk en Waereldlijk. + +Daar waren: onze aardsche Vader--de Paus van Rome, de Patriarch van +Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge +Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000 +Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom[1] ter wapen in +oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen, +alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed +waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal: +want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en +geneuchlijkste van den jare. + +En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan +men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde +strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee +Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller +aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig +Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet +ontbreken en zoude van spijze en drank. + +Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in +zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en +in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en +Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters +zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer +wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en +ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne +Keizerinne, in groote luister en glorie. + +En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en +groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen +die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete +woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale +zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de +tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in +Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en +hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille +geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer +Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven +hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer +Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze +begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden." + +Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer +Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor +hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geëischt, en ik +hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij +doen daartoe dat zij mogen!" + +En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd +zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende: +"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen +tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben--men zal groote schande van u +spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt, +zal daarin óndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel." +Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen, +of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit, +en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels +tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar +wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen +vernomen. + + +[1] _vroom_--moedig. + + + + +HET TWEEDE KAPITTEL. + + + Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn + ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den + Rijksban deed. + + +Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de +blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen +en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen +verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat +de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd +en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken: +"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal, +zoo lang als de waereld staat--al zouden wij alle dood blijven!" + +Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders, +uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen +en vrienden; hij had spoedig zijn batalië in orde gesteld en had +ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend +en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen[1] Koning Carel veel te +hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van +volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning +Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemanniërs en +Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit +verscheidene oorden--meer dan ik schrijven kan. + +Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn +en zijne vrienden[2] te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en +te niet te maken. + +En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000 +mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders, +edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit, +met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot +'Nerboen! Nerboen!' + +Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in +orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit, +zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van +den paerde ter aarde gedragen wierd. + +Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome +mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en +vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal." +Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op +het spel en in gevaar stellen." + +Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun +zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den +appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk[3], +tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en +velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden +groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man +bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag +daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de +strijd was hevig en fel. + +Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed, +alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere +nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel +verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste +schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage, +duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige +mannen. + +Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood +had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van +Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom +geveld en verbrand--om de dood van Heer Huygen. + +Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne +kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden--maar ik duld ze hier niet +langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun +vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep +Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame--zoo Koningen, +Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner +waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling +over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden +met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land +moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben. + +Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen +mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij +bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings +macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten +hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk +verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven +waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen. + +Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts +ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure +besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk +nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren +en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden--Monniken, +Priesters, Klerken, Nonnen--ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tót +onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder, +Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van +Nigromantie[4], daar hij groote schade meê dede. En het goud, dat zij +roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze +oorlog duurde zestien jaar.[5] + + + +[1] _Lauiven_--Loan, in Picardië. + +[2] _vrienden_--zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten. + +[3] _vromelijk_--dapper. + +[4] _Nigromantie_--zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit [Greek: +Nekromanteia]) + +[5] _Genoten_--het kollegie der XII _Pairs_, die met Karei te recht +zaten; zijn staf in den oorlog. + + + + + +HET DERDE CAPITTEL + + + Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van + Ardennen, om peis met hem te maken. + + +De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van +Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde, +moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen +over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met +Haymijn en zijn volk. + +Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij +Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem +eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de +oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden +u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan +beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten +van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij +hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe +in wat hun goed docht. + +Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij +schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn +magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan +had. + +Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot +Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode, +opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis +mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien, +en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den +Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen +aanname over mijn neve!" + +Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den +Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot +Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn +neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en +al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij +hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij, +noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.' + +Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had +gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden; +hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn +vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van +Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning +Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat +zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen +dochte. + +Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene +hij hun aangezegd en geschreven had--zij waren des goedwillig den zoen +aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door +Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem +zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat, +alzoo hij hem bij brieven gemeld had--dat hij te vrede waar den peis aan +te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere +woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert +kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem +eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en +zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis +en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve, +gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.' + +En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge +Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de +meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden +den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het +andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede. + +Daar werd ontboden voor den Koning--Adelbert en Madelgijs: en toen zij +voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden +en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om +aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen +oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief +bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn +zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn +weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen +zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken. + +Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze +blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij +cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht. + +En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis +kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman, +met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende +vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met +300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor +Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij +mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde +onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft; +ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als +Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap +vereenigd. + + + + + +HET VIERDE CAPITTEL. + + + Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij + haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat + hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde. + + +Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid +ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere +zijde ging Roelant[1]. + +Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede +Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf +hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning +ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte +over zijn neve, hij zoû hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te +betalen.' + +Intusschen kende Koning Carel--Haymijn en zijnen magen toe wat zij +zouden winnen op de Heidenen[2], dat ze 't vrij houden mochten, zonder +van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn +vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den +zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk +'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname +aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en +dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met +hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar +Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot +Parijs. + +En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont, +toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden +en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en +wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener +waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels +zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken +waar ik mag aan lijf en goed!" + +Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer +leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En +Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde. + +Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar +werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en +geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat--maar Vrouwe Aye niet; zij was +zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon. + +Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne +waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter +rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne, +en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij +dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle +Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was +zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en +ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap. + +Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij +ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het +geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij +het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken. + +Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een +klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van +kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan. + +Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van +een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de +gevaders waren Bisschop Tulpijn[3] en Grave Willem[4]; en het kind werd +heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk +gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't +toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne +wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't +vernam. + +Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij +was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den +zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar +kerkgang gedaan. + +En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't +verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat +kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed. + +Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en +Adelaert werd hij genaamd. + +Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar +bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen +dat Haymijn dood was. + +Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend +paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw +hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte, +en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem +wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook, +blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de +zale. + +En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had +Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier +was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den +sperwer. + +Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en +Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij +vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet. + +Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands +verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning +Carel. + + +[1] _Roeland_:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn. + +[2] _Heidenen_: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs. + +[3] _Bisschop Tulpijn_: mede een van Carels Pairs of Genoten, die den +Rijksraad uitmaakten. + +[4] _Willem_: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van Gellone. + + + + +HET VIJFDE CAPITTEL + + + Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen + Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet + wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede + ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en + hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat + hij vier Kinderen hadde--'t welk hem zeer + verwonderde--en hoe hij hem bereidde ze Ridder te + slaan. + + +Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof +hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke +en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen, +Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem +in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen +gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u +is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde--alzoo dat ik voortaan de +wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in +ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom +wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone +Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet +als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling." + +Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning, +het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is +Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd--'t en kan nochtans +niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt." + +Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik +hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk, +van heel Christenrijk!" + +Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier +ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van +den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn +goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes +weken: 't was daarom, dat hij menige--overmoedige krijgstocht tegen uw +volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde +en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud +daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de +voeten mede." + +En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel: +"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne +en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren +geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij +de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet +voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen +is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden, +magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze +doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om +Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden +wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat." + +Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet, +is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt +terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem +zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot +borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en +verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan." + +Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht +die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden +zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?" + +Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant, +Willem van Orangiën[1], Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning +stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?' +'t Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met +kostelijke tuigen van goud en zijde. + +Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne +paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te +paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de +hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte, +zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land, +en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden: +daar waren twee-en-dertig vrome Ridders. + +En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn +kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de +uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen +verraad en oploop. + +Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield +den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders +komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn +Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem +van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder; +de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die +mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit +oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.--Zij moeten +iets gewichtigs te boodschappen hebben." + +Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe," +zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer +Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe +de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor +den overmoedigsten man der waereld." + +Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op +zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en +kostelijken blioud[2] van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij +hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de +knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij +hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke +Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen. + +De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het +binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders, +Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo +stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de +vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet +verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete +woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u +noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent +niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge; +hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig +nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van +Christenrijk." + +Haymijn hoorde wel het gesprokene--maar andwoordde niet. Als hij zijne +vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn +verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner +eere, mogen nêerslaan--ze zouden hem niet ontkomen zijn. + +Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij +u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te +kroonen.--Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne +veroordeeling, toch andwoord geven!" + +Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan. +Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam +eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide: +"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw +schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!" + +Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en +heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer. + +Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer, +wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van +Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt--is dorperheid...." En eer zij +het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de +hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en +zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen +spreken--schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was +uitgebroken. + +En hierbij stonden de vier ridders--Grave Roelant en Bertram de +krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en +zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend +binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo +gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en +haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche +Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een +vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde +hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen +antwoord!" + +En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te +zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de +ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de +ongelukkigste vrouw ter waereld."--"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij. + +"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig +jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een +kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn +land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen +doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen +zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij +mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van +hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van +hen gegrepen--God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden. +Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;... +liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû." + +Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij +kinderen hadt, luttel of vele--zoudt gij ze dooden?"--"Voorwaar," zegt +hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en +behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen--zijn lieven kroost, dat +hij voor al de waereld bemint!"--"Zoo waren het dan verloren eeden, die +gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden +zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"--"Woorden, hetzij door +dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen +waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik--God +betere 't!" + +--"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw +kinderen vreedzaam bejegenen zult--wilde 't geval, dat gij er vondt." + +Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen; +maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen--want ik weet +niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn." + +Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met +mij--gij zult ze zien!" + +Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging +met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij +name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de +zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen--daar hem zeer naar +verlangde.' + +Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen +waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging. + +Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier +niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer +stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en +Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat +gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels +geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij +noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier +den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van +opstonden!" + +Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die +tale staakt."--"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout +trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen +heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar +wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet +zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij +Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker--hij is zoo wreed en +hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend +volk heeft hij altijd op der zale en in den hof." + +Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met +toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden--Haymijn--die ellendige? des +zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet +een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden--en +dien Haymijn het eerst!" + +Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en +zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik +zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!" + +--"En van de anderen twijfelt gij?" + +Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van +herten." + +Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht, +dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer. +Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem +over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet +gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier +eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben." + +Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde +hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met +een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel +jonkman, en wil mij niet slaan--ik ben dijn Vader; van dezen avond zal +ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?----zoo +ware mij leed, dat ik had geslagen." + +Het eerste kuste Haymijn--Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en +Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard +aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden. + +"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u +euvel bekomen, dat ge mij kwetstet." + +Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere +waerd zijt Ridder te worden."--"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij +behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en +sterk--zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten +Hove." + +[1] _Willem van Orangiën_: deze Paladijn, uit het Huis van Narbonne, en +Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, dienden dus +toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar hield het +geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe.... + +[2] _blioud_: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie Viollet le +Duc, op het woord _Bliaut_ (Dict. du mob., III, I, 38--60). + + + + +HET ZESDE CAPITTEL. + + + Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en + hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat + berijden, dat vele Heeren aanzagen. + + +Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij +spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem +komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer +kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem +'t zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet +op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken, +dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele +ongerechte daden bedreven--dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een +vroom Ridder, heusch[1] in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch +land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen +en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft. +Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb +t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij +daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij +op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove." + +Toen liet Haymijn--Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand, +zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde +hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien +men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden +ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om +Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch +kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij +moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen." + +Daarna maakte Haymijn--Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den +anderen Kinderen gezeid had. + +Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede +was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn +in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide +Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een +Espetijn[2]: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt +hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en +Valencijn[3], maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te +vechten." + +Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor +het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden +ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout +dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg +'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij +zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en +tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van +Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u +voorbracht." + +[Illustration: De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is +dood, ziet daar ligt hij.] + +Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat +Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude +dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen +bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij +sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde, +dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout +op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf. + +Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone, +bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht +van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft +er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een +dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met +nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert +zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen +kunnen korten, in de vlucht." + +Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende: +"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!" + +Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u, +want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft +een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi." + +--"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware +groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak: +"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als +Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met +zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand +eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was. + +Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout +vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en +Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te +zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men +den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het +Ros, en ik zal het u geven." + +Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de +staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg +Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter +aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam. + +Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende: +"Och, mijn kind is dood!" + +Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter +dan dy." + +De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar +ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en +ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen." + +Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft +zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch +Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij +zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de +kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op +de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den +toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd +omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus +wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende, +dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee +scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen +van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert. + +Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen +en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En +Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde +grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout +een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was +sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had. +Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet. +Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien. + +Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn +goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen +en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan +spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en +breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden +schutbladen[4], die zeer kostelijk waren. + + +[1] _heusch-, hoofsch-, hoveschheid_ is het tegenovergestelde van +_dorperheid,_ en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in de +form. + +[2] _Espetijn (erspentijn, serpent?)_: draak. + +[3] _Montagu_ en _Valencijn (Valenciennes)_. In sommige bronnen: heet +dit laatste _Valkensteyn._ + +[4] _Schutbladen_: zie de noot 2 Carel en Elegast. + + + + +HET ZEVENDE CAPITTEL. + + + Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove + kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe + Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van + Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart[1] en Kok, dat men + Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle + zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf + hij niet. + + +De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen, +en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al +wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn +Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren +voorzien van eene volledige uitrusting. + +Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden +ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar +kwamen zij te Parijs[2]. + +Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur +sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij +hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus +genaakten zij ten Hove. + +Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk +gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning +Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn +alzoo gedaan heeft. + +Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te +trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en +hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u +haat en die u doodvijand is?"--"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik +wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij +moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk." + +Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat +ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij +andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den +Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en +zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen. + +Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning +blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des +dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch +Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste +in dertig jaren, dat de Koning--Haymijn ongewapend had gezien. Roelant +bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad +Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met +Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.' + +En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder +Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste +jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het +verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast +hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner +van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was. + +Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men +ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze +gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of +niet." + +Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete +u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij +malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij +dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."--"Voorwaar!" zeide Reinout: +"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen +met mijn lijf--maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur +genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander +Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was +hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon +landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde +hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en +ik élk begiftigen zal--zoo zal ik u niet geven!" + +Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik +heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!" + +Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel +zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot +uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met +kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en +Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk +onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist. + +Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men +Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig +Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd +de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner +waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar +de honden meest liggen--zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een +ieder werd gediend van spijs en drank--maar Haymijns kinderen gaf men +niet. + +Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en +zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep +met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den +voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit +ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels +name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat +hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen, +en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den +Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout +liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier +is genoeg van alles." + +Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij +vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.' +Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder; +daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets +gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar +sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn +rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet +verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok +niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij--het +blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den +Koning, zwegen zij en gingen heen. + +Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de +Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal +hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het +stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over +de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt +misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap--ik zegge u +voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout +zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder +misdoen; sloegt gij mij--uw doodsuur lag daaraan." + +Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij +nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout +schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg +den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode +lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog. + +Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij, +die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik +beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het +zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl +het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning +weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was +niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten. + +Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en +allen te verheugen, die daar aan tafel zaten. + +Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk +voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een +bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo. + +Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier +nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten +alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van +ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde +waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij +vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den +vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan +toe--zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn +broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond. + +Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen +bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun +gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit +hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt +over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit +hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden. + +Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk +aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren, +gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met +menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk. + +De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en +twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden +zich bij hen. + +Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat +op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een +richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij +Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek +gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer +over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder +tijd!" + +De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop, +insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen +regen hem zijne mouwen vast. + +Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of +zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen, +opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen +heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert--Drossaart, +Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen. + +Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de +kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven[3], opdat +hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet +langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk +ter kerke. + +Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk +boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde. + +Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk +getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar +hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel. + +Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte +Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men +mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods. + +Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en +vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd +geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de +Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse. + +Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een +bezant[4] van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten; +toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en +offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie. + +Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij +geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en +hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den +autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met +vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En +ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur. + +Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn +lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong, +bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot +en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen. + +Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd +had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte +beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner +onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief +zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten, +zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot +zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij +t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû +spreken. + +Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene +zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem, +en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna +groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met +zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en +hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam. + +Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove +gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten +Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte. +Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in +de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee +Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met +zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle +ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men +dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove +vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk +er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren +speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best +mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant +de tijd verdroot. + +Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en +Vorsten. + +Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of +leenen ontvangen wilden, hem volgden--hij zoude elk na zijnen staat +mildelijk beschenken." + +Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een +bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en +gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na +dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant +of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren; +luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet. + +Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove, +zonder zij alleen--en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen +zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave +Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en +ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde +lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij +hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft +gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften; +en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij +niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan +de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders +hem iets misdaan hebben." + +Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met +hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of +geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo +eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne +Kinderen en bracht ze voor den Koning. + +En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en +groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden: +"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste +van uw broederen--het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik +zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij +van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in +Poelgiën[5]; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert, +derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is +schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide +hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van +Artezië, Angrico[6] en Blois." + +Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen +Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en +kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen. + +Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en +gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns +kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd. + +Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn +tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw +giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw +Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet +toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun +binnen kort weder nemen!" + +Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn +Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een +steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu +ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben." + +Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog +eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer +verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel--'t zal zich-zelf +openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig +jaar--wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als +gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en +sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik +'t niet om mijn eigen eer--ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer +vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den +steen!" + +Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den +steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig +Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel +Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk +ontwierp hem een voet[7]; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den +prijs. + +Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo +zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge +grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij +zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed--hij zoû u trekken bij +den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu +Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u +beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het +land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning +Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt +slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót +u."--"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone +Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst +met mij werpen." + +Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten +hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne +kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen +Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen +liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide: +"Vader! wat is u misdaan?--ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed +verliezen." + +Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik +stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te +spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht, +schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male. +Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er +nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den +steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren +moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij +mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet +wreekt, en den steen om het verste werpt met hem---ik zal het besterven. +Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar +blijven." + +--"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is +onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige +daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner +jonkheid wege, dat betert ons zijn vader." + +"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke +droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den +steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven." + +Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns +vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem +in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!" + +Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk +was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende +Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien. + +En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag. +Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan +Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van +Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn +worp overdoen--en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan +hij! + +Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk +wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het +hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond +gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen +had. + +Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout. + +Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk. + +En Lodewijk nam den steen nog éen maal--en konde hem zoo ver niet werpen +als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en +monde uitsprong. + +Haymijn zag naar Reinout--dat hij zijn krachten aan den steen zoude +toonen. + +Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen +langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den +steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte. + +En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den +steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen +menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep: +"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!" + +En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven +Reinout den prijs. + +En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen, +die ge zijt! dwazen, die een huurling--die om geld gehuurd is (deze hier +geve hem al uit voor zijn zoon!)--dus lofprijst! Een grove dorper zij +soms zoo sterk als een Edeling--des is hij nog geen prijzens waerd." + +Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot +Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."--Toen lachte Reinout en +zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"--"Zegt mij, zone!" sprak +Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten +volle getoond--ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér +ontworpen." + +En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde +zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte. + +Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat +waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning +groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen? +Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat +u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u. +Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal--gaat dan in den +boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen +en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne +Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en +moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en +kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan +hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot +Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij +u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het +niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan +gij. En wil hij dan daartegen opkomen--zoo zult gij zeggen, dat drie van +ons het gehoord hebben; en is 't van noode--wij zullen er nog wel meer +toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene +over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr, +zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal +zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen +hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen[8]. En +aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en +dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal +durven doen." + +Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad, +en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die +'t schaakbord beter verstaat dan ik." + +Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een +venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de +Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde +drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn, +en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk, +zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij +van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de +oogen neder en sprak niet. + +Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist +niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan, +dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den +Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den +muur sprong. + +Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen +zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben +vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar +mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en +Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den +steen--maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester +van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het +wonder, dat ik toornig ben?" + +Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik +God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken: +en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't +mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!" + +--"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk--"maar ik eisch, +dat ge mij volgt in een kamer--daar zullen wij een ander spel beginnen." +Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in +de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen +zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te +kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede +oorkondden, en zeiden dat het waar was. + +Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet +ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men +bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk. + +Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst +zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen +hoofd." + +Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo +kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd +zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten--dat +doe ik gaerne!" + +Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik +zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om +uw hoofd en 'et mijne!" + +Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods +Name--moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe +ik mijn wil, want ware Lodewijk dood--ik droege nog eenmaal de kroon te +Parijs." Lodewijk had den eersten zet--om dat hij des daags Koning +gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder[9]; +zij namen elkander een Oude[10]. Adelaert zei: "God ontferme zich +mijner! mijn ongeluk is groot." + +De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen +toon: "Had uw broeder den prijs van den steen--hier blijf ik uw meerder: +in waarheid, ik voorzet 'et u--ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen +afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning, +zoo gij mijn hoofd wonnet--en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De +Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor, +ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!" + +Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw +bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder +schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et +hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots[11]," zeide +Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat +hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden +het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!" + +Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met +de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En +Adelaert won vijf spelen achter-een. + +Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op, +zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb +gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer +speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem +verdroot uw leven." + +De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in +'t aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper, +zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne +verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield +ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond. + +Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij +Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie +heeft u geslagen?" + +Adelaert andwoordde: "Niemant!"--"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult +'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag." +--"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede +gestooten aan een balk; 't was hier in den stal." + +Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd. +Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst +en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal, +om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg +'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit +hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo +gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp +mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het +zwaard op. + +Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel +broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven--maar niet van uwe +hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk +beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't +zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar +kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning +drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan; +als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't +schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen +weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande +houden--ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij +der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en +Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren +zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over +zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een +schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding +spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf +spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op +Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet +meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't +hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het +schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar." + +Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke +dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten." + + +[1] _Drossaart_:(hier) huismeyer, spijsverzorger, scbotelschikker. + +[2] Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt gewoonlijk +voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, dat Dr. +J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23. + +[3] _Markgrave_ beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker is; hier +zoû het zijn--bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het volk. + +[4] _bezant: een_ muntstuk. + +[5] _Poelgiën_, Apulië. + +[6] _Angrico_, Angers. + +[7] _ontwierp hem een voet_: wierp een voet verder dan hij. + +[8] _te verdingen_: af te kopen. + +[9] _Ridder_: paard. + +[10] _Oude_: raadsheer. + +[11] _Rots_: kasteel. + + + + +HET ACHTSTE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout--Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed + in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen + werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe + Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze + Koning Carel gevangen zoû leveren. + + +Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe +Adelaert met Lodewijk gevaren was--van 't begin tot het einde. Toen +Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende, +en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet +en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad. + +Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en +als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil--ik zal 'et +hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich +Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen +een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij +verborgen. Aldus gingen zij ten Hove. + +Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in +der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen. + +Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij +Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten. +Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém +eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep +Reinout--Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd +bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning +Carels aangezicht sprong. + +En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne +oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en +riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen! +die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het +geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich +haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis +en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en +reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van +wapenen, op een schoone vlakte. + +Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"--"Geef mij +Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het +vlieden is ons geen schande--want Carel is onze Koning!"--"Dat en zal +niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te +vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij +overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant +vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!" + +Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert--vertrouwen en +blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem +verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en +blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en +hun vijand klein achtten. + +Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast +den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak +den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den +paerde viel. + +Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den +zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde +Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en +menigen vijand onder den voet reed. + +Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in +het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag +niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat +hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op +hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen +moest. + +Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze +nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet +vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus +doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht +dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir +volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet +waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels +en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo +snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't +hem zeer leed. + +Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er +veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien +sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn! +geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het, +met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop +tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde: +"Indien men hem ving--ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de +Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan +was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel +zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen +verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen +had'. + +Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem +terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat +waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit +geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant: +"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy +hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo +groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning +Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen; +'t koste dat 't mag." + +Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij +Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het +voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"--"Neen ik," zeide +Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat +men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle +om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden +verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb +hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat +ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u +misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad +zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en +moeder wijten?" + +--"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem +kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat +zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het +hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen +den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk +hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en +liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den +Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen +van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen. + + +[1] _vromigheid: prouesse_. + + + + +HET NEGENDE CAPITTEL. + + + Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in + Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning + Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte, + om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's + Konings Volk, die hun Koning wreken wilden. + + +Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids +de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel +te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar +gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder +waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was, +"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht." + +Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op +dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was, +en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat +hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des +Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels +zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer +bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen +blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want +zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij +spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel. + +De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij +dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood +wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe, +de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze +doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier +met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van +noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren +werwaards zij hunnen weg zouden nemen. + +Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning +Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen +schreiden om hun wechreizen. + +Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij +den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning +verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag +komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem +waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te +blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen +ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel +dat men de valbrug nederliete. + +De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet. +Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en +hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn +broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."--"Wildy +gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat, +Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God +Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn +kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen +Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen +zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en +zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar +uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij +bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik +hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij +blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden +van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat, +dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't +kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden. + +Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar, +en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden, +vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht +noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning, +dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en +dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf +men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en +zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem +het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig +aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en +wisten wij niet, waar ons te onthouden."--"Wat is ons aan dit verblijf +gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het +zoude onder onze handen koper worden." + +Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem, +dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet--het zal +hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen." +De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en +als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning, +mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven +hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide: +"Zeg uw Heeren--inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!--dat ik ze +noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve +vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal +doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte +de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de +Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem +met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem +daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en +liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren. + +Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy +dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout +hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet, +Heer!"--"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze +have[1] eischtet?"--"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet +meer een penning."--"Zeide hij dat?" riep Reinout.--"Ja hij, Heere! en +hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche +ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart +dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet +mij in 'et vuur." + +Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide: +"Ik beveel u en Writsaert--Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal +en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét +mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels +slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij +ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn +hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande." + +--"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat +beters!"--"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere +daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en +Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich. + +Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert +vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg. +"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints +wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel +hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een +spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer +het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze +nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die +slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders +niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem +stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet +kleeden--geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u +kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen +daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede, +dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog +berouwen!" + +De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik +zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave +u kleederen noch schat." + +Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om +dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen +hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!--Maakt u des wech--men geeft u niet +een mijte!" + +--"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die +woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe +trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en +zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....-- + +"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons +inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en +gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het +binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof +groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat +geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar +Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn +gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en +'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote +felheid. + +Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout +te paerd gezeten--en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met +machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en +Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den +buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij +Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros +verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders +wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot, +zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat +zij veel volks versloegen. + +Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te +dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af +sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij +Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in +stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om +zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen--en +hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert +sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd +was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren +moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus +reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij +stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde +hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij. + +"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn +bedwang--nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te +sneven."--"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan +niet zijn!" + +Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo +lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden +vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de +goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en +konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren +zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van +overbleef. + +"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak +Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed," +zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is." + +--"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker +verblijf."--"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.--"Bij Ywein van +Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand, +daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste +van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan," +ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en +er een goed verblijf vinden." + +"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout. + +"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert. + +Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat +zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was. + +In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert +zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat +Yweins slot."--"Welk is 'et?" zeide Reinout. --"Naast aan de rotsen; bij +dat woud: dat hooge kasteel--daarginds --met dien breeden ringmuur en +die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!" + +--"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en +elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders; +legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij +elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij +namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder. + +Zij spoedden zich onverpoosd voort. + +Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de +wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden +zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de +Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide +hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend +nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij +God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!" + +Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar +de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden --om hen te zien +en het Ros met de schoone gestalte. + +Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de +Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem +te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd +voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem +neder. + +"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en +dag, en u uit ál ons vermogen helpen." + +Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten +mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."--"Dat loone u God!" +sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." --"Zoo 't u +gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."--"Al-te-gader," +zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn, +de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere +Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel +ridder. Nu kent gij onze namen." + + +[1] _have_: goed. + + + + +HET TIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan + met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe + Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich + versterkte tegen den grooten Koning Carel van + Frankrijk. + + +Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen +maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde, +dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter +genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen +wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne +wonden genezen waren. + +Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun +knijven en zwaerden vervegen[1]: hunne harnasplaten waren mede +vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe, +prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in +den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros +Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de +goede Ridders zaten moedig op. + +Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar +het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit +Ywein groote schade gedaan werd. + +Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij +binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen. + +Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in +zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan +drie jaren. + +Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en +heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij +erfschap gekomen ware. + +De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner +steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem +dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met +goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders. + +Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar +kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu +zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem +aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen +zone Lodewijk zoû uitleveren." + +Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning --en +spoedig bracht men hem voor Ywein. + +"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel, +de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief." + +De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond[2] hem en +las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij +hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk +hadden doodgeslagen.' + +Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en +riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden, +opdat het de Vier Ridders niet weten zouden. + +"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak? +Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze +den Koning niet--zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad +geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik +toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen +land." + +Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk +voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in +zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn +oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't +ook niet--u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en +brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de +keel." + +Hugo van Averne[3] sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer +Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u +verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen +dienst--zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij +verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw +vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert--uw huismeyer[4]. +Verriedt gij ze--'t ware een wandaad." + +[Illustratie: Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar +gewapend nader.] + +Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop +sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout: +"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning! +En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn +van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge +kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren--daar is alom menig +Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën +kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije, +in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk--de hoogsten van het land +zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden. +Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen +gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk +trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben." + +Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere +leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden +spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem +ten spijt--ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als +Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens +Carel." + +Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en +zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf[5] aan uw eer +gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen +prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze +zoû doen folteren en dooden--dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar +volgt ge mijn raad, Heere--gij zult ze in Poelgiën of een ander land +laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven." + +Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij +Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien +vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te +kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar +vallen." + +Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning--ik had +'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van +Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan! +nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer +bewaren--zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem +de rots aan de Gironde[6]: hij zal er aanstonds een vaste burcht op +bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen +bij uw dochter te verwekken--dan is hij op het innigst aan u verbonden, +en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den +geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden." + +--"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan, +dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve." + +De Koning ontbood Reinout en zijn broeders. + +"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout. + +"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij +met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw +broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er +aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend +maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in +Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee[7]--ik +zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen +voorzien.... Nu zegt mij--wilt ge handelen als de wijzen, en mijn +voorstel aanvaerden?" + +--"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons +een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld +niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde +staat een rots--wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang, +waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel +en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had." + +Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er +mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen." + +--"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw +op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in +dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal +met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig +opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn +broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw +zone--zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste +Jonkvrouwe van Christenrijk!" + +Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder +bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij +mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse +geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en +zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven." + +Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en +ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein +geroepen. + +"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen +mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone +Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft +van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken, +opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij +u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!" + +--"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone, +roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er +bij." + +Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe. + +Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden +werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met +éen woord, een groote, goede bruiloft. + +Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche +land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met +zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als +goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen +aanstonds het huis te vesten. + +Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had. +Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen; +twee paar muren gingen er om rond. + +Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij +zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen, +vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500 +personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten +wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen +koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede +gesticht. + +En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te +komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij: +"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk +kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?" + +--"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't +Montalbaen [of Blankensteen] genoemd." + +--"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op +kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam." + + +[1] _vervegen_: op zwaardvegerswijze herstellen. + +[2] _ontwond_: ontdeed van het zegelkoord. + +[3] _Averne_: Auvergne. + +[4] _huismeyer_: hofmeester. + +[5] _geen kaf_: zooveel als niets. + +[6] _Gironde_: mond van Dordogne en Garonne. + +[7] _Zuidzee_: Middellandsche Zee. + + + + +HET ELFDE CAPITTEL. + + + Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt + was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en + dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden + "Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde. + + +Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob. +Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel +het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot +Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben +doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo +schoon."--"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar +zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk +is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter +verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen +maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich +over 't water zetten. + +Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein--Reinout met zijn dochter gegeven +had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat +schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?' + +Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt +hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?' + +De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen +timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo +men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk; +hij is uit zijn land verdreven." + +--"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout. +Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet +Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van +den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning +Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn +broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der +burcht, aangelegd een schoone stad." + +--"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt +hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven +met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht +stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en +tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem +kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en +verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen." + +Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als +hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en +zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u +gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw +onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem +gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket +genade: en hij zal ze u doen." + +Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot +Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet +ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever +zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."--"Wilt gij u dan tegen Koning +Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone +Lodewijk!"--"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten +manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij +als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen--ik wil hem +Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem +als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit +zeggen?--Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met +mij te dreigen." + +Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide: +"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet +mijn boodschap aan den Koning." + +Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid +Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een +scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden +in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer +gedaan.' + +Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en +keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in +Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout, +verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te +helpen. + +Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij +kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde +Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang. +En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et +hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn +Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts +burcht; 't welk luttel tot zijn eere was. + + + + +HET TWAALFDE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te + zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen + de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En + hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe + Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze + wilde doen hangen. + + +Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert, +zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al +zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is +daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van +rouw." + +--"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet +wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij +daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik +niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't +mag, ik moet mijne moeder zien." + +--"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen +gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en +bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij +onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders +goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in +het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren, +kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren +uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen. +En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide +Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen +voor de onzen." + +Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat +Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover +geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't, +dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een +roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den +Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben --maar een ander +Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij +aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als +waren onze kleederen nog wat beter--doet 'er meê dat gij wilt." + +Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen +broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns +Kinderen, die ze aantrokken. + +Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze +stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden +menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen. + +Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en +vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier +Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land, +te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu +hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat +gij ons inlaat." + +Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet +doen."--"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het +wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren +gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar +toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart +de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."--"Om Gods +wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen! +laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning +Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood, +God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat +ze God van der dood behoeden wil!" + +Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij +antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en +spijzigen ter liefde der Jonkheeren."--"Dat loon u God!" zeide Reinout. +Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen +waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden +gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!" + +--"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout, +"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën, +en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst +als thands." + +Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en +drinken geven." + +De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen +spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen +mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne +vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel. + +Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag +haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij +ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt +het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!" + +De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide: +"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte--ik +duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal +uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat +zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij, +Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel +wijn niet drinken, als gij alleen doet." + +Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ... +reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij +dat ik u mijn leven lang danken zal!..." + +De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze +hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder +uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien. + +Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder +aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij, +"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!--want had ik nog een schale, ik +en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen +onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout +met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen +van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene +stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig +werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op +haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens +wech van Reinout. + +Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide: +"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt +'et gezworen; en wilt gij 't niet doen--zoo zal ik tot den Koning rijden +en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt." + +Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en +zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren +op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn +Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders +begeven!" + +Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw +Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze +vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den +Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij +komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw +Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende, +werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder. +"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een +oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide: +"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn +Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere, +Koning Carel, wien ik het gezworen heb." + +Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met +veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God +en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen +over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft +ons raad! Weet gij ons geen raad te geven--wij zijn verloren; want +Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide: +"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas, +geen anderen raad!" + +Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en +leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden +voor de kamer staan. + +Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want +hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert: +"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns +Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk +te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef +dood, of zeer gekwetst. + +Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de +kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste; +maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op; +hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest +waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne +slagen.--Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en +zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden +zwak." + +Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den +toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't +Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich +werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem +vluchtte als den dood. + +Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven +ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te +zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij +geraakt--het blijft er ál dood." + +Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met +zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek +loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter +na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde +Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader +vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben, +maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen! +Sloegt gij onzen vader dood--die vreeselijke misdaad mochten wij +nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij +verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel +verworven wij nimmermeer zoen!" + +--"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen +vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem +handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap +aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem +haastelijk tot Koning Carel." + +De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan; +want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede." +Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan, +indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat +Koning Carel hier goed recht zoû wijzen. + +"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat +ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude +gedaan hebben." + +De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten +leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de +portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't +paerd ligt?" + +Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de +poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den +knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen +zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit +hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat +hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's +Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan; +ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!" +De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's +Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den +Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden. +Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem: +"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"--"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u, +ontferm u mijner!"--"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn +zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik +'t vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards +te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...." + +--"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel. + +Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich +wapenen zouden; zoo Edel als onedel. + +En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk +dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam +te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot +heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar +tenten begonnen te slaan voor het kasteel. + +Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge +is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons +mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons +geenen raad?" + +Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig: +"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der +muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als +hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer +mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan; +hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun +scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn +broeders moest laten. + +Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden +God voor hem. + +"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart! +nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen, +doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets, +tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen +bidden." + +Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en +gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam, +wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den +Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij +de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij +gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en +lijf, opdat zij ter zoene mochten komen." + +Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan +werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et +bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te +moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met +heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen. + +Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo +lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te +doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede +de broeders zorgvuldig bewaken. + + +[1] _Bordeas_: Bordeaux. + +[2] _winket_--deurtjen in eene poortdeure. + + + + +HET DERTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn + broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of + men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning + dede bieden met den bode. + + +Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te +Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders +had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen +had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om +de Heeren, al dat te Montalbaen was. + +Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op +het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende +zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders +brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!' + +Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die +sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer +beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen +en bespieden? ik zoû noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros, +moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!' + +Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in +euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!" +De man zeide: "Zoû ik u volgen met een inzicht ten kwade?--dat waar niet +welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf +mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik +verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij +dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide +Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk: +maar alvorens dijn boodschap te doen--begeer eenen borg tot zekerheid en +vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan, +doe dijne boodschap." + +--"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik +ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in +mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij +nimmermeer op en stond." + +Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor +zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg +hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de +meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf +opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner +ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter +zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en +voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen +de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert, +mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn +kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik +doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner +broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't +land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is +'t, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen +met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn +Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven +noch om dood. + +"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod--zeg hem dan, dat +ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen +klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en +betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het +zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij +des nachts gaat te mettene[1]: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de +kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zóo--zóo, zal +ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en +peis geven." + +Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide +zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning, +mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer +kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap +eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale, +zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop +Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat +zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve +bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad +toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning +onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen--ik zal het +oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht +proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne +broeders daar niet sterven zullen!--Maar, ik zegge dy," vervolgde +Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast +geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren." + +De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen: +het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout +oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale. + +En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon +de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een +staf, nochtans en woû hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste +besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den +Koning op zijn kniën, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op, +en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik +brenge u eene goede boodschap!" + +De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt +ons met wat boodschap gij beladen zijt." + +De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult, +begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel +ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn +boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen, +zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen." + +--"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en +zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er +Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der +sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn." + +De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name +liever een borge door wien ik zonder vreeze ware." + +De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze +twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend: +niemant ter waereld durft u tegengaan." + +Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen, +ik had gaerne andere borgen." + +Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: --ik +zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij +moogt veilig zonder vreeze zijn." + +De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik +liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden." + +Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst +hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden, +zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen." + +De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne +eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen." + +Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en +zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt +te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog +éénmaal--en ten laatste!" + +Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te +kiezen geleide--zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge +wezen!" + +De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in +gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden +mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone. + +"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet +herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer +Koning, dat God u lange spare! U groet één, de bedroefdste man die in de +waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de +Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw +zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade +wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt. +Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te +nemen--hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben: +zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen +die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met +goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als +Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter +eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn +eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk +Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen +ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken +of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle +dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal +hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of +gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware +'t dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood +begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid--wilt hem en zijn +broeders genadig zijn!" + +Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen +zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet +en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt--zoo zal hij +komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters, +kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de +kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen." + +Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De +bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en +zijn broeders niet in genade ontvangen wilt--hij zal u doen 'et zelve +dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de +mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij +zal u éénmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en +slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."--"Bij God!" riep de +Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde +dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare, +die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij +goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne +zale, zonder goed geleide--ik zeg u, in der waarheid! ik had den +schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan." + +"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen +hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van +Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op +zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn +magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den +Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders +oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet +brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar +bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et +leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde +beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult +voornemen." + +Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht +mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die +Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem +bestaat? Wie het doet--hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie +dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam +zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel +Grave! bestaat hij u--of niet?" + +Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants +wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker +geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot +Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u +vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn +vriend wil ik altijd wezen." + +Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht, +die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en +stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide: +"Heer Koning! nog gisteren." + +Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?" +De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros +Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had. + +--"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning, +"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u +beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode +antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij +Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer +vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning +grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een +zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout--ware 't niet, +dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel--want nooit heb +ik boden zulke tale hooren voeren." + + +[1] _Te mettene gaan_: in de kerk de getijden van middernacht gaan +bidden. + + + + +HET VEERTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat + wederkreeg door hulpe van Madelgijs. + + +Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich +waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde, +meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote +rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende +dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo +kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij +reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad +van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er +Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild. + +Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te +krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging; +daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde. + +Nu zijn gekomen twaalf knechten om voêr te halen, zoo zij dagelijks +plachten te doen. + +En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en +zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van +Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden +gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat +zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs. + +Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij +binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen +en Jonkvrouwen. + +Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij +hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot +geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot +Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze." +Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf +knechten Beyaert brachten. + +Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten +Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!" +andwoordde Roelant. + +'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de +knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te +vangen: ik woû dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den +raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden +neder en zeiden: + +"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte." +--De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij +'t vingen?" + +Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden." +De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' --zij zeiden 'neen,' +"van hem en weten wij niet." + +"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het +u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij +Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden," +zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik +hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan +heeft." + +--"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den +knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen--doet +ze stokslagen geven." + +De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe +als Roelant gezeid heeft." + +En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had. + +De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en +koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik +u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan +dat er iets aan het Ros miskwame." + +Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en +zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert +berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen." + +Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik +het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den +Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik +Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten +zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de +vrije beschikking over hem." + +--"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en +berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."--"Zoo +doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen +moet ons deze komen." + +Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het +berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u--beidt dan tot Zondag; +hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen +zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en +hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen." + +Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en +sliep! + +Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en +terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als +hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag +rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft. + +En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven: +hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog +zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend +rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart +ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et +is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het +ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn +broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en +hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht +hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft +den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met +werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude, +maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en +geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat +doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij +toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve. + +Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het +dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van +Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken +ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij +hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid +waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van +lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de +oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen +meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok +en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette +hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag +en had, sints ik geboren ben." + +Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste +leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe +allernaast."--"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed, +dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze +gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En +bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man +van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van +de rouw, daar 'k in sta."--"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak +Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal +uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de +dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik +ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provenciën en tot +St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van +Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man, +als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!" + +[Illustratie: Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste +leiden.] + +Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te +spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!" + +Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij +geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders, +opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?" + +Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven." +Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en +van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende: +"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan +uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye, +mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is +'t dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout, +zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te +wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat +gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn." + +--"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen +schande ware, een Pelgrim te slaan--ik zoû uw onbeschaamdheid u doen +rouwen." + +--"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij +geslagen, dien ik aalmoezen vroeg--ik waar voor vijftig jaar reeds dood: +want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in +kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave--waarvan zoû ik +leven?" + +--"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden." + +--"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende +uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille--hebdy iet meer, +dat gij mij geven wilt--zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden +uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet." + +--"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er +wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder; +St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden +van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn +kunne ontvlieden--want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt +ben, hij dede mij hangen." + +Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn +reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets +behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was +Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij +valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult +weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim +ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!" +riep Madelgijs, "sloegt ge me nog --het zoû u kwalijk komen; ik zoude +mij weeren!"--"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u--al waart +gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zoû mij, zoo ik slaan +wilde, géén ontgaan." + +--"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik +kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd +en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag +weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en +veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren. + +Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij +bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den +rug--daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord +staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik +verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel +Beëlzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het +bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen +en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek +hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij +niet, neve Reinout?" + +--"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?" + +Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had, +viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt +mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij +te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn +toeverlaat!" + +Madelgijs zeî: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u +heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn +harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak. +Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood, +en dede hem twee oude hozen aantrekken. + +Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde +Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en +mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over +zijne oogen. + +Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na, +om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en +hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder +jongelingen en koene Ridderen. + +Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij +neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of +Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde. + +"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te +gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten." + +--"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan." + +Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden +dag!"--"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al +menigen mensche overleefd," vervolgde éen hunner. --"Ik bid God, dat hij +mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven," +sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u +Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!" + +Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de +nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven." + +De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige +kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als +schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen +gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd +"Christelijk", en dusdanig éen als die, welke den Heere met zijn +Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde. + +Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met +eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een +arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet +in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den +wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg--dat gij +hier wilt nederknielen in gebede--want ik mij kwalijk bevinde en hebbe +geen halve stonde meer te leven." + +En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken +stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in +kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met +een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond, +en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en +sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn +verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar +dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en +zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop +laat kussen, dien gij daar bij u hebt...." + +--"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij +Madelgijs meê nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang +verloren geweest, om de zonden des volks...." + +--"En mag niet weêr verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de +gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende +aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop +ontliep hij den anderen met den schat. + +Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij +best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen éen hem +tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend neêrstortte; +en, na elkander, ook de beide laatsten. + +Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat, +uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve! +ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en +rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge, +voor wij aankwamen."--"Ké[1], oom!" zeide Reinout--"ik duchte, dat gij +iets kwaads gemaakt hebt!"--"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs; +"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders." +Reinout deed als hem gezegd werd. + +De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in +den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag +en den tijd, dat Roelant--Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de +stad, als vroeger gezegd is. + +Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in +was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de +stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot +Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik +weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre +geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt." + +Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs +riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen +wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en +doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne, +en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en +dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den +penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn +tasch. + +Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar +buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude. + +Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn +kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en +zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne +reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf +Madelgijs--Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet +uwe sporen aan uw voeten."--"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk, +oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik +Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe +voeten--'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u +Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt, +zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize, +als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden." + +En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van +poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van +landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen. +Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij +Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk +zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel. + +"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der +Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er +eene: "'t Is Roelant, die Ferragute[2] versloeg." Eene andere jonkvrouw +zeide: "'t Is Olivier!"--"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van +Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken +Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed--nam daar éene het woord, +die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een +schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen +vroegen, wie de Ridder was?--"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een +Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij +niet gebannen, hij zoû de schoonste man wezen, die van dezen dag over de +brugge gaan zoude." + +Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte. +Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet--en +lacht niet!"--"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout: + +"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen." + +Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over +de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden +hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen +was, hadden 'et elk aan een koord. + +Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en +den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond. + +"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims +staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken +dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide: +"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is." + +Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert +tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende +zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op +de brug heen ende weder. + +En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u +deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds +genoeg: ik zegge u voorwaar--hadde ik mijnen kop meenen te verliezen +door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik +en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de +Koning van Vrankrijk, die zoowél der armen luttel goed bewaakt, als dat +der rijken, die veel hebben." + +--"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil +'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt +werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en +kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met +zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en +genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede +gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een +Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt." + +Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de +Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel +gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep +nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong. +"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs, +"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid +ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen +ontkomen: want wij vreezen 'et zeer." + +Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop." + +--"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren +gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome +heeft er Misse mede gedaan...." + +--"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat +ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er +hier simonie[3] gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den +kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?" + +--"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den +Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning +ben."--"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig +tot u gesproken heb."--"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel +moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar +geeft mij den kop--ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land +in levenslang gebruik." + +--"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen--ten zij ge vergeeft al +den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem +den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...." + +De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone +Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem +niet kwijtschelden. Ook is daar éen, geheeten Madelgijs, een snoode +toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen +hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?" + +--"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan +niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet." + +Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal +God bidden, dat Hij uwen gezel geneze." + +"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig +dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde +t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap +verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze +vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert +berijden kon--hij zoû genezen van al zijne kwalen.'" + +-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder +tijd." + +Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet +wat het uitwerken kan." + +--"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden +prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!" + +Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om +dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!" + +De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide +hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb +toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle--Beyaert bestijgen laat!" + +Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook +de Pelgrims kwamen daar met groote moeite. + +En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel +Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et +aan zijn herstel bevorderlijk zij!" + +Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem +niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen +had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er +deernis meê, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte +er weêr af aan dezen. + +"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij +aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er +weder af--hij zal 'et besterven." + +Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast, +dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op +Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte. + +Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den +zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels. + +Eilaas, daarmeê waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het +goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd! + +"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alléén +rijden," zeide de Koning. + +"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij +ook zien en hooren?"--"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te +boven!" + +--"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?--Heer Bisschop! +doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote +gunst gedaan." + +Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En +Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf +het goede Ros de sporen. + +Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e +zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten, +dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die +ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal +'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten--voorwaar het zal hem den +hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren +uit, en scheen groote rouwe te bedrijven. + +Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem, +riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden +vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug." + +En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren +Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van +Borgondiën; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen +mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een +boogscheut afstands. + +Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten +laatste zag hij de Genoten. + +'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten +kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware--ik +zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden +trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader +kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout +hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood +gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder +koen!" + +--"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij ü hier +vinden zouden." + +--"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde +de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat +gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim, +die bij den Koning stond?"--"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het +antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet +niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve +Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve! +om uwent-wille!" + +--"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap, +die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide +nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede, +dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en +gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen." + +Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u, +Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw +broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den +Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders +voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader--ik +zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout +verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam. +"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang +verdienden loon!" + +Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge +u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen +op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede +neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van +de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen. + + +[1] _Ké_--een uitroep. + +[2] _Ferragute_: een reus. + +[3] _Simonie_: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, waarbij +voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan verbonden is, +méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of kunst-waarde; het +_verkoopen_ van al wat slechts geestelijke waarde heeft, wordt als +zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. _Hand. der Apost_., Hoofdst. +VIII, v. 18--20. + + + + +HET VIJFTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden, + dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning + Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop + Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere + Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot + Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning + daar hij lag en sliep in zijne kamer. + + +Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den +Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap +zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen +Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal +'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en +nemen de schuld op mij." + +Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij +Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen, +"Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap +bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de +Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning. + +Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De +Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" --"Heer," sprak hij, +"ik neem de schuld op mij."--"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning +streng. + +"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den +sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent +Beyaert--gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan +niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na +gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de +schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen +vangen--alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij +trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg +vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij +verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was +ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." -- "'t +Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich +onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem +ondoenlijk was." + +--"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en +laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die +zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschiên." + +Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij +overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen +en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik +wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God +genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep: +"Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!" + +Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt +mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven +lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over +zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon +'et u Heer Koning!" + +En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele +Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze +straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen +langer uitstel." + +De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor +hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen +binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had +hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven +voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch +en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is." + +"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak +nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten +nog heden doen hangen." + +De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige +magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u, +zoo gij ze ter dood laat brengen." + +De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"--"Neen ik," zeide de +Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen--en gij zult +u niet kanten tegen uwen Koning." + +--"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij--maar tegen deze +wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten +tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden +zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en +zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze +laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning! +daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met +machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal +men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten." +Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en +hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zoû +laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon. + +Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij +zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen--'t moge +gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen +mij--wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de +Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u +leven en sterven willen. + +Toen trad de Bisschop naar éene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen, +die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij +komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings +kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer +Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was +Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondiën, en zeide: "Heer +Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen, +die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije; +daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem +Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van +Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hém daartoe +niemant aangezocht! + +Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de +oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?--Ik zie wel, ik +heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove +gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van +alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in +de nood!" + +--"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar +ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u +voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij +zijn uw vleesch en bloed!" + +Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven +laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke +zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat +uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in +hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat +verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning +zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar +voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn +hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware +geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren +nu over u voldoende gewroken zijn." Met-één ging hij daar de drie Heeren +zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien +en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren +hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!" + +--"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen +zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude +ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land." + +Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is +er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op +zijn grijzen baard. + +De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie +Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten, +zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste: +laat ze verdingen." + +De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde, +heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en +doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en +begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter +waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze +drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle +leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste +komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest +waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede +scheidde de raadsvergadering der Heeren. + +En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te +verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet +beter van ure tot ure of Koning Carel zoû ze doen hangen. + +Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning +Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat +zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den +portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten +wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen +trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht +te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u," +zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier +nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had +slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de +vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van +gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp +zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten. + +Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en +banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et +Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die +de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig. + +Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit +pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze +zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan --wij moeten +sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden." +En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis meê had, en +zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom +Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert +zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!" +Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse." +Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker. + +Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die +de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de +gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten +den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem +en gedaante des portiers--"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk +ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich +wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik +misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal +gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet +medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal +u geen verlof geven--dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo +lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de +Heeren, en ging tot den Koning. + +Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings +bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele +geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven +uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en +ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren +leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit +hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet +met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om +zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij +blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op +Montalbaen. + +Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef +als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede +veiligheid. + +Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en +waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist +hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et +werkelijk geschied ware. + +En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat +'er àan was--droom of wezenlijkheid. + +En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar +hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie +zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt +was. + +Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem +groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg +opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval. + + + + +HET ZESTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd + was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel, + en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad + verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg. + + +Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en +spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning +Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe +mare."--"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een +kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem +gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter +achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem +hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche +Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd +duchte, eer gij daar komt." + +Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide +hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg--nu bidde ik u, dat gij +derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000 +mannen." + +Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier: +"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met +8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier, +de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome +mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der +vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen +over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en +gingen uit elkander om zich reede te maken. + +Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in +schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld. + +De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve +Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij +ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en +stond met gestrekte handen. + +Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel +toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier. + +De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al +schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!" + +Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers. + +De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met +zijne scharen: God wil ze beschermen!" + +Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den +Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien--zoo +vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle +strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij +liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam +reden zij naar Keulen. + +Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij +dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij +in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands +van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het +Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden. + +Als de Heidenen--de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij +mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de +twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en +vele Ridders van den paerde gestooten. + +Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de +Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van +wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir +grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door +Roelant. + +Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen +werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn +paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo +krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant +verstelde noch verschoot er niet af. + +De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot +niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende +wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe, +dat hij hem kloofde tot den paerde. + +Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen +Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo +strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er +60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden +bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een +geharnasten Heiden in tweeën. + +Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met +sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig +Sarazijn met der dood bekocht. + +Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den +zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden, +daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen. + +En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen +Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden +daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den +Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs +kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren +vriendelijk wellekom. + +De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning +Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den +oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant +heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u, +Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille, +hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is." + + + + +HET ZEVENTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie + zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone + daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe + Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende, + en het de kroone won. + + +De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve +Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros +meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik +zulk een Ros, ik zoû 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout +dwingen." + +En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle +landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen +uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen +Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of +behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle +paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt +gij er Reinout meê dwingen." + +Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze +liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij +zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat +hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een +staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede, +de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar +best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant, +dat hij u daarmede dwinge."--"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht +brengst du mij! waar zoû hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zoû +onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar +ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik +zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!" + +Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem: +"Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel +heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op +eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne, +het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den +gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat +'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij +daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te +krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al +zijn opzet van geener waerde." + +"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt; +maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt." + +Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij +dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs +bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn +paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen. + +Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen. +En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en +namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die +hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat +Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was, +ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en +elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap. + +Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen +daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen +boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam +Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt +hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al +zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur--want +hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een +jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde +gehad. + +Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders, +zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs +ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert +veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf +zoo wit als sneeuw. + +Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is +Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het +Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe! +onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen." +Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die +zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."--"Nu laat ons +de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch +Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen." + +Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen; +hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant +van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten. + +Ondertusschen--het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders +gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij +liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den +Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik +zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te +winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen." + +"Wat zegt gij, bode?" andwoordde dé Koning; "ik weet, dat Reinout hier +niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarmeê winnen!" --"Edel Heer +Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans +Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs." + +Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide: +"Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult +trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga; +en is 't dat gij hem vindt--zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als +zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u +met goud opwegen." + +Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit, +en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout +wierd gevangen[1]: want de wegen zijn nauw bezet! + +Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van +Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en +Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman +wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar +Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde--zoo +zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw +volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!" + +Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs. +Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo +zoetelijk in Brittaansch of gij geen Françoisch en kondet." + +Op dat oogenblik zag Fouke--Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij +sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat +doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand! +laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien +wij ongedeerd gaan kunnen." + +--"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw +woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant +kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten +mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op +Reinout toe en hadde een lancie in de hand. + +Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij +ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde +vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?--God +helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar +gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik +zoude zeggen dat hij 't was." + +Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke: +"Spreekt Françoisch!--de Booze moog dy verstaan! --Vaar heen en heb +ramp!" + +Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet +verslagen?"--"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van +vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem +verstaan: want hij is gekomen uit Brittaniën." Toen stak Naymes zijn +zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat +'t paerd maar loopen mocht. + +Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en +zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete +woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide: +"Spreekt Françoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale +van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels +naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt +mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs +andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind, +maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij, +van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn +geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en +maaksel."--"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want +'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling, +mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot +zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil +koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout +daarmeê te dwingen--'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker +hopende de kostelijke kroon te winnen." + +--"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde: +"Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's +Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed +na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat +wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te +Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen +heel Senlis, Blois en Amiëns." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit +de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven." + +Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t' +vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'--"Neen wij, Heer Koning!" +antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een +onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben +zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen +Amiëns en Orleans."--"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt +wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des, +en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost--ware 't dat +mij Reinout ontkwame!" + +--"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe +blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en +Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of +men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen +zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!" + +Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort +30 gewapende mannen. + +En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten +aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn +hoofd door het klinket[2], en zag daarbinnen een gewapend man staan; +dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom +doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat +alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij +al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten." + +Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!" +Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik +heb gehoord dat hij vóór of achter is, en het sterk op 's Konings oneere +heeft toegelegd." + +Bij Reinout stond een rabout[3], en zeide: "Zag ik ooit Reinout--zoo zie +ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit: +Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond +dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor +zijn borst, dat hij dood viel.--"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs, +"'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide: +"Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is +witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een +gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien +jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden. + +Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en +als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden +werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden. + +Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong +Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij +Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo +dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te +wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en +Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad +in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien +van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten +had.--Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn +Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die +geen goed paerd en had, was verdrietig. + +Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en +Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat +zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet, +deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone +winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en +geen geld daaraan sparen." + +Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God +mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de +kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al +lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u +kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad +en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde +stappen maken." + +Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te +winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en +brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter +sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste, +en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren. + +Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met +zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere +zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van +Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te +winnen, een groot eind voor. + +"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone +winnen?--dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat +gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers +doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen +moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning, +werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat +zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij +dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft +een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zoû zeggen dat +'et Beyaert ware." + +Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout +verre vóor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de +staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de +kroone wech. + +Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever, +verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal +ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is, +wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout +andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros +zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld +niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en +geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit +Reinout--zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn +bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne +kroone weder!" Reinout zeî: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is +mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze +een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat +Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van +paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zoû!... Dat +mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!" + +Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast +aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?" +--"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!" + +--"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zoû ons niet +baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner +tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning! +gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn +paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat +hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij +reden te zamen in Montalbaen. + + +[1] '_'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen_: Reinout +werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen. + +[2] _klinket_, ook _winket_ genaamd: hier een luikjen in een poortdeur. + +[3] _rabout_: slechte knaap. + + + + +HET ACHTTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Koning Carel--Koning Ywein ontbood, toen hij Hof + hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne + broeders leveren zoude in Koning Carels geweld. + + +Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de +prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want +Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij +een andere kroone moest doen maken. + +Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem +waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning +Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten +Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als +de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en +ging met hem in een duistere welf. + +Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en +zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog +wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was +niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het +goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van +Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud +beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat +het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op +een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning +Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"--"Maar laat niemant van ons opzet +vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam +hij 'et, hij zoû mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel; +want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."--"Vreest niet," zeide +Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet +ontgaan om geen goed." + +Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale +gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En +Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere +Heeren, en reed met haaste na zijn land. + +En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof +aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning, +"ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar +Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer[1], +gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder +harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen, +ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud." +Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings +woorden, want zij hadden het goud lief. + +Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel[2] van den heire." +Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te +volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na +Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten. + +Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongiën +gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te +vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter +jachte te Bordeas in 'et woud. + +God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden +mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch +kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen +op zijnen schilde. + +"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus +bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat +ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder: +want wij hebben te lange gejaagd." + +Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van +Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout +uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse, +mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede +achtergelaten!" + +En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide: +"Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te +zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij +zijn!" + +Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout +dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein +zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." --"Waarom hebt gij mij +niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen, +met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn." + +--"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen +betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw +boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt." +Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van +vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn +leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom +bieden? zal ik voor den Koning op de kniën vallen?" Ywein zeide: "Gij +zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken, +wollen en barvoets." + +Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des +ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn +hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag." + +--"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300 +mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze +mij en mijn broeders te hulp kwamen!"--"Dat en mag niet zijn," +andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alléén derwaards trekken; +gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt, +dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van +Arragon, zonder wapens in uwe kleederen." + +Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zoû ik zoo in Vaucoloen +varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein +zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!" + +--"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide +Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve +vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt +is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van +onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn +peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!" + +--"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en +komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht +mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een +verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft +in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in +Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."--"Zoû +ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te +Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen." + +--"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u +zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel +gewapend: zoo mag u geen kwaad geschiên: want, acht! ik ben zoo zeer +bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil, +zoo gaat--gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo +smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de +vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn." + +Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen +Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met +uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf +behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw +peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen +moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats +vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als +de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht +bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan +derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden +heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!" +sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik +hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons +geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij +kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware, +vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den +voetval doen." + +Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen +halen, en de mantels daar ze in rijden zouden. + +De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe; +zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier +zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zoû niet +gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van +doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en +verborg ze onder zijne kleederen. + +Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de +Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam! + +Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et +herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in +dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."--, "Gij zegt +waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en +wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"--"Hoe is +'t u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?" +Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat +ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!" + +Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft +Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof +wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen +zeiden de broeders: "Reinout laat ons vliên, want Koning Ywein heeft ons +verraden."--"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad +niet zoude plegen!" zeide Reinout. + +Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien, +en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de +Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke +was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den +hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als +hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw +goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en +binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen." + +Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord +zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u, +wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden, +opdat ik den Koning te voet valle!"--"Ik zegge u, Reinout," antwoordde +Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om +20000 kroonen." + +Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den +Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij +God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever +dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd +hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout +doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den +muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie +vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag, +riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en +hebbe geen nood." + +Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en +gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn +vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten +goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij, +broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte +lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u +schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt +ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en +anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn +paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout +aan. + +Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout +met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de +speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo +vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst. +"God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen +voeren den Koning." + +Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig +mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde, +hebben zijn broeders elk een François van den paerde geveld en de rossen +bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden +wij--want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft +ons verraden." + +--"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand; +wijk ik heden eenen man--God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden +stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en +vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn +broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags. + +Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder +harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan +de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal +u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts +broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de +harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven +zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze +wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie +broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om +Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen. + +Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met +veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout +te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert +gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond +zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de +waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert +andwoordde niets. + +Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat +Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging. + +Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen +broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen --van +Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en +ontzetten hem!" + +--"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen: +Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er +af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle." + +--"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij +lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem +den Koning, die hem hangen zoû, ware 't dat hij hem kon meester worden? +Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat +zoû men zeggen?--'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning +Carel strijden wilden: schande over hen--want de Koning heeft éen +broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!" + +Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd, +dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht +Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte[3]: zoo veel was +Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert +gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den +stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen +slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet +ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u +zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O +genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai, +Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn +broeders: mij ziedy nu nimmer weêr." + +Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam--niet als een +mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze +truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout +zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn +is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle +dood." + +Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij +nabij kwam in tweeën: doodde nog twee andere: de overigen boden geen +weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en +zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde +blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!" + +Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter +slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u +voor God: gevalt het u weêr--ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide: +"Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef +onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen: +dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn +weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem +onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den +zadel. + +"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen, +den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u +binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen." + +Maar Reinout was reeds weêr bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke +kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt +mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep +Reinout. + +En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en +zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat +heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om +niet: hij heeft 'et met de dood bekocht." + +Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed +op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij +van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee +rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak +hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk +om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en +vochten als deze broeders deden. + +Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren +konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en +hij viel in onmacht. + +Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder +Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide +Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave +Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde. + +Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den +dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder! + +Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert: +maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur +niet wederstaan en konden. + +Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep +met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders +volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de +rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen. + +Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel +steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe, +en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo +snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij +bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk. + +Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig. + +Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns +Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij--lieden moogt u wel klagen +vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne +helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u +niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag." + +Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier: +"O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"---"Calon, gij liegt +daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader +wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds +geboet." + +De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet--gij zoudt +verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet +langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet, +ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer +betichtet met verradenis." + +De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige +stede getrouwelijk gediend--maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg +u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze +den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo +wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog +langer strijden." + +--"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards +doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis +pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse +trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem +verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave +heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?" + +--"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders +begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een +vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier--want, zoo helpe mij God! +ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen +zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar +mij leed." + +Ogier zag Reinout met zijn broeders op de kniën liggen, en zeide: +"Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide: +"Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide: +"Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't +ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons +nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem +dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den +verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu +zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien +mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft +hij aan mij!" + +Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt +deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u +geleiden!" + +Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als +hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen." +Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik +niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben +hier hooger zake: dunkt het u goed --ik zal vertrekken, en gij zult met +uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven +willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg, +wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik +zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag." + +Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en +Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken. + +Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was +belegerd--had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer +lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten +bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij +onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en +vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had. + +Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de +burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot +den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want +Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel +een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger." + +De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout +zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond +ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een +berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij +blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd +met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de +dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar +hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt +gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet +verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk +slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw +wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht +Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging +Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in +den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert--Madelgijs zag, sloeg hij +naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert +te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel, +dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede, +greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste +voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij +'t niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs, +op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat +du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo +veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven +verliezen, is 't dat du niet en helpst." + +Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs. + +Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem +met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend +was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke +speer in de hand, en reed na Vaucoloen. + +Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel +voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs +konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen +dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen; +en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit. + +Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls +aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en +mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij +konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden +alle de dood voor oogen. + +Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs +komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep +hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft +groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs +alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons +thands wel uit de nood helpen!" + +Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout +hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide: +"Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar, +mocht ik Beyaert zien--ik ware gezond."--"Ik zie hem komen, broeder!" +andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem +herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht +slaan."--"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier +hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste." + +Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en +Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen, +en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal, +daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder! +ik voel mij genezen." + +Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem +wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen +zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader, +dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn +op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet +helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!" + +--"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied, +ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat +hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat +hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn +zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en +liep ter rotsewaart. + +Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik +heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan +hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en +weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied." +Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave +Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij +dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen +en voeren ze tot Koning Carel." + +[Illustratie: Helpt mij, dat ik sta!] + +Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse +gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn +dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet +wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede: +maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den +zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout. + +Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een +goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen +zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend, +"gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf +'et de sporen en reed te rotsewaart. + +En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees +wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert +zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij +en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen +op den vijand in. + +Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs +mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen +komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk +achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout +had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk, +en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider +stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen +ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook +Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen. + +Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met +felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den +paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen François 'et hoofd van den +lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de +Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Françoisen ofte +Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk +behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs +verlost. + +Als Ogier zag, dat de Françoisen verwonnen waren en uit den velde +vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk, +en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen +lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water +ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen +al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete +woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de +genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener +gifte: laat hem zulke zoudeniers méér zenden; wij zullen hunne zoldij +wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer +eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt +gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en +Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen. + +"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder +'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder +erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu +eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet +haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout +brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij +aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen +hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs +gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen. + +Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs +'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld; +hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na +dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een +klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne +misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij +Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks +vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote +strengheid. + +Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen. +Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer +komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer! +zijt wellekom."--"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber; +"maar zegt mij--waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn +broeders verraderlijk woû doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend: +"Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik +gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij +bedreven heeft." + +Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij +wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan, +dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000 +kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn +oogen; dat ik u niet meer en zie!" + +--"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy +in mij zoo strengelijk te straffen!"--"Voorwaar, broeder!" zeide +Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet +voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons +meê weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp. +Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen, +broeder--welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en +ziet." + +Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de +verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en +Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van +Yweins verraad niet meer gesproken werd. + + +[1] _zweer_:(hier) schoonvader. + +[2] _Constapel_: opperbevelhebber. + +[3] _een mijte_: worm, niets. + + + + +HET NEGENTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe + de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis + opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter, + dien hij in 't perk versloeg. + + +Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met +haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De +Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop +vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt +gij mij Reinout gevangen?"--"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier; +"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout +met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft +verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager; +hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen +mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et +mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht +Reinoude sterke hulp: wel 3000 man." + +Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb, +zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt." + +--"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen, +zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant +herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide +Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude +den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve +Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat +Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een +verrader is." + +Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den +handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden. + +"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige +zweeren." + +--"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger +ben;" en hij leîde zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij +Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis +gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel +waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere +geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes: +"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan." + +En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet +aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel +vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij +zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik +zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en +dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren. +Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met +zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er +dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met +hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vliên, door +'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet +medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!" + +Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier +opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid. + +"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de weêrpartij, "dan +moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel, +den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u +slecht vergaan: ik neem u 'et leven."--"'k En vrees u niet, Wouter!" +antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den +slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies[1] vrees ik u. +Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en +deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen, +en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden +slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf +Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de +schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier--Koning Carels +kampvechter, die hem de verradenis zoû doen bekennen, te Vaucoloen door +hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en +wierp 'et uit den krijte. + +"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held. +"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot +den Koning gaan! + +En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel +sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de +fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man. +God en Sint-Jan helpe mij--Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten +eersten slage sloeg hij hem dood!" + +"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis +bewijzen? Bij den Heere van Nazareth--ik en dede er nimmer! Maar uit +Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had +ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen +ik, Heere--ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed." + +Toen zwoer Roelant hij zoû Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem +vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik +verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van +Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800 +Ridders zal ik u volgen--waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de +koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en +neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij +Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!" +Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van +groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van +Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in +Gascongiën, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en +maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen. + +Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongiën. En als zij in het +land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein +zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en +is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven +lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer, +en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de +Historie. + +En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk. +Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag, +deed hij zijnen zwageling[2] Reinoude, door een goeden bode, vragen, +'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die +Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen, +dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om +ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant. +Gevangene van Reinout wilde hij zijn--ja, want hij hadde zelfs, door +zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend. + +De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de +zake, die hem opgedragen was--maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat +het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!" + +Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind +heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het +kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere, +waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te +boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is +terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als +men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze +woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der +mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne +vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al +spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad, +omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt +op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met +zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem +levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven." + +De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem +oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen. + +Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich +zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun +Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud +gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar +mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden +mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij +goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te +Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed +bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in +vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et +u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk +nader." + +Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen +de Françoisen te goed: zij zijn boos en fel: alléén zult gij er niet +heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden." + +--"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en +aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met +gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster. + +Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het +klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft +overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem +zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar +hij hem op staande voet zoû hangen. + +Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve +neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn +kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons +nimmermeer verrade." + +--"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk +God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!" + +--"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader. +Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik +zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren--waar men +hem nimmer uit weêrziet!"--"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om +niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein +hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"--"Gij en zult niet, +Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik +daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus +liet ombrengen." + +--"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem +aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"--"Bij Sint-Jan," +sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal +ophangen! 't Kwame hem te schande." + +--"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van +'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein +hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf +Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord +aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em +Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er meê wech. Ook de Grave +Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot +leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen +had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde: +"Ik ben het niet." + +--"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout +"Ongelijk zoû deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met +Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zoû ik er 'et leven +afbrengen! Maar, Sint-Amant[3] helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik +keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter." + +--"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij--ge zult hier +ter stede mij vinden."--"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e +hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat +hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen) +om daar een kamp jegens hem te vechten. + +Roelant keert zóo met eere tot de Genoten. + + +[1] _bloemknop--bies_, zoo veel als niets. + +[2] _zwageling_: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon. + +[3] _Sint-Amant_: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop van +Maastricht (VIIe Eeuw) + + + + +HET TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout + kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen: + maar de Genoten belett'en 'et. + + +Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em +dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"--"Zwijg, God +schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij +bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar +Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw +over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."--"Zwijg, +verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner; +"Roelant is gram." + +--"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom +zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't +Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zoû hij naar u vragen: wat +mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?" + +--"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik +Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd +heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den +held tot rekening gedaagd." + +--"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen +gezworen--zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen. +Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen +kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord: +wordt Reinout van u verslagen --gij zult 'et geen drie dagen overleven. +Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven." + +Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van +Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen: +zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd +betoonen kan!" + +--"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn +doen geen bloemknop geve." + +En Ritsaert van Normandië, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van +Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood--ware 't dat hij Reinout van +Montalbaen versloeg. + +"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik +hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik +tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik +liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van +den eed ontslagen ben." + +--"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge +moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van +Montalbaen--zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et +krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met +hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo +zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet +wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in +Vrankrijk voeren." + +Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier +geslagen--zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den +kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt." + +Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar +Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem +zijner Vrouwe. + +Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen: +"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en +leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van +Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit: +"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in +Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen +verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land +verwierven." + +Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren +zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op +staande voet, alleen naar Beurepaer." + +--"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy +doen te Beurepaer?" + +--"Adelaert!" zeî Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een +kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!" + +--"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal +ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan +worden--wijl hij der besten éen is, die ooit de zonne bestraalde. Bij +den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem--gij zijt dood, en +wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde: +"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter +waereld--al dacht ik er dood te blijven." + +Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends +Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs; +"God behoude en bewaar u--maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal +hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het +perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood--men zoû er groote schande van +spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!" + +Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en +de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout meê te varen. + +Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil +niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar +alleen." + +Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij +Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan. +Hij ontwapende zich en leî zijn harnas op zijn schild. + +Toen viel Reinout op zijne kniën voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en +zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik +bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in +mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn +Ros Beyaert uit erkentenisse." + +--"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik +u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen, +omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt +gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe +uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet." + +Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en +ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de +spere in de hand. + +Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van +Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met +mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en +staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel +met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout: +"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet +van al mijn leven." + +De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die +hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en +ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande, +die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van +een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd +Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het +is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De +Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun +dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen +koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag." + +--"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en +nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te +gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit +ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik +vliên: God geve u hoon!" + +De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij +spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote schaê gedaan, toen +gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant +zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk![1] opdat ik de schande op u niet +verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen," +zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was, +dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen, +dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig François 'et lijf zoû behouden +hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en +Reinout reed naar Montalbaen. + + +[1] _schalk_: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend wat laag, +vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is. + + + + + +HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning + Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs + uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden + ontvoerde. + + +Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et +wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen +dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het +Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar +de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs +nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij, +"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning +Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en +toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar +Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar +Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er +hand vloog. + +Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij +droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige +handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter +nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar +Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer +ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!" + +Zoo voerde Olivier--Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot +hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de +Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier, +mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels +ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs +gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer +Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde +de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij, +"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon +Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid +onttogen!"--"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal +geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"--"Gij zegt waar," sprak de +Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!" + +De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat +men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte +Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de +Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning," +hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."--"Wie zoû +zich voor u borge willen stellen," zeî de Koning, "wie mijner Edelen +voor u!" + +Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt +gij mij borge wezen tot morgen!"--"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et +willig."--"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en +mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog! +wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde +mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit +niet tot oneer gedije." --"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet; +met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage." + +Dan loeg de Koning en sprak: "Laat hem, bij zulke borgen!" + +Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De +Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten, +hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den +haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs: +"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene +spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem +hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs, +ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat +dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij +aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden: +"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"--"Geen blijder man dan ik!" zei +Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval +zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zoû; men sloot hem +in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier +kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer +de nacht verloopen is." + +Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de +Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar +Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur +en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren. + +Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem +af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de +deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en +nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en +nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en--vlood naar Montalbaen. + +Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van +al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep, +overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan +eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en +kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help, +moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een +schandigen dood!" + +Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot +Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord +had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is +dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave +Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg +in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns +ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat +niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den +weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat +hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt +mij wie du bist, of zoo helpe mij God!--ik slaag die met den zwaerde dat +du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert +reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout, +hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep +Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde +u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan +spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den +Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad +den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij +toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men +legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten +de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in +des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage +onder den mantel." + +--"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!" +andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."--"Oom!" zei Reinout, "dat +is niet wèl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!" + +--"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem +voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!" + +Dan dede Reinout--Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot +Montalbaen. + +Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich +haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn +Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en +dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem +ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de +Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit +den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet +meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun +zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar," +spraken zij, "God geef hem schande!" + +De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zoû laten zoo +lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven +mocht.' + + + + +HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Koning Carel-Montalbaen beleîde, en hoe Reinout in + eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide. + En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen, + Koning Carel haren broeder te voet valt. + + +Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir, +en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleîden. Roelant zond een bode +tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd, +wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij +Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem +tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet +groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als +Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve, +dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem +verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot +zoen willen helpen bij Carel den Koning." + +Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij +trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen +hem liet verzoenen. + +Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord: +"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij +belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat +zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen +neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt: +want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en +betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer +wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te +geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen, +kunnen strijden."--"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de +Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe +met hen wat mijne eere van mij eischt." + +--"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap +Haymijns kinderen en hope te slagen!" + +--"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode +zijt." + +--"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," zeî +Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet +men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale. +Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen. +Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege +den Koning."--"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij +eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen +gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig +voorbehoud." + +--"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en +goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig +nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve +mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen +ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag +hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee +en verre op de heidenen." --"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap +wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed." + +Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en +deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten. +Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel +bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings +heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag, +wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000 +mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten +Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere; +als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw +leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning +komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd +Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met +gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven, +hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de +Françoisen verdoen wij heden!"--"Schande moog u treffen!" riep de +Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros +onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs weêr +op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo +dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde. + +Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat +Haymijns kinderen hem ontreden waren. + +De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde. + +De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zoû een +parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken, +en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten +laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode +tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden +zoû, om van den peis te handelen.' + +Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog +ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet: +"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice, +mogen u hoeden."--"Reinout," zeî de Koning, "laat staan de groete; hoe +veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"--"Ik wil 'et boeten, Heer +Koning!" gaf Reinout ten andwoord. + +De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan +zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot +zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij +waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier +nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten +parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd +afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op +Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op +'s Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten +parlemente te komen."--"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn, +"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem +raden Reinout met valschheid te vangen.--Heer Koning," sprak hij verder, +"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders +tegen u verzoend worden." + +Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de +moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde, +te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en +toog naar Montalbaen. + +Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam +uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen +malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den +Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant, +Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te +paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht +viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's +Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert +weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen +van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk +om zich heen, dat hij weêr te paerde kwam. Toen reed Salomon van +Bretagniën tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander +zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit +zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op +Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde +Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit +hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?' + +De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag +Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den +paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij +Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan." +Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op +zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben, +maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen +sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts +volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten +onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij +vliên! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en +Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in +'et kasteel gedreven. + +En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden +nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u +berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve +medegaan!"--"Hoe? gij truwant[1], zoude ik dan met u gaan?--Beliegt gij +mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te +Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel +Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt +daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden +voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."--"Wildy nu +van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik +gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult." +Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal +goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te +Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge +zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te +waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij +'et lichtelijk doen kon'. + +Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de +banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's +Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen +aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit +half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte +dat wij reeds op de vaart derwaards waren."--"Gaan wij dan," zei +Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den +Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne +magen; en leîde den Koning in een schoon bedde. + +En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik +geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is +dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik +meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij +geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar +te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene +hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer, +daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor +zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit +heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem +hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne +kniën, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit +hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen +sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout +beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij +den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven." + +Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy +wel."--"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet +ik des hier sterven, kwade dief--gij zult er vermaledijd om zijn; want +met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide: +"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt." + +Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik +u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen. + +Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan--ik zal mij beraden met +Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet," +zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning +van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in +zijn tente kwam. + +Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem +minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning +zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert +wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder +tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit." + +Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout, +en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings +gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes +komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom." +Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen, +dat gij tot hem komet--gevangen." + +Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken --wij +zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel." + +Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide +hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven +schenken'--zij komen gevangen af."--"Hoe!" zeide Carel; "éischen zij iet +van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want +zij en hebben geen victualie." + +De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te +bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig. +Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert +dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood +van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert +niet!" + +--"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door +honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren +raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met +ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert +aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede." + +Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de +Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun +paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn +zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen +laten vergaan van honger?" + +Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en +bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden[2] +geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad +gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't +voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe. + +De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap[3] voor Montalbaen. + +En die op de muren stond--zag, dat de Genoten hun engienen[4] sterkelijk +stélden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te +bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier, +Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij +ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon +Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor +langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij +tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven. + +Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten +geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen +veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om +geen goed gegeven hebben. + +Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen +ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen: +daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons +wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier +alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het +beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered." + +Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden +woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe +Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden +heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen +mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en +zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij +te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de +Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden +Haymijnskinderen te gemoet. + +Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat +hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef +steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door +zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken +was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende: +"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met +sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij +zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed. + +Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel +van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et +dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter +poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout +was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn +broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te +eten was. + +Hierentusschen is Koning Carel--Reinout met zijn volk onvermoeid +gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk +belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en +zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn +vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo +dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan--kan ik dit Ros machtig +worden--ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner +kroone. + +[Illustratie: Ten leste zonk het Ros] + +De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij +spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen +hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil +t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende +minlijk liet gaan!" + +Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des +Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden +met hem te hebben, en reed weder naar het heir. + +Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare kniën en +bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij +Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook +alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet +verzoenen. + +En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot +genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die +hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft--en mij toelaten daarmeê +naar welgevallen te handelen--zoo mag hij tegen mij verzoenen--en anders +niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij +trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven +wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst; +zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen +mogen." + +Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met +groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des +Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had, +zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De +broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan--maar welhaast barstte +Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige +dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede, +droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere +broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig: +"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik +Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is +onze Koning--en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag--wij +mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et +Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken +hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den +Koninge Beyaert geven zoude. + +Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft +hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat +hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen meê handelen +zoude--maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem +misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'--"Mij dunkt," zeide de +Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang +gewacht." + + +[1] _truwant_: lage knaap, bedelaar. + +[2] _blijden_: steenwerptuigen. + +[3] _reedschap_: instrumenten. + +[4] _engienen_: machines, krijgstuigen. + + + + +HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL. + + + Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en + hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe + Reinout een heremijt werd. + + +Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met +zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot +de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed +hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele +verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft +Reinout--Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer +Koning, doet er mede naar uw welgevallen." + +En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee +molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse, +en werpen in de rivier. + +Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar +terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout; +toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden +braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij +naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert +wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning +dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals +twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en +liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn +muil. + +De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel +zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen +vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout--geeft gij +den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om +een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo +helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy +gehad; met slechten loon wordt gij beloond!" + +Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende: +"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd +hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het +gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout +wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen +verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet +omzien zoude na Beyaert. + +Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote +molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere; +toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder +boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een +mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid +hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't +gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen. + +Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als +sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te +Montalbaen. + +Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en +waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog +bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit +hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze +van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en +was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide: +"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en +volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, beleîde ons in Ardennen, en +vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen +zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene +zóo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede; +aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert +verdrinken." + +De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert +zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en +mochten hem en zijner machte niet wederstaan." + +Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten +zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als +hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken +tot den voeten. Geen Ros, zoû hij na Beyaerts doode meer beschrijden; +geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden! + +Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen, +door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar +hem niemant en kende. + +Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar +nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide: +"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en +wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste +man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig +jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk +doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar éenen wensch: dat ik mijn +zonde konde biechten en boeten--want mijne misdrijven benauwen mij +onlijdelijk." + +De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk +gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de +zonden laten en niet meer doen--zoo valt dan op uw kniën en bidt God +oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig +einde moogt brengen." + +Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den +Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo +zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite +tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik +blijve dood van koude en van honger, want mijne kleêren zijn aan +stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken." + +Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide: +"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien." +Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van +koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God. +Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide, +dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na +den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit +hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende: +"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken +zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't +Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen +verloren hebben."--"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want +wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode +voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem. + +Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met +weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten +derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte +dat hij daar wél op rusten zoû; want de nacht overviel hem. En als 't +begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat +hij kwam in Sinte Jores' Braes[1]; daar vond hij schepen en voer in het +land van den Islamme[2]. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat +hij kwam in de haven van Tripoly. + + +[1] _Sinte Joris' Braes_: Bras de St George, de Dardanellen. + +[2] _Islamme_: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet Stamme, het +duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda. + + + + +HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en + hoe Madelgijs bij hem kwam, én hoe Madelgijs dood bleef + in het beleg van Jerusalem. + + +Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een +nieuwmare kwam, dat Tabarië belegerd en Akers in grote zorge was, en dat +er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee +waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de +steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen +op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim +had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken +geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te +ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te +voorkomen. + +En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen, +werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knieën +en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij +anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de +Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit +zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en +twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom, +dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde. +Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van +Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch +schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen. +Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout +nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild. +Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig +Sarazijn mede doodsloeg. + +Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder, +liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht +zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de +Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich, +en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den +heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de +Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden. + +En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam +van zijn oom Madelgijs. + +Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete +over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen--de Christenen +bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen. +Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem +kwam eene stemme van Godes wege, die hem opleîde, "dat hij zoude gaan en +helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar +komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner +konste en van zijner Godsvrucht. + +Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem +getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden +doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij +den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren +de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen +de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd +heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele +land. + +Uit het land van Syrië, van Tripoly en Antiochië vloeiden de scharen +bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij +elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van +Syrië gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de +belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten +leggen, om elken verderen uitval te beletten. + +Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten +manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei +krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk +werden gesteld. + +De Soudaan van Babylonië daarbinnen deed echter met mangneelen en +blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen +in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen. +Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig +Christen sneefde daar, die te dier tijd vóór de stad de Turken kwam +bevechten. + +In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en +vochten al d' andere vóór. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en +Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel[1] +zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij +heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van +zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den +Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In +zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere; +"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!" + +En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God +t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme +in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem +al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs. + +Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen +vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf, +stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom +Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de +stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls +in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen +raad: wilt gij de stad winnen --laat ons dan wegen en poorten naauw +bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van +spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad--en anders niet." Deze +raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke +poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas. + +Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren, +werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te +helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan +victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan +gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den +strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met +hulpe van Mahomet en Apolijn."[2] De Soudaan gaf toe, en de Turken reden +uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag: +zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere +afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter +weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen +er vele; vele gaven er zich gevangen. + +Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun +heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef +alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die +binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende +zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar +Reinout vóór lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan +en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden +was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en +hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn +staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit +ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!" + +Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan +hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met +mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet +vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met +den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep +de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten," +'t welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij +mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep +Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan, +dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze +in zekerheid. + +Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem. + +En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn +lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen +gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan +hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des +Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'--"Wat mij +betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout. +Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden +den Soudaan gevangen. + +Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van +wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en +Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van +Jerusalem, en viel voor hem op zijn kniën, en bad hem, dat hij hem zijn +zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf +hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot +mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden +van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren. +Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de +Edelsten van den lande. + +Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor +wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsiliën. En als +zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande +zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen, +die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout +aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en +ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't +schip. + +Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor +Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde +hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen +hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen +Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis +voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic +van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij +wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning +lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit +goeden raad. + +Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en +zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt +bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam, +waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging +en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk +gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en +zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is +gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten +Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom +gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze +verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad. +Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade +gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom +willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den +Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten +heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij +van zijn vader zoû gehad hebben--daarom willen wij den Koning zeggen, +dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij +mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en +Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij +over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant méér +gehoord?'--'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf +lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittanniën, +Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn[3].' Toen Koning Carel dit +hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zoû doen vangen. +Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken. +Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem +'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem +verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit +der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn +leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den +Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide: +'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook +alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen +wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en +met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving. +Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'--'Ik stem daarin,' +zeide Guweloen." + +Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij +was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend. + + +[1] _quareel_: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten. + +[2] Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als Sarazijnsche +afgoden voor. + +[3] Dr. Mannes leest _Herclijn_; de vl. uitg. heeft _Hebron._ + + + + +HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en + Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot + zwaren arbeid vernederde. + + +Reinout ging tot Koning Carel, en stond vóór hem als een arme pelgrim. + +"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van +over Zee en van de stad Jerusalem?"--"Heer Koning!" andwoordde Reinout, +"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem +veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen +van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg +"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout +geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der +vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch +Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of +hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning! +hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man." + +Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en +ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten: +maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren +droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen +aantrekken, en bewees hem groote gunste. + +En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en +vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder +waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich +voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout +dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader, +moeder, en zijne broeders niet weêrvond. + +Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp, +dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet: +God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet +verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat +zij kampen zouden. + +Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een +goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad +van Parijs. + +Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner +spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde +held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden +vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden. +Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar +kwetste Galeran niet. + +Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde. +"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij +zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een +ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de +handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij +zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd, +waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den +strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert +stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde +Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij +het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere +zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen +sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en +sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en +het loon kreeg voor zijne valschheid. + +En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen +slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer +voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran +aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit +zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer +in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil, +dat men dit wel versta! + +Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen, +en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan +met den Koning. + +Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken +af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en +schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van +daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech +in vreemde landen, waar 't hem onbekend was. + +Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den +ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der +wegen droeg hij hout aan, en mortel[1] en steen, en was de minste onder +de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om +geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der +fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den +gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros. + + +[1] _mortel_: ciment. + + + + +HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en + diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen, + en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden + werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam. + + +Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten +jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint +Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards +timmerliên en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen. + +Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad +kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De +werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden. +Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde. + +De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote, +mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zoû +kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen +wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen +eenen penning!" + +Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij méér verdienen zult: wilt +gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen +daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga--'k en wil zoo veel +niet winnen." + +De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal +ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken." + +--"Heere," zeide hij, "dat doe ik!" + +En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alléén steenen aan, die ze met +hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden. + +Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar +éenen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alléén +meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u +in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen +eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te +dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne +gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te +bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar +éen gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en +sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds +was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de +meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe +hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem +zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude +zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman." +Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest--hij +zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking. + +Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en +het werk schier alléén deed. De meesters, hoogst voldaan over hem, +vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een +onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van +kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen: +"Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal +hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den +steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."--"Ik weet +beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf +mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen +gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij +hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem +in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan." + +En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten +tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed, +bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen +hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water--nochtans en mocht de +last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden +waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf. + +In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had +'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde +lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was, +en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord +was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij +genezen.' + +De vrouw ontsprong[1] met dien visioene en dede zich kleeden, en op den +Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar kniën, en +zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te +voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot +den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten +waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten +laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en +zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken, +en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te +luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken +om de ware oorzaak te vernemen. + +Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een +mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een +devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is +genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met +cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte +der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles +gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den +zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen +die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het +lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken +gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven +werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van +Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar +bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die +bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door +uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden +geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren--wist ik wie u +verslagen hadde, ik zoû hem den Koning zenden!" + +Als die van Dortmunde[2] dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en +vielen op de kniën voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun woû +geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner +gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk: +"Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor +hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een +karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de +paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de +kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na +den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet +wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde, +'twelk menig mensch zeer verwonderde. + +De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom. +En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes, +Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken. + + +[1] _ontsprong_: stond op. + +[2] _Dortmunde_: stad in Westfalen. + + + + +HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed + boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den + Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen + kwam. + + +De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel +aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen +was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij +uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van +zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij +zouden 'et bekoope al die in Keulen waren. + +Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen, +en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden +van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den +Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning! +wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en +niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden +wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar +ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo +jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat +zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk +terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning +Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan +Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in +den Rijn. + +Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig +waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te +Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok +na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de +Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was. +Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien +'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad: +"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van +den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder +menschen hulpe--dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel: +"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit +hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et +lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag +daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn +broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als +de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij +hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het +lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote +rouwe en misbaar. + +En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs. + +Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in +'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest! +Amen. + +Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout +Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk. + + + + +WILLEM VAN ORANJE. + + +A. D. 806. + + + "Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs! + "Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs. + "Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten-- + "Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten. + "Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt: + "De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;" + Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus, + Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus. + + "Maar wie zal...?"--Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;. + "Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man! + "Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder, + "Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder, + "En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen meê. + "Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André + "Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden.... + "Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden. + + "Geef gij aan den broeder het noodige geld!" + Nu dit hem met-een in de hand is geteld, + Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden, + En was ook al gaauw uit het klooster gereden. + Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort. + De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord.... + Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren.... + Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren. + Zoo'n kloostergeleerde--'t staat vréémd op een paard!.... + Die staljongen--is zonder grónd niet vervaard; + Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek) + Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek. + Zoo denkt ge!--maar och, hoe bedriegt soms de schijn! + Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!-- + Al lijken de kappen een haar op elkander, + Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander. + + Nú rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch; + Twee korfjens, een knaap, voert hij meê op zijn ros; + Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede + Bevat slechts een penpunter, argloos van snede. + Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst-- + Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht + Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden-- + Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden-- + En de vuist, die den slappenden toom soms vervat-- + En de knie, die zich spant en het bergachtig pad + Den klepper op éénmaal soms over doet schieten, + En springen en waden, waar beektakken vlieten + Of heester en kloof hem den weg soms verspart-- + Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart. + + Geen wonder! geen wonder!--de bode, die heden + Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden, + Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard; + Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard + Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje: + Dat schild--was het wapen van 't Prinsdom Oranje. + Oranje! geen held onverwinbaar als hij! + Een Roelant-alléen stréeft dees Willem op zij. + Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven. + Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven. + Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp-- + Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp: + Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen, + Herroepend zijn helden:----Geen dooden, die hooren! + Oranje!--steeds galmden de harpen zijn naam! + Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam! + De dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen-- + Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen! + + Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn + De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn: + Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen. + Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen. + + 't Is lang geleên!--hij had, na felgevochten strijd, + Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd. + Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne, + Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhône. + Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr; + Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir, + Dat op de wallen van de leêggeroofde veste + Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte + De stoutste plonderaars te levren in zijn hand + En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band, + Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden + Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden + Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door + Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor, + Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have, + Naar wellust martlen woû, den jongen Christen Grave + Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht-- + Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht. + En de Emir, dol van spijt, doch met betóomde woede + De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede + 't Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees; + 't Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees + "Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade + "Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade! + "Uw woord tot onderpand--en, om mijns Heilands wil, + "Ontboeit hem, knechten!"--Maar op eens, wat luide gil! + Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen; + Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren; + De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat, + Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat + Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen, + Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen, + Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros. + En barst in dank op dank en tranenstroomen los. + "Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten! + "En wat de vader deed--ik wil daar nóg voor boeten, + "Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed + "Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet + "Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behouën?... + "O, vraag een losprijs!--dat mijn harte moog vertrouwen!" + --"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert, + "Die mij mijn vijand leert beminnen--die begeert + "'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden + "Der dochter weêrgeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!" + Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst: + Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst. + En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden-- + Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden + Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre stem: + "Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?" + + O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven + Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven. + Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot: + De God van Willem werd der teedre maged God: + En--knielend voor den troon van Keizer Charlemanje, + Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje. + + Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel + Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel, + Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden, + Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden + In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag! + Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:--de volle dag, + Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister: + Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister + Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên-- + Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen! + Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!... + Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen; + Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast.... + Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast + Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte + En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte. + Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint, + En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt. + + "Heer!--Heer!--hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch? + "'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis, + En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten + De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten. + + "Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man, + Zóo zijn wij het bosch uit----Ons valt men niet ân: + "Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren; + "Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren. + + "Gedraafd en gezongen met vrolijken zin! + "Dan halen niet eens die kornuiten ons in." + --"Heer ... 'k durf niet;... maar--daar gij 'et wilt--zal 't gebeuren." + En bevend begon hij een lied jen te neuren. + + Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch + Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!' + Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen, + Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.' + + En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft, + Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd. + Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden, + Die ginds langs het lover de takken ontblaarden: + Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach + En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag + Den een na den ander een zevental ruiters, + Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters! + "Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht, + Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht. + En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mâmêt: + "Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!" + + "Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak + "Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...." + En Willem betoomt zich met moeite van binnen; + En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen: + "Dat pak?--'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij + "Voor schatten vermoeden in grauwharen pij! + "Ik bid--laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!... + "Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen." + +[Illustration: Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist.] + + --"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk + "Die 't meest ons belemmert!... maar üit heeft uw rijk!-- + "Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten! + "En beiden de plunje van 't lichaam gereten!" + Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steê, + Ze binden hem handen en voeten, en reê + Den monnik, dien zij met hun vijven omringen, + Tot afstappen en ontkleeden te dwingen, + Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed, + "Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet.... + "Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen.... + "Zóo varen ze, die zich niet laat gezeggen. + "We maakten hun goud, en wat anders nog, buit, + "Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit, + "Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen, + "Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen: + "Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest! + "Toe! voort uit den tabbert! Het minst is óns meest! + "Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen.... + "Uw pij uit!--Die hoofdkap bij de ándre kaproenen!" + + --"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek + Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek + "Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen! + "En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!" + + Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat + Den huifwagen in met het zadelgeraad; + "Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...' + "Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen.... + "Een weêrloze monnik--maar geeft me mijn knecht + "Voor 't minst dan weder!"--"Dien knaap?--Gij hebt recht + "'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren: + "Den knaap in de kar!--en de paarden de sporen!-- + "Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch + "Alleen u vervéelt, in uw luchtigen dos,... + "Dat kan toch den beste eremiet overkomen,... + "Hier hebt gij een koord--en daarginder staan boomen!" + + Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf, + Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf + Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven + Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven: + "Fraai, mannen! fraai helden!--Uw prooi lacht u uit; + "Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit! + "De gordel, die schuilt in mijn onderste klêeren, + "Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren! + "Een gesp is er aan van het edelste goud, + "Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud + "En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden + "Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden. + "Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop; + De hoofdman rijdt nader: "Zoû 't waar zijn?--Pas op, + "Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen + "Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!... + "Te voorschijn die gordel!"--"Ik schenk hem u. Heer," + Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer, + "Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren.... + "Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!" + --"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard + En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard + Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen, + Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen. + Daar heft hij de vuist, en met morslende slag, + Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag, + Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten, + Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten. + Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij; + Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij! + Hij stort zich te midden der wanklende knechten, + Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten. + + "Oranje vooruit!--Ha, gij wolvengebroed! + "De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed! + "Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen + "Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..." + Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist; + Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist. + Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde; + Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde. + Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet; + Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet; + En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen + Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen. + + Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God! + Zijn knaap niet alléén werd geboeid door het rot.... + Twee ándre gevangnen, wien doeken en banden + Het roepen belett'en en 't roeren der handen!... + De schaduw der huive floerst Willem het oog; + Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog + Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen.... + Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen + Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart. + "Hoe dús?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart + "In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen + "Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...." + --"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw, + "Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw + "Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten + "Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten: + "De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...." + --"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht, + "Om u in het klooster te komen verrassen.... + "We hebben steeds in de Cortezische plassen + "Niet ver van 'et burchtslot zoo héérlijken visch! + "En hadden dien heden bestemd voor uw disch;... + "Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen." + --"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen! + + "Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...." + En glimlachend leî hij de zweep op het paard; + De staljongen moest met den bles het maar stellen, + En de Abt kreeg twee gasten en--goede forellen. + + + +FLORIS EN BLANCEFLOER. + +AAN HELENE UKENA. (1851--1873) + + +Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat +boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand +hebben--'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw--en wien de +liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik +dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan +alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't +Is alles van eene standvastige min--van blijdschap beide en droefheid. +Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een +vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt. + +Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald +werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld +kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal +blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben. + +Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit +Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks +te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt. +Fenus--zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen +oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed +Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen; +kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles +werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig +dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen +meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig +hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van +alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om +te brengen, of gevankelijk meê te voeren. Onder de dus overvallenen nu +bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich +moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven +niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar +met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde. +Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger +achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen, +en nog méér moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden +ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde, +dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den +vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken +wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden +groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en +werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep +hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo +doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en +wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren +blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met +grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele +kinderen liepen om en achter hen. + +De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te +deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van +pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de +hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de +gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te +nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van +haar maakte. + +Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren +Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk +echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat +zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van +haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een +liefdepand van haar beschreiden egaâ onder het harte droeg. De vrouwen +brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter +waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten +hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem +Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen +Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen. + +Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer --want +het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en +dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden. + +De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid +reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren +beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone +kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon +meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den +geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde +hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht +kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader +hem dit aanzeide: + +"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen, +noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan--tenzij +Blancefloer met mij ga." + +De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter +schole. + +Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en +beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon +hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat +men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ééns +van meening, ééns van schoonheid, van éenen zin en even standvastig van +harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen +in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in +zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo +leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten +druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te +kort voor hun blijdschap, voor hun genot. + +Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij +den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de +ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter +dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en +op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging +voor de arme dochter der gevangene Christin. + +Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben, +naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van +gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn +gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij +peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon +komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind +verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij +er op vinden kunnen."--"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren: +Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer +gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang. +Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan--dan zal +ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is, +Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal +vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere +beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen +geslachte zal nemen." + +Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij +geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe +zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des +Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed: +maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen. +Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in +waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk +duchten zoû ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos +verloren zoû gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der +tijding. Dan zoû onze schade en ons verdriet méér zijn dan te voren. +Daar is geen lof noch roem meê te behalen, 't zoû niemants nut zijn, zoo +zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven +blijve!"--"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als +middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de +kinders eene ziekte zoû voorwenden, opdat men Floris naar eene andere +plaats, naar Montorië, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer +zoû men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak +te maken op de voortdurende hulp harer dochter --dan kon Floris niet +aandringen op het samengaan--en verwijdering, afleiding door den omgang +met andere speelgenoten, zoû wellicht de liefde verdooven kunnen, of +vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook +beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tót hem gezonden zoû worden. + +Nu ontbood de Koning--Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet, +dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet +verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar +Montorië ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn +en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en +lezen en schrijven leeren." + +--"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"--"Lieve jongen," +zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over +zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide +hij: "dat gebod zoû mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet +mét mij--ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval +hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zoû binnen veertien nachten of +eerder Blancefloer tot hem zenden. + +Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den +Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris, +ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare +dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht +hier en daar woorden zoû ontvangen, die hem in eene andere liefde +mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten +doen. + +Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel--maar, 't mocht zijn wat +het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde +en las--altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij +boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast +in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De +stonden vielen hem lang--des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij +zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien +nachten ten einde kwamen. + +Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam, +werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe +langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol +te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven. +In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem +vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne +tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De +kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe +wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van +Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus +geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vóór +mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand +van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood +krijgt." + +Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat +tooverij het zoû gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde +reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te +onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare +wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet, +geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de +onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen--dat er +aldus over haar gesproken werd. + +De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood +ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand, +Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar +aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren; +zóo, dat er de Koning zich niet meer om zoû behoeven te vergrammen, noch +er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd +te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in +handen geleverd. + +Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig +pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde; +honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden; +honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels--valken, +haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog +een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone +van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelaüs, hem zeer +verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken +Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van +binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie +godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen +schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo +duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder +vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk +moerbeziën, honig- en specerijdrank van wijn zoû hebben kunnen +onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel +werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel +vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het +uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen +kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in +de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de +markt te Nicle verkocht had. + +De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel, +konden zij haar te Babylonië brengen, dat zij twee maal den koopschat op +haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone +kind aan te bieden. + +Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun +tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden +met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers +hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare +blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen +geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle +jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene +verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen +andere vrouw meer beminnen. + +Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig +jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden. +Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot +vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babylonië. + +Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen +kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft. +Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!" +roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn +teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was +weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij +eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur, +dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend! +Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad, +dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij +te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat +hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg +ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al +heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij +bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht +ook niet aan mij--hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig +ben--maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint--en dat ik hem +bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij +nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen. + +"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen meê. +Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons +gescheiden heeft, wel zoete vriend! + +"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo +braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u +gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet +ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed, +dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!" + +Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden +van hare gezellinnen. + +Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend +knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn +thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De +Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste +wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te +berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe +bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon +zoû melden, dat zijn geliefde in leven was. + +Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van +krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de +goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare +en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk +plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en +velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters +keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der +zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen +oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de +tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris: +het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne, +ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren +geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne +vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het +hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband +gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het +andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind +ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in +de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen, +alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zóo dachten +allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het +graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen +en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond, +hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en +jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan +moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de +zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen +haastig tot elkander, en kusten elkaâr vriendelijk. De liefde, waarvan +zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een +dorper of een dwaas, die daar voorbij zoû gaan, dan werd, hij, zoo haast +hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij +zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap +viel; zoo bezweken hem al de leden. + +Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf--dat zoo kostelijk was +als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende +steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en +op den steen werd in gouden letters gehouwen: + + --HIER LEGHET BLANCEFLOER + IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER, + DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT, + MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT. + +Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug. + +Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne +moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij +naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden. +En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk +beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers +moeder was. + +"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier +achterliet?" + +--"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet." + +--"Gij schertst!" + +--"Ik doe het niet." + +--"Gij doet het!" + +De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare +dochter hoorde spreken. + +Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!" +De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar +Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij +doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen +andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide +zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat +mocht hij niet gelooven--tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij +uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!" + +Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als +die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg +zwijmende ter aarde. + +De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in +onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt +hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten +heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar, +dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld +der Hemelen; daar verwacht mij hàre ziele! Wat denkt ge--dat de dood mij +niet tot vreugde zoû wezen?" + +Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar +de letters geschreven, en las: + + "--HIER LEGHET BLANCEFLOER + IN DIT GRAF OP DESEN VLOER, + DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT, + MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT." + +Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig +aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken, +noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij +weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten. +"Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik +rampzalig. Wist ik op wien--hoe gaarne zoû ik 'et wreken, dat ik u dus +verloren hebbe! Wij waren op éenen dag gewonnen en geboren, samen +opgevoed, samen hebben wij geleerd--tot dat we de ure bereikten, waarin +men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op éenen +dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik +ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere +smart. + +"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart +zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een +spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo +schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk +andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele +vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en +prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u +standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in +geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan; +zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet +verstonden. + +"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt +moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap +is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen. +Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt +hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde +komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een +haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en +varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele weêr samenkomt met de +mijne, en bloemen leest." + +Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vóór zich, +en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat +ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan +u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven +nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu +wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het +hart--maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af. + +"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde +begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener +vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is +niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in +groot ongerief blind, doof en stom zoû zijn en lijden al wat de waereld +te lijden geeft,--dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de +stervensangst voor niets?--Meent ge dat het u iets baten zoû, of ge de +handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in +'t Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zoû niet gebeuren; daar zult ge +langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar +niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert +gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zoû uwe woning zijn, +gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido +lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar +eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind +hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij +zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe +vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks +kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken." + +Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer," +zegt ze, "hoe gaarne zoû ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons +kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het +hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats +doodgebleven." + +--"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik +houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig +zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."--"Heer," zegt ze, "dat is +onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood--niet +eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg +brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich +alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn." + +--"Vrouw," zeide hij, "ik zoû misdoen, indien ik uwen raadslag in dit +geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde." + +--"Nu spreekt ge wél, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wél aannemen, dat +wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen." + +--"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve, +maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat +Blancefloer, zijne vriendin, leeft." + +De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg +gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid. + +"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe +vriendin: Zij leeft; daar is in het graf--niets. Wij hebben leugentaal +gesproken--uw vader en ik--toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten +haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt +weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings +dochter. Dat zoû ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot +vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet +wilde toelaten, dat zij uw vrouw zoû worden, daarom wilde hij ze +verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter +markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre +landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd +rijk." + +[Illustratie: Toen zag hij de lachende kinderbeelden.] + +"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"--"Ja ik," andwoordde zij +onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien." + +Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren; +en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte +hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zóo, +dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en +brengen ze vol vreugde te-rug. + +Maar wat moest hij daar niet al voor doen;--wat moeite moest hij niet +aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit +het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet +vele in 't land zoû vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo +dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zoû kunnen zijn, die om den +wille van welke liefde ook, de stoute daden zoû verrichten, die Floris +bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er +verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer +ter zijde. + +Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij +aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is +verblijd, om dat ze leeft. + +Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat +hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen +verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene +vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge +dragen. + +"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer. +Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen +kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar +te-rug-kom." + +Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon. + +Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene, +wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was +besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant +daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en +heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij +hem vele goede eigenschappen verhaalde: + +"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij +dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch +van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof +vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk +verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van +zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te +zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen +mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder: +hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar +waren, weenden alsof hij dood vóór hen lage. Maar zijn moeder dreef den +diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zoû het nog méér +gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie +maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden +zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer +weêr. + + * * * * * + +Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met +vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te +scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer +uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babylonië, de +stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd. + +Maar wat nu nog aangevangen zonder éenen vriend, die hem den weg kon +wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich +meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar +hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en +zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken +gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie, +het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had +gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door +Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem, +en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe +zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren +man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone +jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb +zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard +deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het +tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord +en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u +des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad +schaffen."--"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat +hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt. +Het zoû mij niets verwonderen; want ik zag haar van éener gedaante, van +éen manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in +kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante +mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is. +In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om +zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in +vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar +de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem +gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof +vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar +geliefde." + +Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam +werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te +zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit +woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij +hebben éenen vader en éene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo +begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de +geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen +Koning, die kroon draagt, is er, die zoû durven ondernemen haar den Emir +te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den +rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren +waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen +bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij +steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij +rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het +dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van +goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan +is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo +helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo +licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of +fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet +van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier +woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle +van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen +pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt. +Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert +door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste +verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer +zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu +steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit +de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn +van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn +de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat +verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en +lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de +geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald +zijn. + +"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar +het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den +doek tot wasschinge moeten brengen. + +"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren +nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der +woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door +tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn +altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te +slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een +vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang +gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het +jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen, +de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met +zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen; +opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zoû." + +Floris, op het hooren dezer berichten, was nog ongeduldiger dan vroeger +om zijn opzet door te zetten, en bidt den waard er hem den besten raad +toe te geven. "Sta morgen vroegtijdig op," zegt deze: "begeef u naar den +toren: beschouw hem ter wederzijde; ga de hoogte en dikte met uwe +blikken na, en meet den omvang met uwe schreden. Dan zal de portier op u +toeschieten, en stuurs u aanspreken: andwoord hem bedaard, en zeg hem, +dat gij gekomen zijt om den toren op te nemen, en voornemens in uw land +naar dezen een anderen en beteren te maken. Als hij u van zulke zaken +hoort spreken zal hij begrijpen, dat gij een aanzienlijk man zijt, hij +zal kennis met u willen maken en u ten zijnent noodigen, of gij met hem +schaakspelen wilt. Hij bemint dat spel met hartstocht. Zet honderd +bezanten op het spel; wint gij--geef hem dan zijn inzet met den uwe ten +geschenke. Keer des volgenden daags te-rug, en verdubbel de som. Geef +hem het zijne weder, indien gij wint; en vermeerder het met het uwe. Dat +zal hem vriendelijk stemmen ten uwen opzichte. Vul des derden daags uw +schoone gouden drinkvat met drie-honderd bezanten; en als gij wint, geef +hem steeds het gewonnene te-rug, vermeerderd met uw ingezette som. Zoo +wint gij hoe langer hoe meer zijne genegenheid. Zie echter wel toe, dat +gij uwen gouden beker niet op het spel zet. De man zal u dan aan zijn +disch nooden. Hij zal zijne zinnen zoo sterk op uw drinkvat gesteld +hebben, dat hij er u duizend mark fijn goud voor bieden zal. Sla dit van +de hand. Maar, ten laatste, bied hem het kostbaar stuk als een +vriendschapsgifte aan: dan zal hij buiten zich-zelven zijn, en niet +weten, hoe hij dat groote goed en de eere, die gij hem bewijst, erkennen +zal. Hij zal u zijne handen toesteken als uw dienstman. Wees daarop +voorbereid, en ontvang zijne manschap en getrouwheidseed. Dan moet gij +hem de waarheid stoutelijk bekend maken; hem verhalen, wat zake gij +volvoeren wilt, en wat leed u getroffen heeft. Dan, ik ben des zeker, +zal hij uwe liefde bevorderlijk wezen en u helpen. Helpt _hij_ u +niet--dan is uw zaak verloren." + +Floris deed als hem geraden was. Des anderen morgens vroeg reed hij, op +het prachtigst uitgedost, naar den toren, 1000 gouden schilden had hij +medegenomen. Alles droeg zich juist zoo toe als de waard het voorspeld +had. Toen de portier hem manschap gedaan hade vergde Floris van hem, dat +hij hem Blancefloer zoû doen zien en spreken. + +"Heere," zeide de verschrikte portier, "uw goed heeft mij ten verderve +gebracht. Ik bemerk het te spade. Gij hebt gedaan als de vogelaar, die +met zijn schoon fluiten en blazen de vogelkens in den strik lokt. Kome +er schade van of voordeel--daar het er nu eenmaal toe ligt, zal ik u +trouw bewijzen----Keer nu ter herberge, en kom over drie dagen weder, +dan is het de Meimaand: dan zal ik u helpen." + +Toen Floris, dien het uitstel ontzaglijk lang viel, zich op den +bepaalden dag bij den portier aanmeldde, beval hij den schoonen, +veertienjarigen jongeling zich in een rozerood kleed te steken. Hij had +ook zijn dienaars uitgezonden, om hem uit alle velden, en wouden, en +hoven, de schoonste bloemen te verzamelen. Een ontzettenden korf deed +hij daarmee vullen, en zeide aan zijne knechten, dat hij die aan de +jonkvrouwen ten geschenke wilde geven. Maar toen hij alleen was met +Floris, deed hij dezen in den korf nederzitten, en bedekte hem met een +groote hoeveelheid rozen, akoleyen, lelies, en violen. Ook een krans van +rozen had hij den knaap op het hoofd gezet, en beval hem zich niet te +verroeren. Toen gaf hij last dat men de bloemen de bovenste torentrap +zoû opdragen in de kamer van Blancefloer: "Gaat," zeide hij, "brengt uit +mijn naam deze bloemen aan mijne Jonkvrouwe Blancefloer, en dat zij er +de bloem uit kieze, die haar het beste gevalt!" + +De dienaars gingen. Onder wege vloekten zij op den last, en meenden, dat +zij nooit zoo zware bloemen hadden gedragen; + + "Dat seiden si ende seiden waer." + +Maar o noodlot! Daar dragen zij den korf in eene verkeerde kamer, in die +eener andere jonkvrouwe, eens Hertogen dochter uit Duitschland, Claris +geheeten. "Jonkvrouwe Blancefloer!" zeggen de dienaars, "deze bloemen +zendt u onzen Heer de portier." + +Claris zeide niet, dat zij Blancefloer was--maar aanvaardde de bloemen +al lachende. De dienaars vertrekken. Zij gaat tot den korf en neemt eene +roos. Floris waant dat het Blancefloer is, en spring uit de bloemen naar +haar heen. De jonkvrouw werd zeer vervaard, vluchtte van hem, en riep: +"Help! help! wat bloemen zijn dit!" zoo dat al hare gezellinnen haar ten +bijstand snellen. + +Floris echter verborg zich haastig weêr in den korf onder de bloemen, en +de jonkvrouw, zich bezinnende dat deze voor Blancefloer bestemd waren, +en dat hare vriendin steeds treurde om een jonkman, wiens beschrijving +geheel aan het voorkomen van Floris beandwoordde, herstelde zich +spoedig, en zeide aan de andere jonkvrouwen, "dat uit de bloemen haar +een vlinder in het aangezicht gevlogen was, die haar verschrikt had." + +Nu verwijderde men zich, en Claris gaat tot Blancefloer, die altoos +treurde om haren geliefde. "Blancefloer," zegt ze, "zoete lieve, wilt ge +met mij gaan--ik zal u zulke bloem laten zien, dat gij nooit bloem noch +roze liever zaagt dan deze." + +--"Clarisse," andwoordt zij, "zoete gespele, ik heb zo veel verdriet, +dat ik geen zin heb in bloemen. Gij doet slecht, dat gij spottende tot +mij komt. Die in de hope der liefde leven, hun past het wel bloemtjens +te kweeken, om het leed te vergeten en te verkorten: maar mij naakt +niets dan droefheid. Zoete vriendinne, gij weet wel, dat ik ver van mijn +geliefde ben en hij verre van mij. Ginds is de Emir, die mij binnen +dezer maand nog ter vrouwe denkt te nemen. Maar eer zal ik mij de dood +geven (kan ik hem anders niet ontgaan), dan, levende, Floris te +verliezen."--"Blancefloer," is het wederwoord, "nu bid ik u, bij Floris' +liefde en om zijnentwille, dat gij met mij de bloeme koomt zien--hoe +schoon zij is." + +Zoodra ze haar bij hém bezwoer, stond de schoone Blancefloer op en ging +de bloem met haar aanschouwen. Floris heeft de jonkvrouwen wel gehoord, +en is zeker, dat Blancefloer in de kamer is. Hij richtte zich op en +sprong te voorschijn: hij had het schoonste haar, den blanksten tint, +die ooit iemant ten deel vielen. Hij had een rooden lijfrok aan. Edel +was zijn gedaante, lieflijk blonken zijne oogen. Blancefloer herkende +hem toen zij hem zag; zij kende hem, en hij haar. Beiden stonden zij +roerloos; zij konden geen woord uitbrengen. Toen zij tot bezinning +kwamen, liepen zij al zwijgende tot elkander, zij namen zich in de +armen, drukten elkaâr aan het harte. Het kussen en omhelzen duurde zoo +lang, dat men ter zelfder wijle een groote mijl had kunnen gaan. En toen +zij elkander niet meer kusten, lachten zij elkander al zwijgende toe; en +zagen zich allerminnelijkst aan. Toen zeide Clarisse en begon schalk te +vragen: "Blancefloer," zegt ze, "zoete gezellinne, kent gij de bloem, +waarvoor ik u aanzocht, ook eer dat ik ze u toonde? Draagt gij ze aan uw +boezem? Sints gij ze zaagt, dunkt mij dat ge gants verheugd zijt: daar +moet groote kracht in uwe bloem liggen, die eene jonkvrouwe zoo spoedig +van haren rouw verlost heeft. Eerst woudt gij ze niet zien--nu dunkt mij +zijt ge er zoo meê ingenomen, dat ge voor niemant gunstig genoeg zijn +zoudt om de bloem met hem te deelen." + +--"Deelen?" zegt ze, "is dit dan Floris niet, mijn zoete lief! mijn +zoete vriend aan wien mijn leven en mijn dood ligt, als ik u dikwerf +gezegd heb? Hij is mijn troost, mijn toeverlaat." Toen baden zij +Clarisse beiden, dat zij hunne liefde niet te leed wilde brengen en ze +geheim wilde houden. "Vreest niets," zeide Claris, "hoe zoû ik u kunnen +verraden!" + +Blancefloer nam haren geliefde bij de hand: en zij zaten naast elkander +op een rijk bekleede rustbank. "Floris!" zeide zij, "mij wondert zoo +zeer door wat list gij dezen ontoegankelijken toren hebt weten te +beklimmen, dat ik soms denke of het ook slechts begoocheling zij. Vrees +en twijfel benaauwen mij, dat het Floris niet is, die daar neven mij +zit. Wat zeg ik? ik kenne hem wel; hij is het. Zoete vriend! ei, kom wat +dichter bij mij--'t is Floris, die mij te-rug-gegeven is!" En toen +verhaalden zij elkaar van het leven des afzijns; en dit lijden was hun +thands zoet. + +Maar, helaas, hun geluk was kort van duur. Blancefloer en Claris moesten +den Emir het water en den doek der handwassching reiken --maar reeds was +Claris de trappen afgevlogen met het wasch-bekken, en had Blancefloer +aangespoord te komen, toen deze nog, in de vreugde des wederziens +verloren, aan de borst rustte van haar tederen vriend. De Emir zond zijn +kamerling heimelijk naar boven, daar hij de verschooningsreden, door +Claris bijgebracht, wantrouwde. Een oogenblik later stond de Emir-zelf, +in een gramschap, dat hem het harte dreigde te breken, tegenover de +kinderen, het ontbloote zwaard in de hand. Eerst wilde hij ze beide +neerslaan --doch liet zich verbidden om hen voor de rechters te voeren. + +Juist viel het jaarfeest in, waarop de Emir gewoon was eene vrouw te +nemen. Koningen en Hertogen, al de hoogsten van den Rijk waren binnen de +stad. De hofzaal was prachtig versierd. Thebe noch Troje bezaten ooit +zoo rijk een paleis. De Emir dan riep er zijn Baronnen en Heeren te +zamen, om het vonnis over Floris en Blancefloer uit te spreken--en daar +was er maar éen die het opnam voor de jeugdige gelieven. Zijn voorspraak +mocht echter niet baten. + +Twee krijgsknechten kwamen de kinderen halen, om ze voor den raad te +brengen. Droevig en smartelijk zagen zij zich aan en hadden diepen +deernis met elkander. "Zoete lieve," sprak de Jonkheer tot Blancefloer: +"wij zijn nu zeker van de dood en in het grootst gevaar. En mijne schuld +is het, dat wij sterven moeten. Ware ik niet hier gekomen, u ware dit +leed gespaard gebleven. Maar zal de Emir naar recht uitspraak doen--zoo +zult gij de dood ontkomen. Te onrechte zoudt gij sterven. Lieve, neem +intusschen dit ringetjen: zoo lang gij 't bij u zult hebben, kunt ge +niet sterven." + +"Floris," zegt ze, "wel zoete vriend: hoe onbillijk dunkt mij uw taal! +De schuld is mijne. Om mij weervaart u deze schande. Om mij verliet gij +uw ouderlijk huis en zijt hiertoe gekomen. Ik weet wel, dat ik voor u +sterven moest, ging het naar recht. Geen angst van de dood, geen +marteling, zoo hevig; zal mij den ring doen behouden; want ik ben schuld +van alles." + +Floris zeide, hij kon niet dulden, dat zij sterven en hij leven zoude. +Hij bad haar, dat zij het ringetje name; en zij wilde niet. Hij wierp +het haar toe, en zij 't hem te-rug, zoo lang tot dat het daar neêrviel +onder de voeten. Zij gingen voort. Een Hertog raapte 't op, die hunne +woorden gehoord had. + +De kinderen werden in de raadzaal gebracht, en ieder was zoo zeer door +hunne zeldzame schoonheid en droevig lot getroffen, dat allen de tranen +in de oogen kwamen en de deernis in het hart. Doch de Emir bleef +onverbiddelijk. Hij liet ze op een plein leiden buiten zijn paleis, en +beval, dat men hen daar in een groot vuur wierpe. Toen kwam de Hertog, +die het ringetjen had opgeraapt, dat Blancefloer liet vallen, hij +knielde met bittere klachten oodmoedig voor zijnen Heere neder en +verhaalde hem de woorden, die hij van de kinderen gehoord had, toen zij +van de trap daalden. De Emir beval, dat zij ze hem nog eens vóór zouden +brengen--daar hij hooren wilde, wat ze tot elkander zeggen zouden: + +"Hoe is uw naam?" vroeg hij barsch aan Floris. + +"Heer," zeide de jongeling, "ik heet Floris. Terwijl men mij ter schole +gezonden had, werd mij mijn lief ontstolen, Blancefloer, die hier neven +mij staat. Het zoû onrecht zijn, zoo men haar dede lijden. Heer, ik ben +hier niet met haar meêweten gekomen; dat durf ik voor u en al deze +Edelen, bij het heiligste bezweren. O doe nu wel! en om uwer eere wille, +laat Blancefloer leven, edele Heer! Zij is onschuldig! Mij is de schuld! +Laat den schuldige 't ontgelden." + +--"Heer," riep Blancefloer, "houdt u niet aan zijne woorden, die gij +gehoord hebt. 't Is alles om mij gebeurd--mijn is de schuld. Ware ik +niet in den toren geweest--mijn lief ware er niet gekomen. Ik durf wel +met waarheid zeggen, dat hij eens Konings Zone is. Verloor hij zijn +leven ter mijner liefde--dat ware groot onrecht, groote schade. Lieve +Heer, laat hem leven--en breng mij ter dood." + +--"Neen!" sprak Floris, "Heere, laat gaan mijne vriendinne, en sla mij +terneder!" + +Toen andwoordde de Emir en zeide: "Zeker, gij zult beide sterven! Ik +zal zelf mij wraak verschaffen van den smaad, die mij is aangedaan." + +En een blank zwaard nam hij in zijne hand. + +Blancefloer sprong driftig naar voren, en bood haar hoofdjen.... Floris, +met de tranen op de wangen, vloog haar na, en wilde haar achteruit +trekken: "Gij zult niet de eerste de dood ontvangen!" riep hij. + +Toen rekte hij zijn hals en bad den Emir toe te slaan, en haastiglijk, +want hij was bereid. Blancefloer verzett'e zich met inspanning! "Heer, +mijn is de schuld," riep zij, "waarom slaat gij niet?" + +De een konde den ander niet voor zijne oogen zien sterven. + +Men weende, en jammerde, en wrong de handen over dit harde vonnis. + +Ook de Emir was geroerd. Allen vereenigden zich om hem te verbidden. Het +zwaard viel hem uit de hand. Op voorbede van den Hertog die het ringetje +gevonden had, en vooral van eenen Bisschop, die den Emir te voet viel, +betoonde hij zich vergevensgezind. Hij gaf Floris verlof zijne +geschiedenis te verhalen; de jongeling kweet zich daarvan met +kinderlijken eenvoud, maar bleef weigeren bekend te maken door wat +middel hij in den toren was gekomen; toch nam toen de Emir de hand van +Blancefloer en zeide: "Vriend, neem den schat te-rug, die u toebehoort: +ik beveel ze uwer trouwe: om Gods en dezer Heeren wilde, schenk ik u +beide het leven." + +Schreiend vielen zij hem te voet; hij hief hen op en kuste ze, en maakte +Floris ridder, op de wijze als het daar te lande gebruikelijk was. + +De Emir nam toen de goede Claris, voor zijn leven, ter vrouwe, en daar +werd een groote maaltijd gegeven, waar menige gouden beker geledigd, en +menig vreugdelied gezongen werd. + +Korten tijd daarna kwam er een gezantschap uit Spanje, met het bericht, +dat Floris' ouders overleden waren, en met de bede van zijn volk, dat +hij ze mocht komen regeeren. + +Floris liet de toebereidselen maken tot zijn vertrek, en onder de +heilwenschen van den Emir en de zijnen, toog hij met Blancefloer en een +groot gevolg naar zijn vaderland. + +Daar ontvingen hem zijne onderdanen met geestdrift, en kroonden hen +Koning en Koninginne. + +Floris omhelsde de Christen Godsdienst, de Godsdienst van Blancefloer; +en geheel zijn volk deed als hij. + +Hongarije en Bulgarië verstierven van eenen oom in later tijd nog op +hem. + +Hij had eene dochter bij zijne gade, die Baerte heette "metten breden +voeten". Koning Pippyn dam haar ter vrouwe; een machtig Koning, die bij +haar een kind verwekte, daar veel van te vermelden ware: Dat was de +Koning Caerle van Frankrijk,[1] die met groote machte menigen burg +gewonnen heeft. + +Hier eindig ik dit verhaal. + +Floris kreeg Blancefloer niet dan met moeiten en smart: + + "Hi pijnder hem om; God halper hem toe:"[2] + +Zo moge Hij, vroeg en laat, ons desgelijks helpen, dat wij al onze daden +tot een goeden uitkomst ten jongsten dage brengen mogen! Amen. + + +[1] _Koning Caerle van Frankrijk_: Charlemagne. + +[2] _Pijnen_: inspannen. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by +Josephus Albertus Alberdingk Thijm + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 39717 *** diff --git a/39717-h/39717-h.htm b/39717-h/39717-h.htm new file mode 100644 index 0000000..65b577a --- /dev/null +++ b/39717-h/39717-h.htm @@ -0,0 +1,8968 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<!-- $Id: header.txt 236 2009-12-07 18:57:00Z vlsimpson $ --> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Karolingsche Verhalen, by J.A. Alberdingk Thijm. + </title> + <style type="text/css"> + +body { + margin-left: 10%; + margin-right: 10%; +} + + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; +} + +p { + margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; +} + +hr { + width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; +} + +.blockquot { + margin-left: 5%; + margin-right: 10%; +} + +a:link {color: #800000; text-decoration: none; } +v:link {color: #800000; text-decoration: none; } + +.bb {border-bottom: solid 2px;} + +.bl {border-left: solid 2px;} + +.bt {border-top: solid 2px;} + +.br {border-right: solid 2px;} + +.bbox {border: solid 2px;} + +.center {text-align: center;} + +.smcap {font-variant: small-caps;} + +.u {text-decoration: underline;} + +.caption {font-weight: bold;} + +.small {font-size: 0.8em;} + +.illus {text-align: center; font-family: arial; font-size: 0.8em; font-weight: bold;} + +/* Images */ +.figcenter { + margin: auto; + text-align: center; +} + +.figleft { + float: left; + clear: left; + margin-left: 0; + margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; + margin-right: 1em; + padding: 0; + text-align: center; +} + +.figright { + float: right; + clear: right; + margin-left: 1em; + margin-bottom: + 1em; + margin-top: 1em; + margin-right: 0; + padding: 0; + text-align: center; +} + +/* Footnotes */ +.footnotes {border: dashed 1px;} + +.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + +.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + +.fnanchor { + vertical-align: super; + font-size: .8em; + text-decoration: + none; +} + + </style> + </head> +<body> + + +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 39717 ***</div> + + + + + +<p><a href="#Contents">Contents</a></p> + + + + +<h1 style="color: #000066;">KAROLINGSCHE VERHALEN</h1> + +<h3 style="color: #000066;">Carel en Elegast—De vier Heemskinderen—Willem van Oranje—Floris en Blancefloer</h3> + +<h4>In nieuwer form overgebracht door</h4> + +<h2 style="color: #000066;">JOS A. ALBERDINGK THIJM</h2> + +<h5>VIJFDE UITGAVE</h5> + +<h5>ZUTPHEN—W.J. THIEME & CIE—MCMXLVIII</h5> + +<hr style="width: 95%;" /> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm001.jpg" width="400" alt="Carel en Elegast" title="" /> +<p class="illus">Carel en Elegast</p> +</div> + +<h3>VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE.</h3> + + +<p>Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd. +Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het +exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd +hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed +te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag, +door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche +volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in +de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak +en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning, +dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene +nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo +ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik +wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke +natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen, +Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle +middeneeuwsche zaken op éene leest schoeyen zult; dat gij uw hè-s en +hà-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult +wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe +Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch +zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was +en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de +onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan +alles wat oud is, en wij gaan slechts van de éene zeeziekte in de +andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe +verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe +en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het +heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de +naïeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche +scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en +hare onsterfelijke <i>Grootheid</i>, noch de enthuziasten, die het axioma +verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der +middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het +naïeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der +verwen, naar hunne recepten bereid."</p> + +<p>Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de <i>Heemskinderen</i> uitgaf.</p> + +<p>Ik vlei mij—behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen—nog in +andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar +waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,—niet in waardeering van het +meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche +heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het +nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen +van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan +Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind +hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik +bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en +rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik: +kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander +stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,—u behoor ik: want gij +neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van +éenen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de +<i>Heemskinderen</i> in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die +groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen +gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naïeviteit, meer dan een +objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid, +verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat +de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld +middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der <i>Renaissance</i> +verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de +vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet +wijzer?—Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de +schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de +heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren.</p> + +<p>Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der +<i>Heemskinderen,</i> gebruik te maken van het fragment van den roman, dat +het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want +ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels +een vertragend <i>hors-d'oeuvre</i>, deels een smakeloze beschimping van den +Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de +vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6—21 mij geleerd, dat +ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "schaâ", maar +<i>schande</i>, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in +den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant, +nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek +behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te +Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl. +138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met +sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er +natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zoû hebben +(v. 62—66):</p> + +<p> +<span style="margin-left: 3em;">"Die coene entie starke Roelant</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">.... ghemoete saen Ritsaert;</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Biden togle hine aneprant."</span><br /> +</p> + +<p>Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt +had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk, +het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den <i>Madelgijs</i><a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a>, de Heer +J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet.</p> + +<p>Bij mijn bewerking van <i>Floris en Blancefloer</i> had ik beschrijvingen, +die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die +door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen +(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld.</p> + +<p>Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van +<i>Carel en Elegast</i> en <i>Floris en Blancefloer</i> met mij na te zien, en mij +menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten +hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn +hartelijken dank.</p> + +<p>Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik <i>Karolingische</i> in +<i>Karolingsche</i>(met den hoofdklemtoon op <i>Ka</i>) veranderen zou: "die i", +zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze +meervoudsuitgang <i>Karolingers, Merovingers, Saksers</i>, enz. <i>Karoling</i> +staat in vorming met <i>Jongeling, vreemdeling</i> enz. gelijk. 't Is een +echt Nederlandsche vorm. Den uitgang <i>-isch</i> kennen wij alleen bij +vreemde woorden en namen, als <i>Aziatisch, historisch, mythologisch enz</i>. +Maar van <i>zijdeling</i> maken wij <i>zijdelingsch,</i> van <i>Harling(en)</i> en +<i>Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche.</i> Dus ook <i>Karolingsche. +Kaarlingsche</i> zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden, +omdat wij nu eenmaal aan <i>Karolingen</i> gewend zijn. Mij dunkt, het wordt +tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen +ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen."</p> + +<p>Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang <i>koetsier</i> +geen <i>koetser</i> wordt, en woorden als <i>vriendin, martelares</i> enz. bestaan +blijven, zoo lang <i>aziatiesch</i> zich handhaaft,—<i>karolingische</i> mij zoo +geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van +sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert.</p> + +<p>A.Th.</p> + +<p>Amsterdam, 3 Juni 1873.</p> + + +<p>Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij +meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden.</p> + +<p>De Uitgevers.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam, +in 1861.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm002.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + +<h3><a name="CAREL_EN_ELEGAST" id="CAREL_EN_ELEGAST"></a>CAREL EN ELEGAST.</h3> + + +<h5>AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.) </h5> + + +<p>Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen: +luistert met aandacht!</p> + +<p>Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den +Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom +toe.</p> + +<p>Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te +Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij +lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des +anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap +kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning +ontwaakte, op de lieflijke stemme.</p> + +<p>"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen +aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de +Heere des Hemelrijks, beval mij—u dit, op verbeurte van lijf en eere, +te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads +overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof +nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast +u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt +te paard."</p> + +<p>De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden +moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te +hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God +gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen! +God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert +gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij, +en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit +wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt +en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik +hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het +aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet +mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het +nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van +Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en +mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee +ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't +land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de +Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.<a name="FNanchor_1_2" id="FNanchor_1_2"></a><a href="#Footnote_1_2" class="fnanchor">[1]</a> Wat +behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God +mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't +mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner +schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen."</p> + +<p>Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en +derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat +hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod +in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven +staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen—vaart uit +stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak +voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij +gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten. +Ik zal een dief zijn—al is het schande; al zoude ik bij de keel +gehangen worden. En toch—ik had oneindig liever, dat God mij alles +ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land—mijn +riddersrusting uitgezonderd—dat ik mij met den schilde en met den spere +den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op +avontuur:—dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te +zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig +uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te +verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!...</p> + +<p>"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was, +al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven! +Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het +slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen, +zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij +vreemd en onbekend is?"</p> + +<p>Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde +te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een +gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede +zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.</p> + +<p>Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot, +noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze +waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand +zag hem—want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die +in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.</p> + +<p>Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig +naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij +zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.</p> + +<p>Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel +gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was. +Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg +af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder +gerucht noch geluid naar buiten.</p> + +<p>Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als +gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al +wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen—zoo waarlijk gij u +aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden—zoo waarlijk +zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte, +u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en +daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en +gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt +opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn—zoo +zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe +kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u +verlaat ik mij geheel!"</p> + +<p>Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het +stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan +stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel; +het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik +placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten, +die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt +het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat +zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun +het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is +dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik +iemant om een weinig geld doe sterven.</p> + +<p>'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk, +dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de +waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft +land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan +meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land +ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu +wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal +Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land +en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust. +Die ze huisvesting schonk—ik zoû hem beide burcht en leen doen +verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in +bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven +moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van +den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in +vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en +Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters—waar hij ze +betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun +muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde +storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben: +zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud, +waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van +hun klinkende munt—beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij; +niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik +woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God, +helpt mij daartoe!"'</p> + +<p>Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter +kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde +zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild, +dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart +was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed. +Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem +de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig +vermoeden, dat het de Duivel ware—om dat hij overal zoo zwart was. Hij +beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij +kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het +avontuur wagen. Nochtans—ik weet het van te voren—'t is de Duivel en +niemant anders. Kwame hij van Gods wege—hij zoû zoo zwart niet zijn. 't +Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'</p> + +<p>"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen +kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de +Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant, +die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel +aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste, +die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als +de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke +wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'</p> + +<p>Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene +nam den andere op van top tot teen—maar anders deden zij niet. Toen de +ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield +hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus +voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik +hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij +iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of +de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok +van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het +bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?</p> + +<p>'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal +zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen: +licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met +schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'</p> + +<p>Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem +achterhaald had, riep hij luide:</p> + +<p>"Staat, Ridder!—waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier +ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert! +Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het +mij—dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur, +heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."</p> + +<p>—"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik +omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten—dan dat ik mij +tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij +door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen +zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen—wij +zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"</p> + +<p>Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond, +voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij +de Koning was.</p> + +<p>Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.</p> + +<p>Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een +open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de +paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar +den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men +een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.</p> + +<p>De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning +vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter +op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken +vloog als een lindenblad.</p> + +<p>De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.</p> + +<p>De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er +menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide +uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en +wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op +het hoofd, vol schaarden en spleten—zoo scherp was de snede der +zwaarden.</p> + +<p>'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in +zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou +ik mijn naam bekend maken—eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer +verwierve ik eere!'</p> + +<p>Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem, +dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.</p> + +<p>Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en +bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee +stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.</p> + +<p>Op dit gezicht—dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei, +dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik +geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen? +Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!"</p> + +<p>Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor +hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet +ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan +verweeren.'</p> + +<p>Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens +weerzijds, wie ze toch wezen mochten.</p> + +<p>"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij +bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder—zoo hebt gij uw +laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met +eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht —ik zal u heen +laten rijden."</p> + +<p>De zwarte sprak: "Ik ben bereid—mids gij begint, met mij kond te doen +van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij +zoekt."</p> + +<p>Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij—dan zal ik u zeggen, +wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder +noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van +verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."</p> + +<p>—"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet +ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij +ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het +met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u +veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"</p> + +<p>Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het +goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder," +zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u +gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en +bij Hem-zelven het eerst—van mij staat u geen leed te wachten! en ook +ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't +mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."—"Welnu dan, Heere," +antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer +verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren +was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en +mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en +ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en +wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken +worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn +arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in +vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen +en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters—kunnen hun +knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is +geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in +bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen? +Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en +ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik +héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor—kon ik +mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij +meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had +door te staan.—Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den +gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de +nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u +haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."</p> + +<p>En de Koning dacht bij zich-zelven:</p> + +<p>'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de +man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee +rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om +der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten +leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben, +Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn +levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo +veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij +niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot +losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."</p> + +<p>—"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"</p> + +<p>—"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam +zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te +stelen—in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van +alles, ik laat niemant met rust—den rijke noch den arme. Ik let op hun +kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets +te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem +gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om +een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe—eer +de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik +begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen. +God zoû het ons niet misduiden—hadden we er een deel van. De schat ligt +in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd +pond van—'t zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen; +bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u +van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn? +Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen—en +gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."</p> + +<p>Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede. +Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het +weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."</p> + +<p>Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de +Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel +zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol +geladen."</p> + +<p>Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon +Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is +niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al +heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik +zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik +vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte +Heer. Dede ik hem iets anders dan eere—ik zoû het mij voor God moeten +schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!"</p> + +<p>Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat +Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij +zich-zelven—'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo +veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven +kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'</p> + +<p>Na deze overweging vraagde hij aan Elegast—'of deze hem ergends anders +wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij +zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn +kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij +betreft—gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot +niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings +zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te +bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij +verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû +hij aan het leven en de eere staan—ging alles naar zijn wensch: dat kan +ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding—burcht en +leen—aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht—het +zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen —zoo ge +wilt—zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven, +dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch +wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem +ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar +gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De +Koning vergat zijn rol geen oogenblik.</p> + +<p>Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij +een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed +vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het +ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons +werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles +te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op, +gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit +was geraakt.</p> + +<p>Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren!</p> + +<p>Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den +Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens, +Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik +zal handelen naar uwen raad. Het zoû mij toch leed doen, indien u eenig +ongeval overkwam en men zeide dan naderhand—'dat is alles te wijten aan +Elegast'!"</p> + +<p>Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus:</p> + +<p>"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest—zoo ver ik weet. +Het zoû mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op +u aankomen."</p> + +<p>Elegast hernam: "'t Is mij ook wel—zoo gij een behendig dief zijt: dat +zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken, +om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne +vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een +ijzer, waar hij den muur meê zoû stuk slaan. Toen haalde ook de Koning +het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij +dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den +maker," zeide hij—"dan bestelde ik er hem óok zoo éen voor mij. Een +dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer +gebruiken."—"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn +verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die +gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij +op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande, +dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit +andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een +ploeg."—"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er meê +binnenraken. Later bestelt gij u een ander."</p> + +<p>Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den +geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was +hij groot en sterk—op zulken arbeid verstond hij zich niet.</p> + +<p>Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in +zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen, +wat ik u brengen zal." Hij woû niet toelaten, dat de Koning ook +naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield +hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en +wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom —Carel bleef buiten, en +Elegast kroop naar binnen.</p> + +<p>Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te +werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist +van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had, +verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij +hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun +Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.'</p> + +<p>"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!—zoû de Koning daar buiten +zijn?—Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker, +verraden—of een elfenspook misleidt mij."</p> + +<p>Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en +verhaalde hem, wat hij—of hij moest zich geweldig bedrogen +hebben!—gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne +taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was—alleen +wisten zij niet hoe dicht.</p> + +<p>Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? —Wat zoû +de Koning hier uitrichten?—Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond +blaffen mag?—Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij +voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te +verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond."</p> + +<p>—"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning +van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij +hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te +voren deed, dat de Koning in de nabijheid was—maar dat hij niet wist +hoe dicht.'</p> + +<p>"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet +in den omtrek is!"</p> + +<p>—"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener. +Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort—al wierden wij beiden +ook gevangen."—"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar +laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving, +ik zoû 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn +kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en neêr heen en weêr in zijn mond; +maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden.</p> + +<p>"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid +kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn +geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij +iemant, die uit stelen gaat?—Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet +telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is +waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik +heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!"</p> + +<p>De Koning dacht: "Dat is een waar woord!"</p> + +<p>Daarmeê lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat +Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd—maar kon geheime +kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en +al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met +sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant +hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel.</p> + +<p>Toen wilde Carel henenrijden—maar Elegast beval hem nog te toeven: hij +wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn +vrouw lagen—een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man +leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zoû kunnen +beschrijven; alleen aan den voorboog<a name="FNanchor_2_3" id="FNanchor_2_3"></a><a href="#Footnote_2_3" class="fnanchor">[2]</a> is prijzensstof genoeg. Daar +hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als +Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel +stelen—al zoû ik bij de keel gehangen worden!"</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm003.jpg" width="400" alt="Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald +heb." title="" /> +<p class="illus">Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald +heb.</p> +</div> + +<p>Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel +ontbeerd, dan dat Elegast weêr naar binnen ging. Toen Elegast bij het +zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde +wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat +Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan +mijn zadel?" Hij zoû zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't +niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem +zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het +zwaard en de scheê en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn +gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem +haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had +opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen +gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is +menigvuldig—ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan, +dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en +hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt +stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze +waren, die den Koning zouden treffen.</p> + +<p>Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij +zich-zelven, hij zoû de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht +brengen.</p> + +<p>Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't véél liever dat men u ophing +bij de keel, dan ik gedoogen zoû, dat de Koning aldus zonder dat hij +gewaarschuwd werd zijn leven zoû verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric +de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond +uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten +de legerstede. Elegast, die dit alles had gaâ-geslagen, kroop er +zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de +vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een +teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zoû voor het gedreigde leed. +Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed +inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn +woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat +hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof weêr naar zijn paard en +tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast +had aangebracht.</p> + +<p>Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zoû er niet langer getoefd hebben: +zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard +had?"—"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God +leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal +het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken—daar ben ik reeds +te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging +hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb. +Neemt het! ik ga—om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk +te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om +al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug."</p> + +<p>Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke +reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en +bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om +was gegaan."</p> + +<p>"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn +droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik +uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armoê te boven te komen. Ik +leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven, +morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!"</p> + +<p>Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem +voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des +Hemels.</p> + +<p>Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem +doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zoû heel het hof in +opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt +gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen +hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning—welnu, dan +is hij dood! Wat zoû men daar méér van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge +wel genezen."</p> + +<p>Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels +ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange +vertoeven was hem onaangenaam.</p> + +<p>"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn +makker—het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te +nà kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij +God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet +zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen—eer ik deze burg +verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan."</p> + +<p>De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard +gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al +zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u +beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen —dien Eggheric van +Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem +vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad—het verraderlijk +opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw +loon zal niet gering wezen:</p> + +<p>"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings +broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden."</p> + +<p>—"Neen," zegt Elegast, "wat mij weêrvare—voor den Koning kome ik niet. +De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware +paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht +onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite."</p> + +<p>—"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech +naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen +buit met u meê, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik +zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd +hij doodgeslagen—het zoû mij grieven."</p> + +<p>Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar +hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar +Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want +hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem +verraden!</p> + +<p>De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij +bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't +iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de +wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien +men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over +wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen +tot goed geluk voor hem was uitgekomen.</p> + +<p>Toen zond Carel, de Koning, éen zijner Kamerlingen om zijn geheimen +Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten +volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde, +die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk +van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat +hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen +Heer!"</p> + +<p>Toen zeide de Hertog van Bayvier<a name="FNanchor_3_4" id="FNanchor_3_4"></a><a href="#Footnote_3_4" class="fnanchor">[3]</a>: "Laat hen komen—hier zullen zij +ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te +schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en +strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys<a name="FNanchor_4_5" id="FNanchor_4_5"></a><a href="#Footnote_4_5" class="fnanchor">[4]</a>, met u herwaarts kwamen: +zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf, +Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal +hem kwalijk vergaan:—tot op zijn sporen zal hem het bloed neêrvloeyen: +en Eggheric het eerst!"</p> + +<p>Deze raad dacht hem goed—en allen, die het met hem eens waren, wapenden +zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij +duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de +Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden.</p> + +<p>Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast.</p> + +<p>Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog, +zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen +zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf +blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde +ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gáder +had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met +den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal +wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo +als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan +van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning, +zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem +véél: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden +en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend, +schande—gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij, +noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen, +dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had—ik zoû 't hem +doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu +vooruittrede, die daar lust in heeft!"</p> + +<p>Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om +Elegast—boden op boden—waar hij zich onthield in het woud; en zeide +hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven +was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken." +De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort, +tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun +opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij +de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij +Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel +leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo +waar hij een Christen was, dat, indien God hem ééne bede kon inwilligen, +hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn +rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij +wech.</p> + +<p>Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij +sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten—den Koning en wie ik +hier vinde!—maar Eggheric—hém groet ik niet! God, die zich om +onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de +zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden +moet hangen—Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen—zoo heeft +Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is; +want—mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit +noodweer gedwongen was."</p> + +<p>Toen Elegast dit gezegd had, zoû Eggheric het gaarne gewroken hebben: +maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet +hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in +mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht +achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag +van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van +wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de +toedracht der zaak."</p> + +<p>—"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er +vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't +hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het +durfde wraken—dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij +richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en +had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter +handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den +Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen—ik +doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vóór zonne-ondergang, of ik +zal mijn leven verliezen."</p> + +<p>Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't +zoû ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zoû wagen tegen een +verbannen dief. Beter zoû hij met boerenlummels kampen dan met mij." +Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al +was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij +vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb +den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar +gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook, +die de schuld aan u wil tijgen."</p> + +<p>Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zoû +ik naar recht met hem leven, ik deed hem door éen mijner knechten +wechsleepen en hangen bij de keel."</p> + +<p>Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven +dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan +gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken +dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard.</p> + +<p>Weinig tijds na de noen<a name="FNanchor_5_6" id="FNanchor_5_6"></a><a href="#Footnote_5_6" class="fnanchor">[5]</a> deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat +zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp +zoû plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God, +dat hij den kamp beslissen zoû naar recht en rede. (En God verhoorde +zijn gebed.)</p> + +<p>De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af +en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe +schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was."</p> + +<p>Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e, +kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat +hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter +nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden +vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb. +Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt! +ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf +wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in +uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn +zonden niet zijn, die mij verslaan zullen—dan, voorwaar, meen ik wel +behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik, +dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik +u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en +wildernissen—mag ik het leven hier afbrengen!"</p> + +<p>Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne +rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende +zijn paard, dat vóór hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het +ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.'</p> + +<p>Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten +strijd!)</p> + +<p>Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand. +Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de +kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte +geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de +sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hém, dat +hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij neêrviel op +het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het +zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden, +U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond—zoo +mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot—'t ware +jammer, zoo ik het neervelde: menig zoû 't beklagen! Kunt gij er dan al +zélf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard."</p> + +<p>—"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zoû dezen strijd +kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen—al +kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders +vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij +prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zoû maken om u te verslaan."</p> + +<p>Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand +spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had +gesproken, en steeg in den zadel.</p> + +<p>Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield. +Nooit zag iemant ergens op èenen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren +hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit +vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want +zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij +bleef toch even goed een Hertog.</p> + +<p>Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier +almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde +brengen, naar recht, en naar rede!"</p> + +<p>Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle +gewicht aan bewerkt rood goud zoû waard zijn geweest: de Koning had 'et +hem geschonken.</p> + +<p>Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de +bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat +hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit +den zadel deed storten.</p> + +<p>Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel +zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs +zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u +zoeken."</p> + +<p>Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken.</p> + +<p>Men sleepte Eggheric voort en hing hem—en alle verraders tevens: daar +hielp noch losgeld, noch bede.</p> + +<p>Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem +Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen.</p> + +<p>Zoo moge God al onze zaken vóór onze dood ten goede brengen!</p> + + +<div class="figcenter" style="width: 420px;"> +<img src="images/thijm004.jpg" width="420" alt="" title="" /> +</div> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_2" id="Footnote_1_2"></a><a href="#FNanchor_1_2"><span class="label">[1]</span></a> De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ..., +Gallicië en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor +ingeschoven.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_3" id="Footnote_2_3"></a><a href="#FNanchor_2_3"><span class="label">[2]</span></a> <a name="La_bate_de_devant" id="La_bate_de_devant"></a>La bâte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses +verticaux. Viollet-le-Duc, <i>Dict. du Mob</i>., II, 372.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_4" id="Footnote_3_4"></a><a href="#FNanchor_3_4"><span class="label">[3]</span></a> Beieren.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_5" id="Footnote_4_5"></a><a href="#FNanchor_4_5"><span class="label">[4]</span></a> Valois.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_6" id="Footnote_5_6"></a><a href="#FNanchor_5_6"><span class="label">[5]</span></a> Het 9e uur na zonsopgang.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="DE_VIER_HEEMSKINDEREN" id="DE_VIER_HEEMSKINDEREN"></a>DE VIER HEEMSKINDEREN.</h3> + +<h5>AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.)</h5> + + +<div class="figcenter" style="width: 410px;"> +<img src="images/thijm005.jpg" width="410" alt="" title="" /> +</div> + +<h4>HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN.</h4> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_EERSTE_CAPITTEL" id="HET_EERSTE_CAPITTEL"></a>HET EERSTE CAPITTEL.</h3> + + +<p>In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren, +hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte +hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en +vrolijkheid.</p> + +<p>Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle +jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van +Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de +waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar +ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was +Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter +gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo +dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie +te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het +Keizerrijk—Geestelijk en Waereldlijk.</p> + +<p>Daar waren: onze aardsche Vader—de Paus van Rome, de Patriarch van +Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge +Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000 +Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom<a name="FNanchor_1_7" id="FNanchor_1_7"></a><a href="#Footnote_1_7" class="fnanchor">[1]</a> ter wapen in +oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen, +alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed +waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal: +want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en +geneuchlijkste van den jare.</p> + +<p>En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan +men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde +strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee +Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller +aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig +Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet +ontbreken en zoude van spijze en drank.</p> + +<p>Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in +zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en +in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en +Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters +zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer +wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en +ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne +Keizerinne, in groote luister en glorie.</p> + +<p>En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en +groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen +die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete +woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale +zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de +tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in +Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en +hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille +geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer +Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven +hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer +Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze +begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden."</p> + +<p>Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer +Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor +hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geëischt, en ik +hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij +doen daartoe dat zij mogen!"</p> + +<p>En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd +zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende: +"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen +tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben—men zal groote schande van u +spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt, +zal daarin óndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel." +Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen, +of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit, +en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels +tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar +wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen +vernomen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_7" id="Footnote_1_7"></a><a href="#FNanchor_1_7"><span class="label">[1]</span></a> <i>vroom</i>—moedig.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TWEEDE_KAPITTEL" id="HET_TWEEDE_KAPITTEL"></a>HET TWEEDE KAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn +ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den +Rijksban deed. </p></blockquote> + + +<p>Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de +blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen +en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen +verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat +de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd +en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken: +"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal, +zoo lang als de waereld staat—al zouden wij alle dood blijven!"</p> + +<p>Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders, +uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen +en vrienden; hij had spoedig zijn batalië in orde gesteld en had +ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend +en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen<a name="FNanchor_1_8" id="FNanchor_1_8"></a><a href="#Footnote_1_8" class="fnanchor">[1]</a> Koning Carel veel te +hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van +volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning +Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemanniërs en +Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit +verscheidene oorden—meer dan ik schrijven kan.</p> + +<p>Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn +en zijne vrienden<a name="FNanchor_2_9" id="FNanchor_2_9"></a><a href="#Footnote_2_9" class="fnanchor">[2]</a> te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en +te niet te maken.</p> + +<p>En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000 +mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders, +edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit, +met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot +'Nerboen! Nerboen!'</p> + +<p>Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in +orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit, +zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van +den paerde ter aarde gedragen wierd.</p> + +<p>Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome +mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en +vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal." +Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op +het spel en in gevaar stellen."</p> + +<p>Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun +zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den +appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk<a name="FNanchor_3_10" id="FNanchor_3_10"></a><a href="#Footnote_3_10" class="fnanchor">[3]</a>, +tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en +velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden +groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man +bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag +daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de +strijd was hevig en fel.</p> + +<p>Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed, +alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere +nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel +verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste +schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage, +duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige +mannen.</p> + +<p>Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood +had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van +Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom +geveld en verbrand—om de dood van Heer Huygen.</p> + +<p>Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne +kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden—maar ik duld ze hier niet +langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun +vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep +Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame—zoo Koningen, +Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner +waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling +over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden +met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land +moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben.</p> + +<p>Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen +mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij +bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings +macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten +hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk +verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven +waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen.</p> + +<p>Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts +ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure +besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk +nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren +en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden—Monniken, +Priesters, Klerken, Nonnen—ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tót +onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder, +Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van +Nigromantie<a name="FNanchor_4_11" id="FNanchor_4_11"></a><a href="#Footnote_4_11" class="fnanchor">[4]</a>, daar hij groote schade meê dede. En het goud, dat zij +roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze +oorlog duurde zestien jaar.<a name="FNanchor_5_12" id="FNanchor_5_12"></a><a href="#Footnote_5_12" class="fnanchor">[5]</a></p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_8" id="Footnote_1_8"></a><a href="#FNanchor_1_8"><span class="label">[1]</span></a> <i>Lauiven</i>—Loan, in Picardië.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_9" id="Footnote_2_9"></a><a href="#FNanchor_2_9"><span class="label">[2]</span></a> <i>vrienden</i>—zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_10" id="Footnote_3_10"></a><a href="#FNanchor_3_10"><span class="label">[3]</span></a> <i>vromelijk</i>—dapper.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_11" id="Footnote_4_11"></a><a href="#FNanchor_4_11"><span class="label">[4]</span></a> <i>Nigromantie</i>—zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit +<i>Νεκρωμαντεια</i></p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_12" id="Footnote_5_12"></a><a href="#FNanchor_5_12"><span class="label">[5]</span></a> <i>Genoten</i>—het kollegie der XII <i>Pairs</i>, die met Karei te +recht zaten; zijn staf in den oorlog.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_DERDE_CAPITTEL" id="HET_DERDE_CAPITTEL"></a>HET DERDE CAPITTEL</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van +Ardennen, om peis met hem te maken. </p></blockquote> + + +<p>De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van +Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde, +moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen +over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met +Haymijn en zijn volk.</p> + +<p>Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij +Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem +eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de +oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden +u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan +beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten +van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij +hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe +in wat hun goed docht.</p> + +<p>Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij +schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn +magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan +had.</p> + +<p>Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot +Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode, +opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis +mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien, +en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den +Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen +aanname over mijn neve!"</p> + +<p>Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den +Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot +Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn +neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en +al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij +hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij, +noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'</p> + +<p>Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had +gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden; +hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn +vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van +Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning +Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat +zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen +dochte.</p> + +<p>Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene +hij hun aangezegd en geschreven had—zij waren des goedwillig den zoen +aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door +Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem +zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat, +alzoo hij hem bij brieven gemeld had—dat hij te vrede waar den peis aan +te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere +woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert +kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem +eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en +zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis +en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve, +gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'</p> + +<p>En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge +Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de +meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden +den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het +andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.</p> + +<p>Daar werd ontboden voor den Koning—Adelbert en Madelgijs: en toen zij +voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden +en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om +aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen +oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief +bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn +zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn +weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen +zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.</p> + +<p>Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze +blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij +cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.</p> + +<p>En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis +kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman, +met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende +vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met +300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor +Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij +mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde +onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft; +ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als +Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap +vereenigd.</p> + + + + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIERDE_CAPITTEL" id="HET_VIERDE_CAPITTEL"></a>HET VIERDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij +haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat +hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde. </p></blockquote> + + +<p>Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid +ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere +zijde ging Roelant<a name="FNanchor_1_13" id="FNanchor_1_13"></a><a href="#Footnote_1_13" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + +<p>Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede +Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf +hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning +ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte +over zijn neve, hij zoû hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te +betalen.'</p> + +<p>Intusschen kende Koning Carel—Haymijn en zijnen magen toe wat zij +zouden winnen op de Heidenen<a name="FNanchor_2_14" id="FNanchor_2_14"></a><a href="#Footnote_2_14" class="fnanchor">[2]</a>, dat ze 't vrij houden mochten, zonder +van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn +vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den +zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk +'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname +aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en +dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met +hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar +Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot +Parijs.</p> + +<p>En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont, +toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden +en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en +wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener +waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels +zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken +waar ik mag aan lijf en goed!"</p> + +<p>Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer +leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En +Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.</p> + +<p>Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar +werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en +geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat—maar Vrouwe Aye niet; zij was +zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.</p> + +<p>Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne +waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter +rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne, +en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij +dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle +Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was +zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en +ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.</p> + +<p>Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij +ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het +geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij +het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.</p> + +<p>Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een +klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van +kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.</p> + +<p>Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van +een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de +gevaders waren Bisschop Tulpijn<a name="FNanchor_3_15" id="FNanchor_3_15"></a><a href="#Footnote_3_15" class="fnanchor">[3]</a> en Grave Willem<a name="FNanchor_4_16" id="FNanchor_4_16"></a><a href="#Footnote_4_16" class="fnanchor">[4]</a>; en het kind werd +heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk +gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't +toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne +wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't +vernam.</p> + +<p>Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij +was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den +zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar +kerkgang gedaan.</p> + +<p>En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't +verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat +kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.</p> + +<p>Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en +Adelaert werd hij genaamd.</p> + +<p>Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar +bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen +dat Haymijn dood was.</p> + +<p>Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend +paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw +hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte, +en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem +wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook, +blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de +zale.</p> + +<p>En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had +Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier +was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den +sperwer.</p> + +<p>Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en +Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij +vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.</p> + +<p>Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands +verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning +Carel.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_13" id="Footnote_1_13"></a><a href="#FNanchor_1_13"><span class="label">[1]</span></a> <i>Roeland</i>:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_14" id="Footnote_2_14"></a><a href="#FNanchor_2_14"><span class="label">[2]</span></a> <i>Heidenen</i>: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_15" id="Footnote_3_15"></a><a href="#FNanchor_3_15"><span class="label">[3]</span></a> <i>Bisschop Tulpijn</i>: mede een van Carels Pairs of Genoten, +die den Rijksraad uitmaakten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_16" id="Footnote_4_16"></a><a href="#FNanchor_4_16"><span class="label">[4]</span></a> <i>Willem</i>: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van +Gellone.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIJFDE_CAPITTEL" id="HET_VIJFDE_CAPITTEL"></a>HET VIJFDE CAPITTEL</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen +Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet +wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede +ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en +hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat +hij vier Kinderen hadde—'t welk hem zeer +verwonderde—en hoe hij hem bereidde ze Ridder te +slaan. </p></blockquote> + + +<p>Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof +hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke +en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen, +Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem +in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen +gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u +is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde—alzoo dat ik voortaan de +wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in +ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom +wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone +Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet +als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."</p> + +<p>Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning, +het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is +Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd—'t en kan nochtans +niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."</p> + +<p>Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik +hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk, +van heel Christenrijk!"</p> + +<p>Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier +ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van +den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn +goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes +weken: 't was daarom, dat hij menige—overmoedige krijgstocht tegen uw +volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde +en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud +daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de +voeten mede."</p> + +<p>En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel: +"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne +en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren +geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij +de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet +voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen +is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden, +magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze +doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om +Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden +wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."</p> + +<p>Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet, +is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt +terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem +zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot +borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en +verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."</p> + +<p>Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht +die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden +zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"</p> + +<p>Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant, +Willem van Orangiën<a name="FNanchor_1_17" id="FNanchor_1_17"></a><a href="#Footnote_1_17" class="fnanchor">[1]</a>, Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning +stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?' +'t Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met +kostelijke tuigen van goud en zijde.</p> + +<p>Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne +paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te +paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de +hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte, +zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land, +en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden: +daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.</p> + +<p>En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn +kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de +uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen +verraad en oploop.</p> + +<p>Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield +den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders +komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn +Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem +van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder; +de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die +mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit +oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.—Zij moeten +iets gewichtigs te boodschappen hebben."</p> + +<p>Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe," +zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer +Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe +de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor +den overmoedigsten man der waereld."</p> + +<p>Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op +zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en +kostelijken blioud<a name="FNanchor_2_18" id="FNanchor_2_18"></a><a href="#Footnote_2_18" class="fnanchor">[2]</a> van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij +hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de +knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij +hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke +Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.</p> + +<p>De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het +binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders, +Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo +stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de +vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet +verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete +woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u +noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent +niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge; +hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig +nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van +Christenrijk."</p> + +<p>Haymijn hoorde wel het gesprokene—maar andwoordde niet. Als hij zijne +vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn +verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner +eere, mogen nêerslaan—ze zouden hem niet ontkomen zijn.</p> + +<p>Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij +u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te +kroonen.—Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne +veroordeeling, toch andwoord geven!"</p> + +<p>Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan. +Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam +eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide: +"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw +schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"</p> + +<p>Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en +heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.</p> + +<p>Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer, +wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van +Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt—is dorperheid...." En eer zij +het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de +hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en +zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen +spreken—schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was +uitgebroken.</p> + +<p>En hierbij stonden de vier ridders—Grave Roelant en Bertram de +krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en +zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend +binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo +gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en +haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche +Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een +vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde +hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen +antwoord!"</p> + +<p>En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te +zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de +ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de +ongelukkigste vrouw ter waereld."—"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.</p> + +<p>"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig +jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een +kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn +land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen +doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen +zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij +mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van +hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van +hen gegrepen—God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden. +Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;... +liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû."</p> + +<p>Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij +kinderen hadt, luttel of vele—zoudt gij ze dooden?"—"Voorwaar," zegt +hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en +behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen—zijn lieven kroost, dat +hij voor al de waereld bemint!"—"Zoo waren het dan verloren eeden, die +gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden +zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"—"Woorden, hetzij door +dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen +waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik—God +betere 't!"</p> + +<p>—"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw +kinderen vreedzaam bejegenen zult—wilde 't geval, dat gij er vondt."</p> + +<p>Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen; +maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen—want ik weet +niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."</p> + +<p>Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met +mij—gij zult ze zien!"</p> + +<p>Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging +met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij +name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de +zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen—daar hem zeer naar +verlangde.'</p> + +<p>Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen +waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.</p> + +<p>Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier +niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer +stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en +Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat +gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels +geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij +noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier +den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van +opstonden!"</p> + +<p>Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die +tale staakt."—"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout +trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen +heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar +wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet +zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij +Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker—hij is zoo wreed en +hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend +volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."</p> + +<p>Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met +toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden—Haymijn—die ellendige? des +zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet +een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden—en +dien Haymijn het eerst!"</p> + +<p>Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en +zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik +zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"</p> + +<p>—"En van de anderen twijfelt gij?"</p> + +<p>Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van +herten."</p> + +<p>Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht, +dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer. +Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem +over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet +gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier +eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."</p> + +<p>Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde +hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met +een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel +jonkman, en wil mij niet slaan—ik ben dijn Vader; van dezen avond zal +ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?——zoo +ware mij leed, dat ik had geslagen."</p> + +<p>Het eerste kuste Haymijn—Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en +Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard +aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.</p> + +<p>"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u +euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."</p> + +<p>Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere +waerd zijt Ridder te worden."—"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij +behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en +sterk—zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten +Hove."</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_17" id="Footnote_1_17"></a><a href="#FNanchor_1_17"><span class="label">[1]</span></a> <i>Willem van Orangiën</i>: deze Paladijn, uit het Huis van +Narbonne, en Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, +dienden dus toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar +hield het geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_18" id="Footnote_2_18"></a><a href="#FNanchor_2_18"><span class="label">[2]</span></a> <i>blioud</i>: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie +Viollet le Duc, op het woord <i>Bliaut</i> (Dict. du mob., III, I, 38—60).</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZESDE_CAPITTEL" id="HET_ZESDE_CAPITTEL"></a>HET ZESDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en +hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat +berijden, dat vele Heeren aanzagen. </p></blockquote> + + +<p>Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij +spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem +komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer +kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem +'t zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet +op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken, +dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele +ongerechte daden bedreven—dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een +vroom Ridder, heusch<a name="FNanchor_1_19" id="FNanchor_1_19"></a><a href="#Footnote_1_19" class="fnanchor">[1]</a> in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch +land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen +en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft. +Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb +t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij +daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij +op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."</p> + +<p>Toen liet Haymijn—Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand, +zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde +hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien +men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden +ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om +Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch +kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij +moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."</p> + +<p>Daarna maakte Haymijn—Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den +anderen Kinderen gezeid had.</p> + +<p>Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede +was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn +in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide +Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een +Espetijn<a name="FNanchor_2_20" id="FNanchor_2_20"></a><a href="#Footnote_2_20" class="fnanchor">[2]</a>: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt +hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en +Valencijn<a name="FNanchor_3_21" id="FNanchor_3_21"></a><a href="#Footnote_3_21" class="fnanchor">[3]</a>, maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te +vechten."</p> + +<p>Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor +het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden +ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout +dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg +'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij +zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en +tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van +Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u +voorbracht."</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm006.jpg" width="400" alt="De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is +dood, ziet daar ligt hij." title="" /> +<p class="illus">De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is +dood, ziet daar ligt hij.</p> +</div> + +<p>Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat +Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude +dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen +bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij +sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde, +dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout +op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.</p> + +<p>Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone, +bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht +van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft +er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een +dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met +nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert +zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen +kunnen korten, in de vlucht."</p> + +<p>Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende: +"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"</p> + +<p>Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u, +want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft +een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."</p> + +<p>—"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware +groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak: +"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als +Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met +zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand +eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.</p> + +<p>Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout +vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en +Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te +zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men +den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het +Ros, en ik zal het u geven."</p> + +<p>Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de +staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg +Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter +aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.</p> + +<p>Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende: +"Och, mijn kind is dood!"</p> + +<p>Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter +dan dy."</p> + +<p>De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar +ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en +ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."</p> + +<p>Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft +zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch +Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij +zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de +kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op +de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den +toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd +omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus +wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende, +dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee +scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen +van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.</p> + +<p>Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen +en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En +Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde +grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout +een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was +sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had. +Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet. +Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.</p> + +<p>Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn +goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen +en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan +spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en +breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden +schutbladen<a name="FNanchor_4_22" id="FNanchor_4_22"></a><a href="#Footnote_4_22" class="fnanchor">[4]</a>, die zeer kostelijk waren.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_19" id="Footnote_1_19"></a><a href="#FNanchor_1_19"><span class="label">[1]</span></a> <i>heusch-, hoofsch-, hoveschheid</i> is het tegenovergestelde +van <i>dorperheid,</i> en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in +de form.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_20" id="Footnote_2_20"></a><a href="#FNanchor_2_20"><span class="label">[2]</span></a> <i>Espetijn (erspentijn, serpent?)</i>: draak.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_21" id="Footnote_3_21"></a><a href="#FNanchor_3_21"><span class="label">[3]</span></a> <i>Montagu</i> en <i>Valencijn (Valenciennes)</i>. In sommige +bronnen: heet dit laatste <i>Valkensteyn.</i></p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_22" id="Footnote_4_22"></a><a href="#FNanchor_4_22"><span class="label">[4]</span></a> <i>Schutbladen</i>: zie de <a href="#La_bate_de_devant">noot 2</a> bij Carel en Elegast.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZEVENDE_CAPITTEL" id="HET_ZEVENDE_CAPITTEL"></a>HET ZEVENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove +kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe +Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van +Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart<a name="FNanchor_1_23" id="FNanchor_1_23"></a><a href="#Footnote_1_23" class="fnanchor">[1]</a> en Kok, dat men +Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle +zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf +hij niet. </p></blockquote> + + +<p>De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen, +en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al +wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn +Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren +voorzien van eene volledige uitrusting.</p> + +<p>Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden +ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar +kwamen zij te Parijs<a name="FNanchor_2_24" id="FNanchor_2_24"></a><a href="#Footnote_2_24" class="fnanchor">[2]</a>.</p> + +<p>Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur +sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij +hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus +genaakten zij ten Hove.</p> + +<p>Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk +gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning +Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn +alzoo gedaan heeft.</p> + +<p>Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te +trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en +hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u +haat en die u doodvijand is?"—"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik +wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij +moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."</p> + +<p>Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat +ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij +andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den +Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en +zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.</p> + +<p>Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning +blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des +dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch +Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste +in dertig jaren, dat de Koning—Haymijn ongewapend had gezien. Roelant +bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad +Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met +Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'</p> + +<p>En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder +Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste +jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het +verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast +hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner +van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.</p> + +<p>Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men +ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze +gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of +niet."</p> + +<p>Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete +u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij +malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij +dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."—"Voorwaar!" zeide Reinout: +"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen +met mijn lijf—maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur +genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander +Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was +hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon +landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde +hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en +ik élk begiftigen zal—zoo zal ik u niet geven!"</p> + +<p>Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik +heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"</p> + +<p>Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel +zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot +uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met +kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en +Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk +onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.</p> + +<p>Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men +Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig +Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd +de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner +waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar +de honden meest liggen—zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een +ieder werd gediend van spijs en drank—maar Haymijns kinderen gaf men +niet.</p> + +<p>Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en +zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep +met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den +voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit +ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels +name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat +hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen, +en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den +Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout +liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier +is genoeg van alles."</p> + +<p>Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij +vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.' +Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder; +daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets +gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar +sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn +rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet +verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok +niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij—het +blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den +Koning, zwegen zij en gingen heen.</p> + +<p>Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de +Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal +hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het +stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over +de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt +misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap—ik zegge u +voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout +zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder +misdoen; sloegt gij mij—uw doodsuur lag daaraan."</p> + +<p>Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij +nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout +schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg +den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode +lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.</p> + +<p>Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij, +die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik +beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het +zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl +het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning +weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was +niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.</p> + +<p>Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en +allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.</p> + +<p>Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk +voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een +bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.</p> + +<p>Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier +nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten +alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van +ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde +waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij +vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den +vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan +toe—zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn +broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.</p> + +<p>Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen +bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun +gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit +hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt +over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit +hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.</p> + +<p>Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk +aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren, +gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met +menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.</p> + +<p>De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en +twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden +zich bij hen.</p> + +<p>Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat +op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een +richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij +Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek +gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer +over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder +tijd!"</p> + +<p>De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop, +insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen +regen hem zijne mouwen vast.</p> + +<p>Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of +zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen, +opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen +heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert—Drossaart, +Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.</p> + +<p>Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de +kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven<a name="FNanchor_3_25" id="FNanchor_3_25"></a><a href="#Footnote_3_25" class="fnanchor">[3]</a>, opdat +hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet +langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk +ter kerke.</p> + +<p>Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk +boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.</p> + +<p>Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk +getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar +hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.</p> + +<p>Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte +Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men +mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.</p> + +<p>Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en +vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd +geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de +Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.</p> + +<p>Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een +bezant<a name="FNanchor_4_26" id="FNanchor_4_26"></a><a href="#Footnote_4_26" class="fnanchor">[4]</a> van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten; +toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en +offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.</p> + +<p>Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij +geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en +hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den +autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met +vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En +ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.</p> + +<p>Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn +lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong, +bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot +en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.</p> + +<p>Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd +had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte +beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner +onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief +zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten, +zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot +zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij +t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû +spreken.</p> + +<p>Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene +zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem, +en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna +groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met +zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en +hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.</p> + +<p>Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove +gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten +Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte. +Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in +de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee +Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met +zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle +ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men +dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove +vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk +er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren +speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best +mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant +de tijd verdroot.</p> + +<p>Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en +Vorsten.</p> + +<p>Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of +leenen ontvangen wilden, hem volgden—hij zoude elk na zijnen staat +mildelijk beschenken."</p> + +<p>Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een +bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en +gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na +dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant +of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren; +luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.</p> + +<p>Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove, +zonder zij alleen—en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen +zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave +Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en +ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde +lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij +hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft +gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften; +en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij +niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan +de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders +hem iets misdaan hebben."</p> + +<p>Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met +hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of +geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo +eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne +Kinderen en bracht ze voor den Koning.</p> + +<p>En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en +groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden: +"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste +van uw broederen—het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik +zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij +van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in +Poelgiën<a name="FNanchor_5_27" id="FNanchor_5_27"></a><a href="#Footnote_5_27" class="fnanchor">[5]</a>; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert, +derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is +schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide +hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van +Artezië, Angrico<a name="FNanchor_6_28" id="FNanchor_6_28"></a><a href="#Footnote_6_28" class="fnanchor">[6]</a> en Blois."</p> + +<p>Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen +Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en +kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.</p> + +<p>Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en +gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns +kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.</p> + +<p>Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn +tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw +giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw +Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet +toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun +binnen kort weder nemen!"</p> + +<p>Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn +Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een +steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu +ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."</p> + +<p>Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog +eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer +verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel—'t zal zich-zelf +openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig +jaar—wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als +gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en +sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik +'t niet om mijn eigen eer—ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer +vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den +steen!"</p> + +<p>Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den +steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig +Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel +Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk +ontwierp hem een voet<a name="FNanchor_7_29" id="FNanchor_7_29"></a><a href="#Footnote_7_29" class="fnanchor">[7]</a>; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den +prijs.</p> + +<p>Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo +zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge +grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij +zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed—hij zoû u trekken bij +den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu +Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u +beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het +land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning +Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt +slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót +u."—"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone +Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst +met mij werpen."</p> + +<p>Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten +hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne +kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen +Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen +liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide: +"Vader! wat is u misdaan?—ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed +verliezen."</p> + +<p>Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik +stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te +spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht, +schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male. +Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er +nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den +steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren +moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij +mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet +wreekt, en den steen om het verste werpt met hem—-ik zal het besterven. +Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar +blijven."</p> + +<p>—"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is +onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige +daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner +jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."</p> + +<p>"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke +droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den +steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."</p> + +<p>Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns +vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem +in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"</p> + +<p>Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk +was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende +Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.</p> + +<p>En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag. +Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan +Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van +Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn +worp overdoen—en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan +hij!</p> + +<p>Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk +wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het +hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond +gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen +had.</p> + +<p>Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.</p> + +<p>Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.</p> + +<p>En Lodewijk nam den steen nog éen maal—en konde hem zoo ver niet werpen +als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en +monde uitsprong.</p> + +<p>Haymijn zag naar Reinout—dat hij zijn krachten aan den steen zoude +toonen.</p> + +<p>Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen +langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den +steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.</p> + +<p>En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den +steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen +menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep: +"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"</p> + +<p>En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven +Reinout den prijs.</p> + +<p>En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen, +die ge zijt! dwazen, die een huurling—die om geld gehuurd is (deze hier +geve hem al uit voor zijn zoon!)—dus lofprijst! Een grove dorper zij +soms zoo sterk als een Edeling—des is hij nog geen prijzens waerd."</p> + +<p>Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot +Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."—Toen lachte Reinout en +zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"—"Zegt mij, zone!" sprak +Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten +volle getoond—ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér +ontworpen."</p> + +<p>En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde +zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.</p> + +<p>Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat +waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning +groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen? +Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat +u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u. +Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal—gaat dan in den +boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen +en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne +Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en +moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en +kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan +hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot +Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij +u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het +niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan +gij. En wil hij dan daartegen opkomen—zoo zult gij zeggen, dat drie van +ons het gehoord hebben; en is 't van noode—wij zullen er nog wel meer +toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene +over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr, +zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal +zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen +hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen<a name="FNanchor_8_30" id="FNanchor_8_30"></a><a href="#Footnote_8_30" class="fnanchor">[8]</a>. En +aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en +dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal +durven doen."</p> + +<p>Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad, +en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die +'t schaakbord beter verstaat dan ik."</p> + +<p>Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een +venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de +Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde +drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn, +en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk, +zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij +van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de +oogen neder en sprak niet.</p> + +<p>Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist +niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan, +dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den +Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den +muur sprong.</p> + +<p>Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen +zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben +vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar +mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en +Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den +steen—maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester +van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het +wonder, dat ik toornig ben?"</p> + +<p>Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik +God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken: +en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't +mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"</p> + +<p>—"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk—"maar ik eisch, +dat ge mij volgt in een kamer—daar zullen wij een ander spel beginnen." +Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in +de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen +zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te +kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede +oorkondden, en zeiden dat het waar was.</p> + +<p>Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet +ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men +bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.</p> + +<p>Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst +zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen +hoofd."</p> + +<p>Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo +kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd +zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten—dat +doe ik gaerne!"</p> + +<p>Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik +zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om +uw hoofd en 'et mijne!"</p> + +<p>Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods +Name—moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe +ik mijn wil, want ware Lodewijk dood—ik droege nog eenmaal de kroon te +Parijs." Lodewijk had den eersten zet—om dat hij des daags Koning +gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder<a name="FNanchor_9_31" id="FNanchor_9_31"></a><a href="#Footnote_9_31" class="fnanchor">[9]</a>; +zij namen elkander een Oude<a name="FNanchor_10_32" id="FNanchor_10_32"></a><a href="#Footnote_10_32" class="fnanchor">[10]</a>. Adelaert zei: "God ontferme zich +mijner! mijn ongeluk is groot."</p> + +<p>De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen +toon: "Had uw broeder den prijs van den steen—hier blijf ik uw meerder: +in waarheid, ik voorzet 'et u—ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen +afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning, +zoo gij mijn hoofd wonnet—en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De +Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor, +ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"</p> + +<p>Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw +bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder +schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et +hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots<a name="FNanchor_11_33" id="FNanchor_11_33"></a><a href="#Footnote_11_33" class="fnanchor">[11]</a>," zeide +Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat +hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden +het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"</p> + +<p>Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met +de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En +Adelaert won vijf spelen achter-een.</p> + +<p>Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op, +zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb +gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer +speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem +verdroot uw leven."</p> + +<p>De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in +'t aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper, +zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne +verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield +ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.</p> + +<p>Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij +Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie +heeft u geslagen?"</p> + +<p>Adelaert andwoordde: "Niemant!"—"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult +'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag." +—"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede +gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."</p> + +<p>Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd. +Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst +en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal, +om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg +'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit +hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo +gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp +mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het +zwaard op.</p> + +<p>Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel +broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven—maar niet van uwe +hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk +beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't +zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar +kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning +drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan; +als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't +schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen +weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande +houden—ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij +der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en +Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren +zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over +zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een +schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding +spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf +spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op +Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet +meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't +hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het +schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."</p> + +<p>Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke +dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_23" id="Footnote_1_23"></a><a href="#FNanchor_1_23"><span class="label">[1]</span></a> <i>Drossaart</i>:(hier) huismeyer, spijsverzorger, +scbotelschikker.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_24" id="Footnote_2_24"></a><a href="#FNanchor_2_24"><span class="label">[2]</span></a> Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt +gewoonlijk voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, +dat Dr. J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_25" id="Footnote_3_25"></a><a href="#FNanchor_3_25"><span class="label">[3]</span></a> <i>Markgrave</i> beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker +is; hier zoû het zijn—bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het +volk.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_26" id="Footnote_4_26"></a><a href="#FNanchor_4_26"><span class="label">[4]</span></a> <i>bezant: een</i> muntstuk.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_27" id="Footnote_5_27"></a><a href="#FNanchor_5_27"><span class="label">[5]</span></a> <i>Poelgiën</i>, Apulië.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_28" id="Footnote_6_28"></a><a href="#FNanchor_6_28"><span class="label">[6]</span></a> <i>Angrico</i>, Angers.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_29" id="Footnote_7_29"></a><a href="#FNanchor_7_29"><span class="label">[7]</span></a> <i>ontwierp hem een voet</i>: wierp een voet verder dan hij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_30" id="Footnote_8_30"></a><a href="#FNanchor_8_30"><span class="label">[8]</span></a> <i>te verdingen</i>: af te kopen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_31" id="Footnote_9_31"></a><a href="#FNanchor_9_31"><span class="label">[9]</span></a> <i>Ridder</i>: paard.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_32" id="Footnote_10_32"></a><a href="#FNanchor_10_32"><span class="label">[10]</span></a> <i>Oude</i>: raadsheer.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_33" id="Footnote_11_33"></a><a href="#FNanchor_11_33"><span class="label">[11]</span></a> <i>Rots</i>: kasteel.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ACHTSTE_CAPITTEL" id="HET_ACHTSTE_CAPITTEL"></a>HET ACHTSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout—Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed +in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen +werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe +Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze +Koning Carel gevangen zoû leveren. </p></blockquote> + + +<p>Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe +Adelaert met Lodewijk gevaren was—van 't begin tot het einde. Toen +Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende, +en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet +en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.</p> + +<p>Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en +als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil—ik zal 'et +hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich +Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen +een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij +verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.</p> + +<p>Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in +der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.</p> + +<p>Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij +Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten. +Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém +eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep +Reinout—Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd +bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning +Carels aangezicht sprong.</p> + +<p>En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne +oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en +riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen! +die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het +geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich +haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis +en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en +reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van +wapenen, op een schoone vlakte.</p> + +<p>Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"—"Geef mij +Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het +vlieden is ons geen schande—want Carel is onze Koning!"—"Dat en zal +niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te +vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij +overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant +vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"</p> + +<p>Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert—vertrouwen en +blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem +verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en +blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en +hun vijand klein achtten.</p> + +<p>Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast +den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak +den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den +paerde viel.</p> + +<p>Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den +zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde +Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en +menigen vijand onder den voet reed.</p> + +<p>Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in +het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag +niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat +hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op +hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen +moest.</p> + +<p>Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze +nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet +vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus +doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht +dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir +volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet +waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels +en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo +snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't +hem zeer leed.</p> + +<p>Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er +veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien +sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn! +geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het, +met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop +tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde: +"Indien men hem ving—ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de +Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan +was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel +zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen +verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen +had'.</p> + +<p>Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem +terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat +waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit +geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant: +"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy +hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo +groote vromigheid<a name="FNanchor_1_34" id="FNanchor_1_34"></a><a href="#Footnote_1_34" class="fnanchor">[1]</a> gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning +Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen; +'t koste dat 't mag."</p> + +<p>Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij +Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het +voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"—"Neen ik," zeide +Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat +men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle +om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden +verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb +hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat +ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u +misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad +zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en +moeder wijten?"</p> + +<p>—"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem +kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat +zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het +hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen +den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk +hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en +liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den +Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen +van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_34" id="Footnote_1_34"></a><a href="#FNanchor_1_34"><span class="label">[1]</span></a> <i>vromigheid: prouesse</i>.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_NEGENDE_CAPITTEL" id="HET_NEGENDE_CAPITTEL"></a>HET NEGENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in +Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning +Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte, +om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's +Konings Volk, die hun Koning wreken wilden. </p></blockquote> + + +<p>Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids +de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel +te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar +gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder +waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was, +"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."</p> + +<p>Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op +dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was, +en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat +hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des +Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels +zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer +bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen +blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want +zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij +spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.</p> + +<p>De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij +dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood +wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe, +de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze +doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier +met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van +noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren +werwaards zij hunnen weg zouden nemen.</p> + +<p>Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning +Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen +schreiden om hun wechreizen.</p> + +<p>Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij +den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning +verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag +komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem +waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te +blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen +ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel +dat men de valbrug nederliete.</p> + +<p>De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet. +Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en +hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn +broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."—"Wildy +gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat, +Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God +Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn +kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen +Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen +zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en +zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar +uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij +bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik +hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij +blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden +van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat, +dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't +kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.</p> + +<p>Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar, +en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden, +vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht +noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning, +dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en +dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf +men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en +zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem +het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig +aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en +wisten wij niet, waar ons te onthouden."—"Wat is ons aan dit verblijf +gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het +zoude onder onze handen koper worden."</p> + +<p>Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem, +dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet—het zal +hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen." +De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en +als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning, +mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven +hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide: +"Zeg uw Heeren—inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!—dat ik ze +noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve +vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal +doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte +de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de +Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem +met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem +daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en +liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.</p> + +<p>Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy +dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout +hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet, +Heer!"—"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze +have<a name="FNanchor_1_35" id="FNanchor_1_35"></a><a href="#Footnote_1_35" class="fnanchor">[1]</a> eischtet?"—"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet +meer een penning."—"Zeide hij dat?" riep Reinout.—"Ja hij, Heere! en +hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche +ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart +dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet +mij in 'et vuur."</p> + +<p>Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide: +"Ik beveel u en Writsaert—Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal +en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét +mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels +slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij +ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn +hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."</p> + +<p>—"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat +beters!"—"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere +daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en +Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.</p> + +<p>Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert +vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg. +"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints +wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel +hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een +spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer +het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze +nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die +slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders +niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem +stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet +kleeden—geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u +kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen +daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede, +dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog +berouwen!"</p> + +<p>De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik +zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave +u kleederen noch schat."</p> + +<p>Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om +dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen +hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!—Maakt u des wech—men geeft u niet +een mijte!"</p> + +<p>—"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die +woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe +trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en +zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....—</p> + +<p>"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons +inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en +gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het +binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof +groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat +geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar +Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn +gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en +'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote +felheid.</p> + +<p>Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout +te paerd gezeten—en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met +machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en +Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den +buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij +Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros +verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders +wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot, +zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat +zij veel volks versloegen.</p> + +<p>Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te +dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af +sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij +Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in +stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om +zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen—en +hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert +sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd +was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren +moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus +reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij +stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde +hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.</p> + +<p>"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn +bedwang—nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te +sneven."—"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan +niet zijn!"</p> + +<p>Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo +lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden +vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de +goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en +konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren +zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van +overbleef.</p> + +<p>"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak +Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed," +zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."</p> + +<p>—"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker +verblijf."—"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.—"Bij Ywein van +Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand, +daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste +van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan," +ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en +er een goed verblijf vinden."</p> + +<p>"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.</p> + +<p>"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.</p> + +<p>Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat +zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.</p> + +<p>In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert +zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat +Yweins slot."—"Welk is 'et?" zeide Reinout. —"Naast aan de rotsen; bij +dat woud: dat hooge kasteel—daarginds —met dien breeden ringmuur en +die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"</p> + +<p>—"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en +elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders; +legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij +elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij +namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.</p> + +<p>Zij spoedden zich onverpoosd voort.</p> + +<p>Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de +wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden +zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de +Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide +hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend +nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij +God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"</p> + +<p>Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar +de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden —om hen te zien +en het Ros met de schoone gestalte.</p> + +<p>Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de +Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem +te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd +voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem +neder.</p> + +<p>"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en +dag, en u uit ál ons vermogen helpen."</p> + +<p>Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten +mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."—"Dat loone u God!" +sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." —"Zoo 't u +gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."—"Al-te-gader," +zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn, +de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere +Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel +ridder. Nu kent gij onze namen."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_35" id="Footnote_1_35"></a><a href="#FNanchor_1_35"><span class="label">[1]</span></a> <i>have</i>: goed.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TIENDE_CAPITTEL" id="HET_TIENDE_CAPITTEL"></a>HET TIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan +met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe +Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich +versterkte tegen den grooten Koning Carel van +Frankrijk. </p></blockquote> + + +<p>Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen +maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde, +dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter +genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen +wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne +wonden genezen waren.</p> + +<p>Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun +knijven en zwaerden vervegen<a name="FNanchor_1_36" id="FNanchor_1_36"></a><a href="#Footnote_1_36" class="fnanchor">[1]</a>: hunne harnasplaten waren mede +vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe, +prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in +den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros +Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de +goede Ridders zaten moedig op.</p> + +<p>Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar +het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit +Ywein groote schade gedaan werd.</p> + +<p>Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij +binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.</p> + +<p>Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in +zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan +drie jaren.</p> + +<p>Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en +heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij +erfschap gekomen ware.</p> + +<p>De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner +steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem +dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met +goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.</p> + +<p>Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar +kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu +zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem +aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen +zone Lodewijk zoû uitleveren."</p> + +<p>Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning —en +spoedig bracht men hem voor Ywein.</p> + +<p>"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel, +de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."</p> + +<p>De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond<a name="FNanchor_2_37" id="FNanchor_2_37"></a><a href="#Footnote_2_37" class="fnanchor">[2]</a> hem en +las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij +hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk +hadden doodgeslagen.'</p> + +<p>Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en +riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden, +opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.</p> + +<p>"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak? +Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze +den Koning niet—zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad +geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik +toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen +land."</p> + +<p>Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk +voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in +zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn +oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't +ook niet—u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en +brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de +keel."</p> + +<p>Hugo van Averne<a name="FNanchor_3_38" id="FNanchor_3_38"></a><a href="#Footnote_3_38" class="fnanchor">[3]</a> sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer +Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u +verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen +dienst—zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij +verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw +vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert—uw huismeyer<a name="FNanchor_4_39" id="FNanchor_4_39"></a><a href="#Footnote_4_39" class="fnanchor">[4]</a>. +Verriedt gij ze—'t ware een wandaad."</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm007.jpg" width="400" alt="Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar +gewapend nader." title="" /> +<p class="illus">Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar +gewapend nader.</p> +</div> + +<p>Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop +sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout: +"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning! +En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn +van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge +kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren—daar is alom menig +Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën +kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije, +in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk—de hoogsten van het land +zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden. +Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen +gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk +trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."</p> + +<p>Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere +leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden +spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem +ten spijt—ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als +Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens +Carel."</p> + +<p>Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en +zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf<a name="FNanchor_5_40" id="FNanchor_5_40"></a><a href="#Footnote_5_40" class="fnanchor">[5]</a> aan uw eer +gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen +prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze +zoû doen folteren en dooden—dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar +volgt ge mijn raad, Heere—gij zult ze in Poelgiën of een ander land +laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."</p> + +<p>Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij +Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien +vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te +kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar +vallen."</p> + +<p>Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning—ik had +'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van +Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan! +nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer +bewaren—zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem +de rots aan de Gironde<a name="FNanchor_6_41" id="FNanchor_6_41"></a><a href="#Footnote_6_41" class="fnanchor">[6]</a>: hij zal er aanstonds een vaste burcht op +bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen +bij uw dochter te verwekken—dan is hij op het innigst aan u verbonden, +en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den +geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."</p> + +<p>—"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan, +dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."</p> + +<p>De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.</p> + +<p>"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.</p> + +<p>"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij +met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw +broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er +aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend +maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in +Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee<a name="FNanchor_7_42" id="FNanchor_7_42"></a><a href="#Footnote_7_42" class="fnanchor">[7]</a>—ik +zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen +voorzien.... Nu zegt mij—wilt ge handelen als de wijzen, en mijn +voorstel aanvaerden?"</p> + +<p>—"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons +een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld +niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde +staat een rots—wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang, +waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel +en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."</p> + +<p>Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er +mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."</p> + +<p>—"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw +op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in +dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal +met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig +opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn +broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw +zone—zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste +Jonkvrouwe van Christenrijk!"</p> + +<p>Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder +bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij +mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse +geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en +zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."</p> + +<p>Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en +ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein +geroepen.</p> + +<p>"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen +mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone +Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft +van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken, +opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij +u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"</p> + +<p>—"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone, +roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er +bij."</p> + +<p>Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.</p> + +<p>Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden +werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met +éen woord, een groote, goede bruiloft.</p> + +<p>Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche +land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met +zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als +goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen +aanstonds het huis te vesten.</p> + +<p>Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had. +Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen; +twee paar muren gingen er om rond.</p> + +<p>Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij +zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen, +vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500 +personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten +wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen +koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede +gesticht.</p> + +<p>En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te +komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij: +"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk +kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"</p> + +<p>—"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't +Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."</p> + +<p>—"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op +kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_36" id="Footnote_1_36"></a><a href="#FNanchor_1_36"><span class="label">[1]</span></a> <i>vervegen</i>: op zwaardvegerswijze herstellen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_37" id="Footnote_2_37"></a><a href="#FNanchor_2_37"><span class="label">[2]</span></a> <i>ontwond</i>: ontdeed van het zegelkoord.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_38" id="Footnote_3_38"></a><a href="#FNanchor_3_38"><span class="label">[3]</span></a> <i>Averne</i>: Auvergne.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_39" id="Footnote_4_39"></a><a href="#FNanchor_4_39"><span class="label">[4]</span></a> <i>huismeyer</i>: hofmeester.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_40" id="Footnote_5_40"></a><a href="#FNanchor_5_40"><span class="label">[5]</span></a> <i>geen kaf</i>: zooveel als niets.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_41" id="Footnote_6_41"></a><a href="#FNanchor_6_41"><span class="label">[6]</span></a> <i>Gironde</i>: mond van Dordogne en Garonne.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_42" id="Footnote_7_42"></a><a href="#FNanchor_7_42"><span class="label">[7]</span></a> <i>Zuidzee</i>: Middellandsche Zee.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ELFDE_CAPITTEL" id="HET_ELFDE_CAPITTEL"></a>HET ELFDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt +was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en +dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden +"Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde. </p></blockquote> + + +<p>Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob. +Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel +het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot +Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben +doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo +schoon."—"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar +zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk +is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter +verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen +maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich +over 't water zetten.</p> + +<p>Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein—Reinout met zijn dochter gegeven +had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat +schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'</p> + +<p>Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt +hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'</p> + +<p>De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen +timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo +men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk; +hij is uit zijn land verdreven."</p> + +<p>—"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout. +Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet +Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van +den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning +Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn +broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der +burcht, aangelegd een schoone stad."</p> + +<p>—"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt +hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven +met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht +stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en +tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem +kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en +verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."</p> + +<p>Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als +hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en +zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u +gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw +onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem +gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket +genade: en hij zal ze u doen."</p> + +<p>Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot +Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet +ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever +zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."—"Wilt gij u dan tegen Koning +Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone +Lodewijk!"—"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten +manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij +als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen—ik wil hem +Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem +als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit +zeggen?—Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met +mij te dreigen."</p> + +<p>Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide: +"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet +mijn boodschap aan den Koning."</p> + +<p>Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid +Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een +scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden +in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer +gedaan.'</p> + +<p>Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en +keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in +Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout, +verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te +helpen.</p> + +<p>Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij +kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde +Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang. +En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et +hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn +Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts +burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TWAALFDE_CAPITTEL" id="HET_TWAALFDE_CAPITTEL"></a>HET TWAALFDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te +zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen +de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En +hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe +Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze +wilde doen hangen. </p></blockquote> + + +<p>Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert, +zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al +zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is +daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van +rouw."</p> + +<p>—"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet +wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij +daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik +niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't +mag, ik moet mijne moeder zien."</p> + +<p>—"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen +gaan in 't bosch van Bordeas<a name="FNanchor_1_43" id="FNanchor_1_43"></a><a href="#Footnote_1_43" class="fnanchor">[1]</a> en verwachten daar de Pelgrims, en +bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij +onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders +goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in +het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren, +kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren +uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen. +En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide +Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen +voor de onzen."</p> + +<p>Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat +Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover +geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't, +dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een +roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den +Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben —maar een ander +Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij +aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als +waren onze kleederen nog wat beter—doet 'er meê dat gij wilt."</p> + +<p>Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen +broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns +Kinderen, die ze aantrokken.</p> + +<p>Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze +stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden +menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.</p> + +<p>Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en +vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier +Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land, +te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu +hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat +gij ons inlaat."</p> + +<p>Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet +doen."—"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het +wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren +gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar +toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart +de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."—"Om Gods +wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen! +laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning +Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood, +God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat +ze God van der dood behoeden wil!"</p> + +<p>Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij +antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en +spijzigen ter liefde der Jonkheeren."—"Dat loon u God!" zeide Reinout. +Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen +waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden +gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"</p> + +<p>—"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout, +"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën, +en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst +als thands."</p> + +<p>Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en +drinken geven."</p> + +<p>De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen +spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen +mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne +vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.</p> + +<p>Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag +haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij +ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt +het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"</p> + +<p>De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide: +"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte—ik +duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal +uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat +zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij, +Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel +wijn niet drinken, als gij alleen doet."</p> + +<p>Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ... +reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij +dat ik u mijn leven lang danken zal!..."</p> + +<p>De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze +hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder +uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.</p> + +<p>Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder +aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij, +"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!—want had ik nog een schale, ik +en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen +onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout +met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen +van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene +stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig +werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op +haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens +wech van Reinout.</p> + +<p>Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide: +"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt +'et gezworen; en wilt gij 't niet doen—zoo zal ik tot den Koning rijden +en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."</p> + +<p>Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en +zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren +op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn +Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders +begeven!"</p> + +<p>Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw +Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze +vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den +Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij +komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw +Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende, +werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder. +"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een +oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide: +"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn +Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere, +Koning Carel, wien ik het gezworen heb."</p> + +<p>Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met +veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God +en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen +over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft +ons raad! Weet gij ons geen raad te geven—wij zijn verloren; want +Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide: +"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas, +geen anderen raad!"</p> + +<p>Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en +leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden +voor de kamer staan.</p> + +<p>Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want +hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert: +"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns +Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk +te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef +dood, of zeer gekwetst.</p> + +<p>Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de +kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste; +maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op; +hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest +waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne +slagen.—Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en +zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden +zwak."</p> + +<p>Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den +toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't +Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich +werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem +vluchtte als den dood.</p> + +<p>Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven +ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te +zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij +geraakt—het blijft er ál dood."</p> + +<p>Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met +zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek +loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter +na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde +Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader +vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben, +maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen! +Sloegt gij onzen vader dood—die vreeselijke misdaad mochten wij +nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij +verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel +verworven wij nimmermeer zoen!"</p> + +<p>—"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen +vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem +handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap +aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem +haastelijk tot Koning Carel."</p> + +<p>De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan; +want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede." +Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan, +indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat +Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.</p> + +<p>"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat +ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude +gedaan hebben."</p> + +<p>De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten +leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de +portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't +paerd ligt?"</p> + +<p>Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de +poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket<a name="FNanchor_2_44" id="FNanchor_2_44"></a><a href="#Footnote_2_44" class="fnanchor">[2]</a>, vragende den +knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen +zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit +hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat +hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's +Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan; +ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!" +De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's +Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den +Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden. +Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem: +"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"—"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u, +ontferm u mijner!"—"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn +zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik +'t vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards +te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."</p> + +<p>—"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.</p> + +<p>Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich +wapenen zouden; zoo Edel als onedel.</p> + +<p>En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk +dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam +te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot +heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar +tenten begonnen te slaan voor het kasteel.</p> + +<p>Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge +is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons +mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons +geenen raad?"</p> + +<p>Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig: +"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der +muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als +hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer +mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan; +hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun +scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn +broeders moest laten.</p> + +<p>Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden +God voor hem.</p> + +<p>"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart! +nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen, +doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets, +tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen +bidden."</p> + +<p>Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en +gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam, +wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den +Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij +de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij +gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en +lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."</p> + +<p>Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan +werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et +bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te +moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met +heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.</p> + +<p>Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo +lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te +doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede +de broeders zorgvuldig bewaken.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_43" id="Footnote_1_43"></a><a href="#FNanchor_1_43"><span class="label">[1]</span></a> <i>Bordeas</i>: Bordeaux.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_44" id="Footnote_2_44"></a><a href="#FNanchor_2_44"><span class="label">[2]</span></a> <i>winket</i>—deurtjen in eene poortdeure.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_DERTIENDE_CAPITTEL" id="HET_DERTIENDE_CAPITTEL"></a>HET DERTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn +broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of +men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning +dede bieden met den bode. </p></blockquote> + + +<p>Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te +Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders +had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen +had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om +de Heeren, al dat te Montalbaen was.</p> + +<p>Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op +het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende +zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders +brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'</p> + +<p>Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die +sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer +beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen +en bespieden? ik zoû noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros, +moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!'</p> + +<p>Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in +euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!" +De man zeide: "Zoû ik u volgen met een inzicht ten kwade?—dat waar niet +welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf +mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik +verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij +dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide +Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk: +maar alvorens dijn boodschap te doen—begeer eenen borg tot zekerheid en +vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan, +doe dijne boodschap."</p> + +<p>—"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik +ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in +mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij +nimmermeer op en stond."</p> + +<p>Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor +zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg +hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de +meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf +opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner +ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter +zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en +voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen +de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert, +mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn +kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik +doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner +broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't +land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is +'t, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen +met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn +Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven +noch om dood.</p> + +<p>"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod—zeg hem dan, dat +ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen +klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en +betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het +zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij +des nachts gaat te mettene<a name="FNanchor_1_45" id="FNanchor_1_45"></a><a href="#Footnote_1_45" class="fnanchor">[1]</a>: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de +kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zóo—zóo, zal +ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en +peis geven."</p> + +<p>Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide +zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning, +mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer +kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap +eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale, +zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop +Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat +zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve +bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad +toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning +onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen—ik zal het +oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht +proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne +broeders daar niet sterven zullen!—Maar, ik zegge dy," vervolgde +Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast +geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren."</p> + +<p>De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen: +het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout +oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale.</p> + +<p>En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon +de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een +staf, nochtans en woû hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste +besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den +Koning op zijn kniën, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op, +en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik +brenge u eene goede boodschap!"</p> + +<p>De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt +ons met wat boodschap gij beladen zijt."</p> + +<p>De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult, +begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel +ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn +boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen, +zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen."</p> + +<p>—"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en +zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er +Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der +sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn."</p> + +<p>De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name +liever een borge door wien ik zonder vreeze ware."</p> + +<p>De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze +twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend: +niemant ter waereld durft u tegengaan."</p> + +<p>Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen, +ik had gaerne andere borgen."</p> + +<p>Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: —ik +zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij +moogt veilig zonder vreeze zijn."</p> + +<p>De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik +liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden."</p> + +<p>Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst +hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden, +zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen."</p> + +<p>De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne +eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen."</p> + +<p>Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en +zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt +te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog +éénmaal—en ten laatste!"</p> + +<p>Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te +kiezen geleide—zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge +wezen!"</p> + +<p>De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in +gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden +mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone.</p> + +<p>"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet +herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer +Koning, dat God u lange spare! U groet één, de bedroefdste man die in de +waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de +Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw +zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade +wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt. +Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te +nemen—hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben: +zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen +die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met +goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als +Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter +eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn +eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk +Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen +ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken +of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle +dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal +hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of +gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware +'t dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood +begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid—wilt hem en zijn +broeders genadig zijn!"</p> + +<p>Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen +zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet +en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt—zoo zal hij +komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters, +kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de +kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen."</p> + +<p>Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De +bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en +zijn broeders niet in genade ontvangen wilt—hij zal u doen 'et zelve +dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de +mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij +zal u éénmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en +slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."—"Bij God!" riep de +Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde +dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare, +die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij +goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne +zale, zonder goed geleide—ik zeg u, in der waarheid! ik had den +schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan."</p> + +<p>"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen +hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van +Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op +zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn +magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den +Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders +oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet +brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar +bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et +leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde +beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult +voornemen."</p> + +<p>Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht +mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die +Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem +bestaat? Wie het doet—hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie +dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam +zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel +Grave! bestaat hij u—of niet?"</p> + +<p>Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants +wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker +geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot +Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u +vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn +vriend wil ik altijd wezen."</p> + +<p>Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht, +die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en +stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide: +"Heer Koning! nog gisteren."</p> + +<p>Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?" +De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros +Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had.</p> + +<p>—"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning, +"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u +beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode +antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij +Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer +vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning +grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een +zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout—ware 't niet, +dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel—want nooit heb +ik boden zulke tale hooren voeren."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_45" id="Footnote_1_45"></a><a href="#FNanchor_1_45"><span class="label">[1]</span></a> <i>Te mettene gaan</i>: in de kerk de getijden van middernacht +gaan bidden.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VEERTIENDE_CAPITTEL" id="HET_VEERTIENDE_CAPITTEL"></a>HET VEERTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat +wederkreeg door hulpe van Madelgijs. </p></blockquote> + + +<p>Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich +waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde, +meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote +rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende +dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo +kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij +reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad +van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er +Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild.</p> + +<p>Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te +krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging; +daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde.</p> + +<p>Nu zijn gekomen twaalf knechten om voêr te halen, zoo zij dagelijks +plachten te doen.</p> + +<p>En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en +zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van +Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden +gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat +zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs.</p> + +<p>Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij +binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen +en Jonkvrouwen.</p> + +<p>Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij +hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot +geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot +Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze." +Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf +knechten Beyaert brachten.</p> + +<p>Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten +Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!" +andwoordde Roelant.</p> + +<p>'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de +knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te +vangen: ik woû dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den +raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden +neder en zeiden:</p> + +<p>"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte." +—De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij +'t vingen?"</p> + +<p>Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden." +De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' —zij zeiden 'neen,' +"van hem en weten wij niet."</p> + +<p>"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het +u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij +Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden," +zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik +hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan +heeft."</p> + +<p>—"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den +knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen—doet +ze stokslagen geven."</p> + +<p>De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe +als Roelant gezeid heeft."</p> + +<p>En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had.</p> + +<p>De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en +koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik +u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan +dat er iets aan het Ros miskwame."</p> + +<p>Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en +zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert +berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen."</p> + +<p>Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik +het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den +Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik +Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten +zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de +vrije beschikking over hem."</p> + +<p>—"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en +berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."—"Zoo +doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen +moet ons deze komen."</p> + +<p>Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het +berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u—beidt dan tot Zondag; +hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen +zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en +hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen."</p> + +<p>Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en +sliep!</p> + +<p>Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en +terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als +hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag +rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft.</p> + +<p>En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven: +hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog +zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend +rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart +ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et +is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het +ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn +broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en +hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht +hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft +den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met +werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude, +maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en +geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat +doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij +toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve.</p> + +<p>Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het +dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van +Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken +ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij +hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid +waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van +lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de +oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen +meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok +en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette +hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag +en had, sints ik geboren ben."</p> + +<p>Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste +leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe +allernaast."—"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed, +dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze +gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En +bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man +van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van +de rouw, daar 'k in sta."—"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak +Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal +uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de +dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik +ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provenciën en tot +St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van +Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man, +als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!"</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm008.jpg" width="400" alt="Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste +leiden." title="" /> +<p class="illus">Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste +leiden.</p> +</div> + +<p>Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te +spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!"</p> + +<p>Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij +geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders, +opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?"</p> + +<p>Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven." +Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en +van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende: +"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan +uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye, +mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is +'t dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout, +zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te +wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat +gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn."</p> + +<p>—"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen +schande ware, een Pelgrim te slaan—ik zoû uw onbeschaamdheid u doen +rouwen."</p> + +<p>—"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij +geslagen, dien ik aalmoezen vroeg—ik waar voor vijftig jaar reeds dood: +want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in +kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave—waarvan zoû ik +leven?"</p> + +<p>—"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden."</p> + +<p>—"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende +uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille—hebdy iet meer, +dat gij mij geven wilt—zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden +uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet."</p> + +<p>—"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er +wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder; +St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden +van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn +kunne ontvlieden—want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt +ben, hij dede mij hangen."</p> + +<p>Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn +reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets +behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was +Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij +valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult +weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim +ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!" +riep Madelgijs, "sloegt ge me nog —het zoû u kwalijk komen; ik zoude +mij weeren!"—"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u—al waart +gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zoû mij, zoo ik slaan +wilde, géén ontgaan."</p> + +<p>—"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik +kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd +en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag +weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en +veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren.</p> + +<p>Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij +bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den +rug—daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord +staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik +verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel +Beëlzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het +bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen +en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek +hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij +niet, neve Reinout?"</p> + +<p>—"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?"</p> + +<p>Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had, +viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt +mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij +te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn +toeverlaat!"</p> + +<p>Madelgijs zeî: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u +heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn +harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak. +Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood, +en dede hem twee oude hozen aantrekken.</p> + +<p>Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde +Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en +mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over +zijne oogen.</p> + +<p>Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na, +om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en +hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder +jongelingen en koene Ridderen.</p> + +<p>Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij +neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of +Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde.</p> + +<p>"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te +gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten."</p> + +<p>—"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan."</p> + +<p>Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden +dag!"—"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al +menigen mensche overleefd," vervolgde éen hunner. —"Ik bid God, dat hij +mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven," +sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u +Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!"</p> + +<p>Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de +nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven."</p> + +<p>De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige +kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als +schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen +gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd +"Christelijk", en dusdanig éen als die, welke den Heere met zijn +Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde.</p> + +<p>Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met +eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een +arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet +in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den +wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg—dat gij +hier wilt nederknielen in gebede—want ik mij kwalijk bevinde en hebbe +geen halve stonde meer te leven."</p> + +<p>En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken +stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in +kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met +een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond, +en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en +sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn +verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar +dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en +zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop +laat kussen, dien gij daar bij u hebt...."</p> + +<p>—"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij +Madelgijs meê nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang +verloren geweest, om de zonden des volks...."</p> + +<p>—"En mag niet weêr verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de +gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende +aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop +ontliep hij den anderen met den schat.</p> + +<p>Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij +best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen éen hem +tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend neêrstortte; +en, na elkander, ook de beide laatsten.</p> + +<p>Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat, +uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve! +ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en +rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge, +voor wij aankwamen."—"Ké<a name="FNanchor_1_46" id="FNanchor_1_46"></a><a href="#Footnote_1_46" class="fnanchor">[1]</a>, oom!" zeide Reinout—"ik duchte, dat gij +iets kwaads gemaakt hebt!"—"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs; +"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders." +Reinout deed als hem gezegd werd.</p> + +<p>De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in +den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag +en den tijd, dat Roelant—Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de +stad, als vroeger gezegd is.</p> + +<p>Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in +was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de +stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot +Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik +weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre +geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt."</p> + +<p>Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs +riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen +wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en +doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne, +en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en +dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den +penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn +tasch.</p> + +<p>Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar +buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude.</p> + +<p>Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn +kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en +zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne +reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf +Madelgijs—Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet +uwe sporen aan uw voeten."—"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk, +oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik +Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe +voeten—'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u +Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt, +zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize, +als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden."</p> + +<p>En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van +poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van +landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen. +Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij +Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk +zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel.</p> + +<p>"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der +Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er +eene: "'t Is Roelant, die Ferragute<a name="FNanchor_2_47" id="FNanchor_2_47"></a><a href="#Footnote_2_47" class="fnanchor">[2]</a> versloeg." Eene andere jonkvrouw +zeide: "'t Is Olivier!"—"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van +Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken +Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed—nam daar éene het woord, +die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een +schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen +vroegen, wie de Ridder was?—"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een +Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij +niet gebannen, hij zoû de schoonste man wezen, die van dezen dag over de +brugge gaan zoude."</p> + +<p>Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte. +Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet—en +lacht niet!"—"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout:</p> + +<p>"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen."</p> + +<p>Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over +de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden +hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen +was, hadden 'et elk aan een koord.</p> + +<p>Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en +den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond.</p> + +<p>"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims +staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken +dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide: +"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is."</p> + +<p>Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert +tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende +zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op +de brug heen ende weder.</p> + +<p>En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u +deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds +genoeg: ik zegge u voorwaar—hadde ik mijnen kop meenen te verliezen +door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik +en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de +Koning van Vrankrijk, die zoowél der armen luttel goed bewaakt, als dat +der rijken, die veel hebben."</p> + +<p>—"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil +'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt +werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en +kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met +zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en +genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede +gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een +Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt."</p> + +<p>Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de +Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel +gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep +nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong. +"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs, +"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid +ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen +ontkomen: want wij vreezen 'et zeer."</p> + +<p>Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop."</p> + +<p>—"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren +gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome +heeft er Misse mede gedaan...."</p> + +<p>—"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat +ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er +hier simonie<a name="FNanchor_3_48" id="FNanchor_3_48"></a><a href="#Footnote_3_48" class="fnanchor">[3]</a> gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den +kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?"</p> + +<p>—"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den +Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning +ben."—"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig +tot u gesproken heb."—"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel +moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar +geeft mij den kop—ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land +in levenslang gebruik."</p> + +<p>—"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen—ten zij ge vergeeft al +den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem +den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...."</p> + +<p>De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone +Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem +niet kwijtschelden. Ook is daar éen, geheeten Madelgijs, een snoode +toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen +hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?"</p> + +<p>—"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan +niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet."</p> + +<p>Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal +God bidden, dat Hij uwen gezel geneze."</p> + +<p>"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig +dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde +t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap +verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze +vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert +berijden kon—hij zoû genezen van al zijne kwalen.'"</p> + +<p>-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder +tijd."</p> + +<p>Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet +wat het uitwerken kan."</p> + +<p>—"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden +prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!"</p> + +<p>Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om +dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!"</p> + +<p>De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide +hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb +toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle—Beyaert bestijgen laat!"</p> + +<p>Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook +de Pelgrims kwamen daar met groote moeite.</p> + +<p>En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel +Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et +aan zijn herstel bevorderlijk zij!"</p> + +<p>Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem +niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen +had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er +deernis meê, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte +er weêr af aan dezen.</p> + +<p>"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij +aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er +weder af—hij zal 'et besterven."</p> + +<p>Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast, +dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op +Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte.</p> + +<p>Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den +zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels.</p> + +<p>Eilaas, daarmeê waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het +goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd!</p> + +<p>"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alléén +rijden," zeide de Koning.</p> + +<p>"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij +ook zien en hooren?"—"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te +boven!"</p> + +<p>—"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?—Heer Bisschop! +doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote +gunst gedaan."</p> + +<p>Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En +Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf +het goede Ros de sporen.</p> + +<p>Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e +zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten, +dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die +ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal +'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten—voorwaar het zal hem den +hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren +uit, en scheen groote rouwe te bedrijven.</p> + +<p>Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem, +riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden +vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug."</p> + +<p>En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren +Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van +Borgondiën; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen +mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een +boogscheut afstands.</p> + +<p>Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten +laatste zag hij de Genoten.</p> + +<p>'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten +kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware—ik +zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden +trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader +kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout +hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood +gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder +koen!"</p> + +<p>—"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij ü hier +vinden zouden."</p> + +<p>—"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde +de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat +gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim, +die bij den Koning stond?"—"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het +antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet +niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve +Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve! +om uwent-wille!"</p> + +<p>—"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap, +die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide +nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede, +dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en +gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen."</p> + +<p>Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u, +Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw +broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den +Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders +voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader—ik +zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout +verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam. +"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang +verdienden loon!"</p> + +<p>Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge +u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen +op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede +neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van +de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_46" id="Footnote_1_46"></a><a href="#FNanchor_1_46"><span class="label">[1]</span></a> <i>Ké</i>—een uitroep.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_47" id="Footnote_2_47"></a><a href="#FNanchor_2_47"><span class="label">[2]</span></a> <i>Ferragute</i>: een reus.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_48" id="Footnote_3_48"></a><a href="#FNanchor_3_48"><span class="label">[3]</span></a> <i>Simonie</i>: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, +waarbij voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan +verbonden is, méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of +kunst-waarde; het <i>verkoopen</i> van al wat slechts geestelijke waarde +heeft, wordt als zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. <i>Hand. der +Apost</i>., Hoofdst. VIII, v. 18—20.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL" id="HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL"></a>HET VIJFTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden, +dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning +Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop +Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere +Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot +Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning +daar hij lag en sliep in zijne kamer. </p></blockquote> + + +<p>Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den +Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap +zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen +Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal +'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en +nemen de schuld op mij."</p> + +<p>Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij +Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen, +"Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap +bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de +Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning.</p> + +<p>Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De +Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" —"Heer," sprak hij, +"ik neem de schuld op mij."—"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning +streng.</p> + +<p>"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den +sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent +Beyaert—gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan +niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na +gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de +schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen +vangen—alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij +trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg +vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij +verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was +ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." — "'t +Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich +onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem +ondoenlijk was."</p> + +<p>—"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en +laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die +zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschiên."</p> + +<p>Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij +overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen +en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik +wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God +genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep: +"Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!"</p> + +<p>Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt +mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven +lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over +zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon +'et u Heer Koning!"</p> + +<p>En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele +Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze +straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen +langer uitstel."</p> + +<p>De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor +hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen +binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had +hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven +voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch +en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is."</p> + +<p>"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak +nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten +nog heden doen hangen."</p> + +<p>De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige +magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u, +zoo gij ze ter dood laat brengen."</p> + +<p>De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"—"Neen ik," zeide de +Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen—en gij zult +u niet kanten tegen uwen Koning."</p> + +<p>—"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij—maar tegen deze +wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten +tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden +zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en +zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze +laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning! +daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met +machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal +men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten." +Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en +hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zoû +laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon.</p> + +<p>Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij +zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen—'t moge +gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen +mij—wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de +Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u +leven en sterven willen.</p> + +<p>Toen trad de Bisschop naar éene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen, +die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij +komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings +kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer +Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was +Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondiën, en zeide: "Heer +Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen, +die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije; +daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem +Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van +Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hém daartoe +niemant aangezocht!</p> + +<p>Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de +oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?—Ik zie wel, ik +heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove +gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van +alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in +de nood!"</p> + +<p>—"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar +ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u +voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij +zijn uw vleesch en bloed!"</p> + +<p>Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven +laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke +zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat +uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in +hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat +verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning +zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar +voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn +hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware +geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren +nu over u voldoende gewroken zijn." Met-één ging hij daar de drie Heeren +zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien +en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren +hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!"</p> + +<p>—"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen +zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude +ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land."</p> + +<p>Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is +er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op +zijn grijzen baard.</p> + +<p>De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie +Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten, +zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste: +laat ze verdingen."</p> + +<p>De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde, +heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en +doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en +begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter +waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze +drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle +leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste +komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest +waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede +scheidde de raadsvergadering der Heeren.</p> + +<p>En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te +verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet +beter van ure tot ure of Koning Carel zoû ze doen hangen.</p> + +<p>Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning +Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat +zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den +portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten +wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen +trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht +te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u," +zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier +nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had +slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de +vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van +gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp +zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten.</p> + +<p>Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en +banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et +Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die +de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig.</p> + +<p>Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit +pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze +zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan —wij moeten +sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden." +En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis meê had, en +zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom +Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert +zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!" +Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse." +Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker.</p> + +<p>Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die +de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de +gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten +den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem +en gedaante des portiers—"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk +ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich +wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik +misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal +gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet +medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal +u geen verlof geven—dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo +lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de +Heeren, en ging tot den Koning.</p> + +<p>Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings +bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele +geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven +uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en +ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren +leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit +hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet +met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om +zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij +blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op +Montalbaen.</p> + +<p>Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef +als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede +veiligheid.</p> + +<p>Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en +waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist +hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et +werkelijk geschied ware.</p> + +<p>En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat +'er àan was—droom of wezenlijkheid.</p> + +<p>En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar +hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie +zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt +was.</p> + +<p>Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem +groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg +opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZESTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ZESTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ZESTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd +was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel, +en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad +verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg. </p></blockquote> + + +<p>Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en +spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning +Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe +mare."—"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een +kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem +gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter +achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem +hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche +Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd +duchte, eer gij daar komt."</p> + +<p>Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide +hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg—nu bidde ik u, dat gij +derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000 +mannen."</p> + +<p>Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier: +"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met +8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier, +de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome +mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der +vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen +over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en +gingen uit elkander om zich reede te maken.</p> + +<p>Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in +schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.</p> + +<p>De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve +Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij +ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en +stond met gestrekte handen.</p> + +<p>Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel +toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.</p> + +<p>De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al +schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"</p> + +<p>Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.</p> + +<p>De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met +zijne scharen: God wil ze beschermen!"</p> + +<p>Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den +Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien—zoo +vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle +strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij +liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam +reden zij naar Keulen.</p> + +<p>Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij +dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij +in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands +van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het +Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.</p> + +<p>Als de Heidenen—de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij +mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de +twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en +vele Ridders van den paerde gestooten.</p> + +<p>Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de +Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van +wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir +grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door +Roelant.</p> + +<p>Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen +werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn +paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo +krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant +verstelde noch verschoot er niet af.</p> + +<p>De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot +niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende +wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe, +dat hij hem kloofde tot den paerde.</p> + +<p>Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen +Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo +strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er +60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden +bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een +geharnasten Heiden in tweeën.</p> + +<p>Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met +sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig +Sarazijn met der dood bekocht.</p> + +<p>Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den +zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden, +daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.</p> + +<p>En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen +Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden +daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den +Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs +kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren +vriendelijk wellekom.</p> + +<p>De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning +Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den +oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant +heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u, +Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille, +hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie +zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone +daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe +Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende, +en het de kroone won. </p></blockquote> + + +<p>De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve +Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros +meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik +zulk een Ros, ik zoû 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout +dwingen."</p> + +<p>En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle +landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen +uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen +Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of +behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle +paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt +gij er Reinout meê dwingen."</p> + +<p>Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze +liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij +zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat +hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een +staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede, +de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar +best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant, +dat hij u daarmede dwinge."—"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht +brengst du mij! waar zoû hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zoû +onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar +ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik +zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!"</p> + +<p>Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem: +"Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel +heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op +eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne, +het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den +gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat +'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij +daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te +krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al +zijn opzet van geener waerde."</p> + +<p>"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt; +maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt."</p> + +<p>Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij +dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs +bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn +paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen.</p> + +<p>Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen. +En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en +namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die +hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat +Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was, +ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en +elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap.</p> + +<p>Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen +daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen +boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam +Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt +hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al +zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur—want +hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een +jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde +gehad.</p> + +<p>Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders, +zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs +ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert +veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf +zoo wit als sneeuw.</p> + +<p>Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is +Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het +Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe! +onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen." +Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die +zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."—"Nu laat ons +de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch +Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen."</p> + +<p>Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen; +hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant +van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten.</p> + +<p>Ondertusschen—het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders +gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij +liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den +Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik +zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te +winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen."</p> + +<p>"Wat zegt gij, bode?" andwoordde dé Koning; "ik weet, dat Reinout hier +niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarmeê winnen!" —"Edel Heer +Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans +Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs."</p> + +<p>Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide: +"Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult +trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga; +en is 't dat gij hem vindt—zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als +zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u +met goud opwegen."</p> + +<p>Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit, +en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout +wierd gevangen<a name="FNanchor_1_49" id="FNanchor_1_49"></a><a href="#Footnote_1_49" class="fnanchor">[1]</a>: want de wegen zijn nauw bezet!</p> + +<p>Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van +Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en +Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman +wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar +Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde—zoo +zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw +volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!"</p> + +<p>Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs. +Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo +zoetelijk in Brittaansch of gij geen Françoisch en kondet."</p> + +<p>Op dat oogenblik zag Fouke—Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij +sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat +doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand! +laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien +wij ongedeerd gaan kunnen."</p> + +<p>—"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw +woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant +kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten +mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op +Reinout toe en hadde een lancie in de hand.</p> + +<p>Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij +ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde +vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?—God +helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar +gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik +zoude zeggen dat hij 't was."</p> + +<p>Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke: +"Spreekt Françoisch!—de Booze moog dy verstaan! —Vaar heen en heb +ramp!"</p> + +<p>Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet +verslagen?"—"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van +vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem +verstaan: want hij is gekomen uit Brittaniën." Toen stak Naymes zijn +zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat +'t paerd maar loopen mocht.</p> + +<p>Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en +zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete +woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide: +"Spreekt Françoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale +van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels +naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt +mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs +andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind, +maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij, +van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn +geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en +maaksel."—"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want +'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling, +mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot +zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil +koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout +daarmeê te dwingen—'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker +hopende de kostelijke kroon te winnen."</p> + +<p>—"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde: +"Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's +Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed +na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat +wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te +Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen +heel Senlis, Blois en Amiëns." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit +de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven."</p> + +<p>Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t' +vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'—"Neen wij, Heer Koning!" +antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een +onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben +zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen +Amiëns en Orleans."—"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt +wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des, +en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost—ware 't dat +mij Reinout ontkwame!"</p> + +<p>—"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe +blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en +Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of +men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen +zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!"</p> + +<p>Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort +30 gewapende mannen.</p> + +<p>En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten +aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn +hoofd door het klinket<a name="FNanchor_2_50" id="FNanchor_2_50"></a><a href="#Footnote_2_50" class="fnanchor">[2]</a>, en zag daarbinnen een gewapend man staan; +dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom +doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat +alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij +al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten."</p> + +<p>Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!" +Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik +heb gehoord dat hij vóór of achter is, en het sterk op 's Konings oneere +heeft toegelegd."</p> + +<p>Bij Reinout stond een rabout<a name="FNanchor_3_51" id="FNanchor_3_51"></a><a href="#Footnote_3_51" class="fnanchor">[3]</a>, en zeide: "Zag ik ooit Reinout—zoo zie +ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit: +Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond +dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor +zijn borst, dat hij dood viel.—"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs, +"'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide: +"Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is +witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een +gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien +jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden.</p> + +<p>Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en +als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden +werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden.</p> + +<p>Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong +Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij +Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo +dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te +wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en +Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad +in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien +van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten +had.—Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn +Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die +geen goed paerd en had, was verdrietig.</p> + +<p>Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en +Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat +zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet, +deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone +winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en +geen geld daaraan sparen."</p> + +<p>Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God +mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de +kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al +lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u +kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad +en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde +stappen maken."</p> + +<p>Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te +winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en +brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter +sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste, +en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren.</p> + +<p>Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met +zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere +zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van +Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te +winnen, een groot eind voor.</p> + +<p>"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone +winnen?—dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat +gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers +doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen +moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning, +werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat +zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij +dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft +een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zoû zeggen dat +'et Beyaert ware."</p> + +<p>Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout +verre vóor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de +staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de +kroone wech.</p> + +<p>Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever, +verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal +ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is, +wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout +andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros +zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld +niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en +geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit +Reinout—zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn +bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne +kroone weder!" Reinout zeî: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is +mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze +een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat +Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van +paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zoû!... Dat +mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!"</p> + +<p>Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast +aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?" +—"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!"</p> + +<p>—"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zoû ons niet +baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner +tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning! +gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn +paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat +hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij +reden te zamen in Montalbaen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_49" id="Footnote_1_49"></a><a href="#FNanchor_1_49"><span class="label">[1]</span></a> '<i>'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen</i>: +Reinout werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_50" id="Footnote_2_50"></a><a href="#FNanchor_2_50"><span class="label">[2]</span></a> <i>klinket</i>, ook <i>winket</i> genaamd: hier een luikjen in een +poortdeur.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_51" id="Footnote_3_51"></a><a href="#FNanchor_3_51"><span class="label">[3]</span></a> <i>rabout</i>: slechte knaap.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ACHTTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel—Koning Ywein ontbood, toen hij Hof +hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne +broeders leveren zoude in Koning Carels geweld. </p></blockquote> + + +<p>Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de +prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want +Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij +een andere kroone moest doen maken.</p> + +<p>Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem +waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning +Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten +Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als +de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en +ging met hem in een duistere welf.</p> + +<p>Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en +zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog +wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was +niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het +goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van +Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud +beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat +het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op +een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning +Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"—"Maar laat niemant van ons opzet +vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam +hij 'et, hij zoû mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel; +want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."—"Vreest niet," zeide +Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet +ontgaan om geen goed."</p> + +<p>Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale +gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En +Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere +Heeren, en reed met haaste na zijn land.</p> + +<p>En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof +aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning, +"ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar +Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer<a name="FNanchor_1_52" id="FNanchor_1_52"></a><a href="#Footnote_1_52" class="fnanchor">[1]</a>, +gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder +harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen, +ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud." +Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings +woorden, want zij hadden het goud lief.</p> + +<p>Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel<a name="FNanchor_2_53" id="FNanchor_2_53"></a><a href="#Footnote_2_53" class="fnanchor">[2]</a> van den heire." +Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te +volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na +Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten.</p> + +<p>Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongiën +gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te +vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter +jachte te Bordeas in 'et woud.</p> + +<p>God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden +mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch +kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen +op zijnen schilde.</p> + +<p>"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus +bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat +ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder: +want wij hebben te lange gejaagd."</p> + +<p>Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van +Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout +uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse, +mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede +achtergelaten!"</p> + +<p>En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide: +"Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te +zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij +zijn!"</p> + +<p>Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout +dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein +zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." —"Waarom hebt gij mij +niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen, +met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn."</p> + +<p>—"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen +betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw +boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt." +Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van +vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn +leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom +bieden? zal ik voor den Koning op de kniën vallen?" Ywein zeide: "Gij +zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken, +wollen en barvoets."</p> + +<p>Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des +ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn +hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag."</p> + +<p>—"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300 +mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze +mij en mijn broeders te hulp kwamen!"—"Dat en mag niet zijn," +andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alléén derwaards trekken; +gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt, +dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van +Arragon, zonder wapens in uwe kleederen."</p> + +<p>Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zoû ik zoo in Vaucoloen +varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein +zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!"</p> + +<p>—"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide +Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve +vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt +is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van +onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn +peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!"</p> + +<p>—"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en +komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht +mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een +verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft +in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in +Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."—"Zoû +ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te +Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen."</p> + +<p>—"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u +zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel +gewapend: zoo mag u geen kwaad geschiên: want, acht! ik ben zoo zeer +bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil, +zoo gaat—gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo +smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de +vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn."</p> + +<p>Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen +Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met +uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf +behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw +peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen +moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats +vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als +de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht +bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan +derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden +heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!" +sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik +hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons +geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij +kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware, +vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den +voetval doen."</p> + +<p>Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen +halen, en de mantels daar ze in rijden zouden.</p> + +<p>De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe; +zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier +zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zoû niet +gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van +doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en +verborg ze onder zijne kleederen.</p> + +<p>Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de +Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam!</p> + +<p>Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et +herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in +dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."—, "Gij zegt +waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en +wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"—"Hoe is +'t u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?" +Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat +ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!"</p> + +<p>Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft +Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof +wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen +zeiden de broeders: "Reinout laat ons vliên, want Koning Ywein heeft ons +verraden."—"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad +niet zoude plegen!" zeide Reinout.</p> + +<p>Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien, +en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de +Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke +was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den +hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als +hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw +goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en +binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen."</p> + +<p>Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord +zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u, +wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden, +opdat ik den Koning te voet valle!"—"Ik zegge u, Reinout," antwoordde +Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om +20000 kroonen."</p> + +<p>Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den +Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij +God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever +dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd +hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout +doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den +muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie +vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag, +riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en +hebbe geen nood."</p> + +<p>Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en +gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn +vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten +goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij, +broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte +lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u +schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt +ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en +anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn +paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout +aan.</p> + +<p>Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout +met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de +speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo +vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst. +"God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen +voeren den Koning."</p> + +<p>Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig +mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde, +hebben zijn broeders elk een François van den paerde geveld en de rossen +bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden +wij—want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft +ons verraden."</p> + +<p>—"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand; +wijk ik heden eenen man—God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden +stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en +vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn +broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags.</p> + +<p>Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder +harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan +de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal +u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts +broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de +harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven +zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze +wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie +broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om +Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen.</p> + +<p>Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met +veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout +te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert +gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond +zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de +waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert +andwoordde niets.</p> + +<p>Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat +Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging.</p> + +<p>Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen +broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen —van +Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en +ontzetten hem!"</p> + +<p>—"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen: +Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er +af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle."</p> + +<p>—"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij +lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem +den Koning, die hem hangen zoû, ware 't dat hij hem kon meester worden? +Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat +zoû men zeggen?—'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning +Carel strijden wilden: schande over hen—want de Koning heeft éen +broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!"</p> + +<p>Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd, +dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht +Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte<a name="FNanchor_3_54" id="FNanchor_3_54"></a><a href="#Footnote_3_54" class="fnanchor">[3]</a>: zoo veel was +Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert +gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den +stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen +slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet +ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u +zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O +genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai, +Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn +broeders: mij ziedy nu nimmer weêr."</p> + +<p>Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam—niet als een +mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze +truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout +zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn +is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle +dood."</p> + +<p>Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij +nabij kwam in tweeën: doodde nog twee andere: de overigen boden geen +weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en +zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde +blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!"</p> + +<p>Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter +slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u +voor God: gevalt het u weêr—ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide: +"Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef +onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen: +dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn +weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem +onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den +zadel.</p> + +<p>"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen, +den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u +binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen."</p> + +<p>Maar Reinout was reeds weêr bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke +kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt +mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep +Reinout.</p> + +<p>En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en +zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat +heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om +niet: hij heeft 'et met de dood bekocht."</p> + +<p>Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed +op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij +van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee +rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak +hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk +om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en +vochten als deze broeders deden.</p> + +<p>Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren +konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en +hij viel in onmacht.</p> + +<p>Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder +Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide +Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave +Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde.</p> + +<p>Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den +dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder!</p> + +<p>Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert: +maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur +niet wederstaan en konden.</p> + +<p>Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep +met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders +volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de +rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen.</p> + +<p>Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel +steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe, +en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo +snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij +bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk.</p> + +<p>Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig.</p> + +<p>Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns +Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij—lieden moogt u wel klagen +vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne +helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u +niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag."</p> + +<p>Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier: +"O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"—-"Calon, gij liegt +daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader +wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds +geboet."</p> + +<p>De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet—gij zoudt +verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet +langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet, +ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer +betichtet met verradenis."</p> + +<p>De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige +stede getrouwelijk gediend—maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg +u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze +den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo +wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog +langer strijden."</p> + +<p>—"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards +doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis +pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse +trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem +verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave +heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?"</p> + +<p>—"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders +begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een +vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier—want, zoo helpe mij God! +ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen +zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar +mij leed."</p> + +<p>Ogier zag Reinout met zijn broeders op de kniën liggen, en zeide: +"Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide: +"Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide: +"Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't +ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons +nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem +dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den +verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu +zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien +mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft +hij aan mij!"</p> + +<p>Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt +deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u +geleiden!"</p> + +<p>Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als +hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen." +Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik +niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben +hier hooger zake: dunkt het u goed —ik zal vertrekken, en gij zult met +uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven +willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg, +wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik +zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag."</p> + +<p>Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en +Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken.</p> + +<p>Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was +belegerd—had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer +lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten +bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij +onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en +vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had.</p> + +<p>Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de +burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot +den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want +Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel +een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger."</p> + +<p>De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout +zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond +ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een +berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij +blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd +met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de +dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar +hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt +gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet +verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk +slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw +wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht +Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging +Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in +den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert—Madelgijs zag, sloeg hij +naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert +te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel, +dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede, +greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste +voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij +'t niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs, +op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat +du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo +veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven +verliezen, is 't dat du niet en helpst."</p> + +<p>Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs.</p> + +<p>Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem +met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend +was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke +speer in de hand, en reed na Vaucoloen.</p> + +<p>Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel +voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs +konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen +dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen; +en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit.</p> + +<p>Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls +aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en +mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij +konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden +alle de dood voor oogen.</p> + +<p>Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs +komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep +hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft +groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs +alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons +thands wel uit de nood helpen!"</p> + +<p>Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout +hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide: +"Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar, +mocht ik Beyaert zien—ik ware gezond."—"Ik zie hem komen, broeder!" +andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem +herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht +slaan."—"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier +hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste."</p> + +<p>Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en +Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen, +en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal, +daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder! +ik voel mij genezen."</p> + +<p>Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem +wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen +zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader, +dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn +op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet +helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!"</p> + +<p>—"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied, +ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat +hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat +hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn +zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en +liep ter rotsewaart.</p> + +<p>Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik +heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan +hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en +weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied." +Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave +Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij +dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen +en voeren ze tot Koning Carel."</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm009.jpg" width="400" alt="Helpt mij, dat ik sta!" title="" /> +<p class="illus">Helpt mij, dat ik sta!</p> +</div> + +<p>Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse +gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn +dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet +wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede: +maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den +zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout.</p> + +<p>Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een +goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen +zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend, +"gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf +'et de sporen en reed te rotsewaart.</p> + +<p>En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees +wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert +zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij +en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen +op den vijand in.</p> + +<p>Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs +mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen +komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk +achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout +had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk, +en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider +stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen +ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook +Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen.</p> + +<p>Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met +felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den +paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen François 'et hoofd van den +lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de +Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Françoisen ofte +Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk +behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs +verlost.</p> + +<p>Als Ogier zag, dat de Françoisen verwonnen waren en uit den velde +vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk, +en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen +lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water +ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen +al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete +woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de +genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener +gifte: laat hem zulke zoudeniers méér zenden; wij zullen hunne zoldij +wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer +eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt +gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en +Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen.</p> + +<p>"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder +'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder +erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu +eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet +haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout +brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij +aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen +hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs +gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen.</p> + +<p>Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs +'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld; +hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na +dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een +klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne +misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij +Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks +vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote +strengheid.</p> + +<p>Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen. +Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer +komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer! +zijt wellekom."—"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber; +"maar zegt mij—waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn +broeders verraderlijk woû doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend: +"Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik +gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij +bedreven heeft."</p> + +<p>Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij +wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan, +dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000 +kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn +oogen; dat ik u niet meer en zie!"</p> + +<p>—"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy +in mij zoo strengelijk te straffen!"—"Voorwaar, broeder!" zeide +Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet +voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons +meê weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp. +Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen, +broeder—welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en +ziet."</p> + +<p>Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de +verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en +Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van +Yweins verraad niet meer gesproken werd.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_52" id="Footnote_1_52"></a><a href="#FNanchor_1_52"><span class="label">[1]</span></a> <i>zweer</i>:(hier) schoonvader.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_53" id="Footnote_2_53"></a><a href="#FNanchor_2_53"><span class="label">[2]</span></a> <i>Constapel</i>: opperbevelhebber.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_54" id="Footnote_3_54"></a><a href="#FNanchor_3_54"><span class="label">[3]</span></a> <i>een mijte</i>: worm, niets.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL" id="HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL"></a>HET NEGENTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe +de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis +opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter, +dien hij in 't perk versloeg. </p></blockquote> + + +<p>Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met +haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De +Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop +vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt +gij mij Reinout gevangen?"—"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier; +"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout +met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft +verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager; +hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen +mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et +mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht +Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."</p> + +<p>Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb, +zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."</p> + +<p>—"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen, +zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant +herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide +Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude +den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve +Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat +Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een +verrader is."</p> + +<p>Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den +handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden.</p> + +<p>"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige +zweeren."</p> + +<p>—"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger +ben;" en hij leîde zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij +Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis +gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel +waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere +geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes: +"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan."</p> + +<p>En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet +aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel +vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij +zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik +zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en +dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren. +Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met +zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er +dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met +hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vliên, door +'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet +medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!"</p> + +<p>Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier +opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid.</p> + +<p>"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de weêrpartij, "dan +moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel, +den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u +slecht vergaan: ik neem u 'et leven."—"'k En vrees u niet, Wouter!" +antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den +slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies<a name="FNanchor_1_55" id="FNanchor_1_55"></a><a href="#Footnote_1_55" class="fnanchor">[1]</a> vrees ik u. +Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en +deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen, +en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden +slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf +Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de +schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier—Koning Carels +kampvechter, die hem de verradenis zoû doen bekennen, te Vaucoloen door +hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en +wierp 'et uit den krijte.</p> + +<p>"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held. +"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot +den Koning gaan!</p> + +<p>En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel +sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de +fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man. +God en Sint-Jan helpe mij—Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten +eersten slage sloeg hij hem dood!"</p> + +<p>"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis +bewijzen? Bij den Heere van Nazareth—ik en dede er nimmer! Maar uit +Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had +ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen +ik, Heere—ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed."</p> + +<p>Toen zwoer Roelant hij zoû Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem +vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik +verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van +Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800 +Ridders zal ik u volgen—waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de +koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en +neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij +Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!" +Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van +groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van +Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in +Gascongiën, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en +maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen.</p> + +<p>Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongiën. En als zij in het +land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein +zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en +is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven +lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer, +en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de +Historie.</p> + +<p>En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk. +Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag, +deed hij zijnen zwageling<a name="FNanchor_2_56" id="FNanchor_2_56"></a><a href="#Footnote_2_56" class="fnanchor">[2]</a> Reinoude, door een goeden bode, vragen, +'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die +Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen, +dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om +ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant. +Gevangene van Reinout wilde hij zijn—ja, want hij hadde zelfs, door +zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend.</p> + +<p>De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de +zake, die hem opgedragen was—maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat +het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!"</p> + +<p>Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind +heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het +kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere, +waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te +boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is +terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als +men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze +woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der +mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne +vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al +spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad, +omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt +op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met +zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem +levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven."</p> + +<p>De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem +oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen.</p> + +<p>Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich +zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun +Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud +gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar +mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden +mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij +goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te +Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed +bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in +vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et +u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk +nader."</p> + +<p>Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen +de Françoisen te goed: zij zijn boos en fel: alléén zult gij er niet +heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden."</p> + +<p>—"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en +aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met +gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster.</p> + +<p>Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het +klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft +overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem +zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar +hij hem op staande voet zoû hangen.</p> + +<p>Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve +neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn +kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons +nimmermeer verrade."</p> + +<p>—"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk +God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!"</p> + +<p>—"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader. +Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik +zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren—waar men +hem nimmer uit weêrziet!"—"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om +niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein +hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"—"Gij en zult niet, +Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik +daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus +liet ombrengen."</p> + +<p>—"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem +aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"—"Bij Sint-Jan," +sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal +ophangen! 't Kwame hem te schande."</p> + +<p>—"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van +'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein +hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf +Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord +aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em +Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er meê wech. Ook de Grave +Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot +leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen +had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde: +"Ik ben het niet."</p> + +<p>—"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout +"Ongelijk zoû deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met +Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zoû ik er 'et leven +afbrengen! Maar, Sint-Amant<a name="FNanchor_3_57" id="FNanchor_3_57"></a><a href="#Footnote_3_57" class="fnanchor">[3]</a> helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik +keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter."</p> + +<p>—"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij—ge zult hier +ter stede mij vinden."—"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e +hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat +hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen) +om daar een kamp jegens hem te vechten.</p> + +<p>Roelant keert zóo met eere tot de Genoten.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_55" id="Footnote_1_55"></a><a href="#FNanchor_1_55"><span class="label">[1]</span></a> <i>bloemknop—bies</i>, zoo veel als niets.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_56" id="Footnote_2_56"></a><a href="#FNanchor_2_56"><span class="label">[2]</span></a> <i>zwageling</i>: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_57" id="Footnote_3_57"></a><a href="#FNanchor_3_57"><span class="label">[3]</span></a> <i>Sint-Amant</i>: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop +van Maastricht (VIIe Eeuw)</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout +kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen: +maar de Genoten belett'en 'et. </p></blockquote> + + +<p>Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em +dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"—"Zwijg, God +schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij +bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar +Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw +over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."—"Zwijg, +verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner; +"Roelant is gram."</p> + +<p>—"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom +zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't +Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zoû hij naar u vragen: wat +mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?"</p> + +<p>—"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik +Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd +heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den +held tot rekening gedaagd."</p> + +<p>—"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen +gezworen—zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen. +Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen +kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord: +wordt Reinout van u verslagen —gij zult 'et geen drie dagen overleven. +Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven."</p> + +<p>Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van +Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen: +zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd +betoonen kan!"</p> + +<p>—"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn +doen geen bloemknop geve."</p> + +<p>En Ritsaert van Normandië, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van +Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood—ware 't dat hij Reinout van +Montalbaen versloeg.</p> + +<p>"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik +hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik +tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik +liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van +den eed ontslagen ben."</p> + +<p>—"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge +moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van +Montalbaen—zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et +krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met +hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo +zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet +wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in +Vrankrijk voeren."</p> + +<p>Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier +geslagen—zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den +kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt."</p> + +<p>Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar +Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem +zijner Vrouwe.</p> + +<p>Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen: +"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en +leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van +Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit: +"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in +Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen +verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land +verwierven."</p> + +<p>Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren +zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op +staande voet, alleen naar Beurepaer."</p> + +<p>—"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy +doen te Beurepaer?"</p> + +<p>—"Adelaert!" zeî Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een +kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!"</p> + +<p>—"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal +ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan +worden—wijl hij der besten éen is, die ooit de zonne bestraalde. Bij +den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem—gij zijt dood, en +wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde: +"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter +waereld—al dacht ik er dood te blijven."</p> + +<p>Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends +Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs; +"God behoude en bewaar u—maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal +hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het +perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood—men zoû er groote schande van +spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!"</p> + +<p>Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en +de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout meê te varen.</p> + +<p>Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil +niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar +alleen."</p> + +<p>Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij +Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan. +Hij ontwapende zich en leî zijn harnas op zijn schild.</p> + +<p>Toen viel Reinout op zijne kniën voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en +zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik +bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in +mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn +Ros Beyaert uit erkentenisse."</p> + +<p>—"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik +u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen, +omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt +gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe +uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet."</p> + +<p>Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en +ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de +spere in de hand.</p> + +<p>Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van +Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met +mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en +staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel +met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout: +"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet +van al mijn leven."</p> + +<p>De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die +hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en +ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande, +die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van +een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd +Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het +is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De +Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun +dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen +koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag."</p> + +<p>—"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en +nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te +gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit +ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik +vliên: God geve u hoon!"</p> + +<p>De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij +spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote schaê gedaan, toen +gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant +zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk!<a name="FNanchor_1_58" id="FNanchor_1_58"></a><a href="#Footnote_1_58" class="fnanchor">[1]</a> opdat ik de schande op u niet +verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen," +zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was, +dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen, +dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig François 'et lijf zoû behouden +hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en +Reinout reed naar Montalbaen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_58" id="Footnote_1_58"></a><a href="#FNanchor_1_58"><span class="label">[1]</span></a> <i>schalk</i>: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend +wat laag, vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is.</p></div> + + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning +Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs +uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden +ontvoerde. </p></blockquote> + + +<p>Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et +wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen +dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het +Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar +de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs +nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij, +"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning +Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en +toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar +Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar +Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er +hand vloog.</p> + +<p>Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij +droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige +handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter +nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar +Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer +ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!"</p> + +<p>Zoo voerde Olivier—Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot +hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de +Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier, +mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels +ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs +gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer +Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde +de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij, +"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon +Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid +onttogen!"—"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal +geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"—"Gij zegt waar," sprak de +Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!"</p> + +<p>De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat +men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte +Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de +Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning," +hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."—"Wie zoû +zich voor u borge willen stellen," zeî de Koning, "wie mijner Edelen +voor u!"</p> + +<p>Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt +gij mij borge wezen tot morgen!"—"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et +willig."—"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en +mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog! +wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde +mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit +niet tot oneer gedije." —"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet; +met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage."</p> + +<p>Dan loeg de Koning en sprak: "Laat hem, bij zulke borgen!"</p> + +<p>Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De +Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten, +hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den +haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs: +"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene +spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem +hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs, +ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat +dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij +aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden: +"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"—"Geen blijder man dan ik!" zei +Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval +zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zoû; men sloot hem +in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier +kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer +de nacht verloopen is."</p> + +<p>Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de +Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar +Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur +en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren.</p> + +<p>Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem +af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de +deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en +nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en +nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en—vlood naar Montalbaen.</p> + +<p>Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van +al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep, +overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan +eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en +kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help, +moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een +schandigen dood!"</p> + +<p>Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot +Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord +had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is +dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave +Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg +in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns +ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat +niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den +weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat +hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt +mij wie du bist, of zoo helpe mij God!—ik slaag die met den zwaerde dat +du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert +reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout, +hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep +Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde +u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan +spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den +Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad +den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij +toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men +legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten +de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in +des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage +onder den mantel."</p> + +<p>—"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!" +andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."—"Oom!" zei Reinout, "dat +is niet wèl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!"</p> + +<p>—"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem +voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!"</p> + +<p>Dan dede Reinout—Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot +Montalbaen.</p> + +<p>Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich +haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn +Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en +dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem +ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de +Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit +den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet +meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun +zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar," +spraken zij, "God geef hem schande!"</p> + +<p>De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zoû laten zoo +lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven +mocht.'</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel-Montalbaen beleîde, en hoe Reinout in +eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide. +En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen, +Koning Carel haren broeder te voet valt. </p></blockquote> + + +<p>Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir, +en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleîden. Roelant zond een bode +tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd, +wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij +Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem +tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet +groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als +Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve, +dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem +verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot +zoen willen helpen bij Carel den Koning."</p> + +<p>Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij +trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen +hem liet verzoenen.</p> + +<p>Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord: +"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij +belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat +zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen +neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt: +want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en +betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer +wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te +geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen, +kunnen strijden."—"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de +Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe +met hen wat mijne eere van mij eischt."</p> + +<p>—"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap +Haymijns kinderen en hope te slagen!"</p> + +<p>—"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode +zijt."</p> + +<p>—"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," zeî +Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet +men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale. +Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen. +Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege +den Koning."—"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij +eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen +gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig +voorbehoud."</p> + +<p>—"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en +goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig +nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve +mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen +ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag +hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee +en verre op de heidenen." —"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap +wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed."</p> + +<p>Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en +deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten. +Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel +bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings +heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag, +wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000 +mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten +Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere; +als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw +leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning +komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd +Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met +gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven, +hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de +Françoisen verdoen wij heden!"—"Schande moog u treffen!" riep de +Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros +onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs weêr +op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo +dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde.</p> + +<p>Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat +Haymijns kinderen hem ontreden waren.</p> + +<p>De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde.</p> + +<p>De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zoû een +parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken, +en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten +laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode +tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden +zoû, om van den peis te handelen.'</p> + +<p>Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog +ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet: +"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice, +mogen u hoeden."—"Reinout," zeî de Koning, "laat staan de groete; hoe +veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"—"Ik wil 'et boeten, Heer +Koning!" gaf Reinout ten andwoord.</p> + +<p>De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan +zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot +zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij +waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier +nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten +parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd +afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op +Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op +'s Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten +parlemente te komen."—"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn, +"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem +raden Reinout met valschheid te vangen.—Heer Koning," sprak hij verder, +"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders +tegen u verzoend worden."</p> + +<p>Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de +moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde, +te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en +toog naar Montalbaen.</p> + +<p>Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam +uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen +malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den +Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant, +Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te +paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht +viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's +Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert +weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen +van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk +om zich heen, dat hij weêr te paerde kwam. Toen reed Salomon van +Bretagniën tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander +zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit +zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op +Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde +Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit +hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?'</p> + +<p>De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag +Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den +paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij +Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan." +Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op +zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben, +maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen +sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts +volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten +onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij +vliên! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en +Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in +'et kasteel gedreven.</p> + +<p>En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden +nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u +berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve +medegaan!"—"Hoe? gij truwant<a name="FNanchor_1_59" id="FNanchor_1_59"></a><a href="#Footnote_1_59" class="fnanchor">[1]</a>, zoude ik dan met u gaan?—Beliegt gij +mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te +Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel +Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt +daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden +voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."—"Wildy nu +van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik +gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult." +Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal +goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te +Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge +zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te +waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij +'et lichtelijk doen kon'.</p> + +<p>Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de +banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's +Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen +aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit +half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte +dat wij reeds op de vaart derwaards waren."—"Gaan wij dan," zei +Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den +Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne +magen; en leîde den Koning in een schoon bedde.</p> + +<p>En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik +geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is +dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik +meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij +geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar +te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene +hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer, +daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor +zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit +heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem +hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne +kniën, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit +hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen +sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout +beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij +den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven."</p> + +<p>Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy +wel."—"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet +ik des hier sterven, kwade dief—gij zult er vermaledijd om zijn; want +met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide: +"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt."</p> + +<p>Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik +u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen.</p> + +<p>Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan—ik zal mij beraden met +Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet," +zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning +van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in +zijn tente kwam.</p> + +<p>Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem +minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning +zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert +wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder +tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit."</p> + +<p>Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout, +en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings +gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes +komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom." +Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen, +dat gij tot hem komet—gevangen."</p> + +<p>Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken —wij +zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel."</p> + +<p>Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide +hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven +schenken'—zij komen gevangen af."—"Hoe!" zeide Carel; "éischen zij iet +van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want +zij en hebben geen victualie."</p> + +<p>De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te +bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig. +Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert +dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood +van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert +niet!"</p> + +<p>—"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door +honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren +raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met +ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert +aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede."</p> + +<p>Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de +Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun +paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn +zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen +laten vergaan van honger?"</p> + +<p>Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en +bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden<a name="FNanchor_2_60" id="FNanchor_2_60"></a><a href="#Footnote_2_60" class="fnanchor">[2]</a> +geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad +gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't +voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe.</p> + +<p>De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap<a name="FNanchor_3_61" id="FNanchor_3_61"></a><a href="#Footnote_3_61" class="fnanchor">[3]</a> voor Montalbaen.</p> + +<p>En die op de muren stond—zag, dat de Genoten hun engienen<a name="FNanchor_4_62" id="FNanchor_4_62"></a><a href="#Footnote_4_62" class="fnanchor">[4]</a> sterkelijk +stélden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te +bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier, +Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij +ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon +Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor +langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij +tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven.</p> + +<p>Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten +geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen +veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om +geen goed gegeven hebben.</p> + +<p>Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen +ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen: +daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons +wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier +alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het +beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered."</p> + +<p>Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden +woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe +Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden +heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen +mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en +zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij +te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de +Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden +Haymijnskinderen te gemoet.</p> + +<p>Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat +hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef +steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door +zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken +was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende: +"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met +sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij +zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed.</p> + +<p>Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel +van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et +dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter +poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout +was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn +broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te +eten was.</p> + +<p>Hierentusschen is Koning Carel—Reinout met zijn volk onvermoeid +gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk +belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en +zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn +vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo +dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan—kan ik dit Ros machtig +worden—ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner +kroone.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm010.jpg" width="400" alt="Ten leste zonk het Ros" title="" /> +<p class="illus">Ten leste zonk het Ros...</p> +</div> + +<p>De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij +spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen +hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil +t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende +minlijk liet gaan!"</p> + +<p>Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des +Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden +met hem te hebben, en reed weder naar het heir.</p> + +<p>Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare kniën en +bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij +Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook +alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet +verzoenen.</p> + +<p>En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot +genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die +hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft—en mij toelaten daarmeê +naar welgevallen te handelen—zoo mag hij tegen mij verzoenen—en anders +niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij +trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven +wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst; +zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen +mogen."</p> + +<p>Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met +groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des +Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had, +zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De +broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan—maar welhaast barstte +Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige +dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede, +droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere +broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig: +"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik +Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is +onze Koning—en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag—wij +mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et +Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken +hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den +Koninge Beyaert geven zoude.</p> + +<p>Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft +hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat +hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen meê handelen +zoude—maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem +misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'—"Mij dunkt," zeide de +Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang +gewacht."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_59" id="Footnote_1_59"></a><a href="#FNanchor_1_59"><span class="label">[1]</span></a> <i>truwant</i>: lage knaap, bedelaar.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_60" id="Footnote_2_60"></a><a href="#FNanchor_2_60"><span class="label">[2]</span></a> <i>blijden</i>: steenwerptuigen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_61" id="Footnote_3_61"></a><a href="#FNanchor_3_61"><span class="label">[3]</span></a> <i>reedschap</i>: instrumenten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_62" id="Footnote_4_62"></a><a href="#FNanchor_4_62"><span class="label">[4]</span></a> <i>engienen</i>: machines, krijgstuigen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL" id="HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL"></a>HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en +hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe +Reinout een heremijt werd. </p></blockquote> + + +<p>Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met +zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot +de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed +hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele +verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft +Reinout—Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer +Koning, doet er mede naar uw welgevallen."</p> + +<p>En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee +molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse, +en werpen in de rivier.</p> + +<p>Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar +terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout; +toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden +braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij +naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert +wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning +dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals +twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en +liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn +muil.</p> + +<p>De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel +zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen +vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout—geeft gij +den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om +een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo +helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy +gehad; met slechten loon wordt gij beloond!"</p> + +<p>Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende: +"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd +hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het +gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout +wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen +verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet +omzien zoude na Beyaert.</p> + +<p>Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote +molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere; +toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder +boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een +mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid +hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't +gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen.</p> + +<p>Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als +sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te +Montalbaen.</p> + +<p>Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en +waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog +bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit +hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze +van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en +was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide: +"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en +volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, beleîde ons in Ardennen, en +vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen +zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene +zóo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede; +aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert +verdrinken."</p> + +<p>De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert +zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en +mochten hem en zijner machte niet wederstaan."</p> + +<p>Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten +zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als +hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken +tot den voeten. Geen Ros, zoû hij na Beyaerts doode meer beschrijden; +geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden!</p> + +<p>Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen, +door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar +hem niemant en kende.</p> + +<p>Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar +nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide: +"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en +wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste +man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig +jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk +doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar éenen wensch: dat ik mijn +zonde konde biechten en boeten—want mijne misdrijven benauwen mij +onlijdelijk."</p> + +<p>De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk +gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de +zonden laten en niet meer doen—zoo valt dan op uw kniën en bidt God +oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig +einde moogt brengen."</p> + +<p>Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den +Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo +zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite +tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik +blijve dood van koude en van honger, want mijne kleêren zijn aan +stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken."</p> + +<p>Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide: +"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien." +Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van +koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God. +Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide, +dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na +den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit +hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende: +"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken +zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't +Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen +verloren hebben."—"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want +wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode +voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem.</p> + +<p>Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met +weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten +derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte +dat hij daar wél op rusten zoû; want de nacht overviel hem. En als 't +begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat +hij kwam in Sinte Jores' Braes<a name="FNanchor_1_63" id="FNanchor_1_63"></a><a href="#Footnote_1_63" class="fnanchor">[1]</a>; daar vond hij schepen en voer in het +land van den Islamme<a name="FNanchor_2_64" id="FNanchor_2_64"></a><a href="#Footnote_2_64" class="fnanchor">[2]</a>. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat +hij kwam in de haven van Tripoly.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_63" id="Footnote_1_63"></a><a href="#FNanchor_1_63"><span class="label">[1]</span></a> <i>Sinte Joris' Braes</i>: Bras de St George, de Dardanellen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_64" id="Footnote_2_64"></a><a href="#FNanchor_2_64"><span class="label">[2]</span></a> <i>Islamme</i>: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet +Stamme, het duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en +hoe Madelgijs bij hem kwam, én hoe Madelgijs dood bleef +in het beleg van Jerusalem. </p></blockquote> + + +<p>Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een +nieuwmare kwam, dat Tabarië belegerd en Akers in grote zorge was, en dat +er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee +waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de +steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen +op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim +had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken +geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te +ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te +voorkomen.</p> + +<p>En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen, +werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knieën +en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij +anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de +Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit +zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en +twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom, +dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde. +Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van +Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch +schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen. +Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout +nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild. +Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig +Sarazijn mede doodsloeg.</p> + +<p>Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder, +liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht +zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de +Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich, +en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den +heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de +Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden.</p> + +<p>En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam +van zijn oom Madelgijs.</p> + +<p>Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete +over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen—de Christenen +bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen. +Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem +kwam eene stemme van Godes wege, die hem opleîde, "dat hij zoude gaan en +helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar +komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner +konste en van zijner Godsvrucht.</p> + +<p>Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem +getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden +doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij +den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren +de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen +de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd +heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele +land.</p> + +<p>Uit het land van Syrië, van Tripoly en Antiochië vloeiden de scharen +bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij +elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van +Syrië gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de +belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten +leggen, om elken verderen uitval te beletten.</p> + +<p>Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten +manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei +krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk +werden gesteld.</p> + +<p>De Soudaan van Babylonië daarbinnen deed echter met mangneelen en +blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen +in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen. +Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig +Christen sneefde daar, die te dier tijd vóór de stad de Turken kwam +bevechten.</p> + +<p>In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en +vochten al d' andere vóór. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en +Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel<a name="FNanchor_1_65" id="FNanchor_1_65"></a><a href="#Footnote_1_65" class="fnanchor">[1]</a> +zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij +heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van +zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den +Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In +zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere; +"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!"</p> + +<p>En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God +t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme +in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem +al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs.</p> + +<p>Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen +vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf, +stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom +Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de +stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls +in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen +raad: wilt gij de stad winnen —laat ons dan wegen en poorten naauw +bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van +spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad—en anders niet." Deze +raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke +poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas.</p> + +<p>Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren, +werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te +helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan +victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan +gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den +strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met +hulpe van Mahomet en Apolijn."<a name="FNanchor_2_66" id="FNanchor_2_66"></a><a href="#Footnote_2_66" class="fnanchor">[2]</a> De Soudaan gaf toe, en de Turken reden +uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag: +zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere +afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter +weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen +er vele; vele gaven er zich gevangen.</p> + +<p>Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun +heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef +alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die +binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende +zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar +Reinout vóór lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan +en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden +was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en +hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn +staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit +ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!"</p> + +<p>Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan +hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met +mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet +vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met +den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep +de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten," +'t welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij +mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep +Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan, +dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze +in zekerheid.</p> + +<p>Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem.</p> + +<p>En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn +lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen +gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan +hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des +Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'—"Wat mij +betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout. +Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden +den Soudaan gevangen.</p> + +<p>Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van +wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en +Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van +Jerusalem, en viel voor hem op zijn kniën, en bad hem, dat hij hem zijn +zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf +hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot +mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden +van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren. +Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de +Edelsten van den lande.</p> + +<p>Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor +wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsiliën. En als +zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande +zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen, +die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout +aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en +ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't +schip.</p> + +<p>Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor +Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde +hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen +hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen +Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis +voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic +van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij +wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning +lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit +goeden raad.</p> + +<p>Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en +zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt +bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam, +waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging +en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk +gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en +zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is +gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten +Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom +gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze +verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad. +Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade +gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom +willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den +Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten +heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij +van zijn vader zoû gehad hebben—daarom willen wij den Koning zeggen, +dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij +mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en +Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij +over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant méér +gehoord?'—'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf +lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittanniën, +Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn<a name="FNanchor_3_67" id="FNanchor_3_67"></a><a href="#Footnote_3_67" class="fnanchor">[3]</a>.' Toen Koning Carel dit +hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zoû doen vangen. +Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken. +Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem +'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem +verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit +der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn +leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den +Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide: +'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook +alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen +wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en +met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving. +Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'—'Ik stem daarin,' +zeide Guweloen."</p> + +<p>Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij +was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend.</p> + + +<div class="footnote"><p> +<a name="Footnote_1_65" id="Footnote_1_65"></a><a href="#FNanchor_1_65"><span class="label">[1]</span></a> <i>quareel</i>: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_66" id="Footnote_2_66"></a><a href="#FNanchor_2_66"><span class="label">[2]</span></a> Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als +Sarazijnsche afgoden voor.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_67" id="Footnote_3_67"></a><a href="#FNanchor_3_67"><span class="label">[3]</span></a> Dr. Mannes leest <i>Herclijn</i>; de vl. uitg. heeft <i>Hebron.</i></p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en +Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot +zwaren arbeid vernederde. </p></blockquote> + + +<p>Reinout ging tot Koning Carel, en stond vóór hem als een arme pelgrim.</p> + +<p>"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van +over Zee en van de stad Jerusalem?"—"Heer Koning!" andwoordde Reinout, +"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem +veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen +van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg +"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout +geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der +vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch +Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of +hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning! +hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man."</p> + +<p>Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en +ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten: +maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren +droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen +aantrekken, en bewees hem groote gunste.</p> + +<p>En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en +vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder +waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich +voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout +dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader, +moeder, en zijne broeders niet weêrvond.</p> + +<p>Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp, +dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet: +God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet +verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat +zij kampen zouden.</p> + +<p>Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een +goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad +van Parijs.</p> + +<p>Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner +spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde +held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden +vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden. +Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar +kwetste Galeran niet.</p> + +<p>Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde. +"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij +zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een +ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de +handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij +zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd, +waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den +strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert +stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde +Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij +het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere +zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen +sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en +sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en +het loon kreeg voor zijne valschheid.</p> + +<p>En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen +slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer +voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran +aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit +zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer +in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil, +dat men dit wel versta!</p> + +<p>Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen, +en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan +met den Koning.</p> + +<p>Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken +af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en +schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van +daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech +in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.</p> + +<p>Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den +ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der +wegen droeg hij hout aan, en mortel<a name="FNanchor_1_68" id="FNanchor_1_68"></a><a href="#Footnote_1_68" class="fnanchor">[1]</a> en steen, en was de minste onder +de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om +geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der +fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den +gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_68" id="Footnote_1_68"></a><a href="#FNanchor_1_68"><span class="label">[1]</span></a> <i>mortel</i>: ciment.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en +diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen, +en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden +werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam. </p></blockquote> + + +<p>Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten +jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint +Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards +timmerliên en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen.</p> + +<p>Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad +kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De +werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden. +Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde.</p> + +<p>De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote, +mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zoû +kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen +wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen +eenen penning!"</p> + +<p>Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij méér verdienen zult: wilt +gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen +daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga—'k en wil zoo veel +niet winnen."</p> + +<p>De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal +ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken."</p> + +<p>—"Heere," zeide hij, "dat doe ik!"</p> + +<p>En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alléén steenen aan, die ze met +hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden.</p> + +<p>Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar +éenen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alléén +meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u +in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen +eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te +dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne +gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te +bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar +éen gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en +sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds +was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de +meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe +hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem +zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude +zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman." +Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest—hij +zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking.</p> + +<p>Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en +het werk schier alléén deed. De meesters, hoogst voldaan over hem, +vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een +onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van +kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen: +"Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal +hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den +steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."—"Ik weet +beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf +mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen +gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij +hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem +in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan."</p> + +<p>En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten +tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed, +bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen +hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water—nochtans en mocht de +last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden +waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm011.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + +<p>In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had +'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde +lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was, +en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord +was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij +genezen.'</p> + +<p>De vrouw ontsprong<a name="FNanchor_1_69" id="FNanchor_1_69"></a><a href="#Footnote_1_69" class="fnanchor">[1]</a> met dien visioene en dede zich kleeden, en op den +Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar kniën, en +zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te +voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot +den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten +waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten +laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en +zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken, +en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te +luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken +om de ware oorzaak te vernemen.</p> + +<p>Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een +mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een +devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is +genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met +cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte +der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles +gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den +zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen +die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het +lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken +gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven +werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van +Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar +bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die +bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door +uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden +geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren—wist ik wie u +verslagen hadde, ik zoû hem den Koning zenden!"</p> + +<p>Als die van Dortmunde<a name="FNanchor_2_70" id="FNanchor_2_70"></a><a href="#Footnote_2_70" class="fnanchor">[2]</a> dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en +vielen op de kniën voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun woû +geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner +gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk: +"Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor +hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een +karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de +paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de +kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na +den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet +wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde, +'twelk menig mensch zeer verwonderde.</p> + +<p>De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom. +En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes, +Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_69" id="Footnote_1_69"></a><a href="#FNanchor_1_69"><span class="label">[1]</span></a> <i>ontsprong</i>: stond op.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_70" id="Footnote_2_70"></a><a href="#FNanchor_2_70"><span class="label">[2]</span></a> <i>Dortmunde</i>: stad in Westfalen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed +boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den +Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen +kwam. </p></blockquote> + + +<p>De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel +aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen +was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij +uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van +zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij +zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.</p> + +<p>Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen, +en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden +van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den +Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning! +wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en +niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden +wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar +ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo +jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat +zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk +terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning +Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan +Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in +den Rijn.</p> + +<p>Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig +waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te +Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok +na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de +Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was. +Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien +'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad: +"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van +den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder +menschen hulpe—dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel: +"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit +hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et +lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag +daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn +broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als +de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij +hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het +lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote +rouwe en misbaar.</p> + +<p>En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.</p> + +<p>Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in +'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest! +Amen.</p> + +<p>Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout +Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm012.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="WILLEM_VAN_ORANJE" id="WILLEM_VAN_ORANJE"></a>WILLEM VAN ORANJE.</h3> + + +<p>A. D. 806.</p> + + +<p> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;"</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Maar wie zal...?"—Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen meê.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Geef gij aan den broeder het noodige geld!"</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Nu dit hem met-een in de hand is geteld,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En was ook al gaauw uit het klooster gereden.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo'n kloostergeleerde—'t staat vréémd op een paard!....</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Die staljongen—is zonder grónd niet vervaard;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo denkt ge!—maar och, hoe bedriegt soms de schijn!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Al lijken de kappen een haar op elkander,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Nú rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Twee korfjens, een knaap, voert hij meê op zijn ros;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En de vuist, die den slappenden toom soms vervat—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En de knie, die zich spant en het bergachtig pad</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Den klepper op éénmaal soms over doet schieten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En springen en waden, waar beektakken vlieten</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Of heester en kloof hem den weg soms verspart—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Geen wonder! geen wonder!—de bode, die heden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat schild—was het wapen van 't Prinsdom Oranje.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Oranje! geen held onverwinbaar als hij!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Een Roelant-alléen stréeft dees Willem op zij.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Herroepend zijn helden:——Geen dooden, die hooren!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Oranje!—steeds galmden de harpen zijn naam!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen!</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">'t Is lang geleên!—hij had, na felgevochten strijd,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhône.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat op de wallen van de leêggeroofde veste</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De stoutste plonderaars te levren in zijn hand</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Naar wellust martlen woû, den jongen Christen Grave</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En de Emir, dol van spijt, doch met betóomde woede</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">'t Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">'t Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Uw woord tot onderpand—en, om mijns Heilands wil,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Ontboeit hem, knechten!"—Maar op eens, wat luide gil!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En barst in dank op dank en tranenstroomen los.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En wat de vader deed—ik wil daar nóg voor boeten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behouën?...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"O, vraag een losprijs!—dat mijn harte moog vertrouwen!"</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Die mij mijn vijand leert beminnen—die begeert</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Der dochter weêrgeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!"</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre stem:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De God van Willem werd der teedre maged God:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En—knielend voor den troon van Keizer Charlemanje,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:—de volle dag,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Heer!—Heer!—hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch?</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zóo zijn wij het bosch uit——Ons valt men niet ân:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Gedraafd en gezongen met vrolijken zin!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Dan halen niet eens die kornuiten ons in."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"Heer ... 'k durf niet;... maar—daar gij 'et wilt—zal 't gebeuren."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En bevend begon hij een lied jen te neuren.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!'</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.'</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Die ginds langs het lover de takken ontblaarden:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Den een na den ander een zevental ruiters,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mâmêt:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem betoomt zich met moeite van binnen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Dat pak?—'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Voor schatten vermoeden in grauwharen pij!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Ik bid—laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen."</span><br /> +<br /></p> +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm013.jpg" width="400" alt="Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist." title="" /> +<p class="illus">Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist.</p> +</div> +<p> +<span style="margin-left: 3.5em;">—"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Die 't meest ons belemmert!... maar üit heeft uw rijk!—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En beiden de plunje van 't lichaam gereten!"</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steê,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Ze binden hem handen en voeten, en reê</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Den monnik, dien zij met hun vijven omringen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Tot afstappen en ontkleeden te dwingen,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zóo varen ze, die zich niet laat gezeggen.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"We maakten hun goud, en wat anders nog, buit,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Toe! voort uit den tabbert! Het minst is óns meest!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Uw pij uit!—Die hoofdkap bij de ándre kaproenen!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">—"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Den huifwagen in met het zadelgeraad;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...'</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen....</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Een weêrloze monnik—maar geeft me mijn knecht</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Voor 't minst dan weder!"—"Dien knaap?—Gij hebt recht</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Den knaap in de kar!—en de paarden de sporen!—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Alleen u vervéelt, in uw luchtigen dos,...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat kan toch den beste eremiet overkomen,...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Hier hebt gij een koord—en daarginder staan boomen!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Fraai, mannen! fraai helden!—Uw prooi lacht u uit;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"De gordel, die schuilt in mijn onderste klêeren,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Een gesp is er aan van het edelste goud,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">De hoofdman rijdt nader: "Zoû 't waar zijn?—Pas op,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!...</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Te voorschijn die gordel!"—"Ik schenk hem u. Heer,"</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!"</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">—"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Daar heft hij de vuist, en met morslende slag,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hij stort zich te midden der wanklende knechten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Oranje vooruit!—Ha, gij wolvengebroed!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..."</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn knaap niet alléén werd geboeid door het rot....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Twee ándre gevangnen, wien doeken en banden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Het roepen belett'en en 't roeren der handen!...</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">De schaduw der huive floerst Willem het oog;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Hoe dús?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Om u in het klooster te komen verrassen....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"We hebben steeds in de Cortezische plassen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Niet ver van 'et burchtslot zoo héérlijken visch!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En hadden dien heden bestemd voor uw disch;...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen!</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...."</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En glimlachend leî hij de zweep op het paard;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De staljongen moest met den bles het maar stellen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En de Abt kreeg twee gasten en—goede forellen.</span><br /> +</p> + +<div class="figcenter" style="width: 350px;"> +<img src="images/thijm014.jpg" width="350" alt="" title="" /> +</div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="FLORIS_EN_BLANCEFLOER" id="FLORIS_EN_BLANCEFLOER"></a>FLORIS EN BLANCEFLOER.</h3> + +<h5>AAN HELENE UKENA. (1851—1873)</h5> + + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm015.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + + +<p>Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat +boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand +hebben—'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw—en wien de +liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik +dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan +alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't +Is alles van eene standvastige min—van blijdschap beide en droefheid. +Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een +vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt.</p> + +<p>Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald +werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld +kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal +blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben.</p> + +<p>Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit +Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks +te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt. +Fenus—zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen +oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed +Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen; +kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles +werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig +dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen +meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig +hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van +alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om +te brengen, of gevankelijk meê te voeren. Onder de dus overvallenen nu +bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich +moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven +niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar +met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde. +Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger +achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen, +en nog méér moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden +ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde, +dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den +vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken +wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden +groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en +werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep +hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo +doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en +wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren +blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met +grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele +kinderen liepen om en achter hen.</p> + +<p>De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te +deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van +pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de +hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de +gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te +nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van +haar maakte.</p> + +<p>Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren +Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk +echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat +zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van +haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een +liefdepand van haar beschreiden egaâ onder het harte droeg. De vrouwen +brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter +waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten +hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem +Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen +Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen.</p> + +<p>Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer —want +het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en +dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden.</p> + +<p>De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid +reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren +beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone +kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon +meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den +geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde +hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht +kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader +hem dit aanzeide:</p> + +<p>"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen, +noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan—tenzij +Blancefloer met mij ga."</p> + +<p>De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter +schole.</p> + +<p>Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en +beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon +hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat +men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ééns +van meening, ééns van schoonheid, van éenen zin en even standvastig van +harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen +in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in +zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo +leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten +druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te +kort voor hun blijdschap, voor hun genot.</p> + +<p>Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij +den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de +ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter +dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en +op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging +voor de arme dochter der gevangene Christin.</p> + +<p>Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben, +naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van +gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn +gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij +peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon +komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind +verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij +er op vinden kunnen."—"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren: +Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer +gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang. +Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan—dan zal +ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is, +Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal +vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere +beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen +geslachte zal nemen."</p> + +<p>Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij +geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe +zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des +Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed: +maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen. +Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in +waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk +duchten zoû ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos +verloren zoû gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der +tijding. Dan zoû onze schade en ons verdriet méér zijn dan te voren. +Daar is geen lof noch roem meê te behalen, 't zoû niemants nut zijn, zoo +zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven +blijve!"—"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als +middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de +kinders eene ziekte zoû voorwenden, opdat men Floris naar eene andere +plaats, naar Montorië, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer +zoû men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak +te maken op de voortdurende hulp harer dochter —dan kon Floris niet +aandringen op het samengaan—en verwijdering, afleiding door den omgang +met andere speelgenoten, zoû wellicht de liefde verdooven kunnen, of +vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook +beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tót hem gezonden zoû worden.</p> + +<p>Nu ontbood de Koning—Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet, +dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet +verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar +Montorië ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn +en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en +lezen en schrijven leeren."</p> + +<p>—"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"—"Lieve jongen," +zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over +zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide +hij: "dat gebod zoû mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet +mét mij—ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval +hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zoû binnen veertien nachten of +eerder Blancefloer tot hem zenden.</p> + +<p>Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den +Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris, +ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare +dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht +hier en daar woorden zoû ontvangen, die hem in eene andere liefde +mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten +doen.</p> + +<p>Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel—maar, 't mocht zijn wat +het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde +en las—altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij +boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast +in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De +stonden vielen hem lang—des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij +zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien +nachten ten einde kwamen.</p> + +<p>Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam, +werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe +langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol +te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven. +In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem +vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne +tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De +kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe +wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van +Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus +geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vóór +mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand +van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood +krijgt."</p> + +<p>Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat +tooverij het zoû gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde +reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te +onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare +wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet, +geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de +onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen—dat er +aldus over haar gesproken werd.</p> + +<p>De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood +ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand, +Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar +aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren; +zóo, dat er de Koning zich niet meer om zoû behoeven te vergrammen, noch +er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd +te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in +handen geleverd.</p> + +<p>Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig +pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde; +honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden; +honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels—valken, +haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog +een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone +van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelaüs, hem zeer +verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken +Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van +binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie +godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen +schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo +duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder +vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk +moerbeziën, honig- en specerijdrank van wijn zoû hebben kunnen +onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel +werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel +vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het +uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen +kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in +de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de +markt te Nicle verkocht had.</p> + +<p>De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel, +konden zij haar te Babylonië brengen, dat zij twee maal den koopschat op +haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone +kind aan te bieden.</p> + +<p>Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun +tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden +met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers +hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare +blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen +geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle +jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene +verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen +andere vrouw meer beminnen.</p> + +<p>Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig +jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden. +Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot +vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babylonië.</p> + +<p>Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen +kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft. +Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!" +roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn +teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was +weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij +eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur, +dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend! +Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad, +dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij +te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat +hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg +ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al +heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij +bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht +ook niet aan mij—hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig +ben—maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint—en dat ik hem +bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij +nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen.</p> + +<p>"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen meê. +Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons +gescheiden heeft, wel zoete vriend!</p> + +<p>"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo +braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u +gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet +ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed, +dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!"</p> + +<p>Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden +van hare gezellinnen.</p> + +<p>Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend +knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn +thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De +Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste +wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te +berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe +bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon +zoû melden, dat zijn geliefde in leven was.</p> + +<p>Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van +krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de +goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare +en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk +plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en +velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters +keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der +zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen +oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de +tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris: +het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne, +ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren +geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne +vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het +hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband +gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het +andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind +ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in +de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen, +alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zóo dachten +allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het +graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen +en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond, +hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en +jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan +moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de +zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen +haastig tot elkander, en kusten elkaâr vriendelijk. De liefde, waarvan +zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een +dorper of een dwaas, die daar voorbij zoû gaan, dan werd, hij, zoo haast +hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij +zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap +viel; zoo bezweken hem al de leden.</p> + +<p>Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf—dat zoo kostelijk was +als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende +steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en +op den steen werd in gouden letters gehouwen:</p> + +<p class="small"> +<span style="margin-left: 2.5em;">—HIER LEGHET BLANCEFLOER</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT.</span><br /> +</p> + +<p>Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug.</p> + +<p>Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne +moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij +naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden. +En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk +beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers +moeder was.</p> + +<p>"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier +achterliet?"</p> + +<p>—"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet."</p> + +<p>—"Gij schertst!"</p> + +<p>—"Ik doe het niet."</p> + +<p>—"Gij doet het!"</p> + +<p>De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare +dochter hoorde spreken.</p> + +<p>Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!" +De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar +Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij +doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen +andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide +zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat +mocht hij niet gelooven—tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij +uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!"</p> + +<p>Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als +die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg +zwijmende ter aarde.</p> + +<p>De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in +onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt +hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten +heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar, +dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld +der Hemelen; daar verwacht mij hàre ziele! Wat denkt ge—dat de dood mij +niet tot vreugde zoû wezen?"</p> + +<p>Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar +de letters geschreven, en las:</p> + +<p class="small"> +<span style="margin-left: 2.5em;">"—HIER LEGHET BLANCEFLOER</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">IN DIT GRAF OP DESEN VLOER,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT."</span><br /> +</p> + +<p>Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig +aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken, +noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij +weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten. +"Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik +rampzalig. Wist ik op wien—hoe gaarne zoû ik 'et wreken, dat ik u dus +verloren hebbe! Wij waren op éenen dag gewonnen en geboren, samen +opgevoed, samen hebben wij geleerd—tot dat we de ure bereikten, waarin +men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op éenen +dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik +ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere +smart.</p> + +<p>"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart +zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een +spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo +schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk +andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele +vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en +prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u +standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in +geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan; +zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet +verstonden.</p> + +<p>"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt +moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap +is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen. +Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt +hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde +komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een +haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en +varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele weêr samenkomt met de +mijne, en bloemen leest."</p> + +<p>Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vóór zich, +en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat +ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan +u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven +nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu +wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het +hart—maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af.</p> + +<p>"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde +begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener +vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is +niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in +groot ongerief blind, doof en stom zoû zijn en lijden al wat de waereld +te lijden geeft,—dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de +stervensangst voor niets?—Meent ge dat het u iets baten zoû, of ge de +handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in +'t Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zoû niet gebeuren; daar zult ge +langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar +niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert +gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zoû uwe woning zijn, +gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido +lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar +eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind +hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij +zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe +vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks +kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken."</p> + +<p>Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer," +zegt ze, "hoe gaarne zoû ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons +kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het +hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats +doodgebleven."</p> + +<p>—"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik +houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig +zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."—"Heer," zegt ze, "dat is +onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood—niet +eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg +brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich +alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn."</p> + +<p>—"Vrouw," zeide hij, "ik zoû misdoen, indien ik uwen raadslag in dit +geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde."</p> + +<p>—"Nu spreekt ge wél, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wél aannemen, dat +wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen."</p> + +<p>—"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve, +maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat +Blancefloer, zijne vriendin, leeft."</p> + +<p>De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg +gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid.</p> + +<p>"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe +vriendin: Zij leeft; daar is in het graf—niets. Wij hebben leugentaal +gesproken—uw vader en ik—toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten +haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt +weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings +dochter. Dat zoû ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot +vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet +wilde toelaten, dat zij uw vrouw zoû worden, daarom wilde hij ze +verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter +markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre +landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd +rijk."</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm016.jpg" width="400" alt="Toen zag hij de lachende kinderbeelden." title="" /> +<p class="illus">Toen zag hij de lachende kinderbeelden.</p> +</div> + +<p>"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"—"Ja ik," andwoordde zij +onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien."</p> + +<p>Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren; +en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte +hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zóo, +dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en +brengen ze vol vreugde te-rug.</p> + +<p>Maar wat moest hij daar niet al voor doen;—wat moeite moest hij niet +aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit +het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet +vele in 't land zoû vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo +dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zoû kunnen zijn, die om den +wille van welke liefde ook, de stoute daden zoû verrichten, die Floris +bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er +verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer +ter zijde.</p> + +<p>Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij +aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is +verblijd, om dat ze leeft.</p> + +<p>Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat +hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen +verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene +vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge +dragen.</p> + +<p>"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer. +Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen +kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar +te-rug-kom."</p> + +<p>Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon.</p> + +<p>Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene, +wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was +besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant +daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en +heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij +hem vele goede eigenschappen verhaalde:</p> + +<p>"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij +dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch +van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof +vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk +verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van +zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te +zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen +mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder: +hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar +waren, weenden alsof hij dood vóór hen lage. Maar zijn moeder dreef den +diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zoû het nog méér +gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie +maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden +zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer +weêr.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met +vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te +scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer +uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babylonië, de +stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd.</p> + +<p>Maar wat nu nog aangevangen zonder éenen vriend, die hem den weg kon +wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich +meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar +hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en +zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken +gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie, +het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had +gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door +Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem, +en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe +zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren +man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone +jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb +zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard +deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het +tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord +en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u +des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad +schaffen."—"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat +hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt. +Het zoû mij niets verwonderen; want ik zag haar van éener gedaante, van +éen manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in +kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante +mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is. +In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om +zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in +vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar +de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem +gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof +vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar +geliefde."</p> + +<p>Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam +werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te +zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit +woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij +hebben éenen vader en éene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo +begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de +geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen +Koning, die kroon draagt, is er, die zoû durven ondernemen haar den Emir +te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den +rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren +waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen +bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij +steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij +rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het +dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van +goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan +is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo +helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo +licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of +fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet +van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier +woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle +van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen +pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt. +Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert +door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste +verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer +zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu +steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit +de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn +van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn +de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat +verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en +lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de +geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald +zijn.</p> + +<p>"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar +het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den +doek tot wasschinge moeten brengen.</p> + +<p>"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren +nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der +woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door +tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn +altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te +slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een +vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang +gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het +jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen, +de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met +zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen; +opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zoû."</p> + +<p>Floris, op het hooren dezer berichten, was nog ongeduldiger dan vroeger +om zijn opzet door te zetten, en bidt den waard er hem den besten raad +toe te geven. "Sta morgen vroegtijdig op," zegt deze: "begeef u naar den +toren: beschouw hem ter wederzijde; ga de hoogte en dikte met uwe +blikken na, en meet den omvang met uwe schreden. Dan zal de portier op u +toeschieten, en stuurs u aanspreken: andwoord hem bedaard, en zeg hem, +dat gij gekomen zijt om den toren op te nemen, en voornemens in uw land +naar dezen een anderen en beteren te maken. Als hij u van zulke zaken +hoort spreken zal hij begrijpen, dat gij een aanzienlijk man zijt, hij +zal kennis met u willen maken en u ten zijnent noodigen, of gij met hem +schaakspelen wilt. Hij bemint dat spel met hartstocht. Zet honderd +bezanten op het spel; wint gij—geef hem dan zijn inzet met den uwe ten +geschenke. Keer des volgenden daags te-rug, en verdubbel de som. Geef +hem het zijne weder, indien gij wint; en vermeerder het met het uwe. Dat +zal hem vriendelijk stemmen ten uwen opzichte. Vul des derden daags uw +schoone gouden drinkvat met drie-honderd bezanten; en als gij wint, geef +hem steeds het gewonnene te-rug, vermeerderd met uw ingezette som. Zoo +wint gij hoe langer hoe meer zijne genegenheid. Zie echter wel toe, dat +gij uwen gouden beker niet op het spel zet. De man zal u dan aan zijn +disch nooden. Hij zal zijne zinnen zoo sterk op uw drinkvat gesteld +hebben, dat hij er u duizend mark fijn goud voor bieden zal. Sla dit van +de hand. Maar, ten laatste, bied hem het kostbaar stuk als een +vriendschapsgifte aan: dan zal hij buiten zich-zelven zijn, en niet +weten, hoe hij dat groote goed en de eere, die gij hem bewijst, erkennen +zal. Hij zal u zijne handen toesteken als uw dienstman. Wees daarop +voorbereid, en ontvang zijne manschap en getrouwheidseed. Dan moet gij +hem de waarheid stoutelijk bekend maken; hem verhalen, wat zake gij +volvoeren wilt, en wat leed u getroffen heeft. Dan, ik ben des zeker, +zal hij uwe liefde bevorderlijk wezen en u helpen. Helpt <i>hij</i> u +niet—dan is uw zaak verloren."</p> + +<p>Floris deed als hem geraden was. Des anderen morgens vroeg reed hij, op +het prachtigst uitgedost, naar den toren, 1000 gouden schilden had hij +medegenomen. Alles droeg zich juist zoo toe als de waard het voorspeld +had. Toen de portier hem manschap gedaan hade vergde Floris van hem, dat +hij hem Blancefloer zoû doen zien en spreken.</p> + +<p>"Heere," zeide de verschrikte portier, "uw goed heeft mij ten verderve +gebracht. Ik bemerk het te spade. Gij hebt gedaan als de vogelaar, die +met zijn schoon fluiten en blazen de vogelkens in den strik lokt. Kome +er schade van of voordeel—daar het er nu eenmaal toe ligt, zal ik u +trouw bewijzen——Keer nu ter herberge, en kom over drie dagen weder, +dan is het de Meimaand: dan zal ik u helpen."</p> + +<p>Toen Floris, dien het uitstel ontzaglijk lang viel, zich op den +bepaalden dag bij den portier aanmeldde, beval hij den schoonen, +veertienjarigen jongeling zich in een rozerood kleed te steken. Hij had +ook zijn dienaars uitgezonden, om hem uit alle velden, en wouden, en +hoven, de schoonste bloemen te verzamelen. Een ontzettenden korf deed +hij daarmee vullen, en zeide aan zijne knechten, dat hij die aan de +jonkvrouwen ten geschenke wilde geven. Maar toen hij alleen was met +Floris, deed hij dezen in den korf nederzitten, en bedekte hem met een +groote hoeveelheid rozen, akoleyen, lelies, en violen. Ook een krans van +rozen had hij den knaap op het hoofd gezet, en beval hem zich niet te +verroeren. Toen gaf hij last dat men de bloemen de bovenste torentrap +zoû opdragen in de kamer van Blancefloer: "Gaat," zeide hij, "brengt uit +mijn naam deze bloemen aan mijne Jonkvrouwe Blancefloer, en dat zij er +de bloem uit kieze, die haar het beste gevalt!"</p> + +<p>De dienaars gingen. Onder wege vloekten zij op den last, en meenden, dat +zij nooit zoo zware bloemen hadden gedragen;</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat seiden si ende seiden waer."</span><br /> +</p> + +<p>Maar o noodlot! Daar dragen zij den korf in eene verkeerde kamer, in die +eener andere jonkvrouwe, eens Hertogen dochter uit Duitschland, Claris +geheeten. "Jonkvrouwe Blancefloer!" zeggen de dienaars, "deze bloemen +zendt u onzen Heer de portier."</p> + +<p>Claris zeide niet, dat zij Blancefloer was—maar aanvaardde de bloemen +al lachende. De dienaars vertrekken. Zij gaat tot den korf en neemt eene +roos. Floris waant dat het Blancefloer is, en spring uit de bloemen naar +haar heen. De jonkvrouw werd zeer vervaard, vluchtte van hem, en riep: +"Help! help! wat bloemen zijn dit!" zoo dat al hare gezellinnen haar ten +bijstand snellen.</p> + +<p>Floris echter verborg zich haastig weêr in den korf onder de bloemen, en +de jonkvrouw, zich bezinnende dat deze voor Blancefloer bestemd waren, +en dat hare vriendin steeds treurde om een jonkman, wiens beschrijving +geheel aan het voorkomen van Floris beandwoordde, herstelde zich +spoedig, en zeide aan de andere jonkvrouwen, "dat uit de bloemen haar +een vlinder in het aangezicht gevlogen was, die haar verschrikt had."</p> + +<p>Nu verwijderde men zich, en Claris gaat tot Blancefloer, die altoos +treurde om haren geliefde. "Blancefloer," zegt ze, "zoete lieve, wilt ge +met mij gaan—ik zal u zulke bloem laten zien, dat gij nooit bloem noch +roze liever zaagt dan deze."</p> + +<p>—"Clarisse," andwoordt zij, "zoete gespele, ik heb zo veel verdriet, +dat ik geen zin heb in bloemen. Gij doet slecht, dat gij spottende tot +mij komt. Die in de hope der liefde leven, hun past het wel bloemtjens +te kweeken, om het leed te vergeten en te verkorten: maar mij naakt +niets dan droefheid. Zoete vriendinne, gij weet wel, dat ik ver van mijn +geliefde ben en hij verre van mij. Ginds is de Emir, die mij binnen +dezer maand nog ter vrouwe denkt te nemen. Maar eer zal ik mij de dood +geven (kan ik hem anders niet ontgaan), dan, levende, Floris te +verliezen."—"Blancefloer," is het wederwoord, "nu bid ik u, bij Floris' +liefde en om zijnentwille, dat gij met mij de bloeme koomt zien—hoe +schoon zij is."</p> + +<p>Zoodra ze haar bij hém bezwoer, stond de schoone Blancefloer op en ging +de bloem met haar aanschouwen. Floris heeft de jonkvrouwen wel gehoord, +en is zeker, dat Blancefloer in de kamer is. Hij richtte zich op en +sprong te voorschijn: hij had het schoonste haar, den blanksten tint, +die ooit iemant ten deel vielen. Hij had een rooden lijfrok aan. Edel +was zijn gedaante, lieflijk blonken zijne oogen. Blancefloer herkende +hem toen zij hem zag; zij kende hem, en hij haar. Beiden stonden zij +roerloos; zij konden geen woord uitbrengen. Toen zij tot bezinning +kwamen, liepen zij al zwijgende tot elkander, zij namen zich in de +armen, drukten elkaâr aan het harte. Het kussen en omhelzen duurde zoo +lang, dat men ter zelfder wijle een groote mijl had kunnen gaan. En toen +zij elkander niet meer kusten, lachten zij elkander al zwijgende toe; en +zagen zich allerminnelijkst aan. Toen zeide Clarisse en begon schalk te +vragen: "Blancefloer," zegt ze, "zoete gezellinne, kent gij de bloem, +waarvoor ik u aanzocht, ook eer dat ik ze u toonde? Draagt gij ze aan uw +boezem? Sints gij ze zaagt, dunkt mij dat ge gants verheugd zijt: daar +moet groote kracht in uwe bloem liggen, die eene jonkvrouwe zoo spoedig +van haren rouw verlost heeft. Eerst woudt gij ze niet zien—nu dunkt mij +zijt ge er zoo meê ingenomen, dat ge voor niemant gunstig genoeg zijn +zoudt om de bloem met hem te deelen."</p> + +<p>—"Deelen?" zegt ze, "is dit dan Floris niet, mijn zoete lief! mijn +zoete vriend aan wien mijn leven en mijn dood ligt, als ik u dikwerf +gezegd heb? Hij is mijn troost, mijn toeverlaat." Toen baden zij +Clarisse beiden, dat zij hunne liefde niet te leed wilde brengen en ze +geheim wilde houden. "Vreest niets," zeide Claris, "hoe zoû ik u kunnen +verraden!"</p> + +<p>Blancefloer nam haren geliefde bij de hand: en zij zaten naast elkander +op een rijk bekleede rustbank. "Floris!" zeide zij, "mij wondert zoo +zeer door wat list gij dezen ontoegankelijken toren hebt weten te +beklimmen, dat ik soms denke of het ook slechts begoocheling zij. Vrees +en twijfel benaauwen mij, dat het Floris niet is, die daar neven mij +zit. Wat zeg ik? ik kenne hem wel; hij is het. Zoete vriend! ei, kom wat +dichter bij mij—'t is Floris, die mij te-rug-gegeven is!" En toen +verhaalden zij elkaar van het leven des afzijns; en dit lijden was hun +thands zoet.</p> + +<p>Maar, helaas, hun geluk was kort van duur. Blancefloer en Claris moesten +den Emir het water en den doek der handwassching reiken —maar reeds was +Claris de trappen afgevlogen met het wasch-bekken, en had Blancefloer +aangespoord te komen, toen deze nog, in de vreugde des wederziens +verloren, aan de borst rustte van haar tederen vriend. De Emir zond zijn +kamerling heimelijk naar boven, daar hij de verschooningsreden, door +Claris bijgebracht, wantrouwde. Een oogenblik later stond de Emir-zelf, +in een gramschap, dat hem het harte dreigde te breken, tegenover de +kinderen, het ontbloote zwaard in de hand. Eerst wilde hij ze beide +neerslaan —doch liet zich verbidden om hen voor de rechters te voeren.</p> + +<p>Juist viel het jaarfeest in, waarop de Emir gewoon was eene vrouw te +nemen. Koningen en Hertogen, al de hoogsten van den Rijk waren binnen de +stad. De hofzaal was prachtig versierd. Thebe noch Troje bezaten ooit +zoo rijk een paleis. De Emir dan riep er zijn Baronnen en Heeren te +zamen, om het vonnis over Floris en Blancefloer uit te spreken—en daar +was er maar éen die het opnam voor de jeugdige gelieven. Zijn voorspraak +mocht echter niet baten.</p> + +<p>Twee krijgsknechten kwamen de kinderen halen, om ze voor den raad te +brengen. Droevig en smartelijk zagen zij zich aan en hadden diepen +deernis met elkander. "Zoete lieve," sprak de Jonkheer tot Blancefloer: +"wij zijn nu zeker van de dood en in het grootst gevaar. En mijne schuld +is het, dat wij sterven moeten. Ware ik niet hier gekomen, u ware dit +leed gespaard gebleven. Maar zal de Emir naar recht uitspraak doen—zoo +zult gij de dood ontkomen. Te onrechte zoudt gij sterven. Lieve, neem +intusschen dit ringetjen: zoo lang gij 't bij u zult hebben, kunt ge +niet sterven."</p> + +<p>"Floris," zegt ze, "wel zoete vriend: hoe onbillijk dunkt mij uw taal! +De schuld is mijne. Om mij weervaart u deze schande. Om mij verliet gij +uw ouderlijk huis en zijt hiertoe gekomen. Ik weet wel, dat ik voor u +sterven moest, ging het naar recht. Geen angst van de dood, geen +marteling, zoo hevig; zal mij den ring doen behouden; want ik ben schuld +van alles."</p> + +<p>Floris zeide, hij kon niet dulden, dat zij sterven en hij leven zoude. +Hij bad haar, dat zij het ringetje name; en zij wilde niet. Hij wierp +het haar toe, en zij 't hem te-rug, zoo lang tot dat het daar neêrviel +onder de voeten. Zij gingen voort. Een Hertog raapte 't op, die hunne +woorden gehoord had.</p> + +<p>De kinderen werden in de raadzaal gebracht, en ieder was zoo zeer door +hunne zeldzame schoonheid en droevig lot getroffen, dat allen de tranen +in de oogen kwamen en de deernis in het hart. Doch de Emir bleef +onverbiddelijk. Hij liet ze op een plein leiden buiten zijn paleis, en +beval, dat men hen daar in een groot vuur wierpe. Toen kwam de Hertog, +die het ringetjen had opgeraapt, dat Blancefloer liet vallen, hij +knielde met bittere klachten oodmoedig voor zijnen Heere neder en +verhaalde hem de woorden, die hij van de kinderen gehoord had, toen zij +van de trap daalden. De Emir beval, dat zij ze hem nog eens vóór zouden +brengen—daar hij hooren wilde, wat ze tot elkander zeggen zouden:</p> + +<p>"Hoe is uw naam?" vroeg hij barsch aan Floris.</p> + +<p>"Heer," zeide de jongeling, "ik heet Floris. Terwijl men mij ter schole +gezonden had, werd mij mijn lief ontstolen, Blancefloer, die hier neven +mij staat. Het zoû onrecht zijn, zoo men haar dede lijden. Heer, ik ben +hier niet met haar meêweten gekomen; dat durf ik voor u en al deze +Edelen, bij het heiligste bezweren. O doe nu wel! en om uwer eere wille, +laat Blancefloer leven, edele Heer! Zij is onschuldig! Mij is de schuld! +Laat den schuldige 't ontgelden."</p> + +<p>—"Heer," riep Blancefloer, "houdt u niet aan zijne woorden, die gij +gehoord hebt. 't Is alles om mij gebeurd—mijn is de schuld. Ware ik +niet in den toren geweest—mijn lief ware er niet gekomen. Ik durf wel +met waarheid zeggen, dat hij eens Konings Zone is. Verloor hij zijn +leven ter mijner liefde—dat ware groot onrecht, groote schade. Lieve +Heer, laat hem leven—en breng mij ter dood."</p> + +<p>—"Neen!" sprak Floris, "Heere, laat gaan mijne vriendinne, en sla mij +terneder!"</p> + +<p>Toen andwoordde de Emir en zeide: "Zeker, gij zult beide sterven! Ik +zal zelf mij wraak verschaffen van den smaad, die mij is aangedaan."</p> + +<p>En een blank zwaard nam hij in zijne hand.</p> + +<p>Blancefloer sprong driftig naar voren, en bood haar hoofdjen.... Floris, +met de tranen op de wangen, vloog haar na, en wilde haar achteruit +trekken: "Gij zult niet de eerste de dood ontvangen!" riep hij.</p> + +<p>Toen rekte hij zijn hals en bad den Emir toe te slaan, en haastiglijk, +want hij was bereid. Blancefloer verzett'e zich met inspanning! "Heer, +mijn is de schuld," riep zij, "waarom slaat gij niet?"</p> + +<p>De een konde den ander niet voor zijne oogen zien sterven.</p> + +<p>Men weende, en jammerde, en wrong de handen over dit harde vonnis.</p> + +<p>Ook de Emir was geroerd. Allen vereenigden zich om hem te verbidden. Het +zwaard viel hem uit de hand. Op voorbede van den Hertog die het ringetje +gevonden had, en vooral van eenen Bisschop, die den Emir te voet viel, +betoonde hij zich vergevensgezind. Hij gaf Floris verlof zijne +geschiedenis te verhalen; de jongeling kweet zich daarvan met +kinderlijken eenvoud, maar bleef weigeren bekend te maken door wat +middel hij in den toren was gekomen; toch nam toen de Emir de hand van +Blancefloer en zeide: "Vriend, neem den schat te-rug, die u toebehoort: +ik beveel ze uwer trouwe: om Gods en dezer Heeren wilde, schenk ik u +beide het leven."</p> + +<p>Schreiend vielen zij hem te voet; hij hief hen op en kuste ze, en maakte +Floris ridder, op de wijze als het daar te lande gebruikelijk was.</p> + +<p>De Emir nam toen de goede Claris, voor zijn leven, ter vrouwe, en daar +werd een groote maaltijd gegeven, waar menige gouden beker geledigd, en +menig vreugdelied gezongen werd.</p> + +<p>Korten tijd daarna kwam er een gezantschap uit Spanje, met het bericht, +dat Floris' ouders overleden waren, en met de bede van zijn volk, dat +hij ze mocht komen regeeren.</p> + +<p>Floris liet de toebereidselen maken tot zijn vertrek, en onder de +heilwenschen van den Emir en de zijnen, toog hij met Blancefloer en een +groot gevolg naar zijn vaderland.</p> + +<p>Daar ontvingen hem zijne onderdanen met geestdrift, en kroonden hen +Koning en Koninginne.</p> + +<p>Floris omhelsde de Christen Godsdienst, de Godsdienst van Blancefloer; +en geheel zijn volk deed als hij.</p> + +<p>Hongarije en Bulgarië verstierven van eenen oom in later tijd nog op +hem.</p> + +<p>Hij had eene dochter bij zijne gade, die Baerte heette "metten breden +voeten". Koning Pippyn dam haar ter vrouwe; een machtig Koning, die bij +haar een kind verwekte, daar veel van te vermelden ware: Dat was de +Koning Caerle van Frankrijk,<a name="FNanchor_1_71" id="FNanchor_1_71"></a><a href="#Footnote_1_71" class="fnanchor">[1]</a> die met groote machte menigen burg +gewonnen heeft.</p> + +<p>Hier eindig ik dit verhaal.</p> + +<p>Floris kreeg Blancefloer niet dan met moeiten en smart:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Hi pijnder hem om; God halper hem toe:"<a name="FNanchor_2_72" id="FNanchor_2_72"></a><a href="#Footnote_2_72" class="fnanchor">[2]</a></span> +</p> + +<p>Zo moge Hij, vroeg en laat, ons desgelijks helpen, dat wij al onze daden +tot een goeden uitkomst ten jongsten dage brengen mogen! Amen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_71" id="Footnote_1_71"></a><a href="#FNanchor_1_71"><span class="label">[1]</span></a> <i>Koning Caerle van Frankrijk</i>: Charlemagne.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_72" id="Footnote_2_72"></a><a href="#FNanchor_2_72"><span class="label">[2]</span></a> <i>Pijnen</i>: inspannen.</p></div> + + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm017.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + + +<hr style="width: 95%;" /> + +<p> +<a name="Contents" id="Contents"></a>Contents</p> +<p class="small"> +<a href="#CAREL_EN_ELEGAST">CAREL EN ELEGAST</a><br /> +<a href="#DE_VIER_HEEMSKINDEREN">DE VIER HEEMSKINDEREN.</a><br /> +<a href="#HET_EERSTE_CAPITTEL">HET EERSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TWEEDE_KAPITTEL">HET TWEEDE KAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_DERDE_CAPITTEL">HET DERDE CAPITTEL</a><br /> +<a href="#HET_VIERDE_CAPITTEL">HET VIERDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_VIJFDE_CAPITTEL">HET VIJFDE CAPITTEL</a><br /> +<a href="#HET_ZESDE_CAPITTEL">HET ZESDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZEVENDE_CAPITTEL">HET ZEVENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ACHTSTE_CAPITTEL">HET ACHTSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_NEGENDE_CAPITTEL">HET NEGENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TIENDE_CAPITTEL">HET TIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ELFDE_CAPITTEL">HET ELFDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TWAALFDE_CAPITTEL">HET TWAALFDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_DERTIENDE_CAPITTEL">HET DERTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_VEERTIENDE_CAPITTEL">HET VEERTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL">HET VIJFTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZESTIENDE_CAPITTEL">HET ZESTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL">HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL">HET ACHTTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL">HET NEGENTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL">HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.</a><br /> +<a href="#HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#WILLEM_VAN_ORANJE">WILLEM VAN ORANJE.</a><br /> +<a href="#FLORIS_EN_BLANCEFLOER">FLORIS EN BLANCEFLOER.</a><br /> +</p> + + + + + + + + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 39717 ***</div> + +</body> +</html> diff --git a/39717-h/images/thijm001.jpg b/39717-h/images/thijm001.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7edb18c --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm001.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm002.jpg b/39717-h/images/thijm002.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6d52c8e --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm002.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm003.jpg b/39717-h/images/thijm003.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..01b6e13 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm003.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm004.jpg b/39717-h/images/thijm004.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..aea8872 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm004.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm005.jpg b/39717-h/images/thijm005.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3585d26 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm005.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm006.jpg b/39717-h/images/thijm006.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c19dddb --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm006.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm007.jpg b/39717-h/images/thijm007.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..10a7d0d --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm007.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm008.jpg b/39717-h/images/thijm008.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4759e56 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm008.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm009.jpg b/39717-h/images/thijm009.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9883dd2 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm009.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm010.jpg b/39717-h/images/thijm010.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e6c0574 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm010.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm011.jpg b/39717-h/images/thijm011.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4730431 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm011.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm012.jpg b/39717-h/images/thijm012.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a58c7f0 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm012.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm013.jpg b/39717-h/images/thijm013.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e244982 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm013.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm014.jpg b/39717-h/images/thijm014.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bd9b14e --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm014.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm015.jpg b/39717-h/images/thijm015.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..38cb4d6 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm015.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm016.jpg b/39717-h/images/thijm016.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..46b0431 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm016.jpg diff --git a/39717-h/images/thijm017.jpg b/39717-h/images/thijm017.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6a33536 --- /dev/null +++ b/39717-h/images/thijm017.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..c133770 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #39717 (https://www.gutenberg.org/ebooks/39717) diff --git a/old/39717-8.txt b/old/39717-8.txt new file mode 100644 index 0000000..f017052 --- /dev/null +++ b/old/39717-8.txt @@ -0,0 +1,9107 @@ +The Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by +Josephus Albertus Alberdingk Thijm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Karolingsche Verhalen + Carel en Elegast - De Vier Heemskinderen - Willem van + Oranje - Floris en Blancefloer + +Author: Josephus Albertus Alberdingk Thijm + +Release Date: May 17, 2012 [EBook #39717] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN *** + + + + +Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at +http://www.freeliterature.org + + + + + +KAROLINGSCHE VERHALEN + +Carel en Elegast--De vier Heemskinderen--Willem van Oranje +--Floris en Blancefloer + +In nieuwer form overgebracht door + +JOS A. ALBERDINGK THIJM + +VIJFDE UITGAVE + +ZUTPHEN--W.J. THIEME & CIE--MCMXLVIII + + + +[Illustratie: Carel en Elegast] + +VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE. + + +Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd. +Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het +exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd +hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed +te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag, +door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche +volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in +de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak +en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning, +dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene +nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo +ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik +wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke +natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen, +Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle +middeneeuwsche zaken op ene leest schoeyen zult; dat gij uw h-s en +h-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult +wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe +Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch +zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was +en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de +onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan +alles wat oud is, en wij gaan slechts van de ene zeeziekte in de +andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe +verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe +en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het +heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de +naeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche +scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en +hare onsterfelijke _Grootheid_, noch de enthuziasten, die het axioma +verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der +middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het +naeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der +verwen, naar hunne recepten bereid." + +Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de _Heemskinderen_ uitgaf. + +Ik vlei mij--behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen--nog in +andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar +waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,--niet in waardeering van het +meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche +heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het +nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen +van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan +Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind +hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik +bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en +rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik: +kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander +stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,--u behoor ik: want gij +neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van +enen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de +_Heemskinderen_ in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die +groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen +gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naeviteit, meer dan een +objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid, +verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat +de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld +middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der _Renaissance_ +verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de +vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet +wijzer?--Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de +schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de +heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren. + +Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der +_Heemskinderen,_ gebruik te maken van het fragment van den roman, dat +het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want +ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels +een vertragend _hors-d'oeuvre_, deels een smakeloze beschimping van den +Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de +vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6--21 mij geleerd, dat +ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "scha", maar +_schande_, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in +den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant, +nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek +behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te +Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl. +138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met +sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er +natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zo hebben +(v. 62--66): + + "Die coene entie starke Roelant + .... ghemoete saen Ritsaert; + Biden togle hine aneprant." + +Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt +had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk, +het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den _Madelgijs_[1], de Heer +J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet. + +Bij mijn bewerking van _Floris en Blancefloer_ had ik beschrijvingen, +die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die +door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen +(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld. + +Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van +_Carel en Elegast_ en _Floris en Blancefloer_ met mij na te zien, en mij +menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten +hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn +hartelijken dank. + +Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik _Karolingische_ in +_Karolingsche_(met den hoofdklemtoon op _Ka_) veranderen zou: "die i", +zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze +meervoudsuitgang _Karolingers, Merovingers, Saksers_, enz. _Karoling_ +staat in vorming met _Jongeling, vreemdeling_ enz. gelijk. 't Is een +echt Nederlandsche vorm. Den uitgang _-isch_ kennen wij alleen bij +vreemde woorden en namen, als _Aziatisch, historisch, mythologisch enz_. +Maar van _zijdeling_ maken wij _zijdelingsch,_ van _Harling(en)_ en +_Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche._ Dus ook _Karolingsche. +Kaarlingsche_ zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden, +omdat wij nu eenmaal aan _Karolingen_ gewend zijn. Mij dunkt, het wordt +tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen +ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen." + +Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang _koetsier_ +geen _koetser_ wordt, en woorden als _vriendin, martelares_ enz. bestaan +blijven, zoo lang _aziatiesch_ zich handhaaft,--_karolingische_ mij zoo +geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van +sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert. + +A.Th. + +Amsterdam, 3 Juni 1873. + + +Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij +meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden. + +De Uitgevers. + + +[1] Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam, in +1861. + + + + +CAREL EN ELEGAST. + +AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.) + + + + +Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen: +luistert met aandacht! + +Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den +Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom +toe. + +Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te +Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij +lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des +anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap +kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning +ontwaakte, op de lieflijke stemme. + +"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen +aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de +Heere des Hemelrijks, beval mij--u dit, op verbeurte van lijf en eere, +te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads +overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof +nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast +u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt +te paard." + +De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden +moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te +hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God +gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen! +God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert +gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij, +en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit +wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt +en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zo ik +hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het +aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet +mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het +nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van +Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en +mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee +ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallici en 't +land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de +Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.[1] Wat +behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God +mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't +mij oplede: maar-ik zo niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner +schande, mij zo gunnen, dat ik begon te stelen." + +Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en wergevoerd, ginds en +derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap wer een weinig, zoo dat +hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod +in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven +staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen--vaart uit +stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak +voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij +gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten. +Ik zal een dief zijn--al is het schande; al zoude ik bij de keel +gehangen worden. En toch--ik had oneindig liever, dat God mij alles +ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land--mijn +riddersrusting uitgezonderd--dat ik mij met den schilde en met den spere +den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op +avontuur:--dit, ja, dit zo ik nog eerder willen, dan dus in het net te +zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig +uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te +verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!... + +"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was, +al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven! +Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het +slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen, +zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij +vreemd en onbekend is?" + +Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde +te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een +gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede +zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag. + +Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot, +noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze +waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand +zag hem--want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die +in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning. + +Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig +naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij +zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op. + +Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel +gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was. +Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg +af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder +gerucht noch geluid naar buiten. + +Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als +gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al +wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen--zoo waarlijk gij u +aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden--zoo waarlijk +zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte, +u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en +daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en +gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt +opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn--zoo +zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe +kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u +verlaat ik mij geheel!" + +Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zo rijden, om het +stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan +stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel; +het wer was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik +placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten, +die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt +het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat +zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun +het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is +dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik +iemant om een weinig geld doe sterven. + +'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk, +dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de +waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft +land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan +meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land +ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu +wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal +Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land +en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust. +Die ze huisvesting schonk--ik zo hem beide burcht en leen doen +verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in +bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven +moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van +den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in +vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en +Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters--waar hij ze +betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun +muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde +storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze megebracht hebben: +zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud, +waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van +hun klinkende munt--beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij; +niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik +wo wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God, +helpt mij daartoe!"' + +Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter +kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde +zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild, +dat hem aan den hals hing. Zijn malinkolder verdiende hoogen lof; zwart +was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed. +Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem +de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig +vermoeden, dat het de Duivel ware--om dat hij overal zoo zwart was. Hij +beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij +kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het +avontuur wagen. Nochtans--ik weet het van te voren--'t is de Duivel en +niemant anders. Kwame hij van Gods wege--hij zo zoo zwart niet zijn. 't +Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.' + +"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen +kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de +Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant, +die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel +aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste, +die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als +de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke +wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.' + +Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dr zonder groeten. De eene +nam den andere op van top tot teen--maar anders deden zij niet. Toen de +ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen mr gedaan had, hield +hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus +voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik +hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij +iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of +de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok +van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zo hem jagen hier in het +bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht? + +'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal +zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen: +licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met +schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.' + +Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem +achterhaald had, riep hij luide: + +"Staat, Ridder!--waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier +ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert! +Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het +mij--dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur, +heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden." + +--"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik +omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten--dan dat ik mij +tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij +door iemant ter waereld zo laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen +zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen--wij +zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!" + +Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond, +voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij +de Koning was. + +Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om. + +Beiden waren wl gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een +open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de +paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar +den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zo lang, dat men +een mijl in dien tijd had kunnen afleggen. + +De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning +vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter +op het schild (waar hij zich koen me beschutt'e) dat het in stukken +vloog als een lindenblad. + +De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning. + +De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de malin, dat er +menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide +uit de huid door de malin heen. Groot gedruisch was er van slagen en +wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op +het hoofd, vol schaarden en spleten--zoo scherp was de snede der +zwaarden. + +'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in +zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou +ik mijn naam bekend maken--eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer +verwierve ik eere!' + +Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem, +dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros. + +Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en +bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee +stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag. + +Op dit gezicht--dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei, +dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik +geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij me verdedigen? +Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vr hem!" + +Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor +hem stond op het veld, met zijn zwaard in tween gebroken: 'Hij zo niet +ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan +verweeren.' + +Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens +weerzijds, wie ze toch wezen mochten. + +"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij +bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder--zoo hebt gij uw +laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met +eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht --ik zal u heen +laten rijden." + +De zwarte sprak: "Ik ben bereid--mids gij begint, met mij kond te doen +van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij +zoekt." + +Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij--dan zal ik u zeggen, +wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder +noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van +verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op." + +--"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet +ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij +ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het +met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zo het u +veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!" + +Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het +goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder," +zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u +gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en +bij Hem-zelven het eerst--van mij staat u geen leed te wachten! en ook +ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't +mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."--"Welnu dan, Heere," +antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer +verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren +was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en +mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en +ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en +wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken +worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn +arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in +vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen +en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters--kunnen hun +knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is +geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in +bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zo ik er meer van zeggen? +Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en +ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slcht gevonden: want ik +hb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor--kon ik +mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij +meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op enen dag van enen man had +door te staan.--Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den +gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de +nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u +haten? Gij zijt zoo goed ten wapene." + +En de Koning dacht bij zich-zelven: + +'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de +man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee +rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om +der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten +leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben, +Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn +levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo +veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij +niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot +losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd." + +--"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?" + +--"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam +zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te +stelen--in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van +alles, ik laat niemant met rust--den rijke noch den arme. Ik let op hun +kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets +te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem +gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om +een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe--eer +de morgen daagt zo er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik +begeeren zo en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen. +God zo het ons niet misduiden--hadden we er een deel van. De schat ligt +in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd +pond van--'t zo hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen; +bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u +van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn? +Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen--en +gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas." + +Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede. +Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het +weten, eer ik u een enkelen voetstap volg." + +Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de +Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zo veel +zo kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol +geladen." + +Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon +Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is +niemant, die er mij toe bewegen zo, dat ik den Koning schade dede. Al +heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik +zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik +vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte +Heer. Dede ik hem iets anders dan eere--ik zo het mij voor God moeten +schamen; men zo mij zoo iets niet moeten raden!" + +Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat +Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij +zich-zelven--'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zo hem zoo +veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven +kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!' + +Na deze overweging vraagde hij aan Elegast--'of deze hem ergends anders +wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij +zo daar van zijn kant, zoo Elegast hem me wo laten gaan, gaarne zijn +kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij +betreft--gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot +niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings +zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te +bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij +verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zo +hij aan het leven en de eere staan--ging alles naar zijn wensch: dat kan +ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding--burcht en +leen--aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht--het +zo hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen --zoo ge +wilt--zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven, +dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch +wel zeker, dat al zo hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem +ongaarne zo laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar +gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De +Koning vergat zijn rol geen oogenblik. + +Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij +een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed +vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het +ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons +werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles +te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op, +gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit +was geraakt. + +Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren! + +Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den +Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens, +Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik +zal handelen naar uwen raad. Het zo mij toch leed doen, indien u eenig +ongeval overkwam en men zeide dan naderhand--'dat is alles te wijten aan +Elegast!'" + +Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus: + +"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest--zoo ver ik weet. +Het zo mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op +u aankomen." + +Elegast hernam: "'t Is mij ook wel--zoo gij een behendig dief zijt: dat +zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken, +om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne +vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een +ijzer, waar hij den muur me zo stuk slaan. Toen haalde ook de Koning +het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij +dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den +maker," zeide hij--"dan bestelde ik er hem ok zoo en voor mij. Een +dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer +gebruiken."--"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn +verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die +gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij +op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande, +dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit +andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een +ploeg."--"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er me +binnenraken. Later bestelt gij u een ander." + +Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den +geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was +hij groot en sterk--op zulken arbeid verstond hij zich niet. + +Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in +zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen, +wat ik u brengen zal." Hij wo niet toelaten, dat de Koning ook +naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield +hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en +wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom --Carel bleef buiten, en +Elegast kroop naar binnen. + +Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te +werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist +van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had, +verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij +hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun +Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.' + +"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!--zo de Koning daar buiten +zijn?--Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker, +verraden--of een elfenspook misleidt mij." + +Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en +verhaalde hem, wat hij--of hij moest zich geweldig bedrogen +hebben!--gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne +taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was--alleen +wisten zij niet hoe dicht. + +Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? --Wat zo +de Koning hier uitrichten?--Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond +blaffen mag?--Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij +voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te +verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond." + +--"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning +van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij +hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te +voren deed, dat de Koning in de nabijheid was--maar dat hij niet wist +hoe dicht.' + +"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet +in den omtrek is!" + +--"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener. +Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort--al wierden wij beiden +ook gevangen."--"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar +laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving, +ik zo 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn +kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en ner heen en wer in zijn mond; +maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden. + +"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid +kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn +geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij +iemant, die uit stelen gaat?--Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet +telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is +waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik +heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!" + +De Koning dacht: "Dat is een waar woord!" + +Daarme lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat +Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd--maar kon geheime +kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en +al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met +sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant +hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel. + +Toen wilde Carel henenrijden--maar Elegast beval hem nog te toeven: hij +wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn +vrouw lagen--een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man +leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zo kunnen +beschrijven; alleen aan den voorboog[2] is prijzensstof genoeg. Daar +hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als +Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel +stelen--al zo ik bij de keel gehangen worden!" + +[Illustratie: Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald heb.] + +Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel +ontbeerd, dan dat Elegast wer naar binnen ging. Toen Elegast bij het +zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde +wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat +Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan +mijn zadel?" Hij zo zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't +niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem +zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het +zwaard en de sche en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn +gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem +haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had +opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen +gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is +menigvuldig--ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan, +dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en +hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt +stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze +waren, die den Koning zouden treffen. + +Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij +zich-zelven, hij zo de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht +brengen. + +Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't vl liever dat men u ophing +bij de keel, dan ik gedoogen zo, dat de Koning aldus zonder dat hij +gewaarschuwd werd zijn leven zo verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric +de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond +uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten +de legerstede. Elegast, die dit alles had ga-geslagen, kroop er +zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de +vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een +teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zo voor het gedreigde leed. +Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed +inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn +woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat +hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof wer naar zijn paard en +tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast +had aangebracht. + +Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zo er niet langer getoefd hebben: +zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard +had?"--"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God +leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal +het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken--daar ben ik reeds +te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging +hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb. +Neemt het! ik ga--om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk +te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om +al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug." + +Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke +reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en +bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om +was gegaan." + +"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn +droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik +uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armo te boven te komen. Ik +leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven, +morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!" + +Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem +voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des +Hemels. + +Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem +doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zo heel het hof in +opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt +gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen +hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning--welnu, dan +is hij dood! Wat zo men daar mr van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge +wel genezen." + +Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels +ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange +vertoeven was hem onaangenaam. + +"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn +makker--het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te +n kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij +God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet +zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen--eer ik deze burg +verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan." + +De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard +gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al +zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u +beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen --dien Eggheric van +Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem +vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad--het verraderlijk +opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw +loon zal niet gering wezen: + +"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings +broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden." + +--"Neen," zegt Elegast, "wat mij wervare--voor den Koning kome ik niet. +De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware +paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht +onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite." + +--"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech +naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen +buit met u me, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik +zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd +hij doodgeslagen--het zo mij grieven." + +Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar +hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar +Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want +hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem +verraden! + +De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij +bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't +iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de +wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien +men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over +wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen +tot goed geluk voor hem was uitgekomen. + +Toen zond Carel, de Koning, en zijner Kamerlingen om zijn geheimen +Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten +volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde, +die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk +van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat +hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen +Heer!" + +Toen zeide de Hertog van Bayvier[3]: "Laat hen komen--hier zullen zij +ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te +schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en +strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys[4], met u herwaarts kwamen: +zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf, +Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal +hem kwalijk vergaan:--tot op zijn sporen zal hem het bloed nervloeyen: +en Eggheric het eerst!" + +Deze raad dacht hem goed--en allen, die het met hem eens waren, wapenden +zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij +duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de +Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden. + +Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast. + +Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog, +zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen +zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf +blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde +ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gder +had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met +den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal +wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo +als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan +van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning, +zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem +vl: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden +en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend, +schande--gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij, +noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen, +dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had--ik zo 't hem +doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu +vooruittrede, die daar lust in heeft!" + +Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om +Elegast--boden op boden--waar hij zich onthield in het woud; en zeide +hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven +was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken." +De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort, +tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun +opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij +de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij +Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel +leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo +waar hij een Christen was, dat, indien God hem ne bede kon inwilligen, +hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn +rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij +wech. + +Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij +sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten--den Koning en wie ik +hier vinde!--maar Eggheric--hm groet ik niet! God, die zich om +onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de +zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden +moet hangen--Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen--zoo heeft +Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is; +want--mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit +noodweer gedwongen was." + +Toen Elegast dit gezegd had, zo Eggheric het gaarne gewroken hebben: +maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet +hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in +mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht +achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag +van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van +wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de +toedracht der zaak." + +--"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er +vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't +hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het +durfde wraken--dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij +richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en +had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter +handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den +Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen--ik +doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vr zonne-ondergang, of ik +zal mijn leven verliezen." + +Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't +zo ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zo wagen tegen een +verbannen dief. Beter zo hij met boerenlummels kampen dan met mij." +Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al +was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij +vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb +den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar +gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook, +die de schuld aan u wil tijgen." + +Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zo +ik naar recht met hem leven, ik deed hem door en mijner knechten +wechsleepen en hangen bij de keel." + +Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven +dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan +gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken +dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard. + +Weinig tijds na de noen[5] deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat +zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp +zo plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God, +dat hij den kamp beslissen zo naar recht en rede. (En God verhoorde +zijn gebed.) + +De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af +en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe +schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was." + +Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e, +kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat +hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter +nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden +vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb. +Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt! +ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf +wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in +uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn +zonden niet zijn, die mij verslaan zullen--dan, voorwaar, meen ik wel +behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik, +dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik +u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en +wildernissen--mag ik het leven hier afbrengen!" + +Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne +rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende +zijn paard, dat vr hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het +ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.' + +Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten +strijd!) + +Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand. +Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de +kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte +geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de +sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hm, dat +hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij nerviel op +het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het +zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden, +U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond--zoo +mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot--'t ware +jammer, zoo ik het neervelde: menig zo 't beklagen! Kunt gij er dan al +zlf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard." + +--"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zo dezen strijd +kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen--al +kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders +vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij +prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zo maken om u te verslaan." + +Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand +spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had +gesproken, en steeg in den zadel. + +Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield. +Nooit zag iemant ergens op enen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren +hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit +vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want +zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij +bleef toch even goed een Hertog. + +Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier +almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde +brengen, naar recht, en naar rede!" + +Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle +gewicht aan bewerkt rood goud zo waard zijn geweest: de Koning had 'et +hem geschonken. + +Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de +bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat +hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit +den zadel deed storten. + +Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel +zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs +zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u +zoeken." + +Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken. + +Men sleepte Eggheric voort en hing hem--en alle verraders tevens: daar +hielp noch losgeld, noch bede. + +Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem +Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen. + +Zoo moge God al onze zaken vr onze dood ten goede brengen! + +Nu zegt allen: Amen! + + +[1] De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ..., +Gallici en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor +ingeschoven. + +[2] La bte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses verticaux. +Viollet-le-Duc, _Dict. du Mob_., II, 372. + +[3] Beieren. + +[4] Valois. + +[5] Het 9e uur na zonsopgang. + + + + +DE VIER HEEMSKINDEREN. + + +AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.) + + + + +HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN. + + + + +HET EERSTE CAPITTEL. + + +In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren, +hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte +hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en +vrolijkheid. + +Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle +jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van +Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de +waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar +ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was +Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter +gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo +dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie +te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het +Keizerrijk--Geestelijk en Waereldlijk. + +Daar waren: onze aardsche Vader--de Paus van Rome, de Patriarch van +Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge +Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000 +Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom[1] ter wapen in +oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen, +alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed +waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal: +want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en +geneuchlijkste van den jare. + +En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan +men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde +strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee +Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller +aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig +Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet +ontbreken en zoude van spijze en drank. + +Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in +zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en +in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en +Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters +zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer +wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en +ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne +Keizerinne, in groote luister en glorie. + +En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en +groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen +die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete +woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale +zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de +tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in +Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en +hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille +geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer +Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven +hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer +Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze +begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden." + +Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer +Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor +hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geischt, en ik +hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij +doen daartoe dat zij mogen!" + +En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd +zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende: +"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen +tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben--men zal groote schande van u +spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt, +zal daarin ndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel." +Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen, +of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit, +en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels +tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar +wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen +vernomen. + + +[1] _vroom_--moedig. + + + + +HET TWEEDE KAPITTEL. + + + Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn + ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den + Rijksban deed. + + +Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de +blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen +en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen +verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat +de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd +en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken: +"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal, +zoo lang als de waereld staat--al zouden wij alle dood blijven!" + +Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders, +uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen +en vrienden; hij had spoedig zijn batali in orde gesteld en had +ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend +en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen[1] Koning Carel veel te +hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van +volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning +Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemannirs en +Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit +verscheidene oorden--meer dan ik schrijven kan. + +Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn +en zijne vrienden[2] te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en +te niet te maken. + +En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000 +mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders, +edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit, +met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot +'Nerboen! Nerboen!' + +Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in +orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit, +zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van +den paerde ter aarde gedragen wierd. + +Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome +mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en +vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal." +Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op +het spel en in gevaar stellen." + +Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun +zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den +appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk[3], +tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en +velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden +groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man +bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag +daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de +strijd was hevig en fel. + +Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed, +alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere +nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel +verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste +schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage, +duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige +mannen. + +Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood +had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van +Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom +geveld en verbrand--om de dood van Heer Huygen. + +Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne +kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden--maar ik duld ze hier niet +langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun +vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep +Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame--zoo Koningen, +Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner +waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling +over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden +met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land +moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben. + +Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen +mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij +bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings +macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten +hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk +verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven +waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen. + +Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts +ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure +besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk +nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren +en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden--Monniken, +Priesters, Klerken, Nonnen--ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tt +onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder, +Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van +Nigromantie[4], daar hij groote schade me dede. En het goud, dat zij +roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze +oorlog duurde zestien jaar.[5] + + + +[1] _Lauiven_--Loan, in Picardi. + +[2] _vrienden_--zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten. + +[3] _vromelijk_--dapper. + +[4] _Nigromantie_--zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit [Greek: +Nekromanteia]) + +[5] _Genoten_--het kollegie der XII _Pairs_, die met Karei te recht +zaten; zijn staf in den oorlog. + + + + + +HET DERDE CAPITTEL + + + Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van + Ardennen, om peis met hem te maken. + + +De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van +Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde, +moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen +over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met +Haymijn en zijn volk. + +Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij +Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem +eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de +oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden +u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan +beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten +van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij +hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe +in wat hun goed docht. + +Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij +schrijven zo een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn +magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan +had. + +Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot +Pirlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode, +opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis +mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien, +en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den +Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen +aanname over mijn neve!" + +Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den +Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot +Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn +neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en +al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij +hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij, +noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.' + +Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had +gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden; +hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn +vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van +Orangin, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning +Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat +zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen +dochte. + +Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene +hij hun aangezegd en geschreven had--zij waren des goedwillig den zoen +aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door +Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem +zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat, +alzoo hij hem bij brieven gemeld had--dat hij te vrede waar den peis aan +te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere +woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert +kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem +eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en +zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis +en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve, +gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.' + +En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge +Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de +meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden +den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het +andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede. + +Daar werd ontboden voor den Koning--Adelbert en Madelgijs: en toen zij +voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden +en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om +aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen +oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief +bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn +zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Pirlepont, en hebben Haymijn +weromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen +zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken. + +Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze +blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij +cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht. + +En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis +kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman, +met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende +vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met +300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor +Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij +mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde +onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft; +ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als +Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap +vereenigd. + + + + + +HET VIERDE CAPITTEL. + + + Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij + haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat + hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde. + + +Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid +ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere +zijde ging Roelant[1]. + +Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede +Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf +hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning +ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte +over zijn neve, hij zo hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te +betalen.' + +Intusschen kende Koning Carel--Haymijn en zijnen magen toe wat zij +zouden winnen op de Heidenen[2], dat ze 't vrij houden mochten, zonder +van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn +vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den +zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk +'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname +aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en +dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met +hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar +Pirlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot +Parijs. + +En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Pirlepont, +toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden +en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en +wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener +waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels +zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken +waar ik mag aan lijf en goed!" + +Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer +leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En +Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde. + +Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar +werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en +geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat--maar Vrouwe Aye niet; zij was +zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon. + +Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne +waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter +rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne, +en lede zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij +dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle +Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was +zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en +ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap. + +Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij +ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het +geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij +het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken. + +Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een +klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van +kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan. + +Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van +een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de +gevaders waren Bisschop Tulpijn[3] en Grave Willem[4]; en het kind werd +heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk +gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't +toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne +wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't +vernam. + +Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij +was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den +zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar +kerkgang gedaan. + +En later heeft zij ng een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't +verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat +kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed. + +Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en +Adelaert werd hij genaamd. + +Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar +bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen +dat Haymijn dood was. + +Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend +paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw +hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte, +en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem +wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook, +blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de +zale. + +En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had +Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier +was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den +sperwer. + +Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en +Reinout waren van enen ouderdom, en ener grootte; maar toen zij +vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet. + +Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands +verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning +Carel. + + +[1] _Roeland_:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn. + +[2] _Heidenen_: Sarrazijnen, Saxers en Lombardirs. + +[3] _Bisschop Tulpijn_: mede een van Carels Pairs of Genoten, die den +Rijksraad uitmaakten. + +[4] _Willem_: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van Gellone. + + + + +HET VIJFDE CAPITTEL + + + Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk wo doen kroonen + Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet + wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede + ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en + hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat + hij vier Kinderen hadde--'t welk hem zeer + verwonderde--en hoe hij hem bereidde ze Ridder te + slaan. + + +Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof +hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke +en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen, +Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem +in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen +gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u +is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde--alzoo dat ik voortaan de +wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in +ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom +wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone +Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet +als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling." + +Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning, +het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is +Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd--'t en kan nochtans +niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt." + +Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik +hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk, +van heel Christenrijk!" + +Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier +ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van +den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn +goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes +weken: 't was daarom, dat hij menige--overmoedige krijgstocht tegen uw +volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde +en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud +daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de +voeten mede." + +En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geindigd had, sprak Koning Carel: +"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne +en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren +geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij +de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet +voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen +is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden, +magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zo ze +doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zo hem zenden om +Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden +wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat." + +Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet, +is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt +terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem +zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot +borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en +verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan." + +Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht +die hem goed, en ze hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden +zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?" + +Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant, +Willem van Orangin[1], Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning +stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?' +'t Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met +kostelijke tuigen van goud en zijde. + +Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne +paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te +paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de +hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte, +zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land, +en zagen Pirlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden: +daar waren twee-en-dertig vrome Ridders. + +En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn +kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de +uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen +verraad en oploop. + +Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield +den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders +komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn +Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem +van Orangin? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder; +de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die +mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit +oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.--Zij moeten +iets gewichtigs te boodschappen hebben." + +Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe," +zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer +Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe +de paerden wl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor +den overmoedigsten man der waereld." + +Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op +zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en +kostelijken blioud[2] van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij +hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de +knien, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij +hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke +Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen. + +De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het +binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders, +Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo +stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de +vier Heeren weder op hunne knien voor Haymijn; die zich niet +verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete +woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u +noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent +niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge; +hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig +nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van +Christenrijk." + +Haymijn hoorde wel het gesprokene--maar andwoordde niet. Als hij zijne +vijanden, in zijn eigen land, daar vr zich zag, ontging hem al zijn +verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner +eere, mogen nerslaan--ze zouden hem niet ontkomen zijn. + +Andermaal zeide Roelant: "Sprkt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij +u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te +kroonen.--Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne +veroordeeling, toch andwoord geven!" + +Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan. +Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam +eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide: +"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw +schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!" + +Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en +heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer. + +Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer, +wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van +Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt--is dorperheid...." En eer zij +het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de +hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en +zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen +spreken--schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was +uitgebroken. + +En hierbij stonden de vier ridders--Grave Roelant en Bertram de +krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en +zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend +binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo +gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en +haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche +Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een +vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde +hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen +antwoord!" + +En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te +zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de +ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de +ongelukkigste vrouw ter waereld."--"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij. + +"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig +jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een +kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn +land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen +doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen +zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij +mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van +hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van +hen gegrepen--God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden. +Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;... +liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zo." + +Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij +kinderen hadt, luttel of vele--zoudt gij ze dooden?"--"Voorwaar," zegt +hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zo grootbrengen en +behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen--zijn lieven kroost, dat +hij voor al de waereld bemint!"--"Zoo waren het dan verloren eeden, die +gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden +zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"--"Woorden, hetzij door +dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen +waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik--God +betere 't!" + +--"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw +kinderen vreedzaam bejegenen zult--wilde 't geval, dat gij er vondt." + +Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen; +maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen--want ik weet +niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn." + +Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met +mij--gij zult ze zien!" + +Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging +met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij +name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zo dra te-rugkomen in de +zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen--daar hem zeer naar +verlangde.' + +Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen +waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging. + +Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier +niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer +stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en +Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat +gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels +geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij +noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier +den Bottelier en Schenker, ik zo ze slaan dat ze er nimmermeer van +opstonden!" + +Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die +tale staakt."--"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout +trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen +heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar +wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet +zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij +Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker--hij is zoo wreed en +hoogmoedig van zinnen, hij zo u de hardste dood doen sterven: gewapend +volk heeft hij altijd op der zale en in den hof." + +Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met +toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden--Haymijn--die ellendige? des +zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet +een kaf;... ik zo ze mijn vuisten doen voelen, dat ze nerduizelden--en +dien Haymijn het eerst!" + +Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en +zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik +zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!" + +--"En van de anderen twijfelt gij?" + +Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van +herten." + +Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht, +dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer. +Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem +over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet +gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier +eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben." + +Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde +hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met +een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel +jonkman, en wil mij niet slaan--ik ben dijn Vader; van dezen avond zal +ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?----zoo +ware mij leed, dat ik had geslagen." + +Het eerste kuste Haymijn--Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en +Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard +aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden. + +"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u +euvel bekomen, dat ge mij kwetstet." + +Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere +waerd zijt Ridder te worden."--"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij +behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en +sterk--zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten +Hove." + +[1] _Willem van Orangin_: deze Paladijn, uit het Huis van Narbonne, en +Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, dienden dus +toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar hield het +geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe.... + +[2] _blioud_: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie Viollet le +Duc, op het woord _Bliaut_ (Dict. du mob., III, I, 38--60). + + + + +HET ZESDE CAPITTEL. + + + Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en + hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat + berijden, dat vele Heeren aanzagen. + + +Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij +spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vr hem +komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer +kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem +'t zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet +op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken, +dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele +ongerechte daden bedreven--dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een +vroom Ridder, heusch[1] in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch +land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen +en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft. +Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb +t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij +daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij +op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove." + +Toen liet Haymijn--Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand, +zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde +hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien +men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden +ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om +Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch +kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij +moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen." + +Daarna maakte Haymijn--Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den +anderen Kinderen gezeid had. + +Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede +was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn +in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide +Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een +Espetijn[2]: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt +hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Pirlepont, Montagu en +Valencijn[3], maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te +vechten." + +Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor +het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden +ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout +dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg +'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vr hem viel. Hij +zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en +tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van +Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u +voorbracht." + +[Illustration: De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is +dood, ziet daar ligt hij.] + +Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat +Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude +dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen +bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij +sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde, +dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout +op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf. + +Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone, +bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht +van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft +er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een +dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met +nieuwe veren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert +zat, indien hij 't reiken mocht, hij zo den sperwer zijn vleuglen +kunnen korten, in de vlucht." + +Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende: +"Vader, dat eerst zo mijn paerd zijn!" + +Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u, +want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft +een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi." + +--"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware +groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak: +"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als +Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met +zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand +eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was. + +Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout +vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en +Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te +zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men +den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het +Ros, en ik zal het u geven." + +Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de +staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg +Reinout met n der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter +aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam. + +Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende: +"Och, mijn kind is dood!" + +Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter +dan dy." + +De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar +ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en +ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen." + +Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft +zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch +Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij +zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de +kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op +de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den +toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd +omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus +wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende, +dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee +scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen +van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert. + +Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen +en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En +Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde +grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout +een langen tijd wech en weder, tot het paerd mo wierd; Beyaert was +sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had. +Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet. +Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien. + +Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn +goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen +en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan +spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vr was 't wit, en +breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden +schutbladen[4], die zeer kostelijk waren. + + +[1] _heusch-, hoofsch-, hoveschheid_ is het tegenovergestelde van +_dorperheid,_ en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in de +form. + +[2] _Espetijn (erspentijn, serpent?)_: draak. + +[3] _Montagu_ en _Valencijn (Valenciennes)_. In sommige bronnen: heet +dit laatste _Valkensteyn._ + +[4] _Schutbladen_: zie de noot 2 Carel en Elegast. + + + + +HET ZEVENDE CAPITTEL. + + + Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove + kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe + Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van + Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart[1] en Kok, dat men + Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle + zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf + hij niet. + + +De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen, +en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al +wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn +Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren +voorzien van eene volledige uitrusting. + +Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden +ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar +kwamen zij te Parijs[2]. + +Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur +sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij +hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus +genaakten zij ten Hove. + +Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk +gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning +Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn +alzoo gedaan heeft. + +Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te +trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en +hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u +haat en die u doodvijand is?"--"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik +wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij +moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk." + +Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat +ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij +andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den +Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en +zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen. + +Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning +blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des +dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch +Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste +in dertig jaren, dat de Koning--Haymijn ongewapend had gezien. Roelant +bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad +Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met +Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.' + +En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder +Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste +jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het +verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast +hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner +van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was. + +Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men +ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze +gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of +niet." + +Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete +u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij +malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij +dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."--"Voorwaar!" zeide Reinout: +"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't . Gaerne wil ik u dienen +met mijn lijf--maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur +genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander +Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was +hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon +landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde +hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en +ik lk begiftigen zal--zoo zal ik u niet geven!" + +Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik +heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!" + +Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel +zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot +uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met +kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en +Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk +onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist. + +Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men +Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig +Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd +de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner +waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar +de honden meest liggen--zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een +ieder werd gediend van spijs en drank--maar Haymijns kinderen gaf men +niet. + +Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en +zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep +met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den +voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit +ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels +name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat +hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen, +en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den +Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout +liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier +is genoeg van alles." + +Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij +vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.' +Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder; +daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets +gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar +sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn +rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet +verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok +niet aan; wil ik er en, mij komen er tien. Wat er me misdaan zij--het +blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den +Koning, zwegen zij en gingen heen. + +Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de +Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal +hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het +stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over +de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt +misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap--ik zegge u +voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout +zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder +misdoen; sloegt gij mij--uw doodsuur lag daaraan." + +Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij +nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout +schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg +den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode +lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog. + +Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij, +die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik +beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het +zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl +het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning +weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was +niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten. + +Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en +allen te verheugen, die daar aan tafel zaten. + +Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk +voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een +bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo. + +Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier +nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten +alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van +ijzeren malin, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde +waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij +vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den +vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan +toe--zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn +broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond. + +Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen +bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun +gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit +hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt +over dien enen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit +hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden. + +Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk +aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren, +gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met +menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk. + +De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en +twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden +zich bij hen. + +Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat +op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een +richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij +Heeren al-te-gar." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek +gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer +over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder +tijd!" + +De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop, +insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen +regen hem zijne mouwen vast. + +Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of +zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen, +opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen +heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert--Drossaart, +Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen. + +Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de +kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven[3], opdat +hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet +langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk +ter kerke. + +Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk +boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde. + +Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk +getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar +hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel. + +Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte +Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men +mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods. + +Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en +vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd +geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de +Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse. + +Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een +bezant[4] van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten; +toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en +offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie. + +Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij +geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en +hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den +autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met +vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En +ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur. + +Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn +lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong, +bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot +en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen. + +Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd +had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte +beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner +onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief +zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten, +zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot +zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij +t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zo +spreken. + +Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne ene +zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem, +en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna +groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met +zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en +hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam. + +Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove +gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten +Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte. +Haymijn zat me aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in +de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee +Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met +zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle +ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men +dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove +vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk +er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren +speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best +mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant +de tijd verdroot. + +Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en +Vorsten. + +Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of +leenen ontvangen wilden, hem volgden--hij zoude elk na zijnen staat +mildelijk beschenken." + +Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een +bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en +gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na +dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant +of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren; +luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet. + +Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove, +zonder zij alleen--en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen +zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave +Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en +ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde +lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij +hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft +gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften; +en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij +niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan +de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders +hem iets misdaan hebben." + +Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met +hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of +geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo +eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne +Kinderen en bracht ze voor den Koning. + +En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun knin en +groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden: +"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste +van uw broederen--het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik +zal u geven schat en gave: ik make u in Spangin Markgraaf; dat zult gij +van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in +Poelgin[5]; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert, +derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is +schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk me ophouden." Toen zeide +hij tot Reinout: "Gij moet mede wl begift zijn; u geve ik het land van +Artezi, Angrico[6] en Blois." + +Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen +Koning Carel, zoo vielen zij op hun knin voor Konings Carels bedde, en +kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen. + +Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en +gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns +kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd. + +Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn +tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw +giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw +Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet +toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun +binnen kort weder nemen!" + +Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn +Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een +steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu +ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben." + +Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog +eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer +verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel--'t zal zich-zelf +openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig +jaar--wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als +gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en +sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik +'t niet om mijn eigen eer--ik zo u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer +vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den +steen!" + +Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den +steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig +Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel +Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk +ontwierp hem een voet[7]; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den +prijs. + +Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo +zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge +grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij +zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed--hij zo u trekken bij +den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu +Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u +beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het +land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning +Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt +slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tt +u."--"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone +Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst +met mij werpen." + +Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten +hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne +kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen +Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen +liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide: +"Vader! wat is u misdaan?--ik zal 't wreken, als zo ik lijf en goed +verliezen." + +Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik +stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te +spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht, +schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male. +Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er +ng een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den +steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren +moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij +mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet +wreekt, en den steen om het verste werpt met hem---ik zal het besterven. +Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar +blijven." + +--"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is +onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige +daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner +jonkheid wege, dat betert ons zijn vader." + +"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke +droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den +steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven." + +Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns +vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem +in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!" + +Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk +was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende +Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien. + +En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag. +Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan +Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van +Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn +worp overdoen--en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan +hij! + +Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk +wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het +hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond +gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen +had. + +Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout. + +Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk. + +En Lodewijk nam den steen nog en maal--en konde hem zoo ver niet werpen +als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en +monde uitsprong. + +Haymijn zag naar Reinout--dat hij zijn krachten aan den steen zoude +toonen. + +Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen +langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den +steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte. + +En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den +steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen +menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep: +"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!" + +En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven +Reinout den prijs. + +En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen, +die ge zijt! dwazen, die een huurling--die om geld gehuurd is (deze hier +geve hem al uit voor zijn zoon!)--dus lofprijst! Een grove dorper zij +soms zoo sterk als een Edeling--des is hij nog geen prijzens waerd." + +Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot +Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."--Toen lachte Reinout en +zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"--"Zegt mij, zone!" sprak +Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten +volle getoond--ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap mr +ontworpen." + +En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde +zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte. + +Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat +waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning +groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen? +Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat +u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u. +Wilt gij uwe eere herwinnen, zo dat elk u prijzen zal--gaat dan in den +boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen +en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne +Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en +moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en +kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan +hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot +Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij +u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het +niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan +gij. En wil hij dan daartegen opkomen--zoo zult gij zeggen, dat drie van +ons het gehoord hebben; en is 't van noode--wij zullen er nog wel meer +toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene +over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkar, +zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal +zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen +hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen[8]. En +aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en +dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal +durven doen." + +Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad, +en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die +'t schaakbord beter verstaat dan ik." + +Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een +venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de +Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde +drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn, +en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk, +zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij +van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de +oogen neder en sprak niet. + +Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist +niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan, +dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den +Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den +muur sprong. + +Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen +zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben +vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar +mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en +Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den +steen--maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester +van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het +wonder, dat ik toornig ben?" + +Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik +God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken: +en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't +mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!" + +--"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk--"maar ik eisch, +dat ge mij volgt in een kamer--daar zullen wij een ander spel beginnen." +Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in +de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen +zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te +kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede +oorkondden, en zeiden dat het waar was. + +Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet +ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men +bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk. + +Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzo zullen wij spelen: Wie het eerst +zijn werpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen +hoofd." + +Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo +kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd +zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten--dat +doe ik gaerne!" + +Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik +zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om +uw hoofd en 'et mijne!" + +Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods +Name--moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe +ik mijn wil, want ware Lodewijk dood--ik droege nog eenmaal de kroon te +Parijs." Lodewijk had den eersten zet--om dat hij des daags Koning +gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder[9]; +zij namen elkander een Oude[10]. Adelaert zei: "God ontferme zich +mijner! mijn ongeluk is groot." + +De Koning won op Adelaert drie spelen n elkander, en ze op trotschen +toon: "Had uw broeder den prijs van den steen--hier blijf ik uw meerder: +in waarheid, ik voorzet 'et u--ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen +afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen ner en zeide: "O Koning, +zoo gij mijn hoofd wonnet--en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De +Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor, +ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!" + +Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw +bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder +schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et +hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots[11]," zeide +Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat +hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden +het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vr, Heer Koning!" + +Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met +de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En +Adelaert won vijf spelen achter-een. + +Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op, +zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb +gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer +speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem +verdroot uw leven." + +De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in +'t aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper, +zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne +verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield +ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond. + +Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij +Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie +heeft u geslagen?" + +Adelaert andwoordde: "Niemant!"--"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult +'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag." +--"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede +gestooten aan een balk; 't was hier in den stal." + +Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd. +Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst +en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal, +om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg +'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit +hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zo +gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp +mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het +zwaard op. + +Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel +broeder, ik zal 't u zeggen, al zo ik er om sterven--maar niet van uwe +hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk +beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't +zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar +kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning +drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan; +als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't +schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen +weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande +houden--ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij +der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en +Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren +zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over +zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een +schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding +spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf +spelen achter-een zo afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op +Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet +meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't +hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het +schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar." + +Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke +dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten." + + +[1] _Drossaart_:(hier) huismeyer, spijsverzorger, scbotelschikker. + +[2] Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt gewoonlijk +voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, dat Dr. +J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23. + +[3] _Markgrave_ beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker is; hier +zo het zijn--bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het volk. + +[4] _bezant: een_ muntstuk. + +[5] _Poelgin_, Apuli. + +[6] _Angrico_, Angers. + +[7] _ontwierp hem een voet_: wierp een voet verder dan hij. + +[8] _te verdingen_: af te kopen. + +[9] _Ridder_: paard. + +[10] _Oude_: raadsheer. + +[11] _Rots_: kasteel. + + + + +HET ACHTSTE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout--Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed + in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen + werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe + Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze + Koning Carel gevangen zo leveren. + + +Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe +Adelaert met Lodewijk gevaren was--van 't begin tot het einde. Toen +Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende, +en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet +en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad. + +Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en +als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil--ik zal 'et +hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich +Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen +een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij +verborgen. Aldus gingen zij ten Hove. + +Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in +der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen. + +Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij +Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten. +Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hm +eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep +Reinout--Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd +bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning +Carels aangezicht sprong. + +En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne +oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en +riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen! +die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het +geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich +haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis +en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en +reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van +wapenen, op een schoone vlakte. + +Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vlin!"--"Geef mij +Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het +vlieden is ons geen schande--want Carel is onze Koning!"--"Dat en zal +niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te +vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij +overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant +vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!" + +Daar was elk strijdens re; Reinout zat op Beyaert--vertrouwen en +blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem +verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en +blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en +hun vijand klein achtten. + +Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast +den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak +den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den +paerde viel. + +Reinouts broeders reden me in den hoop en deden wonderen met den +zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde +Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en +menigen vijand onder den voet reed. + +Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in +het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag +niemant vlin! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat +hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op +hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen +moest. + +Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze +nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet +vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus +doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht +dringt hen drmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir +volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet +waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels +en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo +snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't +hem zeer leed. + +Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er +veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zo zien +sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn! +geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het, +met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop +tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde: +"Indien men hem ving--ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de +Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan +was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel +zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zo doen hangen en Vrouw Aye doen +verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen +had'. + +Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem +terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat +waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit +geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant: +"Zoo zo ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy +hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo +groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning +Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen; +'t koste dat 't mag." + +Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij +Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het +voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"--"Neen ik," zeide +Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat +men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle +om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden +verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb +hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat +ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u +misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad +zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en +moeder wijten?" + +--"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem +kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat +zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het +hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen +den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk +hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en +liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den +Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen +van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen. + + +[1] _vromigheid: prouesse_. + + + + +HET NEGENDE CAPITTEL. + + + Hoe Haymijns Kinderen tot Pirlepont en van daar in + Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning + Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte, + om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's + Konings Volk, die hun Koning wreken wilden. + + +Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids +de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel +te Pirlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar +gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder +waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was, +"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht." + +Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op +dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was, +en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat +hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des +Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels +zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer +bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen +blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want +zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij +spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel. + +De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij +dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood +wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe, +de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze +doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier +met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van +noode wezen zo: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren +werwaards zij hunnen weg zouden nemen. + +Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangin tot Koning +Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen +schreiden om hun wechreizen. + +Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangin kwamen, daar zij +den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning +verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag +komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem +waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te +blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen +ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel +dat men de valbrug nederliete. + +De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet. +Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en +hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn +broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."--"Wildy +gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat, +Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God +Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn +kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen +Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen +zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en +zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar +uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij +bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik +hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij +blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden +van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat, +dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't +kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden. + +Zoo waren zij met den Koning van Spangin, genaamd Saforet, drie jaar, +en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden, +vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht +noch geerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning, +dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en +dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf +men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en +zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem +het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig +aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en +wisten wij niet, waar ons te onthouden."--"Wat is ons aan dit verblijf +gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het +zoude onder onze handen koper worden." + +Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem, +dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet--het zal +hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen." +De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en +als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning, +mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven +hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide: +"Zeg uw Heeren--inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!--dat ik ze +noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve +vermoord.... zoo zij mr geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal +doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte +de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de +Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem +met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem +daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en +liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren. + +Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy +dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout +hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet, +Heer!"--"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze +have[1] eischtet?"--"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet +meer een penning."--"Zeide hij dat?" riep Reinout.--"Ja hij, Heere! en +hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche +ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart +dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet +mij in 'et vuur." + +Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide: +"Ik beveel u en Writsaert--Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal +en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mt +mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels +slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij +ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn +hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande." + +--"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat +beters!"--"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere +daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en +Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich. + +Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert +vielen op hun knin, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg. +"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints +wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel +hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een +spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer +het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze +nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die +slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders +niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem +stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet +kleeden--geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u +kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen +daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede, +dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog +berouwen!" + +De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik +zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave +u kleederen noch schat." + +Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om +dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen +hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!--Maakt u des wech--men geeft u niet +een mijte!" + +--"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die +woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe +trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en +zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....-- + +"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons +inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en +gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het +binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof +groot gedruisch. De stad heet Aquitanin: men sloeg de klok; al wat +geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar +Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn +gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en +'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote +felheid. + +Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout +te paerd gezeten--en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met +machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en +Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den +buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-en-zakte. Nog liet hij +Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros +verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders +wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot, +zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat +zij veel volks versloegen. + +Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te +dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af +sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij +Adelaert rijden zo, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in +stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om +zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen--en +hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden geblven zijn: maar Beyaert +sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd +was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren +mo en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus +reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij +stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde +hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij. + +"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn +bedwang--nu zo ik liever den nood ontvlieden dan ds te +sneven."--"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan +niet zijn!" + +Daarop renden zij wer met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo +lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zo vele dooden +vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de +goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en +konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren +zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van +overbleef. + +"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak +Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed," +zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is." + +--"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker +verblijf."--"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.--"Bij Ywein van +Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand, +daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste +van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan," +ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en +er een goed verblijf vinden." + +"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout. + +"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert. + +Zij maakten zich op, en leden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat +zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was. + +In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert +zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat +Yweins slot."--"Welk is 'et?" zeide Reinout. --"Naast aan de rotsen; bij +dat woud: dat hooge kasteel--daarginds --met dien breeden ringmuur en +die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!" + +--"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn mo; en +elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders; +legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij +elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij +namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder. + +Zij spoedden zich onverpoosd voort. + +Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de +wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden +zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de +Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide +hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend +nader, en zitten op en zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij +God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!" + +Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar +de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden --om hen te zien +en het Ros met de schoone gestalte. + +Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de +Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem +te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd +voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem +neder. + +"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en +dag, en u uit l ons vermogen helpen." + +Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten +mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."--"Dat loone u God!" +sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." --"Zoo 't u +gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."--"Al-te-gader," +zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn, +de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere +Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel +ridder. Nu kent gij onze namen." + + +[1] _have_: goed. + + + + +HET TIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan + met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe + Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich + versterkte tegen den grooten Koning Carel van + Frankrijk. + + +Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen +maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde, +dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter +genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen +wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne +wonden genezen waren. + +Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun +knijven en zwaerden vervegen[1]: hunne harnasplaten waren mede +vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van ne stoffe, +prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in +den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros +Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de +goede Ridders zaten moedig op. + +Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar +het land me in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit +Ywein groote schade gedaan werd. + +Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij +binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen. + +Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in +zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan +drie jaren. + +Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en +heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij +erfschap gekomen ware. + +De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner +steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem +dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met +goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders. + +Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar +kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu +zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem +aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen +zone Lodewijk zo uitleveren." + +Toen de bode in Gascongin kwam, vroeg hij naar den Landskoning --en +spoedig bracht men hem voor Ywein. + +"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel, +de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief." + +De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond[2] hem en +las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij +hem de moordenaren zenden zo, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk +hadden doodgeslagen.' + +Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en +riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden, +opdat het de Vier Ridders niet weten zouden. + +"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak? +Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze +den Koning niet--zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad +geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik +toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen +land." + +Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk +voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in +zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn +oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't +ook niet--u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en +brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de +keel." + +Hugo van Averne[3] sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer +Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u +verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen +dienst--zoudt gij ze ds beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij +verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw +vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert--uw huismeyer[4]. +Verriedt gij ze--'t ware een wandaad." + +[Illustratie: Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar +gewapend nader.] + +Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wl gezegd!" Daarop +sprak Reinier van Gascongin, een Ridder fier en stout: +"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning! +En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn +van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge +kwaamt in Poelgin, of in Toscanen, of in Calabren--daar is alom menig +Ridder, die 't zich aantrekken zo. Gij zoudt den voet niet op Cecilin +kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije, +in Engeland of in Normandin, of in Vrankrijk--de hoogsten van het land +zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden. +Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen +gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk +trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben." + +Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere +leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden +spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem +ten spijt--ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als +Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens +Carel." + +Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en +zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf[5] aan uw eer +gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen +prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze +zo doen folteren en dooden--dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar +volgt ge mijn raad, Heere--gij zult ze in Poelgin of een ander land +laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven." + +Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij +Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zo moeten zien +vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te +kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zo mij te zwaar +vallen." + +Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning--ik had +'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zo leenen van +Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan! +nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer +bewaren--zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem +de rots aan de Gironde[6]: hij zal er aanstonds een vaste burcht op +bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen +bij uw dochter te verwekken--dan is hij op het innigst aan u verbonden, +en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den +geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden." + +--"Avernees, gij zegt wl," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan, +dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve." + +De Koning ontbood Reinout en zijn broeders. + +"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout. + +"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij +met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw +broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er +aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend +maken, zijn gramschap zo mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in +Poelgin of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee[7]--ik +zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen +voorzien.... Nu zegt mij--wilt ge handelen als de wijzen, en mijn +voorstel aanvaerden?" + +--"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons +een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld +niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde +staat een rots--wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang, +waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel +en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had." + +Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er +mijn gantsche land en al de steden van Gascongin me overheerschen." + +--"Ik zo 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw +op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in +dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal +met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig +opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn +broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw +zone--zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste +Jonkvrouwe van Christenrijk!" + +Ywein sprak haastig, "hij zo zich beraden," en riep zijne Heeren weder +bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij +mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse +geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en +zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven." + +Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en +ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein +geroepen. + +"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen +mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone +Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft +van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken, +opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vr met heel zijn heir, hij +u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!" + +--"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone, +roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er +bij." + +Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe. + +Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden +werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met +en woord, een groote, goede bruiloft. + +Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche +land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met +zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als +goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen +aanstonds het huis te vesten. + +Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerlin en 700 metselaars bij-een-had. +Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen; +twee paar muren gingen er om rond. + +Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij +zo ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen, +vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500 +personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten +wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen +koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede +gesticht. + +En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te +komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij: +"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk +kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?" + +--"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't +Montalbaen [of Blankensteen] genoemd." + +--"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op +kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam." + + +[1] _vervegen_: op zwaardvegerswijze herstellen. + +[2] _ontwond_: ontdeed van het zegelkoord. + +[3] _Averne_: Auvergne. + +[4] _huismeyer_: hofmeester. + +[5] _geen kaf_: zooveel als niets. + +[6] _Gironde_: mond van Dordogne en Garonne. + +[7] _Zuidzee_: Middellandsche Zee. + + + + +HET ELFDE CAPITTEL. + + + Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt + was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en + dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden + "Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde. + + +Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zo na St. Jacob. +Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel +het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot +Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben +doen timmeren? in al Gascongin en staat geen zoo sterk noch zoo +schoon."--"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar +zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zo schier zeggen onwinlijk +is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter +verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen +maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich +over 't water zetten. + +Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein--Reinout met zijn dochter gegeven +had. Als zij ver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat +schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?' + +Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt +hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?' + +De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen +timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo +men ze heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk; +hij is uit zijn land verdreven." + +--"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout. +Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet +Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van +den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning +Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn +broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der +burcht, aangelegd een schoone stad." + +--"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt +hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven +met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht +stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en +tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem +kwaad geschin; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en +verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen." + +Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als +hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en +zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u +gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw +onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem +gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket +genade: en hij zal ze u doen." + +Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot +Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet +ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever +zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."--"Wilt gij u dan tegen Koning +Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone +Lodewijk!"--"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten +manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij +als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen--ik wil hem +Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem +als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit +zeggen?--Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met +mij te dreigen." + +Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide: +"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet +mijn boodschap aan den Koning." + +Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid +Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een +scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden +in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer +gedaan.' + +Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en +keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in +Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout, +verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te +helpen. + +Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij +kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde +Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang. +En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et +hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn +Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts +burcht; 't welk luttel tot zijn eere was. + + + + +HET TWAALFDE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te + zien als Pelgrims, en kwamen te Pirlepont, en hoe hen + de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En + hoe Pirlepont van den Koning belegerd was, en hoe + Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze + wilde doen hangen. + + +Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert, +zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al +zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is +daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van +rouw." + +--"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet +wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij +daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik +niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't +mag, ik moet mijne moeder zien." + +--"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen +gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en +bidden hen dat zij ons kleren geven voor de onzen; en zoo gaan wij +onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders +goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in +het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren, +kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren +uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen. +En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide +Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen +voor de onzen." + +Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat +Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover +geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't, +dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een +roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den +Pelgrim bij den baard: hij zo hem geslagen hebben --maar een ander +Pelgrim viel op zijn knien en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij +aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als +waren onze kleederen nog wat beter--doet 'er me dat gij wilt." + +Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen +broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns +Kinderen, die ze aantrokken. + +Als zij de Pelgrimskleren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze +stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden +menigen moeden voetstap eer zij te Pirlepont kwamen. + +Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en +vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier +Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land, +te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provencin: nu +hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat +gij ons inlaat." + +Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet +doen."--"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het +wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren +gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar +toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zo zeggen, dat gij waart +de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."--"Om Gods +wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen! +laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning +Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood, +God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat +ze God van der dood behoeden wil!" + +Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij +antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en +spijzigen ter liefde der Jonkheeren."--"Dat loon u God!" zeide Reinout. +Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen +waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden +gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!" + +--"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vruwe!" sprak Reinout, +"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galicin, +en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst +als thands." + +Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en +drinken geven." + +De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen +spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen +mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne +vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel. + +Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag +haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij +ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt +het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!" + +De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide: +"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte--ik +duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal +uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat +zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij, +Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel +wijn niet drinken, als gij alleen doet." + +Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ... +reikt mij die schale nog nmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij +dat ik u mijn leven lang danken zal!..." + +De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze +hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder +uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien. + +Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder +aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij, +"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!--want had ik nog een schale, ik +en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen +onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout +met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen +van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene +stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig +werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op +haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens +wech van Reinout. + +Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide: +"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt +'et gezworen; en wilt gij 't niet doen--zoo zal ik tot den Koning rijden +en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt." + +Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en +zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren +op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn +Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders +begeven!" + +Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw +Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze +vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den +Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij +komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw +Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende, +werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder. +"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een +oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide: +"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn +Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere, +Koning Carel, wien ik het gezworen heb." + +Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met +veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God +en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen +over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft +ons raad! Weet gij ons geen raad te geven--wij zijn verloren; want +Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide: +"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas, +geen anderen raad!" + +Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en +leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden +voor de kamer staan. + +Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want +hij wo ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert: +"die ne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns +Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk +te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef +dood, of zeer gekwetst. + +Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de +kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste; +maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op; +hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest +waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne +slagen.--Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en +zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden +zwak." + +Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den +toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't +Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich +werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem +vluchtte als den dood. + +Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven +ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te +zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij +geraakt--het blijft er l dood." + +Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met +zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek +loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter +na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde +Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader +vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben, +maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen! +Sloegt gij onzen vader dood--die vreeselijke misdaad mochten wij +nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij +verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel +verworven wij nimmermeer zoen!" + +--"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen +vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem +handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap +aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem +haastelijk tot Koning Carel." + +De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan; +want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede." +Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zo afslaan, +indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat +Koning Carel hier goed recht zo wijzen. + +"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat +ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude +gedaan hebben." + +De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten +leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de +portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't +paerd ligt?" + +Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de +poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den +knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen +zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit +hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat +hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's +Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan; +ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!" +De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's +Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den +Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden. +Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem: +"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"--"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u, +ontferm u mijner!"--"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn +zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik +'t vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards +te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...." + +--"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel. + +Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich +wapenen zouden; zoo Edel als onedel. + +En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk +dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam +te Pirlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot +heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar +tenten begonnen te slaan voor het kasteel. + +Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge +is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons +mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons +geenen raad?" + +Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig: +"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der +muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als +hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer +mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan; +hetgeen de vlucht ook van en enkele had doen mislukken. Dus was hun +scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn +broeders moest laten. + +Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden +God voor hem. + +"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart! +nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen, +doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets, +tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen +bidden." + +Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en +gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam, +wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den +Koning kwamen, vielen ze op hunne knin en baden hem oodmoedelijk, bij +de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij +gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en +lijf, opdat zij ter zoene mochten komen." + +Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan +werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et +bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te +moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar knin en bad hem, met +heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen. + +Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zo zoo +lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te +doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede +de broeders zorgvuldig bewaken. + + +[1] _Bordeas_: Bordeaux. + +[2] _winket_--deurtjen in eene poortdeure. + + + + +HET DERTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn + broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of + men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning + dede bieden met den bode. + + +Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout wergekomen te +Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders +had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen +had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om +de Heeren, al dat te Montalbaen was. + +Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op +het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende +zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'war dat hij mijn broeders +brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!' + +Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die +sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer +beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen +en bespieden? ik zo noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros, +moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!' + +Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in +euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!" +De man zeide: "Zo ik u volgen met een inzicht ten kwade?--dat waar niet +welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf +mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik +verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij +dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide +Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk: +maar alvorens dijn boodschap te doen--begeer eenen borg tot zekerheid en +vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan, +doe dijne boodschap." + +--"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik +ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in +mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij +nimmermeer op en stond." + +Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor +zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg +hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de +meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf +opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner +ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter +zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en +voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen +de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert, +mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn +kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik +doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner +broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't +land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is +'t, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen +met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn +Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven +noch om dood. + +"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod--zeg hem dan, dat +ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen +klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en +betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het +zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij +des nachts gaat te mettene[1]: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de +kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zo--zo, zal +ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en +peis geven." + +Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide +zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning, +mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer +kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap +eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale, +zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop +Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat +zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve +bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad +toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning +onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen--ik zal het +oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht +proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne +broeders daar niet sterven zullen!--Maar, ik zegge dy," vervolgde +Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast +geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren." + +De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen: +het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout +oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale. + +En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon +de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een +staf, nochtans en wo hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste +besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den +Koning op zijn knin, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op, +en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik +brenge u eene goede boodschap!" + +De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt +ons met wat boodschap gij beladen zijt." + +De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult, +begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel +ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn +boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen, +zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen." + +--"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en +zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er +Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der +sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn." + +De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name +liever een borge door wien ik zonder vreeze ware." + +De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze +twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend: +niemant ter waereld durft u tegengaan." + +Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen, +ik had gaerne andere borgen." + +Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: --ik +zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij +moogt veilig zonder vreeze zijn." + +De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik +liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden." + +Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst +hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden, +zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen." + +De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne +eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen." + +Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en +zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt +te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog +nmaal--en ten laatste!" + +Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te +kiezen geleide--zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge +wezen!" + +De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in +gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden +mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone. + +"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet +herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer +Koning, dat God u lange spare! U groet n, de bedroefdste man die in de +waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de +Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw +zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade +wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt. +Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te +nemen--hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben: +zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen +die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met +goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als +Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter +eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn +eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk +Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen +ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken +of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle +dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal +hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of +gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware +'t dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood +begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid--wilt hem en zijn +broeders genadig zijn!" + +Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen +zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet +en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt--zoo zal hij +komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters, +kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de +kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen." + +Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De +bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en +zijn broeders niet in genade ontvangen wilt--hij zal u doen 'et zelve +dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de +mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij +zal u nmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en +slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."--"Bij God!" riep de +Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde +dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare, +die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij +goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne +zale, zonder goed geleide--ik zeg u, in der waarheid! ik had den +schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan." + +"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen +hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van +Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op +zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn +magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den +Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders +oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet +brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar +bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et +leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde +beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult +voornemen." + +Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht +mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die +Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem +bestaat? Wie het doet--hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie +dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam +zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel +Grave! bestaat hij u--of niet?" + +Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants +wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker +geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot +Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u +vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn +vriend wil ik altijd wezen." + +Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht, +die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en +stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide: +"Heer Koning! nog gisteren." + +Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?" +De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros +Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had. + +--"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning, +"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u +beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode +antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij +Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer +vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning +grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een +zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout--ware 't niet, +dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel--want nooit heb +ik boden zulke tale hooren voeren." + + +[1] _Te mettene gaan_: in de kerk de getijden van middernacht gaan +bidden. + + + + +HET VEERTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat + wederkreeg door hulpe van Madelgijs. + + +Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich +waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde, +meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote +rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende +dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo +kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij +reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad +van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er +Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild. + +Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te +krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging; +daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde. + +Nu zijn gekomen twaalf knechten om vor te halen, zoo zij dagelijks +plachten te doen. + +En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en +zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van +Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden +gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat +zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs. + +Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij +binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen +en Jonkvrouwen. + +Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij +hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot +geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot +Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze." +Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf +knechten Beyaert brachten. + +Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten +Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!" +andwoordde Roelant. + +'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de +knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te +vangen: ik wo dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den +raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden +neder en zeiden: + +"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte." +--De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij +'t vingen?" + +Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden." +De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' --zij zeiden 'neen,' +"van hem en weten wij niet." + +"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het +u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij +Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden," +zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik +hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan +heeft." + +--"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den +knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen--doet +ze stokslagen geven." + +De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe +als Roelant gezeid heeft." + +En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had. + +De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en +koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik +u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan +dat er iets aan het Ros miskwame." + +Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en +zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert +berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen." + +Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik +het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den +Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik +Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten +zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de +vrije beschikking over hem." + +--"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en +berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."--"Zoo +doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen +moet ons deze komen." + +Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het +berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u--beidt dan tot Zondag; +hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen +zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en +hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen." + +Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en +sliep! + +Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en +terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als +hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag +rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft. + +En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven: +hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog +zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend +rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart +ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et +is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het +ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn +broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en +hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht +hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft +den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met +werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude, +maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en +geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat +doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij +toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve. + +Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het +dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van +Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken +ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij +hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid +waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van +lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de +oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen +meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok +en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette +hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag +en had, sints ik geboren ben." + +Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste +leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe +allernaast."--"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed, +dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze +gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En +bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man +van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van +de rouw, daar 'k in sta."--"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak +Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal +uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de +dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik +ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provencin en tot +St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van +Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man, +als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!" + +[Illustratie: Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste +leiden.] + +Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te +spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!" + +Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij +geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders, +opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?" + +Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven." +Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en +van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende: +"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan +uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye, +mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is +'t dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout, +zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te +wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat +gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn." + +--"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen +schande ware, een Pelgrim te slaan--ik zo uw onbeschaamdheid u doen +rouwen." + +--"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij +geslagen, dien ik aalmoezen vroeg--ik waar voor vijftig jaar reeds dood: +want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in +kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave--waarvan zo ik +leven?" + +--"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden." + +--"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende +uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille--hebdy iet meer, +dat gij mij geven wilt--zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden +uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet." + +--"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er +wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder; +St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden +van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn +kunne ontvlieden--want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt +ben, hij dede mij hangen." + +Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn +reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets +behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was +Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij +valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult +weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim +ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!" +riep Madelgijs, "sloegt ge me nog --het zo u kwalijk komen; ik zoude +mij weeren!"--"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u--al waart +gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zo mij, zoo ik slaan +wilde, gn ontgaan." + +--"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik +kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd +en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag +weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en +veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren. + +Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij +bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den +rug--daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord +staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik +verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel +Belzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het +bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen +en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek +hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij +niet, neve Reinout?" + +--"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?" + +Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had, +viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt +mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij +te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn +toeverlaat!" + +Madelgijs ze: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u +heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn +harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak. +Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood, +en dede hem twee oude hozen aantrekken. + +Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde +Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en +mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over +zijne oogen. + +Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na, +om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en +hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder +jongelingen en koene Ridderen. + +Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij +neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of +Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde. + +"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te +gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten." + +--"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan." + +Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden +dag!"--"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al +menigen mensche overleefd," vervolgde en hunner. --"Ik bid God, dat hij +mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven," +sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u +Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!" + +Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de +nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven." + +De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige +kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als +schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen +gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd +"Christelijk", en dusdanig en als die, welke den Heere met zijn +Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde. + +Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met +eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een +arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet +in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den +wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg--dat gij +hier wilt nederknielen in gebede--want ik mij kwalijk bevinde en hebbe +geen halve stonde meer te leven." + +En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken +stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in +kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met +een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond, +en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en +sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn +verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar +dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en +zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop +laat kussen, dien gij daar bij u hebt...." + +--"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij +Madelgijs me nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang +verloren geweest, om de zonden des volks...." + +--"En mag niet wer verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de +gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende +aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop +ontliep hij den anderen met den schat. + +Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij +best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen en hem +tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend nerstortte; +en, na elkander, ook de beide laatsten. + +Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat, +uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve! +ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en +rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge, +voor wij aankwamen."--"K[1], oom!" zeide Reinout--"ik duchte, dat gij +iets kwaads gemaakt hebt!"--"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs; +"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders." +Reinout deed als hem gezegd werd. + +De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in +den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag +en den tijd, dat Roelant--Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de +stad, als vroeger gezegd is. + +Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in +was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de +stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot +Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik +weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre +geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt." + +Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs +riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen +wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en +doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne, +en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en +dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den +penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn +tasch. + +Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar +buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude. + +Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn +kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en +zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne +reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf +Madelgijs--Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet +uwe sporen aan uw voeten."--"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk, +oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik +Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe +voeten--'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u +Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt, +zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize, +als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden." + +En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van +poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van +landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen. +Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij +Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk +zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel. + +"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der +Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er +eene: "'t Is Roelant, die Ferragute[2] versloeg." Eene andere jonkvrouw +zeide: "'t Is Olivier!"--"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van +Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken +Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed--nam daar ene het woord, +die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een +schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen +vroegen, wie de Ridder was?--"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een +Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij +niet gebannen, hij zo de schoonste man wezen, die van dezen dag over de +brugge gaan zoude." + +Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte. +Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet--en +lacht niet!"--"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout: + +"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen." + +Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over +de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden +hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen +was, hadden 'et elk aan een koord. + +Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en +den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond. + +"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims +staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken +dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide: +"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is." + +Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert +tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende +zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op +de brug heen ende weder. + +En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u +deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds +genoeg: ik zegge u voorwaar--hadde ik mijnen kop meenen te verliezen +door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik +en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de +Koning van Vrankrijk, die zoowl der armen luttel goed bewaakt, als dat +der rijken, die veel hebben." + +--"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil +'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt +werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en +kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met +zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en +genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede +gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een +Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt." + +Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de +Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel +gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep +nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong. +"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs, +"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid +ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen +ontkomen: want wij vreezen 'et zeer." + +Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop." + +--"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren +gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome +heeft er Misse mede gedaan...." + +--"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat +ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er +hier simonie[3] gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den +kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?" + +--"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den +Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning +ben."--"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig +tot u gesproken heb."--"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel +moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar +geeft mij den kop--ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land +in levenslang gebruik." + +--"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen--ten zij ge vergeeft al +den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem +den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...." + +De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone +Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem +niet kwijtschelden. Ook is daar en, geheeten Madelgijs, een snoode +toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen +hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?" + +--"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan +niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet." + +Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal +God bidden, dat Hij uwen gezel geneze." + +"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig +dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde +t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap +verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze +vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert +berijden kon--hij zo genezen van al zijne kwalen.'" + +-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder +tijd." + +Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet +wat het uitwerken kan." + +--"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden +prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!" + +Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om +dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!" + +De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide +hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb +toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle--Beyaert bestijgen laat!" + +Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook +de Pelgrims kwamen daar met groote moeite. + +En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel +Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et +aan zijn herstel bevorderlijk zij!" + +Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem +niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen +had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er +deernis me, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte +er wer af aan dezen. + +"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij +aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er +weder af--hij zal 'et besterven." + +Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast, +dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op +Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte. + +Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den +zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels. + +Eilaas, daarme waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het +goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd! + +"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alln +rijden," zeide de Koning. + +"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij +ook zien en hooren?"--"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te +boven!" + +--"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?--Heer Bisschop! +doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote +gunst gedaan." + +Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En +Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf +het goede Ros de sporen. + +Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e +zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten, +dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die +ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal +'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten--voorwaar het zal hem den +hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren +uit, en scheen groote rouwe te bedrijven. + +Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem, +riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden +vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug." + +En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren +Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van +Borgondin; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen +mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een +boogscheut afstands. + +Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten +laatste zag hij de Genoten. + +'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten +kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware--ik +zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden +trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader +kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout +hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood +gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder +koen!" + +--"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij hier +vinden zouden." + +--"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde +de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat +gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim, +die bij den Koning stond?"--"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het +antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet +niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve +Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve! +om uwent-wille!" + +--"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap, +die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide +nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede, +dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en +gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen." + +Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u, +Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw +broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den +Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders +voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader--ik +zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout +verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam. +"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang +verdienden loon!" + +Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge +u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen +op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede +neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van +de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen. + + +[1] _K_--een uitroep. + +[2] _Ferragute_: een reus. + +[3] _Simonie_: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, waarbij +voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan verbonden is, +mr gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of kunst-waarde; het +_verkoopen_ van al wat slechts geestelijke waarde heeft, wordt als +zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. _Hand. der Apost_., Hoofdst. +VIII, v. 18--20. + + + + +HET VIJFTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden, + dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning + Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop + Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere + Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot + Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning + daar hij lag en sliep in zijne kamer. + + +Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den +Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap +zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen +Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal +'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en +nemen de schuld op mij." + +Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij +Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen, +"Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap +bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de +Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning. + +Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De +Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" --"Heer," sprak hij, +"ik neem de schuld op mij."--"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning +streng. + +"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den +sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent +Beyaert--gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan +niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na +gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de +schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen +vangen--alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij +trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg +vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij +verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was +ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." -- "'t +Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich +onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem +ondoenlijk was." + +--"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en +laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die +zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschin." + +Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij +overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen +en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik +wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God +genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep: +"Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!" + +Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt +mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven +lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over +zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon +'et u Heer Koning!" + +En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele +Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze +straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen +langer uitstel." + +De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor +hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen +binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had +hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven +voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch +en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is." + +"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak +nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten +nog heden doen hangen." + +De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige +magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u, +zoo gij ze ter dood laat brengen." + +De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"--"Neen ik," zeide de +Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen--en gij zult +u niet kanten tegen uwen Koning." + +--"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij--maar tegen deze +wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten +tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden +zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en +zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze +laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning! +daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met +machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal +men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten." +Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en +hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zo +laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon. + +Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij +zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen--'t moge +gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen +mij--wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de +Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u +leven en sterven willen. + +Toen trad de Bisschop naar ene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen, +die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij +komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings +kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer +Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was +Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondin, en zeide: "Heer +Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen, +die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije; +daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem +Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van +Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hm daartoe +niemant aangezocht! + +Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de +oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?--Ik zie wel, ik +heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove +gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van +alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in +de nood!" + +--"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar +ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u +voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij +zijn uw vleesch en bloed!" + +Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven +laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke +zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat +uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in +hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat +verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning +zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar +voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn +hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware +geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren +nu over u voldoende gewroken zijn." Met-n ging hij daar de drie Heeren +zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien +en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren +hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!" + +--"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen +zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude +ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land." + +Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is +er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op +zijn grijzen baard. + +De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie +Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten, +zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste: +laat ze verdingen." + +De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde, +heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en +doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en +begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter +waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze +drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle +leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste +komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest +waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede +scheidde de raadsvergadering der Heeren. + +En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te +verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet +beter van ure tot ure of Koning Carel zo ze doen hangen. + +Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning +Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat +zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den +portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten +wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen +trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht +te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u," +zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier +nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had +slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de +vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van +gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp +zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten. + +Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en +banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et +Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die +de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig. + +Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit +pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze +zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan --wij moeten +sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden." +En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis me had, en +zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom +Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert +zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!" +Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse." +Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker. + +Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die +de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de +gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten +den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem +en gedaante des portiers--"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk +ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich +wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik +misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal +gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet +medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal +u geen verlof geven--dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo +lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de +Heeren, en ging tot den Koning. + +Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings +bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele +geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven +uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en +ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren +leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit +hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet +met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om +zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij +blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op +Montalbaen. + +Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef +als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede +veiligheid. + +Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en +waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist +hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et +werkelijk geschied ware. + +En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat +'er an was--droom of wezenlijkheid. + +En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar +hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie +zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt +was. + +Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem +groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg +opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval. + + + + +HET ZESTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd + was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel, + en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad + verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg. + + +Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en +spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning +Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe +mare."--"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een +kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem +gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter +achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem +hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche +Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd +duchte, eer gij daar komt." + +Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide +hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg--nu bidde ik u, dat gij +derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000 +mannen." + +Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier: +"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met +8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier, +de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome +mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der +vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen +over-en dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en +gingen uit elkander om zich reede te maken. + +Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in +schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld. + +De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve +Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij +ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en +stond met gestrekte handen. + +Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel +toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier. + +De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al +schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!" + +Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers. + +De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met +zijne scharen: God wil ze beschermen!" + +Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den +Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien--zoo +vele schoone en moedige mannen: wl gekleed en gewapend, en alle +strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij +liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam +reden zij naar Keulen. + +Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij +dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij +in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands +van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het +Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden. + +Als de Heidenen--de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij +mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de +twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en +vele Ridders van den paerde gestooten. + +Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de +Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van +wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir +grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door +Roelant. + +Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen +werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn +paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo +krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant +verstelde noch verschoot er niet af. + +De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot +niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende +wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe, +dat hij hem kloofde tot den paerde. + +Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen +Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo +strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er +60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden +bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een +geharnasten Heiden in tween. + +Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met +sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig +Sarazijn met der dood bekocht. + +Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den +zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden, +daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen. + +En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen +Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden +daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den +Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs +kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren +vriendelijk wellekom. + +De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning +Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den +oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant +heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u, +Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille, +hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is." + + + + +HET ZEVENTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie + zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone + daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe + Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende, + en het de kroone won. + + +De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve +Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros +meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik +zulk een Ros, ik zo 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout +dwingen." + +En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle +landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen +uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen +Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of +behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle +paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt +gij er Reinout me dwingen." + +Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze +liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij +zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat +hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een +staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede, +de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar +best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant, +dat hij u daarmede dwinge."--"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht +brengst du mij! waar zo hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zo +onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar +ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik +zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!" + +Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem: +"Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel +heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op +eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne, +het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den +gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat +'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij +daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te +krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al +zijn opzet van geener waerde." + +"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt; +maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt." + +Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij +dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs +bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn +paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen. + +Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen. +En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en +namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die +hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat +Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was, +ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en +elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap. + +Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen +daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen +boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam +Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt +hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al +zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur--want +hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een +jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde +gehad. + +Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders, +zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs +ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert +veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf +zoo wit als sneeuw. + +Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is +Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het +Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe! +onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen." +Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die +zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."--"Nu laat ons +de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch +Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen." + +Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen; +hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant +van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten. + +Ondertusschen--het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders +gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij +liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den +Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik +zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te +winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen." + +"Wat zegt gij, bode?" andwoordde d Koning; "ik weet, dat Reinout hier +niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarme winnen!" --"Edel Heer +Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans +Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs." + +Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide: +"Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult +trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga; +en is 't dat gij hem vindt--zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als +zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u +met goud opwegen." + +Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit, +en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout +wierd gevangen[1]: want de wegen zijn nauw bezet! + +Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van +Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en +Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman +wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar +Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde--zoo +zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw +volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!" + +Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs. +Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo +zoetelijk in Brittaansch of gij geen Franoisch en kondet." + +Op dat oogenblik zag Fouke--Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij +sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat +doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand! +laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien +wij ongedeerd gaan kunnen." + +--"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw +woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant +kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten +mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op +Reinout toe en hadde een lancie in de hand. + +Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij +ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde +vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?--God +helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar +gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik +zoude zeggen dat hij 't was." + +Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke: +"Spreekt Franoisch!--de Booze moog dy verstaan! --Vaar heen en heb +ramp!" + +Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet +verslagen?"--"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van +vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem +verstaan: want hij is gekomen uit Brittanin." Toen stak Naymes zijn +zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat +'t paerd maar loopen mocht. + +Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en +zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete +woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide: +"Spreekt Franoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale +van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels +naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt +mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs +andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind, +maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij, +van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn +geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en +maaksel."--"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want +'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling, +mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot +zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil +koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout +daarme te dwingen--'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker +hopende de kostelijke kroon te winnen." + +--"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde: +"Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's +Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed +na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat +wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te +Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen +heel Senlis, Blois en Amins." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit +de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven." + +Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t' +vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'--"Neen wij, Heer Koning!" +antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een +onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben +zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen +Amins en Orleans."--"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt +wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des, +en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost--ware 't dat +mij Reinout ontkwame!" + +--"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe +blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en +Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of +men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen +zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!" + +Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort +30 gewapende mannen. + +En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten +aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn +hoofd door het klinket[2], en zag daarbinnen een gewapend man staan; +dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom +doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat +alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij +al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten." + +Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!" +Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik +heb gehoord dat hij vr of achter is, en het sterk op 's Konings oneere +heeft toegelegd." + +Bij Reinout stond een rabout[3], en zeide: "Zag ik ooit Reinout--zoo zie +ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit: +Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond +dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor +zijn borst, dat hij dood viel.--"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs, +"'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide: +"Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is +witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een +gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien +jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden. + +Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en +als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden +werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden. + +Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong +Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij +Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo +dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te +wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en +Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad +in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien +van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten +had.--Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn +Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die +geen goed paerd en had, was verdrietig. + +Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en +Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat +zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet, +deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone +winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en +geen geld daaraan sparen." + +Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God +mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de +kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al +lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u +kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad +en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde +stappen maken." + +Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te +winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en +brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter +sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste, +en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren. + +Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met +zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere +zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van +Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te +winnen, een groot eind voor. + +"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone +winnen?--dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat +gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers +doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen +moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning, +werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat +zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij +dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft +een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zo zeggen dat +'et Beyaert ware." + +Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout +verre vor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de +staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de +kroone wech. + +Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever, +verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal +ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is, +wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout +andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros +zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld +niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en +geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit +Reinout--zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn +bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne +kroone weder!" Reinout ze: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is +mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze +een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat +Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van +paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zo!... Dat +mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!" + +Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast +aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?" +--"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!" + +--"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zo ons niet +baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner +tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning! +gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn +paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat +hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij +reden te zamen in Montalbaen. + + +[1] '_'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen_: Reinout +werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen. + +[2] _klinket_, ook _winket_ genaamd: hier een luikjen in een poortdeur. + +[3] _rabout_: slechte knaap. + + + + +HET ACHTTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Koning Carel--Koning Ywein ontbood, toen hij Hof + hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne + broeders leveren zoude in Koning Carels geweld. + + +Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de +prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want +Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij +een andere kroone moest doen maken. + +Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem +waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning +Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten +Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als +de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en +ging met hem in een duistere welf. + +Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en +zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog +wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was +niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het +goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van +Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud +beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat +het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op +een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning +Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"--"Maar laat niemant van ons opzet +vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam +hij 'et, hij zo mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel; +want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."--"Vreest niet," zeide +Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet +ontgaan om geen goed." + +Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale +gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En +Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere +Heeren, en reed met haaste na zijn land. + +En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof +aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning, +"ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar +Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer[1], +gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder +harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen, +ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud." +Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings +woorden, want zij hadden het goud lief. + +Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel[2] van den heire." +Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te +volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na +Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten. + +Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongin +gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te +vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter +jachte te Bordeas in 'et woud. + +God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden +mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch +kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen +op zijnen schilde. + +"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus +bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat +ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder: +want wij hebben te lange gejaagd." + +Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van +Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout +uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse, +mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede +achtergelaten!" + +En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide: +"Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te +zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij +zijn!" + +Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout +dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein +zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." --"Waarom hebt gij mij +niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen, +met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn." + +--"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen +betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw +boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt." +Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van +vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn +leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom +bieden? zal ik voor den Koning op de knin vallen?" Ywein zeide: "Gij +zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken, +wollen en barvoets." + +Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des +ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn +hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag." + +--"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300 +mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze +mij en mijn broeders te hulp kwamen!"--"Dat en mag niet zijn," +andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alln derwaards trekken; +gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt, +dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van +Arragon, zonder wapens in uwe kleederen." + +Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zo ik zoo in Vaucoloen +varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein +zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!" + +--"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide +Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve +vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt +is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van +onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn +peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!" + +--"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en +komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht +mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een +verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft +in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in +Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."--"Zo +ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te +Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen." + +--"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u +zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel +gewapend: zoo mag u geen kwaad geschin: want, acht! ik ben zoo zeer +bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil, +zoo gaat--gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo +smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de +vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn." + +Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen +Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met +uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf +behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw +peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen +moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats +vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als +de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht +bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan +derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden +heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!" +sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik +hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons +geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij +kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware, +vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den +voetval doen." + +Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen +halen, en de mantels daar ze in rijden zouden. + +De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe; +zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier +zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zo niet +gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van +doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en +verborg ze onder zijne kleederen. + +Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de +Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam! + +Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et +herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in +dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."--, "Gij zegt +waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en +wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"--"Hoe is +'t u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?" +Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat +ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!" + +Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft +Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof +wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen +zeiden de broeders: "Reinout laat ons vlin, want Koning Ywein heeft ons +verraden."--"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad +niet zoude plegen!" zeide Reinout. + +Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien, +en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de +Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke +was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den +hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als +hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw +goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en +binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen." + +Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord +zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u, +wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden, +opdat ik den Koning te voet valle!"--"Ik zegge u, Reinout," antwoordde +Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om +20000 kroonen." + +Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den +Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij +God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever +dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd +hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout +doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den +muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie +vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag, +riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en +hebbe geen nood." + +Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en +gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn +vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten +goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij, +broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte +lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u +schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt +ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en +anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn +paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout +aan. + +Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout +met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de +speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo +vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst. +"God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen +voeren den Koning." + +Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig +mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde, +hebben zijn broeders elk een Franois van den paerde geveld en de rossen +bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden +wij--want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft +ons verraden." + +--"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand; +wijk ik heden eenen man--God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden +stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en +vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn +broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags. + +Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder +harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan +de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal +u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts +broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de +harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven +zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze +wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie +broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om +Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen. + +Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met +veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout +te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert +gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond +zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de +waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert +andwoordde niets. + +Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat +Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging. + +Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen +broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen --van +Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en +ontzetten hem!" + +--"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen: +Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er +af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle." + +--"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij +lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem +den Koning, die hem hangen zo, ware 't dat hij hem kon meester worden? +Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat +zo men zeggen?--'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning +Carel strijden wilden: schande over hen--want de Koning heeft en +broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!" + +Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd, +dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht +Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte[3]: zoo veel was +Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert +gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den +stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen +slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet +ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u +zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O +genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai, +Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn +broeders: mij ziedy nu nimmer wer." + +Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam--niet als een +mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze +truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout +zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn +is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle +dood." + +Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij +nabij kwam in tween: doodde nog twee andere: de overigen boden geen +weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en +zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde +blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!" + +Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter +slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u +voor God: gevalt het u wer--ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide: +"Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef +onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen: +dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn +weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem +onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den +zadel. + +"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen, +den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u +binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen." + +Maar Reinout was reeds wer bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke +kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt +mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep +Reinout. + +En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en +zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat +heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om +niet: hij heeft 'et met de dood bekocht." + +Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed +op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij +van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee +rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak +hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk +om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en +vochten als deze broeders deden. + +Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren +konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en +hij viel in onmacht. + +Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder +Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide +Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave +Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde. + +Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den +dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder! + +Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert: +maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur +niet wederstaan en konden. + +Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep +met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders +volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de +rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen. + +Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel +steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe, +en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo +snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij +bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk. + +Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig. + +Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns +Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij--lieden moogt u wel klagen +vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne +helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u +niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag." + +Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier: +"O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"---"Calon, gij liegt +daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader +wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds +geboet." + +De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet--gij zoudt +verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet +langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet, +ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer +betichtet met verradenis." + +De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige +stede getrouwelijk gediend--maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg +u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze +den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo +wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog +langer strijden." + +--"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards +doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis +pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse +trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem +verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave +heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?" + +--"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders +begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een +vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier--want, zoo helpe mij God! +ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen +zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar +mij leed." + +Ogier zag Reinout met zijn broeders op de knin liggen, en zeide: +"Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide: +"Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide: +"Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't +ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons +nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem +dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den +verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu +zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien +mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft +hij aan mij!" + +Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt +deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u +geleiden!" + +Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als +hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen." +Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik +niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben +hier hooger zake: dunkt het u goed --ik zal vertrekken, en gij zult met +uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven +willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg, +wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik +zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag." + +Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en +Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken. + +Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was +belegerd--had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer +lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten +bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij +onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en +vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had. + +Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de +burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot +den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want +Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel +een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger." + +De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout +zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond +ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een +berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij +blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd +met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de +dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar +hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt +gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet +verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk +slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw +wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht +Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging +Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in +den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert--Madelgijs zag, sloeg hij +naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert +te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel, +dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede, +greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste +voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij +'t niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs, +op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat +du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo +veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven +verliezen, is 't dat du niet en helpst." + +Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs. + +Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem +met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend +was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke +speer in de hand, en reed na Vaucoloen. + +Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel +voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs +konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen +dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen; +en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit. + +Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls +aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en +mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij +konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden +alle de dood voor oogen. + +Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs +komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep +hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft +groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs +alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons +thands wel uit de nood helpen!" + +Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout +hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide: +"Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar, +mocht ik Beyaert zien--ik ware gezond."--"Ik zie hem komen, broeder!" +andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem +herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht +slaan."--"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier +hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste." + +Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en +Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen, +en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal, +daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder! +ik voel mij genezen." + +Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem +wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen +zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader, +dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn +op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet +helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!" + +--"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied, +ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat +hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat +hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn +zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en +liep ter rotsewaart. + +Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik +heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan +hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en +weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied." +Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave +Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij +dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen +en voeren ze tot Koning Carel." + +[Illustratie: Helpt mij, dat ik sta!] + +Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse +gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn +dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet +wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede: +maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den +zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout. + +Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een +goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen +zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend, +"gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf +'et de sporen en reed te rotsewaart. + +En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees +wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert +zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij +en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen +op den vijand in. + +Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs +mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen +komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk +achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout +had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk, +en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider +stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen +ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook +Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen. + +Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met +felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den +paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen Franois 'et hoofd van den +lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de +Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Franoisen ofte +Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk +behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs +verlost. + +Als Ogier zag, dat de Franoisen verwonnen waren en uit den velde +vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk, +en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen +lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water +ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen +al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete +woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de +genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener +gifte: laat hem zulke zoudeniers mr zenden; wij zullen hunne zoldij +wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer +eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt +gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en +Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen. + +"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder +'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder +erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu +eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet +haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout +brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij +aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen +hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs +gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen. + +Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs +'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld; +hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na +dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een +klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne +misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij +Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks +vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote +strengheid. + +Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen. +Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer +komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer! +zijt wellekom."--"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber; +"maar zegt mij--waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn +broeders verraderlijk wo doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend: +"Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik +gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij +bedreven heeft." + +Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij +wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan, +dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000 +kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn +oogen; dat ik u niet meer en zie!" + +--"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy +in mij zoo strengelijk te straffen!"--"Voorwaar, broeder!" zeide +Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet +voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons +me weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp. +Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen, +broeder--welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en +ziet." + +Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de +verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en +Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van +Yweins verraad niet meer gesproken werd. + + +[1] _zweer_:(hier) schoonvader. + +[2] _Constapel_: opperbevelhebber. + +[3] _een mijte_: worm, niets. + + + + +HET NEGENTIENDE CAPITTEL. + + + Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe + de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis + opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter, + dien hij in 't perk versloeg. + + +Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met +haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De +Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop +vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt +gij mij Reinout gevangen?"--"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier; +"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout +met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft +verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager; +hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen +mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et +mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht +Reinoude sterke hulp: wel 3000 man." + +Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb, +zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt." + +--"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen, +zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant +herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide +Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude +den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve +Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat +Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een +verrader is." + +Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den +handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden. + +"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige +zweeren." + +--"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger +ben;" en hij lede zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij +Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis +gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel +waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere +geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes: +"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan." + +En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet +aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel +vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij +zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik +zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en +dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren. +Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met +zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er +dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met +hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vlin, door +'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet +medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!" + +Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier +opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid. + +"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de werpartij, "dan +moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel, +den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u +slecht vergaan: ik neem u 'et leven."--"'k En vrees u niet, Wouter!" +antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den +slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies[1] vrees ik u. +Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en +deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen, +en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden +slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf +Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de +schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier--Koning Carels +kampvechter, die hem de verradenis zo doen bekennen, te Vaucoloen door +hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en +wierp 'et uit den krijte. + +"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held. +"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot +den Koning gaan! + +En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel +sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de +fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man. +God en Sint-Jan helpe mij--Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten +eersten slage sloeg hij hem dood!" + +"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis +bewijzen? Bij den Heere van Nazareth--ik en dede er nimmer! Maar uit +Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had +ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen +ik, Heere--ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed." + +Toen zwoer Roelant hij zo Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem +vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik +verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van +Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800 +Ridders zal ik u volgen--waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de +koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en +neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij +Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!" +Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van +groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van +Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in +Gascongin, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en +maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen. + +Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongin. En als zij in het +land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein +zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en +is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven +lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer, +en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de +Historie. + +En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk. +Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag, +deed hij zijnen zwageling[2] Reinoude, door een goeden bode, vragen, +'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die +Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen, +dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om +ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant. +Gevangene van Reinout wilde hij zijn--ja, want hij hadde zelfs, door +zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend. + +De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de +zake, die hem opgedragen was--maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat +het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!" + +Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind +heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het +kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere, +waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te +boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is +terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als +men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze +woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der +mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne +vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al +spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad, +omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt +op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met +zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem +levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven." + +De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem +oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen. + +Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich +zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun +Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud +gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar +mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden +mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij +goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te +Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed +bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in +vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et +u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk +nader." + +Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen +de Franoisen te goed: zij zijn boos en fel: alln zult gij er niet +heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden." + +--"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en +aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met +gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster. + +Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het +klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft +overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem +zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar +hij hem op staande voet zo hangen. + +Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve +neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn +kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons +nimmermeer verrade." + +--"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk +God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!" + +--"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader. +Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik +zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren--waar men +hem nimmer uit werziet!"--"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om +niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein +hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"--"Gij en zult niet, +Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik +daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus +liet ombrengen." + +--"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem +aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"--"Bij Sint-Jan," +sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal +ophangen! 't Kwame hem te schande." + +--"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van +'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein +hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf +Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord +aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em +Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er me wech. Ook de Grave +Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot +leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen +had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde: +"Ik ben het niet." + +--"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout +"Ongelijk zo deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met +Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zo ik er 'et leven +afbrengen! Maar, Sint-Amant[3] helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik +keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter." + +--"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij--ge zult hier +ter stede mij vinden."--"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e +hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat +hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen) +om daar een kamp jegens hem te vechten. + +Roelant keert zo met eere tot de Genoten. + + +[1] _bloemknop--bies_, zoo veel als niets. + +[2] _zwageling_: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon. + +[3] _Sint-Amant_: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop van +Maastricht (VIIe Eeuw) + + + + +HET TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout + kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen: + maar de Genoten belett'en 'et. + + +Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em +dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"--"Zwijg, God +schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij +bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar +Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw +over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."--"Zwijg, +verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner; +"Roelant is gram." + +--"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom +zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't +Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zo hij naar u vragen: wat +mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?" + +--"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik +Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd +heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den +held tot rekening gedaagd." + +--"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen +gezworen--zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen. +Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen +kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord: +wordt Reinout van u verslagen --gij zult 'et geen drie dagen overleven. +Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven." + +Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van +Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen: +zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd +betoonen kan!" + +--"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn +doen geen bloemknop geve." + +En Ritsaert van Normandi, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van +Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood--ware 't dat hij Reinout van +Montalbaen versloeg. + +"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik +hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik +tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik +liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van +den eed ontslagen ben." + +--"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge +moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van +Montalbaen--zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et +krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met +hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo +zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet +wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in +Vrankrijk voeren." + +Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier +geslagen--zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den +kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt." + +Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar +Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem +zijner Vrouwe. + +Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen: +"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en +leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van +Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit: +"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in +Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen +verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land +verwierven." + +Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren +zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op +staande voet, alleen naar Beurepaer." + +--"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy +doen te Beurepaer?" + +--"Adelaert!" ze Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een +kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!" + +--"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal +ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan +worden--wijl hij der besten en is, die ooit de zonne bestraalde. Bij +den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem--gij zijt dood, en +wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde: +"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter +waereld--al dacht ik er dood te blijven." + +Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends +Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs; +"God behoude en bewaar u--maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal +hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het +perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood--men zo er groote schande van +spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!" + +Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en +de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout me te varen. + +Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil +niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar +alleen." + +Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij +Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan. +Hij ontwapende zich en le zijn harnas op zijn schild. + +Toen viel Reinout op zijne knin voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en +zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik +bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in +mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn +Ros Beyaert uit erkentenisse." + +--"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik +u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen, +omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt +gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe +uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet." + +Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en +ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de +spere in de hand. + +Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van +Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met +mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en +staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel +met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout: +"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet +van al mijn leven." + +De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die +hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en +ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande, +die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van +een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd +Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het +is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De +Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun +dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen +koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag." + +--"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en +nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te +gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit +ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik +vlin: God geve u hoon!" + +De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij +spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote scha gedaan, toen +gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant +zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk![1] opdat ik de schande op u niet +verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen," +zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was, +dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen, +dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig Franois 'et lijf zo behouden +hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en +Reinout reed naar Montalbaen. + + +[1] _schalk_: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend wat laag, +vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is. + + + + + +HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning + Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs + uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden + ontvoerde. + + +Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et +wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen +dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het +Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar +de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs +nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij, +"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning +Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en +toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar +Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar +Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er +hand vloog. + +Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij +droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige +handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter +nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar +Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer +ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!" + +Zoo voerde Olivier--Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot +hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de +Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier, +mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels +ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs +gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer +Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde +de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij, +"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon +Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid +onttogen!"--"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal +geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"--"Gij zegt waar," sprak de +Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!" + +De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat +men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte +Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de +Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning," +hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."--"Wie zo +zich voor u borge willen stellen," ze de Koning, "wie mijner Edelen +voor u!" + +Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt +gij mij borge wezen tot morgen!"--"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et +willig."--"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en +mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog! +wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde +mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit +niet tot oneer gedije." --"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet; +met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage." + +Dan loeg de Koning en sprak: "Laat hem, bij zulke borgen!" + +Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De +Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten, +hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den +haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs: +"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene +spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem +hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs, +ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat +dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij +aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden: +"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"--"Geen blijder man dan ik!" zei +Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval +zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zo; men sloot hem +in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier +kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer +de nacht verloopen is." + +Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de +Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar +Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur +en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren. + +Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem +af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de +deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en +nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en +nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en--vlood naar Montalbaen. + +Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van +al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep, +overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan +eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en +kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help, +moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een +schandigen dood!" + +Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot +Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord +had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is +dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave +Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg +in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns +ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat +niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den +weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat +hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt +mij wie du bist, of zoo helpe mij God!--ik slaag die met den zwaerde dat +du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert +reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout, +hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep +Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde +u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan +spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den +Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad +den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij +toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men +legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten +de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in +des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage +onder den mantel." + +--"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!" +andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."--"Oom!" zei Reinout, "dat +is niet wl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!" + +--"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem +voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!" + +Dan dede Reinout--Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot +Montalbaen. + +Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich +haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn +Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en +dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem +ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de +Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit +den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet +meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun +zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar," +spraken zij, "God geef hem schande!" + +De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zo laten zoo +lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven +mocht.' + + + + +HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Koning Carel-Montalbaen belede, en hoe Reinout in + eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide. + En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen, + Koning Carel haren broeder te voet valt. + + +Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir, +en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleden. Roelant zond een bode +tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd, +wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij +Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem +tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet +groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als +Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve, +dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem +verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot +zoen willen helpen bij Carel den Koning." + +Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij +trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen +hem liet verzoenen. + +Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord: +"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij +belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat +zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen +neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt: +want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en +betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer +wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te +geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen, +kunnen strijden."--"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de +Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe +met hen wat mijne eere van mij eischt." + +--"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap +Haymijns kinderen en hope te slagen!" + +--"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode +zijt." + +--"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," ze +Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet +men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale. +Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen. +Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege +den Koning."--"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij +eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen +gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig +voorbehoud." + +--"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en +goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig +nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve +mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen +ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag +hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee +en verre op de heidenen." --"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap +wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed." + +Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en +deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten. +Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel +bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings +heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag, +wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000 +mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten +Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere; +als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw +leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning +komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd +Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met +gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven, +hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de +Franoisen verdoen wij heden!"--"Schande moog u treffen!" riep de +Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros +onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs wer +op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo +dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde. + +Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat +Haymijns kinderen hem ontreden waren. + +De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde. + +De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zo een +parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken, +en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten +laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode +tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden +zo, om van den peis te handelen.' + +Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog +ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet: +"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice, +mogen u hoeden."--"Reinout," ze de Koning, "laat staan de groete; hoe +veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"--"Ik wil 'et boeten, Heer +Koning!" gaf Reinout ten andwoord. + +De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan +zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot +zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij +waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier +nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten +parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd +afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op +Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op +'s Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten +parlemente te komen."--"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn, +"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem +raden Reinout met valschheid te vangen.--Heer Koning," sprak hij verder, +"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders +tegen u verzoend worden." + +Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de +moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde, +te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en +toog naar Montalbaen. + +Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam +uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen +malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den +Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant, +Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te +paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht +viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's +Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert +weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen +van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk +om zich heen, dat hij wer te paerde kwam. Toen reed Salomon van +Bretagnin tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander +zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit +zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op +Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde +Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit +hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?' + +De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag +Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den +paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij +Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan." +Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op +zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben, +maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen +sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts +volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten +onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij +vlin! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en +Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in +'et kasteel gedreven. + +En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden +nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u +berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve +medegaan!"--"Hoe? gij truwant[1], zoude ik dan met u gaan?--Beliegt gij +mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te +Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel +Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt +daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden +voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."--"Wildy nu +van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik +gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult." +Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal +goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te +Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge +zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te +waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij +'et lichtelijk doen kon'. + +Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de +banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's +Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen +aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit +half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte +dat wij reeds op de vaart derwaards waren."--"Gaan wij dan," zei +Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den +Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne +magen; en lede den Koning in een schoon bedde. + +En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik +geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is +dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik +meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij +geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar +te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene +hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer, +daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor +zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit +heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem +hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne +knin, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit +hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen +sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout +beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij +den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven." + +Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy +wel."--"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet +ik des hier sterven, kwade dief--gij zult er vermaledijd om zijn; want +met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide: +"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt." + +Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik +u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen. + +Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan--ik zal mij beraden met +Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet," +zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning +van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in +zijn tente kwam. + +Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem +minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning +zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert +wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder +tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit." + +Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout, +en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings +gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes +komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom." +Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen, +dat gij tot hem komet--gevangen." + +Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken --wij +zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel." + +Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide +hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven +schenken'--zij komen gevangen af."--"Hoe!" zeide Carel; "ischen zij iet +van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want +zij en hebben geen victualie." + +De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te +bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig. +Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert +dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood +van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert +niet!" + +--"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door +honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren +raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met +ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert +aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede." + +Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de +Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun +paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn +zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen +laten vergaan van honger?" + +Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en +bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden[2] +geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad +gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't +voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe. + +De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap[3] voor Montalbaen. + +En die op de muren stond--zag, dat de Genoten hun engienen[4] sterkelijk +stlden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te +bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier, +Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij +ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon +Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor +langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij +tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven. + +Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten +geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen +veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om +geen goed gegeven hebben. + +Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen +ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen: +daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons +wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier +alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het +beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered." + +Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden +woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe +Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden +heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen +mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en +zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij +te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de +Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden +Haymijnskinderen te gemoet. + +Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat +hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef +steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door +zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken +was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende: +"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met +sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij +zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed. + +Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel +van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et +dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter +poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout +was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn +broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te +eten was. + +Hierentusschen is Koning Carel--Reinout met zijn volk onvermoeid +gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk +belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en +zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn +vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo +dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan--kan ik dit Ros machtig +worden--ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner +kroone. + +[Illustratie: Ten leste zonk het Ros] + +De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij +spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen +hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil +t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende +minlijk liet gaan!" + +Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des +Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden +met hem te hebben, en reed weder naar het heir. + +Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare knin en +bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij +Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook +alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet +verzoenen. + +En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot +genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die +hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft--en mij toelaten daarme +naar welgevallen te handelen--zoo mag hij tegen mij verzoenen--en anders +niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij +trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven +wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst; +zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen +mogen." + +Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met +groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des +Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had, +zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De +broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan--maar welhaast barstte +Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige +dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede, +droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere +broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig: +"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik +Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is +onze Koning--en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag--wij +mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et +Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken +hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den +Koninge Beyaert geven zoude. + +Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft +hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat +hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen me handelen +zoude--maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem +misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'--"Mij dunkt," zeide de +Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang +gewacht." + + +[1] _truwant_: lage knaap, bedelaar. + +[2] _blijden_: steenwerptuigen. + +[3] _reedschap_: instrumenten. + +[4] _engienen_: machines, krijgstuigen. + + + + +HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL. + + + Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en + hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe + Reinout een heremijt werd. + + +Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met +zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot +de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed +hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele +verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft +Reinout--Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer +Koning, doet er mede naar uw welgevallen." + +En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee +molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse, +en werpen in de rivier. + +Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar +terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout; +toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden +braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij +naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert +wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning +dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals +twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en +liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn +muil. + +De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel +zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen +vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout--geeft gij +den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om +een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo +helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy +gehad; met slechten loon wordt gij beloond!" + +Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende: +"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd +hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het +gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout +wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen +verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet +omzien zoude na Beyaert. + +Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote +molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere; +toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder +boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een +mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid +hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't +gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen. + +Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als +sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te +Montalbaen. + +Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en +waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog +bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit +hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze +van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en +was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide: +"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en +volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, belede ons in Ardennen, en +vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen +zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene +zo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede; +aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert +verdrinken." + +De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert +zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en +mochten hem en zijner machte niet wederstaan." + +Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten +zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als +hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken +tot den voeten. Geen Ros, zo hij na Beyaerts doode meer beschrijden; +geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden! + +Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen, +door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar +hem niemant en kende. + +Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar +nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide: +"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en +wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste +man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig +jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk +doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar enen wensch: dat ik mijn +zonde konde biechten en boeten--want mijne misdrijven benauwen mij +onlijdelijk." + +De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk +gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de +zonden laten en niet meer doen--zoo valt dan op uw knin en bidt God +oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig +einde moogt brengen." + +Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den +Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo +zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite +tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik +blijve dood van koude en van honger, want mijne kleren zijn aan +stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken." + +Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide: +"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien." +Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van +koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God. +Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide, +dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na +den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit +hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende: +"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken +zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't +Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen +verloren hebben."--"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want +wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode +voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem. + +Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met +weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten +derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte +dat hij daar wl op rusten zo; want de nacht overviel hem. En als 't +begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat +hij kwam in Sinte Jores' Braes[1]; daar vond hij schepen en voer in het +land van den Islamme[2]. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat +hij kwam in de haven van Tripoly. + + +[1] _Sinte Joris' Braes_: Bras de St George, de Dardanellen. + +[2] _Islamme_: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet Stamme, het +duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda. + + + + +HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en + hoe Madelgijs bij hem kwam, n hoe Madelgijs dood bleef + in het beleg van Jerusalem. + + +Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een +nieuwmare kwam, dat Tabari belegerd en Akers in grote zorge was, en dat +er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee +waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de +steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen +op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim +had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken +geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te +ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te +voorkomen. + +En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen, +werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knien +en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij +anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de +Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit +zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en +twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom, +dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde. +Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van +Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch +schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen. +Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout +nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild. +Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig +Sarazijn mede doodsloeg. + +Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder, +liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht +zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de +Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich, +en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den +heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de +Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden. + +En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam +van zijn oom Madelgijs. + +Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete +over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen--de Christenen +bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen. +Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem +kwam eene stemme van Godes wege, die hem oplede, "dat hij zoude gaan en +helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar +komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner +konste en van zijner Godsvrucht. + +Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem +getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden +doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij +den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren +de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen +de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd +heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele +land. + +Uit het land van Syri, van Tripoly en Antiochi vloeiden de scharen +bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij +elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van +Syri gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de +belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten +leggen, om elken verderen uitval te beletten. + +Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten +manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei +krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk +werden gesteld. + +De Soudaan van Babyloni daarbinnen deed echter met mangneelen en +blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen +in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen. +Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig +Christen sneefde daar, die te dier tijd vr de stad de Turken kwam +bevechten. + +In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en +vochten al d' andere vr. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en +Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel[1] +zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij +heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van +zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den +Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In +zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere; +"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!" + +En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God +t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme +in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem +al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs. + +Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen +vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf, +stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom +Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de +stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls +in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen +raad: wilt gij de stad winnen --laat ons dan wegen en poorten naauw +bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van +spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad--en anders niet." Deze +raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke +poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas. + +Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren, +werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te +helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan +victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan +gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den +strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met +hulpe van Mahomet en Apolijn."[2] De Soudaan gaf toe, en de Turken reden +uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag: +zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere +afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter +weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen +er vele; vele gaven er zich gevangen. + +Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun +heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef +alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die +binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende +zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar +Reinout vr lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan +en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden +was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en +hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn +staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit +ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!" + +Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan +hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met +mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet +vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met +den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep +de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten," +'t welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij +mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep +Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan, +dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze +in zekerheid. + +Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem. + +En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn +lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen +gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan +hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des +Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'--"Wat mij +betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout. +Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden +den Soudaan gevangen. + +Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van +wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en +Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van +Jerusalem, en viel voor hem op zijn knin, en bad hem, dat hij hem zijn +zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf +hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot +mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden +van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren. +Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de +Edelsten van den lande. + +Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor +wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsilin. En als +zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande +zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen, +die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout +aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en +ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't +schip. + +Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor +Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde +hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen +hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen +Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis +voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic +van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij +wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning +lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit +goeden raad. + +Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en +zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt +bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam, +waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging +en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk +gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en +zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is +gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten +Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom +gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze +verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad. +Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade +gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom +willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den +Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten +heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij +van zijn vader zo gehad hebben--daarom willen wij den Koning zeggen, +dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij +mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en +Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij +over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant mr +gehoord?'--'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf +lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittannin, +Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn[3].' Toen Koning Carel dit +hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zo doen vangen. +Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken. +Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem +'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem +verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit +der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn +leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den +Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide: +'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook +alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen +wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en +met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving. +Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'--'Ik stem daarin,' +zeide Guweloen." + +Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij +was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend. + + +[1] _quareel_: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten. + +[2] Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als Sarazijnsche +afgoden voor. + +[3] Dr. Mannes leest _Herclijn_; de vl. uitg. heeft _Hebron._ + + + + +HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en + Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot + zwaren arbeid vernederde. + + +Reinout ging tot Koning Carel, en stond vr hem als een arme pelgrim. + +"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van +over Zee en van de stad Jerusalem?"--"Heer Koning!" andwoordde Reinout, +"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem +veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen +van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg +"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout +geweest; die hebben den Turken zoodanigen werstand geboden, en der +vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch +Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of +hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning! +hij, naar wien gij vraagt, staat vr u als een arm man." + +Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en +ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten: +maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren +droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen +aantrekken, en bewees hem groote gunste. + +En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en +vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder +waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich +voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout +dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader, +moeder, en zijne broeders niet wervond. + +Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp, +dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet: +God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet +verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat +zij kampen zouden. + +Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een +goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad +van Parijs. + +Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner +spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde +held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden +vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden. +Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar +kwetste Galeran niet. + +Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde. +"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij +zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een +ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de +handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij +zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd, +waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den +strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert +stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde +Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Btist niet, Heere!" Met-een heeft hij +het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere +zes malin af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen +sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en +sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en +het loon kreeg voor zijne valschheid. + +En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen +slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer +voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran +aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit +zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer +in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil, +dat men dit wel versta! + +Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen, +en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan +met den Koning. + +Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij le het scharlaken +af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en +schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van +daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech +in vreemde landen, waar 't hem onbekend was. + +Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den +ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der +wegen droeg hij hout aan, en mortel[1] en steen, en was de minste onder +de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om +geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der +fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den +gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros. + + +[1] _mortel_: ciment. + + + + +HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en + diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen, + en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden + werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam. + + +Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten +jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint +Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards +timmerlin en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen. + +Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad +kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De +werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden. +Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde. + +De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote, +mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zo +kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen +wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen +eenen penning!" + +Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij mr verdienen zult: wilt +gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen +daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga--'k en wil zoo veel +niet winnen." + +De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal +ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken." + +--"Heere," zeide hij, "dat doe ik!" + +En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alln steenen aan, die ze met +hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden. + +Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar +enen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alln +meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u +in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen +eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te +dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne +gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te +bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar +en gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en +sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds +was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de +meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe +hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem +zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude +zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman." +Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest--hij +zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking. + +Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en +het werk schier alln deed. De meesters, hoogst voldaan over hem, +vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een +onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van +kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen: +"Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal +hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den +steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."--"Ik weet +beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf +mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen +gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij +hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem +in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan." + +En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten +tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed, +bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen +hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water--nochtans en mocht de +last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden +waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf. + +In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had +'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde +lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was, +en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord +was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij +genezen.' + +De vrouw ontsprong[1] met dien visioene en dede zich kleeden, en op den +Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar knin, en +zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te +voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot +den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten +waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten +laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en +zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken, +en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te +luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken +om de ware oorzaak te vernemen. + +Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een +mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een +devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is +genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met +cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte +der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles +gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den +zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen +die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het +lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken +gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven +werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van +Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar +bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die +bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door +uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden +geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren--wist ik wie u +verslagen hadde, ik zo hem den Koning zenden!" + +Als die van Dortmunde[2] dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en +vielen op de knin voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun wo +geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner +gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk: +"Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor +hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een +karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de +paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de +kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na +den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet +wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde, +'twelk menig mensch zeer verwonderde. + +De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom. +En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes, +Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken. + + +[1] _ontsprong_: stond op. + +[2] _Dortmunde_: stad in Westfalen. + + + + +HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL. + + + Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed + boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den + Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen + kwam. + + +De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel +aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen +was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij +uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van +zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij +zouden 'et bekoope al die in Keulen waren. + +Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen, +en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden +van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den +Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning! +wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en +niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden +wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar +ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo +jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat +zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk +terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning +Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan +Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in +den Rijn. + +Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig +waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te +Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok +na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de +Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was. +Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien +'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad: +"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van +den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder +menschen hulpe--dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel: +"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit +hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et +lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag +daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn +broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als +de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij +hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het +lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote +rouwe en misbaar. + +En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs. + +Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in +'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest! +Amen. + +Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout +Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk. + + + + +WILLEM VAN ORANJE. + + +A. D. 806. + + + "Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs! + "Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs. + "Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten-- + "Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten. + "Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt: + "De voortijd maakt ons in zoo vl reeds beschaamd;" + Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus, + Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus. + + "Maar wie zal...?"--Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;. + "Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man! + "Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder, + "Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder, + "En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen me. + "Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-Andr + "Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden.... + "Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden. + + "Geef gij aan den broeder het noodige geld!" + Nu dit hem met-een in de hand is geteld, + Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden, + En was ook al gaauw uit het klooster gereden. + Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort. + De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord.... + Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren.... + Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren. + Zoo'n kloostergeleerde--'t staat vrmd op een paard!.... + Die staljongen--is zonder grnd niet vervaard; + Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek) + Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek. + Zoo denkt ge!--maar och, hoe bedriegt soms de schijn! + Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!-- + Al lijken de kappen een haar op elkander, + Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander. + + N rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch; + Twee korfjens, een knaap, voert hij me op zijn ros; + Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede + Bevat slechts een penpunter, argloos van snede. + Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst-- + Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht + Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden-- + Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden-- + En de vuist, die den slappenden toom soms vervat-- + En de knie, die zich spant en het bergachtig pad + Den klepper op nmaal soms over doet schieten, + En springen en waden, waar beektakken vlieten + Of heester en kloof hem den weg soms verspart-- + Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart. + + Geen wonder! geen wonder!--de bode, die heden + Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden, + Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard; + Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard + Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje: + Dat schild--was het wapen van 't Prinsdom Oranje. + Oranje! geen held onverwinbaar als hij! + Een Roelant-allen streft dees Willem op zij. + Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven. + Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven. + Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp-- + Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp: + Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen, + Herroepend zijn helden:----Geen dooden, die hooren! + Oranje!--steeds galmden de harpen zijn naam! + Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam! + De dichters, na eeuwen, werhielden hun tongen-- + Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen! + + Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn + De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn: + Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen. + Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen. + + 't Is lang gelen!--hij had, na felgevochten strijd, + Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd. + Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne, + Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhne. + Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er ner; + Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir, + Dat op de wallen van de leggeroofde veste + Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte + De stoutste plonderaars te levren in zijn hand + En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band, + Om wien de hoofden, prachtige edellin, zich schaarden + Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden + Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door + Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor, + Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have, + Naar wellust martlen wo, den jongen Christen Grave + Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht-- + Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht. + En de Emir, dol van spijt, doch met betomde woede + De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede + 't Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees; + 't Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees + "Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade + "Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade! + "Uw woord tot onderpand--en, om mijns Heilands wil, + "Ontboeit hem, knechten!"--Maar op eens, wat luide gil! + Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen; + Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren; + De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat, + Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat + Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen, + Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen, + Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros. + En barst in dank op dank en tranenstroomen los. + "Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten! + "En wat de vader deed--ik wil daar ng voor boeten, + "Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed + "Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet + "Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behoun?... + "O, vraag een losprijs!--dat mijn harte moog vertrouwen!" + --"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert, + "Die mij mijn vijand leert beminnen--die begeert + "'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden + "Der dochter wergeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!" + Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst: + Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst. + En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden-- + Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden + Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met tere stem: + "Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?" + + O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven + Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven. + Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot: + De God van Willem werd der teedre maged God: + En--knielend voor den troon van Keizer Charlemanje, + Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje. + + Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel + Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel, + Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden, + Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden + In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag! + Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:--de volle dag, + Zijn glonde heilzon, keert in middernachtlijk duister: + Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister + Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetren-- + Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen! + Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!... + Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen; + Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast.... + Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast + Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte + En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte. + Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint, + En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt. + + "Heer!--Heer!--hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch? + "'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis, + En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten + De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten. + + "Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man, + Zo zijn wij het bosch uit----Ons valt men niet n: + "Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren; + "Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren. + + "Gedraafd en gezongen met vrolijken zin! + "Dan halen niet eens die kornuiten ons in." + --"Heer ... 'k durf niet;... maar--daar gij 'et wilt--zal 't gebeuren." + En bevend begon hij een lied jen te neuren. + + Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch + Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!' + Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen, + Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.' + + En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft, + Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd. + Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden, + Die ginds langs het lover de takken ontblaarden: + Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach + En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag + Den een na den ander een zevental ruiters, + Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters! + "Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht, + Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht. + En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mmt: + "Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!" + + "Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak + "Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...." + En Willem betoomt zich met moeite van binnen; + En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen: + "Dat pak?--'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij + "Voor schatten vermoeden in grauwharen pij! + "Ik bid--laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!... + "Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen." + +[Illustration: Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist.] + + --"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk + "Die 't meest ons belemmert!... maar it heeft uw rijk!-- + "Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten! + "En beiden de plunje van 't lichaam gereten!" + Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op ste, + Ze binden hem handen en voeten, en re + Den monnik, dien zij met hun vijven omringen, + Tot afstappen en ontkleeden te dwingen, + Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed, + "Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet.... + "Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen.... + "Zo varen ze, die zich niet laat gezeggen. + "We maakten hun goud, en wat anders nog, buit, + "Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit, + "Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen, + "Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen: + "Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest! + "Toe! voort uit den tabbert! Het minst is ns meest! + "Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen.... + "Uw pij uit!--Die hoofdkap bij de ndre kaproenen!" + + --"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek + Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek + "Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen! + "En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!" + + Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat + Den huifwagen in met het zadelgeraad; + "Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...' + "Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen.... + "Een werloze monnik--maar geeft me mijn knecht + "Voor 't minst dan weder!"--"Dien knaap?--Gij hebt recht + "'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren: + "Den knaap in de kar!--en de paarden de sporen!-- + "Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch + "Alleen u vervelt, in uw luchtigen dos,... + "Dat kan toch den beste eremiet overkomen,... + "Hier hebt gij een koord--en daarginder staan boomen!" + + Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf, + Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf + Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven + Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven: + "Fraai, mannen! fraai helden!--Uw prooi lacht u uit; + "Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit! + "De gordel, die schuilt in mijn onderste kleren, + "Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren! + "Een gesp is er aan van het edelste goud, + "Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud + "En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden + "Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden. + "Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop; + De hoofdman rijdt nader: "Zo 't waar zijn?--Pas op, + "Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen + "Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!... + "Te voorschijn die gordel!"--"Ik schenk hem u. Heer," + Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer, + "Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren.... + "Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!" + --"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard + En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard + Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen, + Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen. + Daar heft hij de vuist, en met morslende slag, + Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag, + Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten, + Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten. + Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij; + Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij! + Hij stort zich te midden der wanklende knechten, + Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten. + + "Oranje vooruit!--Ha, gij wolvengebroed! + "De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed! + "Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen + "Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..." + Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist; + Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist. + Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde; + Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde. + Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet; + Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet; + En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen + Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen. + + Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God! + Zijn knaap niet alln werd geboeid door het rot.... + Twee ndre gevangnen, wien doeken en banden + Het roepen belett'en en 't roeren der handen!... + De schaduw der huive floerst Willem het oog; + Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog + Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen.... + Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen + Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart. + "Hoe ds?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart + "In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen + "Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...." + --"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw, + "Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw + "Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten + "Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten: + "De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...." + --"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht, + "Om u in het klooster te komen verrassen.... + "We hebben steeds in de Cortezische plassen + "Niet ver van 'et burchtslot zoo hrlijken visch! + "En hadden dien heden bestemd voor uw disch;... + "Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen." + --"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen! + + "Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...." + En glimlachend le hij de zweep op het paard; + De staljongen moest met den bles het maar stellen, + En de Abt kreeg twee gasten en--goede forellen. + + + +FLORIS EN BLANCEFLOER. + +AAN HELENE UKENA. (1851--1873) + + +Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat +boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand +hebben--'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw--en wien de +liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik +dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan +alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't +Is alles van eene standvastige min--van blijdschap beide en droefheid. +Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een +vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt. + +Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald +werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld +kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal +blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben. + +Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit +Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks +te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt. +Fenus--zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen +oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed +Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen; +kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles +werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig +dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen +meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig +hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van +alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om +te brengen, of gevankelijk me te voeren. Onder de dus overvallenen nu +bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich +moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven +niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar +met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde. +Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger +achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen, +en nog mr moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden +ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde, +dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den +vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken +wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden +groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en +werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep +hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo +doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en +wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren +blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met +grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele +kinderen liepen om en achter hen. + +De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te +deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van +pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de +hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de +gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te +nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van +haar maakte. + +Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren +Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk +echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat +zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van +haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een +liefdepand van haar beschreiden ega onder het harte droeg. De vrouwen +brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter +waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten +hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem +Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen +Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen. + +Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer --want +het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en +dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden. + +De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid +reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren +beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone +kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon +meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den +geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde +hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht +kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader +hem dit aanzeide: + +"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen, +noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan--tenzij +Blancefloer met mij ga." + +De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter +schole. + +Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en +beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon +hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat +men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ns +van meening, ns van schoonheid, van enen zin en even standvastig van +harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen +in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in +zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo +leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten +druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te +kort voor hun blijdschap, voor hun genot. + +Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij +den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de +ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter +dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en +op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging +voor de arme dochter der gevangene Christin. + +Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben, +naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van +gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn +gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij +peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon +komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind +verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij +er op vinden kunnen."--"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren: +Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer +gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang. +Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan--dan zal +ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is, +Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal +vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere +beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen +geslachte zal nemen." + +Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij +geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe +zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des +Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed: +maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen. +Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in +waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk +duchten zo ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos +verloren zo gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der +tijding. Dan zo onze schade en ons verdriet mr zijn dan te voren. +Daar is geen lof noch roem me te behalen, 't zo niemants nut zijn, zoo +zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven +blijve!"--"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als +middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de +kinders eene ziekte zo voorwenden, opdat men Floris naar eene andere +plaats, naar Montori, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer +zo men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak +te maken op de voortdurende hulp harer dochter --dan kon Floris niet +aandringen op het samengaan--en verwijdering, afleiding door den omgang +met andere speelgenoten, zo wellicht de liefde verdooven kunnen, of +vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook +beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tt hem gezonden zo worden. + +Nu ontbood de Koning--Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet, +dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet +verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar +Montori ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn +en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en +lezen en schrijven leeren." + +--"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"--"Lieve jongen," +zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over +zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide +hij: "dat gebod zo mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet +mt mij--ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval +hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zo binnen veertien nachten of +eerder Blancefloer tot hem zenden. + +Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den +Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris, +ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare +dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht +hier en daar woorden zo ontvangen, die hem in eene andere liefde +mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten +doen. + +Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel--maar, 't mocht zijn wat +het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde +en las--altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij +boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast +in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De +stonden vielen hem lang--des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij +zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien +nachten ten einde kwamen. + +Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam, +werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe +langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol +te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven. +In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem +vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne +tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De +kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe +wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van +Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus +geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vr +mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand +van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood +krijgt." + +Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat +tooverij het zo gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde +reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te +onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare +wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet, +geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de +onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen--dat er +aldus over haar gesproken werd. + +De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood +ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand, +Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar +aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren; +zo, dat er de Koning zich niet meer om zo behoeven te vergrammen, noch +er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd +te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in +handen geleverd. + +Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig +pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde; +honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden; +honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels--valken, +haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog +een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone +van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelas, hem zeer +verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken +Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van +binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie +godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen +schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo +duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder +vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk +moerbezin, honig- en specerijdrank van wijn zo hebben kunnen +onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel +werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel +vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het +uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen +kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in +de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de +markt te Nicle verkocht had. + +De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel, +konden zij haar te Babyloni brengen, dat zij twee maal den koopschat op +haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone +kind aan te bieden. + +Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun +tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden +met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers +hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare +blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen +geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle +jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene +verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen +andere vrouw meer beminnen. + +Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig +jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden. +Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot +vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babyloni. + +Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen +kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft. +Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!" +roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn +teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was +weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij +eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur, +dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend! +Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad, +dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij +te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat +hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg +ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al +heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij +bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht +ook niet aan mij--hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig +ben--maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint--en dat ik hem +bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij +nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen. + +"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen me. +Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons +gescheiden heeft, wel zoete vriend! + +"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo +braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u +gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet +ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed, +dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!" + +Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden +van hare gezellinnen. + +Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend +knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn +thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De +Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste +wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te +berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe +bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon +zo melden, dat zijn geliefde in leven was. + +Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van +krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de +goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare +en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk +plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en +velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters +keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der +zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen +oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de +tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris: +het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne, +ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren +geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne +vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het +hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband +gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het +andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind +ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in +de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen, +alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zo dachten +allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het +graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen +en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond, +hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en +jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan +moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de +zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen +haastig tot elkander, en kusten elkar vriendelijk. De liefde, waarvan +zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een +dorper of een dwaas, die daar voorbij zo gaan, dan werd, hij, zoo haast +hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij +zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap +viel; zoo bezweken hem al de leden. + +Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf--dat zoo kostelijk was +als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende +steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en +op den steen werd in gouden letters gehouwen: + + --HIER LEGHET BLANCEFLOER + IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER, + DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT, + MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT. + +Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug. + +Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne +moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij +naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden. +En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk +beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers +moeder was. + +"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier +achterliet?" + +--"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet." + +--"Gij schertst!" + +--"Ik doe het niet." + +--"Gij doet het!" + +De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare +dochter hoorde spreken. + +Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!" +De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar +Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij +doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen +andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide +zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat +mocht hij niet gelooven--tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij +uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!" + +Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als +die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg +zwijmende ter aarde. + +De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in +onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt +hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten +heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar, +dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld +der Hemelen; daar verwacht mij hre ziele! Wat denkt ge--dat de dood mij +niet tot vreugde zo wezen?" + +Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar +de letters geschreven, en las: + + "--HIER LEGHET BLANCEFLOER + IN DIT GRAF OP DESEN VLOER, + DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT, + MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT." + +Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig +aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken, +noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij +weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten. +"Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik +rampzalig. Wist ik op wien--hoe gaarne zo ik 'et wreken, dat ik u dus +verloren hebbe! Wij waren op enen dag gewonnen en geboren, samen +opgevoed, samen hebben wij geleerd--tot dat we de ure bereikten, waarin +men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op enen +dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik +ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere +smart. + +"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart +zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een +spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo +schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk +andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele +vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en +prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u +standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in +geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan; +zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet +verstonden. + +"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt +moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap +is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen. +Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt +hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde +komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een +haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en +varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele wer samenkomt met de +mijne, en bloemen leest." + +Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vr zich, +en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat +ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan +u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven +nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu +wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het +hart--maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af. + +"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde +begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener +vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is +niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in +groot ongerief blind, doof en stom zo zijn en lijden al wat de waereld +te lijden geeft,--dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de +stervensangst voor niets?--Meent ge dat het u iets baten zo, of ge de +handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in +'t Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zo niet gebeuren; daar zult ge +langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar +niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert +gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zo uwe woning zijn, +gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido +lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar +eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind +hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij +zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe +vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks +kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken." + +Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer," +zegt ze, "hoe gaarne zo ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons +kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het +hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats +doodgebleven." + +--"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik +houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig +zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."--"Heer," zegt ze, "dat is +onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood--niet +eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg +brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich +alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn." + +--"Vrouw," zeide hij, "ik zo misdoen, indien ik uwen raadslag in dit +geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde." + +--"Nu spreekt ge wl, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wl aannemen, dat +wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen." + +--"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve, +maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat +Blancefloer, zijne vriendin, leeft." + +De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg +gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid. + +"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe +vriendin: Zij leeft; daar is in het graf--niets. Wij hebben leugentaal +gesproken--uw vader en ik--toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten +haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt +weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings +dochter. Dat zo ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot +vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet +wilde toelaten, dat zij uw vrouw zo worden, daarom wilde hij ze +verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter +markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre +landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd +rijk." + +[Illustratie: Toen zag hij de lachende kinderbeelden.] + +"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"--"Ja ik," andwoordde zij +onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien." + +Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren; +en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte +hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zo, +dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en +brengen ze vol vreugde te-rug. + +Maar wat moest hij daar niet al voor doen;--wat moeite moest hij niet +aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit +het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet +vele in 't land zo vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo +dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zo kunnen zijn, die om den +wille van welke liefde ook, de stoute daden zo verrichten, die Floris +bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er +verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer +ter zijde. + +Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij +aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is +verblijd, om dat ze leeft. + +Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat +hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen +verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene +vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge +dragen. + +"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer. +Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen +kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar +te-rug-kom." + +Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon. + +Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene, +wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was +besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant +daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en +heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij +hem vele goede eigenschappen verhaalde: + +"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij +dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch +van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof +vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk +verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van +zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te +zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen +mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder: +hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar +waren, weenden alsof hij dood vr hen lage. Maar zijn moeder dreef den +diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zo het nog mr +gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie +maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden +zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer +wer. + + * * * * * + +Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met +vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te +scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer +uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babyloni, de +stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd. + +Maar wat nu nog aangevangen zonder enen vriend, die hem den weg kon +wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich +meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar +hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en +zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken +gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie, +het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had +gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door +Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem, +en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe +zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren +man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone +jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb +zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard +deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het +tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord +en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u +des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad +schaffen."--"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat +hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt. +Het zo mij niets verwonderen; want ik zag haar van ener gedaante, van +en manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in +kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante +mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is. +In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om +zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in +vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar +de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem +gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof +vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar +geliefde." + +Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam +werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te +zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit +woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij +hebben enen vader en ene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo +begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de +geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen +Koning, die kroon draagt, is er, die zo durven ondernemen haar den Emir +te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den +rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren +waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen +bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij +steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij +rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het +dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van +goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan +is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo +helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo +licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of +fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet +van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier +woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle +van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen +pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt. +Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert +door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste +verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer +zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu +steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit +de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn +van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn +de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat +verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en +lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de +geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald +zijn. + +"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar +het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den +doek tot wasschinge moeten brengen. + +"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren +nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der +woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door +tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn +altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te +slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een +vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang +gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het +jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen, +de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met +zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen; +opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zo." + +Floris, op het hooren dezer berichten, was nog ongeduldiger dan vroeger +om zijn opzet door te zetten, en bidt den waard er hem den besten raad +toe te geven. "Sta morgen vroegtijdig op," zegt deze: "begeef u naar den +toren: beschouw hem ter wederzijde; ga de hoogte en dikte met uwe +blikken na, en meet den omvang met uwe schreden. Dan zal de portier op u +toeschieten, en stuurs u aanspreken: andwoord hem bedaard, en zeg hem, +dat gij gekomen zijt om den toren op te nemen, en voornemens in uw land +naar dezen een anderen en beteren te maken. Als hij u van zulke zaken +hoort spreken zal hij begrijpen, dat gij een aanzienlijk man zijt, hij +zal kennis met u willen maken en u ten zijnent noodigen, of gij met hem +schaakspelen wilt. Hij bemint dat spel met hartstocht. Zet honderd +bezanten op het spel; wint gij--geef hem dan zijn inzet met den uwe ten +geschenke. Keer des volgenden daags te-rug, en verdubbel de som. Geef +hem het zijne weder, indien gij wint; en vermeerder het met het uwe. Dat +zal hem vriendelijk stemmen ten uwen opzichte. Vul des derden daags uw +schoone gouden drinkvat met drie-honderd bezanten; en als gij wint, geef +hem steeds het gewonnene te-rug, vermeerderd met uw ingezette som. Zoo +wint gij hoe langer hoe meer zijne genegenheid. Zie echter wel toe, dat +gij uwen gouden beker niet op het spel zet. De man zal u dan aan zijn +disch nooden. Hij zal zijne zinnen zoo sterk op uw drinkvat gesteld +hebben, dat hij er u duizend mark fijn goud voor bieden zal. Sla dit van +de hand. Maar, ten laatste, bied hem het kostbaar stuk als een +vriendschapsgifte aan: dan zal hij buiten zich-zelven zijn, en niet +weten, hoe hij dat groote goed en de eere, die gij hem bewijst, erkennen +zal. Hij zal u zijne handen toesteken als uw dienstman. Wees daarop +voorbereid, en ontvang zijne manschap en getrouwheidseed. Dan moet gij +hem de waarheid stoutelijk bekend maken; hem verhalen, wat zake gij +volvoeren wilt, en wat leed u getroffen heeft. Dan, ik ben des zeker, +zal hij uwe liefde bevorderlijk wezen en u helpen. Helpt _hij_ u +niet--dan is uw zaak verloren." + +Floris deed als hem geraden was. Des anderen morgens vroeg reed hij, op +het prachtigst uitgedost, naar den toren, 1000 gouden schilden had hij +medegenomen. Alles droeg zich juist zoo toe als de waard het voorspeld +had. Toen de portier hem manschap gedaan hade vergde Floris van hem, dat +hij hem Blancefloer zo doen zien en spreken. + +"Heere," zeide de verschrikte portier, "uw goed heeft mij ten verderve +gebracht. Ik bemerk het te spade. Gij hebt gedaan als de vogelaar, die +met zijn schoon fluiten en blazen de vogelkens in den strik lokt. Kome +er schade van of voordeel--daar het er nu eenmaal toe ligt, zal ik u +trouw bewijzen----Keer nu ter herberge, en kom over drie dagen weder, +dan is het de Meimaand: dan zal ik u helpen." + +Toen Floris, dien het uitstel ontzaglijk lang viel, zich op den +bepaalden dag bij den portier aanmeldde, beval hij den schoonen, +veertienjarigen jongeling zich in een rozerood kleed te steken. Hij had +ook zijn dienaars uitgezonden, om hem uit alle velden, en wouden, en +hoven, de schoonste bloemen te verzamelen. Een ontzettenden korf deed +hij daarmee vullen, en zeide aan zijne knechten, dat hij die aan de +jonkvrouwen ten geschenke wilde geven. Maar toen hij alleen was met +Floris, deed hij dezen in den korf nederzitten, en bedekte hem met een +groote hoeveelheid rozen, akoleyen, lelies, en violen. Ook een krans van +rozen had hij den knaap op het hoofd gezet, en beval hem zich niet te +verroeren. Toen gaf hij last dat men de bloemen de bovenste torentrap +zo opdragen in de kamer van Blancefloer: "Gaat," zeide hij, "brengt uit +mijn naam deze bloemen aan mijne Jonkvrouwe Blancefloer, en dat zij er +de bloem uit kieze, die haar het beste gevalt!" + +De dienaars gingen. Onder wege vloekten zij op den last, en meenden, dat +zij nooit zoo zware bloemen hadden gedragen; + + "Dat seiden si ende seiden waer." + +Maar o noodlot! Daar dragen zij den korf in eene verkeerde kamer, in die +eener andere jonkvrouwe, eens Hertogen dochter uit Duitschland, Claris +geheeten. "Jonkvrouwe Blancefloer!" zeggen de dienaars, "deze bloemen +zendt u onzen Heer de portier." + +Claris zeide niet, dat zij Blancefloer was--maar aanvaardde de bloemen +al lachende. De dienaars vertrekken. Zij gaat tot den korf en neemt eene +roos. Floris waant dat het Blancefloer is, en spring uit de bloemen naar +haar heen. De jonkvrouw werd zeer vervaard, vluchtte van hem, en riep: +"Help! help! wat bloemen zijn dit!" zoo dat al hare gezellinnen haar ten +bijstand snellen. + +Floris echter verborg zich haastig wer in den korf onder de bloemen, en +de jonkvrouw, zich bezinnende dat deze voor Blancefloer bestemd waren, +en dat hare vriendin steeds treurde om een jonkman, wiens beschrijving +geheel aan het voorkomen van Floris beandwoordde, herstelde zich +spoedig, en zeide aan de andere jonkvrouwen, "dat uit de bloemen haar +een vlinder in het aangezicht gevlogen was, die haar verschrikt had." + +Nu verwijderde men zich, en Claris gaat tot Blancefloer, die altoos +treurde om haren geliefde. "Blancefloer," zegt ze, "zoete lieve, wilt ge +met mij gaan--ik zal u zulke bloem laten zien, dat gij nooit bloem noch +roze liever zaagt dan deze." + +--"Clarisse," andwoordt zij, "zoete gespele, ik heb zo veel verdriet, +dat ik geen zin heb in bloemen. Gij doet slecht, dat gij spottende tot +mij komt. Die in de hope der liefde leven, hun past het wel bloemtjens +te kweeken, om het leed te vergeten en te verkorten: maar mij naakt +niets dan droefheid. Zoete vriendinne, gij weet wel, dat ik ver van mijn +geliefde ben en hij verre van mij. Ginds is de Emir, die mij binnen +dezer maand nog ter vrouwe denkt te nemen. Maar eer zal ik mij de dood +geven (kan ik hem anders niet ontgaan), dan, levende, Floris te +verliezen."--"Blancefloer," is het wederwoord, "nu bid ik u, bij Floris' +liefde en om zijnentwille, dat gij met mij de bloeme koomt zien--hoe +schoon zij is." + +Zoodra ze haar bij hm bezwoer, stond de schoone Blancefloer op en ging +de bloem met haar aanschouwen. Floris heeft de jonkvrouwen wel gehoord, +en is zeker, dat Blancefloer in de kamer is. Hij richtte zich op en +sprong te voorschijn: hij had het schoonste haar, den blanksten tint, +die ooit iemant ten deel vielen. Hij had een rooden lijfrok aan. Edel +was zijn gedaante, lieflijk blonken zijne oogen. Blancefloer herkende +hem toen zij hem zag; zij kende hem, en hij haar. Beiden stonden zij +roerloos; zij konden geen woord uitbrengen. Toen zij tot bezinning +kwamen, liepen zij al zwijgende tot elkander, zij namen zich in de +armen, drukten elkar aan het harte. Het kussen en omhelzen duurde zoo +lang, dat men ter zelfder wijle een groote mijl had kunnen gaan. En toen +zij elkander niet meer kusten, lachten zij elkander al zwijgende toe; en +zagen zich allerminnelijkst aan. Toen zeide Clarisse en begon schalk te +vragen: "Blancefloer," zegt ze, "zoete gezellinne, kent gij de bloem, +waarvoor ik u aanzocht, ook eer dat ik ze u toonde? Draagt gij ze aan uw +boezem? Sints gij ze zaagt, dunkt mij dat ge gants verheugd zijt: daar +moet groote kracht in uwe bloem liggen, die eene jonkvrouwe zoo spoedig +van haren rouw verlost heeft. Eerst woudt gij ze niet zien--nu dunkt mij +zijt ge er zoo me ingenomen, dat ge voor niemant gunstig genoeg zijn +zoudt om de bloem met hem te deelen." + +--"Deelen?" zegt ze, "is dit dan Floris niet, mijn zoete lief! mijn +zoete vriend aan wien mijn leven en mijn dood ligt, als ik u dikwerf +gezegd heb? Hij is mijn troost, mijn toeverlaat." Toen baden zij +Clarisse beiden, dat zij hunne liefde niet te leed wilde brengen en ze +geheim wilde houden. "Vreest niets," zeide Claris, "hoe zo ik u kunnen +verraden!" + +Blancefloer nam haren geliefde bij de hand: en zij zaten naast elkander +op een rijk bekleede rustbank. "Floris!" zeide zij, "mij wondert zoo +zeer door wat list gij dezen ontoegankelijken toren hebt weten te +beklimmen, dat ik soms denke of het ook slechts begoocheling zij. Vrees +en twijfel benaauwen mij, dat het Floris niet is, die daar neven mij +zit. Wat zeg ik? ik kenne hem wel; hij is het. Zoete vriend! ei, kom wat +dichter bij mij--'t is Floris, die mij te-rug-gegeven is!" En toen +verhaalden zij elkaar van het leven des afzijns; en dit lijden was hun +thands zoet. + +Maar, helaas, hun geluk was kort van duur. Blancefloer en Claris moesten +den Emir het water en den doek der handwassching reiken --maar reeds was +Claris de trappen afgevlogen met het wasch-bekken, en had Blancefloer +aangespoord te komen, toen deze nog, in de vreugde des wederziens +verloren, aan de borst rustte van haar tederen vriend. De Emir zond zijn +kamerling heimelijk naar boven, daar hij de verschooningsreden, door +Claris bijgebracht, wantrouwde. Een oogenblik later stond de Emir-zelf, +in een gramschap, dat hem het harte dreigde te breken, tegenover de +kinderen, het ontbloote zwaard in de hand. Eerst wilde hij ze beide +neerslaan --doch liet zich verbidden om hen voor de rechters te voeren. + +Juist viel het jaarfeest in, waarop de Emir gewoon was eene vrouw te +nemen. Koningen en Hertogen, al de hoogsten van den Rijk waren binnen de +stad. De hofzaal was prachtig versierd. Thebe noch Troje bezaten ooit +zoo rijk een paleis. De Emir dan riep er zijn Baronnen en Heeren te +zamen, om het vonnis over Floris en Blancefloer uit te spreken--en daar +was er maar en die het opnam voor de jeugdige gelieven. Zijn voorspraak +mocht echter niet baten. + +Twee krijgsknechten kwamen de kinderen halen, om ze voor den raad te +brengen. Droevig en smartelijk zagen zij zich aan en hadden diepen +deernis met elkander. "Zoete lieve," sprak de Jonkheer tot Blancefloer: +"wij zijn nu zeker van de dood en in het grootst gevaar. En mijne schuld +is het, dat wij sterven moeten. Ware ik niet hier gekomen, u ware dit +leed gespaard gebleven. Maar zal de Emir naar recht uitspraak doen--zoo +zult gij de dood ontkomen. Te onrechte zoudt gij sterven. Lieve, neem +intusschen dit ringetjen: zoo lang gij 't bij u zult hebben, kunt ge +niet sterven." + +"Floris," zegt ze, "wel zoete vriend: hoe onbillijk dunkt mij uw taal! +De schuld is mijne. Om mij weervaart u deze schande. Om mij verliet gij +uw ouderlijk huis en zijt hiertoe gekomen. Ik weet wel, dat ik voor u +sterven moest, ging het naar recht. Geen angst van de dood, geen +marteling, zoo hevig; zal mij den ring doen behouden; want ik ben schuld +van alles." + +Floris zeide, hij kon niet dulden, dat zij sterven en hij leven zoude. +Hij bad haar, dat zij het ringetje name; en zij wilde niet. Hij wierp +het haar toe, en zij 't hem te-rug, zoo lang tot dat het daar nerviel +onder de voeten. Zij gingen voort. Een Hertog raapte 't op, die hunne +woorden gehoord had. + +De kinderen werden in de raadzaal gebracht, en ieder was zoo zeer door +hunne zeldzame schoonheid en droevig lot getroffen, dat allen de tranen +in de oogen kwamen en de deernis in het hart. Doch de Emir bleef +onverbiddelijk. Hij liet ze op een plein leiden buiten zijn paleis, en +beval, dat men hen daar in een groot vuur wierpe. Toen kwam de Hertog, +die het ringetjen had opgeraapt, dat Blancefloer liet vallen, hij +knielde met bittere klachten oodmoedig voor zijnen Heere neder en +verhaalde hem de woorden, die hij van de kinderen gehoord had, toen zij +van de trap daalden. De Emir beval, dat zij ze hem nog eens vr zouden +brengen--daar hij hooren wilde, wat ze tot elkander zeggen zouden: + +"Hoe is uw naam?" vroeg hij barsch aan Floris. + +"Heer," zeide de jongeling, "ik heet Floris. Terwijl men mij ter schole +gezonden had, werd mij mijn lief ontstolen, Blancefloer, die hier neven +mij staat. Het zo onrecht zijn, zoo men haar dede lijden. Heer, ik ben +hier niet met haar meweten gekomen; dat durf ik voor u en al deze +Edelen, bij het heiligste bezweren. O doe nu wel! en om uwer eere wille, +laat Blancefloer leven, edele Heer! Zij is onschuldig! Mij is de schuld! +Laat den schuldige 't ontgelden." + +--"Heer," riep Blancefloer, "houdt u niet aan zijne woorden, die gij +gehoord hebt. 't Is alles om mij gebeurd--mijn is de schuld. Ware ik +niet in den toren geweest--mijn lief ware er niet gekomen. Ik durf wel +met waarheid zeggen, dat hij eens Konings Zone is. Verloor hij zijn +leven ter mijner liefde--dat ware groot onrecht, groote schade. Lieve +Heer, laat hem leven--en breng mij ter dood." + +--"Neen!" sprak Floris, "Heere, laat gaan mijne vriendinne, en sla mij +terneder!" + +Toen andwoordde de Emir en zeide: "Zeker, gij zult beide sterven! Ik +zal zelf mij wraak verschaffen van den smaad, die mij is aangedaan." + +En een blank zwaard nam hij in zijne hand. + +Blancefloer sprong driftig naar voren, en bood haar hoofdjen.... Floris, +met de tranen op de wangen, vloog haar na, en wilde haar achteruit +trekken: "Gij zult niet de eerste de dood ontvangen!" riep hij. + +Toen rekte hij zijn hals en bad den Emir toe te slaan, en haastiglijk, +want hij was bereid. Blancefloer verzett'e zich met inspanning! "Heer, +mijn is de schuld," riep zij, "waarom slaat gij niet?" + +De een konde den ander niet voor zijne oogen zien sterven. + +Men weende, en jammerde, en wrong de handen over dit harde vonnis. + +Ook de Emir was geroerd. Allen vereenigden zich om hem te verbidden. Het +zwaard viel hem uit de hand. Op voorbede van den Hertog die het ringetje +gevonden had, en vooral van eenen Bisschop, die den Emir te voet viel, +betoonde hij zich vergevensgezind. Hij gaf Floris verlof zijne +geschiedenis te verhalen; de jongeling kweet zich daarvan met +kinderlijken eenvoud, maar bleef weigeren bekend te maken door wat +middel hij in den toren was gekomen; toch nam toen de Emir de hand van +Blancefloer en zeide: "Vriend, neem den schat te-rug, die u toebehoort: +ik beveel ze uwer trouwe: om Gods en dezer Heeren wilde, schenk ik u +beide het leven." + +Schreiend vielen zij hem te voet; hij hief hen op en kuste ze, en maakte +Floris ridder, op de wijze als het daar te lande gebruikelijk was. + +De Emir nam toen de goede Claris, voor zijn leven, ter vrouwe, en daar +werd een groote maaltijd gegeven, waar menige gouden beker geledigd, en +menig vreugdelied gezongen werd. + +Korten tijd daarna kwam er een gezantschap uit Spanje, met het bericht, +dat Floris' ouders overleden waren, en met de bede van zijn volk, dat +hij ze mocht komen regeeren. + +Floris liet de toebereidselen maken tot zijn vertrek, en onder de +heilwenschen van den Emir en de zijnen, toog hij met Blancefloer en een +groot gevolg naar zijn vaderland. + +Daar ontvingen hem zijne onderdanen met geestdrift, en kroonden hen +Koning en Koninginne. + +Floris omhelsde de Christen Godsdienst, de Godsdienst van Blancefloer; +en geheel zijn volk deed als hij. + +Hongarije en Bulgari verstierven van eenen oom in later tijd nog op +hem. + +Hij had eene dochter bij zijne gade, die Baerte heette "metten breden +voeten". Koning Pippyn dam haar ter vrouwe; een machtig Koning, die bij +haar een kind verwekte, daar veel van te vermelden ware: Dat was de +Koning Caerle van Frankrijk,[1] die met groote machte menigen burg +gewonnen heeft. + +Hier eindig ik dit verhaal. + +Floris kreeg Blancefloer niet dan met moeiten en smart: + + "Hi pijnder hem om; God halper hem toe:"[2] + +Zo moge Hij, vroeg en laat, ons desgelijks helpen, dat wij al onze daden +tot een goeden uitkomst ten jongsten dage brengen mogen! Amen. + + +[1] _Koning Caerle van Frankrijk_: Charlemagne. + +[2] _Pijnen_: inspannen. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by +Josephus Albertus Alberdingk Thijm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN *** + +***** This file should be named 39717-8.txt or 39717-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/9/7/1/39717/ + +Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at +http://www.freeliterature.org + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License available with this file or online at + www.gutenberg.org/license. + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation information page at www.gutenberg.org + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at 809 +North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email +contact links and up to date contact information can be found at the +Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For forty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/39717-8.zip b/old/39717-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..68e71c1 --- /dev/null +++ b/old/39717-8.zip diff --git a/old/39717-h.zip b/old/39717-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a04cdfe --- /dev/null +++ b/old/39717-h.zip diff --git a/old/39717-h/39717-h.htm b/old/39717-h/39717-h.htm new file mode 100644 index 0000000..a0b3842 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/39717-h.htm @@ -0,0 +1,9371 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<!-- $Id: header.txt 236 2009-12-07 18:57:00Z vlsimpson $ --> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Karolingsche Verhalen, by J.A. Alberdingk Thijm. + </title> + <style type="text/css"> + +body { + margin-left: 10%; + margin-right: 10%; +} + + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; +} + +p { + margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; +} + +hr { + width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; +} + +.blockquot { + margin-left: 5%; + margin-right: 10%; +} + +a:link {color: #800000; text-decoration: none; } +v:link {color: #800000; text-decoration: none; } + +.bb {border-bottom: solid 2px;} + +.bl {border-left: solid 2px;} + +.bt {border-top: solid 2px;} + +.br {border-right: solid 2px;} + +.bbox {border: solid 2px;} + +.center {text-align: center;} + +.smcap {font-variant: small-caps;} + +.u {text-decoration: underline;} + +.caption {font-weight: bold;} + +.small {font-size: 0.8em;} + +.illus {text-align: center; font-family: arial; font-size: 0.8em; font-weight: bold;} + +/* Images */ +.figcenter { + margin: auto; + text-align: center; +} + +.figleft { + float: left; + clear: left; + margin-left: 0; + margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; + margin-right: 1em; + padding: 0; + text-align: center; +} + +.figright { + float: right; + clear: right; + margin-left: 1em; + margin-bottom: + 1em; + margin-top: 1em; + margin-right: 0; + padding: 0; + text-align: center; +} + +/* Footnotes */ +.footnotes {border: dashed 1px;} + +.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + +.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + +.fnanchor { + vertical-align: super; + font-size: .8em; + text-decoration: + none; +} + + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by +Josephus Albertus Alberdingk Thijm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Karolingsche Verhalen + Carel en Elegast - De Vier Heemskinderen - Willem van + Oranje - Floris en Blancefloer + +Author: Josephus Albertus Alberdingk Thijm + +Release Date: May 17, 2012 [EBook #39717] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN *** + + + + +Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at +http://www.freeliterature.org + + + + + + +</pre> + + + + + +<p><a href="#Contents">Contents</a></p> + + + + +<h1 style="color: #000066;">KAROLINGSCHE VERHALEN</h1> + +<h3 style="color: #000066;">Carel en Elegast—De vier Heemskinderen—Willem van Oranje—Floris en Blancefloer</h3> + +<h4>In nieuwer form overgebracht door</h4> + +<h2 style="color: #000066;">JOS A. ALBERDINGK THIJM</h2> + +<h5>VIJFDE UITGAVE</h5> + +<h5>ZUTPHEN—W.J. THIEME & CIE—MCMXLVIII</h5> + +<hr style="width: 95%;" /> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm001.jpg" width="400" alt="Carel en Elegast" title="" /> +<p class="illus">Carel en Elegast</p> +</div> + +<h3>VOORREDE VAN DE TWEEDE UITGAVE.</h3> + + +<p>Van Kampens uitgave mijner Kaarlingen was sinds lang opgeruimd. +Onderscheidene leeraren aan onze "Hoogere Burgerscholen" namen het +exemplaar van mij te leen, dat ik voor een mogelijken herdruk bestemd +hield. Vele bezigheden hebben mij verhinderd vroeger den bundel gereed +te maken, dien ik den landgenoot hierbij aanbied. De kapitale misslag, +door Dr. J.C. Matthes begaan, met den plompen nadruk van het hollandsche +volksboek van 1600, verhaast thans mijne nieuwe uitgave, en moet haar in +de oogen van ieder die Hollandsch verstaat en eenig denkbeeld van smaak +en takt heeft, rechtvaardigen. Was er geen haast bij de verschijning, +dan ontzeide ik mij het genoegen niet aan dezen druk toe te voegen eene +nadere behandeling van de geschiedenis der kaarlingsche zage, voor zoo +ver die mijne vier verhalen bezielt. Maar daar is geen tijd voor. Ik +wensch, hoe eerder, hoe liever, ook bij dreigend gevaar van gelijke +natuur, maar van andere zijde, en hoe luider hoe beter te roepen: "Neen, +Heeren! dat wenschen wij niet: dat gij uw oordeel over alle +middeneeuwsche zaken op éene leest schoeyen zult; dat gij uw hè-s en +hà-s, uw oogen, vonkelend, en uw wangen, glimmend van welgevallen, zult +wijden aan de gebrekkelijkste voortbrengselen der XIIIe, XIVe en XVe +Eeuw! Wij zijn volstrekt zoo onervaren niet, ook zoo blind niet, noch +zoo dom om te gelooven, dat in de Middeleeuwen alle hout timmerhout was +en alle ambachtslieden groote kunstenaars waren. Wij walgen van de +onvoorwaardelijke bewondering, die dwaze ijveraars ten koste leggen aan +alles wat oud is, en wij gaan slechts van de éene zeeziekte in de +andere, als wij, onder uwe handen van daan komende, uit uwe +verzamelingen te-rugvluchtend in de frissche lucht en de altoos nieuwe +en jonge Natuur, aanlanden bij die andere kunstrechters, die meenen het +heel goed met de Middeleeuwen te maken, als ze maar braaf roepen over de +naïeviteit en den geest van vroomheid, die in de middeleeuwsche +scheppingen uitkomt. Wij begeeren, voor het oordeel over de XIIe Eeuw en +hare onsterfelijke <i>Grootheid</i>, noch de enthuziasten, die het axioma +verkondigen oud = schoon, noch de eklektici, die het grootsche der +middeleeuwsche volksopenbaringen voorbijzien en altijd roepen over het +naïeve (= het onnoozele) der oude artiesten en over de duurzaamheid der +verwen, naar hunne recepten bereid."</p> + +<p>Het is nu twintig jaar geleden, dat ik de <i>Heemskinderen</i> uitgaf.</p> + +<p>Ik vlei mij—behalve in verknochtheid aan mijne hoofdbeginselen—nog in +andere opzichten eenige schreden voorwaards gedaan te hebben: maar +waarin mijn oordeel moog gewijzigd zijn,—niet in waardeering van het +meest populaire der nederlandsche heldendichten: ik zeg nederlandsche +heldendichten, zonder te willen onderzoeken, welk aandeel het +nederlandsche volk heeft in de schepping der zagen, welke de hoofddeelen +van de Historie der 4 Heemskinderen uitmaken: de historie behoort aan +Nederland reeds hierdoor, dat wij ze zoo lang en onvoorwaardelijk bemind +hebben. Niet wat ik, met minder of meer bewustheid schep, maar wat ik +bemin is het mijne. Er gaat van de dingen, die ik terecht en +rechtschapen liefheb, eene stem uit, die ons toefluistert: "U behoor ik: +kunt gij mij niet in al mijn omvang bezitten, beschikt een ander +stoffelijk en naar tijdelijke rechten over mij,—u behoor ik: want gij +neemt mij op in uwe ziel, gij voelt u aan mij verwant, wij zijn van +éenen adel: daar kan geen Koning iets aan veranderen." Zoo is het met de +<i>Heemskinderen</i> in Nederland; en nog altijd wordt in mijne schatting die +groote geliefdheid van het gedicht door zijn schoonheid volkomen +gerechtvaardigd. Daar is hier meer dan naïeviteit, meer dan een +objektief te waardeeren godsdienstig gevoel: daar is hier grootheid, +verhevenheid, diepte, zinrijkheid. En daarom is het mij onduldbaar, dat +de Heer Matthes de schoone lijnen van dit kunstig gebeiteld +middeleeuwsch beeld in het schitterend lappenpak der <i>Renaissance</i> +verborgen voor ons opvoert en blijkt niet wijzer te zijn dan de +vereerders van dwaaslijk toegetakelde Heiligenbeelden. Niet +wijzer?—Veel dommer. Want dien eenvoudigen geloovigen is het om de +schoonheid van het al of niet gekleede beeld niet te doen, maar om de +heiligheid van hem of haar, die zij als zijn model vereeren.</p> + +<p>Tot mijn leedwezen heb ik verzuimd, bij mijn bewerking der +<i>Heemskinderen,</i> gebruik te maken van het fragment van den roman, dat +het eerst door mijn geachten vriend Dr. W. Bisschop is uitgegeven: want +ofschoon ik den inhoud van het XXIe Kap. in het nederl. volksboek deels +een vertragend <i>hors-d'oeuvre</i>, deels een smakeloze beschimping van den +Koning acht, die in strijd is met de oekonomie van het gedicht, heeft de +vergelijking van mijn text met Dr Bisschops, v. 6—21 mij geleerd, dat +ik op mijne 161e bladz. in den 2e reg. v.o. niet "schaâ", maar +<i>schande</i>, had moeten zeggen; terwijl ik, 3 regels lager, Ogier niet in +den mond had moeten leggen: "Nu wil ik zwijgen," maar: "Grave Roelant, +nu maakt gij u boos." Dat Dr Matthes de lezing van het volksboek +behouden heeft, is geen wonder: hij laat Ritsaert wel in het woud te +Bordeaux op Beyaert rijden en Roelant zijn toom in de hand nemen (bl. +138); terwijl Reinout-zelf een oogenblik later gezegd wordt Beyaert "met +sporen" te slaan en Roelant te achterhalen. Bij Dr Bisschop is er +natuurlijk geen sprake van, dat Ritsaert op Beyaert gezeten zoû hebben +(v. 62—66):</p> + +<p> +<span style="margin-left: 3em;">"Die coene entie starke Roelant</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">.... ghemoete saen Ritsaert;</span><br /> +<span style="margin-left: 3em;">Biden togle hine aneprant."</span><br /> +</p> + +<p>Eenige stukken van den roman, die ik, in mijn eerste uitgave, onderdrukt +had, heb ik thans hersteld. Het XXIIe kapittel (bij mij) in dezen druk, +het XXIe, heeft de smaakvolle vertaler van den <i>Madelgijs</i><a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a>, de Heer +J.C.A. Hezenmans, mij daarvoor bijgezet.</p> + +<p>Bij mijn bewerking van <i>Floris en Blancefloer</i> had ik beschrijvingen, +die mij te lang en niet schilderachtig voorkwamen, redeneeringen, die +door geen vonkjen gevoel bezield werden, uitgeworpen. Enkele plaatsen +(waar het snoeimes wat te diep was doorgedrongen) heb ik hersteld.</p> + +<p>Dr Jonckbloet heeft mij den belangrijken dienst bewezen de proeven van +<i>Carel en Elegast</i> en <i>Floris en Blancefloer</i> met mij na te zien, en mij +menige verbetering in de pen gegeven. Daarvoor betuig ik dien geachten +hoofdman der middel-ned. historiesch-litterarische beweging, mijn +hartelijken dank.</p> + +<p>Hij en vooral Dr De Vries drongen er op aan, dat ik <i>Karolingische</i> in +<i>Karolingsche</i>(met den hoofdklemtoon op <i>Ka</i>) veranderen zou: "die i", +zegt De Vries, "is stellig uit het Hoogd. overgenomen, evenals de dwaze +meervoudsuitgang <i>Karolingers, Merovingers, Saksers</i>, enz. <i>Karoling</i> +staat in vorming met <i>Jongeling, vreemdeling</i> enz. gelijk. 't Is een +echt Nederlandsche vorm. Den uitgang <i>-isch</i> kennen wij alleen bij +vreemde woorden en namen, als <i>Aziatisch, historisch, mythologisch enz</i>. +Maar van <i>zijdeling</i> maken wij <i>zijdelingsch,</i> van <i>Harling(en)</i> en +<i>Vlissingen: Harlingsche, Vlissingsche.</i> Dus ook <i>Karolingsche. +Kaarlingsche</i> zou, ja, eigenlijk beter zijn, maar niet verstaan worden, +omdat wij nu eenmaal aan <i>Karolingen</i> gewend zijn. Mij dunkt, het wordt +tijd, dat wij ons van een ingeworteld germanisme ontdoen, alleen +ontstaan door 't lezen van Duitsche boeken over die onderwerpen."</p> + +<p>Ik heb mij aan dat gezach onderworpen, ofschoon, zoo lang <i>koetsier</i> +geen <i>koetser</i> wordt, en woorden als <i>vriendin, martelares</i> enz. bestaan +blijven, zoo lang <i>aziatiesch</i> zich handhaaft,—<i>karolingische</i> mij zoo +geheel verwerpelijk niet voorkomt en eene romaansche accentuatie van +sommige woorden onzen nederlandschen stijl niet ontciert.</p> + +<p>A.Th.</p> + +<p>Amsterdam, 3 Juni 1873.</p> + + +<p>Deze vijfde uitgaaf werd ongewijzigd naar den derden druk gezet. Wij +meenden dat ook aan de spelling niets veranderd mocht worden.</p> + +<p>De Uitgevers.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Verschenen bij den uitgever C.L. v. Langenstein, Amsterdam, +in 1861.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm002.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + +<h3><a name="CAREL_EN_ELEGAST" id="CAREL_EN_ELEGAST"></a>CAREL EN ELEGAST.</h3> + + +<h5>AAN Dr. V.H. DELECOURT. (1851.) </h5> + + +<p>Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen: +luistert met aandacht!</p> + +<p>Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den +Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom +toe.</p> + +<p>Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te +Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij +lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des +anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap +kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning +ontwaakte, op de lieflijke stemme.</p> + +<p>"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen +aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de +Heere des Hemelrijks, beval mij—u dit, op verbeurte van lijf en eere, +te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads +overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof +nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast +u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt +te paard."</p> + +<p>De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden +moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te +hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God +gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen! +God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert +gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij, +en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit +wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt +en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik +hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het +aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet +mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het +nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van +Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en +mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee +ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't +land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de +Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.<a name="FNanchor_1_2" id="FNanchor_1_2"></a><a href="#Footnote_1_2" class="fnanchor">[1]</a> Wat +behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God +mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't +mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner +schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen."</p> + +<p>Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en +derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat +hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod +in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven +staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen—vaart uit +stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak +voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij +gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten. +Ik zal een dief zijn—al is het schande; al zoude ik bij de keel +gehangen worden. En toch—ik had oneindig liever, dat God mij alles +ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land—mijn +riddersrusting uitgezonderd—dat ik mij met den schilde en met den spere +den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op +avontuur:—dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te +zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig +uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te +verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!...</p> + +<p>"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was, +al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven! +Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het +slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen, +zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij +vreemd en onbekend is?"</p> + +<p>Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde +te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een +gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede +zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.</p> + +<p>Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot, +noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze +waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand +zag hem—want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die +in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.</p> + +<p>Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig +naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij +zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.</p> + +<p>Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel +gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was. +Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg +af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder +gerucht noch geluid naar buiten.</p> + +<p>Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als +gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al +wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen—zoo waarlijk gij u +aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden—zoo waarlijk +zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte, +u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en +daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en +gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt +opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn—zoo +zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe +kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u +verlaat ik mij geheel!"</p> + +<p>Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het +stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan +stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel; +het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik +placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten, +die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt +het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat +zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun +het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is +dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik +iemant om een weinig geld doe sterven.</p> + +<p>'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk, +dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de +waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft +land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan +meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land +ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu +wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal +Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land +en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust. +Die ze huisvesting schonk—ik zoû hem beide burcht en leen doen +verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in +bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven +moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van +den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in +vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en +Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters—waar hij ze +betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun +muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde +storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben: +zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud, +waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van +hun klinkende munt—beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij; +niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik +woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God, +helpt mij daartoe!"'</p> + +<p>Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter +kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde +zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild, +dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart +was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed. +Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem +de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig +vermoeden, dat het de Duivel ware—om dat hij overal zoo zwart was. Hij +beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij +kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het +avontuur wagen. Nochtans—ik weet het van te voren—'t is de Duivel en +niemant anders. Kwame hij van Gods wege—hij zoû zoo zwart niet zijn. 't +Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'</p> + +<p>"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen +kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de +Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant, +die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel +aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste, +die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als +de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke +wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'</p> + +<p>Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene +nam den andere op van top tot teen—maar anders deden zij niet. Toen de +ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield +hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus +voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik +hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij +iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of +de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok +van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het +bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?</p> + +<p>'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal +zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen: +licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met +schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'</p> + +<p>Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem +achterhaald had, riep hij luide:</p> + +<p>"Staat, Ridder!—waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier +ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert! +Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het +mij—dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur, +heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."</p> + +<p>—"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik +omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten—dan dat ik mij +tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij +door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen +zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen—wij +zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"</p> + +<p>Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond, +voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij +de Koning was.</p> + +<p>Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.</p> + +<p>Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een +open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de +paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar +den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men +een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.</p> + +<p>De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning +vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter +op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken +vloog als een lindenblad.</p> + +<p>De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.</p> + +<p>De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er +menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide +uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en +wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op +het hoofd, vol schaarden en spleten—zoo scherp was de snede der +zwaarden.</p> + +<p>'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in +zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou +ik mijn naam bekend maken—eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer +verwierve ik eere!'</p> + +<p>Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem, +dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.</p> + +<p>Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en +bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee +stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.</p> + +<p>Op dit gezicht—dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei, +dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik +geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen? +Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!"</p> + +<p>Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor +hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet +ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan +verweeren.'</p> + +<p>Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens +weerzijds, wie ze toch wezen mochten.</p> + +<p>"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij +bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder—zoo hebt gij uw +laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met +eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht —ik zal u heen +laten rijden."</p> + +<p>De zwarte sprak: "Ik ben bereid—mids gij begint, met mij kond te doen +van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij +zoekt."</p> + +<p>Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij—dan zal ik u zeggen, +wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder +noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van +verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."</p> + +<p>—"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet +ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij +ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het +met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u +veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"</p> + +<p>Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het +goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder," +zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u +gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en +bij Hem-zelven het eerst—van mij staat u geen leed te wachten! en ook +ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't +mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."—"Welnu dan, Heere," +antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer +verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren +was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en +mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en +ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en +wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken +worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn +arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in +vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen +en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters—kunnen hun +knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is +geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in +bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen? +Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en +ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik +héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor—kon ik +mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij +meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had +door te staan.—Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den +gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de +nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u +haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."</p> + +<p>En de Koning dacht bij zich-zelven:</p> + +<p>'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de +man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee +rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om +der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten +leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben, +Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn +levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo +veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij +niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot +losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."</p> + +<p>—"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"</p> + +<p>—"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam +zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te +stelen—in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van +alles, ik laat niemant met rust—den rijke noch den arme. Ik let op hun +kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets +te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem +gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om +een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe—eer +de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik +begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen. +God zoû het ons niet misduiden—hadden we er een deel van. De schat ligt +in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd +pond van—'t zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen; +bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u +van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn? +Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen—en +gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."</p> + +<p>Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede. +Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het +weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."</p> + +<p>Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de +Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel +zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol +geladen."</p> + +<p>Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon +Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is +niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al +heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik +zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik +vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte +Heer. Dede ik hem iets anders dan eere—ik zoû het mij voor God moeten +schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!"</p> + +<p>Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat +Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij +zich-zelven—'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo +veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven +kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'</p> + +<p>Na deze overweging vraagde hij aan Elegast—'of deze hem ergends anders +wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij +zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn +kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij +betreft—gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot +niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings +zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te +bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij +verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû +hij aan het leven en de eere staan—ging alles naar zijn wensch: dat kan +ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding—burcht en +leen—aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht—het +zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen —zoo ge +wilt—zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven, +dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch +wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem +ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar +gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De +Koning vergat zijn rol geen oogenblik.</p> + +<p>Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij +een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed +vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het +ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons +werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles +te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op, +gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit +was geraakt.</p> + +<p>Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren!</p> + +<p>Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den +Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens, +Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik +zal handelen naar uwen raad. Het zoû mij toch leed doen, indien u eenig +ongeval overkwam en men zeide dan naderhand—'dat is alles te wijten aan +Elegast'!"</p> + +<p>Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus:</p> + +<p>"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest—zoo ver ik weet. +Het zoû mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op +u aankomen."</p> + +<p>Elegast hernam: "'t Is mij ook wel—zoo gij een behendig dief zijt: dat +zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken, +om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne +vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een +ijzer, waar hij den muur meê zoû stuk slaan. Toen haalde ook de Koning +het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij +dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den +maker," zeide hij—"dan bestelde ik er hem óok zoo éen voor mij. Een +dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer +gebruiken."—"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn +verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die +gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij +op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande, +dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit +andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een +ploeg."—"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er meê +binnenraken. Later bestelt gij u een ander."</p> + +<p>Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den +geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was +hij groot en sterk—op zulken arbeid verstond hij zich niet.</p> + +<p>Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in +zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen, +wat ik u brengen zal." Hij woû niet toelaten, dat de Koning ook +naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield +hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en +wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom —Carel bleef buiten, en +Elegast kroop naar binnen.</p> + +<p>Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te +werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist +van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had, +verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij +hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun +Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.'</p> + +<p>"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!—zoû de Koning daar buiten +zijn?—Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker, +verraden—of een elfenspook misleidt mij."</p> + +<p>Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en +verhaalde hem, wat hij—of hij moest zich geweldig bedrogen +hebben!—gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne +taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was—alleen +wisten zij niet hoe dicht.</p> + +<p>Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? —Wat zoû +de Koning hier uitrichten?—Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond +blaffen mag?—Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij +voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te +verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond."</p> + +<p>—"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning +van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij +hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te +voren deed, dat de Koning in de nabijheid was—maar dat hij niet wist +hoe dicht.'</p> + +<p>"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet +in den omtrek is!"</p> + +<p>—"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener. +Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort—al wierden wij beiden +ook gevangen."—"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar +laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving, +ik zoû 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn +kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en neêr heen en weêr in zijn mond; +maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden.</p> + +<p>"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid +kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn +geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij +iemant, die uit stelen gaat?—Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet +telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is +waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik +heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!"</p> + +<p>De Koning dacht: "Dat is een waar woord!"</p> + +<p>Daarmeê lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat +Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd—maar kon geheime +kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en +al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met +sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant +hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel.</p> + +<p>Toen wilde Carel henenrijden—maar Elegast beval hem nog te toeven: hij +wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn +vrouw lagen—een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man +leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zoû kunnen +beschrijven; alleen aan den voorboog<a name="FNanchor_2_3" id="FNanchor_2_3"></a><a href="#Footnote_2_3" class="fnanchor">[2]</a> is prijzensstof genoeg. Daar +hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als +Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel +stelen—al zoû ik bij de keel gehangen worden!"</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm003.jpg" width="400" alt="Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald +heb." title="" /> +<p class="illus">Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald +heb.</p> +</div> + +<p>Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel +ontbeerd, dan dat Elegast weêr naar binnen ging. Toen Elegast bij het +zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde +wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat +Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan +mijn zadel?" Hij zoû zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't +niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem +zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het +zwaard en de scheê en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn +gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem +haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had +opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen +gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is +menigvuldig—ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan, +dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en +hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt +stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze +waren, die den Koning zouden treffen.</p> + +<p>Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij +zich-zelven, hij zoû de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht +brengen.</p> + +<p>Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't véél liever dat men u ophing +bij de keel, dan ik gedoogen zoû, dat de Koning aldus zonder dat hij +gewaarschuwd werd zijn leven zoû verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric +de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond +uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten +de legerstede. Elegast, die dit alles had gaâ-geslagen, kroop er +zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de +vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een +teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zoû voor het gedreigde leed. +Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed +inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn +woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat +hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof weêr naar zijn paard en +tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast +had aangebracht.</p> + +<p>Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zoû er niet langer getoefd hebben: +zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard +had?"—"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God +leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal +het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken—daar ben ik reeds +te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging +hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb. +Neemt het! ik ga—om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk +te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om +al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug."</p> + +<p>Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke +reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en +bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om +was gegaan."</p> + +<p>"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn +droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik +uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armoê te boven te komen. Ik +leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven, +morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!"</p> + +<p>Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem +voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des +Hemels.</p> + +<p>Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem +doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zoû heel het hof in +opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt +gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen +hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning—welnu, dan +is hij dood! Wat zoû men daar méér van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge +wel genezen."</p> + +<p>Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels +ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange +vertoeven was hem onaangenaam.</p> + +<p>"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn +makker—het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te +nà kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij +God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet +zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen—eer ik deze burg +verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan."</p> + +<p>De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard +gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al +zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u +beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen —dien Eggheric van +Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem +vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad—het verraderlijk +opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw +loon zal niet gering wezen:</p> + +<p>"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings +broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden."</p> + +<p>—"Neen," zegt Elegast, "wat mij weêrvare—voor den Koning kome ik niet. +De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware +paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht +onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite."</p> + +<p>—"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech +naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen +buit met u meê, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik +zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd +hij doodgeslagen—het zoû mij grieven."</p> + +<p>Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar +hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar +Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want +hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem +verraden!</p> + +<p>De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij +bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't +iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de +wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien +men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over +wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen +tot goed geluk voor hem was uitgekomen.</p> + +<p>Toen zond Carel, de Koning, éen zijner Kamerlingen om zijn geheimen +Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten +volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde, +die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk +van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat +hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen +Heer!"</p> + +<p>Toen zeide de Hertog van Bayvier<a name="FNanchor_3_4" id="FNanchor_3_4"></a><a href="#Footnote_3_4" class="fnanchor">[3]</a>: "Laat hen komen—hier zullen zij +ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te +schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en +strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys<a name="FNanchor_4_5" id="FNanchor_4_5"></a><a href="#Footnote_4_5" class="fnanchor">[4]</a>, met u herwaarts kwamen: +zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf, +Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal +hem kwalijk vergaan:—tot op zijn sporen zal hem het bloed neêrvloeyen: +en Eggheric het eerst!"</p> + +<p>Deze raad dacht hem goed—en allen, die het met hem eens waren, wapenden +zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij +duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de +Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden.</p> + +<p>Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast.</p> + +<p>Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog, +zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen +zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf +blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde +ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gáder +had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met +den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal +wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo +als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan +van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning, +zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem +véél: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden +en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend, +schande—gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij, +noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen, +dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had—ik zoû 't hem +doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu +vooruittrede, die daar lust in heeft!"</p> + +<p>Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om +Elegast—boden op boden—waar hij zich onthield in het woud; en zeide +hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven +was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken." +De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort, +tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun +opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij +de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij +Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel +leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo +waar hij een Christen was, dat, indien God hem ééne bede kon inwilligen, +hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn +rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij +wech.</p> + +<p>Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij +sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten—den Koning en wie ik +hier vinde!—maar Eggheric—hém groet ik niet! God, die zich om +onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de +zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden +moet hangen—Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen—zoo heeft +Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is; +want—mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit +noodweer gedwongen was."</p> + +<p>Toen Elegast dit gezegd had, zoû Eggheric het gaarne gewroken hebben: +maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet +hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in +mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht +achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag +van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van +wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de +toedracht der zaak."</p> + +<p>—"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er +vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't +hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het +durfde wraken—dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij +richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en +had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter +handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den +Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen—ik +doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vóór zonne-ondergang, of ik +zal mijn leven verliezen."</p> + +<p>Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't +zoû ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zoû wagen tegen een +verbannen dief. Beter zoû hij met boerenlummels kampen dan met mij." +Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al +was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij +vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb +den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar +gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook, +die de schuld aan u wil tijgen."</p> + +<p>Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zoû +ik naar recht met hem leven, ik deed hem door éen mijner knechten +wechsleepen en hangen bij de keel."</p> + +<p>Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven +dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan +gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken +dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard.</p> + +<p>Weinig tijds na de noen<a name="FNanchor_5_6" id="FNanchor_5_6"></a><a href="#Footnote_5_6" class="fnanchor">[5]</a> deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat +zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp +zoû plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God, +dat hij den kamp beslissen zoû naar recht en rede. (En God verhoorde +zijn gebed.)</p> + +<p>De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af +en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe +schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was."</p> + +<p>Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e, +kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat +hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter +nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden +vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb. +Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt! +ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf +wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in +uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn +zonden niet zijn, die mij verslaan zullen—dan, voorwaar, meen ik wel +behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik, +dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik +u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en +wildernissen—mag ik het leven hier afbrengen!"</p> + +<p>Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne +rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende +zijn paard, dat vóór hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het +ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.'</p> + +<p>Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten +strijd!)</p> + +<p>Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand. +Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de +kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte +geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de +sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hém, dat +hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij neêrviel op +het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het +zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden, +U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond—zoo +mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot—'t ware +jammer, zoo ik het neervelde: menig zoû 't beklagen! Kunt gij er dan al +zélf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard."</p> + +<p>—"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zoû dezen strijd +kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen—al +kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders +vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij +prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zoû maken om u te verslaan."</p> + +<p>Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand +spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had +gesproken, en steeg in den zadel.</p> + +<p>Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield. +Nooit zag iemant ergens op èenen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren +hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit +vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want +zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij +bleef toch even goed een Hertog.</p> + +<p>Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier +almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde +brengen, naar recht, en naar rede!"</p> + +<p>Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle +gewicht aan bewerkt rood goud zoû waard zijn geweest: de Koning had 'et +hem geschonken.</p> + +<p>Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de +bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat +hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit +den zadel deed storten.</p> + +<p>Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel +zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs +zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u +zoeken."</p> + +<p>Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken.</p> + +<p>Men sleepte Eggheric voort en hing hem—en alle verraders tevens: daar +hielp noch losgeld, noch bede.</p> + +<p>Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem +Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen.</p> + +<p>Zoo moge God al onze zaken vóór onze dood ten goede brengen!</p> + + +<div class="figcenter" style="width: 420px;"> +<img src="images/thijm004.jpg" width="420" alt="" title="" /> +</div> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_2" id="Footnote_1_2"></a><a href="#FNanchor_1_2"><span class="label">[1]</span></a> De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ..., +Gallicië en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor +ingeschoven.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_3" id="Footnote_2_3"></a><a href="#FNanchor_2_3"><span class="label">[2]</span></a> <a name="La_bate_de_devant" id="La_bate_de_devant"></a>La bâte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses +verticaux. Viollet-le-Duc, <i>Dict. du Mob</i>., II, 372.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_4" id="Footnote_3_4"></a><a href="#FNanchor_3_4"><span class="label">[3]</span></a> Beieren.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_5" id="Footnote_4_5"></a><a href="#FNanchor_4_5"><span class="label">[4]</span></a> Valois.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_6" id="Footnote_5_6"></a><a href="#FNanchor_5_6"><span class="label">[5]</span></a> Het 9e uur na zonsopgang.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="DE_VIER_HEEMSKINDEREN" id="DE_VIER_HEEMSKINDEREN"></a>DE VIER HEEMSKINDEREN.</h3> + +<h5>AAN HENDRIK CONSCIENCE. (1851.)</h5> + + +<div class="figcenter" style="width: 410px;"> +<img src="images/thijm005.jpg" width="410" alt="" title="" /> +</div> + +<h4>HIER BEGINT DE HISTORIE VAN DE VROME VIER HAYMIJNSKINDEREN.</h4> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_EERSTE_CAPITTEL" id="HET_EERSTE_CAPITTEL"></a>HET EERSTE CAPITTEL.</h3> + + +<p>In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren, +hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte +hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en +vrolijkheid.</p> + +<p>Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle +jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van +Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de +waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar +ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was +Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter +gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo +dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie +te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het +Keizerrijk—Geestelijk en Waereldlijk.</p> + +<p>Daar waren: onze aardsche Vader—de Paus van Rome, de Patriarch van +Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge +Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000 +Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom<a name="FNanchor_1_7" id="FNanchor_1_7"></a><a href="#Footnote_1_7" class="fnanchor">[1]</a> ter wapen in +oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen, +alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed +waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal: +want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en +geneuchlijkste van den jare.</p> + +<p>En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan +men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde +strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee +Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller +aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig +Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet +ontbreken en zoude van spijze en drank.</p> + +<p>Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in +zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en +in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en +Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters +zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer +wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en +ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne +Keizerinne, in groote luister en glorie.</p> + +<p>En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en +groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen +die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete +woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale +zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de +tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in +Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en +hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille +geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer +Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven +hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer +Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze +begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden."</p> + +<p>Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer +Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor +hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geëischt, en ik +hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij +doen daartoe dat zij mogen!"</p> + +<p>En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd +zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende: +"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen +tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben—men zal groote schande van u +spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt, +zal daarin óndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel." +Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen, +of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit, +en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels +tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar +wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen +vernomen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_7" id="Footnote_1_7"></a><a href="#FNanchor_1_7"><span class="label">[1]</span></a> <i>vroom</i>—moedig.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TWEEDE_KAPITTEL" id="HET_TWEEDE_KAPITTEL"></a>HET TWEEDE KAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn +ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den +Rijksban deed. </p></blockquote> + + +<p>Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de +blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen +en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen +verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat +de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd +en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken: +"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal, +zoo lang als de waereld staat—al zouden wij alle dood blijven!"</p> + +<p>Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders, +uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen +en vrienden; hij had spoedig zijn batalië in orde gesteld en had +ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend +en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen<a name="FNanchor_1_8" id="FNanchor_1_8"></a><a href="#Footnote_1_8" class="fnanchor">[1]</a> Koning Carel veel te +hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van +volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning +Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemanniërs en +Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit +verscheidene oorden—meer dan ik schrijven kan.</p> + +<p>Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn +en zijne vrienden<a name="FNanchor_2_9" id="FNanchor_2_9"></a><a href="#Footnote_2_9" class="fnanchor">[2]</a> te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en +te niet te maken.</p> + +<p>En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000 +mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders, +edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit, +met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot +'Nerboen! Nerboen!'</p> + +<p>Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in +orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit, +zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van +den paerde ter aarde gedragen wierd.</p> + +<p>Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome +mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en +vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal." +Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op +het spel en in gevaar stellen."</p> + +<p>Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun +zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den +appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk<a name="FNanchor_3_10" id="FNanchor_3_10"></a><a href="#Footnote_3_10" class="fnanchor">[3]</a>, +tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en +velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden +groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man +bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag +daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de +strijd was hevig en fel.</p> + +<p>Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed, +alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere +nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel +verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste +schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage, +duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige +mannen.</p> + +<p>Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood +had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van +Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom +geveld en verbrand—om de dood van Heer Huygen.</p> + +<p>Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne +kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden—maar ik duld ze hier niet +langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun +vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep +Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame—zoo Koningen, +Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner +waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling +over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden +met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land +moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben.</p> + +<p>Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen +mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij +bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings +macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten +hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk +verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven +waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen.</p> + +<p>Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts +ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure +besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk +nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren +en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden—Monniken, +Priesters, Klerken, Nonnen—ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tót +onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder, +Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van +Nigromantie<a name="FNanchor_4_11" id="FNanchor_4_11"></a><a href="#Footnote_4_11" class="fnanchor">[4]</a>, daar hij groote schade meê dede. En het goud, dat zij +roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze +oorlog duurde zestien jaar.<a name="FNanchor_5_12" id="FNanchor_5_12"></a><a href="#Footnote_5_12" class="fnanchor">[5]</a></p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_8" id="Footnote_1_8"></a><a href="#FNanchor_1_8"><span class="label">[1]</span></a> <i>Lauiven</i>—Loan, in Picardië.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_9" id="Footnote_2_9"></a><a href="#FNanchor_2_9"><span class="label">[2]</span></a> <i>vrienden</i>—zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_10" id="Footnote_3_10"></a><a href="#FNanchor_3_10"><span class="label">[3]</span></a> <i>vromelijk</i>—dapper.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_11" id="Footnote_4_11"></a><a href="#FNanchor_4_11"><span class="label">[4]</span></a> <i>Nigromantie</i>—zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit +<i>Νεκρωμαντεια</i></p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_12" id="Footnote_5_12"></a><a href="#FNanchor_5_12"><span class="label">[5]</span></a> <i>Genoten</i>—het kollegie der XII <i>Pairs</i>, die met Karei te +recht zaten; zijn staf in den oorlog.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_DERDE_CAPITTEL" id="HET_DERDE_CAPITTEL"></a>HET DERDE CAPITTEL</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van +Ardennen, om peis met hem te maken. </p></blockquote> + + +<p>De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van +Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde, +moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen +over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met +Haymijn en zijn volk.</p> + +<p>Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij +Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem +eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de +oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden +u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan +beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten +van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij +hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe +in wat hun goed docht.</p> + +<p>Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij +schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn +magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan +had.</p> + +<p>Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot +Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode, +opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis +mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien, +en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den +Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen +aanname over mijn neve!"</p> + +<p>Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den +Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot +Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn +neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en +al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij +hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij, +noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'</p> + +<p>Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had +gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden; +hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn +vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van +Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning +Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat +zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen +dochte.</p> + +<p>Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene +hij hun aangezegd en geschreven had—zij waren des goedwillig den zoen +aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door +Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem +zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat, +alzoo hij hem bij brieven gemeld had—dat hij te vrede waar den peis aan +te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere +woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert +kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem +eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en +zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis +en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve, +gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'</p> + +<p>En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge +Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de +meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden +den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het +andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.</p> + +<p>Daar werd ontboden voor den Koning—Adelbert en Madelgijs: en toen zij +voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden +en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om +aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen +oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief +bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn +zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn +weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen +zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.</p> + +<p>Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze +blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij +cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.</p> + +<p>En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis +kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman, +met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende +vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met +300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor +Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij +mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde +onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft; +ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als +Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap +vereenigd.</p> + + + + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIERDE_CAPITTEL" id="HET_VIERDE_CAPITTEL"></a>HET VIERDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij +haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat +hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde. </p></blockquote> + + +<p>Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid +ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere +zijde ging Roelant<a name="FNanchor_1_13" id="FNanchor_1_13"></a><a href="#Footnote_1_13" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + +<p>Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede +Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf +hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning +ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte +over zijn neve, hij zoû hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te +betalen.'</p> + +<p>Intusschen kende Koning Carel—Haymijn en zijnen magen toe wat zij +zouden winnen op de Heidenen<a name="FNanchor_2_14" id="FNanchor_2_14"></a><a href="#Footnote_2_14" class="fnanchor">[2]</a>, dat ze 't vrij houden mochten, zonder +van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn +vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den +zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk +'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname +aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en +dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met +hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar +Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot +Parijs.</p> + +<p>En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont, +toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden +en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en +wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener +waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels +zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken +waar ik mag aan lijf en goed!"</p> + +<p>Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer +leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En +Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.</p> + +<p>Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar +werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en +geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat—maar Vrouwe Aye niet; zij was +zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.</p> + +<p>Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne +waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter +rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne, +en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij +dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle +Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was +zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en +ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.</p> + +<p>Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij +ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het +geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij +het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.</p> + +<p>Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een +klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van +kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.</p> + +<p>Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van +een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de +gevaders waren Bisschop Tulpijn<a name="FNanchor_3_15" id="FNanchor_3_15"></a><a href="#Footnote_3_15" class="fnanchor">[3]</a> en Grave Willem<a name="FNanchor_4_16" id="FNanchor_4_16"></a><a href="#Footnote_4_16" class="fnanchor">[4]</a>; en het kind werd +heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk +gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't +toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne +wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't +vernam.</p> + +<p>Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij +was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den +zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar +kerkgang gedaan.</p> + +<p>En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't +verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat +kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.</p> + +<p>Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en +Adelaert werd hij genaamd.</p> + +<p>Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar +bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen +dat Haymijn dood was.</p> + +<p>Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend +paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw +hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte, +en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem +wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook, +blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de +zale.</p> + +<p>En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had +Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier +was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den +sperwer.</p> + +<p>Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en +Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij +vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.</p> + +<p>Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands +verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning +Carel.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_13" id="Footnote_1_13"></a><a href="#FNanchor_1_13"><span class="label">[1]</span></a> <i>Roeland</i>:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_14" id="Footnote_2_14"></a><a href="#FNanchor_2_14"><span class="label">[2]</span></a> <i>Heidenen</i>: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_15" id="Footnote_3_15"></a><a href="#FNanchor_3_15"><span class="label">[3]</span></a> <i>Bisschop Tulpijn</i>: mede een van Carels Pairs of Genoten, +die den Rijksraad uitmaakten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_16" id="Footnote_4_16"></a><a href="#FNanchor_4_16"><span class="label">[4]</span></a> <i>Willem</i>: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van +Gellone.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIJFDE_CAPITTEL" id="HET_VIJFDE_CAPITTEL"></a>HET VIJFDE CAPITTEL</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen +Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet +wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede +ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en +hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat +hij vier Kinderen hadde—'t welk hem zeer +verwonderde—en hoe hij hem bereidde ze Ridder te +slaan. </p></blockquote> + + +<p>Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof +hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke +en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen, +Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem +in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen +gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u +is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde—alzoo dat ik voortaan de +wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in +ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom +wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone +Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet +als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."</p> + +<p>Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning, +het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is +Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd—'t en kan nochtans +niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."</p> + +<p>Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik +hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk, +van heel Christenrijk!"</p> + +<p>Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier +ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van +den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn +goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes +weken: 't was daarom, dat hij menige—overmoedige krijgstocht tegen uw +volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde +en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud +daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de +voeten mede."</p> + +<p>En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel: +"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne +en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren +geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij +de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet +voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen +is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden, +magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze +doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om +Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden +wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."</p> + +<p>Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet, +is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt +terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem +zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot +borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en +verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."</p> + +<p>Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht +die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden +zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"</p> + +<p>Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant, +Willem van Orangiën<a name="FNanchor_1_17" id="FNanchor_1_17"></a><a href="#Footnote_1_17" class="fnanchor">[1]</a>, Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning +stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?' +'t Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met +kostelijke tuigen van goud en zijde.</p> + +<p>Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne +paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te +paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de +hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte, +zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land, +en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden: +daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.</p> + +<p>En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn +kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de +uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen +verraad en oploop.</p> + +<p>Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield +den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders +komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn +Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem +van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder; +de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die +mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit +oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.—Zij moeten +iets gewichtigs te boodschappen hebben."</p> + +<p>Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe," +zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer +Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe +de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor +den overmoedigsten man der waereld."</p> + +<p>Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op +zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en +kostelijken blioud<a name="FNanchor_2_18" id="FNanchor_2_18"></a><a href="#Footnote_2_18" class="fnanchor">[2]</a> van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij +hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de +knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij +hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke +Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.</p> + +<p>De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het +binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders, +Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo +stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de +vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet +verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete +woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u +noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent +niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge; +hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig +nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van +Christenrijk."</p> + +<p>Haymijn hoorde wel het gesprokene—maar andwoordde niet. Als hij zijne +vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn +verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner +eere, mogen nêerslaan—ze zouden hem niet ontkomen zijn.</p> + +<p>Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij +u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te +kroonen.—Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne +veroordeeling, toch andwoord geven!"</p> + +<p>Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan. +Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam +eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide: +"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw +schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"</p> + +<p>Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en +heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.</p> + +<p>Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer, +wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van +Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt—is dorperheid...." En eer zij +het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de +hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en +zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen +spreken—schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was +uitgebroken.</p> + +<p>En hierbij stonden de vier ridders—Grave Roelant en Bertram de +krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en +zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend +binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo +gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en +haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche +Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een +vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde +hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen +antwoord!"</p> + +<p>En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te +zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de +ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de +ongelukkigste vrouw ter waereld."—"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.</p> + +<p>"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig +jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een +kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn +land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen +doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen +zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij +mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van +hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van +hen gegrepen—God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden. +Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;... +liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû."</p> + +<p>Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij +kinderen hadt, luttel of vele—zoudt gij ze dooden?"—"Voorwaar," zegt +hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en +behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen—zijn lieven kroost, dat +hij voor al de waereld bemint!"—"Zoo waren het dan verloren eeden, die +gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden +zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"—"Woorden, hetzij door +dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen +waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik—God +betere 't!"</p> + +<p>—"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw +kinderen vreedzaam bejegenen zult—wilde 't geval, dat gij er vondt."</p> + +<p>Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen; +maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen—want ik weet +niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."</p> + +<p>Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met +mij—gij zult ze zien!"</p> + +<p>Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging +met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij +name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de +zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen—daar hem zeer naar +verlangde.'</p> + +<p>Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen +waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.</p> + +<p>Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier +niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer +stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en +Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat +gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels +geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij +noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier +den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van +opstonden!"</p> + +<p>Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die +tale staakt."—"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout +trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen +heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar +wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet +zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij +Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker—hij is zoo wreed en +hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend +volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."</p> + +<p>Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met +toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden—Haymijn—die ellendige? des +zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet +een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden—en +dien Haymijn het eerst!"</p> + +<p>Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en +zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik +zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"</p> + +<p>—"En van de anderen twijfelt gij?"</p> + +<p>Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van +herten."</p> + +<p>Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht, +dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer. +Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem +over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet +gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier +eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."</p> + +<p>Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde +hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met +een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel +jonkman, en wil mij niet slaan—ik ben dijn Vader; van dezen avond zal +ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?——zoo +ware mij leed, dat ik had geslagen."</p> + +<p>Het eerste kuste Haymijn—Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en +Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard +aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.</p> + +<p>"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u +euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."</p> + +<p>Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere +waerd zijt Ridder te worden."—"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij +behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en +sterk—zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten +Hove."</p> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_17" id="Footnote_1_17"></a><a href="#FNanchor_1_17"><span class="label">[1]</span></a> <i>Willem van Orangiën</i>: deze Paladijn, uit het Huis van +Narbonne, en Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, +dienden dus toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar +hield het geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_18" id="Footnote_2_18"></a><a href="#FNanchor_2_18"><span class="label">[2]</span></a> <i>blioud</i>: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie +Viollet le Duc, op het woord <i>Bliaut</i> (Dict. du mob., III, I, 38—60).</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZESDE_CAPITTEL" id="HET_ZESDE_CAPITTEL"></a>HET ZESDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en +hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat +berijden, dat vele Heeren aanzagen. </p></blockquote> + + +<p>Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij +spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem +komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer +kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem +'t zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet +op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken, +dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele +ongerechte daden bedreven—dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een +vroom Ridder, heusch<a name="FNanchor_1_19" id="FNanchor_1_19"></a><a href="#Footnote_1_19" class="fnanchor">[1]</a> in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch +land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen +en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft. +Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb +t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij +daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij +op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."</p> + +<p>Toen liet Haymijn—Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand, +zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde +hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien +men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden +ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om +Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch +kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij +moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."</p> + +<p>Daarna maakte Haymijn—Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den +anderen Kinderen gezeid had.</p> + +<p>Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede +was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn +in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide +Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een +Espetijn<a name="FNanchor_2_20" id="FNanchor_2_20"></a><a href="#Footnote_2_20" class="fnanchor">[2]</a>: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt +hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en +Valencijn<a name="FNanchor_3_21" id="FNanchor_3_21"></a><a href="#Footnote_3_21" class="fnanchor">[3]</a>, maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te +vechten."</p> + +<p>Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor +het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden +ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout +dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg +'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij +zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en +tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van +Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u +voorbracht."</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm006.jpg" width="400" alt="De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is +dood, ziet daar ligt hij." title="" /> +<p class="illus">De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is +dood, ziet daar ligt hij.</p> +</div> + +<p>Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat +Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude +dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen +bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij +sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde, +dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout +op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.</p> + +<p>Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone, +bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht +van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft +er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een +dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met +nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert +zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen +kunnen korten, in de vlucht."</p> + +<p>Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende: +"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"</p> + +<p>Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u, +want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft +een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."</p> + +<p>—"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware +groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak: +"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als +Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met +zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand +eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.</p> + +<p>Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout +vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en +Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te +zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men +den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het +Ros, en ik zal het u geven."</p> + +<p>Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de +staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg +Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter +aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.</p> + +<p>Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende: +"Och, mijn kind is dood!"</p> + +<p>Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter +dan dy."</p> + +<p>De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar +ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en +ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."</p> + +<p>Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft +zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch +Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij +zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de +kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op +de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den +toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd +omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus +wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende, +dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee +scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen +van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.</p> + +<p>Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen +en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En +Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde +grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout +een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was +sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had. +Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet. +Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.</p> + +<p>Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn +goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen +en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan +spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en +breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden +schutbladen<a name="FNanchor_4_22" id="FNanchor_4_22"></a><a href="#Footnote_4_22" class="fnanchor">[4]</a>, die zeer kostelijk waren.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_19" id="Footnote_1_19"></a><a href="#FNanchor_1_19"><span class="label">[1]</span></a> <i>heusch-, hoofsch-, hoveschheid</i> is het tegenovergestelde +van <i>dorperheid,</i> en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in +de form.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_20" id="Footnote_2_20"></a><a href="#FNanchor_2_20"><span class="label">[2]</span></a> <i>Espetijn (erspentijn, serpent?)</i>: draak.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_21" id="Footnote_3_21"></a><a href="#FNanchor_3_21"><span class="label">[3]</span></a> <i>Montagu</i> en <i>Valencijn (Valenciennes)</i>. In sommige +bronnen: heet dit laatste <i>Valkensteyn.</i></p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_22" id="Footnote_4_22"></a><a href="#FNanchor_4_22"><span class="label">[4]</span></a> <i>Schutbladen</i>: zie de <a href="#La_bate_de_devant">noot 2</a> bij Carel en Elegast.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZEVENDE_CAPITTEL" id="HET_ZEVENDE_CAPITTEL"></a>HET ZEVENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove +kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe +Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van +Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart<a name="FNanchor_1_23" id="FNanchor_1_23"></a><a href="#Footnote_1_23" class="fnanchor">[1]</a> en Kok, dat men +Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle +zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf +hij niet. </p></blockquote> + + +<p>De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen, +en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al +wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn +Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren +voorzien van eene volledige uitrusting.</p> + +<p>Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden +ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar +kwamen zij te Parijs<a name="FNanchor_2_24" id="FNanchor_2_24"></a><a href="#Footnote_2_24" class="fnanchor">[2]</a>.</p> + +<p>Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur +sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij +hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus +genaakten zij ten Hove.</p> + +<p>Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk +gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning +Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn +alzoo gedaan heeft.</p> + +<p>Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te +trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en +hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u +haat en die u doodvijand is?"—"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik +wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij +moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."</p> + +<p>Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat +ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij +andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den +Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en +zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.</p> + +<p>Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning +blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des +dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch +Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste +in dertig jaren, dat de Koning—Haymijn ongewapend had gezien. Roelant +bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad +Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met +Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'</p> + +<p>En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder +Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste +jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het +verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast +hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner +van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.</p> + +<p>Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men +ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze +gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of +niet."</p> + +<p>Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete +u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij +malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij +dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."—"Voorwaar!" zeide Reinout: +"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen +met mijn lijf—maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur +genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander +Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was +hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon +landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde +hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en +ik élk begiftigen zal—zoo zal ik u niet geven!"</p> + +<p>Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik +heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"</p> + +<p>Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel +zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot +uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met +kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en +Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk +onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.</p> + +<p>Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men +Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig +Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd +de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner +waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar +de honden meest liggen—zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een +ieder werd gediend van spijs en drank—maar Haymijns kinderen gaf men +niet.</p> + +<p>Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en +zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep +met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den +voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit +ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels +name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat +hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen, +en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den +Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout +liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier +is genoeg van alles."</p> + +<p>Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij +vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.' +Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder; +daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets +gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar +sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn +rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet +verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok +niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij—het +blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den +Koning, zwegen zij en gingen heen.</p> + +<p>Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de +Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal +hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het +stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over +de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt +misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap—ik zegge u +voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout +zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder +misdoen; sloegt gij mij—uw doodsuur lag daaraan."</p> + +<p>Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij +nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout +schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg +den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode +lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.</p> + +<p>Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij, +die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik +beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het +zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl +het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning +weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was +niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.</p> + +<p>Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en +allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.</p> + +<p>Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk +voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een +bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.</p> + +<p>Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier +nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten +alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van +ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde +waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij +vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den +vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan +toe—zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn +broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.</p> + +<p>Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen +bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun +gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit +hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt +over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit +hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.</p> + +<p>Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk +aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren, +gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met +menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.</p> + +<p>De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en +twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden +zich bij hen.</p> + +<p>Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat +op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een +richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij +Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek +gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer +over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder +tijd!"</p> + +<p>De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop, +insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen +regen hem zijne mouwen vast.</p> + +<p>Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of +zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen, +opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen +heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert—Drossaart, +Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.</p> + +<p>Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de +kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven<a name="FNanchor_3_25" id="FNanchor_3_25"></a><a href="#Footnote_3_25" class="fnanchor">[3]</a>, opdat +hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet +langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk +ter kerke.</p> + +<p>Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk +boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.</p> + +<p>Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk +getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar +hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.</p> + +<p>Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte +Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men +mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.</p> + +<p>Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en +vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd +geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de +Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.</p> + +<p>Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een +bezant<a name="FNanchor_4_26" id="FNanchor_4_26"></a><a href="#Footnote_4_26" class="fnanchor">[4]</a> van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten; +toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en +offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.</p> + +<p>Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij +geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en +hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den +autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met +vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En +ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.</p> + +<p>Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn +lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong, +bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot +en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.</p> + +<p>Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd +had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte +beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner +onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief +zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten, +zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot +zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij +t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû +spreken.</p> + +<p>Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene +zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem, +en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna +groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met +zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en +hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.</p> + +<p>Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove +gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten +Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte. +Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in +de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee +Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met +zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle +ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men +dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove +vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk +er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren +speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best +mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant +de tijd verdroot.</p> + +<p>Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en +Vorsten.</p> + +<p>Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of +leenen ontvangen wilden, hem volgden—hij zoude elk na zijnen staat +mildelijk beschenken."</p> + +<p>Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een +bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en +gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na +dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant +of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren; +luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.</p> + +<p>Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove, +zonder zij alleen—en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen +zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave +Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en +ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde +lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij +hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft +gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften; +en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij +niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan +de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders +hem iets misdaan hebben."</p> + +<p>Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met +hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of +geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo +eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne +Kinderen en bracht ze voor den Koning.</p> + +<p>En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en +groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden: +"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste +van uw broederen—het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik +zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij +van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in +Poelgiën<a name="FNanchor_5_27" id="FNanchor_5_27"></a><a href="#Footnote_5_27" class="fnanchor">[5]</a>; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert, +derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is +schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide +hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van +Artezië, Angrico<a name="FNanchor_6_28" id="FNanchor_6_28"></a><a href="#Footnote_6_28" class="fnanchor">[6]</a> en Blois."</p> + +<p>Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen +Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en +kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.</p> + +<p>Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en +gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns +kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.</p> + +<p>Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn +tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw +giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw +Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet +toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun +binnen kort weder nemen!"</p> + +<p>Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn +Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een +steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu +ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."</p> + +<p>Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog +eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer +verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel—'t zal zich-zelf +openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig +jaar—wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als +gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en +sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik +'t niet om mijn eigen eer—ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer +vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den +steen!"</p> + +<p>Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den +steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig +Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel +Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk +ontwierp hem een voet<a name="FNanchor_7_29" id="FNanchor_7_29"></a><a href="#Footnote_7_29" class="fnanchor">[7]</a>; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den +prijs.</p> + +<p>Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo +zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge +grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij +zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed—hij zoû u trekken bij +den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu +Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u +beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het +land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning +Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt +slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót +u."—"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone +Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst +met mij werpen."</p> + +<p>Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten +hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne +kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen +Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen +liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide: +"Vader! wat is u misdaan?—ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed +verliezen."</p> + +<p>Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik +stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te +spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht, +schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male. +Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er +nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den +steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren +moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij +mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet +wreekt, en den steen om het verste werpt met hem—-ik zal het besterven. +Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar +blijven."</p> + +<p>—"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is +onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige +daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner +jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."</p> + +<p>"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke +droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den +steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."</p> + +<p>Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns +vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem +in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"</p> + +<p>Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk +was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende +Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.</p> + +<p>En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag. +Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan +Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van +Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn +worp overdoen—en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan +hij!</p> + +<p>Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk +wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het +hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond +gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen +had.</p> + +<p>Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.</p> + +<p>Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.</p> + +<p>En Lodewijk nam den steen nog éen maal—en konde hem zoo ver niet werpen +als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en +monde uitsprong.</p> + +<p>Haymijn zag naar Reinout—dat hij zijn krachten aan den steen zoude +toonen.</p> + +<p>Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen +langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den +steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.</p> + +<p>En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den +steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen +menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep: +"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"</p> + +<p>En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven +Reinout den prijs.</p> + +<p>En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen, +die ge zijt! dwazen, die een huurling—die om geld gehuurd is (deze hier +geve hem al uit voor zijn zoon!)—dus lofprijst! Een grove dorper zij +soms zoo sterk als een Edeling—des is hij nog geen prijzens waerd."</p> + +<p>Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot +Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."—Toen lachte Reinout en +zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"—"Zegt mij, zone!" sprak +Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten +volle getoond—ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér +ontworpen."</p> + +<p>En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde +zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.</p> + +<p>Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat +waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning +groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen? +Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat +u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u. +Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal—gaat dan in den +boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen +en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne +Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en +moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en +kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan +hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot +Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij +u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het +niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan +gij. En wil hij dan daartegen opkomen—zoo zult gij zeggen, dat drie van +ons het gehoord hebben; en is 't van noode—wij zullen er nog wel meer +toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene +over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr, +zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal +zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen +hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen<a name="FNanchor_8_30" id="FNanchor_8_30"></a><a href="#Footnote_8_30" class="fnanchor">[8]</a>. En +aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en +dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal +durven doen."</p> + +<p>Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad, +en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die +'t schaakbord beter verstaat dan ik."</p> + +<p>Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een +venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de +Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde +drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn, +en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk, +zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij +van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de +oogen neder en sprak niet.</p> + +<p>Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist +niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan, +dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den +Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den +muur sprong.</p> + +<p>Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen +zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben +vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar +mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en +Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den +steen—maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester +van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het +wonder, dat ik toornig ben?"</p> + +<p>Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik +God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken: +en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't +mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"</p> + +<p>—"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk—"maar ik eisch, +dat ge mij volgt in een kamer—daar zullen wij een ander spel beginnen." +Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in +de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen +zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te +kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede +oorkondden, en zeiden dat het waar was.</p> + +<p>Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet +ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men +bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.</p> + +<p>Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst +zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen +hoofd."</p> + +<p>Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo +kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd +zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten—dat +doe ik gaerne!"</p> + +<p>Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik +zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om +uw hoofd en 'et mijne!"</p> + +<p>Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods +Name—moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe +ik mijn wil, want ware Lodewijk dood—ik droege nog eenmaal de kroon te +Parijs." Lodewijk had den eersten zet—om dat hij des daags Koning +gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder<a name="FNanchor_9_31" id="FNanchor_9_31"></a><a href="#Footnote_9_31" class="fnanchor">[9]</a>; +zij namen elkander een Oude<a name="FNanchor_10_32" id="FNanchor_10_32"></a><a href="#Footnote_10_32" class="fnanchor">[10]</a>. Adelaert zei: "God ontferme zich +mijner! mijn ongeluk is groot."</p> + +<p>De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen +toon: "Had uw broeder den prijs van den steen—hier blijf ik uw meerder: +in waarheid, ik voorzet 'et u—ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen +afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning, +zoo gij mijn hoofd wonnet—en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De +Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor, +ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"</p> + +<p>Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw +bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder +schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et +hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots<a name="FNanchor_11_33" id="FNanchor_11_33"></a><a href="#Footnote_11_33" class="fnanchor">[11]</a>," zeide +Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat +hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden +het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"</p> + +<p>Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met +de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En +Adelaert won vijf spelen achter-een.</p> + +<p>Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op, +zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb +gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer +speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem +verdroot uw leven."</p> + +<p>De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in +'t aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper, +zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne +verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield +ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.</p> + +<p>Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij +Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie +heeft u geslagen?"</p> + +<p>Adelaert andwoordde: "Niemant!"—"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult +'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag." +—"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede +gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."</p> + +<p>Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd. +Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst +en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal, +om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg +'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit +hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo +gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp +mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het +zwaard op.</p> + +<p>Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel +broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven—maar niet van uwe +hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk +beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't +zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar +kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning +drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan; +als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't +schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen +weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande +houden—ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij +der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en +Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren +zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over +zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een +schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding +spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf +spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op +Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet +meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't +hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het +schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."</p> + +<p>Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke +dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_23" id="Footnote_1_23"></a><a href="#FNanchor_1_23"><span class="label">[1]</span></a> <i>Drossaart</i>:(hier) huismeyer, spijsverzorger, +scbotelschikker.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_24" id="Footnote_2_24"></a><a href="#FNanchor_2_24"><span class="label">[2]</span></a> Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt +gewoonlijk voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, +dat Dr. J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_25" id="Footnote_3_25"></a><a href="#FNanchor_3_25"><span class="label">[3]</span></a> <i>Markgrave</i> beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker +is; hier zoû het zijn—bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het +volk.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_26" id="Footnote_4_26"></a><a href="#FNanchor_4_26"><span class="label">[4]</span></a> <i>bezant: een</i> muntstuk.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_27" id="Footnote_5_27"></a><a href="#FNanchor_5_27"><span class="label">[5]</span></a> <i>Poelgiën</i>, Apulië.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_28" id="Footnote_6_28"></a><a href="#FNanchor_6_28"><span class="label">[6]</span></a> <i>Angrico</i>, Angers.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_29" id="Footnote_7_29"></a><a href="#FNanchor_7_29"><span class="label">[7]</span></a> <i>ontwierp hem een voet</i>: wierp een voet verder dan hij.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_8_30" id="Footnote_8_30"></a><a href="#FNanchor_8_30"><span class="label">[8]</span></a> <i>te verdingen</i>: af te kopen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_9_31" id="Footnote_9_31"></a><a href="#FNanchor_9_31"><span class="label">[9]</span></a> <i>Ridder</i>: paard.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_10_32" id="Footnote_10_32"></a><a href="#FNanchor_10_32"><span class="label">[10]</span></a> <i>Oude</i>: raadsheer.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11_33" id="Footnote_11_33"></a><a href="#FNanchor_11_33"><span class="label">[11]</span></a> <i>Rots</i>: kasteel.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ACHTSTE_CAPITTEL" id="HET_ACHTSTE_CAPITTEL"></a>HET ACHTSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout—Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed +in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen +werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe +Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze +Koning Carel gevangen zoû leveren. </p></blockquote> + + +<p>Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe +Adelaert met Lodewijk gevaren was—van 't begin tot het einde. Toen +Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende, +en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet +en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.</p> + +<p>Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en +als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil—ik zal 'et +hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich +Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen +een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij +verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.</p> + +<p>Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in +der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.</p> + +<p>Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij +Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten. +Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém +eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep +Reinout—Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd +bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning +Carels aangezicht sprong.</p> + +<p>En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne +oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en +riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen! +die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het +geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich +haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis +en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en +reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van +wapenen, op een schoone vlakte.</p> + +<p>Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"—"Geef mij +Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het +vlieden is ons geen schande—want Carel is onze Koning!"—"Dat en zal +niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te +vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij +overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant +vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"</p> + +<p>Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert—vertrouwen en +blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem +verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en +blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en +hun vijand klein achtten.</p> + +<p>Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast +den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak +den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den +paerde viel.</p> + +<p>Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den +zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde +Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en +menigen vijand onder den voet reed.</p> + +<p>Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in +het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag +niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat +hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op +hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen +moest.</p> + +<p>Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze +nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet +vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus +doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht +dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir +volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet +waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels +en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo +snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't +hem zeer leed.</p> + +<p>Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er +veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien +sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn! +geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het, +met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop +tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde: +"Indien men hem ving—ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de +Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan +was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel +zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen +verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen +had'.</p> + +<p>Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem +terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat +waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit +geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant: +"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy +hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo +groote vromigheid<a name="FNanchor_1_34" id="FNanchor_1_34"></a><a href="#Footnote_1_34" class="fnanchor">[1]</a> gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning +Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen; +'t koste dat 't mag."</p> + +<p>Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij +Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het +voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"—"Neen ik," zeide +Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat +men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle +om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden +verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb +hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat +ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u +misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad +zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en +moeder wijten?"</p> + +<p>—"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem +kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat +zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het +hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen +den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk +hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en +liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den +Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen +van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_34" id="Footnote_1_34"></a><a href="#FNanchor_1_34"><span class="label">[1]</span></a> <i>vromigheid: prouesse</i>.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_NEGENDE_CAPITTEL" id="HET_NEGENDE_CAPITTEL"></a>HET NEGENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in +Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning +Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte, +om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's +Konings Volk, die hun Koning wreken wilden. </p></blockquote> + + +<p>Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids +de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel +te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar +gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder +waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was, +"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."</p> + +<p>Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op +dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was, +en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat +hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des +Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels +zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer +bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen +blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want +zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij +spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.</p> + +<p>De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij +dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood +wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe, +de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze +doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier +met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van +noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren +werwaards zij hunnen weg zouden nemen.</p> + +<p>Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning +Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen +schreiden om hun wechreizen.</p> + +<p>Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij +den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning +verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag +komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem +waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te +blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen +ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel +dat men de valbrug nederliete.</p> + +<p>De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet. +Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en +hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn +broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."—"Wildy +gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat, +Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God +Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn +kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen +Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen +zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en +zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar +uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij +bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik +hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij +blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden +van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat, +dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't +kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.</p> + +<p>Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar, +en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden, +vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht +noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning, +dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en +dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf +men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en +zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem +het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig +aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en +wisten wij niet, waar ons te onthouden."—"Wat is ons aan dit verblijf +gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het +zoude onder onze handen koper worden."</p> + +<p>Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem, +dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet—het zal +hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen." +De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en +als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning, +mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven +hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide: +"Zeg uw Heeren—inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!—dat ik ze +noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve +vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal +doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte +de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de +Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem +met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem +daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en +liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.</p> + +<p>Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy +dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout +hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet, +Heer!"—"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze +have<a name="FNanchor_1_35" id="FNanchor_1_35"></a><a href="#Footnote_1_35" class="fnanchor">[1]</a> eischtet?"—"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet +meer een penning."—"Zeide hij dat?" riep Reinout.—"Ja hij, Heere! en +hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche +ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart +dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet +mij in 'et vuur."</p> + +<p>Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide: +"Ik beveel u en Writsaert—Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal +en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét +mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels +slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij +ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn +hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."</p> + +<p>—"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat +beters!"—"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere +daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en +Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.</p> + +<p>Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert +vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg. +"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints +wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel +hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een +spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer +het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze +nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die +slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders +niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem +stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet +kleeden—geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u +kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen +daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede, +dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog +berouwen!"</p> + +<p>De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik +zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave +u kleederen noch schat."</p> + +<p>Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om +dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen +hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!—Maakt u des wech—men geeft u niet +een mijte!"</p> + +<p>—"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die +woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe +trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en +zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....—</p> + +<p>"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons +inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en +gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het +binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof +groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat +geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar +Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn +gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en +'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote +felheid.</p> + +<p>Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout +te paerd gezeten—en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met +machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en +Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den +buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij +Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros +verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders +wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot, +zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat +zij veel volks versloegen.</p> + +<p>Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te +dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af +sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij +Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in +stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om +zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen—en +hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert +sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd +was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren +moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus +reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij +stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde +hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.</p> + +<p>"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn +bedwang—nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te +sneven."—"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan +niet zijn!"</p> + +<p>Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo +lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden +vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de +goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en +konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren +zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van +overbleef.</p> + +<p>"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak +Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed," +zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."</p> + +<p>—"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker +verblijf."—"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.—"Bij Ywein van +Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand, +daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste +van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan," +ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en +er een goed verblijf vinden."</p> + +<p>"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.</p> + +<p>"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.</p> + +<p>Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat +zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.</p> + +<p>In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert +zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat +Yweins slot."—"Welk is 'et?" zeide Reinout. —"Naast aan de rotsen; bij +dat woud: dat hooge kasteel—daarginds —met dien breeden ringmuur en +die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"</p> + +<p>—"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en +elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders; +legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij +elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij +namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.</p> + +<p>Zij spoedden zich onverpoosd voort.</p> + +<p>Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de +wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden +zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de +Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide +hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend +nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij +God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"</p> + +<p>Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar +de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden —om hen te zien +en het Ros met de schoone gestalte.</p> + +<p>Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de +Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem +te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd +voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem +neder.</p> + +<p>"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en +dag, en u uit ál ons vermogen helpen."</p> + +<p>Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten +mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."—"Dat loone u God!" +sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." —"Zoo 't u +gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."—"Al-te-gader," +zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn, +de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere +Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel +ridder. Nu kent gij onze namen."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_35" id="Footnote_1_35"></a><a href="#FNanchor_1_35"><span class="label">[1]</span></a> <i>have</i>: goed.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TIENDE_CAPITTEL" id="HET_TIENDE_CAPITTEL"></a>HET TIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan +met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe +Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich +versterkte tegen den grooten Koning Carel van +Frankrijk. </p></blockquote> + + +<p>Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen +maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde, +dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter +genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen +wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne +wonden genezen waren.</p> + +<p>Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun +knijven en zwaerden vervegen<a name="FNanchor_1_36" id="FNanchor_1_36"></a><a href="#Footnote_1_36" class="fnanchor">[1]</a>: hunne harnasplaten waren mede +vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe, +prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in +den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros +Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de +goede Ridders zaten moedig op.</p> + +<p>Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar +het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit +Ywein groote schade gedaan werd.</p> + +<p>Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij +binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.</p> + +<p>Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in +zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan +drie jaren.</p> + +<p>Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en +heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij +erfschap gekomen ware.</p> + +<p>De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner +steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem +dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met +goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.</p> + +<p>Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar +kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu +zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem +aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen +zone Lodewijk zoû uitleveren."</p> + +<p>Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning —en +spoedig bracht men hem voor Ywein.</p> + +<p>"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel, +de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."</p> + +<p>De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond<a name="FNanchor_2_37" id="FNanchor_2_37"></a><a href="#Footnote_2_37" class="fnanchor">[2]</a> hem en +las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij +hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk +hadden doodgeslagen.'</p> + +<p>Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en +riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden, +opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.</p> + +<p>"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak? +Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze +den Koning niet—zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad +geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik +toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen +land."</p> + +<p>Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk +voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in +zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn +oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't +ook niet—u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en +brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de +keel."</p> + +<p>Hugo van Averne<a name="FNanchor_3_38" id="FNanchor_3_38"></a><a href="#Footnote_3_38" class="fnanchor">[3]</a> sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer +Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u +verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen +dienst—zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij +verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw +vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert—uw huismeyer<a name="FNanchor_4_39" id="FNanchor_4_39"></a><a href="#Footnote_4_39" class="fnanchor">[4]</a>. +Verriedt gij ze—'t ware een wandaad."</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm007.jpg" width="400" alt="Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar +gewapend nader." title="" /> +<p class="illus">Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar +gewapend nader.</p> +</div> + +<p>Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop +sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout: +"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning! +En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn +van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge +kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren—daar is alom menig +Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën +kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije, +in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk—de hoogsten van het land +zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden. +Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen +gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk +trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."</p> + +<p>Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere +leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden +spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem +ten spijt—ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als +Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens +Carel."</p> + +<p>Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en +zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf<a name="FNanchor_5_40" id="FNanchor_5_40"></a><a href="#Footnote_5_40" class="fnanchor">[5]</a> aan uw eer +gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen +prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze +zoû doen folteren en dooden—dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar +volgt ge mijn raad, Heere—gij zult ze in Poelgiën of een ander land +laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."</p> + +<p>Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij +Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien +vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te +kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar +vallen."</p> + +<p>Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning—ik had +'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van +Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan! +nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer +bewaren—zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem +de rots aan de Gironde<a name="FNanchor_6_41" id="FNanchor_6_41"></a><a href="#Footnote_6_41" class="fnanchor">[6]</a>: hij zal er aanstonds een vaste burcht op +bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen +bij uw dochter te verwekken—dan is hij op het innigst aan u verbonden, +en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den +geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."</p> + +<p>—"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan, +dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."</p> + +<p>De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.</p> + +<p>"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.</p> + +<p>"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij +met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw +broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er +aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend +maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in +Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee<a name="FNanchor_7_42" id="FNanchor_7_42"></a><a href="#Footnote_7_42" class="fnanchor">[7]</a>—ik +zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen +voorzien.... Nu zegt mij—wilt ge handelen als de wijzen, en mijn +voorstel aanvaerden?"</p> + +<p>—"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons +een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld +niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde +staat een rots—wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang, +waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel +en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."</p> + +<p>Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er +mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."</p> + +<p>—"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw +op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in +dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal +met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig +opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn +broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw +zone—zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste +Jonkvrouwe van Christenrijk!"</p> + +<p>Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder +bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij +mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse +geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en +zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."</p> + +<p>Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en +ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein +geroepen.</p> + +<p>"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen +mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone +Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft +van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken, +opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij +u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"</p> + +<p>—"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone, +roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er +bij."</p> + +<p>Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.</p> + +<p>Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden +werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met +éen woord, een groote, goede bruiloft.</p> + +<p>Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche +land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met +zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als +goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen +aanstonds het huis te vesten.</p> + +<p>Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had. +Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen; +twee paar muren gingen er om rond.</p> + +<p>Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij +zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen, +vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500 +personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten +wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen +koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede +gesticht.</p> + +<p>En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te +komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij: +"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk +kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"</p> + +<p>—"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't +Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."</p> + +<p>—"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op +kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_36" id="Footnote_1_36"></a><a href="#FNanchor_1_36"><span class="label">[1]</span></a> <i>vervegen</i>: op zwaardvegerswijze herstellen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_37" id="Footnote_2_37"></a><a href="#FNanchor_2_37"><span class="label">[2]</span></a> <i>ontwond</i>: ontdeed van het zegelkoord.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_38" id="Footnote_3_38"></a><a href="#FNanchor_3_38"><span class="label">[3]</span></a> <i>Averne</i>: Auvergne.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_39" id="Footnote_4_39"></a><a href="#FNanchor_4_39"><span class="label">[4]</span></a> <i>huismeyer</i>: hofmeester.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_5_40" id="Footnote_5_40"></a><a href="#FNanchor_5_40"><span class="label">[5]</span></a> <i>geen kaf</i>: zooveel als niets.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_6_41" id="Footnote_6_41"></a><a href="#FNanchor_6_41"><span class="label">[6]</span></a> <i>Gironde</i>: mond van Dordogne en Garonne.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_7_42" id="Footnote_7_42"></a><a href="#FNanchor_7_42"><span class="label">[7]</span></a> <i>Zuidzee</i>: Middellandsche Zee.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ELFDE_CAPITTEL" id="HET_ELFDE_CAPITTEL"></a>HET ELFDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt +was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en +dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden +"Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde. </p></blockquote> + + +<p>Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob. +Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel +het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot +Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben +doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo +schoon."—"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar +zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk +is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter +verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen +maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich +over 't water zetten.</p> + +<p>Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein—Reinout met zijn dochter gegeven +had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat +schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'</p> + +<p>Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt +hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'</p> + +<p>De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen +timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo +men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk; +hij is uit zijn land verdreven."</p> + +<p>—"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout. +Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet +Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van +den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning +Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn +broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der +burcht, aangelegd een schoone stad."</p> + +<p>—"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt +hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven +met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht +stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en +tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem +kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en +verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."</p> + +<p>Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als +hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en +zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u +gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw +onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem +gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket +genade: en hij zal ze u doen."</p> + +<p>Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot +Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet +ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever +zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."—"Wilt gij u dan tegen Koning +Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone +Lodewijk!"—"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten +manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij +als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen—ik wil hem +Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem +als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit +zeggen?—Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met +mij te dreigen."</p> + +<p>Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide: +"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet +mijn boodschap aan den Koning."</p> + +<p>Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid +Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een +scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden +in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer +gedaan.'</p> + +<p>Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en +keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in +Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout, +verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te +helpen.</p> + +<p>Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij +kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde +Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang. +En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et +hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn +Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts +burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TWAALFDE_CAPITTEL" id="HET_TWAALFDE_CAPITTEL"></a>HET TWAALFDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te +zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen +de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En +hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe +Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze +wilde doen hangen. </p></blockquote> + + +<p>Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert, +zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al +zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is +daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van +rouw."</p> + +<p>—"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet +wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij +daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik +niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't +mag, ik moet mijne moeder zien."</p> + +<p>—"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen +gaan in 't bosch van Bordeas<a name="FNanchor_1_43" id="FNanchor_1_43"></a><a href="#Footnote_1_43" class="fnanchor">[1]</a> en verwachten daar de Pelgrims, en +bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij +onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders +goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in +het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren, +kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren +uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen. +En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide +Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen +voor de onzen."</p> + +<p>Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat +Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover +geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't, +dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een +roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den +Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben —maar een ander +Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij +aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als +waren onze kleederen nog wat beter—doet 'er meê dat gij wilt."</p> + +<p>Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen +broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns +Kinderen, die ze aantrokken.</p> + +<p>Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze +stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden +menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.</p> + +<p>Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en +vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier +Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land, +te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu +hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat +gij ons inlaat."</p> + +<p>Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet +doen."—"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het +wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren +gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar +toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart +de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."—"Om Gods +wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen! +laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning +Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood, +God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat +ze God van der dood behoeden wil!"</p> + +<p>Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij +antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en +spijzigen ter liefde der Jonkheeren."—"Dat loon u God!" zeide Reinout. +Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen +waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden +gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"</p> + +<p>—"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout, +"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën, +en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst +als thands."</p> + +<p>Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en +drinken geven."</p> + +<p>De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen +spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen +mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne +vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.</p> + +<p>Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag +haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij +ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt +het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"</p> + +<p>De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide: +"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte—ik +duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal +uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat +zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij, +Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel +wijn niet drinken, als gij alleen doet."</p> + +<p>Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ... +reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij +dat ik u mijn leven lang danken zal!..."</p> + +<p>De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze +hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder +uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.</p> + +<p>Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder +aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij, +"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!—want had ik nog een schale, ik +en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen +onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout +met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen +van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene +stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig +werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op +haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens +wech van Reinout.</p> + +<p>Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide: +"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt +'et gezworen; en wilt gij 't niet doen—zoo zal ik tot den Koning rijden +en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."</p> + +<p>Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en +zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren +op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn +Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders +begeven!"</p> + +<p>Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw +Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze +vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den +Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij +komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw +Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende, +werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder. +"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een +oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide: +"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn +Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere, +Koning Carel, wien ik het gezworen heb."</p> + +<p>Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met +veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God +en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen +over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft +ons raad! Weet gij ons geen raad te geven—wij zijn verloren; want +Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide: +"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas, +geen anderen raad!"</p> + +<p>Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en +leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden +voor de kamer staan.</p> + +<p>Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want +hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert: +"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns +Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk +te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef +dood, of zeer gekwetst.</p> + +<p>Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de +kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste; +maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op; +hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest +waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne +slagen.—Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en +zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden +zwak."</p> + +<p>Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den +toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't +Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich +werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem +vluchtte als den dood.</p> + +<p>Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven +ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te +zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij +geraakt—het blijft er ál dood."</p> + +<p>Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met +zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek +loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter +na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde +Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader +vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben, +maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen! +Sloegt gij onzen vader dood—die vreeselijke misdaad mochten wij +nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij +verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel +verworven wij nimmermeer zoen!"</p> + +<p>—"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen +vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem +handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap +aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem +haastelijk tot Koning Carel."</p> + +<p>De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan; +want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede." +Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan, +indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat +Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.</p> + +<p>"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat +ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude +gedaan hebben."</p> + +<p>De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten +leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de +portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't +paerd ligt?"</p> + +<p>Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de +poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket<a name="FNanchor_2_44" id="FNanchor_2_44"></a><a href="#Footnote_2_44" class="fnanchor">[2]</a>, vragende den +knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen +zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit +hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat +hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's +Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan; +ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!" +De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's +Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den +Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden. +Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem: +"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"—"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u, +ontferm u mijner!"—"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn +zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik +'t vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards +te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."</p> + +<p>—"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.</p> + +<p>Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich +wapenen zouden; zoo Edel als onedel.</p> + +<p>En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk +dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam +te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot +heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar +tenten begonnen te slaan voor het kasteel.</p> + +<p>Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge +is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons +mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons +geenen raad?"</p> + +<p>Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig: +"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der +muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als +hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer +mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan; +hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun +scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn +broeders moest laten.</p> + +<p>Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden +God voor hem.</p> + +<p>"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart! +nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen, +doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets, +tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen +bidden."</p> + +<p>Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en +gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam, +wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den +Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij +de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij +gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en +lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."</p> + +<p>Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan +werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et +bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te +moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met +heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.</p> + +<p>Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo +lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te +doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede +de broeders zorgvuldig bewaken.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_43" id="Footnote_1_43"></a><a href="#FNanchor_1_43"><span class="label">[1]</span></a> <i>Bordeas</i>: Bordeaux.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_44" id="Footnote_2_44"></a><a href="#FNanchor_2_44"><span class="label">[2]</span></a> <i>winket</i>—deurtjen in eene poortdeure.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_DERTIENDE_CAPITTEL" id="HET_DERTIENDE_CAPITTEL"></a>HET DERTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn +broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of +men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning +dede bieden met den bode. </p></blockquote> + + +<p>Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te +Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders +had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen +had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om +de Heeren, al dat te Montalbaen was.</p> + +<p>Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op +het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende +zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders +brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'</p> + +<p>Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die +sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer +beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen +en bespieden? ik zoû noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros, +moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!'</p> + +<p>Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in +euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!" +De man zeide: "Zoû ik u volgen met een inzicht ten kwade?—dat waar niet +welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf +mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik +verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij +dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide +Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk: +maar alvorens dijn boodschap te doen—begeer eenen borg tot zekerheid en +vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan, +doe dijne boodschap."</p> + +<p>—"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik +ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in +mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij +nimmermeer op en stond."</p> + +<p>Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor +zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg +hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de +meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf +opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner +ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter +zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en +voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen +de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert, +mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn +kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik +doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner +broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't +land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is +'t, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen +met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn +Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven +noch om dood.</p> + +<p>"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod—zeg hem dan, dat +ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen +klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en +betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het +zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij +des nachts gaat te mettene<a name="FNanchor_1_45" id="FNanchor_1_45"></a><a href="#Footnote_1_45" class="fnanchor">[1]</a>: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de +kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zóo—zóo, zal +ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en +peis geven."</p> + +<p>Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide +zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning, +mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer +kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap +eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale, +zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop +Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat +zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve +bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad +toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning +onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen—ik zal het +oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht +proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne +broeders daar niet sterven zullen!—Maar, ik zegge dy," vervolgde +Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast +geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren."</p> + +<p>De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen: +het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout +oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale.</p> + +<p>En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon +de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een +staf, nochtans en woû hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste +besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den +Koning op zijn kniën, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op, +en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik +brenge u eene goede boodschap!"</p> + +<p>De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt +ons met wat boodschap gij beladen zijt."</p> + +<p>De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult, +begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel +ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn +boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen, +zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen."</p> + +<p>—"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en +zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er +Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der +sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn."</p> + +<p>De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name +liever een borge door wien ik zonder vreeze ware."</p> + +<p>De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze +twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend: +niemant ter waereld durft u tegengaan."</p> + +<p>Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen, +ik had gaerne andere borgen."</p> + +<p>Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: —ik +zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij +moogt veilig zonder vreeze zijn."</p> + +<p>De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik +liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden."</p> + +<p>Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst +hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden, +zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen."</p> + +<p>De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne +eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen."</p> + +<p>Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en +zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt +te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog +éénmaal—en ten laatste!"</p> + +<p>Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te +kiezen geleide—zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge +wezen!"</p> + +<p>De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in +gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden +mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone.</p> + +<p>"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet +herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer +Koning, dat God u lange spare! U groet één, de bedroefdste man die in de +waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de +Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw +zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade +wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt. +Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te +nemen—hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben: +zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen +die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met +goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als +Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter +eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn +eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk +Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen +ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken +of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle +dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal +hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of +gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware +'t dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood +begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid—wilt hem en zijn +broeders genadig zijn!"</p> + +<p>Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen +zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet +en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt—zoo zal hij +komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters, +kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de +kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen."</p> + +<p>Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De +bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en +zijn broeders niet in genade ontvangen wilt—hij zal u doen 'et zelve +dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de +mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij +zal u éénmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en +slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."—"Bij God!" riep de +Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde +dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare, +die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij +goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne +zale, zonder goed geleide—ik zeg u, in der waarheid! ik had den +schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan."</p> + +<p>"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen +hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van +Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op +zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn +magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den +Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders +oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet +brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar +bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et +leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde +beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult +voornemen."</p> + +<p>Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht +mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die +Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem +bestaat? Wie het doet—hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie +dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam +zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel +Grave! bestaat hij u—of niet?"</p> + +<p>Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants +wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker +geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot +Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u +vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn +vriend wil ik altijd wezen."</p> + +<p>Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht, +die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en +stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide: +"Heer Koning! nog gisteren."</p> + +<p>Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?" +De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros +Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had.</p> + +<p>—"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning, +"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u +beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode +antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij +Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer +vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning +grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een +zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout—ware 't niet, +dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel—want nooit heb +ik boden zulke tale hooren voeren."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_45" id="Footnote_1_45"></a><a href="#FNanchor_1_45"><span class="label">[1]</span></a> <i>Te mettene gaan</i>: in de kerk de getijden van middernacht +gaan bidden.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VEERTIENDE_CAPITTEL" id="HET_VEERTIENDE_CAPITTEL"></a>HET VEERTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat +wederkreeg door hulpe van Madelgijs. </p></blockquote> + + +<p>Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich +waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde, +meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote +rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende +dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo +kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij +reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad +van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er +Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild.</p> + +<p>Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te +krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging; +daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde.</p> + +<p>Nu zijn gekomen twaalf knechten om voêr te halen, zoo zij dagelijks +plachten te doen.</p> + +<p>En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en +zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van +Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden +gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat +zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs.</p> + +<p>Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij +binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen +en Jonkvrouwen.</p> + +<p>Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij +hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot +geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot +Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze." +Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf +knechten Beyaert brachten.</p> + +<p>Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten +Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!" +andwoordde Roelant.</p> + +<p>'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de +knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te +vangen: ik woû dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den +raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden +neder en zeiden:</p> + +<p>"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte." +—De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij +'t vingen?"</p> + +<p>Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden." +De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' —zij zeiden 'neen,' +"van hem en weten wij niet."</p> + +<p>"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het +u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij +Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden," +zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik +hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan +heeft."</p> + +<p>—"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den +knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen—doet +ze stokslagen geven."</p> + +<p>De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe +als Roelant gezeid heeft."</p> + +<p>En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had.</p> + +<p>De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en +koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik +u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan +dat er iets aan het Ros miskwame."</p> + +<p>Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en +zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert +berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen."</p> + +<p>Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik +het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den +Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik +Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten +zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de +vrije beschikking over hem."</p> + +<p>—"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en +berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."—"Zoo +doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen +moet ons deze komen."</p> + +<p>Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het +berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u—beidt dan tot Zondag; +hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen +zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en +hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen."</p> + +<p>Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en +sliep!</p> + +<p>Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en +terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als +hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag +rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft.</p> + +<p>En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven: +hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog +zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend +rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart +ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et +is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het +ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn +broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en +hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht +hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft +den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met +werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude, +maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en +geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat +doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij +toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve.</p> + +<p>Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het +dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van +Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken +ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij +hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid +waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van +lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de +oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen +meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok +en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette +hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag +en had, sints ik geboren ben."</p> + +<p>Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste +leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe +allernaast."—"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed, +dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze +gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En +bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man +van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van +de rouw, daar 'k in sta."—"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak +Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal +uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de +dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik +ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provenciën en tot +St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van +Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man, +als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!"</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm008.jpg" width="400" alt="Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste +leiden." title="" /> +<p class="illus">Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste +leiden.</p> +</div> + +<p>Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te +spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!"</p> + +<p>Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij +geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders, +opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?"</p> + +<p>Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven." +Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en +van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende: +"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan +uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye, +mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is +'t dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout, +zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te +wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat +gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn."</p> + +<p>—"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen +schande ware, een Pelgrim te slaan—ik zoû uw onbeschaamdheid u doen +rouwen."</p> + +<p>—"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij +geslagen, dien ik aalmoezen vroeg—ik waar voor vijftig jaar reeds dood: +want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in +kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave—waarvan zoû ik +leven?"</p> + +<p>—"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden."</p> + +<p>—"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende +uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille—hebdy iet meer, +dat gij mij geven wilt—zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden +uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet."</p> + +<p>—"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er +wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder; +St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden +van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn +kunne ontvlieden—want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt +ben, hij dede mij hangen."</p> + +<p>Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn +reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets +behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was +Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij +valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult +weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim +ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!" +riep Madelgijs, "sloegt ge me nog —het zoû u kwalijk komen; ik zoude +mij weeren!"—"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u—al waart +gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zoû mij, zoo ik slaan +wilde, géén ontgaan."</p> + +<p>—"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik +kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd +en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag +weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en +veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren.</p> + +<p>Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij +bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den +rug—daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord +staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik +verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel +Beëlzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het +bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen +en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek +hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij +niet, neve Reinout?"</p> + +<p>—"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?"</p> + +<p>Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had, +viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt +mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij +te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn +toeverlaat!"</p> + +<p>Madelgijs zeî: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u +heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn +harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak. +Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood, +en dede hem twee oude hozen aantrekken.</p> + +<p>Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde +Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en +mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over +zijne oogen.</p> + +<p>Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na, +om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en +hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder +jongelingen en koene Ridderen.</p> + +<p>Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij +neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of +Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde.</p> + +<p>"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te +gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten."</p> + +<p>—"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan."</p> + +<p>Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden +dag!"—"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al +menigen mensche overleefd," vervolgde éen hunner. —"Ik bid God, dat hij +mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven," +sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u +Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!"</p> + +<p>Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de +nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven."</p> + +<p>De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige +kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als +schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen +gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd +"Christelijk", en dusdanig éen als die, welke den Heere met zijn +Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde.</p> + +<p>Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met +eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een +arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet +in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den +wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg—dat gij +hier wilt nederknielen in gebede—want ik mij kwalijk bevinde en hebbe +geen halve stonde meer te leven."</p> + +<p>En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken +stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in +kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met +een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond, +en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en +sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn +verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar +dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en +zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop +laat kussen, dien gij daar bij u hebt...."</p> + +<p>—"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij +Madelgijs meê nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang +verloren geweest, om de zonden des volks...."</p> + +<p>—"En mag niet weêr verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de +gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende +aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop +ontliep hij den anderen met den schat.</p> + +<p>Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij +best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen éen hem +tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend neêrstortte; +en, na elkander, ook de beide laatsten.</p> + +<p>Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat, +uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve! +ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en +rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge, +voor wij aankwamen."—"Ké<a name="FNanchor_1_46" id="FNanchor_1_46"></a><a href="#Footnote_1_46" class="fnanchor">[1]</a>, oom!" zeide Reinout—"ik duchte, dat gij +iets kwaads gemaakt hebt!"—"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs; +"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders." +Reinout deed als hem gezegd werd.</p> + +<p>De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in +den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag +en den tijd, dat Roelant—Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de +stad, als vroeger gezegd is.</p> + +<p>Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in +was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de +stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot +Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik +weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre +geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt."</p> + +<p>Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs +riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen +wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en +doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne, +en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en +dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den +penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn +tasch.</p> + +<p>Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar +buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude.</p> + +<p>Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn +kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en +zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne +reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf +Madelgijs—Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet +uwe sporen aan uw voeten."—"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk, +oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik +Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe +voeten—'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u +Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt, +zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize, +als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden."</p> + +<p>En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van +poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van +landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen. +Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij +Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk +zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel.</p> + +<p>"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der +Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er +eene: "'t Is Roelant, die Ferragute<a name="FNanchor_2_47" id="FNanchor_2_47"></a><a href="#Footnote_2_47" class="fnanchor">[2]</a> versloeg." Eene andere jonkvrouw +zeide: "'t Is Olivier!"—"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van +Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken +Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed—nam daar éene het woord, +die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een +schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen +vroegen, wie de Ridder was?—"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een +Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij +niet gebannen, hij zoû de schoonste man wezen, die van dezen dag over de +brugge gaan zoude."</p> + +<p>Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte. +Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet—en +lacht niet!"—"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout:</p> + +<p>"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen."</p> + +<p>Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over +de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden +hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen +was, hadden 'et elk aan een koord.</p> + +<p>Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en +den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond.</p> + +<p>"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims +staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken +dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide: +"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is."</p> + +<p>Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert +tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende +zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op +de brug heen ende weder.</p> + +<p>En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u +deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds +genoeg: ik zegge u voorwaar—hadde ik mijnen kop meenen te verliezen +door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik +en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de +Koning van Vrankrijk, die zoowél der armen luttel goed bewaakt, als dat +der rijken, die veel hebben."</p> + +<p>—"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil +'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt +werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en +kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met +zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en +genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede +gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een +Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt."</p> + +<p>Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de +Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel +gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep +nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong. +"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs, +"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid +ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen +ontkomen: want wij vreezen 'et zeer."</p> + +<p>Toen zeide de Koning: "Ik geef u duizend dukaten voor uwen kop."</p> + +<p>—"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren +gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome +heeft er Misse mede gedaan...."</p> + +<p>—"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat +ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er +hier simonie<a name="FNanchor_3_48" id="FNanchor_3_48"></a><a href="#Footnote_3_48" class="fnanchor">[3]</a> gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den +kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?"</p> + +<p>—"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den +Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning +ben."—"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig +tot u gesproken heb."—"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel +moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar +geeft mij den kop—ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land +in levenslang gebruik."</p> + +<p>—"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen—ten zij ge vergeeft al +den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem +den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...."</p> + +<p>De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone +Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem +niet kwijtschelden. Ook is daar éen, geheeten Madelgijs, een snoode +toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen +hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?"</p> + +<p>—"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan +niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet."</p> + +<p>Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal +God bidden, dat Hij uwen gezel geneze."</p> + +<p>"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig +dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde +t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap +verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze +vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert +berijden kon—hij zoû genezen van al zijne kwalen.'"</p> + +<p>-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder +tijd."</p> + +<p>Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet +wat het uitwerken kan."</p> + +<p>—"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden +prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!"</p> + +<p>Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om +dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!"</p> + +<p>De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide +hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb +toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle—Beyaert bestijgen laat!"</p> + +<p>Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook +de Pelgrims kwamen daar met groote moeite.</p> + +<p>En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel +Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et +aan zijn herstel bevorderlijk zij!"</p> + +<p>Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem +niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen +had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er +deernis meê, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte +er weêr af aan dezen.</p> + +<p>"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij +aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er +weder af—hij zal 'et besterven."</p> + +<p>Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast, +dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op +Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte.</p> + +<p>Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den +zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels.</p> + +<p>Eilaas, daarmeê waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het +goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd!</p> + +<p>"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alléén +rijden," zeide de Koning.</p> + +<p>"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij +ook zien en hooren?"—"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te +boven!"</p> + +<p>—"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?—Heer Bisschop! +doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote +gunst gedaan."</p> + +<p>Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En +Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf +het goede Ros de sporen.</p> + +<p>Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e +zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten, +dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die +ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal +'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten—voorwaar het zal hem den +hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren +uit, en scheen groote rouwe te bedrijven.</p> + +<p>Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem, +riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden +vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug."</p> + +<p>En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren +Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van +Borgondiën; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen +mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een +boogscheut afstands.</p> + +<p>Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten +laatste zag hij de Genoten.</p> + +<p>'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten +kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware—ik +zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden +trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader +kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout +hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood +gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder +koen!"</p> + +<p>—"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij ü hier +vinden zouden."</p> + +<p>—"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde +de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat +gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim, +die bij den Koning stond?"—"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het +antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet +niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve +Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve! +om uwent-wille!"</p> + +<p>—"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap, +die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide +nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede, +dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en +gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen."</p> + +<p>Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u, +Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw +broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den +Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders +voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader—ik +zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout +verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam. +"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang +verdienden loon!"</p> + +<p>Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge +u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen +op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede +neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van +de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_46" id="Footnote_1_46"></a><a href="#FNanchor_1_46"><span class="label">[1]</span></a> <i>Ké</i>—een uitroep.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_47" id="Footnote_2_47"></a><a href="#FNanchor_2_47"><span class="label">[2]</span></a> <i>Ferragute</i>: een reus.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_48" id="Footnote_3_48"></a><a href="#FNanchor_3_48"><span class="label">[3]</span></a> <i>Simonie</i>: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, +waarbij voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan +verbonden is, méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of +kunst-waarde; het <i>verkoopen</i> van al wat slechts geestelijke waarde +heeft, wordt als zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. <i>Hand. der +Apost</i>., Hoofdst. VIII, v. 18—20.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL" id="HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL"></a>HET VIJFTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe de Heeren weder tot Koning Karei kwamen, en zeiden, +dat zij Beyaert niet vangen en konden; en de Koning +Reinouts broederen woude doen hangen, daar Bisschop +Tulpijn zich tegen verzett'e met Roelant, en de andere +Heeren, en belett'en et. En hoe Madelgijs ging tot +Reinouts broeders in de gevangenis, en tot den Koning +daar hij lag en sliep in zijne kamer. </p></blockquote> + + +<p>Als de Heeren van Reinout gescheiden waren, reden zij weder tot den +Koning en bespraken met malkander, hoe zij Koning Carel rekenschap +zouden geven van hunne onverrichte zake. "Wat zullen wij van dezen +Schildknaap zeggen, dien Reinout verslagen heeft?" vroegen zij: "wie zal +'et voor den Koning verandwoorden?" Roelant zeide: "Dat zal ik doen, en +nemen de schuld op mij."</p> + +<p>Zoo reden zij tot den Koning. Als de Koning de Heeren zag, vroeg hij +Roelant terstond, "of hij Beyaert bracht?" Roelant zeide, half verlegen, +"Neen wij, Heer Koning!" Met-een heeft de Koning den Schildknaap +bemerkt, die daar dood in-gebracht werd, liggende op een ros. "Is dat de +Pelgrim, die op Beyaert zat?" vroeg de Koning.</p> + +<p>Roelant zeide: "Neen, Heer Koning! het is Foukens zone van Morlioen." De +Koning zeide weder: "Wie heeft: den Knape gedood?" —"Heer," sprak hij, +"ik neem de schuld op mij."—"Van die misdaad, neve?" vroeg de Koning +streng.</p> + +<p>"Wilt mij hooren, Heer!" andwoordde de Edele krijgsman: "Gij acht den +sterken en moedigen. Zoo doen ook wij, uwe Genoten. Gij kent +Beyaert—gij weet hoe stout en fel het is: in zijn heldenmoed kan +niemant 'et bedwingen, noch achtervolgen; wij waren den Rosse zoo na +gekomen, dat wij 't zagen; des wij alle blijde waren. Toen kwam daar de +schildknaap en vermat zich met zijne kracht alleen den moedige te willen +vangen—alsof hij een stuk bestond, dat ieder onzer te zwaar was. Hij +trok zijn zwaerd; als Beyaert dat zag, werd 'et zeer vurig en sloeg +vreeslijk om zich rond, en vloog toen of 'et dol geweest ware, en wij +verloren Beyaert, tusschen twee bosschaadjes in een koornland: toen was +ik zoo toornig, dat ik den Schildknaap des doods waerd schatte." — "'t +Is wel gedaan, Roelant!" zeide de Koning, "geen Knaap mocht zich +onderstaan voor u-allen uit te rijden en vangen Beyaert-alleen, dat hem +ondoenlijk was."</p> + +<p>—"Heer Koning!" ging Roelant voort: "spreekt thands verder recht, en +laat den knechten stokslagen geven, dien gij Beyaert aanbevaalt, en die +zich hem ontgaan lieten." De Koning sprak: "Het zal geschiên."</p> + +<p>Nu ging Madelgijs tot den Koning en zeide: "Helaas! wat is mij +overkomen! mijn gezelle is op uw Ros gezeten; hij is er zeker afgevallen +en heeft 'et bestorven! Wat zal ik aanvangen in mijn groote rouwe? ik +wil gaan over zee, voor de ziele bidden mijns gezels, dat hem God +genadig wezen moge!" hij wrong zijne handen en weende bitter en riep: +"Adieu gezelle! ik en zie u nimmer weer!"</p> + +<p>Koning Carel had medelijden met den ouden man, en zeide: "Vriend, houdt +mate in uw rouw; ik zal u begeven in een klooster, daar gij uw leven +lang uw brood hebt: en kan ik vernemen of uw gezel dood is, ik zal over +zijn ziele doen zingen alle dagen een Misse." Madelgijs zeide: "God loon +'et u Heer Koning!"</p> + +<p>En de Koning ontbood alle zijne Baroenen bij hem en zeide: "Edele +Heeren! het wordt tijd, dat ik wreke de dood mijns lieven zoons, en ze +straffe, die hem zoo moorddadelijk versloegen. Mijne eer gedoogt geen +langer uitstel."</p> + +<p>De Koning liet dan Reinouts broeders uit de gevangenis halen en voor +hem brengen; en als zij voor hem kwamen, liet hij ze handen en oogen +binden, alsof ze dieven geweest waren. Als dit Bisschop Tulpijn zag, had +hij medelijden, en zeide: "Heer Koning! doet wel, en laat onze neven +voor de Schepenen brengen: want. Heer Koning, het is immers uw vleesch +en bloed, en gij weet wel, dat de Wet u als ieder mensch te zwaar is."</p> + +<p>"Heer Bisschop!" zeide de Koning; "dit woord wijs ik af: ik wil wraak +nemen over mijnes zones, des gekroonden Konings, dood, en de eedgenoten +nog heden doen hangen."</p> + +<p>De bisschop zeide: "Heer Koning, die Heeren hebben hier zoo menige +magen, die t' niet gaerne zien zouden; en gij haalt vele rampen over u, +zoo gij ze ter dood laat brengen."</p> + +<p>De Koning zeide: "Zuldy u dan tegen mij zetten?"—"Neen ik," zeide de +Bisschop. Koning Carel zeide weder: "Ik zal ze doen hangen—en gij zult +u niet kanten tegen uwen Koning."</p> + +<p>—"Heer!" zeide de Bisschop, "niet tegen u kant ik mij—maar tegen deze +wrake, die u-zelven ten dierste te staan zal komen. Wilde ik mij zetten +tegen u, ik wonne u af Kroon ende land." Als de Bisschop deze woorden +zeide, werd de Koning zeer toornig, en riep tot hem Fouke van Parijs, en +zeide: "Wat raadt gij mij, zal ik mijn neven doen hangen, of zal ik ze +laten leven en nemen de zoen, die zij mij bieden?" Fouke sprak: "Koning! +daartoe zijdy zelf wijs genoeg: gij ziet wel dat Bisschop Tulpijn met +machte tegen u wezen wil; en is 'et dat gij de zoen aanvaerdt, zoo zal +men zeggen, dat ge 't bij bedwang dedet, en dorste 't niet nalaten." +Deze woorden van Fouke zett'en des Konings gramschap grootelijks aan, en +hij zwoer bij zijner Kroone, dat hij zijn neven nimmer tegen zich zoû +laten verdingen, maar zoude doen hangen te Montfaucon.</p> + +<p>Als de Bisschop den Koning hoorde zweeren, was 't hem zeer leed, en hij +zeide: "Heer Koning! gij zult uw neven tegen u laten verdingen—'t moge +gaan, hoe 't wille!" De Koning zeide: "Bisschop Tulpijn! gij zet u tegen +mij—wij zullen zien, wie hier 't meeste vermag. Ik zal weten," riep de +Koning in arren moede, "wie de genen zijn, dat mij verlaten en met u +leven en sterven willen.</p> + +<p>Toen trad de Bisschop naar éene zijde, en sprak: "Ik bid mijn magen, +die mij helpen willen, en in de nood niet en begeven, dat zij tot mij +komen!" Als de Bisschop dit zeide, sprong bij hem over van des Konings +kant: Grave Aymerijn van Narboen, Arnouts zone van Beulande, daarna Heer +Arnout zelf, toen de Hertog van Ardennen, een stout Ridder, en was +Diederic genaamd; daarna de Hertog van Borgondiën, en zeide: "Heer +Bisschop Tulpijn! wij zullen ter dezer zaak u helpen tegen al de genen, +die u zouden willen deeren." Toen ging over: Ritsaert van Normandije; +daarna de sterke Ogier; toen ging over de Hertog van Brabant, en met hem +Bertram en Riosse, die beide zijn kinderen waren; toen trad over van +Geneve Grave Olivier, daarna de stoute Roelant: nochtans had hém daartoe +niemant aangezocht!</p> + +<p>Als Koning Carel dit zag, werd hij weemoedig, bracht de hand voor de +oogen, en zeide: "Neve Roelant, hoe komt gij hiertoe?—Ik zie wel, ik +heb mijn brood kwalijk besteed, dat ik u dus lange binnen mijnen Hove +gehouden heb, en van jongs opgevoed, en heb u gemaakt den eerste van +alle mijne Heeren, en mijn betrouwen op u gesteld, en gij begeeft mij in +de nood!"</p> + +<p>—"Heer Koning," zeide Roelant, "des acht ik u en hebt u lief: maar naar +ik u meer beminne, is mij inniger gelegen aan uw eer: en gij zoudt 't u +voor al de waereld te schamen hebben, verdeedt gij deze drie Heeren: zij +zijn uw vleesch en bloed!"</p> + +<p>Toen riep de koning Fouke van Parijs, en zeide: "Zal ik mijne neven +laten verdingen en de zoen aanvaerden, die zij mij geven willen?" Fouke +zeide: "Heer Koning, des zijt gij-zelf wijs genoeg! Of ziet gij niet dat +uw hooge magen, die met u gaan t' allen ure, tegen u gewapend zijn, in +hulpe van Bisschop Tulpijn. Is 't, dat gij de drie Heeren tegen u laat +verzoenen, men zal zeggen, dat gij 't uit vreeze gedaan hebt." De Koning +zeide: "Fouke! gij zegt waar." Dit hoorde Ogier, sprong toornig naar +voren, greep Fouke bij den haire, en sloeg hem met de vuist in zijn +hals, dat hij in onmacht viel voor des Konings voeten of hij dood ware +geweest. "Gij, valsche raadgever!" sprak Ogier: "ik wane dat de Heeren +nu over u voldoende gewroken zijn." Met-één ging hij daar de drie Heeren +zaten, en ontbond hun hand en oogen: want hij ze zoo gebonden niet zien +en mocht. "Wie zal het wezen," zeide de Bisschop, "die deze Heeren +hangen zal ondanks de Wet? Ik wane niemant zoo stout!"</p> + +<p>—"Heer Bisschop!" riep de Koning, "gij zet u onmatig tegen mij!" Toen +zeide de Bisschop: "Heer Koning! ik zeide 't u, en ik zegge nog, woude +ik mij tegen u zetten, ik won u af Kroon ende land."</p> + +<p>Bij deze woorden werd des Konings herte nog heftiger geschokt: "Zoo is +er geen Koning meer in Vrankrijk!" riep hij, terwijl er tranen vielen op +zijn grijzen baard.</p> + +<p>De Bisschop was getroffen door de smerte des Konings, en bond den drie +Heeren weder handen en oogen, en zett'e ze weder aan 's Konings voeten, +zeggende: "Heer Koning! doet er uwen wil mede, maar ik raad u ten beste: +laat ze verdingen."</p> + +<p>De Koning zeide somber: "De liefste, daar ik mijn betrouwen op stelde, +heeft mij begeven!" Toen zeide Roelant: "Voorwaar, Heer Koning! ik en +doe dat niet! wilt gij strijden tegen de Sarazijnen of Heidenen, ik en +begeve u niet door angst of vreeze van de dood, noch om eenig ding ter +waereld. Heer Koning, doet mijnen raad: het zal u goed zijn. Doet deze +drie Heeren weder in de gevangenisse leiden, en laat ze nog een wijle +leven, hierentusschen zult gij u beraden, zoo dat alle ding ten beste +komen zal." De Koning gaf toe. De broeders die in de vreeze geweest +waren voor hun leven werden weder in de gevangenisse geleid, en daarmede +scheidde de raadsvergadering der Heeren.</p> + +<p>En weinig tijds later kwam Madelgijs weder binnen de stad, om te +verlossen Reinouts broeders uit de gevangenis; want zij wisten niet +beter van ure tot ure of Koning Carel zoû ze doen hangen.</p> + +<p>Madelgijs, als hof- en huismeyer vermomd, drong de burcht van Koning +Carel binnen, en ging recht naar de gevangenisse, waar hij wist dat +zijne neven geketend lagen. Hij ging onder gelijken schijn tot den +portier, en zeide hem, dat hij, van wege des Konings, hem zes pinten +wijns bracht, en dat de Koning hem toezond om dat hij Haymijns kinderen +trouwelijk bewaakt hadde, en hem aanbeval verder het strengste toezicht +te houden. "Intusschen heb ik twaalf pinten genomen, en breng ze u," +zeide Madelgijs, "dat wij samen drinken, en ons verheugen." De portier +nam ze gaerne, en nederzittende begonnen zij te drinken. Madelgijs had +slaapkruid in den beker des portiers gedaan, en het leed niet lang of de +vaak beving hem zoodanig dat hij insliep. Toen verwisselde Madelgijs van +gedaante en kleederen met den slapenden portier, en drong, met behulp +zijner sleutels, in de gevangenis waar de drie broeders zaten.</p> + +<p>Hij nam Adelaert bij der hand, en dede af van hun lijf de sloten en +banden, waarmede zij geboeid waren. De broeders wisten niet dat 'et +Madelgijs was, maar zij waanden dat 'et 's Konings dienaars waren, die +de Koning zonde om hen heimelijk te dooden; en zij waren droevig.</p> + +<p>Adelaert zeide: "Vaartwel, broeder Reinout! want Carel zal ons op dit +pas doen dooden; gij en ziet ons niet meer levende: God wil bewaren onze +zielen!" Ritsaert en Writsaert zeiden: "'t Is al gedaan —wij moeten +sterven! de Koning heeft zijn volk om ons gezonden en zal ons dooden." +En zij begonnen zeer te schreyen, dat er Madelgijs deernis meê had, en +zeide tot hen: "Vervaart u niet: ik zegge voorwaar, ik ben uw oom +Madelgijs." Als dat de broeders hoorden, waren zij blijde. Adelaert +zeide: "Lieve oom! ons leven staat, na God, aan u, dus wilt ons helpen!" +Madelgijs zeide: "Wees te vrede, ik zal u leiden uit der gevangenisse." +Met deze woorden nam hij ze bij der hand en leidde ze uit den kerker.</p> + +<p>Eer zij buiten waren, kwamen daar een achttal knechten toeschieten, die +de gevangenis bewaakten. Madelgijs veranderde, op staande voet, de +gedaante der Jonkheeren in die der knechten, en gaf aan drie knechten +den schijn van Haymijns Kinderen. "Helpt, helpt!" riep hij met de stem +en gedaante des portiers—"de drie gevangen Ridders willen 'et heimelijk +ontgaan!" En in de verwarring maakte hij met de vermomde Heeren zich +wech. Op eens bleef Madelgijs staan, en zeide: "Toeft mij hier; ik +misdeed grovelijk, dat ik u wechleidde zonder 's Konings wille; ik zal +gaan nemen oorlof aan den Koning: want zonder oorlof en wil ik u niet +medevoeren." Toen zeide Adelaert: "Oom! laat ons gaan, de Koning en zal +u geen verlof geven—dat weet ik wel." Madelgijs zeide: "Gij moet zoo +lang staan, dat ik oorlof heb." Met deze woorden liet Madelgijs de +Heeren, en ging tot den Koning.</p> + +<p>Als Madelgijs in 's Konings kamer kwam, ging hij staan voor 's Konings +bed, en zeide: "Heer Koning! God geve u goed geval, en wil uwe ziele +geleiden als gij van der waereld scheidt! Heer Koning, ik heb mijn neven +uit de gevangenisse genomen; zij staan voor de brugge binnen Parijs, en +ik bid u, Heer Koning, dat gij mij oorlof geeft, opdat ik die Heeren +leide te Montalbaen, daar zij u niet ontzien en zullen." De Koning, dit +hoorende, liggende tusschen waken en slapen, zeide tot Madelgijs: "Doet +met uw neven dat gij wilt!" Hij moest tusschen waken en slapen zijn om +zulk andwoord te geven! Als Madelgijs dit van den Koning hoorde, was hij +blijde, keerde weder tot de drie Heeren en bracht ze in korten tijd op +Montalbaen.</p> + +<p>Reinout betoonde de grootste vreugde, toen hij hen te-rug-zag. Hij bleef +als nu met zijne broeders en Madelgijs tot Montalbaen in goede +veiligheid.</p> + +<p>Koning Carel, die van Madelgijs dit gehoorde hadde tusschen slapen en +waken, was weder ingesluimerd; en als hij daarna weder wakker werd, wist +hij niet of hem Madelgijs in een droom te voren gekomen of dat 'et +werkelijk geschied ware.</p> + +<p>En de Koning was lange in overdenking, voor hij opstond om te zien wat +'er àan was—droom of wezenlijkheid.</p> + +<p>En zich met haaste gekleed hebbende, ging hij tot der gevangenis, waar +hij alles in verwarring vond: in den kerker der broeders vond hij drie +zijner krijgsknechten in ketens liggen, en zag dat hij de broeders kwijt +was.</p> + +<p>Hij ging weder naar zijne kamer, toen hem Roelant tegenkwam, die hem +groette, en zeide: "Heer Koning, ter goeder tijd moet gij aldus vroeg +opgestaan zijn...." En de Koning verhaalde hem zijn gantschen misval.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZESTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ZESTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ZESTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd +was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel, +en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad +verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg. </p></blockquote> + + +<p>Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en +spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning +Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe +mare."—"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een +kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem +gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter +achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem +hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche +Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd +duchte, eer gij daar komt."</p> + +<p>Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide +hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg—nu bidde ik u, dat gij +derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000 +mannen."</p> + +<p>Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier: +"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met +8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier, +de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome +mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der +vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen +over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en +gingen uit elkander om zich reede te maken.</p> + +<p>Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in +schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.</p> + +<p>De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve +Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij +ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en +stond met gestrekte handen.</p> + +<p>Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel +toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.</p> + +<p>De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al +schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"</p> + +<p>Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.</p> + +<p>De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met +zijne scharen: God wil ze beschermen!"</p> + +<p>Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den +Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien—zoo +vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle +strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij +liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam +reden zij naar Keulen.</p> + +<p>Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij +dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij +in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands +van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het +Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.</p> + +<p>Als de Heidenen—de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij +mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de +twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en +vele Ridders van den paerde gestooten.</p> + +<p>Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de +Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van +wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir +grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door +Roelant.</p> + +<p>Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen +werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn +paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo +krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant +verstelde noch verschoot er niet af.</p> + +<p>De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot +niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende +wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe, +dat hij hem kloofde tot den paerde.</p> + +<p>Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen +Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo +strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er +60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden +bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een +geharnasten Heiden in tweeën.</p> + +<p>Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met +sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig +Sarazijn met der dood bekocht.</p> + +<p>Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den +zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden, +daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.</p> + +<p>En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen +Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden +daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den +Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs +kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren +vriendelijk wellekom.</p> + +<p>De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning +Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den +oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant +heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u, +Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille, +hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel zijne kroone ophing, dat ze wonne wie +zijn paerd 'et eerst ter stake bracht, en de kroone +daar af nam; en hoe dit Reinout geboodschapt werd; hoe +Madelgys Beyaert veranderde, dat men 't niet en kende, +en het de kroone won. </p></blockquote> + + +<p>De Koning was droevig, dat hij geen paerd en wist voor zijn neve +Roelant. De Koning en zoude geen goed sparen, mocht hij zulken ros +meester worden; en zeide, "waar zal men vinden Beyaerts gelijk! had ik +zulk een Ros, ik zoû 't mijnen neve Roelant geven, dan mocht ik Reinout +dwingen."</p> + +<p>En Hertog Naymes zeide: "Heer Koning! daar is zoo velerlei in alle +landen. Wanhoopt niet een paerd te vinden. Wilt slechts eene mare doen +uitroepen, dat gij uwe kroone zult zetten op een staak tusschen +Montmarter en der Seine: wie ze daar eerst afhalen mag, met stormen of +behendighede, gij zult ze hem vier werf met goud opwegen, en zijn snelle +paerd dat zuldy van hem koopen, en geven 'et uw neve Roelant: zoo moogt +gij er Reinout meê dwingen."</p> + +<p>Reinout nu hadde een verspieder in 's Konings Hof, die 'et hoorde; deze +liep met groote haast te Montalbaen bij Reinout, en zeide: "Heer, gij +zijt verloren: want Koning Carel zal in alle landen doen uitroepen, dat +hij zijn kroone zal zetten tusschen Montmarter en der Seine op een +staak; en die ze daar mag winnen, 't zij door stormrid of behendighede, +de Koning zal ze hem vierwerf met goud opwegen; en 'et ros, dat daar +best loopen zal, wil de Koning koopen, en geven 'et zijnen neve Roelant, +dat hij u daarmede dwinge."—"Zwijg," zeide Reinout, "wat dwaas bericht +brengst du mij! waar zoû hij vinden zulk een ros, dat Beyaert zoû +onderloopen of ontspringen? Dat en vindt men in de waereld niet.... Maar +ik-zelf zal tot Parijs varen. Ga, en raad mijnen oom ten beste: want ik +zal de kroone winnen en brengen ze hier ter stede!"</p> + +<p>Op dit oogenblik kwam Madelgijs in de zale, en Reinout zeide tot hem: +"Oom, hier is gekomen een bode van Parijs, en zeide, dat Koning Carel +heeft doen afkondigen in vele landen, dat hij zijn kroone zetten zal op +eene staak tusschen twee schoone steden, en wie ze daar eerst afwinne, +het zij met stormrid of behendigheid, de Koning wil ze lossen van den +gene dit ze wint, en wegen ze hem vier werf op met goud; en 'et ros, dat +'et best loopen zal, wil de Koning koopen en geven 'et Roelant, om mij +daarmede te dwingen. Waar waant de Koning in al de waereld een ros te +krijgen, dat Beyaert zoude onderloopen? 't En is niet mogelijk, en al +zijn opzet van geener waerde."</p> + +<p>"Ik rade u," zeide Madelgijs, "dat gij met uw broeders derwaards trekt; +maar gij zult veel van volk medenemen, dat gij beveiligd zijt."</p> + +<p>Reinout dede dat hem zijn oom ried, wijl hij het oorbaar achtte. Hij +dede Beyaert zadelen, en hij en zijn broeders en zijn oom Madelgijs +bereidden zich te vertrekken; en als zij reede waren, zaten zij op hunn +paerden en reden zoo lang, dat zij te Orleans kwamen.</p> + +<p>Madelgijs vraagte, 'waar de beste herberge was;' zij werd hem gewezen. +En als zij voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden en +namen daar hunnen intrek. Madelgijs ging, en kocht de beste spijze die +hij op de markt vond. Toen vraagden de burgers aan malkander, 'wat +Ridders het waren, die ter herberge kwamen?' En als de spijze reede was, +ging men eten; men gaf water tot handwasschinge, als Heeren toekomt, en +elk ging zitten ter tafele, en aten en dronken met blijdschap.</p> + +<p>Als de maaltijd gedaan was, stonden de Heeren op, en gingen wandelen +daar 'et hun geliefde. Reinout en Madelgijs gingen zamen in een schoonen +boomgaard, daar menigerhande kruid en bloemkens stonden. Daaraf nam +Madelgijs wat hem goeddacht en stampte ze zamen. Als hij ze gestampt +hadde, was hij blijde, en hij nam het kruid en besmeerde Reinout over al +zijn lichaam. En als Reinout gesmeerd was, veranderde zijn coleur—want +hij te voren oud was twee-en-twintig jaar, en nu scheen hij te zijn een +jongeling van vijftien jaar; het scheen of hij nooit baard en hadde +gehad.</p> + +<p>Als Adelaert dat zag, loeg hij er om, en wees 'et zijn broeders, +zeggende: "Ziet wat onze oom gedaan heeft met zijn konste." Madelgijs +ging in den stal bij Beyaert; en besmeerde ook het Ros: en Beyaert +veranderde, dit zoo zwart was als een rave, die werd over al zijn lijf +zoo wit als sneeuw.</p> + +<p>Als de broeders dit zagen, lachten zij er om, en Adelaert zeide: "Nu is +Beyaert onherkenbaar: wist ik 'et niet, 'k en zoude niet zien, dat het +Beyaert, ons goede Ros, ware." Toen zeide Ritsaert: "Bij mijner trouwe! +onze broeder is niet minder onbekend; men kan hem niet kennen." +Writsaert zeide: "Ik zeg u voorwaar, daar is niemant onder de zon, die +zeggen zoude dat is Beyaert, dat is Reynout uw broeder."—"Nu laat ons +de tocht vervolgen!" zeide Madelgijs: "want men kent Reinout noch +Beyaert, en mij en zullen ze ook niet kennen."</p> + +<p>Reinout, de vrome Ridder en Heere van Montalbaen, dede Beyaert zadelen; +hij spande twee sporen aan zijne voeten en gordde een zwaerd: niemant +van zijn broeders was zoo heerlijk opgezeten.</p> + +<p>Ondertusschen—het gesprek, dat Madelgijs en Reinout en zijn broeders +gevoerd hadden, hoorde een verrader en kende den Edelen Reinout; hij +liep haastelijk ter zijner herberge, bereidde zijn paerd en reed tot den +Koning. Als hij hem zag, groette hij hem en zeide: "Edel Heer Koning! ik +zegge u (zoo helpe mij God!) Reinout zal komen te Parijs om uw kroone te +winnen; ik hoorde zelf 'et hem zeggen."</p> + +<p>"Wat zegt gij, bode?" andwoordde dé Koning; "ik weet, dat Reinout hier +niet komen zoude, al mocht hij Parijs daarmeê winnen!" —"Edel Heer +Koning!" zeide de verspieder: "ik zegge u, ik zag gisteren te Orleans +Reinout en zijn broeders, en ook Madelgijs."</p> + +<p>Toen de Koning dit gehoord had, riep hij Foulke van Morlioen, en zeide: +"Ik zal u geven 400 mannen; daar zuldy hoofdman van zijn, en zult +trekken tegen mijn rieve Reinout. Ziet wel toe, dat hij niet en ontga; +en is 't dat gij hem vindt—zoo zuldy hem gevangen hier brengen. En als +zij zich weeren willen, moogdy mij hunne hoofden brengen, ik zal ze u +met goud opwegen."</p> + +<p>Fouke zeide tot den Koning, dat hij 'et gaerne dede. Dus reed Fouke uit, +en verzekerde zich van de wegen. 't En dede God met zijn gratie, Reinout +wierd gevangen<a name="FNanchor_1_49" id="FNanchor_1_49"></a><a href="#Footnote_1_49" class="fnanchor">[1]</a>: want de wegen zijn nauw bezet!</p> + +<p>Hierbinnen is Reinout met zijn broeders gekomen op vier mijlen van +Parijs, daar een schoon fonteine sprong; daar gingen Reinout en +Madelgijs van den Paerde, en zeiden tot Adelaert: "Gij zult hoofdman +wezen van dit volk en blijven hier liggen; wij zullen samen rijden naar +Parijs: maar zoo 't gebeurde, dat men ons met kracht verslaan wilde—zoo +zullen wij den horen blazen: en als gij 't hoort, dat gij dan met uw +volk ons ter hulpe koomt!" Adelaert zeide: "Ik doe 'et gaerne!"</p> + +<p>Aldus scheiden Reinout en Madelgijs van hem, en reden naar Parijs. +Madelgijs zeide tot Reinout: "Wat men tegen u zeide, andwoordt zoo +zoetelijk in Brittaansch of gij geen Françoisch en kondet."</p> + +<p>Op dat oogenblik zag Fouke—Reinout en Madelgijs komen rijden. Hij +sprong haastelijk op zijn ros; en Reinout zag Fouke en zeide: "Oom! wat +doen wij hier? Ik zie Fouke van Morlioen: die is mijn meeste vijand! +laat ons wederkeeren tot onze gezellen, en een anderen weg rijden, dien +wij ongedeerd gaan kunnen."</p> + +<p>—"Gij en zijt niet vroed," sprak Madelgijs; "dat hoor ik wel aan uw +woorden: rijdt voort, hebt geen angst; want u of Beyaert kan niemant +kennen. Is 't dat zij mij kennen, ik geve hun van alles wat hun baten +mag!" Madelgijs grijnslachte, terwijl hij dit zeide. Fouke reed op +Reinout toe en hadde een lancie in de hand.</p> + +<p>Toen hij naderkwam, dacht hem dat 'et was een knaapjen en zag dat hij +ongewapend was. Toen schaamde hij zich, en liet zijn speer ter aarde +vallen, en nam Reinout bij den arm, zeggende: "Waar zijdy geboren?—God +helpe mij zoo waarlijk ik nooit zoo groot een paerd heb gezien, als daar +gij op zit, 't heeft Beyaerts gang, en ware 'et van hair als Beyaert, ik +zoude zeggen dat hij 't was."</p> + +<p>Reinout andwoordde in Brittaansch met zoete woorden. Toen zeide Fouke: +"Spreekt Françoisch!—de Booze moog dy verstaan! —Vaar heen en heb +ramp!"</p> + +<p>Toen kwam Naymes aanrijden, en zeide tot Fouke: "Hoe? hebdy Reinout niet +verslagen?"—"'t Is Reinout niet," zeide Fouke; "'t is een jongen van +vijftien jaren; hij heeft nog geenen baard, ik kon geen woord uit hem +verstaan: want hij is gekomen uit Brittaniën." Toen stak Naymes zijn +zwaerd in de scheede, gaf zijn ros de sporen, en reed naar Reinout, wat +'t paerd maar loopen mocht.</p> + +<p>Als hij bij hem kwam, nam hij den toom van den paerde in de hand, en +zeide: "Jonkheere! waar zijdy geboren?" Reinout zeide hem met zoete +woorden in Brittaansch: "In Barwijk ben ik geboren." Naymes zeide: +"Spreekt Françoisch; ik en versta u niet." Als Naymes anders geen tale +van Reinout hoorde, zeide hij met arren moede: "Vaar henen, in Duivels +naam!" Toen nam Naymes Madelgijs' paerd bij den toom, en zeide: "Zegt +mij, waar de Jonkheer geboren is, die daar heenrijdt." Madelgijs +andwoordde in 't Vransch: "In Brittanje, Heer! hij is eens Graven kind, +maar zijn land en steden heeft hij verpand." Naymes zeide: "Zegt mij, +van waar hem dat Ros gekomen is: 't is sterk, groot, en snel. Bij mijn +geloof, 'k en zag er nooit zoo groot: 't heeft Beyaerts gang en +maaksel."—"'t Is geen wonder dat 'et groot is," was het andwoord, "want +'et at nooit anders dan haver en brood. 't Is hier, wijl die jongeling, +mijn Heere, gehoord heeft, dat de Koning deed roepen alle Ridders tot +zijner kroone, om ze met rennen te winnen, en dat de Koning 'et ros wil +koopen dat het snelste is, en geven et zijnen neve Roelant, om Reinout +daarmeê te dwingen—'t is daarom dat 'et hier gekomen is, de Jonker +hopende de kostelijke kroon te winnen."</p> + +<p>—"Hebdy van Reinout niet vernomen?" vroeg Naymes. Madelgijs andwoordde: +"Ik meene, dat hij nog achter is: hij heeft 'et sterk toegelegd op 's +Konings oneer." Madelgijs nam oorlof, en reed na Reinout; en Naymes reed +na Fouke en zeide: "Mij dunkt wij hebben een onnoozel stuk bestaan, dat +wij den koenen Reinout wilden wachten, want ik ben zeker, dat hij te +Parijs noch hieromtrent niet en kwame, al mocht hij daarmede gewinnen +heel Senlis, Blois en Amiëns." Fouke zeide: "'t Is waar! en verneemt dit +de koene Grave Reinout, zoo zal hij den spot met ons drijven."</p> + +<p>Toen keerden zij naar huis. Als de Koning Fouke zag, vraagde hij 'hoe t' +vergaan was; of ze Reinout gevangen hadden?'—"Neen wij, Heer Koning!" +antwoordde Fouke. Naymes zeide: "Heer Koning! ik zegge u dat wij een +onnoozel stuk bestonden, toen wij Reinout wilden wachten: want ik ben +zeker, dat hij te Parijs niet en kwam, al kon hij daarmede winnen +Amiëns en Orleans."—"Duc Maymes!" zeide de Koning, "gij spreekt +wellicht waarheid: maar Reinout is een van uw magen; ik wantrouw u des, +en zegge, dat gij 't wel eens met uw leven bekoopen kost—ware 't dat +mij Reinout ontkwame!"</p> + +<p>—"Welnu, Heer Koning!" zeide Naymes; "uit mijn raad zal u mijn trouwe +blijken! gij zult alle poorten doen sluiten, de vreemde Ridders en +Baroenen buiten laten, en in elke poort zetten 30 gewapende mannen: of +men Reinout ergends vernam, dat men hem vinge en tot u voerde!" Toen +zeide de Koning: "Heer Naymes! dat is goede raad!"</p> + +<p>Terstond dede de Koning al de poorten sluiten, en zett'e bij elke poort +30 gewapende mannen.</p> + +<p>En Reinout is met Madelgijs gekomen voor de poorte der stad, en klopten +aan; maar men hoorde ze niet. Als Madelgijs dit bemerkte, stak hij zijn +hoofd door het klinket<a name="FNanchor_2_50" id="FNanchor_2_50"></a><a href="#Footnote_2_50" class="fnanchor">[2]</a>, en zag daarbinnen een gewapend man staan; +dien sprak hij met schoone woorden toe, en zeide: "Mijn vriend! waarom +doet de Koning de poorten toesluiten! Des verwondert mij zeer? en dat +alle de Ridders hier buiten moeten blijven!... Meent de Koning, dat hij +al de goede paerden binnen heeft? Neen hij, hier is een beter buiten."</p> + +<p>Die goede man zeide tot Madelgijs: "'t Is om Reinouts wille gedaan!" +Madelgijs zeide: "Is het anders niet! Wat weten wij van Reinout! Maar ik +heb gehoord dat hij vóór of achter is, en het sterk op 's Konings oneere +heeft toegelegd."</p> + +<p>Bij Reinout stond een rabout<a name="FNanchor_3_51" id="FNanchor_3_51"></a><a href="#Footnote_3_51" class="fnanchor">[3]</a>, en zeide: "Zag ik ooit Reinout—zoo zie +ik hem nu: 't is de jongeling, die daar op 'et groote paerd zit: +Madelgijs heeft Beyaert met tooverije zoo veranderd." Beyaert verstond +dat zoo wel, of 't een mensch geweest ware, en sloeg den rabout voor +zijn borst, dat hij dood viel.—"Ach, wat vurig paerd!" zeide Madelgijs, +"'t heeft hier een knecht dood geslagen." Een Heer daarbinnen zeide: +"Dat ros heeft recht gedaan, want Beyaert is pikzwart, dit ros is +witter dan een sneeuw; ook kennen wij Reinout wel, want hij heeft een +gedaante van twee-en-twintig jaren; deze jongeling scheen geen vijftien +jaar." Men dede de poorte open en liet ze binnenrijden.</p> + +<p>Madelgijs vraagde na de beste herberge, in de stad; men wees ze hem; en +als ze voor de herberge kwamen, traden zij van hunne paerden; de paerden +werden in den stal geleid, en de Heeren gingen maaltijd houden.</p> + +<p>Als de Heeren gegeten hadden, gingen zij slapen; des nachts ontsprong +Madelgijs, en zong van blijdschap; stond op, en ging in den stal bij +Beyaert, bond hem den rechter voet en ging te werke met zijn konst, zoo +dat Beyaert veranderde van gestalte, en scheen zeer mager en lam te +wezen; ja 't en scheen niet waerd te zijn twee penningen. Reinout en +Madelgijs zadelden toen heimelijk hunne paerden, en reden buiten de stad +in een schoon plein, aan den kant der Seine, tegenovergesteld aan dien +van waar zij gekomen waren, wachtende daar dat de Koning gegeten +had.—Als de maaltijd ten Hove gedaan was, reed de Koning met zijn +Baroenen buiten; hem volgden al die naar den prijs wilden dingen. Die +geen goed paerd en had, was verdrietig.</p> + +<p>Als zij kwamen op de renbaan, daar de kroon was, reden Madelgijs en +Reinout mede onder de Heeren. En als zij Reinout zagen met Beyaert, dat +zoo zeer mismaakt scheen, dreven ze den spot met hem, zeggende: "Ziet, +deze zal nog heden den prijs behalen, en door zijn vaerdigheid de kroone +winnen; en 'et ros, dat zoo goed is, zal de Koning van hem koopen; en +geen geld daaraan sparen."</p> + +<p>Toen zij aldus met hem spotteden, zeide Reinout met zoete woorden: "God +mochte mij heden zoo veel gratie geven in mijn jonkheid, dat ik de +kroone wonne!" En daar stond een borger, die 'et hoorde, en zeide al +lachende: "Vriend! gij doet een billijken wensch: doch 'et ros mag u +kwalijk dragen; maar, vriend! doet mijnen raad, keert weder in de stad +en huurt eenen ezel voor dit paerd: die heeft lange zijden, en kan wijde +stappen maken."</p> + +<p>Intusschen gaf ze de Koning oorlof, dat ze zouden rijden om de kroone te +winnen; en die daar hadden de beste rossen bereidden zich voor, en +brachten hun zadeltuig in orde. Toen trad Madelgijs plotseling en ter +sluik van den paerde, ontbond Beyaerts rechter voet, deed zijne konste, +en Beyaert had zijn kracht te-rug, was snel en sterk als te voren.</p> + +<p>Madelgijs zeide tot Reinout: "Nu peinst om slim te handelen, neve! Met +zaligheid moogt gij keeren! Ik zal rijden door Parijs, en aan de andere +zijde van de Seine, daar zal ik u verbeiden." Hiermede nam Madelgijs van +Reinout afscheid; intusschen waren zij, die reden om de kroone te +winnen, een groot eind voor.</p> + +<p>"Beyaert, goed Ros," zeide Reinout, "zal een ander de kroone +winnen?—dat ware schande, Beyaert! gij moest u haasten, mij dunkt dat +gij traag zijt!" En Beyaert begon te loopen dat het alle toeschouwers +doodelijk vervaarde, die 'et zagen; want 'et liep met een verbolgen +moed, en vloog als 't ware een pijl geweest. En Carel, de oude Koning, +werd Beyaert gewaar, en zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! dat ros, dat +zoo snel loopt, zal ik nog t'avond koopen en geven 'et u; ziet, dat gij +dan daarmede Reinout meester wordt: want beziet dat ros wel: 'et heeft +een loop als Beyaert: ware 't zoo wel zwart als wit, ik zoû zeggen dat +'et Beyaert ware."</p> + +<p>Onder deze woorden, die de Koning tegen Roelant hadde, heeft Reinout +verre vóor de andere paerden de kroone bereikt, heeft ze genomen van de +staak waar zij op stond; reed met Beyaert in de Seine en voerde de +kroone wech.</p> + +<p>Dit schokte den Koning diep, hij draafde een eind weegs langs den oever, +verhief zijne stemme en riep: "Vriend! geeft mij de kroone weder; ik zal +ze vier werf met goud opwegen, en uw ros, dat zoo snel van voeten is, +wil ik koopen van u, en geven daarvoor wat gij eischen kunt." Reinout +andwoordde: "Heer Koning! dit Ros is mijn! Waar woudt gij vinden een ros +zoo groot als Beyaert, en dat hem zoude onderloopen? In al de waereld +niet! Ik heb de kroon gewonnen; ik wil 'et goud nemen dat er aan is, en +geven 'et die mij dienen: ik zeg u, Heer Koning! zaagdy ooit +Reinout—zoo ben ik 'et." Als dit de Koning hoorde, veranderde hem zijn +bloed, en hij riep met smerte: "Reinout-neve! ik bid u, geef mij mijne +kroone weder!" Reinout zeî: "Heer Koning! ik doe des niet, de kroone is +mijn; de steenen die er aan staan zal ik tot Montalbaen zetten, dat ze +een ieder kan zien. Geen koopman behoort ze te dragen: 't is beter dat +Beyaert, dat goede Ros, ze draagt. Zoo ik verneme, wildy een koopman van +paerden zijn! Gij zoekt een paerd, dat Beyaert onderloopen zoû!... Dat +mist u, Heer Koning! Hier is de bloem der paerden!"</p> + +<p>Aan den overkant der Seine kwam nu Madelgijs met grooter haast +aangereden, en riep luide: "Hebdy de kroone gewonnen, Reinout-neve?" +—"Ja, oom!" zeide Reinout, "dank zij God en u, oom Madelgijs!"</p> + +<p>—"Eilaas," zeide de Koning, Madelgijs herkennende, "'t en zoû ons niet +baten, Heeren, of wij in de Seine reden; want deze dede met zijner +tooverije ons allen verdrinken!" Madelgijs riep van verre: "Heer Koning! +gij zegt waar!" Meteen sprong Reinout op Beyaert, en Madelgijs op zijn +paerd, en reden tot hun gezellen; en Reinouts broeders en 'et volk, dat +hem verwachtte, waren blijde dat Reinout met de kroone kwam. En zij +reden te zamen in Montalbaen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_49" id="Footnote_1_49"></a><a href="#FNanchor_1_49"><span class="label">[1]</span></a> '<i>'t En dede God met zijn Gratie, Reinout wierd gevangen</i>: +Reinout werd gevangen, of God moest er met zijn genade tusschenkomen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_50" id="Footnote_2_50"></a><a href="#FNanchor_2_50"><span class="label">[2]</span></a> <i>klinket</i>, ook <i>winket</i> genaamd: hier een luikjen in een +poortdeur.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_51" id="Footnote_3_51"></a><a href="#FNanchor_3_51"><span class="label">[3]</span></a> <i>rabout</i>: slechte knaap.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL" id="HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL"></a>HET ACHTTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel—Koning Ywein ontbood, toen hij Hof +hield, en Ywein beloofde, dat hij Reinout met zijne +broeders leveren zoude in Koning Carels geweld. </p></blockquote> + + +<p>Als Reinout en Madelgijs dus van den Koning gescheiden waren en hem de +prachtige kroone ontvoerd hadden, was 'et den Koning zeer droevig; want +Pinxteren begon te naderen, dat de Koning Hof houden zoude: zoo dat hij +een andere kroone moest doen maken.</p> + +<p>Koning Carel ontbood al zijn vrienden en magen, en allen die onder hem +waren, geestelijke en waereldlijke; en in zonderheid deed hij Koning +Ywein aanzeggen, dat hij tot hem kwame. Als Koning Carel de Heeren ten +Hove had, die hij begeerde, hield hij Feeste met groote vreugde. En als +de maaltijd gedaan was, stond Koning Carel op, en riep Ywein tot hem, en +ging met hem in een duistere welf.</p> + +<p>Toen zeide de Koning tot Ywein: "Ik bid u, dat gij mij levert Reinout en +zijn broeders: ik zal geven vier paerden met goud beladen: opdat ik moog +wreken de dood van mijnen zone!" Als Ywein dit hoorde, en daar was +niemant bij, die hem ten goede ried, werd hij overwonnen, vermids het +goud, dat hij beminde, en nog meer vermids de vreeze, die hij had van +Koning Carel, en zeide: "Heer Koning! wilt gij mij vier paerden met goud +beladen geven, ik belove Reinout met zijn broeders te leveren. En opdat +het zijn moge zonder gevaar voor u-zelven, zal ik ieder doen zetten op +een muildier, zonder wapens; dat gij er uwen wil mede kunt doen." Koning +Carel zeide: "Keeren wij in de zale!"—"Maar laat niemant van ons opzet +vernemen, die 'et Reinout zeggen zoude:" andwoordde Ywein; "want vernam +hij 'et, hij zoû mij dooden. En als gij ze hebt, bewaart ze dan wel; +want ontgaan zij u, Reinout zal mij dooden."—"Vreest niet," zeide +Koning Carel, "komen de Ridders binnen Vaucoloen, ik liet ze mij niet +ontgaan om geen goed."</p> + +<p>Koning Carel en Ywein hebben dus hun raad besloten en zijn in de zale +gekomen, en alle de Heeren, die daar waren, deden hun eerbiedenis. En +Ywein heeft terstond aan Koning Carel oorlof genomen en aan de andere +Heeren, en reed met haaste na zijn land.</p> + +<p>En de Heeren, die bij Koning Carel feest gehouden hadden, namen oorlof +aan den Koning en wouden te huis reizen. "Gij Heeren!" zeide de Koning, +"ik laat u niet vertrekken; gij zult varen te Vaucoloen, en wachten daar +Reinout en zijn broeders: want ik hebbe hem van Ywein, zijn zweer<a name="FNanchor_1_52" id="FNanchor_1_52"></a><a href="#Footnote_1_52" class="fnanchor">[1]</a>, +gekocht, hij zal ze mij leveren te Vaucoloen, om 20000 kronen, zonder +harnas of wapen, en elk een mantel omhebbende. En als ze daar komen, +ziet dat gij ze vangt; ik zal u hun hoofden vier werf opwegen met goud." +Daar waren der Heeren vele, die zich blijde betoonden van des Konings +woorden, want zij hadden het goud lief.</p> + +<p>Tot Fouke zeide Koning Carel: "Ik make u Constapel<a name="FNanchor_2_53" id="FNanchor_2_53"></a><a href="#Footnote_2_53" class="fnanchor">[2]</a> van den heire." +Fouke zeide: "Heer Koning! ik zal mijn best doen, om uwen wille te +volbrengen." Terstond maakten hen de Heeren reede, en togen na +Vaucoloen, om Reinout en zijn broeders te wachten.</p> + +<p>Koning Ywein, die deze verradenis plegen zoude, is in Gascongiën +gekomen, en gereisd na Montalbaen, om Reinout met zijn broeders daar te +vinden. Hij vond ze daar echter niet: want zij waren op dit pas ter +jachte te Bordeas in 'et woud.</p> + +<p>God gaf ze zoo veel wild te vangen, als zij op vier paerden laden +mochten en hiermede keerden ze naar huis. Als zij buiten 'et bosch +kwamen, zagen zij een teeken aan de lucht; Reinout liet het hoofd hangen +op zijnen schilde.</p> + +<p>"God zij met u, Reinout-broeder!" sprak Adelaert; "waarom zie ik u dus +bedroefd?" Reinout zeide: "O broeders! mijn hoofd doet mij zoo wee, dat +ik niet en weet waar ik blijve." Adelaert zeide: "'t En is geen wonder: +want wij hebben te lange gejaagd."</p> + +<p>Eindelijk kwamen ze bij Montalbaen: daar zag Reinout op de tinnen van +Montalbaen veel volks liggen. "Helpt, Maria Moeder Gods!" riep Reinout +uit: "wie mag wezen op de Montalbaen; Ik ducht iets kwaads. Clarisse, +mijne Vrouwe, waar mag zij zijn? Madelgijs, mijn oom, heb ik er mede +achtergelaten!"</p> + +<p>En een ridder die binnen Montalbaen was, reeds hem te gemoet, en zeide: +"Reinout, Edel Grave! zijt niet vervaard: Koning Ywein is gekomen, om te +zien hoe gij al vaart en doet." Reinout andwoordde: "Wellekom moet hij +zijn!"</p> + +<p>Als Reinout te Montalbaen kwam, zoo ging hem Ywein te gemoet, en Reinout +dede hem eerbiedenis en zeide: "Heer Koning! weest wellekom!" Ywein +zeide: "Reinout ik hebbe u zeer noodig gehad." —"Waarom hebt gij mij +niet ontboden?" zeide Reinout; "ik ware met mijn volk gaerne gekomen, +met 3000 man, als het u welgevallig had kunnen zijn."</p> + +<p>—"Dat betrouwe ik wel, Reinout!" zeide Ywein; "maar daar en is geen +betere boodschap, dan een man zelver doet: ik heb intusschen uw +boodschap getrouwelijk gedaan aan Koning Carel, en uwen peis gemaakt." +Als Reinout hem deze woorden hoorde spreken sprong 'em 'et herte op van +vreugde; hij zeide: "God geve u daaraf uw loon! zoo blijde was ik mijn +leven niet. Maar zegt mij, Heer Koning! wat zoen zal ik mijnen oom +bieden? zal ik voor den Koning op de kniën vallen?" Ywein zeide: "Gij +zult met den Koning verzoenen te Vaucoloen; daar zuldy hem smeeken, +wollen en barvoets."</p> + +<p>Als Ywein dit zeide, wilde Reinout hem kussen aan zijnen mond: des +ontzett'e de verrader, en zeide: "Reinout! en kust mij niet, want mijn +hoofd doet mij zoo wee, dat ik 'et niet lijden en mag."</p> + +<p>—"Ik zal varen tot Vaucoloen," zeide Reinout, "en nemen met mij 300 +mannen, voor 't geval dat men verraad tegen mij gesmeed hadde, dat ze +mij en mijn broeders te hulp kwamen!"—"Dat en mag niet zijn," +andwoordde de Koning: "gij en uw broeders moet alléén derwaards trekken; +gij moogt ook Beyaert niet medenemen; want uw peis is zoodanig gemaakt, +dat gij met uwe broeders oodmoedelijk moet rijden op muildieren van +Arragon, zonder wapens in uwe kleederen."</p> + +<p>Reinout zeide: "Die woorden zijn voor niet: zoû ik zoo in Vaucoloen +varen? En als mijn peis eens niet gemaakt was tegen den Koning?" Ywein +zeide: "Ik zeg het u, bij al dat leeft, uw peis is gemaakt!"</p> + +<p>—"Ik zal mij gaan beraden met mijn broeders en mijner vrouwe," zeide +Reinout: hij ging en vond ze te zamen in de zale. Reinout zeide: "Lieve +vrouwe! wilt ons helpen raadplegen: uw vader zegt dat mijn peis gemaakt +is, en dat ik en mijn broeders moeten varen in Vaucoloen, ter zoene van +onzen oom, wollen en barvoets. Ach, mocht e't waar zijn, dat ik mijn +peis hadde, ik en waar niet zoo blijde, al gaf men mij half Vrankrijk!"</p> + +<p>—"Lieve Heere!" zeide Vrouw Clarisse, "ik rade u, dat gij daar niet en +komt: want in waarheid zeg ik u, te nacht als ik te bedde lag, zoo dacht +mij dat ik zag in mijn droom ons goed Ros gewond door de speer van een +verrader: dat doet mij angstig zijn voor u, zijn meester. Heer! blijft +in uw kasteel, zoo hebt gij geen zorge. Zendt een verspieder in +Vaucoloen, die eerst zal vernemen of gij vrij varen kunt of niet."—"Zoû +ik vreezen, tedere vrouwe?" riep Reinout; "neen, ik zal rijden te +Vaucoloen en voor den Koning niet schijnen hem te mistrouwen."</p> + +<p>—"Lieve Heere!" zeide de Vrouwe toen, "doet dan voor 't minst wat ik u +zeggen zal: bidt mijn vader, dat hij met u vare met al zijn Ridders, wel +gewapend: zoo mag u geen kwaad geschiên: want, acht! ik ben zoo zeer +bezorgd voor uw leven, Edel Heere. Maar is 't dat hij mede rijden wil, +zoo gaat—gij en uw broeders. En is 'et dat hij 't niet doen en wil, zoo +smeek ik u nederig, vaart er niet! want ziet, bij mij staat vast, dat de +vaart verschrikkelijk voor ons zal zijn."</p> + +<p>Met-een keerden zij al t'zamen uit de kamer, en gingen tot den valschen +Koning Ywein. "Heer Koning!" zeide Reinout, "ik bidde u, dat gij mij met +uw Ridders geleidt in Vaucoloen: zoo mag ik veilig keeren en het lijf +behouden." De Koning zeide: "Edele Ridder! 't en mag niet zijn, want uw +peis is alzoo gemaakt met Koning Carel, dat gij met uw broeders alleen +moet varen zonder wapen, zwaerd noch Beyaert. Ik zal hier uw plaats +vervullen, en 't kasteel bewaren. Gij hebt nergends voor te zorgen." Als +de Edele Vrouwe haren vader deze woorden hoorde spreken, trad zij dicht +bij Reinout en zeide: "Liefste! mag ik u iet bidden, o trekt dan +derwaards niet: eilaas, eilaas, ik zegge u, dat mijn vader u verraden +heeft." Reinout ontstelde bij deze woorden: "Wat lastert gij uw vader!" +sprak hij; "waarom zoude hij mij verraden tegen mijnen oom? wat heb ik +hem misdaan? Bemint hij ons en onze schoone kinderen niet, die God ons +geschonken heeft? Ziet toe, wat gij van deze te wachten hebt, zoo gij +kwaad zegt van uwen vader! Raadt ons niet wat t' onzer schande ware, +vrouwe! Ik zeg u: ik en mijn broeders zullen in Vaucoloen rijden en den +voetval doen."</p> + +<p>Met deze woorden nam Reinout oorlof, en Koning Ywein dede de muilen +halen, en de mantels daar ze in rijden zouden.</p> + +<p>De schoone Clarisse was zeer bedroefd, en had om Reinout groote rouwe; +zij riep Ritsaert, zeggende: "Edel Ridder! Ik bid u, neemt deze vier +zwaarden en voert ze heimelijk mede: want wist 'et Reinout, hij zoû niet +gedoogen dat gij ze medenaamt; en ik ducht, helaas, dat gij ze wel van +doen zult hebben." Ritsaert dankte haar zeer en ontving de zwaerden, en +verborg ze onder zijne kleederen.</p> + +<p>Zij namen oorlof, en Reinout met zijn broeders lieten Montalbaen; de +Vrouwe weende zeer en bad dat ze God in zijne hoede nam!</p> + +<p>Als Reinout een stuk gereden had, hief hij een liedeken aan, dat hem 'et +herte vervrolijken mochte. "Broeder!" zeide Adelaert, "een man, die in +dus zwaren oorloge en gevaar is, behoort niet te zingen."—, "Gij zegt +waar, broeder," zeide Renout; "mijn hert is zoo beklemd dat ik niet en +wete wat 'et beduiden mag: ik bidde God dat hij ons behoede!"—"Hoe is +'t u, broeder?" zeide Adelaert; 't is u toch anders niet dan wel?" +Reinout andwoordde: "Mijn hert, broeders! zegt mij enkel goed: dus laat +ons in Gods naam voorttrekken: God geve ons alle ding ten beste!"</p> + +<p>Aldus reden zij zoo lange, dat zij bij Vaucoloen kwamen. Met-een heeft +Reinout Fouke bespeurd. "Helpe 't H. Cruis!" riep Reinout: "ik geloof +wij varen in den dood: zaagt gij Foukens standaart niet daarginds?" Toen +zeiden de broeders: "Reinout laat ons vliên, want Koning Ywein heeft ons +verraden."—"Ik hope nog door Gods genade, dat Koning Ywein zulk verraad +niet zoude plegen!" zeide Reinout.</p> + +<p>Als de broeders deze woorden te zamen hadden, zoo heeft ze Fouke gezien, +en riep tot zijn volgers: "Gij Heeren, maakt u bereid; ginder komt de +Grave Reinout met zijn broeders gereden, op muilen van Arragon!" Fouke +was koen genoeg; hij sprong met haaste op zijn Ros, het schild aan den +hals, nam een spere in de hand, en stak zijn paerd met sporen. En als +hij bij Reinout kwam, zeide hij: "Geeft u gevangen! Gij hebt Beyaert, uw +goede Ros, door kwaden rade achtergelaten: want ik zal u alle nemen en +binden, en zenden u den Koning, die zal u doen hangen."</p> + +<p>Reinout andwoordde: "Ik hope, dat gij niet en zult; en 't bij het woord +zal blijven. Van zulker dood wil God ons beschermen! Maar ik bidde u, +wilt mij helpen aan mijnen peis tegen den Koning! Laat mij doorrijden, +opdat ik den Koning te voet valle!"—"Ik zegge u, Reinout," antwoordde +Fouke; "uwer vrouwe vader, Koning Ywein, heeft u verraden en verkocht om +20000 kroonen."</p> + +<p>Toen vervolgde hij: "Reinout! gij moet gevangen met mij varen tot den +Koning!" Reinout zeide: "Dat zult gij gelogen hebben, alzoo helpe mij +God! Met geweld vangt gij mij niet, dat zegge ik u. Ik had mij liever +dood te vechten." Als Fouke Reinout deze woorden hoorde spreken, werd +hij met toorn ontstoken, en velde zijn spere en wilde Reinout +doorsteken. Reinout wachtte den steek niet af, en liet zich snel van den +muile nederglijden. Nochtans geraakte Fouke met der spere wel drie +vingerbreedten diep, en de punt was al bloedig: als Adelaert dit zag, +riep hij: "Reinout is dood!" Reinout zeide: "Zwijg, gij dwaas! 'k en +hebbe geen nood."</p> + +<p>Maar Ritsaert, nu ziende dat Reinout gekwetst was, sprong voor uit en +gaf hem het goede zwaerd Florenberge, zeggende: "Dien zendt u mijn +vrouwe Clarisse en zegt u: 'hadt gij gedaan haren raad, 't waar ons ten +goede gekomen;' zij kende haar vader, den Koning, beter dan gij, +broeder." Als de Edele Reinout Florenberge zag, werd hem 'et herte +lichter. "Waar zijt gij, Fouke van Morlioen?" riep hij uit; "God geve u +schande en verdriet, zoo gij Carels last niet uitvoert. Vangt en bindt +ons nu, en zendt ons tot Koning Carel; ik heb Florenberge in de hand, en +anders geen wapen: zijdy koen, zoo komt nader!" En Fouke wendde zijn +paerd met grammen moede, en reed, gevolgd door zijn benden, op Reinout +aan.</p> + +<p>Intusschen had Ritsaert elk een zwaerd gegeven, en Fouke meende Reinout +met kracht te doorrijden; maar Reinout hief Florenberg op en hieuw de +speer aan twee. Hij greep Foukens paerd bij den toom: en sloeg Fouke zoo +vervaarlijk door den stalen helm heen, dat hij hem kloofde tot de borst. +"God zij geloofd!" riep Reinout: "nu zuldy ons niet hangen of gevangen +voeren den Koning."</p> + +<p>Met-een sprong Reinout op Foukens ros, dat sterk en groot was, en menig +mark gouds waerdig. Binnendien dat Reinout dit ros beschreden hadde, +hebben zijn broeders elk een François van den paerde geveld en de rossen +bestegen. Zij renden voort, samen uitroepende: "Slaat dood! en vlieden +wij—want wij worden gevangen of moeten sneuvelen! Koning Ywein heeft +ons verraden."</p> + +<p>—"Zwijgt broeders!" zeide Reinout: "ik hebbe Florenberge in mijn hand; +wijk ik heden eenen man—God verbiede mij zijn Rijk!" De broeders werden +stoutelijk aangevochten; en daar was het gekrijsch der strijdenden en +vallenden groot. Reinout vocht als een grimmende leeuw, en zijn +broeders desgelijks: zij streden van 's morgens tot overmiddaags.</p> + +<p>Toen zeide Reinout, de Edele Grave: "'t Is verwonderlijk, dat wij zonder +harnas en nog levende zijn! broeders, treedt van uw paerden en doet aan +de wapenen van hen, die daar verslagen liggen; 'et is van noode: ik zal +u beschermen, dat u niemant misdoe." Met deze woorden traden Reinouts +broeders van den paerde en wapenden zich haastelijk, en namen de +harnassen van vier Edelingen, welke zij aantrokken, en het vierde gaven +zij Reinout. Adelaert zeide: "Broeder! treedt van uw paerd en doet deze +wapens aan; wij zullen u beschutten, dat u niemant misdoen zal." De drie +broeders zaten op hun paerden, en hielden zich vast bij malkander om +Reinout te beschermen, die afgestegen was, om het harnas aan te doen.</p> + +<p>Maar eer Reinout de wapenen aan hadde, kwam Werrijn van Morlioen met +veel volks aanrijden, om de Heeren krachtelijk te verslaan. Eer Reinout +te paerde kon komen, was Adelaerts halsberg doorgeslagen, en Ritsaert +gewond en werd gevangen van Werrijn van Morlioen. "Ik zal u terstond +zenden den Koning van Vrankrijk, die u niet gave om al het goed van de +waereld," zeide Werrijn; "hij zal u doen hangen te Montfaucon." Ritsaert +andwoordde niets.</p> + +<p>Daarop gebood Werrijn vier-en-twintig Ridders naauwe zorg te dragen, dat +Risaert, dien ze gevangen in Vaucoloen zouden voeren, 'et niet ontging.</p> + +<p>Reinout zat gewapend op zijnen paerde; hij zag om, en miste zijnen +broeder Ritsaert. "Waar is Ritsaert?" riep hij ontrust. "Gevangen —van +Werrijn!" klaagde Adelaert. "Zoo gaan wij!" galmde Reinout, "en +ontzetten hem!"</p> + +<p>—"Helaas, wat vermag ik?" sprak Adelaert; "mijn halsberg is doorslagen: +Ritsaert is zeer gekwetst; 't en zij God het anders wille, moet hij er +af sterven, 't Is beter Ritsaert-alleen verloren, dan wij alle."</p> + +<p>—"Wat waagt gij te zeggen, ellendige!" riep Reinout; "zullen wij +lijden, dat men Ritsaert voor onze oogen gevangen wechvoere en zende hem +den Koning, die hem hangen zoû, ware 't dat hij hem kon meester worden? +Geviel 'et dan nog, dat wij tot peis geraakten met Koning Carel, wat +zoû men zeggen?—'Ziet, daar rijden Heymijns Kinderen, die tegen Koning +Carel strijden wilden: schande over hen—want de Koning heeft éen +broeder doen hangen; en deze hebben zich voor hem niet dood gevochten!"</p> + +<p>Met een heeft Reinout zijn Ros met sporen geslagen: 't was het paerd, +dat hij op Fouke won, en men waerdig prees 1000 pond: maar het docht +Reinout zwak en traag en hem niet waerd een mijte<a name="FNanchor_3_54" id="FNanchor_3_54"></a><a href="#Footnote_3_54" class="fnanchor">[3]</a>: zoo veel was +Beyaert sterker en snelder. Inmiddels hebben de Ridders Ritsaert +gevangen gesteld op een paerd, en bonden zijne beenen met den +stegelreep; zij reden naar Vaucoloen, en gaven hem onder wege menigen +slag, zeggende smadelijk tot Ritsaert: "Nu zijdy gevangen en moogt niet +ontgaan of verdingen; wij zullen u korts leveren Koning Caerle; die u +zal doen windewaayen aan een boom." Ritsaert zeide in hem-zelven: "O +genadigde God! ontfermt u mijner want mijns levens is gedaan: Ai, +Reinout, lieve broeder, ik bid God u te bewaren van misval, en al mijn +broeders: mij ziedy nu nimmer weêr."</p> + +<p>Pas had Ritsaert deze woorden gezeid, of Reinout kwam—niet als een +mensche, maar als een duivel: en riep luide: "Staat, gij booze +truwanten! en laat uwen roof!" De Ridders zagen om en waren van Reinout +zeer vervaard, en zeiden tot malkander: "Ginder komt Reinout: zijn toorn +is als die van een leeuw: 't is vliedenstijd: voort! of wij blijven alle +dood."</p> + +<p>Maar Reinout vloog reeds nader; hij sloeg den eersten Ridder, dien hij +nabij kwam in tweeën: doodde nog twee andere: de overigen boden geen +weer, en vloden wat zij mochten: dus verloste Reinout zijn broeder en +zeide: "Hoe is 't broeder! zijdy zeer gewond?" Ritsaert andwoordde +blijde: "Neen ik, broeder! mij is niet gedeerd, God zij lof!"</p> + +<p>Toen zeide Reinout: "Foei, gij bloo kalf, die u zonder weer ter +slachtbank laat leiden! deze reize zal ik 'et vergeven; maar ik zweer u +voor God: gevalt het u weêr—ik zal u niet ontzetten." Ritsaert zeide: +"Gelooft mij, broeder! ik en mocht het niet gebeteren: mijn ros bleef +onder mij dood: eer ik mij op konde richten was mij mijn zwaerd benomen: +dus werd ik gevangen." Als zij deze woorden samen hadden, was Werrijn +weer naderbij gekomen, en reed met kracht op Reinout; hij stootte hem +onvoorziens zoo duchtig met een spere, dat hij gants verdoofd zat in den +zadel.</p> + +<p>"Gij, valsche tyran!" riep Werrijn, "gij hebt mijn broeder verslagen, +den Edelen Fouke van Morlioen: kwalijk moet gij varen! Nu zal ik u +binden en zenden u Koning Caerle, die u te Montfaucon zal doen hangen."</p> + +<p>Maar Reinout was reeds weêr bekomen, en verhief zijn zwaerd met zulke +kracht, dat hij hem 'et hoofd kloofde; hij viel dood ter aarde. "Bindt +mij nu, Werrijn! en zendt mij en mijn broeders den Koning!" riep +Reinout.</p> + +<p>En Werrijns volk zag dit en zij begonnen te beklagen, hunnen Heere, en +zeiden: "Helaas, wij zijn nu al verloren, want onze Heere is dood: dat +heeft Reinout gedaan: hij meende Reinout te vangen, maar 'et was om +niet: hij heeft 'et met de dood bekocht."</p> + +<p>Maar nu kwam de Grave Calon ter hulpe van Werrijns volk: de Grave reed +op Reinout, en stak hem zijn ros dood. Reinout sloeg den Grave, dat hij +van den paerde viel: Reinout sprong daar op; dus hadde Reinout twee +rossen van dien dage. Hij reed daar hij 'et heir 'et dikste zag; brak +hun slagorde, en de broeders sloegen, tot in den avond, zoo vreeselijk +om zich rond, dat Roelant, Olivier of Ogier nooit zoo mannelijk en +vochten als deze broeders deden.</p> + +<p>Onder des werd Writsaert zoo onmachtig, dat hij hem niet meer verweeren +konde; 'et bloed ging van zijn herte, zoo dat hem zijn leden begaven en +hij viel in onmacht.</p> + +<p>Als Reinout dit zag, was hij droevig en riep: "Waar zijt gij, broeder +Adelaert! hier ligt verslagen onze broeder Writsaert." Toen zeide +Adelaert: "Gedoogt 'et God, wij zullen er ons wrake af nemen." De Grave +Calon bevocht Reinout scherpelijk en benaauwde hem te voet en te paerde.</p> + +<p>Die toen Reinout hadde mogen zien vechten en zich beschermen van den +dood, hij zoude hem geprezen hebben boven eenig Ridder!</p> + +<p>Adelaert vocht mede als een vroom krijgsman; zoo dede ook Ritsaert: +maar de macht van den Grave Calon was zoo groot, dat zij die op den duur +niet wederstaan en konden.</p> + +<p>Als Reinout dit zag, nam hij zijn broeder Writsaert om het lijf, en liep +met haaste na een der rotsen, die de strijdplaats omgaven. Zijn broeders +volgden hem na en beschermden hem, en Reinout bracht Writsaert op de +rotse, en lelde hem neder op eenen vlakken marmersteen.</p> + +<p>Daar kon hen niemant genaken dan door eenen nauwen weg. Daar was veel +steens: die droegen zij bij-een. Zij werden vervolgd tot de rotse toe, +en strenglijk met pijlen en werpspiesen beschoten. Reinout wierp zoo +snel met zware steenen, dat niemant de rotse genaken en dorst; zij +bleven dood, man en paerd: de broeders weerden zich treffelijk.</p> + +<p>Als Calon zag dat hij de rotse niet winnen mocht, was hij zeer droevig.</p> + +<p>Ook de Grave Ogier was in den velde, en klaagde overluid, Haymijns +Kinderen ziende: "Eilacen, zoete neven! gij—lieden moogt u wel klagen +vriendeloos; want ieder heeft u thands begeven! Ik zoude u gaerne +helpen, maar ik en durf niet om het ontzag van den Koning. Maar mag ik u +niet helpen, zoo en wil ik u niet deren: mij kome daar af dat mag."</p> + +<p>Dit werd den Grave Calon overgebracht, en de Grave Calon riep tot Ogier: +"O Edel Grave Ogier! gij zijt een verrader!"—-"Calon, gij liegt +daaraan!" riep Ogier toornig: "ik zegge u, dat ik nimmer een verrader +wezen zal: ontzag ik den Koning niet, zoo hadt gij dit woord reeds +geboet."</p> + +<p>De Grave zeide ander werf: "Ogier! zoo gij durfdet—gij zoudt +verradenisse plegen." Ogier keerde hem om, hij en mocht die woorden niet +langer verdragen, en zeide: "Nog zegge ik, ontzage ik den Koning niet, +ik zoude u met mijn zwaerd in stukken klieven, zoodat gij mij nimmermeer +betichtet met verradenis."</p> + +<p>De Grave Calon belachte hem, en zeide: "Gij hebbet den Koning te menige +stede getrouwelijk gediend—maar nu faaldy!" Ogier andwoordde: "Ik zeg +u, Heer Grave Calon! het waar misdaan, zoo ik mijn magen vinge, om ze +den Koning en de dood der schande te leveren: maar believe 't u, zoo +wil ik bij hen gaan, en vragen hen, of zij zich opgeven willen of nog +langer strijden."</p> + +<p>—"Zoo doet," zeide de Grave Calon; "ik zal al mijn volk achterwaards +doen trekken van de rotse: zoo zal men haast zien, of gij verradenis +pleegt of niet." En de Grave Calon deed al zijn volk van der rotse +trekken, en Ogier ging derwaards. Als hij zoo na stond, dat men hem +verstaan mocht, riep hij luide: "Reinout-neve! en werpt niet: de Grave +heeft mij tot u gezonden, en doet u vragen of gij u opgeven wilt?"</p> + +<p>—"Verrader!" andwoordde Reinout; "hoe kunt ge mij en mijn broeders +begeven? Ik zegge u, mag ik van den strijd wederkeeren, gij zult een +vijand aan mij hebben. Trek achterwaards Ogier—want, zoo helpe mij God! +ik werpe u met eenen steen, dat gij en uw paerd dood blijven." Toen +zeide Ogier: "Neve, zoo deedt gij kwaad: want miskwame u iet, het waar +mij leed."</p> + +<p>Ogier zag Reinout met zijn broeders op de kniën liggen, en zeide: +"Reinout-neve rust u, want mij dunkt dat gij moede zijt!" Reinout zeide: +"Verrader, hoe moogt gij ons, uwe magen, begeven?" Adelaert zeide: +"Vaart te Gode, neve, vaart wel! Gij begaaft ons nooit als nu, dat 't +ons leedst is. Gij weet wel, hoe 't met ons staat. Eilacen, mocht ge ons +nog verkrijgen vrede tegen Calon, des baden wij u nog: wij willen hem +dienen." Toen zeide Reinout: "Broeder vraagt hem niet! wij zijn den +verrader Ogier zoo na verwant, dat hij ons met recht helpen zoude: nu +zegt hij 'ik en durf niet om den Koning;' maar ik zegge dan ook, indien +mij God spaart, dat ik van den strijd wederkeere een doodvijand heeft +hij aan mij!"</p> + +<p>Ogier zeide: "Blijft met God, lieve neven; en wat gij doet, en ruimt +deze rotse niet." Adelaert zeide: "God, die voor ons stierf, moge u +geleiden!"</p> + +<p>Hiermede scheidde Ogier van de rotse en reed tot den Grave Calon. En als +hij kwam, zeide Calon: "Ik zie wel, Ogier! gij wilt verradenis plegen." +Ogier zeide vertoornd: "Gij liegt, valsche Grave; ik zegge u, ontzag ik +niet den Koning, ik sloeg u 'et hoofd van den lijve. Maar wij hebben +hier hooger zake: dunkt het u goed —ik zal vertrekken, en gij zult met +uw volk tot de rotse gaan en vragen mijn neven of zij de rotse opgeven +willen; en ik zal met mijn volk gaan liggen op een anderen berg, +wachtende of hun eenige bijstand opdaagt; en komt hun eenige hulpe, ik +zal er doorslaan met mijn volk, dat 'et hun gruwen mag."</p> + +<p>Deze raad dochte Calon goed, en hij belegde den berg met zijn volk; en +Ogier trok op eenen anderen, om de doorgangen te bewaken.</p> + +<p>Toen nu Reinout, de Edele Ridder, met zijn broeders dus zorglijk was +belegerd—had hij achtergelaten te Montalbaen een Klerk, die hem zeer +lief had. Hij zag des nachts in de sterren dat Reinout van alle kanten +bedreigd werd, en ontzett'e men hem niet met zijne broeders, zij +onredbaar verloren waren: want deze Klerk was een wijs astronomus, en +vond ook in de sterren dat Ywein ze verraden had.</p> + +<p>Als de Klerk dit aldus gezien hadde, was hij bedroefd en ging in de +burchtzale te Montalbaen. Madelgijs trad juist uit een kamer en riep tot +den Kok en Drossaart: "Ziet, dat gij ons te avond genoeg bereidt: want +Reinout met zijn broeders zullen t'huis komen; dus legt in elken schotel +een zwaan, een roerdomp, een kraan, en een reiger."</p> + +<p>De Klerk hoorde Madelgijs dit zeggen, en sprak droef: "Helaas, Reinout +zal te avond niet keeren: want te nacht als ik in den sterren zag, vond +ik aan den Hemel, dat Reinout met zijn broeders verraden zijn, en op een +berg belegerd: is 't, dat men hun niet schielijk te hulp komt, zij +blijven er al dood, deze berg is gelegen bij Vaucoloen." Madelgijs werd +met leed over zijn neven bevangen, trok een mes en wilde zich-zelven de +dood geven; maar de Klerk sprong aanstonds toe, weerhield de hand daar +hij 'et mes in had, en ontwrong 'et hem met geweld. "Madelgijs! wat wilt +gij doen!" riep hij; "al hadt gij u gedood, daarmee waren uwe neven niet +verlost; gaat liever, en bereidt u, als Koning Ywein met zijn volk +slapen; vergadert dan al uw vrienden die u helpen willen, en doet uw +wapenen aan en rijdt ze ter hulpe: neemt Beyaert met u." Dit docht +Madelgijs goed; en terwijl Koning Ywein met zijn volk sliepen, ging +Madelgijs en blies den hoorn en vergaderde zijn volk; toen ging hij in +den stal daar Beyaert stond; maar als Beyaert—Madelgijs zag, sloeg hij +naar hem, en sprong achterwaarts. Madelgijs meende 'et zadel op Beyaert +te werpen, maar Beyaert wilde 'et niet dulden en sloeg tegen den zadel, +dat 'et tegen den balk vloog. Madelgijs voer op met toornigen moede, +greep een stok en sloeg daar Beyaert mede, dat hij op zijn achterste +voeten zat; toen nam het Ros een sprong en beet na Madelgijs: hadde hij +'t niet ontloopen, 't hadde hem ter dood verwond. Toen zeide Madelgijs, +op een afstand staande: "Beyaert, kwalijk moest du varen! Schaam dy, dat +du mij dus bijts en slaagst: want Reinout, de Edele Grave, die dy zoo +veel goed gedaan heeft, is in bijster groote nood, en moet het leven +verliezen, is 't dat du niet en helpst."</p> + +<p>Als Beyaert dit verstond, knielde 't voor Madelgijs.</p> + +<p>Nu nam Madelgijs 'et zadel en wierp 'et op Beyaert, en gordde 'et hem +met vier banden. Toen ging Madelgijs zich wapenen, en als hij gewapend +was, sprong hij op Beyaert, en nam een schild aan den hals en een sterke +speer in de hand, en reed na Vaucoloen.</p> + +<p>Hij had verzameld in zijn hulpe 1500 mannen, vroom ter wapenen en wel +voorzien van harnas; die alle begeerden Reinout te ontzetten. Madelgijs +konde Beyaert niet zoo bedwingen, of 'et sprong altijd tegen zijnen +dank. Dus draafden zij zoo lang, dat ze kwamen in 'et dal van Vaucoloen; +en Madelgijs was met Beyaert het volk twee groote boogscheuten vooruit.</p> + +<p>Reinout, die met zijn broeders op de rotse belegen en dikwijls +aangevochten waren, hadden zich zoo lange geweerd, dat ze niet meer en +mochten, zoo moede waren zij. Zij waren gereed de rotse op te geven; zij +konden ze niet langer verdedigen; zij waren des zeer droevig en hadden +alle de dood voor oogen.</p> + +<p>Maar midden in hun druk, zag Reinout beneden in 'et plein Madelgijs +komen rijden op Beyaert: "Broeders, weest vrolijk en zonder angst!" riep +hij uit: "want ik zie Madelgijs komen rijden met Beyaert, en heeft +groote begeerte ons te helpen. Maar wat mag 'et bedieden, dat Madelgijs +alleen komt? Gave God, dat ik hier mijn volk had!... zij zouden ons +thands wel uit de nood helpen!"</p> + +<p>Writsaert lag daar ter aarde of hij dood hadde geweest; als hij Reinout +hoorde gewagen van Beyaert, hief hij zijn hoofd op en zeide: +"Reinout-broeder! zegt mij, hoorde ik Beyaert niet noemen? Voorwaar, +mocht ik Beyaert zien—ik ware gezond."—"Ik zie hem komen, broeder!" +andwoordde Reinout, "in genen dale: Madelgijs zit er op en brengt hem +herwaarts. Maar ik vrees Ogier; dat hij Madelgijs mocht +slaan."—"Broeder! laat de zorge blijven," sprak Adelaert; "al had Ogier +hem gevangen, hij zoude wel ontgaan bij zijner konste."</p> + +<p>Toen zeide Writsaert: "Helpt mij, dat ik sta! en laat mij Beyaert en +Madelgijs zien!" Toen trad Reinout aan, en nam Writsaert in zijn armen, +en hield hem staande op zijn beenen. Writsaert zag neder in 'et dal, +daar Beyaert liep; hij werd blijde en zeide met zoete woorden: "Broeder! +ik voel mij genezen."</p> + +<p>Madelgijs, naderrijdende, werd intusschen Ogier gewaar, en reed op hem +wat Beyaert loopen mocht, en stak op Ogier zijn speer aan twee. Toen +zeide Ogier: "Ik ben uw vijand niet." Madelgijs andwoordde: "Verrader, +dat u God schende! ziedy niet, hoe uw magen in groote nood belegen zijn +op de rotse, en in zorge staan huns levens? en gij en wilt ze niet +helpen? Wacht u! ik ben uw vijand!"</p> + +<p>—"Ontzag ik niet uw tooverije," sprak Ogier, "zoo was u euvel geschied, +ik zoude u vechtens mat en zat maken." Madelgijs was toornig als hij dat +hoorde, en trok zijn zwaerd in gramschap en gaf Ogier zulken slag, dat +hij niet meer hooren of zien kon. Als Ogier bekomen was, trok hij zijn +zwaerd en zoude Madelgijs geslagen hebben, maar Beyaert ontdroeg hem en +liep ter rotsewaart.</p> + +<p>Reinout zag neder en zijn volk komen; dies hem 'et herte verheugde. "Ik +heb mijn volk gezien," riep hij; "nu zijn wij gered: laten wij nedergaan +hand aan hand, recht of wij ons gevangen wilden geven, want Calon en +weet niet wat 'er aan gene zijde, in de bergdoortocht, is geschied." +Toen namen zij elkander bij der hand en gingen nederwaards. De Grave +Calon zag het, dat Reinout en zijn broeders nederkwamen, en zeide: "Mij +dunkt, Reinout en zijn broeders willen zich overgeven: ik zal ze vangen +en voeren ze tot Koning Carel."</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm009.jpg" width="400" alt="Helpt mij, dat ik sta!" title="" /> +<p class="illus">Helpt mij, dat ik sta!</p> +</div> + +<p>Met-een reed Calon ter rotse. Inmiddels was ook Beyaert aan de rotse +gekomen en had Reinout gezien: toen ontliep hij Madelgijs tegen zijn +dank en Reinout te gemoet. Madelgijs voelde, dat hij Beyaert niet +wederhouden kon en wrong hem met den breidel den mond bijna te bloede: +maar op eenmaal nam Beyaert een zoo grooten sprong, dat Madelgijs den +zadel ruimen moest en viel van den paerde; en Beyaert liep tot Reinout.</p> + +<p>Madelgijs stond haastig op; daar kwam een Borgonjon aangereden op een +goed Ros. Madelgijs liep hem tegen, en sloeg hem met zulke kracht tegen +zijn borst, dat hij dood viel. "Borgonjon," zeide Madelgijs lachend, +"gij moest hier uw paerd laten!" en met-een sprong er Madelgijs op, gaf +'et de sporen en reed te rotsewaart.</p> + +<p>En Beyaert is gekomen bij Reinout. Reinout zeide: "Beyaert, wees +wellekom!" en sprong er op met groote begeerte. Als Reinout op Beyaert +zat, stortte hij zich in des Graven heir, en Madelgijs reed hem op zij +en riep: "Reinout-neve, hier is volk van Montalbaen." En beiden sloegen +op den vijand in.</p> + +<p>Toen de Grave Calon zag, dat Reinout op Beyaert zat, en zag Madelgijs +mede, was hij zeer vervaard: ook zag hij al 'et volk van Montalbaen +komen opzetten na zijn lager heen; toen toog hij met zijn volk +achterwaards, zoo zeer vreesde hij het onderspit te delven. En Reinout +had ook zijne broeders te paerde geholpen, en reden in des Graven volk, +en vochten zoo zeer dat 'et onuitsprekelijk was. Reinout riep met luider +stemme: "Slaat voort, gij Heeren, op al deze verraders; dat er ons geen +ontga!" Reinout versloeg er alzoo veel, dat 'et ongelooflijk is, ook +Beyaert dede menigen Ridder den zadel ruimen.</p> + +<p>Madelgijs, in 't gemoet van den Grave Calon gekomen, stak hem met +felheid door zijn schild, en geraakte hem zoo, dat hij dood van den +paerde viel; hierenbinnen sloeg Reinout eenen François 'et hoofd van den +lijve. Aldus bleef des Graven volk bij groote menigte dood: want de +Historie zegt, dat op die tijd verslagen werden 1000 Françoisen ofte +Borgonjonnen. Aldus moest Calons volk ruimen, en Reinout met zijn volk +behielden 'et veld, en waren dus met Gods hulp door hunnen oom Madelgijs +verlost.</p> + +<p>Als Ogier zag, dat de Françoisen verwonnen waren en uit den velde +vloden, is hij gereden over een water genaamd Dordoen, met al zijn volk, +en hebben hun ter vlucht gesteld; om zich zelf te bergen van hunnen +lijve; en zijn zoo gereden na Parijs. Adelaert, Ogier dus over 'et water +ziende rijden, riep: "God wil u geleiden, neve Ogier! en moge u loonen +al uw deugd. Ik bid u, dat gij den Koning wilt groeten met zoete +woorden, en zeggen hem, dat hij zijn goud kwalijk besteed heeft aan de +genen, die ons zouden dooden of hangen, en zouden ons leveren tot eener +gifte: laat hem zulke zoudeniers méér zenden; wij zullen hunne zoldij +wel betalen: met zoo zware slagen, dat zij daarna geen zoldij meer +eischen en zullen." Ogier zeide: "Adelaert-neve, uw boodschap wordt +gedaan." Dus scheidde Ogier van de broeders en reed na Parijs; en +Reinout en zijn broeders en zijn volk reden na Montalbaen.</p> + +<p>"Mag ik Ywein, mijn zweer, te Montalbaen vinden," zeide Reinout onder +'et rijden, "dan zal ik hem doen hangen of 'et hoofd afslaan zonder +erbarmen, dat hij ons zoo schandelijk verraden heeft." Madelgijs riep nu +eenen Ridder bij hem, die te vertrouwen was, en zeide: "Gij moet +haastelijk varen te Montalbaen, en voorkomen 'et kwaad, dat Reinout +brouwt. Als gij er komt, zoo gaat tot den Koning en zegt hem, dat hij +aanstonds vlied: want is 't dat hent Reinout vindt, hij zal hem doen +hangen, om dat hij ze verraden heeft." De Ridder was Madelgijs +gehoorzaam, en reed met haaste te Montalbaen.</p> + +<p>Als hij daar kwam, ging hij tot den Koning en zeide hem wat Madelgijs +'em bevolen hadde. De Koning was wegends die boodschap zeer ontsteld; +hem veranderde zijn verwe en hij zwoer, in zijn droefheid, dat hij na +dien dag niet meer de kroone dragen zoude, en geven zich in een +klooster, dat daaromtrent gelegen was en Beurepaer heette, om zijne +misdaad te boeten, en God te dienen met grooter naerstigheid, want hij +Reinout niet en dorst verwachten; daar hij zijn gramschap grootelijks +vreesde. Dus werd Koning Ywein een Monnik, en leefde in groote +strengheid.</p> + +<p>Reinout en zijn broeders reden zoo lange dat ze kwamen te Montalbaen. +Clarisse, de schoone Vrouwe, was met rouwe bevangen; zij zag haren Heer +komen, en ging hem te gemoet; en zij zeide met zoete woorden: "Heer! +zijt wellekom."—"God loon 't u, Vrouwe!" andwoordde Reinout somber; +"maar zegt mij—waar is uw vader?... uw vader Ywein, die mij en mijn +broeders verraderlijk woû doen verslaan?" De vrouwe zeide schreyend: +"Heer! te Beurepaer is hij gevaren, en heeft hem daar als Monnik +gesteld, om te beteren zijn leven en te boeten voor de zonden, die hij +bedreven heeft."</p> + +<p>Reinout schudde het hoofd, en zeide: "Vrouwe! ik geloof u niet: maar gij +wilt hem aan mijne gerechte wraak onttrekken. Wat had ik hem misdaan, +dat hij mij en mijn broeders zoo jammerlijk verraden moest om 20000 +kroonen? Gij heult met den verrader tegen uwen man.... Gaat uit mijn +oogen; dat ik u niet meer en zie!"</p> + +<p>—"Genade, Heer!" riep de Vrouwe, en vouwde de handen: "wat schuld vindy +in mij zoo strengelijk te straffen!"—"Voorwaar, broeder!" zeide +Ritsaert, "wij waren verloren geweest, had uw Vrouwe, de Edele, dat niet +voorkomen, die mij de zwaerden heimelijk medevoeren deed, daar wij ons +meê weerden: ik bid u, broederf wijt haar niet des verraders vergrijp. +Wilt gij uw Vrouw die onschuldig is, niet in liefde ontvangen, +broeder—welnu, dan ga ik mede uit uwe oogen, dat gij mij nimmer meer en +ziet."</p> + +<p>Reinout zeide: "Broeder! eer gij van mij gingt, vergaf ik liever de +verradenis, die haar vader ons gedaan heeft." En allen waren blijde: en +Reinout omhelsde Vrouwe Clarisse, en zij waren zoo gelukkig, dat er van +Yweins verraad niet meer gesproken werd.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_52" id="Footnote_1_52"></a><a href="#FNanchor_1_52"><span class="label">[1]</span></a> <i>zweer</i>:(hier) schoonvader.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_53" id="Footnote_2_53"></a><a href="#FNanchor_2_53"><span class="label">[2]</span></a> <i>Constapel</i>: opperbevelhebber.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_54" id="Footnote_3_54"></a><a href="#FNanchor_3_54"><span class="label">[3]</span></a> <i>een mijte</i>: worm, niets.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL" id="HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL"></a>HET NEGENTIENDE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe +de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis +opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter, +dien hij in 't perk versloeg. </p></blockquote> + + +<p>Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met +haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De +Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop +vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt +gij mij Reinout gevangen?"—"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier; +"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout +met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft +verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager; +hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen +mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et +mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht +Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."</p> + +<p>Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb, +zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."</p> + +<p>—"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen, +zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant +herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide +Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude +den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve +Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat +Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een +verrader is."</p> + +<p>Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den +handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden.</p> + +<p>"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige +zweeren."</p> + +<p>—"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger +ben;" en hij leîde zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij +Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis +gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel +waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere +geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes: +"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan."</p> + +<p>En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet +aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel +vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij +zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik +zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en +dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren. +Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met +zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er +dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met +hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vliên, door +'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet +medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!"</p> + +<p>Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier +opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid.</p> + +<p>"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de weêrpartij, "dan +moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel, +den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u +slecht vergaan: ik neem u 'et leven."—"'k En vrees u niet, Wouter!" +antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den +slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies<a name="FNanchor_1_55" id="FNanchor_1_55"></a><a href="#Footnote_1_55" class="fnanchor">[1]</a> vrees ik u. +Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en +deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen, +en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden +slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf +Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de +schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier—Koning Carels +kampvechter, die hem de verradenis zoû doen bekennen, te Vaucoloen door +hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en +wierp 'et uit den krijte.</p> + +<p>"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held. +"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot +den Koning gaan!</p> + +<p>En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel +sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de +fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man. +God en Sint-Jan helpe mij—Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten +eersten slage sloeg hij hem dood!"</p> + +<p>"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis +bewijzen? Bij den Heere van Nazareth—ik en dede er nimmer! Maar uit +Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had +ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen +ik, Heere—ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed."</p> + +<p>Toen zwoer Roelant hij zoû Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem +vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik +verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van +Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800 +Ridders zal ik u volgen—waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de +koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en +neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij +Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!" +Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van +groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van +Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in +Gascongiën, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en +maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen.</p> + +<p>Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongiën. En als zij in het +land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein +zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en +is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven +lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer, +en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de +Historie.</p> + +<p>En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk. +Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag, +deed hij zijnen zwageling<a name="FNanchor_2_56" id="FNanchor_2_56"></a><a href="#Footnote_2_56" class="fnanchor">[2]</a> Reinoude, door een goeden bode, vragen, +'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die +Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen, +dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om +ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant. +Gevangene van Reinout wilde hij zijn—ja, want hij hadde zelfs, door +zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend.</p> + +<p>De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de +zake, die hem opgedragen was—maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat +het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!"</p> + +<p>Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind +heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het +kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere, +waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te +boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is +terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als +men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze +woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der +mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne +vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al +spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad, +omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt +op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met +zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem +levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven."</p> + +<p>De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem +oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen.</p> + +<p>Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich +zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun +Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud +gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar +mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden +mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij +goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te +Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed +bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in +vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et +u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk +nader."</p> + +<p>Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen +de Françoisen te goed: zij zijn boos en fel: alléén zult gij er niet +heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden."</p> + +<p>—"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en +aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met +gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster.</p> + +<p>Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het +klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft +overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem +zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar +hij hem op staande voet zoû hangen.</p> + +<p>Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve +neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn +kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons +nimmermeer verrade."</p> + +<p>—"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk +God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!"</p> + +<p>—"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader. +Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik +zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren—waar men +hem nimmer uit weêrziet!"—"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om +niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein +hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"—"Gij en zult niet, +Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik +daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus +liet ombrengen."</p> + +<p>—"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem +aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"—"Bij Sint-Jan," +sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal +ophangen! 't Kwame hem te schande."</p> + +<p>—"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van +'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein +hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf +Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord +aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em +Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er meê wech. Ook de Grave +Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot +leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen +had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde: +"Ik ben het niet."</p> + +<p>—"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout +"Ongelijk zoû deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met +Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zoû ik er 'et leven +afbrengen! Maar, Sint-Amant<a name="FNanchor_3_57" id="FNanchor_3_57"></a><a href="#Footnote_3_57" class="fnanchor">[3]</a> helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik +keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter."</p> + +<p>—"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij—ge zult hier +ter stede mij vinden."—"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e +hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat +hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen) +om daar een kamp jegens hem te vechten.</p> + +<p>Roelant keert zóo met eere tot de Genoten.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_55" id="Footnote_1_55"></a><a href="#FNanchor_1_55"><span class="label">[1]</span></a> <i>bloemknop—bies</i>, zoo veel als niets.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_56" id="Footnote_2_56"></a><a href="#FNanchor_2_56"><span class="label">[2]</span></a> <i>zwageling</i>: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_57" id="Footnote_3_57"></a><a href="#FNanchor_3_57"><span class="label">[3]</span></a> <i>Sint-Amant</i>: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop +van Maastricht (VIIe Eeuw)</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout +kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen: +maar de Genoten belett'en 'et. </p></blockquote> + + +<p>Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em +dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"—"Zwijg, God +schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij +bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar +Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw +over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."—"Zwijg, +verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner; +"Roelant is gram."</p> + +<p>—"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom +zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't +Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zoû hij naar u vragen: wat +mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?"</p> + +<p>—"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik +Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd +heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den +held tot rekening gedaagd."</p> + +<p>—"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen +gezworen—zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen. +Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen +kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord: +wordt Reinout van u verslagen —gij zult 'et geen drie dagen overleven. +Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven."</p> + +<p>Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van +Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen: +zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd +betoonen kan!"</p> + +<p>—"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn +doen geen bloemknop geve."</p> + +<p>En Ritsaert van Normandië, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van +Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood—ware 't dat hij Reinout van +Montalbaen versloeg.</p> + +<p>"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik +hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik +tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik +liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van +den eed ontslagen ben."</p> + +<p>—"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge +moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van +Montalbaen—zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et +krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met +hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo +zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet +wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in +Vrankrijk voeren."</p> + +<p>Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier +geslagen—zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den +kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt."</p> + +<p>Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar +Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem +zijner Vrouwe.</p> + +<p>Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen: +"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en +leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van +Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit: +"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in +Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen +verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land +verwierven."</p> + +<p>Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren +zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op +staande voet, alleen naar Beurepaer."</p> + +<p>—"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy +doen te Beurepaer?"</p> + +<p>—"Adelaert!" zeî Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een +kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!"</p> + +<p>—"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal +ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan +worden—wijl hij der besten éen is, die ooit de zonne bestraalde. Bij +den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem—gij zijt dood, en +wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde: +"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter +waereld—al dacht ik er dood te blijven."</p> + +<p>Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends +Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs; +"God behoude en bewaar u—maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal +hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het +perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood—men zoû er groote schande van +spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!"</p> + +<p>Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en +de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout meê te varen.</p> + +<p>Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil +niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar +alleen."</p> + +<p>Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij +Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan. +Hij ontwapende zich en leî zijn harnas op zijn schild.</p> + +<p>Toen viel Reinout op zijne kniën voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en +zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik +bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in +mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn +Ros Beyaert uit erkentenisse."</p> + +<p>—"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik +u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen, +omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt +gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe +uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet."</p> + +<p>Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en +ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de +spere in de hand.</p> + +<p>Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van +Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met +mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en +staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel +met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout: +"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet +van al mijn leven."</p> + +<p>De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die +hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en +ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande, +die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van +een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd +Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het +is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De +Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun +dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen +koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag."</p> + +<p>—"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en +nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te +gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit +ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik +vliên: God geve u hoon!"</p> + +<p>De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij +spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote schaê gedaan, toen +gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant +zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk!<a name="FNanchor_1_58" id="FNanchor_1_58"></a><a href="#Footnote_1_58" class="fnanchor">[1]</a> opdat ik de schande op u niet +verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen," +zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was, +dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen, +dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig François 'et lijf zoû behouden +hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en +Reinout reed naar Montalbaen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_58" id="Footnote_1_58"></a><a href="#FNanchor_1_58"><span class="label">[1]</span></a> <i>schalk</i>: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend +wat laag, vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is.</p></div> + + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning +Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs +uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden +ontvoerde. </p></blockquote> + + +<p>Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et +wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen +dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het +Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar +de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs +nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij, +"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning +Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en +toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar +Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar +Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er +hand vloog.</p> + +<p>Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij +droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige +handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter +nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar +Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer +ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!"</p> + +<p>Zoo voerde Olivier—Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot +hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de +Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier, +mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels +ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs +gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer +Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde +de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij, +"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon +Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid +onttogen!"—"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal +geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"—"Gij zegt waar," sprak de +Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!"</p> + +<p>De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat +men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte +Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de +Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning," +hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."—"Wie zoû +zich voor u borge willen stellen," zeî de Koning, "wie mijner Edelen +voor u!"</p> + +<p>Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt +gij mij borge wezen tot morgen!"—"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et +willig."—"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en +mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog! +wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde +mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit +niet tot oneer gedije." —"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet; +met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage."</p> + +<p>Dan loeg de Koning en sprak: "Laat hem, bij zulke borgen!"</p> + +<p>Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De +Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten, +hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den +haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs: +"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene +spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem +hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs, +ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat +dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij +aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden: +"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"—"Geen blijder man dan ik!" zei +Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval +zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zoû; men sloot hem +in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier +kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer +de nacht verloopen is."</p> + +<p>Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de +Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar +Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur +en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren.</p> + +<p>Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem +af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de +deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en +nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en +nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en—vlood naar Montalbaen.</p> + +<p>Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van +al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep, +overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan +eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en +kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help, +moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een +schandigen dood!"</p> + +<p>Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot +Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord +had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is +dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave +Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg +in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns +ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat +niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den +weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat +hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt +mij wie du bist, of zoo helpe mij God!—ik slaag die met den zwaerde dat +du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert +reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout, +hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep +Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde +u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan +spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den +Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad +den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij +toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men +legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten +de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in +des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage +onder den mantel."</p> + +<p>—"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!" +andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."—"Oom!" zei Reinout, "dat +is niet wèl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!"</p> + +<p>—"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem +voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!"</p> + +<p>Dan dede Reinout—Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot +Montalbaen.</p> + +<p>Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich +haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn +Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en +dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem +ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de +Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit +den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet +meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun +zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar," +spraken zij, "God geef hem schande!"</p> + +<p>De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zoû laten zoo +lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven +mocht.'</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Koning Carel-Montalbaen beleîde, en hoe Reinout in +eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide. +En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen, +Koning Carel haren broeder te voet valt. </p></blockquote> + + +<p>Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir, +en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleîden. Roelant zond een bode +tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd, +wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij +Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem +tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet +groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als +Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve, +dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem +verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot +zoen willen helpen bij Carel den Koning."</p> + +<p>Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij +trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen +hem liet verzoenen.</p> + +<p>Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord: +"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij +belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat +zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen +neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt: +want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en +betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer +wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te +geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen, +kunnen strijden."—"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de +Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe +met hen wat mijne eere van mij eischt."</p> + +<p>—"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap +Haymijns kinderen en hope te slagen!"</p> + +<p>—"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode +zijt."</p> + +<p>—"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," zeî +Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet +men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale. +Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen. +Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege +den Koning."—"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij +eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen +gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig +voorbehoud."</p> + +<p>—"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en +goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig +nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve +mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen +ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag +hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee +en verre op de heidenen." —"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap +wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed."</p> + +<p>Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en +deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten. +Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel +bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings +heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag, +wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000 +mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten +Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere; +als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw +leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning +komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd +Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met +gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven, +hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de +Françoisen verdoen wij heden!"—"Schande moog u treffen!" riep de +Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros +onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs weêr +op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo +dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde.</p> + +<p>Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat +Haymijns kinderen hem ontreden waren.</p> + +<p>De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde.</p> + +<p>De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zoû een +parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken, +en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten +laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode +tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden +zoû, om van den peis te handelen.'</p> + +<p>Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog +ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet: +"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice, +mogen u hoeden."—"Reinout," zeî de Koning, "laat staan de groete; hoe +veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"—"Ik wil 'et boeten, Heer +Koning!" gaf Reinout ten andwoord.</p> + +<p>De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan +zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot +zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij +waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier +nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten +parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd +afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op +Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op +'s Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten +parlemente te komen."—"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn, +"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem +raden Reinout met valschheid te vangen.—Heer Koning," sprak hij verder, +"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders +tegen u verzoend worden."</p> + +<p>Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de +moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde, +te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en +toog naar Montalbaen.</p> + +<p>Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam +uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen +malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den +Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant, +Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te +paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht +viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's +Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert +weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen +van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk +om zich heen, dat hij weêr te paerde kwam. Toen reed Salomon van +Bretagniën tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander +zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit +zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op +Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde +Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit +hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?'</p> + +<p>De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag +Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den +paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij +Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan." +Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op +zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben, +maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen +sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts +volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten +onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij +vliên! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en +Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in +'et kasteel gedreven.</p> + +<p>En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden +nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u +berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve +medegaan!"—"Hoe? gij truwant<a name="FNanchor_1_59" id="FNanchor_1_59"></a><a href="#Footnote_1_59" class="fnanchor">[1]</a>, zoude ik dan met u gaan?—Beliegt gij +mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te +Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel +Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt +daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden +voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."—"Wildy nu +van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik +gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult." +Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal +goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te +Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge +zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te +waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij +'et lichtelijk doen kon'.</p> + +<p>Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de +banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's +Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen +aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit +half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte +dat wij reeds op de vaart derwaards waren."—"Gaan wij dan," zei +Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den +Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne +magen; en leîde den Koning in een schoon bedde.</p> + +<p>En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik +geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is +dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik +meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij +geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar +te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene +hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer, +daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor +zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit +heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem +hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne +kniën, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit +hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen +sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout +beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij +den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven."</p> + +<p>Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy +wel."—"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet +ik des hier sterven, kwade dief—gij zult er vermaledijd om zijn; want +met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide: +"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt."</p> + +<p>Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik +u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen.</p> + +<p>Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan—ik zal mij beraden met +Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet," +zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning +van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in +zijn tente kwam.</p> + +<p>Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem +minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning +zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert +wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder +tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit."</p> + +<p>Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout, +en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings +gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes +komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom." +Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen, +dat gij tot hem komet—gevangen."</p> + +<p>Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken —wij +zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel."</p> + +<p>Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide +hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven +schenken'—zij komen gevangen af."—"Hoe!" zeide Carel; "éischen zij iet +van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want +zij en hebben geen victualie."</p> + +<p>De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te +bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig. +Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert +dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood +van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert +niet!"</p> + +<p>—"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door +honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren +raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met +ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert +aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede."</p> + +<p>Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de +Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun +paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn +zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen +laten vergaan van honger?"</p> + +<p>Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en +bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden<a name="FNanchor_2_60" id="FNanchor_2_60"></a><a href="#Footnote_2_60" class="fnanchor">[2]</a> +geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad +gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't +voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe.</p> + +<p>De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap<a name="FNanchor_3_61" id="FNanchor_3_61"></a><a href="#Footnote_3_61" class="fnanchor">[3]</a> voor Montalbaen.</p> + +<p>En die op de muren stond—zag, dat de Genoten hun engienen<a name="FNanchor_4_62" id="FNanchor_4_62"></a><a href="#Footnote_4_62" class="fnanchor">[4]</a> sterkelijk +stélden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te +bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier, +Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij +ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon +Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor +langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij +tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven.</p> + +<p>Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten +geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen +veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om +geen goed gegeven hebben.</p> + +<p>Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen +ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen: +daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons +wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier +alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het +beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered."</p> + +<p>Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden +woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe +Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden +heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen +mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en +zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij +te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de +Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden +Haymijnskinderen te gemoet.</p> + +<p>Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat +hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef +steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door +zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken +was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende: +"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met +sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij +zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed.</p> + +<p>Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel +van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et +dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter +poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout +was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn +broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te +eten was.</p> + +<p>Hierentusschen is Koning Carel—Reinout met zijn volk onvermoeid +gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk +belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en +zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn +vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo +dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan—kan ik dit Ros machtig +worden—ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner +kroone.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm010.jpg" width="400" alt="Ten leste zonk het Ros" title="" /> +<p class="illus">Ten leste zonk het Ros...</p> +</div> + +<p>De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij +spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen +hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil +t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende +minlijk liet gaan!"</p> + +<p>Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des +Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden +met hem te hebben, en reed weder naar het heir.</p> + +<p>Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare kniën en +bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij +Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook +alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet +verzoenen.</p> + +<p>En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot +genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die +hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft—en mij toelaten daarmeê +naar welgevallen te handelen—zoo mag hij tegen mij verzoenen—en anders +niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij +trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven +wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst; +zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen +mogen."</p> + +<p>Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met +groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des +Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had, +zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De +broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan—maar welhaast barstte +Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige +dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede, +droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere +broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig: +"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik +Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is +onze Koning—en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag—wij +mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et +Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken +hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den +Koninge Beyaert geven zoude.</p> + +<p>Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft +hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat +hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen meê handelen +zoude—maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem +misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'—"Mij dunkt," zeide de +Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang +gewacht."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_59" id="Footnote_1_59"></a><a href="#FNanchor_1_59"><span class="label">[1]</span></a> <i>truwant</i>: lage knaap, bedelaar.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_60" id="Footnote_2_60"></a><a href="#FNanchor_2_60"><span class="label">[2]</span></a> <i>blijden</i>: steenwerptuigen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_61" id="Footnote_3_61"></a><a href="#FNanchor_3_61"><span class="label">[3]</span></a> <i>reedschap</i>: instrumenten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_4_62" id="Footnote_4_62"></a><a href="#FNanchor_4_62"><span class="label">[4]</span></a> <i>engienen</i>: machines, krijgstuigen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL" id="HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL"></a>HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en +hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe +Reinout een heremijt werd. </p></blockquote> + + +<p>Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met +zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot +de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed +hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele +verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft +Reinout—Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer +Koning, doet er mede naar uw welgevallen."</p> + +<p>En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee +molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse, +en werpen in de rivier.</p> + +<p>Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar +terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout; +toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden +braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij +naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert +wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning +dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals +twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en +liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn +muil.</p> + +<p>De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel +zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen +vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout—geeft gij +den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om +een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo +helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy +gehad; met slechten loon wordt gij beloond!"</p> + +<p>Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende: +"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd +hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het +gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout +wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen +verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet +omzien zoude na Beyaert.</p> + +<p>Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote +molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere; +toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder +boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een +mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid +hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't +gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen.</p> + +<p>Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als +sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te +Montalbaen.</p> + +<p>Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en +waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog +bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit +hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze +van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en +was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide: +"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en +volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, beleîde ons in Ardennen, en +vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen +zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene +zóo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede; +aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert +verdrinken."</p> + +<p>De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert +zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en +mochten hem en zijner machte niet wederstaan."</p> + +<p>Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten +zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als +hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken +tot den voeten. Geen Ros, zoû hij na Beyaerts doode meer beschrijden; +geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden!</p> + +<p>Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen, +door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar +hem niemant en kende.</p> + +<p>Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar +nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide: +"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en +wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste +man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig +jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk +doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar éenen wensch: dat ik mijn +zonde konde biechten en boeten—want mijne misdrijven benauwen mij +onlijdelijk."</p> + +<p>De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk +gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de +zonden laten en niet meer doen—zoo valt dan op uw kniën en bidt God +oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig +einde moogt brengen."</p> + +<p>Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den +Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo +zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite +tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik +blijve dood van koude en van honger, want mijne kleêren zijn aan +stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken."</p> + +<p>Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide: +"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien." +Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van +koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God. +Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide, +dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na +den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit +hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende: +"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken +zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't +Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen +verloren hebben."—"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want +wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode +voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem.</p> + +<p>Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met +weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten +derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte +dat hij daar wél op rusten zoû; want de nacht overviel hem. En als 't +begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat +hij kwam in Sinte Jores' Braes<a name="FNanchor_1_63" id="FNanchor_1_63"></a><a href="#Footnote_1_63" class="fnanchor">[1]</a>; daar vond hij schepen en voer in het +land van den Islamme<a name="FNanchor_2_64" id="FNanchor_2_64"></a><a href="#Footnote_2_64" class="fnanchor">[2]</a>. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat +hij kwam in de haven van Tripoly.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_63" id="Footnote_1_63"></a><a href="#FNanchor_1_63"><span class="label">[1]</span></a> <i>Sinte Joris' Braes</i>: Bras de St George, de Dardanellen.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_64" id="Footnote_2_64"></a><a href="#FNanchor_2_64"><span class="label">[2]</span></a> <i>Islamme</i>: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet +Stamme, het duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en +hoe Madelgijs bij hem kwam, én hoe Madelgijs dood bleef +in het beleg van Jerusalem. </p></blockquote> + + +<p>Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een +nieuwmare kwam, dat Tabarië belegerd en Akers in grote zorge was, en dat +er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee +waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de +steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen +op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim +had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken +geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te +ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te +voorkomen.</p> + +<p>En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen, +werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knieën +en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij +anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de +Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit +zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en +twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom, +dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde. +Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van +Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch +schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen. +Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout +nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild. +Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig +Sarazijn mede doodsloeg.</p> + +<p>Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder, +liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht +zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de +Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich, +en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den +heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de +Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden.</p> + +<p>En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam +van zijn oom Madelgijs.</p> + +<p>Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete +over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen—de Christenen +bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen. +Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem +kwam eene stemme van Godes wege, die hem opleîde, "dat hij zoude gaan en +helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar +komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner +konste en van zijner Godsvrucht.</p> + +<p>Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem +getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden +doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij +den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren +de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen +de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd +heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele +land.</p> + +<p>Uit het land van Syrië, van Tripoly en Antiochië vloeiden de scharen +bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij +elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van +Syrië gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de +belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten +leggen, om elken verderen uitval te beletten.</p> + +<p>Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten +manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei +krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk +werden gesteld.</p> + +<p>De Soudaan van Babylonië daarbinnen deed echter met mangneelen en +blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen +in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen. +Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig +Christen sneefde daar, die te dier tijd vóór de stad de Turken kwam +bevechten.</p> + +<p>In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en +vochten al d' andere vóór. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en +Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel<a name="FNanchor_1_65" id="FNanchor_1_65"></a><a href="#Footnote_1_65" class="fnanchor">[1]</a> +zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij +heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van +zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den +Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In +zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere; +"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!"</p> + +<p>En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God +t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme +in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem +al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs.</p> + +<p>Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen +vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf, +stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom +Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de +stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls +in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen +raad: wilt gij de stad winnen —laat ons dan wegen en poorten naauw +bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van +spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad—en anders niet." Deze +raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke +poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas.</p> + +<p>Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren, +werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te +helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan +victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan +gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den +strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met +hulpe van Mahomet en Apolijn."<a name="FNanchor_2_66" id="FNanchor_2_66"></a><a href="#Footnote_2_66" class="fnanchor">[2]</a> De Soudaan gaf toe, en de Turken reden +uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag: +zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere +afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter +weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen +er vele; vele gaven er zich gevangen.</p> + +<p>Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun +heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef +alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die +binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende +zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar +Reinout vóór lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan +en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden +was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en +hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn +staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit +ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!"</p> + +<p>Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan +hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met +mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet +vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met +den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep +de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten," +'t welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij +mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep +Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan, +dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze +in zekerheid.</p> + +<p>Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem.</p> + +<p>En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn +lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen +gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan +hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des +Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'—"Wat mij +betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout. +Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden +den Soudaan gevangen.</p> + +<p>Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van +wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en +Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van +Jerusalem, en viel voor hem op zijn kniën, en bad hem, dat hij hem zijn +zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf +hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot +mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden +van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren. +Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de +Edelsten van den lande.</p> + +<p>Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor +wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsiliën. En als +zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande +zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen, +die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout +aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en +ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't +schip.</p> + +<p>Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor +Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde +hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen +hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen +Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis +voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic +van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij +wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning +lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit +goeden raad.</p> + +<p>Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en +zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt +bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam, +waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging +en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk +gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en +zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is +gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten +Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom +gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze +verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad. +Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade +gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom +willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den +Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten +heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij +van zijn vader zoû gehad hebben—daarom willen wij den Koning zeggen, +dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij +mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en +Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij +over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant méér +gehoord?'—'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf +lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittanniën, +Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn<a name="FNanchor_3_67" id="FNanchor_3_67"></a><a href="#Footnote_3_67" class="fnanchor">[3]</a>.' Toen Koning Carel dit +hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zoû doen vangen. +Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken. +Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem +'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem +verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit +der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn +leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den +Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide: +'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook +alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen +wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en +met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving. +Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'—'Ik stem daarin,' +zeide Guweloen."</p> + +<p>Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij +was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend.</p> + + +<div class="footnote"><p> +<a name="Footnote_1_65" id="Footnote_1_65"></a><a href="#FNanchor_1_65"><span class="label">[1]</span></a> <i>quareel</i>: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_66" id="Footnote_2_66"></a><a href="#FNanchor_2_66"><span class="label">[2]</span></a> Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als +Sarazijnsche afgoden voor.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_3_67" id="Footnote_3_67"></a><a href="#FNanchor_3_67"><span class="label">[3]</span></a> Dr. Mannes leest <i>Herclijn</i>; de vl. uitg. heeft <i>Hebron.</i></p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en +Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot +zwaren arbeid vernederde. </p></blockquote> + + +<p>Reinout ging tot Koning Carel, en stond vóór hem als een arme pelgrim.</p> + +<p>"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van +over Zee en van de stad Jerusalem?"—"Heer Koning!" andwoordde Reinout, +"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem +veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen +van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg +"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout +geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der +vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch +Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of +hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning! +hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man."</p> + +<p>Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en +ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten: +maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren +droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen +aantrekken, en bewees hem groote gunste.</p> + +<p>En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en +vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder +waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich +voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout +dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader, +moeder, en zijne broeders niet weêrvond.</p> + +<p>Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp, +dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet: +God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet +verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat +zij kampen zouden.</p> + +<p>Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een +goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad +van Parijs.</p> + +<p>Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner +spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde +held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden +vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden. +Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar +kwetste Galeran niet.</p> + +<p>Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde. +"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij +zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een +ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de +handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij +zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd, +waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den +strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert +stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde +Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij +het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere +zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen +sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en +sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en +het loon kreeg voor zijne valschheid.</p> + +<p>En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen +slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer +voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran +aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit +zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer +in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil, +dat men dit wel versta!</p> + +<p>Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen, +en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan +met den Koning.</p> + +<p>Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken +af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en +schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van +daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech +in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.</p> + +<p>Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den +ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der +wegen droeg hij hout aan, en mortel<a name="FNanchor_1_68" id="FNanchor_1_68"></a><a href="#Footnote_1_68" class="fnanchor">[1]</a> en steen, en was de minste onder +de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om +geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der +fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den +gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_68" id="Footnote_1_68"></a><a href="#FNanchor_1_68"><span class="label">[1]</span></a> <i>mortel</i>: ciment.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe Reinout wrocht aan St. Pieters Kerk te Keulen, en +diende de metselaars om steen en kalk aan te brengen, +en hoe hij vermoord en in den Ryn geworpen en gevonden +werd; en hoe zijn lichaam te Dortmunde kwam. </p></blockquote> + + +<p>Toen Reinout dus met Gods hulpe dit leven geleid had, tot het ten +jaargange gekomen was, vernam hij, dat er een Kerk ter eere van Sint +Pieter begonnen was te Keulen, in de Rijnstad, en dat men derwaards +timmerliên en metselaars ontbood, en al die geld wilden winnen.</p> + +<p>Reinout maakte zich gereed en trok naar Keulen; en toen hij bij de stad +kwam, vraagde hij naar den meester, die de Kerke maken deed. De +werklieden leidden hem ter stede, waar zij hem spoedig gevonden hadden. +Reinout vraagde hem of hij eenen knecht huren wilde.</p> + +<p>De meester was verheugd toen hij hem zag: want hij lett'e zijne groote, +mannelijke leden op, en bevond, dat hij sterk was, en grooten arbeid zoû +kunnen doorstaan. Toen vroeg de meester hem, "wat hij elken dag winnen +wilde." De Grave van Montalbaen zeide hem: "Heer! ik wil alle dagen +eenen penning!"</p> + +<p>Toen sprak de man ten helde: "Ik meen dat gij méér verdienen zult: wilt +gij kloek en vaerdig zijn, en uw plicht doen, ik zal u vier penningen +daags geven." Reinout andwoordde "Heer! hoe 't ga—'k en wil zoo veel +niet winnen."</p> + +<p>De meester dacht inderdaad, dat hij uitzinnig was, en zeide: "Gaerne zal +ik u geven, wat gij vraagt. Zoo komt dan morgen vroeg werken."</p> + +<p>—"Heere," zeide hij, "dat doe ik!"</p> + +<p>En Reinout toog aan den arbeid, en droeg alléén steenen aan, die ze met +hun vijven, met alle inspanning, niet dragen en konden.</p> + +<p>Dus diende daar die aanzienlijke man, een half jaar lang, dat hij maar +éenen penning daags won. Zwaar arbeidde de Edele Grave, en dede alléén +meer werks dan een drietal van al de genen die daar waren: dat zeg ik u +in waarheid! Nochtans namen zij hooger loon dan hij. Als zijne gezellen +eten gingen, nam hij het oogenblik waar, om de grootste steenen aan te +dragen, en zoo vele, dat zij voor lange dagen werk hadden. Als zijne +gezellen gingen slapen, toog hij uit om hun intusschen mortel te +bereiden. Des hadden zijne gezellen nijd. Bedenkt nu, dat hij daags maar +éen gerstenbrood en niet anders en at, dat hij slechts water dronk, en +sliep op de steenen; dat hij, eer iemant dan nog dag gewaar werd, reeds +was opgestaan en aan het werk getogen: dan zult ge beseffen hoe blij de +meester was, dat hem zoo'n werkman gekomen was. Hij vraagde hem, "hoe +hij heette en wie hij was?" Dit wilde Reinout om niets ter waereld hem +zeggen. Toen werden zij bedacht op een naam, die voor hem, gepast zoude +zijn. "Geen betere voor hem," zeide de meester, "dan Sint-Pietersman." +Zoo bleef Reinoude deze naam; al ware het hem niet lief geweest—hij +zoude 'm al zijn leven gehouden hebben, door Gods beschikking.</p> + +<p>Het was den arbeiders zeer leed, dat Reinout zich dus vooruitstelde, en +het werk schier alléén deed. De meesters, hoogst voldaan over hem, +vielen den anderen knechten des te harder: die, zoo doende, een +onaangenaam leven hadden. De knechts beraadslaagden dan, hoe zij hem van +kant zouden maken, en zelve in eere blijven. Toen sprak een der knapen: +"Wij zullen een steen ophijschen tot boven aan den hoogen muur; dat zal +hem bitter bekomen; als hij met zijnen last komt, zoo zullen wij den +steen nederwerpen op zijn hals, en hij zal het besterven."—"Ik weet +beteren raad!" sprak een ander der arbeiders: "Wij moeten hier vijf +mannen uitkiezen, die hem te nacht waarnemen zullen, als hij zal slapen +gaan: dan zullen wij hem met den mortel versmooren, en dan zullen wij +hem in een kleed wikkelen en binden dat dicht als een zak, en werpen hem +in den Rijn, zoo zal hij schielijk te gronde gaan."</p> + +<p>En des nachts kwamen zij tot Reinout, en stortten den mortel uit grooten +tobben over hem uit en doodden hem. Zij wikkelden hem in het kleed, +bonden dat dicht als een zak, en droegen hem op den Rijn: zij wierpen +hem daarin; en was de stroom sterk van 'et water—nochtans en mocht de +last niet te gronde gaan, overmids de gratie Gods: want wij vinden +waarachtig, dat Reinout vrij van zijne zonden stierf.</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm011.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + +<p>In Keulen was een geestelijk vrouwken, en was van goeden leven, en had +'et gezicht en het gehoor verloren. Op eenen tijd als de vrouw te bedde +lag en sliep, dacht haar in een visioen 'dat ze op den Rijn gegaan was, +en daar vond zij een zak; daarin was een man, die heimelijk vermoord +was; en als zij den zak aan land hadde en zoude optrekken, was zij +genezen.'</p> + +<p>De vrouw ontsprong<a name="FNanchor_1_69" id="FNanchor_1_69"></a><a href="#Footnote_1_69" class="fnanchor">[1]</a> met dien visioene en dede zich kleeden, en op den +Rijnoever dragen. Als zij aan den Rijn was, viel zij op haar kniën, en +zij bad God, door zijn bitter lijden, dat het visioen, 'etwelk haar te +voren was gekomen, waarachtig mocht wezen. Als de vrouw haar gebed tot +den Heer aldus gedaan hadde, ontloken haar oogen, die te voren gesloten +waren; zij zag in den stroom na den zak, en zij zag gints en weder; ten +laatste werd zij den zak gewaar en voelde zich-zelve gezond worden, en +zij greep het kleed met haar hand, en zoude den laste te lande trekken, +en ziet! daar begonnen de klokken in de stad van Keulen van zelve te +luiden, 't welk het volk zeer verwonderde, en deden de stad doorzoeken +om de ware oorzaak te vernemen.</p> + +<p>Zoo werd den Bisschop geboodschapt, 'hoe op den Rijn gevonden was een +mensch vermoord, en was in een toegebonden kleed gewikkeld, en een +devoot vrouwken, die groote gebreken hadde, heeft hem gevonden, en is +genezen!' Als de Bisschop dit hoorde is hij met zijn Geestelijken met +cruicen en vanen derwaards gegaan; en daarna het waereldlijke gerechte +der Heeren. Als zij daar nu kwamen, vonden zij het vrouwken en alles +gelijk hun gezegd was. De Bisschop en de waereldlijke Heeren deden den +zak ontbinden, en Reinout lag daar voor hunne voeten. Daar waren eenigen +die hem kenden, en zeiden: "Dit is Sint Pieters man!" Men ging het +lichaam ontkleeden; daar vonden zij naast zijn lichaam eenen rijken +gordel, en daaraan hing een gouden signet, 't welk den Bisschop gegeven +werd, en hij las 'et, en daarin stond geschreven: "Ik ben Reinout van +Montalbaen." Als de Bisschop dit verstond, en de andere Heeren, die daar +bij stonden en hem gekend hadden, bedreven zij groote rouwe, en die +bisschop zeide: "O vrome Reinout, gij waart een spiegel der mannen, door +uw grootdadigheid en door den arbeid en armoede, waarmee gij uwe zonden +geboet hebt: nu hebdy voor God uw leven verloren—wist ik wie u +verslagen hadde, ik zoû hem den Koning zenden!"</p> + +<p>Als die van Dortmunde<a name="FNanchor_2_70" id="FNanchor_2_70"></a><a href="#Footnote_2_70" class="fnanchor">[2]</a> dit hoorden, kwamen zij met haaste te Keulen en +vielen op de kniën voor den Bisschop, en baden hem, "dat hij hun woû +geven 'et lichaam van Reinout, den vriend Gods: zij zouden ter zijner +gedachtenis een schoone kerke maken." De Bisschop andwoordde zoetelijk: +"Mij dunkt, Heeren! dat Reinout verdient te liggen in de kerke, waarvoor +hij ter dood toe gearbeid heeft." En de bisschop gebood, dat men een +karre brengen zoude. Als het lichaam op de karre geleid was, en men de +paerden ging halen; om 't eerwaerdelijk in een tombe te leggen en in de +kerke te brengen, zoo is de karre van zelve gekeerd met den lichame na +den weg te Dortmunde, en ging zoo sterk voort, dat men ze niet +wederhouden en mocht, en hield niet op voor zij kwam te Dortmunde, +'twelk menig mensch zeer verwonderde.</p> + +<p>De Bisschop dit ziende was droevig, en hij keerde met zijn volk wederom. +En die van Dortmunde waren verblijd van den lichame des vriends Godes, +Reinout, en deden, ter eere Gods en heugenisse Reinouts een kerke maken.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_69" id="Footnote_1_69"></a><a href="#FNanchor_1_69"><span class="label">[1]</span></a> <i>ontsprong</i>: stond op.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_70" id="Footnote_2_70"></a><a href="#FNanchor_2_70"><span class="label">[2]</span></a> <i>Dortmunde</i>: stad in Westfalen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL" id="HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL"></a>HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</h3> + + +<blockquote><p>Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed +boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den +Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen +kwam. </p></blockquote> + + +<p>De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel +aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen +was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij +uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van +zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij +zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.</p> + +<p>Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen, +en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden +van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den +Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning! +wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en +niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden +wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar +ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo +jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat +zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk +terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning +Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan +Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in +den Rijn.</p> + +<p>Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig +waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te +Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok +na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de +Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was. +Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien +'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad: +"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van +den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder +menschen hulpe—dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel: +"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit +hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et +lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag +daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn +broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als +de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij +hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het +lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote +rouwe en misbaar.</p> + +<p>En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.</p> + +<p>Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in +'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest! +Amen.</p> + +<p>Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout +Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm012.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="WILLEM_VAN_ORANJE" id="WILLEM_VAN_ORANJE"></a>WILLEM VAN ORANJE.</h3> + + +<p>A. D. 806.</p> + + +<p> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Nu, 't zij zoo! 't is waar ... het is Sinte Matthijs!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Wel; schaf dan voor heden min sobere spijs.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Want anders ... gij weet in de tijd van de vasten—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zou 'k noode de Abdij op forellen vergasten.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Wat groente, wat brood ... 't is al meer dan betaamt:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"De voortijd maakt ons in zoo véél reeds beschaamd;"</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zoo, zittende voor een quartijn van Cyrillus,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Sprak de Abt van Gellone tot broeder Camillus.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Maar wie zal...?"—Wie gaan zal? 't Zij de eerste, die kan;.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Wien hoor 'k in de gangen? Hij zij onze man!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Ha, 't is broeder Willem ... Ja, 'k wenschte wel, broeder,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Wat visch voor van daag: geef de merrie haar voeder,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"En neem een paar korfjens en 't stalknaapjen meê.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Een uur of wat rijdens ... tot waar Sint-André</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zijn needrige torenspits zichtbaar laat worden....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Daar wonen de visschers; daar komt gij in orden.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Geef gij aan den broeder het noodige geld!"</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Nu dit hem met-een in de hand is geteld,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Knikt Willem gemoedlijk, en keert op zijn schreden,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En was ook al gaauw uit het klooster gereden.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij draafde vrij stumprig en sukkelend voort.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">De bles was 't ontwend; en die pij en dat koord....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Die monnikskap, wapprend om slapen en ooren....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Het kenschetst hem niet als tot ruiter geboren.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo'n kloostergeleerde—'t staat vréémd op een paard!....</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Die staljongen—is zonder grónd niet vervaard;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Gezeten van achter (de bles was vrij sterrek)</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Klemt hij zich wel vast aan den wigglenden klerrek.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo denkt ge!—maar och, hoe bedriegt soms de schijn!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Wat spreekwoorden zelfs al vol leugentaal zijn!—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Al lijken de kappen een haar op elkander,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Toch zeit de eene monnik niet altoos den ander.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Nú rijdt broeder Willem zoo zachtjens door 't bosch;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Twee korfjens, een knaap, voert hij meê op zijn ros;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een inktkruikjen steekt uit zijn tasch; en die scheede</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Bevat slechts een penpunter, argloos van snede.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Maar de sprong van den grijzenden baard op de borst—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Maar de glans van den blik, die soms rondschouwt, en vorscht</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hoe lang men nog Zuidwaards zal hebben te rijden—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Maar het hoofd, dat soms rijst als in jeugdiger tijden—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En de vuist, die den slappenden toom soms vervat—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En de knie, die zich spant en het bergachtig pad</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Den klepper op éénmaal soms over doet schieten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En springen en waden, waar beektakken vlieten</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Of heester en kloof hem den weg soms verspart—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Tuigt kracht in de spieren, en moed in het hart.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Geen wonder! geen wonder!—de bode, die heden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Om visch voor het klooster daar heen gaat gereden,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hem cierde eens een naam in de waereld vermaard;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij droeg eens een schild, waar der Heidenen zwaard</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Op splinterde in Duitschland, Itaaljen, en Spanje:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat schild—was het wapen van 't Prinsdom Oranje.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Oranje! geen held onverwinbaar als hij!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Een Roelant-alléen stréeft dees Willem op zij.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Waar Ronceval davert op d' aanren diens braven.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar vluchten geen Franken, noch buigen als slaven.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Daar klieve 't Verraad hun den helm van de romp—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zij knabblen op ketens de tanden niet stomp:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar steekt Groote Karei met droefheid zijn horen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Herroepend zijn helden:——Geen dooden, die hooren!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Oranje!—steeds galmden de harpen zijn naam!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Niets kon hij benijden: geen' Koning' zijn faam!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De dichters, na eeuwen, weêrhielden hun tongen—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Eer Willem den roem van zijn Heer hadd' verdrongen!</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Nog schaalt soms den vreedzamen Benediktijn</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">De strijdleus in 't oor van den krijgspaladijn:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Nog treden somwijlen hem beelden voor oogen.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar levend voor jaren; sints jaren vervlogen.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">'t Is lang geleên!—hij had, na felgevochten strijd,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Van 't Sarazijnsch geweld de Oranjestad bevrijd.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Toen nog maar erfzoon van de Graven van Narbonne,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Bezat hij geen gebied aan de oevers van de Rhône.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Doorblaakt van Christenvuur sloeg hij 't beleg er neêr;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Sneed iedren toevoer af; en nooddwong 't Moorsche heir,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat op de wallen van de leêggeroofde veste</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn vaandels had geplant, bij 't krijgstuig dat hun restte</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De stoutste plonderaars te levren in zijn hand</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En aan de dood; hun trillende Emir, zelf in band,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Om wien de hoofden, prachtige edelliên, zich schaarden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Met tal van vrouwen, bood de halve-maan-standaarden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Geknield den Veldheer aan. Hij trok de straten door</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Bij vreugd- en noodgeschrei der burgers, die de Moor,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Na kneveling en schimp en schade aan lijf en have,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Naar wellust martlen woû, den jongen Christen Grave</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ten schouwspel, op den wal geblakerd en geslacht—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Toen d'arme burgerij een muurbres uitkomst bracht.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En de Emir, dol van spijt, doch met betóomde woede</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De poorten openstelde, en voor des Veldheers roede</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">'t Getulband voorhoofd boog. Een hoog schavot verrees;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">'t Geboefte ontving zijn straf. Toen klonk: "Gij Emir, wees</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Mijn krijgsgevangen: om uw dapperheid van dade</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Me in 't open veld getoond, geworde u lijfsgenade!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Uw woord tot onderpand—en, om mijns Heilands wil,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Ontboeit hem, knechten!"—Maar op eens, wat luide gil!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een jonge maagd schiet toe; zij dringt zich uit de scharen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een paerelsnoer doorkranst haar blinkend zwarte haren;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De sluyer hief zij van het beeldschoon bleek gelaat,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Waar zich, in flukschen blos, een vreugde zonder maat</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Op uitspreekt; met de ziel in elken blik der oogen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Die lichtend langs de rij der Christen krijgers vlogen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zoekt zij den Veldheer, stort ter aarde voor zijn ros.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En barst in dank op dank en tranenstroomen los.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Gij schenkt hem 't leven!... O, de dochter kust uw voeten!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En wat de vader deed—ik wil daar nóg voor boeten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Grootmoedig Veldheer, neem mijn schatten, neem mijn bloed</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Ik dank voor zoo veel deugd. O, zeg mij, wat voldoet</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Voor deze weldaad!... Is hij, is hij wel behouën?...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"O, vraag een losprijs!—dat mijn harte moog vertrouwen!"</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"'t Is om mijns Heilands wil, die mij de liefde leert,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Die mij mijn vijand leert beminnen—die begeert</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"'Doet wel aan wie u haat', dat ik den vader heden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Der dochter weêrgeef; 'k wil geen losprijs! Gaat in vreden!"</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Reeds lag het schoone kind den Emir aan de borst:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Maar toch, eer ze aan haar heil (een droom?) gelooven dorst.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En, hupplend, aan de zij des grijzaarts henentreden—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zag zij tot Willem op (wiens harte bij haar reden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een schuchtre gloed doordrong), en sprak met teêre stem:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dien Heiland, Dien gij dient, waar, Heer, waar vind ik Hem?"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">O dat tooneel wordt in zijn rustig later leven</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Den Kloosterbroeder vaak herschilderd en hergeven.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Geen wonder! 't heeft voor hem beslist van heel zijn lot:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De God van Willem werd der teedre maged God:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En—knielend voor den troon van Keizer Charlemanje,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Kroont haar als hem de kroon des Prinsdoms van Oranje.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Wat zegen,... wat geluk ... wat bittre rampspoed viel</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hem sedert al te beurt! Vermoeid naar stof en ziel,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Trekt hij, uit strijd op strijd, aan lauwren rijk en wonden,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ten onzent. O, zijn hart waant reeds 't geluk hervonden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">In de armen van zijn gade en kindren.... Wreede slag!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hij naakt zijn stad; betreedt zijn slot:—de volle dag,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn gloênde heilzon, keert in middernachtlijk duister:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hij zinkt ter aard: de krans van licht en rozenluister</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Is hem van 't hoofd gerukt: daar kwam hij aangetreên—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar draagt men die hij riep naar de eeuwge rustplaats heen!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Nu wil ook hij de rust: ja,... hij is oud van dagen!...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ja,... de arm verloor zijn kracht,... ja!... 't hart telt minder slagen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ja, 't was te lang zich-zelv' met zoo veel werks belast....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zijn erfzoon zij de zorg op 't schoudrenpaar getast</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Bij 't streelend mantelbont. Hij drukt zijn kroost aan 't harte</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En zoekt een heulbron op voor Hemeldorst en smarte.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Ze is door hem-zelf gesticht, de wijkplaats, die hij mint,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En waar hij 't oud geluk, bij meerder vree, hervindt.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Heer!—Heer!—hoort ge ginds niet dat joelend gedruisch?</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"'k Ben bang in dit bosch, lieve Heer!" met een kruis,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En een ril, sprak van achter op 't lastpaard gezeten</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De knaap dus tot Willem, zich-zelf haast vergeten.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Wat?... Onraad?... Wel-foei! Wees niet bang, beste man,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zóo zijn wij het bosch uit——Ons valt men niet ân:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Mijn tasch is te dun om tot roof te bekoren;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Kom, laat mij veel liever uw liedtjen eens hooren.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Gedraafd en gezongen met vrolijken zin!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Dan halen niet eens die kornuiten ons in."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"Heer ... 'k durf niet;... maar—daar gij 'et wilt—zal 't gebeuren."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En bevend begon hij een lied jen te neuren.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zij draafden vrij hard. Bij het blaadrengeruisch</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Denkt telkens het knaapjen: 'och, waren wij thuis!'</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Een windvlaag verheft zich: de kruinen der boomen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zij spellen den stalknaap: 'ze komen! ze komen.'</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En Willem, al zwijgt hij nog wat hij gelooft,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Keert somtijds, met zorgende blikken, het hoofd.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar hoort hij al dichter het trapplen van paarden,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Die ginds langs het lover de takken ontblaarden:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Het kruisen van stemmen, gevloek en gelach</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En 't sleepen eens wagens; en eindlijk, hij zag</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Den een na den ander een zevental ruiters,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat vlak op hen aanreed: 't zijn moorsche vrijbuiters!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Heer Jezus! wees met ons!" zoo fluistert de knecht,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Terwijl hij zich krampig aan 't monnikskleed hecht.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem rijdt door. "Sta, gij monnik! bij Mâmêt:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Eer ik op uw rug met den sabel mijn naam zet!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Sta, monnik!... Uw buidel!... Voort mannen, dat pak</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Van zijn rug! waar hij zeker zijn goud in verstak...."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem betoomt zich met moeite van binnen;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En andwoordt, als past, met zachtmoedige zinnen:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Dat pak?—'t is mijn dienstknaap! Wat, Heeren, kunt gij</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Voor schatten vermoeden in grauwharen pij!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Ik bid—laat mij gaan, en trekt rustig uw wegen!...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Aan 't rooven op klerken is voordeel noch zegen."</span><br /> +<br /></p> +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm013.jpg" width="400" alt="Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist." title="" /> +<p class="illus">Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist.</p> +</div> +<p> +<span style="margin-left: 3.5em;">—"Wat, klerken!" zoo joelt men: "'t Is juist uws gelijk</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Die 't meest ons belemmert!... maar üit heeft uw rijk!—</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Hier mannen, den knaap in die kreek daar gesmeten!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En beiden de plunje van 't lichaam gereten!"</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Ze ontkleeden den halfdooden stalknaap op steê,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Ze binden hem handen en voeten, en reê</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Den monnik, dien zij met hun vijven omringen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Tot afstappen en ontkleeden te dwingen,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Smaalt schaatrend hun hoofdman: "Gij zijt arme bloed,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Gelukkig niet de eerste, dien 'k heden ontmoet....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Wij hebben daarginder een lijk of wat leggen....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zóo varen ze, die zich niet laat gezeggen.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"We maakten hun goud, en wat anders nog, buit,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Gepakt in die kar ... 't zag er slecht met u uit,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zoo de hongrige wolven, voor 't eerste verlangen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Niet reeds een kapoentje' of wat hadden gevangen:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Geen lid bleef u heel! Nu maar straks van uw beest!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Toe! voort uit den tabbert! Het minst is óns meest!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Die tasch en die rozekrans.... Kousen en schoenen....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Uw pij uit!—Die hoofdkap bij de ándre kaproenen!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">—"Ai God!" bidt de knaap, en hij heft uit de kreek</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn armen ten Hemel, "ai Heere, verbreek</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Het opzet dier boozen! Wend af hunne handen!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En spaar, spaar mijn edelen meester die schanden!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Heer Willem staat barvoets; zijn opperkleed gaat</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Den huifwagen in met het zadelgeraad;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Foei!" spreekt hij, en denkt: 'O mij! hadde ik een wapen!...'</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Slechts vloek zult gij u uit dit boevenstuk rapen....</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Een weêrloze monnik—maar geeft me mijn knecht</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Voor 't minst dan weder!"—"Dien knaap?—Gij hebt recht</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"'k Vergat 'em al haast," sprak het hoofd van de Mooren:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Den knaap in de kar!—en de paarden de sporen!—</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Vaarwel ... vrome vader! en als ge in dit bosch</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Alleen u vervéelt, in uw luchtigen dos,...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat kan toch den beste eremiet overkomen,...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Hier hebt gij een koord—en daarginder staan boomen!"</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zoo sprekend, en sporend zijn ros in den draf,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Ontrent hem de hoofdman, maar spottend en straf</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Roept Willem op eenmaal, terwijl ze alle zeven</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Met huifkar en schreyenden knaap hem begeven:</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Fraai, mannen! fraai helden!—Uw prooi lacht u uit;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Het best van zijn goed werd niet eens nog uw buit!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"De gordel, die schuilt in mijn onderste klêeren,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Is meer dan uw dubbelde roof te waardeeren!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Een gesp is er aan van het edelste goud,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Die pronkt met eens krans van robijn, esmeraud</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En keurdiamanten; voor twee-duizend ponden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Wordt iedere goudsmit hier kooper bevonden.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Gij kweet u voorbeeldig!" De troep wendt den kop;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">De hoofdman rijdt nader: "Zoû 't waar zijn?—Pas op,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Vrome klerk! heeft uw argloze scherts ons belogen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dan stoot ik mijn priem door die tong en die oogen!...</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Te voorschijn die gordel!"—"Ik schenk hem u. Heer,"</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zegt Willem, "maar eer ik hem geef (bij uw eer,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Gij moogt mij niet weigren!) schenk mij dan dien leedren....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Opdat ik mij gord met de rest van mijn kleedren!"</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">—"Dat gaat!" roept de hoofdman, en stijgt van zijn paard</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En haakt zich den riem van het lijf, en ter aard</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zich buigend om 't kleinood van Willem te ontvangen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar steigert den monnik het bloed naar de wangen.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Daar heft hij de vuist, en met morslende slag,</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Een slag als geen hamer op 't aanbeeld vermag,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Verplet hij de hersens aan 't hoofd der bandieten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Dat breinstof en bloed door het schedelbeen schieten.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Met rukt hij het kromzwaard den Moor van de zij;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij springt in den zadel: geen vreeslijk als hij!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Hij stort zich te midden der wanklende knechten,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Die denken aan bijstand, noch vluchten, noch vechten.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Oranje vooruit!—Ha, gij wolvengebroed!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"De Leeuw is ontwaakt, en hij smacht naar uw bloed!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Voort, schurken! of 'k laat naar het diepste der hellen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Elk uwer zijn eerloozen meester verzeilen!..."</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Een bliksem gelijk zwiert het staal in zijn vuist;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij houwt en verminkt; en verjaagt,en vergruist.</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar liggen drie roovers, en weerloos, ter aarde;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar vluchten vier andren zijn doodlijken zwaarde.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zij kreunen om lijken of huifkar zich niet;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Reeds zijn zij geweken in 't verste verschiet;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En Willem van d'aakligen rechtsplicht ontslagen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Vereent zijn gebed ... met een toon uit den wagen.</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Hij nadert dien; opent de huif.... Groote God!</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn knaap niet alléén werd geboeid door het rot....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Twee ándre gevangnen, wien doeken en banden</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Het roepen belett'en en 't roeren der handen!...</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">De schaduw der huive floerst Willem het oog;</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Daar kerft hij de boeyen.... Neen, God! hij bedroog</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Zich niet in zijn zielsdrift: daar klinken hun stemmen....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">Daar schalt het "mijn vader!" "mijn kindren!"; daar klemmen</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">Zijn zoon en zijn dochter Heer Willem aan 't hart.</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Hoe dús?... hoe gij-beiden?... Dank, God! dat die smart</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"In vreugde gekeerd is! Gij waart overvallen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Door 't helsche geboefte!... en allen ... tegen allen...."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"Neen, vader! mijn mannen, het offer der trouw,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Zijn ginder verslagen;... de schaamte en de rouw</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat ik ze overleef ... haar kon niet weer verzoeten</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dan 't uur van dit roemrijk, dit zalig ontmoeten:</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"De vader voltoog, wat de zoon niet vermocht...."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"We aanvaardden," zoo koosde de zuster, "dees tocht,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Om u in het klooster te komen verrassen....</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"We hebben steeds in de Cortezische plassen</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Niet ver van 'et burchtslot zoo héérlijken visch!</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"En hadden dien heden bestemd voor uw disch;...</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Hij hangt in een korfjen hier achter den wagen."</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">—"Zoo waarlijk!" schertst Willem, "dan mocht ik toch slagen!</span><br /> +<br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">"Om visch werd de reis dezen morgen aanvaard...."</span><br /> +<span style="margin-left: 3.5em;">En glimlachend leî hij de zweep op het paard;</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">De staljongen moest met den bles het maar stellen,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">En de Abt kreeg twee gasten en—goede forellen.</span><br /> +</p> + +<div class="figcenter" style="width: 350px;"> +<img src="images/thijm014.jpg" width="350" alt="" title="" /> +</div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="FLORIS_EN_BLANCEFLOER" id="FLORIS_EN_BLANCEFLOER"></a>FLORIS EN BLANCEFLOER.</h3> + +<h5>AAN HELENE UKENA. (1851—1873)</h5> + + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm015.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + + +<p>Nu hoort naar mij! Ik zal een avontuur van minne gaan verhalen, dat +boeren en dwazen niet betaamt te hooren; maar hun die verstand +hebben—'t zij geletterde, of leek, of welgeboren vrouw—en wien de +liefde zoowel blijdschap als droefheid heeft aangebracht, dien gun ik +dat hier tegenwoordig zijn. Ook ontzeg ik het hooren er van niet aan +alle welopgevoede lieden, die goed en kwaad te onderscheiden weten. 't +Is alles van eene standvastige min—van blijdschap beide en droefheid. +Merkt wel op, gij Heeren en gij Vrouwen: de liefde gaat daarin wel een +vreemden gang, dat ook hartzeer haar volgt.</p> + +<p>Diederic van Assenede zult gij 't, alle, dank weten, dat u verhaald +werd, hoe Blancefloer en Floris, twee schoone kinderen, ter waereld +kwamen, en in hun leven zoo veel leed en rouwe en zoo menig maal +blijdschap en zoo groote vreugde door de liefde gehad hebben.</p> + +<p>Wij vinden gemeld, dat in overoude tijden een Heidensche Koning uit +Spanje, op den raad zijner wijze mannen, met eene groote menigte volks +te scheep ging, tegen de tijd, dat de zomer nieuw loof en gras brengt. +Fenus—zoo was diens Konings naam. Welhaast kwamen zij aan een zandigen +oever ten anker en liepen der Christenen land op. Roof en brand deed +Koning Fenus alomme stichten, muren slechten, burchten omwerpen; +kloosters, kerken en Godshuizen vernielde hij. Mannen en vrouwen, alles +werd omgebracht, en de buit te scheep vervoerd. Zoo werd in veertig +dagen de landstreek verwoest; op dertig mijlen van zee was geen Christen +meer te zien, geen goed meer te vinden. Toen deed de Koning nog veertig +hooggeprezen ridders wapenen en liet hen de bergen, velden en wegen van +alle zijden berijden, om de pelgrims te lijf te gaan, te berooven, en om +te brengen, of gevankelijk meê te voeren. Onder de dus overvallenen nu +bevond zich ook een Franschman van Edelen geslachte. Daar hij zich +moedig en tot het uiterste verweerde, wilden de Turken hem het leven +niet laten, en hij werd verslagen op den weg. Hij had zijne dochter daar +met zich, die, op raad van haren Bisschop, te bedevaart naar Rome wilde. +Haar man was al vroeger in een gevecht gebleven en had haar zwanger +achtergelaten. Hoe groot was haar nood! Zij zag haren vader verslagen, +en nog méér moest zij lijden, want zij maakten haar gevangen en voerden +ze weenend en klagend voor den Koning. Fenus herinnert zich vol vreugde, +dat de Koninginne hem had aangezocht eene Christen Jonkvrouwe uit den +vreemde over te brengen; nu deed hij rondroepen, dat hij vertrekken +wilde. Allen kwamen scheep; de vaart was hun wel geslaagd; zij hadden +groote schatten gewonnen; met volle zeilen voeren zij van daar, en +werden al spoedig in de haven van Toledo aan wal gebracht. De mare liep +hun vooruit in de stad; die 't het eerst verneemt, zegt het voort. Zoo +doet de een den anderen kond, dat de Koning aangekomen was, gezond en +wel met al zijn tochtgenoten. De lieden liepen naar de haven, en waren +blijde dat zij vrienden en verwanten behouden zagen aankomen. Met +grooter eere ontving men den Koning, zoo Heeren als Vrouwen; en vele +kinderen liepen om en achter hen.</p> + +<p>De Koning ging vrolijk ter burchtzaal op, en begon zijnen buit te +deelen: den een gaf hij meer, den ander minder; hij kon het ieder van +pas maken. Toen nam hij de Christen vrouwe op hoofsche wijze bij de +hand, en deelde haar de Koninginne toe. Deze vond zoo veel behagen in de +gevangene Gravin, dat zij haar vrijheid gaf haren Godsdienst waar te +nemen; dat zij haar van goede zorgen omringen deed, en eene vriendin van +haar maakte.</p> + +<p>Op zekeren dag, dat de jeugdige weduwe bezig was eene banier voor haren +Heer den Koning te borduren, waar zij de portretten van het koninklijk +echtpaar ingewerkt had, kwam hare meesteres bij haar, en merkte op, dat +zij onpasselijk werd. De Koningin nu stond eerlang moeder te worden van +haren eersteling, en thands bekende de Gravin aan deze, dat ook zij een +liefdepand van haar beschreiden egaâ onder het harte droeg. De vrouwen +brachten op den zelfden dag, "eens Palmensondaechs" een schoon kind ter +waereld. Dat der Koninginne was een jongen, en de bloedverwanten zochten +hem uit hun boeken, op hunne wijs, een schoonen naam, en heetten hem +Floris; de gevangene Christin had een meisjen, dat zij, naar onzen +Godsdienst, den Doop liet geven en Blancefloer noemen.</p> + +<p>Floris werd ter opvoeding vertrouwd aan de moeder van Blancefloer —want +het had den ouders duidelijk gebleken, dat zij was van edele geboorte en +dat hare gepeinzen en haar leven hieraan beantwoordden.</p> + +<p>De kinderen nu altijd samen zijnde, zoo schoot de teerste verknochtheid +reeds wortel in hun hart, eer zij nog vijf jaren oud waren. Zij waren +beide zoo schoon, dat men in geen land ter waereld ooit zoo schoone +kinderen gezien had. De vader, de woeste krijgsman, beminde zijn zoon +meer dan zich-zelven, en was op niets anders bedacht, dan om eenmaal den +geleerdsten, rijksten, beroemdsten Koning van hem te maken. Hij wilde +hem daarom al dadelijk ter schole zenden, opdat hij de Letteren mocht +kennen en verstaan! Maar Floris barstte uit in tranen, toen zijn vader +hem dit aanzeide:</p> + +<p>"Lieve Heere," zeide hij, "dat kan niet gebeuren! Ik zal noch lezen, +noch schrijven kunnen, noch iets van de leering verstaan—tenzij +Blancefloer met mij ga."</p> + +<p>De vader beloofde hem dit dan; en gezamendlijk togen de kinderen ter +schole.</p> + +<p>Thands meer malen alleen zijnde, spraken zij vrijer met elkander, en +beminden elkaar in 't geheim. Als de eene niet bij den andere was, kon +hij niets onthouden van wat hij las of hoorde, en vergat terstond wat +men hem beval. Ter liefde hadden zij goeden gelegenheid. Zij waren ééns +van meening, ééns van schoonheid, van éenen zin en even standvastig van +harte. De boeken, die men hun te lezen gaf, deden hen zulke vorderingen +in de min maken, dat zij vaak verheugd waren, maar ook dikwijls in +zorge. Zij zouden liever sterven dan lang gescheiden te zijn. Zoo +leefden zij voort, in die zoete kwelling, in zoete droefheid, in zoeten +druk. Veel te lang dachten hun de nachten; de dagen waren hun veel te +kort voor hun blijdschap, voor hun genot.</p> + +<p>Binnen vijf jaren spraken zij tamelijk wel Latijn, en konden zich nu bij +den weg en in den hof met elkander onderhouden, in eene taal, die de +ongeletterden niet verstonden. Eindelijk blonk hunne liefde echter +dermate in 't openbaar, dat de Koning ernstig ongerust, ja, vergramd, en +op alle middelen bedacht werd, om een einde te maken aan Floris' neiging +voor de arme dochter der gevangene Christin.</p> + +<p>Hij ging heimelijk tot de Koninginne. "Vrouwe," zeide hij, "wij hebben, +naar ik inzie, Floris ons kind verloren." De vrouwe was rustig van +gemoed; maar terstond beving haar een groote vrees. Uit zijn +gelaatskleur zag zij duidelijk, dat hij gram en verbolgen was; zij +peinsde dan, hoe zij hem minlijkst en met zoete redenen te gemoet kon +komen: "Ai Heere," zegt zij, "door wat oorzaak zullen wij ons kind +verliezen? Zeg het mij, en wij zullen den besten raad kiezen, dien wij +er op vinden kunnen."—"Vrouwe," zegt hij, "ik zal 'et u verklaren: +Floris heeft, uit allen zinne, zijn liefde zoo sterk op Blancefloer +gesteld, dat hij, naar hij zegt, haar niet op zal geven zijn leven lang. +Vrouwe! is mijn raadslag ook de uwe, en dunkt het u welgedaan—dan zal +ik haar laten onthoofden. Als dan de droevige tijding, dat zij dood is, +Floris bereiken zal, zoo houd ik mij verzekerd, dat hij haar zal +vergeten, en zijne liefde keeren tot eene andere, die hij met eere +beminnen mag. Dan wil ik, dat hij, als betaamt, eene vrouwe van hoogen +geslachte zal nemen."</p> + +<p>Zoo haast de Koninginne vernam wat den Koning zoo zeer misviel was zij +geneigd tot goedertierendheid en heuschheid, en bedacht zich snel, hoe +zij bewerken mocht dat der Jonkvrouw het leven gespaard bleef en des +Konings toorn gestild wierd. "Heere," zeide zij, "dit plan is goed: +maar, naar de zaken staan, zal ik trachten ons beteren raad te schaffen. +Misschien bemint Floris het zoo edel opgetogen kind Blancefloer, die in +waarheid schoon is, met zulk een standvastigheid, dat ik hooglijk +duchten zoû ... dat ik in groote vreeze ben, of hij niet reddeloos +verloren zoû gaan en sterven van droefheid, bij het vernemen der +tijding. Dan zoû onze schade en ons verdriet méér zijn dan te voren. +Daar is geen lof noch roem meê te behalen, 't zoû niemants nut zijn, zoo +zij gedood en ongelukkig wierd gemaakt: 't is beter, dat zij in 't leven +blijve!"—"Maar wat raad gij dan?" En nu geeft hem de Koningin als +middel aan de hand, dat de meester der tegenwoordige school van de +kinders eene ziekte zoû voorwenden, opdat men Floris naar eene andere +plaats, naar Montorië, ter schole kon zenden. De moeder van Blancefloer +zoû men noodzaken, om den wille van haren verzwakten toestand, aanspraak +te maken op de voortdurende hulp harer dochter —dan kon Floris niet +aandringen op het samengaan—en verwijdering, afleiding door den omgang +met andere speelgenoten, zoû wellicht de liefde verdooven kunnen, of +vestigen eene nieuwe genegenheid in zijn hart. Des noods kon men hem ook +beloven, dat na veertien dagen Blancefloer tót hem gezonden zoû worden.</p> + +<p>Nu ontbood de Koning—Floris. "Zoon," zegt hij, "het misvalle u niet, +dat uw meester ziek is en te bedde ligt, zoo dat hij de leerlingen niet +verzorgen kan, noch de school gaande houden. Daarom zal ik u naar +Montorië ter schole zenden. Daar zult ge, bij uwe verwanten, welkom zijn +en goed ontvangen worden. Gij zult daar blijven en ter schole gaan, en +lezen en schrijven leeren."</p> + +<p>—"Heere," sprak Floris, "waar blijft Blancefloer dan?"—"Lieve jongen," +zegt de Koning, "die blijft hier." Toen liepen Floris de tranen over +zijne wangen en hij begon luide te snikken. "Doe dat niet Heer!" zeide +hij: "dat gebod zoû mij te zwaar vallen; doet ge Blancefloer daar niet +mét mij—ik zal er niet kunnen verblijven." Beurtelings bad en beval +hem de Koning, blijde te vertrekken: hij zoû binnen veertien nachten of +eerder Blancefloer tot hem zenden.</p> + +<p>Floris reisde weg met een vertrouwden kamerling. Hij kwam aan bij den +Hertog Gora, en was hem welkom; zijne Vrouwe, de moei van Floris, +ontving haren neef blijdelijk. Zij deed hem vaak hoofschelijk door hare +dochter, Jonkvrouwe Sibile, leiden onder hare gespelen, dat hij licht +hier en daar woorden zoû ontvangen, die hem in eene andere liefde +mochten ontsteken, hem het harte verblijden en Blancefloer vergeten +doen.</p> + +<p>Men ging in veel hem voor, en leerde hem veel—maar, 't mocht zijn wat +het wilde, hij keerde zijnen zin er maar luttel toe. Wat hij ook hoorde +en las—altoos stond hem de gedaante van Blancefloer voor oogen, die hij +boven alle verkoren had, welke hij ooit of immer zag; die hem zoo vast +in het harte geprent was, dat zij in grooten druk hem leven deed. De +stonden vielen hem lang—des daags en des nachts. Menigmaal klaagde hij +zijne ellende in halve woorden en diepe verzuchtingen, aleer de veertien +nachten ten einde kwamen.</p> + +<p>Maar toen de bepaalde tijd verstreken was, en zijne geliefde niet kwam, +werd Floris nog dieper bedroefd dan te voren; zijne rouwe klom hoe +langer hoe meer; hij kon noch eten noch slapen; zijne oogen begonnen hol +te staan, en hij verviel zoodanig, dat men ging vreezen voor zijn leven. +In aller ijl gaf men den Koning bericht van het gevaar. De mare trof hem +vreeselijk; hij werd ten hoogste vertoornd; nu riep hij de Koninginne +tot zich. "Vrouwe," zeide hij, "ziet gij nu, waar ik toe gekomen ben? De +kamerling zendt ons kwade tijding van onzen zoon: nu kunt ge zien, hoe +wij hiermee vervaren zullen! Ik weet niet, of het door tooverije van +Blancefloer of door Floris' eigen uitzinnigheid is, dat zij hem dus +geheel van zijn verstand heeft beroofd!... Men voer ze haastelijk vóór +mij; ik wil haar terstond doen onthoofden. Hij zal er lichtelijk afstand +van doen en hare liefde gants vergeten, als hij kennis van haar dood +krijgt."</p> + +<p>Heere God! wat groote dwaasheid heeft de Koning daar uitgesproken, dat +tooverij het zoû gedaan hebben! Zoo vroeg immers heeft ze de liefde +reeds in haar hart ontvangen, dat zij nog geen goed of kwaad te +onderscheiden wist, toen hij haar voor 't eerst beminde. Hare +wederliefde was zoo uitermate groot, dat zij, sints hij haar verliet, +geen oogenblik van vreugde gesmaakt heeft. Zwaar viel haar het leven; de +onrust verliet haar niet. Maar dit was haar niet ter oore komen—dat er +aldus over haar gesproken werd.</p> + +<p>De Koningin spande haren geest ondertusschen in, hoe zij ze den dood +ontrukken mocht. Toen gaf zij den Koning als middel aan de hand, +Blancefloer, het schoone kind, te Nicle ter markt te brengen, en haar +aan vreemde kooplieden te verkoopen, die ze verre wech zouden voeren; +zóo, dat er de Koning zich niet meer om zoû behoeven te vergrammen, noch +er een doodslag om begaan. De Koning liet zich belezen. Blancefloer werd +te Nicle ter markt gebracht en voor groote schatten aan de koopers in +handen geleverd.</p> + +<p>Hoort, wat zij voor haar gaven! Ik zal het u melden: zij gaven sestig +pond gouds; honderd staven zilver, wel geteld; honderd stukken zijnde; +honderd satijn; honderd gouden bekers; honderd purpren prachtgewaden; +honderd roode zijden mantels; driehonderd goede jachtvogels—valken, +haviken en sperwers; honderd groote en snelle paarden. Ook gaven zij nog +een gouden drinkvat, waarop verbeeld stond, hoe Paris, des Konings zone +van Troje, Helena ontvoerde, en haar man, Koning Menelaüs, hem zeer +verbolgen achtervolgde; hoe Agamemnon het leger leidde, en de Grieken +Troje belegerden, en de muren stormenderhand aantastten; en hoe er van +binnen tegen in gestreden werd. Ook was op het deksel de twist der drie +godinnen om den schoonheidsappel afgebeeld. Een karbonkelsteen +schitterde bij den top met zoo krachtigen glans, dat er geen kelder zoo +duister is, of de bottelier, dien steen in de hand houdende, kon, zonder +vuur of licht, het daar zoo helder maken, dat men er gemaklijk +moerbeziën, honig- en specerijdrank van wijn zoû hebben kunnen +onderscheiden, zoowel als zilveren van gouden penningen. Die karbonkel +werd door een daarboven staanden en als levend schijnenden vogel +vastgehouden. Dit drinkvat was het werk van Vulcanus: Eneas bracht het +uit Troje, en schonk het eener geliefde van hem in Lombardije; toen +kwam het, door versterving van den eene op den andere, en eindelijk in +de handen des Keizers van Rome, wien en dief het ontstal, die het op de +markt te Nicle verkocht had.</p> + +<p>De handelaars waren zeer verheugd met den aankoop, want zij waanden wel, +konden zij haar te Babylonië brengen, dat zij twee maal den koopschat op +haar winnen zouden. Zij togen dan derwaards, om den Emir het schoone +kind aan te bieden.</p> + +<p>Zoodra de Emir haar met oogen zag, beviel zij hem zoo, dat hij ze hun +tien malen opwoog met goud. Zij dankten hem, en namen oorlof en ruimden +met blijdschap het hof. Al spoedig bleek den Emir uit Blancefloers +hoofsche zeden, uit haren bouw, uit hare schoone oogen, uit hare +blankheid, uit den was en de dracht van heur haar, dat zij van hoogen +geslachte moest zijn, en ofschoon hij levenslang gewoon was geweest alle +jaren eene andere vrouw te nemen, zwoer hij dat hij om harentwille eene +verandering in de gebruiken brengen zoude en, zijn leven lang, geen +andere vrouw meer beminnen.</p> + +<p>Hij liet haar in een toren voeren, daar zij zeven-maal-twintig +jonkvrouwen heeft om haar te dienen, gelijk zij ook den Emir dienden. +Hij geeft haar een jaar tijd om zich te troosten, waarna hij haar tot +vrouw zal nemen en doen haar tevens Vorstinne kroonen van Babylonië.</p> + +<p>Hoe ongelukkig is de arme Blancefloer! Ter waereld is er geen +kluizenaarster noch kloostervrouw, die zoo weinig om haar leven geeft. +Zij weet naauw wat zij doet van droefheid: "Wee mij, rampzalige maagd!" +roept zij uit: "hoe rouwt mij het leven! Voor mijn zoeten lief, mijn +teedren vriend, den schoonen Floris ben ik verloren! Wat blijdschap was +weleer de onze! maar hoe kort van duur! In hoe vele vreugden leefden wij +eenmaal! hoe diep moeten wij heden treuren! en dat voor altoos! Het uur, +dat ik geboren werd, zij vervloekt! O nijd, dat hebt gij ons berokkend! +Indien gij een schepsel zijt, dat gevoel heeft van het goed en kwaad, +dat hem geschiedt, moge God u in de diepe helle doen neerdalen, om mij +te wreken, O! zeker hebt gij Floris ook gedood, of hem dus gekweld, dat +hem het leven rouwt, door den rouwe, dien hij om mij draagt.... Wat zeg +ik? om mij? Weet ik niet, dat Floris des Spaanschen Konings kind is! Al +heb ik hem dwaselijk lief gehad, ik weet wel, dat hij nooit voor mij +bestemd kon zijn, dat ik niet aan hem verbonden werd, en hij te-recht +ook niet aan mij—hij is van zoo hooge geboorte, dat ik hem niet waardig +ben—maar dit weet ik tevens: dat hij mij bemint—en dat ik hem +bemin.... De droefheid zal dan in mijn harte blijven, bij dagen en bij +nachten, want gij, mijn uitverkorene, zult in mijn geest wonen.</p> + +<p>"Met u te noemen en van u te spreken daar kort ik mijn dagen meê. +Ons-beiden zal de rouw niet verlaten. 't Is groote nijd, die ons +gescheiden heeft, wel zoete vriend!</p> + +<p>"Gode zij lof, die u geschapen heeft! Gij zijt zoo schoon, zoo edel, zoo +braaf, zoo in-goed. Waar vindt men er vier in de gantsche waereld, die u +gelijken! Gij waart zeker, dat gij mij nimmer verlaten zoudt, en nu moet +ik, om uwent-wille, eeuwig zonder blijdschap leven. Dit groote leed, +dees diepen rouwe, kom ik niet te boven, dan, Floris, door uwe liefde!"</p> + +<p>Zoo klaagde Blancefloer, en had voor troost niet dan de zoete woorden +van hare gezellinnen.</p> + +<p>Inmiddels, wat is er met Floris geschied? De vader heeft het kwijnend +knaapjen verlof gegeven te-rug te komen. Maar hij zal, bij zijn +thuiskeer, vragen naar Blancefloer.... Wat hem te andwoorden? De +Koningin is droef, maar beraamt toch een plan om Floris op de zachtste +wijze er toe te brengen in zijn lot en het verlies van Blancefloer te +berusten. Op haar voorstel laat de Koning een prachtige graftombe +bouwen, en op doodstraf bevelen, dat niemant in het land den Koningszoon +zoû melden, dat zijn geliefde in leven was.</p> + +<p>Dit graf, opgericht onder een boom, voor een kerk, was gemaakt van +krystal en marmersteen; 't was rijkelijk vercierd met beeldwerken; de +goudsmits, die er het beslag toe leverden, tooiden hun werk met kostbare +en gebeeldhouwde edelsteenen op. Aan het oppereinde van den zerk +plaatste men een beeld, uit fijn marmer gehouwen, met zilver en goud en +velerlei kleuren afgezet. Door het schrander overleg der meesters +keerde dit beeld zich met gestrekte hand steeds uit in de richting der +zon, en als het van deze beschenen werd, waren er ter waereld geen +oogen, die er den glans van konden verduren. Zij zett'en midden op de +tombe twee gouden kinderbeeldtjens: Het eene geleek sprekend op Floris: +het andere stond met een voorkomen of het Blancefloer, zijne vriendinne, +ware. Blancefloer had van rood goud eene roze in de hand, die zij haren +geliefde aanbood: desgelijks bood Floris eene lelie aan zijne +vriendinne. De beide kinderen hadden ieder een gouden kroon op het +hoofd. Door kunstige buizen werd de wind op zoodanige wijs in verband +gebracht met de kinderen, dat, onder het waayen, het eene zich naar het +andere overboog, en zij elkander kusten en omhelsden, tot dat de wind +ging liggen, en zij weder stil bleven staan, elkaar wel vriendelijk in +de oogen ziende; dan begonnen zij elkander de bloemen te vertoonen, +alsof zij samen jokten en speelden en leefden als vroeger. Zóo dachten +allen, die er bijkwamen. Vier balsemrijke geurige boomen omgaven het +graf. Die boomen waren het gantsche jaar groen, en de vogelkens zongen +en quinkeleerden er in, zonder einde noch bedwang. Die er onder stond, +hem dachte, dat hij in 't Paradijs ware. Genaakten hen eene jonkvrouw en +jongeling, die elkander beminden, en Edel en natuurlijk waren, dan +moesten zij aanstonds hunne liefde toonen. Van zulke kracht was daar de +zang der vogelen. Naauwelijks hoorden zij 't geluid, of zij liepen +haastig tot elkander, en kusten elkaâr vriendelijk. De liefde, waarvan +zij daar blijk gaven, was zoeter dan ik uit kan spreken. Maar was 't een +dorper of een dwaas, die daar voorbij zoû gaan, dan werd, hij, zoo haast +hij den zang der vogelen hoorde, met zulk een angst bevangen, dat hij +zich daarna geen minne meer onderstond, maar op staande voet in slaap +viel; zoo bezweken hem al de leden.</p> + +<p>Die boomen stonden dan daar alle vier om het graf—dat zoo kostelijk was +als er nimmer voor Jonkvrouw werd opgericht. Menig rijke en wonderdoende +steen was er aan gezet. Met kostelijke lijsten was de tombe omgeven, en +op den steen werd in gouden letters gehouwen:</p> + +<p class="small"> +<span style="margin-left: 2.5em;">—HIER LEGHET BLANCEFLOER</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">IN DIT GRAF, OP DESEN VLOER,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT.</span><br /> +</p> + +<p>Het leed niet lang, of Floris keerde te-rug.</p> + +<p>Hij reed de burcht binnen, aan de zale stijgt hij af; hij groet zijne +moeder en zijnen vader, en alle de anderen. Oogenblikkelijk vraagt hij +naar zijne vriendin. Niemant andwoordt, noch durft de waarheid belijden. +En toen hij haar niet zag,... toen hij haar miste ... werd hij vreeslijk +beangst, en onstelde, en liep haastig ter kamer, waar Blancefloers +moeder was.</p> + +<p>"Vrouwe," zegt hij, "waar is Blancefloer? Mijne vriendinne die ik hier +achterliet?"</p> + +<p>—"Uwe vriendinne?... dat weet ik niet."</p> + +<p>—"Gij schertst!"</p> + +<p>—"Ik doe het niet."</p> + +<p>—"Gij doet het!"</p> + +<p>De vrouwe voelde eene groote droefheid in haar gemoed, toen zij van hare +dochter hoorde spreken.</p> + +<p>Floris werd steeds angstiger. "Roep haar mij!" zegt hij, "haastelijk!" +De moeder andwoordde nu weder wijslijk en zeide, dat ze niet wist, waar +Blancefloer was. Zijn angst klom al hooger: "Vrouwe," zegt hij, "gij +doet slecht: toon ze mij, aanstonds! dat ik haar zie!" Toen er geen +andere uitweg was, en hij volstrekt iets van haar vernemen wilde, zeide +zij, gelijk haar bevolen was, de dochter ware dood en begraven. Dat +mocht hij niet gelooven—tot dat zij 't hem bezwoer. "Ai mij!" riep hij +uit, "is Blancefloer, mijne wel zoete vriendinne, dood!"</p> + +<p>Hij werd rood in het aangezicht; daarna zoo bleek dat zijne kleur als +die eens dooden was. Zijne lippen klemden zich op elkaar, hij zeeg +zwijmende ter aarde.</p> + +<p>De Koning en Koninginne snellen aan. Floris lag geruimen tijd in +onmacht, en kwam slechts langzaam tot zich-zelven: "Wee mij," spreekt +hij stil, "wat heb ik tegen de dood misdreven dat zij mij vergeten +heeft en Blancefloer genomen? Dat was niet wel gedaan! Nog bid ik haar, +dat ze mij wechvoere; dat ze mij den weg wijze naar het bloeyend veld +der Hemelen; daar verwacht mij hàre ziele! Wat denkt ge—dat de dood mij +niet tot vreugde zoû wezen?"</p> + +<p>Floris vroeg, dat men hem naar Blancefloers graf leidde. Hij vond daar +de letters geschreven, en las:</p> + +<p class="small"> +<span style="margin-left: 2.5em;">"—HIER LEGHET BLANCEFLOER</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">IN DIT GRAF OP DESEN VLOER,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">DIE DE JONCHERE FLORIS, DAT SCONE KINT,</span><br /> +<span style="margin-left: 2.5em;">MET GHESTADEGHER HERTE HADDE GHEMINT."</span><br /> +</p> + +<p>Toen zag hij de lachende kinderbeelden. De droefheid greep hem zoodanig +aan, dat hij drie werf achter-een in zwijm viel, dat hij noch spreken, +noch zien, noch andwoorden kon. Zijn moeder stond daar bij hem. Toen hij +weer tot zich-zelven kwam, barstte hij uit in tranen en jammerklachten. +"Ach, Blancefloer!" zegt hij, "Blancefloer! sints ik u verliet was ik +rampzalig. Wist ik op wien—hoe gaarne zoû ik 'et wreken, dat ik u dus +verloren hebbe! Wij waren op éenen dag gewonnen en geboren, samen +opgevoed, samen hebben wij geleerd—tot dat we de ure bereikten, waarin +men ons verraden en gescheiden heeft. Met recht hadden wij ook op éenen +dag de waereld moeten verlaten! Niemant misduide mij, dat ik u klage! Ik +ben uitermate droef. Gij hebt mij achtergelaten in rouwe en bittere +smart.</p> + +<p>"Zoo Edel, zoo volmaakt zag niemant ooit vrouw ter waereld. Gij waart +zoo schoon, zoo lieflijk, dat ik 'et niet zeggen kan. Gij waart een +spiegel voor het gantsche Rijk: geen vrouw van zoo zachte zeden, zoo +schoone vormen, zoo lieflijke oogen, zoo zoeten mond, zoo vriendlijk +andwoord, zoo schoone groete! Gij overtroft al uw speelgenoten. Hoe vele +vrienden hadt gij u verworven! Allen die u kenden loofden, en minden, en +prezen u!... Niemant kan mij misduiden, dat het mij nooit verdroot u +standvastige liefde te dragen. In 't geheim beminden wij elkander; in +geschrifte of in 't Latijn deed ik u mijn wil, mijne wenschen verstaan; +zoo deedt gij ook mij; zoo dat zij, die er bij waren, het niet +verstonden.</p> + +<p>"O dood, hoe boos en hoe hard is uwe gewoonte en uwe natuur. Gij zijt +moorddadig als een roover! Gij haat, die u beminnen! Die in blijdschap +is, dien werpt gij ter neder; en tot den ellendige weigert gij te komen. +Ik roep u! en gij zijt zoo wreed, dat gij mijne klachte niet wilt +hooren: maar ... ik zal u zoeken, en u vinden; eer deze dag ten einde +komt, zal ik mij-zelven het leven benemen. Ieder kan zich wel een +haastige dood geven. Ik zal mij dooden (ik heb er de macht toe), en +varen in het bloemenveld, waar Blancefloers ziele weêr samenkomt met de +mijne, en bloemen leest."</p> + +<p>Floris haalde een gouden griffel uit zijn gordel, hield dien vóór zich, +en sprak: "Dezen griffel deed Blancefloer maken, en gaf mij hem, opdat +ik, bij het zien, aan haar denken zoude. Nu ligt mijn troost aan +u-alleen. Gij zult mij van mijn leed verlossen; gij zult mij het leven +nemen, al werdt gij mij daartoe niet geschonken. Haast u! Doe, wat nu +wezen moet!" Met deze woorden keerde hij zich den griffel naar het +hart—maar zijne moeder sloeg hem gade en wendde den stoot af.</p> + +<p>"Floris," zeide zij, "wel lieve kind, wat hebt ge u in een dwaze liefde +begeven, hoe ellendig hebt ge u-zelven gemaakt, dat ge om de minne eener +vrouw u-zelven de dood wilt geven en het uiterste doorstaan. Daar is +niemant in de waereld zoo uitzinnig of razende, dat hij niet liever in +groot ongerief blind, doof en stom zoû zijn en lijden al wat de waereld +te lijden geeft,—dan de dood, de bittere dood te ondergaan. Telt gij de +stervensangst voor niets?—Meent ge dat het u iets baten zoû, of ge de +handen aan u-zelf sloegt? Denkt ge op die wijze in 't bloeyende veld, in +'t Paradijs te komen? Neen voorwaar, dat zoû niet gebeuren; daar zult ge +langs dezen weg Blancefloer niet vinden. Daarbinnen wordt men zoo maar +niet toegelaten; men toetst en proeft en ontzegt de deur, en weigert +gehoor dengene, die met zonde bevlekt zijn. Elders zoû uwe woning zijn, +gij zoudt ten donkeren afgrond varen, ter helle, waar Biblio en Dido +lijden en rouwen en de hoeken vervullen met hunne klachten: die daar +eeuwig zoeken en nimmer vinden hunne geliefden, die zij zoo zeer bemind +hebben, dat zij er zich-zelf om van kant maakten. Heb goeden moed, gij +zult nog geluk in uw leven hebben. Ik houde, dat gij Blancefloer, uwe +vriendin, nog levend te-rug zult zien. Ik weet een geneesmiddel, welks +kracht, als ik ze aanwend, haar weer levend zal maken."</p> + +<p>Toen ging zij, in angst en ontsteltenis, weder tot den Koning: "Heer," +zegt ze, "hoe gaarne zoû ik u willen bezweren, dat gij genadig met ons +kind handelen zoudt. Zie hier den griffel, dien hij bestemd had hem het +hart te doorsteken; had ik 't niet belet, hij ware op de plaats +doodgebleven."</p> + +<p>—"Vrouwe," antwoordde de Koning, "vrees zoo spoedig daar niet voor. Ik +houd het er voor, dat hij zich niet zal dooden. Gij zult spoedig +zien, dat hij al zijn verdriet vergeten zal."—"Heer," zegt ze, "dat is +onmogelijk. Hij komt dit verdriet niet te boven dan met de dood—niet +eer. We hebben geen ander kind dan hem: zoo wij zijn dood te weeg +brengen, zal onze schuld niet verborgen blijven, het gerucht zal zich +alom verbreiden, en onze schande zal groot zijn."</p> + +<p>—"Vrouw," zeide hij, "ik zoû misdoen, indien ik uwen raadslag in dit +geval, en ten opzichte van hun-beiden, niet opvolgde."</p> + +<p>—"Nu spreekt ge wél, Heer!" zeide zij: "Wij moeten wél aannemen, dat +wij ze beiden behouden of beiden verliezen zullen."</p> + +<p>—"Ga, zeg hun dan," zeide de Koning, "dat hij geen rouw meer drijve, +maar blij en vrolijk zij: want dat de rechte waarheid is, dat +Blancefloer, zijne vriendin, leeft."</p> + +<p>De Koningin keerde zich om met een lachend wezen: dit was haar genoeg +gezegd: zij ging tot Floris in zijn eenzaamheid.</p> + +<p>"Zoon," zegt ze, "ween niet. Ik zal u de rechte waarheid zeggen over uwe +vriendin: Zij leeft; daar is in het graf—niets. Wij hebben leugentaal +gesproken—uw vader en ik—toen wij zeiden, dat ze dood was. Wij hoopten +haar aldus van u af te trekken. Wij waanden, als gij ze dood zoudt +weten, dat gij hare liefde dan vergeten zoudt en nemen eens Konings +dochter. Dat zoû ons liever geweest zijn dan indien ge Blancefloer tot +vrouw kreegt: want deze is onedel en christen, en daar uw vader niet +wilde toelaten, dat zij uw vrouw zoû worden, daarom wilde hij ze +verdoen. Maar op onzen raad liet hij ze leven en deed ze verkoopen ter +markt, waar hij ze heenzond. Daar werd ze van kooplieden uit verre +landen voor eene groote som gelds gekocht en wechgevoerd in een vreemd +rijk."</p> + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm016.jpg" width="400" alt="Toen zag hij de lachende kinderbeelden." title="" /> +<p class="illus">Toen zag hij de lachende kinderbeelden.</p> +</div> + +<p>"Vrouwe!" zegt hij, "spreekt gij de waarheid?"—"Ja ik," andwoordde zij +onbeschroomd: 'ik zal 't u voor uw eigen oogen laten zien."</p> + +<p>Toen deed zij eenige jonge gezellen roepen, die moedig en sterk waren; +en deed den zerk oplichten. En toen Floris er niets onder vond, dankte +hij God: weer stond het leven hem aan; de blijdschap vervoerde hem zóo, +dat hij zich aanstonds wilde opmaken en zoeken haar, en vinden, haar, en +brengen ze vol vreugde te-rug.</p> + +<p>Maar wat moest hij daar niet al voor doen;—wat moeite moest hij niet +aanwenden en hoe bitter viel hem deze! Diederik, die de geschiedenis uit +het Fransch in het Dietsch heeft overgebracht, zegt ons, dat men er niet +vele in 't land zoû vinden, die zouden willen gelooven, dat iemant zoo +dwaas, zoo uitzinnig of zoo stijfhoofdig zoû kunnen zijn, die om den +wille van welke liefde ook, de stoute daden zoû verrichten, die Floris +bestaan zal. Hij is zoo verblijd, dat hij er niets om geeft wat er +verder gebeure. Hij gaat tot den Koning; zijne moeder blijft hem immer +ter zijde.</p> + +<p>Hij gaat deels bedroefd deels verheugd. Het is om Blancefloer, dat hij +aldus te moede is. Hij is verdrietig, om dat ze zoo verre is; hij is +verblijd, om dat ze leeft.</p> + +<p>Zijn vader was beurtelings ontroerd en vertoornd, bij de gedachte, dat +hij zijn kind misschien verliezen ging. Hij wilde hem aanvankelijk geen +verlof geven. Nog bidt hij zijnen zoon, dat hij blijve; hij zal hem eene +vrouwe kiezen, schoon en van hooge geslachte, die met eere de kroon moge +dragen.</p> + +<p>"Heer," zegt Floris, "als ge mij liefhebt, gewaag daarvan nooit meer. +Daar is, behalve haar, in heel de waereld geen vrouw die ik beminnen +kan. Hoe meer gij mijn vertrek bespoedigt, hoe eer ik met haar +te-rug-kom."</p> + +<p>Daarop gaf de vader toe; daar het niet anders zijn kon.</p> + +<p>Hij gaf hem zijn liefste paard tot de reize: 't was rood aan de eene, +wit aan de andere zijde, wat menigeen groot wonder dacht; zijn hoofd was +besprengd met menigerhande bloemen, veel natuurlijker dan of ze iemant +daar met verwe had opgebracht. Het dier was schoon en snel, en fier en +heerlijk opgetuigd. Floris' moeder gaf hem een ringetjen, daarvan zij +hem vele goede eigenschappen verhaalde:</p> + +<p>"Lieve kind," zegt zij, "ik bid u, verwaarloos mijn raad niet: als gij +dit dragen zult, hebt gij niets te vreezen: noch van wilde dieren, noch +van water, noch van vuur, noch van menschelijke wapenen: ja, ik geloof +vastelijk, dat wie 't bij zich draagt, vinden zal en zekerlijk +verkrijgen, wat hij zoekt, vroeg en laat." Hij dankte zijne moeder van +zoo schoone en goede gift, waarmee hij Blancefloer meende te-rug te +zullen krijgen en in Spanje binnenbrengen. Hij wilde gaan; maar toen +mocht men nog het geween zien en droevig misbaar van vader en moeder: +hoe zij de handen wrongen en zich de haren uitrukten. Allen, die daar +waren, weenden alsof hij dood vóór hen lage. Maar zijn moeder dreef den +diepsten rouw, en kuste hem tienwerf achter-een en zoû het nog méér +gedaan hebben, doch de vader trok haar op zijde en kuste hem ook drie +maal voor den mond. Zij vreesden altoos, dat zij hem niet te-rug zouden +zien. En het geschiedde gelijk zij dachten: want zij zagen hem nimmer +weêr.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Floris, wel besloten Blancefloer te zoeken zijn leven lang, ging met +vele dienaars en rijkdommen, vermomd als een reizende koopman, te +scheep. Met groote moeite vorschte hij de verblijfplaats van Flancefloer +uit. Door allerlei middelen geraakte hij eindelijk in Babylonië, de +stad, waar zij Blancefloer heen hadden gevoerd.</p> + +<p>Maar wat nu nog aangevangen zonder éenen vriend, die hem den weg kon +wijzen, welken hij te volgen had! Eene groote mismoedigheid maakte zich +meester van Floris. Nog had hij zich door de maaltijd ter herberge, waar +hij met zijn gevolg den intrek genomen had, wat afleiding geschonken, en +zittende tusschen den waard en zijne vrouwe, deed hij een heerlijken +gouden kop brengen, en dien vullen met den geurigsten wijn. Maar zie, +het was het zelfde drinkvat, dat in betaling voor Blancefloer had +gestrekt, en zoo haast zag Floris er niet op afgebeeld, hoe Helena door +Paris uit Griekenland gevoerd werd, of eene groote hitte ging over hem, +en daarna zoo groote koude, dat hij beefde, verbleekte en een diepe +zucht van zijn harte vlood. Nu sprak de waardinne zachtkens tot haren +man, en zeide: "Hebt gij niet opgemerkt hoe treurig dees schoone +jongeling steeds is; het is al geruimen tijd, dat ik hem bijna niets heb +zien eten. Tracht van hem te vernemen, waarom hij dus droeft." De waard +deed wat de vrouw hem ried, en toen zij gedankt hadden over het +tafellaken, gelijk men zegt, nam de waard, die Daris heette, het woord +en zeide: "Vriend, verberg mij niet, wat leed u overkomen is; schaam u +des niet; zeg mij wat u wedervoer: ik zal u ten beste raad +schaffen."—"Heer," sprak de vrouw tot haren man, "ik geloof zeker, dat +hij de broeder is van Blancefloer, die door den Emir zoo bemind wordt. +Het zoû mij niets verwonderen; want ik zag haar van éener gedaante, van +éen manier van doen als dezen jongeling. Zij zijn gelijk in manieren, in +kleur van gelaat en haren, in vorm van alle leden: tenzij zijn gedaante +mij geheel bedriegt, ben ik zeker, dat hij aan de jonkvrouwe verwant is. +In dit huis was zij vijftien dagen in groote droefenis en klagen om +zekeren Floris, dien zij minde; om wiens wille men haar verkocht en in +vreemde landen voerde. Zij dreef uitermate grooten rouw. Toen kocht haar +de Emir, en woog haar tien werven in goud den kooplieden toe, die ze hem +gebracht hadden. Heere, bezie den knaap ter dege. Voor mij, ik geloof +vastelijk, dat deze jonkheere der jonkvrouwe broeder is of haar +geliefde."</p> + +<p>Bij deze woorden hief Floris het hoofd op; op het hooren van haar naam +werd hij in zijn harte zoo verheugd, dat hij in den Hemel geloofde te +zijn. "Vrouwe," zegt hij, "niet broeder, maar geliefde!" Toen hem dit +woord ontvlogen was, zeide hij plotselijk: "Vrouwe ik heb u misleid: wij +hebben éenen vader en éene moeder; wij zijn broeder en zuster." Zoo +begon hij te warren in zijne rede. Welhaast echter kwam hij voor de +geheele waarheid uit. "Wat hebt gij u onderstaan!" zeide de waard: "geen +Koning, die kroon draagt, is er, die zoû durven ondernemen haar den Emir +te ontrooven." En daarop beschrijft hem de waard de macht en den +rijkdom des Emirs en de pracht en de hechtheid van den Jonkvrouwentoren +waarin Blancefloer met hare zeven-maal-twintig schoone gezellinnen +bewaard wordt. Honderd vademen is die toren hoog, bij honderd wijd. Hij +steekt uit boven alle de anderen; hij is gehouwen uit rood marmer. Hij +rijst geheel rond uit de aarde. Het verwelf is binnen van krystal, het +dak is buiten gesmeed van staal. De spits is honderd voet lang en van +goud gemaakt. Daarop staat een appel, waar honderd mark gouds aangegaan +is, en waarop een karbonkelsteen staat, die zoo brandt bij nacht en zoo +helder schittert, dat hij der zonne gelijkt. Hij maakt deze plaats zoo +licht, dat knecht noch knaap noodig heeft een ontstoken lantaarn of +fakkel met zich te voeren. Die hem over twintig mijlen ziet, en er niet +van gehoord heeft, meent, dat hij er in eene mijl reizens nabij is. Vier +woningen zijn in dezen toren, waarvan ik u verhaal. De vloeren zijn alle +van marmersteen en hebben geen ander verband, dan dat er een krystallen +pilaar in den midden door elken vloer gaat en tot den hoogsten reikt. +Daarbinnen springt een heldere fontein tot de bovenste woning en keert +door buizen tot de andere. In de vierde woning, op de hoogste +verdieping, daar woont Jonkvrouwe Blancefloer; daar heeft elke harer +zeven-maal-twintig gezellinnen heure kamer. In den krystallen pilaar nu +steken tappen, daar kunnen zij in hare schalen en bekeren het water uit +de buis ontvangen; als zij de tap willen uittrekken. De kamerdeuren zijn +van kostelijk en onverbrandbaar ebbenhout, van geurig myrrhenhout zijn +de vensters, daar kan geen vlieg, noch mug, noch rupse door; dat +verdriet de jonkvrouwen zeer. Zoldering en wanden zijn met goud en +lazuur beschilderd, en het is een geleerde bol, die al de +geschiedenissen en beelden weet te verklaren, die er van goud op gemaald +zijn.</p> + +<p>"De jonkvrouwen gaan met een trap langs den pilaar uit hare kameren naar +het verblijf van den Emir, dien zij alle, twee om twee, het water en den +doek tot wasschinge moeten brengen.</p> + +<p>"De portier van dezen toren ziet zeer scherp toe, dat niemant den toren +nadere, of het moet blijken wat hij er te doen heeft. In elke der +woningen waken vier wachters, boos en wreed en welgewapend. Door +tooverkunste zijn ze nacht en dag beveiligd tegen den slaap. Zij zijn +altijd gereed, om elk, die zonder behoorlijke rekenschap nadert, dood te +slaan, wie hij ook zij. En weet wel, vriend, dat onze Emir gewoon is een +vrouw niet langer dan een jaar te houden. Dat heeft hij zijn leven lang +gedaan. En dat ze schoon zijn, loont hij haar op vreemde wijs: als het +jaar voorbij is, laat hij alle de grooten van zijn rijk bij-een-komen, +de vrouw in de zaal leiden en een ridder haar het hoofd afslaan. Met +zulk leed moeten de vrouwen des Emirs de eere in 't einde bekoopen; +opdat niemant, na hem, aan zijne vrouwe zich verbinden zoû."</p> + +<p>Floris, op het hooren dezer berichten, was nog ongeduldiger dan vroeger +om zijn opzet door te zetten, en bidt den waard er hem den besten raad +toe te geven. "Sta morgen vroegtijdig op," zegt deze: "begeef u naar den +toren: beschouw hem ter wederzijde; ga de hoogte en dikte met uwe +blikken na, en meet den omvang met uwe schreden. Dan zal de portier op u +toeschieten, en stuurs u aanspreken: andwoord hem bedaard, en zeg hem, +dat gij gekomen zijt om den toren op te nemen, en voornemens in uw land +naar dezen een anderen en beteren te maken. Als hij u van zulke zaken +hoort spreken zal hij begrijpen, dat gij een aanzienlijk man zijt, hij +zal kennis met u willen maken en u ten zijnent noodigen, of gij met hem +schaakspelen wilt. Hij bemint dat spel met hartstocht. Zet honderd +bezanten op het spel; wint gij—geef hem dan zijn inzet met den uwe ten +geschenke. Keer des volgenden daags te-rug, en verdubbel de som. Geef +hem het zijne weder, indien gij wint; en vermeerder het met het uwe. Dat +zal hem vriendelijk stemmen ten uwen opzichte. Vul des derden daags uw +schoone gouden drinkvat met drie-honderd bezanten; en als gij wint, geef +hem steeds het gewonnene te-rug, vermeerderd met uw ingezette som. Zoo +wint gij hoe langer hoe meer zijne genegenheid. Zie echter wel toe, dat +gij uwen gouden beker niet op het spel zet. De man zal u dan aan zijn +disch nooden. Hij zal zijne zinnen zoo sterk op uw drinkvat gesteld +hebben, dat hij er u duizend mark fijn goud voor bieden zal. Sla dit van +de hand. Maar, ten laatste, bied hem het kostbaar stuk als een +vriendschapsgifte aan: dan zal hij buiten zich-zelven zijn, en niet +weten, hoe hij dat groote goed en de eere, die gij hem bewijst, erkennen +zal. Hij zal u zijne handen toesteken als uw dienstman. Wees daarop +voorbereid, en ontvang zijne manschap en getrouwheidseed. Dan moet gij +hem de waarheid stoutelijk bekend maken; hem verhalen, wat zake gij +volvoeren wilt, en wat leed u getroffen heeft. Dan, ik ben des zeker, +zal hij uwe liefde bevorderlijk wezen en u helpen. Helpt <i>hij</i> u +niet—dan is uw zaak verloren."</p> + +<p>Floris deed als hem geraden was. Des anderen morgens vroeg reed hij, op +het prachtigst uitgedost, naar den toren, 1000 gouden schilden had hij +medegenomen. Alles droeg zich juist zoo toe als de waard het voorspeld +had. Toen de portier hem manschap gedaan hade vergde Floris van hem, dat +hij hem Blancefloer zoû doen zien en spreken.</p> + +<p>"Heere," zeide de verschrikte portier, "uw goed heeft mij ten verderve +gebracht. Ik bemerk het te spade. Gij hebt gedaan als de vogelaar, die +met zijn schoon fluiten en blazen de vogelkens in den strik lokt. Kome +er schade van of voordeel—daar het er nu eenmaal toe ligt, zal ik u +trouw bewijzen——Keer nu ter herberge, en kom over drie dagen weder, +dan is het de Meimaand: dan zal ik u helpen."</p> + +<p>Toen Floris, dien het uitstel ontzaglijk lang viel, zich op den +bepaalden dag bij den portier aanmeldde, beval hij den schoonen, +veertienjarigen jongeling zich in een rozerood kleed te steken. Hij had +ook zijn dienaars uitgezonden, om hem uit alle velden, en wouden, en +hoven, de schoonste bloemen te verzamelen. Een ontzettenden korf deed +hij daarmee vullen, en zeide aan zijne knechten, dat hij die aan de +jonkvrouwen ten geschenke wilde geven. Maar toen hij alleen was met +Floris, deed hij dezen in den korf nederzitten, en bedekte hem met een +groote hoeveelheid rozen, akoleyen, lelies, en violen. Ook een krans van +rozen had hij den knaap op het hoofd gezet, en beval hem zich niet te +verroeren. Toen gaf hij last dat men de bloemen de bovenste torentrap +zoû opdragen in de kamer van Blancefloer: "Gaat," zeide hij, "brengt uit +mijn naam deze bloemen aan mijne Jonkvrouwe Blancefloer, en dat zij er +de bloem uit kieze, die haar het beste gevalt!"</p> + +<p>De dienaars gingen. Onder wege vloekten zij op den last, en meenden, dat +zij nooit zoo zware bloemen hadden gedragen;</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Dat seiden si ende seiden waer."</span><br /> +</p> + +<p>Maar o noodlot! Daar dragen zij den korf in eene verkeerde kamer, in die +eener andere jonkvrouwe, eens Hertogen dochter uit Duitschland, Claris +geheeten. "Jonkvrouwe Blancefloer!" zeggen de dienaars, "deze bloemen +zendt u onzen Heer de portier."</p> + +<p>Claris zeide niet, dat zij Blancefloer was—maar aanvaardde de bloemen +al lachende. De dienaars vertrekken. Zij gaat tot den korf en neemt eene +roos. Floris waant dat het Blancefloer is, en spring uit de bloemen naar +haar heen. De jonkvrouw werd zeer vervaard, vluchtte van hem, en riep: +"Help! help! wat bloemen zijn dit!" zoo dat al hare gezellinnen haar ten +bijstand snellen.</p> + +<p>Floris echter verborg zich haastig weêr in den korf onder de bloemen, en +de jonkvrouw, zich bezinnende dat deze voor Blancefloer bestemd waren, +en dat hare vriendin steeds treurde om een jonkman, wiens beschrijving +geheel aan het voorkomen van Floris beandwoordde, herstelde zich +spoedig, en zeide aan de andere jonkvrouwen, "dat uit de bloemen haar +een vlinder in het aangezicht gevlogen was, die haar verschrikt had."</p> + +<p>Nu verwijderde men zich, en Claris gaat tot Blancefloer, die altoos +treurde om haren geliefde. "Blancefloer," zegt ze, "zoete lieve, wilt ge +met mij gaan—ik zal u zulke bloem laten zien, dat gij nooit bloem noch +roze liever zaagt dan deze."</p> + +<p>—"Clarisse," andwoordt zij, "zoete gespele, ik heb zo veel verdriet, +dat ik geen zin heb in bloemen. Gij doet slecht, dat gij spottende tot +mij komt. Die in de hope der liefde leven, hun past het wel bloemtjens +te kweeken, om het leed te vergeten en te verkorten: maar mij naakt +niets dan droefheid. Zoete vriendinne, gij weet wel, dat ik ver van mijn +geliefde ben en hij verre van mij. Ginds is de Emir, die mij binnen +dezer maand nog ter vrouwe denkt te nemen. Maar eer zal ik mij de dood +geven (kan ik hem anders niet ontgaan), dan, levende, Floris te +verliezen."—"Blancefloer," is het wederwoord, "nu bid ik u, bij Floris' +liefde en om zijnentwille, dat gij met mij de bloeme koomt zien—hoe +schoon zij is."</p> + +<p>Zoodra ze haar bij hém bezwoer, stond de schoone Blancefloer op en ging +de bloem met haar aanschouwen. Floris heeft de jonkvrouwen wel gehoord, +en is zeker, dat Blancefloer in de kamer is. Hij richtte zich op en +sprong te voorschijn: hij had het schoonste haar, den blanksten tint, +die ooit iemant ten deel vielen. Hij had een rooden lijfrok aan. Edel +was zijn gedaante, lieflijk blonken zijne oogen. Blancefloer herkende +hem toen zij hem zag; zij kende hem, en hij haar. Beiden stonden zij +roerloos; zij konden geen woord uitbrengen. Toen zij tot bezinning +kwamen, liepen zij al zwijgende tot elkander, zij namen zich in de +armen, drukten elkaâr aan het harte. Het kussen en omhelzen duurde zoo +lang, dat men ter zelfder wijle een groote mijl had kunnen gaan. En toen +zij elkander niet meer kusten, lachten zij elkander al zwijgende toe; en +zagen zich allerminnelijkst aan. Toen zeide Clarisse en begon schalk te +vragen: "Blancefloer," zegt ze, "zoete gezellinne, kent gij de bloem, +waarvoor ik u aanzocht, ook eer dat ik ze u toonde? Draagt gij ze aan uw +boezem? Sints gij ze zaagt, dunkt mij dat ge gants verheugd zijt: daar +moet groote kracht in uwe bloem liggen, die eene jonkvrouwe zoo spoedig +van haren rouw verlost heeft. Eerst woudt gij ze niet zien—nu dunkt mij +zijt ge er zoo meê ingenomen, dat ge voor niemant gunstig genoeg zijn +zoudt om de bloem met hem te deelen."</p> + +<p>—"Deelen?" zegt ze, "is dit dan Floris niet, mijn zoete lief! mijn +zoete vriend aan wien mijn leven en mijn dood ligt, als ik u dikwerf +gezegd heb? Hij is mijn troost, mijn toeverlaat." Toen baden zij +Clarisse beiden, dat zij hunne liefde niet te leed wilde brengen en ze +geheim wilde houden. "Vreest niets," zeide Claris, "hoe zoû ik u kunnen +verraden!"</p> + +<p>Blancefloer nam haren geliefde bij de hand: en zij zaten naast elkander +op een rijk bekleede rustbank. "Floris!" zeide zij, "mij wondert zoo +zeer door wat list gij dezen ontoegankelijken toren hebt weten te +beklimmen, dat ik soms denke of het ook slechts begoocheling zij. Vrees +en twijfel benaauwen mij, dat het Floris niet is, die daar neven mij +zit. Wat zeg ik? ik kenne hem wel; hij is het. Zoete vriend! ei, kom wat +dichter bij mij—'t is Floris, die mij te-rug-gegeven is!" En toen +verhaalden zij elkaar van het leven des afzijns; en dit lijden was hun +thands zoet.</p> + +<p>Maar, helaas, hun geluk was kort van duur. Blancefloer en Claris moesten +den Emir het water en den doek der handwassching reiken —maar reeds was +Claris de trappen afgevlogen met het wasch-bekken, en had Blancefloer +aangespoord te komen, toen deze nog, in de vreugde des wederziens +verloren, aan de borst rustte van haar tederen vriend. De Emir zond zijn +kamerling heimelijk naar boven, daar hij de verschooningsreden, door +Claris bijgebracht, wantrouwde. Een oogenblik later stond de Emir-zelf, +in een gramschap, dat hem het harte dreigde te breken, tegenover de +kinderen, het ontbloote zwaard in de hand. Eerst wilde hij ze beide +neerslaan —doch liet zich verbidden om hen voor de rechters te voeren.</p> + +<p>Juist viel het jaarfeest in, waarop de Emir gewoon was eene vrouw te +nemen. Koningen en Hertogen, al de hoogsten van den Rijk waren binnen de +stad. De hofzaal was prachtig versierd. Thebe noch Troje bezaten ooit +zoo rijk een paleis. De Emir dan riep er zijn Baronnen en Heeren te +zamen, om het vonnis over Floris en Blancefloer uit te spreken—en daar +was er maar éen die het opnam voor de jeugdige gelieven. Zijn voorspraak +mocht echter niet baten.</p> + +<p>Twee krijgsknechten kwamen de kinderen halen, om ze voor den raad te +brengen. Droevig en smartelijk zagen zij zich aan en hadden diepen +deernis met elkander. "Zoete lieve," sprak de Jonkheer tot Blancefloer: +"wij zijn nu zeker van de dood en in het grootst gevaar. En mijne schuld +is het, dat wij sterven moeten. Ware ik niet hier gekomen, u ware dit +leed gespaard gebleven. Maar zal de Emir naar recht uitspraak doen—zoo +zult gij de dood ontkomen. Te onrechte zoudt gij sterven. Lieve, neem +intusschen dit ringetjen: zoo lang gij 't bij u zult hebben, kunt ge +niet sterven."</p> + +<p>"Floris," zegt ze, "wel zoete vriend: hoe onbillijk dunkt mij uw taal! +De schuld is mijne. Om mij weervaart u deze schande. Om mij verliet gij +uw ouderlijk huis en zijt hiertoe gekomen. Ik weet wel, dat ik voor u +sterven moest, ging het naar recht. Geen angst van de dood, geen +marteling, zoo hevig; zal mij den ring doen behouden; want ik ben schuld +van alles."</p> + +<p>Floris zeide, hij kon niet dulden, dat zij sterven en hij leven zoude. +Hij bad haar, dat zij het ringetje name; en zij wilde niet. Hij wierp +het haar toe, en zij 't hem te-rug, zoo lang tot dat het daar neêrviel +onder de voeten. Zij gingen voort. Een Hertog raapte 't op, die hunne +woorden gehoord had.</p> + +<p>De kinderen werden in de raadzaal gebracht, en ieder was zoo zeer door +hunne zeldzame schoonheid en droevig lot getroffen, dat allen de tranen +in de oogen kwamen en de deernis in het hart. Doch de Emir bleef +onverbiddelijk. Hij liet ze op een plein leiden buiten zijn paleis, en +beval, dat men hen daar in een groot vuur wierpe. Toen kwam de Hertog, +die het ringetjen had opgeraapt, dat Blancefloer liet vallen, hij +knielde met bittere klachten oodmoedig voor zijnen Heere neder en +verhaalde hem de woorden, die hij van de kinderen gehoord had, toen zij +van de trap daalden. De Emir beval, dat zij ze hem nog eens vóór zouden +brengen—daar hij hooren wilde, wat ze tot elkander zeggen zouden:</p> + +<p>"Hoe is uw naam?" vroeg hij barsch aan Floris.</p> + +<p>"Heer," zeide de jongeling, "ik heet Floris. Terwijl men mij ter schole +gezonden had, werd mij mijn lief ontstolen, Blancefloer, die hier neven +mij staat. Het zoû onrecht zijn, zoo men haar dede lijden. Heer, ik ben +hier niet met haar meêweten gekomen; dat durf ik voor u en al deze +Edelen, bij het heiligste bezweren. O doe nu wel! en om uwer eere wille, +laat Blancefloer leven, edele Heer! Zij is onschuldig! Mij is de schuld! +Laat den schuldige 't ontgelden."</p> + +<p>—"Heer," riep Blancefloer, "houdt u niet aan zijne woorden, die gij +gehoord hebt. 't Is alles om mij gebeurd—mijn is de schuld. Ware ik +niet in den toren geweest—mijn lief ware er niet gekomen. Ik durf wel +met waarheid zeggen, dat hij eens Konings Zone is. Verloor hij zijn +leven ter mijner liefde—dat ware groot onrecht, groote schade. Lieve +Heer, laat hem leven—en breng mij ter dood."</p> + +<p>—"Neen!" sprak Floris, "Heere, laat gaan mijne vriendinne, en sla mij +terneder!"</p> + +<p>Toen andwoordde de Emir en zeide: "Zeker, gij zult beide sterven! Ik +zal zelf mij wraak verschaffen van den smaad, die mij is aangedaan."</p> + +<p>En een blank zwaard nam hij in zijne hand.</p> + +<p>Blancefloer sprong driftig naar voren, en bood haar hoofdjen.... Floris, +met de tranen op de wangen, vloog haar na, en wilde haar achteruit +trekken: "Gij zult niet de eerste de dood ontvangen!" riep hij.</p> + +<p>Toen rekte hij zijn hals en bad den Emir toe te slaan, en haastiglijk, +want hij was bereid. Blancefloer verzett'e zich met inspanning! "Heer, +mijn is de schuld," riep zij, "waarom slaat gij niet?"</p> + +<p>De een konde den ander niet voor zijne oogen zien sterven.</p> + +<p>Men weende, en jammerde, en wrong de handen over dit harde vonnis.</p> + +<p>Ook de Emir was geroerd. Allen vereenigden zich om hem te verbidden. Het +zwaard viel hem uit de hand. Op voorbede van den Hertog die het ringetje +gevonden had, en vooral van eenen Bisschop, die den Emir te voet viel, +betoonde hij zich vergevensgezind. Hij gaf Floris verlof zijne +geschiedenis te verhalen; de jongeling kweet zich daarvan met +kinderlijken eenvoud, maar bleef weigeren bekend te maken door wat +middel hij in den toren was gekomen; toch nam toen de Emir de hand van +Blancefloer en zeide: "Vriend, neem den schat te-rug, die u toebehoort: +ik beveel ze uwer trouwe: om Gods en dezer Heeren wilde, schenk ik u +beide het leven."</p> + +<p>Schreiend vielen zij hem te voet; hij hief hen op en kuste ze, en maakte +Floris ridder, op de wijze als het daar te lande gebruikelijk was.</p> + +<p>De Emir nam toen de goede Claris, voor zijn leven, ter vrouwe, en daar +werd een groote maaltijd gegeven, waar menige gouden beker geledigd, en +menig vreugdelied gezongen werd.</p> + +<p>Korten tijd daarna kwam er een gezantschap uit Spanje, met het bericht, +dat Floris' ouders overleden waren, en met de bede van zijn volk, dat +hij ze mocht komen regeeren.</p> + +<p>Floris liet de toebereidselen maken tot zijn vertrek, en onder de +heilwenschen van den Emir en de zijnen, toog hij met Blancefloer en een +groot gevolg naar zijn vaderland.</p> + +<p>Daar ontvingen hem zijne onderdanen met geestdrift, en kroonden hen +Koning en Koninginne.</p> + +<p>Floris omhelsde de Christen Godsdienst, de Godsdienst van Blancefloer; +en geheel zijn volk deed als hij.</p> + +<p>Hongarije en Bulgarië verstierven van eenen oom in later tijd nog op +hem.</p> + +<p>Hij had eene dochter bij zijne gade, die Baerte heette "metten breden +voeten". Koning Pippyn dam haar ter vrouwe; een machtig Koning, die bij +haar een kind verwekte, daar veel van te vermelden ware: Dat was de +Koning Caerle van Frankrijk,<a name="FNanchor_1_71" id="FNanchor_1_71"></a><a href="#Footnote_1_71" class="fnanchor">[1]</a> die met groote machte menigen burg +gewonnen heeft.</p> + +<p>Hier eindig ik dit verhaal.</p> + +<p>Floris kreeg Blancefloer niet dan met moeiten en smart:</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2.5em;">"Hi pijnder hem om; God halper hem toe:"<a name="FNanchor_2_72" id="FNanchor_2_72"></a><a href="#Footnote_2_72" class="fnanchor">[2]</a></span> +</p> + +<p>Zo moge Hij, vroeg en laat, ons desgelijks helpen, dat wij al onze daden +tot een goeden uitkomst ten jongsten dage brengen mogen! Amen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_71" id="Footnote_1_71"></a><a href="#FNanchor_1_71"><span class="label">[1]</span></a> <i>Koning Caerle van Frankrijk</i>: Charlemagne.</p></div> + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_72" id="Footnote_2_72"></a><a href="#FNanchor_2_72"><span class="label">[2]</span></a> <i>Pijnen</i>: inspannen.</p></div> + + +<div class="figcenter" style="width: 400px;"> +<img src="images/thijm017.jpg" width="400" alt="" title="" /> +</div> + + +<hr style="width: 95%;" /> + +<p> +<a name="Contents" id="Contents"></a>Contents</p> +<p class="small"> +<a href="#CAREL_EN_ELEGAST">CAREL EN ELEGAST</a><br /> +<a href="#DE_VIER_HEEMSKINDEREN">DE VIER HEEMSKINDEREN.</a><br /> +<a href="#HET_EERSTE_CAPITTEL">HET EERSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TWEEDE_KAPITTEL">HET TWEEDE KAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_DERDE_CAPITTEL">HET DERDE CAPITTEL</a><br /> +<a href="#HET_VIERDE_CAPITTEL">HET VIERDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_VIJFDE_CAPITTEL">HET VIJFDE CAPITTEL</a><br /> +<a href="#HET_ZESDE_CAPITTEL">HET ZESDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZEVENDE_CAPITTEL">HET ZEVENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ACHTSTE_CAPITTEL">HET ACHTSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_NEGENDE_CAPITTEL">HET NEGENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TIENDE_CAPITTEL">HET TIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ELFDE_CAPITTEL">HET ELFDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TWAALFDE_CAPITTEL">HET TWAALFDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_DERTIENDE_CAPITTEL">HET DERTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_VEERTIENDE_CAPITTEL">HET VEERTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_VIJFTIENDE_CAPITTEL">HET VIJFTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZESTIENDE_CAPITTEL">HET ZESTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZEVENTIENDE_CAPITTEL">HET ZEVENTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ACHTTIENDE_CAPITTEL">HET ACHTTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_NEGENTIENDE_CAPITTEL">HET NEGENTIENDE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_EEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_TWEE-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_DRIE-EN-TWINTIGSTE_CAPITEL">HET DRIE-EN-TWINTIGSTE CAPITEL.</a><br /> +<a href="#HET_VIER-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_VIJF-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET VIJF-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZES-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET ZES-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#HET_ZEVEN-EN-TWINTIGSTE_CAPITTEL">HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.</a><br /> +<a href="#WILLEM_VAN_ORANJE">WILLEM VAN ORANJE.</a><br /> +<a href="#FLORIS_EN_BLANCEFLOER">FLORIS EN BLANCEFLOER.</a><br /> +</p> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Karolingsche Verhalen, by +Josephus Albertus Alberdingk Thijm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KAROLINGSCHE VERHALEN *** + +***** This file should be named 39717-h.htm or 39717-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/9/7/1/39717/ + +Produced by Annemie Arnst & Marc D'Hooghe at +http://www.freeliterature.org + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License available with this file or online at + www.gutenberg.org/license. + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation information page at www.gutenberg.org + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at 809 +North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email +contact links and up to date contact information can be found at the +Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For forty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/old/39717-h/images/thijm001.jpg b/old/39717-h/images/thijm001.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7edb18c --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm001.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm002.jpg b/old/39717-h/images/thijm002.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6d52c8e --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm002.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm003.jpg b/old/39717-h/images/thijm003.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..01b6e13 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm003.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm004.jpg b/old/39717-h/images/thijm004.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..aea8872 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm004.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm005.jpg b/old/39717-h/images/thijm005.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3585d26 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm005.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm006.jpg b/old/39717-h/images/thijm006.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c19dddb --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm006.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm007.jpg b/old/39717-h/images/thijm007.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..10a7d0d --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm007.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm008.jpg b/old/39717-h/images/thijm008.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4759e56 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm008.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm009.jpg b/old/39717-h/images/thijm009.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9883dd2 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm009.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm010.jpg b/old/39717-h/images/thijm010.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e6c0574 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm010.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm011.jpg b/old/39717-h/images/thijm011.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4730431 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm011.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm012.jpg b/old/39717-h/images/thijm012.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a58c7f0 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm012.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm013.jpg b/old/39717-h/images/thijm013.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e244982 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm013.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm014.jpg b/old/39717-h/images/thijm014.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bd9b14e --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm014.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm015.jpg b/old/39717-h/images/thijm015.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..38cb4d6 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm015.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm016.jpg b/old/39717-h/images/thijm016.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..46b0431 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm016.jpg diff --git a/old/39717-h/images/thijm017.jpg b/old/39717-h/images/thijm017.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6a33536 --- /dev/null +++ b/old/39717-h/images/thijm017.jpg |
